ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 86

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

62e jaargang
7 maart 2019


Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Comité van de Regio's

 

132e CvdR-zitting, 5.12.2018-6.12.2018

2019/C 86/01

Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2019

1

 

ADVIEZEN

 

Comité van de Regio's

 

132e CvdR-zitting, 5.12.2018-6.12.2018

2019/C 86/02

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het uitbreidingspakket 2018

8

2019/C 86/03

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over belastingheffing in de digitale economie

14

2019/C 86/04

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het actieplan: duurzame groei financieren

24

2019/C 86/05

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over modellen van lokale verantwoordelijkheid voor energie en de rol van lokale gemeenschappen bij de energietransitie in Europa”

36


 

III   Voorbereidende handelingen

 

COMITÉ VAN DE REGIO'S

 

132e CvdR-zitting, 5.12.2018-6.12.2018

2019/C 86/06

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over de verordening gemeenschappelijke bepalingen

41

2019/C 86/07

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het Europees Sociaal Fonds Plus

84

2019/C 86/08

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds

115

2019/C 86/09

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over Europese territoriale samenwerking

137

2019/C 86/10

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het grensoverschrijdend mechanisme

165

2019/C 86/11

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over de hervorming van het GLB

173

2019/C 86/12

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

239

2019/C 86/13

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het programma voor de eengemaakte markt

259

2019/C 86/14

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het programma Digitaal Europa (2021-2027)

272

2019/C 86/15

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het Europees Solidariteitskorps en een nieuwe EU-strategie voor jongeren

282

2019/C 86/16

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over nabuurschap en internationaal beleid

295

2019/C 86/17

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het InvestEU-programma

310

2019/C 86/18

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het steunprogramma voor hervormingen en een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen

335

2019/C 86/19

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake minimumeisen voor hergebruik van water

353

2019/C 86/20

Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma

365


NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Comité van de Regio's

132e CvdR-zitting, 5.12.2018-6.12.2018

7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/1


Resolutie van het Europees Comité van de Regio’s over het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2019

(2019/C 86/01)

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S (CvdR)

gelet op:

het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2019 (1);

het Protocol betreffende de samenwerking met de Commissie van februari 2012;

de gezamenlijke verklaring over de wetgevingsprioriteiten van de EU voor 2018-2019;

1.

benadrukt dat 2019 een cruciaal jaar zal zijn voor de toekomst van de Europese Unie, nu haar grondslagen ter discussie worden gesteld. Tegen deze achtergrond herhaalt het CvdR dat het absoluut noodzakelijk is om de basis aansluiting te laten vinden bij het Europese niveau en lokale en regionale vertegenwoordigers en Europese burgers te betrekken bij de formulering en uitvoering van EU-beleidsmaatregelen, met name door de juiste toepassing van actieve subsidiariteit en multilevel governance;

2.

pleit voor een spoedig akkoord over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) vóór de Europese verkiezingen in mei 2019 om ervoor te zorgen dat de nieuwe EU-programma’s op tijd van start gaan en schaart zich achter het verzoek van het Europees Parlement om het komende MFK te laten overeenstemmen met ten minste 1,3 % van het bruto nationaal inkomen van de EU-27;

3.

betreurt dat het voorstel van de Commissie geen duidelijke maatregelen voor meer gendergelijkheid bevat. Conform artikel 8 van het VWEU moet gendergelijkheid integraal deel uitmaken van alle beleidsterreinen en activiteiten van de EU om zo voor meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen te zorgen. Daarnaast zou het budget hiervoor vergroot, verbreed en gesystematiseerd moeten worden;

4.

zou graag zien dat de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk tijdig een akkoord bereiken over het voornemen van het VK om zich uit de EU terug te trekken, met behoud van de vier aspecten van het vrije verkeer. Het CvdR verwacht dat de Commissie het betrekt bij de onderhandelingen over de toekomstige samenwerking tussen het VK en de EU na 30 maart 2019, in zijn rol als doorgeefluik van de bijdragen van regionale en lokale overheden voor een productieve en duurzame toekomstige relatie;

Burgerschap, governance en beter wetgeven

5.

is ingenomen met de mededeling van de Commissie over de versterking van de rol van subsidiariteit en evenredigheid, die de uitvoering van de aanbevelingen van de taskforce Subsidiariteit, Evenredigheid en „Minder en efficiënter optreden” bevordert. Daarom roept het CvdR het Europees Parlement en de Commissie op om de aanbevelingen van de taskforce uit te voeren in samenwerking met het CvdR om zo actieve subsidiariteit in Europa en een nieuwe manier van werken te bevorderen. Het CvdR blijft aan die uitvoering bijdragen door de deskundigheid en kennis van de Europese steden en regio’s te verzamelen, met name via het netwerk voor subsidiariteitstoezicht, het netwerk van regionale hubs en het REGPEX-platform;

6.

vraagt zich af of het voorstel over de halfjaarlijkse tijdomschakeling tegemoetkomt aan de Europese meerwaarde en de door de taskforce voorgestelde coördinatievereisten en waarschuwt voor de nadelige gevolgen voor de lokale en regionale overheden (met name in grensgebieden);

7.

is ingenomen met het plan van de Commissie om gebruik te maken van de overbruggingsclausule teneinde met name op het gebied van belastingen te stemmen bij gekwalificeerde meerderheid, hetgeen de bestrijding van belastingontwijking zou vergemakkelijken en ruimte zou bieden voor eerlijker belastingstelsels;

Banen, groei, investeringen en cohesiebeleid

8.

roept, samen met de partners in de #CohesionAlliance, op tot een snel akkoord over het wetgevingspakket cohesiebeleid voor de periode 2021-2027, dat gebaseerd zou moeten blijven op de beginselen van partnerschap en multilevel governance. Het CvdR herinnert eraan dat het cohesiebeleid het belangrijkste investeringsbeleid van de EU is voor een sterkere economische, sociale en territoriale samenhang in de Europese Unie. Het vraagt, vanuit de bedoeling de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio’s en de achterstand van de minst begunstigde regio’s te verkleinen, om bijzondere aandacht te besteden aan plattelandsgebieden, regio’s die een industriële overgang doormaken of die kampen met ernstige en permanente geografische of demografische belemmeringen, zoals insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden;

9.

vestigt de aandacht op het feit dat het programma van de Commissie voor 2019 geen enkele verwijzing naar de ultraperifere regio’s bevat, terwijl dit in ieder geval wat betreft de tenuitvoerlegging van de mededeling „Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU” van 2017 wel zou moeten. Het CvdR hoopt dat de Commissie de nodige stappen zal blijven zetten om de nieuwe aanpak voor de ultraperifere regio’s verder te ontwikkelen;

10.

stelt voor om voort te bouwen op de ervaring die de partnerschappen in het kader van de stedelijke agenda hebben opgeleverd en waarmee positieve resultaten werden geboekt op het stuk van acties in het kader van multilevel governance om de subsidiariteitstoets te verbeteren en om de band tussen betere regelgeving en de stedelijke agenda voor de EU te versterken. Het CvdR is van mening dat het actieplan van het stedelijke partnerschap voor huisvesting dat in november 2018 werd goedgekeurd, het pad effent voor een Europese agenda voor huisvesting;

11.

stelt met bezorgdheid vast dat de overheidsinvesteringen in de EU ontoereikend en ongelijk verdeeld blijven, wat blijkt uit de aandacht die de Commissie in het Europees semester 2019 besteedt aan langetermijninvesteringen. Het CvdR herhaalt daarom dat het akkoord over de flexibiliteitsmarges binnen het Stabiliteits- en groeipact (SGP) in primair recht moet worden omgezet. Ook pleit het CvdR nogmaals voor verdere maatregelen om overheidsinvesteringen te stimuleren, met name door nationale, regionale en lokale cofinanciering in de context van de ESIF uit te sluiten van de berekeningen in het kader van het SGP, zoals ook al het geval is bij cofinanciering in de context van het EFSI;

12.

verzoekt de Commissie om pragmatisch om te gaan met de bestuurlijke aspecten van het InvestEU-programma, na overleg met de voornaamste betrokken actoren, zoals de EIB;

13.

benadrukt de sterke Europese meerwaarde van jeugdbeleidsmaatregelen en programma’s zoals Erasmus+, het Europees Solidariteitskorps en DiscoverEU en wijst erop dat die toegankelijker moeten worden gemaakt en dat ervoor gezorgd moet worden dat de lokale en regionale overheden bij de uitvoering ervan worden betrokken. Daarbij kan ook worden gedacht aan een beloning voor projecten met een hoge toegevoegde waarde wat betreft de betrokkenheid van jongeren met een handicap en de regionale en lokale dimensie, met name van plattelandsgebieden, gebieden waar immigranten worden opgevangen, ultraperifere gebieden van de Unie en landen en gebieden overzee. In overeenstemming met de nieuwe strategie voor jongeren herhaalt het CvdR zijn verzoek om een gestructureerde samenwerking tussen het CvdR en de voorgedragen EU-jongerencoördinator tot stand te brengen;

14.

onderstreept dat de Commissie en de lidstaten de innovatiekloof tussen de regio’s moeten dichten en oppert dat Horizon Europa de banden zou moeten aanhalen met nationale of regionale strategieën voor slimme specialisaties (S3) zodat de EU haar potentieel op het gebied van onderzoek en innovatie (O&I) maximaal kan benutten;

15.

kijkt uit naar het aangekondigde Gecoördineerd plan voor de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie in Europa, dat ook betrekking zou moeten hebben op de openbare sector op lokaal en regionaal niveau, gezien de rol en betrokkenheid van de lokale en regionale overheden bij de bevordering van investeringen en het KI-ecosysteem in hun gebieden;

Economisch beleid en de sociale dimensie van de EU

16.

benadrukt dat de duurzameontwikkelingsdoelstellingen geïmplementeerd zouden moeten worden als het overkoepelende referentiekader voor het EU-beleid en specifiek de Europa 2020-strategie zouden moeten vervangen als langetermijndoelstellingen voor het Europees semester;

17.

spreekt nogmaals zijn steun uit voor de invoering van een begrotingscapaciteit om de veerkracht van de eurozone te vergroten en de weg vrij te maken voor convergentie met toekomstige eurolanden. Deze capaciteit moet echter worden gefinancierd uit eigen middelen die losstaan van de middelen die zijn uitgetrokken voor de financiering van de begroting van de EU, om te voorkomen dat deze capaciteit wordt ingezet voor EU-programma’s die toegankelijk zijn voor de EU-27. Bovendien dient deze capaciteit niet te worden meegerekend in het plafond voor de begrotingsmiddelen van de EU;

18.

onderstreept dat het lage uitvoeringsniveau van de landenspecifieke aanbevelingen te wijten is aan een gebrek aan medeverantwoordelijkheid, financiering en administratieve capaciteit op alle niveaus en herhaalt daarom zijn voorstel om een gedragscode op te stellen voor de inbreng van lokale en regionale overheden in het Europees Semester;

19.

vreest dat de lokale en regionale overheden niet voldoende hebben geprofiteerd van door de EU gefinancierde maatregelen voor capaciteitsopbouw in het kader van het nieuwe MFK. De Commissie wordt nogmaals verzocht om één pakket richtsnoeren uit te vaardigen om alle door de EU gefinancierde maatregelen voor capaciteitsopbouw te coördineren;

20.

is ingenomen met de voorstellen van de Commissie om regels vast te stellen op grond waarvan winsten die door multinationale ondernemingen via de digitale economie worden gegenereerd, belast kunnen worden. Het CvdR benadrukt ook dat er een Europese wettelijke definitie moet komen voor „virtuele vaste inrichting voor digitale ondernemingen”;

21.

roept de Commissie op om nauwlettend toe te zien op de Europese pijler van sociale rechten en is bezorgd over de vermindering van de desbetreffende begrotingsmiddelen. Het CvdR is van mening dat het in dit opzicht van essentieel belang is om de sterke territoriale component bij de uitvoering van de pijler te erkennen. De Commissie en de Europese wetgever worden ertoe aangespoord vaart te zetten achter de instelling van de Europese Arbeidsautoriteit en ervoor te zorgen dat een vertegenwoordiger van de regionale overheden van de lidstaten in de bestuursraad ervan wordt opgenomen;

22.

is ingenomen met de recente oprichting van de deskundigengroep van de Europese Commissie op het gebied van de sociale economie en sociale ondernemingen, waarin het CvdR vertegenwoordigd is, en dringt er bij de Europese Commissie op aan om een Europees rechtskader te presenteren dat een reeks gemeenschappelijke definities omvat met betrekking tot de verschillende vormen van sociale economie, te weten coöperaties, onderlinge maatschappijen, verenigingen en stichtingen;

23.

stelt de uitrol van een Europese kindergarantie voor, als instrument voor de uitvoering van beginsel 11 van de Europese pijler van sociale rechten, om het dramatische cijfer van kinderarmoede en uitsluiting in de EU (26,4 % in 2017) aan te pakken. Die garantie zou integraal deel moeten uitmaken van het ESF+;

Internemarktstrategie, kleine en middelgrote ondernemingen, industrie, concurrentie en de digitale eengemaakte markt

24.

wijst op het belang van de ontwikkeling van een geïntegreerde industriële strategie en bevestigt nogmaals dat het zich ten doel stelt de rol van de lokale en regionale overheden in zijn strategie op te nemen;

25.

verzoekt de Commissie om een geactualiseerde versie van de Small Business Act voor te stellen. Wat in het bijzonder de kmo-test betreft, moedigt het CvdR de Commissie aan om rekening te houden met de diverse specifieke kenmerken van de wetgeving waarop de test moet worden toegepast, met name wetgevingsvoorstellen, en om te interveniëren met corrigerende maatregelen in de geest van REFIT;

26.

herhaalt zijn toezegging om feedback te geven over de implementatie van de richtlijnen van 2014 over aanbestedingen op lokaal en regionaal niveau, in het licht van het belang van subnationale overheden op het gebied van overheidsaanbestedingen en met het oog op de evaluatie van het gebruik van sociale en milieucriteria;

27.

roept de Commissie op om in 2019 te beginnen met een herziening van het wetgevingskader voor staatssteun, met name de algemene groepsvrijstellingsverordening, de de minimis-verordening en het DAEB-kader, teneinde alle relevante belanghebbenden tijdig te betrekken bij een constructieve dialoog over de inhoud van de hervorming;

28.

verzoekt de Commissie de uitrol van breedbandinfrastructuur te vergemakkelijken, met bijzondere aandacht voor plattelandsgebieden, die een laag inwoneraantal en een geringe bevolkingsdichtheid hebben, en waar breedband van cruciaal belang is voor een doeltreffende openbaredienstverlening omdat daarmee opnieuw een jongere bevolking wordt aangetrokken die nieuwe zaken opstart — kortom gebieden waar operatoren geen commerciële belangen hebben en de markt als mislukt kan worden beschouwd. Dat zou bijdragen tot het dichten van de digitale kloof in de EU en de totstandbrenging van een samenhangend netwerk van Europese digitale-innovatiehubs;

29.

verzoekt de Commissie met voorstellen te komen voor de aanpak van regelgevingskwesties in verband met de deel- en digitale economie; dringt in het bijzonder aan op een EU-richtlijn inzake platformwerk op basis van artikel 153, lid 2, onder b) van het VWEU om minimumnormen voor eerlijke arbeidsvoorwaarden in de digitale economie vast te stellen;

Land- en bosbouw, volksgezondheid en consumentenbescherming

30.

dringt erop aan dat het GLB wordt ontwikkeld tot een vereenvoudigd, billijk, duurzaam en solidair landbouwbeleid ten behoeve van landbouwers, regio’s, consumenten en burgers, en dringt aan op meer interne en externe convergentie van de rechtstreekse betalingen, doeltreffende instrumenten voor crisisbeheer om het inkomen van landbouwers te stabiliseren en meer multilevel governance bij de opstelling en uitvoering van de nationale strategische plannen;

31.

schaart zich achter het Europees Parlement (2) in zijn pleidooi voor een EU-agenda voor plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden ten gunste van sociaaleconomische ontwikkeling, economische groei en diversificatie, maatschappelijk welzijn, natuurbescherming alsmede samenwerking en onderlinge verbondenheid met stedelijke gebieden, met het doel de cohesie te verbeteren en het risico van territoriale versnippering tegen te gaan;

32.

pleit ook voor een Europese strategie voor met demografische uitdagingen kampende regio’s om ervoor te zorgen dat er op alle EU-beleidsterreinen — waaronder cohesie, innovatie, vervoer, gezondheid, sociaal en werkgelegenheidsbeleid, ICT, plattelandsontwikkeling en migratie — meer aandacht komt voor dit fenomeen. Zoals voorgesteld in het CvdR-advies „Het antwoord van de EU op de demografische uitdaging” zouden kostenanalyses en prognoses voor het nationale, regionale en lokale niveau deel moeten uitmaken van deze strategie;

33.

wijst erop dat innovatie en digitale oplossingen van het grootste belang zijn voor de ontwikkeling van slimme dorpen, de revitalisering van stadscentra en plattelandsgebieden; verzoekt de Commissie de balans op te maken van en een vervolg te geven aan de acties die worden uitgevoerd in het kader van het EU-actieplan voor slimme dorpen;

34.

is voornemens te reageren op de in december 2018 verwachte tussentijdse evaluatie van de bosbouwstrategie van de EU en benadrukt het belang van preventie van ontbossing, herbebossing en conversie van bossen;

35.

is tevreden dat het EFMZV wordt voortgezet als specifiek en vereenvoudigd fonds met een budget voor blauwe groei waarmee in samenhang met andere Europese programma’s horizontale maatregelen kunnen worden genomen. Het CvdR dringt erop aan dat de begroting van het EFMZV en het aandeel gedeeld beheer hetzelfde blijven als in het vorige programma. De exclusieve visserij- en aquacultuurgebieden van de EU, de ontwikkeling van de blauwe economie, de steun aan havens, de milieubescherming en het behoud van de maritieme biodiversiteit krijgen na 2020 te maken met grote uitdagingen en moeten daarom door het EFMZV worden ondersteund. De verplichting om financiële instrumenten in het kader van het EFMZV te gebruiken voor de ondersteuning van aquacultuur en de verwerking van producten, zou moeten worden geschrapt;

36.

betreurt dat de opname van het gezondheidsprogramma van de EU in het ESF+ heeft geleid tot geringere financiële middelen voor door de EU gefinancierde gezondheidsinitiatieven en dringt aan op maatregelen en financiering ter compensatie van deze vermindering;

37.

verzoekt de Commissie zich over bestaande etiketteringssystemen voor levensmiddelen te buigen en een voorstel voor te leggen voor één, verplicht Europees systeem van kleurcodes dat de consument per 100 gram product duidelijke informatie verschaft en zo gezonde voedingspatronen kracht bijzet. Ook voor producten met voedings- en gezondheidsclaims moeten specifieke criteria worden ingevoerd;

38.

is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een Europees elektronisch patiëntendossier om de behandeling van patiënten in alle regio’s en lidstaten te verbeteren; verzoekt de Commissie om in dit voorstel zorgvuldig te kijken naar gegevensbescherming en interoperabiliteitskwesties;

Toerisme en cultuur

39.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een grondige herziening van haar toerismestrategie van 2010 met een duidelijk meerjarig werkprogramma;

40.

verzoekt om een follow-up van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 aan de hand van een nieuw Europees actieplan voor cultureel erfgoed;

Energie-unie, klimaatbeleid en milieu

41.

bepleit de invoering van een doeltreffend multilevel governance-mechanisme om het pakket „Schone energie voor alle Europeanen” efficiënt uit te voeren, door ervoor te zorgen dat de nationale energie- en klimaatplannen in nauwe samenwerking met de lokale en regionale overheden worden opgesteld en dat er een systeem van lokale en regionale bijdragen wordt ontwikkeld ter aanvulling van de NDC’s krachtens de Overeenkomst van Parijs;

42.

onderstreept het belang, gelet op het vierde verslag over de staat van de energie-unie, van de bevordering van een rechtvaardige energietransitie, die speciale aandacht besteedt aan regio’s die in het bijzonder getroffen zullen worden, zoals regio’s die specifiek afhankelijk zijn van de fossiele brandstoffenindustrie, en eilanden, met name eilanden die niet onderling verbonden zijn, zoals de ultraperifere regio’s. In dit verband erkent het CvdR dat er al maatregelen inzake energiearmoede genomen zijn en benadrukt het de sleutelrol van de LRO bij de uitvoering daarvan;

43.

roept de Commissie op om de sociaaleconomische gevolgen van de nieuwe opzet van de elektriciteitsmarkt voor alle lidstaten en regio’s te monitoren;

44.

is ingenomen met de recent verschenen „Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie: een schone planeet voor iedereen”, die de EU ertoe verbindt in 2050 klimaatneutraal te zijn, en wijst op de centrale rol die de lokale en regionale overheden daarbij spelen. De uitvoeringsmaatregelen voor deze strategie moeten gebaseerd zijn op het beginsel van multilevel governance, moeten aan de lokale en regionale overheden een formele rol geven via met name de integratie van een systeem van lokaal en regionaal bepaalde bijdragen in de nationale energie- en klimaatplannen, en moeten voortbouwen op initiatieven zoals het Burgemeestersconvenant. De in dit verband geleverde inspanningen moeten nauw op de strategie voor de circulaire economie en de energie-unie worden afgestemd, waarbij erop dient te worden gelet dat de sociaaleconomische gevolgen van de nodige veranderingen eerlijk worden verdeeld om een rechtvaardige transitie te realiseren;

45.

roept de Europese Commissie op om in samenwerking met het CvdR een strategisch en geïntegreerd 8e Milieuactieprogramma op te stellen en verbindt zich ertoe om een actieve rol te spelen in het Technisch Platform voor milieusamenwerking. Het CvdR wil voorts dat de subnationale overheden worden betrokken bij de tweede cyclus van de evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid;

46.

roept de Commissie ertoe op met een voorstel te komen voor een alomvattend plan om de uitvoering van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 te verbeteren door de lidstaten strategische richtsnoeren te verschaffen en met name de cruciale rol van de lokale en regionale overheden in dit verband formeel te erkennen. Het CvdR kijkt ernaar uit om nauw met de Commissie te blijven samenwerken bij de proactieve voorbereiding van het beleidskader voor na 2020 met het oog op de COP15 in Peking in 2020. Dit zal krachtige toezeggingen vereisen om niet alleen het verlies van biodiversiteit en ecosystemen een halt toe te roepen, maar deze ook te herstellen, en vragen om een ambitieus en inclusief beleidskader voor biodiversiteit tot 2030 waarmee de visie voor 2050 van het Biodiversiteitsverdrag in de context van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen kan worden verwezenlijkt;

47.

roept de Commissie op om de beginselen van rampbestendigheid beter te integreren in alle beleidsmaatregelen en fondsen van de EU, zodat de lidstaten en subnationale overheden beter in staat zijn om natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen te voorkomen, zich erop voor te bereiden, erop te reageren en zich ervan te herstellen. Dat kan door een beter inzicht te verwerven in risico’s, onder meer met de invoering van een eenvormige methode voor risicoanalyse en de uitvoering van gerichte en steeds nauwkeurigere studies die niet alleen dienen om een idee te krijgen van de kwetsbaarheden van specifieke gebieden, maar ook om in te schatten welke economische schade een gebied — rechtstreeks of onrechtstreeks — kan ondervinden wanneer het door een extreem natuurverschijnsel wordt getroffen;

48.

herhaalt zijn oproep voor een EU-stappenplan voor fietsen om in te spelen op de groeiende vraag naar gecoördineerde actie op EU-niveau;

Justitie, veiligheid, grondrechten en migratie

49.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de lokale en regionale overheden te ondersteunen bij de aanpak van radicalisering door voor deze overheden richtsnoeren uit te vaardigen voor preventiestrategieën ter bestrijding van radicalisering;

50.

roept op tot striktere procedures en mechanismen voor de bescherming van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, die deel zouden kunnen uitmaken van een pact van de Unie;

51.

verwelkomt het VN-pact inzake migratie en moedigt alle lidstaten aan om dat op 10-11 december in Marrakesh te ondertekenen en vervolgens te ratificeren. Dit pact vormt een essentieel onderdeel van een alomvattende multilaterale en meerlagige aanpak van migratie zoals door het CvdR bepleit;

52.

benadrukt dat een doeltreffend en humaan beheer van de buitengrenzen van de EU en de ontwikkeling van een alomvattend migratiebeleid en een gemeenschappelijk Europees asielstelsel met gemeenschappelijke hoge normen essentieel zijn voor alle gemeenten, steden en regio’s, vooral als ze vluchtelingen opvangen of als ze langs grenzen liggen en te maken krijgen met grote stromen migranten;

53.

verzoekt de Commissie aanvullende veilige en toegankelijke wettelijke trajecten voor migratie naar de EU voor te stellen, zoals humanitaire visa en particuliere sponsoringprogramma’s, en roept de lidstaten op snel overeenstemming te bereiken over een nieuw EU-hervestigingskader dat wat de beschermingstermijnen en het aantal begunstigden betreft, ambitieus is. Tevens wordt de Commissie verzocht de lidstaten aan te moedigen om concrete solidariteit te tonen ten opzichte van de lidstaten die het meest aan migratiestromen zijn blootgesteld, zulks in overeenstemming met artikel 80 VWEU en het betreffende beginsel van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, en dit ook op financieel vlak;

54.

verzoekt de Commissie de financieringsprocedures verder te vereenvoudigen en te bespoedigen en de rechtstreekse toegang van regio’s en steden tot de financiële middelen voor de aanpak van humanitaire crises en de integratie van vluchtelingen te vergemakkelijken; noodhulp kan de vorm aannemen van subsidies die rechtstreeks worden toegekend aan lokale en regionale overheden die naar verwachting met een omvangrijke migratie te maken zullen krijgen, en dan vooral aan overheden die verantwoordelijk zijn voor de opvang en integratie van niet-begeleide minderjarige immigranten; verzoekt de Commissie tevens haar inspanningen op te voeren om de uitwisseling van goede praktijken tussen Europese lokale en regionale overheden op het gebied van de integratie van migranten te vergemakkelijken, en zich met name op middelgrote en kleine steden te richten;

55.

dringt er bij de Commissie op aan om, naar het voorbeeld van de EU-steun voor de integratie van vluchtelingen en voor derde landen in het kader van humanitaire hulpoperaties, steun te verlenen voor de integratie van burgers met de Europese nationaliteit die vanwege politieke, economische of humanitaire crises worden gedwongen hun gastland te verlaten en anders op geen enkele manier zouden worden beschermd ondanks dat ze EU-burgers zijn;

Extern beleid

56.

roept de Europese Commissie op om ten volle rekening te houden met de inbreng van de lokale en regionale overheden en de werkzaamheden van de gemengde raadgevende comités en werkgroepen van het CvdR, met name de voortgangsverslagen over de (potentiële) kandidaat-lidstaten in 2019, en herhaalt zijn oproep om de bestaande EU-financieringsregelingen, met name TAIEX en Twinning, verder aan te passen aan de behoeften van lokale en regionale belanghebbenden;

57.

is voorstander van een nieuw programma voor Europese territoriale samenwerking dat nauwe samenwerking tussen lokale en regionale overheden in de lidstaten en in kandidaat-lidstaten, potentiële kandidaat-lidstaten en nabuurschapslanden, mogelijk maakt. Tevens wordt de Commissie ertoe aangespoord steun te verlenen voor grensoverschrijdende samenwerkingsprocessen tussen regionale en lokale overheden, ook in de vorm van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS);

58.

kondigt aan een bijdrage te willen leveren aan de strategische besprekingen over de toekomst van het Oostelijk Partnerschap ter gelegenheid van de tiende verjaardag daarvan in 2019, met name via CORLEAP, de taskforce Oekraïne van het CvdR en partnerschappen voor wederzijdse beoordeling tussen de EU en Oekraïne;

59.

dringt er bij de Europese Commissie op aan rekening te houden met de werkzaamheden van het CvdR ter stabilisering van de zuidelijke nabuurschapslanden via de Euromediterrane regionale en lokale assemblee (ARLEM) en met name het Nicosia-initiatief voor Libische gemeenten, dat de lokale openbare dienstverlening in Libië verbetert en deze gemeenten weer met de internationale gemeenschap verbindt. Met het oog daarop kan worden voortgebouwd op de goede praktijken die al bestaan en worden voorzien in passende financiering ter ondersteuning van operationele initiatieven;

60.

is ingenomen met het voornemen van de Commissie om zowel in de EU als in de partnerlanden opzettelijk onjuiste online-informatie aan te pakken en verklaart zich bereid om deze inspanningen te ondersteunen;

61.

stelt vast dat de werkzaamheden van de uitvoerende groep voor de uitvoering van de gezamenlijke verklaring van de EU en de VS van juli 2018 vooral gericht lijken te zijn op samenwerking op het gebied van regelgeving en dringt erop aan dat de EU-normen, met name hoge sanitaire, voedsel- en milieunormen, worden gehandhaafd; benadrukt in dit verband dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de geldende arbeids- en wettelijke normen inzake productveiligheid, gegevens, consumentenbescherming, gezondheid en milieubescherming niet terzijde worden geschoven om handelsprotectionisme te bestrijden en de Amerikaanse sancties op te heffen;

62.

draagt zijn voorzitter op om deze resolutie aan de Europese Commissie, het Europees Parlement, het Oostenrijkse, Roemeense en Finse voorzitterschap van de Raad van de EU en de voorzitter van de Europese Raad toe te sturen.

Brussel, 6 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  COM(2018) 800 final.

(2)  Zie de resolutie van het EP van 3 oktober 2018 over inspelen op de specifieke behoeften van plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden.


ADVIEZEN

Comité van de Regio's

132e CvdR-zitting, 5.12.2018-6.12.2018

7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/8


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het uitbreidingspakket 2018

(2019/C 86/02)

Rapporteur:

Franco IACOP (IT/PSE), lid van de regioraad van Friuli Venezia Giulia

Referentiedocument:

Mededeling inzake het uitbreidingsbeleid van de EU voor 2018

COM(2018) 450 final

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Inleidende opmerkingen

1.

neemt met belangstelling kennis van het hernieuwde engagement van de Commissie met betrekking tot de uitbreiding van de EU, zoals niet alleen tot uiting komt in mededeling COM(2018) 450 final, maar ook in het strategiedocument van februari 2018 over de Westelijke Balkan (zie advies COR 2018/00065) en het besluit om snel werk te maken van de screening van de wetgeving van Albanië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, nu de Raad positief heeft gereageerd via het besluit om de onderhandelingen in juni 2019 van start te laten gaan, afhankelijk van het evaluatieverslag van de Europese Commissie en op voorwaarde dat de nodige vooruitgang werd geboekt.

2.

Het CvdR benadrukt dat het uitbreidingsproces een prioriteit voor de EU moet blijven en is het met de Commissie eens dat de rechtsstaat, justitie, grondrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden in dit proces centraal moeten blijven staan.

3.

Volgens het CvdR is het van essentieel belang dat de lokale en regionale overheden bij dit proces worden betrokken, en het dringt er bij de kandidaat-lidstaten (Albanië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, Servië en Turkije) en potentiële kandidaat-lidstaten (Bosnië-Herzegovina en Kosovo (*1)) op aan om hun strategieën voor bestuurlijke decentralisatie te versterken met het oog op echte subsidiariteit.

4.

Het CvdR is ingenomen met het feit dat beide voorzitterschappen van de Raad in 2018 de kwestie van de Westelijke Balkan in hun prioriteiten hebben opgenomen; het is tevreden over de organisatie van de Top van Sofia en hoopt dat de bij die gelegenheid ondertekende verklaring snel in concrete initiatieven kan worden omgezet.

5.

Het CvdR betreurt dat het hervormingsproces in de Westelijke Balkanlanden geleidelijk aan kracht heeft ingeboet en dat de twijfels en scepsis onder de burgers tegelijkertijd zijn toegenomen.

6.

Het CvdR betreurt dat de ontwikkelingen in Turkije in de aanloop naar en ook nog na de verkiezingen van juni 2018 hebben geleid tot een geleidelijke afzwakking van het respect voor de waarden en beginselen van de rechtsstaat, zodat de vooruitzichten voor het EU-lidmaatschap van de Westelijke Balkanlanden en Turkije nu in feite uiteenlopen.

7.

Het vertrouwt erop dat de hernieuwde impuls die de nieuwe strategie van de Commissie aan de Westelijke Balkanlanden (en indirect ook Turkije) kan geven, het hele proces zal aanzwengelen.

8.

Het CvdR hoopt dat de nieuwe dynamiek van de Europese territoriale samenwerking, zoals uiteengezet in de recente wetgevingsvoorstellen van de Commissie inzake cohesie (Interreg) en de uitbreiding (IPA III), een stimulans zal zijn voor nauwe samenwerking tussen de lokale en regionale overheden van de lidstaten en die van de (potentiële) kandidaat-lidstaten.

9.

Het CvdR herhaalt dat het al dan niet voldoen aan de criteria van Kopenhagen in de breedste zin van het woord de fundamentele parameter is en moet blijven om te beoordelen of kandidaat-lidstaten in aanmerking komen voor het lidmaatschap van de EU.

10.

Het CvdR is ten volste bereid samen te werken met de andere EU-instellingen om (potentiële) kandidaat-lidstaten te ondersteunen op hun weg naar toetreding.

11.

Het CvdR vertrouwt erop dat de nieuwe samenwerkingsovereenkomst tussen het CvdR en het Congres van Lokale en Regionale Overheden van de Raad van Europa, die op 27 maart 2018 in Straatsburg is ondertekend, de samenwerking tussen beide instellingen zal versterken en het mogelijk zal maken om de synergieën te vergroten en dubbel werk te voorkomen.

12.

Zogenaamde peer-to-peer-initiatieven behoren tot de meest doeltreffende vormen van bijstand op overheidsniveau. Veel lokale en regionale overheden van de huidige lidstaten hebben ervaring met de tenuitvoerlegging van het acquis, die zij zouden kunnen delen met hun tegenhangers in de (potentiële) kandidaat-lidstaten.

13.

In de landen die lid willen worden van de EU dient de samenleving als geheel te worden betrokken bij een grondige hervorming van de waarden. De rol van de lokale en regionale overheden is in dit verband van essentieel belang, omdat zij voor de burgers een referentiepunt in hun dagelijks leven zijn.

14.

Alleen de lokale en regionale overheden kunnen, vanwege hun directe band met de bevolking, doeltreffend communiceren over de voordelen van het EU-lidmaatschap en zijn in staat om alle voordelen die de EU te bieden heeft aan de burgers van de EU maar ook aan die van de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, onder de aandacht te brengen.

15.

Het CvdR betreurt het dan ook dat in het samenvattend document van het uitbreidingspakket niet expliciet wordt verwezen naar de situatie van de lokale en regionale overheden, maar alleen terzijde wordt gewezen op de noodzaak om een goed evenwicht te vinden tussen de centrale en lokale bestuursniveaus.

Wensen, suggesties en aanbevelingen

16.

Het CvdR hoopt dat de regeringen van de Westelijke Balkanlanden het proces van toenadering tot de EU nieuw leven zullen inblazen en in staat zijn om de positieve signalen te begrijpen die wijzen op belangrijke ontwikkelingen binnen een realistisch tijdsbestek. Ook hoopt het dat de burgers van de regio vastbesloten zullen zijn om nationalisme, radicalisering en naar binnen gerichte identiteitspolitiek af te wijzen en hun steun voor het Europese ideaal uit te spreken;

17.

Het CvdR hoopt dat Turkije de noodsituatie zal opheffen en zijn weg naar de EU zal hervatten, door de maatregelen die de eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten hebben ondermijnd, af te schaffen en het democratisch machtsevenwicht op alle niveaus — centraal, regionaal en lokaal — te herstellen.

18.

Het CvdR roept alle kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten op om vastberaden door te gaan met de administratieve hervormingen, actief realistische en ambitieuze decentralisatiedoelstellingen na te streven en voldoende begrotingsmiddelen voor de lokale en regionale overheden te voorzien.

19.

De economische groei en de verbetering van de levensstandaard van burgers in de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten moeten worden gestimuleerd, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de gevolgen op lokaal niveau voelbaar zijn.

20.

Samenwerking met het Europees Grens- en kustwachtagentschap is nodig om de migratiestromen in goede banen te leiden. De hulp die de EU biedt aan de Westelijke Balkanlanden en Turkije om zulke stromen te helpen beheersen, moet ook de lokale en regionale overheden bereiken die zich dagelijks inzetten voor opvang en ondersteuning.

21.

Geen enkel hoofdstuk van de onderhandelingen heeft betrekking op decentralisatie, de hervorming van het openbaar bestuur en de governance; het CvdR verzoekt de Commissie dan ook om deze kwesties op te nemen in alle bilaterale vergaderingen over hoofdstukken van het acquis waarvoor bestuurlijke decentralisatie relevant is, en om er bij de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten op aan te dringen dat de lokale en regionale overheden worden betrokken bij de voorbereiding van de toetreding.

22.

De Commissie zou ad-hocuitvoeringsmodaliteiten moeten opstellen die het gebruik van TAIEX en Twinning mogelijk maken voor de samenwerking tussen de lokale en regionale overheden van de lidstaten en de (potentiële) kandidaat-lidstaten.

23.

Het CvdR verzoekt de Commissie te overwegen om de Local Administration Facility en het Regional Training Programme, waarvan bij eerdere uitbreidingen gebruik is gemaakt, nieuw leven in te blazen.

24.

De Commissie zou moeten uittesten of de steun van het Sigma-programma kan worden gebruikt op het niveau van de lokale en regionale overheden in de kandidaat-lidstaten, om modellen voor de hervorming van de lokale governance vast te stellen met het oog op de tenuitvoerlegging van het acquis.

25.

Het CvdR dringt er bij de Commissie op aan om culturele en sportieve initiatieven te ontplooien die, met name in etnisch samengestelde gebieden, de rechtstreekse betrokkenheid van de gehele lokale bevolking, met name jongeren, mogelijk maken en de integratie en wederzijdse erkenning van identiteiten bevorderen.

26.

Het CvdR verzoekt de Commissie toe te zien op het gedrag van overheidsvertegenwoordigers van de (potentiële) kandidaat-lidstaten in de Westelijke Balkan als het gaat om gendergelijkheid en respect voor etnische en taalminderheden en de LGBTI+-gemeenschap. De Europese Unie is een baken van tolerantie in de wereld en wij zijn van mening dat elke toekomstige nieuwe lidstaat op solide wijze zijn politieke steun moet betuigen voor de democratische waarden die verband houden met respect voor de persoon, zowel de verdediging van de vrijheden als de eerbiediging van de gelijkheid.

27.

Het CvdR verzoekt de Commissie om — mede in de geest van het proces van Berlijn — gemeenschappelijke initiatieven te bespreken en te ontplooien met organisaties die de realiteit van de lokale en regionale overheden van de (potentiële) kandidaat-lidstaten kennen en die reeds ervaring hebben opgedaan met vormen van samenwerking, zoals het netwerk van verenigingen van lokale overheden in Zuidoost-Europa (NALAS), de Europese Vereniging voor lokale democratie (ALDA), het Midden-Europees Initiatief (CEI) en de Raad voor regionale samenwerking (RCC).

28.

Het herhaalt tot slot zijn dringende verzoek aan de Commissie om in haar volgende voortgangsverslagen over het uitbreidingsproces meer aandacht te besteden aan de situatie van de lokale en regionale overheden, en de vooruitgang of tekortkomingen bij hun administratieve hervorming op dezelfde wijze te beoordelen als zij heeft gedaan voor de centrale overheden.

Specifieke opmerkingen over de (potentiële) kandidaat-lidstaten

Montenegro

29.

Het CvdR is ingenomen met de belangrijke resultaten die Montenegro met het Euro-Atlantische traject heeft geboekt.

30.

Er zijn aanzienlijke inspanningen nodig om de rechtsstaat en de democratische instellingen te versterken, waarbij moet worden gewerkt aan een terugkeer naar een volledige vertegenwoordiging van alle politieke krachten in het parlement.

31.

Het CvdR is bezorgd over de situatie met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting, met name over de talrijke gevallen van intimidatie van en geweld tegen journalisten.

32.

Het CvdR is ermee ingenomen dat nieuwe bepalingen zijn goedgekeurd voor de invoering van op merites gebaseerde aanwervingscriteria in zowel de centrale als de perifere bestuursorganen, en is verheugd over het feit dat bijna alle gemeenten ethische codes hebben aangenomen voor hun ambtenaren en lokale verkozen vertegenwoordigers.

33.

Er zou een evaluatie moeten worden gemaakt van de gevolgen op lokaal niveau van de nieuwe wet inzake ruimtelijke ordening en bouwnijverheid, die zorgt voor een andere verdeling van de verantwoordelijkheden als het gaat om het reguleren van het grondgebruik.

Servië

34.

Het CvdR is ermee ingenomen dat de Commissie, net als in het geval van Montenegro, 2025 als mogelijke, maar ambitieuze datum voor toetreding tot de EU heeft genoemd.

35.

Voor de verwezenlijking van dit doel zijn buitengewone inspanningen en inzet nodig, met name om de rechtsstaat te versterken en de betrekkingen met Kosovo te normaliseren.

36.

Het CvdR juicht het toe dat voor het eerst in de geschiedenis van het land een vrouw als hoofd van de regering is benoemd, maar stelt vast dat de wet inzake gendergelijkheid nog niet door het parlement is goedgekeurd en dat er nog aanzienlijke inspanningen nodig zijn om de situatie van de Roma, LGBTI’s, gehandicapten en sociaal kwetsbare groepen te verbeteren.

37.

Het CvdR erkent dat Servië inspanningen levert voor het beheer van de migratiestromen die over zijn grondgebied komen.

38.

Corruptiebestrijding blijft een van de belangrijkste taken van het land; de nieuwe wet inzake het agentschap voor corruptiebestrijding moet zo snel mogelijk worden goedgekeurd, maar er dient ook aandacht te worden besteed aan corruptiepreventie op het niveau van de lokale en regionale overheden.

39.

Het CvdR stelt met bezorgdheid vast dat de bestuurlijke capaciteit van de lokale en regionale overheden zwak is en dat de personele en financiële middelen die hun ter beschikking worden gesteld niet altijd toereikend zijn voor de uit te voeren taken. Wel is het ingenomen met de goedkeuring (eind 2017) van de wet inzake salarissen van lokale en regionale ambtenaren.

40.

Het CvdR dringt er bij Servië op aan de grondwettelijke bepalingen inzake de financiering van de autonome provincie Vojvodina ten uitvoer te leggen door zo spoedig mogelijk de desbetreffende wettelijke bepalingen aan te nemen. Ook spoort het de regering aan de autonomie van de lokale gekozen vertegenwoordigers te eerbiedigen, ongeacht hun politieke kleur.

41.

Het CvdR herinnert aan de rol die ngo’s ook op lokaal niveau kunnen spelen en dringt aan op de snelle vaststelling van criteria voor toegang tot overheidsfinanciering, om de efficiëntie en transparantie te waarborgen. Het hoopt dat de vrijheid van meningsuiting altijd zal worden gewaarborgd en dat bedreigingen en intimidatie van journalisten onverwijld door de autoriteiten zullen worden veroordeeld en onderdrukt.

Turkije

42.

Het CvdR erkent dat Turkije een belangrijke partner van de EU is, maar is van mening dat de ernstige inperkingen van de individuele vrijheden, met de arrestaties en opsluitingen van tienduizenden mensen en massaontslagen van ambtenaren, in strijd zijn met de waarden en beginselen waarop de EU is gegrondvest, met name het Europees Handvest van de grondrechten.

43.

Het CvdR herinnert aan het negatieve oordeel van de commissie van Venetië over de onlangs in werking getreden grondwetswijzigingen met het oog op de invoering van een presidentieel regime, met name wat de scheiding der machten betreft. Van iedere kandidaat-lidstaat wordt respect voor de hoogste normen van democratie, rechtsstaat en fundamentele vrijheden verwacht, evenals een onafhankelijke en functionerende rechterlijke macht.

44.

Het CvdR spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de gedwongen ambtsontheffing en in sommige gevallen de arrestatie van meer dan 100 democratisch gekozen burgemeesters, die zijn vervangen door regeringsgetrouwen, en over de druk die is uitgeoefend op de burgemeesters van veel andere steden om hun functie neer te leggen.

45.

Het CvdR hoopt dat bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2019 de democratische beginselen ten volle zullen worden geëerbiedigd en dat de lokale overheden weer democratisch vertegenwoordigd zullen zijn.

46.

Het CvdR erkent de inspanningen van Turkije om vluchtelingen en ontheemden op zijn grondgebied te ondersteunen en onderstreept de financiële toezegging van de EU om deze inspanningen te verlichten; het hoopt dat een aanzienlijk deel van de door de EU toegewezen middelen terecht zal komen bij lokale en regionale overheden die rechtstreeks betrokken zijn bij het beheer van vluchtelingen en ontheemden.

47.

Het CvdR betreurt het dat Turkije nog steeds niet voldoet aan de bepalingen van het aanvullend protocol bij de associatieovereenkomst met de EU en de Republiek Cyprus niet erkent. Het stimuleert een billijke, alomvattende en levensvatbare oplossing van de kwestie Cyprus op basis van de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad en het acquis van de Unie, en roept Turkije zich te committeren aan en bij te dragen tot een dergelijke regeling. Het is verheugd over de positieve stappen in de richting van een voor iedereen aanvaardbare oplossing, alsmede over de inspanningen van de VN voor een hervatting van de onderhandelingen.

48.

Turkije moet zich ondubbelzinnig verbinden tot goede verhoudingen met al zijn buurlanden. Er dient respect te bestaan voor het recht van alle lidstaten om bilaterale overeenkomsten te sluiten en natuurlijke hulpbronnen te zoeken en te exploiteren overeenkomstig het communautaire acquis en internationaal recht. Ook dient er respect te zijn voor de soevereiniteit en de soevereine rechten van de lidstaten betreffende hun EEZ’s, territoriale wateren en luchtruim.

49.

Turkije wordt opgeroepen om zijn troepen uit Cyprus weg te halen en het afgegrendelde gebied rond Famagusta over te dragen aan de VN, overeenkomstig Resolutie 550 (1984) van de VN-Veiligheidsraad. Het CvdR benadrukt dat vertrouwenwekkende maatregelen een kans op economische, sociale en regionale groei voor beide leefgemeenschappen zouden betekenen; tekent ook aan dat de dialoog tussen het maatschappelijk middenveld in de lokale gemeenschappen een overeenkomst naderbij kunnen brengen.

50.

Turkije is al sinds 1999 kandidaat-lidstaat en de toetredingsonderhandelingen zijn in 2005 van start gegaan. Het proces van toenadering tot de EU heeft de afgelopen jaren aan kracht ingeboet en er zijn ernstige tegenslagen geconstateerd met betrekking tot de eerbiediging van de rechtsstaat en de fundamentele rechten en vrijheden. Het CvdR is van mening dat het nu aan Turkije is om te beoordelen of en hoe het de weg die het in 1987 met zijn toetredingsaanvraag is ingeslagen, wil voortzetten.

Albanië

51.

Het CvdR is ingenomen met de Conclusies van de Raad van juni 2018 en spoort Albanië aan om zijn inspanningen op te voeren teneinde zich te verzekeren van een positief besluit van de Raad om in juni 2019 toetredingsonderhandelingen met het land te openen.

52.

Het CvdR herhaalt dat het land de rechtsstaat moet blijven versterken, met name in het kader van de vijf hoofdprioriteiten (hervorming van het openbaar bestuur, justitie, corruptiebestrijding, bestrijding van de georganiseerde misdaad, bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van minderheden en de vermogensrechten).

53.

Het CvdR is ingenomen met de toetsing van rechters en openbare aanklagers, een proces dat reeds tastbare resultaten heeft opgeleverd.

54.

Het CvdR erkent dat de meerderheids- en oppositiepartijen in staat zijn gebleken om te zorgen voor een ordelijk verloop van de verkiezingen van 2017, maar onderstreept de door de OVSE vastgestelde tekortkomingen. Het hoopt dat voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2019 de nodige correcties in de kieswet zullen worden aangebracht.

55.

Het CvdR waardeert de inspanningen om de wetgeving inzake lokale en regionale overheden te hervormen, maar betreurt het dat de methoden voor de aanwerving van ambtenaren vaak niet op merites zijn gebaseerd en dat de ambtenarenwet over het algemeen onvoldoende ten uitvoer wordt gelegd op lokaal niveau.

56.

Op het gebied van de grondrechten betreurt het CvdR de vertraging bij de benoeming van hoger ondersteunend personeel voor de nieuwe Europese Ombudsman, terwijl eerwraak en dergelijke praktijken nog steeds schering en inslag zijn, en het huiselijk geweld onaanvaardbare proporties aanneemt.

57.

Het CvdR vertrouwt erop dat het land de hervormingen met het oog op de kernprioriteiten zal voortzetten en de toekomstige uitdagingen met de grootste inzet zal aanpakken, te beginnen met de analytische screening van het acquis.

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

58.

Het CvdR is ingenomen met de Conclusies van de Raad van juni 2018 en spoort de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië aan om haar inspanningen voort te zetten teneinde zich te verzekeren van een positief besluit van de Raad om in juni 2019 toetredingsonderhandelingen met het land te openen.

59.

Het CvdR prijst de politieke moed van de nieuwe regering, die is aangetreden na het akkoord van Pržino en de verkiezingen van eind 2016, en die het mogelijk heeft gemaakt een compromis met Griekenland te bereiken over de officiële naam van het land. Het hoopt dat het noodzakelijke proces van constitutionele hervorming snel zal worden afgerond.

60.

Ook prijst het de mate waarin het land open staat voor dialoog met andere landen in de regio, met name Bulgarije.

61.

Het CvdR is ingenomen met de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2017 en met het feit dat deze over het algemeen ordelijk zijn verlopen.

62.

De kaderovereenkomst van Ohrid uit 2001 voorzag in een decentralisatieproces, dat in de daaropvolgende jaren echter niet werd uitgevoerd. Het CvdR is dan ook ingenomen met het besluit om de budgetten voor de lokale en regionale overheden te verhogen teneinde de dienstverlening aan de burgers te verbeteren.

63.

Hoewel de interetnische betrekkingen minder gespannen lijken dan in het recente verleden, is het noodzakelijk dat de kaderovereenkomst van Ohrid volledig ten uitvoer wordt gelegd.

64.

Het CvdR vertrouwt erop dat het land de hervormingen die gericht zijn op het EU-toetredingsproces zal voortzetten en de toekomstige uitdagingen met de grootste inzet zal aanpakken, te beginnen met de analytische screening van het acquis.

Bosnië en Herzegovina

65.

Het CvdR is ermee ingenomen dat het land in februari 2018 eindelijk zijn antwoorden op de vragenlijst heeft ingediend bij de Commissie.

66.

Over het algemeen is echter geen noemenswaardige vooruitgang geboekt bij het doorvoeren van de hervormingen die nodig zijn om de ontwikkeling en het Europese perspectief van het land nieuw leven in te blazen.

67.

Het CvdR is teleurgesteld en bezorgd over het onvermogen van de politieke leiders om een akkoord over een nieuwe kieswet te bereiken vóór de nationale verkiezingen en over de aanhoudende impasse over de reeds lang aanslepende kwestie van de gemeente Mostar.

68.

Het CvdR herinnert eraan dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen entiteiten, kantons en gemeenten moet worden verduidelijkt om conflicten te verminderen en samenwerking te bevorderen.

69.

Het CvdR erkent de inspanningen van het land in de strijd tegen terrorisme en radicalisering en dringt erop aan dat de preventie en bestrijding worden voortgezet. Het wijst erop dat het van belang is dat de lokale overheden worden betrokken bij het toezicht op en de herintegratie van geradicaliseerde ex-strijders.

Kosovo

70.

Hoewel de door de EU gefaciliteerde dialoog met Servië gepaard gaat met endogene en exogene problemen, wordt deze dialoog op technisch en politiek niveau voortgezet. Wel is er volgens het CvdR behoefte aan een meer overtuigd en vastberaden engagement.

71.

Het CvdR juicht het toe dat volgens de Commissie aan alle voorwaarden voor visumliberalisering is voldaan.

72.

Het CvdR is verheugd dat de gemeenteraadsverkiezingen van eind 2017 correct zijn verlopen en dat er in heel Kosovo meer dan 200 burgemeesters zijn benoemd.

73.

Het CvdR stelt vast dat de betrekkingen tussen de politieke krachten soms onaanvaardbare vormen en tonen hebben aangenomen en roept alle partijen op om het prestige en de werking van de democratische instellingen te beschermen.

74.

Het CvdR roept de autoriteiten op om de stabilisatie- en associatieovereenkomst concreet ten uitvoer te leggen, in het belang van de burgers en het proces van toenadering tot de EU.

Brussel, 6 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(*1)  Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is conform Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/14


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over belastingheffing in de digitale economie

(2019/C 86/03)

Rapporteur:

Jean-Luc VANRAES (BE/ALDE), gemeenteraadslid in Ukkel

Referentiedocumenten:

Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid

COM(2018) 147 final

Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten

COM(2018) 148 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 9

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De DDB moet uitsluitend toepassing vinden op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten. Het betreft de digitale diensten die sterk steunen op waardecreatie door de gebruiker, waarbij de kloof tussen de plaats waar de winsten worden belast en de plaats waar de gebruikers zijn gevestigd, in de regel het grootst is. Wat belast moet worden, zijn de inkomsten die worden verworven met de verwerking van de input van de gebruiker, en niet de gebruikersparticipatie als zodanig.

De DDB moet toepassing vinden op inkomsten uit de levering van digitale diensten die sterk steunen op waardecreatie door de gebruiker , op inkomstengenererende doorgifte van gegevens van gebruikers en op hun vermogen op afstand en zonder fysieke aanwezigheid activiteiten te ontplooien en diensten te leveren. In deze gevallen is de kloof tussen de plaats waar de winsten worden belast en de plaats waar de gebruikers zijn gevestigd, in de regel het grootst.

Motivering

Het beperken van het toepassingsgebied van de DDB tot de verwerking van de input van de gebruiker is juridisch aanvechtbaar.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging 10

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De inkomsten die met name moeten worden belast, zijn de inkomsten uit de levering van de volgende diensten: i) het plaatsen van advertenties op een digitale interface, gericht op de gebruikers van die interface; ii) het ter beschikking stellen van veelzijdige digitale interfaces die gebruikers in staat stellen andere gebruikers te vinden en in interactie met hen te treden, en die ook de verrichting van onderliggende leveringen van goederen of diensten rechtstreeks tussen gebruikers kunnen faciliteren (soms „bemiddelingsdiensten” genoemd); en iii) de doorgifte van over gebruikers verzamelde data die zijn gegenereerd uit de activiteiten van die gebruikers op digitale interfaces. Als de levering van dergelijke diensten geen inkomsten oplevert, ontstaat er geen DDB-plicht. Andere inkomsten die worden verworven door de entiteit die dergelijke diensten verleent maar niet rechtstreeks uit die diensten voortvloeien, moeten ook buiten het toepassingsgebied van de belasting vallen.

De inkomsten die met name moeten worden belast, zijn de inkomsten uit de levering van de volgende diensten: i) het plaatsen van advertenties op een digitale interface, gericht op de gebruikers van die interface; ii) het ter beschikking stellen van veelzijdige digitale interfaces die gebruikers in staat stellen andere gebruikers te vinden en in interactie met hen te treden, en die ook de verrichting van onderliggende leveringen van goederen of diensten rechtstreeks tussen gebruikers kunnen faciliteren (soms „bemiddelingsdiensten” genoemd); en iii) de inkomstengenererende doorgifte van over gebruikers verzamelde data die zijn gegenereerd uit de activiteiten van die gebruikers op digitale interfaces. Als de levering van dergelijke diensten geen inkomsten oplevert, ontstaat er geen DDB-plicht. Andere inkomsten die worden verworven door de entiteit die dergelijke diensten verleent maar niet rechtstreeks uit die diensten voortvloeien, moeten ook buiten het toepassingsgebied van de belasting vallen.

Motivering

Het beperken van het toepassingsgebied van de DDB tot de verwerking van de input van de gebruiker is juridisch aanvechtbaar.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 3, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Belastbare inkomsten

Belastbare inkomsten

1.   Als „belastbare inkomsten” voor de toepassing van deze richtlijn worden aangemerkt de inkomsten uit het verlenen van elk van de volgende diensten door een entiteit:

1.   Als „belastbare inkomsten” voor de toepassing van deze richtlijn worden aangemerkt de inkomsten uit het verlenen van elk van de volgende diensten door een entiteit:

a)

het plaatsen van advertenties op een digitale interface, gericht op de gebruikers van die interface;

a)

het plaatsen van advertenties op een digitale interface, gericht op de gebruikers van die interface;

b)

het ter beschikking stellen van een veelzijdige digitale interface, die gebruikers in staat stelt andere gebruikers te vinden en in interactie met hen te treden, en die ook de verrichting van onderliggende leveringen van goederen of diensten rechtstreeks tussen gebruikers kan faciliteren;

b)

het ter beschikking stellen van een veelzijdige digitale interface, die gebruikers in staat stelt andere gebruikers te vinden en in interactie met hen te treden, en die ook de verrichting van onderliggende leveringen van goederen of diensten rechtstreeks tussen gebruikers kan faciliteren;

c)

de doorgifte van over gebruikers verzamelde data die zijn gegenereerd uit de activiteiten van gebruikers op digitale interfaces.

c)

de inkomstengenererende doorgifte van over gebruikers verzamelde data die zijn gegenereerd uit de activiteiten van gebruikers op digitale interfaces.

Motivering

Spreekt voor zich.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 10, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 10

Artikel 10

Identificatie

Identificatie

[…]

[…]

2.   Deze mededeling wordt elektronisch verricht uiterlijk tien werkdagen na afloop van het eerste belastingtijdvak waarvoor de belastingplichtige DDB-plichtig is krachtens deze richtlijn („het eerste tijdvak van heffing”).

2.   Deze mededeling wordt elektronisch verricht vóór het eind van de eerste maand na afloop van het eerste belastingtijdvak waarvoor de belastingplichtige DDB-plichtig is krachtens deze richtlijn („het eerste tijdvak van heffing”).

Motivering

De termijn van tien werkdagen is te kort.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 11, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 11

Artikel 11

Identificatienummer

Identificatienummer

1.   De lidstaat van identificatie kent de belastingplichtige een individueel identificatienummer voor de DDB toe en deelt hem dat nummer langs elektronische weg mee uiterlijk tien dagen vanaf de dag van ontvangst van de mededeling uit hoofde van artikel 10.

1.   De lidstaat van identificatie kent de belastingplichtige een individueel identificatienummer voor de DDB toe en deelt hem dat nummer langs elektronische weg mee uiterlijk tien kalender dagen vanaf de dag van ontvangst van de mededeling uit hoofde van artikel 10.

Motivering

Vanwege de verschillen in vakantiedagen tussen lidstaten en zelfs regio’s is het beter om over „kalenderdagen” te spreken in plaats van (werk)dagen. Dat geldt ook voor artikel 12, lid 2, artikel 14, artikel 16, lid 2, artikel 20, lid 1 en 3, artikel 21, lid 1 en artikel 22, lid 1.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 12, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 12

Artikel 12

Schrapping uit het identificatieregister

Schrapping uit het identificatieregister

[…]

[…]

2.   De lidstaat van identificatie schrapt de belastingplichtige uit het identificatieregister na afloop van de periode van 60 werk dagen volgende op het einde van het belastingtijdvak waarin de in lid 1 bedoelde informatie werd meegedeeld.

2.   De lidstaat van identificatie maakt de inschrijving van de belastingplichtige in het identificatieregister ongeldig na afloop van de periode van 60 kalender dagen volgende op het einde van het belastingtijdvak waarin de in lid 1 bedoelde informatie werd meegedeeld.

Motivering

Belastingaccounts mogen niet na 60 werkdagen worden verwijderd in verband met lopende verjaringstermijnen en de behoefte aan behoud van bewijsmateriaal. Wat „werkdagen” betreft: zie vorige motivering.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 26, nieuw lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Deze richtlijn wordt ingetrokken zodra de richtlijn van de Raad tot vaststelling van de regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid is aangenomen en in werking treedt vanaf de omzettingsdatum van deze richtlijn.

Motivering

De digitaledienstenbelasting is bedoeld als tijdelijke maatregel en mag geen permanent karakter krijgen. Als de richtlijn inzake aanmerkelijke digitale aanwezigheid van kracht wordt zonder dat de digitaledienstenbelasting wordt ingetrokken, lopen bedrijven het risico dubbel belast te worden.

Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid

Wijzigingsvoorstel 8

Artikel 4, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 4

Artikel 4

Aanmerkelijke digitale aanwezigheid

Aanmerkelijke digitale aanwezigheid

[…]

[…]

3.   Er wordt geacht sprake te zijn van een „aanmerkelijke digitale aanwezigheid” in een lidstaat in een belastingtijdvak indien de door middel daarvan gedreven onderneming geheel of gedeeltelijk bestaat in de levering van digitale diensten via een digitale interface en ten aanzien van de levering van deze diensten door de entiteit die die onderneming drijft, samen met alle dergelijke diensten via een digitale interface van elke met die entiteit verbonden onderneming, aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:

3.   Er wordt geacht sprake te zijn van een „aanmerkelijke digitale aanwezigheid” in een lidstaat in een belastingtijdvak indien de door middel daarvan gedreven onderneming geheel of gedeeltelijk bestaat in de levering van digitale diensten via een digitale interface en ten aanzien van de levering van deze diensten door de entiteit die die onderneming drijft, samen met alle dergelijke diensten via een digitale interface van elke met die entiteit verbonden onderneming, aan minstens twee van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het aandeel in de totale inkomsten die in dat belastingtijdvak zijn verworven uit de levering van deze digitale diensten aan gebruikers die zich in dat belastingtijdvak in die lidstaat bevinden, is hoger dan 7 000 000  EUR ;

a)

het aandeel in de totale inkomsten die in dat belastingtijdvak zijn verworven uit de levering van deze digitale diensten aan gebruikers die zich in dat belastingtijdvak in die lidstaat bevinden, is hoger dan 10 000 000  EUR ;

b)

het aantal gebruikers van een of meer van deze digitale diensten die zich in dat belastingtijdvak in die lidstaat bevinden, is hoger dan 100 000 ;

b)

het aantal gebruikers van een of meer van deze digitale diensten die zich in dat belastingtijdvak in die lidstaat bevinden, is hoger dan 100 000 ;

het aantal zakelijke overeenkomsten voor de levering van een dergelijke digitale dienst dat wordt gesloten in dat belastingtijdvak door gebruikers die zich in die lidstaat bevinden, is hoger dan 3 000 .

het aantal zakelijke overeenkomsten voor de levering van een dergelijke digitale dienst dat wordt gesloten in dat belastingtijdvak door gebruikers die zich in die lidstaat bevinden, is hoger dan 3 000 .

[…]

[…]

Motivering

De drempel van 7 miljoen euro voor de oprichting van een vaste inrichting, die voor de toepassing van de nieuwe regeling zou gelden, moet worden verhoogd, omdat een dergelijke lage drempel de digitalisering in de weg kan staan. Verder bestaat het risico dat de drempel van 3 000 zakelijke overeenkomsten in bepaalde sectoren, zoals bijvoorbeeld bij onderhoudscontracten, snel wordt overschreden. Het is dus aangewezen om te spreken van een aanmerkelijke digitale aanwezigheid als minstens cumulatief aan twee van de gestelde voorwaarden is voldaan.

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 5, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 5

Artikel 5

Winsten die toerekenbaar zijn aan of verband houden met de aanmerkelijke digitale aanwezigheid

Winsten die toerekenbaar zijn aan of verband houden met de aanmerkelijke digitale aanwezigheid

1.   De winsten die toerekenbaar zijn aan of verband houden met een aanmerkelijke digitale aanwezigheid in een lidstaat, zijn belastbaar in het kader van de vennootschapsbelasting van die lidstaat alleen .

1.   De winsten die toerekenbaar zijn aan of verband houden met een aanmerkelijke digitale aanwezigheid in een lidstaat, zijn belastbaar in het kader van de vennootschapsbelasting van die lidstaat.

Motivering

Het woord „alleen” moet worden geschrapt, omdat er anders uitgegaan wordt van de toepassing van een kredietsysteem. Dan zouden de lidstaten die over een verrekeningsstelsel voor de vennootschapsbelasting beschikken, zich genoodzaakt zien om een kredietsysteem in te voeren.

Wijzigingsvoorstel 10

BIJLAGE II

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Lijst van in artikel 3, lid 5, onder f), bedoelde diensten:

Lijst van in artikel 3, lid 5, onder f), bedoelde diensten:

a)

hosting van websites en webpagina’s,

a)

hosting van websites en webpagina’s,

b)

geautomatiseerd onlineafstandsonderhoud van programma’s,

b)

geautomatiseerd onlineafstandsonderhoud van programma’s,

c)

afstandsbeheerssystemen,

c)

afstandsbeheerssystemen,

d)

onlinegegevensopslag waarbij specifieke gegevens elektronisch worden opgeslagen en opgevraagd,

d)

onlinegegevensopslag waarbij specifieke gegevens elektronisch worden opgeslagen en opgevraagd,

e)

onlinelevering van schijfruimte op verzoek,

e)

onlinelevering van schijfruimte op verzoek,

f)

toegang tot of downloaden van software met inbegrip van aankoop-/boekhoudprogramma’s en antivirussoftware plus bijwerkingen,

f)

toegang tot of downloaden van software met inbegrip van aankoop-/boekhoudprogramma’s en antivirussoftware plus bijwerkingen,

g)

software die voorkomt dat banneradvertenties op het scherm verschijnen, ook bekend als bannerblockers,

g)

software die voorkomt dat banneradvertenties op het scherm verschijnen, ook bekend als bannerblockers,

h)

downloaddrivers zoals software die de interface vormt tussen computers en randapparatuur, zoals printers,

h)

downloaddrivers zoals software die de interface vormt tussen computers en randapparatuur, zoals printers,

i)

online geautomatiseerde installatie van filters op websites,

i)

online geautomatiseerde installatie van filters op websites,

j)

online geautomatiseerde installatie van firewalls,

j)

online geautomatiseerde installatie van firewalls,

k)

toegang tot of downloaden van desktopthema’s,

k)

toegang tot of downloaden van desktopthema’s,

l)

toegang tot of downloaden van fotografische afbeeldingen of screensavers,

l)

toegang tot of downloaden van fotografische afbeeldingen of screensavers,

m)

gedigitaliseerde inhoud van boeken en andere elektronische publicaties,

m)

weblogs en websitestatistieken,

n)

abonnering op onlinedagbladen en -tijdschriften,

n)

online-informatie die automatisch door de software wordt voortgebracht in antwoord op specifieke door de klant ingevoerde gegevens, zoals juridische en financiële gegevens, met inbegrip van gegevens zoals voortdurend geactualiseerde beursgegevens,

o)

weblogs en websitestatistieken,

o)

beschikbaarstelling van advertentieruimte met inbegrip van banneradvertenties op een website/webpagina,

p)

onlinenieuws, -verkeersinformatie en -weerberichten,

p)

gebruik van zoekmachines en internetadresboeken,

q)

online-informatie die automatisch door de software wordt voortgebracht in antwoord op specifieke door de klant ingevoerde gegevens, zoals juridische en financiële gegevens, met inbegrip van gegevens zoals voortdurend geactualiseerde beursgegevens,

q)

toegang tot of downloaden van muziek op computers en mobiele telefoons,

r)

beschikbaarstelling van advertentieruimte met inbegrip van banneradvertenties op een website/webpagina,

r)

toegang tot of downloaden van jingles, fragmenten, beltonen of andere klanken,

s)

gebruik van zoekmachines en internetadresboeken,

s)

toegang tot of downloaden van films,

t)

toegang tot of downloaden van muziek op computers en mobiele telefoons,

t)

downloaden van spellen op computers en mobiele telefoons,

u)

toegang tot of downloaden van jingles, fragmenten, beltonen of andere klanken,

u)

toegang tot geautomatiseerde onlinespellen die afhankelijk zijn van het internet of soortgelijke elektronische netwerken en waarbij de spelers zich op afstand van elkaar bevinden,

v)

toegang tot of downloaden van films,

v)

geautomatiseerd afstandsonderwijs dat enkel over het internet of soortgelijke elektronische netwerken kan worden verstrekt en dat weinig of geen menselijk ingrijpen vergt, met inbegrip van virtuele klaslokalen, behalve wanneer het internet of het soortgelijke elektronische netwerk uitsluitend als een instrument voor de communicatie tussen de leraar en de leerling wordt gebruikt,

w)

downloaden van spellen op computers en mobiele telefoons,

w)

werkboeken die door de leerling online worden ingevuld en automatisch worden gecorrigeerd, zonder menselijk ingrijpen.

x)

toegang tot geautomatiseerde onlinespellen die afhankelijk zijn van het internet of soortgelijke elektronische netwerken en waarbij de spelers zich op afstand van elkaar bevinden,

 

y)

geautomatiseerd afstandsonderwijs dat enkel over het internet of soortgelijke elektronische netwerken kan worden verstrekt en dat weinig of geen menselijk ingrijpen vergt, met inbegrip van virtuele klaslokalen, behalve wanneer het internet of het soortgelijke elektronische netwerk uitsluitend als een instrument voor de communicatie tussen de leraar en de leerling wordt gebruikt,

 

z)

werkboeken die door de leerling online worden ingevuld en automatisch worden gecorrigeerd, zonder menselijk ingrijpen.

 

Motivering

Gedigitaliseerde inhoud van boeken en andere elektronische publicaties verschillen niet fundamenteel van het aanbieden van inhoud op papier.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Algemene opmerkingen

1.

benadrukt dat om het potentieel van de digitale eengemaakte markt te kunnen benutten, er een modern en stabiel fiscaal kader nodig is dat innovatie stimuleert, de versnippering van de markt aanpakt en alle spelers in staat stelt onder eerlijke en evenwichtige voorwaarden gebruik te maken van de nieuwe marktdynamiek.

2.

Het CvdR betreurt het dat sommige bedrijven, vooral bedrijven die hoofdzakelijk actief zijn in de digitale economie, uiteindelijk veel te weinig belasting betalen. Het is belangrijk dat er op het gebied van vennootschapsbelasting een gelijk speelveld is en alle actoren evenredig en eerlijk bijdragen.

3.

Feit is immers dat traditionele bedrijven, meestal kleine en middelgrote ondernemingen, last hebben van oneerlijke belastingconcurrentie. Veel van deze bedrijven hebben omwille van deze nadelige fiscale concurrentie de grootste moeite om het hoofd boven water te houden.

4.

Het CvdR constateert dat de huidige belastingstelsels niet meer zijn toegesneden op de hedendaagse economische context, die wordt gekenmerkt door globalisering, mobiliteit, digitale technologie, nieuwe bedrijfsmodellen en ingewikkelde bedrijfsstructuren. De oude principes die geschikt waren voor de 20e eeuw voldoen niet langer. De maatschappij van de 21e eeuw heeft nood aan nieuwe modellen. Alles bij het oude laten is geen optie.

5.

Het is een goede zaak dat de Commissie met initiatieven komt op het gebied van belastingheffing op digitale diensten en een verdere impuls geeft aan internationale discussies door duidelijk aan te geven hoe de huidige belastingbeginselen omgevormd zouden kunnen worden. Onderscheiden initiatieven vanuit de lidstaten of regio’s dreigen de eengemaakte markt ernstig te verstoren.

6.

Belastingen zijn zelden populair, en nieuwe belastingen nog minder, maar ze zijn essentieel voor gezonde overheidsfinanciën. De belastbare grondslag verbreden via een correcte heffing op digitale diensten die vandaag weinig of niet belast worden, laat de respectieve overheden toe om redelijke nominale aanslagvoeten op arbeid en op economische activiteit toe te passen, of zelfs kortingen op de belastingfactuur toe te staan, in het bijzonder aan starters en kleine ondernemers.

7.

Uiteindelijk moet er een mondiale oplossing worden gevonden om de voordelen van de globalisering beter te kunnen benutten, met een goede mondiale governance en mondiale regels. De nauwe samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten en de OESO, om een internationale oplossing dichterbij te brengen, moet worden toegejuicht.

8.

Het CvdR is ingenomen met het werk dat op OESO-niveau is verricht en waarover op 16 maart 2018 een tussentijds verslag is verschenen: „Belastinguitdagingen als gevolg van digitalisering — Tussentijds verslag 2018”. Hierbij waren 110 landen betrokken.

9.

In afwachting van een alomvattende oplossing op OESO-niveau, die naar alle waarschijnlijkheid helaas niet op korte termijn zal kunnen worden goedgekeurd en uitgevoerd, moet er op het niveau van de Commissie een tussentijdse oplossing worden gevonden. De voorgestelde drempels mogen geen negatieve gevolgen hebben voor micro-ondernemingen of kleine en middelgrote ondernemingen.

10.

Over het feit dat élke dienst, zij het digitaal of niet, die financieel vergoed wordt, correct moet worden belast, kan volgens het CvdR geen discussie bestaan. Het is belangrijk om een passend inkomstenplafond vast te stellen waarboven belasting kan worden geheven, zodat er geen negatieve gevolgen zijn voor micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen. Een andere belangrijke zaak zal zijn om vast te stellen waar de bedrijven die actief zijn in de digitale economie hun geld verdienen, met volgende aandachtspunten: hoe deze gelden belasten zonder dat ze dubbel belast worden, hoe voorkomen dat de belasting kan worden ontweken en hoe dienen deze internationaal geïnde belastinggelden op een billijke manier te worden verdeeld opdat alle lidstaten er beter van worden.

Digitaledienstenbelasting

11.

De scope van een digitaledienstenbelasting moet met de grootste zorg worden omschreven. Om doeltreffend te zijn, mogen de definities niet voor interpretatie vatbaar zijn. Eenvoudige, transparante en ondubbelzinnige belastingstelsels zijn het meest efficiënt.

12.

De Commissie stelt een digitaledienstenbelasting voor die niet over de bedrijfswinst maar over de omzet wordt geheven, hetgeen tot gevolg kan hebben dat ook niet-winstgevende bedrijven belasting moeten betalen. Het CvdR wijst erop dat deze aanpak verschilt van het mondiale stelsel van vennootschapsbelasting, dat is gebaseerd op winstbelasting. Feit is echter dat veel bedrijfsmodellen van digitale bedrijven zijn gebaseerd op verlies in de opstartfase.

13.

Een dergelijke verschuiving in belastingheffing kan echter in het voordeel zijn van grotere landen met veel consumenten, waar de betrokken bedrijven hun verliezen kunnen aftrekken van hun vennootschapsbelastinggrondslag, en nadelig zijn voor kleinere exporterende landen. Het CvdR onderstreept dat elke oplossing voor de belastingheffing op digitale bedrijfsmodellen eerlijke en gelijke economische resultaten voor alle economieën in de EU moet opleveren.

14.

Er is helaas geen vervalbepaling of ander mechanisme dat ervoor zorgt dat de tussentijdse belastingmaatregel wordt ingetrokken zodra er een oplossing voor de langere termijn wordt gevonden.

Aanmerkelijke digitale aanwezigheid

15.

Op basis van de huidige regels ontvangt het land van verkoop geen vennootschapsbelasting in het geval van digitale ondernemingen die niet fysiek aanwezig zijn. Het is dan ook een goede zaak dat een „aanmerkelijke digitale aanwezigheid” als uitgangspunt wordt genomen voor de berekening van de belastinggrondslag.

16.

De huidige vennootschapsbelastingstelsels in de wereld zijn gebaseerd op het beoordelen van de bedrijfswinst die kan worden toegeschreven aan elk betreffend rechtsgebied. Belasting wordt daar geheven waar waarde wordt gecreëerd. Omdat het moeilijk is om te bepalen waar in de waardeketen winst wordt gegenereerd, moeten er universele beginselen worden opgesteld om te bepalen waar waarde wordt gecreëerd.

17.

Het is belangrijk dat andere ontwikkelingen op het gebied van de vennootschapsbelasting in overeenstemming zijn met de reeds behaalde resultaten in het kader van BEPS. Een van de beginselen in BEPS is om bij het toerekenen van winsten aan landen uit te gaan van de plaats waar waarde wordt gecreëerd.

18.

Het CvdR is van mening dat de drempel van 7 miljoen euro voor de oprichting van een vaste inrichting, die voor de toepassing van de nieuwe regeling zou gelden, moet worden verhoogd, omdat een dergelijke lage drempel de digitalisering in de weg kan staan.

Lokale en regionale aspecten

19.

Hoewel een digitaledienstenbelasting of vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid niet direct gericht is op lokale en regionale belastingen, zou de invoering van een dergelijke belasting toch van invloed kunnen zijn op de belastinginkomsten van de lokale en regionale overheden. In sommige lidstaten worden lokale of regionale belastingen namelijk geheven op basis van de nationale belastinggrondslag en/of hebben lokale en regionale overheden een aandeel in de opbrengsten van de nationale vennootschapsbelasting.

20.

Het CvdR dringt er bij de lidstaten op aan om de digitaledienstenbelasting te delen met de lokale en regionale autoriteiten naar rato van hun aandeel in de vennootschapsbelasting in een land.

Impact van een digitaledienstenbelasting en van andere recente maatregelen

21.

De huidige effectbeoordeling is helaas niet uitgebreid genoeg. De Commissie heeft niet geanalyseerd welke impact de tussentijdse maatregel zal hebben op investeringen, start-ups, werkgelegenheid en groei. Ook blijkt niet uit de effectbeoordeling welke impact de voorstellen zullen hebben op kleine en middelgrote ondernemingen of lokale en regionale overheden, met name op hun begroting.

22.

Het CvdR verzoekt de Commissie dan ook om de effectbeoordeling aan te vullen met een analyse van de mogelijke impact van de tussentijdse maatregel hierop. De inkomenseffecten voor kleinere en grotere lidstaten moeten eveneens geanalyseerd worden, net als het effect van de maatregelen die met de toepassing van de BEPS (grondslaguitholling en winstverschuiving) in verschillende landen worden doorgevoerd, en van de Amerikaanse belastinghervorming.

Brussel, 6 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/24


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het actieplan: duurzame groei financieren

(2019/C 86/04)

Rapporteur:

Tilo GUNDLACK (DE/PSE), lid van het parlement van de deelstaat Mecklenburg-Vorpommern

Referentiedocumenten:

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Actieplan: duurzame groei financieren

COM(2018) 97 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen

COM(2018) 353 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico’s en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341

COM(2018) 354 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans

COM(2018) 355 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen

(COM(2018) 353 final)

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 13

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Een Unieclassificatie van ecologisch duurzame economische activiteiten zou de ontwikkeling van toekomstig Uniebeleid faciliteren, met inbegrip van Uniebrede normen voor ecologisch duurzame financiële producten, en uiteindelijk de vaststelling van labels die formele erkenning bieden van de inachtneming van die normen in de hele Unie. Eenvormige juridische vereisten om beleggingen, op basis van eenvormige criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten, als economisch duurzame beleggingen te beschouwen, zijn noodzakelijk als ijkpunt voor toekomstige Uniewetgeving die inzet op het faciliteren van die beleggingen.

Een Unieclassificatie van ecologisch duurzame economische activiteiten zou de ontwikkeling van toekomstig Uniebeleid faciliteren, met inbegrip van Uniebrede normen voor ecologisch duurzame financiële producten, en uiteindelijk de vaststelling van labels die formele erkenning bieden van de inachtneming van die normen in de hele Unie. Eenvormige juridische vereisten om beleggingen, op basis van eenvormige criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten, als economisch duurzame beleggingen te beschouwen, zijn noodzakelijk als ijkpunt voor toekomstige Uniewetgeving die inzet op het faciliteren van die beleggingen. De eenvormige juridische vereisten moeten met het oog op de zorgvuldigheidsplichten van beleggers en ondernemingen in verband met de naleving van de duurzaamheidscriteria ook betrekking hebben op grensoverschrijdende economische activiteiten en gelden voor de gehele waardeketen, waarbij ernaar wordt gestreefd ze in de bestaande OESO-normen (OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen) om te zetten.

Motivering

De toekomstige EU-brede duurzaamheidsnormen zouden kunnen worden uitgebreid naar grensoverschrijdende economische activiteiten en worden omgezet in OESO-normen. Zo zou deze verordening ook gelden voor offshoreondernemingen, hoewel die niet uitdrukkelijk onder het toepassingsgebied van EU-regelgeving vallen.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging 35

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De toepassing van deze verordening dient op regelmatige tijdstippen te worden bezien om na te gaan welke vooruitgang is geboekt bij de uitwerking van de technische screeningcriteria voor ecologisch duurzame activiteiten, het gebruik van de definitie van ecologisch duurzame beleggingen en de vraag of inachtneming van de verplichtingen het opzetten van een verificatiemechanisme rechtvaardigt. Bij deze evaluatie dient ook te worden nagegaan of het toepassingsgebied van deze verordening moet worden uitgebreid tot sociale duurzaamheidsdoelstellingen .

De toepassing van deze verordening zal op regelmatige tijdstippen worden bezien om na te gaan welke vooruitgang is geboekt bij de uitwerking van de technische screeningcriteria voor ecologisch duurzame activiteiten, het gebruik van de definitie van ecologisch duurzame beleggingen en de vraag of inachtneming van de verplichtingen het opzetten van een verificatiemechanisme rechtvaardigt. Bij de eerste evaluatie , uiterlijk 31 december 2021, zal ook worden nagegaan in welke mate en wanneer het toepassingsgebied van deze verordening kan worden uitgebreid tot doelstellingen die verband houden met de sociale aspecten van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen die de nieuwe ontwikkelingsstrategie voor de lange termijn van de EU moeten worden .

Motivering

Bedoeld om te zorgen voor samenhang met de herzieningsclausule in artikel 17 van het voorstel van de Commissie.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 13

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De in artikel 3, punt c), bedoelde minimumgaranties zijn procedures die ten uitvoer worden gelegd door de onderneming die een economische activiteit verricht, om te garanderen dat de principes en rechten die worden genoemd in de acht in de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk genoemde fundamentele verdragen, in acht worden genomen: het recht niet te worden onderworpen aan dwangarbeid of verplichte arbeid, de vrijheid van vereniging, het recht van werknemers om zich te organiseren, het recht om collectief te onderhandelen, gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde, niet-discriminatie in kansen en behandeling in beroep en beroepsuitoefening, en het recht niet te worden onderworpen aan kinderarbeid.

De in artikel 3, punt c), bedoelde minimumgaranties zijn procedures die ten uitvoer worden gelegd door de onderneming die een economische activiteit verricht, om te garanderen dat de principes en rechten die worden genoemd in de Europese pijler van sociale rechten en in de acht in de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk genoemde fundamentele verdragen, in acht worden genomen: het recht niet te worden onderworpen aan dwangarbeid of verplichte arbeid, de vrijheid van vereniging, het recht van werknemers om zich te organiseren, het recht om collectief te onderhandelen, gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde, niet-discriminatie in kansen en behandeling in beroep en beroepsuitoefening, en het recht niet te worden onderworpen aan kinderarbeid.

Motivering

Aanpassing overeenkomstig overweging 21 van het voorstel van de Commissie.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 14

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Vereisten voor technische screeningcriteria

Vereisten voor technische screeningcriteria

(1)   De in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, vastgestelde technische screeningcriteria:

(1)   De in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, vastgestelde technische screeningcriteria:

a)

identificeren de meest relevante potentiële bijdragen aan de specifieke milieudoelstelling, waarbij niet alleen naar de effecten van een specifieke economische activiteit op korte termijn wordt gekeken, maar ook naar die op langere termijn;

a)

identificeren de meest relevante potentiële bijdragen aan de specifieke milieudoelstelling, waarbij niet alleen naar de effecten wat betreft duurzaamheid van een specifieke economische activiteit op korte termijn wordt gekeken, maar ook naar die op langere termijn;

b)

bepalen nader de minimumvereisten waaraan moet worden voldaan om aanzienlijke schade aan de betrokken milieudoelstellingen te vermijden;

b)

bepalen nader de minimumvereisten waaraan moet worden voldaan om aanzienlijke schade aan de betrokken milieudoelstellingen te vermijden;

c)

zijn kwalitatief of kwantitatief, of beide, en bevatten zo mogelijk drempelwaarden;

c)

zijn kwalitatief of kwantitatief, of beide, en bevatten zo mogelijk drempelwaarden;

d)

bouwen, in voorkomend geval, voort op Unieregelingen voor labels en certificering, Uniemethodieken voor het beoordelen van de ecologische voetafdruk en Uniesystemen voor statistische classificatie, en houden rekening met de desbetreffende bestaande Uniewetgeving;

d)

bouwen, in voorkomend geval, voort op Unieregelingen voor labels en certificering, Uniemethodieken voor het beoordelen van de ecologische voetafdruk en Uniesystemen voor statistische classificatie, en houden rekening met de desbetreffende bestaande Uniewetgeving;

e)

zijn gebaseerd op sluitend wetenschappelijk bewijs en houden, in voorkomend geval, rekening met het in artikel 191 VWEU vastgelegde voorzorgsbeginsel;

e)

zijn gebaseerd op sluitend wetenschappelijk bewijs en houden, in voorkomend geval, rekening met het in artikel 191 VWEU vastgelegde voorzorgsbeginsel;

f)

houden rekening met de milieu-effecten van de economische activiteit zelf, alsmede die van de producten en diensten welke die economische activiteit oplevert, met name door rekening te houden met de productie, het gebruik en end-of-life ervan;

f)

houden rekening met de milieueffecten van de economische activiteit zelf, alsmede die van de producten en diensten welke die economische activiteit oplevert, met name door rekening te houden met de productie, het gebruik en end-of-life ervan;

g)

houden rekening met de aard en de schaal van de economische activiteit;

g)

houden rekening met de aard en de schaal van de economische activiteit;

h)

houden rekening met het potentiële effect op de liquiditeit van de markt, het risico dat bepaalde activa gestrande activa worden doordat zij aan waarde verliezen als gevolg van de transitie naar een duurzamere economie, alsmede het risico dat incoherente prikkels ontstaan;

h)

bestrijken alle relevante economische activiteiten binnen een bepaalde bedrijfstak en zorgen ervoor dat die activiteiten gelijk worden behandeld indien zij in gelijke mate bijdragen aan een of meer milieudoelstellingen, teneinde verstoring van de mededinging op de markt te vermijden;

i)

bestrijken alle relevante economische activiteiten binnen een bepaalde bedrijfstak en zorgen ervoor dat die activiteiten gelijk worden behandeld indien zij in gelijke mate bijdragen aan één of meer milieudoelstellingen, teneinde verstoring van de mededinging op de markt te vermijden;

i)

worden vastgesteld om zo mogelijk de controle op de naleving van die criteria te bevorderen.

j)

worden vastgesteld om zo mogelijk de controle op de naleving van die criteria te bevorderen.

 

Motivering

i)

In het voorstel van de Commissie wordt de aard van de effecten waarnaar wordt gekeken, niet nader bepaald.

ii)

Punt h) moet worden geschrapt aangezien het concept „ecologische duurzaamheid” niets te maken heeft met het begrip „liquiditeit van de markt”.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 15

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Platform voor duurzame financiering

Platform voor duurzame financiering

(1)   De Commissie richt een platform voor duurzame financiering op, dat bestaat uit:

(1)   De Commissie richt een platform voor duurzame financiering op, dat bestaat uit:

a)

vertegenwoordigers van:

a)

vertegenwoordigers van:

 

i)

het Europees Milieuagentschap;

 

i)

het Europees Milieuagentschap;

 

ii)

de Europese toezichthoudende autoriteiten;

 

ii)

de Europese toezichthoudende autoriteiten;

 

iii)

de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds;

 

iii)

de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds;

 

 

iv)

het „Multistakeholderplatform met het oog op de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen in de EU”;

b)

deskundigen die relevante particuliere stakeholders vertegenwoordigen;

b)

deskundigen die relevante particuliere stakeholders vertegenwoordigen;

c)

deskundigen die op persoonlijke titel zijn aangesteld, met bewezen kennis en ervaring op de door deze verordening bestreken terreinen.

c)

deskundigen die op persoonlijke titel zijn aangesteld, met bewezen kennis en ervaring op de door deze verordening bestreken terreinen.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 17, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Uiterlijk 31 december 2021, en daarna om de drie jaar, maakt de Commissie een verslag over de toepassing van deze verordening bekend. In dat verslag wordt een beoordeling gemaakt van de volgende punten:

Uiterlijk 31 december 2021, en daarna om de drie jaar, maakt de Commissie een verslag over de toepassing van deze verordening bekend. In dat verslag wordt een beoordeling gemaakt van de volgende punten:

a)

de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van deze verordening ten aanzien van de uitwerking van technische screeningcriteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten;

a)

de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van deze verordening ten aanzien van de uitwerking van technische screeningcriteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten;

b)

de eventuele noodzaak van een herziening van de in deze verordening beschreven criteria om een economische activiteit als ecologisch duurzaam te beschouwen;

b)

de eventuele noodzaak van een herziening van de in deze verordening beschreven criteria om een economische activiteit als ecologisch duurzaam te beschouwen;

c)

de vraag of het passend is het toepassingsgebied van deze verordening uit te breiden tot andere duurzaamheidsdoelstellingen, met name sociale duurzaamheidsdoelstellingen;

c)

het gebruik van de definitie van „ecologisch duurzame belegging” in het Unierecht en op lidstaatniveau, met inbegrip van de vraag of het passend is een controlemechanisme op te zetten voor de inachtneming van de in deze verordening uiteengezette criteria;

d)

het gebruik van de definitie van „ecologisch duurzame belegging” in het Unierecht en op lidstaatniveau, met inbegrip van de vraag of het passend is een controlemechanisme op te zetten voor de inachtneming van de in deze verordening uiteengezette criteria.

d)

uiterlijk 31 december 2021 dient de Commissie een voorstel in om het toepassingsgebied van deze verordening uit te breiden tot de sociale aspecten van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen.

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico’s en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341

(COM(2018) 354 final)

Wijzigingsvoorstel 7

Nieuwe overweging na overweging 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Ecologische, sociale en governancefactoren meenemen in de besluitvorming over investeringen kan voordelen opleveren buiten de financiële markten. Daarom is het van cruciaal belang dat financiëlemarktdeelnemers de nodige informatie verschaffen om investeringen te kunnen vergelijken en weloverwogen investeringsbesluiten te kunnen nemen. Om te voldoen aan de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid met betrekking tot de effecten en risico’s wat betreft duurzaamheid en om betekenisvolle informatie te verschaffen aan eindbeleggers, moeten financiëlemarktdeelnemers bovendien kunnen rekenen op een betrouwbare, vergelijkbare en geharmoniseerde openbaarmaking van informatie door ondernemingen waarin wordt belegd. Dit proces kan slechts slagen wanneer wordt voorzien in wettelijk overeengekomen definities.

Wijzigingsvoorstel 8

Overweging 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om ervoor te zorgen dat deze verordening coherent wordt toegepast en dat de in deze verordening neergelegde informatieverschaffingsverplichtingen door de financiëlemarktdeelnemers duidelijk en consistent worden toegepast, is het noodzakelijk een geharmoniseerde definitie van „duurzame beleggingen” vast te stellen.

Om ervoor te zorgen dat deze verordening coherent wordt toegepast en dat de in deze verordening neergelegde informatieverschaffingsverplichtingen door de financiëlemarktdeelnemers duidelijk en consistent worden toegepast, is het noodzakelijk een duidelijke en geharmoniseerde definitie van „duurzame beleggingen” en „duurzaamheidsrisico’s” vast te stellen waarmee overlappingen worden voorkomen in regelgeving die niet in overeenstemming is met de beginselen van betere regelgeving en evenredigheid . De definitie van duurzame beleggingen garandeert een minimumniveau van consistentie tussen financiële producten en diensten en garandeert tevens dat zulke beleggingen een positieve netto-impact hebben op het vlak van duurzaamheidsprestaties. Vanwege de vele facetten van duurzaamheid — in de zin van de drie dimensies milieu, sociale aspecten en governance — gaan positieve effecten bij de ene dimensie niet altijd gepaard met positieve effecten bij een andere dimensie, maar de nettoduurzaamheidsprestaties die worden gemeten met behulp van geharmoniseerde duurzaamheidsindicatoren moeten altijd overwegend positief zijn. De definitie van duurzaamheidsrisico’s is noodzakelijk om te zorgen voor consistentie in de regelgevingsresultaten, maar is ook bedoeld als evoluerend en dynamisch instrument om opkomende risico’s te kunnen integreren. De definitie omvat de financiële en niet-financiële impact van het negeren van milieu-, sociale en governancerisico’s. Duurzaamheidsprestaties moeten worden gemeten aan de hand van geharmoniseerde duurzaamheidsindicatoren die dringend moeten worden vastgesteld door de Europese Commissie waarbij moet worden geput uit de ervaring van bestaande Europese en internationale ondernemingen.

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Definities

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[…]

[…]

(s)

„verzekeringsadvies”: een advies in de zin van artikel 2, lid 1, punt 15, van Richtlijn (EU) 2016/97.

(s)

„verzekeringsadvies”: een advies in de zin van artikel 2, lid 1, punt 15, van Richtlijn (EU) 2016/97.

 

t)

„duurzaamheidsrisico’s”: financiële of niet-financiële risico’s die zich voordoen of zich waarschijnlijk zullen voordoen, die verband houden met milieu-, sociale en governancerisico’s en -factoren, voor zover deze wezenlijk zijn voor een bepaalde beleggingsbenadering; „duurzaamheidsrisico’s” omvatten:

i)

risico’s op de korte en/of lange termijn voor het rendement van een financieel of pensioenproduct die voortvloeien uit de blootstelling ervan aan economische activiteiten die negatieve milieu- en sociale effecten kunnen hebben, of uit de blootstelling van het product aan entiteiten waarin wordt belegd die slechte governancepraktijken tentoonspreiden;

ii)

het risico op de korte en/of lange termijn dat de economische activiteiten waaraan een financieel of pensioenproduct wordt blootgesteld, negatieve effecten hebben op het natuurlijke milieu, de beroepsbevolking en gemeenschappen of op het bestuur van de entiteiten waarin wordt belegd, waaronder, maar niet uitsluitend indien deze verband houden met het in punt i) bedoelde financiële risico.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

is van mening dat duurzame (1) financiering ertoe bijdraagt dat bij beleggingsbeslissingen rekening wordt gehouden met milieuoverwegingen (klimaatverandering, schade aan het milieu, verlies aan biodiversiteit en hulpbronnenschaarste) naast sociale overwegingen (bijvoorbeeld slechte arbeidsvoorwaarden) en aspecten van de bedrijfsvoering (zogenoemde governancefactoren).

2.

Het CvdR bevestigt zijn verbintenis om zich in te zetten voor de bestrijding van de klimaatverandering en de bevordering van duurzame ontwikkeling overeenkomstig de in 2015 aangenomen VN-Agenda 2030 met haar 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (Sustainable Development Goals, SDG’s).

3.

Er moet worden overwogen gebruik te maken van synthetische indicatoren voor de ontwikkeling in Europa die betrekking hebben op een voldoende aantal ontwikkelingsgerelateerde aspecten, waaronder duurzaamheid. Daarbij kan worden uitgegaan van de regionale index voor sociale vooruitgang die het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling van de Europese Commissie al voor alle Europese regio’s gebruikt.

4.

De investeringen die nodig zijn om het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de klimaatverandering en duurzame ontwikkeling, zijn enorm en kunnen niet alleen met overheidsmiddelen worden verricht (2).

5.

De klimaatverandering stelt de financiële sector voor nieuwe, bijkomende fysieke en transitorische risico’s die de kwesties van het ontoereikend eigen vermogen van banken en de financiële stabiliteit nog eens extra bemoeilijken.

6.

Daarom is het „actieplan: duurzame groei financieren” van de Commissie van 8 maart 2018 zeer welkom. De daarin vermelde doelstellingen en de bereidheid om de financiële sector en particuliere beleggers in staat te stellen hun bijdrage te leveren aan het bereiken van de ambitieuze en gemeenschappelijke klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen zijn een schot in de roos.

7.

Het CvdR verzoekt de Europese Commissie, bij de beoordeling of het haalbaar is risico’s in verband met het klimaat en andere milieufactoren op te nemen in het risicobeheerbeleid van instellingen en of de kapitaalvereisten voor banken als onderdeel van de verordening en de richtlijn kapitaalvereisten eventueel moeten worden bijgesteld, er op te letten dat, wanneer rekening wordt gehouden met objectief te bewijzen criteria, geen lagere eisen worden gesteld aan het eigen vermogen wanneer het duurzaamheidsrisico met betrekking tot de ecologische of maatschappelijke verantwoording laag, maar het economische risico hoog is.

8.

De Europese Commissie zou wel moeten verduidelijken hoe de deels tegenstrijdige doelstellingen van het actieplan op elkaar kunnen worden afgestemd terwijl tegelijkertijd ook de financiële stabiliteit wordt gehandhaafd. De bevordering van duurzame financiering mag hierbij niet ten koste van de financiële stabiliteit gebeuren.

9.

Dit actieplan en de uitvoering ervan moeten worden bekeken in samenhang met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG’s), die de Verenigde Naties in 2015 hebben vastgesteld voor 2030, en met de door de EU getoonde bereidheid om deze doelstellingen te verwezenlijken.

10.

Het CvdR neemt in dit verband actief deel aan het multistakeholderplatform op hoog niveau dat de Commissie advies en ondersteuning verleent betreffende de vraag hoe de duurzameontwikkelingsdoelstellingen optimaal kunnen worden uitgevoerd in de EU. Door de aanbevelingen van het platform wordt duidelijk hoe belangrijk het aantrekken van passende middelen is voor het behalen van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen. De aanbevelingen bevatten hierover concrete voorstellen.

11.

De gevolgen van de klimaatverandering in de EU en overal ter wereld zijn zorgwekkend. Lokale en regionale overheden zijn vaak als eerste verantwoordelijk om de schade te beperken die is veroorzaakt door steeds extremere natuurverschijnselen en om te investeren in aanpassingsmaatregelen (3).

12.

De gevolgen (4) van klimaatgerelateerde natuurrampen zijn in gemeenten en regio’s direct zichtbaar. Bovendien profiteren zij van de waarborging van het concurrentievermogen van de EU-economie voor de lange termijn en van nieuwe, duurzamere investerings- en werkgelegenheidskansen.

13.

Lokale en regionale overheden zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de investeringen in de infrastructuur voor vervoer, telecommunicatie, energie, water en afvalverwerking, die in bredere zin belangrijke wegbereiders voor duurzame ontwikkeling zijn. In het licht hiervan beklemtoont het CvdR dat de lokale en regionale overheden van cruciaal belang zijn voor het opbouwen van weerbaarheid tegen steeds vaker voorkomende klimaatgerelateerde natuurrampen.

14.

Het CvdR steunt de aanpak van de Commissie, als onderdeel van het investeringsplan voor Europa, de technische en financiële ondersteuning voor duurzame projecten door het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en de Europese investeringsadvieshub, uit te bouwen met het EU-portaal voor investeringsadvies, met sterkere adviescapaciteiten op het gebied van milieu en maatschappij die ten goede zullen komen aan het regionale en lokale niveau. De gelijktijdige bevordering van duurzame beleggingen in partnerlanden door het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), te beginnen met Afrika en de buurlanden van de EU, in het kader van de uitvoering van het Europees plan voor externe investeringen (EIP), waardoor bijvoorbeeld duurzame landbouw, connectiviteit en het scheppen van menswaardige banen worden ondersteund, is ook een positief gegeven.

15.

Er bestaat een verband tussen de levensstandaard en het opleidingsniveau van EU-burgers en hun besef dat een duurzaam financieel stelsel noodzakelijk is en dat dit kansen inhoudt en hen mogelijkheden biedt wanneer zij eraan deelnemen door zelf te beleggen in duurzame financiële producten. Om de Europese burgers meer inzicht te geven in de verschillende aspecten van duurzame ontwikkeling, moet de informatie hierover worden verbeterd.

16.

De uitvoering van het actieplan zal de economische activiteiten sterker richten op langetermijndoelstellingen met inachtneming van de mogelijke gevolgen van het economische handelen voor de samenleving, in Europa en elders.

17.

De Commissie zou derhalve verder moeten streven naar een vermindering van het kortetermijndenken dat typisch is voor de financiële markten. Dit kortetermijndenken heeft duidelijke en uiterst negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering en strategie van zowel grote beursgenoteerde als kleinere ondernemingen.

18.

Het CvdR pleit ervoor dit actieplan snel op gang te brengen met de eerste drie wetgevingsvoorstellen die op 24 mei 2018 werden bekendgemaakt — het voorstel voor een verordening betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen, het voorstel voor een verordening betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico’s, het voorstel voor een verordening inzake koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans — en met de lancering van een openbare raadpleging over de integratie van duurzaamheid in geschiktheidstests.

19.

Kleine en middelgrote ondernemingen en familiebedrijven hebben een directere kijk op de sociale en milieu-impact van hun bedrijf en staan inherent anders tegenover de duurzaamheids- en governanceaspecten ervan; zij hebben echter vaak te maken met hogere kapitaalkosten en krijgen moeilijker toegang tot de financiële markten.

20.

De Commissie zou zo snel mogelijk moeten komen met voorstellen voor de verwezenlijking van de overige doelstellingen van het actieplan.

21.

Het is jammer dat de Commissie in haar actieplan, waarin nochtans wordt vermeld dat het in het nieuwe meerjarig financieel kader voorziene enige investeringsfonds duurzame infrastructuurprojecten zou kunnen bevorderen, niet is ingegaan op de aanbeveling van de deskundigengroep op hoog niveau betreffende het opzetten van een faciliteit „duurzame infrastructuur Europa” ter bevordering van duurzame infrastructuurprojecten in alle lidstaten, die vooral voor lokale en regionale overheden waardevol zou zijn.

22.

Enkele lokale/regionale overheden geven zelf duurzame financiële producten uit zoals gemeentelijke of regionale groene obligaties en sociale of duurzaamheidsobligaties. Het is belangrijk om dergelijke initiatieven te steunen door gezamenlijke praktijken voor obligaties te ontwikkelen en de financiële stabiliteit van emittenten door middel van samenwerking, zoals gezamenlijke borgstellingen, te verbeteren.

23.

Zo is er het voorbeeld van Baskenland, dat onlangs een „raamwerk voor duurzaamheidsobligaties” (5) heeft ingevoerd, zodat de opbrengsten uit de verkoop van obligaties kunnen worden gebruikt voor de financiering van betaalbare woonruimte, toegang tot opleiding en medische zorg, projecten ter bevordering van hernieuwbare energiebronnen, het voorkomen van milieuvervuiling en vele andere duurzame investeringen in verschillende, door het raamwerk vastgestelde toepassingsgebieden. Een ander goed voorbeeld is het gemeenschappelijke verslagleggingskader dat in 2017 door Noord-Europese openbare emittenten van groene obligaties is gepubliceerd en door de markt positief is onthaald (6).

24.

Het CvdR bevestigt zijn steun voor een breed opgezette belasting op financiële transacties (FTT) (7) in de EU en beklemtoont dat een doelmatige vormgeving van deze belasting zou kunnen bijdragen tot de bevordering van het langetermijndenken op de financiële markten.

25.

Een FTT zou naast andere voordelen ook de mogelijkheid bieden om kapitaalstromen te kanaliseren naar duurzame beleggingen. Dat kan worden bereikt door transacties ten voordele van beleggingen die volgens het EU-raamwerk ter bevordering van duurzame beleggingen als zeer duurzaam worden aangemerkt, uit te sluiten van de belasting op financiële transacties of door er een lagere belasting op te heffen.

26.

Het is positief dat het voorstel voor het InvestEU-programma van de Commissie van 6 juni 2018 in het kader van het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) ook tot doel heeft om bij te dragen tot een duurzaam financieel stelsel in de EU en de herbestemming van particulier kapitaal naar duurzame beleggingen te bevorderen door ongeveer 30 % van de voorgestelde InvestEU-begrotingsgarantie, namelijk 38 miljard EUR, voor duurzame infrastructuur te gebruiken.

27.

Het is eveneens positief dat in het voorstel van de Commissie wordt bepaald dat de bijdrage van InvestEU aan de verwezenlijking van de EU-klimaatdoelstellingen aan een duurzaamheidstoets wordt onderworpen in overeenstemming met de investeringsrichtsnoeren die de Commissie in samenwerking met de uitvoerende partners in het kader van het InvestEU-programma moet ontwikkelen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de criteria die moeten worden vastgesteld in het kader van de voorgestelde verordening betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen.

28.

Aangezien het vooral voor de kleine en middelgrote ondernemingen lastig is om hun economische activiteiten op duurzame leest te schoeien, zou het beleidsvenster voor kleine en middelgrote ondernemingen van het InvestEU-programma sterke stimulansen moeten omvatten om deze overgang te ondersteunen.

29.

Duurzame ontwikkeling buiten de financiële markten vereist dat in het gehele spectrum van economisch handelen de juiste prikkels aanwezig zijn. Een efficiënte, in het kader van het Europees emissiehandelssysteem (ETS) gereguleerde markt voor de handel in emissierechten kan een cruciale rol spelen bij het creëren van passende prikkels voor de bestrijding van de klimaatverandering, indien deze samen met een ambitieus beleid ten aanzien van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie ten uitvoer worden gelegd. Het is daarom jammer om de teleurstellende resultaten te moeten vaststellen van het ETS in zijn huidige vorm met nog steeds te lage prijzen voor emissierechten. Het zou verstandig zijn om een minimumpercentage van de ETS-veilingopbrengsten rechtstreeks door lokale en regionale overheden te laten beheren en dit te investeren in de verbetering van de plaatselijke weerbaarheid (8).

30.

Daarnaast zouden de EU-instellingen, lidstaten en lokale en regionale overheden duurzame ontwikkeling zonder terughoudendheid moeten omarmen en zouden ze ervoor moeten zorgen dat de EU op dit gebied internationaal de toon zet door de kansen op innovatie en ontwikkeling die met een geleidelijke overgang naar een nieuw economisch en financieel model worden geschapen, volledig te benutten.

Voorstel voor een verordening betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen

31.

Het CvdR is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een verordening betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen, waardoor het mogelijk wordt een kader op EU-niveau te ontwikkelen om de mate van duurzaamheid van een belegging te bepalen, een kader dat bovendien een voorwaarde is voor de verwezenlijking van verscheidene concrete doelstellingen van de Commissie in overeenstemming met haar actieplan. Op grond van het verordeningsvoorstel moedigt het CvdR de Commissie aan om werk te maken van de ontwikkeling van een EU-ecolabel voor duurzame financiële producten.

32.

Het in het actieplan vermelde voornemen van de Commissie om in 2019 voorstellen voor een „groene EU-obligatie” voor te leggen op grond van de in de „verordening betreffende het raamwerk” vastgestelde criteria wordt toegejuicht, aangezien een dergelijke norm zou leiden tot bewustwording en het beleggersvertrouwen zou vergroten, en daardoor zou bijdragen tot de totstandkoming van een diepe en liquide markt voor duurzame beleggingen.

33.

De eenzijdige nadruk op ecologische aspecten van duurzaamheid in het actieplan van de Commissie is echter betreurenswaardig, met name in het „voorstel voor een raamwerk”. Sociale vraagstukken maken net als ecologische aspecten deel uit van het beginsel van duurzaamheid, en ook vraagstukken in verband met governance zijn uiterst relevant, vooral in verband met investeringen.

34.

Het CvdR dringt aan op een snelle en tijdige uitvoering en verzoekt de Commissie daarom zo snel mogelijk en uiterlijk bij het eerste verslag over de toepassing van de verordening betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen uiteen te zetten wanneer en hoe zij de uitbreiding van het toepassingsgebied van deze verordening tot definities en criteria zal voorstellen, zodat de beleggers aan de hand van die definities en criteria kunnen beoordelen of een economische activiteit duurzaam is in overeenstemming met alle aspecten van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen.

35.

De Europese Commissie zou ook verslag moeten uitbrengen over hetgeen ze heeft ondernomen om te komen tot een op duurzaamheid gericht beheer van het financiële stelsel, overeenkomstig de norm van de OESO.

36.

Daarnaast zouden ook juridisch bindende zorgvuldigheidsplichten moeten worden ingevoerd voor beleggers en ondernemingen in verband met de eerbiediging van de mensenrechten, die ook gelden voor de activiteiten en waardeketens van buitenlandse concerns.

37.

Het CvdR deelt de (in overweging 36 naar voren gebrachte) opvatting van de Commissie dat een Europese meerwaarde erin bestaat op EU-niveau een eengemaakt EU-classificatiesysteem in te voeren betreffende de criteria om uit te maken wat voor beleggingsdoeleinden een duurzame activiteit is, en daardoor de verplichtingen en doelstellingen van de EU ten aanzien van het milieu- en klimaatbeleid na te komen en een dure marktversnippering te voorkomen. Het voorstel voor een verordening voldoet daarmee aan de vereisten van het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel.

38.

Het voorstel voor een verordening strookt tevens met het evenredigheidsbeginsel.

Voorstel voor een verordening betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico’s

39.

De naleving van de beginselen van evenredigheid en proportionaliteit bij de vaststelling van een op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen gebaseerd regelgevingskader voor transparantie en bekendmaking in de context van de belangen van kredietinstellingen die van bijzondere betekenis zijn voor lokale ondernemingen en lokale en regionale overheden, voor kleine en middelgrote instellingen, zoals spaarbanken en coöperatieve banken, is zeer belangrijk. Deze beginselen moeten geëerbiedigd worden.

40.

In het voorstel worden zowel het subsidiariteitsbeginsel als het evenredigheidsbeginsel in acht genomen.

Koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans

41.

Het voorstel voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

Brussel, 5 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  De commissie-Brundtland definieert „duurzame ontwikkeling” als „een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties in gevaar te brengen”. Duurzaamheid in relatie tot groei is in de EU het overkoepelende beginsel dat milieu, economie en maatschappelijke verantwoordelijkheid met elkaar verbindt.

(2)  Advies van het CvdR over klimaatfinanciering: een essentieel instrument voor de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, COR-2017-02108.

(3)  CvdR-advies over klimaatfinanciering: een essentieel instrument voor de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, COR-2017-02108.

(4)  Volgens het actieplan is het aantal door het weer veroorzaakte natuurrampen tussen 2007 en 2016 met 46 % per jaar gestegen; de economische schade nam daarbij met 86 % toe (tot 117 miljard EUR in 2016).

(5)  http://www.euskadi.eus/contenidos/informacion/7071/es_2333/Basque%20Government%20Sustainability%20Bond%20Framework_2018.pdf

(6)  Nordic Public Sector Issuers: Position Paper on Green Bonds Impact Reporting;

https://www.munifin.fi/recents/news/2017/ 10/24/nordic-issuers-release-guide- on-green-bonds-impact-reporting

(7)  Zie het advies van het CvdR over een gemeenschappelijk stelsel van belasting op financiële transacties, februari 2012, CdR 332/2011 fin (PB C 113 van 18.4.2012, blz. 7).

(8)  Advies van het CvdR over klimaatfinanciering: een essentieel instrument voor de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, COR-2017-02108.


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/36


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over modellen van lokale verantwoordelijkheid voor energie en de rol van lokale gemeenschappen bij de energietransitie in Europa”

(2019/C 86/05)

Rapporteur:

Mariana GÂJU (RO/PSE), burgemeester van Cumpăna (regio Constanța)

Referentiedocument:

Adviesaanvraag van het Oostenrijkse voorzitterschap

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Belangrijkste bevindingen

1.

erkent dat de energiesector een cruciale rol speelt in de economische en sociale ontwikkeling en dat de levenskwaliteit van de burgers, de economische groei en het concurrentievermogen van de economie van een bepaald land alleen kunnen worden gewaarborgd als dit land beschikt over betaalbare energie met minimale milieueffecten.

2.

Energie is een belangrijke factor in de economie van lokale gemeenschappen, aangezien energie deel uitmaakt van de productiekosten van de industrie en van diensten op lokaal niveau, en is van invloed op de koopkracht van gezinnen. Energiediensten zijn immers nodig voor verwarming, warm water, airconditioning, voedselbereiding en -bewaring, toegang tot informatie enz.

3.

Gemeenschapsinitiatieven, die gebaseerd zijn op lokale samenwerkingsvormen, kunnen worden opgezet door natuurlijke personen of groepen van natuurlijke personen, kleine bedrijven of lokale overheden, of zelfs door gezinnen, die onafhankelijk of binnen een organisatie kunnen optreden. „Lokale energiegemeenschappen” (LEG’s) kunnen een belangrijke rol spelen in de energietransitie en de ontwikkeling stimuleren van duurzame energietechnologieën waar de lokale gemeenschappen en de EU als geheel wel bij varen.

4.

Er zij op gewezen dat de overgang naar een al dan niet gedeeltelijk toezicht op energiesystemen door territoriale bestuurlijke entiteiten slechts kan worden verwezenlijkt door een en ander opnieuw onder gemeentelijk beheer te brengen („remunicipalisation”), diensten te decentraliseren en participerend bestuur mogelijk te maken in de vorm van partnerschappen of energiecoöperaties die zijn ontstaan door een toename van burgerinitiatieven op het gebied van energie.

5.

De organisatiestructuur van gemeenschapsinitiatieven op het gebied van energie kan de rechtsvorm aannemen van onder meer partnerschappen met lokale overheden (waaronder publiek-private partnerschappen (PPP’s)), coöperaties, gemeenschapsstichtingen, vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ondernemingen zonder winstoogmerk in handen van hun gebruikers, vastgoedverenigingen of gemeentelijke structuren.

6.

Een dergelijke lokale energiegemeenschap (LEG) kan een efficiënte manier zijn om energie op gemeenschapsniveau te beheren, met name de productie, de distributie en het verbruik van elektriciteit of (stads)verwarming en (stads)koeling, met of zonder aansluiting op of verbinding met lokale distributiesystemen.

7.

De energiegemeenschappen kunnen als hefbomen dienen om burgers bij de energietransitie en dus de duurzame economie te betrekken. Zij kunnen er met andere woorden voor zorgen dat duurzame energietechnologieën gemakkelijker kunnen worden ingevoerd, hetgeen voordelen met zich meebrengt voor de lokale gemeenschappen en de verantwoordelijkheid voor de ecologische voetafdruk vergroot.

8.

De lokale verantwoordelijkheid voor energie maakt deel uit van een politieke afspraak om energietransitie tot stand te brengen en gaat gepaard met specifieke beleidsmaatregelen ten behoeve van de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen op alle bestuursniveaus.

9.

Het is een goede zaak dat er op EU-niveau een wettelijk en regelgevend kader inzake de oprichting en werking van lokale energiegemeenschappen en hun toegang tot de energiemarkt wordt ingevoerd. Het is van belang dat er duidelijke definities en regels komen om ervoor te zorgen dat LEG’s een positieve rol kunnen spelen in een rechtvaardige energietransitie. De lidstaten worden opgeroepen om hun potentieel ten volle te benutten. Dit houdt onder meer in dat zij toegang moeten hebben tot financieringsinstrumenten en/of partnerschapsinstrumenten. Het doel van dit kader is het risico bij investeringen in LEG’s te beperken, en eventuele negatieve vooroordelen jegens hen weg te werken.

10.

De energiecoöperatie (rechtsvorm van de organisatiestructuur — gemeenschapsinitiatief), een uniek economisch en juridisch eigendomsmodel, is gericht op het brengen van voordelen op lokaal niveau, en kan diensten verlenen in de energiesector, zoals de productie van energie uit hernieuwbare bronnen in eigen beheer of van buitenaf voor eigen gebruik en verkoop, het houden en exploiteren van opslagsystemen, micronetwerken en distributie-infrastructuren, en de uitvoering van energie-efficiënte maatregelen.

11.

De energiecoöperatie kan bijdragen tot de decentralisatie, openstelling en democratisering van de energiesystemen en zo een positieve invloed uitoefenen op duurzame lokale sociale en economische ontwikkeling, en kan daarmee een bijdrage leveren aan de bestrijding van energiearmoede („energy poverty”) en de werkgelegenheid in de gemeenschap bevorderen.

12.

In de meeste lidstaten wordt de exploitatie van hernieuwbare energiebronnen bevorderd door steunregelingen die zijn afgestemd op de specifieke lokale en regionale kenmerken. Sommige landen hebben ervoor gezorgd dat hernieuwbare energie voorrang krijgt in het netwerk, maar andere landen hebben geregeld dat zulks onder redelijke voorwaarden gebeurt. Daarnaast zijn er nog tal van andere manieren om de vergunningsprocedure voor kleinschaliger installaties voor hernieuwbare energie te bevorderen en vereenvoudigen, weliswaar in het kader van een regionale en nationale programmering.

13.

Het verdient aanbeveling om de verschillende nationale steunregelingen waar nodig op Europees niveau te stroomlijnen, zodat daarmee een bijdrage kan worden geleverd aan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de doelstellingen van de Europese energie-unie.

14.

Er moet een krachtiger beleid worden ontwikkeld om een zo doeltreffend mogelijk gebruik van biomassa te waarborgen, wat bijdraagt aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen; er zou optimaal gebruik moeten worden gemaakt van biomassa-afval uit alle economische en sociale sectoren om op middellange en lange termijn energie op te wekken.

15.

De dialoog tussen het beleidskader en het wetgevingskader voor de transformatie van de energie-infrastructuur zou ook verder moeten worden ontwikkeld, om de interconnecties op lokaal, regionaal en grensoverschrijdend niveau uit te breiden en te zorgen voor een grotere energieopslagcapaciteit en slimme netwerken voor energievoorziening op basis van vraagbeheer in een systeem met een groot aandeel hernieuwbare energie.

Conclusies en aanbevelingen

16.

Lokale verantwoordelijkheid voor energie moet een vanzelfsprekendheid worden, door de vaststelling van beleid voor hernieuwbare energie en energietransitie en door het garanderen van financiële steunmechanismen voor hernieuwbare energie.

17.

De EU en de lidstaten moeten hun regionaal en energiebeleid nauwer op elkaar afstemmen, zodat bij het streven naar duurzame regionale ontwikkeling gebruik kan worden gemaakt van de enorme voordelen van de overgang naar hernieuwbare energie, met inbegrip van de decentralisatie van de energiesystemen en de afname van de afhankelijkheid van (voornamelijk geïmporteerde) fossiele brandstoffen.

18.

Ook zijn er regels nodig om een niet-discriminerende toegang van lokale energiegemeenschappen tot de markten te waarborgen, met als doel deze te bevorderen door middel van beleid en wetgeving waarin hun rol en specifieke behoeften worden erkend, beleid/regels in te voeren die lokale/regionale samenwerking aanmoedigen, vereenvoudigde en evenredige regelgevings- en administratieve procedures in te voeren en de toegang tot technische en economische informatie, richtsnoeren en financiering te vergemakkelijken.

19.

De EU-lidstaten zouden er goed aan doen om verschillende gedeelde vormen van lokale verantwoordelijkheid voor energie voor te stellen en in praktijk te brengen, omdat lokale energiegemeenschappen in een aantal lidstaten niet altijd even gemakkelijk functioneren en op hun niveau soms moeilijk voordelen kunnen realiseren. Tot de problemen behoren inconsistente en heterogene regelgeving ten opzichte van de marktontwikkelingen, ontoereikende nationale strategieën en programma’s ter ondersteuning van lokale of regionale energiegemeenschappen, en de complexiteit van het administratieve en regelgevingskader voor nieuwkomers op de energiemarkt.

A.    Aanbevelingen voor beleidsmakers op EU-niveau

20.

EU-wetgeving zou moet zorgen voor een gelijk speelveld en minimumvereisten om de lokale energiegemeenschap te bevorderen, zodat de EU op dit gebied een voorbeeldfunctie kan vervullen.

21.

De beleidsinstrumenten op EU-niveau en de nationale wetgeving die de EU-wetgeving omzet/aanvult zouden dan ook zo moeten worden ontworpen dat ze een gunstig effect hebben op de ontwikkeling van lokale energiegemeenschappen, met inbegrip van energiecoöperaties.

22.

Er moet een doelgerichte en functionele omzetting van de definities van „hernieuwbare-energiegemeenschap” en „lokale energiegemeenschap”, of van andere functionele begrippen als gemeentelijke energiebedrijven, -coöperaties of -collectieven, komen op lidstatenniveau om de toegang van deze organisaties tot de energiemarkt te waarborgen en ervoor te zorgen dat met hun behoeften, ook die op het gebied van steun en, in voorkomend geval, aanvullende prikkels, terdege rekening wordt gehouden.

Handhaven van een stabiel politiek klimaat om hernieuwbare energie te bevorderen

23.

De lokale energiegemeenschap wordt vaak in verband gebracht met de productie, de levering, de distributie en het verbruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

24.

Lokale energiegemeenschappen zijn systematisch afhankelijk van steunmechanismen van de overheid voor hernieuwbare energie om financiering te vinden en de risico’s in het kader van hun activiteiten te beheren. EU-beleidsmakers hebben er echter op gewezen dat de steunmechanismen die niet gebaseerd zijn op premies en losstaan van de markt (bijvoorbeeld vaste tarieven) zullen worden afgeschaft.

25.

Het Europees Comité van de Regio’s (CvdR) beseft maar al te goed dat de lokale energiegemeenschappen door de verschuiving naar marktgebaseerde steunregelingen en aanbestedingen financiële middelen zouden kunnen verliezen of zelfs van de markt zouden kunnen worden uitgesloten als er in aanbestedingsprocedures complexe vereisten worden ingevoerd.

26.

De lidstaten moeten dan ook absoluut bevoegd blijven voor de invoering van specifieke steunmechanismen en de EU-wetgeving en het EU-beleid mogen de steun voor hernieuwbare energie in de lidstaten niet beperken tot financiële maatregelen, ongeacht of deze op de markt zijn gebaseerd of losstaan van de markt.

Vaststelling van regels voor de energiemarkt die de transitie in alle aspecten van het energiesysteem kunnen ondersteunen

27.

De retailmarkten voor elektriciteit moeten dringend dynamischer en concurrerender worden. Om de energieconsumenten de kans te geven de vruchten te plukken van de liberalisering van de energiemarkt en de lokale energiegemeenschappen de mogelijkheid te bieden bij te dragen tot een meer gediversifieerde en flexibele markt, is het belangrijk om de mate van concentratie van de groothandels- en retailmarkten voor elektriciteit op te volgen en controle uit te oefenen op de economische en financiële macht en invloed van de verschillende marktspelers.

28.

In het kader van de verbeteringen die worden aangebracht in het huidige EU-wetgevingskader door de voorstellen in het nieuwe wetgevingspakket voor schone energie, met inbegrip van die met betrekking tot de nieuwe richtlijn betreffende de interne energiemarkt, is het wenselijk dat de rol en de betrokkenheid van lokale energiegemeenschappen bij de werking van het energiesysteem, als producenten, distributeurs en verbruikers van energie, worden erkend en dat de regels worden uitgebreid tot het scala aan diensten die de lokale energiegemeenschappen verlenen, zoals energie-efficiëntie, energieopslag, beheer van lokale distributienetten en diensten voor de balancering van het energiesysteem.

29.

De regels en administratieve procedures voor kleine producenten van hernieuwbare energie en lokale energiegemeenschappen zouden moeten worden vereenvoudigd zodat deze marktdeelnemers, die in de regel een aparte soort energiebedrijven zijn, niet worden gediscrimineerd vanwege de administratieve lasten en expliciete of impliciete kosten.

30.

De regels en voorschriften mogen kleine eigenaren van energiecapaciteit uit hernieuwbare bronnen of lokale energiegemeenschappen niet verhinderen hun geproduceerde energie samen te voegen en te leveren zoals gespecialiseerde bedrijven dat doen, bijvoorbeeld door middel van innovatieve initiatieven zoals virtuele energiecentrales.

Zorgen voor een homogeen, samenhangend beleid

31.

Het CvdR dringt er voorts op aan dat de verschillende wetgevingshandelingen van de EU de lokale energiegemeenschappen op samenhangende wijze benaderen en bevorderen, rekening houdend met de begrippen „lokale energiegemeenschap” en „hernieuwbare-energiegemeenschap”.

B.    Aanbevelingen voor beleidsmakers op nationaal niveau

32.

Er moet absoluut werk worden gemaakt van een snelle omzetting van de EU-wetgeving en de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk energiebeleid, alsook van de vaststelling door besluitvormers op nationaal niveau van nationale doelstellingen en specifieke prikkels voor de lokale energiegemeenschappen.

Erkenning van de specifieke rol en behoeften van de LEG’s in relevante nationale wetgeving en beleid

33.

In de voorstellen in het wetgevingspakket voor energie in het algemeen, en schone energie in het bijzonder, wordt de nadruk gelegd op maatregelen ter erkenning van de rol van lokale energiegemeenschappen bij de energietransitie op EU-niveau. De lidstaten moeten in dit verband soortgelijke voorschriften met betrekking tot deze gemeenschappen vaststellen, waarin evenwel rekening wordt gehouden met de specifieke nationale behoeften.

Vaststelling van beleid en regels om de LEG’s en lokale samenwerking te bevorderen

34.

De besluitvormers moeten op nationaal niveau toegankelijk beleid of toegankelijke regels opstellen voor de bevordering van lokale energiegemeenschappen. Deze regels zouden:

a)

ervoor kunnen zorgen dat kleine energieproducenten gegarandeerd toegang hebben tot de energiemarkt en de specifieke infrastructuur;

b)

energieprojecten van lokale/regionale kleine producenten op lokaal niveau kunnen stimuleren.

35.

Het zou wenselijk zijn om regels vast te stellen betreffende de potentiële voordelen, teneinde ervoor te zorgen dat deze op het niveau van de lokale gemeenschap blijven en de sociale en economische ontwikkeling van de gemeenschap bevorderen in plaats van de aandeelhouders van de projecten ten goede te komen.

36.

De duurzame ontwikkeling en de milieuaspecten van gemeenschapsprojecten inzake energie kunnen worden bevorderd via nationaal beleid, met name door financiële prikkels te geven (bijvoorbeeld belastingvrijstellingen, investeringssteun) of kortingen op de energiefactuur, en door eventueel aanvullende prikkels te bieden voor autonome projecten of projecten die meerdere diensten en voordelen bieden.

Goedkeuring van vereenvoudigde en evenredige regelgevings- en administratieve procedures voor de LEG’s

37.

Het CvdR is voorstander van de invoering van eisen betreffende de oprichting van een éénloketsysteem voor projectcertificering en -vergunning, zoals voorgesteld in de nieuwe richtlijn betreffende hernieuwbare energie, die de lidstaten een passend kader biedt om oplossingen af te stemmen op de nationale en lokale context.

De toegang van LEG’s waarborgen tot technische informatie, richtsnoeren en financiering

38.

De lokale energiegemeenschappen en energiecoöperaties hebben voor hun projecten gebruik kunnen maken van de financieringsmogelijkheden die overheden bieden via steunregelingen, de middelen in het kader van EU-initiatieven en zelfs middelen die commerciële banken hun ter beschikking stellen.

39.

Het is dan ook niet meer dan logisch om op nationaal niveau specifieke financiële steunregelingen op te zetten voor lokale energiegemeenschappen, met name voor de plannings- en opstartfase van projecten (bijvoorbeeld de omzetting van subsidies in leningen, garanties of mogelijkheden om goedkoper te lenen enz.), door de toegang tot technische informatie en richtsnoeren over het opstarten, financieren en uitvoeren van gemeenschapsprojecten te vereenvoudigen.

C.    Aanbevelingen aan de lokale en regionale overheden

Vaststelling van lokaal beleid voor de ontwikkeling van LEG’s

40.

De lokale en regionale overheden kunnen het beleid van de EU en de lidstaten aanvullen door bijkomende doelstellingen betreffende de bijdrage van lokale energiegemeenschappen aan lokale energiedoelstellingen vast te stellen. Zo nemen bijvoorbeeld veel steden deel aan het Burgemeestersconvenant, in het kader waarvan lokale plannen voor duurzame energie- en klimaatacties werden gedefinieerd.

41.

De lokale en regionale overheden zouden gediend zijn met het in kaart brengen van de lokale/regionale energiegemeenschappen die kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de lokale energiedoelstellingen en de doelen op het gebied van sociaal beleid, en met het vaststellen van steunmechanismen voor hun ontwikkeling en van adviesdiensten, waar dit noodzakelijk is en kan worden gerealiseerd zonder te discrimineren.

Analyse van mogelijke partnerschappen met LEG’s of de mogelijke oprichting van LEG’s

42.

Om de bijdrage van lokale energiegemeenschappen aan de lokale beleidsdoelstellingen te versterken, kunnen lokale en regionale overheden partnerschappen aangaan met de bestaande gemeenschappen of nieuwe oprichten in samenwerking met de lokale burgers.

43.

De lokale energiegemeenschappen en de territoriale overheden kunnen elkaar als partners aanvullen. Lokale en regionale overheden bieden immers een kader voor projecten inzake de productie van hernieuwbare energie, administratieve ondersteuning en preferentiële tarieven, en de lokale energiegemeenschap blijft verantwoordelijk voor de technische deskundigheid en economische en financiële bijstand bij de uitvoering van projecten.

44.

De lokale en regionale overheden spelen een belangrijke rol bij de energietransitie omdat ze de verantwoordelijkheid nemen voor de lokale energiedistributienetwerken en controle uitoefenen op de in energie gespecialiseerde nutsbedrijven die de netwerken bezitten of beheren. Lokale en regionale overheden zijn de instanties bij uitstek om de burgers te wijzen op de mogelijkheden van betrokkenheid bij de lokale energiesector en om relevante informatie te verspreiden.

Brussel, 6 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


III Voorbereidende handelingen

COMITÉ VAN DE REGIO'S

132e CvdR-zitting, 5.12.2018-6.12.2018

7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/41


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over de verordening gemeenschappelijke bepalingen

(2019/C 86/06)

Corapporteurs:

Catiuscia MARINI (IT/PSE), voorzitter van het bestuur van de regio Umbrië

Michael SCHNEIDER (DE/EVP), staatssecretaris en gevolmachtigde van de deelstaat Saksen-Anhalt bij de Duitse regering

Referentiedocument:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa

COM(2018) 375 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Nieuwe overweging na overweging 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Wat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) betreft, moeten krachtige synergieën en banden in stand worden gehouden tussen het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en de tweede pijler (Elfpo) van het GLB. Het Elfpo mag niet uit de Verordening gemeenschappelijke bepalingen worden gehaald, zodat er een nauw verband blijft bestaan tussen het Elfpo en de al in de lidstaten aanwezige structuren voor de implementatie van de structuurfondsen.

Motivering

Het is belangrijk om krachtige synergieën tussen het ELGF en het Elfpo in stand te houden zodat het Elfpo deel kan uitmaken van de Verordening gemeenschappelijke bepalingen (VGB). Daarom moet het Elfpo onderdeel blijven van de VGB, wat vereist dat de tekst wordt aangepast, met name de overwegingen 2 en 23 en de artikelen 17, 31, 48 en 58.

Wijzigingsvoorstel 2

Nieuwe overweging na overweging 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Bijzondere aandacht wordt besteed aan plattelandsgebieden, regio’s die een industriële overgang doormaken en regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen.

Motivering

Er dient specifiek te worden verwezen naar regio’s met natuurlijke en demografische belemmeringen om aan de doelstellingen van artikel 174 VWEU tegemoet te komen.

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Horizontale beginselen als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie („VEU”) en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen subsidiariteit en evenredigheid als bedoeld in artikel 5 van het VEU moeten worden nageleefd bij de uitvoering van de Fondsen, rekening houdend met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. Lidstaten en de Commissie moeten ernaar streven ongelijkheden op te heffen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en het genderperspectief te integreren , alsmede discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan enige vorm van segregatie. De doelstellingen van de Fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel „de vervuiler betaalt” wordt toegepast. Om de integriteit van de interne markt te beschermen moeten concrete acties waarbij ondernemingen gebaat zijn, in overeenstemming zijn met de staatssteunregels van de Unie zoals bedoeld in de artikelen 107 en 108 van het VWEU.

Horizontale beginselen als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie („VEU”) en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen subsidiariteit en evenredigheid als bedoeld in artikel 5 van het VEU moeten worden nageleefd bij de uitvoering van de Fondsen, rekening houdend met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. Lidstaten en de Commissie moeten ernaar streven ongelijkheden op te heffen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, alsmede discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden. Genderbewust budgetteren moet in alle fasen van de implementatie van de desbetreffende fondsen worden geïntegreerd, van programmering tot rapportage, ook via genderrelevante indicatoren en naar geslacht uitgesplitste gegevensverzameling. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan enige vorm van segregatie. De doelstellingen van de Fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel „de vervuiler betaalt” wordt toegepast. Om de integriteit van de interne markt te beschermen moeten concrete acties waarbij ondernemingen gebaat zijn, in overeenstemming zijn met de staatssteunregels van de Unie zoals bedoeld in de artikelen 107 en 108 van het VWEU.

Motivering

Het is van belang ervoor te zorgen dat de fondsen ook rekening houden met het genderperspectief, zodat gelijkheid op alle betrokken gebieden wordt gewaarborgd en wordt bijgedragen aan een inclusieve samenleving.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging 10

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Een deel van de begroting van de Unie die aan de Fondsen is toegewezen, moet door de Commissie worden uitgevoerd in gedeeld beheer met de lidstaten in de zin van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe Financieel Reglement] van het Europees Parlement en de Raad („het Financieel Reglement”). Bij de uitvoering van de Fondsen onder gedeeld beheer moeten de Commissie en de lidstaten derhalve de in het Financieel Reglement opgenomen beginselen in acht nemen, zoals goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie.

Een deel van de begroting van de Unie die aan de Fondsen is toegewezen, moet door de Commissie worden uitgevoerd in gedeeld beheer met de lidstaten in de zin van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe Financieel Reglement] van het Europees Parlement en de Raad („het Financieel Reglement”). Bij de uitvoering van de Fondsen onder gedeeld beheer moeten de Commissie en de lidstaten derhalve de in het Financieel Reglement opgenomen beginselen in acht nemen, zoals goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie. De lidstaten, in overeenstemming met hun institutionele, juridische en financiële kader, en de daartoe door hen aangewezen instanties dienen verantwoordelijk te zijn voor de voorbereiding en uitvoering van de programma’s op het passende territoriale niveau.

Motivering

In de VGB moet duidelijk worden gemaakt dat, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, het passende territoriale niveau moet worden ingeschakeld teneinde een gebiedsgerichte aanpak te garanderen.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging 11

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het principe van partnerschap is een essentieel kenmerk bij de uitvoering van de Fondsen, waarbij wordt voortgebouwd op de aanpak van meerlagig bestuur en wordt gezorgd voor de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners. Met het oog op continuïteit bij de organisatie van het partnerschap moet Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014[13] van de Commissie van toepassing blijven.

Het principe van partnerschap is een essentieel kenmerk bij de uitvoering van de Fondsen, waarbij wordt voortgebouwd op de aanpak van meerlagig bestuur en wordt gezorgd voor de betrokkenheid van de regionale en lokale autoriteiten , van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners. Het noopt de belanghebbenden tot engagement en betrokkenheid en brengt Europa dichter bij zijn burgers. Met het oog op continuïteit bij de organisatie van het partnerschap moet Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014[13] van de Commissie van toepassing blijven.

Motivering

De regionale en lokale overheden moeten uitdrukkelijk worden vermeld in alle overwegingen en artikelen van de VGB inzake het principe van het partnerschap en meerlagig bestuur.

Wijzigingsvoorstel 6

Overweging 12

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Op het niveau van de Unie is het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid het kader om nationale hervormingsprioriteiten vast te stellen en toezicht te houden op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van deze hervormingsprioriteiten. Deze strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma’s worden voorgesteld om een overzicht te bieden van en te zorgen voor de coördinatie van de prioritaire investeringsprojecten die met nationale middelen en EU-middelen moeten worden ondersteund. Voorts kan met deze strategieën de EU-financiering op een samenhangende wijze worden gebruikt en kan de toegevoegde waarde van de met name van de Fondsen, de Stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU te ontvangen financiële steun worden gemaximaliseerd.

Op het niveau van de Unie is een herzien Europees Semester waarvan multilevel governance een onderdeel is en dat is afgestemd op een nieuwe langetermijnstrategie van de EU voor de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, het kader om nationale hervormingsprioriteiten vast te stellen en toezicht te houden op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van deze hervormingsprioriteiten. Deze strategieën moeten in een samenwerkingsverband tussen de nationale, regionale en lokale overheden worden ontwikkeld aan het begin van de programmeringsperiode en in het kader van de tussentijdse herziening samen met de nationale hervormingsprogramma’s worden voorgesteld om een overzicht te bieden van en te zorgen voor de coördinatie van de prioritaire investeringsprojecten die met nationale middelen en EU-middelen moeten worden ondersteund. Voorts kan met deze strategieën de EU-financiering op een samenhangende wijze worden gebruikt en kan de toegevoegde waarde van de met name van de Fondsen, de Stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU te ontvangen financiële steun worden gemaximaliseerd.

Motivering

Door het Europees Semester aan het begin van de programmeringsperiode en in het kader van de tussentijdse herziening aan te passen kan dat beter worden afgestemd op de meerjarige investeringsprioriteiten van het cohesiebeleid.

Wijzigingsvoorstel 7

Overweging 13

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten moeten bepalen op welke wijze bij het opstellen van de programmeringsdocumenten rekening wordt gehouden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en de relevante aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU (hierna „de landspecifieke aanbevelingen” genoemd). Tijdens de programmeringsperiode 2021-2027 (hierna „programmeringsperiode” genoemd) moeten de lidstaten op gezette tijden het toezichtcomité en de Commissie in kennis stellen van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de programma’s ter ondersteuning van de landspecifieke aanbevelingen. Tijdens een tussentijdse evaluatie moeten de lidstaten onder meer nagaan of programmawijzigingen noodzakelijk zijn om rekening te houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die sinds de start van de programmeringsperiode zijn vastgesteld of gewijzigd.

De lidstaten moeten bepalen op welke wijze bij het opstellen van de programmeringsdocumenten rekening wordt gehouden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU, de relevante aanbevelingen op het stuk van de toepassingsgebieden en de taken van de fondsen, de relevante aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU (hierna „de landspecifieke aanbevelingen” genoemd) en een volledige territoriale analyse waarin rekening wordt gehouden met de regionale dimensie en met de rol van de regionale overheden bij uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen . Tijdens de programmeringsperiode 2021-2027 (hierna „programmeringsperiode” genoemd) moeten de lidstaten op gezette tijden het toezichtcomité en de Commissie in kennis stellen van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de programma’s ter ondersteuning van de landspecifieke aanbevelingen die relevant zijn op het stuk van de toepassingsgebieden en de taken van de fondsen . Tijdens een tussentijdse evaluatie moeten de lidstaten onder meer nagaan of programmawijzigingen noodzakelijk zijn om rekening te houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die sinds de start van de programmeringsperiode zijn vastgesteld of gewijzigd , dit in nauwe samenwerking met de regionale en lokale overheden .

Motivering

Versterking van de territoriale dimensie van het Europees Semester, die een volledige territoriale analyse zou moeten bevatten waarin rekening wordt gehouden met de regionale dimensie en met de rol van de regionale overheden bij uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen.

Wijzigingsvoorstel 8

Nieuwe overweging na overweging 19

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

De combinatie van een afnemend aandeel van de beroepsbevolking en een steeds groter wordende groep gepensioneerden in de algemene bevolking zullen samen met de problemen in verband met veranderingen in de bevolking naar verwachting een zware belasting blijven voor onder meer de structuren voor onderwijs en sociale ondersteuning, en voor het economische concurrentievermogen. De aanpassing aan dergelijke demografische veranderingen is een van de grootste uitdagingen waartegenover lokale en regionale overheden zich de komende jaren geplaatst zien, en moet als zodanig dan ook de nodige aandacht verdienen voor de regio’s die het hardst getroffen worden door de demografische veranderingen.

Motivering

Er moet rekening worden gehouden met de bijzondere situatie van gebieden die te maken hebben met demografische veranderingen.

Wijzigingsvoorstel 9

Overweging 40

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Teneinde de toegevoegde waarde van gedeeltelijk of geheel via de begroting van de Unie gefinancierde investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd voor synergieën, in het bijzonder tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten, met inbegrip van het hervormingsinstrument . Deze synergieën moeten tot stand komen door middel van belangrijke mechanismen, met name de erkenning van vaste tarieven voor subsidiabele kosten van Horizon Europa voor een soortgelijke concrete actie en de mogelijkheid financiering uit verschillende Unie-instrumenten in dezelfde concrete actie te combineren en daarbij dubbele financiering te vermijden. In deze verordening moeten derhalve regels worden opgenomen voor de aanvullende financiering van de Fondsen.

Teneinde de toegevoegde waarde van gedeeltelijk of geheel via de begroting van de Unie gefinancierde investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd voor synergieën, in het bijzonder tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten, door gebruiksvriendelijke mechanismen te ontwikkelen, multilevel-governanceoplossingen te bevorderen en krachtige beleidscoördinatie aan de dag te leggen, waarbij het subsidiariteitsbeginsel in acht wordt genomen . Deze synergieën moeten tot stand komen door middel van belangrijke mechanismen, met name de erkenning van vaste tarieven voor subsidiabele kosten van Horizon Europa voor een soortgelijke concrete actie en de mogelijkheid financiering uit verschillende Unie-instrumenten in dezelfde concrete actie te combineren en daarbij dubbele financiering te vermijden. In deze verordening moeten derhalve regels worden opgenomen voor de aanvullende financiering van de Fondsen.

Motivering

Het CvdR heeft grote twijfels over het nut en de gegrondheid van het hervormingsinstrument.

Synergieën met andere EU-programma’s moeten gebruiksvriendelijk zijn en voortkomen uit de bevordering van multilevel-governanceoplossingen en krachtige beleidscoördinatie.

Wijzigingsvoorstel 10

Overweging 46

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om de aanvang van de uitvoering van het programma te versnellen, moet de doorrol van de uitvoeringsregelingen van de vorige programmeringsperiode worden bevorderd. Het gebruik van het reeds voor de vorige programmeringsperiode ontwikkelde computersysteem moet — waar nodig, aangepast — gehandhaafd blijven, tenzij een nieuwe technologie noodzakelijk is.

Om de aanvang van de uitvoering van het programma te versnellen, moet de doorrol van de uitvoeringsregelingen en andere onderdelen van het administratief en controlesysteem van de vorige programmeringsperiode worden bevorderd. Het gebruik van het reeds voor de vorige programmeringsperiode ontwikkelde computersysteem moet — waar nodig, aangepast — gehandhaafd blijven, tenzij een nieuwe technologie noodzakelijk is.

Motivering

De doorrol van de uitvoeringsregelingen van de vorige programmeringsperiode moet ook betrekking hebben op andere onderdelen van het administratief en controlesysteem.

Wijzigingsvoorstel 11

Overweging 49

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om de synergieën tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten te optimaliseren, moet het verstrekken van steun voor concrete acties die reeds een excellentiekeur hebben ontvangen, worden bevorderd.

Om de synergieën tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten te optimaliseren, zijn specifieke acties nodig om de gebiedsgerichte aanpak van het EFRO, het Elfpo en ESF+ beter te combineren. Met name de excellentiekeur en de financiering van relevante projecten door de ESI-fondsen moeten overeenkomstig de door de beheersautoriteiten vastgestelde prioriteiten worden bevorderd en verder ontwikkeld om innovatie-ecosystemen te ondersteunen en O & O-financiering en slimme-specialisatiestrategieën op nationaal en regionaal niveau beter aan elkaar te kunnen koppelen .

Motivering

Betere afstemming van EU-instrumenten mag geen eenrichtingsverkeer zijn. De excellentiekeur ter bevordering van synergieën met Horizon-financiering moet bij de uitvoering van het Horizon-programma ook meer worden gekoppeld aan innovatie-ecosystemen.

Wijzigingsvoorstel 12

Overweging 61

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio’s en gebieden voor steun uit de Fondsen in aanmerking komen. Daartoe moet de identificatie van de regio’s en gebieden op Unieniveau worden gebaseerd op het gemeenschappelijke classificatiesysteem voor de regio’s in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (1), gewijzigd door Verordening (EG) nr. 868/2014 van de Commissie  (2).

Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio’s en gebieden voor steun uit de Fondsen in aanmerking komen. Daartoe moet de identificatie van de regio’s en gebieden op Unieniveau worden gebaseerd op het gemeenschappelijke classificatiesysteem voor de regio’s in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (1), gewijzigd door de meest recente beschikbare lijst van NUTS II-regio’s waarvoor Eurostat de benodigde gegevens kan verstrekken .

Motivering

Verwezen moet worden naar de laatste update van de lijst van NUTS II-regio’s waarvoor Eurostat voor drie opeenvolgende jaren de benodigde gegevens kan verstrekken.

Wijzigingsvoorstel 13

Overweging 64

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Een zekere hoeveelheid middelen uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moet aan het Stedelijk Europa”-initiatief worden toegewezen, dat door de Commissie via direct of indirect beheer moet worden uitgevoerd.

Een zekere hoeveelheid middelen uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moet aan het Stedelijk Europa-initiatief worden toegewezen, dat door de Commissie via direct of indirect beheer , of via gedeeld beheer, moet worden uitgevoerd , om bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van de stedelijke agenda voor de EU .

Motivering

Het nieuwe Stedelijk Europa-initiatief moet ook een centrale rol spelen bij de verdere ontwikkeling van de stedelijke agenda voor de EU. De aanpak via gedeeld beheer komt de flexibiliteit ten goede.

Wijzigingsvoorstel 14

Artikel 2, lid 8

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

„begunstigde”:

[…]

c)

in de context van staatssteunregelingen, de instantie die de steun ontvangt;

„begunstigde”:

[…]

c)

in het kader van staatssteunregelingen, de instantie die de steun ontvangt , met uitzondering van de gevallen waarin de lidstaat kan besluiten dat de steunverlenende instantie de begunstigde is ;

Motivering

De definitie van „begunstigde” in het kader van staatssteunregelingen dient te zijn gebaseerd op de definitie die momenteel op grond van de omnibusverordening wordt gehanteerd. Dit is van toepassing op het model voor hertoewijzing in de operationele programma’s.

Wijzigingsvoorstel 15

Artikel 4, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV ondersteunen de volgende beleidsdoelstellingen:

Het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV ondersteunen de volgende beleidsdoelstellingen:

a)

een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie;

a)

beleidsdoelstelling 1 (BD 1) een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie , bijvoorbeeld door de ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen en toerisme ;

b)

een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer;

b)

beleidsdoelstelling 2 (BD 2) een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie en duurzame stedelijke mobiliteit , groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer:

c)

een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit;

c)

beleidsdoelstelling 3 (BD 3) een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit;

d)

een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten;

d)

beleidsdoelstelling 4 (BD 4) een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten;

e)

een Europa dat dichter bij de burger staat door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden, alsook lokale initiatieven te bevorderen.

e)

beleidsdoelstelling 5 (BD 5) een Europa dat dichter bij de burger staat door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden, alsook lokale initiatieven te bevorderen.

Motivering

In de VGB ontbreekt een specifieke verwijzing naar kleine en middelgrote ondernemingen en toerisme. Voorts moet BD 5 transversaal zijn en dus worden ingezet om BD 1 t/m 4 te helpen verwezenlijken.

Wijzigingsvoorstel 16

Artikel 4, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten verstrekken informatie over de steun voor de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaatverandering volgens een methode op basis van de interventiecategorieën voor elke type Fonds. Deze methode bestaat uit het toekennen van een specifiek gewicht aan de verstrekte steun op een passend niveau om te weerspiegelen in welke mate de steun een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaat. In het geval van het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds worden de gewichten gekoppeld aan de dimensies en codes voor de interventiecategorieën van bijlage I.

De lidstaten verstrekken informatie over de steun voor de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaatverandering volgens een methode op basis van de interventiecategorieën voor elke type Fonds. Deze methode wordt gebaseerd op de reeds bestaande EU-milieuwetgeving en bestaat uit het toekennen van een specifiek gewicht aan de verstrekte steun op een passend niveau om te weerspiegelen in welke mate de steun een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaat. In het geval van het EFRO, het Elfpo, het ESF+ en het Cohesiefonds worden de gewichten gekoppeld aan de dimensies en codes voor de interventiecategorieën van bijlage I.

Motivering

De methode die dient te worden ontwikkeld om bij de voorbereiding en uitvoering van de partnerschapsovereenkomsten en programma’s rekening te houden met milieuoverwegingen, moet worden gebaseerd op de bestaande EU-milieuwetgeving.

Wijzigingsvoorstel 17

Artikel 4, lid 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten en de Commissie zorgen voor de coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie zoals het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. Zij zullen de coördinatiemechanismen tussen degenen die verantwoordelijk zijn, optimaliseren om dubbel werk tussen de planning en uitvoering te voorkomen.

In overeenstemming met hun institutionele, juridische en financiële kader zorgen de lidstaten alsmede de lokale en regionale overheden en de Commissie , op basis van de beginselen van partnerschap in artikel 6, subsidiariteit en multilevel governance, voor de coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de Fondsen , waaronder het Elfpo, en andere instrumenten van de Unie zoals het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het instrument voor technische ondersteuning. Zij zullen de coördinatiemechanismen tussen degenen die verantwoordelijk zijn, optimaliseren om dubbel werk tussen de planning en uitvoering te voorkomen.

Motivering

Omdat een gemeenschappelijk strategisch kader in de nieuwe VGB ontbreekt, moet er absoluut voor worden gezorgd dat de lokale en regionale overheden volledig bij de coördinatie van de fondsen worden betrokken.

Wijzigingsvoorstel 18

Artikel 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Elke lidstaat organiseert een partnerschap met de bevoegde regionale en lokale autoriteiten.

Elke lidstaat organiseert overeenkomstig zijn institutionele en juridische kader een partnerschap met de bevoegde regionale en lokale autoriteiten.

Bij dit partnerschap zijn ten minste de volgende partners betrokken:

Bij dit partnerschap zijn ten minste de volgende partners betrokken:

a)

stedelijke en andere overheden;

a)

stedelijke en andere overheden;

b)

economische en sociale partners;

b)

economische en sociale partners;

c)

de desbetreffende instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, milieupartners en de instanties die tot taak hebben sociale insluiting, grondrechten, rechten van personen met een handicap, gendergelijkheid en non-discriminatie te bevorderen.

c)

de desbetreffende instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, milieupartners en de instanties die tot taak hebben sociale insluiting, grondrechten, rechten van personen met een handicap, gendergelijkheid en non-discriminatie te bevorderen.

[…]

[…]

4.   Ten minste een keer per jaar raadpleegt de Commissie de organisaties die de partners op het niveau van de Unie vertegenwoordigen, over de uitvoering van programma’s.

4.   Ten minste een keer per jaar raadpleegt de Commissie de organisaties die de partners op het niveau van de Unie vertegenwoordigen, over de uitvoering van programma’s. De aanbevelingen van de partners en stakeholders worden openbaar gemaakt.

[…]

[…]

Motivering

Regionale parlementen en assemblees moeten hier ook bij worden betrokken, conform de bestaande multilevel-governancesystemen.

Wijzigingsvoorstel 19

Artikel 6, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De organisatie en uitvoering van het partnerschap worden uitgevoerd overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie (1).

De organisatie en uitvoering van het partnerschap worden uitgevoerd overeenkomstig de gedragscode inzake partnerschap en multilevel governance in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie (1), waarin de lokale en regionale overheden als volwaardige partners worden erkend .

Motivering

De gedragscode inzake partnerschap is momenteel een gedelegeerde handeling bij de huidige VGB. Om de bekendheid van de gedragscode te vergroten, zou deze als bijlage bij de VGB moeten worden gevoegd. De rechtshandeling moet worden bijgewerkt, ongeacht de rechtsvorm! Dit vereist dat de tekst van de VGB wordt aangepast, met name overweging 11 en de artikelen 11 en 21.

Wijzigingsvoorstel 20

Artikel 8

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De partnerschapsovereenkomst bevat de volgende onderdelen:

[…]

De partnerschapsovereenkomst bevat de volgende onderdelen:

[…]

 

iii)

complementariteit tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie, waaronder strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten;

 

iii)

complementariteit en synergieën tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie, met name met de Europese partnerschappen van het Horizon-programma en de strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten;

 

[…]

 

h)

in voorkomend geval een geïntegreerde benadering om de demografische problemen van regio’s het hoofd te bieden of te voorzien in de specifieke behoeften van de geografische gebieden die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, als bedoeld in artikel 174 VWEU.

[…]

[…]

Motivering

Een nauw verband met het Europese partnerschap van het Horizon-programma is essentieel om te zorgen voor betere complementariteit en synergieën met de cohesiefondsen. Er dient specifiek te worden verwezen naar geografische gebieden die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen om aan de vereisten van artikel 174 tegemoet te komen.

Wijzigingsvoorstel 21

Artikel 9, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie beoordeelt de partnerovereenkomst en haar overeenstemming met de onderhavige verordening en de fondsspecifieke voorschriften. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen.

De Commissie beoordeelt de partnerovereenkomst en haar overeenstemming met de onderhavige verordening en de fondsspecifieke voorschriften. De Commissie beoordeelt de partnerovereenkomst en haar overeenstemming met de onderhavige verordening en de fondsspecifieke voorschriften. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen , wanneer deze eerder expliciet zijn opgenomen in de nationale hervormingsprogramma’s, na overleg met de lokale en regionale autoriteiten overeenkomstig artikel 6 van deze verordening .

Motivering

Er mag slechts rekening worden gehouden met de landspecifieke aanbevelingen als deze zijn opgesteld op basis van het partnerschapsbeginsel.

Wijzigingsvoorstel 22

Artikel 10, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Lidstaten kunnen in de partnerschapsovereenkomst of in het verzoek tot wijziging van een programma het bedrag van EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV toewijzen dat aan InvestEU moet worden bijgedragen en door middel van begrotingsgaranties moet worden verstrekt. Het aan InvestEU bij te dragen bedrag mag niet meer bedragen dat 5 % van de totale toewijzing van elk Fonds, behoudens in naar behoren gemotiveerde gevallen. Dergelijke bijdragen zijn geen overdrachten van middelen overeenkomstig artikel 21.

In naar behoren gemotiveerde gevallen en in overeenstemming met hun institutionele, juridische en financiële kader kunnen lidstaten in de partnerschapsovereenkomst of in het verzoek tot wijziging van een programma het bedrag van EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV toewijzen dat aan InvestEU moet worden bijgedragen en door middel van begrotingsgaranties moet worden verstrekt. Het aan InvestEU bij te dragen bedrag mag niet meer bedragen dan 5 % van de totale toewijzing van elk Fonds, behoudens in naar behoren gemotiveerde gevallen , zonder afbreuk te doen aan de gebiedsgerichte aanpak van de fondsen . Dergelijke bijdragen zijn geen overdrachten van middelen overeenkomstig artikel 21.

Motivering

De vrijwillige overdracht van middelen naar InvestEU mag niet ten koste gaan van de gebiedsgerichte aanpak van de cohesiefondsen en gevestigde multilevel-governancesystemen.

Wijzigingsvoorstel 23

Artikel 11, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Voor elke specifieke doelstelling worden in deze verordening voorafgaande voorwaarden („randvoorwaarden”) vastgesteld voor de daadwerkelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging ervan.

Voor elke specifieke doelstelling worden in deze verordening voorafgaande voorwaarden („randvoorwaarden”) vastgesteld voor de daadwerkelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging ervan.

 

Randvoorwaarden zijn alleen van toepassing voor zover en op voorwaarde dat zij bijdragen aan de specifieke doelstellingen die met de programmaprioriteiten worden nagestreefd en zij door de verantwoordelijken voor de programma’s kunnen worden beïnvloed.

In bijlage III worden horizontale randvoorwaarden vastgesteld die gelden voor alle specifieke doelstellingen en de criteria die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden is voldaan.

Rekening houdend met het bovenstaande worden in bijlage III horizontale randvoorwaarden vastgesteld die gelden voor alle specifieke doelstellingen en de criteria die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden is voldaan.

In bijlage IV worden thematische randvoorwaarden vastgesteld voor het EFRO, het Cohesiefonds en het ESF+ en de criteria die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden is voldaan.

In bijlage IV worden thematische randvoorwaarden vastgesteld voor het EFRO, het Cohesiefonds , het Elfpo en het ESF+ en de criteria die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden is voldaan.

Motivering

Hoewel de regels voor de naleving van voorafgaande voorwaarden zijn vereenvoudigd, moet er ook op worden gewezen dat de randvoorwaarden nauw verband moeten houden met de in het Verdrag vastgelegde doelstellingen van de cohesiefondsen.

Wijzigingsvoorstel 24

Artikel 11, lid 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Uitgaven die verband houden met concrete acties die gekoppeld zijn aan de specifieke doelstelling, kunnen niet worden opgenomen in de betalingsaanvragen totdat de Commissie de lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat de randvoorwaarde is vervuld overeenkomstig lid 4.

Uitgaven die verband houden met concrete acties die gekoppeld zijn aan de specifieke doelstelling, kunnen ook worden opgenomen in de betalingsaanvragen voordat de Commissie de lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat de randvoorwaarde is vervuld overeenkomstig lid 4 , onverminderd de opschorting van de terugbetaling totdat die voorwaarde is vervuld .

[…]

[…]

Motivering

Hoewel de regels voor de naleving van voorafgaande voorwaarden zijn vereenvoudigd, moet worden voorkomen dat de uitvoering van programma’s vertraging oploopt.

Wijzigingsvoorstel 25

Artikel 12, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaat stelt een prestatiekader op dat de mogelijkheid biedt tot toezicht op, rapportage over en evaluatie van de prestaties van het programma tijdens de uitvoering ervan en dat bijdraagt tot het meten van algemene prestaties van de Fondsen.

De lidstaat stelt in nauwe samenwerking met de relevante beheersautoriteit en met volledige inachtneming van de gedragscode inzake partnerschap en multilevel governance een prestatiekader op dat de mogelijkheid biedt tot toezicht op, rapportage over en evaluatie van de prestaties van het programma tijdens de uitvoering ervan en dat bijdraagt tot het meten van algemene prestaties van de Fondsen.

[…]

[…]

Motivering

Het is aan de beheersautoriteit, die verantwoordelijk is voor het opstellen van het programma, om het prestatiekader van het programma vast te stellen.

Wijzigingsvoorstel 26

Artikel 14

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Voor de programma’s ondersteund door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds, verricht de lidstaat een evaluatie van elk programma, rekening houdende met de volgende punten:

1.   Voor de programma’s ondersteund door het EFRO, het ESF+ , het Elfpo en het Cohesiefonds, verricht de lidstaat een tussentijdse evaluatie . De lidstaat en het met het programma belaste territoriale niveau evalueren elk programma, rekening houdende met de volgende punten:

a)

de in de desbetreffende in 2024 aangenomen landspecifieke aanbevelingen vastgestelde problemen;

a)

de in de desbetreffende in 2024 aangenomen landspecifieke aanbevelingen vastgestelde problemen;

b)

de sociaal-economische situatie van de betrokken lidstaat of regio;

b)

de sociaal-economische situatie en behoeften van de betrokken lidstaat en/ of regio;

c)

de geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de mijlpalen;

c)

de geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de mijlpalen;

d)

in voorkomend geval, de resultaten van de in artikel 104, lid 2, bedoelde technische aanpassing.

d)

in voorkomend geval, de resultaten van de in artikel 104, lid 2, bedoelde technische aanpassing.

2.   De lidstaat dient uiterlijk op 31 maart 2025 bij de Commissie een verzoek tot wijziging van elk programma in overeenkomstig artikel 19, lid 1. De lidstaat rechtvaardigt de wijziging op basis van de in lid 1 bedoelde punten.

2.   De lidstaat dient waar passend uiterlijk op 30 juni 2025 bij de Commissie een verzoek tot wijziging van elk programma in overeenkomstig artikel 19, lid 1. De lidstaat rechtvaardigt de wijziging op basis van de in lid 1 bedoelde punten.

Het herziene programma moet het volgende omvatten:

Het herziene programma moet het volgende omvatten:

a)

de toewijzingen van de financiële middelen per prioriteit met inbegrip van de bedragen voor de jaren 2026 en 2027;

a)

de herziening van de toewijzingen van de financiële middelen per prioriteit met inbegrip van de indicatieve bedragen voor de jaren 2026 en 2027;

b)

herziene of nieuwe doelstellingen;

b)

herziene of nieuwe doelstellingen;

c)

in voorkomend geval, de herziene toewijzingen van financiële middelen als gevolg van de in artikel 104, lid 2 bedoelde technische aanpassing, met inbegrip van de bedragen voor de jaren 2025, 2026 en 2027.

c)

in voorkomend geval, de herziene toewijzingen van financiële middelen als gevolg van de in artikel 104, lid 2 bedoelde technische aanpassing, met inbegrip van de bedragen voor de jaren 2025, 2026 en 2027.

3.   Wanneer als gevolg van de evaluatie een nieuw programma wordt ingediend, heeft het financieringsplan als bedoeld in artikel 17, lid 3, onder f), punt ii), betrekking op de totale financiële toewijzing voor elk van de Fondsen met ingang van het jaar van de goedkeuring van het programma.

3.   Wanneer als gevolg van de evaluatie een nieuw programma wordt ingediend, heeft het financieringsplan als bedoeld in artikel 17, lid 3, onder f), punt ii), betrekking op de totale financiële toewijzing voor elk van de Fondsen met ingang van het jaar van de goedkeuring van het programma.

Motivering

De tussentijdse evaluatie moet worden gebaseerd op de per lidstaat gedane vastleggingen voor de fondsen voor de gehele periode om de voorspelbaarheid van de fondsen te waarborgen. De uiterste datum voor de indiening van wijzigingen is te vroeg in het jaar om de resultaten van 2024 naar behoren in aanmerking te kunnen nemen. Bovendien moet een verzoek tot wijziging van een programma alleen worden gedaan als dit noodzakelijk lijkt.

Wijzigingsvoorstel 27

Artikel 15, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie kan een lidstaat verzoeken de betrokken programma’s te evalueren en wijzigingen daarop voor te stellen, wanneer dit nodig is om de uitvoering van de desbetreffende aanbevelingen van de Raad te ondersteunen.

De Commissie kan een lidstaat verzoeken de betrokken programma’s te evalueren en wijzigingen daarop voor te stellen die geschikt zijn om de doelstellingen van economische, sociale en territoriale samenhang na te streven , wanneer dit nodig is om de uitvoering van de desbetreffende aanbevelingen van de Raad te ondersteunen.

Dit verzoek kan worden geformuleerd:

a)

ter ondersteuning van de uitvoering van een relevante landspecifieke aanbeveling van de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en van een relevante tot de lidstaat gerichte aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU;

b)

ter ondersteuning van de uitvoering van tot de betrokken lidstaat gerichte relevante aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 7, lid 2, of artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 (1) van het Europees Parlement en de Raad op voorwaarde dat deze wijzigingen noodzakelijk worden geacht om macro-economische onevenwichtigheden te helpen corrigeren;

Dit verzoek kan worden geformuleerd ter ondersteuning van de uitvoering van een relevante landspecifieke aanbeveling van de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en van een relevante tot de lidstaat gerichte aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU.

Motivering

Er moet voor worden gezorgd dat wijzigingen van programma’s op basis van landspecifieke aanbevelingen geschikt zijn om de Verdragsdoelstellingen van economische, sociale en territoriale samenhang na te streven. Het CvdR is tegen macro-economische voorwaarden voor het cohesiebeleid.

Wijzigingsvoorstel 28

Artikel 15, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Een verzoek van de Commissie aan een lidstaat overeenkomstig lid 1 wordt gemotiveerd, onder verwijzing naar de noodzaak de uitvoering te ondersteunen van de desbetreffende aanbevelingen en in dit verzoek wordt vermeld om welke programma’s of prioriteiten het volgens de Commissie gaat, alsmede de aard van de verwachte wijzigingen.

Een verzoek van de Commissie aan een lidstaat overeenkomstig lid 1 wordt gemotiveerd, onder verwijzing naar de noodzaak de uitvoering te ondersteunen van de desbetreffende aanbevelingen en in dit verzoek wordt vermeld om welke programma’s of prioriteiten het volgens de Commissie gaat, alsmede de aard van de verwachte wijzigingen. Zo’n verzoek wordt niet geformuleerd vóór 2022 of na 2026, noch in verband met hetzelfde programma in twee opeenvolgende jaren.

Motivering

Ook de nieuwe VGB moet een termijn voor wijzigingen bevatten, gesteld in soortgelijke bewoordingen als in de huidige VGB.

Wijzigingsvoorstel 29

Artikel 15, lid 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie doet een voorstel aan de Raad om alle of een deel van de vastleggingen of betalingen voor één of meer programma’s van een lidstaat te schorsen, in de volgende gevallen:

a)

de Raad besluit overeenkomstig artikel 126, lid 8 of 11, VWEU dat een lidstaat geen effectieve maatregelen heeft genomen om zijn buitensporige tekort te corrigeren;

b)

de Raad keurt twee opeenvolgende aanbevelingen goed in dezelfde procedure bij onevenwichtigheden, overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad, op grond dat de lidstaat een ontoereikend plan met corrigerende maatregelen heeft ingediend;

c)

de Raad keurt twee opeenvolgende besluiten goed in dezelfde procedure bij onevenwichtigheden, overeenkomstig artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1176/2011, met de vaststelling dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, doordat hij de aanbevolen corrigerende maatregelen niet heeft genomen;

d)

de Commissie stelt vast dat een lidstaat geen maatregelen heeft genomen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 332/2002 en besluit bijgevolg de uitbetaling van de aan die lidstaat toegekende financiële bijstand niet goed te keuren;

e)

de Raad besluit dat een lidstaat het macro-economisch aanpassingsprogramma overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad niet naleeft of de maatregelen waarom is verzocht in een overeenkomstig artikel 136, lid 1, VWEU vastgesteld Raadsbesluit, niet neemt.

Er wordt prioriteit gegeven aan het schorsen van vastleggingen; betalingen worden alleen geschorst, wanneer het de bedoeling is onmiddellijk op te treden en in het geval van significante niet-naleving. De schorsing van betalingen is van toepassing op betalingsaanvragen die voor de programma’s in kwestie zijn ingediend na de datum van het schorsingsbesluit.

De Commissie kan om reden van uitzonderlijke economische omstandigheden of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek dat de betrokken lidstaat aan de Commissie heeft gestuurd binnen tien dagen na de vaststelling van het in de vorige alinea bedoelde besluit of aanbeveling aanbevelen dat de Raad de in dezelfde alinea bedoelde schorsing annuleert.

 

Motivering

Het CvdR is tegen macro-economische voorwaarden voor het cohesiebeleid. Het schrappen van lid 7 vereist dienovereenkomstige wijzigingen in andere leden van dit artikel (schrappen van leden 8 en 10, wijziging van leden 9 en 11).

Wijzigingsvoorstel 30

Artikel 15, lid 12

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie houdt het Europees Parlement op de hoogte van de tenuitvoerlegging van dit artikel. Met name informeert zij het Europees Parlement onverwijld wanneer voor een lidstaat aan een van de voorwaarden in lid 7 is voldaan en verstrekt zij gedetailleerde gegevens over de ESI-fondsen en de programma’s waarvoor tot een schorsing van vastleggingen kan worden besloten.

De Commissie houdt het Europees Parlement op de hoogte van de tenuitvoerlegging van dit artikel.

Het Europees Parlement kan de Commissie uitnodigen voor een gestructureerde dialoog over de toepassing van dit artikel, met betrekking tot de toezending van de in de eerste alinea bedoelde informatie.

Het Europees Parlement kan de Commissie uitnodigen voor een gestructureerde dialoog over de toepassing van dit artikel, met betrekking tot de toezending van de in de eerste alinea bedoelde informatie. Het Europees Parlement kan het Europees Comité van de Regio’s verzoeken om zijn standpunt ter zake kenbaar te maken.

De Commissie zendt het voorstel voor de schorsing van vastleggingen, respectievelijk het voorstel om deze schorsing op te heffen, toe aan het Europees Parlement en de Raad.

De Commissie zendt het voorstel voor de schorsing van vastleggingen, respectievelijk het voorstel om deze schorsing op te heffen, toe aan het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk na de goedkeuring ervan . Het Europees Parlement kan de Commissie verzoeken de redenen voor haar voorstel toe te lichten.

Motivering

In de gestructureerde dialoog tussen Commissie en EP kunnen ook de regionale gevolgen worden bekeken. Het EP zou dan het CvdR om zijn mening moeten kunnen vragen. Om onnodige vertraging te voorkomen, zou de Commissie haar besluit onmiddellijk moeten doorsturen.

Wijzigingsvoorstel 31

Artikel 16, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten bereiden programma’s voor voor de tenuitvoerlegging van de Fondsen tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.

De lidstaten of de relevante beheersautoriteiten, in samenwerking met de in artikel 6 genoemde partners, bereiden programma’s voor voor de tenuitvoerlegging van de Fondsen tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027. De programma’s worden opgesteld in overeenstemming met de gedragscode inzake partnerschap en multilevel governance.

Motivering

Verduidelijking.

Wijzigingsvoorstel 32

Artikel 17

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

[…]

[…]

3.   Voor elk programma wordt het volgende vastgesteld:

3.   Voor elk programma wordt het volgende vastgesteld:

[…]

[…]

d)

voor elke specifieke doelstelling:

i)

de gerelateerde actietypes, met inbegrip van een lijst met geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en hun bijdrage aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale en zeegebiedstrategieën, indien van toepassing;

d)

voor elke specifieke doelstelling:

i)

de gerelateerde actietypes, met inbegrip van een indicatieve lijst met geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en hun bijdrage aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale en zeegebiedstrategieën, indien van toepassing;

 

[…]

 

[…]

 

iv)

beoogde specifieke grondgebieden, met inbegrip van het geplande gebruik van geïntegreerde territoriale investeringen, vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling of andere territoriale instrumenten;

 

iv)

beoogde specifieke grondgebieden op basis van op nationaal of regionaal niveau opgestelde strategische documenten , met inbegrip van het geplande gebruik van geïntegreerde territoriale investeringen, vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling of andere territoriale instrumenten;

[…]

[…]

g)

de maatregelen die zijn getroffen om de in artikel 6 bedoelde relevante partners te betrekken bij de voorbereiding van het programma en de rol van die partners bij de uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van dat programma;

g)

de maatregelen die zijn getroffen om de in artikel 6 bedoelde relevante partners te betrekken bij de voorbereiding van het programma en de rol van die partners bij de uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van dat programma , overeenkomstig de beginselen van multilevel governance en de Europese gedragscode inzake partnerschap ;

[…]

[…]

7.   De lidstaat brengt de Commissie op de hoogte van elke verandering in de in lid 3, onder j), bedoelde informatie zonder dat een programmawijziging nodig is.

7.   De relevante beheersautoriteit brengt de Commissie op de hoogte van elke verandering in de in lid 3, onder d) i), bedoelde indicatieve lijst van geplande concrete acties van strategisch belang en in de in lid 3, onder d) iii), d) vii) en d ) j) bedoelde informatie zonder dat een programmawijziging nodig is.

Motivering

Om de flexibiliteit te vergroten mogen er aan het begin van het programma geen vaststaande lijsten gehanteerd worden. Om de multilevel governance te versterken en vertragingen bij de uitvoering van de programma’s te voorkomen moeten de beheersautoriteiten die belast zijn met de uitvoering van de fondsen — na goedkeuring door het toezichtcomité — over de mogelijkheid beschikken om wijzigingen in bepaalde delen van het programma aan de Commissie te melden.

Wijzigingsvoorstel 33

Artikel 17, lid 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Voor overeenkomstig artikel 16 ingediende EFRO-, ESF+- en Cohesiefondsprogramma’s bevat de in lid 3, onder f), ii), bedoelde tabel uitsluitend de bedragen voor de jaren 2021 tot en met 2025 .

Voor overeenkomstig artikel 16 ingediende EFRO-, ESF+- en Cohesiefondsprogramma’s bevat de in lid 3, onder f), ii), bedoelde tabel de bedragen voor de jaren 2021 tot en met 2027, waarbij de bedragen voor de jaren 2026-2027 uitsluitend indicatief zijn, in afwachting van de uitkomsten van de in artikel 14 bedoelde tussentijdse evaluatie .

Motivering

Om de mogelijkheid voor herverdeling binnen de programma’s na de tussentijdse evaluatie te koppelen aan een gewaarborgde toewijzing voor de gehele periode, wordt voorgesteld expliciet te vermelden dat de toewijzing voor de jaren 2026-2027 indicatief is.

Wijzigingsvoorstel 34

Artikel 18

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De Commissie beoordeelt het programma en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, net als de verenigbaarheid ervan met de partnerschapsovereenkomst. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen.

1.   De Commissie beoordeelt het programma en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, net als de verenigbaarheid ervan met de partnerschapsovereenkomst. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen , voor zover deze betrekking hebben op de doelstellingen van de Fondsen .

2.   De Commissie kan binnen drie maanden na de datum waarop het programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.

2.   De Commissie kan binnen drie maanden na de datum waarop het programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren op basis van alle relevante informatie .

3.   De lidstaat evalueert het programma en houdt rekening met de opmerkingen van de Commissie.

3.   De lidstaat evalueert het programma in overeenstemming met de gedragscode inzake partnerschap en multilevel governance, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie.

Motivering

Er mag enkel rekening worden gehouden met de landspecifieke aanbevelingen als deze zijn opgesteld in het kader van het partnerschapsbeginsel.

Wijzigingsvoorstel 35

Artikel 19, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaat kan een gemotiveerd verzoek tot wijziging van een programma indienen samen met het gewijzigde programma waarin wordt uiteengezet wat het verwachte effect van die wijziging op het bereiken van de doelstellingen is.

De lidstaat kan , na raadpleging van de regionale en lokale autoriteiten en in overeenstemming met artikel 6, een gemotiveerd verzoek tot wijziging van een programma indienen samen met het gewijzigde programma waarin wordt uiteengezet wat het verwachte effect van die wijziging op het bereiken van de doelstellingen is.

Motivering

De lokale en regionale overheden moeten bij de wijziging van het programma worden betrokken.

Wijzigingsvoorstel 36

Artikel 19, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie beoordeelt de wijziging en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, met inbegrip van verplichtingen op nationaal niveau, en kan binnen drie maanden na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.

De Commissie beoordeelt de wijziging en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, met inbegrip van verplichtingen op nationaal niveau, en kan binnen één maand na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren. De lidstaat verstrekt de Commissie alle noodzakelijke aanvullende informatie.

Motivering

De procedure voor de wijziging van de operationele programma’s moet gepaard gaan met de mogelijkheid voor de lidstaten om de nodige informatie te verstrekken aan de Commissie.

Wijzigingsvoorstel 37

Artikel 19, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaat evalueert het gewijzigde programma en houdt rekening met de opmerkingen van de Commissie.

De lidstaat evalueert het programma en neemt de opmerkingen van de Commissie in overweging .

Motivering

Over de opmerkingen van de Commissie wordt onderhandeld, zij zijn niet bindend.

Wijzigingsvoorstel 38

Artikel 19, lid 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie keurt uiterlijk zes maanden na de indiening ervan door de lidstaat, de wijziging van een programma goed.

De Commissie keurt uiterlijk drie maanden na de indiening ervan door de lidstaat, de wijziging van een programma goed.

Motivering

De termijn voor goedkeuring moet worden ingekort om het hele proces te versnellen.

Wijzigingsvoorstel 39

Artikel 19, lid 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaat kan tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 5 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 3 % van de programmabegroting overdragen naar een ander fonds van hetzelfde programma. Voor de door het EFRO en het ESF+ ondersteunde programma’s heeft de overdracht enkel betrekking op toewijzingen uit dezelfde regiocategorie.

De lidstaat kan met volledige inachtneming van de gedragscode inzake partnerschap en multilevel governance tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 10 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 5 % van de programmabegroting overdragen naar een ander fonds van hetzelfde programma.

[…]

[…]

Motivering

Een maximum van 5 % komt de flexibiliteit ten goede. Bij EFRO- en ESF+-overdrachten moet het om dezelfde regiocategorie gaan (conform het oorspronkelijke Commissievoorstel).

Wijzigingsvoorstel 40

Artikel 20

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds kunnen gezamenlijk steun bieden voor programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei”.

1.   Het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het Elfpo voor wat betreft ITI’s en CLLD, kunnen gezamenlijk steun bieden voor programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei”.

2.   Het EFRO en het ESF+ kunnen op complementaire wijze en met inachtneming van een maximum van 10 % aan steun van deze fondsen voor elke prioriteit van een programma, financiering verlenen voor een gehele of een deel van een concrete actie waarvan de kosten volgens de desbetreffende subsidiabiliteitsregels in aanmerking komen voor steun uit een ander fonds, op voorwaarde dat deze kosten noodzakelijk zijn om de concrete actie uit te voeren.

2.   Het EFRO, het ESF+ en het Elfpo voor wat betreft ITI’s en CLLD, kunnen op complementaire wijze en met inachtneming van een maximum van 10 % aan steun van deze fondsen voor elke prioriteit van een programma, financiering verlenen voor een gehele of een deel van een concrete actie waarvan de kosten volgens de desbetreffende subsidiabiliteitsregels in aanmerking komen voor steun uit een ander fonds, op voorwaarde dat deze kosten noodzakelijk zijn om de concrete actie uit te voeren.

Motivering

Ook al valt het Elfpo jammer genoeg niet meer onder het ESIF-kader, geïntegreerde territoriale ontwikkeling waarbij het Elfpo betrokken is zou ten minste voor ITI’s en CLLD moeten worden voortgezet.

Wijzigingsvoorstel 41

Artikel 21, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten kunnen verzoeken om de overdracht van maximaal 5 % van de financiële toewijzingen van een programma uit een van de fondsen naar een ander fonds in gedeeld beheer of naar een instrument in direct of indirect beheer .

De lidstaten kunnen in overeenstemming met hun institutionele, juridische en financiële kader — in overleg met de beheersautoriteit en met volledige inachtneming van de gedragscode inzake partnerschap en multilevel governance — verzoeken om de overdracht van maximaal 5 % van de financiële toewijzingen van een programma uit een van de fondsen naar een ander fonds in direct, indirect of gedeeld beheer voor projecten die relevant zijn voor de cohesie, met uitzondering van het Steunprogramma voor hervormingen .

Motivering

In het licht van de algehele verlaging van de middelen voor het cohesiebeleid zouden de lidstaten niet moeten worden aangemoedigd om nog meer middelen aan het cohesiebeleid te onttrekken en over te dragen naar programma’s die wellicht eenvoudiger te beheren zijn maar die irrelevant zijn voor de cohesie.

Wijzigingsvoorstel 42

Artikel 22

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaat ondersteunt geïntegreerde territoriale ontwikkeling via strategieën voor territoriale en lokale ontwikkeling in de volgende vormen:

De lidstaat ondersteunt geïntegreerde territoriale ontwikkeling — hetgeen de benutting van alle Fondsen vereist (waaronder het Elfpo) — via strategieën voor territoriale en lokale ontwikkeling in de volgende vormen:

a)

geïntegreerde territoriale investeringen;

a)

geïntegreerde territoriale investeringen;

b)

vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling;

b)

vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling;

c)

een ander territoriaal instrument ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die voor het EFRO zijn geprogrammeerd in het kader van de in artikel 4, lid 1, onder e), bedoelde beleidsdoelstelling .

c)

een ander territoriaal instrument ter ondersteuning van door de beheersautoriteiten van de programma’s ontworpen initiatieven voor investeringen in het kader van alle in artikel 4, lid 1, bedoelde beleidsdoelstellingen .

Motivering

Territoriale instrumenten worden tijdens de huidige programmeringsperiode ontwikkeld door de beheersautoriteiten, ook op regionaal niveau. Het gaat om instrumenten die zijn gebaseerd op strategische documenten en op maat zijn gesneden van de regionale en lokale behoeften.

Efficiënte benutting van deze territoriale instrumenten vereist dat gebruik wordt gemaakt van verschillende fondsen (niet alleen het EFRO), om zo de synergieën en coördinatie te verbeteren.

Wijzigingsvoorstel 43

Artikel 23

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Krachtens de punten a) of c) van artikel 22 uitgevoerde territoriale strategieën bevatten de volgende elementen:

1.    De beheersautoriteit moet erop toezien dat krachtens de punten a) of c) van artikel 22 uitgevoerde territoriale strategieën de volgende elementen bevatten :

a)

het geografische toepassingsgebied van de strategie;

a)

het geografische toepassingsgebied van de strategie;

b)

een analyse van de ontwikkelingsbehoeften en mogelijkheden van het gebied;

b)

een analyse van de ontwikkelingsbehoeften en mogelijkheden van het gebied;

c)

een beschrijving van een geïntegreerde benadering voor de aanpak van de vastgestelde ontwikkelingsbehoeften en de mogelijkheden;

c)

een beschrijving van een geïntegreerde benadering voor de aanpak van de vastgestelde ontwikkelingsbehoeften en de mogelijkheden;

d)

een beschrijving van de betrokkenheid van partners overeenkomstig artikel 6 bij de voorbereiding en de uitvoering van de strategie.

d)

een beschrijving van de betrokkenheid van partners overeenkomstig artikel 6 bij de voorbereiding en de uitvoering van de strategie.

Zij kunnen ook een lijst van te ondersteunen acties bevatten.

Zij kunnen ook een lijst van te ondersteunen acties bevatten.

2.   Territoriale strategieën worden opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende stedelijke, lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties.

2.   Territoriale strategieën worden opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende stedelijke, lokale , regionale of andere territoriale autoriteiten of instanties.

3.   Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, selecteren de desbetreffende stedelijke, lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties de acties of worden zij bij de selectie betrokken.

Geselecteerde acties moeten de territoriale strategie naleven.

3.   Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, selecteren de desbetreffende stedelijke, lokale , regionale of andere territoriale autoriteiten of instanties de acties of worden zij bij de selectie betrokken.

Geselecteerde acties moeten de territoriale strategie naleven.

4 .   Wanneer een stedelijke, lokale of andere territoriale autoriteit of instantie taken uitvoert die onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit vallen, andere dan de selectie van acties, wordt de autoriteit overeenkomstig de fondsspecifieke regels door de beheersautoriteit aangewezen als intermediaire instantie.

4.    Bij de uitwerking van de territoriale strategieën moeten de in artikel 23, lid 2, bedoelde instanties samenwerken met de bevoegde beheersautoriteiten waar het gaat om de reikwijdte van de in het kader van het desbetreffende programma te ondersteunen concrete acties.

5 .   Voor de voorbereiding en het ontwerp van territoriale strategieën kan steun worden geboden.

5 .   Wanneer een stedelijke, lokale , regionale of andere territoriale autoriteit of instantie taken uitvoert die onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit vallen, andere dan de selectie van acties, wordt de autoriteit overeenkomstig de fondsspecifieke regels door de beheersautoriteit aangewezen als intermediaire instantie.

 

6 .   Voor de voorbereiding en het ontwerp van territoriale strategieën kan steun worden geboden.

Motivering

Er moet meer de nadruk worden gelegd op de rol van de beheersautoriteit — als verantwoordelijke instantie voor de uitvoering van de operationele programma’s — bij de ontwikkeling van de territoriale strategieën, die kunnen helpen de doelstellingen van de operationele programma’s te verwezenlijken.

In de tekst zou ook moeten worden verwezen naar de regionale overheden, overeenkomstig CvdR-advies COTER-VI/031, waarin het feit dat „onvoldoende rekening [wordt] gehouden met de opdracht en bevoegdheden van de instanties die verantwoordelijk zijn voor de selectie van concrete acties” wordt genoemd als een van de belangrijkste hinderpalen voor de tenuitvoerlegging van ITI.

Er moet meer de nadruk worden gelegd op de rol van de beheersautoriteit bij de uitwerking van de territoriale strategieën. Zo moet het met name verplicht worden gesteld om strategieën op te stellen voor samenwerking met de betrokken beheersautoriteit, en moeten beheersautoriteiten de bevoegdheid krijgen om de strategieën in overeenstemming te brengen met de reikwijdte van de operationele programma’s.

Wijzigingsvoorstel 44

Artikel 25, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling kan steun krijgen uit het EFRO, het ESF+ en het EFMZV.

Vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling kan steun krijgen uit het EFRO, het ESF+ , het Elfpo (dat als Leader wordt aangemerkt) en het EFMZV.

Motivering

Als het gaat over de ondersteuning van vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling en Leader-acties, moet ook het Elfpo worden genoemd.

Wijzigingsvoorstel 45

Artikel 27, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De beheersautoriteiten zorgen ervoor dat de plaatselijke actiegroepen hetzij één partner van de groep kiezen die in administratieve en financiële aangelegenheden als hoofdpartner optreedt, hetzij zich verenigen in een gemeenschappelijke rechtsstructuur.

De beheersautoriteiten zorgen ervoor dat de plaatselijke actiegroepen zich verenigen in een gemeenschappelijke rechtsstructuur.

Motivering

De ervaring leert dat het voor de beheersautoriteit lastig is een hoofdpartner te kiezen als de plaatselijke actiegroepen geen gemeenschappelijke rechtsstructuur opzetten. Omdat deze groepen veel verantwoordelijkheid dragen en daarom ook voor eventuele fouten aansprakelijk zijn, zouden ze moeten worden verplicht zich in een gemeenschappelijke rechtsstructuur te verenigen.

Wijzigingsvoorstel 46

Artikel 31, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het percentage dat uit de Fondsen wordt vergoed voor technische bijstand is:

Het percentage dat uit de Fondsen wordt vergoed voor technische bijstand is:

a)

voor de EFRO-steun in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” en voor de Cohesiefonds-steun: 2,5  % ;

a)

voor de EFRO-steun in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” en voor de Cohesiefonds-steun: 5 % ;

b)

voor de ESF+-steun: 4 % en voor programma’s in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii), van de ESF+-verordening: 5 %;

b)

voor de ESF+-steun: 5 %;

c)

voor de EFMZV-steun: 6 %;

c)

voor de Elfpo-steun: 5 %;

d)

voor de AMIF-, ISF- en BMVI-steun: 6 %.

d)

voor de EFMZV-steun: 6 %;

 

e)

voor de AMIF-, ISF- en BMVI-steun: 6 %.

Motivering

Het vaste percentage (5 %) voor technische bijstand moet ook betrekking hebben op het ESF+.

Wijzigingsvoorstel 47

Artikel 33, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Binnen drie maanden na de datum waarop aan de lidstaat kennis wordt gegeven van het besluit tot goedkeuring van het programma, richt de lidstaat een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het programma („toezichtcomité”).

Binnen drie maanden na de datum waarop aan de lidstaat kennis wordt gegeven van het besluit tot goedkeuring van het programma, richt de lidstaat — in overleg met de beheersautoriteit — in overeenstemming met de gedragscode inzake partnerschap en multilevel governance en zijn institutionele, juridische en financiële kader een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het programma („toezichtcomité”).

[…]

[…]

Motivering

Er dient te worden verwezen naar de institutionele, juridische en financiële kaders van de lidstaten en naar de gedragscode om te waarborgen dat de lokale en regionale overheden en belanghebbenden naar behoren bij de oprichting van het toezichtcomité worden betrokken. Aangezien het toezichtcomité wordt ingesteld om toezicht te houden op een bepaald programma, dient de beheersautoriteit verantwoordelijk te zijn voor de oprichting ervan.

Wijzigingsvoorstel 48

Artikel 33, lid 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaat publiceert het reglement van orde van het toezichtcomité en alle gegevens en informatie die met het comité worden gedeeld op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website.

De beheersautoriteit publiceert het reglement van orde van het toezichtcomité en alle gegevens en informatie die betrekking hebben op de werkzaamheden van het comité op de in artikel 44, lid 1, bedoelde website , of geeft de link naar de website waar alle gegevens en informatie beschikbaar zijn .

Motivering

Alle gegevens en informatie voor toezichtcomités voor de huidige programmeringsperiode worden gepubliceerd op speciaal daartoe in het leven geroepen websites. Deze goede praktijk moet ook in de periode 2021-2027 worden voortgezet.

Wijzigingsvoorstel 49

Artikel 35, lid 1, onder f)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het toezichtcomité onderzoekt:

Het toezichtcomité onderzoekt:

[…]

[…]

f)

de uitvoering van acties op het gebied van communicatie en zichtbaarheid;

f)

de uitvoering van acties op het gebied van communicatie en zichtbaarheid zoals voorzien in de communicatiestrategie ;

[…]

[…]

Motivering

Voorgesteld wordt vast te houden aan de communicatiestrategie en aan de goedkeuring en wijziging ervan door het toezichtcomité van het operationele programma.

Wijzigingsvoorstel 50

Artikel 35, lid 1, nieuwe letter na letter i)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het toezichtcomité onderzoekt:

Het toezichtcomité onderzoekt:

[…]

[…]

 

j)

de methodologie en de criteria die worden gebruikt voor de selectie van concrete acties, met inbegrip van veranderingen daaraan, onverminderd artikel 27, lid 3, onder b), c) en d);

Motivering

De goedkeuring van het toezichtcomité zou niet vereist moeten zijn voor de methodologie en de selectiecriteria omdat anders de werkzaamheden van de beheersautoriteit zouden worden belemmerd.

Wijzigingsvoorstel 51

Artikel 35, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het toezichtcomité keurt goed:

Het toezichtcomité keurt goed:

a)

de methodologie en de criteria die worden gebruikt voor de selectie van concrete acties, met inbegrip van veranderingen daaraan, na overleg met de Commissie in overeenstemming met artikel 67, lid 2, onverminderd artikel 27, lid 3, onder b), c) en d);

a)

de jaarlijkse prestatieverslagen van de door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma’s, en het eindverslag over de prestaties voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma’s;

b)

de jaarlijkse prestatieverslagen van de door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma’s, en het eindverslag over de prestaties voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma’s;

b)

het evaluatieplan en eventuele wijzigingen daaraan;

c)

het evaluatieplan en eventuele wijzigingen daaraan;

c)

een voorstel van de beheersautoriteit tot wijziging van een programma, met uitzondering van voorstellen voor overdrachten in overeenstemming met artikel 19, lid 5, en artikel 21.

d)

een voorstel van de beheersautoriteit tot wijziging van een programma, met inbegrip van voorstellen voor overdrachten in overeenstemming met artikel 19, lid 5, en artikel 21.

d)

veranderingen in de in artikel 17, lid 3, onder (d) i), bedoelde lijst van geplande concrete acties van strategisch belang en in de in artikel 17, lid 3, onder (d) iii), (d) vii) en (d) j) bedoelde informatie;

 

e)

de communicatiestrategie voor het operationele programma en alle wijzigingen van die strategie.

Motivering

De goedkeuring van het toezichtcomité zou niet vereist moeten zijn voor programmawijzigingen in de vorm van verschuivingen tussen de prioritaire assen in het kader van de flexibele 5 % (of 10 %) omdat de beheersautoriteit anders niet op tijd aanpassingen zou kunnen doorvoeren en de flexibele regeling zijn doeltreffendheid zou verliezen.

Wijzigingsvoorstel 52

Artikel 37, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De beheersautoriteit dient uiterlijk op 31 januari, 31 maart, 31 mei, 31 juli , 30 september en 30 november de cumulatieve gegevens voor elk programma in bij de Commissie overeenkomstig het in bijlage VII opgenomen model.

De beheersautoriteit dient uiterlijk op 31 januari, 31 juli en 31 oktober de cumulatieve gegevens voor elk programma in bij de Commissie overeenkomstig het in bijlage VII opgenomen model.

De gegevens worden uiterlijk op 31 januari 2022 voor het eerst ingediend en uiterlijk op 31 januari 2030 voor het laatst.

De gegevens worden uiterlijk op 31 januari 2022 voor het eerst ingediend en uiterlijk op 31 januari 2030 voor het laatst.

Voor programma’s in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii), van de ESF+-verordening worden de gegevens jaarlijks uiterlijk op 30 november ingediend.

Voor programma’s in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii), van de ESF+-verordening worden de gegevens jaarlijks uiterlijk op 30 november ingediend.

Motivering

Als 6 keer per jaar gegevens moeten worden ingediend, brengt dat een aanzienlijke administratieve rompslomp met zich mee. Dit zou dan ook slechts 3 keer per jaar moeten gebeuren, net als de huidige VGB vereist.

Wijzigingsvoorstel 53

Artikel 43, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

[…]

[…]

De communicatiecoördinator betrekt de volgende instanties bij de activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie:

De communicatiecoördinator betrekt de volgende instanties bij de activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie:

a)

de vertegenwoordigingen van de Commissie en de liaisonbureaus van het Europees Parlement in de lidstaten; de Europe Direct-informatiecentra en andere netwerken; onderwijs- en onderzoeksinstellingen en

a)

de vertegenwoordigingen van de Commissie en de liaisonbureaus van het Europees Parlement in de lidstaten; de Europe Direct-informatiecentra en andere netwerken; onderwijs- en onderzoeksinstellingen en

b)

andere relevante partners en instanties.

b)

lokale en regionale overheden die betrokken zijn bij de uitvoering van de programma’s;

 

c)

andere relevante partners en instanties.

Motivering

De VGB moet samenwerking stimuleren tussen alle bestuursniveaus die betrokken zijn bij de uitvoering van en communicatie over de programma’s.

Wijzigingsvoorstel 54

Artikel 43, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Elke beheersautoriteit identificeert een contactpersoon voor communicatie voor elk programma (programmacommunicatie medewerker ).

Elke beheersautoriteit identificeert een contactpersoon voor communicatie voor één of meerdere programma’s (programmacommunicatie medewerkers ).

Motivering

Om de integratie van fondsen te bevorderen met het oog op een bredere aanpak op basis van meer synergie, zou het mogelijk moeten zijn om één medewerker voor meerdere programma’s te hebben. Dit zou ook kunnen leiden tot coherentere communicatie tussen de fondsen.

Wijzigingsvoorstel 55

Artikel 43, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie beheert een netwerk van communicatiecoördinatoren, programmacommunicatiemedewerkers en vertegenwoordigers van de Commissie om informatie uit te wisselen over activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie.

De Commissie beheert een netwerk van communicatiecoördinatoren, programmacommunicatiemedewerkers , vertegenwoordigers van het Europees Comité van de Regio’s en vertegenwoordigers van de Commissie om informatie uit te wisselen over activiteiten op het vlak van zichtbaarheid, transparantie en communicatie.

Motivering

De Commissie wordt belast met het beheer van een communicatienetwerk waarbij ook het CvdR zou moeten worden betrokken om synergie en samenwerking te waarborgen.

Wijzigingsvoorstel 56

Artikel 44, nieuw lid invoegen na lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

De beheersautoriteiten stellen voor elk operationeel programma een communicatiestrategie op. Er mag een gemeenschappelijke communicatiestrategie voor verscheidene operationele programma’s worden opgesteld. In de communicatiestrategie wordt overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel rekening gehouden met de omvang van het (de) desbetreffende operationele programma(’s).

De communicatiestrategie bevat de in bijlage VIII vermelde elementen.

De lidstaat en de beheersautoriteit zien erop toe dat de voorlichtings- en communicatiemaatregelen in overeenstemming met de communicatiestrategie worden uitgevoerd om de zichtbaarheid en de interactie met de burgers te verbeteren, en streven ernaar dat deze maatregelen een zo ruim mogelijke aandacht in de media krijgen.

Motivering

De communicatiestrategie is een fundamenteel element als het gaat om het ontwerpen en in de praktijk brengen van de zichtbaarheids- en communicatievereisten waaraan tegenwoordig zoveel belang wordt gehecht. De afschaffing van deze strategie zou leiden tot een zekere mate van onzekerheid bij de uitvoering van deze maatregelen, en het risico dat een minimale uniformiteit ontbreekt tussen de verschillende instanties en organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering ervan.

Wijzigingsvoorstel 57

Artikel 44, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De beheersautoriteit publiceert op de in lid 1 bedoelde website uiterlijk één maand voor de oproep tot het indienen van voorstellen een korte samenvatting over de geplande en gepubliceerde oproepen tot het indienen van voorstellen, met daarin de volgende gegevens:

De beheersautoriteit publiceert op de in lid 1 bedoelde website een korte samenvatting over de geplande en gepubliceerde oproepen tot het indienen van voorstellen, met daarin de volgende gegevens:

[…]

[…]

Motivering

De bepalingen uit artikel 44, lid 2, kunnen leiden tot vertragingen in de uitvoering en beperken de flexibiliteit van de beheersautoriteiten.

Daarom wordt voorgesteld de bepaling te schrappen, met verwijzing naar de evaluatie door de afzonderlijke overheidsdiensten van de keuze voor de meest geschikte instrumenten om aan de financieringsmogelijkheden zo veel mogelijk bekendheid te geven.

Als het toch nodig wordt geacht de bepaling te behouden, dient het moment van publicatie niet vooraf te worden vastgelegd, maar moet het besluit daarover aan de beheersautoriteiten worden overgelaten om de samenhang met de uitvoeringsplanning te garanderen.

Wijzigingsvoorstel 58

Nieuw artikel na artikel 44

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

1.     Overeenkomstig artikel 35, lid 2, onder d) wordt de door de beheersautoriteit voorbereide communicatiestrategie uiterlijk zes maanden na de goedkeuring van het (de) desbetreffende operationele programma(’s) ter goedkeuring aan het toezichtcomité voorgelegd.

 

Indien een gemeenschappelijke communicatiestrategie voor meerdere operationele programma’s wordt opgesteld en meerdere toezichtcomités betreft, kan de lidstaat één toezichtcomité aanwijzen dat, in overleg met de andere toezichtcomités, verantwoordelijk is voor de goedkeuring van de communicatiestrategie en voor eventuele latere wijzigingen van die strategie.

 

Indien nodig kan de communicatiestrategie gedurende de programmeringsperiode door de lidstaat of de beheersautoriteiten worden gewijzigd. De gewijzigde communicatiestrategie wordt overeenkomstig artikel 35, lid 2, onder e) door de beheersautoriteit ter goedkeuring aan het toezichtcomité voorgelegd.

 

2.     In afwijking van lid 1, derde alinea, van dit artikel brengt de beheersautoriteit het (de) verantwoordelijke toezichtcomité(s) ten minste een keer per jaar op de hoogte van de vorderingen bij de uitvoering van de communicatiestrategie als bedoeld in artikel 35, lid 1, onder c), en van haar analyse van de resultaten, alsmede van de voor het volgende jaar geplande en uit te voeren voorlichtings- en communicatieactiviteiten en maatregelen ter verhoging van de zichtbaarheid van de Fondsen. Het toezichtcomité brengt advies uit over de voor het volgende jaar geplande activiteiten en maatregelen, ook wat betreft manieren om de op het publiek gerichte communicatieactiviteiten doeltreffender te maken.

Motivering

Voorgesteld wordt om de procedure voor de goedkeuring, wijziging en follow-up van de communicatiestrategie te handhaven, vanwege de goede resultaten ervan in de periode 2014-2020 en omdat de controle van de Commissie gebaseerd zou kunnen zijn op een georganiseerd en toegankelijk document, waardoor haar toezicht wordt vergemakkelijkt.

Wijzigingsvoorstel 59

Artikel 50, lid 2, onder b)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

door de meest recente met documenten gestaafde maandelijkse bruto arbeidskosten te delen door de maandelijkse werktijd van de betrokken persoon overeenkomstig de in het arbeidscontract vermelde nationale wetgeving.

door de meest recente met documenten gestaafde maandelijkse bruto arbeidskosten te delen door de maandelijkse werktijd van de betrokken persoon overeenkomstig de in het arbeidscontract vermelde nationale wetgeving of collectieve overeenkomst .

Motivering

Verwijzing naar de grondslag van het arbeidscontract.

Wijzigingsvoorstel 60

Artikel 52, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Met financieringsinstrumenten wordt aan eindontvangers uitsluitend steun verstrekt voor nieuwe investeringen die naar verwachting financieel levensvatbaar zijn, bijvoorbeeld door inkomsten of besparingen te genereren, en waarvoor op de markt niet voldoende financiering te vinden is.

Met financieringsinstrumenten wordt aan eindontvangers uitsluitend steun verstrekt voor investeringen die naar verwachting financieel levensvatbaar zijn, bijvoorbeeld door inkomsten of besparingen te genereren, en waarvoor op de markt niet voldoende financiering voorhanden is.

Motivering

Financieringsinstrumenten moeten niet alleen worden gebruikt voor nieuwe investeringen, maar voor investeringen die in het algemeen levensvatbaar zijn en waarvoor op de markt onvoldoende financiering beschikbaar is.

Wijzigingsvoorstel 61

Artikel 52, nieuw lid invoegen na lid 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

In het geval dat uit financieringsinstrumenten steun voor ondernemingen, onder meer het mkb, wordt gefinancierd, wordt die steun ingezet voor de oprichting van nieuwe ondernemingen, startkapitaal — te weten zaaikapitaal en aanloopkapitaal — expansiekapitaal, kapitaal ter versterking van de algemene bedrijfsactiviteiten of de verwezenlijking van nieuwe projecten, penetratie van nieuwe markten, of nieuwe ontwikkelingen door bestaande ondernemingen, onverminderd toepasselijke staatssteunregels van de Unie en in overeenstemming met de fondsspecifieke voorschriften. Deze steun kan investeringen in materiële en immateriële activa omvatten, alsmede bedrijfskapitaal, binnen de grenzen van de toepasselijke staatssteunregels van de Unie en als stimulans voor de private sector als verstrekker van financiële steun aan ondernemingen. De steun kan tevens de kosten omvatten van de overdracht, tussen onafhankelijke investeerders, van de eigendomsrechten op een onderneming.

Motivering

De nieuwe VGB zou net als de huidige VGB investeringen ruim moeten definiëren.

Wijzigingsvoorstel 62

Artikel 53, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit beheerde financieringsinstrumenten kunnen worden ingesteld op een van de volgende wijzen:

a)

een investering van programmamiddelen in het kapitaal van een juridische entiteit;

b)

afzonderlijke financiële gehelen of fiduciaire rekeningen binnen een instelling.

Onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit beheerde financieringsinstrumenten kunnen worden ingesteld op een van de volgende wijzen:

a)

een investering van programmamiddelen in het kapitaal van een juridische entiteit;

b)

afzonderlijke financiële gehelen of fiduciaire rekeningen binnen een instelling.

De beheersautoriteit selecteert de instantie die een financieringsinstrument uitvoert.

De beheersautoriteit selecteert de instantie die een financieringsinstrument uitvoert overeenkomstig artikel 67 .

Wanneer de door de beheersautoriteit geselecteerde instantie een holdingfonds uitvoert, kan die instantie andere instanties selecteren om een specifiek fonds uit te voeren.

Wanneer de door de beheersautoriteit geselecteerde instantie een holdingfonds uitvoert, kan die instantie andere instanties selecteren om een specifiek fonds uit te voeren.

Motivering

Om te zorgen voor een marktgerichte uitvoering van financieringsinstrumenten en om de controlerisico’s voor de selectie van de instantie die een financieringsinstrument uitvoert te beperken, is het van cruciaal belang dat artikel 67 in acht wordt genomen. In lijn hiermee zouden ook overweging 44 en de artikelen 62, lid 3, en 67, lid 4, moeten worden gewijzigd.

Wijzigingsvoorstel 63

Artikel 53, lid 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Er mag, in overeenstemming met de fondsspecifieke voorschriften, op het niveau van het holdingfonds, de specifieke fondsen of de investeringen in eindontvangers, nationale medefinanciering worden verstrekt. Wanneer nationale medefinanciering wordt verstrekt op het niveau van investeringen in eindontvangers, bewaart de instantie die de financieringsinstrumenten uitvoert, bewijsstukken die de subsidiabiliteit van de onderliggende uitgaven aantonen.

Er mag, in overeenstemming met de fondsspecifieke voorschriften, door de beheersautoriteit, het holdingfonds, de specifieke fondsen of particuliere investeerders of eindontvangers, nationale medefinanciering worden verstrekt. Wanneer nationale medefinanciering wordt verstrekt door of op het niveau van investeringen in eindontvangers, bewaart de instantie die de financieringsinstrumenten uitvoert, bewijsstukken die de subsidiabiliteit van de onderliggende uitgaven aantonen.

Motivering

Er is geen reden om de eigen bijdrage van eindontvangers niet als subsidiabele nationale medefinanciering te beschouwen, als het de bedoeling is dezelfde investering te financieren. Dit komt neer op onterechte aanscherping van de subsidiabiliteitsvoorwaarden in vergelijking met subsidies.

Wijzigingsvoorstel 64

Artikel 59, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op concrete acties waarvan een productieactiviteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement.

De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op programmabijdragen aan of door financieringsinstrumenten noch op concrete acties waarvan een productieactiviteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement.

Motivering

Concrete acties die financieringsinstrumenten omvatten, zouden uitdrukkelijk moeten worden vrijgesteld van de bepalingen inzake duurzaamheid. Een dergelijke afwijking werd zowel voor 2007-2013 als voor 2014-2020 toegestaan.

Wijzigingsvoorstel 65

Artikel 63, lid 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten zorgen ervoor dat de uitwisseling van alle informatie tussen de begunstigden en de programma-autoriteiten door middel van elektronische systemen voor gegevensuitwisseling overeenkomstig bijlage XII kan plaatsvinden.

De lidstaten zorgen ervoor dat waar passend de uitwisseling van informatie tussen de begunstigden en de programma-autoriteiten door middel van elektronische systemen voor gegevensuitwisseling overeenkomstig bijlage XII kan plaatsvinden.

[…]

[…]

Motivering

De verplichting om alle informatie elektronisch uit te wisselen, zou onnodige lasten opleveren.

Wijzigingsvoorstel 66

Artikel 64, lid 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

[…]

[…]

c)

de Commissie zendt de voorlopige auditbevindingen in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk drie maanden na de laatste dag van de audit aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat;

c)

de Commissie zendt de voorlopige auditbevindingen in ten minste één van de talen van de betrokken lidstaat uiterlijk drie maanden na de laatste dag van de audit aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat;

de Commissie zendt het auditverslag in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk drie maanden na de laatste dag van ontvangst van een volledig antwoord van de bevoegde autoriteit van de lidstaat op de voorlopige auditbevindingen.

de Commissie zendt het auditverslag in ten minste één van de talen van de betrokken lidstaat uiterlijk drie maanden na de laatste dag van ontvangst van een volledig antwoord van de bevoegde autoriteit van de lidstaat op de voorlopige auditbevindingen.

[…]

[…]

Motivering

Deze wijziging moet de uitvoering helpen versnellen omdat de betrokken autoriteiten niet meer op een eventuele vertaling hoeven te wachten.

Wijzigingsvoorstel 67

Artikel 67, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Op verzoek van de Commissie raadpleegt de beheersautoriteit de Commissie en houdt zij rekening met haar opmerkingen voorafgaand aan de eerste indiening van de selectiecriteria bij het toezichtcomité en voordat deze criteria worden gewijzigd.

 

Motivering

De voorwaarden waaronder de Commissie kan verzoeken om over de selectiecriteria te worden geraadpleegd, zijn onduidelijk. Dit zou de autonomie en besluitvorming van de beheersautoriteit in het gedrang brengen.

Wijzigingsvoorstel 68

Artikel 84, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De voorfinanciering voor elk fonds wordt vóór 1 juli van elk jaar betaald in jaarlijkse tranches, afhankelijk van de beschikbare middelen, als volgt:

a)

2021: 0,5  % ;

b)

2022: 0,5  % ;

c)

2023: 0,5  % ;

d)

2024: 0,5  % ;

e)

2025: 0,5  % ;

f)

2026: 0,5  % ;

De voorfinanciering voor elk fonds wordt vóór 1 juli van elk jaar betaald in jaarlijkse tranches, afhankelijk van de beschikbare middelen, als volgt:

a)

2021: 2 % ;

b)

2022: 2 % ;

c)

2023: 2 % ;

d)

2024: 2 % ;

e)

2025: 2 % ;

f)

2026: 2 % ;

Wanneer een programma na 1 juli 2021 wordt vastgesteld, worden de eerdere tranches in het jaar van vaststelling betaald.

Wanneer een programma na 1 juli 2021 wordt vastgesteld, worden de eerdere tranches in het jaar van vaststelling betaald.

Motivering

In vergelijking met de huidige VGB worden de jaarlijkse voorfinancieringsbedragen in de nieuwe VGB te fors verlaagd.

Wijzigingsvoorstel 69

Artikel 85, lid 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In afwijking van lid 3, onder a), is het volgende van toepassing:

In afwijking van lid 3, onder a), is het volgende van toepassing:

a)

wanneer de bijdrage van de Unie wordt verstrekt overeenkomstig artikel 46, onder a), bevat een betalingsaanvraag de bedragen die zijn gerechtvaardigd door de vooruitgang met de naleving van de voorwaarden of het boeken van resultaten, overeenkomstig het in artikel 89, lid 2, bedoelde besluit;

a)

wanneer de bijdrage van de Unie wordt verstrekt overeenkomstig artikel 46, onder a), bevat een betalingsaanvraag de bedragen die zijn gerechtvaardigd door de vooruitgang met de naleving van de voorwaarden of het boeken van resultaten, overeenkomstig het in artikel 89, lid 2, bedoelde besluit;

b)

wanneer de bijdrage van de Unie wordt verstrekt overeenkomstig artikel 46, onder c), d) en e), bevat een betalingsaanvraag de bedragen die zijn bepaald overeenkomstig het in artikel 88, lid 3, bedoelde besluit;

b)

wanneer de bijdrage van de Unie wordt verstrekt overeenkomstig artikel 46, onder c), d) en e), bevat een betalingsaanvraag de bedragen die zijn bepaald overeenkomstig het in artikel 88, lid 3, bedoelde besluit;

c)

in een betalingsaanvraag voor de in artikel 48, lid 1, onder b), c) en d), genoemde vormen van subsidies worden de kosten opgenomen als berekend volgens de toepasselijke grondslag.

c)

in een betalingsaanvraag voor de in artikel 48, lid 1, onder b), c) en d), genoemde vormen van subsidies worden de kosten opgenomen als berekend volgens de toepasselijke grondslag;

 

d)

in geval van staatssteun kan de betalingsaanvraag voorschotten omvatten die door de steunverlenende instantie aan de begunstigde zijn betaald, onder de voorwaarde dat die voorschotten niet meer bedragen dan 40 % van het totaalbedrag van de aan een begunstigde voor een bepaalde concrete actie te verlenen steun .

Motivering

De huidige VGB voorziet in artikel 131, lid 4, onder b), in de mogelijkheid om voor maximaal 40 % aan voorschotten te betalen. Deze mogelijkheid zou in de nieuwe VGB behouden moeten blijven.

Wijzigingsvoorstel 70

Artikel 86

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

[…]

[…]

2.   Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 3, worden betalingsaanvragen die uitgaven voor financieringsinstrumenten bevatten , ingediend overeenkomstig de volgende voorwaarden:

a)

het in de eerste betalingsaanvraag opgenomen bedrag is betaald aan de financieringsinstrumenten en bedraagt ten hoogste 25 % van het totaalbedrag aan programmabijdragen dat is vastgelegd voor de financieringsinstrumenten krachtens de desbetreffende financieringsovereenkomst, in overeenstemming met de desbetreffende prioriteit en regiocategorie, indien van toepassing;

b)

het bedrag dat is opgenomen in de daaropvolgende betalingsaanvragen die zijn ingediend tijdens de subsidiabiliteitsperiode omvat de subsidiabele uitgaven als bedoeld in artikel 62, lid 1.

2.   Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 2, bevatten betalingsaanvragen uitgaven voor de instelling van financieringsinstrumenten of de bijdrage daaraan.

3.     Het in de eerste betalingsaanvraag opgenomen bedrag als bedoeld in lid 2, onder a), wordt uiterlijk in het laatste boekjaar behandeld in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van de Commissie.

Het bedrag wordt afzonderlijk meegedeeld in de betalingsaanvragen.

 

Motivering

Voor de periode 2014-2020 beperkt de programmabijdrage aan financieringsinstrumenten de flexibiliteit van de bestaande instrumenten en de mogelijkheid om gelijktijdig verscheidene financiële producten open te stellen. Het wijzigingsvoorstel is gebaseerd op goede praktijkvoorbeelden uit de periode 2007-2013.

Wijzigingsvoorstel 71

Artikel 88, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

[…]

[…]

c)

de voorschriften voor overeenkomstige eenheidskosten en vaste bedragen die van toepassing zijn voor beleidsmaatregelen van de Unie voor soortgelijke soorten concrete acties;

c)

de voorschriften voor overeenkomstige eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages die van toepassing zijn voor beleidsmaatregelen van de Unie voor soortgelijke soorten concrete acties;

d)

de voorschriften voor overeenkomstige eenheidskosten en vaste bedragen die worden toegepast op grond van regelingen voor volledig door de lidstaat gefinancierde subsidies voor soortgelijke soorten concrete acties.

d)

de voorschriften voor overeenkomstige eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages die worden toegepast op grond van regelingen voor volledig door de lidstaat gefinancierde subsidies voor soortgelijke soorten concrete acties.

Motivering

Met het oog op de samenhang in dit artikel.

Wijzigingsvoorstel 72

Artikel 99, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het bedrag van een programma dat op 26 december van het tweede kalenderjaar na het jaar van de vastleggingen in de begroting voor de jaren 2021 tot en met 2026 niet is gebruikt voor voorfinanciering overeenkomstig artikel 84 of waarvoor geen betalingsaanvraag is ingediend overeenkomstig de artikelen 85 en 86, wordt vrijgemaakt door de Commissie.

Het bedrag van een programma dat op 31 december van het derde kalenderjaar na het jaar van de vastleggingen in de begroting voor de jaren 2021 tot en met 2026 niet is gebruikt voor voorfinanciering overeenkomstig artikel 84 of waarvoor geen betalingsaanvraag is ingediend overeenkomstig de artikelen 85 en 86, wordt vrijgemaakt door de Commissie.

In geval betalingen op juridische gronden of uit voorzorg worden gestaakt, is ook een verlenging van toepassing.

Motivering

De termijn voor de vrijmaking van bedragen zou niet moeten worden ingekort maar n+3 moeten blijven, gelet op de problemen die veel lokale en regionale overheden momenteel hebben om voldoende medefinanciering te verschaffen. Daarnaast dient het einde van het jaar als deadline gehanteerd te worden.

Wijzigingsvoorstel 73

Artikel 103, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een besluit vast tot vastlegging van de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” per regiocategorie, samen met de lijst van in aanmerking komende regio’s overeenkomstig de in bijlage XXII vastgestelde methode.

De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een besluit vast tot vastlegging van de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” per regiocategorie, samen met de lijst van in aanmerking komende regio’s overeenkomstig de in bijlage XXII vastgestelde methode.

In dat besluit wordt ook de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (Interreg) vastgesteld.

In dat besluit wordt ook de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (Interreg) vastgesteld.

 

Daarbij komt de minimale totale toewijzing uit de Fondsen, zowel op nationaal als regionaal niveau, overeen met 76 % van het aan elke lidstaat of regio toegewezen budget voor 2014-2020.

Motivering

Het door de Commissie geboden vangnet op nationaal niveau voorkomt geen onevenredige besnoeiingen in afzonderlijke steungebieden. Die zouden op grond van het cohesiebeleid niet gerechtvaardigd zijn.

Wijzigingsvoorstel 74

Artikel 104, lid 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De middelen voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (Interreg) bedragen 2,5  % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit de fondsen voor de periode 2021-2027 (d.w.z. in totaal 8 430 000 000  EUR ).

De middelen voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (Interreg) bedragen 3,3  % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit de fondsen voor de periode 2021-2027 (d.w.z. in totaal XX XXX XXX XXX EUR).

Motivering

Het Commissievoorstel zou leiden tot forse besnoeiingen op het budget voor territorialesamenwerkingsacties, ondanks de opname van nieuwe acties in de ontwerpverordening Territoriale samenwerking. Het CvdR stelt daarom voor om de middelen voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” te verhogen naar 3,3 % van de totale cohesiebeleidsmiddelen, waardoor de bestaande grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s behouden kunnen blijven alsmede interregionale samenwerking en samenwerking voor de perifere regio’s. De huidige toewijzingsmethode voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” zoals vastgelegd in bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1303/2013 zou moeten blijven bestaan, omdat de voorgestelde nieuwe toewijzingsmethode (m.n. het nieuwe 25 km-criterium) lidstaten en regio’s met een geringe bevolkingsdichtheid langs hun grenzen zou discrimineren.

Wijzigingsvoorstel 75

Artikel 105, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie kan een voorstel aanvaarden dat door een lidstaat bij de indiening van de partnerschapsovereenkomst of in het kader van de tussentijdse evaluatie wordt ingediend, voor een overdracht:

a)

van niet meer dan 15 % van de totale toewijzingen voor minder ontwikkelde regio’s naar overgangsregio’s of meer ontwikkelde regio’s en van overgangsregio’s naar meer ontwikkelde regio’s;

b)

van de toewijzingen voor meer ontwikkelde regio’s of overgangsregio’s naar minder ontwikkelde regio’s.

De Commissie kan een voorstel aanvaarden dat door een lidstaat bij de indiening van de partnerschapsovereenkomst of in het kader van de tussentijdse evaluatie wordt ingediend, voor een overdracht van niet meer dan 15 % van de totale toewijzingen.

Motivering

Overdrachten tussen alle categorieën regio’s moeten mogelijk zijn.

Wijzigingsvoorstel 76

Artikel 106, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In het besluit van de Commissie tot goedkeuring van een programma worden het medefinancieringspercentage en het maximumbedrag van de steun uit de fondsen voor elke prioriteit bepaald.

In het besluit van de Commissie tot goedkeuring van een programma worden het maximumbedrag van de steun uit de fondsen voor elke prioriteit en het medefinancieringspercentage voor het programma bepaald.

Motivering

Door het maximale medefinancieringspercentage op het niveau van het operationele programma vast te stellen (in plaats van per prioriteit een maximumpercentage te bepalen), wordt het uitvoeringsproces flexibeler. Zo kan de medefinanciering worden gediversifieerd in prioriteiten naargelang van de soort interventie.

Wijzigingsvoorstel 77

Artikel 106, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het medefinancieringspercentage voor de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” op het niveau van elke prioriteit bedraagt niet meer dan:

a)

70 % voor de minder ontwikkelde regio’s;

b)

55 % voor de overgangsregio’s;

c)

40 % voor de meer ontwikkelde regio’s.

Het medefinancieringspercentage voor de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” op het niveau van elke prioriteit bedraagt niet meer dan:

a)

85 % voor de minder ontwikkelde regio’s;

b)

70 % voor de overgangsregio’s;

c)

50 % voor de meer ontwikkelde regio’s.

De onder a) vastgestelde medefinancieringspercentages zijn ook van toepassing op de ultraperifere gebieden.

De onder a) vastgestelde medefinancieringspercentages zijn ook van toepassing op de ultraperifere gebieden.

Het medefinancieringspercentage voor het Cohesiefonds op het niveau van elke prioriteit ligt niet hoger dan 70 % .

Het medefinancieringspercentage voor het Cohesiefonds op het niveau van elke prioriteit ligt niet hoger dan 85 % .

In de ESF+-verordening kunnen hogere medefinancieringspercentages worden vastgesteld voor prioriteiten ter ondersteuning van innovatieve acties overeenkomstig artikel [14] van die verordening.

In de ESF+-verordening kunnen hogere medefinancieringspercentages worden vastgesteld voor prioriteiten ter ondersteuning van innovatieve acties overeenkomstig artikel [14] van die verordening.

Motivering

De medefinancieringspercentages moeten op het huidige niveau blijven.

Wijzigingsvoorstel 78

Artikel 106, lid 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het medefinancieringspercentage voor Interreg-programma’s ligt niet hoger dan 70 % .

Het medefinancieringspercentage voor Interreg-programma’s ligt niet hoger dan 85 % .

[…]

[…]

Motivering

Het medefinancieringspercentage voor Europese territoriale samenwerking moet 85 % blijven.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Algemene opmerkingen

1.

onderschrijft de belangrijkste doelstellingen die de Commissie met de nieuwe Verordening gemeenschappelijke bepalingen (VGB) nastreeft, met name om het cohesiebeleid te moderniseren door het eenvoudiger, flexibeler en doeltreffender te maken en om onnodige administratieve lasten voor begunstigden en beheersautoriteiten aanzienlijk te verminderen.

2.

Het CvdR is verheugd over het feit dat het cohesiebeleid voor alle regio’s in de Europese Unie beschikbaar blijft. Dit was een van zijn belangrijkste aandachtspunten in vorige adviezen over dit onderwerp en eveneens een kernboodschap van de #CohesionAlliance.

3.

Ook het feit dat de aanpak van gedeeld beheer wordt bevestigd, is positief. Er zij echter op gewezen dat de acties op het „meest geschikte territoriale niveau” moeten worden voortgezet door de rol van de lokale en regionale overheden op het gebied van programmabeheer zo dicht mogelijk bij de burgers te versterken, overeenkomstig de beginselen van subsidiariteit, multilevel governance en partnerschap.

4.

Het CvdR pleit voor verdere vereenvoudiging door bijvoorbeeld de administratieve lasten als gevolg van de staatssteunregels te verminderen.

Doelstellingen en algemene regels inzake steunverlening

5.

De vijf nieuwe beleidsdoelstellingen zijn toe te juichen, aangezien zij enerzijds grotendeels overeenkomen met de vorige thematische doelstellingen en anderzijds meer flexibiliteit mogelijk maken omdat ze ruimer zijn gedefinieerd.

6.

Het schrappen van het Elfpo uit de VGB baart het CvdR echter veel zorgen, omdat dit de geïntegreerde aanpak van de structuur- en investeringsfondsen in plattelandsgebieden dreigt te ondermijnen; plattelandsontwikkeling is immers een fundamenteel onderdeel van de doelstellingen van het cohesiebeleid. Het CvdR zou graag zien dat het Elfpo opnieuw in de VGB wordt opgenomen (zie CvdR-advies NAT-VI/034 over het GLB), zodat er meer synergie met plattelandsontwikkeling kan worden bereikt. Het CvdR is wel zeer te spreken over het feit dat in het voorstel voor een verordening inzake de strategische GLB-plannen (artikel 2) voor sommige thema’s wordt verwezen naar de nieuwe VGB, met name voor kwesties die te maken hebben met geïntegreerde territoriale ontwikkeling.

7.

Het Europees Sociaal Fonds moet verankerd blijven in het cohesiebeleid, aangezien dit het belangrijkste instrument van de EU is om in mensen en menselijk kapitaal te investeren, de sociale integratie en de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen en het leven van miljoenen Europese burgers te verbeteren.

8.

Het belang van de beginselen van partnerschap en multilevel governance kan niet genoeg worden benadrukt. Daarom is het best om de bestaande gedragscode als bijlage bij de ontwerpverordening te voegen. Het CvdR vraagt om de gedragscode volledig ten uitvoer te leggen opdat de betrokkenheid van de lokale en regionale overheden uitgroeit tot volwaardig partnerschap.

Strategische aanpak

9.

Het is jammer dat het voorstel van de Commissie niet gepaard gaat met een nieuwe langetermijnstrategie als opvolger van de Europa 2020-strategie. Het CvdR verwacht dat de Commissie een dezer dagen een dergelijke nieuwe Europese langetermijnstrategie zal presenteren, die zorgt voor de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en is gebaseerd op een nieuwe vorm van bestuur die volledig is gestoeld op het beginsel van multilevel governance.

10.

Het CvdR is verheugd dat de nieuwe partnerschapsovereenkomst een eenvoudiger en dunner document is.

11.

Alle overdrachten tussen de fondsen of vanuit de fondsen naar het InvestEU-programma, of naar andere instrumenten van de Unie onder direct of indirect beheer, moeten volledig in overeenstemming zijn met de beginselen van subsidiariteit en multilevel governance en mogen geen afbreuk doen aan de gebiedsgerichte aanpak van de fondsen.

12.

Het aantal randvoorwaarden is verminderd en met name de thematische randvoorwaarden zijn nu duidelijker aan de strategische beleidskaders op de specifieke gebieden gekoppeld.

13.

Het CvdR maakt zich echter zorgen over het feit dat betalingen niet mogelijk zijn zolang de Commissie de lidstaat niet op de hoogte heeft gesteld van de vervulling van de randvoorwaarden, aangezien dit zou kunnen leiden tot vertragingen bij de uitvoering van de programma’s.

14.

Daarom is het nodig dat in het nieuwe programmeringssysteem reeds de toewijzingen voor alle jaren van de programmeringsperiode worden vastgelegd, met inbegrip van indicatieve toewijzingen voor 2026 en 2027, om het juiste evenwicht te vinden tussen extra flexibiliteit en het vermogen van het cohesiebeleid om op te kunnen treden enerzijds en het belang van de handhaving van de langetermijnstrategie van het cohesiebeleid voor strategische investeringen, die is gebaseerd op de volledige financieringsperiode van 7 jaar anderzijds.

15.

Het CvdR pleit nogmaals voor afschaffing van een negatieve opvatting van de macro-economische conditionaliteit waarbij, als resultaat van de koppeling tussen de ESIF en gezond economisch bestuur, lokale en regionale overheden „bestraft” worden voor nalatigheden van de nationale regering. Het cohesiebeleid, dat doelen nastreeft die weinig met macro-economisch bestuur te maken hebben, mag niet worden onderworpen aan voorwaarden die niet door lokale en regionale overheden en andere begunstigden kunnen worden beïnvloed. Betalingen aan eindontvangers of begunstigden mogen daarom niet worden getroffen doordat de lidstaat ongepaste macro-economische voorwaarden oplegt.

16.

De operationele procedures voor de aansluiting van het Europees Semester op het cohesiebeleid zijn onvoldoende geanalyseerd en er bestaat onvoldoende duidelijkheid over de wijze van coördinatie tussen de maatregelen van het cohesiebeleid en de maatregelen van het steunprogramma voor hervorming. De permanente naleving van de specifieke doelstellingen van het cohesiebeleid is een conditio sine qua non om de regionale dimensie van het Europees Semester te vergroten.

17.

Het mechanisme van randvoorwaarden grijpt reeds op doeltreffende wijze in op hervormingsgebieden die van belang zijn voor cohesiebeleid.

18.

Het CvdR is verheugd over de versterking van de status van geïntegreerde territoriale instrumenten, die een uniek instrument vormen ter ondersteuning van een „bottom-up”-benadering. Het benadrukt echter dat de taken en bevoegdheden van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de selectie van de acties beter moeten worden gerespecteerd.

Programmering

19.

De structuur van de programma’s, die in vergelijking met de huidige periode niet vereenvoudigd lijken te zijn, zou moeten worden gestroomlijnd. De geplande tijd voor het goedkeuren van de wijzigingen is echter te lang, aangezien deze dezelfde is als de beoogde tijd voor de goedkeuring van het programma.

20.

Het voorgestelde vaste percentage van 2,5 % voor technische bijstand voor het EFRO en het Cohesiefonds blijft ontoereikend. Het zou beter zijn om een vast percentage van 5 % voor technische bijstand te hanteren, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de nieuwe verordening geen specifieke doelstelling met betrekking tot capaciteitsopbouw bevat.

Toezicht, evaluatie, communicatie en zichtbaarheid

21.

Het CvdR is ingenomen met het voornemen van de nieuwe VGB om de transparantie en zichtbaarheid van de uitvoering van de fondsen te vergroten en herinnert aan zijn verzoek om preciezere maatregelen teneinde de lokale en regionale verantwoordelijkheid en zichtbaarheid van de ESI-fondsen ter plaatse te versterken en de zichtbaarheid van de cohesiebeleidsmaatregelen door middel van passende communicatieacties aanzienlijk te vergroten, aangezien zij een van de onbetwistbare voordelen van EU-integratie voor de mensen op lokaal niveau vormen.

22.

Met het oog op meer samenhang moeten de beheersautoriteiten echter de mogelijkheid krijgen om één communicatiemedewerker aan te wijzen voor meerdere programma’s.

Financiële steun

23.

De nieuwe bepalingen, die bedoeld zijn om meer gebruik te maken van vereenvoudigde kostenopties, en de nieuwe bepalingen die erop gericht zijn om het gebruik van financiële instrumenten te stroomlijnen en deze beter in het programmerings- en uitvoeringsproces te integreren, vormen een stap in de goede richting.

Beheer en controle

24.

De afschaffing van de procedures voor het aanwijzen van autoriteiten en het identificeren van certificeringsautoriteiten en de toegenomen afhankelijkheid van nationale beheerssystemen vormen een welkome vermindering van de administratieve lasten voor de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF).

25.

Het is een goede zaak dat de auditregels in de voorgestelde VGB zijn vereenvoudigd, en met name de nieuwe bepalingen die het beginsel van één enkele audit versterken, zijn toe te juichen. Hierdoor worden niet alleen de administratieve lasten voor de programma-autoriteiten en begunstigden aanzienlijk verminderd, maar wordt ook bijgedragen tot evenredigheid.

26.

Daarnaast is ook de mogelijkheid van verbeterde evenredige regelingen voor programma’s met een goed werkend beheers- en controlesysteem en een goede staat van dienst een positief gegeven.

Financieel beheer

27.

Het CvdR is bezorgd over het feit dat het niveau van de voorfinanciering drastisch is verlaagd tot een jaarlijkse betaling van 0,5 % van de totale steun uit de fondsen en vraagt om een hoger voorfinancieringspercentage van gemiddeld ten minste 2 %.

28.

De herinvoering van de „n+2”-regel zou leiden tot de overlapping van de afsluiting van de huidige programmeringsperiode met de eerste „n+2”-doelstelling van de nieuwe periode, hetgeen een zware administratieve last voor de uitvoering van programma’s met zich meebrengt. Daarom zou de huidige „n+3”-regel moeten worden gehandhaafd.

Financieel kader

29.

Het CvdR is ingenomen met het feit dat in de nieuwe VGB de bestaande architectuur met drie categorieën regio’s (minder ontwikkelde regio’s, overgangsregio’s, meer ontwikkelde regio’s) op NUTS 2-niveau wordt gehandhaafd. De verschuiving van de drempel tussen overgangsregio’s en meer ontwikkelde regio’s van 90 % van het gemiddelde bbp per hoofd van de bevolking naar 100 % kan ook op veel bijval van het CvdR rekenen, aangezien dit aansluit bij de opmerkingen in het zevende cohesieverslag over regio’s met een bbp per hoofd van de bevolking dat dicht bij het EU-gemiddelde ligt, maar die vast lijken te zitten in een „middeninkomensval” met aanzienlijk lagere groeipercentages dan het EU-gemiddelde.

30.

Het CvdR verzoekt om het huidige niveau van medefinancieringspercentages voor de minder ontwikkelde regio’s en de ultraperifere regio’s, evenals voor het Cohesiefonds en de ETC-doelstelling op 85 % te handhaven, voor de overgangsregio’s op 70 % en voor de meer ontwikkelde regio’s op 50 %, gezien het feit dat een algemene verlaging het risico van annulering van middelen zou kunnen opleveren, met name in minder ontwikkelde regio’s, en ook de aantrekkelijkheid van het cohesiebeleid, met name in meer ontwikkelde regio’s, zou verminderen.

31.

De vaststelling van een maximumbedrag aan btw als subsidiabele uitgaven (5 000 000 EUR) kan de programma’s minder aantrekkelijk maken voor de aanvragers, met name in het geval van belangrijke infrastructuurprojecten.

32.

Het CvdR dringt er bij de Commissie op aan om de bijlagen bij de verordening aan te passen aan de in dit advies voorgestelde wijzigingen, en daarbij met name aandacht te schenken aan:

kennisvalorisatie en maatregelen om start-ups en kleine en middelgrote ondernemingen te betrekken bij initiatieven op het vlak van slimme specialisatie;

een gedetailleerd overzicht van de vereisten voor communicatiestrategieën;

herbeoordeling van de gewogen som van het aandeel van de bevolking van NUTS 3- en NUTS 2-grensregio’s en het aandeel van de totale bevolking van elke lidstaat voor grensoverschrijdende en transnationale samenwerkingsprogramma’s;

het in aanmerking nemen van de regionale effecten van een maximale totale toewijzing uit de fondsen aan een lidstaat.

Brussel, 5 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

(2)   Verordening (EU) nr. 868/2014 van de Commissie van 8 augustus 2014 tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 241 van 13.8.2014, blz. 1).

(1)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

(1)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).

(1)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).

(1)   Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/84


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het Europees Sociaal Fonds Plus

(2019/C 86/07)

Rapporteur:

Susana DÍAZ PACHECO (ES/PSE), minister-president van Andalusië

Referentiedocument:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+)

COM(2018) 382 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Preambule, eerste aanhaling

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 46, onder d), artikel 149, artikel 153, lid 2, onder a), artikel 164, artikel 168, lid 5, artikel 175, lid 3, en artikel 349,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 9, artikel 46, onder d), artikel 149, artikel 153, lid 2, onder a), artikel 164, artikel 168, lid 5, artikel 174, artikel 175, lid 3, en artikel 349,

Motivering

Gezien de werkingssfeer van het ESF+ lijkt een verwijzing naar artikel 9 van het VWEU aangewezen. Daarnaast moet meer aandacht uitgaan naar de doelstelling van het regionaal beleid, overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het voorstel voor een verordening gemeenschappelijke bepalingen, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat het ESF+ moet bijdragen tot het optreden van de Unie dat is gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 2

Preambule, na overweging 5 een nieuwe overweging invoegen:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

gezien de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten (2017/C 428/09),

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(1)

Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten afgekondigd als reactie op de sociale uitdagingen in Europa. De twintig kernbeginselen van de pijler zijn opgebouwd rond drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt; billijke arbeidsvoorwaarden; sociale bescherming en inclusie. De twintig beginselen van de Europese pijler van sociale rechten moeten als leidraad dienen voor de acties in het kader van het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+). Om bij te dragen tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten moet het ESF+ investeringen in mensen en systemen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie ondersteunen en daardoor bijdragen aan de economische, territoriale en sociale samenhang overeenkomstig artikel 174 VWEU .

(1)

Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten afgekondigd als reactie op de sociale uitdagingen in Europa. De twintig kernbeginselen van de pijler zijn opgebouwd rond drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt; billijke arbeidsvoorwaarden; sociale bescherming en inclusie. De twintig beginselen van de Europese pijler van sociale rechten moeten als leidraad dienen voor de acties in het kader van het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+). Op bij te dragen tot de economische, territoriale en sociale samenhang overeenkomstig artikel 174 VWEU en de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten te ondersteunen, moet het ESF+ investeringen in mensen en systemen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie ondersteunen.

Motivering

De aandacht moet allereerst worden gevestigd op de doelstelling van het regionaal beleid, zonder afbreuk te doen aan het belang van de ondersteuning van de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(2)

Het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid is het kader op Unieniveau voor de vaststelling van nationale hervormingsprioriteiten en het toezicht op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van die hervormingsprioriteiten. Die strategieën moeten in aansluiting met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma’s worden gepresenteerd als een manier om de prioritaire investeringsprojecten die nationale en/of Uniefinanciering moeten krijgen, vast te stellen en te coördineren. Zij moeten ook dienen om de financiering van de Unie op coherente wijze te gebruiken en de meerwaarde te maximaliseren van de financiële steun die met name zal worden ontvangen uit de programma’s die in voorkomend geval door de Unie worden ondersteund in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, de stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU.

(2)

Op Unieniveau zou een ontwikkelingsstrategie voor de lange termijn, die de Europa 2020-strategie vervangt en waarmee de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling worden uitgevoerd, een strategisch kader moeten bieden voor de nieuwe programmeringsperiode die in 2021 begint. Het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid is het kader voor de vaststelling van nationale hervormingsprioriteiten en het toezicht op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van die hervormingsprioriteiten. Die strategieën moeten worden uitgewerkt in samenwerking met de nationale, regionale en lokale overheden en in aansluiting met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma’s worden gepresenteerd als een manier om de prioritaire investeringsprojecten die nationale en/of Uniefinanciering moeten krijgen, vast te stellen en te coördineren. Zij moeten ook dienen om de financiering van de Unie op coherente wijze te gebruiken en de meerwaarde te maximaliseren van de financiële steun die met name zal worden ontvangen uit de programma’s die in voorkomend geval door de Unie worden ondersteund in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, de stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Unie wordt geconfronteerd met structurele uitdagingen als gevolg van de economische globalisering, het beheer van migratiestromen en de toenemende veiligheidsbedreigingen, de overgang naar schone energie, technologische veranderingen en de steeds meer vergrijzende beroepsbevolking en het toenemend tekort aan vaardigheden en arbeidskrachten in bepaalde sectoren en regio’s, dat vooral door kleine en middelgrote ondernemingen wordt ervaren. Rekening houdend met de veranderende realiteit van de arbeidsmarkt, moet de Unie voorbereid zijn op de huidige en toekomstige uitdagingen door te investeren in relevante vaardigheden, door groei inclusiever te maken en het sociaal en werkgelegenheidsbeleid te verbeteren, ook met het oog op arbeidsmobiliteit.

De Unie wordt geconfronteerd met structurele uitdagingen als gevolg van de economische globalisering, het beheer van migratiestromen en de toenemende veiligheidsbedreigingen, de rechtvaardige overgang naar schone energie, technologische veranderingen , inclusief de digitale transformatie, en de steeds meer vergrijzende Europese bevolking en het toenemend tekort aan vaardigheden en arbeidskrachten in bepaalde sectoren en regio’s, dat vooral door kleine en middelgrote ondernemingen wordt ervaren. Rekening houdend met de veranderende realiteit van de arbeidsmarkt, moet de Unie voorbereid zijn op de huidige en toekomstige uitdagingen door te investeren in relevante vaardigheden, door groei inclusiever te maken, met name op regionaal en lokaal niveau, en het beleid inzake onderwijs en opleiding alsook het sociaal en werkgelegenheidsbeleid te verbeteren, ook met het oog op arbeidsmobiliteit.

Motivering

Er moet technologieneutrale en al bestaande terminologie worden gebruikt.

Wijzigingsvoorstel 6

Overweging 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(6)

Verordening (EU) nr. […] stelt het kader vast voor actie door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het instrument voor grensbeheer en visa (BMVI) als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (IBMF), en bevat met name de beleidsdoelstellingen en de regels betreffende programmering, monitoring en evaluatie, beheer en controle voor de fondsen van de Unie die onder gedeeld beheer worden uitgevoerd. Daarom moeten de algemene doelstellingen van het ESF+ worden omschreven en moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de activiteiten die door het ESF+ kunnen worden gefinancierd.

(6)

Verordening (EU) nr. […] stelt het kader vast voor actie door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het instrument voor grensbeheer en visa (BMVI) als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (IBMF), en bevat met name de beleidsdoelstellingen en de regels betreffende programmering, monitoring en evaluatie, beheer en controle voor de fondsen van de Unie die onder gedeeld beheer worden uitgevoerd. Daarom moeten de algemene doelstellingen van het ESF+ en de coördinatie met de andere fondsen worden omschreven en moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de activiteiten die door het ESF+ kunnen worden gefinancierd.

Wijzigingsvoorstel 7

Overweging 8

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(8)

De in deze verordening vermelde financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico op niet-naleving. Voor subsidies houdt dit in dat het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten wordt overwogen, alsook financiering die niet aan de kosten is gekoppeld, zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Om maatregelen uit te voeren die verband houden met de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen, en overeenkomstig artikel 88 van de GB-verordening kan de Commissie lidstaten vergoeden die gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties, waaronder vaste bedragen.

(8)

De in deze verordening vermelde financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten , de aard van de acties en het verwachte risico op niet-naleving. Voor subsidies houdt dit in dat het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten wordt overwogen, alsook financiering die niet aan de kosten is gekoppeld, zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Om maatregelen uit te voeren die verband houden met de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen, en overeenkomstig artikel 88 van de GB-verordening kan de Commissie lidstaten vergoeden die gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties, waaronder vaste bedragen.

In het licht hiervan is het belangrijk dat de vereenvoudigingsmaatregelen worden voortgezet om de administratieve lasten van het fonds te verminderen en zo de toegevoegde waarde, de zichtbaarheid en de doeltreffendheid van de fondsen te vergroten; dit houdt in dat de inspanningen en de menselijke middelen op de eerste plaats gericht moeten zijn op de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen.

Motivering

De verduidelijking „de aard van de acties” wordt toegevoegd omdat vereenvoudiging met name noodzakelijk is in het geval van maatregelen voor kansarme groepen. De vereenvoudiging van de kosten en procedures zal de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen dichterbij brengen, aangezien zo de doeltreffendheid van de acties centraal komt te staan en de toegang van kleine begunstigden tot de middelen wordt vergemakkelijkt.

Wijzigingsvoorstel 8

Nieuwe overweging na overweging 8

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

(8a)

Steun in het kader van de investeringsprioriteit „vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling” kan bijdragen tot de verwezenlijking van alle in deze verordening vastgestelde thematische doelstellingen. De door het ESF+ gesteunde strategieën voor „vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling” (CLLD) moeten ook gericht zijn op de kansarme groepen in de gemeenschap in kwestie, zowel wat het bestuur van de groepen voor lokale ontwikkeling als de inhoud van de strategie betreft.

Motivering

Gezien de noodzaak om meer aandacht te besteden aan de sterkere regionale en lokale gerichtheid van het ESF+ na 2020, is een duidelijke verwijzing naar vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling noodzakelijk.

Wijzigingsvoorstel 9

Overweging 14

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(14)

Het ESF+ moet steun bieden om onderwijs- en opleidingsstelsels kwaliteitsvoller, doeltreffender en relevanter voor de arbeidsmarkt te maken om het verwerven van sleutelcompetenties te vergemakkelijken, in het bijzonder digitale vaardigheden die elke persoon nodig heeft voor zelfontplooiing en ontwikkeling, werk, sociale inclusie en actief burgerschap. Het ESF+ moet helpen bij de voortgang in onderwijs en opleiding en bij de overgang naar werk. Het moet een leven lang leren en de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt ondersteunen en bijdragen tot het concurrentievermogen en de maatschappelijke en economische innovatie door schaalbare en duurzame initiatieven op deze gebieden te ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt via werkgerelateerde opleidingen en leerlingplaatsen, levenslange begeleiding, het anticiperen op vaardigheden in samenwerking met de sector, actueel opleidingsmateriaal, prognoses en het volgen van afgestudeerden, opleiding van opleiders, validatie van leerresultaten en de erkenning van kwalificaties.

(14)

Als belangrijkste EU-instrument voor investeringen in menselijk kapitaal en vaardigheden speelt het ESF+ een sleutelrol bij de bevordering van sociale, economische en territoriale samenhang. Het ESF+ moet steun bieden om onderwijs- en opleidingsstelsels kwaliteitsvoller, doeltreffender en relevanter voor de arbeidsmarkt te maken om het verwerven van sleutelcompetenties te vergemakkelijken, in het bijzonder digitale vaardigheden die elke persoon nodig heeft voor zelfontplooiing en ontwikkeling, werk, sociale inclusie en actief burgerschap. Het ESF+ moet helpen bij de voortgang in onderwijs en opleiding en bij de overgang naar werk. Het moet een leven lang leren en de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt ondersteunen en bijdragen tot het concurrentievermogen en de maatschappelijke en economische innovatie door schaalbare en duurzame initiatieven op deze gebieden te ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt via werkgerelateerde opleidingen en leerlingplaatsen, levenslange begeleiding, het anticiperen op vaardigheden in samenwerking met de sector, actueel opleidingsmateriaal, prognoses en het volgen van afgestudeerden, opleiding van opleiders, validatie van leerresultaten en de erkenning van kwalificaties.

Motivering

Er mag niet worden geraakt aan de territoriale dimensie van het ESF.

Wijzigingsvoorstel 10

Overweging 15

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(15)

Steun uit het ESF+ moet worden gebruikt ter bevordering van gelijke toegang voor iedereen, in het bijzonder voor kansarme groepen, tot kwaliteitsvolle, niet-gesegregeerde en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding. Daarbij moet overstappen tussen onderwijs- en opleidingssectoren worden vergemakkelijkt, voortijdig schoolverlaten worden voorkomen, de kennis van gezondheid worden verbeterd, de koppeling met niet-formeel en informeel leren worden versterkt en de leermobiliteit voor iedereen worden vergemakkelijkt. Synergieën met het programma Erasmus, met name ter bevordering van de deelname van kansarme lerenden aan leermobiliteit, moet in deze context worden ondersteund.

(15)

Steun uit het ESF+ moet worden gebruikt ter bevordering van gelijke toegang voor iedereen tot kwaliteitsvolle, niet-gesegregeerde voorzieningen voor onderwijs en opleiding die onder meer sociale insluiting bevorderen en rekening houden met kansarme groepen, tot kwaliteitsvolle, niet-gesegregeerde en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan kinderen met een kansarme sociale achtergrond, zoals kinderen in een instelling en dakloze kinderen, via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau , alsmede herintegratie in het onderwijsstelsel, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding om de overdracht van armoede van de ene op de andere generatie te verhinderen . Daarbij moet overstappen tussen onderwijs- en opleidingssectoren worden vergemakkelijkt, voortijdig schoolverlaten en sociale uitsluiting worden voorkomen, de kennis van gezondheid worden verbeterd, de koppeling met niet-formeel en informeel leren worden versterkt en de leermobiliteit voor iedereen worden vergemakkelijkt. Er moeten in deze context synergieën met het programma Erasmus worden gecreëerd, om kansarme lerenden actief en op passende wijze te benaderen, hen voor te bereiden op mobiliteitservaringen in het buitenland en hun deelname aan grensoverschrijdende leermobiliteit te verhogen.

Motivering

Overeenkomstig overweging 1 moet het ESF+ investeringen in mensen en systemen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie ondersteunen; het is niet nodig om de steun op het gebied van onderwijs afhankelijk te maken van sociale inclusie.

Wijzigingsvoorstel 11

Overweging 18

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(18)

Het ESF+ moet de inspanningen van de lidstaten ter bestrijding van armoede ondersteunen zodat het doorgeven van achterstand van generatie op generatie wordt doorbroken. Het moet sociale inclusie bevorderen door gelijke kansen te waarborgen voor iedereen en discriminatie en ongelijkheid op gezondheidsgebied aan te pakken. Dit vereist dat een heel scala aan beleidsmaatregelen voor de meest kansarmen wordt ingezet, ongeacht hun leeftijd, met inbegrip van kinderen, gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma en werkende armen. Het ESF+ moet de actieve inclusie van mensen die ver van de arbeidsmarkt af staan bevorderen met het oog op hun sociaal-economische integratie. Het ESF+ moet ook worden ingezet ter bevordering van de tijdige en gelijke toegang tot betaalbare, duurzame en hoogwaardige diensten, zoals gezondheidszorg en langdurige zorg, in het bijzonder zorg in gezins- en gemeenschapsverband. Het ESF+ moet bijdragen tot de modernisering van socialebeschermingssystemen, vooral met het oog op het bevorderen van de toegankelijkheid ervan.

(18)

Het ESF+ moet de inspanningen van de lidstaten ter bestrijding van armoede — inclusief energiearmoede als bedoeld in de onlangs overeengekomen regels inzake de governance van de energie-unie — op alle overheidsniveaus, ook op regionaal en lokaal niveau, ondersteunen zodat het doorgeven van achterstand van generatie op generatie wordt doorbroken. Het moet sociale inclusie bevorderen door gelijke kansen te waarborgen voor iedereen, discriminatie te bestrijden en ongelijkheid op sociaal en gezondheidsgebied aan te pakken. Dit vereist dat een heel scala aan proactieve en reactieve beleidsmaatregelen voor de meest kansarmen wordt ingezet, ongeacht hun leeftijd, met inbegrip van kinderen , overeenkomstig beginsel 11 van de Europese pijler van sociale rechten, gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma , personen met een handicap, daklozen, onderdanen van derde landen en werkende armen. Het ESF+ moet de actieve inclusie van mensen die ver van de arbeidsmarkt af staan bevorderen met het oog op hun sociale en economische integratie , onder meer door gerichte steun te bieden aan de sociale en op solidariteit gebaseerde economie . Het ESF+ moet ook worden ingezet ter bevordering van de tijdige en gelijke toegang tot kosteloze of betaalbare, duurzame en hoogwaardige diensten, zoals gezondheidszorg en langdurige zorg, in het bijzonder zorg in gezins- en gemeenschapsverband , alsook tot diensten die advies bieden over de toegang tot geschikte sociale of betaalbare huisvesting . Het ESF+ moet bijdragen tot de modernisering van socialebeschermingssystemen, vooral met het oog op het bevorderen van de toegankelijkheid ervan.

Motivering

Er moet worden beklemtoond dat de lokale en regionale overheden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 12

Overweging 19

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(19)

Het ESF+ moet bijdragen tot het terugdringen van de armoede door ondersteuning van nationale regelingen die erop gericht zijn voedselgebrek en ernstige materiële deprivatie te verminderen en de sociale integratie van mensen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting en van de meest behoeftigen te bevorderen. Aangezien op Unieniveau ten minste 4 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer de meest behoeftigen ondersteunt, moeten de lidstaten ten minste 2 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer gebruiken om de vormen van extreme armoede te bestrijden die het sterkst bijdragen tot sociale uitsluiting, zoals dakloosheid, kinderarmoede en voedselgebrek. Gezien de aard van de activiteiten en het type eindontvangers is het nodig eenvoudigere regels toe te passen op de steun ter bestrijding van materiële deprivatie van de meest behoeftigen.

(19)

Het ESF+ moet bijdragen tot het terugdringen van de armoede door ondersteuning van nationale en regionale regelingen die erop gericht zijn voedselgebrek en ernstige materiële deprivatie te verminderen en de sociale integratie van mensen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting en van de meest behoeftigen te bevorderen. Aangezien op Unieniveau ten minste 4 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer de meest behoeftigen ondersteunt, moeten de lidstaten ten minste 2 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer gebruiken om de vormen van extreme armoede te bestrijden die het sterkst bijdragen tot sociale uitsluiting, zoals dakloosheid, kinderarmoede en voedselgebrek. Gezien de aard van de activiteiten en het type eindontvangers is het nodig eenvoudigere regels toe te passen op de steun ter bestrijding van materiële deprivatie van de meest behoeftigen.

Motivering

Er moet worden beklemtoond dat de lokale en regionale overheden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 13

Overweging 20

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(20)

In het licht van de aanhoudende behoefte aan grotere inspanningen voor het beheer van de migratiestromen in de Unie als geheel en met het oog op coherente, sterke en consistente ondersteuning van inspanningen voor solidariteit en de verdeling van de verantwoordelijkheid, moet het ESF+ steun verlenen ter bevordering van de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen als aanvulling op de acties die worden gefinancierd in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie.

(20)

In het licht van de aanhoudende behoefte aan grotere inspanningen voor het beheer van de migratiestromen in de Unie als geheel en met het oog op coherente, sterke en consistente ondersteuning van inspanningen voor solidariteit en de eerlijke verdeling van de verantwoordelijkheid, moet het ESF+ steun verlenen ter bevordering van de sociale en economische integratie van onderdanen van derde landen als aanvulling op en ter coördinatie van de acties die worden gefinancierd in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie , het EFRO, en de fondsen die een positief effect kunnen hebben op de inclusie van onderdanen van derde landen . De lidstaten moeten een passend bedrag aan ESF+-middelen toewijzen aan lokale en regionale overheden om tegemoet te komen aan de behoeften aan integratie van onderdanen van derde landen op lokaal niveau.

Motivering

Overlapping tussen het ESF+ en het Fonds voor asiel en migratie moet worden vermeden; de uit deze fondsen te financieren acties moeten niet alleen complementair zijn, ook coördinatie is nodig.

Wijzigingsvoorstel 14

Overweging 21

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(21)

Het ESF+ moet beleids- en systeemhervormingen ondersteunen op het gebied van werkgelegenheid, sociale inclusie, gezondheidszorg en langdurige zorg, en onderwijs en opleiding. Om de afstemming op het Europees Semester te verbeteren, moeten de lidstaten een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen voor de uitvoering van relevante landspecifieke aanbevelingen in verband met structurele uitdagingen die het best kunnen worden aangepakt via meerjarige investeringen binnen het toepassingsgebied van het ESF+. De Commissie en de lidstaten moeten zorgen voor samenhang, coördinatie en complementariteit tussen de ESF+-onderdelen onder gedeeld beheer en het onderdeel gezondheid van het ESF+ enerzijds en het steunprogramma voor hervormingen anderzijds , met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De Commissie en de lidstaten moeten met name in alle stadia van het proces doeltreffende coördinatie waarborgen om de consistentie, samenhang, complementariteit en synergie tussen financieringsbronnen en de technische bijstand daarvan te bewaren.

(21)

Het ESF+ moet beleids- en systeemhervormingen ondersteunen op het gebied van werkgelegenheid, sociale inclusie, gezondheidszorg en langdurige zorg, en onderwijs en opleiding , die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en de problemen die in het kader van het Europees semester en de nationale verslagen in kaart zijn gebracht door het sociale scorebord. Deze verslagen moeten worden opgesteld in nauw overleg met de lokale en regionale overheden. Rekening houdend met de specifieke kenmerken van de verschillende regio’s moeten de lidstaten een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen voor de uitvoering van landspecifieke aanbevelingen die relevant zijn vanuit het oogpunt van de reikwijdte en de opdracht van het ESF+, in overleg met de regionale en lokale autoriteiten en rekening houdend met de vraag welk niveau bevoegd is voor het beheer van de verschillende beleidsmaatregelen en de benodigde financiële middelen. De Commissie, de lidstaten en de lokale en regionale overheden moeten zorgen voor samenhang, coördinatie en complementariteit tussen de ESF+-onderdelen onder gedeeld beheer en het onderdeel gezondheid van het ESF+ enerzijds en het steunprogramma voor hervormingen anderzijds ; daarbij mag niet worden geraakt aan de autonomie van het ESF+, dat enkel mag functioneren als financieringsinstrument voor het Europees semester wanneer dezelfde doelstellingen worden nagestreefd . De Commissie en de lidstaten moeten met name in alle stadia van het proces doeltreffende coördinatie waarborgen om de consistentie, samenhang, complementariteit en synergie tussen financieringsbronnen en de technische bijstand daarvan te bewaren.

Motivering

Bij het verband tussen ESF+-financiering en het Europees semester moet rekening worden gehouden met het sociale scorebord, maar ook met de nationale verslagen die in nauw overleg tussen de Commissie en de lidstaten worden opgesteld en waarover ook de regionale en lokale overheden moeten worden geraadpleegd. Gezien de nauwe band tussen het ESF+ en de werkgelegenheidspatronen die in het Europees semester zijn opgenomen, kan het ESF+ een instrument zijn voor de financiering van het Europees semester voor acties die onder een van de doelstellingen van het fonds vallen.

Wijzigingsvoorstel 15

Nieuwe overweging na overweging 22

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

(22a)

Gegeven de aanhoudend hoge mate van kinderarmoede en sociale uitsluiting in de EU (26,4  % in 2017), en gezien de Europese pijler van sociale rechten, uit hoofde waarvan kinderen recht hebben op bescherming tegen armoede en kinderen uit kansarme milieus recht hebben op specifieke maatregelen die gelijke kansen versterken, moeten de lidstaten een adequate hoeveelheid van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan de Europese kindergarantieregeling met het oog op de uitbanning van armoede en sociale uitsluiting onder kinderen. In een vroeg stadium investeren in kinderen komt kinderen én de samenleving als geheel aanzienlijk ten goede. Door kinderen te steunen bij de ontwikkeling van hun vaardigheden en capaciteiten worden zij in staat gesteld om hun volledige potentieel te ontplooien, actieve leden van de samenleving te worden en als jongere hun kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren.

Wijzigingsvoorstel 16

Overweging 23

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(23)

In het licht van de aanhoudend hoge niveaus van werkloosheid en inactiviteit onder jongeren in een aantal lidstaten en regio’s, die vooral van invloed zijn op jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, moeten die lidstaten zich blijven inzetten om voldoende ESF+-middelen onder gedeeld beheer te investeren in acties ter bevordering van jongerenwerkgelegenheid, onder andere via de uitvoering van jongerengarantieregelingen. Voortbouwend op de acties die gericht zijn op individuele personen en werden ondersteund door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de lidstaten verder steun blijven verlenen voor herintegratie op de arbeidsmarkt en in het onderwijs en voor outreachmaatregelen voor jongeren door, waar van toepassing, prioriteit te geven aan langdurig werkloze, inactieve en kansarme jongeren, onder meer via jeugdwerk . De lidstaten moeten ook investeren in maatregelen die erop gericht zijn de overgang van school naar werk te vergemakkelijken en de diensten voor arbeidsvoorziening te hervormen en aan te passen zodat zij ondersteuning op maat kunnen bieden aan jongeren. De betrokken lidstaten moeten daarom ten minste 10 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan ondersteuning van de inzetbaarheid van jongeren.

(23)

In het licht van de aanhoudend hoge niveaus van werkloosheid en inactiviteit onder jongeren in een aantal lidstaten en regio’s , die vooral van invloed zijn op jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, moeten die lidstaten en regio’s zich blijven inzetten om voldoende ESF+-middelen onder gedeeld beheer te investeren in acties ter bevordering van jongerenwerkgelegenheid, onder andere via de uitvoering van jongerengarantieregelingen. Voortbouwend op de acties die gericht zijn op individuele personen en werden ondersteund door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de lidstaten en de regio’s verder steun blijven verlenen voor herintegratie op de arbeidsmarkt en in het onderwijs en voor outreachmaatregelen voor jongeren door, waar van toepassing, prioriteit te geven aan langdurig werkloze, inactieve en kansarme jongeren, onder meer via werkgelegenheid voor jongeren . De lidstaten en de regio’s moeten ook investeren in maatregelen die erop gericht zijn de overgang van school naar werk te vergemakkelijken en de diensten voor arbeidsvoorziening te hervormen en aan te passen zodat zij ondersteuning op maat kunnen bieden aan jongeren. De lidstaten met regio’s waar de jeugdwerkloosheid hoog is en er veel inactieve jongeren zijn, moeten daarom ten minste 15 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan ondersteuning van de inzetbaarheid van jongeren in die regio’s .

Motivering

Er moet worden beklemtoond dat de lokale en regionale overheden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische, sociale en territoriale samenhang. Aan de andere kant worden diverse lidstaten getroffen door de hoge jeugdwerkloosheid en inactiviteit onder jongeren, hoewel de percentages op regionaal niveau binnen eenzelfde staat sterk kunnen verschillen. In de berekeningen moet dan ook worden gekeken naar de uiteenlopende regionale situaties, en er moet voor worden gezorgd dat de middelen worden toegewezen aan deze kwetsbare gebieden.

Wijzigingsvoorstel 17

Overweging 24

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(24)

De lidstaten moeten zorgen voor coördinatie en complementariteit tussen de door deze fondsen ondersteunde acties.

(24)

De lidstaten moeten zorgen voor coördinatie en complementariteit tussen de door deze fondsen ondersteunde actie s, met volledige inachtneming van de beginselen van partnerschap, subsidiariteit en multilevel governance conform artikel 6 van de GB-verordening .

Motivering

De territoriale aanpak waarop het ESF+ is gebaseerd vereist ook nauwe samenwerking tussen alle overheidsniveaus en andere organen als bedoeld in artikel 6 van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening), zodat coördinatie en complementariteit verzekerd zijn.

Wijzigingsvoorstel 18

Nieuwe overweging na overweging 25

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

(25a)

Er moet ook rekening worden gehouden met de bepalingen van artikel 174, derde alinea, VWEU, waarin is bepaald dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan regio’s die te kampen hebben met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden.

Wijzigingsvoorstel 19

Overweging 26

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(26)

Een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de door het ESF+ ondersteunde acties hangt af van een goed bestuur en een goed partnerschap tussen alle actoren op de relevante territoriale niveaus en de sociaaleconomische actoren, met name de sociale partners en het maatschappelijk middenveld. Het is daarom van essentieel belang dat de lidstaten de sociale partners en het maatschappelijk middenveld aanmoedigen deel te nemen aan de uitvoering van het ESF+ onder gedeeld beheer.

(26)

Een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de door het ESF+ ondersteunde acties hangt af van een goed bestuur en een goed partnerschap tussen alle actoren op de relevante territoriale niveaus , meer concreet en in het bijzonder het lokale en regionale niveau, en de sociaaleconomische actoren, met name de sociale partners, het maatschappelijk middenveld en de niet-gouvernementele organisaties. Het is daarom van essentieel belang dat de lidstaten en de lokale en regionale overheden de sociale partners en het maatschappelijk middenveld aanmoedigen deel te nemen aan de uitvoering van het ESF+ onder gedeeld beheer.

Motivering

Er moet worden beklemtoond dat de lokale en regionale overheden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 20

Overweging 28

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(28)

De lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat het ESF+ bijdraagt tot de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen overeenkomstig artikel 8 VWEU ter bevordering van gelijke behandeling en kansen voor vrouwen en mannen op alle gebieden, waaronder de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en loopbaanontwikkeling. Zij moeten er ook voor zorgen dat het ESF+ gelijke kansen voor iedereen bevordert, zonder discriminatie, overeenkomstig artikel 10 VWEU, alsook de inclusie in de maatschappij van personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen en dat het bijdraagt tot de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. Met deze beginselen moet tijdig en op consistente wijze rekening worden gehouden in alle dimensies en in alle fasen van de voorbereiding, monitoring, uitvoering en evaluatie van de programma’s, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat er specifieke acties worden ondernomen ter bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen. Het ESF+ moet ook de overgang van residentiële/institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband bevorderen, in het bijzonder voor degenen die te maken hebben met meervoudige discriminatie. Het ESF mag geen actie ondersteunen die bijdraagt tot segregatie of sociale uitsluiting. Verordening (EU) nr. [toekomstige GB-verordening] bepaalt dat de regels betreffende subsidiabiliteit van de uitgaven op nationaal niveau moeten worden vastgesteld, met bepaalde uitzonderingen, waarvoor in specifieke bepalingen ten aanzien van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer moet worden voorzien.

(28)

De beheersautoriteiten van de lidstaten op regionaal en nationaal niveau en de Commissie moeten ervoor zorgen dat het ESF+ bijdraagt tot de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen overeenkomstig artikel 8 VWEU ter bevordering van gelijke behandeling en kansen voor vrouwen en mannen op alle gebieden, waaronder de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en loopbaanontwikkeling. Zij moeten er ook voor zorgen dat het ESF+ gelijke kansen voor iedereen bevordert, zonder discriminatie, overeenkomstig artikel 10 VWEU, alsook de inclusie in de maatschappij van personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen en dat het bijdraagt tot de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. Met deze beginselen moet tijdig en op consistente wijze rekening worden gehouden in alle dimensies en in alle fasen van de voorbereiding, monitoring, uitvoering en evaluatie van de programma’s, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat er specifieke acties worden ondernomen ter bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen. Het ESF+ moet ook de overgang van residentiële/institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband bevorderen, in het bijzonder voor degenen die te maken hebben met meervoudige discriminatie. Het ESF mag geen actie ondersteunen die bijdraagt tot segregatie of sociale uitsluiting. Verordening (EU) nr. [toekomstige GB-verordening] bepaalt dat de regels betreffende subsidiabiliteit van de uitgaven op nationaal niveau moeten worden vastgesteld, met bepaalde uitzonderingen, waarvoor in specifieke bepalingen ten aanzien van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer moet worden voorzien.

Motivering

Er moet worden beklemtoond dat de lokale en regionale overheden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 21

Overweging 30

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(30)

Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening moeten de nationale verantwoordelijken voor de gegevensverwerking hun taken in het kader van deze verordening uitvoeren in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad.

(30)

Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening moeten de nationale en regionale verantwoordelijken voor de gegevensverwerking hun taken in het kader van deze verordening uitvoeren in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad. Bovendien moeten de lidstaten en regio’s de toegang tot dergelijke gegevens waarborgen via passende kanalen, zodat de termijnen voor het doorgeven van de vastgestelde indicatoren kunnen worden nageleefd.

Wijzigingsvoorstel 22

Overweging 31

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(31)

Via sociale experimenten, een kleinschalig project, kan informatie worden verzameld over de haalbaarheid van sociale innovatie. Het moet mogelijk zijn met haalbare ideeën op ruimere schaal of in andere contexten door te gaan met financiële ondersteuning van het ESF+ en andere bronnen.

(31)

Via sociale experimenten, een kleinschalig project, kan informatie worden verzameld over de haalbaarheid van sociale innovatie. Het moet mogelijk zijn om in verschillende regio’s of lidstaten de kwaliteit van haalbare ideeën op ruimere schaal of in andere contexten te evalueren en daarmee door te gaan, met financiële ondersteuning van het ESF+ , eventueel in combinatie met andere bronnen.

Motivering

Om te helpen haalbare ideeën door te geven mag de transnationale samenwerking zich niet beperken tot innovaties die door de lidstaten werden verbeterd, maar moeten proefprojecten met beproefde innovaties ook op stedelijk niveau worden uitgevoerd.

Wijzigingsvoorstel 23

Nieuwe overweging na overweging 31

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

(31a)

Onder de reikwijdte van het ESF+ vallen grensoverschrijdende partnerschappen tussen regionale overheidsdiensten voor arbeidsvoorziening en sociale partners en hun activiteiten om vrijwillige en eerlijke mobiliteit te bevorderen, alsmede de transparantie en de integratie van grensoverschrijdende arbeidsmarkten via informatie, advies en plaatsing. In veel grensregio’s spelen deze partnerschappen een belangrijke rol bij de totstandbrenging van een echte Europese arbeidsmarkt.

Wijzigingsvoorstel 24

Overweging 32

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(32)

In het ESF+ zijn bepalingen vastgelegd om het vrije verkeer van werknemers op niet-discriminerende wijze te verwezenlijken door een nauwe samenwerking tussen de centrale diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten onderling en met de Commissie tot stand te brengen. Het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening moet een betere werking van de arbeidsmarkten bevorderen door grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers gemakkelijker te maken en de informatie op de arbeidsmarkten transparanter te maken. Het toepassingsgebied van het ESF+ omvat ook de ontwikkeling en ondersteuning van gerichte mobiliteitsregelingen zodat vacatures kunnen worden vervuld waar tekortkomingen op de arbeidsmarkt zijn geïdentificeerd.

(32)

In het ESF+ zijn bepalingen vastgelegd om het vrije verkeer van werknemers op niet-discriminerende wijze te verwezenlijken door een nauwe samenwerking tussen de centrale en regionale diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten onderling en met de Commissie tot stand te brengen. Het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening moet een betere werking van de arbeidsmarkten bevorderen door grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers gemakkelijker te maken en de informatie op de arbeidsmarkten transparanter te maken. Het toepassingsgebied van het ESF+ omvat ook de ontwikkeling en ondersteuning van gerichte mobiliteitsregelingen zodat vacatures kunnen worden vervuld waar tekortkomingen op de arbeidsmarkt zijn geïdentificeerd.

Motivering

Er moet worden beklemtoond dat de lokale en regionale overheden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 25

Overweging 36

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(36)

Mensen langer gezond en actief houden en hen in staat stellen een actieve rol te spelen bij de zorg voor de eigen gezondheid, zal positieve effecten hebben op de volksgezondheid, op de ongelijkheid op gezondheidsgebied, op de levenskwaliteit, de productiviteit, het concurrentievermogen en de inclusiviteit, en zal de druk op de nationale begrotingen doen afnemen. De Commissie is vastbesloten de lidstaten te helpen om hun duurzameontwikkelingsdoelstellingen (sustainable development goals — SDG’s) te behalen, in het bijzonder SDG 3 „Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd”.

(36)

Mensen langer gezond en actief houden en hen in staat stellen een actieve rol te spelen bij de zorg voor de eigen gezondheid, zal positieve effecten hebben , met name op de ongelijkheid in termen van toegang tot gezondheidszorg, met inbegrip van preventieve zorg, op de levenskwaliteit, de productiviteit, het concurrentievermogen en de inclusiviteit, en zal de druk op de nationale begrotingen doen afnemen. De Commissie is vastbesloten de lidstaten en de regio’s te helpen om hun duurzameontwikkelingsdoelstellingen (sustainable development goals — SDG’s) te behalen, in het bijzonder SDG 3 „Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd”.

Wijzigingsvoorstel 26

Overweging 46

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(46)

Deze verordening weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, en zal ertoe bijdragen dat klimaatactie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat het algemene streefcijfer van 25 % van de EU-begrotingsuitgaven voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen wordt gehaald. Relevante acties zullen in kaart worden gebracht tijdens de voorbereiding en uitvoering, en opnieuw worden beoordeeld in het kader van de tussentijdse evaluatie ervan.

(46)

Deze verordening weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, en zal ertoe bijdragen dat klimaatactie met het oog op een maatschappelijk aanvaardbare en rechtvaardige overgang naar een duurzame koolstofarme economie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat het algemene streefcijfer voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen hoger kan liggen dan 30 % van de EU-begrotingsuitgaven. Relevante acties zullen in kaart worden gebracht tijdens de voorbereiding en uitvoering, en opnieuw worden beoordeeld in het kader van de tussentijdse evaluatie ervan.

Motivering

Samenhang met het advies 2389/2018 over het Pakket meerjarig financieel kader 2021-2027.

Wijzigingsvoorstel 27

Artikel 2, lid 1, punt 3)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(3)

„fundamentele materiële bijstand”: goederen om aan iemands basisbehoeften voor een waardig leven te voldoen, zoals kleding, toiletartikelen en schoolgerief;

(3)

„fundamentele materiële bijstand”: goederen om aan iemands basisbehoeften voor een waardig leven te voldoen, zoals kleding, toiletartikelen en schoolgerief , adequate voeding, fatsoenlijke huisvesting en gezondheidszorg ;

Wijzigingsvoorstel 28

Artikel 2, lid 1

Na punt 7) een nieuw punt invoegen:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

„grensoverschrijdende partnerschappen” op het gebied van werkgelegenheid en sociale innovatie: structuren voor samenwerking tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening en sociale partners in grensgebieden van ten minste twee landen;

Wijzigingsvoorstel 29

Artikel 2, lid 1, punt 10)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

10)

„juridische entiteit”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben;

10)

„juridische entiteit”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben;

Motivering

Geldt alleen voor het Spaans. Voorgesteld wordt in het Spaans „juridische entiteit” te vervangen door „rechtspersoon” omdat het tegenstrijdig lijkt met de term „juridische entiteit” te verwijzen naar een natuurlijke persoon.

Wijzigingsvoorstel 30

Artikel 2, lid 1, punt 16)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(16)

„sociale innovatie”: activiteiten waarvan zowel de doelstellingen als de middelen sociaal zijn, en met name die activiteiten die verband houden met de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe ideeën (met betrekking tot producten, diensten en modellen) die in sociale behoeften voorzien en tegelijk nieuwe sociale betrekkingen of samenwerkingsverbanden creëren en zo de samenleving ten goede komen en haar handelingscapaciteit vergroten;

(16)

„sociale innovatie”: collectieve activiteiten waarvan zowel de doelstellingen als de middelen sociaal zijn, en met name die activiteiten die verband houden met de ontwikkeling , het testen, de validering , de uitvoering en opschaling van nieuwe (combinaties van) producten, diensten, modellen of praktijken die in sociale behoeften voorzien en maatschappelijke problemen aanpakken , en tegelijk nieuwe sociale betrekkingen of samenwerkingsverbanden tussen organisaties uit de openbare, de particuliere en de derde sector creëren en zo de maatschappelijke organisaties meer verantwoordelijkheid geven en hun handelingscapaciteit vergroten;

Wijzigingsvoorstel 31

Artikel 2, lid 1, punt 17)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(17)

„sociale experimenten”: beleidsmaatregelen die innovatieve oplossingen voor sociale behoeften aandragen en op kleine schaal worden uitgevoerd onder omstandigheden die het mogelijk maken de effecten ervan te meten, alvorens ze — wanneer de resultaten overtuigend zijn  — onder andere omstandigheden of op grotere schaal worden uitgevoerd;

(17)

„sociale experimenten”: testen en opmaken van een vergelijkende evaluatie van innovatieve oplossingen voor sociale behoeften, uitgevoerd op kleine schaal onder omstandigheden die het mogelijk maken de effecten ervan te meten, alvorens ze — wanneer uit de resultaten blijkt dat zij beter zijn dan de bestaande oplossingen  — onder andere geografische of sectorale omstandigheden of op grotere schaal worden uitgevoerd;

Wijzigingsvoorstel 32

Artikel 3, eerste alinea

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het ESF+ beoogt — in overeenstemming met de beginselen van de op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie afgekondigde Europese pijler van sociale rechten — de lidstaten te steunen met het oog op hoge werkgelegenheidsniveaus, een billijke sociale bescherming en een geschoolde en veerkrachtige beroepsbevolking voor de toekomstige arbeidswereld.

Het ESF+ beoogt — in overeenstemming met de beginselen van het cohesiebeleid om de verschillen terug te dringen en de economische, sociale en territoriale samenhang te vergroten, conform artikel 174 VWEU, alsook met de beginselen van de op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie afgekondigde Europese pijler van sociale rechten en met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling  — de diverse lokale, regionale en centrale bestuursniveaus van de lidstaten te steunen met het oog op hoge werkgelegenheidsniveaus, een billijke sociale bescherming en een geschoolde en veerkrachtige beroepsbevolking voor de toekomstige arbeidswereld ; daarbij moet rekening worden gehouden met de noodzaak om geïntegreerde maatregelen te ontwikkelen die zijn afgestemd op de specifieke subnationale situaties.

Motivering

Er moet worden beklemtoond dat de lokale en regionale overheden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 33

Artikel 3, tweede alinea

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het ESF+ verleent steun en meerwaarde aan de beleidsmaatregelen van de lidstaten en het vult die maatregelen aan met het oog op gelijke kansen, toegang tot de arbeidsmarkt, billijke arbeidsvoorwaarden, sociale bescherming en inclusie, en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid.

Het ESF+ verleent steun en meerwaarde aan de beleidsmaatregelen van de lidstaten en hun subnationale overheden en het vult die maatregelen aan met het oog op gelijke kansen, toegang tot de arbeidsmarkt, billijke arbeidsvoorwaarden, sociale bescherming en inclusie, en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid.

Motivering

Er moet worden beklemtoond dat de lokale en regionale overheden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 34

Artikel 4, lid 1, onder i)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

i)

de toegang van alle werkzoekenden — en vooral van jongeren en langdurig werklozen — en inactieven tot werk verbeteren en zelfstandig ondernemerschap en de sociale economie bevorderen;

i)

de toegang van alle werkzoekenden — en vooral van jongeren en langdurig werklozen, inactieven en mensen met een handicap  — tot werk verbeteren en zelfstandig ondernemerschap en werkgelegenheid in bedrijven en in organisaties van de sociale economie bevorderen en grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit ondersteunen ;

Motivering

Er moet uitdrukkelijk worden verwezen naar mensen met een handicap alsook naar de bevordering van grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit; deze kwesties zijn immers van groot belang voor een Europa met een sterkere economische, sociale en territoriale samenhang. Bevordering van de werkgelegenheid moet betrekking hebben op alle economische actoren.

Wijzigingsvoorstel 35

Artikel 4, lid 1, onder ii)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

ii)

de arbeidsmarktinstellingen en -diensten moderniseren om behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen en om tijdige en op maat gesneden bijstand en steun te verlenen met het oog op een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en ter bevordering van overgangen en mobiliteit op de arbeidsmarkt;

ii)

de arbeidsmarktinstellingen en -diensten moderniseren om behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen en om tijdige en op maat gesneden bijstand en steun te verlenen met het oog op een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en ter bevordering van overgangen en mobiliteit op de arbeidsmarkt , en om de kwaliteit van werk in alle opzichten te verbeteren;

Motivering

Er moet uitdrukkelijk worden verwezen naar de verbetering van de kwaliteit van werk in alle opzichten, gezien het belang hiervan voor de totstandbrenging van een inclusiever Europa met een sterkere economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 36

Artikel 4, lid 1, onder iv)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

iv)

de kwaliteit, de doeltreffendheid en de relevantie voor de arbeidsmarkt van de onderwijs- en opleidingsstelsels verbeteren om de verwerving van sleutelcompetenties — onder meer digitale vaardigheden — te bevorderen;

iv)

de kwaliteit, de doeltreffendheid en de relevantie voor de arbeidsmarkt van de onderwijs- en opleidingsstelsels en het hoger onderwijs verbeteren om de verwerving van sleutelcompetenties — onder meer digitale vaardigheden — te bevorderen;

Motivering

Het moet mogelijk blijven om onderwijsmogelijkheden te verbeteren teneinde het innovatievermogen van een regio te vergroten en via kwalificaties betere wetenschappelijke en economische beroepsmogelijkheden te creëren. Ondersteuning van het hoger onderwijs is daartoe van groot belang.

Wijzigingsvoorstel 37

Artikel 4, lid 1, onder v)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

v)

de gelijke toegang tot en de voltooiing van kwaliteitsvolle en inclusieve educatie en opleiding — vooral voor kansarme groepen — bevorderen vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding, onder meer door de leermobiliteit voor iedereen te vergemakkelijken;

v)

de gelijke toegang tot en de voltooiing van kwaliteitsvolle en inclusieve educatie en opleiding — vooral voor kansarme groepen — bevorderen vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding en het hoger onderwijs, onder meer door de leermobiliteit voor iedereen te vergemakkelijken;

Motivering

Het moet mogelijk blijven om onderwijsmogelijkheden te verbeteren teneinde het innovatievermogen van een regio te vergroten en via kwalificaties betere wetenschappelijke en economische beroepsmogelijkheden te creëren. Ondersteuning van het hoger onderwijs is daartoe van groot belang.

Wijzigingsvoorstel 38

Na artikel 4, lid 1, onder xi) een nieuw punt invoegen

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

xii)

versterking van de institutionele capaciteit van de autoriteiten en belanghebbenden en bijdragen tot een efficiënt openbaar bestuur.

Motivering

Het doel is om thematische doelstelling 11 van de huidige ESIF-programmeringsperiode ook na 2020 te handhaven, aangezien de versterking van de institutionele capaciteit en van de lokale overheden vertraging heeft opgelopen.

Wijzigingsvoorstel 39

Artikel 4, lid 2, punt 1)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.

een slimmer Europa via de ontwikkeling van vaardigheden voor slimme specialisatie, vaardigheden voor sleuteltechnologieën, de industriële overgang, sectorale samenwerking rond vaardigheden en ondernemerschap, de opleiding van onderzoekers, networking en partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs, instellingen voor school- en beroepsopleiding, technologische en onderzoekscentra, bedrijven en clusters, steun voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en de sociale economie;

1.

een slimmer Europa via de ontwikkeling van vaardigheden voor slimme specialisatie, vaardigheden voor sleuteltechnologieën, de industriële overgang, sectorale samenwerking rond vaardigheden en ondernemerschap, de opleiding van onderzoekers en opleiders , networking en partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs, instellingen voor school- en beroepsopleiding, technologische en onderzoekscentra, bedrijven en clusters, steun voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en de sociale economie;

Motivering

Opleiding van werklozen is sterk gericht op het vinden van een baan; gespecialiseerde opleiders zijn dan ook nodig om succes te boeken.

Wijzigingsvoorstel 40

Artikel 5, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   Het deel van de financiële middelen voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer in het kader van de doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid bedraagt 100 000 000 000  EUR in lopende prijzen of 88 646 194 590  EUR in prijzen van 2018, waarvan 200 000 000  EUR in lopende prijzen of 175 000 000  EUR in prijzen van 2018 wordt toegewezen voor de in artikel 23, onder i), bedoelde transnationale samenwerking ter ondersteuning van innovatieve oplossingen en 400 000 000  EUR in lopende prijzen of 376 928 934  EUR in prijzen van 2018 als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio’s van NUTS-niveau 2 die voldoen aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994.

2.   Het deel van de financiële middelen voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer in het kader van de doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid bedraagt 100 000 000 000  EUR in lopende prijzen of 88 646 194 590  EUR in prijzen van 2018, waarvan 200 000 000  EUR in lopende prijzen of 175 000 000  EUR in prijzen van 2018 wordt toegewezen voor de in artikel 23, onder i), bedoelde transnationale samenwerking ter ondersteuning van innovatieve oplossingen. Met het oog op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang moet bij de verdeling van de financiële middelen bijzondere aandacht uitgaan naar de minst ontwikkelde regio’s alsook naar de regio’s als bedoeld in artikel 174, derde alinea, VWEU. Daarnaast wordt 400 000 000  EUR in lopende prijzen of 376 928 934  EUR in prijzen van 2018 als aanvullende financiering gebruikt voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio’s van NUTS-niveau 2 die voldoen aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994.

Motivering

Het ESF+ levert een bijdrage aan de maatregelen van de Unie ter versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang overeenkomstig artikel 174 VWEU; bij de verdeling van de financiële middelen moet dan ook in het bijzonder aandacht worden besteed aan de minst ontwikkelde regio’s, alsook aan de in artikel 174, derde alinea VWEU vermelde regio’s, dit met het oog op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 41

Artikel 5, lid 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

5.   De in de leden 3 en 4 bedoelde bedragen kunnen ook worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van de programma’s, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen.

5.   De in de leden 2, 3 en 4 bedoelde bedragen kunnen ook worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van de programma’s, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen informatietechnologiesystemen.

Motivering

Ook het in lid 2 bedoelde bedrag, waarbij het gaat om middelen onder gedeeld beheer, moet kunnen worden gebruikt voor technische bijstand.

Wijzigingsvoorstel 42

Artikel 7, lid 1, eerste alinea

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.    De lidstaten gebruiken de ESF+-middelen onder gedeeld beheer vooral voor maatregelen met betrekking tot de uitdagingen die zijn vastgesteld in hun nationale hervormingsprogramma’s, het Europees Semester en de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen , en ze houden rekening met de in de Europese pijler van sociale rechten vastgestelde beginselen en rechten .

1.    Rekening houdend met de specifieke kenmerken van de verschillende regio’s gebruiken de regionale en nationale beheersautoriteiten van de lidstaten een passend bedrag van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor maatregelen die de economische, sociale en territoriale samenhang en de in de Europese pijler van sociale rechten vastgelegde rechten bevorderen en die betrekking hebben op de uitdagingen die zijn vastgesteld in hun nationale hervormingsprogramma’s, het Europees Semester en de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen landenverslagen en landspecifieke sociale aanbevelingen alsook in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs en de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling . De lidstaten kunnen begunstigde alleen aanvullende verplichtingen opleggen wanneer deze zijn gerechtvaardigd voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het ESF+ en de uitvoering ervan.

Motivering

Er moet worden beklemtoond dat de lokale en regionale overheden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 43

Artikel 7, lid 1, tweede alinea

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Zowel tijdens de planning als de uitvoering bevorderen de lidstaten en — in voorkomend geval — de Commissie synergieën en zorgen ze voor coördinatie, complementariteit en samenhang tussen het ESF+ en andere fondsen, programma’s en instrumenten van de Unie, zoals Erasmus, het Fonds voor asiel en migratie en het steunprogramma voor hervormingen — met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De lidstaten en — in voorkomend geval — de Commissie optimaliseren de coördinatiemechanismen om dubbel werk te voorkomen en zorgen voor nauwe samenwerking tussen de voor de uitvoering verantwoordelijken met het oog op coherente en gestroomlijnde steunmaatregelen.

Zowel tijdens de planning als de uitvoering bevorderen de regionale en nationale beheersautoriteiten van de lidstaten en — in voorkomend geval — de Commissie synergieën en zorgen ze voor coördinatie, complementariteit en samenhang tussen het ESF+ en andere fondsen, met name het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Cohesiefonds en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, alsook programma’s en instrumenten van de Unie, zoals Erasmus, het Fonds voor asiel en migratie en het steunprogramma voor hervormingen , zonder de doelstellingen van de artikelen 3 en 4 van de strategie voor duurzame ontwikkeling uit het oog te verliezen. De lidstaten en — in voorkomend geval — de Commissie optimaliseren de coördinatiemechanismen om dubbel werk te voorkomen en zorgen voor nauwe samenwerking tussen de voor de uitvoering verantwoordelijken met het oog op coherente en gestroomlijnde steunmaatregelen.

Motivering

Er moet worden beklemtoond dat de lokale en regionale overheden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische, sociale en territoriale samenhang. De verwijzing naar coördinatie met de twee nieuwe instrumenten, het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning, lijkt dan weer overbodig. Wel moet worden toegezien op coördinatie met het EFSI en de andere in de tekst van het artikel vermelde fondsen, rekening houdend met de voornaamste doelstelling van het ESF+. Ook dient uitdrukkelijk te worden verwezen naar de strategie voor duurzame ontwikkeling.

Wijzigingsvoorstel 44

Artikel 7, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   De lidstaten wijzen een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe om de uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester binnen de werkingssfeer van het ESF+, zoals vastgesteld in artikel 4.

2.   De lidstaten wijzen in overleg met de regio’s en rekening houdend met de vraag welk niveau bevoegd is voor het beheer van de verschillende beleidsmaatregelen en de benodigde financiële middelen, een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe om de uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen , rekening houdend met de specifieke regionale kenmerken, en in het Europees Semester binnen de werkingssfeer van het ESF+, zoals vastgesteld in artikel 4; ook dient hierbij rekening te worden gehouden met de in de Europese pijler van sociale rechten vastgelegde beginselen en rechten en met de doelstelling van economische, sociale en territoriale samenhang.

Motivering

Om aan deze vereisten te voldoen moet er in de Europese Unie een grotere economische en sociale samenhang tot stand worden gebracht; bij de toewijzing van de bedragen moet dan ook worden gekeken naar de beheerscapaciteit en de bevoegdheden van de regionale en lokale overheden, en dit in het licht van de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd.

Wijzigingsvoorstel 45

Artikel 7, lid 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

5.   lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2019 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt, wijzen ten minste 10 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de periode 2021-2025 toe voor gerichte acties en structurele hervormingen om de jeugdwerkgelegenheid, de overgang van school naar werk, trajecten om jongeren opnieuw in onderwijs of opleiding te integreren en tweedekansonderwijs te ondersteunen, met name in het kader van de uitvoering van jongerengarantieregelingen.

5.   lidstaten met regio’s waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2019 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt, wijzen ten minste 15 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de periode 2021-2025 toe voor gerichte acties en structurele hervormingen om de jeugdwerkgelegenheid, de overgang van school naar werk, trajecten om jongeren opnieuw in onderwijs of opleiding te integreren en tweedekansonderwijs te ondersteunen, met name in het kader van de uitvoering van jongerengarantieregelingen op lokaal en regionaal niveau .

Bij de tussentijdse programmering van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor 2026 en 2027 overeenkomstig artikel [14] van [de toekomstige GB-verordening] wijzen lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2024 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt, ten minste 10 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de jaren 2026 en 2027 voor deze acties toe.

Bij de tussentijdse programmering van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor 2026 en 2027 overeenkomstig artikel [14] van [de toekomstige GB-verordening] wijzen lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2024 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt, ten minste 10 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de jaren 2026 en 2027 voor deze acties toe.

Ultraperifere gebieden die aan de voorwaarden van de eerste en tweede alinea voldoen, wijzen ten minste 15 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer in hun programma’s toe voor de in de eerste alinea vastgestelde gerichte acties. Met deze toewijzing wordt rekening gehouden bij de verificatie van de naleving van het in de eerste en tweede alinea vastgestelde minimumpercentage op nationaal niveau.

Ultraperifere gebieden die aan de voorwaarden van de eerste en tweede alinea voldoen, wijzen ten minste 15 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer in hun programma’s toe voor de in de eerste alinea vastgestelde gerichte acties. Met deze toewijzing wordt rekening gehouden bij de verificatie van de naleving van het in de eerste en tweede alinea vastgestelde minimumpercentage op nationaal niveau.

Bij de uitvoering van dergelijke acties geven de lidstaten voorrang aan inactieve en langdurig werkloze jongeren en zorgen ze voor gerichte outreachmaatregelen.

Bij de uitvoering van dergelijke acties geven de lidstaten voorrang aan inactieve en langdurig werkloze jongeren en zorgen ze voor gerichte outreachmaatregelen. lidstaten wijzen een adequate hoeveelheid van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor de uitvoering van de Europese kindergarantie, teneinde te zorgen voor gelijke toegang van kinderen tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en adequate voeding.

Motivering

Diverse lidstaten worden getroffen door de hoge jeugdwerkloosheid en inactiviteit onder jongeren, hoewel de percentages op regionaal niveau binnen eenzelfde staat sterk kunnen verschillen. In de berekeningen moet dan ook worden gekeken naar de uiteenlopende regionale situaties, en er moet voor worden gezorgd dat de middelen worden toegewezen aan deze kwetsbare gebieden. Bevordering van werkgelegenheid voor jongeren moet een van de belangrijkste uitdagingen zijn die door het ESF+ worden aangepakt, met name in landen met regio’s waar de werkloosheidscijfers hoger zijn dan gemiddeld, en er moet voor worden gezorgd dat deze steun voldoende is door middel van een toewijzing van ten minste 15 %.

Wijzigingsvoorstel 46

Artikel 8, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.    Elke lidstaat zorgt ervoor dat sociale partners en maatschappelijke organisaties naar behoren worden betrokken bij beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie die door het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer worden ondersteund.

1.    De regionale en nationale beheersautoriteiten van de lidstaten zorgen ervoor dat sociale partners en maatschappelijke organisaties naar behoren worden betrokken bij beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie die door het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer worden ondersteund , conform de gedragscode voor partnerschap en multilevel governance.

Motivering

Er moet worden beklemtoond dat de lokale en regionale overheden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische, sociale en territoriale samenhang.

Wijzigingsvoorstel 47

Artikel 11

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De acties om de in artikel 7, lid 2, bedoelde uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in relevante landenspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester, worden in het kader van een of meer specifieke prioriteiten geprogrammeerd.

De acties om de in artikel 7, lid 2, bedoelde uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in relevante landenspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester, worden in het kader van een of meer prioriteiten geprogrammeerd. Op het niveau van de beheersautoriteit moet voldoende flexibiliteit worden verzekerd, zodat bij het in kaart brengen van de prioriteiten en gebieden voor ESF+-investeringen rekening wordt gehouden met de specifieke lokale en regionale problemen.

Motivering

Acties in verband met landenspecifieke aanbevelingen (met betrekking tot diverse thematische gebieden en in het kader van diverse specifieke doelstellingen) mogen niet in het kader van een of meer specifieke prioriteiten worden opgenomen. Acties in verband met landenspecifieke aanbevelingen moeten deel uitmaken van één of meer prioriteiten, in overeenstemming met het desbetreffende thematische gebied.

Wijzigingsvoorstel 48

Artikel 13, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De lidstaten verlenen steun aan sociale innovatie en sociale experimenten of versterken bottom-up benaderingen op basis van partnerschappen tussen de overheid, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld, zoals de lokale actiegroepen die door de gemeenschap geleide, plaatselijke ontwikkelingsstrategieën ontwikkelen en uitvoeren.

1.   De lidstaten verlenen steun aan sociale innovatie en sociale experimenten en/ of versterken bottom-up benaderingen op basis van partnerschappen tussen de lokale, regionale en nationale overheden , de particuliere sector , de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, zoals de lokale actiegroepen die door de gemeenschap geleide, plaatselijke ontwikkelingsstrategieën ontwikkelen en uitvoeren.

Motivering

De groepen voor plattelandsontwikkeling en de strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling moeten in de context van het ESF+ worden gezien als een algemeen instrument om de territoriale benadering te versterken. Zij moeten dan ook een nieuwe rol gaan spelen als instrument voor innovatieve acties.

Wijzigingsvoorstel 49

Artikel 13, lid 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

4.   Elke lidstaat wijdt ten minste één prioriteit aan de uitvoering van de leden 1 of 2 of aan beide. Het maximale medefinancieringspercentage voor deze prioriteiten kan tot 95 % worden verhoogd voor de toewijzing van maximaal 5 % van de nationale ESF+-toewijzing onder gedeeld beheer aan deze prioriteiten.

4.   Elke lidstaat wijdt ten minste één prioriteit aan de uitvoering van de leden 1 of 2 of aan beide. Het maximale medefinancieringspercentage voor deze prioriteiten kan tot 95 % worden verhoogd voor de toewijzing van maximaal 5 % van de nationale ESF+-toewijzing onder gedeeld beheer aan deze prioriteiten. Een minimumbedrag van de nationale ESF+-toewijzing onder gedeeld beheer moet worden bestemd voor de ondersteuning van sociale experimenten en sociale innovatie. De auditvoorschriften voor dergelijke acties moeten voldoende flexibel zijn, zodat het mogelijk wordt risico’s te nemen en creativiteit de ruimte krijgt. Transnationale samenwerking moet worden ondersteund zodat in een andere context beproefde innovaties op lokaal, regionaal of nationaal niveau kunnen worden overgenomen.

Motivering

Uit gegevens uit de periode 2014-2017 blijkt dat het ESF een katalysator kan zijn voor sociale innovatie op lokaal niveau, maar dat al te strikte auditregels de mogelijkheden ervan beperken. Daarnaast is het belangrijk dat de regels voldoende flexibel zijn, zodat risico’s kunnen worden genomen en onmiddellijk kan worden beslist. Om geslaagde projecten op het vlak van sociale innovatie op grotere schaal te kunnen uitvoeren mag de transnationale samenwerking zich niet beperken tot innovaties die door de lidstaten werden verbeterd, maar moeten proefprojecten met beproefde innovaties ook op stedelijk niveau worden uitgevoerd.

Wijzigingsvoorstel 50

Artikel 14, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Naast de in artikel [58] van [de toekomstige GB-verordening] bedoelde kosten zijn de volgende kosten niet subsidiabel in het kader van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer:

1.   Naast de in artikel [58] van [de toekomstige GB-verordening] bedoelde kosten zijn de volgende kosten niet subsidiabel in het kader van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer:

a)

de aankoop van grond en onroerend goed en de beschikbaarstelling van infrastructuur, en

a)

de aankoop van grond en onroerend goed en de beschikbaarstelling van infrastructuur, en

b)

de aankoop van meubilair, apparatuur en voertuigen, tenzij de aankoop voor de verwezenlijking van de doelstelling van de actie noodzakelijk is, of de items volledig zijn afgeschreven, of de aankoop van deze items de meest economische optie is.

 

Motivering

Het gaat hier om kosten die ten onrechte niet in aanmerking zouden worden genomen.

Wijzigingsvoorstel 51

Artikel 15, lid 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

5.   Wanneer gegevens in registers of gelijkwaardige bronnen beschikbaar zijn, stellen de lidstaten de beheersautoriteiten en andere instanties die belast zijn met de verzameling van gegevens die nodig zijn voor de monitoring en de evaluatie van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, in staat deze gegevens uit gegevensregisters of gelijkwaardige bronnen te verkrijgen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c) en e), van Verordening (EU) 2016/679.

5.   Wanneer gegevens in registers of gelijkwaardige bronnen beschikbaar zijn, stellen de lidstaten de beheersautoriteiten en andere instanties die belast zijn met de verzameling van gegevens die nodig zijn voor de monitoring en de evaluatie van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, in staat deze gegevens uit gegevensregisters of gelijkwaardige bronnen te verkrijgen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c) en e), van Verordening (EU) 2016/679. Bovendien moeten de lidstaten de toegang tot dergelijke gegevens waarborgen via passende kanalen, zodat de termijnen voor het doorgeven van de vastgestelde indicatoren kunnen worden nageleefd.

Motivering

De toestemming om gegevens uit administratieve registers te verkrijgen is op zich geen garantie voor de verwezenlijking van de doelstelling van artikel 15, waarin wordt bepaald dat de individuele gegevens van de deelnemers ter beschikking moeten worden gesteld, zonder dat de deelnemers zelf om die gegevens hoeft te worden gevraagd, zodat de waarden van de indicatoren die op basis van deze gegevens worden berekend kunnen worden doorgegeven binnen de gestelde termijnen. Daartoe is het van essentieel belang dat er permanent flexibele kanalen zijn voor het vergelijken van gegevens.

Wijzigingsvoorstel 52

Artikel 21, lid 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

4.   Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een model vast voor het gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

4.   Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een model vast voor het gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. De gegevens die via een enquête worden opgevraagd moeten beperkt blijven tot de variabelen die onmisbaar zijn voor de controle en evaluatie van de voortgang die met de ESF+-steun wordt geboekt in de bestrijding van materiële deprivatie.

Motivering

De uitwerking van enquêtes voor huishoudens is duur en kan een zware last betekenen voor de burgers, wat indruist tegen Verordening (EG) nr. 223/2009 betreffende de Europese statistiek, waarin het beginsel van „kosteneffectiviteit” is vastgelegd. De in de enquête op te vragen informatie moet beperkt zijn, zodat er geen variabelen worden opgenomen die niet echt nodig of onevenredig moeilijk te verkrijgen zijn, in verhouding tot de eventuele voordelen.

Wijzigingsvoorstel 53

Artikel 23, onder h)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

h)

advies verstrekken voor de ontwikkeling van de voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten benodigde sociale infrastructuur (met inbegrip van huisvesting, kinderopvang, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg en langdurige zorg);

h)

advies verstrekken voor de ontwikkeling van de voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en de verwezenlijking van de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling benodigde sociale infrastructuur (met inbegrip van huisvesting, kinderopvang, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg en langdurige zorg en strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling );

Wijzigingsvoorstel 54

Bijlage II, punt 2 — Gemeenschappelijke resultaatindicatoren

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Aantal eindontvangers die voedselhulp ontvangen

Aantal eindontvangers die voedselhulp ontvangen

Aantal kinderen van 18 jaar of jonger ;

Aantal kinderen jonger dan 18 jaar ;

Motivering

Er wordt verwezen naar de leeftijdsgroep van 0 tot 18 jaar, wat betekent dat er een overlapping is met de volgende groep: „Aantal jongeren in de leeftijdsgroep van 18-29 jaar”. 18-jarigen zouden zo onder beide groepen vallen, wat verwarrend is.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S,

Het belang van het Europees Sociaal Fonds

1.

wijst erop dat het Europees Sociaal Fonds het belangrijkste instrument is geworden om in mensen te investeren, de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen en het leven van miljoenen Europese burgers te verbeteren, en is ingenomen met de positieve resultaten van het Europees Sociaal Fons in de periode 2007-2013.

2.

Het Comité is verheugd dat de traditionele doelstellingen van het Europees Sociaal Fonds om de doeltreffendheid van de werking van de arbeidsmarkten te verbeteren, de toegang tot kwaliteitsvol werk te bevorderen en de toegang tot onderwijs en opleiding te verbeteren, worden aangevuld met nieuwe doelstellingen zoals werkgelegenheid voor jongeren, versterkte bevordering van sociale inclusie en gezondheid en terugdringing van de armoede.

3.

Het is noodzakelijk dat het Europees Sociaal Fonds zich ontpopt als een instrument dat kan zorgen voor de verdere groei van het bbp en de productiviteit en dat de toegang tot fatsoenlijk en degelijk werk aanpakt, teneinde het proces van economische en sociale convergentie in de EU, dat schade heeft geleden door de crisis en een broos economisch en sociaal herstel vertoont, te versnellen, zodat het een essentiële pijler blijft van het cohesiebeleid en de groei op de lange termijn, en gericht blijft op de verbetering van het menselijke kapitaal van de EU, de verbetering van de voorwaarden voor toegang tot en vooruitgang naar meer en betere banen en de ondersteuning van de personen en sectoren die het meest geleden hebben onder de economische crisis en die er nog steeds niet van hersteld zijn.

4.

Een goed ontwerp en een goede uitvoering van het ESF+ kunnen helpen het gunstige imago van de Europese Unie in het maatschappelijk middenveld te verbeteren, door de zichtbaarheid van de inspanningen van de Europese Unie te verbeteren op het gebied van zorg voor de meest behoeftige personen.

Cohesiebeleid

5.

Het Comité is verheugd over het verband met de Europese pijler van sociale rechten dat in het voorstel voor een verordening van het ESF+ wordt gelegd, hoewel een duidelijker verband met de doelstelling van de economische, sociale en territoriale samenhang, voor zover beide elementen elkaar aanvullen en met elkaar zijn verbonden, ontbreekt.

6.

Het is noodzakelijk dat het ESF+ in het voorstel voor een verordening wordt erkend als essentieel onderdeel van het cohesiebeleid en dat wordt voorkomen dat het een instrument van het sectoraal EU-beleid wordt.

7.

De toegevoegde waarde van het ESF+ in vergelijking met de maatregelen van de lidstaten houdt verband met de territoriale behoeften en de integratie met andere fondsen in het kader van het cohesiebeleid ten behoeve van de uitvoering van consistente en algemene initiatieven op lokaal niveau. Daarom betreurt het Comité dat het ESF+ financieel is gescheiden van het EFRO en het Cohesiefonds, in die mate dat daardoor het cohesiebeleid uiteen kan vallen in het meerjarig financieel kader na 2027, zoals onlangs het geval was met het Elfpo.

Decentralisatie, gedeeld beheer en medefinanciering

8.

Het Comité betreurt de slechte zichtbaarheid van de regionale en lokale overheden in het voorstel voor een verordening en herinnert de Commissie eraan dat die autoriteiten, gesteund door ruime ervaring, een belangrijke rol spelen in het beheer van het fonds.

9.

Het Comité verzet zich tegen de leidende rol die aan de nationale autoriteiten van de lidstaten wordt toegewezen, ten koste van de regionale en lokale autoriteiten, aangezien deze centralisatie alleen noodzakelijkerwijs kan worden afgeleid van de institutionele structuur van de betreffende lidstaat.

10.

Het is gebleken dat de decentralisatie heeft geleid tot een betere uitvoering van de plaatsgebonden benadering en een efficiëntere verdeling van de middelen. Om die reden zou in het voorstel voor een verordening uitdrukkelijk meer inspraak in het beheer van het fonds, alsook in de verdeling ervan, moeten worden vastgelegd voor de regionale en lokale autoriteiten in de lidstaten die op politiek en bestuurlijk vlak sterk gedecentraliseerd zijn, zodat de beheersstructuur voor het fonds wordt aangepast aan de organisatiestructuur van de lidstaten, met name in de meest gedecentraliseerde lidstaten.

11.

De steun die in het voorstel voor een verordening wordt gegeven aan een model voor direct beheer, hoewel voorzichtig, schept een precedent voor toekomstige kaders dat hoe dan ook beperkt moet blijven tot acties die passend zijn binnen het toepassingsgebied en in het kader van de opdracht van het ESF+.

12.

Het Comité betreurt de terugkeer van n+2 en de vermindering van het medefinancieringspercentage en de bedragen van de voorfinanciering in het voorstel van de GB-verordening zeer. In combinatie met een mogelijke vermindering van de middelen voor de noodzakelijke nationale bijdrage als gevolg van het begrotingsconsolidatiebeleid zal dat een sterke negatieve invloed hebben op het beheer van het fonds waardoor het onmogelijk wordt de vastgestelde doelen te verwezenlijken. Om die reden verzoekt het Comité om de medefinancieringspercentages voor de programmeringsperioden 2007-2013 en 2014-2020 te verhogen of ten minste te handhaven zodat de ondersteuning van de sociale inclusie en de pijler van sociale rechten niet wordt overschaduwd door een verlaging van de financiële steun van de Europese Unie. Er zijn bepaalde voorwaarden waarvan de uitvoering niet onder de bevoegdheid van de lokale en regionale autoriteiten valt. Daarom wordt voorgesteld enkel te sanctioneren indien de lokale of regionale overheden hebben deelgenomen aan de onderhandelingen over die voorwaarden en daardoor een zekere verantwoordelijkheid op zich hebben genomen.

Begroting

13.

Het Comité is zeer ingenomen met de transparantieoefening die voor het eerst is uitgevoerd door de Europese Commissie, die voor de periode 2021-2027 een exact aantal financiële middelen heeft toegewezen aan het ESF+, en met het feit dat in het voorstel van de Commissie rekening is gehouden met eerdere adviezen van het Europees Comité van de Regio’s en wordt voorgesteld om voor de toewijzing van middelen aan de lidstaten ook andere sociale indicatoren te gebruiken dan die voor het bbp. Voorts wordt de Commissie aangemoedigd om in de toekomst rekening te houden met een indicator voor de integratie van onderdanen van derde landen die meer behelst dan een eenvoudige berekening van het netto migratiesaldo.

14.

Het Comité betreurt de afschaffing van het minimum van 23,1 % van het cohesiebeleid dat naar het ESF+ moet gaan, alsook de verlaging, die uit het voorstel van de Commissie over het cohesiebeleid blijkt, in verband met het ESF+. Deze verlaging heeft niet alleen een vermindering van de totale middelen voor werkgelegenheid en sociale inclusie tot gevolg, maar houdt ook in dat de lokale en regionale overheden een kleinere rol hebben in de programmering en het beheer van het ESF+.

15.

Het Comité maakt zich zorgen over de vermindering van de financiële middelen in een voorstel waarin nieuwe aanvullende doelstellingen zijn opgenomen voor het ESF+, want daardoor worden minder middelen toegewezen, maar moeten meer doelstellingen worden verwezenlijkt.

16.

De specifieke rol van het ESF bestaat erin steun te verstrekken voor projecten die het gemakkelijker maken om het lokale en regionale, op menselijk kapitaal gebaseerde potentieel af te stemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt. Dit is de enige manier om de kosten in verband met de migratie van menselijk kapitaal en dus het waardeverlies ervan (ook als gevolg van „brain drain”) te beperken. Daarom is het belangrijk om maatregelen te ondersteunen die het onderwijsaanbod koppelen aan de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, zodat talent kan worden aangetrokken en behouden op het grondgebied en tegelijkertijd banen kunnen worden gecreëerd.

17.

De Europese Commissie wordt verzocht om bij de toewijzing van middelen aan de lidstaten de unieke kenmerken van de regio’s in beschouwing te nemen, met name in het geval van minder ontwikkelde regio’s. Ook moet rekening worden gehouden met de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden en de regio’s van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 voldoen, en van de regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, overeenkomstig het uitdrukkelijke mandaat van artikel 174 VWEU.

Vereenvoudiging

18.

De verdere vereenvoudiging die uit het voorstel blijkt, wordt toegejuicht en de Europese Commissie wordt aangemoedigd aanvullende vereenvoudigingsmaatregelen aan te nemen voor de beheersautoriteiten en voor de begunstigden in de instrumenten die bij de ontwikkeling van de verordening moeten worden goedgekeurd, want het is belangrijk dat de belastende vereisten en administratieve belemmeringen vanaf het begin van het selectieproces voor maatregelen worden afgeschaft.

19.

Het Comité is verheugd over de uitbreiding van de instrumenten met betaling per resultaat, alsook over de gezamenlijke actieplannen en de vereenvoudigde kostenopties in de GB-verordening, en is ervan overtuigd dat de lidstaten geen bijkomende regels zullen toevoegen aan de regels die zijn vastgesteld door de Europese Commissie.

20.

De formulering van de output- en resultaatindicatoren vraagt tijd en inspanning. Met het oog op het voorkomen van een zware werklast en het in gevaar brengen van de haalbaarheid en de kwaliteit van het systeem van indicatoren, moeten de gegevens daarom tweemaal per jaar, met inbegrip van de voorbereiding van het jaarlijkse overleg van de beheersautoriteiten met de Commissie, worden overgedragen en niet om de twee maanden zoals in het voorstel wordt aangegeven.

Coördinatie met andere strategieën

21.

Het Comité is zeer ingenomen met de bepalingen van het voorstel voor een verordening die bijdragen tot het consolideren van de beginselen van gendergelijkheid en van gelijke kansen, door het horizontale karakter ervan, waarmee rekening moet worden gehouden in alle fasen van de programma’s, te versterken.

22.

Het Comité is positief gestemd over de voortzetting, herstructurering en uitbreiding van de fundamentele doelstellingen van de ESF+ -interventies, maar wijst erop dat het, om de sociale inclusie en de zorg voor de meest behoeftigen mogelijk te maken, cruciaal is dat meer generieke, flexibele en open acties worden toegestaan die kunnen worden ingezet in de huidige programmeringsperiode.

23.

Het Comité is ingenomen met de openstelling van het ESF+ op het gebied van sociale innovatie, maar acht het noodzakelijk de instrumenten en mechanismen vast te stellen om de capaciteiten van de partners te versterken bij het ontwerpen, uitvoeren en beoordelen van dit soort programma’s. De Commissie moet een deel van haar inspanningen besteden aan de versterking van een netwerk ter ondersteuning van de voorlichting, opleiding en bijstand bij de planning en de uitvoering van initiatieven voor sociale innovatie, in samenwerking met het InvestEU-initiatief.

24.

Het ESF+ kan en moet actief bijdragen aan de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, aangezien het directe gevolgen heeft voor veel doelstellingen en indirecte voor bijna alle doelstellingen.

25.

Het ESF+ moet de coördinatie verbeteren en synergieën met de initiatieven tot aanpassing en verbetering van het antwoord op de uitdagingen van de digitale revolutie bevorderen.

26.

Het ESF+ moet de coördinatie verbeteren en synergieën bevorderen met initiatieven op het gebied van gezondheid, zowel wat betreft preventie als zorg.

27.

Het ESF+ moet bijdragen aan een meer egalitaire samenleving, met als prioriteit de mens centraal te stellen in het ESF+. Om die reden verwelkomt het Comité het verband tussen de doelstellingen van het ESF+ en de Europese pijler van sociale rechten. Het CvdR blijft echter bezorgd over het verband tussen het ESF+ en de landspecifieke aanbevelingen die zijn goedgekeurd in het kader van het Europees Semester. Het is in dit verband van mening dat het ESF+ rekening moet houden met het proces van de Europese economische governance, maar dat het zijn autonomie moet behouden en niet subsidiair mag zijn ten opzichte ervan. Bovendien benadrukt het CvdR de noodzaak om de investeringsprioriteiten van het ESF+ te integreren in een nieuwe langetermijnstrategie van de EU ter verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, en erkent het dat het Commissievoorstel strookt met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

28.

Volgens het Comité is het geen goede oplossing om maatregelen in verband met de uitvoering van de landenspecifieke aanbevelingen, die meestal betrekking hebben op zeer uiteenlopende thematische gebieden (gaande van onderwijs en activering tot het creëren van kinderopvangplaatsen enz.) en tegelijkertijd onder verschillende specifieke doelstellingen van de ESF-verordening vallen, kunstmatig onder een of meer specifieke prioriteiten te scharen. De meest geschikte handelswijze is ervoor te zorgen dat maatregelen in verband met de uitvoering van de landenspecifieke aanbevelingen deel uitmaken van een of meer prioriteiten overeenkomstig de relevante thematische gebieden (werkgelegenheid, onderwijs, sociale integratie). Er moet ook aandacht worden besteed aan het feit dat landenspecifieke aanbevelingen verband moeten houden met de prioriteiten van de financiële vooruitzichten voor de lange termijn.

29.

Het Comité betreurt het gebrek aan verduidelijking van het percentage dat de lidstaten via hun middelen moeten gebruiken om de uitdagingen die zijn vastgesteld in het Europees Semester voor coördinatie van het economische beleid aan te pakken, voor de nationale hervormingsprogramma’s en voor de landspecifieke aanbevelingen, en verzoekt de Europese instellingen het verband met het Europees Semester duidelijker te bepalen zonder het bestuurs- en beheersmodel van het fonds te wijzigen en, vooral, zonder de middelen te verminderen die worden beheerd door de regionale autoriteiten in sterk gedecentraliseerde lidstaten.

30.

Het Comité is positief gestemd over de opname van de sociaal-economische integratie van immigranten in het beleidsgebied sociale inclusie als onderdeel van het Europese antwoord op deze kwestie, een antwoord dat ordelijk, alomvattend en verantwoordelijk moet zijn, met eerbiediging voor de waardigheid van personen en bestand tegen elke vorm van discriminatie.

31.

Het empirisch bewijs toont aan dat de geleidelijke integratie van werkende migranten een belangrijke gelegenheid kan vormen in termen van economische dynamiek en stijging van de werkgelegenheid. Dit effect wordt bovendien nog groter als het om geschoolde migranten gaat.

32.

Bij de sociaal-economische integratie van immigranten, in het bijzonder niet-begeleide minderjarigen en jongeren, moet het belangrijke werk van de regionale en lokale overheden, met name die met buitengrenzen, worden erkend. Er moet worden gezocht naar een grotere mate van complementariteit met het Fonds voor asiel, migratie en integratie waardoor een overlapping tussen beide instrumenten wordt voorkomen en de samenhang tussen het zorg- en integratiebeleid voor immigranten en het beleid ter bevordering en integratie op de arbeidsmarkt wordt verbeterd, met ondersteuning van de meest behoeftige regio’s door middel van aanvullende specifieke middelen.

33.

Het Comité verzoekt om goedkeuring van de nodige mechanismen die ervoor zorgen dat ten minste 10 % van de middelen uit het ESF+ wordt gebruikt voor maatregelen ter ondersteuning van de werkgelegenheid voor jongeren, teneinde de doeltreffendheid en efficiëntie ervan te waarborgen en marginalisatie van de garantieregelingen voor werkgelegenheid voor jongeren in het nieuwe ESF+ te voorkomen, en dringt erop aan dat in deze maatregelen rekening wordt gehouden met de regionale en lokale verschillen die binnen eenzelfde lidstaat kunnen bestaan. Om die reden is het absoluut noodzakelijk dat de berekening van het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen en dat in 2019 boven het gemiddelde van de Unie ligt, gebeurt op basis van gegevens van Eurostat op regionaal en niet op nationaal niveau.

Brussel, 5 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/115


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds

(2019/C 86/08)

Rapporteur:

Michiel RIJSBERMAN (NL/ALDE), lid van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland

Referentiedocument:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds

COM(2018) 372 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Horizontale beginselen zoals neergelegd in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie („VEU”) en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zoals neergelegd in artikel 5 VEU, moeten worden geëerbiedigd bij de tenuitvoerlegging van het EFRO en het Cohesiefonds, met inachtneming van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van de het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. De lidstaten en de Commissie moeten gericht zijn op het opheffen van ongelijkheden en op het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de integratie van het genderperspectief, alsmede op de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan enige vorm van segregatie. De doelstellingen van de ESI-fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel „de vervuiler betaalt” wordt toegepast. Om de integriteit van de interne markt, waarvoor de ondernemingen voldoen aan de regels voor staatssteun zoals vastgelegd in de artikelen 107 en 108 VWEU.

Horizontale beginselen zoals neergelegd in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie („VEU”) en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zoals neergelegd in artikel 5 VEU, moeten worden geëerbiedigd bij de tenuitvoerlegging van het EFRO en het Cohesiefonds, met inachtneming van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de Europese pijler van sociale rechten . De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van de het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. De lidstaten en de Commissie moeten gericht zijn op het opheffen van ongelijkheden en op het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de integratie van het genderperspectief, alsmede op de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan enige vorm van segregatie. De lidstaten en de Commissie moeten erkennen dat cultuur belangrijk is voor de sociale cohesie in Europa, overeenkomstig de Universele Verklaring van de Unesco over culturele verscheidenheid, en dat cultuur en de creatieve sector een rol kunnen spelen bij het afzwakken van spanningen in de samenleving.

 

De doelstellingen van de ESI-fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling , met name in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, en ook in het kader van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel „de vervuiler betaalt” wordt toegepast. Om de integriteit van de interne markt, waarvoor de ondernemingen voldoen aan de regels voor staatssteun zoals vastgelegd in de artikelen 107 en 108 VWEU.

Motivering

n.v.t.

Wijzigingsvoorstel 2

Nieuwe overweging na overweging 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

De lidstaten zouden moeten afzien van de toevoeging van regels die het gebruik van het EFRO en het Cohesiefonds er voor de begunstigden gecompliceerder op maken.

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 14

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zullen de Fondsen bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 25 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen. Naar verwachting zal 30 % van de totale financiële middelen uit het EFRO worden besteed aan maatregelen in het kader van het EFRO voor klimaatdoelstellingen. Naar verwachting zal 37 % van de totale financiële middelen uit het Cohesiefonds worden besteed aan maatregelen in het kader van het Cohesiefonds voor klimaatdoelstellingen.

Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zullen de Fondsen bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 25 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen. Naar verwachting zal 30 % van de totale financiële middelen uit het EFRO worden besteed aan maatregelen in het kader van het EFRO voor klimaatdoelstellingen. Naar verwachting zal 37 % van de totale financiële middelen uit het Cohesiefonds worden besteed aan maatregelen in het kader van het Cohesiefonds voor klimaatdoelstellingen.

 

Deze percentages moeten gedurende de hele programmeringsperiode in acht worden genomen.

Acties ter zake zullen derhalve worden vastgesteld tijdens de voorbereiding en uitvoering van deze fondsen, en worden heroverwogen in het kader van de betrokken evaluatie- en beoordelingsprocedures. Deze acties en de voor de uitvoering ervan gereserveerde financiële middelen moeten worden opgenomen in de nationale geïntegreerde energie- en klimaatplannen overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 2018/xxx [nieuwe GB-verordening] en aan de operationele programma’s worden gehecht.

Motivering

De verwezenlijking van de doelstellingen van Parijs vormt een enorme uitdaging voor Europa. Het Comité heeft in eerdere adviezen zeer ambitieuze klimaatdoelstellingen geformuleerd en wijst erop dat het EFRO en het Cohesiefonds binnen de begroting van de EU de belangrijkste financiële instrumenten zijn om de klimaatdoelstellingen te helpen realiseren. De EU heeft zich gecommitteerd aan de doelstellingen van Parijs. Gezien de onvoorspelbaarheid die de flexibele aard van de toewijzingen aan verschillende beleidsdoelstellingen met zich meebrengt, dient in de „horizontale randvoorwaarden” van het cohesiebeleid te worden vastgelegd dat de lidstaten in hun nationale geïntegreerde energie- en klimaatplannen acties moeten opnemen om de verbintenissen die voortvloeien uit de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs na te komen. Deze acties dienen gedurende de hele programmeringsperiode nauwlettend gemonitord te worden om erop toe te zien dat de lidstaten nog steeds op de goede weg zijn wat hun bijdragen aan de klimaatdoelstellingen betreft.

Wijzigingsvoorstel 4

Nieuwe overweging na overweging 14

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Het EFRO moet zijn rechtstreekse steunverlening aan subnationale overheden versterken door te zorgen voor meer financiering en op maat gesneden instrumenten ten behoeve van territoriale ontwikkeling, om zo de tenuitvoerlegging van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties in de praktijk te bevorderen.

Motivering

In de overwegingen worden alleen de SDG’s genoemd die verband houden met het tegengaan van de klimaatverandering. Met de voorgestelde wijziging wordt gezorgd voor een betere samenhang met de conclusies van de Raad van de EU over „Een duurzame Europese toekomst: de EU-respons op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling” wat het bevorderen van de praktische implementatie van alle SDG’s betreft.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging 17

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het EFRO moet bijdragen aan het wegnemen van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie en het verminderen van de ongelijkheden tussen de ontwikkelingsniveaus van de verschillende regio’s en van de achterstand van de minst begunstigde regio’s, met inbegrip van de uitdagingen in verband met het koolstofarm maken van de energievoorziening. Steun van het EFRO in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” moet daarom worden toegespitst op de belangrijkste prioriteiten van de Unie, in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening]. Daarom moet steun uit het EFRO worden gericht op de beleidsdoelstellingen „een slimmer Europa door het bevorderen van innovatieve en slimme economische transformatie” en „een groener, koolstofarm Europa door het bevorderen van schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering en risicopreventie en -beheer”. Deze thematische concentratie van de steun moet op nationaal niveau worden verwezenlijkt en tegelijkertijd flexibiliteit toelaten op het niveau van individuele programma’s en tussen de drie groepen lidstaten volgens het respectieve bruto nationaal inkomen . Bovendien moet de werkwijze voor de classificatie van lidstaten in detail worden uiteengezet, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de ultraperifere regio’s.

Het EFRO moet bijdragen aan het wegnemen van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie en het verminderen van de ongelijkheden tussen de ontwikkelingsniveaus van de verschillende regio’s en van de achterstand van de minst begunstigde regio’s, met inbegrip van de uitdagingen in verband met het koolstofarm maken van de energievoorziening. Steun van het EFRO in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” moet daarom worden toegespitst op de belangrijkste prioriteiten van de Unie, in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening]. Daarom moet steun uit het EFRO worden gericht op de beleidsdoelstellingen „een slimmer Europa door het bevorderen van innovatieve en slimme economische transformatie” en „een groener, koolstofarm Europa door het bevorderen van schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering en risicopreventie en -beheer”. Deze thematische concentratie van de steun moet op regionaal niveau worden verwezenlijkt en tegelijkertijd flexibiliteit toelaten op het niveau van individuele programma’s en tussen de drie categorieën regio’s volgens het regionale bruto binnenlands product . Om de flexibiliteit tussen de regio’s te vergemakkelijken kunnen de lidstaten er op verzoek van de betrokken regio’s om verzoeken dat de thematische concentratie voor een combinatie van regio’s wordt berekend. Bovendien moet de werkwijze voor de classificatie van regio’s in detail worden uiteengezet, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de ultraperifere regio’s.

Motivering

Doel van dit wijzigingsvoorstel is overweging 17 in overeenstemming te brengen met wijzigingsvoorstel 7 m.b.t. artikel 3 inzake thematische concentratie.

Het voorgestelde mechanisme voor gecentraliseerde toewijzing was een punt van zorg dat door de meeste regionale belanghebbenden (CvdR, AER, CPMR, CEMR) aan de orde is gesteld. Om een voorbeeld te geven: bij thematische concentratie op nationaal niveau zouden de „overgangsregio’s” (regio’s met een bruto nationale inkomensratio gelijk aan of groter dan 75 % en kleiner dan 100 % van het EU-gemiddelde („groep 2”)) ten onrechte onder strengere regels kunnen vallen indien zij deel uitmaken van een lidstaat met een bruto nationale inkomensratio gelijk aan of groter dan 100 % van het EU-gemiddelde („groep 1”).

Aangezien dit indruist tegen de gebiedsgerichte aanpak van het cohesiebeleid en de daarmee beoogde flexibiliteit, is het voorstel contraproductief. Het CvdR stelt dan ook voor om het huidige, regionale toewijzingssysteem te handhaven, waarbij wel speelruimte wordt geboden om de thematische concentratie te reguleren op basis van de capaciteiten en behoeften van regio’s.

Wijzigingsvoorstel 6

Overweging 18

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Teneinde de steun te concentreren op de belangrijkste prioriteiten van de Unie, is het ook passend dat de vereisten van thematische concentratie worden nageleefd tijdens de programmeringsperiode, met inbegrip van overdracht tussen zwaartepunten van een programma of tussen de programma’s onderling.

Teneinde de steun te concentreren op de belangrijkste prioriteiten van de Unie en in overeenstemming met de in artikel 174 aangegeven doelstellingen van sociale, economische sociale en territoriale samenhang is het ook passend dat de vereisten van thematische concentratie worden nageleefd tijdens de programmeringsperiode, met inbegrip van overdracht tussen zwaartepunten van een programma of tussen de programma’s onderling.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   In overeenstemming met de beleidsdoelstellingen die zijn vastgesteld in artikel [4, punt 1,] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuw GVB] ondersteunt het EFRO de volgende specifieke doelstellingen:

1.   In overeenstemming met de beleidsdoelstellingen die zijn vastgesteld in artikel [4, punt 1,] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuw GVB] ondersteunt het EFRO de volgende specifieke doelstellingen:

a)

„een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie” („BD 1”) door:

a)

„een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie” („BD 1”) door:

 

i)

het versterken van de onderzoeks- en innovatiecapaciteit en de invoering van geavanceerde technologieën;

 

i)

het versterken van de onderzoeks- en innovatiecapaciteit en de invoering van geavanceerde technologieën;

 

ii)

te profiteren van de voordelen van digitalisering voor burgers, bedrijven en overheden;

 

ii)

te profiteren van de voordelen van digitalisering voor burgers, bedrijven en overheden;

 

iii)

het versterken van de groei en het concurrentievermogen van het kmo’s;

 

iii)

het versterken van de groei en het concurrentievermogen van het kmo’s;

 

iv)

het ontwikkelen van vaardigheden voor slimme specialisatie, industriële overgang en ondernemerschap;

 

iv)

het ontwikkelen van vaardigheden en ondersteunende activiteiten voor slimme specialisatie, industriële overgang en ondernemerschap;

b)

„een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer” („BD 2”) door:

b)

„een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie en duurzame stedelijke mobiliteit , groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer” („BD 2”) door:

 

i)

het bevorderen van maatregelen voor energie-efficiëntie;

 

i)

het bevorderen van maatregelen voor energie-efficiëntie , waarbij erop gelet dient te worden dat de energiearmoede niet mag toenemen ;

 

ii)

het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen;

 

ii)

het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen;

 

iii)

het ontwikkelen van slimme energiesystemen, netwerken en opslag op lokaal niveau;

 

iii)

het ontwikkelen van slimme energiesystemen, netwerken en opslag op lokaal niveau;

 

iv)

het bevorderen van de aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en rampenbestendigheid ;

 

iv)

het bevorderen van de aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie , waaronder de preventie van aardbevingsrisico’s, en het bevorderen van bestendigheid tegen rampen en extreme weersomstandigheden ;

 

v)

het bevorderen van duurzaam waterbeheer;

 

v)

het bevorderen van duurzaam waterbeheer;

 

vi)

het bevorderen van de overgang naar een circulaire economie;

 

vi)

het bevorderen van de overgang naar een circulaire economie;

 

vii)

het bevorderen van biodiversiteit, groene infrastructuur in de stedelijke omgeving en vermindering van verontreiniging;

 

vii)

het bevorderen van biodiversiteit, groene infrastructuur in de stedelijke en landelijke omgeving en vermindering van verontreiniging;

 

 

viii)

het bevorderen van duurzame stedelijke mobiliteit;

c)

„een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit” („BD 3”) door:

c)

„een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit” („BD 3”) door:

 

i)

het verbeteren van de digitale connectiviteit;

 

i)

het verbeteren van de digitale connectiviteit;

 

ii)

het ontwikkelen van een duurzame, klimaatbestendige, intelligente, veilige en intermodale TEN-V;

 

ii)

het ontwikkelen van een duurzame, klimaatbestendige, intelligente, veilige en intermodale TEN-V;

 

iii)

het ontwikkelen van duurzame, klimaatbestendige, intelligente en intermodale nationale, regionale en lokale mobiliteit, met inbegrip van een verbeterde toegang tot TEN-V en grensoverschrijdende mobiliteit;

 

iii)

het ontwikkelen van duurzame, klimaatbestendige, intelligente en intermodale nationale, regionale en lokale mobiliteit, met inbegrip van fietsen en een verbeterde toegang tot TEN-V en grensoverschrijdende mobiliteit;

 

iv)

het bevorderen van duurzame multimodale stedelijke mobiliteit;

 

d)

„een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten” („BD 4”) door:

d)

„een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten” („BD 4”) door:

 

i)

het verbeteren van de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten en de toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid door de ontwikkeling van sociale innovatie infrastructuur;

 

i)

het verbeteren van de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten en de toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid door de ontwikkeling van sociale innovatie infrastructuur;

 

ii)

verbetering van de toegang tot inclusieve en hoogwaardige diensten op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren door de ontwikkeling van infrastructuur;

 

ii)

verbetering van de toegang tot inclusieve en hoogwaardige diensten op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren door de ontwikkeling van infrastructuur;

 

iii)

het bespoedigen van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, migranten en achtergestelde groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten;

 

iii)

het bespoedigen van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, migranten en achtergestelde groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten;

 

iv)

te zorgen voor gelijke toegang tot gezondheidszorg door de ontwikkeling van infrastructuur, met inbegrip van eerstelijnszorg;

 

iv)

te zorgen voor gelijke toegang tot gezondheidszorg door de ontwikkeling van gezondheidszorgvoorzieningen en infrastructuur, met inbegrip van eerstelijnszorg;

 

 

v)

het verstrekken van steun voor fysieke, economische en sociale wederopbouw van minder bevoorrechte, met demografische en geografische uitdagingen kampende gemeenschappen in stedelijke en rurale gebieden;

e)

„Europa dichter bij de burgers brengen door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden, en door lokale initiatieven te bevorderen” („BD 5”) door:

e)

„Europa dichter bij de burgers brengen door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden, en door lokale initiatieven te bevorderen” („BD 5”) door:

 

i)

het bevorderen van een geïntegreerde sociale, economische en ecologische ontwikkeling, cultureel erfgoed en veiligheid in stedelijke gebieden;

 

i)

het bevorderen van de geïntegreerde sociale, economische en ecologische ontwikkeling, cultuur met inbegrip van cultureel erfgoed en veiligheid in stedelijke gebieden , met inbegrip van functionele stedelijke gebieden ;

 

ii)

het bevorderen van geïntegreerde maatschappelijke, economische en ecologische lokale ontwikkeling, cultureel erfgoed en veiligheid, met inbegrip van plattelands- en kustgebieden, ook via vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling.

 

ii)

het bevorderen van geïntegreerde maatschappelijke, economische en ecologische lokale ontwikkeling, cultureel erfgoed en veiligheid, met inbegrip van plattelands gebieden, berggebieden, dunbevolkte gebieden, eilanden en kustgebieden , ultraperifere gebieden, alsmede andere soorten gebieden , ook gericht via vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling;

 

 

iii)

het ondersteunen van de capaciteitsopbouw van lokale en regionale overheden met het oog op de „lokalisering” van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen door te zorgen voor op maat gesneden instrumenten ten behoeve van territoriale ontwikkeling en door de praktische implementatie een impuls te geven;

iv)

het ondersteunen van de geïntegreerde territoriale ontwikkeling van gebieden die sterk te lijden hebben onder vergrijzing, een uitgesproken plattelandskarakter en een vertrekoverschot, om hun vervoers- en telecommunicatie-infrastructuur te verbeteren, de digitale kloof (ook tussen generaties) te overbruggen en de openbare dienstverlening, waaronder e-learning en e-gezondheidszorg, te verbeteren;

2.   Het Cohesiefonds ondersteunt BD 2 en specifieke doelstellingen van BD 3 die zijn genoemd in lid 1, onder c), punten ii), iii) en iv).

2.   Het Cohesiefonds ondersteunt BD 2 en specifieke doelstellingen van BD 3 die zijn genoemd in lid 1, onder c), punten ii), iii) en iv).

3.   Met betrekking tot de specifieke doelstellingen in de zin van lid 1 kunnen het EFRO of het Cohesiefonds, indien wenselijk, ook steun verlenen aan activiteiten in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei”, indien deze een van de volgende doelen hebben:

3.   Met betrekking tot de specifieke doelstellingen in de zin van lid 1 kunnen het EFRO of het Cohesiefonds, indien wenselijk, ook steun verlenen aan activiteiten in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei”, indien deze een van de volgende doelen hebben:

a)

verbetering van de capaciteit van programma-autoriteiten en -organen in verband met de tenuitvoerlegging van de Fondsen;

a)

verbetering van de capaciteit van programma-autoriteiten en -organen in verband met de tenuitvoerlegging van de Fondsen:

 

 

i)

acties voor capaciteitsopbouw die gericht zijn op modernisering van overheidsdiensten kunnen extra financiering ontvangen uit het steunprogramma voor hervormingen, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 2018/xxx [steunprogramma voor hervormingen].

ii)

voor capaciteitsopbouw kan aanvullende medefinanciering worden verstrekt uit hoofde van Verordening (EU) nr. 2018/xxx [Elfpo] en kan worden samengewerkt met het Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling (ENPO), met name wat betreft de banden tussen stad en platteland alsook projecten ter ondersteuning van de ontwikkeling van stedelijke gebieden en functionele gebieden.

b)

verbetering van de samenwerking met partners binnen en buiten een bepaalde lidstaat.

b)

verbetering van de samenwerking met partners binnen en buiten een bepaalde lidstaat.

de in punt b) bedoelde samenwerking moet betrekking hebben op samenwerking met partners uit grensoverschrijdende regio’s, uit niet aan elkaar grenzende regio’s of uit regio’s die zich bevinden op een grondgebied dat valt onder een macroregionale of zeebekkenstrategie of een combinatie daarvan.

de in punt b) bedoelde samenwerking moet betrekking hebben op samenwerking met partners uit grensoverschrijdende regio’s, uit niet aan elkaar grenzende regio’s of uit regio’s die zich bevinden op een grondgebied dat valt onder een macroregionale of zeebekkenstrategie of een combinatie daarvan.

Motivering

De afgelopen jaren zijn ESI-middelen gespendeerd aan op de aanleg van kleinschalige infrastructuur voor „recreatieve diensten” om de sociale inclusie te bevorderen en de armoede in stedelijke en plattelandsgebieden te bestrijden. Bovendien moet de toekomstige EFRO-verordening uitdrukkelijk blijven verwijzen naar de noodzaak om te investeren in fysieke infrastructuur, zoals sportinfrastructuur, om minder bevoorrechte gemeenschappen weer op te bouwen.

Voorts moet beleidsdoelstelling 5 worden verruimd tot alle soorten gebieden (met inbegrip van het subregionale niveau en functionele gebieden), alsmede tot alle gebieden met specifieke geografische kenmerken.

Anderzijds moet het EFRO zijn rechtstreekse steunverlening aan subnationale overheden versterken door te zorgen voor meer financiering en op maat gesneden instrumenten ten behoeve van territoriale ontwikkeling en zo de tenuitvoerlegging van de SDG’s in de praktijk te bevorderen. Hierbij moet rekening worden gehouden met het feit dat de „lokalisering” van de SDG’s een politiek proces is dat onder meer inhoudt dat subnationale overheden in staat worden gesteld om actie te ondernemen. De opbouw van de capaciteit van lokale overheden ten behoeve van de SDG’s moet dan ook worden ondersteund via het EFRO-budget voor technische bijstand dat voor beleidsdoelstelling 5 is bestemd.

Wijzigingsvoorstel 8

Nieuw artikel na artikel 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Overeenkomstig artikel [6] van Verordening (EU) nr. 2018/xxx [nieuwe GB-verordening] zorgt elke lidstaat voor een adequate deelname van de bevoegde lokale en regionale overheden aan de uitwerking van partnerschapsovereenkomsten en aan de uitwerking, uitvoering en evaluatie van de programma’s die door het EFRO en het Cohesiefonds worden ondersteund.

Motivering

Het is belangrijk dat het partnerschapsbeginsel en het beginsel van multilevel governance op alle onderdelen van het cohesiebeleid worden toegepast en gewaarborgd, met name gezien de bezorgdheid over de centralisatie van het cohesiebeleid onder lokale en regionale belanghebbenden.

Dit wijzigingsvoorstel beoogt het partnerschapsbeginsel te versterken door het in de EFRO-/Cohesiefondsverordening op te nemen en zo voor overeenstemming te zorgen met artikel [8] van Verordening (EU) 2018/xxx [ESF+] en artikel [6] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening].

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Wat de programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” betreft, wordt het totaal van de EFRO-middelen in elke lidstaat geconcentreerd op nationaal niveau overeenkomstig de leden 3 en 4.

1.   Wat de programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” betreft, wordt het totaal van de EFRO-middelen in elke lidstaat geconcentreerd op regionaal niveau overeenkomstig artikel 102, lid 2, van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening], en wel als volgt:

 

a)

in meer ontwikkelde regio’s wordt ten minste 85 % van de totale EFRO-middelen op nationaal niveau toegewezen aan andere prioriteiten dan technische bijstand aan BD 1 en BD 2, en ten minste 30 % aan BD 2;

 

b)

in overgangsregio’s wordt ten minste 85 % van hun totale EFRO-middelen op nationaal niveau toegewezen aan andere prioriteiten dan technische bijstand aan BD 1, en ten minste 30 % aan BD 2;

 

c)

in minder ontwikkelde regio’s wordt ten minste 35 % van hun totale EFRO-middelen op nationaal niveau toegewezen aan andere prioriteiten dan technische bijstand aan BD 1, en ten minste 30 % aan BD 2.

2.    Wat de thematische concentratie van de steun voor lidstaten met ultraperifere regio’s betreft, worden de EFRO-middelen die specifiek aan programma’s voor de ultraperifere gebieden zijn toegewezen en de middelen die aan alle overige gebieden zijn toegewezen, afzonderlijk behandeld.

2.    Wat de programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” voor de ultraperifere gebieden betreft, worden ultraperifere gebieden beschouwd als minder ontwikkelde regio’s .

3.     De lidstaten worden in termen van hun bruto nationale inkomensratio als volgt ingedeeld:

3.    Aan de vereisten van thematische concentratie van lid 1 moet worden voldaan tijdens de gehele programmeringsperiode, ook wanneer EFRO-toewijzingen worden overgedragen tussen de prioriteiten van een programma of tussen programma’s onderling en bij de tussentijdse toetsing in overeenstemming met artikel [14] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening].

a)

lidstaten met een bruto nationale inkomensratio gelijk aan of groter dan 100 % van het EU-gemiddelde („groep 1”);

b)

lidstaten met een bruto nationale inkomensratio groter dan 75 % en kleiner dan 100 % van het EU-gemiddelde („groep 2”);

c)

lidstaten met een bruto nationale inkomensratio kleiner dan 75 % van het EU-gemiddelde („groep 3”).

 

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de bruto nationale inkomensratio verstaan de verhouding tussen het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking van een lidstaat, gemeten in koopkrachtstandaard en berekend op basis van de cijfers van de Unie in de periode van 2014 tot en met 2016, en het gemiddelde bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking in koopkrachtstandaard van de 27 lidstaten in dezelfde referentieperiode.

De programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” voor de ultraperifere gebieden worden ingedeeld in groep 3.

 

4.     De lidstaten moeten voldoen aan de volgende vereisten van thematische concentratie:

4.    Wanneer de EFRO-toewijzing met betrekking tot BD 1 of BD 2 of beide van een bepaald programma wordt verlaagd na een vrijmaking op grond van artikel [99] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening], of als gevolg van financiële correcties door de Commissie overeenkomstig artikel [98] van die verordening, wordt de naleving van het in lid 2 vastgestelde vereiste van thematische concentratie niet opnieuw beoordeeld.

a)

De lidstaten van groep 1 wijzen ten minste 85 % van hun totale EFRO-middelen in het kader van andere prioriteiten dan voor technische bijstand toe aan BD 1 en BD 2, en ten minste 60 % aan BD 1;

b)

De lidstaten van groep 2 wijzen ten minste 45 % van hun totale EFRO-middelen in het kader van andere prioriteiten dan voor technische bijstand toe aan BD 1, en ten minste 30 % aan BD 2;

c)

De lidstaten van groep 3 wijzen ten minste 35 % van hun totale EFRO-middelen in het kader van andere prioriteiten dan voor technische bijstand toe aan BD 1, en ten minste 30 % aan BD 2.

4.a.     In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten in overleg met de betrokken regio’s verzoeken om een verlaging van het percentage van de thematische concentratie op het niveau van categorieën regio’s, tot een maximum van 10 %.

5.    Aan de vereisten van thematische concentratie van lid 4 moet worden voldaan tijdens de gehele programmeringsperiode, ook wanneer EFRO-toewijzingen worden overgedragen tussen de prioriteiten van een programma of tussen programma’s onderling en bij de tussentijdse toetsing in overeenstemming met artikel [14] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening].

 

6.    Wanneer de EFRO-toewijzing met betrekking tot BD 1 of BD 2 of beide van een bepaald programma wordt verlaagd na een vrijmaking op grond van artikel [99] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening], of als gevolg van financiële correcties door de Commissie overeenkomstig artikel [98] van die verordening, wordt de naleving van het in lid 4 vastgestelde vereiste van thematische concentratie niet opnieuw beoordeeld.

 

Motivering

1.

Het voorgestelde mechanisme voor gecentraliseerde toewijzing was een punt van zorg dat door de meeste regionale belanghebbenden (CvdR, AER, CPMR, CEMR) aan de orde is gesteld. Het druist in tegen de gebiedsgerichte aanpak van het cohesiebeleid.

2.

Gezien de specifieke kwesties in ultraperifere gebieden die aangepakt moeten worden, zouden deze gebieden als minder ontwikkelde regio’s beschouwd moeten worden.

3.

Het systeem van thematische concentratie moet een zekere speelruimte bieden voor specifieke nationale en regionale kenmerken om te voorkomen dat gelijksoortige categorieën Europese regio’s hun middelen op verschillende wijze moeten concentreren vanwege het bni van hun lidstaten.

Wijzigingsvoorstel 10

Artikel 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Het EFRO ondersteunt:

1.   Het EFRO ondersteunt:

a)

investeringen in infrastructuur;

a)

investeringen in infrastructuur;

b)

investeringen in toegang tot diensten;

b)

investeringen in toegang tot diensten;

c)

productieve investeringen in kmo’s;

c)

productieve investeringen in kmo’s;

d)

apparatuur, software en immateriële activa;

d)

apparatuur, software en immateriële activa;

e)

informatie, communicatie, studies, netwerken, samenwerking, uitwisseling van ervaringen en activiteiten waarbij clusters zijn betrokken;

e)

informatie, communicatie, studies, netwerken, samenwerking, uitwisseling van ervaringen en activiteiten waarbij clusters zijn betrokken;

f)

technische bijstand.

f)

technische bijstand.

Bovendien kunnen productieve investeringen in andere bedrijven dan kmo’s worden ondersteund wanneer zij voorzien in samenwerking met kmo’s in onderzoeks- en innovatieactiviteiten die worden ondersteund uit hoofde van artikel 2, lid 1, onder a) i).

Productieve investeringen in andere bedrijven dan kmo’s kunnen worden ondersteund in onderzoeks- en innovatieactiviteiten die worden ondersteund uit hoofde van artikel 2, lid 1, onder a) i) of in bedrijfsinfrastructuurvoorzieningen die kmo’s ten goede komen .

Om bij te dragen aan de specifieke doelstelling in het kader van BD 1 als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a), iv), verleent het EFRO ook steun aan opleidingen, een leven lang leren en onderwijsactiviteiten.

Om bij te dragen aan de specifieke doelstelling in het kader van BD 1 als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a), iv), verleent het EFRO ook steun aan opleidingen, een leven lang leren en onderwijsactiviteiten.

2.   In het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (Interreg) verleent het EFRO ook steun voor:

2.   In het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (Interreg) verleent het EFRO ook steun voor:

a)

gedeeld gebruik van faciliteiten en personele middelen;

a)

gedeeld gebruik van faciliteiten en personele middelen en alle soorten grensoverschrijdende infrastructuur in alle regio’s ;

b)

het begeleiden van zachte investeringen en andere activiteiten in verband met BD 4 in het kader van het Europees Sociaal Fonds Plus als omschreven in Verordening (EU) nr. 2018/xxx [nieuwe ESF +].

b)

het begeleiden van zachte investeringen en andere activiteiten in verband met BD 4 in het kader van het Europees Sociaal Fonds Plus als omschreven in Verordening (EU) nr. 2018/xxx [nieuwe ESF +].

Motivering

BD 1-steun voor productie-investeringen en ondersteuning van bedrijfsinfrastructuur zou niet tot kmo’s (of samenwerking met kmo’s) mogen worden beperkt. Dit zou vooral niet terecht zijn omdat veel prioriteiten van het cohesiebeleid gericht zijn op de ondersteuning van onderzoek en innovatie en het gebruik van geavanceerde technologie, waarbij het noodzakelijk is dat er in de lijst van ontvangers/begunstigden entiteiten voorkomen die als grote ondernemingen te boek staan (inclusief spin-offbedrijven).

Wijzigingsvoorstel 11

Artikel 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Het EFRO en het Cohesiefonds verlenen geen steun aan:

1.   Het EFRO en het Cohesiefonds verlenen geen steun aan:

a)

de ontmanteling of de bouw van kerncentrales;

a)

de ontmanteling of de bouw van kerncentrales;

b)

investeringen voor het realiseren van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen van activiteiten die vallen onder bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;

b)

investeringen voor het realiseren van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen van activiteiten die vallen onder bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;

c)

productie, verwerking en afzet van tabak en tabaksproducten;

c)

productie, verwerking en afzet van tabak en tabaksproducten;

d)

ondernemingen in moeilijkheden als omschreven in artikel 2, lid 18, van Verordening (EU) nr. 651/2014;

d)

ondernemingen in moeilijkheden als omschreven in artikel 2, lid 18, van Verordening (EU) nr. 651/2014;

e)

investeringen in luchthaveninfrastructuur, met uitzondering van de ultraperifere regio’s;

e)

investeringen in luchthaveninfrastructuur , tenzij deze verband houden met de bescherming van het milieu of gecombineerd worden met investeringen die nodig zijn om de negatieve milieugevolgen ervan te verzachten of te verminderen, en met uitzondering van de ultraperifere regio’s;

f)

investeringen in de lozing van afval op stortplaatsen;

f)

investeringen in de lozing van afval op stortplaatsen;

g)

investeringen in installaties voor de verwerking van restafval;

g)

investeringen in installaties voor de eind verwerking van (niet afzonderlijk ingezameld, gemengd) restafval, indien dit in strijd is met de in artikel 4 van Richtlijn (EU) 2018/851 vastgelegde afvalstoffenhiërarchie, en met uitzondering van de ultraperifere regio’s in bepaalde naar behoren gemotiveerde gevallen ;

h)

investeringen in verband met de productie, de verwerking, de distributie, de opslag of verbranding van fossiele brandstoffen, met uitzondering van investeringen in verband met schone voertuigen als gedefinieerd in artikel 4 van Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad;

h)

investeringen in verband met de productie, de verwerking, de distributie, de opslag of verbranding van fossiele brandstoffen, met uitzondering van investeringen in verband met schone voertuigen als gedefinieerd in artikel 4 van Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad;

i)

investeringen in breedbandinfrastructuur in gebieden waar zich ten minste twee breedbandnetwerken van een gelijkwaardige categorie bevinden.

i)

investeringen in breedbandinfrastructuur in gebieden waar zich ten minste twee breedbandnetwerken van een gelijkwaardige categorie bevinden.

j)

financiering van de aankoop van rollend materieel voor vervoer per spoor, behalve indien dit vervoer verband houdt met:

j)

financiering van de aankoop van rollend materieel voor vervoer per spoor, behalve indien dit vervoer verband houdt met:

 

i)

het voldoen aan een openbaar uitbestede openbare-dienstverplichting op grond van de gewijzigde Verordening (EG) nr. 1370/2007;

 

i)

het voldoen aan een openbaar uitbestede openbare-dienstverplichting op grond van de gewijzigde Verordening (EG) nr. 1370/2007;

 

ii)

verrichting van vervoersdiensten per spoor op lijnen die volledig open staan voor mededinging, en de begunstigde is een nieuwkomer die in aanmerking komt voor financiering op grond van de Verordening (EU) 2018/xxx [EU-investeringsverordening]

 

ii)

verrichting van vervoersdiensten per spoor op lijnen die volledig open staan voor mededinging, en de begunstigde is een nieuwkomer die in aanmerking komt voor financiering op grond van de Verordening (EU) 2018/xxx [EU-investeringsverordening]

 

k)

acties die bijdragen tot enigerlei vorm van sociale uitsluiting of discriminatie.

2.   Bovendien verleent het Cohesiefonds geen steun aan investeringen in huisvesting, tenzij deze verband houden met het bevorderen van energie-efficiëntie of het gebruik van hernieuwbare energie.

2.   Bovendien verleent het Cohesiefonds geen steun aan investeringen in huisvesting, tenzij deze verband houden met het bevorderen van energie-efficiëntie of het gebruik van hernieuwbare energie.

3.   Overzeese landen en gebieden komen niet in aanmerking voor steun uit het EFRO of het Cohesiefonds, maar kunnen deelnemen aan Interreg-programma’s overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld bij Verordening (EU) 2018/xxx [ETC (Interreg)].

3.   Overzeese landen en gebieden komen niet in aanmerking voor steun uit het EFRO of het Cohesiefonds, maar kunnen deelnemen aan Interreg-programma’s overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld bij Verordening (EU) 2018/xxx [ETC (Interreg)].

Motivering

Ad 1. e) Het CvdR stelt voor om rekening te houden met de klimaat- en milieuaspecten van de luchthaveninfrastructuur, zoals uiteengezet in de huidige Verordening (EU) nr. 1301/2013 [EFRO].

Ad 1. g) Verduidelijking van „restafval”.

Ad 1. k) In overweging 5 van de EFRO-verordening worden de beginselen uiteengezet, waaronder het beginsel van gelijkheid en het beginsel van non-discriminatie. Deze dienen bij de implementatie van het EFRO en het Cohesiefonds nageleefd te worden. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan enige vorm van segregatie. In tegenstelling tot de vorige programmeringsperiode is dit beginsel niet in de artikelen van de verordening opgenomen. Het CvdR wil ervoor zorgen dat de lidstaten deze verplichtingen nakomen.

Wijzigingsvoorstel 12

Artikel 8

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Het EFRO kan steun verlenen aan geïntegreerde territoriale ontwikkeling in het kader van programma’s voor beide doelstellingen waarnaar wordt verwezen in artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening] in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van titel III van die verordening [nieuwe GB-verordening].

1.   Het EFRO kan steun verlenen aan geïntegreerde territoriale ontwikkeling in het kader van programma’s voor beide doelstellingen waarnaar wordt verwezen in artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening] in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van titel III van die verordening [nieuwe GB-verordening].

2.   De lidstaten passen de geïntegreerde territoriale ontwikkeling, ondersteund door het EFRO, uitsluitend toe door middel van de formulieren als bedoeld in artikel [22] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening].

2.   De lidstaten passen de geïntegreerde territoriale ontwikkeling, ondersteund door het EFRO, onder meer toe door middel van de formulieren als bedoeld in artikel [22] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening]. Dit kan ook de vorm aannemen van een meerfondsenaanpak met het ESF+ en kan, waar passend, worden gekoppeld aan het Elfpo en het EFMZV.

Motivering

In sommige lidstaten zijn in het verleden voor geïntegreerde territoriale ontwikkeling met succes andere formulieren gebruikt. Het is niet duidelijk waarom het gebruik van deze formulieren voortaan moet worden uitgesloten.

Wijzigingsvoorstel 13

Artikel 9

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Het EFRO ondersteunt de geïntegreerde territoriale ontwikkeling op basis van territoriale strategieën in overeenstemming met artikel [23] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening] gericht op stedelijke gebieden („duurzame stedelijke ontwikkeling”) in het kader van programma’s voor beide doelen als bedoeld in artikel 4, lid 2, van die verordening.

1.   Het EFRO ondersteunt de geïntegreerde territoriale ontwikkeling op basis van territoriale strategieën in overeenstemming met artikel [23] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening] gericht op stedelijke gebieden („duurzame stedelijke ontwikkeling”) in het kader van programma’s voor beide doelen als bedoeld in artikel 4, lid 2, van die verordening.

2.   Ten minste 6 % van de EFRO-middelen op nationaal niveau in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei”, anders dan voor technische bijstand, wordt toegewezen aan duurzame stedelijke ontwikkeling in de vorm van vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling, geïntegreerde territoriale investeringen of een ander territoriaal instrument in het kader van BD 5.

2.   Ten minste 6 % van de EFRO-middelen op nationaal niveau in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei”, anders dan voor technische bijstand, wordt toegewezen aan duurzame stedelijke ontwikkeling in de vorm van vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling, geïntegreerde territoriale investeringen of een ander territoriaal instrument in het kader van BD 5.

 

Dit minimumpercentage van 6 % ten behoeve van duurzame stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door acties in het kader van BD 5 en de specifieke beleidsdoelstellingen 1 t/m 4, zoals aangegeven in bijlage 1.

Het betrokken programma of de betrokken programma’s maken melding van de geplande bedragen voor dit doel als bedoeld in artikel [17, lid 3,] onder d), vii), van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening].

Het betrokken programma of de betrokken programma’s maken melding van de geplande bedragen voor dit doel als bedoeld in artikel [17, lid 3,] onder d), vii), van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening].

3.   Aan het vereiste percentage dat moet worden uitgetrokken voor duurzame stedelijke ontwikkeling als bedoeld in lid 2 moet worden voldaan tijdens de gehele programmeringsperiode, ook wanneer EFRO-toewijzingen worden overgedragen tussen de prioriteiten van een programma of tussen programma’s onderling, en bij de tussentijdse toetsing in overeenstemming met artikel [14] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening].

3.   Aan het vereiste percentage dat moet worden uitgetrokken voor duurzame stedelijke ontwikkeling als bedoeld in lid 2 moet worden voldaan tijdens de gehele programmeringsperiode, ook wanneer EFRO-toewijzingen worden overgedragen tussen de prioriteiten van een programma of tussen programma’s onderling, en bij de tussentijdse toetsing in overeenstemming met artikel [14] van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening].

4.   Wanneer de EFRO-toewijzing wordt verlaagd na een vrijmaking op grond van artikel [99] van Verordening (EU) nr. [new CPR], of als gevolg van financiële correcties door de Commissie overeenkomstig artikel [98] van die verordening, wordt de naleving van het in lid 2 vastgestelde vereiste niet opnieuw beoordeeld.

4.   Wanneer de EFRO-toewijzing wordt verlaagd na een vrijmaking op grond van artikel [99] van Verordening (EU) 2018/xxx [new CPR], of als gevolg van financiële correcties door de Commissie overeenkomstig artikel [98] van die verordening, wordt de naleving van het in lid 2 vastgestelde vereiste niet opnieuw beoordeeld.

Motivering

Verduidelijking. Dit punt staat in een voetnoot in bijlage 1, maar het is duidelijker om het in de verordening zelf op te nemen.

Wijzigingsvoorstel 14

Artikel 10

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Het EFRO ondersteunt ook het „Stedelijk Europa”-initiatief, dat door de Commissie wordt uitgevoerd in direct en indirect beheer.

1.   Het EFRO ondersteunt ook het „Stedelijk Europa”-initiatief, dat door de Commissie wordt uitgevoerd in direct en gedeeld beheer.

Dit initiatief omvat alle stedelijke gebieden en ondersteunt de stedelijke agenda van de Unie.

Dit initiatief omvat alle stedelijke gebieden en ondersteunt de partnerschappen en organisatorische kosten van de stedelijke agenda van de Unie.

2.   Het „Stedelijk Europa”-initiatief omvat de volgende drie onderdelen, die alle duurzame stadsontwikkeling betreffen:

2.   Het „Stedelijk Europa”-initiatief omvat de volgende drie onderdelen, die alle duurzame stadsontwikkeling betreffen:

a)

ondersteuning van capaciteitsopbouw;

a)

ondersteuning van capaciteitsopbouw , met inbegrip van een uitwisselingsprogramma voor lokale vertegenwoordigers (Erasmus voor lokale en regionale vertegenwoordigers) .

b)

ondersteuning van innovatieve acties;

b)

ondersteuning van innovatieve acties;

c)

ondersteuning van kennis, ontwikkeling van beleid en communicatie.

c)

ondersteuning van kennis, territoriale effectbeoordelingen, ontwikkeling van beleid en communicatie.

Op verzoek van een of meer lidstaten kan het Stedelijk Europa-initiatief tevens steun verlenen aan intergouvernementele samenwerking in verband met stedelijke aangelegenheden.

Op verzoek van een of meer lidstaten kan het Stedelijk Europa-initiatief tevens steun verlenen aan intergouvernementele samenwerking in verband met stedelijke aangelegenheden zoals het referentiekader voor duurzame steden en de Territoriale Agenda van de Europese Unie, en de lokalisering van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN .

Motivering

Er is een wildgroei aan lokale, stedelijke en subregionale ontwikkelings-, innovatie- en capaciteitsopbouwprogramma’s. Heel vaak hangen deze programma’s niet samen of is er onvoldoende financiering voor. Door ze onder één dak te brengen en ze te koppelen aan verwante initiatieven die buiten het ESIF-regelgevingskader vallen, wordt gezorgd voor kruisbestuiving en meer samenhang en worden overlappingen voorkomen. Ook is het van essentieel belang er zorg voor te dragen dat de middelen voor capaciteitsopbouw grotendeels bij de uiteindelijke begunstigden, d.w.z. de lokale autoriteiten, terechtkomen; dat is momenteel bij BD 9 en technische bijstand niet het geval.

Wijzigingsvoorstel 15

Artikel 11

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De specifieke extra toewijzing voor ultraperifere gebieden wordt gebruikt ter compensatie van de extra kosten die in deze gebieden ontstaan als gevolg van één of meer van de permanente factoren die hun ontwikkeling schaden die worden genoemd in artikel 349 VWEU.

1.   De specifieke extra toewijzing voor ultraperifere gebieden wordt gebruikt ter compensatie van de extra kosten die in deze gebieden ontstaan als gevolg van één of meer van de permanente factoren die hun ontwikkeling schaden die worden genoemd in artikel 349 VWEU. De specifieke extra toewijzing voor ultraperifere gebieden wordt uitgesloten van de thematische concentratie.

2.   De in lid 1 bedoelde toewijzing verleent geen steun aan:

2.   De in lid 1 bedoelde toewijzing verleent geen steun aan:

a)

de activiteiten binnen het toepassingsgebied zoals beschreven in artikel 4;

a)

de activiteiten binnen het toepassingsgebied zoals beschreven in artikel 4;

b)

in afwijking van artikel 4, maatregelen met het oog op het dekken van de exploitatiekosten ter compensatie van de extra kosten die in deze gebieden ontstaan als gevolg van één of meer van de permanente factoren die hun ontwikkeling schaden, zoals genoemd in artikel 349 VWEU.

b)

in afwijking van artikel 4, maatregelen met het oog op het dekken van de exploitatiekosten ter compensatie van de extra kosten die in deze gebieden ontstaan als gevolg van één of meer van de permanente factoren die hun ontwikkeling schaden, zoals genoemd in artikel 349 VWEU.

De toewijzing bedoeld in lid 1 mag ook worden gebruikt voor uitgaven ter compensatie van de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en contracten in de ultraperifere gebieden.

De toewijzing bedoeld in lid 1 mag ook worden gebruikt voor uitgaven ter compensatie van de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en contracten in de ultraperifere gebieden.

3.   De in lid 1 bedoelde toewijzing verleent geen steun aan:

3.   De in lid 1 bedoelde toewijzing verleent geen steun aan:

a)

acties voor producten opgesomd in bijlage I bij het VWEU;

a)

acties voor producten opgesomd in bijlage I bij het VWEU;

b)

steunmaatregelen voor het vervoer van personen dat is toegestaan uit hoofde van artikel 107, lid 2, onder a), VWEU;

b)

steunmaatregelen voor het vervoer van personen dat is toegestaan uit hoofde van artikel 107, lid 2, onder a), VWEU;

c)

belastingvrijstellingen en vrijstelling van sociale lasten;

c)

belastingvrijstellingen en vrijstelling van sociale lasten;

d)

openbaredienstverplichtingen die niet zijn nagekomen door ondernemingen, en waarbij de staat handelt door overheidsgezag uit te oefenen.

d)

openbaredienstverplichtingen die niet zijn nagekomen door ondernemingen, en waarbij de staat handelt door overheidsgezag uit te oefenen.

 

4.     In afwijking van artikel 4 kan het EFRO steun verlenen aan productieve investeringen in ondernemingen in ultraperifere regio’s, ongeacht de omvang van die ondernemingen.

Motivering

Gezien de specifieke aard van de ultraperifere regio’s heeft steun die alleen ten goede komt aan kleine en middelgrote ondernemingen mogelijk slechts een beperkt hefboomeffect.

Wijzigingsvoorstel 16

Nieuw artikel na artikel 11

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Gebieden met natuurlijke of demografische belemmeringen

In door het EFRO medegefinancierde programma’s voor gebieden met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen als bedoeld in artikel 174 VWEU, wordt bijzondere aandacht besteed aan de aanpak van de specifieke problemen van deze gebieden.

Met name voor NUTS III-gebieden met minder dan 12,5 inwoners/km2 of met een gemiddelde jaarlijkse bevolkingsafname van meer dan - 1 % sinds 2007 worden specifieke regionale en nationale plannen opgesteld om meer mensen aan te trekken tot de regio en hen aan te moedigen er te blijven, alsook om de bedrijfsinvesteringen en de toegankelijkheid van digitale en openbare diensten te vergroten, met inbegrip van specifieke financiering als onderdeel van de partnerschapsovereenkomst.

Motivering

Dit nieuwe artikel bestrijkt zowel de dunbevolkte gebieden als meer in het algemeen alle subregionale gebieden van de rest van de EU27 die onder artikel 174 vallen. Het is echter noodzakelijk dat de toewijzingen in het kader van het EFRO financieel beheersbaar zijn en andere steun die sommige regio’s reeds ontvangen niet overlappen.

Daarom worden subsidiabiliteitscriteria voorgesteld voor

NUTS III-gebieden (aangezien het hier vaak eerder een subregionaal dan een regionaal NUTS II-probleem betreft, hetgeen verborgen blijft op de huidige kaarten):

ofwel 12,5 inw/km2 (zoals de noordelijke perifere gebieden)

ofwel een netto bevolkingsafname (door vertrek- of sterfteoverschot) sinds 2007 (grofweg het jaar waarin de financiële crisis uitbrak en ook het jaar waarin de vorige programmeringsperiode aanving).

Dit voorstel schept de verplichting voor de Commissie om het op te nemen als een van de haar voorstellen in de standpuntnota die het uitgangspunt voor de onderhandelingen met iedere lidstaat over de partnerschapsovereenkomst vormt.

Gegevens en kaart van de Duitse federale dienst voor bouw en ruimtelijke ordening

https://bit.ly/2KItBya

Wijzigingsvoorstel 17

BIJLAGE I

Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds — Artikel 7, lid 1

Tabel 1: Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het EFRO (Investeren in werkgelegenheid en groei en Interreg) en het Cohesiefonds**

Nieuwe gemeenschappelijke resultaatindicatoren (RCR) toevoegen

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

RCR 26 — Jaarlijks eindverbruik van energie (waarvan: residentieel, niet-residentieel, openbaar niet-residentieel)

RCR 26 — % van de jaarlijkse energiebesparing voor het gehele gebouwenbestand (in vergelijking met een basisscenario) in overeenstemming met de doelstelling om een zeer energie-efficiënt en koolstofarm gebouwenbestand te verwezenlijken, zoals uiteengezet in de nationale langetermijnrenovatiestrategie ter ondersteuning van de renovatie van het nationale bestand van al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen

RCR 27 — Huishoudens met verbeterde energieprestatie van de woning

RCR 27 — Huishoudens met verbeterde energieprestatie van de woning die ten minste 60 % energiebesparing bereiken ten opzichte van het niveau van voor de renovatie (door de Commissie gehanteerde definitie van grondige renovatie) ;

RCR 28 — Gebouwen met verbeterde energieprestatie (waarvan: residentieel, niet-residentieel, openbaar niet-residentieel)

RCR 28 — Gebouwen met verbeterde energieprestatie (waarvan: residentieel, niet-residentieel, openbaar niet-residentieel) , met een EPC „B” na renovatie ;

 

RCR […] — Huishoudens met verbeterde energieprestatie van de woning, die na renovatie de NZEB-norm („bijna energieneutrale gebouwen”) bereiken

RCR 29 — Geraamde uitstoot van broeikasgassen*

RCR 29 — Geraamde uitstoot van broeikasgassen*

RCR 30 — Ondernemingen met verbeterde energieprestatie

RCR 30 — Ondernemingen met verbeterde energieprestatie

RCR 31 — Totale geproduceerde hernieuwbare energie (waarvan: elektriciteit, thermisch)

RCR 32 — Hernieuwbare energie: met het netwerk verbonden capaciteit (operationeel)*

RCR […] — Aantal energiearme/kwetsbare consumenten die ondersteund worden om de energieprestatie van hun woning te verbeteren

RCR […] — Totaal eindverbruik van hernieuwbare energie en verbruik per sector (verwarming en koeling, vervoer, elektriciteit);

RCR […] — Aandeel van de totale hoeveelheid geproduceerde hernieuwbare energie;

RCR […] — Vermindering van jaarlijkse invoer van niet-hernieuwbare energie

RCR […] — Hernieuwbare energie: met het netwerk verbonden capaciteit (operationeel)*

Motivering

De reeks indicatoren inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie moet worden uitgebreid.

Er valt duidelijk lering te trekken uit de huidige financieringsperiode: een kwantitatieve klimaatdoelstelling zonder voorafgaande verbintenissen, kwaliteitscontrole of een gedegen tracerings- en monitoringmethode dreigt zijn geloofwaardigheid te verliezen.

De door de Commissie voorgestelde klimaatindicatoren zijn onvolledig en soms simplistisch: als bij de respectieve streefwaarde niet wordt gekeken naar wat technisch haalbaar en financieel opportuun is, zullen sommige indicatoren erop neerkomen dat slechts het aantal begunstigden wordt geteld. Zo wordt de resultaatindicator „RCO 18 — Huishoudens die ondersteund worden om de energieprestaties van de woning te verbeteren” beoordeeld aan de hand van de resultaatindicator „RCR 27 — Huishoudens met verbeterde energieprestaties van de woning”. Met dit koppel indicatoren wordt het totale aantal huishoudens aangegeven dat van de maatregel profiteert, maar niet in hoeverre de energieprestaties erop vooruit gaan; uiteindelijk kan deze verbetering dan groot zijn, maar ook slechts marginaal. Dit betekent dat er mogelijk lage streefdoelen worden vastgesteld zonder dat het prestatiekader de mogelijkheid biedt om het ambitieniveau van de desbetreffende maatregel te beoordelen.

Wijzigingsvoorstel 18

BIJLAGE I

Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds — Artikel 7, lid 1

Tabel 1: Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het EFRO (Investeren in werkgelegenheid en groei en Interreg) en het Cohesiefonds**

Nieuwe gemeenschappelijke resultaatindicatoren (RCR) toevoegen na RCR 65

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

RCR […] Langer dan zes maanden openstaande vacatures

Motivering

De gemeenschappelijke outputindicator RCO 61 (jaarlijks aantal werklozen bediend door verbeterde arbeidsvoorzieningsfaciliteiten) is gekoppeld aan een gemeenschappelijke resultaatindicator (RCR 65: jaarlijks aantal werkzoekenden die gebruikmaken van de ondersteunde arbeidsvoorzieningsdiensten). Deze RCR heeft echter alleen betrekking op het eerste deel van RCO 61. Een indicator voor het tweede deel lijkt te ontbreken.

Wijzigingsvoorstel 19

BIJLAGE II

Kernreeks van prestatie-indicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds als bedoeld in artikel 7, lid 3

Beleidsdoelstelling 2 Een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer

Na CCO 09 een nieuwe gemeenschappelijke outputindicator (GCO) toevoegen.

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

CCO […] — Toegenomen aanpassing aan de klimaatverandering, toegenomen risicopreventie, waaronder de preventie van aardbevingsrisico’s, en grotere bestendigheid tegen rampen en extreme weersomstandigheden

Motivering

Toevoeging van een gemeenschappelijke outputindicator die nu lijkt te ontbreken bij de specifieke doelstelling „bevordering van de aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie, waaronder de preventie van aardbevingsrisico’s, en het bevorderen van bestendigheid tegen rampen en extreme weersomstandigheden” voor BD 2.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

is ingenomen met de ambitie van de Commissie om de regels voor de programmeringsperiode 2021-2027 te vereenvoudigen en neemt kennis van het feit dat het EFRO en het Cohesiefonds worden samengevoegd binnen één verordening waarin de toepasselijke regels voor beide fondsen zijn vastgelegd. Het nieuwe voorstel voor een verordening is korter, aangezien de Verordening gemeenschappelijke bepalingen veel gemeenschappelijke delen bestrijkt.

2.

Het is een goede zaak dat het cohesiebeleid nog steeds van toepassing is op alle EU-regio’s, waarbij het grootste deel van de middelen is gericht op de meest kwetsbare gebieden. Het Comité stelt met instemming vast dat dit door de Commissie voorgestelde wetgevingsbesluit op een gebied dat onder de gedeelde bevoegdheid valt, in overeenstemming is met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

3.

Het Comité stelt met bezorgdheid vast dat het voorstel van de Commissie voor een meerjarig financieel kader voorziet in een sterke daling van de begroting van het Cohesiefonds met 46 % en in een stabiele begroting voor het EFRO (+ 1 %). Het betreurt dat het budget voor Europese territoriale samenwerking met 12 % wordt verlaagd terwijl deze samenwerking toch wordt erkend als een van de beleidsonderdelen waarop de meerwaarde van de EU het duidelijkst te merken is.

4.

Het Comité herinnert eraan dat het Cohesiefonds voortdurend heeft bewezen dat het een grote Europese meerwaarde biedt en het imago van de EU bij de burger verbetert. Het Cohesiefonds vertegenwoordigt de uitgesproken solidariteit van de „rijkere” met de „armere” lidstaten wat de aanleg van belangrijke infrastructuur betreft, en de voordelen voor de lidstaten die het meest aan de EU-begroting bijdragen, zijn duidelijk aangetoond. De voorgestelde bezuinigingen zullen hoogstwaarschijnlijk de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag inzake economische, sociale en territoriale cohesie in de weg staan.

5.

Het Comité neemt kennis van het voorstel van de Commissie om een doelstelling voor klimaatgerelateerde uitgaven van 25 % van het totale MFK voor de periode 2021-2027 vast te stellen. De kwantitatieve doelstelling ligt echter ver onder hetgeen mogelijk en noodzakelijk is om de verbintenissen van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs volledig na te komen. Het systeem dat binnen het cohesiebeleid wordt gehanteerd om klimaatgerelateerde uitgaven te traceren, waarbij 30 % van de EFRO-middelen en 37 % van de Cohesiefondsmiddelen voor klimaatactie is bestemd, is vrij gedetailleerd in vergelijking met andere fondsen.

6.

Het Comité maakt zich zorgen over de enorme uitdaging die de verwezenlijking van de doelstellingen van Parijs voor Europa vormt. Het is al geruime tijd een voorvechter van ambitieuze klimaatdoelstellingen en aangezien het EFRO en het Cohesiefonds het belangrijkste financieringsinstrument op de EU-begroting zijn om bij te dragen aan het realiseren van de klimaatdoelstellingen, dient in de horizontale randvoorwaarden van het cohesiebeleid de verplichting voor de lidstaten te worden opgenomen om de verbintenissen die voortvloeien uit de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs na te komen. Bovendien dienen deze gedurende de hele programmeringsperiode nauwlettend gemonitord te worden om erop toe te zien dat de lidstaten nog steeds op de goede weg zijn wat hun bijdragen aan de klimaatdoelstellingen betreft.

7.

Het Comité is verheugd over het feit dat het EFRO en het Cohesiefonds „groener” zijn geworden en dat verontreinigende activiteiten van het toepassingsgebied van de verordening worden uitgesloten.

8.

Het Comité is ingenomen met de nieuwe specifieke Interreg-component voor innovatieve interregionale investeringen ter ondersteuning van de clustering van actoren in heel Europa die betrokken zijn bij strategieën voor slimme specialisatie, alsook met de nieuwe component voor ultraperifere regio’s. Het Comité verzoekt de Commissie het totale budget voor Europese territoriale samenwerking op te trekken zodat het budget voor Interreg Europe en voor grensoverschrijdende samenwerking geloofwaardig blijft, en tegelijkertijd te investeren in nieuwe vormen van samenwerking.

9.

Het Comité dringt aan op bevordering van het non-discriminatiebeginsel en op integratie van genderbewust budgetteren in alle stadia van de implementatie.

10.

Het Comité maakt bezwaar tegen het voorstel om het nationale niveau als uitgangspunt voor de thematische concentratie van het EFRO te nemen; dit gecentraliseerde toewijzingsmechanisme druist in tegen de gebiedsgerichte aanpak en het beginsel van multilevel governance van het cohesiebeleid.

11.

Het Comité wijst erop dat fondsen steeds meer van elkaar worden afgescheiden en betreurt met name dat het Elfpo niet terugkeert in de Verordening gemeenschappelijke bepalingen, waarin de gemeenschappelijke regels voor verschillende fondsen zijn vastgelegd.

12.

Het Comité benadrukt dat een sterke complementariteit tussen het EFRO en het ESF+ noodzakelijk is om geïntegreerde en omvattende initiatieven op lokaal niveau uit te kunnen voeren.

13.

Het Comité merkt op dat de lidstaten worden aangespoord om 5 % van de EFRO- of GB-middelen over te hevelen naar het nieuwe InvestEU-instrument alsook om nog eens 5 % van hun EFRO-middelen over te hevelen naar EU-programma’s die door de Commissie worden beheerd. De aanpak op basis van gedeeld beheer heeft echter een aantoonbaar effect gehad op de economische, sociale en territoriale cohesie in Europa. Besluiten over overdrachten door de lidstaat dienen overeenkomstig het partnerschapsbeginsel en het beginsel van multilevel governance te worden genomen in overleg met de lokale en regionale partners.

14.

Het Comité kan zich erin vinden dat er meer nadruk op duurzame stedelijke ontwikkeling wordt gelegd door hiervoor 6 % van de EFRO-middelen op nationaal niveau uit te trekken.

15.

Het Comité merkt op dat product- en resultaatindicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds gedefinieerd moeten worden en geen ruimte mogen laten voor dubbelzinnige interpretaties; dit geldt vooral ook voor de toegewezen meeteenheden in de bijlagen I en II. Daarnaast moeten ze kunnen worden samengevoegd van het projectniveau tot het niveau van de operationele programma’s en de doelstellingen van het cohesiebeleid, en mag de meting ervan geen buitensporige last voor de begunstigden vormen.

Brussel, 5 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/137


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over Europese territoriale samenwerking

(2019/C 86/09)

Rapporteur:

Marie-Antoinette MAUPERTUIS (FR/AE), lid van de regionale bestuursraad van Corsica

Referentiedocument:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en financieringsinstrumenten voor extern optreden

COM(2018) 374 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(1)

Krachtens artikel 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie. Uit hoofde van dat artikel en artikel 174, tweede en derde alinea, VWEU moet het EFRO een bijdrage leveren om de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio’s en de achterstand van de minst begunstigde regio’s te verkleinen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan bepaalde categorieën regio’s, waaronder grensoverschrijdende regio’s expliciet zijn vermeld .

(1)

Krachtens artikel 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie. Uit hoofde van dat artikel en de tweede en derde alinea van artikel 174 VWEU, moet het EFRO een bijdrage leveren om de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio’s en de achterstand van de minst begunstigde regio’s te verkleinen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan plattelandsgebieden, regio’s die een industriële overgang doormaken en regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio’s met een zeer geringe bevolkingsdichtheid en insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden .

Motivering

Het belangrijkste doel van het EFRO op het gebied van de Europese territoriale samenwerking bestaat erin oplossingen te bieden voor de problemen van de minst begunstigde regio’s. Volgens het CvdR worden de bijzondere kenmerken van die gebieden niet voldoende duidelijk omschreven in de voorgestelde formulering.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(3)

Teneinde de harmonieuze ontwikkeling van de Unie op verschillende niveaus te ondersteunen, moet het EFRO in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (Interreg) steun verlenen voor grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking, maritieme samenwerking, samenwerking tussen ultraperifere gebieden en interregionale samenwerking.

(3)

Teneinde de harmonieuze ontwikkeling van de Unie op verschillende niveaus te ondersteunen, moet het EFRO in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (Interreg) steun verlenen voor grensoverschrijdende samenwerking over land- en zeegrenzen heen , transnationale samenwerking, maritieme samenwerking, samenwerking tussen ultraperifere gebieden en interregionale samenwerking. Bovendien moeten de beginselen van partnerschap en multilevel governance worden versterkt.

Motivering

De verwijzing naar deze twee beginselen was in het voorstel voor een verordening geschrapt.

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(4)

De component grensoverschrijdende samenwerking moet tot doel hebben gemeenschappelijke uitdagingen die in de grensregio’s door de betrokkenen gezamenlijk zijn vastgesteld, aan te gaan en het onbenutte groeipotentieel in grensgebieden te exploiteren, zoals aangetoond in de mededeling van de Commissie „Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s van de EU” (1) („mededeling over grensregio’s”). De grensoverschrijdende component moet derhalve worden beperkt tot samenwerking rond landgrenzen; grensoverschrijdende samenwerking rond zeegrenzen moet in de transnationale component worden opgenomen.

(4)

De component grensoverschrijdende samenwerking , die zowel land- als zeegrenzen omvat, moet tot doel hebben gemeenschappelijke uitdagingen die in de grensregio’s door de betrokkenen gezamenlijk zijn vastgesteld, aan te gaan en het onbenutte groeipotentieel in grensgebieden te exploiteren, zoals aangetoond in de mededeling van de Commissie „Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s van de EU” (1) („mededeling over grensregio’s”).

Motivering

Het Comité van de Regio’s is er geen voorstander van om maritieme grensoverschrijdende samenwerking te verplaatsen van component 1 „grensoverschrijdende samenwerking” naar component 2 „transnationale samenwerking”. Hoewel hierdoor het budget voor transnationale samenwerking zou toenemen, bestaat er een groot risico dat de maritieme grensoverschrijdende samenwerking in het bredere kader van de transnationale samenwerking zal verwateren. Daarom wordt voorgesteld maritieme grensoverschrijdende samenwerking en het daaraan verbonden deel van de begroting terug te plaatsen in component 1.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(6)

De component transnationale samenwerking en maritieme samenwerking moet tot doel hebben de samenwerking te versterken door middel van acties die bijdragen tot de geïntegreerde territoriale ontwikkeling in samenhang met de prioriteiten van het cohesiebeleid van de Unie , en moet tevens maritieme grensoverschrijdende samenwerking omvatten . Tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 moest transnationale samenwerking grotere gebieden op het vasteland van de Unie bestrijken, terwijl maritieme samenwerking gebieden rond zeebekkens moest bestrijken en grensoverschrijdende samenwerking langs zeegrenzen moest integreren . Teneinde eerdere maritieme grensoverschrijdende samenwerking in een groter kader van maritieme samenwerking te kunnen blijven uitvoeren, is maximale flexibiliteit nodig, met name door het te bestrijken gebied, de specifieke doelstellingen voor een dergelijke samenwerking, de vereisten voor een projectpartnerschap vast te stellen en subprogramma’s en specifieke directiecomités op te zetten.

(6)

De samenwerking op transnationaal gebied en ook de maritieme samenwerking moeten tot doel hebben de samenwerking te versterken door middel van acties die bijdragen tot de geïntegreerde territoriale ontwikkeling in samenhang met de prioriteiten van het cohesiebeleid van de Unie. Transnationale samenwerking moet grotere gebieden op het vasteland van de Unie bestrijken, terwijl maritieme samenwerking gebieden rond zeebekkens moet bestrijken. Teneinde de in de programmeringsperiode 2014-2020 geplande maritieme grensoverschrijdende samenwerking in een groter kader van maritieme samenwerking te kunnen blijven uitvoeren, is maximale flexibiliteit nodig, met name door het te bestrijken gebied, de specifieke doelstellingen voor een dergelijke samenwerking, de vereisten voor een projectpartnerschap vast te stellen en subprogramma’s en specifieke directiecomités op te zetten.

Motivering

Het Comité van de Regio’s is er geen voorstander van om maritieme grensoverschrijdende samenwerking te verplaatsen van component 1 „grensoverschrijdende samenwerking” naar component 2 „transnationale samenwerking”. Hoewel hierdoor het budget voor transnationale samenwerking zou toenemen, bestaat er een groot risico dat de maritieme grensoverschrijdende samenwerking in het bredere kader van de transnationale samenwerking zal verwateren. Daarom wordt voorgesteld maritieme grensoverschrijdende samenwerking en het daaraan verbonden deel van de begroting terug te plaatsen in component 1.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging 8

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(8)

Op basis van de ervaringen met de programma’s voor interregionale samenwerking in het kader van Interreg en het gebrek aan dergelijke samenwerking bij programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, moet de component interregionale samenwerking met zich meer in het bijzonder richten op de verbetering van de effectiviteit van het cohesiebeleid. Die component moet derhalve tot twee programma’s worden beperkt, één om alle mogelijke ervaringen, innovatieve benaderingswijzen en capaciteitsopbouw voor programma’s in het kader van beide doelstellingen mogelijk te maken en om Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) te stimuleren die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1082/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad [24] zijn of worden opgezet, en één om de analyse van ontwikkelingstrends te verbeteren .

(8)

Op basis van de ervaringen met de programma’s voor interregionale samenwerking in het kader van Interreg en het gebrek aan dergelijke samenwerking bij programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, moet de component interregionale samenwerking met zich meer in het bijzonder richten op de verbetering van de effectiviteit van het cohesiebeleid. Die component moet financiering blijven bieden voor alle mogelijke ervaringen, innovatieve benaderingswijzen en capaciteitsopbouw voor programma’s in het kader van beide doelstellingen, Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) blijven stimuleren die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1082/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad[24] zijn of worden opgezet, en blijven zorgen voor ondersteuning en bevordering van de analyse van ontwikkelingstrends.

Projectgebaseerde samenwerking in de gehele Unie moet in de nieuwe component betreffende investeringen in interregionale innovatie worden opgenomen en moet nauw aansluiten bij de uitvoering van de mededeling van de Commissie „Versterking van innovatie in de Europese regio’s: strategieën voor veerkrachtige, inclusieve en duurzame groei” [25], met name om platforms voor thematische slimme specialisatie op gebieden als energie, industriële modernisering of landbouw en voedingsmiddelen. Geïntegreerde territoriale ontwikkeling gericht op functionele stedelijke gebieden of stedelijke gebieden moet ten slotte in programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei” en in één begeleidend instrument, het „Stedelijk Europa-initiatief”, worden geconcentreerd. De twee programma’s in het kader van de component interregionale samenwerking moeten voor de gehele Unie gelden en ook openstaan voor de deelname van derde landen.

Projectgebaseerde samenwerking in de gehele Unie moet interregionale samenwerking tussen lokale en regionale overheden blijven bevorderen teneinde gemeenschappelijke oplossingen te vinden die het cohesiebeleid ten goede komen en duurzame partnerschappen op te zetten. Derhalve moeten de bestaande programma’s, met name de bevordering van projectgebaseerde samenwerking, in stand worden gehouden.

 

De nieuwe investeringen in interregionale innovatie moeten nauw aansluiten bij de uitvoering van de mededeling van de Commissie „Versterking van innovatie in de Europese regio’s: strategieën voor veerkrachtige, inclusieve en duurzame groei”[25], met name om platforms voor thematische slimme specialisatie op gebieden als energie, industriële modernisering of landbouw en voedingsmiddelen te ondersteunen .

Europese territoriale samenwerking moet het mogelijk maken om geïntegreerde territoriale ontwikkeling in het kader van component 4 te blijven ondersteunen. De programma’s in het kader van de component interregionale samenwerking moeten voor de gehele Unie gelden en ook openstaan voor de deelname van derde landen.

Motivering

Het CvdR pleit ervoor alle huidige activiteiten in verband met interregionale samenwerking in component 4 te houden, en daaraan ook samenwerking toe te voegen in het kader van projecten voor de ontwikkeling van innovatieve oplossingen, opschalingsprojecten en projecten om oplossingen over te dragen naar regio’s die met dezelfde structurele handicap kampen.

De Europese territoriale samenwerking moet in het kader van component 4 de geïntegreerde territoriale ontwikkeling, die deel uitmaakt van component 4, blijven ondersteunen, in tegenstelling tot het voorstel van de Commissie om deze mogelijkheid uitsluitend aan het in de EFRO-verordening voorziene „Stedelijk Europa-initiatief” over te laten.

Het Comité is zeer ingenomen met de opzet van het nieuwe initiatief voor investeringen in interregionale innovatie naar het voorbeeld van het Vanguard-initiatief, dat zich vooral zal richten op regio’s met een omvang, een ontwikkelingspotentieel en technisch-economische capaciteiten die bovengemiddeld zijn ten opzichte van andere Europese regio’s.

Wijzigingsvoorstel 6

Nieuwe overweging na overweging 24

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

(24 bis)

Met het oog op de vermindering van de administratieve lasten moeten de Commissie, de lidstaten en de regio’s nauw samenwerken om het beheer en de aanmelding van staatssteun te vereenvoudigen. Verder moet worden onderzocht of ten minste de maatregelen op het gebied van interregionale samenwerking algemeen kunnen worden vrijgesteld van de vereisten van de Europese wetgeving inzake staatssteun.

Motivering

Het proces voor de vereenvoudiging van het beheer van middelen dat de afgelopen jaren is gestart en met de nieuwe voorgestelde verordeningen een hoogtepunt heeft bereikt, moet in de programmerings- en beheersfase worden benut om een eenvoudiger beheer van de middelen te bewerkstelligen.

Wijzigingsvoorstel 7

Nieuwe overweging na overweging 35

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

(36 bis)

De bevordering van Europese territoriale samenwerking was vele jaren een van de belangrijkste prioriteiten van het cohesiebeleid van de EU. Specifieke bepalingen over regionale steun voor investeringen door ondernemingen van elke grootte zijn ook opgenomen in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 en in het deel over regionale steun in de algemene groepsvrijstellingsverordening. Aangezien de steun voor Europese territoriale samenwerking verenigbaar is met de interne markt, moet deze worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting uit hoofde van artikel 108, lid 3, VWEU.

Motivering

Territoriale samenwerking versterkt de interne markt. Volledige afschaffing van de aanmeldingsverplichtingen die voor bepaalde soorten staatssteun nog gelden, zal bijdragen aan vereenvoudiging.

Wijzigingsvoorstel 8

Artikel 1, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 1

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking (Interreg)” met het oog op de bevordering van de samenwerking tussen de lidstaten binnen de Unie en tussen lidstaten en respectievelijk aangrenzende derde landen, partnerlanden, andere gebieden of landen en gebieden overzee (LGO’s).

1.   Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking (Interreg)” met het oog op de bevordering van de samenwerking tussen de lidstaten binnen de Unie en tussen lidstaten en respectievelijk aangrenzende derde landen, partnerlanden, andere gebieden of landen en gebieden overzee (LGO’s) , en een in een regionale organisatie verenigde groep van derde landen .

Motivering

De ultraperifere regio’s, die ver verwijderd zijn van het Europees vasteland, nemen deel aan samenwerkingsverbanden met niet-EU-landen of regionale organisaties. Deze samenwerking is niet beperkt tot samenwerking met aangrenzende landen.

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 2

Artikel 2

Definities

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel [2] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. De volgende definities zijn eveneens van toepassing:

1.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel [2] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. De volgende definities zijn eveneens van toepassing:

1.

„begunstigde van het IPA”: een land of gebied dat is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) [IPA III];

1.

„begunstigde van het IPA”: een land of gebied dat is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) [IPA III];

2.

„derde land”: een land dat geen lidstaat van de Europese Unie is en geen steun ontvangt uit de Interreg-fondsen;

2.

„derde land”: een land dat geen lidstaat van de Europese Unie is en geen steun ontvangt uit de Interreg-fondsen;

3.

„partnerland”: een begunstigde van het IPA of een land of gebied dat wordt bestreken door het „geografische gebied nabuurschapsbeleid” zoals vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) [NDICI] en de Russische Federatie en steun ontvangt van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie;

3.

„partnerland”: een begunstigde van het IPA of een land of gebied dat wordt bestreken door het „geografische gebied nabuurschapsbeleid” zoals vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) [NDICI] en de Russische Federatie en steun ontvangt van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie;

4.

„grensoverschrijdende juridische entiteit”: een juridische entiteit die is opgericht naar het recht van een van de deelnemende landen aan een Interreg-programma, mits deze is opgezet door de territoriale autoriteiten of andere instanties uit ten minste twee deelnemende landen.

4.

„grensoverschrijdende juridische entiteit”: een juridische entiteit , waaronder ook een Euregio of een andere groepering van verschillende lokale en regionale overheden, die is opgericht naar het recht van een van de deelnemende landen aan een Interreg-programma, mits deze is opgezet door de territoriale autoriteiten of andere instanties uit ten minste twee deelnemende landen.

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt, wanneer in de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] wordt verwezen naar een „lidstaat”, dit gelezen als „lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is” en wanneer wordt verwezen naar „elke lidstaat” of „lidstaten”, moet dit worden opgevat als „de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s die deelnemen aan een bepaald Interreg-programma”.

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt, wanneer in de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] wordt verwezen naar een „lidstaat”, dit gelezen als „lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is” en wanneer wordt verwezen naar „elke lidstaat” of „lidstaten”, moet dit worden opgevat als „de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s die deelnemen aan een bepaald Interreg-programma”.

Voor de toepassing van deze verordening moet, wanneer in de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] wordt verwezen naar „de fondsen” als bedoeld in [artikel 1, lid 1, onder a),] van die verordening, of naar het „EFRO”, worden beschouwd dat het respectieve financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie hier eveneens onder valt.

Voor de toepassing van deze verordening moet, wanneer in de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] wordt verwezen naar „de fondsen” als bedoeld in [artikel 1, lid 1, onder a),] van die verordening, of naar het „EFRO”, worden beschouwd dat het respectieve financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie hier eveneens onder valt.

Motivering

Euregio’s en andere groeperingen van verschillende lokale en regionale overheden moeten in deze definitie worden opgenomen.

Wijzigingsvoorstel 10

Artikel 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 3

Artikel 3

Componenten van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking (Interreg)”

Componenten van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking (Interreg)”

In het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking (Interreg)” ondersteunen het EFRO en, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie de volgende componenten:

In het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking (Interreg)” ondersteunen het EFRO en, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie de volgende componenten:

1.

grensoverschrijdende samenwerking tussen aan elkaar grenzende regio’s ter bevordering van de geïntegreerde regionale ontwikkeling (component 1):

1.

grensoverschrijdende samenwerking over land- of zeegrenzen heen tussen grens regio’s ter bevordering van de geïntegreerde regionale ontwikkeling (component 1):

 

a)

interne grensoverschrijdende samenwerking tussen aan land aan elkaar grenzende regio’s van twee of meer lidstaten of tussen aan land aan elkaar grenzende regio’s van ten minste één lidstaat en één of meer derde landen die zijn vermeld in artikel 4, lid 3;

 

a)

interne grensoverschrijdende samenwerking tussen grens regio’s van twee of meer lidstaten of tussen grens regio’s van ten minste één lidstaat en één of meer derde landen die zijn vermeld in artikel 4, lid 3;

 

b)

externe grensoverschrijdende samenwerking tussen aan land aan elkaar grenzende regio’s van ten minste één lidstaat en één of meer van de volgende:

 

b)

externe grensoverschrijdende samenwerking tussen grens regio’s van ten minste één lidstaat en één of meer van de volgende:

 

 

i)

begunstigden van het IPA; of

ii)

partnerlanden die steun ontvangen in het kader van NDICI; of

iii)

de Russische Federatie, teneinde haar deelname mogelijk te maken aan grensoverschrijdende samenwerking die ook door het NDICI wordt ondersteund;

 

 

i)

begunstigden van het IPA; of

ii)

partnerlanden die steun ontvangen in het kader van NDICI; of

iii)

de Russische Federatie, teneinde haar deelname mogelijk te maken aan grensoverschrijdende samenwerking die ook door het NDICI wordt ondersteund;

2.

transnationale samenwerking en maritieme samenwerking over grotere transnationale gebieden of rond zeebekkens, waarbij lokale, regionale en nationale programmapartners in de lidstaten, derde landen, partnerlanden en Groenland betrokken zijn, met het oog op een hogere mate van territoriale integratie („component 2” ; wanneer enkel naar transnationale samenwerking wordt verwezen: „component 2A”; wanneer enkel naar maritieme samenwerking wordt verwezen: „component 2B”) ;

2.

transnationale samenwerking over grotere transnationale gebieden of rond zeebekkens, waarbij lokale, regionale en nationale programmapartners in de lidstaten, derde landen, partnerlanden en Groenland betrokken zijn, met het oog op een hogere mate van territoriale integratie („component 2”);

3.

onderlinge samenwerking tussen ultraperifere gebieden onderling en met een of meer van hun naburige derde landen, partnerlanden of LGO’s, om hun regionale integratie in de regio te vergemakkelijken („component 3”);

3.

onderlinge samenwerking tussen ultraperifere gebieden onderling en met een of meer van hun naburige derde landen, partnerlanden, LGO’s of in een regionale organisatie verenigde groep(en) van derde landen , om hun regionale integratie in de regio te vergemakkelijken („component 3”);

4.

interregionale samenwerking om de effectiviteit van het cohesiebeleid te versterken („component 4”) door het bevorderen van:

4.

interregionale samenwerking om de effectiviteit van het cohesiebeleid te versterken („component 4”) door het bevorderen van:

 

a)

de uitwisseling van ervaringen, innovatieve benaderingen en capaciteitsopbouw in verband met:

 

a)

de uitwisseling van ervaringen, innovatieve benaderingen en capaciteitsopbouw in verband met:

 

 

i)

de uitvoering van Interreg-programma’s;

 

 

i)

de uitvoering van Interreg-programma’s;

 

 

ii)

de uitvoering van programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei”, met name met betrekking tot interregionale en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn;

 

 

ii)

de ontwikkeling van capaciteiten tussen partners in de hele Unie in verband met:

de uitvoering van programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei”, met name met betrekking tot interregionale en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn;

de vaststelling, bekendmaking en overdracht van goede praktijken met betrekking tot maatregelen voor regionale ontwikkeling, met name in operationele programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in werkgelegenheid en groei”;

de vaststelling, bekendmaking en overdracht van goede praktijken met betrekking tot duurzame stedelijke ontwikkeling, met inbegrip van de verbindingen tussen stad en platteland;

 

 

iii)

de oprichting, de werking en het gebruik van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS);

 

 

iii)

de oprichting, de werking en het gebruik van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS);

 

b)

de analyse van ontwikkelingstrends met betrekking tot de doelstellingen „territoriale samenhang”;

 

b)

de analyse van ontwikkelingstrends met betrekking tot de doelstellingen „territoriale samenhang”.

5.

investeringen in interregionale innovatie door commercialisering en opschaling van interregionale innovatieve projecten met het potentieel om de ontwikkeling van Europese waardeketens te stimuleren („component 5”).

 

Motivering

Het CvdR is er voorstander van om maritieme grensoverschrijdende samenwerking weer in component 1 op te nemen en de andere componenten te versterken. Voorgesteld wordt de woorden „aan elkaar grenzende” in punt 1 te schrappen. Daar grensoverschrijdende samenwerking NUTS 3-regio’s zal bestrijken, kan dit gevolgen hebben voor de huidige geografie van sommige grensoverschrijdende programma’s en de gebieden van deze programma’s beperken tot aan elkaar grenzende NUTS 3-regio’s.

Wijzigingsvoorstel 11

Artikel 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 4

Artikel 4

Geografische dekking voor grensoverschrijdende samenwerking

Geografische dekking voor grensoverschrijdende en maritieme samenwerking

1.   Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de door het EFRO te steunen regio’s de regio’s van NUTS-niveau 3 van de Unie aan alle interne en externe land grenzen met derde landen of partnerlanden.

1.   Voor grensoverschrijdende samenwerking over land- en zeegrenzen heen zijn de door het EFRO te steunen regio’s de regio’s van NUTS-niveau 3 van de Unie aan alle interne en externe grenzen met derde landen of partnerlanden , onverminderd eventuele noodzakelijke aanpassingen ter waarborging van de samenhang en continuïteit van de gebieden van de samenwerkingsprogramma’s die voor de programmeringsperiode 2014-2020 zijn vastgesteld .

2.   Regio’s aan maritieme grenzen die door middel van een vaste verbinding over de zee verbonden zijn, worden ook ondersteund in het kader van grensoverschrijdende samenwerking.

2.   Regio’s aan maritieme grenzen die door verkeersverbindingen over zee , over het spoor, door de lucht of over de weg verbonden zijn, worden ook ondersteund in het kader van grensoverschrijdende samenwerking.

3.   Interne programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van Interreg kunnen regio’s in Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk omvatten, die gelijkwaardig zijn aan regio’s van NUTS-niveau 3, alsook Liechtenstein, Andorra en Monaco.

3.   Interne programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van Interreg kunnen regio’s in Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk omvatten, die gelijkwaardig zijn aan regio’s van NUTS-niveau 3, alsook Liechtenstein, Andorra , San Marino en Monaco.

4.    Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de door het IPA III of NDICI te steunen regio’s de regio’s van NUTS-niveau 3 van het betrokken partnerland of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden aan alle landgrenzen tussen lidstaten en partnerlanden die in het kader van IPA III of NDICI in aanmerking komen.

4.     Voor wat betreft maritieme grensoverschrijdende samenwerking voor de programmeringsperiode 2014-2020 zullen de aanpassingen voor 18 bestaande programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking voor deze programmeringsperiode (Twee Zeeën, Botnia-Atlantica, Central Baltic, Estland-Letland, Kanaal, Guadeloupe-Martinique-OECS, Mayotte/Comoren/Madagaskar, Duitsland-Denemarken, Griekenland-Cyprus, Griekenland-Italië, Ierland-Wales, Italië-Kroatië, Frankrijk-Italië (maritiem), Italië-Malta, Madeira-Azoren-Canarische Eilanden (MAC), Noord-Ierland-Schotland, Öresund-Kattegat-Skagerrak, South Baltic) in samenspraak met de betrokken landen, regio’s en andere territoriale bestuurslichamen worden doorgevoerd.

 

5.    Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de door het IPA III of NDICI te steunen regio’s de regio’s van NUTS-niveau 3 van het betrokken partnerland of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden aan alle landgrenzen tussen lidstaten en partnerlanden die in het kader van IPA III of NDICI in aanmerking komen.

Motivering

Het CvdR is er voorstander van om maritieme grensoverschrijdende samenwerking weer in component 1 op te nemen. Het CvdR stelt ook voor het ongegronde criterium dat er een brug moet bestaan om de maritieme grensoverschrijdende samenwerking ten uitvoer te mogen leggen, af te schaffen. In overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel moeten de gebieden voor grensoverschrijdende samenwerking in samenspraak met de betrokken lidstaten, regio’s en andere territoriale bestuurslichamen worden vastgesteld om de continuïteit en samenhang van de huidige programma’s te waarborgen.

Wijzigingsvoorstel 12

Artikel 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 7

Artikel 7

Geografische dekking voor interregionale samenwerking en investeringen in interregionale innovatie

Geografische dekking voor interregionale samenwerking

1.   Voor Interreg-programma’s van component 4 of voor investeringen in interregionale innovatie in het kader van component 5 wordt het gehele grondgebied van de Unie ondersteund door het EFRO.

1.   Voor Interreg-programma’s van component 4 wordt het gehele grondgebied van de Unie ondersteund door het EFRO.

2.   Interreg-programma’s van component 4 kunnen het geheel of een deel van de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde derde landen, partnerlanden, andere gebieden of LGO’s bestrijken, ongeacht of zij worden ondersteund door de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie.

2.   Interreg-programma’s van component 4 kunnen het geheel of een deel van de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde derde landen, partnerlanden, andere gebieden of LGO’s bestrijken, ongeacht of zij worden ondersteund door de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie.

De derde landen kunnen bijdragen tot de financiering hiervan in de vorm van externe bestemmingsontvangsten.

Motivering

Er zal in deze verordening een specifiek hoofdstuk worden gewijd aan alle aspecten van investeringen in interregionale innovatie. Dit wijzigingsvoorstel verduidelijkt dat derde landen aan component 4 kunnen bijdragen door middel van een bijdrage tot de financiering ervan in de vorm van externe bestemmingsontvangsten. Het CvdR is voorstander van de opname van de financiële bijdrage van het Verenigd Koninkrijk via externe bestemmingsontvangsten voor component 4 (interregionale samenwerking) en component 5 (investeringen in interregionale innovatie) en de verdere deelname van de territoriale autoriteiten van derde landen op dezelfde manier.

Wijzigingsvoorstel 13

Artikel 9

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 9

Artikel 9

EFRO-middelen voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking (Interreg)”

EFRO-middelen voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking (Interreg)”

1.     De EFRO-middelen voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking (Interreg)” bedragen 8 430 000 000  EUR van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2021-2027 en die vermeld zijn in artikel [102, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

1.     3 % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting van het Fonds voor de periode 2021-2027 (oftewel een totaal van 10 000 000 000  EUR) zal worden opgenomen uit de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2021-2027 zoals vermeld in artikel [102, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] om de componenten 1 tot en met 4 te financieren .

2.   De in lid 1 bedoelde middelen worden als volgt toegewezen:

2.   De in lid 1 bedoelde middelen worden als volgt toegewezen:

a)

52,7  % (d.w.z. in totaal 4 440 000 000  EUR ) voor grensoverschrijdende samenwerking (component 1);

a)

72,3  % (d.w.z. in totaal 7 236 000 000  EUR ) voor grensoverschrijdende samenwerking over land en zeegrenzen heen (component 1);

b)

31,4  % (d.w.z. in totaal 2 649 900 000  EUR ) voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking (component 2);

b)

19,2  % (d.w.z. in totaal 1 929 000 000  EUR ) voor transnationale samenwerking (component 2);

c)

3,2  % (d.w.z. in totaal 270 100 000  EUR) voor samenwerking tussen ultraperifere gebieden (component 3);

c)

2,9  % (d.w.z. in totaal 272 000 000  EUR ) voor samenwerking tussen ultraperifere gebieden (component 3);

d)

1,2  % (d.w.z. in totaal 100 000 000  EUR ) voor interregionale samenwerking (component 4);

d)

5,6  % (d.w.z. in totaal 563 000 000  EUR ) voor interregionale samenwerking (component 4);

e)

11,5  % (d.w.z. in totaal 970 000 000  EUR) voor investeringen in interregionale innovatie (component 5).

 

3.   De Commissie stelt elke lidstaat op de hoogte van zijn aandeel, opgesplitst naar jaar, van de totale bedragen voor de componenten 1, 2 en 3.

3.   De Commissie stelt elke lidstaat op de hoogte van zijn aandeel, opgesplitst naar jaar, van de totale bedragen voor de componenten 1, 2 en 3.

De bevolkingsomvang in de volgende regio’s wordt gebruikt als criterium voor de verdeling per lidstaat:

De bevolkingsomvang in de volgende regio’s wordt gebruikt als criterium voor de verdeling per lidstaat:

a)

regio’s van NUTS-niveau 3 voor component 1 en de regio’s van NUTS-niveau 3 als bedoeld in artikel 8, lid 2, van de uitvoeringshandeling voor component 2B ;

a)

regio’s van NUTS-niveau 3 voor component 1 als bedoeld in artikel 8, lid 2, van de uitvoeringshandeling;

b)

regio’s van NUTS-niveau 2 voor de componenten 2A en 3.

b)

regio’s van NUTS-niveau 2 voor de componenten 2 en 3.

4.   Elke lidstaat kan tot 15 % van zijn financiële toewijzingen aan elk van de componenten 1, 2 en 3 overdragen van een van deze componenten naar een of meer van de andere componenten.

4.   Elke lidstaat kan tot 15 % van zijn financiële toewijzingen aan elk van de componenten 1, 2 en 3 overdragen van een van deze componenten naar een of meer van de andere componenten.

 

Voor de programma’s voor grensoverschrijdende en maritieme samenwerking waarvan de geplande middelen voor de periode 2021-2027 zijn verlaagd, moeten de betrokken lidstaten EFRO-middelen uit hun nationale toewijzing uittrekken om ervoor te zorgen dat deze programma’s ten minste twee derde van de middelen voor de periode 2014-2020 blijven ontvangen.

5.   Op basis van de volgens lid 3 meegedeelde bedragen deelt elke lidstaat de Commissie mee of en hoe hij gebruik heeft gemaakt van de in lid 4 bedoelde mogelijkheid tot overdracht en vermeldt daarbij de daaruit resulterende verdeling van zijn deel over de Interreg-programma’s waaraan de lidstaat deelneemt.

5.   Op basis van de volgens lid 3 meegedeelde bedragen deelt elke lidstaat , na overleg met de lokale en regionale overheden, de Commissie mee of en hoe hij gebruik heeft gemaakt van de in lid 4 bedoelde mogelijkheid tot overdracht en vermeldt daarbij de daaruit resulterende verdeling van zijn deel over de Interreg-programma’s waaraan de lidstaat deelneemt.

Motivering

Deze wijziging wordt voorgesteld naar aanleiding van de verhoging van de begroting die is voorgesteld door de rapporteurs van de GB-verordening in artikel 104, lid 7 van de nieuwe GB-Verordening (EU) om 2,5 % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit de fondsen te verhogen naar 3,3 % om de in deze verordening genoemde samenwerkingsactiviteiten te financieren. Wij stellen voor 3 % van deze 3,3 % toe te wijzen aan de traditionele activiteiten van de Europese territoriale samenwerking (componenten 1, 2 en 4) en voor de nieuwe component 3. Wij stellen voor de bestaande verdeling van de huidige programmeringsperiode opnieuw te hanteren, oftewel circa 75 % voor grensoverschrijdende samenwerking met inbegrip van maritieme grensoverschrijdende samenwerking, 20 % voor transnationale samenwerking en circa 5 % voor bredere interregionale samenwerking.

De resterende 0,3 % wordt toegewezen aan investeringen in interregionale innovatie, waarbij echter rekening moet worden gehouden met de bijzondere aard van dit nieuwe initiatief, waaraan volgens ons een apart hoofdstuk in deze verordening moet worden gewijd.

Wijzigingsvoorstel 14

Artikel 11

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 11

Artikel 11

Lijst van Interreg-programmamiddelen

Lijst van Interreg-programmamiddelen

1.   Op basis van de informatie die zij op grond van artikel 9, lid 5, van de lidstaten heeft ontvangen, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin een lijst van alle Interreg-programma’s is opgenomen en het totaalbedrag van de totale EFRO-steun voor elk programma en, indien van toepassing, de totale steun uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie is aangegeven. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 63, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

1.   Op basis van de informatie die zij op grond van artikel 9, lid 5, van de lidstaten heeft ontvangen, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin een lijst van alle Interreg-programma’s is opgenomen en het totaalbedrag van de totale EFRO-steun voor elk programma en, indien van toepassing, de totale steun uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie is aangegeven. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 63, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

2.   Die uitvoeringshandeling bevat ook een lijst van de overeenkomstig artikel 9, lid 5, overgemaakte bedragen, uitgesplitst naar lidstaat en naar financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie.

2.   Die uitvoeringshandeling bevat ook een lijst van de overeenkomstig artikel 9, lid 5, overgemaakte bedragen, uitgesplitst naar lidstaat en naar financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie.

 

3.     De lidstaten moeten aangeven hoe lokale en regionale overheden en overige belanghebbenden zijn betrokken bij de ontwikkeling van het programma, overeenkomstig artikel 6 van de gemeenschappelijke bepalingen, dat gaat over partnerschap en multilevel governance.

Wijzigingsvoorstel 15

Artikel 13

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 13

Artikel 13

Medefinancieringspercentage

Medefinancieringspercentage

Het medefinancieringspercentage op het niveau van elk Interreg-programma bedraagt niet meer dan 70 %, tenzij met betrekking tot externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s of Interreg-programma’s van componenten 3 een hoger percentage is vastgesteld in de Verordeningen (EU) [IPA III] of (EU) [NDICI] of Besluit (EU) [OCTP] van de Raad, of in elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld.

Het medefinancieringspercentage op het niveau van elk Interreg-programma bedraagt niet meer dan 85 %, met name met betrekking tot externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s of Interreg-programma’s van component 3 , de kleinschalige projecten die zijn genoemd in de artikelen 16 tot en met 26, Verordeningen (EU) [IPA III] of (EU) [NDICI] of Besluit (EU) [OCTP] van de Raad, of in elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld.

Motivering

Het CvdR zou graag zien dat wordt vastgehouden aan een medefinancieringspercentage van 85 % voor alle projecten, en ten minste voor de kleinste interregionale projecten en met name de in de artikelen 16 tot en met 26 genoemde kleinschalige projecten.

Wijzigingsvoorstel 16

Artikel 14, lid 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

4.   In het kader van de componenten 1, 2 en 3 kunnen het EFRO en, indien toepasselijk, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie ook steun verlenen aan de specifieke doelstelling voor Interreg „een beter bestuur voor Interreg”, met name door middel van de volgende acties:

4.   In het kader van de componenten 1, 2 en 3 kunnen het EFRO en, indien toepasselijk, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie ook steun verlenen aan de specifieke doelstelling voor Interreg „een beter bestuur voor Interreg”, met name door middel van de volgende acties:

a)

onder Interreg-programma’s van component 1 en 2B :

a)

onder Interreg-programma’s van component 1:

 

i)

versterking van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties, met name die welke belast zijn met het beheer van een bepaald gebied, en van de belanghebbenden;

 

i)

versterking van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties, met name die welke belast zijn met het beheer van een bepaald gebied, en van de belanghebbenden;

 

ii)

verbetering van de efficiëntie van het openbaar bestuur door de bevordering van juridische en administratieve samenwerking en samenwerking tussen burgers en instellingen, met name om een oplossing te vinden voor juridische en andere obstakels in grensregio’s;

 

ii)

verbetering van de efficiëntie van het openbaar bestuur door de bevordering van juridische en administratieve samenwerking en samenwerking tussen burgers en instellingen, met name om een oplossing te vinden voor juridische en andere obstakels in grensregio’s en wederzijds vertrouwen op te bouwen, met name door de bevordering van intermenselijke contacten ;

b)

onder Interreg-programma’s van de componenten 1, 2 en 3: verbetering van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties en belanghebbenden bij de uitvoering van macroregionale en zeebekkenstrategieën;

b)

onder Interreg-programma’s van de componenten 1, 2 en 3: verbetering van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties en belanghebbenden bij de uitvoering van macroregionale en zeebekkenstrategieën;

c)

in het kader van de externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s en Interreg-programma’s van component 2 en 3 die worden ondersteund door de Interreg-fondsen, in aanvulling op de punten a) en b): het opbouwen van wederzijds vertrouwen, met name door de bevordering van intermenselijke contacten, de verbetering van duurzame democratie en ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en hun rol bij hervormingsprocessen en democratische transities;

c)

in het kader van de externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s en Interreg-programma’s van component 2 en 3 die worden ondersteund door de Interreg-fondsen, in aanvulling op de punten a) en b): het opbouwen van wederzijds vertrouwen, met name door de verbetering van duurzame democratie en ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en hun rol bij hervormingsprocessen en democratische transities;

Motivering

Het opbouwen van wederzijds vertrouwen en het stimuleren van intermenselijke projecten zijn niet alleen relevant voor externe maar ook voor interne grensoverschrijdende samenwerking en moeten expliciet worden ondersteund.

Wijzigingsvoorstel 17

Artikel 15

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 15

Artikel 15

Thematische concentratie

Thematische concentratie

1.    Ten minste 60 % van de toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand aan elk Interreg-programma in het kader van de componenten 1, 2 en 3, wordt toegewezen aan maximaal drie van de beleidsdoelstellingen die zijn uiteengezet in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

1.    Hoogstens 60 % van de toewijzingen van het EFRO op nationaal en regionaal niveau en, indien van toepassing, van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand aan elk Interreg-programma in het kader van de componenten 1, 2 en 3, wordt toegewezen aan maximaal drie van de beleidsdoelstellingen die zijn uiteengezet in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

2.    E en aanvullende 15 % van de toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand aan elk Interreg-programma in het kader van de componenten 1, 2 en 3, wordt toegewezen aan de specifieke doelstelling voor Interreg „een beter bestuur voor Interreg” of aan de externe specifieke doelstelling voor Interreg „een veiliger, zekerder Europa”.

2.    Hoogstens e en aanvullende 15 % van de toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand aan elk Interreg-programma in het kader van de componenten 1, 2 en 3, kan worden toegewezen aan de specifieke doelstelling voor Interreg „een beter bestuur voor Interreg” en/ of aan de externe specifieke doelstelling voor Interreg „een veiliger, zekerder Europa”. Dit percentage kan hoger zijn dan het maximum van 15 % als zulks noodzakelijk wordt geacht door de partijen die aan de onderhandelingen over het programma deelnemen.

 

Projecten die tot de specifieke doelstelling „een beter bestuur voor Interreg” behoren, kunnen ook worden gefinancierd op grond van Verordening (EU) 2018/XXX [tot vaststelling van het steunprogramma voor hervormingen]. In dat geval geldt voor Verordening (EU) 2018/XXX [Europese territoriale samenwerking] de functie van hoofdfonds.

3.   Wanneer een Interreg-programma van component 2A een macroregionale strategie ondersteunt, worden de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de doelstellingen van die strategie.

3.   Wanneer een Interreg-programma van component 2 een macroregionale strategie ondersteunt, worden de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de doelstellingen van die strategie.

4.   Wanneer een Interreg-programma van component 2B een macroregionale strategie of zeegebiedstrategie ondersteunt, wordt ten minste 70 % van de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de doelstellingen van die strategie.

4.   Wanneer een Interreg-programma van component 1 een macroregionale strategie of zeegebiedstrategie ondersteunt, wordt in de regel ten minste 70 % van de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de doelstellingen van die strategie. In onderlinge overeenstemming met de Commissie kunnen er andere percentages worden vastgesteld.

5.   Voor Interreg-programma’s van component 4 worden de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de specifieke doelstelling voor Interreg „een beter bestuur voor Interreg”.

5.   Voor Interreg-programma’s van component 4 worden de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de specifieke doelstelling voor Interreg „een beter bestuur voor Interreg”.

Motivering

Eerlijkheidshalve kan niet aan alle regio’s in Europa worden gevraagd om naast de technische bijstand hetzelfde vaste percentage toe te kennen aan „een beter bestuur voor Interreg”.

Regio’s die Europese territoriale samenwerking als instrument ter bevordering van goed bestuur en structurele hervormingen willen inzetten, moeten echter gebruik kunnen blijven maken van de aanvullende steun uit het nieuwe steunprogramma voor hervormingen.

Het CvdR is er voorstander van dat de macroregionale strategieën worden gesteund door de componenten 1 en 2.

Wijzigingsvoorstel 18

Nieuw hoofdstuk toevoegen na hoofdstuk II

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

HOOFDSTUK III

Investeringen in interregionale innovatie

Artikel 15 bis

Investeringen in interregionale innovatie

1.     0,3  % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting van het Fonds voor de periode 2021-2027 (oftewel een totaal van 970 000 000  EUR) is bestemd voor investeringen in interregionale innovatie en zal worden toegewezen aan commercialisering en opschaling van interregionale innovatieve projecten met het potentieel om de ontwikkeling van Europese waardeketens te stimuleren. Aanvullende middelen uit Horizon Europa [voorstel voor een Verordening (EU) 2018/XXX] kunnen rechtstreeks of via de methode van het hoofdfonds naar de begroting worden overgedragen.

2.     Investeringen in interregionale innovatie zijn bestemd voor de volgende activiteiten:

a)

commercialisering en opschaling van gemeenschappelijke innovatieve projecten met het potentieel om de ontwikkeling van Europese waardeketens te stimuleren;

b)

het bijeenbrengen van onderzoekers, ondernemingen, het maatschappelijk middenveld en overheidsinstanties die betrokken zijn bij strategieën voor slimme specialisatie die op nationaal of regionaal niveau zijn vastgesteld;

c)

proefprojecten om nieuwe oplossingen voor regionale en lokale ontwikkeling vast te stellen of te testen op basis van strategieën voor slimme specialisatie;

d)

uitwisselingen van ervaringen op het gebied van innovatie met het doel om de verworven ervaring op het gebied van regionale of lokale ontwikkeling te benutten.

3.     Voor investeringen in interregionale innovatie wordt het gehele grondgebied van de Unie ondersteund door het EFRO.

4.     De uitwerking en indiening van investeringen in interregionale innovatie vinden plaats in direct beheer.

5.     Met inachtneming van het beginsel van Europese territoriale samenhang kunnen regio’s die onder het gemiddelde van de „European Regional Competitiveness Index” 2013-2016 scoren, regio’s die onder artikel 174 vallen en ultraperifere regio” in het kader van de regeling inzake investeringen in interregionale innovatie profiteren van een hoger EFRO-medefinancieringspercentage dat 85 tot 100 % kan bedragen. Deze aansporing tot de bevordering van investeringen in interregionale innovatie in regio’s met een structurele handicap moet:

a)

die regio’s in staat stellen tot de gemeenschappelijke ontwikkeling van innovatieve investeringsprojecten met een sterk potentieel voor overdracht en repliceerbaarheid naar andere gebieden met dezelfde structurele handicaps;

b)

gericht zijn op stimulering van innovatieprocessen in regionale economieën met structurele geografische en demografische handicaps, op een optimaal gebruik van de lokale rijkdommen, ondersteuning van het gebruik van hernieuwbare energie, afvalverwerking en waterbeheer, bevordering van het culturele en natuurlijke erfgoed en de totstandbrenging van een circulaire economie; de term innovatie heeft hier betrekking op technologische, organisatorische, sociale en ecologische innovatie.

c)

die regio’s in staat stellen om een beroep te doen op technologieplatforms die door meer concurrerende regio’s worden gedragen en zo een interregionale overdracht van technologie en kennis mogelijk maken en bijdragen tot een betere interregionale integratie.

6.     Derde landen kunnen deelnemen mits zij bijdragen tot de financiering in de vorm van externe bestemmingsontvangsten.

Motivering

Het invoeren van „Investeringen in interregionale innovatie” is een van de meest welkome toevoegingen in de nieuwe programmeringsperiode, maar dit instrument verschilt sterk van de Europese territoriale samenwerking. Om die reden en om het specifieke belang ervan te benadrukken stellen wij voor om voor Investeringen in interregionale innovatie een apart hoofdstuk en artikel op te stellen waarin de diverse, over de ontwerpverordening verspreide bepalingen worden bijeengebracht.

Wij stellen tevens voor om de begroting ervan te verhogen met een specifieke reserve van 0,3 % van de cohesiebegroting door aanvullende overdrachten mogelijk te maken. Met het oog op eerbiediging van het beginsel van Europese territoriale samenhang moet tot slot een deel van de middelen worden toegekend aan regio’s die nog niet tot de meest innovatieve regio’s van de EU behoren.

Om te voorkomen dat de ongelijkheden op het gebied van innovatie of concurrentievermogen verder groeien, is het bovendien nodig innovatie te bevorderen in gebieden met ernstige beperkingen en/of met een concurrentievermogen dat lager is dan het EU-gemiddelde.

Met dit voorstel worden de aanbevelingen van onder andere de adviezen Maupertuis (2017), Herrera Campo (2016), Osvald (2012), Karácsony (2018) in de verordening „Europese territoriale samenwerking” verwerkt.

Wijzigingsvoorstel 19

Artikel 16

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 16

Artikel 16

Voorbereiding en indiening van Interreg-programma’s

Voorbereiding en indiening van Interreg-programma’s

1.   De doelstelling „Europese territoriale samenwerking (Interreg)” wordt uitgevoerd via Interreg-programma’s in gedeeld beheer, met uitzondering van programma’s van component 3, die geheel of gedeeltelijk in indirect beheer kunnen worden uitgevoerd , en programma’s van component 5 die in direct of indirect beheer worden uitgevoerd .

1.   De doelstelling „Europese territoriale samenwerking (Interreg)” wordt uitgevoerd via Interreg-programma’s in gedeeld beheer, met uitzondering van programma’s van component 3, die geheel of gedeeltelijk in indirect beheer kunnen worden uitgevoerd.

2.   De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s stellen een Interreg-programma op overeenkomstig het model zoals vermeld in de bijlage voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.

2.   De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s stellen een Interreg-programma op overeenkomstig het model zoals vermeld in de bijlage voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.

3.   De deelnemende lidstaten bereiden een Interreg-programma voor in samenwerking met de programmapartners als bedoeld in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

De deelnemende derde landen, partnerlanden of LGO’s betrekken, indien van toepassing, hier eveneens de programmapartners bij die gelijkwaardig zijn aan die waarnaar in dat artikel wordt verwezen.

3.   De deelnemende lidstaten bereiden een Interreg-programma voor in samenwerking met de programmapartners als bedoeld in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

De deelnemende derde landen, partnerlanden of LGO’s betrekken, indien van toepassing, hier eveneens de programmapartners bij die gelijkwaardig zijn aan die waarnaar in dat artikel wordt verwezen.

 

Bij de voorbereiding van Interreg-programma’s die met macroregionale strategieën of zeegebiedstrategieën verband houden, moeten de lidstaten en de programmapartners de thematische prioriteiten van de macroregionale strategieën en de zeegebiedstrategieën in aanmerking nemen en de betrokken actoren raadplegen.

4.   De lidstaat waar de kandidaat-beheersautoriteit gevestigd is, dient een Interreg-programma uiterlijk [datum van inwerkingtreding plus negen maanden;] in bij de Commissie namens alle deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s.

4.   De lidstaat waar de kandidaat-beheersautoriteit gevestigd is, dient een Interreg-programma of meerdere Interreg-programma’s aan de betreffende land- of zeegrens uiterlijk [datum van inwerkingtreding plus negen maanden;] in bij de Commissie namens alle deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s.

Een Interreg-programma dat steun wordt ondersteund door een extern financieringsinstrument van de Unie, wordt uiterlijk zes maanden na de goedkeuring door de Commissie van de desbetreffende strategische programmeringsdocumenten uit hoofde van artikel 10, lid 1, of indien dit vereist is uit hoofde van de respectieve basishandeling van een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, ingediend door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is.

Een Interreg-programma dat steun wordt ondersteund door een extern financieringsinstrument van de Unie, wordt uiterlijk zes maanden na de goedkeuring door de Commissie van de desbetreffende strategische programmeringsdocumenten uit hoofde van artikel 10, lid 1, of indien dit vereist is uit hoofde van de respectieve basishandeling van een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, ingediend door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is.

5.   De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s bevestigen schriftelijk hun instemming met de inhoud van een Interreg-programma voordat het bij de Commissie wordt ingediend. Deze instemming omvat ook een verbintenis van alle deelnemende lidstaten en indien van toepassing, van derde landen, partnerlanden of LGO’s, om de nodige medefinanciering voor de uitvoering van het Interreg-programma te verstrekken evenals, indien van toepassing, de toezegging voor een financiële bijdrage van de betreffende derde landen, partnerlanden of LGO’s.

5.   De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s bevestigen schriftelijk hun instemming met de inhoud van een Interreg-programma voordat het bij de Commissie wordt ingediend. Deze instemming omvat ook een verbintenis van alle deelnemende lidstaten en indien van toepassing, van derde landen, partnerlanden of LGO’s, om de nodige medefinanciering voor de uitvoering van het Interreg-programma te verstrekken evenals, indien van toepassing, de toezegging voor een financiële bijdrage van de betreffende derde landen, partnerlanden of LGO’s.

In afwijking van de eerste alinea worden voor Interreg-programma’s waarbij ultraperifere gebieden en derde landen, partnerlanden of LGO’s betrokken zijn, de respectieve derde landen, partnerlanden of LGO’s door de betrokken lidstaten geraadpleegd voordat de Interreg-programma’s bij de Commissie worden ingediend. In dit geval mag de instemming met de inhoud van de Interreg-programma’s en de eventuele bijdrage van de derde landen, partnerlanden of LGO’s ook worden vastgelegd in de formeel goedgekeurde notulen van de overlegvergaderingen met de derde landen, partnerlanden of LGO’s of van de beraadslagingen van de regionale samenwerkingsorganisaties .

In afwijking van de eerste alinea worden voor Interreg-programma’s waarbij ultraperifere gebieden en derde landen, partnerlanden of LGO’s betrokken zijn, de respectieve derde landen, partnerlanden of LGO’s door de betrokken lidstaten geraadpleegd voordat de Interreg-programma’s bij de Commissie worden ingediend. In dit geval mag de instemming met de inhoud van de Interreg-programma’s en de eventuele bijdrage van de derde landen, partnerlanden of LGO’s ook worden vastgelegd in de formeel goedgekeurde notulen van de overlegvergaderingen met de derde landen, partnerlanden of LGO’s of meerdere Interreg-programma’s aan de betreffende land- of zeegrens .

6.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 62 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlage te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de veranderingen die zich tijdens de programmeringsperiode voor niet-essentiële elementen daarvan voordoen.

6.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 62 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlage te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de veranderingen die zich tijdens de programmeringsperiode voor niet-essentiële elementen daarvan voordoen.

Motivering

Het partnerschapsbeginsel moet worden toegepast om te zorgen voor samenhang tussen de diverse activiteiten van de grensoverschrijdende samenwerking. Het CvdR is er voorstander van om maritieme grensoverschrijdende samenwerking weer in component 1 op te nemen.

Wijzigingsvoorstel 20

Artikel 19

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 19

Artikel 19

Wijziging van Interreg-programma’s

Wijziging van Interreg-programma’s

1.   De lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is, kan een gemotiveerd verzoek tot wijziging van een Interreg-programma indienen samen met het gewijzigde programma waarin wordt uiteengezet wat het verwachte effect van die wijziging op de verwezenlijking van de doelstellingen is.

1.   De lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is, kan na raadpleging van de lokale en regionale overheden en in overeenstemming met artikel 6 van de GB-verordening een gemotiveerd verzoek tot wijziging van een Interreg-programma indienen samen met het gewijzigde programma waarin wordt uiteengezet wat het verwachte effect van die wijziging op de verwezenlijking van de doelstellingen is

2.   De Commissie beoordeelt de mate waarin de wijziging Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], Verordening (EU) [EFRO] en deze verordening nakomt en kan binnen drie maanden na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.

2.   De Commissie beoordeelt de mate waarin de wijziging Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], Verordening (EU) [EFRO] en deze verordening nakomt en kan binnen drie maanden na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.

3.   Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s evalueren het gewijzigde programma, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie.

3.   Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s evalueren het gewijzigde programma, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie.

4.   De Commissie keurt de wijziging van een Interreg-programma uiterlijk zes maanden na de indiening ervan door de lidstaat, goed.

4.   De Commissie keurt de wijziging van een Interreg-programma uiterlijk zes maanden na de indiening ervan door de lidstaat, goed.

5.   De lidstaat kan tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 5 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 3 % van de programmabegroting overdragen naar een andere prioriteit van hetzelfde Interreg-programma.

5.   De lidstaat kan tijdens de programmeringsperiode na raadpleging van de lokale en regionale overheden en in overeenstemming met artikel 6 van de GB-verordening een bedrag van maximaal 5 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 3 % van de programmabegroting overdragen naar een andere prioriteit van hetzelfde Interreg-programma.

Dergelijke overdrachten hebben geen gevolgen voor de voorgaande jaren.

Dergelijke overdrachten hebben geen gevolgen voor de voorgaande jaren.

Zij worden beschouwd als niet-ingrijpend en vergen geen besluit van de Commissie tot wijziging van het Interreg-programma. Zij moeten echter wel voldoen aan alle regelgeving. De beheersautoriteit dient bij de Commissie de in artikel 17, lid 4, onder g), ii), bedoelde herziene tabel in.

Zij worden beschouwd als niet-ingrijpend en vergen geen besluit van de Commissie tot wijziging van het Interreg-programma. Zij moeten echter wel voldoen aan alle regelgeving. De beheersautoriteit dient bij de Commissie de in artikel 17, lid 4, onder g), ii), bedoelde herziene tabel in.

6.   Voor het corrigeren van tikfouten of louter redactionele wijzigingen die de uitvoering van het Interreg-programma niet beïnvloeden, is geen goedkeuring van de Commissie vereist. De beheersautoriteit stelt de Commissie van dergelijke correcties in kennis.

6.   Voor het corrigeren van tikfouten of louter redactionele wijzigingen die de uitvoering van het Interreg-programma niet beïnvloeden, is geen goedkeuring van de Commissie vereist. De beheersautoriteit stelt de Commissie van dergelijke correcties in kennis.

Motivering

Bij wijzigingen van de programma’s moet het partnerschapsbeginsel in acht worden genomen.

Wijzigingsvoorstel 21

Artikel 24

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 24

Artikel 24

Fonds voor kleinschalige projecten

Fonds voor kleinschalige projecten

1.   De bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie aan een fonds voor kleinschalige projecten in het kader van een Interreg-programma mag niet meer bedragen dan 20 000 000  EUR of, als dat minder is, 15 % van de totale toewijzing aan het Interreg-programma.

1.   De bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie aan een fonds voor kleinschalige projecten in het kader van een Interreg-programma mag niet meer bedragen dan 20 000 000  EUR of, als dat minder is, 15 % van de totale toewijzing aan het Interreg-programma. Binnen een Interreg-programma kunnen verschillende fondsen voor kleinschalige projecten worden opgezet.

De eindontvangers van een fonds voor kleinschalige projecten ontvangen steun uit het EFRO, of indien van toepassing, uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie via de begunstigde en voeren de kleinschalige projecten uit binnen dat fonds voor kleinschalige projecten („kleinschalige project”).

De eindontvangers van een fonds voor kleinschalige projecten ontvangen steun uit het EFRO, of indien van toepassing, uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie via de begunstigde en voeren de kleinschalige projecten uit binnen dat fonds voor kleinschalige projecten („kleinschalige project”).

2.   De begunstigde van een fonds voor kleinschalige projecten is een grensoverschrijdende juridische entiteit of een EGTS.

2.   De begunstigde van een fonds voor kleinschalige projecten is een grensoverschrijdende juridische entiteit, een EGTS , een Euregio, een juridische entiteit van een ultraperifere regio of een ander consortium van verschillende regionale of lokale overheden .

3.   In het document waarin de voorwaarden voor de steun aan een fonds voor kleinschalige projecten worden, naast de in artikel 22, lid 6 neergelegde elementen, de elementen vastgesteld die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de begunstigde:

3.   In het document waarin de voorwaarden voor de steun aan een fonds voor kleinschalige projecten worden, naast de in artikel 22, lid 6 neergelegde elementen, de elementen vastgesteld die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de begunstigde:

a)

een niet-discriminerende en transparante selectieprocedure vaststelt;

a)

een niet-discriminerende en transparante selectieprocedure vaststelt;

b)

objectieve criteria voor de selectie van kleinschalige projecten toepast, waarbij belangenconflicten worden vermeden;

b)

objectieve criteria voor de selectie van kleinschalige projecten toepast, waarbij belangenconflicten worden vermeden;

c)

steunaanvragen beoordeelt;

c)

steunaanvragen beoordeelt;

d)

projecten selecteert en het steunbedrag voor elk kleinschalig project vaststelt;

d)

projecten selecteert en het steunbedrag voor elk kleinschalig project vaststelt;

e)

verantwoordelijk is voor de uitvoering van de concrete actie en op zijn niveau alle bewijsstukken bewaart die nodig zijn voor het auditspoor overeenkomstig bijlage [XI] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening];

e)

verantwoordelijk is voor de uitvoering van de concrete actie en op zijn niveau alle bewijsstukken bewaart die nodig zijn voor het auditspoor overeenkomstig bijlage [XI] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening];

f)

de lijst van de eindontvangers die profiteren van de concrete actie, bekendmaakt.

f)

de lijst van de eindontvangers die profiteren van de concrete actie, bekendmaakt.

De begunstigde zorgt ervoor dat de eindontvangers voldoen aan de in artikel 35 vastgestelde vereisten.

De begunstigde zorgt ervoor dat de eindontvangers voldoen aan de in artikel 35 vastgestelde vereisten.

4.   De selectie van kleine projecten wordt niet beschouwd als het delegeren van taken door de beheersautoriteit aan een intermediaire instantie als bedoeld in artikel [65, lid 3,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

4.   De selectie van kleine projecten wordt niet beschouwd als het delegeren van taken door de beheersautoriteit aan een intermediaire instantie als bedoeld in artikel [65, lid 3,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

5.   Personeelskosten en indirecte kosten die op het niveau van de begunstigde worden gemaakt voor het beheer van het fonds voor kleinschalige projecten, bedragen ten hoogste 20 % van de totale subsidiabele kosten van het respectieve fonds voor kleinschalige projecten.

5.   Personeelskosten en indirecte kosten die op het niveau van de begunstigde worden gemaakt voor het beheer van het fonds voor kleinschalige projecten, bedragen ten hoogste 20 % van de totale subsidiabele kosten van het respectieve fonds voor kleinschalige projecten.

6.   Wanneer de overheidsbijdrage aan een klein project niet meer bedraagt dan 100 000  EUR, bestaat de bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie uit eenheidskosten of vaste bedragen of bevat deze vaste percentages, behalve voor projecten waarvoor de steun staatssteun vormt.

6.   Wanneer de overheidsbijdrage aan een klein project niet meer bedraagt dan 100 000  EUR, bestaat de bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie uit eenheidskosten of vaste bedragen of bevat deze vaste percentages. Bij aanvullende nationale controles en audits moet dit beginsel van vereenvoudigde kosten in acht worden genomen en mag niet worden verlangd dat de begunstigde bewijsstukken met betrekking tot alle projectkosten overlegt.

Indien er gebruik wordt gemaakt van financiering volgens een vast percentage, mogen de kostencategorieën waarop de vaste percentages van toepassing zijn, worden terugbetaald in overeenstemming met [artikel 48, lid 1, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

Indien er gebruik wordt gemaakt van financiering volgens een vast percentage, mogen de kostencategorieën waarop de vaste percentages van toepassing zijn, worden terugbetaald in overeenstemming met [artikel 48, lid 1, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

Wijzigingsvoorstel 22

Artikel 26

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 26

Artikel 26

Technische bijstand

Technische bijstand

1.   Technische bijstand voor elk Interreg-programma wordt vergoed volgens een vast percentage door de in lid 2 vermelde percentages toe te passen op de subsidiabele uitgaven die in iedere betalingsaanvraag zijn opgenomen krachtens [artikel 85, lid 3, onder a) of onder c),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

1.   Technische bijstand voor elk Interreg-programma wordt vergoed volgens een vast percentage door de in lid 2 vermelde percentages toe te passen op de subsidiabele uitgaven die in iedere betalingsaanvraag zijn opgenomen krachtens [artikel 85, lid 3, onder a) of onder c),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

2.   Het percentage dat uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie wordt vergoed voor technische bijstand, is als volgt:

2.   Het percentage dat uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie wordt vergoed voor technische bijstand, is als volgt:

a)

voor interne Interreg-programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking die worden gesteund door het EFRO: 6 % ;

a)

voor interne Interreg-programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking die worden gesteund door het EFRO: 8 % ;

b)

voor externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s die worden gesteund door het IPA III CBC of NDICI CBC: 10 %;

b)

voor externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s die worden gesteund door het IPA III CBC of NDICI CBC: 10 %;

c)

voor Interreg-programma’s van component 2, 3 en 4 voor zowel het EFRO als, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie: 7 % ;

c)

voor Interreg-programma’s van component 2, 3 en 4 voor zowel het EFRO als, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie: 8 % ;

 

d)

voor Interreg-programma’s van component 3 voor het EFRO: 10 %.

3.   Voor Interreg-programma’s met een totale toewijzing van 30 000 000  EUR tot 50 000 000  EUR wordt het bedrag dat resulteert uit het percentage voor technische bijstand, verhoogd met een aanvullend bedrag van 500 000  EUR. De Commissie voegt dat bedrag toe aan de eerste tussentijdse betaling.

3.   Voor Interreg-programma’s met een totale toewijzing van 30 000 000  EUR tot 50 000 000  EUR wordt het bedrag dat resulteert uit het percentage voor technische bijstand, verhoogd met een aanvullend bedrag van 500 000  EUR. De Commissie voegt dat bedrag toe aan de eerste tussentijdse betaling.

4.   Voor Interreg-programma’s met een totale toewijzing van minder dan 30 000 000  EUR worden het in EUR uitgedrukte bedrag dat nodig is voor technische bijstand, en het daaruit resulterende percentage vastgesteld in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het betrokken Interreg-programma.

4.   Voor Interreg-programma’s met een totale toewijzing van minder dan 30 000 000  EUR worden het in EUR uitgedrukte bedrag dat nodig is voor technische bijstand, en het daaruit resulterende percentage vastgesteld in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het betrokken Interreg-programma.

Wijzigingsvoorstel 23

Artikel 45

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 45

Artikel 45

Functies van de beheersautoriteit

Functies van de beheersautoriteit

1.   De beheersautoriteit van een Interreg-programma vervult de functies die zijn vastgesteld in de artikelen [66], [68] en [69] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], met uitzondering van de selectie van concrete acties als bedoeld in artikel 66, lid 1, onder a) en artikel 67 en de betalingen aan begunstigden als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder b). Deze taken worden uitgevoerd in het hele grondgebied dat door dat programma wordt bestreken, behoudens afwijkingen die in hoofdstuk VIII van deze verordening zijn vastgesteld.

1.   De beheersautoriteit van een Interreg-programma vervult de functies die zijn vastgesteld in de artikelen [66], [68] en [69] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], met uitzondering van de selectie van concrete acties als bedoeld in artikel 66, lid 1, onder a) en artikel 67 en de betalingen aan begunstigden als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder b). Deze taken worden uitgevoerd in het hele grondgebied dat door dat programma wordt bestreken, behoudens afwijkingen die in hoofdstuk VIII van deze verordening zijn vastgesteld.

2.   De beheersautoriteit stelt na overleg met de aan het Interreg-programma deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s een gezamenlijk secretariaat in met personeel, rekening houdend met het partnerschap van het programma.

Het gezamenlijke secretariaat verleent de beheersautoriteit en het toezichtcomité bijstand bij de uitvoering van hun respectieve functies. Het gezamenlijke secretariaat verstrekt ook informatie aan potentiële begunstigden over financieringsmogelijkheden in het kader van Interreg-programma’s en verleent bijstand aan de begunstigden en partners bij de uitvoering van concrete acties.

2.   De beheersautoriteit stelt na overleg met de aan het Interreg-programma deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s een gezamenlijk secretariaat in met personeel, rekening houdend met het partnerschap van het programma.

Het gezamenlijke secretariaat verleent de beheersautoriteit en het toezichtcomité bijstand bij de uitvoering van hun respectieve functies. Het gezamenlijke secretariaat verstrekt ook informatie aan potentiële begunstigden over financieringsmogelijkheden in het kader van Interreg-programma’s en verleent bijstand aan de begunstigden en partners bij de uitvoering van concrete acties.

3.    In afwijking van [artikel 70, lid 1, onder c),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] worden in een andere valuta dan de euro gedane uitgaven door de begunstigden in euro omgerekend aan de hand van de maandelijkse boekhoudkundige wisselkoers voor de euro van de Commissie in de maand waarin die uitgaven overeenkomstig [artikel 68, lid 1, onder a),] van die verordening ter controle zijn voorgelegd aan de beheersautoriteit.

3.     Als de beheersautoriteit de verificaties uit hoofde van [punt a) van artikel 68, lid 1] van Verordening (EU) [nieuwe VGB] niet in het gehele programmagebied verricht, wijst elke lidstaat en, indien van toepassing, derde land, partnerland of LGO die aan het Interreg-programma deelneemt, de instantie of persoon aan die verantwoordelijk is voor het verrichten van die verificaties ten aanzien van de begunstigden op zijn grondgebied („controleur(s)”).

 

4.    In afwijking van [artikel 70, lid 1, onder c),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] worden in een andere valuta dan de euro gedane uitgaven door de begunstigden in euro omgerekend aan de hand van de maandelijkse boekhoudkundige wisselkoers voor de euro van de Commissie in de maand waarin die uitgaven overeenkomstig [artikel 68, lid 1, onder a),] van die verordening ter controle zijn voorgelegd aan de beheersautoriteit.

Motivering

Indien schrapping van lid 6 van artikel 44 niet wordt aanvaard, is dit een alternatieve oplossing voor de kwestie van de controleurs om ervoor te zorgen dat de huidige systemen van beheersverificaties, die in sommige programma’s al voor drie programmeringsperioden worden gebruikt, niet hoeven te worden afgeschaft.

Wijzigingsvoorstel 24

Artikel 49

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 49

Artikel 49

Betalingen en voorfinanciering

Betalingen en voorfinanciering

1.   De EFRO-steun en, indien van toepassing, de steun uit de instrumenten voor financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor elk Interreg-programma worden, overeenkomstig artikel 46, lid 2, op één enkele rekening zonder nationale subrekeningen betaald.

1.   De EFRO-steun en, indien van toepassing, de steun uit de instrumenten voor financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor elk Interreg-programma worden, overeenkomstig artikel 46, lid 2, op één enkele rekening zonder nationale subrekeningen betaald.

2.   De Commissie keert voorfinanciering uit op basis van de totale steun uit elk Interreg-fonds, zoals uiteengezet in het besluit tot goedkeuring van elk Interreg-programma uit hoofde van artikel 18, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van middelen, in jaarlijkse tranches als volgt en vóór 1 juli van de jaren 2022 tot en met 2026, of in het jaar van het goedkeuringsbesluit, uiterlijk 60 dagen nadat dit besluit wordt aangenomen:

2.   De Commissie keert voorfinanciering uit op basis van de totale steun uit elk Interreg-fonds, zoals uiteengezet in het besluit tot goedkeuring van elk Interreg-programma uit hoofde van artikel 18, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van middelen, in jaarlijkse tranches als volgt en vóór 1 juli van de jaren 2022 tot en met 2026, of in het jaar van het goedkeuringsbesluit, uiterlijk 60 dagen nadat dit besluit wordt aangenomen:

a)

2021: 1 % ;

a)

2021: 2 % ;

b)

2022: 1 % ;

b)

2022: 0,8  % ;

c)

2023: 1 % ;

c)

2023: 0,8  % ;

d)

2024: 1 % ;

d)

2024: 0,8  % ;

e)

2025: 1 % ;

e)

2025: 0,8  % ;

f)

2026: 1 % ;

f)

2026: 0,8  % ;

3.   Indien externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s worden ondersteund door het EFRO en het IPA III CBC of het NDICI CBC, wordt de voorfinanciering voor alle fondsen die een dergelijk Interreg-programma ondersteunen, verricht overeenkomstig Verordening (EU) [IPA III] of [NDICI] of elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld.

3.   Indien externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s worden ondersteund door het EFRO en het IPA III CBC of het NDICI CBC, wordt de voorfinanciering voor alle fondsen die een dergelijk Interreg-programma ondersteunen, verricht overeenkomstig Verordening (EU) [IPA III] of [NDICI] of elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld.

Het bedrag van de voorfinanciering kan in twee tranches worden uitgekeerd, indien dat nodig is voor de begroting.

Het bedrag van de voorfinanciering kan in twee tranches worden uitgekeerd, indien dat nodig is voor de begroting.

Het totaalbedrag dat als voorfinanciering is uitgekeerd, wordt aan de Commissie terugbetaald indien geen enkele betalingsaanvraag voor het voor grensoverschrijdende Interreg-programma is toegezonden binnen een termijn van 24 maanden, te rekenen vanaf de uitkering van het eerste gedeelte van de voorfinanciering door de Commissie. Een dergelijke terugbetaling wordt beschouwd als interne bestemmingsontvangsten en brengt geen verlaging mee van de steun uit het EFRO, IPA III CBC of NDICI CBC aan het programma.

Het totaalbedrag dat als voorfinanciering is uitgekeerd, wordt aan de Commissie terugbetaald indien geen enkele betalingsaanvraag voor het voor grensoverschrijdende Interreg-programma is toegezonden binnen een termijn van 24 maanden, te rekenen vanaf de uitkering van het eerste gedeelte van de voorfinanciering door de Commissie. Een dergelijke terugbetaling wordt beschouwd als interne bestemmingsontvangsten en brengt geen verlaging mee van de steun uit het EFRO, IPA III CBC of NDICI CBC aan het programma.

Motivering

Het CvdR stelt voor om het voorfinancieringspercentage in het eerste jaar van de programmeringsperiode te verdubbelen teneinde een sterke bijdrage te leveren aan de start van de programma’s. Dit wordt gecompenseerd door een navenante verlaging in de volgende jaren.

Wijzigingsvoorstel 25

Artikel 61

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 61

Investeringen in interregionale innovatie

Op initiatief van de Commissie kan het EFRO steun verlenen aan investeringen in interregionale innovatie, zoals omschreven in artikel 3, lid 5, waarbij onderzoekers, bedrijven, het maatschappelijk middenveld en overheden samen worden gebracht die betrokken zijn bij op nationaal of regionaal niveau vastgestelde strategieën voor slimme specialisatie.

 

Motivering

Gezien het belang en de bijzondere aard van investeringen in interregionale innovatie wordt voorgesteld om hieraan een apart hoofdstuk te wijden.

Wijzigingsvoorstel 26

Nieuw artikel invoegen na artikel 62

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Artikel 62 bis

Vrijstelling van de aanmeldingsverplichting uit hoofde van artikel 108, lid 3, VWEU

Steun voor projecten in het kader van Europese territoriale samenwerking is vrijgesteld van het toezicht op staatssteun en is niet onderworpen aan de aanmeldingsverplichting uit hoofde van artikel 108, lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Motivering

Territoriale samenwerking versterkt de interne markt. Volledige afschaffing van de aanmeldingsverplichtingen die voor bepaalde soorten staatssteun nog gelden, zal bijdragen aan vereenvoudiging.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

is bijzonder ingenomen met het voorstel voor de nieuwe verordening „Europese territoriale samenwerking” voor de programmeringsperiode 2021-2027 en verheugt zich over de zichtbaarheid die aan dit beleid, dat aan de basis van de Unie ligt, wordt gegeven middels een specifieke verordening, hoewel het nog steeds door het EFRO wordt gefinancierd.

2.

Het CvdR is daarnaast ook verheugd dat, met het oog op vereenvoudiging en optimale synergie, in de verordening „Europese territoriale samenwerking” verordeningen zijn opgenomen die van toepassing zijn op de toekomstige financieringsinstrumenten voor extern optreden van de EU.

3.

Het CvdR steunt het nieuwe mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen. De Europese territoriale samenwerking moet dit nieuwe mechanisme ondersteunen (1).

4.

De erkenning van de specifieke behoeften van de ultraperifere gebieden via de nieuwe component 3 wordt door het CvdR toegejuicht.

5.

Daarnaast kan de invoering van investeringen in interregionale innovatie, zoals gespecificeerd in component 5 ook op veel bijval rekenen.

6.

Het is echter jammer dat de Commissie een vermindering van de begroting voor Europese territoriale samenwerking met 1,847 miljard EUR (in constante prijzen in 2018), oftewel – 18 % voorstelt. Deze vermindering is bijna dubbel zo groot als de vermindering van de begroting als gevolg van de brexit en leidt ertoe dat het aandeel van Europese territoriale samenwerking in de cohesiebegroting afneemt van 2,75 % naar 2,5 %.

7.

Voorts betreurt het CvdR het dat component 1 „grensoverschrijdende samenwerking” (zonder maritieme samenwerking) wordt verminderd met 3,171 miljard EUR (– 42 %), en dat de klassieke component 4 „interregionale samenwerking” (Interreg Europa, Urbact, Espon, Interact) wordt verminderd met 474 miljoen EUR (– 83 %).

8.

Ondanks het belang van het Interreg-programma, dat voor veel regionale overheden onmisbaar is gebleken voor de uitwisseling van expertise en beste praktijken op het gebied van belangrijke uitdagingen, maar ook voor de totstandbrenging van menselijke contacten tussen regionale overheden en daarmee voor de bevordering van de Europese identiteit, komt dit aspect onvoldoende tot uiting in de huidige voorstellen.

9.

Overplaatsing van de maritieme grensoverschrijdende samenwerking van component 1 „grensoverschrijdende samenwerking” naar component 2 „transnationale samenwerking”, wordt door het CvdR afgewezen.- Hoewel door deze overplaatsing de transnationale begroting van component 2 met 558 miljoen EUR (+ 27 %) toeneemt, is het risico groot dat de maritieme grensoverschrijdende samenwerking in het bredere kader van de transnationale samenwerking zal verwateren.

10.

Het voorstel van de Commissie in bijlage XXII van de GB-verordening om alleen voorrang te verlenen aan de toewijzing van begrotingsmiddelen aan grensregio’s waarvan de helft van de bevolking op minder dan 25 km van de grens woont, is ongegrond en wordt door het CvdR daarom volledig verworpen.

11.

Het CvdR is zeer te spreken over het voorstel van de rapporteurs van de GB-verordening (2) om de in artikel 104, lid 7, van de GB-verordening opgenomen toewijzingen te wijzigen teneinde het budget voor klassieke territoriale samenwerking (componenten 1 en 4) te verhogen naar 3 % van de cohesiebegroting en een specifieke bijkomende reserve van 0,3 % van de cohesiebegroting voor investeringen in interregionale innovatie te vormen. Deze benadering is vergelijkbaar met die van het Parlement (3). Het CvdR meent dat de verhoging van de toewijzingen ook terug te zien moet zijn in component 3.

12.

Het nieuwe initiatief voor investeringen in interregionale innovatie naar het voorbeeld van de voormalige innovatieacties van het EFRO en het Vanguard-initiatief heeft een hoge meerwaarde, en gezien de bijzondere aard ervan ten opzichte van de traditionele Europese territoriale samenwerking (componenten 1 en 4) verdient het in de verordening een voorkeursbehandeling in de vorm van een specifieke begrotingstoewijzing.

13.

De synergieën tussen investeringen in interregionale innovatie en Horizon Europa moeten worden versterkt (4).

14.

Investeringen in interregionale innovatie moeten niet alleen prioriteit geven aan excellentie, maar ook de territoriale samenhang versterken door te vereenvoudigen dat ook regio’s met een lager innovatieniveau aan de interregionale innovatiedynamiek in Europa gaan deelnemen.

15.

Het CvdR stelt naar aanleiding van de verzoeken die in meerdere van zijn adviezen zijn geformuleerd (5) voor om een initiatief te starten op basis waarvan de meest kwetsbare regio’s zoals bedoeld in artikel 174 VWEU, in samenwerkingsverband innovatieve investeringsprojecten met een groot potentieel voor uitbreiding, overdracht en repliceerbaarheid naar andere gebieden met dezelfde structurele beperkingen kunnen ontwikkelen.

16.

Het CvdR vraagt om de samenhang tussen de verschillende programma’s voor Europese territoriale samenwerking te versterken. Indien van toepassing moeten de programma’s voor transnationale samenwerking die op een macroregionale strategie of een zeegebiedstrategie zijn afgestemd, prioriteiten vaststellen die coherent zijn met en aansluiten bij de prioriteiten van de macroregionale strategieën of de zeegebiedstrategieën die erop van toepassing zijn.

17.

Het CvdR is ingenomen met de maatregelen ter vereenvoudiging van het beheer van de middelen, want zij zijn in overeenstemming met de aanbevelingen van de groep op hoog niveau en diverse adviezen van het CvdR (6).

18.

Ook de invoering van beheersvoorwaarden die zijn afgestemd op kleinschalige projecten zoals genoemd in de artikelen 16 tot en met 26 wordt op prijs gesteld. Het CvdR is vooral blij dat er een apart artikel (artikel 24) gewijd is aan het fonds voor kleinschalige projecten, zoals het in zijn advies ter zake had bepleit (7). Die kleinschalige projecten of „people-to-people”-projecten zijn immers essentieel voor de Europese integratie en de opheffing van zichtbare en onzichtbare grensbelemmeringen, en versterken de Europese meerwaarde van een dergelijk instrument. Het CvdR is het ermee eens dat de begunstigde van die kleinschalige projecten een grensoverschrijdende juridische entiteit, een EGTS, een Euregio, een juridische entiteit van een ultraperifere regio of een ander consortium van lokale en regionale overheden moet zijn.

19.

Het CvdR is het niet eens met de vermindering van het medefinancieringspercentage van de EU van 85 % naar 70 %. Hierdoor zal de deelname van lokale en regionale actoren met een beperkte financiële capaciteit nog moeilijker worden gemaakt.

20.

Een mogelijkheid zou zijn om het voorfinancieringspercentage in het eerste jaar te verdubbelen om een sterke bijdrage te leveren aan de start van de programma’s.

21.

Het percentage voor technische bijstand zou dan kunnen worden verhoogd naar 8 %.

22.

Het CvdR stelt voor om het percentage van de thematische concentratie in artikel 15 te wijzigen in een maximumpercentage van 60 % van de toewijzingen van het EFRO op nationaal en regionaal niveau.

23.

Een vaste reserve van 15 % voor goed bestuur is niet per se fair. Niet alle regio’s hebben in dezelfde mate behoefte aan structurele hervormingen. De Europese territoriale samenwerking zou overdrachten uit het nieuwe steunprogramma voor hervormingen moeten kunnen ontvangen (8).

24.

Het CvdR is zeer te spreken over de opname van de territoriale autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk in de componenten 1 en 2 naar het voorbeeld van Noorwegen en IJsland, conform het verzoek van het CvdR (9). Ook is het CvdR ingenomen met de voortdurende steun van de EU aan het vredesproces in Noord-Ierland via het programma Peace Plus.

25.

Deelname van derde landen zou ook mogelijk moeten zijn voor de interregionale component 4 en voor investeringen in interregionale innovatie door middel van externe bestemmingsontvangsten voor de EU-begroting.

26.

De bevordering van Europese territoriale samenwerking (Interreg) was vele jaren een van de belangrijkste prioriteiten van het cohesiebeleid van de EU. Voor projecten voor kleine en middelgrote ondernemingen geldt al een verplichting tot aanmelding van staatssteun ingevolge de algemene groepsvrijstellingsverordening. Specifieke bepalingen over regionale steun voor investeringen door ondernemingen van elke grootte zijn ook opgenomen in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 en in het deel over regionale steun in de algemene groepsvrijstellingsverordening. Aangezien de steun voor Europese territoriale samenwerking als verenigbaar met de interne markt moet worden geacht, zou deze moeten worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting uit hoofde van artikel 108, lid 3, VWEU.

27.

Met het oog op de vermindering van de administratieve lasten voor de programma-autoriteiten en de begunstigden zouden de rapportageverplichtingen voor staatssteun verder moeten worden vereenvoudigd. Het CvdR neemt nota van het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1588. Verder zou moeten worden onderzocht of ten minste de maatregelen op het gebied van interregionale samenwerking algemeen kunnen worden vrijgesteld van de vereisten van de Europese wetgeving inzake staatssteun.

Brussel, 5 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, „Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s van de EU”, COM(2017) 534 final/2 van 20.9.2017.

(1)  Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, „Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s van de EU”, COM(2017) 534 final/2 van 20.9.2017.

(1)  COM(2018) 373 final, ontwerpadvies Arends (COTER-VI/048).

(2)  Ontwerpadvies Schneider/Marini (COTER-VI/045).

(3)  Ontwerpverslag Arimont, 2018/0199 (COD).

(4)  COM/2018/435/final.

(5)  Dit voorstel bouwt voort op de aanbevelingen in onder andere de adviezen Maupertuis (COTER-VI/22), Herrera Campo (SEDEC-VI/8), Osvald (COTER-V/21) en Karácsony (COTER-VI/36).

(6)  Advies Osvald (COTER-VI/012), advies Vlasák (COTER-VI/035).

(7)  Advies Branda over „People-to-people- en kleinschalige projecten in programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking” (COTER-VI/023).

(8)  Voorstel voor een Verordening (EU) 2018/XXX tot vaststelling van het steunprogramma voor hervormingen, COM(2018) 391 final.

(9)  Resolutie over de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie voor de lokale en regionale overheden in de EU, 129e zitting, 17 mei 2018, RESOL-VI/031, paragraaf 23.


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/165


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het grensoverschrijdend mechanisme

(2019/C 86/10)

Rapporteur:

Bouke ARENDS (NL/PSE), wethouder van de gemeente Emmen

Referentiedocument:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen

COM(2018) 373 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 12

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Juridische belemmeringen hebben voornamelijk gevolgen voor personen die actief zijn langs landgrenzen, aangezien zij dagelijks of wekelijks de grens oversteken. Teneinde het effect van deze verordening te richten op de regio’s die het dichtst bij grenzen liggen en die het hoogste niveau van integratie en interactie tussen naburige lidstaten hebben, moet deze verordening van toepassing zijn op grensoverschrijdende regio’s in de zin van het grondgebied dat wordt bestreken door naburige aan landgrenzen gelegen regio’s in twee of meer lidstaten op NUTS-niveau 3 (1). Dit mag de lidstaten niet beletten het mechanisme ook toe te passen op andere zee- en buitengrenzen dan deze met EVA-landen.

Teneinde het effect van deze verordening te richten op de regio’s die het dichtst bij grenzen liggen en die het hoogste niveau van integratie en interactie tussen naburige lidstaten hebben, moet deze verordening van toepassing zijn op naburige aan land- en zee grenzen gelegen regio’s in twee of meer lidstaten op NUTS-niveau 2 en 3 (1). Dit mag de lidstaten niet beletten het mechanisme ook toe te passen op andere zee- en buitengrenzen dan deze met EVA-landen.

Motivering

De verordening moet ook van toepassing zijn op zeegrenzen. Verder moeten ook de NUTS 2-regio’s worden toegevoegd, om een beoordeling mogelijk te maken van het meest geschikte niveau van NUTS-regio’s voor het mechanisme om juridische/administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen.

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 3 — Definities

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„grensoverschrijdende regio”: grondgebied dat wordt bestreken door naburige aan landgrenzen gelegen regio’s in twee of meer lidstaten op NUTS-niveau 3;

1.

„grensoverschrijdende regio”: grondgebied dat wordt bestreken door naburige aan landgrenzen of in aan zeegrenzen gelegen grensoverschrijdende regio’s in twee of meer lidstaten of in één of meer lidstaten en één of meer derde landen op NUTS-niveau 2 en 3;

2.

„gezamenlijk project”: eender welke infrastructuurvoorziening die een effect op een bepaalde grensoverschrijdende regio heeft of eender welke dienst van algemeen economisch belang die in een bepaalde grensoverschrijdende regio wordt verleend;

2.

„gezamenlijk project”: eender welke infrastructuurvoorziening die een effect op een bepaalde grensoverschrijdende regio heeft of eender welke dienst van algemeen economisch belang die in een bepaalde grensoverschrijdende regio wordt verleend , ongeacht of dit effect aan weerszijden of aan één zijde van de grens plaats heeft ;

3.

„wettelijke bepaling”: eender welke wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling, regel of administratieve procedure die van toepassing is op een gezamenlijk project, al dan niet vastgesteld of uitgevoerd door een wetgevend of uitvoerend orgaan;

3.

„wettelijke bepaling”: eender welke wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling, regel of administratieve procedure die van toepassing is op een gezamenlijk project, al dan niet vastgesteld of uitgevoerd door een wetgevend of uitvoerend orgaan;

4.

„juridische belemmering”: eender welke wettelijke bepaling met betrekking tot de planning, de ontwikkeling, het personeel, de financiering of de werking van een gezamenlijk project die het inherente potentieel van een grensregio bij grensoverschrijdende interactie belemmert;

4.

„juridische belemmering”: eender welke wettelijke bepaling met betrekking tot de planning, de ontwikkeling, het personeel, de financiering of de werking van een gezamenlijk project die het inherente potentieel van een grensregio bij grensoverschrijdende interactie belemmert;

5.

„initiatiefnemer”: actor die de juridische belemmering vaststelt en het mechanisme in werking stelt door een opstartdocument in te dienen;

5.

„initiatiefnemer”: actor die de juridische belemmering vaststelt en het mechanisme in werking stelt door een opstartdocument in te dienen;

6.

„opstartdocument”: door een of meer initiatiefnemers opgesteld document om het mechanisme in werking te stellen;

6.

„opstartdocument”: door een of meer initiatiefnemers opgesteld document om het mechanisme in werking te stellen;

7.

„zich verbindende lidstaat”: lidstaat op het grondgebied waarvan uit hoofde van een bepaalde Europese grensoverschrijdende verbintenis („de verbintenis”) of een bepaalde Europese grensoverschrijdende verklaring („de verklaring”) een of meer wettelijke bepalingen van een overdragende lidstaat van toepassing zal of zullen zijn, of waar, bij ontstentenis van een passende wettelijke bepaling, een juridische oplossing op ad-hocgrondslag wordt vastgesteld.

7.

„zich verbindende lidstaat”: lidstaat op het grondgebied waarvan uit hoofde van een bepaalde Europese grensoverschrijdende verbintenis („de verbintenis”) of een bepaalde Europese grensoverschrijdende verklaring („de verklaring”) een of meer wettelijke bepalingen van een overdragende lidstaat van toepassing zal of zullen zijn, of waar, bij ontstentenis van een passende wettelijke bepaling, een juridische oplossing op ad-hocgrondslag wordt vastgesteld.

8.

„overdragende lidstaat”: lidstaat waarvan uit hoofde van een bepaalde verbintenis of verklaring de wettelijke bepalingen van toepassing zullen zijn in de zich verbindende lidstaat;

8.

„overdragende lidstaat”: lidstaat waarvan uit hoofde van een bepaalde verbintenis of verklaring de wettelijke bepalingen van toepassing zullen zijn in de zich verbindende lidstaat;

9.

„bevoegde zich verbindende instantie”: instantie in de zich verbindende lidstaat die bevoegd is om te aanvaarden dat uit hoofde van een bepaalde verbintenis de wettelijke bepalingen van de overdragende lidstaat op het grondgebied van de zich verbindende lidstaat worden toegepast, of, in het geval van een verklaring, om zich ertoe te verbinden de voor een afwijking van de binnenlandse wettelijke bepalingen vereiste wetgevingsprocedure in te leiden;

9.

„bevoegde zich verbindende instantie”: instantie in de zich verbindende lidstaat die bevoegd is om te aanvaarden dat uit hoofde van een bepaalde verbintenis de wettelijke bepalingen van de overdragende lidstaat op het grondgebied van de zich verbindende lidstaat worden toegepast, of, in het geval van een verklaring, om zich ertoe te verbinden de voor een afwijking van de binnenlandse wettelijke bepalingen vereiste wetgevingsprocedure in te leiden;

10.

„bevoegde overdragende instantie”: instantie in de overdragende lidstaat die bevoegd is voor de vaststelling van de wettelijke bepalingen die van toepassing zullen zijn in de zich verbindende lidstaat of voor de toepassing ervan op het eigen grondgebied, dan wel voor beide;

10.

„bevoegde overdragende instantie”: instantie in de overdragende lidstaat die bevoegd is voor de vaststelling van de wettelijke bepalingen die van toepassing zullen zijn in de zich verbindende lidstaat of voor de toepassing ervan op het eigen grondgebied, dan wel voor beide;

11.

„toepassingsgebied”: gebied in de zich verbindende lidstaat waar de wettelijke bepaling van de overdragende lidstaat of een juridische oplossing op ad-hocgrondslag van toepassing is.

11.

„toepassingsgebied”: gebied in de zich verbindende lidstaat waar de wettelijke bepaling van de overdragende lidstaat of een juridische oplossing op ad-hocgrondslag van toepassing is.

Motivering

Toevoeging zeegrenzen conform artikel 4 van de verordening om helderheid te scheppen over de geografische scope.

Een gezamenlijk project doet vermoeden dat een project ook daadwerkelijk op het grondgebied van de betrokken NUTS 3 regio’s plaatsvindt, doch een uitwerking van een gezamenlijk project kan ook slechts op het grondgebied van één regio of gemeente effect hebben.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 4 — Mogelijkheden van de lidstaten om juridische belemmeringen uit de weg te ruimen

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De lidstaten kiezen ofwel voor het mechanisme, ofwel voor bestaande wijzen om ten aanzien van een specifieke grens met een of meer naburige lidstaten juridische belemmeringen voor de uitvoering van een gezamenlijk project in grensoverschrijdende regio’s uit de weg te ruimen.

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kiezen ofwel voor het mechanisme, ofwel voor bestaande wijzen om ten aanzien van een of meer naburige lidstaten juridische belemmeringen voor de uitvoering van een gezamenlijk project in grensoverschrijdende regio’s uit de weg te ruimen.

2.   Een lidstaat kan ook besluiten om ten aanzien van een specifieke grens met een of meer naburige lidstaten toe te treden tot een bestaande effectieve regeling die formeel of informeel door een of meer naburige lidstaten is ingesteld.

2.    De bevoegde autoriteit van een lidstaat kan ook besluiten om ten aanzien van een gezamenlijk project in grens regio’s met een of meer naburige lidstaten toe te treden tot een bestaande effectieve regeling die formeel of informeel door een of meer naburige lidstaten is ingesteld.

3.   De lidstaten kunnen het mechanisme ook gebruiken in aan zeegrenzen gelegen grensoverschrijdende regio’s of in grensoverschrijdende regio’s van één of meer lidstaten en één of meer derde landen of een of meer landen of gebieden overzee.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen het mechanisme ook gebruiken in aan interne of externe zeegrenzen gelegen grensoverschrijdende regio’s. De lidstaten kunnen tevens het mechanisme inzetten in grensoverschrijdende regio’s van één of meer lidstaten voor een gezamenlijk project met één of meer derde landen of gebieden overzee.

4.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de uit hoofde van dit artikel genomen besluiten.

4.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de uit hoofde van dit artikel genomen besluiten.

Motivering

Artikel vier blijkt in verschillende taalversies tot onduidelijkheid te leiden. De wettekst kan in sommige taalversies geïnterpreteerd worden alsof een lidstaat een andere lidstaat nodig heeft om het grensmechanisme toe te passen met een derde land. Hoewel de Engelse versie leidend is, is het beter om tot een tekst te komen die in alle talen duidelijkheid schept dat een EU-lidstaat het grensmechanisme één-op-één met een aangrenzend derde land voor een gezamenlijk project kan toepassen, zonder betrokkenheid van een tweede EU-lidstaat.

Het is noodzakelijk te bepalen dat regio’s met wetgevende bevoegdheden het mechanisme kunnen opzetten en toepassen zonder afhankelijk te zijn van de wil van de lidstaat waartoe zij behoren, wanneer er juridische belemmeringen bestaan die van invloed zijn op aangelegenheden die onder de regionale wetgevende bevoegdheid vallen.

In de context van het gebruik van het mechanisme moet ook uitdrukkelijk worden verwezen naar de externe en interne zeegrenzen.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 5 — Grensoverschrijdende coördinatiepunten

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Wanneer een lidstaat voor het mechanisme kiest, richt zij op een van de volgende wijzen een of meer grensoverschrijdende coördinatiepunten op:

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat voor het mechanisme kiest, richt zij op een van de volgende wijzen een of meer grensoverschrijdende coördinatiepunten op:

a)

aanwijzen op nationaal en/of regionaal niveau van een grensoverschrijdend coördinatiepunt als afzonderlijk orgaan;

a)

aanwijzen op nationaal en/of regionaal niveau van een grensoverschrijdend coördinatiepunt als afzonderlijk orgaan;

b)

oprichten van een grensoverschrijdend coördinatiepunt binnen een bestaande instantie of bestaand orgaan, op nationaal of regionaal niveau;

b)

oprichten van een grensoverschrijdend coördinatiepunt binnen een bestaande instantie of bestaand orgaan, op nationaal of regionaal niveau;

c)

toevertrouwen van de extra taken van een nationaal of regionaal grensoverschrijdend coördinatiepunt aan een passende instantie of passend orgaan.

c)

toevertrouwen van de extra taken van een nationaal of regionaal grensoverschrijdend coördinatiepunt aan een passende instantie of passend orgaan.

2.   Zich verbindende lidstaten en overdragende lidstaten stellen ook vast:

2.    De bevoegde autoriteiten van zich verbindende lidstaten en overdragende lidstaten stellen ook vast:

a)

of het het grensoverschrijdende coördinatiepunt dan wel een bevoegde zich verbindende/overdragende instantie is die een verbintenis kan sluiten en ondertekenen, en kan besluiten dat van de toepasselijke nationale wetgeving wordt afgeweken met ingang van de datum van inwerkingtreding van die verbintenis, dan wel

a)

of het het grensoverschrijdende coördinatiepunt dan wel een bevoegde zich verbindende/overdragende instantie is die een verbintenis kan sluiten en ondertekenen, en kan besluiten dat van de toepasselijke nationale wetgeving wordt afgeweken met ingang van de datum van inwerkingtreding van die verbintenis, dan wel

b)

of het het grensoverschrijdende coördinatiepunt dan wel een bevoegde zich verbindende/overdragende instantie is die een verklaring kan ondertekenen, en daarin formeel kan verklaren dat de bevoegde zich verbindende instantie het nodige zal doen opdat binnen een bepaalde termijn wetgevende of andere handelingen worden vastgesteld door de bevoegde wetgevende organen in die lidstaat.

b)

of het het grensoverschrijdende coördinatiepunt dan wel een bevoegde zich verbindende/overdragende instantie is die een verklaring kan ondertekenen, en daarin formeel kan verklaren dat de bevoegde zich verbindende instantie het nodige zal doen opdat binnen een bepaalde termijn wetgevende of andere handelingen worden vastgesteld door de bevoegde wetgevende organen in die lidstaat.

3.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de datum van toepassing van deze verordening in kennis van de aangewezen grensoverschrijdende coördinatiepunten.

3.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de datum van toepassing van deze verordening in kennis van de aangewezen grensoverschrijdende coördinatiepunten.

Motivering

Regio’s met wetgevende bevoegdheden moeten de mogelijkheid krijgen om het mechanisme op te zetten en toe te passen, en de regio’s moeten hun eigen regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten oprichten.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 7 — Coördinatietaken van de Commissie

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De Commissie vervult de volgende coördinatietaken:

1.   De Commissie vervult de volgende coördinatietaken:

a)

contact onderhouden met de grensoverschrijdende coördinatiepunten;

a)

contact onderhouden met de grensoverschrijdende coördinatiepunten;

b)

een lijst van alle nationale en regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten bekendmaken en actualiseren;

b)

een lijst van alle nationale en regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten bekendmaken en actualiseren;

c)

een databank van alle verbintenissen en verklaringen opzetten en beheren.

c)

een databank van alle verbintenissen en verklaringen opzetten en beheren;

 

d)

een communicatiestrategie opstellen ter ondersteuning van: i) de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden, ii) de praktische invulling van de thematische reikwijdte van de verordening; iii) nadere toelichting van de procedure om tot een verbintenis of verklaring te komen.

2.   De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast betreffende de werking van de in lid 1, onder c), bedoelde databank en betreffende de formulieren die moeten worden gebruikt wanneer grensoverschrijdende coördinatiepunten informatie over de uitvoering en het gebruik van het mechanisme indienen. Deze uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

2.   De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast betreffende de werking van de in lid 1, onder c), bedoelde databank en betreffende de formulieren die moeten worden gebruikt wanneer grensoverschrijdende coördinatiepunten informatie over de uitvoering en het gebruik van het mechanisme indienen. Deze uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Motivering

De uitvoering van de verordening dient gepaard te gaan met een heldere en praktische informatiecampagne om de toepassing voor betrokkenen te vergemakkelijken.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 25 — Rapportage

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 25

Artikel 25

Rapportage

Evaluatie

Uiterlijk op dd mm jjjj [de eerste dag van de maand volgende op die van de inwerkingtreding van deze verordening + vijf jaar; in te vullen door het Publicatiebureau] dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de Regio’s een verslag in waarin zij de toepassing van deze verordening beoordeelt op basis van indicatoren met betrekking tot de effectiviteit, de efficiëntie, de relevantie, de Europese toegevoegde waarde en de mogelijkheden voor vereenvoudiging ervan.

1.    Uiterlijk op dd mm jjjj [de eerste dag van de maand volgende op die van de inwerkingtreding van deze verordening + vijf jaar; in te vullen door het Publicatiebureau] dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de Regio’s een verslag in waarin zij de toepassing van deze verordening beoordeelt op basis van indicatoren met betrekking tot de effectiviteit, de efficiëntie, de relevantie, de Europese toegevoegde waarde en de mogelijkheden voor vereenvoudiging ervan. Het verslag besteedt specifiek aandacht aan de geografische scope en de thematische reikwijdte van de verordening.

 

2.     Het verslag komt tot stand na een openbare consultatie van de verschillende betrokkenen, waaronder lokale en regionale autoriteiten.

Motivering

De Commissie heeft NUTS3 gekozen tot het geografische gebied voor de toepassing van de verordening. Mogelijk wordt de effectiviteit van de verordening vergroot door de geografische scope te verruimen. De evaluatie moet hier meer duidelijkheid over scheppen.

De Commissie kiest wat betreft de thematische toepassing in haar voorstel voor infrastructuur en diensten van algemeen economisch belang. Geëvalueerd moet worden of niet meer beleidsvelden onder de scope van de verordening kunnen vallen.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Algemene opmerkingen

1.

waardeert de huidige inspanningen van de Europese Commissie om concreet werk te maken van het beter benutten van het potentieel van de grensregio’s en bijdragen aan het mogelijk maken van groei en duurzame ontwikkeling;

2.

constateert dat er op dit moment geen uniform Europees wettelijke bepaling is om juridische en administratieve knelpunten langs de grenzen te slechten, doch slechts enkele regionale mechanismen zoals de Benelux Unie en de Noordse Raad. Stemt daarom in met het voorstel voor een verordening, omdat hiermee voor alle binnen- en buitengrenzen een eenduidig aanvullend rechtsinstrument geschapen wordt, waardoor in de hele EU volgens eenzelfde procedure knelpunten kunnen worden aangepakt;

3.

bedankt de Commissie ervoor dat aanbevelingen uit eerdere adviezen van het CvdR ten aanzien van grensobstakels ter harte zijn genomen, in het bijzonder het advies over de Mededeling „Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s van de EU”;

4.

herinnert eraan dat de EU 40 interne landgrensregio’s heeft, die 40 % van het grondgebied van de Unie en 30 % van de EU-bevolking vertegenwoordigen, en benadrukt dat de juridische en administratieve belemmeringen uit de weg moeten worden geruimd en de weg- en spoorverbindingen moeten worden verbeterd, zodat de samenwerking in EU-grensregio’s en de Europese integratie kan worden versterkt en regionale groei gestimuleerd;

5.

benadrukt dat momenteel veranderingen op belangrijke nationale beleidsgebieden het ten volle benutten van de vrijheden van de interne markt belemmeren: in het geval slechts 20 % van de bestaande obstakels worden weggenomen, kan dit leiden tot een stijging van 2 % van het bbp en een groei van meer dan een miljoen banen;

6.

acht het van essentieel belang dat ook de zeegrenzen worden opgenomen in de verordening, om duidelijk te maken dat het geografische toepassingsgebied niet beperkt is tot de landgrenzen;

7.

wijst erop dat deze verordening ook van toepassing moet zijn op NUTS 2-regio’s, om in verschillende omstandigheden een beoordeling mogelijk te maken van het meest geschikte niveau van NUTS-regio’s voor het mechanisme om juridische/administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen;

8.

wijst erop dat heel wat regio’s met externe land- of zeegrenzen kampen met problemen die het grensmechanisme kan helpen oplossen;

9.

ziet het instrument van groot belang voor het stimuleren van de lokale samenwerking in grensregio’s, de sociaal-culturele ontwikkeling van deze regio’s, het Europees burgerschap en het draagvlak voor de EU. In deze regio’s worden bij uitstek de Europese gedachte en de gemeenschappelijke waarden zichtbaar gemaakt. Het ECBM kan dit versterken;

Bottom-up-initiatief en vrijwilligheid

10.

is verheugd dat het mechanisme een middel biedt voor grensregio’s om het initiatief te nemen, een dialoog en procedure te starten over geconstateerde juridische en administratieve knelpunten bij zaken als de aanleg van grensoverschrijdende infrastructuur, de toepassing van wettelijke kaders voor het verlenen van diensten en de werking van hulpdiensten;

11.

is ingenomen dat het voorstel als bottom-up-rechtsinstrument projecten voor grensoverschrijdende samenwerking doeltreffend kan ondersteunen door decentrale overheden in staat te stellen de regelgeving van een lidstaat toe te passen op het grondgebied van een andere grenslidstaat, op een vooraf gedefinieerd grondgebied, voor een specifiek project;

12.

is het eens met de Commissie dat er al verschillende effectieve mechanismen bestaan, zoals de Noordse Raad en de Benelux Unie, en ziet het ECBM als een goede aanvulling op de bestaande mechanismen en oplossingen van en tussen lidstaten. Het Comité vraagt wel nadere uitleg hoe het ECBM in praktische zin toegepast kan worden naast reeds bestaande mechanismen.

13.

erkent de meerwaarde van de vrijwilligheid om het instrument toe te passen op een specifiek project, waardoor gemotiveerd gekozen wordt voor het meest passende instrument: ofwel het EU mechanisme ofwel een ander, bestaand bilateraal instrument om wettelijke obstakels op te lossen die de uitvoering van een gezamenlijk project in grensoverschrijdende situaties belemmeren;

14.

verzoekt de Commissie te bepalen dat regio’s met wetgevende bevoegdheden ervoor kunnen kiezen het mechanisme op te zetten en toe te passen om in aanmerking te komen voor een overdracht van wettelijke bepalingen door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat, wanneer er juridische belemmeringen zijn voor aangelegenheden waarvoor de wetgevende bevoegdheid bij het regionale niveau ligt. Ook vraagt het dat de regio’s in ieder geval zelf hun eigen regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten oprichten;

15.

pleit tegelijkertijd voor de toepassing van geharmoniseerde bepalingen die kunnen worden gebruikt om nieuwe financieringsmechanismen van de EU ter ondersteuning van de samenwerking tussen grensregio’s in te voeren;

Reikwijdte

16.

ziet de noodzaak voor de gebiedsbegrenzing van de verordening die de Commissie moet stellen, maar uit daarbij de zorg over de beperking van de toepassing van de verordening tot het NUTS3-gebied en vraagt daarom om een evaluatie vijf jaar na inwerkingtreding van zowel het geografische als thematische toepassingsgebied;

17.

vraagt de Commissie om verheldering over de in aanmerking komende gezamenlijke projecten en de afbakening van infrastructurele projecten en diensten van algemeen economisch belang. Wijst de Commissie hierbij op de onduidelijkheid die soms op lokaal en regionaal niveau bestaat wat diensten van algemeen economisch belang inhouden. Biedt aan om door middel van cases en voorbeelden samen met de Commissie en lidstaten de thematische toepassing van de verordening verder te verkennen;

18.

merkt op dat door bestudering is gebleken dat de tekst niet overal consistent is vertaald, waardoor onduidelijkheid bestaat over de toepassing van de bepaalde wetsartikelen, in het bijzonder artikel 4.3 over de toepassing voor derde landen. Het Comité ziet een belemmering in de beperking van samenwerking met derde landen door de ogenschijnlijke verwijzing naar twee EU-lidstaten. Ook is het van mening dat een duidelijkere formulering van de artikelen van het voorstel voor een verordening waarin wordt verwezen naar de voorbereiding en indiening van het opstartdocument en aanverwante zaken die in de artikelen 8 tot en met 12 worden geregeld, wenselijk is;

Implementatie en uitvoering

19.

ziet de voorgestelde procedure als uitvoerig. Door het vernieuwende karakter van het mechanisme zal er behoefte zijn aan helderheid over de door te lopen stappen op weg naar een verbintenis of verklaring, maar bestaat het gevaar dat het voor regio’s en lidstaten leidt tot administratieve lastendruk. Het CvdR ondersteunt daarom nadrukkelijk de in artikel 25 opgenomen evaluatie waarin ook de vereenvoudiging van de toepassing van de verordening zal worden meegenomen. Er zou ook meer aandacht op het probleem gevestigd moeten worden, opdat de nationale autoriteiten een begin kunnen maken met de vereenvoudiging van hun respectieve nationale regels;

20.

onderstreept de noodzaak van een snelle en duidelijke tenuitvoerlegging van deze verordening en vraagt de Commissie daarbij de ervaringen en geleerde lessen die zijn opgedaan tijdens de implementatiefase van de EGTS-verordening mee te nemen en de lidstaten te stimuleren om het mechanisme zo snel mogelijk toe te passen voor een grensoverschrijdend project. Kan zich hierbij voorstellen dat de rol van de grensoverschrijdende coördinatiepunten nadere toelichting behoeft. Het CvdR hoopt tevens dat het, zoals reeds het geval is voor de EGTS, een registratiefunctie voor Europese grensoverschrijdende overeenkomsten en verklaringen zal uitoefenen om de feedback en de uitwisseling van beste praktijken te versterken.

21.

ook moet er rekening mee worden gehouden dat andere territoriale samenwerkingsstructuren, zoals de werkgemeenschappen, nuttig kunnen zijn en het mechanisme kunnen aanvullen;

22.

roept zijn leden op om voorbeelden te delen, over onder meer grensoverschrijdende vervoersverbindingen en de gezamenlijke inzet van hulpdiensten, ontwikkeling van bedrijventerreinen, e.d.;

23.

roept de EU-instellingen en de lidstaten op om de tenuitvoerlegging van de verordening te begeleiden met een duidelijke communicatiestrategie waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden en de thematische reikwijdte van de verordening;

24.

onderstreept de complementariteit van het ECBM en het EGTS-instrument en het feit dat de EGTS als supranationale en sub-nationale entiteit een praktisch instrument zou zijn om projecten onder het nieuwe ECBM te initiëren en uit te voeren. Hierbij moet wel nader worden toegelicht hoe het ECBM en EGTS elkaar aanvullen;

25.

ziet in het ECBM een goede aanvulling op de Interreg-programma’s omdat het mechanisme in bepaalde situaties interessante mogelijkheden kan scheppen die de implementatie van grensoverschrijdende projecten zouden kunnen vergemakkelijken.

Brussel, 5 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

(1)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/173


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over de hervorming van het GLB

(2019/C 86/11)

Algemeen rapporteur:

Guillaume CROS (FR/PSE), vicevoorzitter van de regioraad van Occitanië

Referentiedocumenten:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad

COM(2018) 392 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013

COM(2018) 393 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten, (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, (EU) nr. 251/2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten, (EU) nr. 228/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en (EU) nr. 229/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

COM(2018) 394 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

COM(2018) 392 final

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om de essentiële Unie-brede elementen te behouden en er zo voor te zorgen dat de lidstaten vergelijkbare besluiten nemen, evenwel zonder hen te beperken bij het bereiken van de doelstellingen van de Unie, moet een kaderdefinitie voor het begrip „landbouwareaal” worden vastgesteld. De daarmee samenhangende kaderdefinities voor „landbouwgrond”, „blijvende teelten” en „blijvend grasland” moeten in ruime zin worden geformuleerd om het de lidstaten mogelijk te maken nadere definities te omschrijven volgens hun lokale omstandigheden. De kaderdefinitie voor „bouwgrond” moet zo worden vastgesteld dat de lidstaten daarin verschillende productievormen kunnen onderbrengen, waaronder systemen als landbosbouw en bouwareaal met struiken en bomen, en dat vereist de opname van braaklandareaal om te garanderen dat het om ontkoppelde interventies gaat. De kaderdefinitie voor „blijvende teelten” moet zowel voor de productie gebruikte als niet voor de productie gebruikte arealen omvatten alsmede producten van kwekerijen en hakhout met korte omlooptijd, die door de lidstaten moeten worden gedefinieerd. De kaderdefinitie voor „blijvend grasland” moet zo worden vastgesteld dat de lidstaten nadere criteria kunnen omschrijven en andere begraasbare of diervoederproducerende soorten kunnen opnemen dan grassen of andere kruidachtige voedergewassen, ongeacht of die soorten voor de feitelijke productie worden gebruikt of niet.

Om de essentiële Unie-brede elementen te behouden en er zo voor te zorgen dat de lidstaten vergelijkbare besluiten nemen, evenwel zonder hen te beperken bij het bereiken van de doelstellingen van de Unie, moet een kaderdefinitie voor het begrip „landbouwareaal” worden vastgesteld. De daarmee samenhangende kaderdefinities voor „landbouwgrond”, „blijvende teelten” en „blijvend grasland” moeten in ruime zin worden geformuleerd om het de lidstaten mogelijk te maken nadere definities te omschrijven volgens hun lokale omstandigheden. De kaderdefinitie voor „bouwgrond” moet zo worden vastgesteld dat de lidstaten daarin verschillende productievormen kunnen onderbrengen, waaronder systemen als landbosbouw en bouwareaal met struiken en bomen, en dat vereist de opname van braaklandareaal om te garanderen dat het om ontkoppelde interventies gaat. De kaderdefinitie voor „blijvende teelten” moet zowel voor de productie gebruikte als niet voor de productie gebruikte arealen omvatten alsmede producten van kwekerijen en hakhout met korte omlooptijd mits het deel uitmaakt van de percelen, die door de lidstaten moeten worden gedefinieerd. De kaderdefinitie voor „blijvend grasland” moet zo worden vastgesteld dat de lidstaten nadere criteria kunnen omschrijven en andere begraasbare of diervoederproducerende soorten kunnen opnemen dan grassen of andere kruidachtige voedergewassen, ongeacht of die soorten voor de feitelijke productie worden gebruikt of niet.

Motivering

Doel is om boslandbouwpraktijken te bevorderen die gunstig zijn voor het klimaat en het milieu, in plaats van hele percelen hakhout, die in feite niet-agrarische bosgebieden zijn.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om het GLB nog performanter te maken, moet de inkomenssteun op echte landbouwers worden toegespitst. Om ervoor te zorgen dat voor die toespitsing van de steun een gemeenschappelijke benadering op het niveau van de Unie wordt gevolgd, moet een kaderdefinitie voor „echte landbouwer” worden vastgesteld die de essentiële elementen omvat. Uitgaande van dit kader moeten de lidstaten in hun strategische GLB-plannen bepalen welke landbouwers niet als echte landbouwers worden beschouwd, gebaseerd op voorwaarden zoals een inkomen stoets , de arbeidsinput op het landbouwbedrijf, het ondernemingsdoel en de opname in registers. Een dergelijke definitie mag er ook niet toe leiden dat pluri-actieve landbouwers die actief landbouw bedrijven, maar ook niet-agrarische activiteiten buiten hun landbouwbedrijf verrichten, van de steun worden uitgesloten, aangezien het vaak zo is dat hun uiteenlopende activiteiten het sociaaleconomische weefsel van de plattelandsgebieden versterken.

Om het GLB nog performanter te maken, moet de inkomenssteun op echte landbouwers worden toegespitst. Om ervoor te zorgen dat voor die toespitsing van de steun een gemeenschappelijke benadering op het niveau van de Unie wordt gevolgd, moet een kaderdefinitie voor „echte landbouwer” worden vastgesteld die de essentiële elementen omvat. Uitgaande van dit kader moeten de lidstaten in hun strategische GLB-plannen bepalen welke landbouwers niet als echte landbouwers worden beschouwd, gebaseerd op voorwaarden zoals het aandeel van het landbouw inkomen, de arbeidsinput op het landbouwbedrijf, het ondernemingsdoel en de opname in registers. Een dergelijke definitie mag er ook niet toe leiden dat pluri-actieve landbouwers die actief landbouw bedrijven, maar ook niet-agrarische activiteiten buiten hun landbouwbedrijf verrichten, van de steun worden uitgesloten, aangezien het vaak zo is dat hun uiteenlopende activiteiten het sociaaleconomische weefsel van de plattelandsgebieden versterken.

Motivering

Er kan beter rekening worden gehouden met het aandeel van het landbouwinkomen dan met het inkomenscriterium dat tot uitsluiting van kleine bedrijven zou kunnen leiden.

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 11

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Om invulling te geven aan de doelstellingen van het GLB zoals vastgelegd in artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en om ervoor te zorgen dat de Unie adequaat reageert op haar meest recente uitdagingen, is het passend een reeks algemene doelstellingen vast te stellen die een weerspiegeling zijn van de oriëntaties die in de mededeling „De toekomst van voeding en landbouw” zijn gegeven. Daarnaast moet op het niveau van de Unie een reeks specifieke doelstellingen worden omschreven, die de lidstaten moeten omzetten in hun strategische GLB-plannen. Aan de hand van deze specifieke doelstellingen, waarmee naar een evenwicht tussen de verschillende dimensies van duurzame ontwikkeling wordt gestreefd, in lijn met de effectbeoordeling, moeten de algemene GLB-doelstellingen worden vertaald naar concretere prioriteiten, waarbij rekening wordt gehouden met de betrokken wetgeving van de Unie, met name op het gebied van klimaat, energie en milieu.

Om invulling te geven aan de doelstellingen van het GLB zoals vastgelegd in artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en om ervoor te zorgen dat de Unie adequaat reageert op haar meest recente uitdagingen, is het passend een reeks algemene doelstellingen vast te stellen die een weerspiegeling zijn van de oriëntaties die in de mededeling „De toekomst van voeding en landbouw” zijn gegeven. Daarnaast moet op het niveau van de Unie een reeks specifieke doelstellingen worden omschreven, die de lidstaten moeten omzetten in hun strategische GLB-plannen. Aan de hand van deze specifieke doelstellingen, waarmee naar een evenwicht tussen de verschillende dimensies van duurzame ontwikkeling wordt gestreefd, in lijn met de effectbeoordeling, moeten de algemene GLB-doelstellingen worden vertaald naar concretere prioriteiten, waarbij rekening wordt gehouden met de betrokken wetgeving van de Unie, met name op het gebied van klimaat, energie en milieu.

Het GLB moet expliciet rekening houden met het gelijkheidsbeleid van de Europese Unie, met bijzondere aandacht voor de noodzaak om de participatie van vrouwen in de ontwikkeling van het sociaaleconomische weefsel van plattelandsgebieden te bevorderen. De onderhavige verordening moet ertoe bijdragen het werk van vrouwen zichtbaarder te maken; dat houdt in dat hiermee rekening moet worden gehouden in de specifieke doelstellingen die de lidstaten met hun strategische plannen nastreven.

Motivering

De positie van vrouwen in plattelandsgebieden moet absoluut worden versterkt.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Een slimmer, moderner en duurzamer GLB moet onderzoek en innovatie in de armen sluiten om van nut te zijn voor de talrijke functies die de landbouw-, bosbouw- en voedingssystemen van de Unie vervullen; daarbij moet worden geïnvesteerd in technologische ontwikkeling en digitalisering en moet de toegang tot onpartijdige, degelijke, relevante en nieuwe kennis worden verbeterd.

Een slimmer, moderner en duurzamer GLB moet onderzoek en innovatie in de armen sluiten om van nut te zijn voor de talrijke functies die de landbouw-, bosbouw- en voedingssystemen van de Unie vervullen; daarbij moet worden geïnvesteerd in technologische ontwikkeling, digitalisering en agro-ecologische praktijken , en moet de toegang tot onpartijdige, degelijke, relevante en nieuwe kennis worden verbeterd. Daarbij moet rekening worden gehouden met de knowhow van landbouwers en de uitwisseling tussen landbouwers onderling.

Motivering

Technologische ontwikkeling, digitalisering, agro-ecologische praktijken en kennisuitwisseling tussen landbouwers zullen bijdragen aan een slimmer, moderner en duurzamer GLB.

Wijzigingsvoorstel 5

Nieuwe overweging na overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Het verkleinen van de digitale kloof in plattelandsgebieden is een uitdaging die van essentieel belang is voor het behoud van de bevolking en voor de economische ontwikkeling, met name voor de dienstverlening .

Digitalisering van de landbouw biedt aanzienlijke mogelijkheden op het gebied van productie, marketing, consumentenbescherming en de bescherming van het natuurlijke en culturele erfgoed van plattelandsgebieden. Er moet echter voor worden gezorgd dat kleine landbouwbedrijven, die mogelijk slechts beperkt toegang hebben tot nieuwe technologieën, ervan kunnen profiteren, en dat de technologische ontwikkeling niet ten koste gaat van de autonomie van de landbouwer, die de controle moet behouden over de digitale gegevens die op zijn bedrijf worden verzameld.

Motivering

De voordelen van de digitalisering moeten alle landbouwbedrijven ten goede kunnen komen.

Wijzigingsvoorstel 6

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om een slimme en veerkrachtige landbouwsector te bevorderen blijven rechtstreekse betalingen essentieel om de landbouwers een billijk inkomen te garanderen. Tegelijk moet, met het oog op een betere beloning van de landbouwers op de markt , worden geïnvesteerd in herstructurering van landbouwbedrijven, modernisering, innovatie, diversificatie en benutting van nieuwe technologieën.

Om een slimme, duurzame en veerkrachtige landbouwsector in alle regio’s te bevorderen blijven rechtstreekse betalingen essentieel om de landbouwers een billijk inkomen te garanderen. Tegelijk moet, met het oog op grotere veerkracht van landbouwbedrijven en een betere beloning van de landbouwers op de markt , worden geïnvesteerd in modernisering, innovatie, diversificatie en benutting van nieuwe technologieën.

Motivering

Rechtstreekse betalingen moeten de omschakeling van landbouwbedrijven ondersteunen met het oog op een grotere veerkracht en een betere beloning op de markt in alle regio’s.

Wijzigingsvoorstel 7

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In het kader van de grotere marktgerichtheid van het GLB, zoals beschreven in de mededeling „De toekomst van voeding en landbouw”, kunnen blootstelling aan de markt, klimaatverandering en de daarmee gepaard gaande toename van de frequentie en de ernst van extreme weersverschijnselen, alsmede sanitaire en fytosanitaire crises leiden tot risico’s van prijsvolatiliteit en een toenemende druk op de inkomens. Hoewel de landbouwers de eindverantwoordelijkheid dragen voor het uittekenen van hun eigen bedrijfsstrategie, moet een robuust kader worden opgezet om te zorgen voor een adequaat risicobeheer. Daartoe zouden de lidstaten en de landbouwers, met het oog op capaciteitsopbouw, een beroep kunnen doen op een platform voor risicobeheer op het niveau van de Unie, dat de landbouwers adequate financiële instrumenten voor investeringen aanreikt en hun toegang geeft tot werkkapitaal, opleiding, kennisoverdracht en adviesverlening.

In het kader van de grotere marktgerichtheid van het GLB, zoals beschreven in de mededeling „De toekomst van voeding en landbouw”, kunnen blootstelling aan de markt, klimaatverandering en de daarmee gepaard gaande toename van de frequentie en de ernst van extreme weersverschijnselen, alsmede sanitaire en fytosanitaire crises leiden tot risico’s van prijsvolatiliteit en een toenemende druk op de inkomens. Hoewel de landbouwers de eindverantwoordelijkheid dragen voor het uittekenen van hun eigen bedrijfsstrategie, moet een robuust kader worden opgezet om de markten te reguleren en te zorgen voor een adequaat beheer van de gezondheids- en klimaatrisico’s. Daartoe zouden de lidstaten en de landbouwers, met het oog op capaciteitsopbouw, een beroep kunnen doen op een platform voor risicobeheer op het niveau van de Unie, dat de landbouwers adequate financiële instrumenten voor investeringen aanreikt en hun toegang geeft tot werkkapitaal, opleiding, kennisoverdracht en adviesverlening.

Motivering

Gezien het toenemende aantal risico’s waarmee landbouwbedrijven worden geconfronteerd, is een solide preventiekader nodig.

Wijzigingsvoorstel 8

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het GLB moet blijven zorgen voor voedselzekerheid, waaronder dient te worden verstaan dat iedereen op elk ogenblik toegang moet hebben tot voldoende, veilige en voedzame levensmiddelen. Voorts moet dit beleid de landbouw van de Unie helpen beter in te spelen op nieuwe maatschappelijke verwachtingen op het gebied van voedsel en gezondheid, waaronder die inzake duurzame landbouwproductie, gezondere voeding, voedselverspilling en dierenwelzijn. Het GLB moet producties met specifieke en waardevolle kenmerken blijven bevorderen en tegelijk de landbouwers helpen om hun productie proactief aan te passen aan de marktsignalen en de vraag van de consument.

Het GLB moet blijven zorgen voor voedselzekerheid, waaronder dient te worden verstaan dat iedereen op elk ogenblik toegang moet hebben tot voldoende, veilige en voedzame levensmiddelen. Voorts moet dit beleid de landbouw van de Unie helpen beter in te spelen op nieuwe maatschappelijke verwachtingen op het gebied van voedsel en gezondheid, waaronder die inzake duurzame landbouwproductie, gezondere voeding, voedselverspilling, dierenwelzijn en het behoud van de agrarische genetische hulpbronnen . Het GLB moet producties met specifieke en waardevolle kenmerken , zoals typische traditionele streekproducten, blijven bevorderen en tegelijk de landbouwers helpen om hun productie proactief aan te passen aan de marktsignalen en de vraag van de consument. Bovendien moet het GLB bijdragen tot de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (SDG’s) wat betreft de toegang tot voedsel.

Motivering

De Europese Unie heeft het geluk dat zij nog steeds vele typisch traditionele producten en agrarische genetische hulpbronnen in stand kan houden, die dan ook moeten worden gepromoot.

Wijzigingsvoorstel 9

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om ervoor te zorgen dat de Unie kan voldoen aan haar internationale verplichtingen op het gebied van binnenlandse steun die in de WTO-overeenkomst inzake de landbouw zijn vastgesteld, is het noodzakelijk dat bepaalde interventietypes waarin deze verordening voorziet, verder aangemeld blijven als steun uit de „groene doos”, die geen of hoogstens minimale handelsverstorende effecten of effecten op de productie heeft, of als steun uit de „blauwe doos” in het kader van productiebeperkende programma’s, waardoor die steun is vrijgesteld van verlagingsverbintenissen. Hoewel de in deze verordening vastgestelde bepalingen voor die interventietypes reeds in overeenstemming zijn met de voorschriften inzake de „groene doos” van bijlage 2 bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw of met de voorschriften inzake de „blauwe doos” van artikel 6, lid 5, van die overeenkomst, moet ervoor worden gezorgd dat de interventies die de lidstaten voor die interventietypes plannen in hun strategische GLB-plannen, aan die voorschriften blijven voldoen.

 

Wijzigingsvoorstel 10

Nieuwe overweging na overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Om te voldoen aan de door de VN vastgestelde doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s), met name de doelstellingen 1 en 2 daarvan, en in overeenstemming met het EU-beleid inzake samenhang ten aanzien van ontwikkeling (PCD), moet het GLB de ontwikkeling bevorderen van duurzame en welvarende familiale landbouwbedrijven in ontwikkelingslanden, ten gunste van het behoud van hun plattelandsbevolking en hun voedselzekerheid. De uitvoer van landbouwproducten en levensmiddelen uit de EU mogen dan ook niet plaatsvinden tegen prijzen die onder de Europese productiekosten liggen.

Motivering

Overeenkomstig par. 54 van het verkennend CvdR-advies over het GLB moet het GLB worden herzien om aan deze doelstelling te voldoen, die als tiende doelstelling van het GLB moet worden opgenomen.

Wijzigingsvoorstel 11

Overweging 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het normenkader van de GLMC’s beoogt bij te dragen aan de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering, de aanpak van de waterproblematiek, de bescherming en kwaliteit van de bodem en de bescherming en kwaliteit van de biodiversiteit. Het kader moet worden versterkt om met name rekening te houden met de tot en met 2020 in het kader van de vergroening van de rechtstreekse betalingen vastgestelde praktijken, de matiging van de klimaatverandering en de noodzaak om de duurzaamheid van de landbouwbedrijven te verbeteren, met name wat het nutriëntenbeheer betreft. Het is een vaststaand feit dat elke GLMC aan meerdere doelstellingen bijdraagt. Om het kader te implementeren moeten de lidstaten voor elke op het niveau van de Unie vastgestelde norm een nationale norm omschrijven, rekening houdend met de specifieke kenmerken van het betrokken areaal, inclusief bodem- en klimaatgesteldheid, bestaande landbouwcondities, landgebruik, vruchtwisseling, landbouwpraktijken en de structuur van de landbouwbedrijven. Daarnaast kunnen de lidstaten, om de milieu- en klimaatresultaten van het GLMC-kader te verbeteren, nog andere nationale normen vaststellen die gerelateerd zijn aan de in bijlage III opgenomen hoofddoelstellingen. Als onderdeel van het GLMC-kader moeten, ter ondersteuning van zowel de agronomische als de milieuprestaties van de landbouwbedrijven, beheersplannen voor nutriënten worden opgesteld met behulp van een specifiek elektronisch bedrijfsduurzaamheidsinstrument, dat door de lidstaten ter beschikking van de individuele landbouwers wordt gesteld. Dat instrument moet, op basis van minimale functionaliteiten op het gebied van nutriëntenbeheer, ondersteuning bieden voor de besluitvorming op het landbouwbedrijf. Een grote interoperabiliteit en modulariteit moeten ook de mogelijkheid bieden om andere elektronische landbouwbedrijfs- en e-governancetoepassingen toe te voegen. Om te zorgen voor een gelijk speelveld tussen de landbouwers in de hele Unie, kan de Commissie de lidstaten ondersteunen bij de ontwikkeling van het instrument en de vereiste diensten voor gegevensopslag en -verwerking.

Het normenkader van de GLMC’s beoogt bij te dragen aan de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering, de aanpak van de waterproblematiek, de bescherming en kwaliteit van de bodem en de bescherming en kwaliteit van de biodiversiteit , inclusief de agrarische genetische hulpbronnen. Het kader moet worden versterkt om met name rekening te houden met de tot en met 2020 in het kader van de vergroening van de rechtstreekse betalingen vastgestelde praktijken, de matiging van de klimaatverandering en de noodzaak om de duurzaamheid van de landbouwbedrijven te verbeteren, met name wat het nutriëntenbeheer betreft. Het is een vaststaand feit dat elke GLMC aan meerdere doelstellingen bijdraagt. Om het kader te implementeren moeten de lidstaten voor elke op het niveau van de Unie vastgestelde norm een nationale norm omschrijven, rekening houdend met de specifieke kenmerken van het betrokken areaal, inclusief bodem- en klimaatgesteldheid, bestaande landbouwcondities, landgebruik, jaarlijkse vruchtwisseling, landbouwpraktijken en de structuur van de landbouwbedrijven. Daarnaast kunnen de lidstaten, om de milieu- en klimaatresultaten van het GLMC-kader te verbeteren, nog andere nationale normen vaststellen die gerelateerd zijn aan de in bijlage III opgenomen hoofddoelstellingen. Als onderdeel van het GLMC-kader moeten, ter ondersteuning van zowel de agronomische als de milieuprestaties van de landbouwbedrijven, beheersplannen voor nutriënten worden opgesteld met behulp van een specifiek elektronisch bedrijfsduurzaamheidsinstrument, dat door de lidstaten ter beschikking van de individuele landbouwers wordt gesteld. Dat instrument moet, op basis van minimale functionaliteiten op het gebied van nutriëntenbeheer, ondersteuning bieden voor de besluitvorming op het landbouwbedrijf. Een grote interoperabiliteit en modulariteit moeten ook de mogelijkheid bieden om andere elektronische landbouwbedrijfs- en e-governancetoepassingen toe te voegen. Om te zorgen voor een gelijk speelveld tussen de landbouwers in de hele Unie, kan de Commissie de lidstaten ondersteunen bij de ontwikkeling van het instrument en de vereiste diensten voor gegevensopslag en -verwerking.

Motivering

Om doeltreffend te zijn, moet de vruchtwisseling jaarlijks en flexibel zijn (zie Goede landbouw- en milieuconditie 8, bijlage III). Het is zaak op te treden tegen de teloorgang van agrarische genetische hulpbronnen.

Wijzigingsvoorstel 12

Overweging 24

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten moeten bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw opzetten die het duurzame beheer en de algehele prestaties van de landbouw- en plattelandsbedrijven moeten verbeteren en daarbij de economische, ecologische en sociale dimensies bestrijken, en die moeten nagaan welke verbeteringen noodzakelijk zijn ten aanzien van de maatregelen op het niveau van het landbouwbedrijf die in de strategische GLB-plannen zijn opgenomen. Deze bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw moeten landbouwers en andere begunstigden van de GLB-steun helpen om zich beter bewust te worden van het verband tussen bedrijfsbeheer en grondbeheer enerzijds en bepaalde normen, vereisten en informatie, onder meer op het vlak van milieu en klimaat, anderzijds. Tot dat laatste behoren zowel de in het strategisch GLB-plan opgenomen normen die van toepassing zijn op of noodzakelijk zijn voor landbouwers en andere begunstigden van het GLB, als die welke voortvloeien uit de wetgeving inzake water en duurzaam gebruik van pesticiden , uit de initiatieven ter bestrijding van antimicrobiële resistentie en uit het risicobeheer. Om het advies kwaliteitsvoller en doeltreffender te maken, moeten de lidstaten in de kennis- en innovatiesystemen voor de landbouw (AKIS) adviseurs inschakelen om actuele technologische en wetenschappelijke informatie ter beschikking te kunnen stellen die in het kader van onderzoek en innovatie is ontwikkeld.

De lidstaten moeten bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw opzetten die factorproductiviteit , het duurzame beheer en de algehele prestaties van de landbouw- en plattelandsbedrijven moeten verbeteren en daarbij de economische, ecologische en sociale dimensies bestrijken, en die moeten nagaan welke verbeteringen noodzakelijk zijn ten aanzien van de maatregelen op het niveau van het landbouwbedrijf die in de strategische GLB-plannen zijn opgenomen. Deze bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw moeten landbouwers en andere begunstigden van de GLB-steun helpen om zich beter bewust te worden van het verband tussen bedrijfsbeheer en grondbeheer enerzijds en bepaalde normen, vereisten en informatie, onder meer op het vlak van milieu en klimaat, anderzijds. Tot dat laatste behoren zowel de in het strategisch GLB-plan opgenomen normen die van toepassing zijn op of noodzakelijk zijn voor landbouwers en andere begunstigden van het GLB, als die welke voortvloeien uit de wetgeving inzake water en duurzaam gebruik van fytosanitaire producten , uit de initiatieven ter bestrijding van antimicrobiële resistentie en uit het risicobeheer. Om het advies kwaliteitsvoller en doeltreffender te maken, moeten de lidstaten in de kennis- en innovatiesystemen voor de landbouw (AKIS) adviseurs inschakelen om actuele technologische en wetenschappelijke informatie ter beschikking te kunnen stellen die in het kader van onderzoek en innovatie is ontwikkeld.

Wijzigingsvoorstel 13

Overweging 27

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Als de lidstaten ontkoppelde rechtstreekse steun verstrekken op basis van het stelsel van betalingsrechten, moeten zij een nationale reserve blijven beheren, dan wel nationale reserves per groep gebieden. Die reserves moeten prioritair worden gebruikt voor jonge landbouwers of landbouwers die hun landbouwactiviteit opstarten. Om te zorgen voor een soepele werking van het systeem zijn ook regels voor het gebruik en de overdracht van betalingsrechten nodig.

Als de lidstaten ontkoppelde rechtstreekse steun verstrekken op basis van het stelsel van betalingsrechten, moeten zij een nationale reserve blijven beheren, dan wel nationale reserves per groep gebieden. Die reserves moeten prioritair worden gebruikt voor jonge landbouwers of landbouwers die hun landbouwactiviteit opstarten. Om te zorgen voor een soepele werking van het systeem zijn ook regels voor het gebruik en de overdracht van betalingsrechten nodig ; een markt voor betalingsrechten is evenwel uitgesloten .

Motivering

Handel in overheidssubsidies zou onaanvaardbaar zijn.

Wijzigingsvoorstel 14

Overweging 28

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Kleine landbouwbedrijven blijven een hoeksteen van de landbouw van de Unie aangezien zij een cruciale rol spelen bij de ondersteuning van de werkgelegenheid op het platteland en bijdragen aan de territoriale ontwikkeling. Om een evenwichtiger verdeling van de steun te bevorderen en de administratieve lasten voor de begunstigden van kleine bedragen te verminderen, moet aan de lidstaten de keuze worden gelaten om kleine landbouwers de mogelijkheid te geven om in plaats van de andere rechtstreekse betalingen een forfaitaire betaling voor kleine landbouwers te ontvangen.

Kleine landbouwbedrijven blijven een hoeksteen van de landbouw van de Unie aangezien zij een cruciale rol spelen bij de ondersteuning van de werkgelegenheid op het platteland en bijdragen aan de territoriale ontwikkeling. Om een evenwichtiger verdeling van de steun te bevorderen en de administratieve lasten voor de begunstigden van kleine bedragen die de werkgelegenheid steunen, te verminderen, moet aan de lidstaten de keuze worden gelaten om kleine landbouwers de mogelijkheid te geven om in plaats van de andere rechtstreekse betalingen een forfaitaire betaling voor kleine landbouwers te ontvangen.

Motivering

Kleine landbouwbedrijven spelen een cruciale rol in het behoud van de dynamiek en de instandhouding van de gebieden.

Wijzigingsvoorstel 15

Overweging 38

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De steun voor beheersverbintenissen kan het volgende omvatten: premies in het kader van de biologische landbouw voor het onderhoud van en de omschakeling naar biologische grond; betalingen voor andere interventietypes ter ondersteuning van milieuvriendelijke productiesystemen zoals agro-ecologie, conserveringslandbouw en geïntegreerde productie; bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding; premies voor bossen en de invoering van boslandbouwsystemen; dierenwelzijn; instandhouding, duurzaam gebruik en ontwikkeling van genetische hulpbronnen. De lidstaten kunnen in het kader van dit interventietype andere regelingen opstellen naargelang van hun behoeften. Dit type betalingen mag slechts worden verricht voor extra kosten en gederfde inkomsten die het gevolg zijn van verbintenissen die verder gaan dan de basislijn die wordt gevormd door de dwingende normen en voorschriften van zowel het Unierecht als het nationale recht en door de in het strategisch GLB-plan vastgestelde conditionaliteit. Verbintenissen in verband met dit interventietype kunnen worden aangegaan voor een vooraf bepaalde jaarlijkse of meerjarige periode en kunnen, indien naar behoren gemotiveerd, langer lopen dan zeven jaar.

De steun voor beheersverbintenissen kan het volgende omvatten: premies in het kader van de biologische landbouw voor het onderhoud van en de omschakeling naar biologische grond; betalingen voor andere interventietypes ter ondersteuning van milieuvriendelijke productiesystemen zoals agro-ecologie, conserveringslandbouw en geïntegreerde productie; bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding; premies voor bossen en de invoering van boslandbouwsystemen; dierenwelzijn; instandhouding, duurzaam gebruik en ontwikkeling van genetische hulpbronnen. De lidstaten kunnen in het kader van dit interventietype andere regelingen opstellen naargelang van hun behoeften. Voor een aanmoedigend effect moet dit type betalingen worden verricht voor meer dan de extra kosten en gederfde inkomsten die het gevolg zijn van verbintenissen die verder gaan dan de basislijn die wordt gevormd door de dwingende normen en voorschriften van zowel het Unierecht als het nationale recht en door de in het strategisch GLB-plan vastgestelde conditionaliteit. Verbintenissen in verband met dit interventietype kunnen worden aangegaan voor een vooraf bepaalde meerjarige periode en kunnen, indien naar behoren gemotiveerd, langer lopen dan zeven jaar.

Motivering

Om milieuvriendelijke praktijken aan te moedigen, wordt voorgesteld de betaling niet te beperken tot het dekken van kosten. Een periode van meerdere jaren is meer geschikt voor milieueffecten.

Wijzigingsvoorstel 16

Overweging 40

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om te zorgen voor een billijk inkomen en een veerkrachtige landbouwsector in de hele Unie, mogen de lidstaten steun toekennen aan landbouwers in gebieden met natuurlijke en andere gebiedsspecifieke beperkingen. Wat betreft de betalingen voor gebieden met natuurlijke beperkingen, moet de aanwijzing daarvan in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid 2014-2020 blijven gelden. Het GLB zal slechts een grotere meerwaarde van de Unie voor het milieu kunnen opleveren en zijn synergieën met de financiering van investeringen in natuur en biodiversiteit kunnen versterken, als een afzonderlijke maatregel wordt gehandhaafd die erop gericht is de begunstigden te vergoeden voor de nadelen die worden ondervonden door de uitvoering van de Natura 2000-richtlijn en de kaderrichtlijn water. Daarom moet verder steun aan landbouwers en bosbezitters worden toegekend om de specifieke nadelen te helpen compenseren die voortvloeien uit de toepassing van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG en om bij te dragen aan een doeltreffend beheer van de Natura 2000-gebieden. Daarnaast moet ook steun voor landbouwers beschikbaar worden gesteld om in stroomgebieden van rivieren de nadelen te helpen compenseren van de toepassing van de kaderrichtlijn water. De steun moet worden gekoppeld aan specifieke vereisten die in de strategische GLB-plannen worden beschreven en verder gaan dan de desbetreffende dwingende normen en eisen. De lidstaten moeten er ook op toezien dat de betalingen aan landbouwers niet leiden tot dubbele financiering met de ecoregelingen. Voorts moeten de lidstaten in het algemene ontwerp van hun strategische GLB-plannen rekening houden met de specifieke behoeften van de Natura 2000-gebieden.

Om te zorgen voor een billijk inkomen en een veerkrachtige landbouwsector in de hele Unie, kennen de lidstaten steun toe aan landbouwers in gebieden met natuurlijke en andere gebiedsspecifieke beperkingen. Wat betreft de betalingen voor gebieden met natuurlijke beperkingen, moet de aanwijzing daarvan in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid 2014-2020 blijven gelden. Het GLB zal slechts een grotere meerwaarde van de Unie voor het milieu kunnen opleveren en zijn synergieën met de financiering van investeringen in natuur en biodiversiteit kunnen versterken, als een afzonderlijke maatregel wordt gehandhaafd die erop gericht is de begunstigden te belonen voor de uitvoering van de Natura 2000-richtlijn en de kaderrichtlijn water. Daarom moet verder steun aan landbouwers en bosbezitters worden toegekend om de specifieke nadelen te helpen compenseren die voortvloeien uit de toepassing van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG en om bij te dragen aan een doeltreffend beheer van de Natura 2000-gebieden. Daarnaast moet ook steun voor landbouwers beschikbaar worden gesteld om in stroomgebieden van rivieren de nadelen te helpen compenseren van de toepassing van de kaderrichtlijn water. De steun moet worden gekoppeld aan specifieke vereisten die in de strategische GLB-plannen worden beschreven en verder gaan dan de desbetreffende dwingende normen en eisen. De lidstaten moeten er ook op toezien dat de betalingen aan landbouwers niet leiden tot dubbele financiering met de ecoregelingen. Voorts moeten de lidstaten in het algemene ontwerp van hun strategische GLB-plannen rekening houden met de specifieke behoeften van de Natura 2000-gebieden.

Motivering

Het is zaak de landbouw in alle gebieden, ook probleemgebieden, op Europese schaal in stand te houden. Om milieuvriendelijke praktijken aan te moedigen, wordt voorgesteld de betaling niet te beperken tot het dekken van kosten.

Wijzigingsvoorstel 17

Overweging 41

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De doelstellingen van het GLB moeten ook worden nagestreefd door middel van steun voor zowel productieve als niet-productieve investeringen op en buiten het landbouwbedrijf. Die investeringen kunnen onder meer betrekking hebben op infrastructuur in verband met de ontwikkeling, modernisering en aanpassing aan de klimaatverandering van de land- en bosbouw, inclusief op het gebied van de toegankelijkheid van landbouw- en bosgrond, ruilverkaveling en grondverbetering, boslandbouwpraktijken en de voorziening en besparing van energie en water. Om beter de samenhang van de strategische GLB-plannen met de doelstellingen van de Unie te garanderen en een gelijk speelveld tussen de lidstaten tot stand te brengen, wordt in deze verordening een negatieve lijst van investeringsitems opgenomen.

De doelstellingen van het GLB moeten ook worden nagestreefd door middel van steun voor zowel productieve als niet-productieve investeringen op en buiten het landbouwbedrijf. Die investeringen kunnen onder meer betrekking hebben op infrastructuur in verband met de ontwikkeling, modernisering en aanpassing aan de klimaatverandering van de land- en bosbouw, inclusief op het gebied van de toegankelijkheid van landbouw- en bosgrond, grondverbetering, boslandbouwpraktijken en de voorziening en besparing van energie en water , alsook het behoud van de agrarische genetische hulpbronnen . Om beter de samenhang van de strategische GLB-plannen met de doelstellingen van de Unie te garanderen en een gelijk speelveld tussen de lidstaten tot stand te brengen, wordt in deze verordening een negatieve lijst van investeringsitems opgenomen. Deze investeringen zijn per bedrijf geplafonneerd. De middelen voor dit instrument zijn beperkt tot 10 % van de Elfpo-middelen van de lidstaat.

Motivering

Door investeringssteun te plafonneren kunnen meer projecten worden ondersteund. Door de middelen te beperken kan meer worden toegewezen aan andere Elfpo-prioriteiten.

Wijzigingsvoorstel 18

Overweging 44

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Omdat passende instrumenten voor risicobeheer een noodzaak zijn, moeten de verzekeringspremies en onderlinge fondsen worden gehandhaafd en uit het Elfpo worden gefinancierd . De categorie onderlinge fondsen omvat zowel die in verband met productieverliezen als de algemene en sectorspecifieke inkomensstabiliseringsinstrumenten die met inkomensverliezen verband houden.

Omdat passende instrumenten voor risicobeheer een noodzaak zijn, moeten de verzekeringspremies en onderlinge fondsen worden gehandhaafd. De categorie onderlinge fondsen omvat zowel die in verband met productieverliezen als de algemene en sectorspecifieke inkomensstabiliseringsinstrumenten die met inkomensverliezen verband houden.

Motivering

Financiering uit het Elfpo zou een navenante financiële verhoging van het Elfpo vereisen.

Wijzigingsvoorstel 19

Overweging 56

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Bij de opstelling van hun strategische GLB-plannen moeten de lidstaten hun specifieke situatie en behoeften analyseren, streefcijfers vaststellen voor de verwezenlijking van de GLB-doelstellingen en interventies ontwerpen die het mogelijk maken de streefcijfers te bereiken en die tegelijk aangepast zijn aan de specifieke nationale en regionale context, waaronder die van de ultraperifere gebieden als bedoeld in artikel 349 VWEU. Dit proces moet aanzetten tot meer subsidiariteit binnen een gezamenlijk kader van de Unie, terwijl moet worden gegarandeerd dat de algemene beginselen van het recht van de Unie en de GLB-doelstellingen in acht worden genomen. Het is dan ook passend om regels vast te stellen betreffende de structuur en de inhoud van de strategische GLB-plannen.

Bij de opstelling van hun strategische GLB-plannen moeten de lidstaten , in het kader van de uitwerking van plannen voor plattelandsontwikkeling op het meest passende geografische niveau, hun specifieke situatie en behoeften analyseren, streefcijfers vaststellen voor de verwezenlijking van de GLB-doelstellingen en interventies ontwerpen die het mogelijk maken de streefcijfers te bereiken en die tegelijk aangepast zijn aan de specifieke nationale en regionale context, waaronder die van de ultraperifere gebieden als bedoeld in artikel 349 VWEU en van de minder begunstigde gebieden, zoals vermeld in de derde alinea van artikel 174 VWEU. Dit proces moet aanzetten tot meer subsidiariteit binnen een gezamenlijk kader van de Unie, terwijl moet worden gegarandeerd dat de algemene beginselen van het recht van de Unie en de GLB-doelstellingen in acht worden genomen. Het is dan ook passend om regels vast te stellen betreffende de structuur en de inhoud van de strategische GLB-plannen.

Motivering

Hoewel het mogelijk is dat bepaalde elementen van de strategische plannen op regionaal niveau worden vastgesteld, is niet duidelijk welke omvang die hypothetische regionale basis zal aannemen. In de verordening moet worden voorzien in de uitwerking van programma’s voor plattelandsontwikkeling op het passende niveau, ten minste in de ultraperifere regio’s. Bij de uitwerking van strategische GLB-plannen en het ontwerpen van maatregelen voor specifieke nationale en regionale contexten moeten de lidstaten vooral rekening houden met de in artikel 174 VWEU bedoelde probleemgebieden, zoals insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden.

Wijzigingsvoorstel 20

Artikel 4, lid 1, onder a) en b)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In de strategische GLB-plannen te formuleren definities

In de strategische GLB-plannen te formuleren definities

1.   De lidstaten nemen in hun strategisch GLB-plan een definitie op van landbouwactiviteit, landbouwareaal, subsidiabele hectare, echte landbouwer en jonge landbouwer:

1.   De lidstaten nemen in hun strategisch GLB-plan een definitie op van landbouwactiviteit, landbouwareaal, subsidiabele hectare, echte landbouwer en jonge landbouwer:

a)

„landbouwactiviteit” wordt zodanig gedefinieerd dat daaronder zowel de productie wordt verstaan van landbouwproducten die zijn vermeld in bijlage I bij het VWEU, met inbegrip van katoen en hakhout met korte omlooptijd , als de instandhouding van het landbouwareaal in een staat die begrazing of teelt mogelijk maakt zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan activiteiten op basis van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines;

a)

„landbouwactiviteit” wordt zodanig gedefinieerd dat daaronder zowel de productie wordt verstaan van landbouwproducten die zijn vermeld in bijlage I bij het VWEU, met inbegrip van katoen en agrobosbouw , als de instandhouding van het landbouwareaal in een staat die begrazing of teelt mogelijk maakt zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan activiteiten op basis van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines;

b)

„landbouwareaal” wordt zodanig gedefinieerd dat dit begrip bouwland, blijvende teelten en blijvend grasland omvat. De begrippen „bouwland”, „blijvende teelten” en „blijvend grasland” worden door de lidstaten nader gespecificeerd binnen het volgende kader:

b)

„landbouwareaal” wordt zodanig gedefinieerd dat dit begrip bouwland, blijvende teelten en blijvend grasland omvat. De begrippen „bouwland”, „blijvende teelten” en „blijvend grasland” worden door de lidstaten nader gespecificeerd binnen het volgende kader:

 

i)

„bouwland” is grond die voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is, maar braak ligt, en omvat areaal dat is braakgelegd overeenkomstig de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad (1), artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (2), artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of artikel 65 van de onderhavige verordening;

 

i)

„bouwland” is grond die voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is, maar braak ligt, en omvat areaal dat is braakgelegd overeenkomstig de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad (1), artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (2), artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of artikel 65 van de onderhavige verordening;

 

ii)

„blijvende teelten” zijn niet in de vruchtwisseling opgenomen teelten van gewassen, andere dan blijvend grasland en blijvend weiland, die de grond gedurende ten minste vijf jaar in beslag nemen en die geregeld een oogst opleveren, met inbegrip van producten van kwekerijen en hakhout met korte omlooptijd;

 

ii)

„blijvende teelten” zijn niet in de vruchtwisseling opgenomen teelten van gewassen, andere dan blijvend grasland en blijvend weiland, die de grond gedurende ten minste vijf jaar in beslag nemen en die geregeld een oogst opleveren, met inbegrip van producten van kwekerijen en hakhout met korte omlooptijd dat deel uitmaakt van de percelen ;

 

iii)

„blijvend grasland en blijvend weiland” (samen „blijvend grasland”) is grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen. Dit begrip kan ook andere soorten omvatten zoals struiken en/of bomen die kunnen worden begraasd of die diervoeder produceren;

 

iii)

„blijvend grasland en blijvend weiland” (samen „blijvend grasland”) is grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen. Dit begrip kan ook andere soorten omvatten zoals struiken en/of bomen die kunnen worden begraasd of die diervoeder produceren , mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen blijven overheersen. Het kunnen ook gronden zijn die worden begraasd en die deel uitmaken van gevestigde lokale gewoonten, volgens welke grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet de overhand hebben op weidegronden, of gronden die kunnen worden begraasd waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet overheersen op weidegronden, of daar niet aanwezig zijn.

Dit geldt ook voor silvopastorale systemen waar kruidachtige voedergewassen niet de overhand hebben maar wel worden gebruikt door het vee, zoals tot natuurweiden omgevormde gebieden en/of met struiken en bomen begroeide weiden in berggebieden.

Motivering

Er wordt voorgesteld vast te houden aan de huidige formulering van de „Omnibus”-verordening, waarin rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de mediterrane weidegronden, zoals natuurweiden (dehesa) en beboste weiden in berggebieden.

Wijzigingsvoorstel 21

Artikel 4, lid 1, onder d)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

„Echte landbouwers” wordt zodanig gedefinieerd dat geen steun wordt verleend aan personen van wie de landbouwactiviteit slechts een onaanzienlijk deel van hun totale economische activiteiten vormt of van wie de hoofdactiviteit geen landbouwactiviteit is, maar dat pluri-actieve landbouwers niet van de steun worden uitgesloten. De definitie maakt het mogelijk om op basis van voorwaarden, zoals een inkomenstoets, de arbeidsinput op het landbouwbedrijf, het ondernemingsdoel en/of de opname in registers, te bepalen welke landbouwers niet als echte landbouwers worden beschouwd;

„Echte landbouwers” wordt zodanig gedefinieerd dat geen steun wordt verleend aan personen van wie de landbouwactiviteit slechts een onaanzienlijk deel van hun totale economische activiteiten vormt of van wie de hoofdactiviteit geen landbouwactiviteit is, maar dat pluri-actieve landbouwers niet van de steun worden uitgesloten. De definitie maakt het mogelijk om op basis van voorwaarden, zoals het inkomensdeel uit landbouwproductie , het ondernemingsdoel en/of de opname in registers, te bepalen welke landbouwers niet als echte landbouwers worden beschouwd . De definitie moet hoe dan ook het model van familielandbouwbedrijven van de Europese Unie met een individueel of associatief karakter behouden, waarin de landbouwer werkzaam is en rechtstreeks van zijn landbouwactiviteit leeft, en mag, indien nodig, rekening houden met de bijzonderheden van de regio’s als omschreven in artikel 349 VWEU.

Motivering

Voor kleine landbouwers zou het inkomen buiten beschouwing moeten worden gelaten. Rekening houdend met het aandeel van het landbouwinkomen maakt het gemakkelijker om een onderscheid te maken tussen echte landbouwers. Het Europees model van familielandbouwbedrijven moet kracht worden bijgezet.

Wijzigingsvoorstel 22

Artikel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De steun uit het ELGF en het Elfpo dient om de duurzame ontwikkeling van landbouw, voeding en plattelandsgebieden verder te verbeteren en draagt bij aan de verwezenlijking van de volgende algemene doelstellingen:

De steun uit het ELGF en het Elfpo dient om de duurzame ontwikkeling van landbouw, voeding en plattelandsgebieden verder te verbeteren en draagt bij aan de verwezenlijking van de volgende algemene doelstellingen:

a)

bevorderen van een slimme, veerkrachtige en gediversifieerde landbouwsector om voedselzekerheid te garanderen;

a)

bevorderen van een slimme, veerkrachtige en gediversifieerde landbouwsector om voedselzekerheid te garanderen;

b)

intensiveren van milieuzorg en klimaatactie en bijdragen aan de verwezenlijking van de milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen van de Unie;

b)

intensiveren van milieuzorg en klimaatactie en bijdragen aan de verwezenlijking van de milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen van de Unie;

c)

versterken van het sociaaleconomische weefsel van de plattelandsgebieden.

c)

versterken van het sociaaleconomische weefsel van de plattelandsgebieden , met speciale nadruk op het nastreven van een redelijke levensstandaard voor de landbouwbevolking, in overeenstemming met artikel 39, onder b), van het VWEU, waarbij bijzondere aandacht moet worden geschonken aan plattelandsgebieden die met ernstige problemen van ontvolking te kampen hebben.

Deze doelstellingen worden aangevuld met de horizontale doelstelling die erin bestaat de sector te moderniseren door kennisstimulering en -deling, innovatie en digitalisering in de landbouw en de plattelandsgebieden en door bevordering van de benutting daarvan.

Deze doelstellingen worden aangevuld met de horizontale doelstelling die erin bestaat de sector te moderniseren door kennisstimulering en -deling, innovatie en digitalisering in de landbouw en de plattelandsgebieden en door bevordering van de benutting daarvan. Het gaat er ook om de verschillende schakels in de voedselwaardeketen te helpen relaties op te bouwen, door hun contractuele betrekkingen te versterken en transparanter te maken, alsook door het gebruik van instrumenten zoals gestandaardiseerde waarnemingsposten voor prijzen en productiekosten.

Motivering

Het GLB moet ervoor zorgen dat artikel 39 VWEU in acht wordt genomen, bijzondere aandacht besteden aan de plattelandsgebieden die te kampen hebben met ontvolking, en de werking van de voedselketens verbeteren.

Wijzigingsvoorstel 23

Artikel 6, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Specifieke doelstellingen

Specifieke doelstellingen

1.   De algemene doelstellingen worden verwezenlijkt aan de hand van de volgende specifieke doelstellingen:

1.   De algemene doelstellingen worden verwezenlijkt aan de hand van de volgende specifieke doelstellingen:

a)

bieden van steun met het oog op een leefbaar landbouwinkomen en veerkracht in de hele Unie om de voedselzekerheid te vergroten;

a)

bieden van steun met het oog op een leefbaar landbouwbedrijfsinkomen , vergelijkbaar met inkomens in de rest van de economie, en veerkracht op het gehele grondgebied van de Unie (ter ondersteuning van de voedselzekerheid);

b)

vergroten van de marktgerichtheid en van het concurrentievermogen, onder meer door beter te focussen op onderzoek, technologie en digitalisering;

b)

vergroten van de Europese marktgerichtheid en van het concurrentievermogen op sociaal, milieu-, territoriaal en economisch gebied , onder meer door beter te focussen op onderzoek, technologie en digitalisering , alsook op agro-ecologie en de verspreiding van duurzame productiemethoden ;

c)

verbeteren van de positie van de landbouwers in de waardeketen;

c)

verbeteren van de productiviteit van de productiefactoren, onder meer met het oog op het verminderen van de kosten van goederen en diensten die worden geproduceerd door de landbouwsector;

d)

bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering en tot duurzame energie;

d)

verbeteren van de positie van de landbouwers in de waardeketen;

e)

bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen, zoals water, bodem en lucht;

e)

bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering en tot duurzame energie;

f)

bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen;

f)

bevorderen van duurzaam efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals genetische hulpbronnen van de landbouw, water, bodem en lucht;

g)

aantrekken van jonge landbouwers en vergemakkelijken van bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden;

g)

bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen;

h)

bevorderen van de werkgelegenheid, groei, sociale inclusie en lokale ontwikkeling in plattelandsgebieden, met inbegrip van bio-economie en duurzame bosbouw;

h)

aantrekken van jonge landbouwers en nieuwe landbouwers, vooral in de minst bevolkte regio’s, en vergemakkelijken van bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden;

i)

beter inspelen door de EU-landbouw op de maatschappelijke verwachtingen inzake voedsel en gezondheid, onder meer wat betreft veilig, voedzaam en duurzaam voedsel, voedselverspilling en dierenwelzijn.

i)

bevorderen van de werkgelegenheid, groei , deelname van vrouwen aan de plattelandseconomie , sociale inclusie en lokale ontwikkeling in plattelandsgebieden, met inbegrip van bio-economie en duurzame bosbouw;

 

j)

beter inspelen door de EU-landbouw op de maatschappelijke verwachtingen inzake voedsel en gezondheid, onder meer wat betreft veilig, voedzaam en duurzaam voedsel, voedselverspilling en dierenwelzijn;

 

k)

de ontwikkeling van duurzame familiale landbouw in ontwikkelingslanden bevorderen, in overeenstemming met de doelstellingen 1 en 2 van de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) en de samenhang van het ontwikkelingsbeleid van de EU.

Wijzigingsvoorstel 24

Artikel 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten streven de doelstellingen van titel II na door overeenkomstig de in dit hoofdstuk vastgestelde gemeenschappelijke vereisten interventies te omschrijven op basis van de in de hoofdstukken II, III en IV, van deze titel vastgestelde interventietypes.

De lidstaten en de regio’s die als beheersautoriteiten fungeren, streven de doelstellingen van titel II na door overeenkomstig de in dit hoofdstuk vastgestelde gemeenschappelijke vereisten interventies te omschrijven op basis van de in de hoofdstukken II, III en IV, van deze titel vastgestelde interventietypes.

Motivering

De rol van de Europese regio’s bij het beheer en de uitvoering van het GLB moet worden gehandhaafd en versterkt om de beleidskeuzes aan te passen aan de specifieke territoriale en sectorale kenmerken.

Wijzigingsvoorstel 25

Artikel 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten ontwerpen de interventies in hun strategische GLB-plannen in overeenstemming met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de algemene beginselen van het recht van de Unie.

Aangezien het gemeenschappelijk landbouwbeleid de basis vormt voor de economie van de agrovoedingssector en voor de economische en sociale structuur van het platteland in de EU, ontwerpen de lidstaten en de regio’s die als beheersautoriteiten fungeren de interventies in hun strategische GLB-plannen in overeenstemming met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de algemene beginselen van het recht van de Unie , en met name het subsidiariteitsbeginsel .

De lidstaten zorgen ervoor dat de interventies worden vastgesteld op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, verenigbaar zijn met de interne markt en de mededinging niet verstoren.

De lidstaten stellen het rechtskader voor de toekenning van de steun van de Unie aan de begunstigden vast op basis van het strategisch GLB-plan en overeenkomstig de beginselen en vereisten van de onderhavige verordening en Verordening (EU) [HzV].

De lidstaten zorgen ervoor dat de interventies worden vastgesteld op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, verenigbaar zijn met de interne markt en de mededinging niet verstoren.

De lidstaten stellen het rechtskader voor de toekenning van de steun van de Unie aan de begunstigden vast op basis van het strategisch GLB-plan en overeenkomstig de beginselen en vereisten van de onderhavige verordening en Verordening (EU) [HzV].

Motivering

Er moet gewezen worden op de grondslag van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat de lidstaten dienen uit te voeren voor zover het verenigbaar is met de interne markt en zonder de mededinging te verstoren.

Wijzigingsvoorstel 26

Artikel 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten nemen in hun strategische GLB-plannen een conditionaliteitsregeling op op grond waarvan aan begunstigden die rechtstreekse betalingen krachtens hoofdstuk II van deze titel of jaarlijkse premies krachtens de artikelen 65, 66 en 67 ontvangen, een administratieve sanctie wordt opgelegd wanneer zij niet voldoen aan de uit het recht van de Unie voortvloeiende beheerseisen en de in het strategisch GLB-plan vastgestelde normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van grond die zijn vermeld in bijlage III en betrekking hebben op de volgende specifieke gebieden:

De lidstaten nemen in hun strategische GLB-plannen een conditionaliteitsregeling op op grond waarvan aan begunstigden die rechtstreekse betalingen krachtens hoofdstuk II van deze titel of jaarlijkse premies krachtens de artikelen 65, 66 en 67 ontvangen, een administratieve sanctie wordt opgelegd wanneer zij niet voldoen aan de uit het recht van de Unie voortvloeiende beheerseisen en de in het strategisch GLB-plan vastgestelde normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van grond die zijn vermeld in bijlage III en betrekking hebben op de volgende specifieke gebieden:

1.

klimaat en milieu;

2.

volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten;

3.

dierenwelzijn.

1.

klimaat en milieu;

2.

volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten;

3.

dierenwelzijn;

4.

sociaal: inachtneming van de rechten van werknemers in de landbouw.

Motivering

Het is van belang dat bedrijven die openbare steun uit het GLB ontvangen de sociale rechten van hun werknemers eerbiedigen.

Wijzigingsvoorstel 27

Artikel 12, lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten zetten een systeem op om het in bijlage III bedoelde landbouwbedrijfsduurzaamheidsintrument voor nutriënten, met de in die bijlage omschreven minimale elementen en functionaliteiten, ter beschikking te stellen van de begunstigden, die van dat instrument moeten gebruikmaken.

De Commissie kan de lidstaten ondersteunen bij de ontwikkeling van dat instrument en d e vereiste diensten voor gegevensopslag en -verwerking.

De lidstaten zetten een systeem op om het in bijlage III bedoelde landbouwbedrijfsduurzaamheidsintrument voor nutriënten, met de in die bijlage omschreven minimale elementen en functionaliteiten, ter beschikking te stellen van de begunstigden, die van dat instrument moeten gebruikmaken.

De Commissie kan de lidstaten ondersteunen bij de ontwikkeling van dat instrument . D e vereiste diensten voor gegevensopslag en -verwerking , alsook voor gegevensbescherming moeten ervoor zorgen dat de landbouwer controle heeft over zijn nutriëntenbeheer.

Motivering

De vruchtbaarheid van de bodem hangt minder af van de digitale registratie van voedingsstoffen dan van de naleving van goede agronomische praktijken die bepalend zijn voor de goede biologische toestand van de bodem. De landbouwer moet de controle houden over het nutriëntenbeheer op zijn bedrijf, met inachtneming van de wetgeving.

Wijzigingsvoorstel 28

Artikel 12, lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met regels inzake een goede landbouw- en milieuconditie, waarbij onder meer de elementen van het systeem van het aandeel blijvend grasland, het referentiejaar en het omschakelingspercentage in het kader van GLMC 1 als bedoeld in bijlage III, en de format en de aanvullende minimale elementen en functionaliteiten van het landbouwbedrijfsduurzaamheidsinstrument voor nutriënten worden vastgesteld.

 

Motivering

Goede landbouw- en milieuvoorwaarden moeten via verordeningen en niet via gedelegeerde handelingen worden vastgesteld.

Wijzigingsvoorstel 29

Artikel 13, lid 4, onder d)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

risicobeheer als bedoeld in artikel 70;

preventie en risicobeheer als bedoeld in artikel 70;

Motivering

Risicopreventie, door middel van agroecologische praktijken en de despecialisatie van landbouwbedrijven en gebieden, zal ervoor zorgen dat bedrijven beter bestand zijn tegen klimaat- en gezondheidsrisico’s. Dure risicobeheersing zal niet volstaan om bedrijven veilig te stellen.

Wijzigingsvoorstel 30

Artikel 15, lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met voorschriften waarbij een geharmoniseerde grondslag voor de berekening van de in lid 1 bedoelde verlaging van de betalingen wordt vastgesteld met het oog op een correcte verdeling van de middelen onder de gerechtigde begunstigden.

 

Motivering

De verdeling van de rechtstreekse betalingen moet via verordeningen en niet via gedelegeerde handelingen worden vastgesteld.

Wijzigingsvoorstel 31

Artikel 24, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Behalve in het geval van overdracht door feitelijke of verwachte vererving worden betalingsrechten uitsluitend overgedragen aan een echte landbouwer.

Behalve in het geval van overdracht door feitelijke of verwachte vererving worden betalingsrechten uitsluitend overgedragen aan een echte landbouwer en blijven zij gekoppeld aan de grond .

Motivering

Het is niet te rechtvaardigen dat er handel kan worden gedreven in rechten op overheidssubsidies die geen verband houden met de aankoop of pacht van landbouwgrond.

Wijzigingsvoorstel 32

Artikel 25

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten kunnen aan kleine landbouwers zoals gedefinieerd door de lidstaten, betalingen in de vorm van een forfaitaire som toekennen ter vervanging van de rechtstreekse betalingen in het kader van deze afdeling en afdeling 3 van dit hoofdstuk. De lidstaten ontwerpen de overeenkomstige interventie in het strategisch GLB-plan op zodanige wijze dat zij facultatief is voor de landbouwers.

De lidstaten kennen aan kleine landbouwers zoals gedefinieerd door de lidstaten, betalingen in de vorm van een forfaitaire som toe ter vervanging van de rechtstreekse betalingen in het kader van deze afdeling en afdeling 3 van dit hoofdstuk. Dit forfaitaire bedrag wordt vastgesteld op een niveau dat toereikend is om de levensvatbaarheid van de betrokken bedrijven op lange termijn te waarborgen. De lidstaten stellen criteria vast voor de identificatie van kleine landbouwers en ontwerpen de overeenkomstige interventie in het strategisch GLB-plan op zodanige wijze dat zij facultatief is voor de landbouwers.

Motivering

Kleine landbouwbedrijven spelen effectief een rol in het behoud van de werkgelegenheid, de dynamiek en de instandhouding van de gebieden. Deze regeling moet voor de lidstaten verplicht zijn.

Wijzigingsvoorstel 33

Artikel 28, lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De steun voor ecoregelingen neemt de vorm aan van een jaarlijkse betaling per subsidiabele hectare en wordt verleend:

De steun voor ecoregelingen neemt de vorm aan van een jaarlijkse betaling per subsidiabele hectare en wordt verleend:

a)

hetzij als aanvullende betaling bij de basisinkomenssteun als vastgesteld in deze afdeling, onderafdeling 2,

a)

hetzij als aanvullende betaling bij de basisinkomenssteun als vastgesteld in deze afdeling, onderafdeling 2,

b)

hetzij als betaling om de begunstigden geheel of gedeeltelijk te vergoeden voor de extra kosten en de gederfde inkomsten als gevolg van de aangegane verbintenissen als vastgesteld op grond van artikel 65.

b)

hetzij als betaling om de begunstigden ruimschoots te vergoeden voor de extra kosten en de gederfde inkomsten als gevolg van de aangegane verbintenissen als vastgesteld op grond van artikel 65.

Motivering

Om landbouwers aan te moedigen milieuvriendelijke praktijken in stand te houden of te ontwikkelen moet de steun verder gaan dan de extra productiekosten die gepaard gaan met deugdzame praktijken.

Wijzigingsvoorstel 34

Artikel 29

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De lidstaten kunnen echte landbouwers gekoppelde inkomenssteun verlenen onder de voorwaarden die in deze onderafdeling zijn vastgesteld en door de lidstaten nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

1.   De lidstaten kunnen echte landbouwers gekoppelde inkomenssteun verlenen onder de voorwaarden die in deze onderafdeling zijn vastgesteld en door de lidstaten nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

2.   De interventies van de lidstaten helpen de in artikel 30 vermelde ondersteunde sectoren en producties of specifieke soorten landbouw binnen die sectoren of producties door de problemen die daar worden ondervonden, aan te pakken via het verbeteren van het concurrentievermogen, de duurzaamheid of de kwaliteit ervan.

2.   De interventies van de lidstaten helpen de in artikel 30 vermelde ondersteunde sectoren en producties of specifieke soorten landbouw binnen die sectoren of producties , met de volgende doelstellingen:

de stopzetting van landbouwactiviteiten in plattelandsgebieden te voorkomen en de zelfvoorziening van de EU op voedselgebied te versterken, of

de problemen die daar worden ondervonden, aan te pakken via het verbeteren van het concurrentievermogen, de duurzaamheid of de kwaliteit ervan.

3.   De gekoppelde inkomenssteun wordt verleend in de vorm van een jaarlijkse betaling per hectare of per dier.

3.   De gekoppelde inkomenssteun wordt verleend in de vorm van een jaarlijkse geplafonneerde betaling per hectare of per dier.

Motivering

Gekoppelde steun moet evenzeer betrekking hebben op gebieden in moeilijkheden als op producties in moeilijkheden en moet meer gericht zijn op het behoud van een productie dan op de uitbreiding ervan, wat een plafonnering per bedrijf rechtvaardigt.

Wijzigingsvoorstel 35

Artikel 30

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Gekoppelde inkomenssteun mag uitsluitend voor de volgende sectoren en producties of specifieke soorten landbouw binnen die sectoren of producties worden toegekend voor zover die van belang zijn om economische, sociale of ecologische redenen: granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen, zaaddragende leguminosen, vlas, hennep, rijst, noten, zetmeelaardappelen, melk en zuivelproducten, zaaizaad, schapen- en geitenvlees, rundvlees, olijfolie, zijderupsen, gedroogde voedergewassen, hop, suikerbieten, suikerriet en cichorei, groenten en fruit, hakhout met korte omlooptijd en andere niet-voedingsgewassen, met uitzondering van bomen, die worden gebruikt om er producten van te maken die mogelijk fossiele materialen kunnen vervangen.

Gekoppelde inkomenssteun mag uitsluitend voor de volgende sectoren en producties of specifieke soorten landbouw binnen die sectoren of producties worden toegekend voor zover die van belang zijn om economische, sociale of ecologische redenen: granen, oliehoudende zaden met uitzondering van gewassen voor agrobrandstoffen, eiwithoudende gewassen, zaaddragende leguminosen, voederleguminosen, zuiver of gemengd met grassen, gras, vlas, hennep, rijst, noten, melk en zuivelproducten, zaaizaad, schapen- en geitenvlees, rundvlees, varkensvlees, gevogelte, olijfolie, zijderupsen, gedroogde voedergewassen, hop, suikerbieten, suikerriet en cichorei, groenten en fruit, en hakhout met korte omlooptijd dat deel uitmaakt van de percelen .

Motivering

Gekoppelde steun moet alle leguminosen bevoordelen. Varkensvlees en gevogelte mogen niet worden uitgesloten, in tegenstelling tot gewassen voor agrobrandstoffen.

Wijzigingsvoorstel 36

Artikel 40

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Verplichte en facultatieve sectorale interventietypes

Verplichte en facultatieve sectorale interventietypes

1.   De sectorale interventietypes in de sector groenten en fruit als bedoeld in artikel 39, onder a), en in de sector van de bijenteelt als bedoeld in artikel 39, onder b), zijn verplicht voor elke lidstaat.

1.   De sectorale interventietypes in de sector groenten en fruit als bedoeld in artikel 39, onder a), en in de sector van de bijenteelt als bedoeld in artikel 39, onder b), zijn verplicht voor elke lidstaat.

2.   Het sectorale interventietype in de wijnsector als bedoeld in artikel 39, onder c), is verplicht voor de lidstaten die zijn opgenomen in de lijst in bijlage V.

2.   Het sectorale interventietype in de wijnsector als bedoeld in artikel 39, onder c), is verplicht voor de lidstaten die zijn opgenomen in de lijst in bijlage V.

3.   De lidstaten kunnen ervoor kiezen om in hun strategisch GLB-plan de in artikel 39, onder d), e) en f), bedoelde sectorale interventietypes toe te passen.

3.   De lidstaten kunnen ervoor kiezen om in hun strategisch GLB-plan de in artikel 39, onder d), e) en f), bedoelde sectorale interventietypes toe te passen.

4.   De in artikel 82, lid 3, bedoelde lidstaat kan het in artikel 39, onder f), bedoelde sectorale interventietype slechts uitvoeren in de hopsector als die lidstaat in zijn strategisch GLB-plan besluit het in artikel 39, onder d), bedoelde sectorale interventietype niet uit te voeren.

4.   De in artikel 82, lid 3, bedoelde lidstaat kan het in artikel 39, onder f), bedoelde sectorale interventietype slechts uitvoeren in de hopsector als die lidstaat in zijn strategisch GLB-plan besluit het in artikel 39, onder d), bedoelde sectorale interventietype niet uit te voeren.

5.   De in artikel 82, lid 4, bedoelde lidstaten kunnen het in artikel 39, onder f), bedoelde sectorale interventietype slechts uitvoeren in de sector olijfolie en tafelolijven als die lidstaten in hun strategische GLB-plannen besluiten het in artikel 39, onder e), bedoelde sectorale interventietype niet uit te voeren.

5.   De in artikel 82, lid 4, bedoelde lidstaten kunnen het in artikel 39, onder f), bedoelde sectorale interventietype slechts uitvoeren in de sector olijfolie en tafelolijven als die lidstaten in hun strategische GLB-plannen besluiten het in artikel 39, onder e), bedoelde sectorale interventietype niet uit te voeren.

 

6.     De lidstaten kunnen in hun strategische plannen interventies voor crisispreventie en risicobeheer in om het even welke sector opnemen om crises in die sector te voorkomen en het hoofd te bieden; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die worden genoemd in artikel 6, lid 1, onder a), b) en c). Deze interventies vergemakkelijken de deelname van producentenorganisaties, brancheorganisaties en coöperaties aan het systeem.

 

7.     Op basis van gemeenschappelijke richtsnoeren die van toepassing zijn op de gehele Europese Unie nemen de lidstaten in hun strategische plannen instrumenten op, zoals gestandaardiseerde waarnemingsposten voor prijzen en productiekosten, om informatie over de ontwikkeling van de markten te verkrijgen.

Motivering

De mogelijkheid om interventies ter voorkoming en beheersing van risico’s in te voeren moet worden uitgebreid tot alle sectoren. Instrumenten zoals gestandaardiseerde waarnemingsposten voor prijzen en productiekosten zullen, in voorkomend geval, waarschuwingssignalen m.b.t. de ontwikkeling van de landbouwmarkten afgeven.

Wijzigingsvoorstel 37

Artikel 43, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Ten aanzien van de in artikel 42, onder a) tot en met h), bedoelde doelstellingen kiezen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen een of meer van de volgende interventietypes:

Ten aanzien van de in artikel 42, onder a) tot en met h), bedoelde doelstellingen kiezen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen een of meer van de volgende interventietypes:

a)

investeringen in materiële en immateriële activa, met name gericht op waterbesparing, energiebesparing, milieuvriendelijke verpakking en afvalvermindering;

a)

investeringen in materiële en immateriële activa, met name gericht op waterbesparing, energiebesparing, milieuvriendelijke verpakking en afvalvermindering;

b)

onderzoek en experimentele productie, met name gericht op waterbesparing, energiebesparing, milieuvriendelijke verpakking, afvalvermindering, weerstand tegen plagen, vermindering van de risico’s en de effecten van het gebruik van pesticiden, voorkoming van schade veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden en stimulering van het gebruik van variëteiten groenten en fruit die aan de veranderende klimaatomstandigheden zijn aangepast;

b)

onderzoek en experimentele productie, met name gericht op waterbesparing, energiebesparing, milieuvriendelijke verpakking, afvalvermindering, weerstand tegen plagen, vermindering van de risico’s en de effecten van het gebruik van pesticiden, voorkoming van schade veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden en stimulering van het gebruik van variëteiten groenten en fruit die aan de veranderende klimaatomstandigheden zijn aangepast;

c)

biologische productie;

c)

biologische productie;

d)

geïntegreerde productie;

d)

geïntegreerde productie;

e)

acties voor bodembehoud en verhoging van het koolstofgehalte in de bodem;

e)

acties voor bodembehoud en verhoging van het koolstofgehalte in de bodem;

f)

acties voor de aanleg en het behoud van habitats die gunstig zijn voor de biodiversiteit of acties voor het behoud van het landschap, met inbegrip van de instandhouding van de historische elementen ervan;

f)

acties voor de aanleg en het behoud van habitats die gunstig zijn voor de biodiversiteit of acties voor het behoud van het landschap, met inbegrip van de instandhouding van de historische elementen ervan;

g)

acties om energie te besparen, de energie-efficiëntie te verbeteren en het gebruik van hernieuwbare energie te doen toenemen;

g)

acties om energie te besparen, de energie-efficiëntie te verbeteren en het gebruik van hernieuwbare energie te doen toenemen;

h)

acties om de weerstand tegen plagen te verhogen;

h)

acties om de weerstand tegen plagen te verhogen;

i)

acties om het watergebruik en -beheer te verbeteren, met inbegrip van waterbesparing en drainage;

i)

acties om het watergebruik en -beheer te verbeteren, met inbegrip van waterbesparing en drainage;

j)

acties en maatregelen om de afvalproductie te verminderen en het afvalbeheer te verbeteren;

j)

acties en maatregelen om de afvalproductie te verminderen en het afvalbeheer te verbeteren;

k)

acties om de duurzaamheid en de efficiëntie van het vervoer en de opslag van producten van de sector groenten en fruit te verbeteren;

k)

acties om de duurzaamheid en de efficiëntie van het vervoer en de opslag van producten van de sector groenten en fruit te verbeteren;

l)

acties om de klimaatverandering te matigen, zich aan de klimaatverandering aan te passen en het gebruik van hernieuwbare energie te doen toenemen;

l)

acties om de klimaatverandering te matigen, zich aan de klimaatverandering aan te passen en het gebruik van hernieuwbare energie te doen toenemen;

m)

uitvoering van op nationaal niveau en op het niveau van de Unie ingestelde kwaliteitsregelingen;

m)

uitvoering van op nationaal niveau en op het niveau van de Unie ingestelde kwaliteitsregelingen;

n)

afzetbevordering en communicatie, met inbegrip van acties en activiteiten die erop gericht zijn de groenten- en fruitmarkten te diversifiëren en te consolideren en informatie te verstrekken over de voordelen van de consumptie van groenten en fruit voor de gezondheid;

n)

afzetbevordering en communicatie, met inbegrip van acties en activiteiten die erop gericht zijn de groenten- en fruitmarkten te diversifiëren en te consolideren en informatie te verstrekken over de voordelen van de consumptie van groenten en fruit voor de gezondheid;

o)

adviesdiensten en technische bijstand, met name op het gebied van duurzame plaagbestrijdingstechnieken, duurzaam gebruik van pesticiden en aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering;

o)

adviesdiensten en technische bijstand, met name op het gebied van duurzame plaagbestrijdingstechnieken, minder gebruik van pesticiden en aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering;

p)

opleiding en uitwisseling van beste praktijken die met name betrekking hebben op duurzame plaagbestrijdingstechnieken en duurzaam gebruik van pesticiden en bijdragen tot de aanpassing aan en de matiging van de klimaatverandering.

p)

opleiding en uitwisseling van beste praktijken die met name betrekking hebben op duurzame plaagbestrijdingstechnieken en minder gebruik van pesticiden en bijdragen tot de aanpassing aan en de matiging van de klimaatverandering;

 

q)

maatregelen ter bescherming van de diversiteit van de genetische hulpbronnen van groenten en fruit.

Motivering

Voor de gezondheid van de landbouwers en van de bevolking is het hoog tijd om het gebruik van pesticiden aanzienlijk te verminderen. De diversiteit van de genetische hulpbronnen is een garantie voor veerkracht.

Wijzigingsvoorstel 38

Artikel 49

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Interventietypes in de bijenteeltsector en financiële steun van de Unie

[…]

Interventietypes in de bijenteeltsector en financiële steun van de Unie

[…]

2.   De lidstaten onderbouwen in hun strategische GLB-plannen de door hen gekozen specifieke doelstellingen en interventietypes. De lidstaten omschrijven interventies binnen de gekozen interventietypes.

[…]

2.   De lidstaten onderbouwen in hun strategische GLB-plannen de door hen gekozen specifieke doelstellingen en interventietypes. De lidstaten omschrijven interventies binnen de gekozen interventietypes.

[…]

4.   De financiële steun van de Unie voor de in lid 2 bedoelde interventies bedraagt ten hoogste 50 % van de uitgaven. Het resterende gedeelte van de uitgaven is ten laste van de lidstaten.

[…]

4.   De financiële steun van de Unie voor de in lid 2 bedoelde interventies bedraagt ten hoogste 50 % van de uitgaven , met uitzondering van de steun voor de ultraperifere regio’s die ten hoogste 85 % mag bedragen . Het resterende gedeelte van de uitgaven is ten laste van de lidstaten.

[…]

Motivering

Verlaging van de medefinancieringspercentages, in vergelijking met de vorige programmaperiodes, zou de uitvoering van de programma’s voor plattelandsontwikkeling in de ultraperifere regio’s op losse schroeven zetten en ertoe leiden dat deze regio’s twee keer zoveel financiële middelen zouden moeten uittrekken voor EU-projecten.

Wijzigingsvoorstel 39

Artikel 52, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Interventietypes in de wijnsector

Interventietypes in de wijnsector

Voor elke doelstelling die wordt gekozen uit de in artikel 51 vastgestelde doelstellingen, kiezen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen één of meer van de volgende interventietypes:

Voor elke doelstelling die wordt gekozen uit de in artikel 51 vastgestelde doelstellingen, kiezen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen één of meer van de volgende interventietypes:

a)

herstructurering en omschakeling van wijngaarden, met inbegrip van herbeplanting van wijngaarden waar dat nodig is na verplichte rooiing om sanitaire of fytosanitaire redenen in opdracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat, met uitzondering van de gewone vernieuwing van wijngaarden waarbij hetzelfde perceel wordt herbeplant met hetzelfde druivenras en volgens dezelfde teeltmethode van de wijnstokken wanneer wijnstokken aan het eind van hun natuurlijke levenscyclus zijn gekomen.

a)

herstructurering en omschakeling van wijngaarden, met inbegrip van herbeplanting van wijngaarden waar dat nodig is na verplichte rooiing om sanitaire of fytosanitaire redenen in opdracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat, met uitzondering van de gewone vernieuwing van wijngaarden waarbij hetzelfde perceel wordt herbeplant met hetzelfde druivenras en volgens dezelfde teeltmethode van de wijnstokken wanneer wijnstokken aan het eind van hun natuurlijke levenscyclus zijn gekomen;

 

b)

vermindering van het gebruik van pesticiden.

Motivering

De wijnbouw is een van de teelten waarbij het gebruik van pesticiden het hoogst is en dringend moet worden beperkt.

Wijzigingsvoorstel 40

Artikel 64

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Interventietypes voor plattelandsontwikkeling

Interventietypes voor plattelandsontwikkeling

De interventietypes in het kader van dit hoofdstuk zijn de volgende:

De interventietypes in het kader van dit hoofdstuk zijn de volgende:

a)

milieu-, klimaat- en andere beheersverbintenissen;

a)

milieu-, klimaat- en andere beheersverbintenissen;

b)

natuurlijke beperkingen of andere gebiedsspecifieke beperkingen;

b)

natuurlijke beperkingen of andere gebiedsspecifieke beperkingen;

c)

gebiedsspecifieke nadelen als gevolg van bepaalde verplichte vereisten;

c)

gebiedsspecifieke nadelen als gevolg van bepaalde verplichte vereisten;

d)

investeringen;

d)

investeringen met het oog op verbetering van de levenskwaliteit en de kwaliteit van publieke diensten in plattelandsgebieden ;

e)

vestiging van jonge landbouwers en het opstarten van plattelandsbedrijven;

e)

vestiging van jonge landbouwers en het opstarten van plattelandsbedrijven;

f)

risicobeheersinstrumenten;

f)

risicobeheersinstrumenten;

g)

samenwerking;

g)

samenwerking;

h)

kennisuitwisseling en informatie.

h)

kennisuitwisseling en informatie.

Wijzigingsvoorstel 41

Artikel 65, lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten vergoeden de begunstigden voor de gemaakte kosten en gederfde inkomsten als gevolg van de aangegane verbintenissen. Waar nodig kunnen zij ook transactiekosten dekken. In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten steun toekennen in de vorm van een forfaitair bedrag of een eenmalige betaling per eenheid. De betalingen worden jaarlijks toegekend.

De lidstaten vergoeden de begunstigden ruimschoots voor de gemaakte kosten en gederfde inkomsten als gevolg van de aangegane verbintenissen. Waar nodig kunnen zij ook transactiekosten dekken. In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten steun toekennen in de vorm van een forfaitair bedrag of een eenmalige betaling per eenheid. De betalingen worden jaarlijks toegekend.

Motivering

Om een aanzienlijk aantal productiesystemen op meer veerkrachtige productiemethoden te laten overstappen, is stimulerende ondersteuning nodig en mag de beloning voor deugdelijke praktijken niet worden beperkt tot het dekken van kosten.

Wijzigingsvoorstel 42

Artikel 68, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten kunnen steun in het kader van dit type interventies alleen verstrekken voor materiële en/of immateriële investeringen, die bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 6. Steun voor de bosbouwsector wordt gebaseerd op een bosbeheerplan of gelijkwaardig instrument.

De lidstaten kunnen steun in het kader van dit type interventies alleen verstrekken voor materiële en/of immateriële investeringen, die bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 6. Steun voor de bosbouwsector wordt gebaseerd op een bosbeheerplan of gelijkwaardig instrument. De toekenning van steun hangt af van de op grond van een milieueffectbeoordeling verwachte milieugevolgen ervan.

Motivering

Er mag geen gebruik worden gemaakt van overheidsmiddelen voor investeringen die voor het milieu negatieve gevolgen zouden hebben. Om te voorkomen dat begunstigden middelen moeten terugbetalen omdat de milieueffecten achteraf slechter blijken te zijn dan verwacht, moet de conditionaliteit een ex ante-karakter hebben.

Wijzigingsvoorstel 43

Artikel 68, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten stellen een lijst op van niet-subsidiabele investeringen en uitgavencategorieën, waaronder ten minste de volgende:

De lidstaten stellen een lijst op van niet-subsidiabele investeringen en uitgavencategorieën, waaronder ten minste de volgende:

a)

aankoop van landbouwproductierechten;

a)

aankoop van landbouwproductierechten;

b)

aankoop van betalingsrechten;

b)

aankoop van betalingsrechten;

c)

aankoop van grond, met uitzondering van aankoop van grond ten behoeve van milieubehoud of grond die door jonge landbouwers wordt aangekocht met behulp van financiële instrumenten;

c)

aankoop van grond, met uitzondering van aankoop van grond ten behoeve van milieubehoud of grond die door jonge landbouwers wordt aangekocht met behulp van financiële instrumenten;

d)

aankoop van dieren en zaai- en pootgoed van eenjarige gewassen alsook het planten daarvan, anders dan ten behoeve van het herstel van het landbouw- of bosbouwpotentieel na natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen;

d)

aankoop van dieren en zaai- en pootgoed van eenjarige gewassen alsook het planten daarvan, anders dan ten behoeve van het herstel van het landbouw- of bosbouwpotentieel na natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen;

e)

rente op schulden, behalve met betrekking tot subsidies verleend in de vorm van een rentesubsidie of een subsidie voor garantievergoedingen;

e)

rente op schulden, behalve met betrekking tot subsidies verleend in de vorm van een rentesubsidie of een subsidie voor garantievergoedingen;

f)

investeringen in irrigatie die niet verenigbaar zijn met het bereiken van een goede toestand van waterlichamen, als vastgesteld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG, met inbegrip van uitbreiding van irrigatiegebieden met betrekking tot waterlichamen waarvan de toestand als minder dan goed is aangemerkt in het betrokken stroomgebiedsbeheersplan;

f)

investeringen in irrigatie die niet verenigbaar zijn met het bereiken van een goede toestand van waterlichamen, als vastgesteld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG, met inbegrip van uitbreiding van irrigatiegebieden met betrekking tot waterlichamen waarvan de toestand als minder dan goed is aangemerkt in het betrokken stroomgebiedsbeheersplan;

g)

investeringen in grote infrastructuurprojecten die geen deel uitmaken van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën;

g)

investeringen in grote infrastructuurprojecten die geen deel uitmaken van regionale en plaatselijke ontwikkelingsstrategieën;

h)

investeringen in bebossing die niet verenigbaar zijn met de klimaat- en milieudoelstellingen overeenkomstig de beginselen van duurzaam bosbeheer, zoals ontwikkeld in het kader van de pan-Europese richtsnoeren voor bebossing en herbebossing.

h)

investeringen in bebossing die niet verenigbaar zijn met de klimaat- en milieudoelstellingen overeenkomstig de beginselen van duurzaam bosbeheer, zoals ontwikkeld in het kader van de pan-Europese richtsnoeren voor bebossing en herbebossing.

Motivering

Belangrijk is dat ook grote infrastructuurinvesteringen in het kader van regionale ontwikkelingsstrategieën voor steun in aanmerking komen.

Wijzigingsvoorstel 44

Artikel 71

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

LEADER

1.     De lidstaten verlenen steun voor het LEADER-initiatief, dat in artikel 25 van Verordening (EU) [CPR] vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling wordt genoemd. De lidstaten kunnen via het Elfpo, ook buiten de in hoofdstuk IV, afdeling 1, genoemde interventietypes, steun verlenen voor acties die bijdragen tot de verwezenlijking van een of meer van de in artikel 6 genoemde doelstellingen. Het besluit om een lokale ontwikkelingsstrategie goed te keuren voorziet ook in de goedkeuring van de bijbehorende acties.

Motivering

Met een financiële toewijzing van 5 % van het Elfpo kan Leader doeltreffender ten uitvoer worden gelegd via flexibelere en autonome regels, buiten het nationale strategische plan (regionale operationele plannen) om.

Wijzigingsvoorstel 45

Artikel 71, leden 1 en 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De lidstaten kunnen steun verstrekken voor samenwerking onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen ter voorbereiding en uitvoering van projecten van operationele groepen van het Europees Innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 114 en van Leader, in artikel 25 van Verordening (EU) [CPR] vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling genoemd, evenals ter bevordering van kwaliteitsregelingen, producentenorganisaties of andere vormen van samenwerking.

[…]

1.   De lidstaten kunnen steun verstrekken voor samenwerking onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen ter voorbereiding en uitvoering van projecten van operationele groepen van het Europees Innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 114 en van Leader, ontwikkeling genoemd, evenals ter bevordering van kwaliteitsregelingen, producentenorganisaties of andere vormen van samenwerking.

[…]

5.   Indien de steun als totaalbedrag wordt uitgekeerd, zorgen de lidstaten ervoor dat de Unieregels en -vereisten met betrekking tot soortgelijke acties die onder andere interventietypes vallen, in acht worden genomen. Dit lid is niet van toepassing op Leader, in artikel 25 van Verordening (EU) [CPR] vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling genoemd.

5.   Indien de steun als totaalbedrag wordt uitgekeerd, zorgen de lidstaten ervoor dat de Unieregels en -vereisten met betrekking tot soortgelijke acties die onder andere interventietypes vallen, in acht worden genomen.

Motivering

Met een financiële toewijzing van 5 % van het Elfpo kan Leader doeltreffender ten uitvoer worden gelegd via flexibelere en autonome regels, buiten het nationale strategische plan (regionale operationele plannen) om.

Wijzigingsvoorstel 46

Artikel 74, lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De subsidiabele uitgaven voor een financieel instrument zijn het totaalbedrag aan bijdragen van het strategisch GLB-plan die door het financiële instrument binnen de subsidiabiliteitsperiode zijn betaald, of in het geval van garanties, zijn gereserveerd zoals overeengekomen in garantiecontracten, waarbij dat bedrag overeenkomt met:

De subsidiabele uitgaven voor een financieel instrument zijn het totaalbedrag aan bijdragen van het strategisch GLB-plan die door het financiële instrument binnen de subsidiabiliteitsperiode zijn betaald, of in het geval van garanties, zijn gereserveerd zoals overeengekomen in garantiecontracten, waarbij dat bedrag overeenkomt met:

a)

betalingen aan, of ten voordele van eindontvangers, in geval van leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen;

a)

betalingen aan, of ten voordele van eindontvangers, in geval van leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen. Bovendien kunnen in het geval van landbouwers die met zeer ongunstige weersomstandigheden en/of marktprijscrises kampen, betalingen aan eindontvangers uitsluitend ten behoeve van het werkkapitaal worden verstrekt;

b)

middelen die gereserveerd zijn zoals overeengekomen in garantiecontracten, ongeacht of ze nog uitstaan of reeds verlopen zijn, om aan mogelijke aanspraken op garanties voor verliezen te kunnen voldoen, berekend op grond van een multiplicatorratio dat een meervoudig bedrag dekt van onderliggende uitgekeerde nieuwe leningen of investeringen in eigen vermogen van eindontvangers;

b)

middelen die gereserveerd zijn zoals overeengekomen in garantiecontracten, ongeacht of ze nog uitstaan of reeds verlopen zijn, om aan mogelijke aanspraken op garanties voor verliezen te kunnen voldoen, berekend op grond van een multiplicatorratio dat een meervoudig bedrag dekt van onderliggende uitgekeerde nieuwe leningen of investeringen in eigen vermogen van eindontvangers;

c)

betalingen aan, of ten voordele van eindontvangers, wanneer financiële instrumenten worden gecombineerd met een andere bijdrage van de Unie in één enkel financieel instrument overeenkomstig artikel 52, lid 5, van Verordening (EU) [CPR];

c)

betalingen aan, of ten voordele van eindontvangers, wanneer financiële instrumenten worden gecombineerd met een andere bijdrage van de Unie in één enkel financieel instrument overeenkomstig artikel 52, lid 5, van Verordening (EU) [CPR];

d)

betalingen van beheersvergoedingen en vergoedingen van de beheerskosten betaald door de instanties die het financiële instrument implementeren.

d)

betalingen van beheersvergoedingen en vergoedingen van de beheerskosten betaald door de instanties die het financiële instrument implementeren.

Voor de toepassing van dit lid, onder b), wordt de multiplicatorratio vastgesteld in een prudente voorafgaande risicobeoordeling en overeengekomen in de betrokken financieringsovereenkomst. De multiplicatorratio kan worden herzien indien latere veranderingen van de marktomstandigheden dat rechtvaardigen. Zulke herziening heeft geen terugwerkende kracht.

Voor de toepassing van dit lid, onder b), wordt de multiplicatorratio vastgesteld in een prudente voorafgaande risicobeoordeling en overeengekomen in de betrokken financieringsovereenkomst. De multiplicatorratio kan worden herzien indien latere veranderingen van de marktomstandigheden dat rechtvaardigen. Zulke herziening heeft geen terugwerkende kracht.

Voor de toepassing van dit lid, onder d), zijn de beheersvergoedingen prestatiegericht. Indien een instantie die een holdingfonds en/of specifieke fondsen uitvoert, overeenkomstig artikel 53, lid 3, van Verordening (EU) [CPR], wordt geselecteerd door middel van een rechtstreekse gunning van een opdracht, is het bedrag van de aan deze instantie betaalde beheerskosten en -vergoedingen dat kan worden gedeclareerd als subsidiabele uitgave onderworpen aan een drempel van [5 %] van het totaalbedrag van bijdragen van het strategisch GLB-plan die zijn uitbetaald aan eindontvangers in de vorm van leningen, investeringen in eigen vermogen, investeringen in quasi-eigenvermogen of in garantiecontracten overeengekomen gereserveerde bedragen.

Voor de toepassing van dit lid, onder d), zijn de beheersvergoedingen prestatiegericht. Indien een instantie die een holdingfonds en/of specifieke fondsen uitvoert, overeenkomstig artikel 53, lid 3, van Verordening (EU) [CPR], wordt geselecteerd door middel van een rechtstreekse gunning van een opdracht, is het bedrag van de aan deze instantie betaalde beheerskosten en -vergoedingen dat kan worden gedeclareerd als subsidiabele uitgave onderworpen aan een drempel van [5 %] van het totaalbedrag van bijdragen van het strategisch GLB-plan die zijn uitbetaald aan eindontvangers in de vorm van leningen, investeringen in eigen vermogen, investeringen in quasi-eigenvermogen of in garantiecontracten overeengekomen gereserveerde bedragen.

Deze drempel is niet van toepassing wanneer de instanties die de financiële instrumenten uitvoeren door middel van een openbare aanbesteding zijn geselecteerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, en de concurrerende aanbesteding de noodzaak van hogere beheerskosten en -vergoedingen aantoont.

Afsluitprovisies die geheel of gedeeltelijk aan de eindontvangers worden berekend, gelden niet als subsidiabele uitgave.

Deze drempel is niet van toepassing wanneer de instanties die de financiële instrumenten uitvoeren door middel van een openbare aanbesteding zijn geselecteerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, en de concurrerende aanbesteding de noodzaak van hogere beheerskosten en -vergoedingen aantoont.

Afsluitprovisies die geheel of gedeeltelijk aan de eindontvangers worden berekend, gelden niet als subsidiabele uitgave.

Motivering

De mogelijkheid moet worden overwogen om de financiële instrumenten in geval van ernstige weersomstandigheden of marktcrises in te zetten ten behoeve van werkkapitaal.

Wijzigingsvoorstel 47

Artikel 85, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het maximale Elfpo-bijdragepercentage bedraagt:

Het maximale Elfpo-bijdragepercentage bedraagt:

a)

70 % van de subsidiabele overheidsuitgaven in de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EU) nr. 229/2013;

a)

85 % van de subsidiabele overheidsuitgaven in de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EU) nr. 229/2013;

b)

70 % van de subsidiabele overheidsuitgaven in de minder ontwikkelde regio’s;

b)

75 % van de subsidiabele overheidsuitgaven in de minder ontwikkelde regio’s;

c)

65 % van de subsidiabele uitgaven voor betalingen in het kader van artikel 66;

c)

75 % van de subsidiabele uitgaven voor betalingen in het kader van artikel 66;

d)

43 % van de subsidiabele overheidsuitgaven in de overige regio’s.

d)

53 % van de subsidiabele overheidsuitgaven in de overige regio’s;

 

e)

De bovengenoemde percentages worden met ten minste 10 procentpunten verhoogd in regio’s met ernstige ontvolkingsproblemen.

Het minimale Elfpo-bijdragepercentage bedraagt 20 %.

 

Motivering

De huidige medefinancieringspercentages van het Elfpo moeten worden gehandhaafd. Ook moet een grotere bijdrage van het Elfpo worden overwogen in gebieden met ontvolkingspercentages boven het Europese gemiddelde.

Wijzigingsvoorstel 48

Artikel 86, lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Ten minste 30 % van de totale Elfpo-bijdrage aan het strategisch GLB-plan, als vastgesteld in bijlage IX, wordt voorbehouden voor interventies die zijn gericht op de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f), van deze verordening, uitgezonderd interventies op basis van artikel 66.

Ten minste 30 % van de totale Elfpo-bijdrage aan het strategisch GLB-plan, als vastgesteld in bijlage IX, wordt voorbehouden voor interventies die zijn gericht op de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f), van deze verordening, uitgezonderd interventies op basis van artikel 66 , de risicobeheersinstrumenten (artikel 70) en de investeringssteun (artikel 68).

Motivering

De milieu- en klimaatdoelstellingen moeten in acht worden genomen.

Wijzigingsvoorstel 49

Artikel 86, lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De indicatieve financiële toewijzingen voor de interventies in de vorm van gekoppelde inkomenssteun als bedoeld in titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 1, mogen niet meer bedragen dan 10 % van de in bijlage VII vastgestelde bedragen.

De indicatieve financiële toewijzingen voor de interventies in de vorm van gekoppelde inkomenssteun als bedoeld in titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 1, mogen niet meer bedragen dan 13 % van de in bijlage VII vastgestelde bedragen.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten die in overeenstemming met artikel 53, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 meer dan 13 % van hun in bijlage II van die verordening vastgelegde jaarlijkse nationale maximum hebben gebruikt als vrijwillige gekoppelde steun, besluiten om meer dan 10 % van het in bijlage VII vastgelegde bedrag te gebruiken als gekoppelde inkomens steun. Het resulterende percentage bedraagt niet meer dan het door de Commissie goedgekeurde percentage voor vrijwillige gekoppelde steun voor het claimjaar 2018.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten die in overeenstemming met artikel 53, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 meer dan 13 % van hun in bijlage II van die verordening vastgelegde jaarlijkse nationale maximum hebben gebruikt als vrijwillige gekoppelde steun, besluiten om meer dan 13 % van het in bijlage VII vastgelegde bedrag te gebruiken als gekoppelde steun. Het resulterende percentage bedraagt niet meer dan het door de Commissie goedgekeurde percentage voor vrijwillige gekoppelde steun voor het claimjaar 2018.

Het in de eerste alinea bedoelde percentage mag worden verhoogd met maximaal 2 %, mits het bedrag dat overeenstemt met het percentage dat 10 % overschrijdt, wordt toegewezen voor de steun voor eiwithoudende gewassen op grond van titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 1.

Het in de eerste alinea bedoelde percentage mag worden verhoogd met maximaal 2 %, mits het bedrag dat overeenstemt met het percentage dat 13 % overschrijdt, wordt toegewezen voor ondersteuning van eiwithoudende gewassen, met name leguminosen, op grond van titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 1.

Het in het goedgekeurde strategisch GLB-plan opgenomen bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de eerste en tweede alinea is bindend.

Het in het goedgekeurde strategisch GLB-plan opgenomen bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de eerste en tweede alinea is bindend.

Wijzigingsvoorstel 50

Artikel 86

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

[…]

8.     De indicatieve financiële toewijzingen voor de interventies in de vorm van herverdelende steun voor werkgelegenheid als bedoeld in titel III, hoofdstuk II, onderafdeling 3, artikel 26, mogen niet minder bedragen dan 30 % van de in bijlage VII vastgestelde bedragen.

9.     De indicatieve financiële toewijzingen voor de interventies in de vorm van regelingen voor klimaat en milieu als bedoeld in titel III, hoofdstuk II, onderafdeling 3, artikel 28, mogen niet minder bedragen dan 30 % van de in bijlage VII vastgestelde bedragen.

10.     Maximaal 10 % van de totale Elfpo-bijdrage aan het strategisch GLB-plan, als vastgesteld in bijlage IX, wordt voorbehouden aan de risicobeheersinstrumenten zoals gedefinieerd in artikel 70 van de onderhavige verordening.

11.     Maximaal 10 % van de Elfpo-bijdrage aan het strategisch plan wordt voorbehouden voor investeringen (artikel 68).

12.     De financiële middelen uit het Elfpo voorzien in een specifieke aanvulling in plattelandsgebieden met een geringe bevolkingsdichtheid.

Motivering

Naast de kwesties in verband met de uitdagingen rond de klimaatverandering moet ook rekening worden gehouden met ontvolking, een van de belangrijkste handicaps waarmee plattelandsgebieden te kampen hebben.

Wijzigingsvoorstel 51

Artikel 90, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Als onderdeel van hun voorstel voor een strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 106, lid 1, kunnen de lidstaten besluiten de volgende percentages over te hevelen:

1.   Als onderdeel van hun voorstel voor een strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 106, lid 1, kunnen de lidstaten besluiten de volgende percentages over te hevelen:

a)

maximaal 15 % van de toewijzing van de lidstaat voor rechtstreekse betalingen in bijlage IV, na aftrek van de toewijzingen voor katoen in bijlage VI voor de kalenderjaren 2021-2026, naar de Elfpo-toewijzing van de lidstaat in de begrotingsjaren 2022-2027;

a)

maximaal 15 % van de toewijzing van de lidstaat voor rechtstreekse betalingen in bijlage IV, na aftrek van de toewijzingen voor katoen in bijlage VI voor de kalenderjaren 2021-2026, naar de Elfpo-toewijzing van de lidstaat in de begrotingsjaren 2022-2027.

b)

maximaal 15 % van de Elfpo-toewijzing van de lidstaat in de begrotingsjaren 2022-2027, naar de toewijzing van de lidstaat voor rechtstreekse betalingen in bijlage IV voor de kalenderjaren 2021-2026.

 

Motivering

Net als in eerdere adviezen verzet het Comité zich tegen deze mogelijkheid tot overdracht van de tweede pijler naar de eerste pijler, die indruist tegen de belangen van plattelandsgebieden.

Wijzigingsvoorstel 52

Artikel 91

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Strategische GLB-plannen

De lidstaten stellen overeenkomstig deze verordening strategische GLB-plannen op om de uit het ELGF en het Elfpo gefinancierde steun van de Unie te implementeren en de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6 te verwezenlijken.

Strategische GLB-plannen

De lidstaten stellen overeenkomstig deze verordening strategische GLB-plannen op om de uit het ELGF en het Elfpo gefinancierde steun van de Unie te implementeren en de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6 te verwezenlijken.

Op basis van de SWOT-analyse als bedoeld in artikel 103, lid 2, en een beoordeling van de behoeften als bedoeld in artikel 96, bepaalt de lidstaat in de strategische GLB-plannen een interventiestrategie als bedoeld in artikel 97, waarbij de streefcijfers en mijlpalen worden bepaald teneinde de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6 te verwezenlijken. De streefcijfers worden bepaald aan de hand van een gemeenschappelijke reeks resultaatindicatoren, als vastgelegd in bijlage I.

Op basis van de SWOT-analyse als bedoeld in artikel 103, lid 2, en een beoordeling van de behoeften als bedoeld in artikel 96, bepaalt de lidstaat in de strategische GLB-plannen een interventiestrategie als bedoeld in artikel 97, waarbij de streefcijfers en mijlpalen worden bepaald teneinde de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6 te verwezenlijken. De streefcijfers worden bepaald aan de hand van een gemeenschappelijke reeks resultaatindicatoren, als vastgelegd in bijlage I.

Om deze streefcijfers te halen, stellen de lidstaten interventies vast op basis van de interventietypes in titel III.

Elk strategisch GLB-plan beslaat de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.

Om deze streefcijfers te halen, stellen de lidstaten ten minste in de ultraperifere regio’s programma’s voor plattelandsontwikkeling vast op het best passende geografische niveau, op basis van de interventietypes in titel III.

Elk strategisch GLB-plan beslaat de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.

Motivering

Er moet een regionale aanpak worden vastgelegd voor de uitwerking en het beheer van de programma’s voor plattelandsontwikkeling, conform het subsidiariteitsbeginsel. Het strategische plan moet worden uitgevoerd via plannen voor plattelandsontwikkeling op het meest passende geografische niveau.

Wijzigingsvoorstel 53

Artikel 102

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Modernisering

Modernisering

De in artikel 95, lid 1, onder g), bedoelde beschrijving van de elementen die zorgen voor modernisering van het GLB benadrukt de elementen van het strategisch GLB-plan die de modernisering van de landbouwsector en het GLB ondersteunen en omvat in het bijzonder:

De in artikel 95, lid 1, onder g), bedoelde beschrijving van de elementen die zorgen voor modernisering van het GLB alsook de agro-ecologische transitie, benadrukt de elementen van het strategisch GLB-plan die de modernisering van de landbouwsector en het GLB ondersteunen en omvat in het bijzonder:

a)

een overzicht van de manier waarop het strategisch GLB-plan bijdraagt aan de algemene horizontale doelstelling inzake het stimuleren en delen van kennis, innovatie en digitalisering en het bevorderen van het gebruik daarvan als vastgesteld in artikel 5, tweede alinea, met name via:

a)

een overzicht van de manier waarop het strategisch GLB-plan bijdraagt aan de algemene horizontale doelstelling inzake het stimuleren en delen van kennis, knowhow op landbouwgebied, technische en sociale innovatie en digitalisering, en het bevorderen van het gebruik daarvan als vastgesteld in artikel 5, tweede alinea, met name via:

 

i.

een beschrijving van de organisatiestructuur van het AKIS, dat wordt opgevat als de combinatie van de organisatie van en de kennisstromen tussen personen, organisaties en instellingen die kennis voor de landbouw en aanverwante gebieden gebruiken en produceren;

 

i)

een beschrijving van de organisatiestructuur van het AKIS, dat wordt opgevat als de combinatie van de organisatie van en de kennisstromen tussen personen, organisaties en instellingen die kennis voor de landbouw en aanverwante gebieden gebruiken en produceren;

 

ii.

een beschrijving van de manier waarop de artikel 13 bedoelde adviesdiensten, onderzoeks- en GLB-netwerken samenwerken binnen het AKIS-kader en hoe advies- en innovatieondersteuningsdiensten worden verstrekt;

 

ii)

een beschrijving van de manier waarop de artikel 13 bedoelde adviesdiensten, onderzoeks- en GLB-netwerken samenwerken binnen het AKIS-kader en hoe advies- en innovatieondersteuningsdiensten worden verstrekt;

b)

een beschrijving van de strategie voor de ontwikkeling van digitale technologieën in de landbouw en in plattelandsgebieden en voor het gebruik van deze technologieën met het oog op de verbetering van de doeltreffendheid en de efficiëntie van de interventies uit het strategisch GLB-plan.

b)

een beschrijving van de strategie voor de ontwikkeling van digitale technologieën in de landbouw en in plattelandsgebieden en voor het gebruik van deze technologieën met het oog op de verbetering van de doeltreffendheid en de efficiëntie van de interventies uit het strategisch GLB-plan.

Motivering

De modernisering van landbouwbedrijven moet plaatsvinden in het kader van de agro-ecologische transitie, door middel van technische en sociale innovaties.

Wijzigingsvoorstel 54

Artikel 93

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Elke lidstaat stelt één strategisch GLB-plan voor zijn gehele grondgebied op.

Wanneer elementen van het strategisch GLB-plan op regionaal niveau worden vastgesteld, zorgt de lidstaat ervoor dat die consistent zijn met de op nationaal niveau vastgestelde elementen van het strategisch GLB-plan.

Elke lidstaat stelt één strategisch GLB-plan voor zijn gehele grondgebied op.

Wanneer elementen van het strategisch GLB-plan op regionaal niveau worden vastgesteld of via regionale plannen voor plattelandsontwikkeling ten uitvoer worden gelegd , zorgt de lidstaat ervoor dat die consistent zijn met de op nationaal niveau vastgestelde elementen van het strategisch GLB-plan.

Motivering

Zie wijzigingsvoorstel 24.

Wijzigingsvoorstel 55

Artikel 95, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Elk strategisch GLB-plan bevat de volgende delen:

Elk strategisch GLB-plan bevat de volgende delen:

a)

een beoordeling van de behoeften;

a)

een beoordeling van de behoeften;

b)

een interventiestrategie;

b)

een interventiestrategie;

c)

een beschrijving van de elementen die gemeenschappelijk zijn voor verschillende interventies;

c)

een beschrijving van de elementen die gemeenschappelijk zijn voor verschillende interventies;

d)

een beschrijving van de in de strategie gespecificeerde rechtstreekse betalingen, en sectorale en plattelandsontwikkelingsinterventies;

d)

een beschrijving van de in de strategie gespecificeerde rechtstreekse betalingen, en sectorale en plattelandsontwikkelingsinterventies;

e)

streefcijfer- en financiële plannen;

e)

streefcijfer- en financiële plannen;

f)

een beschrijving van het governance- en coördinatiesysteem;

f)

een beschrijving van het governance- en coördinatiesysteem;

g)

een beschrijving van de elementen die zorgen voor modernisering van het GLB;

g)

een beschrijving van de elementen die zorgen voor modernisering van het GLB;

h)

een beschrijving van de elementen met betrekking tot vereenvoudiging en vermindering van de administratieve lasten voor eindbegunstigden.

h)

een beschrijving van de elementen met betrekking tot vereenvoudiging en vermindering van de administratieve lasten voor eindbegunstigden;

 

i)

in voorkomend geval een lijst van de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling.

Motivering

Zie wijzigingsvoorstel 24.

Wijzigingsvoorstel 56

Artikel 106

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Goedkeuring van het strategisch GLB-plan

Goedkeuring van het strategisch GLB-plan , met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling

1.   Elke lidstaat dient uiterlijk op 1 januari 2020 bij de Commissie een voorstel voor een strategisch GLB-plan in dat de in artikel 95 bedoelde informatie bevat.

1.   Elke lidstaat dient uiterlijk op 1 januari 2020 bij de Commissie een voorstel voor een strategisch GLB-plan in dat de in artikel 95 bedoelde informatie bevat.

2.   De Commissie beoordeelt de voorgestelde strategische GLB-plannen op basis van de volledigheid van de plannen, de consistentie en samenhang ervan met de algemene beginselen van het recht van de Unie, met deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde bepalingen, en met de horizontale verordening, alsmede op basis van hun daadwerkelijke bijdrage aan de specifieke doelstellingen als vastgesteld in artikel 6, lid 1, de gevolgen voor de goede werking van de interne markt en concurrentieverstoring, en de omvang van de administratieve lasten voor begunstigden en overheidsdiensten. In de beoordeling wordt in het bijzonder gelet op de toereikendheid van de strategie van het strategisch GLB-plan, de desbetreffende specifieke doelstellingen, streefcijfers en interventies en de toewijzing van begrotingsmiddelen om de specifieke doelstellingen van het strategisch GLB-plan te halen door middel van de voorgestelde reeks interventies die zijn gebaseerd op de SWOT-analyse en de ex-ante-evaluatie.

2.   De Commissie beoordeelt de voorgestelde strategische GLB-plannen — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — op basis van de volledigheid van de plannen, de consistentie en samenhang ervan met de algemene beginselen van het recht van de Unie, met deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde bepalingen, en met de horizontale verordening, alsmede op basis van hun daadwerkelijke bijdrage aan de specifieke doelstellingen als vastgesteld in artikel 6, lid 1, de gevolgen voor de goede werking van de interne markt en concurrentieverstoring, en de omvang van de administratieve lasten voor begunstigden en overheidsdiensten. In de beoordeling wordt in het bijzonder gelet op de toereikendheid van de strategie van het strategisch GLB-plan, de desbetreffende specifieke doelstellingen, streefcijfers en interventies en de toewijzing van begrotingsmiddelen om de specifieke doelstellingen van het strategisch GLB-plan te halen door middel van de voorgestelde reeks interventies die zijn gebaseerd op de SWOT-analyse en de ex-ante-evaluatie.

3.   Afhankelijk van de resultaten van de in lid 2 bedoelde beoordeling kan de Commissie binnen drie maanden na de datum van indiening van het strategisch GLB-plan opmerkingen meedelen aan de lidstaten.

De lidstaat verstrekt de Commissie alle noodzakelijke aanvullende informatie en past zo nodig het voorgestelde plan aan.

3.   Afhankelijk van de resultaten van de in lid 2 bedoelde beoordeling kan de Commissie binnen drie maanden na de datum van indiening van het strategisch GLB-plan — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — opmerkingen meedelen aan de lidstaten.

De lidstaat en de regio’s verstrekken de Commissie alle noodzakelijke aanvullende informatie en past zo nodig het voorgestelde plan aan.

4.   De Commissie keurt het voorgestelde strategisch GLB-plan goed mits de vereiste informatie is ingediend en de Commissie heeft geconstateerd dat het plan verenigbaar is met de algemene beginselen van het recht van de Unie, de in deze verordening vastgestelde vereisten, en de bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze verordening en in Verordening (EU) [HzR].

4.   De Commissie keurt het voorgestelde strategisch GLB-plan — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — goed mits de vereiste informatie is ingediend en de Commissie heeft geconstateerd dat het plan verenigbaar is met de algemene beginselen van het recht van de Unie, de in deze verordening vastgestelde vereisten, en de bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze verordening en in Verordening (EU) [HzR].

5.   Elk strategisch GLB-plan wordt uiterlijk acht maanden na de indiening ervan door de betrokken lidstaat goedgekeurd.

De goedkeuring heeft geen betrekking op de informatie als bedoeld in artikel 101, onder c), en in de bijlagen I tot en met IV bij het strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 95, lid 2, onder a) tot en met d).

In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de lidstaat de Commissie verzoeken een strategisch GLB-plan goed te keuren dat niet alle elementen bevat. In dat geval geeft de betrokken lidstaat aan welke elementen ontbreken en verstrekt hij met betrekking tot het gehele strategische GLB-plan indicatieve streefcijfers en financiële plannen als bedoeld in artikel 100, teneinde de algehele consistentie en samenhang ervan aan te tonen. De ontbrekende elementen van het strategisch GLB-plan worden bij de Commissie ingediend als een wijziging van het plan in overeenstemming met artikel 107.

5.   Elk strategisch GLB-plan — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — wordt uiterlijk acht maanden na de indiening ervan door de betrokken lidstaat goedgekeurd.

De goedkeuring heeft geen betrekking op de informatie als bedoeld in artikel 101, onder c), en in de bijlagen I tot en met IV bij het strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 95, lid 2, onder a) tot en met d).

In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de lidstaat de Commissie verzoeken een strategisch GLB-plan goed te keuren dat niet alle elementen bevat. In dat geval geeft de betrokken lidstaat aan welke elementen ontbreken en verstrekt hij met betrekking tot het gehele strategische GLB-plan indicatieve streefcijfers en financiële plannen als bedoeld in artikel 100, teneinde de algehele consistentie en samenhang ervan aan te tonen. De ontbrekende elementen van het strategisch GLB-plan worden bij de Commissie ingediend als een wijziging van het plan in overeenstemming met artikel 107.

6.   Elk strategisch GLB-plan wordt door de Commissie goedgekeurd door middel van een uitvoeringsbesluit, zonder toepassing van de in artikel 139 bedoelde comitéprocedure.

6.   Elk strategisch GLB-plan — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — wordt door de Commissie goedgekeurd door middel van een uitvoeringsbesluit, zonder toepassing van de in artikel 139 bedoelde comitéprocedure.

7.   De strategische GLB-plannen hebben alleen rechtsgevolgen na de goedkeuring ervan door de Commissie.

7.   De strategische GLB-plannen — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — hebben alleen rechtsgevolgen na de goedkeuring ervan door de Commissie.

Motivering

Zie wijzigingsvoorstel 24.

Wijzigingsvoorstel 57

Artikel 107

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Wijziging van het strategisch GLB-plan

Wijziging van het strategisch GLB-plan , met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling

1.   De lidstaten kunnen bij de Commissie een verzoek indienen om hun strategische GLB-plannen te wijzigen.

1.   De lidstaten en de regio’s kunnen bij de Commissie een verzoek indienen om hun strategische GLB-plannen — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — te wijzigen.

2.   Verzoeken tot wijziging van strategische GLB-plannen worden naar behoren gemotiveerd en vermelden met name het verwachte effect van de wijzigingen aan het plan op het bereiken van de doelstellingen als bedoeld in artikel 6, lid 1. De verzoeken gaan vergezeld van het gewijzigde plan, inclusief de bijgewerkte bijlagen, naargelang van het geval.

2.   Verzoeken tot wijziging van strategische GLB-plannen — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — worden naar behoren gemotiveerd en vermelden met name het verwachte effect van de wijzigingen aan het plan op het bereiken van de doelstellingen als bedoeld in artikel 6, lid 1. De verzoeken gaan vergezeld van het gewijzigde plan, inclusief de bijgewerkte bijlagen, naargelang van het geval.

3.   De Commissie beoordeelt de samenhang van de wijziging met deze verordening en de bepalingen die op grond ervan zijn vastgesteld, alsmede met Verordening (EU) [HzR] en de werkelijke bijdrage van de wijziging aan de specifieke doelstellingen.

3.   De Commissie beoordeelt de samenhang van de wijziging met deze verordening en de bepalingen die op grond ervan zijn vastgesteld, alsmede met Verordening (EU) [HzR] en de werkelijke bijdrage van de wijziging aan de specifieke doelstellingen.

4.   De Commissie keurt het verzoek tot wijziging van het strategisch GLB-plan goed mits de vereiste informatie is ingediend en de Commissie heeft geconstateerd dat het gewijzigde plan verenigbaar is met de algemene beginselen van het recht van de Unie, de in deze verordening vastgestelde vereisten, en de bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze verordening en in Verordening (EU) [HzR].

4.   De Commissie keurt het verzoek tot wijziging van het strategisch GLB-plan — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — goed mits de vereiste informatie is ingediend en de Commissie heeft geconstateerd dat het gewijzigde plan verenigbaar is met de algemene beginselen van het recht van de Unie, de in deze verordening vastgestelde vereisten, en de bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze verordening en in Verordening (EU) [HzR].

5.   De Commissie kan binnen dertig werkdagen na de datum waarop het verzoek tot wijziging van het strategisch GLB-plan is ingediend, opmerkingen formuleren. De lidstaat verstrekt de Commissie alle noodzakelijke aanvullende informatie.

5.   De Commissie kan binnen dertig werkdagen na de datum waarop het verzoek tot wijziging van het strategisch GLB-plan — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — is ingediend, opmerkingen formuleren. De lidstaat verstrekt de Commissie alle noodzakelijke aanvullende informatie.

6.   De Commissie keurt het verzoek tot wijziging van een strategisch GLB-plan goed uiterlijk drie maanden na de indiening ervan door de lidstaat, mits naar behoren rekening is gehouden met eventuele opmerkingen van de Commissie.

6.   De Commissie keurt het verzoek tot wijziging van een strategisch GLB-plan — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — goed uiterlijk drie maanden na de indiening ervan door de lidstaat, mits naar behoren rekening is gehouden met eventuele opmerkingen van de Commissie.

7.   Per kalenderjaar wordt niet meer dan één verzoek tot wijziging van een strategisch GLB-plan ingediend, onder voorbehoud van eventuele door de Commissie overeenkomstig artikel 109 bepaalde uitzonderingen.

7.   Per kalenderjaar wordt niet meer dan één verzoek tot wijziging van een strategisch GLB-plan — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — ingediend, onder voorbehoud van eventuele door de Commissie overeenkomstig artikel 109 bepaalde uitzonderingen.

8.   Elke wijziging van het strategisch GLB-plan wordt door de Commissie goedgekeurd door middel van een uitvoeringsbesluit, zonder toepassing van de in artikel 139 bedoelde comitéprocedure.

8.   Elke wijziging van het strategisch GLB-plan — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling — wordt door de Commissie goedgekeurd door middel van een uitvoeringsbesluit, zonder toepassing van de in artikel 139 bedoelde comitéprocedure.

9.   Onverminderd artikel 80 hebben wijzigingen van strategische GLB-plannen alleen rechtsgevolgen na de goedkeuring ervan door de Commissie.

9.   Onverminderd artikel 80 hebben wijzigingen van strategische GLB-plannen alleen rechtsgevolgen na de goedkeuring ervan door de Commissie.

10.   Correcties van tikfouten of van louter redactionele aard of van kennelijke fouten die de uitvoering van het beleid en de interventie niet beïnvloeden, worden niet beschouwd als een verzoek tot wijziging. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke correcties.

10.   Correcties van tikfouten of van louter redactionele aard of van kennelijke fouten die de uitvoering van het beleid en de interventie niet beïnvloeden, worden niet beschouwd als een verzoek tot wijziging. De lidstaten en de regio’s stellen de Commissie in kennis van dergelijke correcties.

Motivering

Zie wijzigingsvoorstel 24.

Wijzigingsvoorstel 58

Artikel 110

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De lidstaten wijzen voor hun strategisch e GLB-plan nen een beheersautoriteit aan.

1.   De lidstaten wijzen voor de tenuitvoerlegging van het strategisch GLB-plan — met inbegrip van, in voorkomend geval, de regionale plannen voor plattelandsontwikkeling — één of meer beheersautoriteit en aan.

De lidstaten zorgen ervoor dat de nodige beheers- en controlesystemen zijn opgezet zodat een duidelijke verdeling en scheiding van de taken van de beheersautoriteit en de andere instanties wordt gewaarborgd. De lidstaten zijn ervoor verantwoordelijk dat het systeem doeltreffend functioneert gedurende de gehele periode die door het strategisch GLB-plan wordt bestreken.

De lidstaten zorgen ervoor dat de nodige beheers- en controlesystemen zijn opgezet zodat een duidelijke verdeling en scheiding van de taken van de beheersautoriteit en de andere instanties wordt gewaarborgd. De lidstaten zijn ervoor verantwoordelijk dat het systeem doeltreffend functioneert gedurende de gehele periode die door het strategisch GLB-plan wordt bestreken.

2.   De beheersautoriteit is ervoor verantwoordelijk dat het strategisch GLB-plan op efficiënte, doeltreffende en correcte wijze wordt beheerd en uitgevoerd. Met name zorgt zij ervoor dat:

2.   De beheersautoriteit en zijn ervoor verantwoordelijk dat het strategisch GLB-plan op efficiënte, doeltreffende en correcte wijze wordt beheerd en uitgevoerd. Met name zorgen zijn ervoor dat:

i)

er een voldoende veilig elektronisch systeem is voor het registreren, bijhouden, beheren en rapporteren van statistische informatie over het plan en de uitvoering ervan met het oog op monitoring en evaluatie, en in het bijzonder informatie die nodig is om de voortgang in de richting van de vastgestelde doelstellingen en streefcijfers te monitoren;

i)

er een voldoende veilig elektronisch systeem is voor het registreren, bijhouden, beheren en rapporteren van statistische informatie over het plan en de uitvoering ervan met het oog op monitoring en evaluatie, en in het bijzonder informatie die nodig is om de voortgang in de richting van de vastgestelde doelstellingen en streefcijfers te monitoren;

j)

de begunstigden en de andere bij de uitvoering van interventies betrokken instanties:

j)

de begunstigden en de andere bij de uitvoering van interventies betrokken instanties:

 

i)

worden geïnformeerd over hun verplichtingen die uit de toegekende steun voortvloeien, en gebruiken voor alle transacties betreffende een verrichting hetzij een afzonderlijk boekhoudsysteem, hetzij een passende boekhoudkundige code;

ii)

zijn op de hoogte van de voorschriften inzake de verstrekking van gegevens aan de beheersautoriteit en inzake de registratie van de output en de resultaten;

 

i)

worden geïnformeerd over hun verplichtingen die uit de toegekende steun voortvloeien, en gebruiken voor alle transacties betreffende een verrichting hetzij een afzonderlijk boekhoudsysteem, hetzij een passende boekhoudkundige code;

ii)

zijn op de hoogte van de voorschriften inzake de verstrekking van gegevens aan de beheersautoriteit en inzake de registratie van de output en de resultaten;

k)

de betrokken begunstigden, in voorkomend geval langs elektronische weg, een lijst krijgen met de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de minimumnormen voor een goede landbouw- en milieuconditie die zijn vastgesteld op grond van titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, en die op landbouwbedrijfsniveau moeten worden toegepast, met duidelijke en nauwkeurige informatie ter zake;

k)

de betrokken begunstigden, in voorkomend geval langs elektronische weg, een lijst krijgen met de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de minimumnormen voor een goede landbouw- en milieuconditie die zijn vastgesteld op grond van titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, en die op landbouwbedrijfsniveau moeten worden toegepast, met duidelijke en nauwkeurige informatie ter zake;

l)

de in artikel 125 bedoelde ex-ante-evaluatie strookt met het evaluatie- en monitoringsysteem en wordt aanvaard en ingediend bij de Commissie;

l)

de in artikel 125 bedoelde ex-ante-evaluatie strookt met het evaluatie- en monitoringsysteem en wordt aanvaard en ingediend bij de Commissie;

m)

het in artikel 126 bedoelde evaluatieplan voorhanden is, dat de in datzelfde artikel bedoelde ex-postevaluatie wordt uitgevoerd binnen de in deze verordening vastgestelde termijnen, dat die evaluaties in overeenstemming zijn met het monitoring- en evaluatiesysteem en dat ze worden ingediend bij het in artikel 111 bedoelde monitoringcomité en de Commissie;

m)

het in artikel 126 bedoelde evaluatieplan voorhanden is, dat de in datzelfde artikel bedoelde ex-postevaluatie wordt uitgevoerd binnen de in deze verordening vastgestelde termijnen, dat die evaluaties in overeenstemming zijn met het monitoring- en evaluatiesysteem en dat ze worden ingediend bij het in artikel 111 bedoelde monitoringcomité en de Commissie;

n)

het monitoringcomité de nodige informatie en documenten ontvangt om de uitvoering van het strategisch GLB-plan te kunnen monitoren in het licht van de specifieke doelstellingen en prioriteiten ervan;

n)

het monitoringcomité de nodige informatie en documenten ontvangt om de uitvoering van het strategisch GLB-plan te kunnen monitoren in het licht van de specifieke doelstellingen en prioriteiten ervan;

o)

het jaarlijkse prestatieverslag wordt opgesteld, met inbegrip van geaggregeerde monitoringtabellen, en dat dit verslag, na raadpleging van het monitoringcomité, wordt ingediend bij de Commissie;

o)

het jaarlijkse prestatieverslag wordt opgesteld, met inbegrip van geaggregeerde monitoringtabellen, en dat dit verslag, na raadpleging van het monitoringcomité, wordt ingediend bij de Commissie;

p)

relevante follow-upacties worden ondernomen naar aanleiding van de opmerkingen van de Commissie over de jaarlijkse prestatieverslagen;

p)

relevante follow-upacties worden ondernomen naar aanleiding van de opmerkingen van de Commissie over de jaarlijkse prestatieverslagen;

q)

het betaalorgaan in het bijzonder met betrekking tot de voor financiering geselecteerde verrichtingen alle nodige informatie over de toegepaste procedures en de verrichte controles ontvangt, voordat de betalingsopdrachten worden gegeven;

q)

het betaalorgaan in het bijzonder met betrekking tot de voor financiering geselecteerde verrichtingen alle nodige informatie over de toegepaste procedures en de verrichte controles ontvangt, voordat de betalingsopdrachten worden gegeven;

r)

begunstigden van uit het Elfpo gefinancierde interventies, uitgezonderd gebieds- en diergerelateerde interventies, de ontvangen financiële steun erkennen, onder meer door passend gebruik te maken van het embleem van de Unie volgens de door de Commissie overeenkomstig lid 5 vastgestelde regels;

r)

begunstigden van uit het Elfpo gefinancierde interventies, uitgezonderd gebieds- en diergerelateerde interventies, de ontvangen financiële steun erkennen, onder meer door passend gebruik te maken van het embleem van de Unie volgens de door de Commissie overeenkomstig lid 5 vastgestelde regels;

s)

bekendheid wordt gegeven aan het strategisch GLB-plan, onder meer via het nationale GLB-netwerk, door potentiële begunstigden, beroepsorganisaties, de economische en sociale partners, organisaties voor de bevordering van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de betrokken niet-gouvernementele organisaties, met inbegrip van milieuorganisaties, te informeren over de door het strategisch GLB-plan geboden mogelijkheden en over de wijze waarop toegang kan worden verkregen tot de financiering in het kader van het strategisch GLB-plan, alsook door de begunstigden en het brede publiek te informeren over de steun van de Unie voor landbouw en plattelandsontwikkeling via het strategisch GLB-plan.

s)

bekendheid wordt gegeven aan het strategisch GLB-plan, onder meer via het nationale GLB-netwerk, door potentiële begunstigden, beroepsorganisaties, de economische en sociale partners, organisaties voor de bevordering van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de betrokken niet-gouvernementele organisaties, met inbegrip van milieuorganisaties, te informeren over de door het strategisch GLB-plan geboden mogelijkheden en over de wijze waarop toegang kan worden verkregen tot de financiering in het kader van het strategisch GLB-plan, alsook door de begunstigden en het brede publiek te informeren over de steun van de Unie voor landbouw en plattelandsontwikkeling via het strategisch GLB-plan.

3.   De lidstaat of de beheersautoriteit mag een of meer intermediaire instanties aanwijzen, met inbegrip van plaatselijke autoriteiten, instanties voor regionale ontwikkeling of niet-gouvernementele organisaties, voor het beheer en de uitvoering van de interventies van het strategisch GLB-plan.

3.   De lidstaat of de beheersautoriteit en mogen een of meer intermediaire instanties aanwijzen, met inbegrip van plaatselijke autoriteiten, instanties voor regionale ontwikkeling of niet-gouvernementele organisaties, voor het beheer en de uitvoering van de interventies van het strategisch GLB-plan.

4.   Indien een deel van de taken van de beheersautoriteit wordt gedelegeerd aan een andere instantie, behoudt de beheersautoriteit er de volledige verantwoordelijkheid voor dat de gedelegeerde taken efficiënt en correct worden beheerd en uitgevoerd. De beheersautoriteit zorgt ervoor dat er passende bepalingen zijn om de andere instantie in staat te stellen alle nodige gegevens en informatie voor de uitvoering van die taken te verkrijgen.

4.   Indien een deel van de taken van de beheersautoriteit wordt gedelegeerd aan een andere instantie, behoudt de beheersautoriteit er de volledige verantwoordelijkheid voor dat de gedelegeerde taken efficiënt en correct worden beheerd en uitgevoerd. De beheersautoriteit zorgt ervoor dat er passende bepalingen zijn om de andere instantie in staat te stellen alle nodige gegevens en informatie voor de uitvoering van die taken te verkrijgen.

5.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met uitvoeringsbepalingen voor de in lid 2, onder j) en k), vermelde vereisten inzake informatie, bekendheid en zichtbaarheid.

5.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met uitvoeringsbepalingen voor de in lid 2, onder j) en k), vermelde vereisten inzake informatie, bekendheid en zichtbaarheid.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Motivering

Zie wijzigingsvoorstel 24.

Wijzigingsvoorstel 59

Artikel 111

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaat richt voorafgaand aan de indiening van het strategisch GLB-plan een comité op om de uitvoering van het strategisch GLB-plan te monitoren („monitoringcomité”).

De lidstaat en de regionale beheersautoriteiten richten voorafgaand aan de indiening van het strategisch GLB-plan een comité op om de uitvoering van het strategisch GLB-plan te monitoren („monitoringcomité”).

Motivering

Zie wijzigingsvoorstel 24.

Wijzigingsvoorstel 60

Artikel 114

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Toezicht op de doeltreffendheid van de uitvoering

1.     In afwijking van artikel 115, lid 1, onder b), van deze verordening kunnen de lidstaten in het kader van het strategisch GLB-plan tweejaarlijkse tussentijdse resultaatdoelstellingen vaststellen en deze met dezelfde frequentie evalueren in de prestatieverslagen van de jaren waarvoor de verwezenlijking ervan gepland is.

Motivering

De tussentijdse doelstellingen voor de resultaatindicatoren moeten ten minste tweejaarlijks zijn.

Wijzigingsvoorstel 61

Nieuwe bijlage 0: doelstellingen die de nationale strategische plannen gemeen hebben

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

1.1.1.

Klimaatverandering: 30 % minder broeikasgassen uit de landbouw in de lidstaat

Motivering

De klimaatuitdagingen vergen dat zowel teelten als de veestapel hun emissies tegen 2027 aanzienlijk verminderen. De bijlage is gericht op een gekwantificeerde indicator.

Wijzigingsvoorstel 62

Nieuwe bijlage 0: doelstellingen die de nationale strategische plannen gemeen hebben

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Milieu, voeding: verdubbeling ten opzichte van 2017 van de biologisch bebouwde grond in de lidstaat, of ten minste 30 % van het bruikbare landbouwareaal in de lidstaat

Motivering

Om in te spelen op de uitdagingen op het gebied van milieu en volksgezondheid, alsook op de vraag van de consument, en om het aandeel van de invoer te verminderen, moet het biologisch bebouwde areaal aanzienlijk worden uitgebreid.

Wijzigingsvoorstel 63

Nieuwe bijlage 0: doelstellingen die de nationale strategische plannen gemeen hebben

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Biodiversiteit, gezondheid: vermindering met minstens 30 % van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in de lidstaat ten opzichte van 2017

Motivering

Om het hoofd te bieden aan de uitdagingen op het gebied van milieu en volksgezondheid is het noodzakelijk om tegen 2027 het gebruik van pesticiden aanzienlijk te verminderen.

Wijzigingsvoorstel 64

Nieuwe bijlage 0: doelstellingen die de nationale strategische plannen gemeen hebben

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Water: 100 % van het oppervlakte- en grondwater voldoet, zonder uitzonderingen, aan de nitraatrichtlijn in de lidstaat

Motivering

Dit gaat om de volksgezondheid en de kosten van toegang tot drinkwater voor de consument. De nitraatrichtlijn dateert van 1991 en wordt nog niet overal nageleefd. Dit moet tegen 2027 wel het geval zijn.

Wijzigingsvoorstel 65

Nieuwe bijlage 0: doelstellingen die de nationale strategische plannen gemeen hebben

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Dierenwelzijn, gezondheid: geleidelijke geplande beperking van het houden van dieren in kooien in de hele Europese Unie

Motivering

Om de uitdagingen op het gebied van dierenwelzijn, alsook van volksgezondheid (antibiotica) het hoofd te bieden moet tegen 2027 overgestapt worden op extensievere productiemethoden zonder gebruik van kooien, zoals er al bestaan.

Wijzigingsvoorstel 66

Bijlage 1 — Resultaatindicatoren R.1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Verbetering van prestaties door kennis en innovatie:

Aandeel landbouwers dat steun ontvangt voor advies, opleiding, kennisuitwisseling, of deelname aan operationele groepen ter verbetering van economische, milieu-, klimaat- en hulpbronnenefficiëntieprestaties.

Verbetering van prestaties door kennis en innovatie:

Aandeel landbouwers dat steun ontvangt voor advies, opleiding, kennisuitwisseling, of deelname aan operationele groepen ter verbetering van economische, milieu-, klimaatprestaties, alsook prestaties inzake efficiënt en duurzaam hulpbronnengebruik .

Motivering

Duurzaam gebruik van hulpbronnen is belangrijk is met het oog op betere economische en ecologische productiviteit op middellange en lange termijn.

Wijzigingsvoorstel 67

Bijlage 1 — Resultaatindicatoren R.3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Digitalisering van de landbouw: Aandeel landbouwers dat steun voor precisielandbouwtechnologie in het kader van het GLB ontvangt

Modernisering en digitalisering van de landbouw: Aandeel landbouwers dat steun voor precisielandbouwtechnologie en de milieu- of klimaattransitie in het kader van het GLB ontvangt

Motivering

Digitalisering en modernisering van landbouwbedrijven moet gebeuren in het kader van het milieu en het klimaat.

Wijzigingsvoorstel 68

Bijlage 1 — Specifieke doelstellingen van de EU

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Vergroten van de marktgerichtheid en van het concurrentievermogen, onder meer door beter te focussen op onderzoek, technologie en digitalisering;

Vergroten van de marktgerichtheid en van het concurrentievermogen op sociaal, milieu-, territoriaal en economisch gebied, onder meer door beter te focussen op onderzoek, technologie en digitalisering, alsook op de verspreiding van duurzame productiemethoden ;

Motivering

Het nagestreefde concurrentievermogen is niet alleen van economische aard.

Wijzigingsvoorstel 69

Bijlage 1 — Impactindicatoren I.6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Verhogen van de productiviteit van landbouwbedrijven: Totale factorproductiviteit

Verhogen van de productiviteit van de landbouw, de Europese voedselzekerheid, de voedselveiligheid, de veerkracht van de bedrijven en de samenhang van de gebieden : Totale factorproductiviteit rekening houdend met de externe effecten

Wijzigingsvoorstel 70

Bijlage 1 — Impactindicatoren R.9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Modernisering van landbouwbedrijven: Aandeel landbouwers dat investeringssteun ontvangt voor herstructurering en modernisering, waaronder ter verbetering van de hulpbronnenefficiëntie

Modernisering van landbouwbedrijven: Aandeel landbouwers dat investeringssteun ontvangt voor herstructurering en modernisering, waaronder ter verbetering van de efficiëntie en de duurzaamheid van het hulpbronnengebruik

Motivering

De modernisering van landbouwbedrijven moet gebeuren door de duurzaamheid van de productiesystemen te verbeteren.

Wijzigingsvoorstel 71

Bijlage 1 — Impactindicatoren R.13 bis

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

R.13   bis: Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door teelten: aandeel van landbouwbedrijven die hun gebruik van synthetische stikstofhoudende meststoffen met ten minste 50 % hebben verminderd.

Motivering

Het vrijkomen van N2O-gas uit stikstofhoudende meststoffen is een zeer belangrijke bron van emissies, goed voor bijna 50 % van de broeikasgassen in de landbouw. Bovendien verbruikt de productie van synthetische stikstofmeststoffen zeer veel energie.

Wijzigingsvoorstel 72

Bijlage 1 — Impactindicatoren R.14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Koolstofopslag in bodems en biomassa: Aandeel landbouwgrond vallend onder verbintenissen om emissies te beperken, koolstofopslag te behouden en/of te verbeteren (blijvend grasland, landbouwgrond in veengebied, bos enz.)

Koolstofopslag in bodems en biomassa: Aandeel landbouwgrond vallend onder verbintenissen om emissies te beperken, koolstofopslag te behouden en/of te verbeteren (blijvend grasland, landbouwgrond in veengebied, bos enz.) , stijgingspercentage van met (zuivere of gemengde) leguminosen bebouwde grond

Motivering

De teelt van leguminosen, ook gemengd met grassen in graslanden, maakt een efficiënte koolstoffixatie in de bodem mogelijk.

Wijzigingsvoorstel 73

Bijlage 1 — Specifieke doelstellingen van de EU

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht

Bevorderen van duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht

Motivering

Spreekt voor zich.

Wijzigingsvoorstel 74

Bijlage 1 — Impactindicatoren I.16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Beperken van nutriëntenlekkage: Nitraten in grondwater —

Beperken van nutriëntenlekkage: Nitraten in oppervlakte- en grondwater —

Percentage grondwaterstations met een N-gehalte van meer dan 50 mg/l volgens de nitraatrichtlijn

Percentage oppervlakte- en grondwaterstations met een N-gehalte van meer dan 50 mg/l volgens de nitraatrichtlijn

Percentage oppervlakte- en grondwater in overeenstemming met de nitraatrichtlijn

Motivering

Oppervlaktewater moet ook worden opgenomen in de indicatoren zodat de situatie en de ontwikkeling ervan echt in kaart kunnen worden gebracht. De nitraatrichtlijn moet dringend overal worden nageleefd.

Wijzigingsvoorstel 75

Bijlage 1 — Impactindicatoren I.16 bis

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Vermindering van het gebruik van minerale en synthetische meststoffen: Verkoop van minerale en synthetische meststoffen

Motivering

Om de bodem nieuwe kracht te geven dankzij een toename van organisch materiaal, waarin overigens ook koolstof wordt opgeslagen, moet prioriteit worden gegeven aan landbouwpraktijken waarbij minder gebruik wordt gemaakt van minerale en synthetische meststoffen, die overigens zeer duur zijn in termen van energie en ook veel broeikasgassen uitstoten.

Wijzigingsvoorstel 76

Bijlage 1 — Resultaatindicatoren R.18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Verbetering van bodems:

Percentage landbouwgrond vallend onder beheersverbintenissen gunstig voor bodem beheer

Verbetering van bodems: Percentage landbouwgrond vallend onder beheersverbintenissen gunstig voor bodem verbetering

Motivering

Vloeit voort uit de tekst en de doelstelling

Wijzigingsvoorstel 77

Bijlage 1 — Resultaatindicatoren R.21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Duurzaam nutriëntenbeheer:

Aandeel landbouwgrond vallend onder verbintenissen in verband met verbeterd nutriëntenbeheer

Aandeel landbouwgrond vallend onder verbintenissen in verband met duurzaam nutriëntenbeheer

Motivering

Spreekt voor zich.

Wijzigingsvoorstel 78

Bijlage 1 — Resultaatindicatoren R.21 bis

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

R.21   bis: Vermindering van het gebruik van organische, minerale en synthetische meststoffen: Aandeel van landbouwgrond waarop specifieke maatregelen van toepassing zijn die leiden tot een vermindering van het gebruik van meststoffen

Motivering

Duurzaam nutriëntenbeheer moet gepaard gaan met een vermindering van het gebruik van minerale en synthetische meststoffen.

Wijzigingsvoorstel 79

Bijlage 1 — Resultaatindicatoren R.25

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

R.25 Ondersteuning van duurzaam bosbeheer:

Percentage bos vallend onder beheersverbintenissen ter ondersteuning van bosbescherming en -beheer

R.25 Ondersteuning van duurzaam bosbeheer: Percentage bos vallend onder beheersverbintenissen ter ondersteuning van duurzaam bosbescherming en -beheer

Motivering

Veel bossen worden steeds intensiever beheerd, met negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit.

Wijzigingsvoorstel 80

Bijlage 1 — Resultaatindicatoren R.37

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Duurzaam pesticidengebruik:

Aandeel landbouwgrond vallend onder ondersteunde specifieke maatregelen die leiden tot een duurzaam gebruik van pesticiden ter vermindering van de risico’s en effecten van pesticiden

Duurzaam pesticidengebruik:

Aandeel landbouwgrond vallend onder specifieke maatregelen die leiden tot een duurzaam gebruik van pesticiden ter vermindering van de risico’s en effecten van pesticiden

Wijzigingsvoorstel 81

Bijlage 1 — Resultaatindicatoren R37 bis

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

R37 bis: Toename van het aantal biologische landbouwbedrijven: aantal bedrijven dat steun heeft ontvangen voor de omschakeling naar biologische landbouw

Motivering

Om in te spelen op de uitdagingen op het gebied van milieu en volksgezondheid, alsook op de vraag van de consument, en om het aandeel van de invoer te verminderen, moet het biologisch bebouwde areaal aanzienlijk worden uitgebreid.

Wijzigingsvoorstel 82

Bijlage 3 — Eisen en normen GLMC 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Instandhouding van blijvend grasland op basis van een verhouding blijvend grasland ten opzichte van het landbouwareaal

Instandhouding van blijvend grasland door elk bedrijf, met een maximaal omschakelingspercentage van 5 à 10 % per bedrijf, met uitzondering van „gevoelige” graslanden met veel biodiversiteit

Motivering

Om de doelstelling te bereiken, moet de regel worden toegepast op het niveau van het bedrijf, met de voorgestelde flexibiliteit, en niet op regionaal niveau, om aldus te voorkomen dat er op subregionaal niveau te veel grasland wordt omgelegd.

Wijzigingsvoorstel 83

Bijlage 3 — Belangrijkste doelstelling van de norm GLMC 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Duurzaam beheer van nutriënten

 

Wijzigingsvoorstel 84

Bijlage 3 — Eisen en normen GLMC 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Geen kale grond in de meest gevoelige periode(n)

Geen kale grond in gevoelige periode(n)

Motivering

Doel is om de bodem zo lang mogelijk het hele jaar door met planten te bedekken teneinde hem te beschermen.

Wijzigingsvoorstel 85

Bijlage 3 — Eisen en normen GLMC — nieuw

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Inachtneming door de landbouwondernemer van de nationale sociale wetgeving m.b.t. werknemers in de landbouw

Motivering

Spreekt voor zich.

Wijzigingsvoorstel 86

Bijlage 12 — Doelstellingen O.13 en R.4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht

Bevorderen van duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht

Motivering

Afstemming op wijzigingsvoorstel 73.

COM(2018) 393 final

Wijzigingsvoorstel 87

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het nalevingsgestuurde uitvoeringsmodel van het GLB moet zodanig worden aangepast dat een grotere nadruk komt te liggen op resultaten en prestaties. In het kader daarvan moet de Unie de basisbeleidsdoelstellingen, interventietypen en basisvereisten van de Unie vaststellen terwijl de lidstaten meer verantwoordelijkheid moeten dragen voor en meer verantwoording moeten afleggen over de wijze waarop zij aan die doelstellingen voldoen. Bijgevolg moet worden gezorgd voor een grotere subsidiariteit zodat beter rekening kan worden gehouden met de lokale omstandigheden en behoeften. Daarom moeten de lidstaten in het nieuwe uitvoeringsmodel de verantwoordelijkheid krijgen om hun GLB-interventies toe te snijden op de basisvereisten van de Unie zodat ze maximaal kunnen bijdragen aan de GLB-doelstellingen, en om het nalevings- en controlekader voor begunstigden op te zetten en uit te werken.

Het nalevingsgestuurde uitvoeringsmodel van het GLB moet zodanig worden aangepast dat een grotere nadruk komt te liggen op resultaten en prestaties. In het kader daarvan moet de Unie de basisbeleidsdoelstellingen, interventietypen en basisvereisten van de Unie vaststellen terwijl de lidstaten meer verantwoordelijkheid moeten dragen voor en meer verantwoording moeten afleggen over de wijze waarop zij aan die doelstellingen voldoen. Bijgevolg moet worden gezorgd voor een grotere subsidiariteit zodat beter rekening kan worden gehouden met de lokale omstandigheden en behoeften. Daarom moeten de lidstaten en de regio’s in het nieuwe uitvoeringsmodel de verantwoordelijkheid krijgen om hun GLB-interventies toe te snijden op de basisvereisten van de Unie zodat ze maximaal kunnen bijdragen aan de GLB-doelstellingen, en om het nalevings- en controlekader voor begunstigden op te zetten en uit te werken.

Motivering

De rol van de Europese regio’s bij het beheer en de uitvoering van het GLB moet worden gehandhaafd en versterkt om de beleidskeuzes aan te passen aan de specifieke territoriale en sectorale kenmerken.

Wijzigingsvoorstel 88

Overweging 30

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Wat de meerjarige prestatiemonitoring betreft, moet de Commissie ook de bevoegdheid krijgen om betalingen te schorsen. Daarom moet de Commissie ingeval er sprake is van te trage of onvoldoende vooruitgang richting de streefcijfers als vermeld in het nationale strategisch GLB-plan, de bevoegdheid krijgen om de betrokken lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling te verzoeken de nodige corrigerende acties uit te voeren op basis van een actieplan met duidelijke voortgangsindicatoren dat is opgesteld in overleg met de Commissie. Ingeval de lidstaat het actieplan niet indient of uitvoert of ingeval het actieplan duidelijk tekortschiet, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om de maandelijkse of tussentijdse betalingen door middel van een uitvoeringshandeling te schorsen.

Wat de meerjarige prestatiemonitoring betreft, moet de Commissie ook de bevoegdheid krijgen om betalingen te schorsen. Daarom moet de Commissie ingeval er sprake is van te trage of onvoldoende vooruitgang richting de gemeenschappelijke Europese doelstellingen en de streefcijfers als vermeld in het nationale strategisch GLB-plan, de bevoegdheid krijgen om de betrokken lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling te verzoeken de nodige corrigerende acties uit te voeren op basis van een actieplan met duidelijke voortgangsindicatoren dat is opgesteld in overleg met de Commissie. Ingeval de lidstaat het actieplan niet indient of uitvoert of ingeval het actieplan duidelijk tekortschiet, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om de maandelijkse of tussentijdse betalingen door middel van een uitvoeringshandeling te schorsen.

Motivering

Om het risico op een neerwaartse bijstelling van de ecologische overgang en concurrentievervalsing te beperken, moeten gekwantificeerde streefcijfers die de strategische plannen gemeen hebben, als bijlage bij de verordening worden gevoegd.

Wijzigingsvoorstel 89

Overweging 55

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Conditionaliteit is een belangrijk onderdeel van het GLB, met name wat de milieu- en klimaatelementen van dit beleid betreft, maar ook in het kader van de volksgezondheid en diergerelateerde aangelegenheden. Dit impliceert dat controles moeten worden verricht en zo nodig sancties moeten worden toegepast om de doeltreffendheid van het conditionaliteitssysteem te waarborgen. Voor een gelijk speelveld tussen begunstigden in verschillende lidstaten is het noodzakelijk dat bepaalde algemene regels voor conditionaliteitscontroles en -sancties op Unieniveau worden ingevoerd.

Conditionaliteit is een belangrijk onderdeel van het GLB, met name wat de milieu- en klimaatelementen van dit beleid betreft, maar ook in het kader van de volksgezondheid, diergerelateerde aangelegenheden en de sociale rechten van werknemers in de landbouw . Dit impliceert dat controles moeten worden verricht en zo nodig sancties moeten worden toegepast om de doeltreffendheid van het conditionaliteitssysteem te waarborgen. Voor een gelijk speelveld tussen begunstigden in verschillende lidstaten is het noodzakelijk dat bepaalde algemene regels voor conditionaliteitscontroles en -sancties op Unieniveau worden ingevoerd.

Motivering

Het is van belang dat bedrijven die openbare steun uit het GLB ontvangen de sociale rechten van hun werknemers eerbiedigen.

Wijzigingsvoorstel 90

Artikel 15, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Financiële discipline

Financiële discipline

1.   De Commissie stelt een aanpassingspercentage voor de in artikel 5, lid 2, onder c), van deze verordening bedoelde interventies in de vorm van rechtstreekse betalingen en voor de in artikel 5, lid 2, onder f), van deze verordening bedoelde financiële bijdrage van de Unie aan de specifieke maatregelen die wordt verleend in het kader van hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 228/2013 en hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 229/2013 („het aanpassingspercentage) vast wanneer de ramingen voor de financiering van de interventies en maatregelen die in het kader van dit submaximum voor een bepaald begrotingsjaar worden gefinancierd, erop wijzen dat de toepasselijke jaarlijkse maxima zullen worden overschreden.

1.   De Commissie stelt een aanpassingspercentage voor de in artikel 5, lid 2, onder c), van deze verordening bedoelde interventies in de vorm van rechtstreekse betalingen en voor de in artikel 5, lid 2, onder f), van deze verordening bedoelde financiële bijdrage van de Unie aan de specifieke maatregelen („het aanpassingspercentage) vast wanneer de ramingen voor de financiering van de interventies en maatregelen die in het kader van dit submaximum voor een bepaald begrotingsjaar worden gefinancierd, erop wijzen dat de toepasselijke jaarlijkse maxima zullen worden overschreden.

Uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar waarop het aanpassingspercentage van toepassing is, stelt de Commissie het aanpassingspercentage middels uitvoeringshandelingen vast. Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 101, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar waarop het aanpassingspercentage van toepassing is, stelt de Commissie het aanpassingspercentage middels uitvoeringshandelingen vast. Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 101, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Motivering

De rechtstreekse betalingen in het kader van Posei mogen niet onder deze bepalingen vallen, aangezien daarvoor al in Verordening 228/2013 zelf een maximum werd vastgesteld, zodat vanuit het oogpunt van de programmering en uitvoering wordt voorkomen dat zij de uitgaven mee de hoogte in zouden jagen.

Wijzigingsvoorstel 91

Artikel 32

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Automatische schrapping van vastleggingen voor strategische GLB-plannen

Automatische schrapping van vestleggingen voor strategische GLB-plannen

1.   De Commissie schrapt automatisch het gedeelte van een begrotingsvastlegging voor plattelandsontwikkelingsinterventies van een strategisch GLB-plan, indien het uiterlijk op 31 december van het tweede jaar na het jaar van de vastlegging niet is gebruikt voor de voorfinanciering of voor tussentijdse betalingen of indien daarvoor uiterlijk op die datum geen uitgavendeclaratie bij haar is ingediend die voldoet aan de eisen van artikel 30, lid 3.

1.   De Commissie schrapt automatisch het gedeelte van een begrotingsvastlegging voor plattelandsontwikkelingsinterventies van een strategisch GLB-plan, indien het uiterlijk op 31 december van het derde jaar na het jaar van de vastlegging niet is gebruikt voor de voorfinanciering of voor tussentijdse betalingen of indien daarvoor uiterlijk op die datum geen uitgavendeclaratie bij haar is ingediend die voldoet aan de eisen van artikel 30, lid 3.

2.   Het gedeelte van de begrotingsvastleggingen dat nog openstaat op de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven als bedoeld in artikel 80, lid 3, van Verordening (EU) …/… [verordening inzake de strategische GLB-plannen], en waarvoor binnen zes maanden na die datum geen uitgavendeclaratie is ingediend, wordt automatisch geschrapt.

2.   Het gedeelte van de begrotingsvastleggingen dat nog openstaat op de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven als bedoeld in artikel 80, lid 3, van Verordening (EU) …/… [verordening inzake de strategische GLB-plannen], en waarvoor binnen zes maanden na die datum geen uitgavendeclaratie is ingediend, wordt automatisch geschrapt.

3.   In het geval van een gerechtelijke procedure of administratief beroep met schorsende werking wordt de in lid 1 of lid 2 bedoelde termijn waarna vastleggingen automatisch worden geschrapt, gedurende die procedure of dat administratief beroep onderbroken voor het bedrag van de betrokken verrichtingen, mits de Commissie uiterlijk op 31 januari van jaar N +  3 een onderbouwde kennisgeving van de lidstaat ontvangt.

3.   In het geval van een gerechtelijke procedure of administratief beroep met schorsende werking wordt de in lid 1 of lid 2 bedoelde termijn waarna vastleggingen automatisch worden geschrapt, gedurende die procedure of dat administratief beroep onderbroken voor het bedrag van de betrokken verrichtingen, mits de Commissie uiterlijk op 31 januari van jaar N +  4 een onderbouwde kennisgeving van de lidstaat ontvangt.

4.   Bij de berekening van de automatisch te schrappen vastleggingen worden niet meegeteld:

4.   Bij de berekening van de automatisch te schrappen vastleggingen worden niet meegeteld:

a)

het gedeelte van de begrotingsvastleggingen waarvoor uiterlijk op 31 december van jaar N +  2 al wel een uitgavendeclaratie is ingediend, maar waarvan de Commissie de vergoeding heeft verlaagd of geschorst;

a)

het gedeelte van de begrotingsvastleggingen waarvoor uiterlijk op 31 december van jaar N +  3 al wel een uitgavendeclaratie is ingediend, maar waarvan de Commissie de vergoeding heeft verlaagd of geschorst;

Motivering

De complexiteit van het programma en van de betrokken institutionele niveaus vereist de herinvoering van de N + 3.

COM(2018) 394 final

Wijzigingsvoorstel 92

Nieuwe overweging na overweging 38

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Gezien de steeds zwakkere positie van de producenten in de voedselketen is er behoefte aan een kader dat het GLB verzoent met het mededingingsbeleid, in overeenstemming met artikel 42 van het Verdrag betreffende de voorrang van de doelstellingen van het GLB.

Motivering

Het is zaak artikel 42 van het Verdrag in acht te nemen.

Wijzigingsvoorstel 93

Nieuwe overweging na overweging 38

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Gezien de toegenomen volatiliteit van de landbouwprijzen en rekening houdend met de evaluatie van de instrumenten die in het kader van eerdere GLB-hervormingen ten uitvoer zijn gelegd, is het noodzakelijk de maatregelen ter voorkoming van marktverstoringen te herzien.

Motivering

Sectorale crises maken landbouwbedrijven en productieregio’s te kwetsbaar. Zij zorgen ervoor dat het aantal landbouwbedrijven afneemt en dat jongeren gedemotiveerd raken om een landbouwbedrijf op te starten. Dit moet worden verholpen.

Wijzigingsvoorstel 94

Nieuwe overweging na overweging 38

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Gezien de toenemende schommelingen op de landbouwmarkten en de onevenwichtigheden tussen producenten, verwerkers en distributeurs bij de verdeling van de toegevoegde waarde, is het zaak de marktontwikkelingen beter in kaart te brengen en te voorspellen. Aansluitend bij wat voor verschillende sectoren is gecreëerd, worden voor elke sector Europese waarnemingsposten opgericht. Productie-, import- en exportvolumes, prijzen, marges en productiekosten worden er geanalyseerd. In geval van marktverstoring waarschuwen deze waarnemingsposten de Europese Commissie, die maatregelen voor productieregulering neemt om de markt weer in evenwicht te brengen, met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten die zijn gesloten in overeenstemming met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Motivering

Het is zaak over de nodige informatie te beschikken om snel en doeltreffend te kunnen reageren op marktverstoringen en om de begrotingsuitgaven te verminderen die immers zeer zwaar doorwegen wanneer de EU pas achteraf optreedt, zoals het geval van de zuivelsector sinds 2008 heeft aangetoond.

Wijzigingsvoorstel 95

Artikel 1, lid 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt als volgt gewijzigd:

[…]

Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt als volgt gewijzigd:

[…]

(4)

Deel II, titel I, hoofdstuk II, wordt als volgt gewijzigd:

(4)

Deel II, titel I, hoofdstuk II, wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

de titel wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK II

Steun voor de verstrekking van groenten en fruit en van melk en zuivelproducten in onderwijsinstellingen”;

b)

het kopje „Afdeling 1” en de titel daarvan worden geschrapt;

c)

artikel 23 bis wordt als volgt gewijzigd:

 

a)

de titel wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK II

Steun voor de verstrekking van groenten en fruit en van melk en zuivelproducten in onderwijsinstellingen”;

b)

het kopje „Afdeling 1” en de titel daarvan worden geschrapt;

c)

artikel 23 bis wordt als volgt gewijzigd:

 

 

i)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Onverminderd lid 4 bedraagt de steun die uit hoofde van de schoolregeling wordt toegewezen voor de verstrekking van producten, de begeleidende educatieve maatregelen en de daarmee gepaard gaande kosten, zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, niet meer dan 220 804 135  EUR per schooljaar.

Binnen dat algemene maximum, bedraagt de steun maximaal:

a)

voor schoolgroenten en -fruit: 130 608 466  EUR per schooljaar;

b)

voor schoolmelk: 90 195 669  EUR per schooljaar.”;

 

 

i)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Onverminderd lid 4 bedraagt de steun die uit hoofde van de schoolregeling wordt toegewezen voor de verstrekking van producten, de begeleidende educatieve maatregelen en de daarmee gepaard gaande kosten, zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, niet meer dan 220 804 135  EUR per schooljaar.

Binnen dat algemene maximum, bedraagt de steun maximaal:

a)

voor schoolgroenten en -fruit: 130 608 466  EUR per schooljaar;

b)

voor schoolmelk: 90 195 669  EUR per schooljaar.”;

 

 

ii)

in lid 2, derde alinea, wordt de laatste zin geschrapt;

 

 

ii)

in lid 2, derde alinea, wordt de laatste zin geschrapt;

 

 

iii)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Een lidstaat mag één keer per schooljaar maximaal 20 % van een of meer van zijn indicatieve toewijzingen overdragen, mits het in lid 1 vastgestelde algemene maximum van 220 804 135  EUR niet wordt overschreden.”;

 

 

iii)

lid 4 wordt vervangen door:

 

„4.   Een lidstaat mag één keer per schooljaar maximaal 20 % van een of meer van zijn indicatieve toewijzingen overdragen, mits het in lid 1 vastgestelde algemene maximum van 220 804 135  EUR niet wordt overschreden. Dat percentage kan worden opgetrokken tot 25 % in de lidstaten met ultraperifere regio’s conform artikel 349 VWEU en in andere naar behoren gemotiveerde gevallen.”;

[…]

[…]

Motivering

Hier wordt teruggegrepen op overweging 8 van Verordening 2016/791: minder ontwikkelde regio’s, de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en de ultraperifere gebieden moeten meer steun ontvangen, gezien hun beperkte landbouwdiversificatie en het feit dat het vaak onmogelijk is bepaalde producten in de betrokken regio te vinden.

Wijzigingsvoorstel 96

Artikel 119

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Verplichte aanduidingen

Verplichte aanduidingen

1.   Bij de etikettering en presentatie van de in bijlage VII, deel II, punten 1 tot en met 11, 13, 15, 16, 18 en 16, vermelde producten die in de Unie in de handel worden gebracht of bestemd zijn voor uitvoer, worden de volgende aanduidingen vermeld:

1.   Bij de etikettering en presentatie van de in bijlage VII, deel II, punten 1 tot en met 11, 13, 15, 16, 18 en 16, vermelde producten die in de Unie in de handel worden gebracht of bestemd zijn voor uitvoer, worden de volgende aanduidingen vermeld:

a)

één van de in bijlage VII, deel II, opgenomen categorieën van wijnbouwproducten;

a)

één van de in bijlage VII, deel II, opgenomen categorieën van wijnbouwproducten;

b)

voor wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding:

i.

de vermelding „beschermde oorsprongsbenaming” of „beschermde geografische aanduiding”, en

ii.

de naam van de beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding;

b)

voor wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding:

i.

de vermelding „beschermde oorsprongsbenaming” of „beschermde geografische aanduiding”, en

ii.

de naam van de beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding;

c)

het effectieve alcoholvolumegehalte;

c)

de energetische waarde voor 100 ml;

d)

de herkomst;

d)

de via QR-code toegankelijke lijst van ingrediënten, met inbegrip van de intermediaire ingrediënten van wijnbereiding;

e)

de bottelaar of, indien het mousserende wijn, mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, mousserende kwaliteitswijn of aromatische mousserende kwaliteitswijn betreft, de naam van de producent of de verkoper;

e)

het effectieve alcoholvolumegehalte;

f)

de importeur, indien het ingevoerde wijn betreft; en

f)

de herkomst;

g)

indien het mousserende wijn, mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, mousserende kwaliteitswijn of aromatische mousserende kwaliteitswijn betreft, het suikergehalte.

g)

de bottelaar of, indien het mousserende wijn, mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, mousserende kwaliteitswijn of aromatische mousserende kwaliteitswijn betreft, de naam van de producent of de verkoper;

 

h)

de importeur, indien het ingevoerde wijn betreft; en

 

i)

indien het mousserende wijn, mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, mousserende kwaliteitswijn of aromatische mousserende kwaliteitswijn betreft, het suikergehalte.

Motivering

De consument heeft, net als bij andere levensmiddelen, recht op een zo volledig mogelijke etikettering, met name wat voedingsaspecten en wijnbereidingsmethoden betreft.

Wijzigingsvoorstel 97

Artikel 152, lid 1 bis

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Producentenorganisaties

Producentenorganisaties

In afwijking van artikel 101, lid 1, VWEU , kan e en op grond van lid 1 van dit artikel erkende producentenorganisatie namens haar leden met betrekking tot de totale productie van die leden of een gedeelte daarvan, de productie plannen, de productiekosten optimaliseren, producten op de markt brengen en over contracten voor de levering van landbouwproducten onderhandelen.

De in de eerste alinea bedoelde activiteiten kunnen worden verricht:

Een op grond van lid 1 van dit artikel erkende producentenorganisatie kan namens haar leden met betrekking tot de totale productie van die leden of een gedeelte daarvan, de productie plannen, de productiekosten optimaliseren, producten op de markt brengen en over contracten voor de levering van landbouwproducten onderhandelen.

De in de eerste alinea bedoelde activiteiten kunnen worden verricht:

a)

op voorwaarde dat een of meer van de activiteiten als bedoeld in lid 1, onder b), i) tot en met vii), werkelijk worden verricht, waardoor wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 VWEU;

a)

op voorwaarde dat een of meer van de activiteiten als bedoeld in lid 1, onder b), i) tot en met vii), werkelijk worden verricht, waardoor wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 VWEU;

b)

op voorwaarde dat de producentenorganisatie het aanbod concentreert en de producten van zijn leden op de markt brengt, ongeacht of de eigendom van de landbouwproducten door de producenten wordt overgedragen aan de producentenorganisatie;

b)

op voorwaarde dat de producentenorganisatie het aanbod concentreert en de producten van zijn leden op de markt brengt, ongeacht of de eigendom van de landbouwproducten door de producenten wordt overgedragen aan de producentenorganisatie;

Motivering

De taken en doelstellingen van de organisaties die in het GLB zijn vastgesteld, vallen buiten de werkingssfeer van artikel 101 VWEU (Hof van Justitie van de Europese Unie, zaak „andijvie”). Het is dus niet nodig om de beginzin toe te voegen.

Wijzigingsvoorstel 98

Artikel 209, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Uitzonderingen met betrekking tot de doelstellingen van het GLB en met betrekking tot landbouwers en verenigingen van landbouwers

Uitzonderingen met betrekking tot de doelstellingen van het GLB en met betrekking tot landbouwers en verenigingen van landbouwers

Artikel 101, lid 1, VWEU is niet van toepassing op de in artikel 206, lid 1, van deze verordening bedoelde overeenkomsten, besluiten en feitelijke gedragingen die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 39 VWEU omschreven doelstellingen.

Artikel 101, lid 1, VWEU is niet van toepassing op de in artikel 206, lid 1, van deze verordening bedoelde overeenkomsten, besluiten en feitelijke gedragingen die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 39 VWEU omschreven doelstellingen.

Artikel 101, lid 1, VWEU is niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van landbouwers, verenigingen van landbouwers of unies van deze verenigingen, krachtens artikel 152 of artikel 161 van deze verordening erkende producentenorganisaties of krachtens artikel 156 van deze verordening erkende unies van producentenorganisaties, voor zover deze betrekking hebben op de productie of de verkoop van landbouwproducten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwproducten, tenzij de doelstellingen van artikel 39 VWEU in gevaar worden gebracht.

Artikel 101, lid 1, VWEU is niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van landbouwers, verenigingen van landbouwers of unies van deze verenigingen, krachtens artikel 152 of artikel 161 van deze verordening erkende producentenorganisaties of krachtens artikel 156 van deze verordening erkende unies van producentenorganisaties, voor zover deze betrekking hebben op de productie of de verkoop van landbouwproducten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwproducten, tenzij de doelstellingen van artikel 39 VWEU in gevaar worden gebracht.

Dit lid is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de verplichting inhouden identieke prijzen toe te passen of waardoor mededinging wordt uitgesloten.

 

Motivering

Gelet op de doelstelling om de toegevoegde waarde beter te verdelen over de hele voedselketen en om de macht van de producenten en hun verenigingen in dit opzicht te versterken, is het van belang dat dit lid kan worden toegepast op prijsonderhandelingen.

Wijzigingsvoorstel 99

Artikel 219, lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Teneinde efficiënt en doeltreffend te kunnen reageren op dreigende marktverstoringen als gevolg van aanzienlijke prijsstijgingen of -dalingen op interne of externe markten of andere gebeurtenissen en omstandigheden die de markt ernstig verstoren of dreigen te verstoren, voor zover deze situatie of de weerslag daarvan op de markt zou kunnen voortduren of verslechteren, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de maatregelen die nodig zijn om die situatie op de markt te verhelpen, zulks met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten en mits andere in deze verordening bedoelde maatregelen niet blijken te volstaan.

Teneinde efficiënt en doeltreffend te kunnen reageren op dreigende marktverstoringen als gevolg van aanzienlijke prijsstijgingen of -dalingen op interne of externe markten of andere gebeurtenissen en omstandigheden die de markt ernstig verstoren of dreigen te verstoren, voor zover deze situatie of de weerslag daarvan op de markt zou kunnen voortduren of verslechteren, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de maatregelen die nodig zijn om die situatie op de markt te verhelpen, zulks met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten en mits andere in deze verordening bedoelde maatregelen niet blijken te volstaan.

Indien dwingende redenen van urgentie dat in het geval van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde dreigende marktverstoringen vereisen, is de in artikel 228 bedoelde procedure van toepassing op de op grond van de eerste alinea van dit lid vast te stellen gedelegeerde handelingen.

Indien dwingende redenen van urgentie dat in het geval van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde dreigende marktverstoringen vereisen, is de in artikel 228 bedoelde procedure van toepassing op de op grond van de eerste alinea van dit lid vast te stellen gedelegeerde handelingen.

Die dwingende redenen van urgentie kunnen inhouden dat onmiddellijk moet worden opgetreden om marktverstoring te verhelpen of te voorkomen, indien de dreigende marktverstoring zich zo snel of onverwacht voordoet dat onmiddellijk optreden nodig is om de situatie efficiënt en doeltreffend te kunnen verhelpen, of indien optreden zou voorkomen dat de dreigende marktverstoring werkelijkheid wordt, aanhoudt of een ernstig of langdurig karakter krijgt, of indien niet-onmiddellijk optreden de verstoring zou veroorzaken of verergeren, of ertoe zou leiden dat later ingrijpender maatregelen nodig zouden zijn om de dreiging of de verstoring te verhelpen, dan wel schadelijk zou zijn voor de productie of de marktomstandigheden.

Die dwingende redenen van urgentie kunnen inhouden dat onmiddellijk moet worden opgetreden om marktverstoring te verhelpen of te voorkomen, indien de dreigende marktverstoring zich zo snel of onverwacht voordoet dat onmiddellijk optreden nodig is om de situatie efficiënt en doeltreffend te kunnen verhelpen, of indien optreden zou voorkomen dat de dreigende marktverstoring werkelijkheid wordt, aanhoudt of een ernstig of langdurig karakter krijgt, of indien niet-onmiddellijk optreden de verstoring zou veroorzaken of verergeren, of ertoe zou leiden dat later ingrijpender maatregelen nodig zouden zijn om de dreiging of de verstoring te verhelpen, dan wel schadelijk zou zijn voor de productie of de marktomstandigheden.

Dergelijke maatregelen kunnen, voor zover en zolang dat nodig is om de marktverstoring of de dreiging daarvan te verhelpen, het toepassingsgebied, de looptijd of andere aspecten van in deze verordening bedoelde maatregelen uitbreiden of wijzigen, of voorzien in uitvoerrestituties, of de invoerrechten geheel of gedeeltelijk opschorten, inclusief voor bepaalde hoeveelheden of perioden wanneer dat nodig is.

Dergelijke maatregelen kunnen, voor zover en zolang dat nodig is om de marktverstoring of de dreiging daarvan te verhelpen, het toepassingsgebied, de looptijd of andere aspecten van in deze verordening bedoelde maatregelen uitbreiden of wijzigen, of de invoerrechten geheel of gedeeltelijk opschorten, inclusief voor bepaalde hoeveelheden of perioden wanneer dat nodig is.

Motivering

Exportsubsidies zijn niet aanvaardbaar voor derde landen en kosten de belastingbetaler meer dan crisispreventie.

Wijzigingsvoorstel 100

Nieuw punt na artikel 219, lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Wanneer de marktprijs onder een bepaalde, flexibele, op basis van de gemiddelde productiekosten geïndexeerde en door de Europese waarnemingspost voor de betrokken sector vastgestelde drempelwaarde daalt, voorziet de Europese Commissie, afhankelijk van de marktsituatie en de betrokken sector, in steunverlening aan de betrokken producenten, die gedurende een vastgestelde periode vrijwillig hun leveringen verminderen in vergelijking met dezelfde periode van het voorgaande jaar.

i)

De steun wordt toegekend op basis van een aanvraag die de producenten indienen in de lidstaat waar zij zijn gevestigd, volgens de door de betrokken lidstaat vastgestelde methode.

ii)

Om ervoor te zorgen dat dit systeem doeltreffend en correct wordt toegepast, bepaalt de Commissie aan de hand van de door de Europese waarnemingspost voor de betrokken sector verstrekte gegevens:

het totale maximumvolume of de totale maximumhoeveelheid van de te beperken leveringen op het niveau van de Unie in het kader van de verminderingsregeling,

de duur van de verminderingsperiode en, indien nodig, de verlenging ervan,

het bedrag van de steun naargelang van de omvang of de hoeveelheid van de vermindering en de financieringswijze ervan,

de subsidiabiliteitscriteria voor aanvragers en aanvragen,

de specifieke voorwaarden voor de toepassing van de regeling.

Motivering

De EU heeft instrumenten nodig om in geval van marktverstoring de productievolumes te reguleren; deze moeten snel doeltreffend en goedkoop zijn voor de EU-begroting en producenten in staat stellen om niet langer met verlies te verkopen, van hun beroep te leven en het aldus ook aantrekkelijk te maken voor jonge mensen.

Wijzigingsvoorstel 101

Artikel 226

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Prestatiekader

1.     De Commissie legt een prestatiekader vast dat toelaat de prestaties van het crisisbeheersplan tijdens de tenuitvoerlegging te volgen, te evalueren en er verslag over uit te brengen.

2.     Het prestatiekader omvat de volgende elementen:

a)

alle gemeenschappelijke indicatoren met betrekking tot de context, de uitvoering, de resultaten en de impact ervan, die het uitgangspunt vormen voor de follow-up, de evaluatie en het jaarlijkse prestatieverslag;

b)

streefcijfers en jaarlijkse mijlpalen die zijn vastgesteld voor de betrokken specifieke doelstelling met gebruik van resultaatindicatoren;

c)

gegevensverzameling, -opslag, en -transmissie;

d)

jaarlijkse verslagen over de prestaties van het crisisbeheersplan voor iedere in de loop van het jaar betrokken sector;

e)

maatregelen met betrekking tot een doeltreffende aanwending van het gehele ELGF.

3.     Het prestatiekader beoogt:

a)

de impact, doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van het GLB te beoordelen;

b)

verslag uit te brengen bij het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van de bevoegdheden van de Commissie op het gebeid van crisispreventie en beheer;

c)

de huidige benadering inzake de benutting van begrotingsmiddelen van het ELGF te verlaten;

d)

een benadering van anticyclische sturing van landbouwmarkten en opbrengsten tot stand brengen waarbij de Commissie het gebruik van overheidsfondsen optimaliseert in functie van economische cycli, klimaatgebeurtenissen en geopolitieke spanningen.

Motivering

De Commissie dient haar strategie met betrekking tot de crises te bepalen om verslag uit te brengen bij het Parlement en de Raad. De verduidelijking van haar strategie is een essentiële voorwaarde voor de lidstaten om op hun beurt hun prioriteiten te bepalen.

Wijzigingsvoorstel 102

Artikel 226

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Crisisbeheersplan

1.     De Commissie stelt een crisisbeheersplan op om de Uniesteun die wordt gefinancierd uit het ELGF ten uitvoer te leggen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het GLB die zijn vastgesteld in artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de doelstelling met betrekking tot het stabiliseren van de markten.

2.     Op basis van het verslag dat de verschillende soorten crises definieert overeenkomstig artikel 225, onder c), en met name de evaluatie van de eerste pijler van het GLB, stelt de Commissie voor ieder soort crisis een interventiestrategie vast. Er wordt een SWOT-analyse uitgevoerd voor ieder marktbeheersinstrument dat in de onderhavige verordening wordt vastgesteld, om mogelijke synergieën tussen de instrumenten te identificeren.

3.     De Commissie is gemachtigd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen aan te nemen om de kwantitatieve streefcijfers en mijlpalen vast te stellen opdat de instrumenten van de onderhavige verordening kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vermeld in artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Commissie dient uiterlijk op 1 januari 2020 een voorstel voor een crisisbeheersplan in bij het Europees Parlement en de Raad. Op basis daarvan leggen de lidstaten hun strategische plannen in verband met het GLB over aan de Commissie.

4.     Het crisisbeheersplan omvat de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2027, met een clausule voor een tussentijdse evaluatie op 30 juni 2024. Dan wordt de algehele samenhang ervan met de strategische plannen van de lidstaten geoptimaliseerd met het oog op grotere doeltreffendheid bij de aanwending van overheidsmiddelen en een grotere toegevoegde waarde voor de Unie.

Motivering

De Commissie dient haar strategie met betrekking tot de crises te bepalen om verslag uit te brengen bij het Parlement en de Raad. De verduidelijking van haar strategie is een essentiële voorwaarde voor de lidstaten om op hun beurt hun prioriteiten te bepalen.

Wijzigingsvoorstel 103

Artikel 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Wijziging van Verordening (EU) nr. 228/2013

Wijziging van Verordening (EU) nr. 228/2013

In artikel 30 worden de leden 2 en 3 vervangen door:

In artikel 30 worden de leden 2 en 3 vervangen door:

„2.   Voor elk begrotingsjaar financiert de Unie de maatregelen waarin de hoofdstukken III en IV voorzien, tot het volgende jaarlijkse maximum:

„2.   Voor elk begrotingsjaar financiert de Unie de maatregelen waarin de hoofdstukken III en IV voorzien, tot het volgende jaarlijkse maximum:

voor de Franse overzeese departementen: 267 580 000  EUR ;

voor de Azoren en Madeira: 102 080 000  EUR ;

voor de Canarische Eilanden: 257 970 000  EUR .

voor de Franse overzeese departementen: 278 410 000  EUR ;

voor de Azoren en Madeira: 106 210 000  EUR ;

voor de Canarische Eilanden: 268 420 000  EUR .

3.   De bedragen voor elk begrotingsjaar om de in hoofdstuk III vastgestelde maatregelen te financieren, mogen niet groter zijn dan:

3.   De bedragen voor elk begrotingsjaar om de in hoofdstuk III vastgestelde maatregelen te financieren, mogen niet groter zijn dan:

voor de Franse overzeese departementen: 25 900 000  EUR ;

voor de Azoren en Madeira: 20 400 000  EUR ;

voor de Canarische Eilanden: 69 900 000  EUR .

voor de Franse overzeese departementen: 26 900 000  EUR ;

voor de Azoren en Madeira: 21 200 000  EUR ;

voor de Canarische Eilanden: 72 700 000  EUR .

[…]

[…]

Motivering

Het is onaanvaardbaar dat de middelen voor Posei met 3,9 % zouden worden gekort, gezien de positieve beoordelingen van dit programma en het feit dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden om het financieringsniveau te behouden. Er moet op zijn minst worden vastgehouden aan de toewijzing van de huidige programmaperiode voor de ultraperifere regio’s.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

dringt er bij de EU op aan het GLB te ontwikkelen tot een concurrerend, modern, rechtvaardig, duurzaam en solidair landbouwbeleid dat de boeren, de regio’s, de consumenten en de burgers ten goede komt;

2.

benadrukt dat het GLB adequaat moet worden gefinancierd en is daarom tegen een verlaging van de EU-financiering voor het GLB na 2020; is van mening dat het mogelijk is om, als de GLB-begroting wordt verlaagd, er beter gebruik van te maken door de rechtstreekse betalingen eerlijker te verdelen;

3.

verwerpt de voorgestelde bezuiniging van 28 % op de begroting voor plattelandsontwikkeling, die in strijd is met de doelstelling van territoriale samenhang van de EU;

4.

dringt aan op de herinvoering van het Elfpo in het gemeenschappelijk strategisch kader;

5.

wijst nogmaals op de noodzaak van een sterkere synergie tussen het EFRO, het ESF en het Elfpo om innovatie te bevorderen en de totstandkoming van innovatieve productieketens in de landbouw te stimuleren;

6.

pleit voor de goedkeuring van een peri-urbane en plattelandsagenda en een verhoging van de totale middelen voor plattelandsontwikkeling, zodat alle Europese beleidsmaatregelen bijdragen aan de doelstellingen inzake economische, sociale en territoriale cohesie; benadrukt de rol van het GLB als een beleid dat bijdraagt tot het behoud van de bevolking in plattelandsgebieden;

7.

is van mening dat een te grote overdracht van bevoegdheden aan de lidstaten via de nationale strategische plannen kan leiden tot een hernationalisering van het GLB en tot concurrentieverstoring. Er is voldoende flexibiliteit nodig om zorg te dragen voor een gebiedsgerichte aanpak, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften en kenmerken van landbouwgebieden;

8.

zou graag zien dat in de verordening gemeenschappelijke, meetbare en gekwantificeerde Europese doelstellingen voor de nationale strategische plannen worden opgenomen;

9.

dringt erop aan dat de regio’s een doorslaggevende rol spelen in het beheer van de strategische plannen, met name voor de tweede pijler;

10.

herinnert eraan dat marktregulering doeltreffender en goedkoper is dan maatregelen achteraf;

11.

dringt aan op de invoering van vrijwillige crisisbeheersinstrumenten op basis van het beheer van de productievolumes;

12.

zou graag zien dat er op Europees niveau sectorale operationele programma’s komen in plaats van op het niveau van de lidstaten, ter voorkoming van verstoringen tussen de lidstaten en tussen sectoren;

13.

verzoekt om veeleisende Europese criteria voor de definitie van actieve landbouwers door de lidstaten;

14.

pleit voor volledige convergentie van de rechtstreekse betalingen tussen de lidstaten, en wel zo spoedig mogelijk doch uiterlijk in 2027;

15.

stelt voor om in de landen en regio’s waar de interne convergentie nog niet ten uitvoer is gelegd, deze geleidelijk op te voeren ten gunste van achtergestelde regio’s, zodat deze tegen 2026 volledig is verwezenlijkt;

16.

onderschrijft het voorstel om een plafond voor rechtstreekse betalingen vast te stellen en stelt voor om met maximaal 50 % van de kosten van alleen de werknemers rekening te houden om de doeltreffendheid van het plafond te verzoenen met de inachtneming van de werkgelegenheid;

17.

steunt de invoering van een verplichte herverdelende betaling en stelt voor om de schaal ervan te verhogen, met een minimum van 30 % van de middelen van de eerste pijler;

18.

stelt voor de bonus voor jonge landbouwers verplicht te stellen voor de lidstaten waar het lastig is om jongeren te vinden die boer willen worden;

19.

stelt voor het maximum van 13 % (+2 % voor eiwithoudende gewassen) van het nationale totaalbedrag te handhaven voor betalingen gekoppeld aan het streven om stopzetting van landbouwactiviteit in plattelandsgebieden te voorkomen, de zelfvoorzieningsgraad van de EU op voedselgebied te versterken, en zich uitsluitend te richten op duurzame productie en productiemethoden, waarbij de productie van agrobrandstoffen en sommige andere niet-prioritaire producties wordt uitgesloten;

20.

stelt voor om de lidstaten te verplichten specifieke steun voor kleine landbouwers te verlenen, alsook de definitie van kleine landbouwers, het steunbedrag en de financiële middelen aan te passen;

21.

is ermee ingenomen dat de koppeling aan voorwaarden wordt uitgebreid tot de volledige basisbetaling en de uitbreiding ervan, met inbegrip van de jaarlijkse gewasrotatie;

22.

dringt erop aan dat de voorwaarden worden uitgebreid tot de eerbiediging van de rechten van werknemers in de landbouw en de naleving van de regelgeving inzake dierenwelzijn;

23.

stelt voor om de verplichting van minimaal 7 % niet-productieve zones van ecologisch belang per bedrijf te herstellen;

24.

onderschrijft het beginsel van de ecoregelingen en stelt voor dat er minimaal 30 % van de nationale betalingskredieten aan wordt besteed;

25.

stelt voor dat elk nationaal strategisch plan de minimumdrempel van 40 % van de totale financiële middelen van het GLB als bijdrage aan de milieu-/klimaatdoelstellingen haalt;

26.

wenst de huidige medefinancieringspercentages voor de tweede pijler te handhaven, met een verhoging van het percentage tot 80 % voor de volgende vier maatregelen: agromilieumaatregelen, biologische landbouw, Natura 2000 en samenwerkingsmaatregelen;

27.

verzet zich tegen de mogelijkheid om middelen van de tweede naar de eerste pijler over te hevelen, wat indruist tegen de belangen van de plattelandsgebieden, en keurt de tegenovergestelde overheveling goed;

28.

verzoekt de Commissie een volledig operationeel monitoringsysteem op te zetten voor de regelmatige verzameling van bijgewerkte meetgegevens over pesticidenresiduen in het milieu (met name in de bodem en het water), mogelijk gebaseerd op de succesvolle ervaringen met het bodemmonitoringsysteem LUCAS (Land Use/Cover Area frame statistical Survey);

29.

is van mening dat inkomensverzekering een duur instrument is dat nauwelijks is afgestemd op kleine en middelgrote bedrijven en niet in de plaats kan komen van een marktordening en steun voor de overgang naar meer veerkrachtige en autonome productiesystemen;

30.

stelt voor dat de toekenning van subsidies voor investeringen, die een groot deel van de begrotingen van de tweede pijler opgebruiken, afhankelijk wordt gesteld van een milieueffectbeoordeling en wordt geplafonneerd op 10 % van de middelen van de tweede pijler;

31.

stelt voor, ter ondersteuning van de instandhouding van de landbouw in probleemgebieden en gebieden met een natuurlijke handicap, dat de compenserende vergoeding voor natuurlijke handicaps (ICHN) verplicht is voor de lidstaten waar ze kan worden toegepast;

32.

gaat akkoord met het behoud van een onderdrempel van 5 % voor de Leader-programma’s, die voor de ontwikkeling van territoriale lokale initiatieven zorgen;

33.

stelt voor de lidstaten te verplichten om in hun plannen voor plattelandsontwikkeling maatregelen op te nemen die ten goede komen aan korte ketens, biologische en lokale collectieve catering, ketens met kwaliteitskeurmerk, berglandbouw, opleiding in biologische landbouw en in agro-ecologie en agrobosbouw;

34.

stelt voor om in het kader van Horizon 2020 en het volgende onderzoeksprogramma op het gebied van landbouw prioriteit te geven aan onderzoek naar agro-ecologische productiemethoden en agrobosbouw, door participatief onderzoek van landbouwers en onderzoekers te bevorderen;

35.

beveelt tevens aan sociale en economische innovatie te stimuleren dankzij de bevordering van „slimme dorpen”.

Brussel, 5 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80).

(2)  Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).

(1)  Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80).

(2)  Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/239


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

(2019/C 86/12)

Rapporteur:

Ximo PUIG I FERRER (ES/PSE), minister-president van de autonome regio Valencia

Referentiedocumenten:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)

COM(2018) 380 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Titel van verordening

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering ( EFG ).

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor begeleiding van transities ( EFT ).

Motivering

In artikel 2 van de ontwerpverordening staat duidelijk dat het toepassingsgebied van de verordening verder gaat dan de globalisering. De naamsverandering moet in de hele tekst worden doorgevoerd.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Bij de uitvoering van de fondsen moeten de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in artikel 1 0 VWEU neergelegde horizontale beginselen, met inbegrip van de in artikel 5 VEU neergelegde beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, worden geëerbiedigd, rekening houdend met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. D e lidstaten en de Commissie moeten ernaar streven ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, het genderperspectief te integreren en discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden. De doelstellingen van de fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel „de vervuiler betaalt” wordt toegepast.

Bij de uitvoering van de fondsen moeten de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in de artikelen 9 en 1 0 VWEU neergelegde horizontale beginselen, met inbegrip van de in artikel 5 VEU neergelegde beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, worden geëerbiedigd, rekening houdend met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Overeenkomstig artikel 8 VWEU moeten d e lidstaten en de Commissie gericht zijn op het opheffen van ongelijkheden en op het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de integratie van het genderperspectief, alsmede op de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. De doelstellingen van de fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel „de vervuiler betaalt” wordt toegepast.

Motivering

Invoegen van essentiële verwijzingen naar wetsartikelen.

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In haar „discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering” (20) wijst de Commissie de combinatie van handelsgerelateerde globalisering en technologische verandering aan als de belangrijkste factor voor een stijgende vraag naar geschoolde arbeidskrachten en een verminderd aantal banen waarvoor lagere kwalificaties vereist zijn. Niettegenstaande de over het algemeen aanzienlijke voordelen van meer open handel en de verdere integratie van de wereldeconomieën, moeten deze negatieve neveneffecten worden aangepakt. Aangezien de huidige voordelen van globalisering reeds ongelijk verdeeld zijn over mensen en regio’s, wat een zeer grote impact heeft voor diegenen voor wie globalisering negatieve gevolgen heeft, bestaat het gevaar dat de steeds sneller evoluerende technologische vooruitgang deze gevolgen nog zal versterken. Daarom zal het, in overeenstemming met de beginselen van solidariteit en duurzaamheid, noodzakelijk zijn ervoor te zorgen dat de voordelen van globalisering billijker worden verdeeld door economische openheid en technologische vooruitgang te verzoenen met sociale bescherming .

In haar „discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering” wijst de Commissie de combinatie van handelsgerelateerde globalisering en technologische verandering aan als de belangrijkste factor voor een stijgende vraag naar geschoolde arbeidskrachten en een verminderd aantal banen waarvoor lagere kwalificaties vereist zijn. Vandaar dat, ondanks de voordelen van meer open handel en de verdere integratie van de wereldeconomieën, de negatieve neveneffecten, die met name van invloed zijn op bepaalde bedrijfssectoren, bepaalde ondernemingen, bepaalde groepen kwetsbare werknemers en bepaalde regio’s , moeten worden aangepakt. Aangezien de huidige voordelen van globalisering reeds ongelijk verdeeld zijn over mensen en regio’s, wat een zeer grote impact heeft voor diegenen voor wie globalisering negatieve gevolgen heeft, bestaat het gevaar dat de technologische en milieugerelateerde transities deze gevolgen nog zullen versterken. Daarom zal het, in overeenstemming met de beginselen van solidariteit en duurzaamheid, noodzakelijk zijn ervoor te zorgen dat de voordelen van globalisering billijker worden verdeeld en dat sterker wordt geanticipeerd op de algehele negatieve gevolgen van de globalisering en de technologische en milieugerelateerde transities .

Motivering

Spreekt voor zich.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging 14

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Zoals aangegeven moet, om het Europese karakter van het EFG te handhaven, een aanvraag voor steun worden ingediend wanneer een grote herstructurering een zeer grote impact heeft op de lokale of regionale economie. Dergelijke impact moet worden bepaald door een minimumaantal ontslagen binnen een specifieke referentieperiode. Rekening houdend met de bevindingen van de tussentijdse evaluatie, moet de drempel worden vastgesteld op 250 ontslagen binnen een referentieperiode van vier maanden (of zes maanden in sectordossiers ). Rekening houdend met het feit dat ontslaggolven die in verschillende sectoren in dezelfde regio plaatsvinden een even grote impact hebben op de lokale arbeidsmarkt, moet het ook mogelijk zijn een aanvraag in te dienen voor een regio. Op kleine arbeidsmarkten, zoals kleine lidstaten of afgelegen gebieden, met inbegrip van de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden, of in uitzonderlijke omstandigheden, zou een aanvraag kunnen worden ingediend in geval van een geringer aantal ontslagen.

Zoals aangegeven moet, om het Europese karakter van het EFT te handhaven, een aanvraag voor steun worden ingediend wanneer een grote herstructurering een zeer grote impact heeft op de lokale of regionale economie. Dergelijke impact moet worden bepaald door een minimumaantal ontslagen binnen een specifieke referentieperiode. Rekening houdend met de bevindingen van de tussentijdse evaluatie, moet de drempel worden vastgesteld op 150 ontslagen binnen een referentieperiode van negen maanden. Rekening houdend met het feit dat ontslaggolven die in verschillende sectoren in dezelfde regio plaatsvinden een even grote impact hebben op de lokale arbeidsmarkt, moet het ook mogelijk zijn een aanvraag in te dienen voor een regio. Op kleine arbeidsmarkten, zoals kleine lidstaten of afgelegen gebieden, met inbegrip van de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden, of in uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld in het geval van gebieden waar de werkloosheid al bijzonder hoog is, zou een aanvraag kunnen worden ingediend in geval van een geringer aantal ontslagen.

Motivering

Dit sluit aan op het wijzigingsvoorstel m.b.t. artikel 5.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging 15

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Als blijk van de solidariteit van de Unie met ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, moet het medefinancieringspercentage van de kosten van het pakket van individuele dienstverlening gelijk zijn aan het medefinancieringspercentage van het ESF+ in de respectieve betrokken lidstaat .

Als blijk van de solidariteit van de Unie met ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, moet het medefinancieringspercentage van de kosten van het pakket van individuele dienstverlening niet lager zijn dan 60 %. Dit minimumpercentage kan met nog eens 5 % worden verhoogd als gezorgd is voor objectieve en operationele maatregelen en instrumenten voor anticipatie en herstructurering .

Motivering

Dit sluit aan op het wijzigingsvoorstel m.b.t. artikel 14, lid 2.

Wijzigingsvoorstel 6

Overweging 19

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(19)

Financiële bijdragen uit het EFG moeten in de eerste plaats gericht zijn op actieve arbeidsmarktmaatregelen die een snelle en duurzame terugkeer van de begunstigden op de arbeidsmarkt beogen binnen of buiten de sector waar zij oorspronkelijk werkzaam waren. De maatregelen moeten de verwachte behoeften van de lokale of regionale arbeidsmarkt weerspiegelen. Waar nodig moet echter ook de mobiliteit van ontslagen werknemers worden ondersteund om hen te helpen elders een nieuwe baan te vinden. Bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de verspreiding van vaardigheden die vereist zijn in het digitale tijdperk. Er moeten beperkingen worden gesteld aan het opnemen van geldelijke toelagen in een gecoördineerd pakket van individuele dienstverlening. Bedrijven zouden kunnen worden aangemoedigd om deel te nemen aan de nationale medefinanciering van de door het EFG gesteunde maatregelen.

(19)

Financiële bijdragen uit het EFT moeten in de eerste plaats gericht zijn op actieve arbeidsmarktmaatregelen die een snelle en duurzame terugkeer van de begunstigden op de arbeidsmarkt beogen binnen of buiten de sector waar zij oorspronkelijk werkzaam waren. De maatregelen moeten de verwachte behoeften van de lokale of regionale arbeidsmarkt weerspiegelen, en daarom is de actieve betrokkenheid van lokale en/of regionale overheden van essentieel belang . Het herstel van de territoriale capaciteit moet ter hand worden genomen vanuit een perspectief dat is gebaseerd op de lokale kenmerken, de sterke punten en de endogene hulpbronnen van de gebieden. Clusterbeleid, de verspreiding van kennis en innovatie, alsook de oprichting van ondernemingen die de werkgelegenheid stimuleren, zullen een klimaat creëren dat bevorderlijk is voor groei op basis van gelijke kansen voor mensen, ongeacht hun woonplaats. Bij deze aanpak zal prioriteit worden gegeven aan de verspreiding van de vaardigheden die in het digitale tijdperk nodig zijn.

 

Het opnemen van geldelijke toelagen in een gecoördineerd geheel van individuele dienstverlening moet altijd een flankerend karakter houden ten opzichte van de actieve maatregelen . Bedrijven moeten ook worden aangemoedigd om deel te nemen aan de nationale medefinanciering voor EFG -maatregelen, mits dat compatibel is .

 

Aan de andere kant dient steun voor mobiliteit van werknemers waarbij deze moeten verhuizen een laatste redmiddel te zijn, gezien de ontwrichtende werking ervan en het verlies aan regionale aantrekkingskracht waarmee zo’n maatregel gepaard gaat..

Motivering

Het herstructureringsbeleid moet een gunstig klimaat voor werkgelegenheid en groei scheppen en maatregelen omvatten om werknemers in staat te stellen weer aan het werk te gaan. Hieronder valt ook eenmalige en in de tijd beperkte bijstand.

De regionale autoriteiten moeten actief bij het proces worden betrokken, omdat zij de reële situatie kennen en daarmee omgaan.

Wijzigingsvoorstel 7

Nieuwe paragraaf invoegen na overweging 19

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

In haar „Discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering” onderkent de Commissie de sterke regionale dimensie van de ongelijke territoriale impact van de mondialisering, aangezien de nieuwe banen die door de handel en de technologische veranderingen zijn ontstaan niet noodzakelijkerwijs op dezelfde plaatsen ontstaan als waar banen zijn verdwenen en de gedupeerde werknemers vaak niet over de juiste vaardigheden beschikken voor deze nieuwe banen.

Handelsovereenkomsten van de EU moeten daarom vergezeld gaan van territoriale effectbeoordelingen, zodat de bevoegde autoriteiten in een vroeg stadium mogelijke asymmetrische gevolgen van handelsovereenkomsten kunnen vaststellen en kwantificeren, zich daarop kunnen voorbereiden, op veranderingen kunnen anticiperen en eventuele herstructureringen het hoofd kunnen bieden door met een juiste beleidsmix en een doeltreffend gebruik van EU-middelen strategieën op te stellen.

Motivering

Het CvdR steunt het handelsbeleid van de EU op voorwaarde dat het vergezeld gaat van territoriale effectbeoordelingen die de mogelijke gevolgen ervan meten en als instrument dienen voor een transparant en empirisch onderbouwd handelsbeleid.

Wijzigingsvoorstel 8

Overweging 20

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(20)

Bij de opstelling van het gecoördineerde pakket van actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen moeten de lidstaten de voorkeur geven aan maatregelen die in aanzienlijke mate zullen bijdragen tot de inzetbaarheid van de begunstigden. De lidstaten moeten ernaar streven dat zo spoedig mogelijk binnen de termijn van zes maanden voor de datum waarop het eindverslag over de uitvoering van de financiële bijdrage moet worden ingediend, zo veel mogelijk begunstigden die aan deze maatregelen deelnemen duurzaam op de arbeidsmarkt terugkeren.

(20)

Bij de opstelling van het gecoördineerde pakket van actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen moeten de lidstaten de voorkeur geven aan maatregelen die in aanzienlijke mate zullen bijdragen tot de inzetbaarheid van de begunstigden. De lidstaten moeten ernaar streven dat zo spoedig mogelijk binnen de termijn van zes maanden voor de datum waarop het eindverslag over de uitvoering van de financiële bijdrage moet worden ingediend, zo veel mogelijk begunstigden die aan deze maatregelen deelnemen duurzaam op de lokale en regionale arbeidsmarkt terugkeren.

Motivering

Het scheppen van banen in gebieden waar werknemers zijn ontslagen moet voorrang krijgen.

Wijzigingsvoorstel 9

Overweging 23

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(23)

In het belang van de begunstigden en van de organen die bevoegd zijn voor de uitvoering van de maatregelen, moet de aanvragende lidstaat alle betrokkenen bij de aanvraagprocedure, op de hoogte houden van de behandeling van de aanvraag.

In het belang van de begunstigden en van de organen die bevoegd zijn voor de uitvoering van de maatregelen, moet de aanvragende lidstaat alle betrokkenen bij de aanvraagprocedure, en dan met name lokale en regionale overheden , op de hoogte houden van de behandeling van de aanvraag.

Motivering

Benadrukken dat de lokale en regionale overheden betrokken moeten worden bij de behandeling van de aanvraag.

Wijzigingsvoorstel 10

Overweging 39

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

(39)

Rekening houdend met het feit dat de beroepsbevolking gezien de digitale transformatie van de economie over een bepaald niveau van digitale vaardigheden moet beschikken, moet de verspreiding van vaardigheden die vereist zijn in het digitale tijdperk een verplicht horizontaal onderdeel vormen van de aangeboden gecoördineerde pakketten van individuele diensten,

(39)

Rekening houdend met het feit dat de Europese burgers, met name de beroepsbevolking, gezien de digitale transformatie van de economie over een bepaald niveau van digitale vaardigheden moet beschikken, moet de verspreiding van vaardigheden die vereist zijn in het digitale tijdperk een verplicht horizontaal onderdeel vormen van de aangeboden gecoördineerde pakketten van individuele diensten,

Motivering

[Het eerste deel van de motivering is niet van toepassing op de Nederlandse vertaling; de rapporteur maakt bezwaar tegen de Spaanse term „mano de obra” (arbeidskrachten).] Volgens veel literatuur zijn werkenden verder uit sociaal oogpunt meer dan slechts een materiële productiefactor.

Wijzigingsvoorstel 11

Nieuwe paragraaf invoegen na overweging 39

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Overheidsinvesteringen in vaardigheden en menselijk kapitaal moeten beter worden afgestemd op slimme specialisatiestrategieën, met een gebiedsgerichte benadering waarbij wordt onderzocht hoe structurele veranderingen specifieke problemen en uitdagingen in de regionale en/of lokale economie kunnen creëren. Gezien de noodzaak om deze vaardigheden aan te passen aan de behoeften van de regionale industrie, moeten de strategieën voor economische ontwikkeling ook worden gecoördineerd met het onderwijs- en werkgelegenheidsbeleid, zodat de lokale capaciteit kan worden ontwikkeld.

Motivering

Wijzen op de noodzaak om overheidsinvesteringen in vaardigheden aan te passen aan de specifieke kenmerken van een bepaalde regio en om regionale ontwikkeling te koppelen aan onderwijs en werkgelegenheidsbeleid, zodat een en ander maximaal effect kan sorteren.

Wijzigingsvoorstel 12

Artikel 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het EFG draagt bij tot een betere verdeling van de voordelen van de globalisering en de technologische vooruitgang door ontslagen werknemers te helpen aan te passen aan structurele veranderingen. Als zodanig draagt het EFG bij tot de uitvoering van de in de Europese pijler van sociale rechten bepaalde beginselen en verbetert het de economische samenhang tussen de regio’s en de lidstaten.

Het EFT ondersteunt de sociaaleconomische veranderingen die het gevolg zijn van de globalisering en van de technologische en milieugerelateerde transitie, door werknemers op wie deze hulp is gericht te helpen aan te passen aan structurele veranderingen. Als zodanig draagt het EFT bij tot de uitvoering van de in de Europese pijler van sociale rechten bepaalde beginselen en verbetert het de economische samenhang tussen de regio’s en de lidstaten.

Motivering

Deze formulering is inclusiever en heeft ook betrekking op ontslagen werknemers en zelfstandigen en, conform het voorstel in dit advies, op „werknemers van ondernemingen in moeilijkheden die het risico lopen te worden ontslagen”.

Wijzigingsvoorstel 13

Artikel 3.1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De algemene doelstelling van het programma is solidariteit te betonen met en steun te verlenen aan ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd als gevolg van onverwachte grote herstructureringen, zoals bedoeld in artikel 5.

1.   1. De algemene doelstelling van het programma is solidariteit en verantwoordelijkheid te betonen met en steun te verlenen aan ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd als gevolg van onverwachte grote herstructureringen, en aan werknemers van in moeilijkheden verkerende bedrijven die het risico lopen te worden ontslagen zoals bedoeld in artikel 5.

Motivering

De gevolgen van de globalisering van de markt of van de crisis kunnen neveneffecten zijn van het beleid van de Commissie. Het fonds getuigt niet alleen van solidariteit, maar is ook een teken dat de EU verantwoordelijkheid neemt voor haar besluiten.

De formulering „werknemers van ondernemingen in moeilijkheden die het risico lopen te worden ontslagen” sluit aan bij het voorstel in dit advies.

Wijzigingsvoorstel 14

Artikel 3.2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   De specifieke doelstelling van het EFG is steun te verlenen in geval van onverwachte grote herstructureringen, met name wanneer die zijn veroorzaakt door uitdagingen die verband houden met de globalisering, zoals veranderingen in de wereldhandelspatronen, handelsgeschillen, financiële of economische crises, de overgang naar een koolstofarme economie of als gevolg van de digitalisering of automatisering. Bijzondere nadruk wordt gelegd op maatregelen die de meest kansarme groepen helpen.

2.   2. De specifieke doelstelling van het EFT is steun te verlenen in geval van onverwachte grote herstructureringen, met name wanneer die zijn veroorzaakt door uitdagingen die verband houden met de globalisering, zoals veranderingen in de wereldhandelspatronen, handelsgeschillen, besluiten in het kader van de handelsbeschermingsinstrumenten van de EU , financiële of economische crises, de overgang naar een koolstofarme economie of als gevolg van de digitalisering of automatisering. Bijzondere nadruk wordt gelegd op maatregelen die de meest kansarme groepen helpen, z oals omschreven in artikel 4 .

Motivering

Werknemers die er de dupe van zijn als er geen antidumpingmaatregelen worden genomen, zouden zich automatisch moeten kunnen beroepen op de rechten die in de EFG-regels zijn vervat en in aanmerking moeten komen voor dit fonds.

De slotverwijzing naar artikel 4 heeft betrekking op de invoeging van een definitie van meest benadeelde groepen.

Wijzigingsvoorstel 15

Artikel 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Definities

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder

a)

„ontslagen werknemer”: een werknemer wiens arbeidsovereenkomst voortijdig is beëindigd door gedwongen ontslag, of wiens arbeidsovereenkomst om economische redenen niet is verlengd;

a)

„ontslagen werknemer”: een werknemer wiens arbeidsovereenkomst voortijdig is beëindigd door gedwongen ontslag, of wiens arbeidsovereenkomst om economische redenen niet is verlengd;

b)

zelfstandige”: een persoon die niet meer dan tien werknemers in dienst had;

b)

zelfstandige”: een persoon die niet meer dan tien werknemers in dienst had;

c)

„begunstigde”: een persoon die deelneemt aan de door het EFG medegefinancierde maatregelen;

c)

„kwetsbare werknemer”: eenieder die als begunstigde wordt beschouwd en voor wie een van de volgende kenmerken of omstandigheden gelden;

ouder dan 54 jaar;

jonger dan dertig jaar;

vrouw;

het gaat om een persoon met een beperking (motorisch, cognitief of sensorieel);

een of meer personen zijn financieel afhankelijk van de begunstigde;

geen diploma van middelbaar of hoger beroepsonderwijs (Internationale standaardclassificatie van het onderwijs 3), of

behorend tot een etnische minderheid in een lidstaat.

d)

„onregelmatigheid”: elke inbreuk op het toepasselijke recht als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van het EFG betrokken economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld.

d)

„begunstigde”: een persoon die deelneemt aan de door het EFT medegefinancierde maatregelen;

 

e)

„onregelmatigheid”: elke inbreuk op het toepasselijke recht als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van het EFT betrokken economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld.

Motivering

Het is redelijk om in het voorstel voor een verordening de algemene verwijzing naar „kansarme begunstigden” of „meest kansarme groepen” te expliciteren, zonder al te concreet te worden. Ook zou kunnen worden overwogen om jongeren te noemen en gewag te maken van het genderperspectief en gelijke kansen.

Wijzigingsvoorstel 16

Artikel 5.1, lid 5.2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Criteria voor steunverlening

Criteria voor steunverlening

1.   De lidstaten kunnen financiële steun uit het EFG aanvragen voor maatregelen die gericht zijn op ontslagen werknemers en zelfstandigen, in overeenstemming met de in dit artikel vastgelegde bepalingen. Een financiële bijdrage uit het EFG wordt toegekend bij grote herstructureringen die tot gevolg hebben:

1.   De lidstaten kunnen financiële steun uit het EFT aanvragen voor maatregelen die gericht zijn op ontslagen werknemers, zelfstandigen die hun activiteiten hebben gestaakt, en werknemers van in moeilijkheden verkerende bedrijven die het risico lopen te worden ontslagen , in overeenstemming met de in dit artikel vastgelegde bepalingen.

 

2.   Een financiële bijdrage uit het EFT wordt toegekend bij grote herstructureringen die tot gevolg hebben:

a)

de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 250 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat, ook wanneer die beëindiging van toepassing is bij leveranciers of downstreamproducenten;

a)

de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 150 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van negen maanden in een onderneming in een lidstaat, ook wanneer die beëindiging van toepassing is bij leveranciers of downstreamproducenten;

b)

de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 250 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van zes maanden, met name in kmo’s, die alle actief zijn in dezelfde NACE Rev. 2-afdeling en gelegen zijn in een NUTS 2-regio of twee aan elkaar grenzende NUTS 2-regio’s of in meer dan twee aan elkaar grenzende NUTS 2-regio’s, mits meer dan 250 werknemers of zelfstandigen zijn getroffen in twee van de regio’s tezamen;

b)

de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 150 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van zes maanden, met name in kmo’s, die alle actief zijn in dezelfde NACE Rev. 2-afdeling en gelegen zijn in een NUTS 2-regio of twee aan elkaar grenzende NUTS 2-regio’s of in meer dan twee aan elkaar grenzende NUTS 2-regio’s, mits meer dan 150 werknemers of zelfstandigen zijn getroffen in twee van de regio’s tezamen;

c)

de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 250 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van vier maanden, met name in kmo’s, die actief zijn in dezelfde of verschillende NACE Rev. 2-afdelingen en gelegen zijn in dezelfde NUTS 2-regio.

c)

de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 150 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van negen maanden, met name in kmo’s, die actief zijn in dezelfde of verschillende NACE Rev. 2-afdelingen en gelegen zijn in dezelfde NUTS 2-regio.

3.   Op kleine arbeidsmarkten of in uitzonderlijke omstandigheden, met name ten aanzien van aanvragen door kmo’s, die door de aanvragende lidstaat naar behoren worden onderbouwd, kan een aanvraag voor een financiële bijdrage op grond van dit artikel, zelfs als niet volledig voldaan wordt aan de criteria van lid 1, onder a), b) of c), als ontvankelijk worden aangemerkt, wanneer de gedwongen ontslagen ernstige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid en de lokale of regionale economie. De aanvragende lidstaat vermeldt aan welke van de criteria voor steunverlening van lid 1, onder a), b) of c), niet volledig wordt voldaan. Het totaalbedrag van de aanvragen voor uitzonderlijke omstandigheden mag niet meer bedragen dan 15 % van het jaarlijkse maximumbedrag van het EFG .

3.   Op kleine arbeidsmarkten of in uitzonderlijke omstandigheden, met name ten aanzien van aanvragen door kmo’s, die door de aanvragende lidstaat naar behoren worden onderbouwd, kan een aanvraag voor een financiële bijdrage op grond van dit artikel, zelfs als niet volledig voldaan wordt aan de criteria van lid 1, onder a), b) of c), als ontvankelijk worden aangemerkt, wanneer de gedwongen ontslagen ernstige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid en de lokale of regionale economie. De aanvragende lidstaat vermeldt aan welke van de criteria voor steunverlening van lid 1, onder a), b) of c), niet volledig wordt voldaan. Het totaalbedrag van de aanvragen voor uitzonderlijke omstandigheden mag niet meer bedragen dan 15 % van het jaarlijkse maximumbedrag van het EFT .

Motivering

Dit sluit beter aan op de formulering van artikel 3.

Voor een kleine groep ontslagen werknemers wordt de steun toegankelijker, gezien de geringe omvang van de ondernemingen: daar vinden minder vaak grootschalige ontslagen plaats.

Het waarom van de verschillende tijdsbestekken is niet bekend. Het voorstel is om beide perioden te verlengen tot negen maanden.

Wijzigingsvoorstel 17

Artikel 5.4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

4.     Het EFG kan niet worden ingezet wanneer werknemers worden ontslagen als gevolg van bezuinigingen van een lidstaat op de begroting waardoor sectoren worden getroffen die afhankelijk zijn van overheidsfinanciering.

 

Motivering

De steun moet beschikbaar zijn voor alle ontslagen werknemers, ongeacht of zij werkzaam waren in sectoren die afhankelijk zijn van overheidsfinanciering. Bovendien kan het voor de bevoegde autoriteiten bijzonder moeilijk zijn om vast te stellen welke sectoren afhankelijk zijn van overheidsfinanciering en welke niet.

Wijzigingsvoorstel 18

Nieuw lid in artikel 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

4 (of 5).     Naast de andere begunstigden die in de vorige leden zijn genoemd kunnen de lidstaten, conform de definitie van de bedoelde ondernemingen in de „Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01)”, ook werknemers van in moeilijkheden verkerende bedrijven die het risico lopen te worden ontslagen laten profiteren van financiële bijdragen van het EFT. Deze komen dan alleen in aanmerking voor op maat gesneden opleidings- en omscholingsacties, onder meer voor het opdoen van vaardigheden op het gebied van informatie- en communicatietechnologie en van andere digitale vaardigheden, mits deze acties niet vallen onder maatregelen die krachtens de nationale wetgeving of bestaande collectieve overeenkomsten onder de verantwoordelijkheid van ondernemingen vallen.

Motivering

De digitale transformatie van de economie vereist een zekere mate van digitale competentie van alle Europese burgers, en met name werknemers die het risico lopen te worden ontslagen moeten in aanmerking komen voor deze gepersonaliseerde diensten voor de verwerving van digitale vaardigheden.

Wijzigingsvoorstel 19

Nieuwe laatste alinea in artikel 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Werknemers van in moeilijkheden verkerende bedrijven die het risico lopen te worden ontslagen kunnen eveneens voor de steun in aanmerking komen, met inachtneming van de in artikel 5, lid 4 (of 5, lid 5) genoemde beperkingen.

Motivering

Dit sluit aan op de bepalingen in de voorgaande artikelen.

Wijzigingsvoorstel 20

Artikel 8

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Subsidiabele maatregelen

Subsidiabele maatregelen

1.   Een financiële bijdrage uit het EFG kan worden bestemd voor actieve arbeidsmarktmaatregelen in het kader van een gecoördineerd pakket van individuele dienstverlening, om de beoogde begunstigden, en in het bijzonder de meest kansarme ontslagen werknemers, weer aan een dienstbetrekking of zelfstandige arbeid te helpen.

1.   Een financiële bijdrage uit het EFT kan worden bestemd voor actieve arbeidsmarktmaatregelen in het kader van een gecoördineerd pakket van individuele dienstverlening, om de beoogde begunstigden, en in het bijzonder de meest kansarme ontslagen werknemers, weer aan een dienstbetrekking of zelfstandige arbeid te helpen.

De verspreiding van vaardigheden die vereist zijn in het digitale industriële tijdperk moet een verplicht horizontaal onderdeel vormen van de gecoördineerde pakketten van individuele diensten die worden aangeboden. Het opleidingsniveau moet worden aangepast aan de kwalificaties en behoeften van de betrokken begunstigde.

De verspreiding van vaardigheden die vereist zijn in het digitale industriële tijdperk moet een verplicht horizontaal onderdeel vormen van de gecoördineerde pakketten van individuele diensten die worden aangeboden. Het opleidingsniveau moet worden aangepast aan de kwalificaties en behoeften van de betrokken begunstigde , aan de specifieke uitdagingen binnen de regionale en/of lokale economie en vooral aan de vaardigheden van werknemers die ontslagen dreigen te worden .

Het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening kan met name het volgende omvatten:

a)

opleiding en omscholing op maat, onder meer op het gebied van informatie-en communicatietechnologie en andere vaardigheden die vereist zijn in het digitale tijdperk, certificering van opgedane ervaring, hulp bij het zoeken van een baan, loopbaanbegeleiding, adviesverlening, begeleiding door een mentor, outplacementbegeleiding, bevordering van ondernemerschap, steun bij het uitoefenen van een zelfstandige activiteit, het opzetten van een eigen bedrijf en een overname door werknemers, en samenwerkingsactiviteiten;

b)

speciale tijdelijke maatregelen, zoals sollicitatietoelagen, premies bij indiensttreding voor werkgevers, mobiliteitstoelagen, opleidings- of dagvergoedingen, waaronder toelagen voor verzorgers.

Het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening kan met name het volgende omvatten:

a)

opleiding en omscholing op maat, onder meer op het gebied van informatie-en communicatietechnologie en andere vaardigheden die vereist zijn in het digitale tijdperk, certificering van opgedane ervaring, hulp bij het zoeken van een baan, loopbaanbegeleiding, adviesverlening, begeleiding door een mentor, outplacementbegeleiding, bevordering van ondernemerschap, steun bij het uitoefenen van een zelfstandige activiteit, het opzetten van een eigen bedrijf en een overname door werknemers, en samenwerkingsactiviteiten;

b)

speciale tijdelijke maatregelen, zoals sollicitatietoelagen, premies bij indiensttreding voor werkgevers, mobiliteitstoelagen, opleidings- of dagvergoedingen, waaronder toelagen voor verzorgers.

De kosten van de onder b) bedoelde maatregelen mogen niet meer bedragen dan 35 % van de totale kosten voor het gecoördineerde pakket van de in dit lid vermelde individuele dienstverlening.

De kosten van de onder b) bedoelde maatregelen mogen niet meer bedragen dan 35 % van de totale kosten voor het gecoördineerde pakket van de in dit lid vermelde individuele dienstverlening, op voorwaarde dat de begunstigden als kwetsbaar worden beschouwd, in welk geval dit percentage kan oplopen tot 50 % .

De investeringskosten voor wie zich als zelfstandige vestigt of een eigen bedrijf opricht of voor overnames door werknemers mogen niet meer dan 20 000  EUR per ontslagen werknemer bedragen.

De investeringskosten voor wie zich als zelfstandige vestigt of een eigen bedrijf opricht of voor overnames door werknemers mogen niet meer dan 20 000  EUR per ontslagen werknemer bedragen.

 

Deze investeringen moeten bestemd zijn voor projecten die technisch, economisch en financieel levensvatbaar zijn, en daartoe moeten de autoriteiten zorgen voor begeleiding en coaching.

Bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening wordt rekening gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden. Het gecoördineerde pakket is verenigbaar met de overgang naar een hulpbronnenefficiënte en duurzame economie en in het pakket ligt de nadruk op de verspreiding van vaardigheden die in het digitale industriële tijdperk vereist zijn en wordt rekening gehouden met de vraag op de lokale arbeidsmarkt.

Bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening wordt rekening gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden. Het gecoördineerde pakket is verenigbaar met de overgang naar een hulpbronnenefficiënte en duurzame economie en in het pakket ligt de nadruk op de verspreiding van vaardigheden die in het digitale industriële tijdperk vereist zijn en wordt rekening gehouden met de vraag op de regionale en/of lokale arbeidsmarkt, waarbij gezorgd wordt voor de actieve inbreng van regionale en/of lokale overheden in het samenstellen van het dienstenpakket.

2.   De volgende maatregelen komen niet in aanmerking voor een financiële bijdrage uit het EFG :

2.   De volgende maatregelen komen niet in aanmerking voor een financiële bijdrage uit het EFT :

a)

speciale tijdelijke maatregelen als bedoeld in lid 1, onder b), waaraan niet de voorwaarde verbonden is dat de beoogde begunstigden actief deelnemen aan activiteiten op het gebied van het zoeken naar werk of opleiding;

a)

speciale tijdelijke maatregelen als bedoeld in lid 1, onder b), waaraan niet de voorwaarde verbonden is dat de beoogde begunstigden actief deelnemen aan activiteiten op het gebied van het zoeken naar werk of opleiding;

b)

maatregelen waarvoor ondernemingen krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten verantwoordelijk zijn.

b)

maatregelen waarvoor ondernemingen krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten verantwoordelijk zijn.

De door het EFG ondersteunde maatregelen treden niet in de plaats van maatregelen die gericht zijn op passieve sociale bescherming.

De door het EFT ondersteunde maatregelen treden niet in de plaats van maatregelen die gericht zijn op passieve sociale bescherming.

3.   Het gecoördineerde pakket van dienstverlening wordt uitgewerkt in overleg met de beoogde begunstigden of hun vertegenwoordigers, of met de sociale partners.

3.   Het gecoördineerde pakket van dienstverlening wordt uitgewerkt in overleg met de beoogde begunstigden of hun vertegenwoordigers, of met de sociale partners , en met de actieve inbreng van lokale en regionale overheden .

4.   Op initiatief van de aanvragende lidstaat kan een financiële bijdrage uit het EFG beschikbaar worden gesteld voor de activiteiten op het vlak van voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit en controle en rapportage.

4.   Op initiatief van de aanvragende lidstaat kan een financiële bijdrage uit het EFT beschikbaar worden gesteld voor de activiteiten op het vlak van voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit en controle en rapportage, alsook voor de capaciteitsopbouw van regionale en/of lokale overheden die de gevolgen ondervinden van de ingrijpende en onverwachte herstructurering.

Motivering

Structurele veranderingen veroorzaken specifieke problemen in de regio’s; de inbreng van regionale overheden is daarom vereist.

Overeenkomstig het voorstel in artikel 4 wordt een gunstiger behandeling van kwetsbare werknemers voorgesteld.

Er moet worden geadviseerd over de levensvatbaarheid van projecten voor zelfstandigen, en mislukkingen moeten worden voorkomen.

Wijzigingsvoorstel 21

Artikel 9.5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

5.

Een aanvraag moet de volgende gegevens bevatten:

5.

Een aanvraag moet de volgende gegevens bevatten:

a)

een beoordeling van het aantal gedwongen ontslagen overeenkomstig artikel 6, met inbegrip van de berekeningsmethode;

a)

een beoordeling van het aantal gedwongen ontslagen overeenkomstig artikel 6, met inbegrip van de berekeningsmethode;

b)

indien de onderneming waar de gedwongen ontslagen zijn gevallen, haar activiteiten na die ontslagen heeft voortgezet, de bevestiging dat zij aan haar wettelijke verplichtingen ten aanzien van de gedwongen ontslagen heeft voldaan;

b)

indien de onderneming waar de gedwongen ontslagen zijn gevallen, haar activiteiten na die ontslagen heeft voortgezet, de bevestiging dat zij aan haar wettelijke verplichtingen ten aanzien van de gedwongen ontslagen heeft voldaan;

c)

een korte beschrijving van de gebeurtenissen die tot het ontslag van de werknemers hebben geleid;

c)

een korte beschrijving van de gebeurtenissen die tot het ontslag van de werknemers hebben geleid;

d)

indien van toepassing, gegevens van de ondernemingen, leveranciers of downstreamproducenten en sectoren waar de gedwongen ontslagen zijn gevallen, en categorieën beoogde begunstigden, uitgesplitst naar gender, leeftijdscategorie en onderwijsniveau;

d)

indien van toepassing, gegevens van de ondernemingen, leveranciers of downstreamproducenten en sectoren waar de gedwongen ontslagen zijn gevallen, en categorieën beoogde begunstigden, uitgesplitst naar gender, leeftijdscategorie en onderwijsniveau;

e)

het verwachte effect van de gedwongen ontslagen op de lokale, regionale of nationale economie en de werkgelegenheid;

e)

het verwachte effect van de gedwongen ontslagen op de lokale, regionale of nationale economie en de werkgelegenheid;

f)

een gedetailleerde beschrijving van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening en de daarmee verband houdende uitgaven, waaronder met name maatregelen ter ondersteuning van werkgelegenheidsinitiatieven voor kansarme, oudere en jongere begunstigden;

f)

een gedetailleerde beschrijving van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening en de daarmee verband houdende uitgaven, waaronder met name maatregelen ter ondersteuning van werkgelegenheidsinitiatieven voor kwetsbare begunstigden zoals gedefinieerd in artikel 4, onder c), en, in voorkomend geval, werknemers van ondernemingen in moeilijkheden die het risico lopen te worden ontslagen die ook in aanmerking gaan komen voor opleidingen ter verwerving van digitale vaardigheden, met inachtneming van de in artikel 5, lid 4 (of 5, lid 5) genoemde beperkingen; en een toelichting op de mate waarin het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening een aanvulling vormt op acties die worden gefinancierd uit andere nationale of EU-fondsen, met inbegrip van informatie over verplichte maatregelen voor ondernemingen die op grond van de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten tot ontslagen hebben geleid ;

g)

een toelichting van de mate waarin de aanbevelingen van het EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering in aanmerking zijn genomen en over de complementariteit van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening met door andere nationale fondsen of fondsen van de Unie gefinancierde acties, met inbegrip van informatie over maatregelen die voor de betrokken ondernemingen waar de ontslagen zijn gevallen krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten verplicht zijn ;

g)

een toelichting van de mate waarin de aanbevelingen van het EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering in aanmerking zijn genomen; inclusief de aanbevelingen ter revitalisering van regio’s die te maken hebben met herstructureringen en ter vergemakkelijking van de samenwerking tussen de betrokken actoren, en op de vraag of er objectieve en operationele maatregelen en instrumenten voor anticipatie en herstructurering zijn in de zin van artikel 14, lid 2 ;

h)

de geraamde begroting voor de afzonderlijke onderdelen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening ter ondersteuning van de beoogde begunstigden, en voor elke vorm van activiteiten inzake voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit, controle en rapportage;

h)

de geraamde begroting voor de afzonderlijke onderdelen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening ter ondersteuning van de beoogde begunstigden, en voor elke vorm van activiteiten inzake voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit, controle en rapportage;

i)

indicatieve, door de lidstaat bepaalde dossierspecifieke doelstellingen met betrekking tot het herintredingspercentage van begunstigden zes maanden na het einde van de uitvoeringsperiode, met het oog op evaluatie;

i)

indicatieve, met door de lidstaat — na raadpleging van de lokale en regionale overheden in het betrokken gebied  — bepaalde dossierspecifieke doelstellingen met betrekking tot het herintredingspercentage van begunstigden zes maanden na het einde van de uitvoeringsperiode, met het oog op evaluatie;

j)

de data waarop met de individuele dienstverlening aan de beoogde begunstigden en de activiteiten tot uitvoering van het EFG , zoals vermeld in artikel 8, is begonnen of waarop verwacht wordt daarmee te beginnen;

j)

de data waarop met de individuele dienstverlening aan de beoogde begunstigden en de activiteiten tot uitvoering van het EFT , zoals vermeld in artikel 8, is begonnen of waarop verwacht wordt daarmee te beginnen;

k)

de procedures aan de hand waarvan de beoogde begunstigden of hun vertegenwoordigers, of de sociale partners alsmede lokale en regionale overheden of andere belanghebbenden zijn geraadpleegd, voor zover van toepassing;

k)

de procedures aan de hand waarvan de beoogde begunstigden of hun vertegenwoordigers, of de sociale partners alsmede lokale en regionale overheden of andere belanghebbenden zijn geraadpleegd, voor zover van toepassing;

l)

een verklaring dat de aangevraagde EFG -steun in overeenstemming is met de procedurele en materiële voorschriften van de Unie inzake staatssteun, alsook een verklaring waarin wordt aangegeven waarom het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening niet in de plaats komt van maatregelen waarvoor bedrijven krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten verantwoordelijk zijn;

l)

een verklaring dat de aangevraagde EFT -steun in overeenstemming is met de procedurele en materiële voorschriften van de Unie inzake staatssteun, alsook een verklaring waarin wordt aangegeven waarom het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening niet in de plaats komt van maatregelen waarvoor bedrijven krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten verantwoordelijk zijn;

m)

de bronnen van nationale voorfinanciering of medefinanciering en andere medefinanciering, indien van toepassing.

m)

de bronnen van nationale voorfinanciering of medefinanciering en andere medefinanciering, indien van toepassing.

 

n)

in voorkomend geval een rapport waarin de ontoereikende administratieve capaciteit voor het beheer van deze steun wordt verantwoord en de behoefte aan extra middelen voor technische en administratieve bijstand in verband met artikel 12, lid 5, wordt onderbouwd.

Motivering

Regionale overheden moeten worden betrokken bij de vaststelling van de doelstellingen, aangezien zij inzicht hebben in het werkgelegenheidspotentieel van de betrokken economie.

De andere zaken betreffen een formulering die in overeenstemming is met de wijzigingen hierboven of hieronder (kwaliteitskader, aanvullende technische bijstand).

Wijzigingsvoorstel 22

Artikel 12.4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

4.   De technische bijstand van de Commissie omvat het verstrekken van informatie en richtsnoeren aan de lidstaten voor het gebruik van, het toezicht op en de evaluatie van het EFG . De Commissie verstrekt ook informatie over en duidelijke richtsnoeren voor het gebruik van het EFG aan de Europese en nationale sociale partners. De richtsnoeren kunnen ook betrekking hebben op de oprichting van taskforces in gevallen van ernstige economische ontwrichtingen in een lidstaat.

4.   De technische bijstand van de Commissie omvat het verstrekken van informatie en richtsnoeren aan de lidstaten voor het gebruik van, het toezicht op en de evaluatie van het EFT . De Commissie verstrekt ook informatie over en duidelijke richtsnoeren voor het gebruik van het EFT aan de Europese en nationale sociale partners. De richtsnoeren kunnen ook betrekking hebben op de oprichting van taskforces in gevallen van ernstige economische ontwrichtingen in een lidstaat, op nationaal of op regionaal niveau .

Motivering

Er moet voor worden gezorgd dat de lokale en regionale overheden op de hoogte worden gehouden.

Wijzigingsvoorstel 23

Nieuw lid in artikel 12

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

5.     Naast de goedkeuring van de financiële bijdrage kan de Commissie middelen uit het voor de technische en administratieve bijstand bedoelde bedrag beschikbaar stellen aan de lidstaten die daarom verzoeken door middel van een rapport dat aantoont dat ze te weinig administratieve capaciteit hebben voor een snel en efficiënt beheer tijdens de voorbereiding, het toezicht, de controle, de audit of de evaluatie waarvoor zij verantwoordelijk zijn.

Motivering

Om een snellere reactie te vergemakkelijken en om tekorten in de beheerscapaciteit van regio’s op te vangen zou de Commissie, op gemotiveerd verzoek, kunnen toestaan dat een deel van de middelen wordt gebruikt voor technische ondersteuning van voorbereidings-, toezicht-, controle-, audit- en evaluatieactiviteiten van de regio’s.

Wijzigingsvoorstel 24

Artikel 14.2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   Het medefinancieringspercentage van het EFG voor de aangeboden maatregelen wordt afgestemd op het hoogste medefinancieringspercentage van het ESF+ in de respectieve lidstaat.

2.   Het medefinancieringspercentage van het EFT voor de aangeboden maatregelen wordt afgestemd op het hoogste medefinancieringspercentage van het ESF+ in de respectieve lidstaat, dat onder geen beding lager dan 60 % mag uitvallen . Dit minimumpercentage kan met nog eens 5 % worden verhoogd als, bij wijze van voorwaarde vooraf, gezorgd is voor objectieve en operationele maatregelen en instrumenten voor anticipatie en herstructurering, van welke strategische en actiegerichte aard dan ook en bij voorkeur aansluitend op de gebiedsgerichte aanpak.

Motivering

Dit gebeurt uit solidariteit met de betrokken werknemers. Om het gebrek aan regionale fondsen het hoofd te bieden wordt daarom voor alle gevallen een minimumpercentage van 60 % voorgesteld.

Als stimulans moet de medefinanciering ook met vijf procentpunten worden verhoogd voor de lidstaten waar al sprake is van anticiperende maatregelen, conform de goede praktijken van het kwaliteitskader.

Wijzigingsvoorstel 25

Artikel 17.5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

5.

De betrokken lidstaat heeft het recht bedragen te herverdelen tussen de begrotingsonderdelen van het op grond van artikel 16, lid 3, vastgestelde besluit betreffende een financiële bijdrage. Indien de herverdeling een verhoging met meer dan 20 % inhoudt voor een of meer van de vermelde onderdelen, stelt de lidstaat de Commissie vooraf in kennis.

5.

5. De betrokken lidstaat heeft, na raadpleging van de regio in kwestie , het recht bedragen te herverdelen tussen de begrotingsonderdelen van het op grond van artikel 16, lid 3, vastgestelde besluit betreffende een financiële bijdrage. Indien de herverdeling een verhoging met meer dan 20 % inhoudt voor een of meer van de vermelde onderdelen, stelt de lidstaat de Commissie vooraf in kennis.

Motivering

Er moet voor worden gezorgd dat de lokale en regionale overheden op de hoogte worden gehouden.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S,

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

Overwegingen en inleidende opmerkingen

1.

wijst erop dat Europa zich ervan bewust moet zijn dat de grote structurele uitdagingen die voortvloeien uit de openstelling van economieën, de klimaatverandering, adaptieve technologische processen, de toenemende migratiestromen of de vergrijzing van de beroepsbevolking vooral gevolgen zullen hebben voor het werk van de toekomst, de nieuwe arbeidsomstandigheden en de effecten ervan op persoonlijk, familiaal en regionaal vlak.

2.

Het Comité uit zijn bezorgdheid over en waarschuwt voor de nadelige effecten op het Europese sociale model van de opkomst en verspreiding van nieuwe vormen van precaire arbeidsbetrekkingen die hun voedingsbodem vinden in een klimaat van schaarste en nooddruft van personen in extreme situaties, die niet vrij kunnen beslissen om de vergoeding te aanvaarden die door grote multinationals wordt aangeboden die zelf geen belastingen betalen in de lidstaten en kleine, lokale ondernemingen verdringen door hun dominante positie op de markten.

3.

Regio’s zijn, als ruimte van samenwerking en sociale opbouw waar sociaalculturele, economische, organisatorische, menselijke en milieuaspecten samenvloeien, bijzonder belangrijk voor de ontwikkeling en vooruitgang van plaatselijke gemeenschappen en kunnen ernstig lijden onder de reële en materiële effecten van de globalisering en andere processen van verandering en verslechtering, aangezien hun eigen middelen en menselijke kapitaal kunnen worden aangetast.

4.

Het verlichte Europa is in staat en, zoals al meermaals is gebleken, fijngevoelig genoeg om het hoofd te bieden aan de spanningen tussen enerzijds het behoud van het concurrentievermogen van de mondiale economie en van de waarborgen om ons welvaartsstelsel in het algemeen te verdedigen en te stimuleren, en anderzijds de werkgelegenheid, opleidingen en arbeidsrechten, in het bijzonder om tegemoet te komen aan de verwachtingen van de burgers van de Europese Unie en in de behoeften van de regio’s te voorzien.

Belang van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

5.

Het Comité wijst met instemming op het wetgevingsvoorstel van de Commissie van 30 mei 2018 voor een nieuwe verordening betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (hierna: EFG), gezien de rol die het fonds sinds de invoering ervan in 2007 heeft gespeeld: 611 miljoen euro, verdeeld over 160 steunmaatregelen voor 147 000 werknemers uit diverse regio’s en landen, waarmee de EU blijk heeft gegeven van solidariteit en verantwoordelijkheid bij de beslissingen die in het kader van de interne markt zijn genomen.

6.

Het fonds is een nuttig instrument (1), dat bijzonder doeltreffend is gebleken, met een re-integratiepercentage van ongeveer 50 %, en tot een duurzame inzetbaarheid en betere vaardigheden bij de deelnemende personen heeft geleid, en een grote politieke zichtbaarheid geniet (2).

7.

Het Comité waarschuwt voor de groeiende ontevredenheid en bezorgdheid van de Europese burgers over mondiale ontwikkelingen, de zogeheten „geography of discontent”, die een voedingsbodem vormen voor isolationistische bewegingen. Een goede uitvoering van de maatregelen van het EFG kan een belangrijke rol spelen, onder meer om in vele regio’s van Europa de gevolgen te beperken van onvoorziene grote herstructureringen, die te maken hebben met hun economische specialisatie, arbeidskosten of het opleidingsniveau van hun beroepsbevolking (3).

Complementariteit en doeltreffende coördinatie tussen beleidsdomeinen en fondsen

8.

Het Comité is ingenomen met de nadruk die wordt gelegd op de verspreiding van vaardigheden die in het digitale industriële tijdperk vereist zijn als verplicht horizontaal onderdeel van de gecoördineerde pakketten van individuele diensten die worden aangeboden, maar stelt voor om dit beter af te stemmen op slimme-specialisatiestrategieën en een gerichte lokale aanpak om rekening te houden met de specifieke problemen in de regionale economie.

9.

verzoekt regionale overheden om actief deel te nemen aan de strategieën voor regionale economische ontwikkeling, aangezien de competenties en vaardigheden moeten worden afgestemd op de behoeften van de regionale industrie, via een nauwe samenwerking tussen de onderwijs- en opleidingsruimte en de sociale partners, de vakbonden en het regionale bedrijfsleven;

10.

vindt dat de maatregelen uit hoofde van de fondsen flexibeler moeten zijn en beter op elkaar moeten aansluiten om een breder aanbod van maatregelen voor economische ontwikkeling te kunnen steunen, die helpen om de huidige kloof tussen de maatregelen op de korte termijn en de omschakelingsstrategieën die uit hoofde van het cohesiebeleid worden gefinancierd te dichten (4);

11.

Het Comité pleit voor wederzijdse complementariteit en een meer gecoördineerde aanpak tussen het EFG, als buffer voor steun in onvoorziene omstandigheden, en het ESF+, dat een meer duurzame oplossing voor de uitdagingen ondersteunt en de vorm moet aannemen van structurele, evoluerende, veranderende maatregelen om veranderingen voor te bereiden, ter ondersteuning van een actief werkgelegenheidsbeleid op de lange termijn, het leerwezen en het verwerven van kwalificaties, en het voorkomen van werkloosheid (5).

12.

Het investeringsbeleid van de EU is, via het EFRO en het Cohesiefonds, een essentieel, noodzakelijk en solidair instrument dat een meerwaarde biedt aan maatregelen op nationaal en regionaal niveau om veel van de belangrijkste problemen (globalisering en economische transformatie, de overgang naar de koolstofarme en circulaire economie, milieuproblemen, demografische uitdagingen, migratie en armoede in steden) aan te pakken die steeds meer regio’s in de hele EU raken, met inbegrip van de meer ontwikkelde regio’s (6).

Toepassingsgebied en taken van het EFG

13.

Het Comité is ingenomen met het voorstel van de Commissie om in het takenpakket van het fonds een ruimere definitie van aanpassing aan structurele veranderingen te hanteren, waarin rekening wordt gehouden met andere oorzaken van aanpassingen als gevolg van beleid en beslissingen van de EU die de markt beïnvloeden, waardoor het technisch geschikter en rechtvaardiger wordt.

14.

Hoewel in het takenpakket is bepaald dat het EFG bijdraagt tot de uitvoering van de in de Europese pijler van sociale rechten bepaalde beginselen en het de economische samenhang tussen de regio’s en de lidstaten verbetert, moeten die beginselen in de praktijk worden gebracht en als doel hebben vooruitgang te boeken in het kader van het sociale scorebord.

Begroting

15.

Het Comité heeft nog steeds zijn twijfels bij de behandeling van het EFG als „speciaal instrument” dat buiten de maxima van het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2021-2027 valt. Ondanks het voorwaardelijke karakter van het fonds is de onzekerheid bij de individuele goedkeuring van elke aanvraag bijzonder zorgwekkend, in de context van de verlaging van de financiële middelen voor het cohesiebeleid in het MFK 2021-2027.

16.

Met betrekking tot het ruimere toepassingsgebied van het EFG onderstreept het Comité dat de volgende crises in de Europese economieën meer adaptieve financiering zullen vereisen en stelt het daarom voor om het beschikbare totaalbedrag van de gevraagde financiering te verhogen van 200 naar 500 miljoen euro per jaar. Het is noodzakelijk om zowel het aantal toewijzingen te verhogen, waarbij specifiek rekening wordt gehouden met kmo’s, als het financiële bedrag van de steun per werknemer.

Gunstigere maatregelen en criteria, en specifieke vermelding van kwetsbare werknemers

17.

Het Comité is ingenomen met de verlaging van de drempel voor het aantal ontslagen, ongeacht of de begunstigden tot dezelfde onderneming of tot bepaalde sectoren behoren, omdat dit beter strookt met de werkelijkheid. Het heeft er alle vertrouwen in dat deze verlaging zal bijdragen tot een betere benutting en mobilisering van de middelen en stelt daarom voor om de drempel vast te stellen op 150 ontslagen.

18.

Het Comité heeft zijn twijfels bij het feit dat er verschillende referentieperioden worden vastgesteld voor verschillende situaties (vier of zes maanden) en stelt voor om, indien dat niet statistisch kan worden onderbouwd, te overwegen om een langere referentieperiode in te voeren voor alle omstandigheden.

19.

Er zou een nieuwe categorie van begunstigde moeten worden ingevoerd, die uitsluitend in aanmerking komt voor maatregelen met het oog op het verwerven van kwalificaties en nieuwe vaardigheden voor het digitale tijdperk: „werknemers van ondernemingen in moeilijkheden die het risico lopen te worden ontslagen” (7).

20.

Hoewel de medefinancieringspercentages van het EFG voor de aangeboden maatregelen hoger zouden kunnen zijn, aangezien zij worden afgestemd op het hoogste medefinancieringspercentage van het ESF+ in de respectieve lidstaat, zouden er toch percentages kunnen voorkomen van minder dan de huidige 60 %, een percentage dat hoe dan ook al erg laag is voor dergelijke situaties, gezien het waarschijnlijke gebrek aan regionale middelen en gezien het uitzonderlijke karakter en van dit fonds en de solidariteitsgedachte waardoor het wordt gekenmerkt.

21.

Het Comité is ingenomen met de verhoging naar 20 000 euro per ontslagen werknemer van de investeringskosten voor wie zich als zelfstandige vestigt, maar stelt dat deze maatregel vergezeld moet gaan van het nodige advies, de nodige mentoring en de nodige begeleidende maatregelen om de projecten levensvatbaar te maken en frustratie en grotere ontmoediging op de middellange termijn te voorkomen.

22.

Het Comité waarschuwt voor de ondersteuning van de mobiliteit van ontslagen werknemers om hen te helpen elders een nieuwe baan te vinden, aangezien emigratie van de meest mobiele arbeidskrachten, de best gekwalificeerde werknemers, de kwaliteit van de regionale arbeidsmarkt aantast en zo het concurrentievermogen van de regio beperkt (8).

23.

Er wordt uitsluitend verwezen naar „kansarme begunstigden”, maar nergens worden maatregelen genoemd die tegemoetkomen aan de specifieke situatie van deze begunstigden. Daarom stelt het Comité voor om de term „kwetsbare werknemer” in het voorstel op te nemen voor de steun uit het EFG. Dat moet worden opgezet als een vorm van intermenselijke solidariteit, die bovendien zou worden gezien als een duidelijk teken van Europees burgerschap.

24.

Bij wijze van desideratum dringt het Comité er bij de Commissie, de Europese instellingen en de lidstaten op aan om niet langer gebruik te maken van het begrip „NEET” met betrekking tot jongeren die noch aan het werk zijn, noch onderwijs of een opleiding volgen, aangezien die term eerder neerbuigend dan omschrijvend is, stigmatiseert en verhindert dat jongeren worden erkend om wat ze zijn en doen en niet voor wat ze niet doen, aangezien hun geen kansen op een baan of een opleiding worden geboden.

Vereenvoudiging en verbetering van de procedure

25.

Het Comité schaart zich achter de inspanning om de werking van het EFG te verbeteren en te vereenvoudigen en waardeert de verlaging van de administratieve lasten voor de lidstaten bij het indienen van een aanvraag en voor de Commissie bij het controleren van de subsidiabiliteit, aangezien een uitgebreide analyse van de achtergrond en de oorzaken van de gedwongen ontslagen niet langer nodig is. De financiële bijdragen zullen bijgevolg sneller worden uitgevoerd aangezien de voorstellen van de Commissie voor de beschikbaarstelling van het EFG verdwijnen (9).

De rol van lokale overheden en spelers: decentralisering en gedeeld beheer

26.

Volgens het Comité is de invoering van een regionale en lokale dimensie waardevol, maar het wijst op de beperkte zichtbaarheid en het gebrek aan erkenning van het potentieel van regionale entiteiten bij de deelname aan en beschikbaarstelling van het EFG en vraagt om de regionale en lokale overheden van lidstaten met een organisatiestructuur die decentralisering toelaat een grotere rol toe te kennen in het beheer van het fonds.

27.

Het Comité roept de Commissie en de lidstaten op de samenwerking met lokale en regionale en andere belanghebbenden, in het bijzonder de sociale partners, te versterken, teneinde te voorzien in de wettelijke, financiële en organisatorische middelen om een volwaardige deelname en medewerking aan de ontwikkeling van deze domeinen mogelijk te maken.

Overwegingen inzake de proactieve maatregelen

28.

Er zouden mechanismen moeten worden vastgesteld om de institutionele capaciteit van de lidstaten te vergroten, niet alleen om onmiddellijk te kunnen reageren en snel een aanvraag te kunnen indienen, maar ook om een efficiënte en doeltreffende uitvoering van de maatregelen te verzekeren. Het Comité stelt voor het EFG in de toekomst een meer anticiperende en preventieve rol te laten spelen.

29.

Het Comité stelt voor om het huidige takenpakket van het Europees waarnemingscentrum voor het veranderingsproces van Eurofound met betrekking tot de beoordeling van trends in de globalisering en van herstructureringen te versterken en zijn bijstand aan de Commissie en de lidstaten bij de beoordeling van de territoriale effecten en de gevolgen voor de Europese regio’s met het oog op beslissingen of handelsovereenkomsten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben op dat niveau te verruimen.

30.

Het EFG moet worden gecoördineerd en de aanbevelingen in het EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering moeten ruimer, pragmatischer en krachtiger worden geformuleerd teneinde de toepassing van de goede praktijken en suggesties door werknemers, ondernemingen, sociale partners en regionale en nationale instanties te verdiepen.

31.

Die lidstaten en regio’s die bij wijze van ex-antevoorwaarde objectieve en doeltreffende anticiperende en herstructureringsmaatregelen hebben opgezet, in welke vorm van strategie of actie dan ook, bij voorkeur in het kader van een aanpak die gebaseerd is op de lokale kenmerken, moeten worden aangespoord tot slimme specialisatie of het stimuleren van sociale innovatie om de overgang en de structurele veranderingen te begeleiden (10).

Brussel, 5 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(20)   https://ec.europa.eu/commission/publications/reflection-paper-harnessing- globalisation _en.

(1)  Verslag van de Commissie over de tussentijdse evaluatie van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) COM(2018) 297 final, 16 mei 2018.

(2)  Belanghebbenden bij het beheer van het EFG hebben dit in het kader van het raadplegingsproces bevestigd.

(3)  Zoals vermeld in de discussienota over de toekomst van de EU-financiën.

(4)  Bovengenoemd verslag over de tussentijdse evaluatie.

(5)  Verslag van de Commissie over de prestaties in 2015 en 2016 van het EFG, gepubliceerd op 31 oktober 2017.

(6)  Zie de effectbeoordeling bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds.

(7)  Volgens de definitie van dergelijke ondernemingen in de mededeling van de Commissie „Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden” (2014/C 249/01).

(8)  Zoals opgemerkt door Eurofound (Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden) met betrekking tot een verslag van de OESO.

(9)  Bij een enquête onder nationale autoriteiten die belast zijn met de EFG-programma’s werd vastgesteld dat onder meer de strikte ontvankelijkheidscriteria, complexe wetgeving en lange procedure mogelijk een afschrikwekkend effect hebben.

(10)  Zie Een Europese strategie voor de industrie: rol en perspectief van de lokale en regionale overheden (CDR3214/2017; rapporteur: Heinz Lehmann (DE/EVP), goedgekeurd op 23 maart 2018).


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/259


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het programma voor de eengemaakte markt

(2019/C 86/13)

Rapporteur:

Deirdre FORDE (IE/EVP), lid van de graafschapsraad van Cork

Referentiedocumenten:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma voor de eengemaakte markt, het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, en Europese statistieken, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 99/2013, (EU) nr. 1287/2013, (EU) nr. 254/2014, (EU) nr. 258/2014, (EU) nr. 652/2014 en (EU) 2017/826

COM(2018) 441 final

Bijlagen bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma voor de eengemaakte markt, het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, en Europese statistieken, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 99/2013, (EU) nr. 1287/2013, (EU) nr. 254/2014, (EU) nr. 258/2014, (EU) nr. 652/2014 en (EU) 2017/826

COM(2018) 441 final, bijlagen 1 t/m 4

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het is daarom passend een programma voor de interne markt, het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, en Europese statistieken („het programma”) vast te stellen. Het programma moet worden vastgesteld voor een looptijd van zeven jaar, van 2021 tot en met 2027.

Het is daarom passend het programma voor de eengemaakte markt vast te stellen, om de interne markt te versterken en de werking ervan te verbeteren op het gebied van het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen , normalisatie, consumentenbescherming en Europese statistieken („het programma”). Het programma moet worden vastgesteld voor een looptijd van zeven jaar, van 2021 tot en met 2027.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging 9

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Een moderne interne markt bevordert de mededinging en staat ten dienste van consumenten, bedrijven en werknemers. Door beter gebruik te maken van de voortdurend veranderende interne markt voor diensten moeten Europese bedrijven beter in staat zijn over de grenzen heen banen te creëren en groei te genereren, een breder assortiment diensten tegen betere prijzen aan te bieden, zonder dat toegevingen worden gedaan wat de hoge normen voor consumenten en werknemers betreft. Om dit te bereiken moet het programma de resterende belemmeringen helpen wegwerken en een regelgevingskader bieden dat zich kan aanpassen aan nieuwe innovatieve bedrijfsmodellen.

Een moderne interne markt stoelt op de beginselen van rechtvaardigheid en transparantie, wat de mededinging bevordert en consumenten, bedrijven en werknemers ten goede komt . Door beter gebruik te maken van de voortdurend veranderende interne markt voor diensten moeten Europese bedrijven beter in staat zijn over de grenzen heen banen te creëren en groei te genereren, een breder assortiment diensten tegen betere prijzen aan te bieden, zonder dat toegevingen worden gedaan wat de hoge normen voor consumenten en werknemers betreft. Om dit te bereiken moet het programma bijdragen aan een betere monitoring van de ontwikkelingen op de interne markt, met inbegrip van de impact van nieuwe technologieën en innovatieve bedrijfsmodellen, de resterende belemmeringen helpen in kaart brengen en wegwerken en een regelgevingskader bieden dat zich kan aanpassen aan nieuwe innovatieve bedrijfsmodellen , inclusief sociaal ondernemerschap .

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 15

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Overheden maken gebruik van overheidsopdrachten om ervoor te zorgen dat overheidsgeld goed wordt besteed en om bij te dragen aan een eengemaakte markt die innovatiever, duurzamer, inclusiever en concurrerender is. Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad[49], Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad[50] en Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad[51] bieden het rechtskader voor de integratie en doeltreffende werking van de markten voor overheidsopdrachten, die 14 % van het bruto binnenlands product van de Unie vertegenwoordigen, ten behoeve van de overheden, bedrijven alsook burgers en consumenten. Het programma moet daarom maatregelen ondersteunen met het oog op een bredere benutting van strategische overheidsopdrachten, professionalisering van overheidsinkopers, betere toegang tot aanbestedingsmarkten voor kmo’s , meer transparantie, integriteit en betere gegevens, bevordering van de digitale transformatie van aanbestedingen en stimulering van gezamenlijke aanbestedingen, door de partnerschapsaanpak met de lidstaten te versterken, de gegevensverzameling en -analyse te verbeteren aan de hand van onder andere de ontwikkeling van specifieke IT-instrumenten, door de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken te ondersteunen, richtsnoeren te bieden, gunstige handelsovereenkomsten te sluiten , de samenwerking tussen nationale overheden te versterken en pilootprojecten te lanceren.

Overheden maken gebruik van overheidsopdrachten om ervoor te zorgen dat overheidsgeld goed wordt besteed en om bij te dragen aan een eengemaakte markt die innovatiever, duurzamer, inclusiever en concurrerender is. Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad[49], Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad[50] en Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad[51] bieden het rechtskader voor de integratie en doeltreffende werking van de markten voor overheidsopdrachten, die 14 % van het bruto binnenlands product van de Unie vertegenwoordigen, ten behoeve van de overheden, bedrijven alsook burgers en consumenten. Het programma moet daarom maatregelen ondersteunen met het oog op een bredere benutting van strategische overheidsopdrachten, professionalisering van overheidsinkopers, versterking van het vermogen van kmo’s om toegang te krijgen tot aanbestedingsmarkten door het stroomlijnen en vereenvoudigen van de aanbestedingsprocedure, meer transparantie, integriteit en betere gegevens, bevordering van de digitale transformatie van aanbestedingen en stimulering van gezamenlijke aanbestedingen, door de partnerschapsaanpak met de lidstaten te versterken, de gegevensverzameling en -analyse te verbeteren aan de hand van onder andere de ontwikkeling van specifieke IT-instrumenten, door de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken te ondersteunen, richtsnoeren te bieden, wederkerige bepalingen met betrekking tot openbare aanbestedingen in handelsovereenkomsten ten uitvoer te leggen , de samenwerking tussen nationale en, waar van toepassing, regionale overheden te versterken en pilootprojecten te lanceren.

Motivering

De verwijzing naar „(het sluiten van) gunstige handelsovereenkomsten” is onduidelijk en bovendien dekt de vlag de lading niet. Het gaat hier immers om openbare aanbestedingen.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging 16

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om de doelstellingen van het programma te behalen en het leven van burgers en bedrijven gemakkelijker te maken, moet de openbare dienstverlening kwalitatiever en gebruikersgerichter worden gemaakt. Dit houdt in dat overheidsadministraties nieuwe werkwijzen zullen moeten beginnen gebruiken, de verkokering tussen de verschillende onderdelen van hun diensten zullen moeten doorbreken en zich zullen moeten inzetten om deze overheidsdiensten met burgers en bedrijven samen tot stand te brengen. Gezien de voortdurende en gestage toename van grensoverschrijdende activiteiten op de eengemaakte markt is het bovendien noodzakelijk actuele informatie te verstrekken over de rechten van bedrijven en burgers alsook toelichtende informatie over de administratieve formaliteiten. Daarnaast is het van cruciaal belang juridisch advies te verstrekken en hulp te bieden om problemen op te lossen die zich voordoen op grensoverschrijdend niveau. Voorts is het noodzakelijk de nationale overheidsdiensten op eenvoudige en efficiënte wijze met elkaar te verbinden en te evalueren hoe de eengemaakte markt in de praktijk werkt. Het programma moet dan ook de volgende bestaande instrumenten voor het bestuur van de eengemaakte markt ondersteunen: het Uw Europa-portaal, dat de ruggengraat moet worden van de aankomende digitale toegangspoort, Uw Europa — Advies, Solvit, het Informatiesysteem eengemaakte markt en het scorebord van de eengemaakte markt, om het dagelijks leven van burgers gemakkelijker te maken en de capaciteit van bedrijven om over de grenzen heen handel te drijven, te vergroten.

Om de doelstellingen van het programma te behalen en het leven van burgers en bedrijven gemakkelijker te maken, moet de openbare dienstverlening kwalitatiever en gebruikersgerichter worden gemaakt. Dit houdt in dat overheidsadministraties nieuwe werkwijzen zullen moeten beginnen gebruiken, de verkokering tussen de verschillende onderdelen van hun diensten zullen moeten doorbreken en zich zullen moeten inzetten om deze overheidsdiensten met burgers en bedrijven samen tot stand te brengen. Gezien de voortdurende en gestage toename van grensoverschrijdende activiteiten op de eengemaakte markt is het bovendien noodzakelijk actuele informatie te verstrekken over de rechten van bedrijven en burgers alsook toelichtende informatie over de administratieve formaliteiten. Daarnaast is het van cruciaal belang juridisch advies te verstrekken en hulp te bieden om problemen op te lossen die zich voordoen op grensoverschrijdend niveau. Voorts is het noodzakelijk de nationale overheidsdiensten op eenvoudige en efficiënte wijze met elkaar te verbinden en te evalueren hoe de eengemaakte markt in de praktijk werkt. Het programma moet dan ook de volgende bestaande instrumenten voor het bestuur van de eengemaakte markt ondersteunen: het Uw Europa-portaal, dat de ruggengraat moet worden van de aankomende digitale toegangspoort, Uw Europa — Advies, Solvit, het Informatiesysteem eengemaakte markt en het scorebord van de eengemaakte markt, om het dagelijks leven van burgers gemakkelijker te maken en de capaciteit van bedrijven om over de grenzen heen handel te drijven, te vergroten. Om ervoor te zorgen dat deze instrumenten voor governance optimaal worden benut, moeten ook inspanningen worden gedaan om de bekendheid, met name van het Uw Europa-portaal, onder regionale overheden en andere organisaties die burgers en bedrijven in de praktijk ondersteunen, te vergroten.

Motivering

Inspanningen om het gebruik en de doeltreffendheid van instrumenten voor governance van de eengemaakte markt te verbeteren, zoals onlineportalen voor burgers en bedrijven, moeten gepaard gaan met inspanningen om meer bekendheid te geven aan het bestaan en de beschikbaarheid ervan. Bewustmaking van lokale en regionale overheden en hun gekozen vertegenwoordigers moet centraal staan bij deze inspanningen, gezien hun rol bij de dagelijkse omgang met en ondersteuning van bedrijven en burgers.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging 23

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Kmo’s staan voor gemeenschappelijke uitdagingen wat betreft het verkrijgen van financiering, het vinden van gekwalificeerde werknemers, het verlichten van de administratieve lasten, de benutting van creativiteit en innovatie, de toegang tot markten en de bevordering van internationaliseringsactiviteiten, die voor grotere bedrijven in mindere mate een probleem vormen. Het programma moet dergelijk marktfalen op evenredige wijze aanpakken zonder de mededinging op de eengemaakte markt onnodig te verstoren.

Kmo’s staan voor gemeenschappelijke uitdagingen wat betreft het verkrijgen van financiering, het vinden van gekwalificeerde werknemers, het verlichten van de administratieve lasten, de benutting van creativiteit en innovatie, de toegang tot markten en de bevordering van internationaliseringsactiviteiten, die voor grotere bedrijven in mindere mate een probleem vormen. Deze uitdagingen zijn bijzonder belangrijk voor kmo’s in plattelandsgebieden en/of perifere en ultraperifere regio’s. Het programma moet dergelijk marktfalen op evenredige wijze aanpakken door speciale aandacht te besteden aan maatregelen die kmo’s en bedrijfsnetwerken rechtstreeks ten goede komen zonder de mededinging op de eengemaakte markt onnodig te verstoren.

Motivering

Hoewel alle kmo’s worden geconfronteerd met de uitdagingen die in overweging 23 worden uiteengezet, worden kmo’s in de plattelandsgebieden en/of perifere regio’s met grotere uitdagingen geconfronteerd bij het vinden van geschoolde werknemers en het verkrijgen van toegang tot infrastructuur, zoals breedband en andere vormen van connectiviteit die nodig zijn om innovatie te benutten en internationaliseringsactiviteiten te bevorderen.

Wijzigingsvoorstel 6

Overweging 39

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het netwerk van Europese consumentencentra staat consumenten bij om gebruik te maken van hun uit de consumentenwetgeving van de EU voortvloeiende rechten bij de grensoverschrijdende aankoop van goederen en diensten op de interne markt en in de Europese Economische Ruimte, hetzij online hetzij wanneer zij op reis zijn. Het netwerk, dat dertig centra telt, wordt sinds meer dan tien jaar gezamenlijk door de consumentenprogramma’s van de Unie gefinancierd en heeft zijn toegevoegde waarde bewezen voor het versterken van het vertrouwen van consumenten en handelaars in de interne markt. Het netwerk behandelt meer dan 100 000 verzoeken van consumenten per jaar en bereikt miljoenen burgers via zijn voorlichtingsactiviteiten via de pers en online. Het is een van de meest gewaardeerde netwerken voor bijstand aan burgers van de Unie, en de meeste van de centra hebben een contactpunt voor wetgeving inzake de interne markt, zoals Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad (59), en in de evaluatie ervan wordt het belang onderstreept dat het netwerk zijn activiteiten voortzet. Het netwerk streeft er ook naar wederkerigheidsregelingen te ontwikkelen met vergelijkbare instanties in derde landen.

Het programma moet ook ondersteuning bieden aan het netwerk van Europese consumentencentra , dat consumenten bijstaat om gebruik te maken van hun uit de consumentenwetgeving van de EU voortvloeiende rechten bij de grensoverschrijdende aankoop van goederen en diensten op de interne markt en in de Europese Economische Ruimte, hetzij online hetzij wanneer zij op reis zijn. Het netwerk, dat dertig centra telt, wordt sinds meer dan tien jaar gezamenlijk door de consumentenprogramma’s van de Unie gefinancierd en heeft zijn toegevoegde waarde bewezen voor het versterken van het vertrouwen van consumenten en handelaars in de interne markt. Het netwerk behandelt meer dan 100 000 verzoeken van consumenten per jaar en bereikt miljoenen burgers via zijn voorlichtingsactiviteiten via de pers en online. Het is een van de meest gewaardeerde netwerken voor bijstand aan burgers van de Unie, en de meeste van de centra hebben een contactpunt voor wetgeving inzake de interne markt, zoals Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad (59), en in de evaluatie ervan wordt het belang onderstreept dat het netwerk zijn activiteiten voortzet. Het netwerk van Europese consumentencentra is ook een belangrijke bron van informatie over de uitdagingen en problemen waarmee consumenten op lokaal niveau worden geconfronteerd en die relevant zijn voor de EU-beleidsvorming en de bescherming van de belangen van de consument. Het programma moet het daarom mogelijk maken synergieën te creëren en te bevorderen tussen consumentenorganisaties op lokaal en op Unieniveau, zodat de belangen van de consument beter kunnen worden behartigd. Het netwerk streeft er ook naar wederkerigheidsregelingen te ontwikkelen met vergelijkbare instanties in derde landen.

Motivering

Spreekt voor zich.

Wijzigingsvoorstel 7

Overweging 41

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Vooral burgers ondervinden de gevolgen van de werking van de markten voor financiële diensten. De markten voor financiële diensten vormen een belangrijk onderdeel van de eengemaakte markt en vereisen een solide regelgevings- en toezichtskader dat niet alleen financiële stabiliteit en een duurzame economie waarborgt, maar ook een hoog beschermingsniveau biedt voor consumenten en andere eindgebruikers van financiële diensten, met inbegrip van kleine beleggers, spaarders, verzekeringspolishouders, leden en begunstigden van pensioenfondsen, individuele aandeelhouders, kredietnemers en kmo’s. Het is belangrijk hun capaciteit om deel te nemen aan de beleidsvorming voor de financiële sector te vergroten.

Vooral burgers ondervinden de gevolgen van de werking van de markten voor financiële diensten. De markten voor financiële diensten vormen een belangrijk onderdeel van de eengemaakte markt en vereisen een solide regelgevings- en toezichtskader dat niet alleen financiële stabiliteit en een duurzame economie waarborgt, maar ook een hoog beschermingsniveau biedt voor consumenten en andere eindgebruikers van financiële diensten, met inbegrip van kleine beleggers, spaarders, verzekeringspolishouders, leden en begunstigden van pensioenfondsen, individuele aandeelhouders, kredietnemers en kmo’s. Het is belangrijk hun capaciteit om deel te nemen aan de beleidsvorming voor de financiële sector te vergroten en bewustmaking over consumentenrechten op dit gebied te ondersteunen, waaronder, in voorkomend geval, bewustmaking over beroepsprocedures.

Motivering

Inspanningen om de deelname van consumenten en eindgebruikers aan de beleidsvorming voor de financiële sector te vergroten, moeten worden toegejuicht. Gezien de potentiële impact van misbruik of wanbeheer in de financiële sector op het leven van burgers moet bewustmaking op het gebied van consumentenbescherming echter bijzondere aandacht krijgen.

Wijzigingsvoorstel 8

Overweging 58

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De in het kader van de vorige programma’s en begrotingsonderdelen uitgevoerde acties zijn geschikt gebleken en moeten worden behouden. De nieuwe acties waarmee in het kader van het programma wordt gestart, hebben tot doel met name de goed functionerende interne markt te versterken. Om ervoor te zorgen dat de uitvoering van het programma eenvoudiger en flexibeler wordt, en dat de doelstellingen bijgevolg beter worden verwezenlijkt, moeten de acties uitsluitend in termen van globale algemene categorieën worden gedefinieerd. In het programma moeten ook lijsten van indicatieve activiteiten met betrekking tot specifieke doelstellingen op het gebied van concurrentievermogen of specifieke uit de regelgeving voortvloeiende activiteiten, zoals op het gebied van normalisatie, regulering van de voedselketen en Europese statistieken, worden opgenomen.

De in het kader van de vorige programma’s en begrotingsonderdelen uitgevoerde acties zijn geschikt gebleken en moeten worden behouden. De nieuwe acties waarmee in het kader van het programma wordt gestart, hebben tot doel met name de goed functionerende interne markt te versterken. Om ervoor te zorgen dat de uitvoering van het programma eenvoudiger en flexibeler wordt, en dat de doelstellingen bijgevolg beter worden verwezenlijkt, moeten de acties uitsluitend in termen van globale algemene categorieën worden gedefinieerd. In het programma moeten ook lijsten van indicatieve activiteiten met betrekking tot specifieke doelstellingen op het gebied van concurrentievermogen of specifieke uit de regelgeving voortvloeiende activiteiten, zoals op het gebied van markttoezicht en productveiligheid, consumenten, normalisatie, regulering van de voedselketen en Europese statistieken, worden opgenomen.

Motivering

Spreekt voor zich.

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 1, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Voorwerp

Voorwerp

Bij deze verordening wordt het programma vastgesteld voor de verbetering van de werking van de interne markt en het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, en het kader voor de financiering van de ontwikkeling, de productie en de verspreiding van Europese statistieken in de zin van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 223/2009 („het programma”).

Bij deze verordening wordt het programma vastgesteld voor de verbetering van de werking van de interne markt en het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, sociale ondernemingen, bedrijfsnetwerken, normalisatie, consumentenbescherming en het kader voor de financiering van de ontwikkeling, de productie en de verspreiding van Europese statistieken in de zin van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 223/2009 („het programma”).

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

 

Motivering

Samenhang met het toepassingsgebied van het programma (zie met name het wijzigingsvoorstel m.b.t overweging 7).

Wijzigingsvoorstel 10

Artikel 3, lid 1, onder a)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

de werking van de interne markt te verbeteren, en met name de burgers, de consumenten en de bedrijven, in het bijzonder kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo’s), te beschermen en hun positie te versterken door de handhaving van het recht van de Unie, het vergemakkelijken van de toegang tot de markt, de vaststelling van normen, en de bevordering van de gezondheid van mens, dier en plant en van het dierenwelzijn; alsmede de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie en de gedecentraliseerde agentschappen van de Unie te verbeteren;

duurzame banen te creëren, marktfalen aan te pakken en de werking van de interne markt te verbeteren, en met name de lokale economie te versterken en de circulaire economie te bevorderen, de burgers, de consumenten en de bedrijven, in het bijzonder kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo’s), te beschermen en hun positie te versterken door de handhaving van het recht van de Unie, het vergemakkelijken van de toegang tot de markt, de vaststelling van normen, en de bevordering van de gezondheid van mens, dier en plant en van het dierenwelzijn; alsmede de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie en de gedecentraliseerde agentschappen van de Unie te verbeteren;

Motivering

n.v.t.

Wijzigingsvoorstel 11

Artikel 3, lid 2, onder a)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

de interne markt doeltreffender te maken, belemmeringen te voorkomen en weg te nemen, en de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en handhaving van het recht van de Unie op het gebied van de interne markt voor goederen en diensten, overheidsopdrachten, markttoezicht, en op het gebied van het vennootschapsrecht, het contractenrecht en het recht inzake niet-contractuele aansprakelijkheid, de bestrijding van het witwassen van geld, het vrij verkeer van kapitaal, financiële diensten en het mededingingsbeleid, met inbegrip van de ontwikkeling van beheersinstrumenten, te ondersteunen;

de interne markt doeltreffender te maken, de lokale economische ontwikkeling te bevorderen, belemmeringen te voorkomen en weg te nemen, en de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en handhaving van het recht van de Unie op het gebied van de interne markt voor goederen en diensten, inclusief de sociale economie, overheidsopdrachten, markttoezicht, en op het gebied van het vennootschapsrecht, het contractenrecht en het recht inzake niet-contractuele aansprakelijkheid, de bestrijding van het witwassen van geld, het vrij verkeer van kapitaal, financiële diensten en het mededingingsbeleid, met inbegrip van de ontwikkeling van beheersinstrumenten, te ondersteunen;

Motivering

n.v.t.

Wijzigingsvoorstel 12

Artikel 8, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

e)

het ondersteunen van het concurrentievermogen van bedrijven en van hele sectoren van de economie, en het ondersteunen van de invoering van innovatie en samenwerking tussen waardeketens door kmo’s door ecosystemen en clusters strategisch te verbinden, met inbegrip van het gezamenlijke clusterinitiatief;

e)

het ondersteunen van het concurrentievermogen van bedrijven en van hele sectoren van de economie, en het ondersteunen van de invoering van innovatie , met name van nieuwe bedrijfsmodellen, waaronder modellen die verband houden met de sociale economie en de deeleconomie, alsook de invoering van samenwerking tussen waardeketens door kmo’s, door ecosystemen en clusters strategisch te verbinden, met inbegrip van het gezamenlijke clusterinitiatief;

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

is verheugd over het voorstel van de Commissie om een nieuw programma voor de eengemaakte markt op te stellen ter verbetering van de werking van de eengemaakte markt in de periode 2021-2027, gericht op versterking van de governance van de eengemaakte markt, ondersteuning van het concurrentievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), verbetering van de consumentenbescherming en handhaving van consumentenrechten, bevordering van de gezondheid van mens, dier en plant en het welzijn van dieren en vaststelling van een passend Europees statistisch kader.

2.

Het CvdR erkent dat de eengemaakte markt een van de belangrijkste successen van de EU is, maar dat deze zich moet blijven aanpassen aan een snel veranderende omgeving die wordt gekenmerkt door digitalisering en globalisering. Er bestaan nog steeds aanzienlijke obstakels voor een goed functionerende eengemaakte markt, en er komen steeds nieuwe obstakels bij.

3.

Voor een goede werking van de eengemaakte markt is het cruciaal dat burgers en bedrijven worden geïnformeerd over hun rechten, dat overheidsinstanties van kennis worden voorzien over hoe de regels moeten worden toegepast, en dat rechtbanken beschikken over de deskundigheid en de bevoegdheid om deze te handhaven. In verband hiermee is het belangrijk dat basiskennis over de EU onderdeel wordt van het onderwijsprogramma in de lidstaten, om ervoor te zorgen dat alle jonge burgers zich geleidelijk aan bewust worden van hun rechten en beter kunnen profiteren van de voordelen van de interne markt.

4.

Het CvdR wijst op de voortdurende uitdaging waarmee kmo’s worden geconfronteerd bij de toegang tot financiering, de aanhoudende administratieve lasten van het zakendoen, de moeilijkheden die zij ondervinden bij het grijpen van kansen door internationalisering en hun onvermogen om voldoende profijt te trekken van de eengemaakte markt; dit leidt tot aanhoudende versnippering en marktonregelmatigheden in veel sectoren en regio’s ten koste van zowel bedrijven als consumenten, en is daarom verheugd over de nadruk die de Commissie legt op het versterken van de kmo-sector door middel van dit programma.

5.

Het CvdR erkent dat de ontwikkeling van informatie-instrumenten en opleidingsprogramma’s van het allergrootste belang is voor de goede werking van de eengemaakte markt en moet zijn gebaseerd op degelijke gegevensanalyses, onderzoeken en evaluaties die worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met de lidstaten en hun bevoegde autoriteiten, waaronder de regionale en lokale overheden.

6.

Hoewel het programma een ruime werkingssfeer heeft en streeft naar stroomlijning van de inspanningen om de governance van de eengemaakte markt beter te coördineren, moet worden opgemerkt dat het waarborgen van effectieve coördinatie vanuit bestuurlijk oogpunt geen sinecure zal zijn.

7.

Het programma moet flexibel zijn om snel en proactief te reageren op verstoring van de werking van de eengemaakte markt of verstoring van de handel voor kmo’s, bijvoorbeeld als gevolg van mogelijke negatieve effecten van de brexit.

De eengemaakte markt

8.

Het CvdR erkent dat de eengemaakte markt de kern is van de economische en politieke integratie van de EU, bestaande uit 500 miljoen consumenten en 21 miljoen bedrijven en ondersteund door omvangrijke wetgeving die het vrije verkeer van mensen, goederen, kapitaal en diensten in de hele EU en de bredere Europese Economische Ruimte waarborgt (1).

9.

Het CvdR herinnert eraan dat de interne markt van de EU zich conform artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie moet inzetten „voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige economische groei en van prijsstabiliteit, een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. De Unie bevordert de wetenschappelijke en technische vooruitgang”.

10.

Het Commissievoorstel doet recht aan het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.

11.

Concurrentie op de eengemaakte markt moet bijdragen aan de verwezenlijking van deze doelstellingen, onder meer door consumenten en ondernemingen de economisch meest voordelige prijs te bieden, met name via lagere transactiekosten en een grotere markt die schaalvoordelen oplevert, door aan te zetten tot meer innovatie en door sneller in te spelen op de behoeften van de consument en daarbij te zorgen voor eerlijke concurrentievoorwaarden en alle vormen van dumping te voorkomen. Het CvdR is echter van mening dat de voordelen van de eengemaakte markt beter moeten worden gecommuniceerd aan burgers, bedrijven en andere marktdeelnemers, en erkent dat de lokale en regionale overheden in dit verband een belangrijke rol spelen.

12.

Het CvdR erkent dat de eengemaakte markt een voortdurend proces is dat in belangrijke opzichten nog steeds niet is afgerond, en dat een beter functionerende eengemaakte markt en het wegnemen van de resterende handelsbelemmeringen, vooral op het gebied van de dienstensector en de digitale eengemaakte markt, de economische groei een aanzienlijke stimulans zou geven.

De eengemaakte markt voor diensten

13.

Het CvdR is de Commissie erkentelijk voor de inspanningen die zij heeft geleverd om de vrijheid van dienstverlening in Europa verder te vergroten, met name in verband met het dienstenpakket (2), aangezien er veel werk moet worden verzet, zoals blijkt uit de peer review van de Europese Commissie over de tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn, waarin wordt bevestigd dat er nog steeds te veel obstakels zijn, waaronder inperking van de vrijheid van vestiging (3). Tevens moet er op EU-niveau meer duidelijkheid worden verschaft over de regelgeving met betrekking tot diensten die verband houden met de deeleconomie.

14.

Het CvdR vindt het belangrijk dat nieuwe programma’s bijdragen tot een betere werking van de eengemaakte markt voor diensten en vraagt zich af hoe de instrumenten voor de eengemaakte markt effectiever kunnen worden ingezet om een meer geïntegreerde dienstenmarkt te waarborgen.

De eengemaakte markt voor goederen

15.

Het CvdR erkent dat er nog steeds een ernstig probleem is met de handhaving van EU-productvoorschriften aangezien er te veel niet-conforme producten op de markt zijn. Er is volgens het CvdR dringend behoefte aan duidelijke merknamen en zichtbaarheid, alsook aan het voorkomen van overlappingen in de overvloed aan instrumenten die bestaan of worden voorgesteld, om ervoor te zorgen dat burgers en bedrijven de toepasselijke regels en hun rechten en plichten begrijpen en de kanalen kennen die hun ter beschikking staan wanneer zij menen dat de regels worden overtreden.

16.

Er zijn in heel Europa meer dan 500 markttoezichtautoriteiten, waarvan er veel met beperkte middelen werken. Daarnaast merkt het CvdR op dat het afschrikmechanisme voor inbreuken op de huidige regels niet werkt. Het beveelt daarom aan om niet alleen voor meer samenwerking en betere geïntegreerde netwerken te zorgen, maar ook meer directe financiering aan deze gebieden toe te wijzen. Het CvdR beveelt ten sterkste aan dat de nationale mededingingsautoriteiten over voldoende middelen beschikken en onafhankelijk van de regering opereren, zodat ze hun werk doeltreffend kunnen uitvoeren, hetgeen terdege moet worden ondersteund door de rechtstelsels en rechtbanken in de lidstaten, met inachtneming van de verschillende bevoegdheden van deze instanties. Dit is absoluut noodzakelijk voor de effectieve tenuitvoerlegging van EU-wetgeving in de praktijk.

Normen

17.

Het CvdR is ingenomen met de voortdurende inzet van de Commissie om 28 nationale normen te vervangen door één Europese norm, alsook met het intensievere gebruik van IT-systemen en -procedures om de administratieve lasten te verminderen en informatie met belanghebbenden te delen. Het is aan te bevelen passende stappen te nemen om ervoor te zorgen dat kmo’s naar behoren worden betrokken bij de ontwikkeling van normen, zodat voldoende transparantie is gewaarborgd en de mogelijke dominantie van grotere bedrijven of structuren in het proces wordt voorkomen.

Overheidsopdrachten

18.

Het CvdR onderstreept dat lokale en regionale overheden belangrijke verantwoordelijkheden hebben voor de tenuitvoerlegging van EU-beleid en -wetgeving, onder meer op het gebied van consumentenwelzijn (waar ze dicht bij de burger staan) en overheidsopdrachten.

19.

Het CvdR ondersteunt daarom de doelstelling om de nationale, regionale en lokale overheden beter in staat te stellen de huidige regels adequater ten uitvoer te leggen, maar merkt op dat de complexiteit van de aanbestedingswetgeving een belemmering kan vormen voor grotere participatie van kmo’s aan de procedure voor overheidsopdrachten.

20.

Samenwerking van de Commissie met nationale, regionale en lokale overheden is van het grootste belang voor de verwezenlijking van een markt voor overheidsopdrachten die concurrerend, open en goed geregeld is. Dit is van essentieel belang om publieke middelen optimaal in te zetten.

Instrumenten voor governance van de eengemaakte markt

21.

Het CvdR is ingenomen met de toezegging van de Commissie om te blijven investeren in de bestaande instrumenten voor governance van de eengemaakte markt, zoals het Uw Europa-portaal en het Solvit-netwerk, en is van mening dat een grotere inspanning nodig is om het gebruik van deze instrumenten in de praktijk bij burgers, consumenten en overheden op verschillende niveaus te bevorderen, de online vindbaarheid van deze instrumenten te verbeteren en hun capaciteit om actuele informatie te verstrekken te vergroten. Lokale en regionale overheden moeten nauwer worden betrokken bij de implementatie van deze bestuursinstrumenten om het functioneren ervan te verbeteren. Het is van belang dat de verbetering van de genoemde instrumenten geen economische en administratieve lasten met zich meebrengt voor de lokale en regionale overheden.

Kmo’s en concurrentievermogen

22.

Het CvdR erkent dat kmo’s de ruggengraat vormen van de Europese economie, dat zij 99 % van alle bedrijven in de EU vertegenwoordigen en in de afgelopen 5 jaar verantwoordelijk waren voor het scheppen van meer dan 85 % van de nieuwe banen, en dat zij samen met ondernemerschap de sleutel vormen tot economische groei, innovatie en het scheppen van banen. Het CvdR steunt de roep om een stabiel EU-kader na 2020 en grotere betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij de ondersteuning van het ondernemingsklimaat en de ontwikkeling van publiek-private partnerschappen (4).

23.

Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de verschillende EU-programma’s een aanvulling vormen op en niet concurreren met de steunmaatregelen voor ondernemingen die beschikbaar zijn op het niveau van de lidstaten. Daarom moeten zowel de steunmaatregelen voor kmo’s in het kader van het programma voor de eengemaakte markt als de door nationale en regionale instanties getroffen maatregelen worden uitgevoerd via een één-loket-aanpak.

24.

Het CvdR neemt kennis van het voorstel dat de leninggarantiefaciliteit, die momenteel als onderdeel van het Cosme-programma fungeert, in de volgende financieringsperiode moet worden toegewezen in het kader van het InvestEU-fonds en beveelt in dit verband aan om gebruik te blijven maken van intermediairs die een langdurige relatie met kmo’s hebben, maar vreest dat niet alle lidstaten over de structuren op nationaal of regionaal niveau beschikken om toegang te krijgen tot de garantiefondsen van InvestEU. Kmo’s zouden moeilijkheden kunnen ondervinden wanneer zij een beroep willen doen op de kredietgarantiefondsen van InvestEU als de intermediairs geen wezenlijke vertegenwoordiging hebben op het grondgebied van alle lidstaten en het zou een goede zaak zijn als de Europese instellingen samen met de lidstaten ervoor zouden kunnen zorgen dat kmo’s in alle lidstaten op voet van gelijkheid toegang hebben tot deze financiering.

25.

Het CvdR roept de EU op ervoor te zorgen dat er een element van regionaal evenwicht wordt ingebouwd in de garantiefondsen in het kader van InvestEU, aangezien dit van bijzonder belang is voor lokale en regionale overheden, met name die welke minder begunstigde regio’s vertegenwoordigen.

26.

Er moet meer duidelijkheid worden verschaft over het budget dat is toegewezen aan de garantiefaciliteit voor kmo’s uit hoofde van het Cosme-programma en ter beschikking is gesteld aan het garantiefonds dat is gekoppeld aan het InvestEU-programma, en er moet worden verduidelijkt hoe dit risicovolle financiering aan kmo’s gaat ondersteunen, vooral in meer afgelegen en perifere regio’s.

27.

Het CvdR beklemtoont dat er specifiek moet worden verwezen naar de „Small Business Act”, die een overkoepelend kader blijft voor het EU-beleid ten aanzien van kmo’s en waarvan de strategische richtsnoeren in aanmerking moeten worden genomen bij het opstellen van de jaarlijkse werkprogramma’s voor steunverlening aan kmo’s. Even belangrijk is het in dit verband ook te verwijzen naar het netwerk van mkb-gezanten („SME Envoys”), gezien zijn rol in de onderlinge afstemming van alle maatregelen met gevolgen voor kmo’s op EU-niveau. Het CvdR benadrukt dat het „denk eerst klein”-principe, dat ervoor zorgt dat de belangen van kmo’s in de allereerste fase van beleidsvorming in aanmerking worden genomen, moet gelden voor het programma voor de eengemaakte markt en alle relevante programma’s van het nieuwe meerjarig financieel kader.

28.

Het CvdR verzoekt om nadere details over de toekomstige rol en ambitie van het Enterprise Europe Network, gezien de uitdagingen voor kmo’s zoals uiteengezet door de Commissie, en over hoe het netwerk moet worden aangepast om deze uitdagingen aan te gaan in een tijd van digitalisering en globalisering, zodat het beter is afgestemd op de behoeften van het bedrijfsleven en meer in overeenstemming is met de steun vanuit de lidstaten.

29.

Het CvdR verheugt zich erover dat het programma dat bekend werd onder de naam „Erasmus voor jonge ondernemers” (EYE) wordt voortgezet. Het wijst op de naamswijziging ervan in „mentorschapsregeling voor nieuwe ondernemers” (mentoring scheme for new entrepreneurs) daar het programma aanzienlijk bijdraagt aan de verbetering van het ondernemingsklimaat en de versterking van de ondernemerscultuur. Voorts houdt het Comité een vurig pleidooi voor de mogelijke geografische uitbreiding van het toepassingsgebied van het programma teneinde jonge ondernemers meer kansen te bieden.

30.

Het CvdR is groot voorstander van de ontwikkeling van netwerken van zakelijke ecosystemen en clusters in Europa, zoals eerder door het CvdR is aangegeven (5); is daarom verheugd over de toezegging van de Commissie om de gezamenlijke clusterinitiatieven verder te bevorderen en de ontwikkeling van gezamenlijke activiteiten en transnationale partnerschapsstrategieën te ondersteunen, en tevens de noodzakelijke koppelingen tot stand te brengen met de digitale innovatiehubs van de EU.

31.

Het vergemakkelijken van de toegang tot financiering voor een zo groot mogelijk aantal in verschillende gebieden actieve kmo’s is volgens het CvdR van cruciaal belang. Lokale en regionale overheden moeten een rol spelen bij de verspreiding van informatie en gerichte communicatie met begunstigden over verschillende instrumenten en steunregelingen voor kmo’s, in samenwerking met de intermediaire instanties.

32.

Kmo’s die zijn gevestigd in plattelandsgebieden, in perifere regio’s en/of in gebieden die voor demografische uitdagingen staan, worden geconfronteerd met extra uitdagingen, bijvoorbeeld bij het vinden van geschoolde werknemers en op het gebied van infrastructuur, zoals de toegang tot breedband en andere vormen van connectiviteit, die nodig zijn om innovatie te benutten en internationaliseringsactiviteiten te bevorderen. Het CvdR verzoekt de Commissie daarom meer duidelijkheid te geven over hoe deze belangrijke uitdagingen met behulp van het programma zullen worden aangepakt.

33.

Het CvdR herinnert eraan dat de Commissie ultraperifere gebieden heeft beloofd om in toekomstige steunregelingen voor kmo’s rekening te houden met hun specifieke behoeften, teneinde hun concurrentiepositie op de internationale markten te verbeteren en hun integratie in de interne markt van de EU te bevorderen.

Concurrentiebeleid

34.

Het CvdR is ingenomen met de voortdurende inspanningen van de Commissie om eerlijke concurrentie in de eengemaakte markt te waarborgen door te investeren in de instrumenten en deskundigheid om de mededingingsregels in de digitale economie effectief te kunnen handhaven, en benadrukt meer in het algemeen het belang van voortdurend en effectief contact tussen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten.

Statistieken

35.

Het CvdR erkent het belang van de beschikbaarheid van hoogwaardige statistieken ter ondersteuning van empirisch onderbouwde besluitvorming en plaatst vraagtekens bij de integratie van het Europees statistisch programma in het programma voor de eengemaakte markt, gezien het belang van de zichtbaarheid en de onafhankelijkheid van het statistisch programma. Op lokaal en regionaal niveau is echter sprake van een gebrek aan voldoende gedetailleerde en tijdige statistieken. Daarom roept het CvdR Eurostat op om dit probleem in samenwerking met de nationale instanties voor de statistiek aan te pakken.

36.

Er moet worden vastgehouden aan de huidige rechtsvorm van het toekomstige Europees statistisch programma, d.w.z. dat er een aparte, op zichzelf staande verordening moet komen.

37.

Het is een goede zaak dat indicatoren voor de regio’s, met name de ultraperifere regio’s, worden opgenomen in de acties die in aanmerking komen voor financiering in het kader van het Europees statistisch programma; naast het verstrekken van reeds beschikbare informatie, zou het Comité graag zien dat ook het verzamelen van aanvullende gegevens en het ontwikkelen van nieuwe, adequatere indicatoren, die een beter beeld geven van de situatie van de ultraperifere regio’s, in aanmerking komen voor financiering uit het programma.

Consumenten, consumentenbescherming en voedselbeleid

38.

Het CvdR constateert tot zijn tevredenheid dat het nieuwe programma stevig inzet op handhaving van consumentenrechten en waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming, productveiligheid en hulp aan consumenten wanneer zij met problemen worden geconfronteerd. Met de instrumenten die in het programma worden beschreven worden consumenten gewaarschuwd voor gevaarlijke producten en worden burgers via onlineconsumentencentra geholpen bij het oplossen van problemen. Het CvdR is echter van mening dat een effectieve en versterkte vertegenwoordiging van consumenten door adequate financiering van onafhankelijke instanties de capaciteit van dergelijke instanties zal versterken om effectief op te treden bij internemarktkwesties die van invloed zijn op consumenten, waaronder toegang tot de rechter.

39.

Het CvdR waardeert de erkenning dat burgers in bijzondere mate de gevolgen ondervinden van de werking van de markten voor financiële diensten en benadrukt dat het programma de consumentenrechten en bewustmaking op dit gebied doeltreffend moet ondersteunen. Daarnaast neemt het CvdR kennis van de toezegging om grotere betrokkenheid van consumenten bij het EU-beleid inzake financiële diensten en maatregelen ter bevordering van een beter begrip van de financiële sector te blijven steunen, en verzoekt het de Commissie voort te bouwen op dit werk in samenwerking met consumentenorganisaties uit de hele EU.

40.

Het CvdR onderstreept voorts de noodzaak om adequate financiering voor consumentenorganisaties te waarborgen, zodat zij de belangen van consumenten doeltreffend kunnen verdedigen en als gekwalificeerde instanties kunnen optreden in collectieve beroepsprocedures, en vestigt de aandacht op het feit dat consumentenorganisaties, met name in kleinere lidstaten, zich grote zorgen maken.

41.

De introductie van een specifiek onderdeel „voedselveiligheid” in het nieuwe programma voor de eengemaakte markt wordt door het CvdR als positief beoordeeld. Als grootste verwerkende industrie in de EU heeft de levensmiddelen- en drankenindustrie behoefte aan een krachtige, concurrerende en duurzame voorzieningsketen, geschraagd door een stabiel regelgevingskader en een verbeterde werking van wederzijdse erkenning op niet-geharmoniseerde gebieden.

42.

Daarom herhaalt het CvdR zijn verzoek om beleidsmaatregelen te nemen ter stimulering en ondersteuning van de ontwikkeling van voedselproductie- en consumptiesystemen die duurzame productiepraktijken ondersteunen, waardoor de impact op het milieu wordt verminderd en de voedselveiligheid wordt verhoogd met kwaliteitsproducten tegen redelijke prijzen, zoals aangegeven in zijn eerdere adviezen (6). Het Comité wenst de aandacht te vestigen op het feit dat overheidsopdrachten voor levensmiddelen een katalysator kunnen zijn om de voedselproductie op een duurzamer pad te krijgen; beveelt daarom maatregelen aan om het opleiden van voor overheidsopdrachten op voedselgebied verantwoordelijke functionarissen te bevorderen en de oprichting van netwerken ter ondersteuning van nationale, regionale en lokale bevoegde instanties te ondersteunen.

Programma-aanpak

43.

Het CvdR erkent dat de door de Commissie voorgestelde nieuwe programmeringsaanpak in beginsel tot efficiëntieverbeteringen en kostenbesparingen moet leiden, een zekere mate van flexibiliteit in begrotingsonderdelen moet bieden om in te spelen op veranderende omstandigheden, en de levering en tenuitvoerlegging moet verbeteren. Daarnaast wordt opgemerkt dat dit in de eerste plaats een kwestie van interne administratieve coördinatie is en dat het onduidelijk is of alleen met een nieuwe programma-aanpak de noodzakelijke synergieën en kostenbesparingen kunnen worden gerealiseerd.

44.

Aangezien de begrotingsonderdelen in het programma betrekking hebben op meerdere directoraten-generaal, vraagt het CvdR zich af hoe dit in de praktijk zal werken. Het doel van het bereiken van flexibiliteit in begrotingsonderdelen kan in de praktijk moeilijk blijken te zijn, aangezien hier nog geen structuren voor zijn gedefinieerd.

45.

Het CvdR benadrukt dat er een gebrek aan transparantie is in de begrotingsonderdelen, aangezien in sommige gevallen de administratieve kosten duidelijk zijn afgebakend, maar in andere gevallen niet, en stelt voor dat er een duidelijker afgebakend budget voor technische bijstand komt om de programmakosten te scheiden van die voor het ontwikkelen van concrete maatregelen.

Brussel, 5 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(59)  Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006 blz. 36)”

(59)  Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006 blz. 36)”

(1)  Advies van het CvdR — De eengemaakte markt verbeteren (ECON-VI/010).

(2)  Advies van het CvdR — Het dienstenpakket: een diensteneconomie ten dienste van de burgers (ECON-VI/022)

(3)  http://ec.europa.eu/growth/single-market/services/services-directive/implementation/evaluation_en

(4)  Advies van het CvdR — De toekomst van het programma COSME na 2020: het perspectief van lokale en regionale overheden (ECON-VI/027).

(5)  Advies van het CvdR — Bevordering van startende en uitbreidende ondernemingen in Europa: regionale en lokale perspectieven (ECON-VI/021).

(6)  Advies van het CvdR — Naar een duurzaam EU-levensmiddelenbeleid (NAT-VI/014).


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/272


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het programma Digitaal Europa (2021-2027)

(2019/C 86/14)

Rapporteur:

Markku MARKKULA (FI/EVP), lid van de gemeenteraad van Espoo

Referentiedocumenten:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Digitaal Europa voor de periode 2021-2027

COM(2018) 434 final

Alleen in het Engels beschikbaar werkdocument van de diensten van de Commissie — Executive Summary Of The Impact Assessment Accompanying the document Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council establishing the Digital Europe programme

SWD(2018) 306 final

Alleen in het Engels beschikbaar werkdocument van de diensten van de Commissie — Impact Assessment Accompanying the document Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council establishing the Digital Europe programme for the period 2021-2027

SWD(2018) 305 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 2, onder e)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

e)

„digitale-innovatiehub”: een juridische entiteit die door middel van een open en vergelijkende procedure is aangewezen of geselecteerd om taken in het kader van het programma uit te voeren, en met name toegang verleent tot technologische expertise en experimenteervoorzieningen, zoals apparatuur en software, teneinde de digitale transformatie van het bedrijfsleven mogelijk te maken;

e)

„digitale-innovatiehub”: een juridische entiteit of een consortium van juridische entiteiten die door middel van een open en vergelijkende procedure is aangewezen of geselecteerd om taken in het kader van het programma uit te voeren, en met name toegang verleent tot technologische expertise en experimenteervoorzieningen, zoals apparatuur en software, teneinde de digitale transformatie van het bedrijfsleven mogelijk te maken;

Motivering

Bij het opzetten van het netwerk van digitale-innovatiehubs is het belangrijk over voldoende dekking voor alle regio’s te beschikken; het doel is om in elke regio een digitale-innovatiehub te hebben. Het bieden van de mogelijkheid voor een consortium dat de digitale-innovatiehub exploiteert, zou de basis van het netwerk versterken door verschillende belanghebbenden te betrekken, zoals universiteiten, onderzoekscentra, innovatiecentra enz.

De evaluatieprocedure moet ervoor zorgen dat het netwerk zowel regionaal als thematisch evenwichtig blijft en tegelijkertijd hoogwaardige diensten kan leveren. Bij de selectieprocedure voor de kandidaat-entiteiten moet het hele netwerk voor ogen worden gehouden, zodat er doeltreffende synergieën tussen de digitale-innovatiehubs kunnen worden gecreëerd. Dit is een andere goede reden om ervoor te zorgen dat een consortium van juridische entiteiten een digitale-innovatiehub kan leiden.

De wettelijke vereisten voor een entiteit leggen onnodige beperkingen op en daarom is er meer flexibiliteit voor praktische regelingen nodig. Om structuren niet onnodig gecompliceerd te maken, kan de coördinatie ook aan een juridische entiteit in een consortium of aan een netwerk van juridische entiteiten worden toegewezen.

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 3, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De algemene doelstelling van het programma is: de digitale transformatie van de Europese economie en samenleving ondersteunen en de Europese burgers en bedrijven ten goede komen. Het programma zal:

De algemene doelstelling van het programma is: de digitale transformatie van de Europese economie en samenleving op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau ondersteunen en de Europese burgers en bedrijven ten goede komen. Het programma zal:

a)

de capaciteiten van Europa op belangrijke gebieden van de digitale technologie versterken door middel van grootschalige uitrol;

a)

de capaciteiten van Europa op belangrijke gebieden van de digitale technologie versterken door middel van grootschalige uitrol;

b)

de verspreiding en het gebruik ervan op gebieden van algemeen belang en in de particuliere sector verruimen.

b)

de verspreiding en het gebruik ervan op gebieden van algemeen belang en in de particuliere sector verruimen;

 

c)

de digitale transformatie versnellen door meer lokale samenwerking en Europese partnerschappen .

Motivering

Op basis van het subsidiariteitsbeginsel moet het programma Digitaal Europa multilevel governance omvatten. De resultaten van het programma kunnen worden behaald door een effectieve uitvoering op het niveau van steden en regio’s, met nauwe samenwerking tussen universiteiten, andere onderwijsinstellingen en onderzoeksinstellingen, alsook met het lokale bedrijfsleven. Multilevel governance is belangrijk om de Europese innovatiekloof te dichten. EU-brede omgevingen voor high-performance computing kunnen met behulp van het programma bijvoorbeeld worden opgeschaald om alle segmenten van de wetenschappelijke en industriële waardeketen te bestrijken.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 5 — de punten d) en e) nieuw

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Kunstmatige intelligentie

Kunstmatige intelligentie

De financiële interventie door de Unie in het kader van specifieke doelstelling 2, kunstmatige intelligentie, heeft de volgende operationele doelstellingen: […]

De financiële interventie door de Unie in het kader van specifieke doelstelling 2, kunstmatige intelligentie, heeft de volgende operationele doelstellingen: […]

d)

het verbeteren van de kwaliteit en de hoeveelheid gegevens om de digitale transformatie te ondersteunen en te versnellen teneinde bij te dragen aan de vorming van de digitaleplatformeconomie;

e)

het opschalen van het gebruik van technologieën, het ontwikkelen van innovatieve bedrijfsmodellen, het verhogen van de bewustwording van de gebruikers en het verkorten van de tijd van innovatie tot de markt.

Motivering

De transformatie naar de platformeconomie is het resultaat van de digitalisering. We moeten gunstige voorwaarden scheppen om deze en andere grote maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. Er moet rekening worden gehouden met de veranderende rol van steden, burgers en het bedrijfsleven.

De nodige kwaliteit en hoeveelheid van gegevens is bij deze ontwikkeling essentieel. Allereerst moeten we de juiste eenheden bepalen om de kwaliteit van gegevens te meten. Om ervoor te zorgen dat uitkomsten van algoritmen betrouwbaar zijn, moeten deze algoritmen worden ontwikkeld om de gegevenskwaliteit te beoordelen, uitschieters die niet in de analyse mogen worden gebruikt te detecteren en informatie te corrigeren. Ten slotte kan de kwaliteit van de gegevens worden verbeterd door middel van maatregelen waarmee gegevensstromen completer, beter vergelijkbaar en beter gepland worden, zodat deze op nationaal en subnationaal niveau kunnen worden gebruikt in op kunstmatige intelligentie gebaseerde digitale diensten.

Hoewel deze maatregelen niet expliciet in het programma worden vermeld, is er wel een verwijzing naar gegevensintegriteit en vertrouwelijkheid van gegevens in de tekst opgenomen en is er sprake van verwijzingen naar de algemene rol van bibliotheken voor software en algoritmen.

Naast de kwaliteit en integriteit van de gegevens zijn ook maatregelen nodig waarmee de rechten van het individu op zijn gegevens worden beschermd en ervoor gezorgd wordt dat een adequaat niveau van beveiliging van informatie en persoonsgegevens kan worden gehandhaafd.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De financiële interventie door de Unie in het kader van specifieke doelstelling 4, geavanceerde digitale vaardigheden, ondersteunt de ontwikkeling van geavanceerde digitale vaardigheden op gebied die door dit programma worden ondersteund, waardoor wordt bijgedragen tot het vergroten van het reservoir van talent waarover Europa beschikt en de professionaliteit wordt bevorderd, met name wat betreft high-performance computing, „big data”-analyse, cyberbeveiliging, „distributed ledger”-technologieën, robotica en kunstmatige intelligentie. De financiële interventie heeft de volgende operationele doelstellingen:

De financiële interventie door de Unie in het kader van specifieke doelstelling 4, geavanceerde digitale vaardigheden, ondersteunt op genderresponsieve wijze de ontwikkeling van geavanceerde digitale vaardigheden op gebieden die door dit programma worden ondersteund, waardoor wordt bijgedragen tot het vergroten van het reservoir van talent waarover Europa beschikt en de professionaliteit wordt bevorderd, met name wat betreft high-performance computing, „big data”-analyse, cyberbeveiliging, „distributed ledger”-technologieën, robotica en kunstmatige intelligentie. De financiële interventie heeft de volgende operationele doelstellingen:

a)

ondersteunen van het opzetten en aanbieden van langdurige opleidingen en cursussen voor studenten, IT-professionals en andere werknemers;

a)

ondersteunen van het opzetten en aanbieden van langdurige opleidingen en cursussen voor studenten, IT-professionals en andere werknemers;

b)

ondersteunen van het opzetten en aanbieden van korte opleidingen en cursussen voor ondernemers, managers van kleine bedrijven en werknemers;

b)

ondersteunen van het opzetten en aanbieden van korte opleidingen en cursussen voor ondernemers, managers van kleine bedrijven en werknemers;

c)

ondersteunen van opleidingen op de werkplek en stages voor studenten, jonge ondernemers en pas afgestudeerden.

c)

ondersteunen van opleidingen op de werkplek en stages voor studenten, jonge ondernemers en pas afgestudeerden.

Motivering

Het is belangrijk om te waarborgen dat het toekomstige opleidingssysteem voor digitale vaardigheden ook rekening houdt met het genderperspectief, teneinde een inclusieve digitale samenleving tot stand te brengen.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 8, de punten a), g) en j) nieuw

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit

Uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit

De financiële interventie door de Unie in het kader van specifieke doelstelling 5, uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit, heeft de volgende operationele doelstellingen:

De financiële interventie door de Unie in het kader van specifieke doelstelling 5, uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit, heeft de volgende operationele doelstellingen:

a)

waarborgen dat de overheidssector en gebieden van algemeen belang, zoals gezondheid en zorg, onderwijs, justitie, vervoer, energie, milieu en de culturele en creatieve sector, gebruik kunnen maken en toegang hebben tot geavanceerde digitale technologieën, en met name tot high-performance computing, kunstmatige intelligentie en cyberbeveiliging;

a)

waarborgen dat de overheidssector en gebieden van algemeen belang, zoals gezondheid en zorg, onderwijs, justitie, stedelijke planning , vervoer, energie, natuurlijke hulpbronnen, bosbouw, voedsel , milieu en de culturele en creatieve sector, gebruik kunnen maken en toegang hebben tot geavanceerde digitale technologieën, en met name tot high-performance computing, kunstmatige intelligentie , informatiebeveiliging en cyberbeveiliging;

[…]

[…]

g)

ervoor zorgen dat er op EU-niveau steeds voldoende capaciteit is om snel ontwikkelende digitale tendensen te observeren en te analyseren en zich daaraan aan te passen, alsmede om beste praktijken te delen en te integreren;

g)

ervoor zorgen dat er op regionaal, nationaal en Europees niveau steeds voldoende capaciteit is om snel ontwikkelende digitale tendensen te observeren en te analyseren en zich daaraan aan te passen, alsmede om samen nieuwe gedigitaliseerde oplossingen te creëren, beste praktijken te delen en de benchlearningcultuur te mainstreamen;

 

j)

de uitrolactiviteiten van het programma Digitaal Europa integreren in regionale slimme specialisatiestrategieën, Horizon Europa en andere belangrijke Europese initiatieven en partnerschappen.

Motivering

Stedelijke planning, bosbouw en voedsel moeten in de lijst onder a) worden opgenomen, omdat zij voor alle maatschappelijke ontwikkelingen belangrijk zijn. Slimme en duurzame digitale oplossingen op het gebied van duurzaam beheer van stedelijke ontwikkeling, natuurlijke hulpbronnen, voedselproductie en bosbouw spelen een strategische rol in het aanpakken van verschillende milieu-uitdagingen in verband met klimaatverandering.

Zoals het CvdR in zijn prioriteiten voor de mandaatsperiode 2015-2020 heeft gesteld, zijn een benadering van onderaf, ondernemersmentaliteit en gerichte investeringen nodig bij de tenuitvoerlegging van de volledig functionerende digitale eengemaakte markt.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 13, lid 3 (nieuw)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Synergieën met andere programma’s van de Unie

Synergieën met andere programma’s van de Unie

 

3.     Het programma zal de regionale en Europese samenwerking en partnerschappen ondersteunen om innovatieve, digitale oplossingen op te schalen en synergieën met regionale strategieën te waarborgen.

Motivering

Het CvdR wijst erop dat de effectbeoordeling talrijke verwijzingen naar het EU-beleid en EU-programma’s bevat, zoals het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF+), de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) enz., die essentieel zijn om de doelstellingen van het programma Digitaal Europa te bereiken. Het synergetische gebruik van EU-instrumenten en lokale/regionale mechanismen en financieringen wordt in het EU-beleid sterk benadrukt. Er bestaanin binnen het programma echter geen duidelijke procedures en mechanismen om de wisselwerking tussen deze instrumenten op alle overheidsniveaus te regelen. Er is geen sprake van een verwijzing naar partnerschappen of bepalingen inzake multilevel governance. Daarom moet de belangrijke rol van regio’s in dit artikel worden opgenomen. De Commissie benadrukt in haar beleid de cruciale rol van regionale slimme specialisatiestrategieën als een natuurlijk instrument om de samenwerking op regionaal niveau en Europese partnerschappen te bevorderen. Dit moet door het programma Digitaal Europa worden ondersteund.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 16, leden 1 t/m 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Digitale-innovatiehubs

Europese digitale-innovatiehubs

1.   Tijdens het eerste jaar van de uitvoering van het programma wordt er een initieel netwerk van digitale-innovatiehubs opgericht.

1.   Tijdens het eerste jaar van de uitvoering van het programma wordt er een initieel netwerk van Europese digitale-innovatiehubs opgericht. De hubs in dit netwerk hebben een sterke regionale rol om de Europese samenwerking te vergroten.

2.   Voor de oprichting van het in lid 1 bedoelde netwerk wijst elke lidstaat kandidaat-entiteiten aan door middel van open en vergelijkende procedures op basis van de volgende criteria:

2.   Voor de oprichting van het in lid 1 bedoelde netwerk wijst elke lidstaat kandidaat-entiteiten aan door middel van open en vergelijkende procedures op basis van de volgende criteria:

a)

passende bekwaamheden in verband met de functies van de digitale-innovatiehubs;

a)

passende bekwaamheden in verband met de functies van de digitale-innovatiehubs , inclusief capaciteit en competenties met betrekking tot O & O, infrastructuur, gegevensbescherming, veiligheid en innovatie ;

b)

passende beheerscapaciteiten, voldoende personeel en adequate infrastructuur;

b)

passende beheerscapaciteiten, voldoende personeel en adequate infrastructuur;

c)

de nodige operationele en juridische middelen om de op Unieniveau vastgestelde administratieve, contractuele en financiële beheersvoorschriften toe te passen;

c)

de nodige operationele en juridische middelen om de op Unieniveau vastgestelde administratieve, contractuele en financiële beheersvoorschriften toe te passen;

d)

passende financiële garanties, bij voorkeur afgegeven door een overheidsinstantie, die overeenkomen met het bedrag aan middelen van de Unie die het moet gaan beheren.

d)

passende financiële garanties, bij voorkeur afgegeven door een overheidsinstantie, die overeenkomen met het bedrag aan middelen van de Unie die het moet gaan beheren;

 

e)

afstemming op regionale strategieën.

3.   De Commissie stelt een besluit vast inzake de selectie van entiteiten waaruit het initiële netwerk bestaat. De Commissie selecteert deze entiteiten uit de door de lidstaten op basis van de in lid 2 vastgestelde criteria aangewezen kandidaat-entiteiten en op basis van de volgende aanvullende criteria:

3.   De Commissie stelt een besluit vast inzake de selectie van entiteiten waaruit het initiële netwerk bestaat. De Commissie selecteert deze entiteiten uit de door de lidstaten op basis van de in lid 2 vastgestelde criteria aangewezen kandidaat-entiteiten en op basis van de volgende aanvullende criteria:

a)

het beschikbare budget voor de financiering van het initiële netwerk;

a)

het beschikbare budget voor de financiering van het initiële netwerk;

b)

de noodzaak ervoor te zorgen dat het initiële netwerk voldoet aan de behoeften van het bedrijfsleven en gebieden van algemeen belang en dat een brede en evenwichtige geografische spreiding wordt gewaarborgd.

b)

de noodzaak ervoor te zorgen dat het initiële netwerk voldoet aan de behoeften van het bedrijfsleven en gebieden van algemeen belang en dat een brede en evenwichtige geografische spreiding over de hele EU en de lidstaten wordt gewaarborgd.

4.   Aanvullende digitale-innovatiehubs worden geselecteerd op basis van een open en vergelijkende procedure, zodanig dat de breedst mogelijke geografische spreiding over heel Europa wordt gewaarborgd. Het aantal entiteiten van het netwerk is evenredig aan de bevolking van een bepaalde lidstaat en er is ten minste één digitale-innovatiehub per lidstaat. Teneinde tegemoet te komen aan de bijzondere beperkingen waarmee de ultraperifere gebieden van de EU worden geconfronteerd, kunnen specifieke entiteiten worden aangewezen die in de behoeften van die gebieden voorzien.

4.   Aanvullende digitale-innovatiehubs worden geselecteerd op basis van een open en vergelijkende procedure, zodanig dat de breedst mogelijke geografische spreiding over regio’s in heel Europa wordt gewaarborgd. Het aantal entiteiten van het netwerk is evenredig aan de bevolking van een bepaalde lidstaat en er is ten minste één digitale-innovatiehub per lidstaat. Teneinde tegemoet te komen aan de bijzondere beperkingen waarmee de dunbevolkte en ultraperifere gebieden van de EU worden geconfronteerd, kunnen specifieke entiteiten worden aangewezen die in de behoeften van die gebieden voorzien.

Motivering

Wat betreft het versnellen van de digitale transformatie ontwikkelen digitale-innovatiehubs niet alleen innovatieve technologieën binnen de overheid en het bedrijfsleven, maar leveren zij deze ook en helpen zij bij de inzet ervan. Bovendien bieden zij ondersteuning bij de veranderende rol van steden en regio’s. Naast het bieden van toegang tot deze oplossingen, kunnen digitale-innovatiehubs bijdragen tot het opbouwen van voldoende capaciteit voor verschillende groepen actoren om innovatieve technologieoplossingen in hun digitale platforms te implementeren en het ontwerp van specifieke digitale-diensteninfrastructuur te ondersteunen, gebruikmakend van gegevensanalysediensten. Om deze redenen moet het sterke Europese karakter van digitale-innovatiehubs worden benadrukt en moeten deze „Europese digitale-innovatiehubs” worden genoemd.

Capaciteit en competenties bij het valideren van technologieën en het gebruik van de nieuwste O & O-kennis zijn essentieel voor het selecteren van de beste kandidaat-entiteiten.

In de effectbeoordeling wordt duidelijk gesteld dat de digitale-innovatiehubs een sterke regionale dimensie hebben (met name voor kmo’s). Dit komt echter niet in het wetgevingsvoorstel tot uiting. Het succes van digitale-innovatiehubs moet voortbouwen op doeltreffende regionale samenwerking op basis van regionale strategieën, zoals de regionale innovatiestrategie RIS3.

Bij het opzetten van het netwerk van digitale-innovatiehubs is het belangrijk om over voldoende dekking voor alle regio’s te beschikken. Het doel is om in elke regio eendigitale-innovatiehub te hebben.

De evaluatieprocedure moet ervoor zorgen dat het netwerk zowel regionaal als thematisch evenwichtig blijft en tegelijkertijd hoogwaardige diensten kan leveren. De selectieprocedure voor kandidaat-entiteiten moet vanuit het oogpunt van het hele netwerk worden aangestuurd, zodat er effectieve synergieën tussen de digitale-innovatiehubs kunnen worden gecreëerd.

Wijzigingsvoorstel 8

Artikel 20, lid 1, onder d), en nieuw in te voegen punt e)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Toekenningscriteria

Toekenningscriteria

De toekenningscriteria worden vastgesteld in de werkprogramma’s en de oproepen tot het indienen van voorstellen, waarbij ten minste met de volgende elementen rekening wordt gehouden:

De toekenningscriteria worden vastgesteld in de werkprogramma’s en de oproepen tot het indienen van voorstellen, waarbij ten minste met de volgende elementen rekening wordt gehouden:

a)

de rijpheid van de actie in de ontwikkeling van het project;

a)

de rijpheid van de actie in de ontwikkeling van het project;

b)

de deugdelijkheid van het voorgestelde uitvoeringsplan;

b)

de deugdelijkheid van het voorgestelde uitvoeringsplan;

c)

in voorkomend geval het positieve effect van de Uniesteun op publieke en private investeringen;

c)

in voorkomend geval het positieve effect van de Uniesteun op publieke en private investeringen;

d)

de behoefte om financiële belemmeringen zoals het gebrek aan marktfinanciering te ondervangen;

d)

synergetisch gebruik van verschillende financieringsinstrumenten en de behoefte om financiële belemmeringen zoals het gebrek aan marktfinanciering te ondervangen;

e)

in voorkomend geval het economische en het sociale effect en het effect op klimaat en milieu;

e)

in voorkomend geval de integratie van het project met regionale strategieën;

f)

in voorkomend geval de trans-Europese dimensie;

f)

in voorkomend geval het economische en het sociale effect en het effect op klimaat en milieu;

g)

in voorkomend geval een evenwichtige geografische spreiding over de hele Unie, met inbegrip van de ultraperifere regio’s;

g)

in voorkomend geval de trans-Europese dimensie;

h)

in voorkomend geval de aanwezigheid van een plan inzake de langetermijnduurzaamheid.

h)

in voorkomend geval een evenwichtige geografische spreiding over de hele Unie, met inbegrip van de ultraperifere regio’s;

 

i)

in voorkomend geval de aanwezigheid van een plan inzake de langetermijnduurzaamheid.

Motivering

Het CvdR benadrukt dat 70 % van de EU-wetgeving op lokaal en regionaal niveau wordt uitgevoerd en legt de nadruk op de synergieën tussen verschillende EU-programma’s, financiële instrumenten en regionale strategieën. Regionale strategieën voor slimme specialisatie zijn nuttige en belangrijke instrumenten gebleken voor economische transitie en voor het delen van beste praktijken door Europese partnerschappen.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

is verheugd over het wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie voor het nieuwe programma Digitaal Europa. Dit is de eerste keer dat de Commissie een pakket heeft voorgesteld om digitalisering, onderzoek en innovatie in alle belangrijke EU-programma’s en in de Europese maatschappelijke ontwikkeling te integreren. De sleutelrol van de lokale en regionale overheden bij de uitvoering van het programma Digitaal Europa moet in aanmerking worden genomen bij alle maatregelen om de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt te bespoedigen.

2.

Het CvdR wijst op de cruciale rol van mensen, bedrijven en vaardigheden bij het maximaliseren van de voordelen van de digitale eengemaakte markt. Met betrekking tot de uitvoering van het programma Digitaal Europa benadrukt het CvdR dat de voltooiing van de digitale eengemaakte EU-markt ook een duidelijke en stabiele juridische omgeving en gunstige voorwaarden vereist om innovatie te stimuleren, marktversnippering aan te pakken en alle spelers toegang tot de nieuwe marktdynamiek te bieden.

3.

Het CvdR benadrukt de cruciale rol van het programma, dat een robuust investerings- en ontwikkelingsprogramma wordt om de gecreëerde kansen te benutten die nodig zijn om een tot een volledig functionerende digitale eengemaakte markt te komen. De centrale vraag is hoe het programma zo aantrekkelijk mogelijk kan worden gemaakt, zodat steden en regio’s (met hun bedrijfsleven, universiteiten en burgers) de Europese digitale en economische transformatie versnellen door de publieke en private investeringen in menselijk en fysiek kapitaal aanzienlijk te verhogen.

4.

Het CvdR benadrukt het belang van het wegnemen van belemmeringen op het gebied van regelgeving, het terugdringen van administratieve rompslomp en het moderniseren van de EU-regelgeving, die van cruciaal belang zijn voor het waarborgen van een sterk concurrerend Europees bedrijfsleven, in combinatie met de noodzaak de bereidheid van de publieke en private sectoren te vergroten om digitale innovaties uit te voeren.

5.

Het CvdR is dan ook ingenomen met de investeringen in het kader van het programma Digitaal Europa in geavanceerde digitale infrastructuur met hoge capaciteit, zoals 5G-netwerken, die noodzakelijk zijn om de inzet van digitale diensten en technologieën overal in Europa mogelijk te maken. Breedbandverbindingen spelen een belangrijke rol bij het ontwikkelen van innovatieve en concurrerende digitale diensten. Daarom vraagt het CvdR 5G snel tot standaard te maken, om zo de interoperabiliteit van telecommunicatienetwerken te kunnen waarborgen.

6.

Steden en regio’s spelen een cruciale rol bij het aanbieden van digitale diensten aan burgers, alsook bij het creëren en beheren van de digitale infrastructuur, zoals het genereren van gegevens. Digitale diensten bieden kansen voor maatschappelijke innovatie, ondernemerschap en voor het creëren van banen en de oprichting van bedrijven.

7.

Het CvdR verzoekt in het kader van het programma na te denken over de digitalisering van overheidsdiensten en diensten en ervoor te zorgen dat steden in staat zijn hun maatschappelijke behoeften aan te pakken. Dit vereist EU-brede interoperabiliteit en toegang tot gegevens, technologie en kennis.

8.

Gegevens moeten zowel talrijk als van hoge kwaliteit zijn. Dit is essentieel voor het behalen van de doelstellingen van het programma Digitaal Europa. In eerdere CvdR-adviezen is de nadruk gelegd op de rol van steden en regio’s voor de harmonisatie, de verzameling, de kwaliteit, de toegang en het gebruik van gegevens en voor het waarborgen van een veilige en interoperabele digitale infrastructuur voor grensoverschrijdende gegevensstromen in de digitale economie.

9.

Het CvdR benadrukt het belang van kunstmatige intelligentie als een veelbelovende technologie die voor duurzame groei en maatschappelijke uitdagingen kan worden ingezet. Teneinde de kwaliteit van de gegevens en de persoonlijke privacy te waarborgen en tegelijkertijd de mogelijkheden voor anonieme datamining, machineleren en de basis voor patroonherkenning open te houden, moet kunstmatige intelligentie worden verbeterd.

10.

Het CvdR erkent dat bibliotheken met gegevens voor kunstmatige intelligentie belangrijke input leveren voor het ontwerp van intelligente openbare diensten. Gegevens van slechte kwaliteit kunnen echter invloed hebben op de verwachte impact en doeltreffendheid van diensten, waardoor zij afbreuk doen aan de potentie van kunstmatige intelligentie. Gegevens van hoge kwaliteit zijn van essentieel belang om overheidsdiensten in staat te stellen de impact van het vastgestelde beleid te ontwikkelen, uit te voeren en te bewaken, op basis van empirisch bewijsmateriaal en gebruikmakend van mogelijkheden voor gegevensanalyse. Dit zou de transparantie en verantwoordingsplicht van overheidsoptreden versterken en de effectiviteit van het beleid helpen vergroten. Gegevens zullen een grote invloed hebben op het creëren van een cultuur van kennis, waarin bewijsmateriaal de basis wordt van een slimmere en meer op de burger gerichte overheid en van het beleidsvormingsproces.

11.

Het CvdR roept ertoe op dat verschillende reeds lopende maatregelen inzake de data-economie en de datagestuurde samenleving op passende wijze in het programma geïntegreerd worden. Deze zijn in het kader van de digitale eengemaakte markt behandeld in de verschillende pakketten maatregelen op gegevensgebied: de mededeling „Bouwen aan een Europese data-economie” (COM(2017) 9 final), het voorstel inzake een kader voor het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Europese Unie (COM(2017) 495 final) en, dit jaar, het derde pakket maatregelen op gegevensgebied. Dit laatste pakket bevat de mededeling „Naar een gemeenschappelijke Europese gegevensruimte”, waarin wordt ingegaan op de kwestie van toegang tot gegevens uit de particuliere sector voor doeleinden van algemeen belang (met een lijst van kernbeginselen voor gegevensuitwisseling tussen bedrijven en overheden) en bevat een leidraad voor het delen van gegevens van de particuliere sector. Parallel hieraan heeft de Commissie een voorstel tot herschikking van de richtlijn betreffende hergebruik van overheidsinformatie goedgekeurd.

12.

Het CvdR benadrukt de resultaten van de dialoog met belanghebbenden van de Commissie over de mededeling inzake het opbouwen van een Europese data-economie, met name het vinden van krachtige steun voor niet-regelgevende maatregelen om zo de toegang tot en het hergebruik van gegevens in b2b-contexten te maximaliseren en te organiseren. Als voorbeeld van de digitale transformatie van de gezondheidszorg is tijdens een openbare raadpleging onderzocht of er beleidsmaatregelen ter bevordering van digitale innovatie nodig zijn om de kwaliteit van de gezondheidszorg in heel Europa te verbeteren (een speciaal aandachtspunt van het CvdR).

13.

Het CvdR roept op tot het gebruik van gemeenschappelijke ondernemingen, van kennis- en innovatiegemeenschappen van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT-KIG’s) en andere EU-initiatieven, evenals het gebruik van Europese partnerschappen tussen regio’s, als mechanismen voor de uitvoering van het programma Digitaal Europa. Slimme en duurzame digitale oplossingen spelen een sleutelrol bij het bereiken van lokale en regionale doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en bij het aanpakken van grote maatschappelijke uitdagingen, zoals de klimaatverandering. Voor deze oplossingen zijn high performance computing, op kunstmatige intelligentie gebaseerde oplossingen en cyberbeveiliging nodig. Steden en regio’s moeten worden aangemoedigd om voorop te lopen bij deelname aan het programma Digitaal Europa, vooral als een ruimtelijke proeftuin voor nieuwe toepassingen. Zo heeft de digitalisering een steeds belangrijkere plaats in de stedelijke planning, vooral door middel van regionale informatiemodellering.

14.

Het CvdR merkt op dat de volledige voordelen van investeringen in digitale technologieën en platforms naar Europees niveau moeten worden uitgebreid. Investeren in getalenteerde professionals is een noodzakelijke voorwaarde, hoewel het op zich niet voldoende is. Burgers moeten worden opgeleid en dienen met de juiste digitale vaardigheden te worden uitgerust. Er zijn speciale maatregelen nodig om professionals bij te scholen zodat hun specifieke vaardigheden worden toegepast op de nieuwe digitale taken. Het bieden van geavanceerde digitale vaardigheden aan jonge lerenden in Europese onderwijssystemen, is een verplichte investering om de kwaliteit van de toekomstige beroepsbevolking voor Europa te waarborgen. Het staat buiten kijf dat het onderricht in STEAM-vakken (science, technology, engineering, arts, mathematics) steeds belangrijker wordt. Het programma Digitaal Europa moet in synergie met het actieplan voor het digitale onderwijs worden uitgevoerd.

15.

Het CvdR benadrukt het belang van de transitie naar een digitale platformeconomie door ervoor te zorgen dat in de voorziening van openbare en particuliere diensten de gebruikers centraal staan, dat de voorziening digitaal en uitwisselbaar per ontwerp is en in overeenstemming is met het beginsel van eenmalige gegevensverstrekking aan nationale, regionale en lokale overheden (eenmaligheidsbeginsel).

16.

Het CvdR erkent dat digitale platforms van de overheid niet expliciet in de wetstekst van het programma Digitaal Europa worden vermeld. Het concept van deze platforms is echter gekoppeld aan doelstelling 5 van het programma, gerelateerd aan de interoperabiliteit en implementatie van digitale technologieën door de overheid en de particuliere sector. Dit wordt ook in bijlage 2 nader uiteengezet over activiteiten die verband houden met de interoperabiliteit van overheidsdiensten, de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel en de digitale-diensteninfrastructuur.

17.

Het CvdR pleit voor het bouwen van digitale platforms door het creëren van generieke herbruikbare oplossingen voor digitale authenticatie, vertrouwen en beveiligde diensten. Deze worden gecombineerd met geavanceerde herbruikbare oplossingen op basis van datagestuurde methoden die mogelijk worden gemaakt door kunstmatige intelligentie. Dit zal ertoe bijdragen dat openbare diensten over alle beleidsdomeinen en bestuurslagen heen met elkaar verbonden zijn. Het helpt ook om te komen tot slimmere overheidsdiensten die beter bij de specifieke behoeften van gebruikers aansluiten en op internet en mobiele platforms beschikbaar zijn.

18.

Het CvdR beveelt aan om grensoverschrijdend gebruik van digitale technologieën te combineren met het wegnemen van juridische en andere obstakels voor deze samenwerking, waarbij het verwijst naar artikel 8 „Uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit”.

19.

Het CvdR benadrukt het belang van de oprichting van het netwerk van digitale-innovatiehubs met voldoende dekking voor alle regio’s. Hoewel in de effectbeoordeling duidelijk wordt gesteld dat de digitale-innovatiehubs een sterke regionale dimensie hebben (met name voor kmo’s), wordt dit niet in het wetgevingsvoorstel weerspiegeld. De selectie van digitale-innovatiehubs moet een open en betrouwbaar proces zijn, dat niet slechts één hub omvat, maar waar passend een netwerk van hubs in elke lidstaat. Digitale-innovatiehubs moeten nationaal en op een regionaal en thematisch evenwichtige manier worden geselecteerd. Het netwerk van hubs moet nauwe banden hebben met andere netwerken, zoals EIT Digital en het Enterprise Europe Network.

20.

Het CvdR benadrukt het belang van kunstmatige intelligentie en de koppelingen naar uitgebreide, virtuele, en kunstmatige realiteit (resp. XR, VR en AR), 3D-technologieën en robotica, die een nieuwe basis zullen vormen voor het wereldwijde bedrijfsleven, de platformeconomie en leerplatforms. Dit draagt bij tot het bieden van gelijke toegang tot uiteenlopende educatieve en culturele inhoud en tot het creëren van innovatieve platforms voor kennisoverdracht voor de herscholing van werknemers. Bovendien zal het de duurzame ontwikkeling ondersteunen, aangezien het de vraag naar fysieke goederen en de behoefte aan reizen vermindert en daarmee de koolstofuitstoot verlaagt.

21.

Het CvdR onderstreept het belang en de rol van veiligheid in het digitale domein en benadrukt de rol van steden en regio’s bij het aanpakken van cybercriminaliteit en de beveiliging van gegevens.

22.

Het CvdR is ingenomen met de bepalingen inzake derde landen die met het programma zijn geassocieerd, in het bijzonder wat betreft de integratie van digitalisering in activiteiten om de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Verenigde Naties te verwezenlijken. Dit betekent dat nadruk moet worden gelegd op de toegevoegde waarde via een samenwerkingsmentaliteit en openheid op het gebied van innovatie en toepassing. De ICT-revolutie stelt de EU in staat om op het wereldtoneel een krachtige rol te spelen door voorop te lopen op het vlak van duurzame groei en door de technologische knowhow ten goede te laten komen aan de welvaart.

23.

Het Commissievoorstel doet recht aan het evenredigheids- en het subsidiariteitsbeginsel.

Brussel, 5 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/282


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het Europees Solidariteitskorps en een nieuwe EU-strategie voor jongeren

(2019/C 86/15)

Rapporteur:

Matteo Luigi BIANCHI (IT/ECR), burgemeester van Morazzone (VA)

Referentiedocumenten:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma „Europees Solidariteitskorps” en tot intrekking van [verordening inzake het Europees Solidariteitskorps] en Verordening (EU) nr. 375/2014

COM(2018) 440 final

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Jongeren betrekken, verbinden en versterken: een nieuwe EU-strategie voor jongeren

COM(2018) 269 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Europese Unie is gebouwd op solidariteit tussen burgers en tussen lidstaten. Deze gemeenschappelijke waarde geeft richting aan haar handelingen en zorgt voor de eenheid die nodig is om het hoofd te bieden aan de huidige en toekomstige maatschappelijke uitdagingen. Jonge Europeanen willen daarbij helpen door hun solidariteit in de praktijk te brengen.

De Europese Unie is gebouwd op solidariteit, tussen burgers en tussen lidstaten , alsook tussen lokale en regionale gemeenschappen in de lidstaten . Deze gemeenschappelijke waarde geeft richting aan haar handelingen en zorgt voor de eenheid die nodig is om het hoofd te bieden aan de huidige en toekomstige maatschappelijke uitdagingen. Jonge Europeanen willen daarbij helpen door hun solidariteit in de praktijk te brengen en op lange termijn een solidair engagement te ontwikkelen dat hen bijblijft voor de rest van hun leven .

Motivering

De toegevoegde tekst benadrukt het belang van de lokale en regionale dimensie in de maatschappelijke betrokkenheid van jongeren en wijst op een eerste fundamenteel contactpunt op het gebied van solidariteit.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Jongeren moeten laagdrempelige kansen krijgen om deel te nemen aan solidariteitsactiviteiten. Die kunnen hun de mogelijkheid bieden hun betrokkenheid bij de gemeenschappen uit te drukken en tegelijkertijd nuttige ervaring op te doen en vaardigheden en competenties te verwerven voor hun persoonlijke, educatieve, sociale en professionele ontwikkeling en hun ontwikkeling als burger, waardoor hun inzetbaarheid verbetert. Die activiteiten moeten ook de mobiliteit van jonge vrijwilligers, stagiairs en werknemers ondersteunen.

Jongeren moeten laagdrempelige kansen krijgen om deel te nemen aan solidariteitsactiviteiten. Die kunnen hun de mogelijkheid bieden hun betrokkenheid bij de gemeenschappen uit te drukken , met name bij regionale en lokale gemeenschappen in zowel normale omstandigheden als noodsituaties, en tegelijkertijd nuttige ervaring op te doen en vaardigheden en competenties te verwerven voor hun persoonlijke, educatieve, sociale en professionele ontwikkeling en hun ontwikkeling als burger, waardoor hun inzetbaarheid verbetert. Die activiteiten moeten ook de mobiliteit van jonge vrijwilligers, stagiairs en werknemers ondersteunen.

Motivering

Met de toegevoegde passage wordt gewezen op het belang van de regionale en lokale dimensie van de betrokkenheid van jonge Europeanen, ook in noodsituaties waarin humanitaire hulp wordt verlangd.

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De aan jongeren aangeboden solidariteitsactiviteiten moeten van hoge kwaliteit zijn: zij moeten tegemoetkomen aan onvervulde behoeften van de samenleving, bijdragen tot de versterking van gemeenschappen, jongeren de mogelijkheid bieden waardevolle kennis en competenties te verwerven, financieel toegankelijk zijn voor jongeren en worden uitgevoerd in veilige en gezonde omstandigheden.

De aan jongeren aangeboden solidariteitsactiviteiten moeten van hoge kwaliteit zijn: zij moeten tegemoetkomen aan onvervulde behoeften van de samenleving, met inbegrip van lokale behoeften, bijdragen tot de versterking van lokale en regionale gemeenschappen, jongeren de mogelijkheid bieden waardevolle kennis en competenties te verwerven, financieel toegankelijk zijn voor jongeren en worden uitgevoerd in veilige en gezonde omstandigheden.

Motivering

Hiermee wordt opnieuw het belang van het voorzien in sociale behoeften bevestigd alsook van de noodzaak vrijwilligersactiviteiten om te zetten in vormen van versterking van de lokale of regionale gemeenschappen.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het Europees Solidariteitskorps biedt één contactpunt voor solidariteitsactiviteiten in de hele Unie en daarbuiten. Er moet worden gezorgd voor samenhang en complementariteit met andere relevante beleidsterreinen en programma’s van de Unie. Het Europees Solidariteitskorps bouwt voort op de sterke punten en synergieën van de programma’s die eraan voorafgingen en bestaande programma’s, met name het Europees vrijwilligerswerk (1) en de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp (2). Het vormt ook een aanvulling op de inspanningen van de lidstaten om jongeren te ondersteunen en de overgang van school naar werk te vergemakkelijken in het kader van de jongerengarantie door hun extra kansen te bieden om de arbeidsmarkt te betreden in de vorm van een stage of een baan op solidariteitsgerelateerde gebieden in hun eigen of een andere lidstaat. Daarnaast wordt gezorgd voor complementariteit met bestaande EU-netwerken die betrekking hebben op de activiteiten in het kader van het Europees Solidariteitskorps, zoals het Europees netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening, Eures en het Eurodesk-netwerk. Bovendien moet worden gezorgd voor complementariteit tussen bestaande regelingen (in het bijzonder nationale solidariteitsregelingen en mobiliteitsprogramma’s voor jongeren) en het Europees Solidariteitskorps door in voorkomend geval voort te bouwen op goede praktijken.

Het Europees Solidariteitskorps biedt één contactpunt voor solidariteitsactiviteiten in de hele Unie en daarbuiten. Er moet worden gezorgd voor samenhang en complementariteit met andere relevante beleidsterreinen en programma’s van de Unie , door een horizontale aanpak te ontwikkelen en sectoroverschrijdende samenwerking zo veel mogelijk aan te moedigen . Het Europees Solidariteitskorps bouwt voort op de sterke punten en synergieën van de programma’s die eraan voorafgingen en bestaande programma’s, met name het Europees vrijwilligerswerk (1) en de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp (2). Het vormt ook een aanvulling op de inspanningen van de lidstaten om jongeren te ondersteunen en de overgang van school naar werk te vergemakkelijken in het kader van de jongerengarantie door hun extra kansen te bieden om de arbeidsmarkt te betreden in de vorm van een stage , een leerlingplaats of een baan op solidariteitsgerelateerde gebieden in hun eigen of een andere lidstaat. Daarnaast wordt gezorgd voor complementariteit met bestaande EU-netwerken die betrekking hebben op de activiteiten in het kader van het Europees Solidariteitskorps, zoals het Europees netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening, Eures en het Eurodesk-netwerk , alsook sociale netwerken zoals het Europees Vrijwilligerscentrum en het Europees Jeugdforum . Bovendien moet worden gezorgd voor complementariteit tussen bestaande regelingen (in het bijzonder nationale solidariteitsregelingen en mobiliteitsprogramma’s voor jongeren) en het Europees Solidariteitskorps door in voorkomend geval voort te bouwen op goede praktijken. Bovendien moet worden gezorgd voor de ontwikkeling van synergieën en een voortdurende en rechtstreekse dialoog met alle betrokken lokale of regionale overheden, alsook met alle instanties, ook op interregionaal niveau, die reeds hebben geprofiteerd van solidariteitsmaatregelen en op basis van hun ervaring suggesties en nieuwe solidariteitsperspectieven kunnen bieden.

Motivering

De Commissie moet een zo sectoroverschrijdend mogelijke aanpak ondersteunen en ervoor zorgen dat de lokale en regionale overheden directer betrokken worden bij de samenwerking met het Europees Solidariteitskorps. Zij moet er ook voor zorgen dat er een permanente dialoog wordt gevoerd met organisaties die al in de sector werkzaam zijn en die in het verleden hebben geprofiteerd van solidariteitsactiviteiten.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging 10

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Die activiteiten moeten ten goede komen aan gemeenschappen en tegelijkertijd bijdragen aan de persoonlijke, educatieve, sociale en professionele ontwikkeling van een jongere en aan zijn ontwikkeling als burger, waarbij de activiteiten de vorm kunnen aannemen van vrijwilligerswerk, stages en banen, projecten of netwerkactiviteiten die zijn ontwikkeld met betrekking tot verschillende gebieden zoals onderwijs en opleiding, werkgelegenheid, gendergelijkheid, ondernemerschap (in het bijzonder sociaal ondernemerschap), burgerschap en democratische participatie, milieu en natuurbescherming, klimaatactie, rampenpreventie -paraatheid en hersteloperaties, landbouw en plattelandsontwikkeling, het verstrekken van levensmiddelen en non-foodartikelen, gezondheid en welzijn, creativiteit en cultuur, lichamelijke opvoeding en sport, sociale bijstand en welzijnszorg, de opvang en integratie van onderdanen van derde landen, territoriale samenwerking en cohesie, en grensoverschrijdende samenwerking. Dergelijke solidariteitsactiviteiten omvatten een solide leer- en opleidingsbasis, die wordt gelegd via zinvolle activiteiten die vóór, tijdens en na de solidariteitsactiviteit aan de deelnemers kunnen worden aangeboden.

Die activiteiten moeten ten goede komen aan lokale gemeenschappen en de gemeenschapsopbouw in ruimere zin, en tegelijkertijd bijdragen aan de persoonlijke, educatieve, sociale en professionele ontwikkeling van een jongere en aan zijn ontwikkeling als burger, waarbij de activiteiten de vorm kunnen aannemen van vrijwilligerswerk, leerlingplaatsen, stages en banen, projecten of netwerkactiviteiten die zijn ontwikkeld met betrekking tot verschillende gebieden zoals onderwijs en opleiding, werkgelegenheid, gendergelijkheid, ondernemerschap (in het bijzonder sociaal ondernemerschap), burgerschap en democratische participatie, milieu en natuurbescherming, klimaatactie, rampenpreventie -paraatheid en hersteloperaties, landbouw en plattelandsontwikkeling, het verstrekken van levensmiddelen en non-foodartikelen, gezondheid en welzijn, creativiteit en cultuur, sociale bijstand en welzijnszorg, de opvang en integratie van onderdanen van derde landen, territoriale samenwerking en cohesie, opwaardering en herstel van lokaal en regionaal cultureel en artistiek erfgoed — van zowel materiële als immateriële aard — en grensoverschrijdende samenwerking. Dergelijke solidariteitsactiviteiten omvatten een solide leer- en opleidingsbasis, die wordt gelegd via zinvolle activiteiten die vóór, tijdens en na de solidariteitsactiviteit aan de deelnemers kunnen worden aangeboden.

Motivering

Het Comité van de Regio’s benadrukt dat de deelname van lokale en regionale gemeenschappen en alle belanghebbenden moet worden vergemakkelijkt door middel van programma’s en door middel van formules die ook het lokale culturele en artistieke erfgoed opwaarderen en herstellen.

Wijzigingsvoorstel 6

Overweging 11

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Vrijwilligersactiviteiten (zowel binnen als buiten de Unie) vormen een rijke ervaring in een niet-formele en informele leeromgeving, die bijdraagt tot de persoonlijke, sociaal-educatieve en professionele ontwikkeling van de jongeren en die hun actieve burgerschap en inzetbaarheid vergroot. Vrijwilligersactiviteiten mogen geen negatieve gevolgen hebben voor potentiële of bestaande banen of als vervanging daarvan worden beschouwd. De Commissie en de lidstaten moeten via de open coördinatiemethode samenwerken bij beleid inzake vrijwilligerswerk voor jongeren.

Vrijwilligersactiviteiten (zowel binnen als buiten de Unie) vormen een rijke ervaring in een niet-formele en informele leeromgeving, die bijdraagt tot de persoonlijke, sociaal-educatieve en professionele ontwikkeling van de jongeren en die hun actieve burgerschap en inzetbaarheid vergroot. Vrijwilligersactiviteiten mogen geen negatieve gevolgen hebben voor potentiële of bestaande banen of als vervanging daarvan worden beschouwd. De Commissie en de lidstaten moeten via de open coördinatiemethode samenwerken bij beleid inzake vrijwilligerswerk voor jongeren , ook door te voorzien in gemeenschappelijke instrumenten ter voorkoming van zogenaamd „undeclared employment” of misbruik van vrijwilligerswerk met als enig doel jongeren die bij solidariteitsactiviteiten betrokken zijn, niet te betalen.

Motivering

Het Comité van de Regio’s wijst nogmaals op de noodzaak te voorzien in vormen van coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten, alsook in instrumenten waarmee de grenzen tussen vrijwilligerswerk en betaalde of via het programma ondersteunde solidariteitsactiviteiten duidelijk kunnen worden afgebakend.

Wijzigingsvoorstel 7

Overweging 12

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Stages en banen op solidariteitsgerelateerde gebieden kunnen jongeren extra kansen bieden om op de arbeidsmarkt te komen terwijl zij helpen maatschappelijke uitdagingen aan te pakken . Dergelijke ervaringen kunnen de inzetbaarheid en de productiviteit van jongeren helpen bevorderen en hun overgang van school naar werk vergemakkelijken, wat essentieel is om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. De stageactiviteiten die in het kader van het Europees Solidariteitskorps worden aangeboden, moeten voldoen aan de kwaliteitsbeginselen van de Aanbeveling van de Raad inzake een kwaliteitskader voor stages (1). De aangeboden stages en banen fungeren voor jongeren als een springplank om de arbeidsmarkt te betreden, en worden daarom gecombineerd met adequate ondersteuning na afloop van de activiteit. De stages en banen worden gefaciliteerd door relevante arbeidsmarktactoren, met name openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, sociale partners en kamers van koophandel, en worden door de deelnemende organisatie vergoed. Als deelnemende organisaties moeten zij financiering aanvragen via het bevoegde uitvoeringsorgaan van het Europees Solidariteitskorps voor de bemiddeling tussen de deelnemende jongeren en de werkgevers die stages en banen in solidariteitsgerelateerde sectoren aanbieden.

Stages , leerlingplaatsen en banen op solidariteitsgerelateerde gebieden kunnen jongeren extra kansen bieden om op de arbeidsmarkt te komen terwijl zij tegelijk ook de gelegenheid bieden om ook in het privéleven op lange termijn een solidaire geest te cultiveren . Dergelijke ervaringen kunnen de inzetbaarheid en de productiviteit van jongeren helpen bevorderen en hun overgang van school naar werk vergemakkelijken, wat essentieel is om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. De stage - en/of leerling activiteiten die in het kader van het Europees Solidariteitskorps worden aangeboden, moeten voldoen aan de kwaliteitsbeginselen van de Aanbeveling van de Raad inzake een kwaliteitskader voor stages (1) en worden daarom gecombineerd met adequate ondersteuning na afloop van de activiteit. De stages , leerlingplaatsen en banen worden gefaciliteerd door relevante arbeidsmarktactoren, met name openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, sociale partners, de betrokken lokale en regionale instanties die beter op de hoogte zijn van de reële territoriale behoeften en kamers van koophandel, en worden door de deelnemende organisatie vergoed. Als deelnemende organisaties moeten zij financiering aanvragen via het bevoegde uitvoeringsorgaan van het Europees Solidariteitskorps voor de bemiddeling tussen de deelnemende jongeren en de werkgevers die stages , leerlingplaatsen en banen in solidariteitsgerelateerde sectoren aanbieden.

Motivering

Het Comité van de Regio’s erkent de waarde van dergelijke stages als middel om de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, maar wijst op de noodzaak van een solide en regelmatige dialoog met lokale en regionale openbare en particuliere instanties die inzicht hebben in de reële maatschappelijke behoeften van het gebied.

Wijzigingsvoorstel 8

Overweging 13

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De zin voor initiatief van jongeren is een belangrijke troef voor de maatschappij en de arbeidsmarkt. Het Europees Solidariteitskorps helpt dit aspect bevorderen door jongeren de kans te bieden hun eigen projecten voor het aanpakken van specifieke uitdagingen ten bate van hun lokale gemeenschappen te bedenken en uit te voeren. Die projecten zijn een gelegenheid om ideeën uit te proberen en helpen jongeren om zelf de drijvende kracht achter solidariteitsactiviteiten te zijn. Zij dienen ook als springplank naar verdere betrokkenheid bij solidariteitsactiviteiten en zijn een eerste stap om de deelnemers aan het Europees Solidariteitskorps aan te moedigen als zelfstandige in de solidariteitsgerelateerde, non-profit- en jeugdsector aan de slag te gaan of verenigingen, ngo’s of andere organisaties in die sectoren op te zetten.

De zin voor initiatief van jongeren is een belangrijke troef voor de maatschappij en de arbeidsmarkt. Het Europees Solidariteitskorps helpt dit aspect bevorderen door jongeren de kans te bieden hun eigen projecten voor het aanpakken van specifieke uitdagingen ten bate van hun lokale gemeenschappen te bedenken en uit te voeren. Die projecten zijn een gelegenheid om ideeën uit te proberen en helpen jongeren om zelf de drijvende kracht achter solidariteitsactiviteiten te zijn , ten voordele van lokale gemeenschappen en met het oog op het stimuleren van maatschappelijke betrokkenheid, waardoor tevens sociale uitsluiting wordt tegengegaan alsook migratie van plattelands- naar stedelijke gebieden . Zij dienen ook als springplank naar verdere betrokkenheid bij solidariteitsactiviteiten en zijn een eerste stap om de deelnemers aan het Europees Solidariteitskorps aan te moedigen als zelfstandige in de solidariteitsgerelateerde, non-profit- en jeugdsector aan de slag te gaan of verenigingen, ngo’s of andere organisaties in die sectoren op te zetten.

Motivering

Het Comité van de Regio’s benadrukt het belang van een solidariteitsstrategie die jongeren ertoe aanzet om achteraf ook zelf ondernemerservaring op te doen, ten behoeve van lokale en meer inclusieve gemeenschappen.

Wijzigingsvoorstel 9

Overweging 14

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Jongeren en organisaties die deelnemen aan het Europees Solidariteitskorps moeten voelen dat zij deel uitmaken van een gemeenschap van personen en entiteiten die zich inzetten voor meer solidariteit in heel Europa. Tegelijkertijd hebben de deelnemende organisaties behoefte aan ondersteuning om hun capaciteit te versterken zodat zij hoogwaardige activiteiten kunnen aanbieden aan een toenemend aantal deelnemers. Het Europees Solidariteitskorps ondersteunt netwerkactiviteiten om de betrokkenheid van de jongeren en de deelnemende organisaties bij deze gemeenschap te verstevigen, het teamgevoel binnen het Europees Solidariteitskorps te bevorderen en de uitwisseling van nuttige ervaringen en praktijken aan te moedigen. Die activiteiten dragen ook bij tot een grotere bekendheid van het Europees Solidariteitskorps onder openbare en particuliere actoren en tot het verzamelen van feedback van deelnemers en deelnemende organisaties over de uitvoering van het Europees Solidariteitskorps.

Jongeren en organisaties die deelnemen aan het Europees Solidariteitskorps moeten voelen dat zij deel uitmaken van een gemeenschap van personen en entiteiten die zich inzetten voor meer solidariteit in heel Europa. Tegelijkertijd hebben de deelnemende organisaties behoefte aan ondersteuning om hun capaciteit te versterken zodat zij hoogwaardige activiteiten kunnen aanbieden aan een toenemend aantal deelnemers. Het Europees Solidariteitskorps ondersteunt netwerkactiviteiten om de betrokkenheid van de jongeren en de deelnemende organisaties te verstevigen, het teamgevoel binnen het Europees Solidariteitskorps te bevorderen en de uitwisseling van nuttige ervaringen en praktijken aan te moedigen. Die activiteiten dragen ook bij tot een grotere bekendheid van het Europees Solidariteitskorps onder openbare en particuliere actoren en tot het verzamelen van feedback van deelnemers en deelnemende organisaties over de uitvoering van het Europees Solidariteitskorps en zijn vermogen om in te spelen op de behoeften en verwachtingen van gemeenschappen.

Motivering

Actieve samenwerking tussen het Europees Solidariteitskorps en alle betrokken partijen is van fundamenteel belang, niet alleen om te kunnen reageren op elk verzoek om informatie van deze partijen, maar ook om updates en communicatie door te geven die een meer geïntegreerde aanpak en kwalitatieve verbetering van de projecten kunnen garanderen.

Wijzigingsvoorstel 10

Overweging 15

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Er moet vooral aandacht worden besteed aan de kwaliteit van de activiteiten en de andere mogelijkheden die in het kader van het Europees Solidariteitskorps worden aangeboden. Dat kan met name door te voorzien in opleiding, taalondersteuning, verzekering, administratieve ondersteuning en ondersteuning na afloop van de activiteit en in de validatie van de kennis, vaardigheden en competenties die de deelnemers hebben opgedaan door hun ervaring bij het Europees Solidariteitskorps. De beveiliging en veiligheid van de vrijwilligers blijven van het grootste belang en vrijwilligers mogen niet worden ingezet bij operaties die plaatsvinden in gebieden waar zich internationale en niet-internationale gewapende conflicten afspelen.

Er moet vooral aandacht worden besteed aan de kwaliteit van de activiteiten en de andere mogelijkheden die in het kader van het Europees Solidariteitskorps worden aangeboden. Dat kan met name door te voorzien in opleiding, taalondersteuning, verzekering, administratieve ondersteuning en ondersteuning na afloop van de activiteit en in de validatie , aan de hand van specifieke certificeringscriteria, van de kennis, vaardigheden en competenties die de deelnemers hebben opgedaan door hun ervaring bij het Europees Solidariteitskorps. Instanties met en zonder winstoogmerk, stichtingen, andere non-profitorganisaties, verenigingen en sociale ondernemingen moeten betrokken worden bij vrijwilligersactiviteiten, waarbij specifieke regels moeten worden ontwikkeld voor de zogenaamde „occupational placements” waardoor solidaire projecten kunnen worden bevorderd via eventuele belastingvrijstellingen of -voordelen op eigen initiatief van de lidstaten. De beveiliging en veiligheid van de vrijwilligers blijven voorts van het grootste belang en vrijwilligers mogen niet worden ingezet bij operaties die plaatsvinden in gebieden waar zich internationale en niet-internationale gewapende conflicten afspelen.

Motivering

Het Comité van de Regio’s wijst nogmaals op de noodzaak om betaald vrijwilligerswerk, stages, leerlingplaatsen en werkgerelateerde activiteiten met alle initiatiefnemers van projecten in het kader van het Europees Solidariteitskorps te ondersteunen, waarbij voor de lidstaten ook de mogelijkheid moet worden overwogen om initiatieven te nemen op het gebied van belastingvrijstelling/verlichting als beloning.

Wijzigingsvoorstel 11

Overweging 18

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Elke entiteit die wil deelnemen aan het Europees Solidariteitskorps moet een kwaliteitskeurmerk ontvangen als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Het proces waarmee het kwaliteitskeurmerk wordt toegekend, moet ononderbroken door de uitvoerende organen van het Europees Solidariteitskorps worden uitgevoerd. Het toegekende kwaliteitskeurmerk moet op gezette tijden opnieuw worden beoordeeld en kan worden ingetrokken als bij een controle wordt vastgesteld dat niet langer aan de toekenningsvoorwaarden wordt voldaan.

Elke entiteit die wil deelnemen aan het Europees Solidariteitskorps moet een kwaliteitskeurmerk ontvangen als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Daarbij moet onder meer worden gekeken naar de mate van aandacht voor de lokale en regionale behoeften, het bestaan van een geïntegreerde aanpak en een actieve en vruchtbare samenwerking met elke lokale en regionale overheid en/of andere vereniging of organisatie die op het gebied van solidariteit actief is. Het proces waarmee het kwaliteitskeurmerk wordt toegekend, moet ononderbroken door de uitvoerende organen van het Europees Solidariteitskorps worden uitgevoerd , in nauwe samenwerking met de nationale agentschappen en rekening houdend met de belangrijke ontwikkelingen op het gebied van solidariteit in de lidstaten . Het toegekende kwaliteitskeurmerk moet op gezette tijden opnieuw worden beoordeeld en kan worden ingetrokken als bij een controle wordt vastgesteld dat niet langer aan de toekenningsvoorwaarden wordt voldaan.

Motivering

Het Comité van de Regio’s benadrukt het belang van een zo groot mogelijke betrokkenheid van de nationale agentschappen, bestaande organisaties of instellingen van lokaal en regionaal belang die actief zijn op het gebied van solidariteit, zoals bijv. de talloze sportverenigingen die innovatieve vrijwilligersinitiatieven bevorderen en daarbij met al degenen die willen deelnemen aan het Europese solidariteitskorps, een geïntegreerde aanpak en samenwerking op alle bestuursniveaus ondersteunen.

Wijzigingsvoorstel 12

Overweging 22

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De uitvoerende organen en de deelnemende organisaties en jongeren moeten door kenniscentra van het Europees Solidariteitskorps worden bijgestaan om de kwaliteit van de uitvoering en de activiteiten van het Europees Solidariteitskorps te verhogen en de via de desbetreffende activiteiten verworven vaardigheden beter in kaart te brengen en te valideren, onder meer door het verstrekken van Youthpass- certificaten.

De uitvoerende organen en de deelnemende organisaties en jongeren moeten door kenniscentra van het Europees Solidariteitskorps worden bijgestaan om de kwaliteit van de uitvoering en de activiteiten van het Europees Solidariteitskorps te verhogen en de via de desbetreffende activiteiten verworven vaardigheden beter in kaart te brengen en te valideren. Dit kan gebeuren door het verstrekken van exclusieve certificaten van het Europees Solidariteitsfonds voor verrichte activiteiten, en door gebruik te maken van instrumenten zoals Youthpass en Europass of bepalingen m.b.t beroepsopleidingen om de betreffende verworven kennis en vaardigheden vast te stellen en te definiëren .

Motivering

Het Comité van de Regio’s erkent dat het van belang is om het voor jonge vrijwilligers gemakkelijker te maken werk te zoeken door hen, na afronding van de activiteit, een exclusief certificaat van het Europees Solidariteitskorps te verstrekken met een beschrijving van de verworven vaardigheden en met specifieke evaluatieparameters, alsook met de mogelijkheid om er op nationaal en transnationaal niveau in het beroepsleven gebruik van te maken.

Wijzigingsvoorstel 13

Overweging 27

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het Europees Solidariteitskorps richt zich op jongeren in de leeftijd van 18-30 jaar, en een inschrijving op de portaalsite van het Europees Solidariteitskorps moet een voorwaarde zijn om te kunnen deelnemen aan de door het Europees Solidariteitskorps aangeboden activiteiten.

Het Europees Solidariteitskorps richt zich op jongeren in de leeftijd van 18-30 jaar , zonder enige filter met betrekking tot bijv. hun sociale, economische of educatieve achtergrond , en een inschrijving op de portaalsite van het Europees Solidariteitskorps moet een voorwaarde zijn om te kunnen deelnemen aan de door het Europees Solidariteitskorps aangeboden activiteiten. Via dit portaal moeten de jongeren, ter voorbereiding op de gekozen solidariteitsactiviteit, ook de mogelijkheid hebben om een meertalige online opleidingscursus te volgen, die er tevens op moet gericht zijn het gebied te identificeren waarop hun solidariteitsambities maximaal kunnen worden ingezet en zij hun toekomstige aantrekkingskracht op de arbeidsmarkt kunnen vergroten.

Motivering

Het Comité van de Regio’s stelt voor om een meertalige portaalsite op te zetten waar specifiek voor de verschillende voorgestelde categorieën van solidariteitservaringen informatie en opleidingsmateriaal kan worden gedownload, als begeleiding bij de keuze van geïnteresseerde jongeren, om hun toekomstige aantrekkingskracht op de arbeidsmarkt te vergroten.

Wijzigingsvoorstel 14

Overweging 28

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In het bijzonder moet erop worden gelet dat de door het Europees Solidariteitskorps ondersteunde activiteiten toegankelijk zijn voor alle jongeren, met name voor de meest kansarme. Er moeten bijzondere maatregelen worden getroffen om de sociale inclusie en de deelname van kansarme jongeren te bevorderen, en ook om rekening te houden met de problemen in verband met de afgelegenheid van een aantal plattelandsgebieden, van de ultraperifere gebieden van de Unie en de landen en gebieden overzee. De deelnemende landen moeten er ook naar streven alle nodige maatregelen te treffen om wettelijke en administratieve belemmeringen voor de goede werking van het Europees Solidariteitskorps weg te nemen. Dit moet — indien mogelijk en onverminderd het Schengenacquis en het Unierecht inzake de binnenkomst en het verblijf van onderdanen van derde landen — de administratieve kwesties oplossen die problemen veroorzaken bij het verkrijgen van visa en verblijfsvergunningen, en bij de afgifte van een Europese ziekteverzekeringskaart in het geval van grensoverschrijdende activiteiten binnen de Europese Unie.

In het bijzonder moet erop worden gelet dat de door het Europees Solidariteitskorps ondersteunde activiteiten toegankelijk zijn voor alle jongeren, met name voor de meest kansarme. Er moeten bijzondere maatregelen worden getroffen om de sociale inclusie en de deelname van kansarme jongeren , met inbegrip van gehandicapte jongeren, te bevorderen, en ook om rekening te houden met de problemen in verband met de afgelegenheid van een aantal plattelandsgebieden, van de ultraperifere gebieden van de Unie en de landen en gebieden overzee. De deelnemende landen moeten er ook naar streven alle nodige maatregelen te treffen om wettelijke en administratieve belemmeringen voor de goede werking van het Europees Solidariteitskorps weg te nemen. Dit moet — indien mogelijk en onverminderd het Schengenacquis en het Unierecht inzake de binnenkomst en het verblijf van onderdanen van derde landen — de administratieve kwesties oplossen die problemen veroorzaken bij het verkrijgen van visa en verblijfsvergunningen, en bij de afgifte van een Europese ziekteverzekeringskaart in het geval van grensoverschrijdende activiteiten binnen de Europese Unie.

Motivering

Met de toegevoegde passage wordt de aandacht gevestigd op het aspect van inclusie van jongeren met een handicap in het kader van de activiteiten van het Europees solidariteitskorps, ook uit hoofde van de bepalingen van het Verdrag over de rechten van personen met een handicap, dat door de EU is geratificeerd.

Wijzigingsvoorstel 15

Hoofdstuk III, artikel 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Vrijwilligerswerk als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), omvat een leer- en opleidingscomponent, komt niet in de plaats van stages of banen, mag niet worden gelijkgesteld aan een baan en is gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst voor vrijwilligerswerk.

Vrijwilligerswerk als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), omvat een leer- en opleidingscomponent, komt niet in de plaats van stages of banen, mag niet worden gelijkgesteld aan een baan en is gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst voor vrijwilligerswerk, leerlingwezen of een andere formule waarin de geplande activiteit volledig wordt beschreven .

Motivering

In de tekst van de Commissie moeten de vrijwilligersactiviteiten van alle soorten stakeholders worden erkend, of het nu gaat om openbare of particuliere stakeholders, met of zonder winstoogmerk, volledig aansluitend bij de geest van solidariteit die met vrijwilligerswerk gepaard gaat. Het is van cruciaal belang te voorzien in monitoring-instrumenten ter preventie van onzeker werk, zwartwerk en gebruik van vrijwilligerswerk om beloning van de betrokken deelnemers te vermijden. Daarbij moeten de meest innovatieve en originele bijdragen op hun juiste waarde worden geschat en moet worden voorzien in beloningsformules voor de meest dynamische en proactieve stakeholders.

Wijzigingsvoorstel 16

Hoofdstuk VI, artikel 16, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Bij de evaluatiecriteria moet ook rekening worden gehouden met eventuele aanvullende activiteiten waarbij de betrokkene samenwerkt met instanties die al actief zijn op het gebied van bevordering van het jeugdbeleid, met inbegrip van het sportbeleid dat ongetwijfeld steeds belangrijker en interessanter wordt. In die zin zullen de samenwerking met de EU-coördinator voor jeugdzaken en mogelijke vormen van participatie in het kader van het EU-platform voor jongerenstrategie, zoals voorgesteld in de mededeling van de Europese Commissie (2018) 269 final, bijzonder worden gewaardeerd.

Motivering

Het Comité van de Regio’s is ingenomen met het voorstel van de Europese Commissie om een EU-coördinator voor jeugdzaken en een EU-platform voor jongerenstrategie in te stellen. Het kijkt uit naar de ontwikkeling van een systeem voor permanente samenwerking en naar een tijdschema voor studiebijeenkomsten tussen de coördinator en het Europees Comité van de Regio’s, zodat doeltreffend rekening kan worden gehouden met elke Europese lokale en regionale dimensie.

Wijzigingsvoorstel 17

Hoofdstuk VI, artikel 17

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Toegang tot financiering door het Europees Solidariteitskorps

Toegang tot financiering door het Europees Solidariteitskorps

Publieke of private entiteiten die zijn gevestigd in een deelnemend land en internationale organisaties kunnen een aanvraag indienen voor financiering uit hoofde van het Europees Solidariteitskorps. In het geval van activiteiten als bedoeld in de artikelen 7, 8 en 11 moet de deelnemende organisatie eerst het kwaliteitskeurmerk behalen voor zij financiering uit hoofde van het Europees Solidariteitskorps kan verkrijgen. In het geval van solidariteitsprojecten als bedoeld in artikel 9 kunnen ook natuurlijke personen een aanvraag voor financiering indienen namens informele groepen van deelnemers aan het Europees Solidariteitskorps.

Publieke of private entiteiten die zijn gevestigd in een deelnemend land en internationale organisaties kunnen een aanvraag indienen voor financiering uit hoofde van het Europees Solidariteitskorps. In het geval van activiteiten als bedoeld in de artikelen 7, 8 en 11 moet de deelnemende organisatie eerst het kwaliteitskeurmerk behalen voor zij financiering uit hoofde van het Europees Solidariteitskorps kan verkrijgen. In het geval van solidariteitsprojecten als bedoeld in artikel 9 kunnen ook natuurlijke personen een aanvraag voor financiering indienen namens informele groepen van deelnemers aan het Europees Solidariteitskorps. In ieder geval zou er een beloning moeten worden toegekend aan projecten met een hoge meerwaarde wat betreft regionale en lokale dimensie.

Motivering

Met de toegevoegde passage wordt de aandacht gevestigd op projecten met een grote impact op regionale en lokale gemeenschappen.

Wijzigingsvoorstel 18

Hoofdstuk XI, artikel 28, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

De Commissie moet de nationale autoriteiten en nationale agentschappen zo veel mogelijk ondersteunen bij de verspreiding van informatie over alle initiatieven die in het kader van het Europees Solidariteitskorps kunnen worden voorgesteld, zodat de lokale en regionale autoriteiten zo veel mogelijk kennis kunnen verwerven, en passende directe of indirecte vormen van technische ondersteuning bij de registratie en de latere middelenaanvragen worden bevorderd.

Motivering

Het is van essentieel belang om de betrokkenheid van lokale en regionale actoren meer te stimuleren, door te zorgen voor een actievere participatie en een voortdurend geactualiseerd netwerk, ook voor alle referenties naar technische informatie en opleidingen.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Algemene opmerkingen — EU-jongerenstrategie

1.

beklemtoont dat het jeugdbeleid in alle EU-beleidsterreinen moet worden geïntegreerd door middel van een horizontale aanpak en door sectoroverschrijdende, interregionale en grensoverschrijdende samenwerking aan te moedigen.

2.

Het is een lovenswaardig voorstel van de Europese Commissie om een EU-coördinator voor jeugdzaken in te stellen en het EU-platform voor de jongerenstrategie te ontwikkelen dat een platform voor permanente en doeltreffende dialoog met alle belanghebbenden moet worden, met een groter informatief gewicht.

3.

Er moeten regelmatige bijeenkomsten met de EU-coördinator voor jeugdzaken worden gepland, die formeel moet kunnen samenwerken met het Europees Comité van de Regio’s, dat alle lokale en regionale maatschappelijke behoeften op het gebied van jeugdbeleid vertolkt.

4.

De nieuwe Youth Work Agenda is een goede zaak, die immers een grote sociale waarde heeft voor jongeren van alle achtergronden, ook voor hen die niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET’s), alsook voor hen die tot autochtone nationale en taalminderheden behoren. Jongeren, ook de meest kwetsbaren, moeten via de vernieuwde EU Youth Dialogue meer worden geïntegreerd.

5.

Jongeren van alle achtergronden moeten zo veel mogelijk bij een en ander worden betrokken, teneinde gelijke kansen, sociale integratie en ondersteuning bij het zoeken naar werk te waarborgen en hun actieve deelname aan de meest dynamische sectoren, zoals sport, te bevorderen.

6.

De invoering van systematische traceerbaarheid van de EU-uitgaven in het kader van de verschillende financieringsprogramma’s voor jongeren valt toe te juichen en de financiering op lange termijn ten voordele van het jeugdbeleid zal hopelijk in de toekomst ook verder worden verhoogd. Dit aspect is bijzonder belangrijk, ook voor de EU-lidstaten en regio’s die het hardst getroffen worden door hersenvlucht.

Europees Solidariteitskorps

7.

Het lokale vrijwilligerswerk moet via de verschillende financierings- en communicatiemiddelen kracht worden bijgezet daar veel jongeren deelnemen aan waardevolle lokale gemeenschapsprojecten op het gebied van politieke en burgerparticipatie, sociale inclusie en bestrijding van migratie van het platteland naar de stad (1).

8.

Hoewel de complementariteit ervan wordt erkend, wordt aangedrongen op een duidelijk onderscheid tussen vrijwilligerswerk en activiteiten in het kader van het Europees Solidariteitskorps (ESC), teneinde vormen van onzeker of onbetaald werk te voorkomen.

9.

Het is van belang de door vrijwilligerswerk verworven competenties te erkennen door specifieke ESC-certificaten uit te reiken, ook met behulp van evaluatie-instrumenten als Youthpass en Europass, m.a.w. de criteria die zijn vastgesteld voor het leerlingwezen.

10.

Er moet een doeltreffend toezicht komen op de deelnemende organisaties om ervoor te zorgen dat de beginselen en normen die worden benadrukt in de Aanbeveling van de Raad voor een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen volledig worden nageleefd (2).

11.

Er moeten specifieke criteria worden vastgesteld voor de evaluatie van projecten waarbij pretoetredingslanden betrokken zijn, waar eerdere problemen een negatieve invloed kunnen hebben gehad op de perceptie van solidariteit en vrijwilligerswerk en de gevoeligheid van jongeren voor deze waarden dan ook negatief is beïnvloed.

Specifieke aanbevelingen

12.

De doelstelling van de Commissie om de impact van de EU-strategie voor jongeren op lokaal niveau te vergroten wordt onderschreven.

13.

Het Comité erkent het belang van de EU-coördinator voor jeugdzaken alsook van de strategische rol die deze vervult via de regelmatige vergaderingen met het Europees Comité van de Regio’s en de versterking van de opleidings- en informatiekanalen met de betrokken nationale agentschappen.

14.

Ook de particuliere sector is van belang voor de zogenaamde „occupational placements”, waarbij echter wordt gevraagd dat voor solidariteitsactiviteiten altijd een beloning wordt gegarandeerd.

15.

Om de hoogste kwaliteit bij de uitvoering van projecten te waarborgen, is het van essentieel belang om de beoordelingsfase van deze projecten zo veel mogelijk te versnellen, zodat de deelnemende organisaties sneller toegang krijgen tot fondsen en kunnen beschikken over eenvoudige, gestroomlijnde en flexibele procedures voor projectregistratie, met name rekening houdend met degenen die beperkte toegang hebben tot het internet en/of tevens taalproblemen hebben.

16.

Om het Europees Solidariteitskorps op lokaal en regionaal niveau maximaal bekendheid te geven is het van essentieel belang dat er voortdurend contact wordt onderhouden met de nationale belanghebbenden en dat de geboden solidariteitskansen concreet en doeltreffend onder de aandacht worden gebracht.

17.

De meest originele en doeltreffende vrijwilligersactiviteiten (bijv. in samenwerking en synergie met sportverenigingen), die jongeren kunnen aansporen om zich hun hele leven lang solidair te blijven inzetten, moeten worden opgewaardeerd door hieraan een kwaliteitslabel toe te kennen, en deelnemende organisaties moeten kunnen profiteren van vormen van belastingverlichting op initiatief van de lidstaten.

18.

Het voorstel voor het Europees Solidariteitskorps moet ten uitvoer worden gelegd met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. De betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij de uitvoeringsfase van dit voorstel is uiterst belangrijk. De Commissie wordt verzocht rekening te houden met de behoeften en verwachtingen van de lokale gemeenschappen, aangezien zij dichter bij de burgers staan. Onderwijs, beroepsopleiding en jeugdzaken vallen onder de bevoegdheid van de lidstaten en de Europese Unie moet, overeenkomstig artikel 6 VWEU, nationale maatregelen ondersteunen, coördineren en aanvullen, aangezien het stimuleren van werkgelegenheid een zaak van gemeenschappelijk belang is. Het welslagen van relevante EU-maatregelen, die in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, hangt dus af van de samenwerking met de lokale en regionale overheden.

19.

Het is betreurenswaardig dat een gemeenschappelijke en uniforme definitie op Europees niveau van „ondernemingen van de sociale economie” ontbreekt, maar het voorstel voor een verordening roept hen op om ervoor te zorgen dat de mogelijkheden en resultaten van de door het programma gesteunde acties (overweging 38) worden bekendgemaakt en verspreid en dat de activiteiten van het Europees Solidariteitskorps worden ondersteund.

20.

In de evaluatie van solidariteitsactiviteiten moeten ook de gemeenschappelijke parameters die door het Europees Vrijwilligerscentrum op het gebied van vrijwilligerswerk worden erkend, worden geïntegreerd.

Brussel, 6 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van „Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

(2)  Verordening (EU) nr. 375/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot oprichting van het Europese vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening („EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp”) (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 1).

(1)  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van „Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

(2)  Verordening (EU) nr. 375/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot oprichting van het Europese vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening („EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp”) (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 1).

(1)  Aanbeveling van de Raad van 15 maart 2018 voor een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen (PB C 153 van 2.5.2018, blz. 1).

(1)  Aanbeveling van de Raad van 15 maart 2018 voor een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen (PB C 153 van 2.5.2018, blz. 1).

(1)  Een voorbeeld hiervan werd in Italië recentelijk geleverd door de regio Lombardije, die in de jeugdsector met succes initiatieven heeft gepromoot ter ondersteuning van sport met een hoge solidariteitswaarde (zie Lega Civica).

(2)  http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6779-2018-INIT/nl/pdf


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/295


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over nabuurschap en internationaal beleid

(2019/C 86/16)

Algemeen rapporteur:

Hans JANSSEN (NL/EVP), burgemeester van Oisterwijk

Referentiedocumenten:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking

COM(2018) 460 final

Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie, enerzijds, en Groenland en het Koninkrijk Denemarken, anderzijds (LGO-besluit)

COM(2018) 461 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III)

COM(2018) 465 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking

Wijzigingsvoorstel 1

(COM(2018) 460 final) Overweging 25

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Hoewel de democratie en de mensenrechten, met inbegrip van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen, in de hele tenuitvoerlegging van deze verordening geïntegreerd moeten worden, moet de steun van de Unie in het kader van de thematische programma’s voor de mensenrechten en de democratie en het maatschappelijk middenveld een specifieke aanvullende rol spelen vanwege het mondiale karakter ervan en het feit dat deze steun niet afhankelijk is van de toestemming van regeringen of overheidsorganen van de betrokken derde landen.

Hoewel de democratie en de mensenrechten, met inbegrip van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen, in de hele tenuitvoerlegging van deze verordening geïntegreerd moeten worden, moet de steun van de Unie in het kader van de thematische programma’s voor de mensenrechten en de democratie en het maatschappelijk middenveld alsmede voor de lokale en regionale overheden een specifieke aanvullende rol spelen vanwege het mondiale karakter ervan en het feit dat deze steun niet afhankelijk is van de toestemming van regeringen of overheidsorganen van de betrokken derde landen.

Motivering

In dit advies wordt bepleit dat de lokale en regionale overheden een specifiek, afzonderlijk programma moeten krijgen met een gereserveerd budget voor ontwikkelingssamenwerking en gedurende de programmering als begunstigden in aanmerking moeten worden genomen, zoals het geval was in het huidige MFK via het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI). Hoewel de begrotingslijn voor de lokale overheden onder het DCI niet volledig is besteed, is te snel de conclusie getrokken dat dit te maken heeft gehad met onvoldoende capaciteit van de lokale en regionale overheden. Andere oorzaken, zoals de strenge eisen voor medefinanciering en complexe aanvraagprocedures, hebben mogelijk meer invloed gehad. Hoe dan ook zouden de EU-instellingen ruimte moeten bieden voor verbetering in plaats van deze begrotingslijn direct af te schaffen.

Voorts is cruciaal dat krachtige coördinatiemechanismen tussen het maatschappelijk middenveld, de lokale overheden en de EU-instellingen behouden blijven of worden gecreëerd zodat het EU-ontwikkelingsbeleid en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen kunnen worden verwezenlijkt. Daarom moeten het maatschappelijk middenveld en de lokale en regionale overheden in dit artikel in dezelfde zin worden genoemd.

Wijzigingsvoorstel 2

(COM(2018) 460 final) Overweging 26

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het maatschappelijk middenveld moet een breed spectrum van actoren omvatten met diverse rollen en mandaten, waarbij alle niet-overheidsstructuren zijn betrokken die geen winstoogmerk hebben, die onpartijdig en geweldloos zijn, en waardoor mensen gedeelde doelstellingen en idealen proberen na te streven, hetzij van politieke, culturele, sociale of economische aard. Deze organisaties zijn werkzaam op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau en omvatten stedelijke en rurale, formele en informele organisaties.

Het maatschappelijk middenveld moet een breed spectrum van actoren omvatten met diverse rollen en mandaten, waarbij alle niet-overheidsstructuren zijn betrokken die geen winstoogmerk hebben, die onpartijdig en geweldloos zijn, en waardoor mensen gedeelde doelstellingen en idealen proberen na te streven, hetzij van politieke, culturele, sociale of economische aard. Deze organisaties zijn werkzaam op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau en omvatten stedelijke en rurale, formele en informele organisaties.

 

In lijn met de Europese consensus inzake ontwikkeling spelen de lokale en regionale overheden een sleutelrol bij de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de coördinatie met lokale actoren. Zoals in de Agenda 2030 wordt erkend, hebben alle 17 doelstellingen lokale componenten en houden ze verband met de bevoegdheden van de lokale overheden, onder meer op het gebied van gender en klimaatverandering.

Motivering

In het voorstel van de Europese Commissie wordt niet uiteengezet welke rol de lokale overheden spelen bij het ontwerpen, uitvoeren en monitoren van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s), hoewel de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling uitdrukkelijk stelt dat alle 17 SDG’s lokale componenten hebben en verband houden met de dagelijkse werkzaamheden van de regionale en lokale overheden. In de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling uit 2017 wordt nogmaals gewezen op de noodzaak om de SDG’s op lokaal niveau aan te pakken. Dit valt niet te rijmen met het ontbreken van specifieke financiering voor lokale overheden in de nieuwe set instrumenten voor extern optreden. Een reden te meer om de begrotingslijn voor lokale overheden bij voorbaat weer in te voeren.

Wijzigingsvoorstel 3

(COM(2018) 460 final) Overweging 29

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Verder is het van essentieel belang dat de samenwerking met de partnerlanden op het gebied van migratie verder wordt geïntensiveerd, zodat de vruchten van een goed beheerde en reguliere migratie kunnen worden geplukt en irreguliere migratie doeltreffend kan worden aangepakt. Deze samenwerking dient bij te dragen aan het waarborgen van de toegang tot internationale bescherming, alsmede het aanpakken van de dieperliggende oorzaken van irreguliere migratie, door beter grensbeheer en grotere inspanningen in de strijd tegen irreguliere migratie, mensenhandel en migrantensmokkel, en samenwerking inzake terugkeer, overname en re-integratie, in voorkomend geval, op basis van wederzijdse verantwoordingsplicht en volledige inachtneming van de humanitaire en mensenrechtenverplichtingen. Derhalve moet doeltreffende samenwerking van derde landen met de Unie op dit gebied een integraal onderdeel vormen van de algemene beginselen van deze verordening. Een grotere coherentie tussen het migratie- en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is van belang om ervoor te zorgen dat ontwikkelingshulp de partnerlanden bijstaat om migratie doeltreffender te beheren. Deze verordening moet bijdragen tot een gecoördineerde, geïntegreerde en gestructureerde benadering van migratie, en daarbij maximaal synergieën en het noodzakelijke hefboomeffect creëren.

Verder is het van essentieel belang dat in nauw overleg met de lokale en regionale overheden de samenwerking met de partnerlanden op het gebied van migratie verder wordt geïntensiveerd, zodat de vruchten van een goed beheerde en reguliere migratie kunnen worden geplukt en irreguliere migratie doeltreffend kan worden aangepakt. Deze samenwerking dient bij te dragen aan het waarborgen van de toegang tot internationale bescherming, alsmede het aanpakken van de dieperliggende oorzaken van irreguliere migratie , met name wanneer het gaat om kwetsbare groepen zoals niet-begeleide minderjarigen, door beter grensbeheer en grotere inspanningen in de strijd tegen irreguliere migratie, mensenhandel en migrantensmokkel, en samenwerking inzake terugkeer, overname en re-integratie, in voorkomend geval, op basis van wederzijdse verantwoordingsplicht en volledige inachtneming van de humanitaire en mensenrechtenverplichtingen , ook met het oog op de eventuele goedkeuring van het Mondiaal Pact van de VN inzake migratie . Derhalve moet doeltreffende samenwerking van derde landen met de Unie op dit gebied een integraal onderdeel vormen van de algemene beginselen van deze verordening. Een grotere coherentie tussen het migratie- en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is van belang om ervoor te zorgen dat ontwikkelingshulp de partnerlanden bijstaat om migratie doeltreffender te beheren. Deze verordening moet bijdragen tot een gecoördineerde, geïntegreerde en gestructureerde benadering van migratie op basis van lokale behoeften en omstandigheden , en daarbij maximaal synergieën en het noodzakelijke hefboomeffect creëren.

Motivering

Er bestaat een nauw verband tussen het migratie- en het ontwikkelingsbeleid. Internationale, nationale, regionale en lokale samenwerking is cruciaal voor het formuleren van een gemeenschappelijk migratiebeleid. Een multilevel-governanceaanpak is een must om tot optimale resultaten te komen. Het is van cruciaal belang dat de EU en de nationale, regionale en lokale overheden nauw met lokale en regionale overheden in de doorreislanden en met het maatschappelijk middenveld, migrantenorganisaties en plaatselijke gemeenschappen in de gastlanden samenwerken.

Wijzigingsvoorstel 4

(COM(2018) 460 final, algemene bepalingen) Artikel 3, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In overeenstemming met lid 1 zijn de specifieke doelstellingen van deze verordening de volgende:

In overeenstemming met lid 1 zijn de specifieke doelstellingen van deze verordening de volgende:

a)

ondersteunen en bevorderen van dialoog en samenwerking met derde landen en regio’s in het nabuurschap, in Afrika ten zuiden van de Sahara, Azië en het Stille-Oceaangebied, en in Amerika en het Caribisch Gebied;

a)

ondersteunen en bevorderen van dialoog en samenwerking met derde landen en regio’s in het nabuurschap , ook op subnationaal niveau , in Afrika ten zuiden van de Sahara, Azië en het Stille-Oceaangebied, en in Amerika en het Caribisch Gebied;

b)

op mondiaal niveau, consolideren en ondersteunen van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, ondersteunen van het maatschappelijk middenveld, bevorderen van stabiliteit en vrede en aanpakken van andere wereldwijde uitdagingen, waaronder migratie en mobiliteit;

b)

op mondiaal niveau, consolideren en ondersteunen van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en gendergelijkheid , ondersteunen van het maatschappelijk middenveld en de lokale en regionale overheden , bevorderen van stabiliteit en vrede en aanpakken van andere wereldwijde uitdagingen, waaronder migratie en mobiliteit;

Motivering

Bijstand en samenwerking op subnationaal (lokaal en regionaal) niveau met entiteiten uit de nabuurschapslanden (m.n. het Oostelijk Partnerschap) die is gericht en afgestemd op lokale behoeften en omstandigheden, kan in veel gevallen betere en inclusievere resultaten opleveren die zichtbaarder zijn voor de burgers dan programma’s met de centrale overheid uit de partnerlanden.

Wijzigingsvoorstel 5

(COM(2018) 460 final, algemene bepalingen) Artikel 4, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De thematische programma’s omvatten maatregelen die verband houden met het nastreven van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen op mondiaal niveau, op de volgende gebieden:

a)

mensenrechten en democratie;

b)

maatschappelijk middenveld;

c)

stabiliteit en vrede;

d)

wereldwijde uitdagingen.

De thematische programma’s omvatten maatregelen die verband houden met het nastreven van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen op mondiaal niveau, op de volgende gebieden:

a)

mensenrechten en democratie;

b)

maatschappelijk middenveld;

c)

lokale en regionale overheden;

d)

stabiliteit en vrede;

e)

wereldwijde uitdagingen.

 

Alle thematische programma’s worden geschraagd door gereserveerde budgetten.

Thematische programma’s kunnen betrekking hebben op alle derde landen, alsmede de landen en gebieden overzee zoals gedefinieerd in Besluit (EU) …/… van de Raad.

Thematische programma’s kunnen betrekking hebben op alle derde landen, alsmede de landen en gebieden overzee zoals gedefinieerd in Besluit (EU) …/… van de Raad.

Ter verwezenlijking van de in artikel 3 vastgestelde doelstellingen worden de thematische programma’s gebaseerd op de actiegebieden die zijn vermeld in bijlage III.

Ter verwezenlijking van de in artikel 3 vastgestelde doelstellingen worden de thematische programma’s gebaseerd op de actiegebieden die zijn vermeld in bijlage III.

Motivering

Zoals opgemerkt in de motivering bij wijzigingsvoorstel 1 wordt in dit advies met klem bepleit dat de lokale en regionale overheden een specifiek, afzonderlijk programma moeten krijgen met een gereserveerd budget voor ontwikkelingssamenwerking en gedurende de programmering als begunstigden in aanmerking moeten worden genomen.

Wijzigingsvoorstel 6

(COM(2018) 460 final, algemene bepalingen) Artikel 4, lid 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Maatregelen in het kader van deze verordening worden hoofdzakelijk uitgevoerd via geografische programma’s.

Maatregelen in het kader van deze verordening worden hoofdzakelijk uitgevoerd via geografische programma’s. Waar passend hebben de geografische programma’s ook lokale en regionale overheden in de nabuurschapslanden als directe begunstigden.

Motivering

De EU-bijstand aan en samenwerking met lokale en regionale overheden van de partnerlanden mogen niet financieel of organisatorisch te lijden hebben als gevolg van een grotere flexibiliteit bij de toewijzing van (financiële) middelen aan de verschillende geografische en thematische programma’s. Het is raadzaam dat de lokale en regionale overheden al vooraf als directe begunstigden van de geografische programma’s worden genoemd.

Wijzigingsvoorstel 7

(COM(2018) 460 final, algemene bepalingen) Artikel 6, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het in lid 1 genoemde bedrag wordt als volgt toegewezen:

Het in lid 1 genoemde bedrag wordt als volgt toegewezen:

a)

68 000  miljoen EUR voor geografische programma’s:

nabuurschapsbeleid: ten minste 22 000  miljoen EUR;

Afrika ten zuiden van de Sahara: ten minste 32 000  miljoen EUR;

Azië en Stille Oceaan: 10 000  miljoen EUR;

Amerika en Caribisch Gebied: 4 000  miljoen EUR;

a)

68 000  miljoen EUR voor geografische programma’s:

nabuurschapsbeleid: ten minste 22 000  miljoen EUR;

Afrika ten zuiden van de Sahara: ten minste 32 000  miljoen EUR;

Azië en Stille Oceaan: 10 000  miljoen EUR;

Amerika en Caribisch Gebied: 4 000  miljoen EUR;

b)

7 000  miljoen EUR voor thematische programma’s:

mensenrechten en democratie: 1 500  miljoen EUR;

maatschappelijk middenveld: 1 500  miljoen EUR;

stabiliteit en vrede: 1 000  miljoen EUR;

mondiale uitdagingen: 3 000  miljoen EUR;

b)

7 500  miljoen EUR voor thematische programma’s:

mensenrechten en democratie: 1 500  miljoen EUR;

maatschappelijk middenveld: 1 500  miljoen EUR;

lokale en regionale overheden: 500 miljoen EUR;

stabiliteit en vrede: 1 000  miljoen EUR;

mondiale uitdagingen: 3 000  miljoen EUR;

c)

4 000  miljoen EUR voor acties voor snelle respons.

c)

4 000  miljoen EUR voor acties voor snelle respons.

Motivering

In lijn met bovenstaande wijzigingsvoorstellen wordt ten zeerste aanbevolen om een evenredig deel van het beschikbare budget voor de geografische programma’s direct toe te wijzen aan programma’s met/voor lokale en regionale overheden, zoals onder het DCI in het MFK 2014-2020 het geval is. Het voorgestelde bedrag (500 miljoen EUR) is gebaseerd op de huidige verdeling van de begrotingslijn voor het maatschappelijk middenveld/lokale overheden (66,16 % voor het maatschappelijk middenveld, 22,05 % voor lokale overheden, 10,4 % voor onderwijs inzake ontwikkeling en bewustwording en 1,39 % voor ondersteuningsmaatregelen; periode 2018-2020) en moet uiteraard zorgvuldig worden berekend, rekening houdend met het absorptiepercentage van de huidige begrotingslijn voor lokale overheden en met vele andere factoren.

Wijzigingsvoorstel 8

(COM(2018) 460 final, algemene bepalingen) Artikel 8, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Unie bevordert, ontwikkelt en bestendigt de beginselen waarop zij is gegrondvest, namelijk de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, door middel van dialoog en samenwerking met de partnerlanden en -regio’s.

De Unie bevordert, ontwikkelt en bestendigt de beginselen waarop zij is gegrondvest, namelijk de democratie op alle bestuursniveaus , de rechtsstaat , gendergelijkheid en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, door middel van dialoog en samenwerking met de partnerlanden en -regio’s.

Motivering

De beginselen waarop de EU is gegrondvest, moeten ook de democratie op subnationaal niveau omvatten, aangezien burgers democratie het meest rechtstreeks op lokaal en regionaal bestuursniveau kunnen ervaren. Gendergelijkheid moet aan deze beginselen worden toegevoegd.

Wijzigingsvoorstel 9

(COM(2018) 460 final) Artikel 11, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De programmering van de geografische programma’s biedt een specifiek kader op maat voor samenwerking op basis van:

De programmering van de geografische programma’s biedt een specifiek kader op maat voor samenwerking op basis van:

a)

de behoeften van de partners, vastgesteld op basis van specifieke criteria, waarbij rekening wordt gehouden met de bevolking, armoede, ongelijkheid, menselijke ontwikkeling, economische en ecologische kwetsbaarheid en weerbaarheid van de staat en de maatschappij;

a)

de behoeften van de partners, vastgesteld op basis van specifieke criteria, waarbij rekening wordt gehouden met de bevolking, armoede, ongelijkheid, menselijke ontwikkeling, economische en ecologische kwetsbaarheid en weerbaarheid van de staat en de maatschappij;

b)

de capaciteit van de partners om financiële middelen te mobiliseren en te gebruiken en hun absorptievermogen;

b)

de capaciteit van de partners om financiële middelen te mobiliseren en te gebruiken en hun absorptievermogen;

c)

de verbintenissen van de partners en hun prestaties, vastgesteld op basis van criteria zoals politieke hervorming en economische en sociale ontwikkeling;

c)

de verbintenissen van de partners en hun prestaties, vastgesteld op basis van criteria zoals politieke hervorming en economische en sociale ontwikkeling en hun bereidheid om met hun lokale en regionale overheden samen te werken bij de uitwerking, uitvoering en monitoring van de programma’s ;

d)

het potentiële effect van de financiering van de Unie in partnerlanden en partnerregio’s;

d)

het potentiële effect van de financiering van de Unie in partnerlanden en partnerregio’s , onder meer in de vorm van kleinschalige projecten die ook voor lokale en regionale entiteiten toegankelijk zijn ;

e)

de capaciteit en de inzet van de partners voor de bevordering van gemeenschappelijke belangen en waarden, en voor de ondersteuning van gemeenschappelijke doelstellingen en multilaterale allianties, alsmede de bevordering van EU-prioriteiten.

e)

de capaciteit en de inzet van de partners voor de bevordering van gemeenschappelijke belangen en waarden, en voor de ondersteuning van gemeenschappelijke doelstellingen en multilaterale allianties, alsmede de bevordering van EU-prioriteiten.

Motivering

Op grond van het voorgestelde artikel 11 „… worden acties zo veel mogelijk gebaseerd op een dialoog tussen de Unie, de lidstaten en de betrokken partnerlanden, met inbegrip van nationale en lokale autoriteiten …”. Dit is een goed uitgangspunt, maar daaraan zou moeten worden toegevoegd dat de programmabeginselen ook ten zeerste samenwerking aanmoedigen met de lokale en regionale overheden (en andere stakeholders) bij de uitwerking, uitvoering en monitoring van de programma’s (ook in het licht van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid). Deze expliciete vermelding is met name van belang voor activiteiten in landen waar niet of nauwelijks met de lokale en regionale overheden wordt samengewerkt.

Verder is het van het allergrootste belang de programmamiddelen toegankelijk te houden voor alle typen lokale en regionale overheden, van groot tot klein, inclusief plattelandsgebieden en middelgrote steden, aangezien die allemaal in dezelfde gebieden opereren en dienen samen te werken om duurzame (lokale) ontwikkeling te realiseren (zoals uitgelegd in de territoriale aanpak van de EU van lokale ontwikkeling).

In lijn hiermee moeten door middel van het nieuwe NDICI naast megaprojecten ook kleinschalige projecten worden gestimuleerd en gefinancierd (d.w.z. voortborduren op bestaande stedelijke of andere subnationale partnerschappen, of partnerschappen met meerdere belanghebbenden) en moet capaciteitsvergroting van lokale en regionale overheden ermee worden vergemakkelijkt, zodat alle typen lokale en regionale overheden zich kunnen inzetten voor duurzame ontwikkeling.

Wijzigingsvoorstel 10

(COM(2018) 460 final — Titel II, Hoofdstuk III) Artikel 22, lid 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De samenwerking tussen de Unie en haar partners kan onder andere de volgende vormen aannemen:

De samenwerking tussen de Unie en haar partners kan onder andere de volgende vormen aannemen:

[…]

[…]

(b)

maatregelen voor administratieve samenwerking zoals twinning tussen overheidsinstellingen, lokale overheden, nationale overheidsorganen en privaatrechtelijke entiteiten met een openbaredienstverleningstaak van de lidstaten en van de partnerlanden en -regio’s, alsmede samenwerkingsmaatregelen waarbij door de lidstaten en hun regionale en lokale autoriteiten uitgezonden deskundigen van de overheidssector worden betrokken;

b)

maatregelen voor administratieve samenwerking zoals twinning tussen overheidsinstellingen, lokale overheden, nationale overheidsorganen en privaatrechtelijke entiteiten met een openbaredienstverleningstaak van de lidstaten en van de partnerlanden en -regio’s, alsmede samenwerkingsmaatregelen waarbij door de lidstaten en hun regionale en lokale autoriteiten uitgezonden deskundigen van de overheidssector worden betrokken , in het bijzonder via het Taiex-mechanisme en het Sigma-programma ;

Motivering

De expliciete verwijzing naar het gebruik van Taiex en Sigma dient ter onderbouwing van de inzet van zeer doeltreffende instrumenten voor technische bijstand op alle bestuursniveaus.

Bijlage II — Samenwerkingsgebieden voor geografische programma’s

Wijzigingsvoorstel 11

(COM(2018) 460 final, bijlage II) A.1 (a)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Versterking van de democratie en democratische processen, goed bestuur en toezicht, met inbegrip van transparante en geloofwaardige verkiezingsprocessen;

Versterking van de democratie en democratische processen, goed bestuur en toezicht op nationaal en subnationaal niveau , met inbegrip van transparante en geloofwaardige verkiezingsprocessen op die niveaus ;

Motivering

In de in 2017 door de EU en de lidstaten overeengekomen Europese consensus inzake ontwikkeling worden lokale en regionale overheden ertoe opgeroepen om actief deel te nemen aan besluitvormingsprocessen en die te controleren (punt 83).

Zelf heeft het CvdR deelgenomen aan verkiezingswaarnemingsmissies op lokaal en regionaal niveau, die democratische processen verstevigen en bijdragen tot de kwaliteit daarvan.

Wijzigingsvoorstel 12

(COM(2018) 460 final, bijlage II) A.2 (l)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

ondersteuning van lokale overheden bij de verbetering van basisdiensten op stedelijk niveau, van gelijke toegang tot voedsel en tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting, en van de levenskwaliteit, met name voor degenen die in informele nederzettingen en sloppenwijken wonen;

ondersteuning van lokale en regionale overheden bij de verbetering van basisdiensten op hun bestuurs niveau, van gelijke toegang tot voedsel en tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting, en van de levenskwaliteit, met name voor degenen die in informele nederzettingen en sloppenwijken wonen;

Motivering

In dit artikel wordt voorgesteld om lokale overheden te ondersteunen bij de verbetering van basisdiensten op stedelijk niveau. Het is belangrijk expliciet te stellen dat het NDICI met het hele „stelsel van steden” wil werken. Steden zijn slechts één component in een nationaal stelsel van lokale overheden: ontwikkelingsvereisten in derde landen moeten nationaal worden beheerd en lokaal aangestuurd over verschillende bestuursniveaus, gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld heen. Dit strookt ook met de territoriale benadering van lokale ontwikkeling van de Europese Commissie, waarin wordt benadrukt dat regionale en lokale overheden vaak een coördinerende rol spelen binnen hun grondgebied en daarbij advies inwinnen bij en samenwerken met de private sector, maatschappelijke organisaties, universiteiten, kenniscentra en andere bestuursniveaus.

Bijlage III — Actiegebieden voor thematische programma’s

Wijzigingsvoorstel 13

(COM(2018) 460 final, bijlage III), nieuwe paragraaf 3 invoegen

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

 

Versterking van de rol van de lokale en regionale overheden als actoren van ontwikkeling:

a)

vergroting van de bevoegdheden van de lokale en regionale overheden, met name via internationale partnerschappen tussen lokale en regionale overheden uit Europese en partnerlanden voor de uitvoering van de Agenda 2030 met specifieke financiële middelen, teneinde hun bestuurscapaciteiten en hun capaciteiten voor politieke dialoog met de nationale overheden te versterken en decentralisatieprocessen te ondersteunen;

b)

bevordering van decentrale ontwikkelingssamenwerking in al haar vormen;

c)

vergroting van de capaciteit van Europese en zuidelijke netwerken, platformen en allianties van lokale en regionale autoriteiten, zodat een substantiële en permanente beleidsdialoog op het gebied van ontwikkeling gegarandeerd is en democratisch bestuur gestimuleerd wordt, met name door de territoriale aanpak van lokale ontwikkeling;

d)

meer interactie met Europese burgers over ontwikkelingsvraagstukken (bewustmaking, het delen van kennis, betrokkenheid), met name met betrekking tot de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, ook in de lidstaten en de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten.

Motivering

De voorwaarden voor de betrokkenheid van de regionale en lokale overheden bij de Europese programma’s na de programmeringsfase moeten nog worden verduidelijkt. Hetzelfde geldt voor de manier waarop zij zullen worden geraadpleegd over de prioriteiten van de geografische programma’s. Door voor de lokale en regionale overheden een apart actiegebied toe te voegen zal er geen twijfel meer over bestaan of bij de beleidsuitvoering met deze doelgroep/begunstigden/partners voldoende rekening wordt gehouden.

De toegevoegde waarde van decentrale samenwerking (d.w.z. internationale partnerschappen tussen lokale en regionale overheden) wordt niet expliciet vermeld in de diverse voorstellen betreffende „Nabuurschap en internationaal beleid”. Decentrale samenwerking is een belangrijk instrument voor ontwikkeling, wat door de Europese instellingen en lidstaten is erkend in de nieuwe consensus inzake ontwikkeling uit 2017. Het is een doeltreffend instrument om de capaciteit op te bouwen van regionale en lokale overheden uit EU-partnerlanden om plannen te ontwikkelen, diensten te verlenen en de kwaliteit van decentralisatiehervormingen te verbeteren. Dit soort internationale samenwerking bestaat al decennialang en veel Europese regionale en lokale overheden werken eraan mee. Decentrale samenwerking mag niet worden gezien als partnerschappen met een beperkt thematisch toepassingsgebied (bijv. watervoorziening, afvalbeheer of stadsplanning), aangezien deze samenwerking kan zorgen voor een versterking van het ruimere bestuurskader. De geografische programma’s moeten ook daarvoor ruimte bieden.

Wijzigingsvoorstel 14

(COM(2018) 460 final, bijlage III) 4. Actiegebieden voor mondiale uitdagingen

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

D.

PARTNERSCHAPPEN

 

1.

Versterking van de rol van de plaatselijke overheden als actoren van ontwikkeling

a)

Vergroting van de capaciteit van Europese en zuidelijke netwerken, platformen

en allianties van lokale autoriteiten, zodat een substantiële en permanente beleidsdialoog op het gebied van ontwikkeling gegarandeerd is en democratisch bestuur gestimuleerd wordt, met name door de territoriale aanpak van lokale ontwikkeling;

b)

meer interactie met Europese burgers over ontwikkelingsvraagstukken (bewustmaking,

het delen van kennis, betrokkenheid), met name met betrekking tot de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, ook in de Unie en de (potentiële) kandidaat-lidstaten.

 

Motivering

Doordat in wijzigingsvoorstel 13 voor de lokale en regionale overheden een apart actiegebied wordt toegevoegd, hoeven ze niet meer te worden vermeld onder de actiegebieden voor mondiale uitdagingen.

IPA III-voorstel

Wijzigingsvoorstel 15

(COM(2018) 465 final) Artikel 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

5.     De Commissie neemt in overleg met de lidstaten ook de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de lokale en regionale overheden worden betrokken bij het bepalen van de specifieke doelstellingen die met de steun uit hoofde van deze verordening worden nagestreefd.

Motivering

Een van de specifieke doelstellingen van IPA III is versterking van de effectiviteit van het openbaar bestuur en ondersteuning van structurele hervormingen en goed bestuur op alle niveaus. Daarom moeten de lokale en regionale overheden bij de strategische planning worden betrokken. De Commissie wordt ook aangemoedigd om ad-hocuitvoeringsmodaliteiten op te stellen, zodat het Taiex- en twinningmechanisme ingezet kan worden voor de samenwerking tussen de lokale en regionale overheden van de lidstaten en de (potentiële) kandidaat-lidstaten.

Wijzigingsvoorstel 16

(COM(2018) 465 final) Artikel 9, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Ten hoogste 3 % van de financiële middelen wordt toegewezen aan programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking tussen de in bijlage I vermelde begunstigden en de lidstaten, in overeenstemming met hun behoeften en prioriteiten.

Ten hoogste 3 % van de financiële middelen wordt toegewezen aan programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking tussen de in bijlage I vermelde begunstigden en de lidstaten, in overeenstemming met hun behoeften en prioriteiten en met inbegrip van steun voor capaciteitsopbouw op lokaal en regionaal niveau .

Motivering

Capaciteitsopbouw op lokaal en regionaal niveau moet een van de prioriteiten zijn die in de financiële toewijzing worden weerspiegeld.

Wijzigingsvoorstel 17

(COM(2018) 465 final) bijlage II

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

f)

Het bevorderen van plaatselijke en regionale governance alsmede het versterken van de capaciteit van plaatselijke en regionale autoriteiten op het gebied van planning en administratie.

Motivering

Dit prioritaire thema mag niet alleen onder de steun voor grensoverschrijdende samenwerking worden genoemd.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Inleidende opmerkingen

1.

neemt met belangstelling kennis van het voorstel van de Commissie voor het MFK 2021-2027, met inbegrip van de voorstellen in het hoofdstuk „Nabuurschap en internationaal beleid”, met name die betreffende het nieuwe NDICI en van de verlenging van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) in IPA III.

2.

Het is een goede zaak dat de voorgestelde begroting voor het externe optreden van de Unie zal worden verhoogd (tot 123 miljard EUR, ten opzichte van 94,5 miljard EUR voor de periode 2014-2020), waardoor deze ongeveer 10 % van het totale MFK bedraagt (zoals voorgesteld). Deze voorgestelde verhoging is direct nodig gezien de mondiale uitdagingen en moet als minimum worden beschouwd bij de huidige onderhandelingen over het MFK.

3.

Het CvdR heeft waardering voor de ambitie van de Commissie voor een consistenter, samenhangender en soepeler extern optreden van de EU, gezien de mondiale uitdagingen zoals klimaatverandering, grootschalige verstedelijking en sociale en economische onrust, die allemaal vragen om multidimensionale en complexe oplossingen of benaderingen.

4.

Het Comité is ingenomen met de geplande verbetering van effectiviteit door meerdere instrumenten voor extern optreden samen te voegen in het voorgestelde NDICI, teneinde de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en de weerbaarheid te vergroten, in lijn met advies COR 2017/03666. Alles zal echter afhangen van het operationeel maken van de huidige voorstellen. Te allen tijde moet worden voorkomen dat de kloof tussen beleid en uitvoering groter wordt (d.w.z. dat modaliteiten niet worden gewijzigd om soepeler te zijn).

5.

Lokale en regionale overheden komen aan bod in de pijler „Mondiale uitdagingen” van het voorgestelde NDICI en komen ook voor in het „regionale” deel van de geografische pijler. De andere EU-instellingen zouden de zekerheid moeten verschaffen dat lokale en regionale overheden daadwerkelijk eenvoudig toegang krijgen tot deze programma’s en budgetten.

6.

Het Comité is het ermee eens dat het stimuleren van investeringen voor het scheppen van banen en het versterken van de rol van de particuliere sector van cruciaal belang is voor de ontwikkeling, en is daarom ingenomen met de Mededeling over een nieuwe Afrikaans-Europese alliantie voor duurzame investeringen en banen: ons partnerschap voor investeringen en banen naar een hoger niveau tillen, die tot doel heeft om het scheppen van 10 miljoen banen in Afrika te ondersteunen.

7.

Door de lokale en regionale overheden van derde landen te betrekken en specifieke financiële middelen voor hen uit te trekken zal worden bijgedragen tot de ontwikkeling van de plaatselijke samenleving en dus tot het verwezenlijken van de doelstellingen van de EU.

8.

Het is een goede zaak dat het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III), zijnde een relevant en betekenisvol instrument, wordt verlengd. Daarnaast worden de specifieke doelstellingen van IPA III op prijs gesteld: versterking van de effectiviteit van het openbaar bestuur, ondersteuning van structurele hervormingen en goed bestuur op alle niveaus, evenals steun voor de territoriale en grensoverschrijdende samenwerking.

Zorgpunten en kansen

9.

De integratie van verschillende instrumenten voor extern optreden in één NDICI creëert uitdagingen, maar biedt ook kansen. Het Comité benadrukt dat met het NDICI ook de ontwikkelingsdoelstellingen voor de lange termijn moeten blijven worden verwezenlijkt die met het voormalige EOF werden nagestreefd.

10.

Omdat de middelen voor extern optreden in toenemende mate op geografische basis worden toegewezen, spreekt het CvdR de zorg uit dat toegang tot financiering voor lokale en regionale overheden moeilijker kan worden of minder vanzelfsprekend, afhankelijk van de specifieke landenstrategieën, die momenteel nog niet bekend zijn. Het CvdR vreest dat de toenemende afhankelijkheid van nationale strategieën en programmering, gebaseerd op kernprioriteiten en strategische investeringen in infrastructuur, leidt tot een grotere focus op begunstigden op nationaal niveau en mogelijk minder aandacht voor besluitvorming en deelname door verschillende belanghebbenden, in alle programmeringsfasen.

11.

De lokale en regionale overheden moeten worden betrokken bij de ontwikkeling van strategieën, programmering en programma-uitvoering, en de kaders voor monitoring en evaluatie moeten op lokaal niveau worden ontwikkeld. Hiermee wordt gewaarborgd dat steun wordt afgestemd op de behoeften van de kandidaten, ook op lokaal en regionaal niveau. Bij de toewijzingen van middelen op basis van prestaties dient rekening te worden gehouden met de vooruitgang in de richting van decentralisatiehervormingen en met lokale democratie/goed bestuur op alle niveaus.

12.

Helaas wordt voorgesteld de voor de lokale en regionale overheden gereserveerde begrotingslijn, beschikbaar in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), stop te zetten in het volgende MFK. Het CvdR wil graag meer inzicht in de achterliggende redenering voor het laten varen van deze gereserveerde begroting, ondanks de vele goede ervaringen met de subsidies/programma’s voor lokale overheden. Deze gereserveerde begroting zou hersteld moeten worden.

13.

Hoewel de begrotingslijn voor de lokale overheden onder het huidige DCI niet volledig is besteed, is te snel de conclusie getrokken dat dit te maken heeft gehad met onvoldoende capaciteit van de lokale en regionale overheden. Andere oorzaken, zoals de strenge eisen voor medefinanciering en complexe aanvraagprocedures, hebben mogelijk meer invloed gehad. Het CvdR roept de EU-instellingen op ruimte te bieden voor verbetering van toegang tot deze begrotingslijn, in plaats van haar direct af te schaffen.

14.

Het CvdR staat er open voor om in de komende maanden de diverse (goede en slechte) ervaringen van leden van het Comité van de Regio’s met de huidige begrotingslijn voor de lokale overheden te delen met de andere EU-instellingen.

15.

Het CvdR faciliteert graag de dialoog en samenwerking met de lokale en regionale overheden in uitbreidings- en buurlanden via de bestaande organen en platformen (Arlem, Corleap, gemengde raadgevende comités en werkgroepen en de strategische partnerschappen van de Europese Commissie met verenigingen van lokale en regionale overheden, waaronder CEMR-Platforma) en wil bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de NDICI- en IPA-verordening. Peer-to-peeracties en -programma’s tussen Europese en lokale en regionale overheden van buiten de EU, zoals het Nicosia-initiatief voor capaciteitsopbouw in Libische gemeenten, laten zien in welke mate samenwerking tussen lokale en regionale overheden bijdraagt aan stabiliteit en welvaart in onze nabuurschap.

16.

Het CvdR roept de EU-instellingen op om, ongeacht het resultaat, middelen toegankelijk te houden voor alle typen lokale en regionale overheden, van groot tot klein, inclusief de plattelandsgebieden en middelgrote steden, als knooppunten voor duurzame en inclusieve groei en innovatie, en daardoor aan te sluiten bij de territoriale benadering van lokale ontwikkeling van de EU.

17.

Door middel van het NDICI moeten ook kleinschalige projecten worden gestimuleerd en gefinancierd (d.w.z. voortbordurend op bestaande stedelijke of andere subnationale partnerschappen, of partnerschappen met meerdere belanghebbenden). Daarnaast moet capaciteitsvergroting van lokale en regionale overheden ermee worden vergemakkelijkt, zodat zij beter in staat zijn te handelen in hun coördinerende rol voor territoriale ontwikkeling en de banden tussen stad en platteland te versterken.

18.

Het Comité dringt er bij de EU-wetgevers op aan de voorgestelde instrumenten (NDICI en IPA III) aan te passen om de strategische steun aan lokale en regionale overheden en democratie op subnationaal niveau verder te vergroten. Meer steun voor de lokale democratie zou het optreden van de EU zichtbaarder maken, door het hervormingsproces dicht bij de burgers te brengen en daarmee de eigen verantwoordelijkheid voor het hervormingsproces verder te verankeren in de partnerlanden.

19.

Een andere reden om lokale en regionale overheden consequent te steunen en de regie te laten voeren is dat 65 % van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling niet kan worden bereikt zonder de actieve betrokkenheid van lokale en regionale overheden.

20.

Gedecentraliseerde ontwikkelingssamenwerking (in al haar vormen) is in dit verband een belangrijk instrument, zoals door de Europese instellingen en de lidstaten is erkend in de Europese consensus inzake ontwikkeling. Het CvdR dringt erop aan dat met deze rol en dit instrument in het NDICI meer rekening wordt gehouden.

21.

De beleidsdoelstellingen die specifiek zijn voor de samenwerking tussen de EU en de buurlanden moeten worden nagestreefd en verwezenlijkt, ondanks de samenvoeging van de voorheen afzonderlijke instrumenten. Met name de EU-bijstand aan en samenwerking met lokale en regionale overheden van de partnerlanden mogen niet financieel of organisatorisch te lijden hebben als gevolg van een grotere flexibiliteit bij de toewijzing van (financiële) middelen aan de verschillende geografische en thematische programma’s.

22.

Helaas zijn de Taiex-, jumelage- en Sigma-activiteiten vooral gebruikt ten behoeve van de centrale overheden van begunstigde landen, terwijl alle hoofdstukken van het acquis (in)direct verbonden zijn met (de bevoegdheden van) de lokale en regionale overheden. Deze bevinden zich door hun directe relatie met het publiek in een uitstekende positie om de voordelen van toetreding tot de EU en de voordelen en waarborgen die de EU aan al haar burgers biedt, met name in begunstigden van IPA III, doeltreffend onder de aandacht te brengen. Het Comité is verheugd over de expliciete verwijzing in de NDICI-verordening naar het gebruik van twinning op zowel centraal als lokaal en regionaal niveau, maar verwacht dat ook andere instrumenten zoals Taiex en Sigma op dezelfde niveaus worden ingezet.

Suggesties en aanbevelingen

23.

De Commissie moet er in ieder geval voor zorgen dat de relevante belanghebbenden, met inbegrip van lokale en regionale overheden, terdege worden geraadpleegd en op tijd toegang hebben tot relevante informatie, zodat zij een zinvolle rol kunnen spelen bij de opzet, uitvoering en daarmee verband houdende monitoring van programma’s.

24.

Het CvdR adviseert met klem dat de lokale en regionale overheden een specifiek, afzonderlijk programma moeten krijgen met een gereserveerd budget voor ontwikkelingssamenwerking. Ook moeten zij gedurende de programmering als begunstigden in aanmerking worden genomen.

25.

Het CvdR verzoekt de EU-instellingen ervoor te zorgen dat de lokale en regionale overheden voldoende zijn toegerust om de SDG’s op lokaal niveau aan te pakken, en verzoekt ze deze Agenda expliciet te vermelden in de verordeningen tot vaststelling van de instrumenten. Het zou daarnaast ook helpen als het belang van deze agenda ook tot uiting kwam in de komende begrotingsspecificaties.

26.

De Commissie zou ad-hocuitvoeringsmodaliteiten moeten opstellen, zodat het Taiex- en jumelagemechanisme ingezet kan worden voor de samenwerking tussen de lokale en regionale overheden van de lidstaten en de partnerlanden.

27.

Het CvdR is ingenomen met het initiatief van de Europese Commissie om een evaluatie uit te voeren van de EU-steun aan lokale overheden in uitbreidings- en buurlanden in de periode 2010-2018. Het Comité adviseert om gebruik te maken van de ervaringen met regionale programma’s/projecten die lokale overheden ondersteunen, zoals de Local Administration Facility, Mayors for Economic Growth en het burgemeestersconvenant EAST, om soortgelijke steun voor lokale en regionale overheden in de andere regio’s te ontwikkelen.

28.

Het CvdR is verheugd dat „het bevorderen van plaatselijke en regionale governance alsmede het versterken van de capaciteit van plaatselijke en regionale autoriteiten op het gebied van planning en administratie” een van de prioritaire thema’s is voor steun voor grensoverschrijdende samenwerking (bijlage III) en wenst dat hetzelfde prioritaire thema wordt opgenomen in bijlage II bij de IPA III-verordening.

Brussel, 6 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/310


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het InvestEU-programma

(2019/C 86/17)

Rapporteur:

Konstantinos AGORASTOS (EL/EVP), gouverneur van Thessalië

Referentiedocument:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het InvestEU-programma

COM(2018) 439 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Met 1,8  % van het bbp van de EU, tegen 2,2  % in 2009, lagen de activiteiten op het gebied van infrastructuurinvesteringen in de Unie in 2016 ongeveer 20 % onder de investeringspercentages van vóór de wereldwijde financiële crisis. Hoewel de investeringsquotes in de Unie zich blijken te herstellen, blijven zij zo onder het niveau dat in een krachtige herstelperiode mag worden verwacht en zijn zij ontoereikend om de jarenlange onderinvesteringen te compenseren. Belangrijker is dat de huidige investeringsniveaus en -prognoses niet de structurele investeringsbehoeften van de Unie dekken in het licht van de technologische veranderingen en het mondiale concurrentievermogen, onder meer voor innovatie, vaardigheden, infrastructuur, kleine en middelgrote ondernemingen („kmo’s”) en de noodzaak om belangrijke maatschappelijke uitdagingen zoals duurzaamheid of vergrijzing aan te pakken. Voortzetting van de steun is dan ook nodig om marktfalen en suboptimale investeringssituaties aan te pakken en de investeringskloof in bepaalde sectoren te verkleinen teneinde de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken.

Met 1,8  % van het bbp van de EU, tegen 2,2  % in 2009, lagen de activiteiten op het gebied van infrastructuurinvesteringen in de Unie in 2016 ongeveer 20 % onder de investeringspercentages van vóór de wereldwijde financiële crisis. In absolute termen liggen in 11 lidstaten de totale investeringen nog steeds onder het niveau van vóór de crisis, terwijl ze in 2015 in meer dan 40 regio’s in de EU meer dan 25 % lager waren vergeleken met 2007. Hoewel de investeringsquotes in de Unie zich blijken te herstellen, zijn zij ongelijk verdeeld, met name in perifere gebieden en/of regio’s die direct gelegen zijn aan de grens tussen lidstaten en tussen lidstaten en niet-EU-landen, en blijven zij zo onder het niveau dat in een krachtige herstelperiode mag worden verwacht en zijn zij ontoereikend om de jarenlange onderinvesteringen te compenseren. Belangrijker is dat de huidige investeringsniveaus en -prognoses niet de structurele investeringsbehoeften van de Unie dekken in het licht van de technologische veranderingen en het mondiale concurrentievermogen, onder meer voor innovatie, vaardigheden, infrastructuur, kleine en middelgrote ondernemingen („kmo’s”) en de noodzaak om belangrijke maatschappelijke uitdagingen zoals duurzaamheid of vergrijzing aan te pakken. Voortzetting van de steun is dan ook nodig om marktfalen en suboptimale investeringssituaties aan te pakken en de investeringskloof in bepaalde sectoren te verkleinen en bij voorkeur in de achterblijvende regio’s, teneinde de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken. In deze achterblijvende regio’s moet de nadruk worden gelegd op investeringen die hun eigen potentieel ontwikkelen en zich richten op comparatieve concurrentievoordelen en zijn afgestemd op hun specifieke behoeften.

Motivering

De ongelijke verdeling van de investeringen tussen lidstaten en regio’s moet worden benadrukt, alsook de noodzaak om met voorrang de investeringskloof te dichten in de regio’s met een aanzienlijk en aanhoudend gebrek aan investeringen.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Op het niveau van de Unie is het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid het kader om nationale hervormingsprioriteiten vast te stellen en toezicht te houden op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van die hervormingsprioriteiten. De strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma’s worden gepresenteerd om een overzicht te bieden van en te zorgen voor de coördinatie van de prioritaire investeringsprojecten die met nationale middelen of EU-middelen, of met beide, moeten worden ondersteund. Voorts kan met deze strategieën de EU-financiering op een samenhangende wijze worden gebruikt en kan de toegevoegde waarde van met name uit hoofde van de Europese structuur- en investeringsfondsen, de Stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU te ontvangen financiële steun in voorkomend geval worden gemaximaliseerd.

Op het niveau van de Unie vormt het Europees Semester voor de coördinatie van het economisch beleid , dat vóór het begin van de volgende programmeringsperiode moet worden hervormd om het af te stemmen op de uitvoering van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, het kader voor de vaststelling van de nationale hervormingsprioriteiten en de monitoring van de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van die hervormingsprioriteiten. De strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma’s worden gepresenteerd om een overzicht te bieden van en te zorgen voor de coördinatie van de prioritaire investeringsprojecten die met nationale middelen of EU-middelen, of met beide, moeten worden ondersteund. Voorts kan met deze strategieën de EU-financiering op een samenhangende wijze worden gebruikt en kan de toegevoegde waarde van met name uit hoofde van de Europese structuur- en investeringsfondsen, de Stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU te ontvangen financiële steun in voorkomend geval worden gemaximaliseerd.

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het InvestEU-fonds dient bij te dragen aan de verbetering van het concurrentievermogen van de Unie, onder meer op het gebied van innovatie en digitalisering, de duurzaamheid van de economische groei van de Unie, de sociale veerkracht en inclusiviteit en de integratie van de kapitaalmarkten van de Unie, met inbegrip van oplossingen voor de aanpak van de fragmentatie ervan en de diversifiëring van de financieringsbronnen voor de ondernemingen in de Unie. Daartoe moet het projecten ondersteunen die technisch en economisch levensvatbaar zijn door een kader te bieden voor het gebruik van vreemdvermogens-, risicodelings- en eigenvermogensinstrumenten, op basis van een garantie uit hoofde van de begroting van de Unie en door bijdragen van de uitvoerende partners. Het moet vraaggestuurd zijn, en de steun in het kader van het InvestEU-fonds moet er tegelijkertijd op gericht zijn bij te dragen tot de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen van de Unie.

Het InvestEU-fonds dient bij te dragen aan de verbetering van het concurrentievermogen van de Unie, onder meer op het gebied van innovatie en digitalisering, de duurzaamheid van de economische groei van de Unie, de sociale weerbaarheid en flexibiliteit ten aanzien van veranderingen en inclusiviteit van de Unie, de economische, sociale en territoriale samenhang van de Unie en de integratie van de kapitaalmarkten van de Unie, met inbegrip van oplossingen voor de aanpak van de fragmentatie ervan en de diversifiëring van de financieringsbronnen voor de ondernemingen in de Unie , vooral kmo’s . Daartoe moet het projecten ondersteunen die technisch en economisch levensvatbaar zijn en voldoen aan een duurzaamheidseffectbeoordeling , door een kader te bieden voor het gebruik van vreemdvermogens-, risicodelings- en eigenvermogensinstrumenten, op basis van een garantie uit hoofde van de begroting van de Unie en door financiële bijdragen van de uitvoerende partners. Het moet vraaggestuurd zijn, en de steun in het kader van het InvestEU-fonds moet er tegelijkertijd op gericht zijn bij te dragen tot de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen van de Unie in coördinatie met de Europese structuurfondsen en investeringsfondsen .

Motivering

Het voorstel is gebaseerd op artikel 173 (Industrie) en artikel 175, derde alinea (Economische, sociale en territoriale samenhang), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Dit laatste moet eveneens worden weerspiegeld in de algemene doelstellingen van het InvestEU-programma, met name gezien de nationale en regionale verschillen ten aanzien van investeringen. Om de nodige financiering voor het bedrijfsleven, met name voor kmo’s, rond te krijgen, moet een beroep worden gedaan op verschillende middelen en instrumenten, waaronder InvestEU en de structuurfondsen, en moet ervoor worden gezorgd dat deze op elkaar zijn afgestemd, rekening houdend met de bestaande nationale en regionale verschillen.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging 9

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Als uitdrukking van het belang van de aanpak van de klimaatverandering in lijn met de toezeggingen van de Unie om het Akkoord van Parijs en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties uit te voeren, zal het InvestEU-programma bijdragen tot de integratie van klimaatmaatregelen en tot het bereiken van een algemene doelstelling van 25 % van de begrotingsuitgaven van de Unie ter ondersteuning van klimaatdoelstellingen. Bij de acties in het kader van het InvestEU-programma zal naar verwachting 30 % van de totale financiële middelen van het InvestEU-programma aan de realisatie van klimaatdoelstellingen bijdragen. De betrokken acties zullen tijdens de voorbereiding en de uitvoering van het InvestEU-programma worden vastgesteld en zullen opnieuw worden beoordeeld in het kader van de betrokken evaluatie- en herzieningsprocedures.

Als uitdrukking van het belang van de aanpak van de klimaatverandering in lijn met de toezeggingen van de Unie om het Akkoord van Parijs en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties uit te voeren, zal het InvestEU-programma bijdragen tot de integratie van klimaatmaatregelen en tot het bereiken van een algemene doelstelling van 30 % van de begrotingsuitgaven van de Unie ter ondersteuning van klimaatdoelstellingen. Bij de acties in het kader van het InvestEU-programma zal naar verwachting 35 % van de totale financiële middelen van het InvestEU-programma aan de realisatie van klimaatdoelstellingen bijdragen. De betrokken acties zullen tijdens de voorbereiding en de uitvoering van het InvestEU-programma worden vastgesteld en zullen opnieuw worden beoordeeld in het kader van de betrokken evaluatie- en herzieningsprocedures.

Motivering

Er moet rekening worden gehouden met de inspanningen voor de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en de Overeenkomst van Parijs.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging 11

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Volgens het Global Risks Report 2018 van het World Economic Forum heeft de helft van de tien meest kritieke risico’s die de wereldeconomie bedreigen, betrekking op het milieu. Dergelijke risico’s zijn onder meer lucht-, bodem- en waterverontreiniging, extreme weersomstandigheden, biodiversiteitsverlies en het falen van de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering. Milieubeginselen zijn sterk verankerd in de Verdragen en veel van het beleid van de Unie. Bijgevolg moet de integratie van milieudoelstellingen in de verrichtingen in verband met het InvestEU-fonds worden bevorderd. Milieubescherming en de daarmee samenhangende preventie en het beheer van risico’s moeten worden geïntegreerd in de voorbereiding en uitvoering van investeringen. De EU moet ook haar uitgaven in verband met biodiversiteit en luchtverontreiniging volgen om te voldoen aan de rapportageverplichtingen krachtens het Verdrag inzake biologische diversiteit en Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad[1]. Investeringen ten behoeve van ecologische duurzaamheidsdoelstellingen moeten daarom worden gevolgd met behulp van gemeenschappelijke methoden die coherent zijn met die welke zijn ontwikkeld in het kader van andere programma’s van de Unie die betrekking hebben op klimaat, biodiversiteit en beheer van luchtverontreiniging, zodat het individuele en gecombineerde effect van investeringen op de belangrijkste componenten van het natuurlijke kapitaal, waaronder lucht, water, land en biodiversiteit, kan worden beoordeeld.

Volgens het Global Risks Report 2018 van het World Economic Forum heeft de helft van de tien meest kritieke risico’s die de wereldeconomie bedreigen, betrekking op het milieu. Dergelijke risico’s zijn onder meer lucht-, bodem- en waterverontreiniging, extreme weersomstandigheden, biodiversiteitsverlies en het falen van de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering. Milieubeginselen zijn sterk verankerd in de Verdragen en veel van het beleid van de Unie. Bijgevolg moet de integratie van milieudoelstellingen en doelstellingen voor rampenbestendigheid in de verrichtingen in verband met het InvestEU-fonds worden bevorderd. Milieubescherming en de daarmee samenhangende preventie en het beheer van risico’s moeten worden geïntegreerd in de voorbereiding en uitvoering van investeringen. De EU moet ook haar uitgaven in verband met biodiversiteit en luchtverontreiniging volgen om te voldoen aan de rapportageverplichtingen krachtens het Verdrag inzake biologische diversiteit en Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad[1]. Investeringen ten behoeve van ecologische duurzaamheidsdoelstellingen moeten daarom worden gevolgd met behulp van gemeenschappelijke methoden die coherent zijn met die welke zijn ontwikkeld in het kader van andere programma’s van de Unie die betrekking hebben op klimaat, biodiversiteit en beheer van luchtverontreiniging, zodat het individuele en gecombineerde effect van investeringen op de belangrijkste componenten van het natuurlijke kapitaal, waaronder lucht, water, land en biodiversiteit, kan worden beoordeeld.

Motivering

Ter wille van de samenhang met het CvdR-advies over de herziening van het Uniemechanisme voor civiele bescherming.

Wijzigingsvoorstel 6

Overweging 17

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Zoals aangegeven in de discussienota over de sociale dimensie van Europa[1] en de Europese pijler van sociale rechten[2], is het opbouwen van een meer inclusieve en eerlijkere Unie voor de Unie een topprioriteit om ongelijkheid aan te pakken en beleid inzake sociale insluiting in Europa te bevorderen. Ongelijkheid van kansen is met name van invloed op de toegang tot onderwijs, opleiding en gezondheidszorg. Investeringen in de sociale, vaardigheden- en met menselijk kapitaal verband houdende economie, alsmede in de integratie van kwetsbare bevolkingsgroepen in de samenleving, kunnen de economische kansen vergroten, vooral als de investeringen op het niveau van de Unie worden gecoördineerd. Het InvestEU-fonds moet worden gebruikt om investeringen in onderwijs en opleiding te ondersteunen, bij te dragen tot een toename van de werkgelegenheid, met name onder ongeschoolden en langdurig werklozen, en de situatie te verbeteren met betrekking tot solidariteit tussen de generaties, de gezondheidssector, dakloosheid, digitale inclusiviteit, gemeenschapsontwikkeling, de rol en de plaats van jongeren in de samenleving en van kwetsbare mensen, waaronder onderdanen van derde landen. Het InvestEU-programma moet ook bijdragen aan de ondersteuning van de Europese cultuur en creativiteit. Om de ingrijpende transformaties van samenlevingen in de Unie en de arbeidsmarkt in het komende decennium tegen te gaan, is het noodzakelijk te investeren in menselijk kapitaal, microfinanciering, financiering van sociale ondernemingen en nieuwe bedrijfsmodellen voor sociale economie, waaronder investeringen in sociale effecten en sociale uitbesteding. Het InvestEU-programma moet het zich ontwikkelende socialemarktecosysteem versterken door het aanbod van en de toegang tot financiering voor micro- en sociale ondernemingen te vergroten, om tegemoet te komen aan de vraag van degenen die dit het meest nodig hebben. In het verslag van de taskforce op hoog niveau inzake investeringen in sociale infrastructuur in Europa[3] is vastgesteld dat er investeringskloven zijn met betrekking tot sociale infrastructuur en diensten, onder meer op het gebied van onderwijs, opleiding, gezondheid en huisvesting, die steun vergen ook op het niveau van de Unie. Bijgevolg moeten de collectieve kracht van publiek, commercieel en filantropisch kapitaal en de steun van stichtingen worden aangewend om de ontwikkeling van de waardeketen van de sociale markt en een veerkrachtigere Unie te ondersteunen.

Zoals aangegeven in artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de discussienota over de sociale dimensie van Europa[1] en de Europese pijler van sociale rechten[2], is het opbouwen van een meer inclusieve en eerlijkere Unie voor de Unie een topprioriteit om ongelijkheid aan te pakken en beleid inzake sociale insluiting in Europa te bevorderen. Ongelijkheid van kansen is met name van invloed op de toegang tot onderwijs, opleiding, scholing, het vinden van een eerste baan en gezondheidszorg. Investeringen in de sociale, vaardigheden- en met menselijk kapitaal verband houdende economie, alsmede in de integratie van kwetsbare bevolkingsgroepen in de samenleving, kunnen de economische kansen vergroten, vooral als de investeringen op het niveau van de Unie worden gecoördineerd en gericht zijn op sectoren die te kampen hebben met problemen ten gevolge van een tekort aan arbeidskrachten en de aanpassing aan nieuwe technologieën . Het InvestEU-fonds moet worden gebruikt om investeringen in onderwijs en opleiding te ondersteunen, bij te dragen tot een toename van de werkgelegenheid, met name onder ongeschoolden , pas afgestudeerden (graduates) en langdurig werklozen, nieuwe „werkgelegenheidsniches” te ontwikkelen die nieuwe mogelijkheden scheppen voor toetreding tot de arbeidsmarkt en de situatie te verbeteren met betrekking tot solidariteit tussen de generaties, de gezondheidssector, huisvesting, dakloosheid, digitale inclusiviteit, gemeenschapsontwikkeling, de rol en de plaats van jongeren in de samenleving en op de arbeidsmarkt, en van kwetsbare mensen, waaronder onderdanen van derde landen. Het InvestEU-programma moet ook bijdragen aan de ondersteuning van de Europese cultuur en creativiteit. Om de ingrijpende transformaties van samenlevingen in de Unie en de arbeidsmarkt in het komende decennium tegen te gaan, is het noodzakelijk te investeren in menselijk kapitaal, microfinanciering, financiering van sociale ondernemingen en nieuwe bedrijfsmodellen voor sociale economie, waaronder investeringen in sociale effecten en sociale uitbesteding. Het InvestEU-programma moet het zich ontwikkelende socialemarktecosysteem versterken door het aanbod van en de toegang tot financiering voor micro- en sociale ondernemingen te vergroten, de band tussen bedrijven en onderwijsinstellingen te verstevigen om tegemoet te komen aan de vraag van degenen die dit het meest nodig hebben. In het verslag van de taskforce op hoog niveau inzake investeringen in sociale infrastructuur in Europa[3] is vastgesteld dat er investeringskloven zijn met betrekking tot sociale infrastructuur en diensten, onder meer op het gebied van onderwijs, opleiding, vaardigheden, gezondheid en huisvesting, die steun vergen ook op het niveau van de Unie. Bijgevolg moeten de collectieve kracht van publiek, commercieel en filantropisch kapitaal en de steun van stichtingen worden aangewend om de ontwikkeling van de waardeketen van de sociale markt en een veerkrachtigere Unie te ondersteunen.

Motivering

Op grond van beginsel 19 van de Europese pijler van sociale rechten wordt verwezen naar huisvesting.

Wijzigingsvoorstel 7

Overweging 19

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Elk beleid svenster moet uit twee compartimenten bestaan, namelijk een EU-compartiment en een lidstaatcompartiment. Het EU-compartiment moet marktfalen in de hele Unie of suboptimale investeringssituaties op evenredige wijze aanpakken; ondersteunde acties moeten een duidelijke toegevoegde waarde voor Europa hebben. Het lidstaatcompartiment moet de lidstaten de mogelijkheid bieden een deel van hun middelen van fondsen onder gedeeld beheer bij te dragen voor de voorziening van de EU-garantie om de EU-garantie te gebruiken voor financierings- of investeringsverrichtingen om specifiek marktfalen of suboptimale investeringssituaties op hun eigen grondgebied aan te pakken, ook in kwetsbare en afgelegen gebieden zoals de ultraperifere gebieden van de Unie, teneinde de doelstellingen van het fonds onder gedeeld beheer te verwezenlijken. Acties die uit hoofde van het InvestEU fonds worden gesteund via EU- of lidstaatcompartimenten mogen private financiering niet overlappen of verdringen en mogen de concurrentie op de interne markt niet verstoren.

De beleids vensters moet en marktfalen in de hele Unie of suboptimale investeringssituaties op evenredige wijze aanpakken; ondersteunde acties moeten een duidelijke toegevoegde waarde voor Europa hebben. Acties die uit hoofde van het InvestEU fonds worden gesteund mogen private financiering niet overlappen of verdringen en mogen de concurrentie op de interne markt niet verstoren.

Motivering

De meerwaarde van de compartimenten is niet duidelijk, temeer daar elk door InvestEU medegefinancierd project een Europese meerwaarde moet hebben. Naast de administratieve complexiteit van de compartimenten zou het CvdR zich moeten verzetten tegen elke aansporing aan de lidstaten om hun middelen aan projecten in het kader van het cohesiebeleid te onttrekken. Hoe dan ook moet het CvdR zijn standpunt bepalen conform zijn advies over artikel 10 van de VGB en het overeenkomstige mechanisme van InvestEU.

Wijzigingsvoorstel 8

Overweging 20

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het lidstaatcompartiment moet specifiek zijn geconcipieerd om het mogelijk te maken middelen onder gedeeld beheer te gebruiken voor de voorziening van een garantie die door de Unie wordt verleend. Met deze combinatie wordt beoogd de hoge rating van de Unie te mobiliseren om nationale en regionale investeringen te bevorderen en tegelijkertijd een consistent risicobeheer van de voorwaardelijke verplichtingen te waarborgen door de garantie van de Commissie onder indirect beheer te implementeren. De Unie moet de financierings- en investeringsverrichtingen garanderen waarin de garantieovereenkomsten tussen de Commissie en de uitvoerende partners in het kader van het lidstaatcompartiment voorzien, de Fondsen onder gedeeld beheer moeten voor de voorziening van de garantie zorgen, volgens een voorzieningspercentage dat door de Commissie wordt vastgesteld op basis van de aard van de verrichtingen en de daaruit voortvloeiende verwachte verliezen, en de lidstaat moet de verliezen boven de verwachte verliezen dragen door de verlening van een back-to-backgarantie aan de Unie. Dergelijke regelingen moeten worden gesloten in de vorm van één enkele bijdrageovereenkomst met elke lidstaat die vrijwillig voor deze optie kiest. De bijdrageovereenkomst moet een of meer specifieke garantieovereenkomsten omvatten die in de betrokken lidstaat moeten worden uitgevoerd. De vaststelling van het voorzieningspercentage per geval vereist een afwijking van [artikel 211, lid 1,] van Verordening (EU, Euratom) nr. XXXX[1] (het „Financieel Reglement”). Bij deze opzet is ook voorzien in één regeling voor begrotingsgaranties die worden ondersteund door centraal beheerde fondsen of door fondsen onder gedeeld beheer, waardoor de combinatie ervan zou worden vergemakkelijkt.

 

Motivering

Zie de motivering bij het wijzigingsvoorstel m.b.t. overweging 19.

Wijzigingsvoorstel 9

Nieuwe overweging na overweging 24:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Het InvestEU-fonds dient te worden voorzien van een passende governancestructuur, waarvan de functie evenredig moet zijn met diens enige doel, namelijk het zeker stellen van een passend gebruik van de EU-garantie. Die governancestructuur dient te bestaan uit een adviesraad, een stuurgroep en een investeringscomité. De Commissie moet beoordelen in welke mate de door de uitvoerende partners ingediende investerings- en financieringsverrichtingen verenigbaar zijn met het recht en het beleid van de Unie, terwijl de besluiten over financierings- en investeringsverrichtingen uiteindelijk door een uitvoerende partner moeten worden genomen.

Wijzigingsvoorstel 10

Overweging 29

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Bij de selectie van de uitvoerende partners voor de inzet van het InvestEU-fonds moet de Commissie rekening houden met de capaciteit van de tegenpartij om de doelstellingen van het InvestEU-fonds te verwezenlijken en eigen middelen bij te dragen, teneinde een adequate geografische dekking en diversificatie te waarborgen, private investeerders aan te trekken en te zorgen voor voldoende risicodiversificatie alsmede voor nieuwe oplossingen om marktfalen en suboptimale investeringssituaties aan te pakken. Gezien de rol van de EIB krachtens de Verdragen, haar capaciteit om in alle lidstaten actief te zijn en de ervaring die zij heeft opgedaan in het kader van de huidige financiële instrumenten en het EFSI, dient de Europese Investeringsbank (EIB)-groep een bevoorrechte uitvoeringspartner te blijven in het kader van het EU-compartiment van het InvestEU- fonds . […]

Bij de selectie van de uitvoerende partners voor de inzet van het InvestEU-fonds moet de Commissie rekening houden met de capaciteit van de tegenpartij om de doelstellingen van het InvestEU-fonds te verwezenlijken en eigen middelen bij te dragen, teneinde een adequate geografische dekking en diversificatie te waarborgen, zowel tussen als binnen de lidstaten, private investeerders aan te trekken en te zorgen voor voldoende risicodiversificatie alsmede voor nieuwe oplossingen om marktfalen en suboptimale investeringssituaties aan te pakken. Gezien de rol van de EIB krachtens de Verdragen, haar capaciteit om in alle lidstaten actief te zijn en de ervaring die zij heeft opgedaan in het kader van de huidige financiële instrumenten en het EFSI, dient de Europese Investeringsbank (EIB)-groep een bevoorrechte uitvoeringspartner te blijven in het kader van het InvestEU- programma . […]

Motivering

Wat investeringen betreft bestaan er ook binnen de lidstaten forse regionale verschillen; er moet dus niet alleen op nationaal niveau naar geografische diversificatie worden gekeken.

Wijzigingsvoorstel 11

Overweging 30

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om ervoor te zorgen dat de interventies in het kader van het EU-compartiment van het InvestEU-fonds op marktfalen en suboptimale investeringssituaties op EU-niveau zijn gericht en tegelijkertijd de doelstellingen van een optimale geografische reikwijdte te verwezenlijken, moet de EU-garantie worden toegewezen aan uitvoerende partners, die alleen of samen met andere uitvoerende partners ten minste drie lidstaten kunnen bestrijken. Verwacht wordt echter dat ongeveer 75 % van de EU-garantie in het kader van het EU-compartiment zal worden toegekend aan een uitvoerende partner/uitvoerende partners die in alle lidstaten financiële producten in het kader van het InvestEU-fonds kan/kunnen aanbieden.

Om ervoor te zorgen dat de interventies in het kader van het InvestEU-fonds op marktfalen en suboptimale investeringssituaties op EU-niveau zijn gericht en tegelijkertijd de doelstellingen van een optimale geografische reikwijdte te verwezenlijken, moet de EU-garantie worden toegewezen aan uitvoerende partners, die alleen of samen met andere uitvoerende partners ten minste twee lidstaten kunnen bestrijken. Verwacht wordt echter dat ongeveer 50 % van de EU-garantie in het kader van het EU-compartiment zal worden toegekend aan een uitvoerende partner/uitvoerende partners die in alle lidstaten financiële producten in het kader van het InvestEU-fonds kan/kunnen aanbieden.

Motivering

De toegang moet worden vergemakkelijkt voor zo veel mogelijk uitvoerende partners, met name door de lidstaten die op centraal, regionaal of lokaal niveau geen sterke of al jarenlang functionerende nationale stimuleringsbanken hebben.

Wijzigingsvoorstel 12

Overweging 31

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De EU-garantie in het kader van het lidstaatcompartiment moet worden toegewezen aan elke uitvoerende partner die overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder c)], van het [Financieel Reglement] subsidiabel is, met inbegrip van nationale of regionale stimuleringsbanken of -instellingen, de EIB, het Europees Investeringsfonds en andere multilaterale ontwikkelingsbanken. Bij de selectie van de uitvoerende partners in het kader van het lidstaatcompartiment moet de Commissie rekening houden met de voorstellen van elke lidstaat. Overeenkomstig [artikel 154] van het [Financieel Reglement] moet de Commissie de regels en procedures van de uitvoerende partner beoordelen om zich ervan te vergewissen dat deze een niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie bieden dat gelijkwaardig is aan het door de Commissie geboden niveau.

De EU-garantie moet worden toegewezen aan elke uitvoerende partner die overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder c)], van het [Financieel Reglement] subsidiabel is, met inbegrip van nationale of regionale stimuleringsbanken of -instellingen, de EIB, het Europees Investeringsfonds en andere multilaterale ontwikkelingsbanken. Overeenkomstig [artikel 154] van het [Financieel Reglement] moet de Commissie de regels en procedures van de uitvoerende partner beoordelen om zich ervan te vergewissen dat deze een niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie bieden dat gelijkwaardig is aan het door de Commissie geboden niveau.

Motivering

Zie de motivering bij het wijzigingsvoorstel m.b.t. overweging 19.

Wijzigingsvoorstel 13

Overweging 36

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om te zorgen voor een brede geografische spreiding van de adviesdiensten in de hele Unie en om met succes gebruik te maken van de lokale kennis over het InvestEU-fonds, moet waar nodig worden gezorgd voor een lokale aanwezigheid van de InvestEU-advieshub, rekening houdend met de bestaande steunregelingen, teneinde tastbare, proactieve maatwerkhulp ter plaatse te bieden.

Om te zorgen voor een brede geografische spreiding van de adviesdiensten in de hele Unie en om met succes gebruik te maken van de lokale kennis over het InvestEU-fonds, moet waar nodig worden gezorgd voor een lokale aanwezigheid van de InvestEU-advieshub, rekening houdend , met name in de lidstaten of regio’s die te kampen hebben met een wezenlijk en aanhoudend gebrek aan investeringen, met de bestaande steunregelingen, teneinde tastbare, proactieve maatwerkhulp ter plaatse te bieden.

Motivering

De lidstaten en regio’s die het meest lijden onder een gebrek aan investeringen moeten voorrang krijgen bij de oprichting van een lokale advieshub.

Wijzigingsvoorstel 14

Artikel 2, onder (5)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

„fondsen onder gedeeld beheer”: fondsen die in de mogelijkheid voorzien om een bedrag daarvan toe te wijzen aan de voorziening voor een begrotingsgarantie in het lidstaatcompartiment van het InvestEU-fonds, namelijk het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo);

„fondsen onder gedeeld beheer”: het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo);

Motivering

De mogelijkheid om een bedrag toe te wijzen aan de voorziening voor een begrotingsgarantie is geen kenmerk van fondsen onder gedeeld beheer.

Wijzigingsvoorstel 15

Artikel 2, lid 13

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

„nationale stimuleringsbanken of -instellingen”: juridische entiteiten die beroepsmatig financiële activiteiten verrichten en van een lidstaat of een entiteit van een lidstaat op centraal, regionaal of lokaal niveau de opdracht hebben gekregen om ontwikkelings- of stimuleringsactiviteiten te verrichten;

lokale, regionale en nationale stimuleringsbanken of -instellingen”: juridische entiteiten die beroepsmatig financiële activiteiten verrichten en van een lidstaat of een entiteit van een lidstaat op centraal, regionaal of lokaal niveau de opdracht hebben gekregen om ontwikkelings- of stimuleringsactiviteiten te verrichten;

Motivering

Lokale en regionale stimuleringsbanken dienen specifiek vermeld te worden.

Wijzigingsvoorstel 16

Artikel 3, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De algemene doelstelling van het InvestEU-programma is de ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de Unie door middel van financierings- en investeringsverrichtingen die bijdragen tot:

De algemene doelstelling van het InvestEU-programma is de ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de Unie door middel van financierings- en investeringsverrichtingen die bijdragen tot:

a)

het concurrentievermogen van de Unie, waaronder innovatie en digitalisering;

a)

het concurrentievermogen van de Unie, waaronder innovatie en digitalisering;

b)

de duurzaamheid van de economie van de Unie en van de groei;

b)

de duurzaamheid van de economie van de Unie en van de groei;

c)

de sociale veerkracht en inclusiviteit van de Unie;

c)

de sociale veerkracht en inclusiviteit van de Unie;

d)

de integratie van de kapitaalmarkten van de Unie en de versterking van de eengemaakte markt, met inbegrip van oplossingen om de fragmentatie van de kapitaalmarkten van de Unie aan te pakken, meer diversiteit te brengen in de financieringsbronnen voor ondernemingen in de Unie en houdbare financiering te bevorderen.

d)

de economische, sociale en territoriale samenhang van de Unie;

 

e)

de integratie van de kapitaalmarkten van de Unie en de versterking van de eengemaakte markt , met inbegrip van oplossingen om de fragmentatie van de kapitaalmarkten van de Unie aan te pakken, meer diversiteit te brengen in de financieringsbronnen voor ondernemingen in de Unie en houdbare financiering te bevorderen.

Motivering

Zie het wijzigingsvoorstel m.b.t. overweging 5.

Wijzigingsvoorstel 17

Artikel 4, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De EU-garantie ten behoeve van het EU-compartiment als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), bedraagt 38 000 000 000  EUR (lopende prijzen). Er wordt een voorzieningspercentage van 40 % ingesteld.

De EU-garantie bedraagt 38 000 000 000  EUR (lopende prijzen). Er wordt een voorzieningspercentage van 40 % ingesteld.

Een bijkomend bedrag van de EU-garantie kan worden verstrekt ten behoeve van het lidstaatcompartiment bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b), op voorwaarde dat de overeenstemmende bedragen overeenkomstig [artikel 10, lid 1,] van Verordening [[VGB] nummer] 28 en artikel [75, lid 1,] van Verordening [inzake GLB-plannen.] nummer]29 door de lidstaten worden toegewezen.

Een bijkomend bedrag van de EU-garantie kan worden verstrekt op voorwaarde dat de overeenstemmende bedragen overeenkomstig [artikel 10, lid 1,] van Verordening [[VGB] nummer] 28 en artikel [75, lid 1,] van Verordening [inzake GLB-plannen.] nummer]29 door de lidstaten worden toegewezen.

De bijdragen van derde landen als bedoeld in artikel 5 verhogen eveneens de EU-garantie als bedoeld in de eerste alinea, door het verstrekken van een volledige voorziening in contanten overeenkomstig [artikel 218, lid 2,] van het [Financieel Reglement].

De bijdragen van derde landen als bedoeld in artikel 5 verhogen eveneens de EU-garantie als bedoeld in de eerste alinea, door het verstrekken van een volledige voorziening in contanten overeenkomstig [artikel 218, lid 2,] van het [Financieel Reglement].

Motivering

Zie het wijzigingsvoorstel m.b.t. overweging 19.

Wijzigingsvoorstel 18

Artikel 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het EU-compartiment van het InvestEU-fonds bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), en e lk van de beleidsvensters bedoeld in artikel 7, lid 1, kunnen bijdragen van de volgende derde landen ontvangen om deel te nemen aan bepaalde financiële producten overeenkomstig [artikel 218, lid 2,] van het [Financieel Reglement]:

[…]

E lk van de beleidsvensters bedoeld in artikel 7, lid 1, kunnen bijdragen van de volgende derde landen ontvangen om deel te nemen aan bepaalde financiële producten overeenkomstig [artikel 218, lid 2,] van het [Financieel Reglement]:

[…]

Motivering

Zie de motivering bij het wijzigingsvoorstel m.b.t. overweging 19.

Wijzigingsvoorstel 19

Artikel 7, lid 1, onder a)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

beleidsvenster voor duurzame infrastructuur: omvat duurzame investeringen op het gebied van vervoer, energie, digitale connectiviteit, levering en verwerking van grondstoffen, ruimtevaart, oceanen en water, afval, natuur en andere milieu-infrastructuur, uitrusting, mobiele activa en invoering van innovatieve technologieën die bijdragen aan de doelstellingen inzake milieu of sociale duurzaamheid van de Unie of aan beide, of voldoen aan de normen van de Unie inzake milieu of sociale duurzaamheid;

beleidsvenster voor duurzame infrastructuur: omvat duurzame investeringen op het gebied van vervoer, energie, huisvesting, digitale connectiviteit, levering en verwerking van grondstoffen, ruimtevaart, oceanen en water, afval, natuur en andere milieu-infrastructuur, uitrusting, mobiele activa en invoering van innovatieve technologieën die bijdragen aan de doelstellingen inzake milieu of sociale duurzaamheid van de Unie of aan beide, of voldoen aan de normen van de Unie inzake milieu of sociale duurzaamheid;

Motivering

Invoeging van een verwijzing naar huisvesting, essentieel in het kader van de uitvoering van doelstelling 11 van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling.

Wijzigingsvoorstel 20

Artikel 7, lid 1, onder d)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

beleidsvenster voor sociale investeringen en vaardigheden: omvat microfinanciering, financiering voor sociale ondernemingen en sociale economie; vaardigheden, educatie, opleiding en aanverwante diensten; sociale infrastructuur (met inbegrip van sociale woningen en studentenwoningen); sociale innovatie; gezondheidszorg en langdurige zorg; inclusiviteit en toegankelijkheid; culturele activiteiten met een maatschappelijk doel; integratie van kwetsbare personen, waaronder onderdanen van derde landen;

beleidsvenster voor sociale investeringen en vaardigheden: omvat microfinanciering, financiering voor sociale ondernemingen en sociale economie; vaardigheden, sport en bijbehorende kleinschalige infrastructuur op lokaal niveau, educatie, opleiding en aanverwante diensten; sociale infrastructuur (met inbegrip van sociale woningen en studentenwoningen); sociale innovatie; gezondheidszorg en langdurige zorg; inclusiviteit en toegankelijkheid; culturele activiteiten met een maatschappelijk doel; integratie van kwetsbare personen, waaronder onderdanen van derde landen;

Motivering

Er wordt te weinig geïnvesteerd in lokale sportinfrastructuur, wat de economische groei van de EU-regio’s kan stimuleren, de sociale inclusie en integratie van kansarme groepen kan bevorderen en jongere generaties een betere toekomst kan bieden.

Wijzigingsvoorstel 21

Artikel 7, lid 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De uitvoerende partners verstrekken de nodige informatie voor het volgen van investeringen die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie inzake klimaat en milieu, op basis van de door de Commissie te verstrekken richtsnoeren.

De uitvoerende partners verstrekken de nodige informatie voor het volgen van investeringen die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in verband met de uitvoering van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en met name inzake klimaat en milieu, en in verband met de Europese pijler van sociale rechten, op basis van de door de Commissie te verstrekken richtsnoeren.

Wijzigingsvoorstel 22

Artikel 8

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Elk beleidsvenster bedoeld in artikel 7, lid 1, bestaat uit twee compartimenten die specifieke tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties behandelen als volgt:

Elk beleidsvenster bedoeld in artikel 7, lid 1, behandelt specifieke tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties als volgt:

het EU-compartiment behandelt een van de volgende situaties:

 

tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties met betrekking tot beleidsprioriteiten van de Unie die op het niveau van de Unie worden behandeld;

Uniebrede tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties; of

nieuwe of complexe tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties met het oog op de ontwikkeling van nieuwe financiële oplossingen en marktstructuren;

tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties met betrekking tot beleidsprioriteiten van de Unie die op het niveau van de Unie worden behandeld;

Uniebrede tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties; of

nieuwe of complexe tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties met het oog op de ontwikkeling van nieuwe financiële oplossingen en marktstructuren;

het lidstaatcompartiment behandelt specifieke tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties in één of meer lidstaten om te voldoen aan de doelstellingen van de bijdragende fondsen onder gedeeld beheer.

 

2.     De in lid 1 bedoelde compartimenten kunnen op complementaire wijze worden gebruikt ter ondersteuning van een financierings- of investeringsverrichting, onder meer door steun van beide compartimenten te combineren.

 

Motivering

Zie het wijzigingsvoorstel m.b.t. overweging 19.

Wijzigingsvoorstel 23

Artikel 11, lid 1, nieuw d)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

stroken met de toezeggingen van de Europese Unie voor de uitvoering van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling.

Motivering

n.v.t.

Wijzigingsvoorstel 24

Artikel 12, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De Commissie selecteert overeenkomstig [artikel 154] van het [Financieel Reglement] de uitvoerende partners of een groep van uitvoerende partners, als bedoeld in de tweede alinea van dit lid, uit de in aanmerking komende tegenpartijen.

De Commissie selecteert overeenkomstig [artikel 154] van het [Financieel Reglement] de uitvoerende partners of een groep van uitvoerende partners, als bedoeld in de tweede alinea van dit lid, uit de in aanmerking komende tegenpartijen.

Voor het EU-compartiment hebben de in aanmerking komende tegenpartijen hun interesse laten blijken en zijn zij in staat financierings- en investeringsverrichtingen in ten minste drie lidstaten te dekken. De uitvoerende partners kunnen samen ook financierings- en investeringsverrichtingen in ten minste drie lidstaten dekken door een groep te vormen.

De in aanmerking komende tegenpartijen zijn degene die hun interesse hebben laten blijken en in staat zijn financierings- en investeringsverrichtingen in ten minste twee lidstaten te dekken. De uitvoerende partners kunnen samen ook financierings- en investeringsverrichtingen in ten minste twee lidstaten dekken door een groep te vormen.

Voor het lidstaatcompartiment kan d e betrokken lidstaat één of meer in aanmerking komende tegenpartijen als uitvoerende partners voorstellen uit die welke hun interesse overeenkomstig artikel 9, lid 3, onder c), hebben laten blijken.

De betrokken lidstaat kan één of meer in aanmerking komende tegenpartijen als uitvoerende partners voorstellen uit die welke hun interesse overeenkomstig artikel 9, lid 3, onder c), hebben laten blijken.

Wanneer de betrokken lidstaat geen uitvoerende partner voorstelt, handelt de Commissie in overeenstemming met de tweede alinea van dit lid ten aanzien van de uitvoerende partners die in staat zijn financierings- en investeringsverrichtingen te dekken in de betrokken geografische gebieden.

Wanneer de betrokken lidstaat geen uitvoerende partner voorstelt, handelt de Commissie in overeenstemming met de tweede alinea van dit lid ten aanzien van de uitvoerende partners die in staat zijn financierings- en investeringsverrichtingen te dekken in de betrokken geografische gebieden.

Motivering

Zie de motivering bij het wijzigingsvoorstel m.b.t. overweging 19.

Wijzigingsvoorstel 25

Artikel 12, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Bij de selectie van de uitvoerende partners zorgt de Commissie ervoor dat de portefeuille van financiële producten in het InvestEU-fonds:

Bij de selectie van de uitvoerende partners zorgt de Commissie ervoor dat de portefeuille van financiële producten in het InvestEU-fonds:

a)

de dekking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen maximaliseert;

a)

de dekking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen maximaliseert;

b)

de impact van de EU-garantie maximaliseert door middel van de eigen middelen die door de uitvoerende partner worden ingezet;

b)

de impact van de EU-garantie maximaliseert door middel van de eigen middelen die door de uitvoerende partner worden ingezet;

c)

waar mogelijk particuliere investeringen maximaliseert;

c)

waar mogelijk particuliere investeringen maximaliseert;

d)

geografische diversificatie nastreeft;

d)

brede geografische dekking en diversificatie nastreeft , zowel tussen als binnen de lidstaten ;

e)

voor voldoende risicodiversificatie zorgt;

e)

voor voldoende risicodiversificatie zorgt;

f)

innoverende financiële en risico-oplossingen bevordert om tekortkomingen van de markt en suboptimale investeringssituaties aan te pakken.

f)

innoverende financiële en risico-oplossingen bevordert om tekortkomingen van de markt en suboptimale investeringssituaties aan te pakken.

Motivering

Zie het wijzigingsvoorstel m.b.t. overweging 29.

Wijzigingsvoorstel 26

Artikel 17

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.    De Commissie wordt geadviseerd door een adviesraad die twee formaties heeft, namelijk vertegenwoordigers van de uitvoerende partners en vertegenwoordigers van de lidstaten.

De Commissie en de stuurgroep worden geadviseerd door een adviesraad.

 

De adviesraad bestaat uit:

a)

één vertegenwoordiger van elke uitvoerende partner;

b)

één vertegenwoordiger van elke lidstaat;

c)

één vertegenwoordiger van de EIB;

d)

één vertegenwoordiger van de Commissie;

e)

één deskundige voor elk beleidsonderdeel, aangewezen door het Europees Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité .

2.     Elke uitvoerende partner en elke lidstaat mag voor de betrokken formatie één vertegenwoordiger benoemen.

 

[…]

[…]

Wijzigingsvoorstel 27

Nieuw artikel na artikel 17

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Stuurgroep

1.     Het InvestEU-fonds wordt bestuurd door een stuurgroep die, met het oog op het gebruik van de EU-garantie, in overeenstemming met de algemene doelstellingen van artikel 3, het volgende bepaalt:

a)

de strategische oriëntatie van het InvestEU-fonds;

b)

de operationele beleidslijnen en de procedures die nodig zijn voor de werking van het InvestEU-fonds;

c)

de regels voor de verrichtingen met de investeringsplatformen.

2.     De stuurgroep bestaat uit leden die door de Commissie, de Europese Investeringsbank en de adviesraad worden benoemd uit vertegenwoordigers van de uitvoerende partners.

Wijzigingsvoorstel 28

Nieuw artikel na artikel 17

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

Risicobeoordelingsmethode

1.     De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met een risicobeoordelingsmethode. Deze risicobeoordelingsmethode omvat:

a)

een risicobeoordelingsclassificatie om een consistente en gestandaardiseerde behandeling van alle verrichtingen te garanderen, ongeacht de bemiddelende instelling;

b)

een methodologie voor het beoordelen van de potentiële-verlieswaarde en de kans op wanbetaling, gebaseerd op duidelijke statistische methoden en met inachtneming van milieu-, sociale en governancecriteria (ESG);

c)

een methode voor de beoordeling van het uitstaande bedrag en het verlies bij wanbetaling, rekening houdend met de waarde van de financiering, het projectrisico, de terugbetalingstermijnen, het onderpand en andere relevante indicatoren.

Wijzigingsvoorstel 29

Artikel 18

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Projectteam

Projectteam

1.   Er wordt een projectteam opgericht, bestaande uit deskundigen die kosteloos voor de Uniebegroting door de uitvoerende partners ter beschikking van de Commissie zijn gesteld.

1.   Er wordt een projectteam opgericht, bestaande uit deskundigen die kosteloos voor de Uniebegroting door de uitvoerende partners ter beschikking van de Commissie zijn gesteld. Indien de uitvoerende partners overeenkomstig artikel 12, lid 1, tweede alinea, een team samenstellen, worden alle deskundigen door de uitvoerende partners ter beschikking gesteld van de Commissie.

2.   Elke uitvoerende partner wijst deskundigen aan het projectteam toe. Het aantal deskundigen wordt in de garantieovereenkomst vastgesteld.

2.   Elke uitvoerende partner of team van uitvoerende partners dat werd samengesteld overeenkomstig de tweede alinea van artikel 12, lid 1, wijst deskundigen aan het projectteam toe. Het aantal deskundigen wordt in de garantieovereenkomst vastgesteld.

[…]

[…]

Motivering

De detachering van personeel bij de Commissie kan leiden tot bijzondere druk op de kleinere nationale en regionale banken en stimuleringsinstellingen, die een zekere mate van flexibiliteit moeten kunnen genieten, bijvoorbeeld door het delen van middelen binnen een team.

Wijzigingsvoorstel 30

Artikel 20, lid 2, onder c)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

het ondersteunen van acties en het mobiliseren van lokale kennis om het gebruik van de steun van het InvestEU-fonds in de hele Unie te vergemakkelijken en het actief bijdragen waar mogelijk aan de doelstelling van sectorale en geografische diversificatie van het InvestEU-fonds door de uitvoerende partners te ondersteunen bij het creëren en ontwikkelen van potentiële financierings- en investeringsverrichtingen;

het ondersteunen van acties en het mobiliseren van lokale en regionale kennis om het gebruik van de steun van het InvestEU-fonds in de hele Unie te vergemakkelijken en het actief bijdragen waar mogelijk aan de doelstelling van sectorale en geografische diversificatie van het InvestEU-fonds door de uitvoerende partners te ondersteunen bij het creëren en ontwikkelen van potentiële financierings- en investeringsverrichtingen;

Wijzigingsvoorstel 31

Artikel 20, onder (4)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Er mogen vergoedingen in rekening worden gebracht voor de in lid 2 bedoelde diensten om een deel van de kosten van de dienstverrichting te dekken.

Er mogen vergoedingen in rekening worden gebracht voor de in lid 2 bedoelde diensten om een deel van de kosten van de dienstverrichting te dekken. De diensten van de advieshub InvestEU worden aan publieke projectontwikkelaars kosteloos verstrekt.

Motivering

De vrijstelling van vergoedingen voor publieke projectontwikkelaars strookt met de huidige Europese investeringsadvieshub (Verordening (EU) 2015/1017, artikel 14, lid 4), en dient te worden gehandhaafd.

Wijzigingsvoorstel 32

Artikel 20, onder (6)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De InvestEU-advieshub heeft waar nodig lokale aanwezigheid. Er wordt met name voorzien in een lokale aanwezigheid in lidstaten of regio’s die moeilijkheden ondervinden bij de ontwikkeling van projecten in het kader van het InvestEU-fonds. De InvestEU-advieshub biedt ondersteuning bij de overdracht van kennis aan regionale en lokale instanties teneinde voor de in lid 1 bedoelde steun regionale en lokale capaciteit en deskundigheid op te bouwen.

De InvestEU-advieshub heeft waar nodig lokale aanwezigheid. Er wordt met name voorzien in een lokale aanwezigheid in lidstaten of regio’s die moeilijkheden ondervinden bij de ontwikkeling van projecten in het kader van het InvestEU-fonds , of die te kampen hebben met een wezenlijk en aanhoudend gebrek aan investeringen . De InvestEU-advieshub biedt ondersteuning bij de overdracht van kennis aan regionale en lokale instanties teneinde voor de in lid 1 bedoelde steun regionale en lokale capaciteit en deskundigheid op te bouwen. De aard van deze lokale aanwezigheid wordt bepaald in overleg met de bevoegde nationale, regionale of lokale autoriteiten.

Motivering

Zie het wijzigingsvoorstel m.b.t. overweging 36.

Wijzigingsvoorstel 33

Artikel 21, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het InvestEU-portaal biedt een kanaal voor projectontwikkelaars om hun projecten waarvoor zij financiering zoeken, zichtbaarheid te geven en er investeerders informatie over te verstrekken. De opname van projecten in het InvestEU-portaal heeft geen invloed op de besluiten betreffende de projecten die uiteindelijk worden geselecteerd voor ondersteuning uit hoofde van deze verordening, enig ander Unie-instrument, of voor publieke financiering.

Het InvestEU-portaal biedt een kanaal voor projectontwikkelaars om hun projecten waarvoor zij financiering zoeken, zichtbaarheid te geven en er investeerders informatie over te verstrekken. Het al of niet opnemen van projecten in het InvestEU-portaal heeft geen invloed op de besluiten betreffende de projecten die uiteindelijk worden geselecteerd voor ondersteuning uit hoofde van deze verordening, enig ander Unie-instrument, of voor publieke financiering.

Motivering

Verduidelijkt moet worden dat, terwijl opname in het portaal geen garantie is voor steun via InvestEU of andere instrumenten, dit evenmin een voorwaarde voor deze steun is.

Wijzigingsvoorstel 34

Artikel 21, onder (6)

Nieuw punt 6:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

De uitvoerende partners dragen actief bij aan de promotie en reclame voor het InvestEU-portaal onder projectontwikkelaars en investeerders.

Motivering

Aangezien het portaal een kritische massa gebruikers vergt, zouden ruimere weerklank en bewustmaking nuttig kunnen zijn. De uitvoerende partners kunnen dankzij hun contacten met investeerders en projectontwikkelaars aan deze activiteiten bijdragen.

Wijzigingsvoorstel 35

Bijlage II, punt 2, onder d)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

spoorweginfrastructuur, overige spoorwegprojecten en zeehavens;

spoorweginfrastructuur, overige spoorwegprojecten, binnenvaartinfrastructuur en zeehavens;

Motivering

n.v.t.

Wijzigingsvoorstel 36

Bijlage II, punt 2, onder e)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

ontwikkeling van de volgende generatie batterijen voor elektrische mobiliteit.

Wijzigingsvoorstel 37

Bijlage II, punt 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Financiële steun voor entiteiten met maximaal 3 000 werknemers, vooral voor kmo’s en kleine midcap-ondernemingen, in het bijzonder door middel van:

Financiële steun voor entiteiten met maximaal 3 000 werknemers, vooral voor kmo’s, kleine midcap-ondernemingen en ondernemingen van de sociale economie , in het bijzonder door middel van:

Wijzigingsvoorstel 38

Bijlage III, punt 4, onder 4)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Vervoer: Investeringen gemobiliseerd in TEN-T-projecten waarvan in: TEN-T-kernnetwerk

Vervoer: Investeringen gemobiliseerd in TEN-T-projecten waarvan in: TEN-T-kernnetwerk , uitgebreid TEN-T-netwerk, ontbrekende grensoverschrijdende schakels („missing links”)

Motivering

InvestEU moet bijdragen tot de ontwikkeling van het gehele TEN-T , alsook tot het dichten van grensoverschrijdende lacunes, met name in het spoorwegnet .

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

is ingenomen met de doelstelling van de Europese Commissie voor verdere ondersteuning van investeringen in Europa, voortbouwend op de ervaring die is opgedaan met het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en het investeringsplan in het algemeen, door middel van haar voorstel voor de vaststelling van het InvestEU-programma.

2.

Behalve dat InvestEU gebaseerd is op de markt en de vraag zal het op beleidsvorming gericht zijn. Benadrukt zij de behoefte aan adequate steun voor financierings- en investeringsactiviteiten op het gebied van onderzoek en innovatie. Met name wordt gewezen op het belang van de opname van het beleidsonderdeel „sociale investeringen en vaardigheden” als instrument om te garanderen dat de op regionaal en lokaal niveau zo broodnodige investeringen innovatieve investeringsprojecten voor sociale infrastructuur, ondernemingen van de sociale economie en sociale diensten worden gerealiseerd. Er moet geïnvesteerd worden in sociale projecten van goede kwaliteit, die kleiner, innoverend en financieel risicovoller zijn, maar toch economisch levensvatbaar en met een hoger sociaal rendement. Dit zou de meerwaarde van de EU-garantie kunnen zijn.

3.

In sommige lidstaten en regio’s zijn de investeringsomstandigheden licht verbeterd, maar de bruto-investeringen in vaste activa als deel van het bbp voor de gehele EU zijn nog niet op het niveau van vóór de crisis. De totale investeringen blijven circa 10 % lager dan voor de crisis, met grote verschillen tussen de lidstaten (1).

4.

De situatie van de investeringen loopt op regionaal niveau zelfs nog meer uiteen, en blijft in tal van Europese regio’s bijzonder zorgwekkend. In absolute termen lagen de investeringen in 2015 meer dan 25 % lager dan in 2007. Dit gold voor ruim 40 Europese regio’s in Italië, Portugal, het Verenigd Koninkrijk, Roemenië, Nederland, Ierland, Letland, Slovenië, Kroatië en Cyprus, terwijl ze in de meeste Griekse regio’s meer dan 60 % lager waren (2).

5.

Bezorgd stelt het Comité vast dat de overheidsinvesteringen in de EU ook aanhoudend laag blijven, met name de investeringen door lokale en regionale overheden, die in 2017 als percentage van het bbp nog steeds ruim 30 % lager waren dan in 2009 (3).

6.

Ook de toenemende centralisatie van investeringen baart zorgen: het aandeel van overheidsinvesteringen, gedaan door lokale en regionale overheden blijft gemiddeld nog wel boven de 50 % in de EU, maar is gevoelig gedaald vergeleken met het niveau van 60 % in de jaren ’90 (4).

7.

Het CvdR is zeer bezorgd over deze situatie, aangezien investeringen — zowel particuliere als publieke — een voorwaarde zijn voor het huidige concurrentievermogen en de toekomstige groei en het scheppen van banen, en daarmee voor het welzijn van Europeanen in alle steden en regio’s.

8.

Terwijl de lokale en regionale overheden het meest afhankelijk zijn van begrotingstoewijzingen door de centrale overheid, zijn de bezuinigingen niet volledig van de baan en zijn de LRO nieuwe verplichtingen opgelegd. Daardoor zijn in veel gevallen de beschikbare middelen voor investeringen nog verder gedaald.

9.

Het CvdR roept er nog eens toe op dat door lokale en regionale overheden gedane investeringen die door het InvestEU-programma en de EIB worden gefinancierd, niet worden meegeteld bij de berekening van de staatsschuld en het begrotingstekort van de lidstaten.

10.

Het CvdR verzoekt om de economische, sociale en territoriale samenhang van de Unie op te nemen als doelstelling van het InvestEU-programma, te meer daar de rechtsgrond van het voorstel het derde lid van artikel 175 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie omvat, dat zich toespitst op cohesie. Het is van vitaal belang dat InvestEU geografisch evenwichtig is en dat het zich prioritair richt op regio’s die te kampen hebben met een aanzienlijk en fors gebrek aan investeringen, evenals op bijzonder kwetsbare en afgelegen gebieden zoals de ultraperifere gebieden.

11.

Volgens het CvdR voldoet het voorstel voor een verordening tot vaststelling van het InvestEU-programma aan de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

Financiële instrumenten en InvestEU-fonds

12.

Opnieuw onderstreept het CvdR dat financiële instrumenten belangrijke instrumenten voor territoriale ontwikkeling (5) kunnen zijn, daar terugvorderbare financiering een grotere hefboomwerking van publieke middelen teweeg kan brengen en dus voor een grotere impact kan zorgen in specifieke gevallen waar particuliere financiering publieke middelen kan aanvullen dankzij voldoende investeringen en kasstroom. Dit is met name van belang in tijden van aanhoudend krappe overheidsbegrotingen op alle bestuursniveaus.

13.

De laatste jaren is het aantal financiële instrumenten van de EU echter toegenomen, met verschillende regels voor subsidiabiliteit en rapportageverplichtingen, op een wijze die tot complexiteit en verwarring leidt, terwijl onvoldoende gebruik wordt gemaakt van synergieën en schaalvoordelen. Dit schept een situatie die een doeltreffend en productief gebruik van die instrumenten in de weg staat.

14.

Het Comité beveelt aan om de economische impact van het EFSI tot nu toe in elk van de lidstaten en regio’s te evalueren, en daarbij ook een overzicht te geven van het gebruik van de middelen en de voordelen die daaruit voortvloeien. Deze evaluatie is met name van belang omdat InvestEU, als nieuw financieel instrument van de EU, rechtstreeks gericht zou kunnen worden op echte investeringsprioriteiten en bepaalde vastgestelde tekortkomingen in het huidige gebruik van de EU-begroting zou kunnen voorkomen.

15.

Benadrukt zij dat InvestEU op resultaten gericht moet zijn, in het bijzonder het scheppen van werkgelegenheid en de aanpak van regionale verschillen, alsook de financiering van economisch haalbare projecten. Volgens het Comité kan dit doeltreffender bereikt worden door nauwe samenwerking met de lokale en regionale overheden.

16.

Er moet duidelijk de hand worden gehouden aan het additionaliteitsbeginsel, vooral in het geval van projecten met een hoog risico die worden uitgevoerd in minder ontwikkelde regio’s en overgangsregio’s.

17.

Het Commissievoorstel voor InvestEU kan voor de intermediairs en eindontvangers leiden tot een vereenvoudiging van het gebruik van financiële instrumenten, alsook tot een combinatie van deze instrumenten met andere soorten steun van de EU, zaken die het CvdR al jarenlang bepleit.

18.

Het CvdR blijft echter van mening dat InvestEU bestaande instrumenten van het cohesiebeleid van de EU niet mag vervangen noch hiermee mag concurreren.

19.

Het CvdR is bezorgd over de administratieve last, bureaucratie en vertragingen die waarschijnlijk ontstaan als er aan de procedure voor goedkeuring voor een investeringsproject drie extra fasen toegevoegd worden. Daarom moet gewaarborgd zijn dat het voorgestelde governancesysteem snelle besluiten oplevert, waarbij de snelheid natuurlijk niet de kwaliteit van die besluiten beïnvloedt.

20.

Het valt te overwegen om in het voorstel versnelde procedures op te nemen voor kleinschalige projecten tot een bepaald budget, omdat dergelijke projecten in sommige regio’s gelijkgesteld kunnen worden aan strategische investeringen en een significante hefboomwerking kunnen hebben.

21.

Het CvdR verzoekt de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat het Comité van de Regio’s als waarnemer in de administratieve structuur van InvestEU wordt betrokken, met name in de adviesraad.

22.

Het is positief dat het programma gebaseerd is op een financiële garantie die het, samen met het geringe risico dat voortvloeit uit een breed scala van kwalitatief hoogwaardige en gediversifieerde projecten uit heel Europa, mogelijk maakt dat een kleiner deel van de EU-begroting voor een naar verhouding grotere impact wordt vastgelegd. Voor het totale niveau van de aan te boren investeringen zou de Commissie de lat echter hoger moeten leggen.

23.

Het CvdR steunt het Commissievoorstel voor de uitvoering van de InvestEU-garantie via diverse partners in plaats van uitsluitend door de Europese Investeringsbankgroep (EIB), zoals het geval was voor het EFSI. Om de garantie voor zo veel mogelijk uitvoerende partners toegankelijk te maken, is het toereikend dat die partners uit één lidstaat of regio komen.

24.

De inbreng van tal van uitvoerende partners moet een bredere thematische en geografische dekking van het InvestEU-fonds mogelijk maken in vergelijking met het EFSI, zowel tussen als binnen de lidstaten, tussen regio’s, aangezien deze uitvoerende partners extra diversiteit aan ervaring en een verscheidenheid aan lokale en sectorale expertise met zich meebrengen.

25.

De Commissie zij gewezen op de landen die op nationaal of regionaal niveau de structuren ontberen die hen toegang tot de InvestEU-garantie zouden kunnen verschaffen. Daarom wordt aanbevolen om de totstandbrenging van zulke structuren aan te moedigen en te ondersteunen.

26.

Terwijl het voor de uitvoerende partners passend lijkt om personeel bij de Commissie te detacheren om het InvestEU-projectteam te vormen, gezien hun expertise en de wezenlijke aanvullende capaciteit waarvan de uitvoerende partners dankzij de EU-garantie zullen profiteren, kan de detachering van geschikte experts van hun personeel lastig blijken voor kleinere nationale of regionale stimuleringsbanken en -instellingen. Daarom dringt het Comité voor dergelijke instellingen aan op een zekere flexibiliteit, bijvoorbeeld door het delen van middelen bij de vorming van groepen, overeenkomstig de tweede alinea van artikel 12, lid 1, van de ontwerpverordening.

27.

Het CvdR pleit ervoor dat de beheersautoriteiten van de structuur- en investeringsfondsen (ESIF) vrijwillig en conform de beginselen van een op grond van artikel 6 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor de ESIF vast te stellen gedragscode voor partnerschap en multilevel governance maximaal 5 % van de middelen van deze fondsen aan het InvestEU-programma kunnen bijdragen. Deze bijdrage kan land- of regiospecifieke tekortkomingen van de markt en suboptimale investeringssituaties aanpakken op een wijze die voor een centraal instrument van de EU onmogelijk is.

28.

Verheugend is de bereidheid van de Commissie om de combinatie mogelijk te maken van financieringsinstrumenten met subsidies van andere EU-programma’s door toepassing van de regels van InvestEU op het gehele project, wat een belangrijke vereenvoudiging is. Positief is voorts de voorgestelde stroomlijning van de regels inzake staatssteun voor de financiering van de lidstaten, die beschikbaar wordt gesteld via het InvestEU-fonds of via InvestEU wordt gesteund.

29.

Het CvdR pleit ervoor om meer dan 35 % van het budget van InvestEU te bestemmen voor de verwezenlijking van klimaatdoelstellingen.

30.

Infrastructuur die tot stand is gekomen dankzij via InvestEU uitgevoerde investeringen zou gedurende haar gehele levensduur bestand moeten zijn tegen rampen en klimaatomstandigheden.

31.

De overgang van de huidige naar de volgende programmeringsperiode dient tijdig en vlot te verlopen.

De InvestEU-advieshub

32.

Het CvdR is verheugd dat de Europese investeringsadvieshub (EIAH) van het investeringsplan in het huidige voorstel wordt voortgezet via de advieshub InvestEU. Advies- en ondersteunende diensten blijven van groot belang om suboptimale investeringssituaties in de EU succesvol aan te pakken, met name in regio’s of sectoren waar complexe projecten of innovatieve financieringsoplossingen minder vaak voorkomen.

33.

De medewetgevers worden verzocht om de vrijstelling van vergoedingen voor diensten van de InvestEU-advieshub te handhaven voor publieke projectontwikkelaars, zoals het geval is voor de bestaande EIAH, krachtens artikel 14, lid 4, van de EFSI-Verordening (6), die van groot belang is om de kwaliteit van overheidsinvesteringen te verbeteren, met name van kleinere overheidsorganen en organen met minder ervaring met financiële instrumenten en complexe projecten.

34.

Het is een goede zaak dat de aandacht van de advieshub gericht is op steunverlening voor de oprichting van investeringsplatforms, met name voor grensoverschrijdende investeringen. Voorts is nadere bewustmaking geboden om ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden die investeringsplatforms bieden, vooral voor lokale en regionale overheden.

35.

Het Comité is sterk voorstander van een lokale aanwezigheid van de advieshub, die bepaald moet worden in overleg met de bevoegde nationale, regionale of lokale overheden; deze dient prioritair te worden ontwikkeld in de lidstaten of regio’s die moeilijkheden ondervinden met de uitvoering van projecten uit hoofde van het InvestEU-fonds of die lijden onder een omvangrijk en aanhoudend gebrek aan investeringen.

36.

Het CvdR is zeer ingenomen met de nadruk die de advieshub legt op kennisoverdracht en capaciteitsopbouw op regionaal en lokaal niveau, waar het CvdR in het verleden al op had gewezen, en die cruciaal zijn voor het overbruggen van de investeringskloof in alle regio’s van de EU. Daartoe moet de hub in de eerste plaats de lokale uitvoerende partners helpen om hun capaciteiten voor technische bijstand uit te breiden.

37.

De bestaande door de EU gefinancierde instrumenten voor capaciteitsopbouw komen niet doeltreffend tegemoet aan de behoeften van lokale en regionale overheden en worden onvoldoende benut. Zij moeten beter worden gepromoot en gecoördineerd; voor de advieshub InvestEU is hiertoe een cruciale rol weggelegd.

38.

De Commissie wordt verzocht ervoor te zorgen dat aan de mogelijkheden die de InvestEU advieshub biedt onder projectpromotoren in de EU voldoende ruchtbaarheid wordt gegeven, o.a. in de vorm van een rondreizende presentatie of lokale evenementen. Het CvdR is bereid deze waar nodig naar behoren te ondersteunen.

Het InvestEU-portaal

39.

Het CvdR is verheugd dat het Europees investeringsprojectenportaal (EIPP) van het Investeringsplan in het huidige voorstel wordt voortgezet via het InvestEU-portaal. Het CvdR is een EIPP-partner en heeft een actieve rol gespeeld in de ondersteuning en bevordering ervan, met name onder lokale en regionale autoriteiten in Europa. Waar nodig zal het de ontwikkeling van het InvestEU-portaal blijven steunen.

40.

Het succes van een dergelijk portaal is echter in sterke mate afhankelijk van een kritische massa gebruikers; verdere voorlichting en bewustmaking zijn geboden. Toekomstige uitvoerende partners van InvestEU worden dan ook verzocht om actief bij te dragen aan de promotie van en publiciteit voor het portaal, aangezien zij zich hiervoor in een goede positie bevinden dankzij hun voortdurende contacten met investeerders en projectpromotoren.

41.

Opname van een project in het InvestEU-portaal mag niet worden gezien als een garantie voor steun via InvestEU of via een ander instrument, al dan niet op Europees niveau. Verder zou moeten worden verduidelijkt dat opname in het portaal evenmin kan worden beschouwd als een voorwaarde voor steun van welke aard dan ook, aangezien de indiening door een promotor bij het portaal volledig vrijwillig moet blijven.

Brussel, 6 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Eurostat, gegevensreeks tec00011.

(2)  Eigen berekeningen op basis van gegevens van Eurostat voor bruto-investeringen in vaste activa op NUTS 2-niveau: gegevensreeks nama_10r_2gfcf.

(3)  Eurostat, gegevensreeks tec00022.

(4)  Europese Commissie, zevende Cohesieverslag (blz. 168).

(5)  CvdR-advies: Financiële instrumenten ter ondersteuning van territoriale ontwikkeling: http://webapi.cor.europa.eu/documentsanonymous/cor-2015-01772-00-00-ac-tra-nl.docx

(6)  Verordening (EU) 2015/1017.


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/335


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het steunprogramma voor hervormingen en een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen

(2019/C 86/18)

Rapporteur:

Olga ZRIHEN (BE/PSE), lid van het Waalse Parlement

Referentiedocumenten:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het steunprogramma voor hervormingen

COM(2018) 391 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling van een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen

COM(2018) 387 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN M.B.T. HET STEUNPROGRAMMA VOOR HERVORMINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Structurele hervorming kunnen bijdragen tot een grote veerkracht en een duurzame convergentie van de nationale economieën, wat van essentieel belang is voor een succesvolle en vlotte deelname aan de economische en monetaire unie. Die hoge mate van duurzame convergentie is met name van belang voor de lidstaten buiten de eurozone bij hun voorbereiding voor toetreding tot de eurozone.

Voor de EU relevante structurele hervormingen als vastgesteld in het Europees Semester kunnen bijdragen tot de economische, sociale en territoriale cohesie en tot een grote veerkracht en een duurzame convergentie van de nationale economieën, wat van essentieel belang is voor een succesvolle en vlotte deelname aan de economische en monetaire unie. Die hoge mate van duurzame convergentie is met name van belang voor de lidstaten buiten de eurozone bij hun voorbereiding voor toetreding tot de eurozone.

Wijzigingsvoorstel 2

Overweging 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De uitvoeringsgraad van structurele hervormingen in de lidstaten is over de gehele EU nog steeds niet voldoende. De ervaring met de uitvoering van het mechanisme voor de coördinatie van het economisch beleid in het kader van het Europees Semester leert dat de uitvoering van structurele hervormingen over het geheel genomen traag en ongelijkmatig verloopt en dat de nationale hervormingsinspanningen moeten worden versterkt en gestimuleerd.

De uitvoeringsgraad van voor de EU relevante structurele hervormingen in de lidstaten is over de gehele EU nog steeds niet voldoende. De ervaring met de uitvoering van het mechanisme voor de coördinatie van het economisch beleid in het kader van het Europees Semester leert dat de uitvoering van structurele hervormingen over het geheel genomen traag en ongelijkmatig verloopt en dat de nationale hervormingsinspanningen moeten worden versterkt en gestimuleerd , met name door de betrokkenheid van lokale en regionale overheden, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de aangewezen hervormingsbehoeften, te vergroten .

Wijzigingsvoorstel 3

Overweging 15

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om ervoor te zorgen dat de via het programma ondersteunde hervormingen alle economische en sociale sleutelgebieden bestrijken, moet op verzoek van een lidstaat door de Commissie zowel financiële als technische ondersteuning in het kader van het programma worden verstrekt op een brede waaier aan beleidsterreinen, onder meer het beheer van overheidsfinanciën en activa, institutionele en bestuurlijke hervormingen, ondernemingsklimaat, de financiële sector, de markten voor goederen, diensten en arbeid, onderwijs en opleiding, duurzame ontwikkeling, volksgezondheid en sociale bijstand.

Om ervoor te zorgen dat de via het programma ondersteunde hervormingen de relevante beleidsgebieden bestrijken, moet op verzoek van een lidstaat door de Commissie zowel financiële als technische ondersteuning in het kader van het programma worden verstrekt op een brede waaier aan beleidsterreinen die verband houden met beleidsdoelstellingen van de EU , onder meer het beheer van overheidsfinanciën en activa, institutionele en bestuurlijke hervormingen, ondernemingsklimaat, de financiële sector, de markten voor goederen, diensten en arbeid, onderwijs en opleiding, duurzame ontwikkeling, volksgezondheid en sociale bijstand.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging 17

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om via het programma aanvullende behoeften te ondervangen, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om aan het budget van het programma middelen van de fondsen van de Unie over te dragen die in gedeeld beheer zijn geprogrammeerd, volgens de daarvoor vastgelegde procedure. Overgedragen middelen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de regels van dit programma en ten voordele van de betrokken lidstaat.

Een lidstaat of de Commissie moet de mogelijkheid hebben om, indien overeenkomstig artikel 26 van het onderhavige voorstel toegewezen middelen niet worden vastgelegd, te verzoeken om een overdracht van deze middelen naar de ESI-fondsen ten voordele van de betrokken lidstaat.

Motivering

Deze wijziging zorgt voor samenhang met het voorstel tot wijziging van artikel 21 van de Verordening gemeenschappelijke bepalingen in het desbetreffende ontwerpadvies (COTER-VI-038). De overdracht zou ook coherent zijn, aangezien zowel het Steunprogramma voor hervormingen als de Verordening gemeenschappelijke bepalingen gebaseerd zijn op artikel 175 VWEU.

Wijzigingsvoorstel 5

Overweging 19

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Wat betreft het hervormingsinstrument is het noodzakelijk te bepalen welke types hervormingen voor financiële ondersteuning in aanmerking dienen te komen. Om bij te dragen tot de doelstellingen van het programma moeten de hervormingen die in aanmerking komen de uitdagingen aanpakken die tijdens het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid zijn geïdentificeerd, met inbegrip van de uitdagingen die in de landspecifieke aanbevelingen zijn geïdentificeerd.

Wat betreft het hervormingsinstrument is het noodzakelijk te bepalen welke types hervormingen voor financiële ondersteuning in aanmerking dienen te komen. Om bij te dragen tot de doelstellingen van het programma moeten de hervormingen die in aanmerking komen de uitdagingen aanpakken die tijdens het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid zijn geïdentificeerd, met inbegrip van de uitdagingen die in de landspecifieke aanbevelingen zijn geïdentificeerd en met inachtneming van de respectieve regionale perspectieven .

Motivering

De Commissie is de uitgavenprogramma’s en het Europees Semester duidelijk aan elkaar aan het koppelen. Dit is echter pas zinvol indien de regionale perspectieven verbeterd en in het Europees Semester geïntegreerd worden.

Wijzigingsvoorstel 6

Overweging 20

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om te zorgen voor een zinvolle stimulans voor de lidstaten om structurele hervormingen uit te voeren, is het aangewezen een maximale financiële bijdrage vast te stellen waarover zij via het instrument bij elke fase van de toewijzing en elke oproep kunnen beschikken. Die maximale bijdrage moet worden berekend op basis van de bevolking van de lidstaten . Om te zorgen voor een spreiding van de financiële stimulansen over de hele toepassingsperiode van het programma, moet de toewijzing van fondsen aan de lidstaten in fasen gebeuren. In de eerste fase, die twintig maanden duurt, moet de helft (11 miljard EUR) van de totale middelen van het hervormingsinstrument aan de lidstaten beschikbaar worden gesteld, en kunnen zij middelen ten belope van de maximale toewijzing ontvangen door voorstellen voor hervormingstoezeggingen in te dienen.

Om te zorgen voor een zinvolle stimulans voor de lidstaten om voor de EU relevante structurele hervormingen uit te voeren, is het aangewezen een maximale financiële bijdrage vast te stellen waarover zij via het instrument bij elke fase van de toewijzing en elke oproep kunnen beschikken. Die maximale bijdrage moet worden berekend op basis van de indicatoren die in het kader van het cohesiebeleid voor 2021-2027 zullen worden vastgesteld (bbp per hoofd van de bevolking, jeugdwerkloosheid, laag opleidingsniveau, klimaatverandering en de opvang en integratie van migranten) . Om te zorgen voor een spreiding van de financiële stimulansen over de hele toepassingsperiode van het programma, moet de toewijzing van fondsen aan de lidstaten in fasen gebeuren. In de eerste fase, die twintig maanden duurt, moet de helft (11 miljard EUR) van de totale middelen van het hervormingsinstrument aan de lidstaten beschikbaar worden gesteld, en kunnen zij middelen ten belope van de maximale toewijzing ontvangen door voorstellen voor hervormingstoezeggingen in te dienen.

Wijzigingsvoorstel 7

Overweging 23

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Om ervoor te zorgen dat de lidstaten betrokken zijn en zich richten op relevante hervormingen, moeten zij hervormingstoezeggingen formuleren in reactie op de uitdagingen die in de context van het Europees Semester zijn geïdentificeerd (met inbegrip van de uitdagingen die in de landspecifieke aanbevelingen zijn geïdentificeerd) en een gedetailleerde reeks uitvoeringsmaatregelen voorstellen, die passende mijlpalen en streefdoelen moeten bevatten, en een tijdschema voor de uitvoering binnen een termijn van maximaal drie jaar. De Commissie en de lidstaten moeten tijdens het hele proces streven naar een nauwe samenwerking.

Om ervoor te zorgen dat de lidstaten betrokken zijn en zich richten op relevante hervormingen, moeten zij , met betrokkenheid van alle bestuursniveaus, hervormingstoezeggingen formuleren in reactie op de uitdagingen die in de context van het Europees Semester zijn geïdentificeerd (met inbegrip van de uitdagingen die in de landspecifieke aanbevelingen zijn geïdentificeerd en met inachtneming van de respectieve regionale perspectieven ) en een gedetailleerde reeks uitvoeringsmaatregelen voorstellen, die passende mijlpalen en streefdoelen moeten bevatten, en een tijdschema voor de uitvoering binnen een termijn van maximaal drie jaar. De lidstaten moeten tevens aangeven hoe relevante bestaande beleidsacties van de EU ter ondersteuning van de voorgestelde hervormingen gecoördineerd zijn. De Commissie en de lidstaten moeten tijdens het hele proces streven naar een nauwe samenwerking.

Wijzigingsvoorstel 8

Nieuwe overweging na overweging 23

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

De lidstaten moeten aangeven op welke wijze zij hun lokale en regionale overheden hebben betrokken bij het vaststellen van de hervormingsbehoeften en bij het ontwerpen, uitvoeren, monitoren en evalueren van de hervormingstoezeggingen. Deze betrokkenheid moet op gestructureerde en permanente wijze vorm worden gegeven in het kader van het Europees Semester, zodat lokale en regionale overheden vanaf het begin en als volwaardige partners kunnen deelnemen aan de dialoog met de Commissie die leidt tot de publicatie van de landenverslagen en de landspecifieke aanbevelingen. De lidstaten bepalen hoe deze betrokkenheid wordt georganiseerd in overeenstemming met hun staatsbestel en huidige verdeling van bevoegdheden over de bestuursniveaus.

Wijzigingsvoorstel 9

Overweging 31

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Voor een deugdelijk financieel beheer moeten specifieke regels worden vastgesteld voor de vastleggingen in de begroting, betalingen, en de opschorting, annulering en invordering van middelen. De betalingen moeten worden gebaseerd op een positieve beoordeling door de Commissie van de uitvoering van de hervormingstoezeggingen door de lidstaat . Opschorting en annulering van de financiële bijdrage moet mogelijk zijn wanneer de hervormingstoezeggingen door de lidstaat niet op bevredigende wijze zijn uitgevoerd. Om ervoor te zorgen dat de hervormingen na de uitvoering een duurzame impact hebben, moet een redelijke periode voor de duurzaamheid van de hervormingen na de betaling van de financiële bijdrage worden bepaald. Een periode van vijf jaar moet als een redelijk minimum worden beschouwd. Passende procedures op tegenspraak moeten worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat het besluit van de Commissie over de opschorting, annulering en invordering van betaalde bedragen het recht van de lidstaten vrijwaart om opmerkingen te maken.

Voor een deugdelijk financieel beheer moeten specifieke regels worden vastgesteld voor de vastleggingen in de begroting, betalingen, en de opschorting, annulering en invordering van middelen. De betalingen moeten in jaarlijkse termijnen worden betaald en gebaseerd zijn op een positieve beoordeling door de Commissie van de vorderingen die de lidstaat bij de uitvoering van de hervormingstoezeggingen heeft gemaakt. Opschorting en annulering van de financiële bijdrage moet mogelijk zijn wanneer de hervormingstoezeggingen door de lidstaat niet op bevredigende wijze zijn uitgevoerd. Om ervoor te zorgen dat de hervormingen na de uitvoering een duurzame impact hebben, moet een redelijke periode voor de duurzaamheid van de hervormingen na de betaling van de financiële bijdrage worden bepaald. Een periode van vijf jaar moet als een redelijk minimum worden beschouwd. Passende procedures op tegenspraak moeten worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat het besluit van de Commissie over de opschorting, annulering en invordering van betaalde bedragen het recht van de lidstaten vrijwaart om opmerkingen te maken.

Wijzigingsvoorstel 10

Overweging 32

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Wat betreft het instrument voor technische ondersteuning, maken de lidstaten steeds meer gebruik van technische ondersteuning van het SRSP, meer dan oorspronkelijk was verwacht. Bijna alle lidstaten hebben ondersteuning in het kader van het SRSP aangevraagd en de steunverzoeken zijn verdeeld over alle beleidsterreinen die onder dat programma vallen. Daarom moeten de voornaamste kenmerken van het SRSP worden behouden, met inbegrip van de acties die in aanmerking komen voor financiering via het instrument voor technische ondersteuning.

Wat betreft het instrument voor technische ondersteuning, maken de lidstaten steeds meer gebruik van technische ondersteuning van het SRSP, meer dan oorspronkelijk was verwacht. Bijna alle lidstaten hebben ondersteuning in het kader van het SRSP aangevraagd en de steunverzoeken zijn verdeeld over alle beleidsterreinen die onder dat programma vallen. Daarom moeten de voornaamste kenmerken van het SRSP worden behouden, met inbegrip van de acties die in aanmerking komen voor financiering via het instrument voor technische ondersteuning. De Commissie en de nationale overheden moeten het gebruik van technische ondersteuningsinstrumenten door lokale en regionale overheden aanmoedigen door dergelijke instrumenten volledig open te stellen voor alle bestuursniveaus en het gebruik ervan actief te stimuleren.

Wijzigingsvoorstel 11

Artikel 4

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Algemene doelstellingen

Algemene doelstellingen

Met het programma worden in alle lidstaten de volgende algemene doelstellingen nagestreefd:

Met het programma worden in alle lidstaten de volgende algemene doelstellingen nagestreefd:

a)

helpen bij het aanpakken van uitdagingen op het vlak van nationale structurele hervormingen ter verbetering van de prestaties van de nationale economieën en ter bevordering van veerkrachtige economische en maatschappelijke structuren in de lidstaten, en zo bijdragen tot cohesie, concurrentievermogen, productiviteit, groei en werkgelegenheid; en

a)

helpen bij het aanpakken van uitdagingen op het vlak van op basis van hun relevantie voor de EU in het Europees Semester aangewezen nationale structurele hervormingen ter bevordering van veerkrachtige economische en maatschappelijke structuren in de lidstaten, en zo bijdragen tot cohesie, concurrentievermogen, productiviteit, groei en werkgelegenheid op Europees niveau ; en

b)

bijdragen tot een versterking van de bestuurlijke capaciteit van de lidstaten met betrekking tot uitdagingen voor instellingen, bestuur, overheidsdiensten en economische en sociale sectoren.

b)

bijdragen tot een versterking van de bestuurlijke capaciteit van de lidstaten en hun respectieve lokale en regionale overheden met betrekking tot uitdagingen voor instellingen, bestuur, overheidsdiensten en economische en sociale sectoren.

Wijzigingsvoorstel 12

Artikel 6

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Toepassingsgebied

De in de artikelen 4 en 5 vastgestelde algemene en specifieke doelstellingen hebben betrekking op beleidsgebieden die samenhangen met cohesie, concurrentievermogen, productiviteit, onderzoek en innovatie, slimme, duurzame en inclusieve groei, werkgelegenheid en investeringen, en met name met een of meer van de volgende gebieden:

Toepassingsgebied

De in de artikelen 4 en 5 vastgestelde algemene en specifieke doelstellingen hebben betrekking op beleidsgebieden die relevant zijn voor het behalen van de doelstellingen van het EU-Verdrag, die verband houden met de bevoegdheden van de EU en die samenhangen met cohesie, concurrentievermogen, productiviteit, onderzoek en innovatie, slimme, duurzame en inclusieve groei, werkgelegenheid en investeringen, en met name met een of meer van de volgende gebieden:

Wijzigingsvoorstel 13

Artikel 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Begroting

Begroting

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 25 000 000  EUR in lopende prijzen.

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 25 000 000  EUR in lopende prijzen.

2.   De indicatieve verdeling van het in lid 1 bedoelde bedrag is als volgt:

2.   De indicatieve verdeling van het in lid 1 bedoelde bedrag is als volgt:

tot 22 000 000 000  EUR voor het hervormingsinstrument;

tot 22 000 000 000  EUR voor het hervormingsinstrument;

tot 840 000 000  EUR voor het instrument voor technische ondersteuning;

tot 840 000 000  EUR voor het instrument voor technische ondersteuning;

tot 2 160 000 000  EUR voor de convergentiefaciliteit, waarvan:

tot 2 160 000 000  EUR voor de convergentiefaciliteit, waarvan:

 

i)

tot 2 000 000 000  EUR voor de component financiële ondersteuning;

ii)

tot 160 000 000  EUR voor de component technische ondersteuning.

 

i)

tot 2 000 000 000  EUR voor de component financiële ondersteuning;

ii)

tot 160 000 000  EUR voor de component technische ondersteuning.

Wanneer een lidstaat buiten de eurozone op 31 december 2023 in het kader van de convergentiefaciliteit nog niet de nodige stappen heeft ondernomen om binnen een bepaalde termijn de euro aan te nemen, wordt het voor die lidstaat in het kader van de component financiële ondersteuning van de convergentiefaciliteit beschikbare maximumbedrag overeenkomstig artikel 26 toegewezen aan het in de eerste alinea, onder a), van dit lid genoemde hervormingsinstrument. De Commissie stelt hiertoe een besluit vast na de betrokken lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld opmerkingen te maken binnen twee maanden nadat zij haar conclusies heeft meegedeeld.

Wanneer een lidstaat buiten de eurozone op 31 december 2023 in het kader van de convergentiefaciliteit nog niet de nodige stappen heeft ondernomen om binnen een bepaalde termijn de euro aan te nemen, wordt het voor die lidstaat in het kader van de component financiële ondersteuning van de convergentiefaciliteit beschikbare maximumbedrag overeenkomstig artikel 26 toegewezen aan het in de eerste alinea, onder a), van dit lid genoemde hervormingsinstrument. De Commissie stelt hiertoe een besluit vast na de betrokken lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld opmerkingen te maken binnen twee maanden nadat zij haar conclusies heeft meegedeeld.

3.   De financiële middelen voor het programma kunnen ook uitgaven dekken voor voorbereidende, monitoring-, controle-, audit- en evaluatieactiviteiten die nodig zijn voor het beheer van het programma en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, met name studies, bijeenkomsten van deskundigen, informatie- en communicatieacties, waaronder institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover die verband houden met de doelstellingen van deze verordening, uitgaven in verband met IT-netwerken die gericht zijn op informatieverwerking en -uitwisseling, daaronder begrepen informatietechnologie-instrumenten, en alle andere uitgaven voor technische en administratieve bijstand die door de Commissie voor het beheer van het programma worden gedaan. De uitgaven kunnen, voor elk van de drie in artikel 3 bedoelde instrumenten, ook de kosten van andere ondersteunende activiteiten dekken, zoals kwaliteitscontrole en monitoring van projecten voor technische ondersteuning op het terrein, en de kosten van wederzijdse ondersteuning en van deskundigen voor de evaluatie en de uitvoering van structurele hervormingen.

3.    Indien overeenkomstig artikel 26 van het onderhavige voorstel toegewezen middelen niet worden vastgelegd, kunnen de aan een lidstaat toegewezen middelen op zijn verzoek of op voorstel van de Commissie worden overgeheveld naar de ESI-fondsen ten gunste van de betrokken lidstaat.

4 .   Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert deze middelen uit op directe wijze overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement, dan wel op indirecte wijze overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement. Indien mogelijk worden deze middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.

4.    De financiële middelen voor het programma kunnen ook uitgaven dekken voor voorbereidende, monitoring-, controle-, audit- en evaluatieactiviteiten die nodig zijn voor het beheer van het programma en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, met name studies, bijeenkomsten van deskundigen, informatie- en communicatieacties, waaronder institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover die verband houden met de doelstellingen van deze verordening, uitgaven in verband met IT-netwerken die gericht zijn op informatieverwerking en -uitwisseling, daaronder begrepen informatietechnologie-instrumenten, en alle andere uitgaven voor technische en administratieve bijstand die door de Commissie voor het beheer van het programma worden gedaan. De uitgaven kunnen, voor elk van de drie in artikel 3 bedoelde instrumenten, ook de kosten van andere ondersteunende activiteiten dekken, zoals kwaliteitscontrole en monitoring van projecten voor technische ondersteuning op het terrein, en de kosten van wederzijdse ondersteuning en van deskundigen voor de evaluatie en de uitvoering van structurele hervormingen.

 

5 .   Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert deze middelen uit op directe wijze overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement, dan wel op indirecte wijze overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement. Indien mogelijk worden deze middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.

Motivering

Deze wijziging zorgt voor samenhang met het voorstel tot wijziging van artikel 21 van de Verordening gemeenschappelijke bepalingen in het desbetreffende ontwerpadvies (COTER-VI-038). De overdracht zou ook coherent zijn, aangezien zowel het Steunprogramma voor hervormingen als de Verordening gemeenschappelijke bepalingen gebaseerd zijn op artikel 175 VWEU.

Wijzigingsvoorstel 14

Artikel 9

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In bijlage I wordt een maximale financiële bijdrage vastgesteld die voor elke lidstaat beschikbaar is uit de totale financiële middelen van het in artikel 7, lid 2, onder a), bedoelde hervormingsinstrument. Deze maximale financiële bijdrage wordt voor elke lidstaat berekend aan de hand van de in die bijlage vastgestelde criteria en methode, op basis van de bevolking van elke lidstaat . De maximale financiële bijdrage kan geheel of gedeeltelijk worden toegewezen aan elke lidstaat, in elk stadium en bij elke oproep van het in artikel 10 vastgestelde toewijzingsproces.

In bijlage I wordt een maximale financiële bijdrage vastgesteld die voor elke lidstaat beschikbaar is uit de totale financiële middelen van het in artikel 7, lid 2, onder a), bedoelde hervormingsinstrument. Deze maximale financiële bijdrage wordt voor elke lidstaat berekend aan de hand van de in die bijlage vastgestelde criteria en methode, op basis van de indicatoren die in het kader van het cohesiebeleid voor 2021-2027 zullen worden vastgesteld (bbp per hoofd van de bevolking, jeugdwerkloosheid, laag opleidingsniveau, klimaatverandering en de opvang en integratie van migranten) . De maximale financiële bijdrage kan geheel of gedeeltelijk worden toegewezen aan elke lidstaat, in elk stadium en bij elke oproep van het in artikel 10 vastgestelde toewijzingsproces.

Wijzigingsvoorstel 15

Artikel 11, lid 3, onder e)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

de interne regelingen voor de daadwerkelijke uitvoering van de hervormingstoezeggingen door de betrokken lidstaat, inclusief de voorgestelde mijlpalen en streefdoelen en de desbetreffende indicatoren; en

de interne regelingen voor de daadwerkelijke uitvoering van de hervormingstoezeggingen door de betrokken lidstaat, inclusief de voorgestelde mijlpalen en streefdoelen en de desbetreffende indicatoren , alsook de wijze waarop de lokale en regionale overheden zijn betrokken bij de vaststelling van de hervormingstoezeggingen in het kader van het Europees Semester en de tenuitvoerlegging, monitoring en evaluatie van deze toezeggingen ; en

Wijzigingsvoorstel 16

Artikel 11, lid 3, nieuw punt na e)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

als deel van de interne regelingen voor de tenuitvoerlegging van de hervormingstoezeggingen, speciale maatregelen om de coherentie van en coördinatie tussen het programma, de ESI-fondsen en eventuele andere door de EU gefinancierde programma’s te waarborgen; deze maatregelen moeten een specifiek stappenplan voor de opbouw van capaciteiten van lokale en regionale overheden bevatten;

Wijzigingsvoorstel 17

Artikel 11, lid 9

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het Comité voor de economische politiek, dat is ingesteld bij Besluit 2000/604/EG van de Raad inzake de samenstelling en het statuut van het Comité voor de economische politiek (1), kan zijn advies geven over de door de lidstaten ingediende voorstellen voor hervormingstoezeggingen.

Het Comité voor de economische politiek, dat is ingesteld bij Besluit 2000/604/EG van de Raad inzake de samenstelling en het statuut van het Comité voor de economische politiek31, geeft advies over de door de lidstaten ingediende voorstellen voor hervormingstoezeggingen.

Wijzigingsvoorstel 18

Artikel 12, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In het in lid 1 bedoelde besluit wordt de financiële bijdrage vastgesteld, die in één keer wordt uitbetaald zodra de lidstaat alle in verband met de uitvoering van elke hervormingstoezegging vastgestelde mijlpalen en streefdoelen op bevredigende wijze heeft uitgevoerd.

In het in lid 1 bedoelde besluit wordt de financiële bijdrage vastgesteld, die jaarlijks wordt uitbetaald zodra de lidstaat alle in verband met de uitvoering van elke hervormingstoezegging vastgestelde mijlpalen en streefdoelen voor het desbetreffende jaar op bevredigende wijze heeft uitgevoerd.

In het besluit wordt voorts de termijn voor de uitvoering van de hervormingstoezeggingen vastgesteld, die niet meer bedraagt dan drie jaar vanaf de vaststelling van het besluit. Het besluit bevat ook de gedetailleerde regelingen en het tijdschema voor de uitvoering van de hervormingstoezeggingen en de verslaglegging daarover door de betrokken lidstaat in het kader van het Europees Semester, de relevante indicatoren voor het bereiken van de mijlpalen en streefdoelen, alsook de voorwaarden voor toegang door de Commissie tot de relevante onderliggende gegevens.

In het besluit wordt voorts de termijn voor de uitvoering van de hervormingstoezeggingen vastgesteld, die niet meer bedraagt dan drie jaar vanaf de vaststelling van het besluit. Het besluit bevat ook de gedetailleerde regelingen en het tijdschema voor de uitvoering van de hervormingstoezeggingen en de verslaglegging daarover door de betrokken lidstaat in het kader van het Europees Semester, de relevante indicatoren voor het bereiken van de mijlpalen en streefdoelen, alsook de voorwaarden voor toegang door de Commissie tot de relevante onderliggende gegevens.

Wijzigingsvoorstel 19

Artikel 14

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Verslaglegging door de lidstaat in het kader van het Europees Semester

Verslaglegging door de lidstaat in het kader van het Europees Semester

Onverminderd artikel 12, lid 3, tweede alinea, brengt de betrokken lidstaat in het kader van het Europees Semester regelmatig verslag uit over de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de hervormingstoezeggingen. Hiertoe wordt de lidstaten verzocht de inhoud van de nationale hervormingsprogramma’s te gebruiken om verslag uit te brengen over de voortgang van de voltooiing van de hervorming. De gedetailleerde regelingen en het tijdschema voor de verslaglegging, inclusief de voorwaarden voor toegang door de Commissie tot de relevante onderliggende gegevens, worden vastgesteld in het in artikel 12, lid 1, bedoelde besluit.

Onverminderd artikel 12, lid 3, tweede alinea, brengt de betrokken lidstaat in het kader van het Europees Semester regelmatig verslag uit over de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de hervormingstoezeggingen. Hiertoe wordt de lidstaten verzocht de inhoud van de nationale hervormingsprogramma’s te gebruiken om verslag uit te brengen over de voortgang van de voltooiing van de hervorming , met inbegrip van de getroffen maatregelen om de coördinatie tussen het programma, de ESI-fondsen en eventuele andere door de EU gefinancierde programma’s te waarborgen. De gedetailleerde regelingen en het tijdschema voor de verslaglegging, inclusief de voorwaarden voor toegang door de Commissie tot de relevante onderliggende gegevens, worden vastgesteld in het in artikel 12, lid 1, bedoelde besluit. De Commissie past haar richtsnoeren inzake de inhoud van de nationale hervormingsprogramma’s dienovereenkomstig aan.

Wijzigingsvoorstel 20

Artikel 19, lid 2, nieuw punt na e)

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

 

activiteiten voor capaciteitsopbouw van lokale en regionale overheden in het kader van de nationale hervormingsprogramma’s. Lokale en regionale overheden kunnen hun aanvragen indienen onder een specifiek onderdeel van het programma en rechtstreeks profiteren van de geboden technische ondersteuning.

Wijzigingsvoorstel 21

Artikel 26

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In bijlage X wordt een maximale financiële bijdrage vastgesteld die voor elke lidstaat beschikbaar is uit de totale financiële middelen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder c), i). Deze maximale financiële bijdrage wordt voor elke in aanmerking komende lidstaat berekend aan de hand van de in die bijlage vastgestelde criteria en methode, op basis van de bevolking van elke lidstaat , en geldt voor elke toewijzingsfase en elke oproep als bedoeld in artikel 10.

In bijlage X wordt een maximale financiële bijdrage vastgesteld die voor elke lidstaat beschikbaar is uit de totale financiële middelen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder c), i). Deze maximale financiële bijdrage wordt voor elke in aanmerking komende lidstaat berekend aan de hand van de in die bijlage vastgestelde criteria en methode, op basis van de indicatoren die in het kader van het cohesiebeleid voor 2021-2027 zullen worden vastgesteld (bbp per hoofd van de bevolking, jeugdwerkloosheid, laag opleidingsniveau, klimaatverandering en de opvang en integratie van migranten) , en geldt voor elke toewijzingsfase en elke oproep als bedoeld in artikel 10.

Onverminderd artikel 7, lid 2, tweede alinea, is deze maximale financiële bijdrage geheel of gedeeltelijk beschikbaar voor toewijzing aan elke in aanmerking komende lidstaat, in elke fase van het toewijzingsproces volgens de in artikel 10 vastgestelde procedure, en vormt zij een aanvullende bijdrage bovenop de in artikel 9 bedoelde financiële bijdrage, die wordt verleend als tegenprestatie voor aanvullende hervormingen overeenkomstig artikel 25.

Onverminderd artikel 7, lid 2, tweede alinea, is deze maximale financiële bijdrage geheel of gedeeltelijk beschikbaar voor toewijzing aan elke in aanmerking komende lidstaat, in elke fase van het toewijzingsproces volgens de in artikel 10 vastgestelde procedure, en vormt zij een aanvullende bijdrage bovenop de in artikel 9 bedoelde financiële bijdrage, die wordt verleend als tegenprestatie voor aanvullende hervormingen overeenkomstig artikel 25.

II.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN M.B.T. DE EUROPESE STABILISATIEFUNCTIE VOOR INVESTERINGEN

Wijzigingsvoorstel 22

Overweging 8

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Met name om de lidstaten die de euro als munt hebben, te helpen beter in te spelen op snel veranderende economische omstandigheden en hun economie te stabiliseren door de overheidsinvesteringen in stand te houden in geval van grote economische schokken, moet een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen (hierna „EISF” genoemd) worden ingesteld.

Met name om de lidstaten die de euro als munt hebben, te helpen beter in te spelen op snel veranderende economische omstandigheden en hun economie te stabiliseren door de overheidsinvesteringen in stand te houden in geval van grote economische schokken, moet een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen (hierna „EISF” genoemd) worden ingesteld. De EISF moet bijdragen aan de stabilisatie van publieke investeringen door alle bestuurslagen, aangezien lokale en regionale overheden verantwoordelijk zijn voor 66 % van de investeringen en hun investeringen nog niet op het niveau van voor de crisis zijn. Lokale en regionale instellingen in staat stellen hun investeringsniveau te handhaven voorkomt een verdere verergering van asymmetrische schokken.

Motivering

Het belang van het lokale en regionale niveau voor investeringen moet worden benadrukt.

Wijzigingsvoorstel 23

Overweging 15

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Een lidstaat die om EISF-steun verzoekt, moet voldoen aan strikte toekenningscriteria die gebaseerd zijn op de naleving over een periode van twee haar vóór het verzoek om EISF-steun van de besluiten en aanbevelingen waarin het Uniekader voor begrotings- en economisch toezicht voorziet, om te voorkomen dat deze lidstaat niet langer aangespoord wordt tot het voeren van een prudent begrotingsbeleid.

Een lidstaat die om EISF-steun verzoekt, moet voldoen aan strikte toekenningscriteria die gebaseerd zijn op de naleving over een periode van twee jaar vóór het verzoek om EISF-steun van de besluiten en aanbevelingen waarin het Uniekader voor begrotings- en economisch toezicht voorziet, inclusief de mededeling van de Commissie „Optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact”  (1 bis) , alsook aan een convergentiecode met criteria die een betere ownership mogelijk maken, om te voorkomen dat deze lidstaat niet langer aangespoord wordt tot het voeren van een prudent en houdbaar begrotingsbeleid.

Motivering

Spreekt voor zich.

Wijzigingsvoorstel 24

Overweging 21

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten moeten de in het kader van de EISF ontvangen steun aanwenden in daarvoor in aanmerking komende publieke investeringen en ook het niveau van overheidsinvesteringen in het algemeen in stand houden in vergelijking met gemiddelde niveau daarvan over de laatste vijf jaar, zodat de door deze verordening beoogde doelstelling wordt verwezenlijkt. In dit verband wordt verwacht dat de lidstaten voorrang moeten geven aan het handhaven van in aanmerking komende investeringen in programma’s die steun van de Unie ontvangen in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling.

De lidstaten moeten de in het kader van de EISF ontvangen steun aanwenden in daarvoor in aanmerking komende publieke investeringen en ook het niveau van overheidsinvesteringen in het algemeen in stand houden in vergelijking met gemiddelde niveau daarvan over de laatste vijf jaar, zodat de door deze verordening beoogde doelstelling wordt verwezenlijkt. In dit verband wordt verwacht dat de lidstaten voorrang moeten geven aan het handhaven van in aanmerking komende investeringen in programma’s die steun van de Unie ontvangen in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling.

Indien het door de hevigheid van de crisis voor de lidstaten echter onmogelijk blijkt het ten tijde van het ontvangen van de steun toegezegde niveau van publieke investeringen te handhaven, moet de Commissie een lager niveau van publieke investeringen vaststellen dat door de lidstaten moet worden gewaarborgd.

Motivering

Het zou kunnen gebeuren dat de crisis zo hevig is dat de lidstaten het ten tijde van het ontvangen van de steun toegezegde niveau van publieke investeringen niet kunnen handhaven. De Commissie moet in dat geval een lager niveau van publieke investeringen door de lidstaten kunnen vaststellen.

Wijzigingsvoorstel 25

Overweging 33

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De EISF dient beschouwd te worden als een eerste stap in de ontwikkeling mettertijd van een volwaardig verzekeringsmechanisme voor macro-economische stabilisatie. Op dit moment zou de EISF gebaseerd worden op het verstrekken van leningen en rentesubsidies. Daarnaast is het niet uitgesloten dat het ESM of zijn rechtsopvolger in de toekomst betrokken zou worden bij het verlenen van financiële bijstand aan lidstaten die de euro als munt hebben wanneer zij af te rekenen zouden krijgen met ongunstige economische omstandigheden voor de ondersteuning van overheidsinvesteringen. Voorts kan in de toekomst een vrijwillig verzekeringsmechanisme met een kredietopnemingscapaciteit op basis van vrijwillige bijdragen van de lidstaten worden opgezet dat een krachtig instrument zou bieden voor macro-economische stabilisatie tegen asymmetrische schokken.

De EISF dient beschouwd te worden als een eerste stap in de ontwikkeling mettertijd van een volwaardig verzekeringsmechanisme voor macro-economische stabilisatie. In eerste instantie zou de EISF gebaseerd worden op het verstrekken van leningen en rentesubsidies. Daarnaast zou het ESM of zijn rechtsopvolger betrokken kunnen worden bij het verlenen van financiële bijstand aan lidstaten die de euro als munt hebben wanneer zij af te rekenen zouden krijgen met ongunstige economische omstandigheden voor de ondersteuning van overheidsinvesteringen. Voorts moet een verzekeringsmechanisme met een kredietopnemingscapaciteit op basis van bijdragen van de lidstaten worden opgezet dat een krachtig instrument zou bieden voor macro-economische stabilisatie tegen asymmetrische schokken.

Motivering

Verduidelijking van de formulering van overweging 33 op basis van de overeenkomstige wijzigingsvoorstellen in het ontwerpverslag van Reimer Böge (EVP/DE) en Pervenche Berès (S&D/FR) dat aan de commissie ECON van het Europees Parlement is voorgelegd.

Wijzigingsvoorstel 26

Artikel 3, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

een besluit van de Raad waarin is vastgesteld dat geen effectieve maatregelen zijn genomen om zijn buitensporig tekort te corrigeren overeenkomstig artikel 126, lid 8, of artikel 126, lid 11, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gedurende twee jaar vóór het verzoek om steunverlening door de EISF;

een besluit van de Raad waarin is vastgesteld dat geen effectieve maatregelen zijn genomen om zijn buitensporig tekort te corrigeren overeenkomstig artikel 126, lid 8, of artikel 126, lid 11, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gedurende twee jaar vóór het verzoek om steunverlening door de EISF , rekening houdend met de mededeling van de Commissie „Optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact”  (1);

Motivering

Spreekt voor zich.

Wijzigingsvoorstel 27

Artikel 5, lid 2

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

In het jaar volgend op de uitbetaling van de EISF-lening onderzoekt de Commissie of de betrokken lidstaat de in lid 1 bedoelde criteria heeft nageleefd. De Commissie onderzoekt met name ook in welke mate de betrokken lidstaat de in aanmerking komende overheidsinvesteringen heeft gehandhaafd in programma’s die steun van de Unie ontvangen in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling.

In het jaar volgend op de uitbetaling van de EISF-lening onderzoekt de Commissie of de betrokken lidstaat de in lid 1 bedoelde criteria heeft nageleefd. De Commissie onderzoekt met name ook in welke mate de betrokken lidstaat de in aanmerking komende overheidsinvesteringen heeft gehandhaafd in programma’s die steun van de Unie ontvangen in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling.

Indien de Commissie, na de betrokken lidstaat te hebben gehoord, concludeert dat de in lid 1 bedoelde voorwaarden niet zijn nageleefd, besluit zij:

Indien de Commissie, na de betrokken lidstaat te hebben gehoord, concludeert dat de in lid 1 bedoelde voorwaarden niet zijn nageleefd, besluit zij:

a)

te verzoeken om vervroegde terugbetaling van de EISF-lening, geheel of gedeeltelijk indien van toepassing; en

b)

dat de betrokken lidstaat bij de terugbetaling van de EISF-lening niet gerechtigd is rentesubsidie te ontvangen.

a)

te verzoeken om vervroegde terugbetaling van de EISF-lening, geheel of gedeeltelijk indien van toepassing; en

b)

dat de betrokken lidstaat bij de terugbetaling van de EISF-lening niet gerechtigd is rentesubsidie te ontvangen.

 

De Commissie kan echter ook concluderen dat het vanwege de impact van de crisis voor de betrokken lidstaat onmogelijk was het overeenkomstig lid 1 vastgestelde investeringsniveau te handhaven.

De Commissie neemt onverwijld haar besluit en maakt het openbaar.

De Commissie neemt onverwijld haar besluit en maakt het openbaar.

Motivering

Het zou kunnen gebeuren dat de crisis zo hevig is dat een lidstaat het ten tijde van het ontvangen van de steun toegezegde niveau van publieke investeringen niet kan handhaven. De Commissie moet in dat geval een lager niveau van publieke investeringen door de lidstaat kunnen vaststellen.

Wijzigingsvoorstel 28

Artikel 22, lid 5

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

de vraag of het passend is een verzekeringsmechanisme te ontwikkelen dat bedoeld is voor macro-economische stabilisatie.

de opties voor de ontwikkeling van een volwaardig verzekeringsmechanisme om te zorgen voor macro-economische stabilisatie.

Motivering

Spreekt voor zich.

III.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Over het steunprogramma voor hervormingen

1.

benadrukt dat structurele hervormingen van EU-relevantie en EU-meerwaarde van cruciaal belang zijn om te zorgen voor economische, sociale en territoriale cohesie, veerkracht en convergentie binnen de Unie en de EMU. Daarnaast merkt het CvdR op dat de tenuitvoerlegging van de landspecifieke aanbevelingen inzake EU-relevante structurele hervormingen over het algemeen onbevredigend is, hetgeen het gevolg is van een gebrek aan ownership en onvoldoende administratieve capaciteit op alle bestuursniveaus.

2.

Helaas heeft de Commissie nog steeds geen definitie gegeven van „structurele hervormingen” in het kader van de economisch governance van de EU en mogelijke steun via EU-programma’s zoals het steunprogramma voor hervormingen. Volgens het subsidiariteitbeginsel zouden alleen structurele hervormingen die relevant zijn voor de implementatie van de Verdragsdoelstellingen en direct verband houden met de bevoegdheden van de Unie, in aanmerking mogen komen voor EU-steun op actiegebieden. Het CvdR verwerpt elk voorstel voor EU-financiering ter ondersteuning van niet gespecificeerde structurele hervormingen in de lidstaten waarvan de Europese meerwaarde vooraf niet op transparante wijze is beoordeeld en die niet direct verband houden met de in het Verdrag vastgelegde bevoegdheden van de EU. In dit verband verwijst het naar zijn resolutie van 1 februari 2018, waarin het zich heeft uitgesproken tegen het voorstel van de Commissie voor een verordening tot wijziging van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (EU) nr. 1303/2013 van 6 december 2017 (2).

3.

Het is een goed idee om lidstaten die bereid zijn om verregaande hervormingstoezeggingen aan te gaan, die in het kader van het Europees semester zijn vastgesteld, te ondersteunen door middel van financiële bijdragen en technische bijstand. De doelstellingen voor duurzame ontwikkeling moeten zo snel mogelijk worden geïntegreerd in het Europees semester, dat moet worden afgestemd op de investeringsdoelstellingen voor de lange termijn van het EU-cohesiebeleid voor 2021-2027.

4.

Ook is het CvdR ingenomen met het idee van een convergentiefaciliteit voor lidstaten die aantoonbare stappen hebben gezet in de richting van toetreding tot de euro, in het kader waarvan ook financiële bijdragen en technische bijstand verleend zullen worden.

5.

De toewijzing van het totale budget van het programma op basis van de bevolking zou in strijd zijn met de doelstelling van het Verdrag inzake cohesie, die de rechtsgrondslag van het programma vormt (artikel 175 VWEU). De indicatoren die worden gehanteerd voor het cohesiebeleid in 2021-2027 (bbp per hoofd van de bevolking, jeugdwerkloosheid, laag opleidingsniveau, klimaatverandering en de opvang en integratie van migranten) zouden een geschikte verdeelsleutel vormen. Deze benadering zou overeenstemmen met het feit dat sommige lidstaten die aantoonbare stappen in de richting van toetreding tot de euro hebben gezet, wellicht minder hervormingen nodig hebben dan sommige huidige leden van de eurozone.

6.

Een forfaitair bedrag dat bij de tenuitvoerlegging van een omvangrijk hervormingspakket aan een lidstaat wordt betaald, zou er mogelijk toe leiden dat niet wordt besloten om een dergelijke hervorming door te voeren. Indien dit bedrag in zijn geheel pas wordt uitbetaald nadat de hervormingen zijn doorgevoerd, zou dit de lidstaat alleen maar meer ontmoedigen.

7.

Het CvdR staat volledig achter het idee dat landspecifieke aanbevelingen per land investeringen niet minder moeten bevorderen dan hervormingen van de regelgeving. Aanbevelingen inzake investeringen moeten worden afgestemd op het langetermijninvesteringsperspectief van de ESIF. Uit een recente studie van DG EMPL blijkt dat tussen 2012 en 2015 62 % van alle hervormingsbehoeften die in het kader van het Europees semester zijn vastgesteld, binnen het interventiebereik van de structuurfondsen vielen en dat de operationele programma’s betrekking hadden op 42 % van die behoeften. Middels het programma moeten alle relevante uitgavenprogramma’s van de EU worden gecoördineerd. Daarnaast moet het ook mogelijk zijn om middelen van het programma naar de ESI-fondsen over te brengen.

8.

Het programma zou het Europees semester nog meer gewicht geven, aangezien het alleen structurele hervormingen in het kader van het semester zou ondersteunen. Daarom is het van cruciaal belang om het Europees semester te verbeteren in termen van doeltreffendheid en ownership inzake de hervormingstoezeggingen, gebaseerd op de beginselen van partnerschap en grotere transparantie voor de lokale en regionale overheden. Onafhankelijke organen zoals de nationale begrotingsraden en de nationale productiviteitsraden moeten alle overheidsniveaus en relevante belanghebbenden helpen bij het beoordelen van de behoeften aan hervormingen en het toezicht op de uitvoering van het programma.

9.

36 % van alle landspecifieke aanbevelingen uit 2018 heeft rechtstreeks betrekking op de rol van steden en regio’s, wat de huidige bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende bestuursniveaus weerspiegelt. Worden ook de aanbevelingen die slechts indirect betrekking hebben op de rol van lokale en regionale overheden en de aanbevelingen waarvan de impact per gebied verschilt, meegenomen, dan blijkt 83 % van alle aanbevelingen territoriaal gerelateerd te zijn.

10.

Daarom moeten de lokale en regionale overheden, ter waarborging van ownership en een doeltreffende tenuitvoerlegging van structurele hervormingen, vanaf het prille begin worden betrokken bij het Europees semester als ontwerp- en uitvoeringspartners. Dit moet een criterium worden om de geloofwaardigheid van de uitvoeringsregelingen van een hervormingspakket te beoordelen. Daarnaast moet er absoluut een gedragscode komen voor de betrokkenheid van de lokale en regionale overheden bij het semester, zoals het CvdR al eerder heeft voorgesteld. Het is een goede zaak dat het Europees Parlement in juli 2018 een wijziging van de SRSP-verordening heeft goedgekeurd, waarin wordt benadrukt dat de lokale en regionale overheden moeten worden betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van structurele hervormingen.

11.

De eerste resultaten van een lopende studie in opdracht van het CvdR hebben aangetoond dat de capaciteitsopbouw voor steden en regio’s in het kader van het huidige MFK niet op bevredigende wijze is aangepakt. Het CvdR wijst op de uitdagingen inzake de administratieve capaciteit van de lokale en regionale overheden, waar 68 % van de landspecifieke aanbevelingen voor 2018 direct of indirect betrekking op heeft. Het wijst er in dit verband op dat een Erasmus-programma voor lokale afgevaardigden de overdracht van expertise en beste praktijken zou kunnen vergemakkelijken.

12.

Het is betreurenswaardig dat er onvoldoende bewijs bestaat waaruit blijkt in hoeverre de lokale en regionale overheden gebruik hebben gemaakt van het SRSP. De toegang van lokale en regionale overheden tot het instrument voor technische ondersteuning in het kader van het programma moet proactief worden aangemoedigd op alle bestuursniveaus. Het CvdR herhaalt zijn verzoek om één transparant pakket richtsnoeren uit te vaardigen voor de coördinatie van alle door de EU gefinancierde maatregelen voor technische bijstand en capaciteitsopbouw in het kader van het nieuwe MFK.

13.

Er zouden geïntegreerde territoriale benaderingen moeten komen op basis van een bottom-upproces, ter bevordering van ecosystemen die gunstig zijn voor de tenuitvoerlegging van voor de EU relevante structurele hervormingen.

14.

Het Comité betreurt dat de Commissie heeft besloten om middelen toe te wijzen aan het centraal beheerde Steunprogramma voor hervormingen en tegelijkertijd te snijden in programma’s die onder gedeeld beheer vallen en een Europese toegevoegde waarde bieden, zoals de programma’s in het kader van het cohesiebeleid van de EU.

Over een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen

15.

Structurele factoren stellen de lidstaten bloot aan grote asymmetrische schokken, die leiden tot een sterke daling van de overheidsinvesteringen, in de eerste plaats op lokaal en regionaal niveau, en tot negatieve overloopeffecten naar andere landen.

16.

De Commissie heeft het bij het rechte eind wanneer zij stelt dat overheidsinvesteringen moeten worden beschermd tegen asymmetrische schokken. Lokale en regionale overheden zijn verantwoordelijk voor meer dan 66 % van de overheidsinvesteringen in de EU. De investeringen op regionaal niveau hebben nog steeds niet het niveau van voor de crisis bereikt. De investeringen door alle bestuursniveaus moeten tegen de gevolgen van asymmetrische schokken beschermd worden.

17.

Het voorstel voor een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen (EISF) dat tot doel heeft het nationale begrotingsbeleid beter bestand te maken tegen asymmetrische schokken en tegelijkertijd de duurzaamheid op lange termijn te waarborgen, wordt door het CvdR op prijs gesteld. Dit zou een eerste stap kunnen zijn om de EMU uit te rusten met een tijdelijk schokabsorptiemechanisme.

18.

Het voorstel maakt een toekomstige uitbreiding van de regeling mogelijk. De Commissie zou daarnaast wel op termijn een volwaardig verzekeringsmechanisme moeten ontwikkelen om te zorgen voor economische stabilisatie, zoals een „rainy day fund”.

19.

Het CvdR deelt het standpunt van de Commissie dat, om permanente overdrachten en moral hazard te voorkomen, alleen lidstaten die voldoen aan het brede governancekader van de EU en vooruitgang boeken op het gebied van convergentie, een beroep mogen doen op de EISF.

20.

De EISF zou beginnen met leningen en een relatief kleine subsidiecomponent. De begrotingscapaciteit moet groot genoeg zijn om een rol van betekenis te spelen. Het maximale bedrag van 30 miljard EUR aan leningen zou voldoende zijn in het geval van een ernstige crisis die meerdere lidstaten treft.

21.

Het CvdR is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de EISF een aanvulling te laten vormen op bestaande instrumenten zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en om ervoor te zorgen dat het niet overlapt met het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), hoewel het een enigszins vergelijkbaar toepassingsgebied heeft. Wel merkt het op dat macro-economische stabilisatie momenteel niet expliciet als doelstelling van de EU-begroting wordt erkend en er dus grenzen zijn aan hetgeen de EISF kan bereiken.

22.

De term „asymmetrische schokken” zou ook het principe van een liquiditeitscrisis moeten omvatten. Het juiste antwoord op een liquiditeitscrisis is niet de EISF, maar het programma voor rechtstreekse monetaire transacties (OMT) van de Europese Centrale Bank, dat alleen geldt voor lidstaten die deelnemen aan het ESM-programma.

Brussel, 5 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Besluit 2000/604/EG van de Raad van 29 september 2000 inzake de samenstelling en het statuut van het Comité voor de economische politiek (2000/604/EG) (PB L 257 van 11.10.2000, blz. 28).

(1 bis)   COM(2015) 12 final, 13.1.2015 .

(1)   COM(2015) 12 final, 13.1.2015.

(2)  COM(2017) 826 final.


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/353


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake minimumeisen voor hergebruik van water

(2019/C 86/19)

Rapporteur:

Oldřich VLASÁK (CZ/ECR), gemeenteraadslid van Hradec Králové

Referentiedocument:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake minimumeisen voor hergebruik van water

COM(2018) 337 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 4, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Exploitanten van waterterugwinningsinstallaties zorgen ervoor dat teruggewonnen water dat is bestemd voor gebruik zoals omschreven in bijlage I, deel 1, bij de uitstroomopening van de waterterugwinningsinstallatie (het nalevingspunt), voldoen aan het volgende:

1.   Exploitanten van waterterugwinningsinstallaties zorgen ervoor dat teruggewonnen water dat is bestemd voor gebruik zoals omschreven in bijlage I, deel 1, bij de ingang van het systeem van de eindgebruiker (het nalevingspunt), voldoet aan het volgende:

Motivering

Dit is de laatste plaats waar de exploitant van een waterterugwinningsinstallaties de verantwoordelijkheid voor zijn product kan nemen. De verplichting om vervolgens de kwaliteit van het teruggewonnen water te waarborgen, bijvoorbeeld tijdens de accumulatie en opslag ervan, valt onder de verantwoordelijkheid van de eindgebruiker.

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 6, inleidende formule

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 6

Artikel 6

Aanvraag van een vergunning voor het leveren van teruggewonnen water

Aanvraag van een vergunning voor het leveren van teruggewonnen water

1.   Voor elke levering van teruggewonnen water dat is bestemd voor gebruik zoals omschreven in bijlage I, deel 1, geldt een vergunningsplicht.

1.   Voor elke levering van teruggewonnen water dat is bestemd voor gebruik zoals omschreven in bijlage I, deel 1, geldt een vergunningsplicht.

2.   De exploitant vraagt vergunningen als bedoeld in lid 1 of wijziging van een bestaande vergunning aan bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de waterterugwinningsinstallatie wordt geëxploiteerd, of waar de exploitant voornemens is om de waterterugwinningsinstallatie te exploiteren.

2.   De exploitant vraagt vergunningen als bedoeld in lid 1 of wijziging van een bestaande vergunning aan bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de waterterugwinningsinstallatie wordt geëxploiteerd, of waar de exploitant voornemens is om de waterterugwinningsinstallatie te exploiteren.

3.   De aanvraag omvat het volgende:

3.   De aanvraag omvat het volgende:

a)

een risicobeheerplan voor hergebruik van water, opgesteld in overeenstemming met artikel 5, lid 2;

a)

een risicobeheerplan voor hergebruik van water, opgesteld in overeenstemming met artikel 5, lid 2;

b)

een beschrijving van de wijze waarop de exploitant van de waterterugwinningsinstallatie zal voldoen aan de minimumeisen voor waterkwaliteit en monitoring, zoals omschreven in bijlage I, deel 2;

b)

een beschrijving van de wijze waarop de exploitant van de waterterugwinningsinstallatie zal voldoen aan de minimumeisen voor waterkwaliteit en monitoring, zoals omschreven in bijlage I, deel 2;

c)

een beschrijving van de wijze waarop de exploitant van de waterterugwinningsinstallatie zal voldoen aan de aanvullende eisen, zoals voorgesteld in het risicobeheerplan voor hergebruik van water.

c)

een beschrijving van de wijze waarop de exploitant van de waterterugwinningsinstallatie zal voldoen aan de aanvullende eisen, zoals voorgesteld in het risicobeheerplan voor hergebruik van water.

 

4.     De lidstaten eisen hetzij een vergunning hetzij een kennisgeving van de eindgebruiker bij het gebruik van teruggewonnen water zoals uiteengezet in deel 1 van bijlage I.

 

5.     Volgens de nationale wetgeving vraagt de eindgebruiker vergunningen als bedoeld in lid 1 of wijziging van een bestaande vergunning aan, of hij meldt het gebruik bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de waterterugwinningsinstallatie wordt geëxploiteerd, of waar de exploitant voornemens is om de waterterugwinningsinstallatie te exploiteren.

Motivering

Zoals duidelijk blijkt uit de inhoud van de verordening, beschouwt de EU teruggewonnen water niet als hetzelfde (veilige) product als drinkwater; de eindgebruiker moet zich hiervan bewust zijn en ook de verantwoordelijkheid op zich nemen voor het gebruik ervan. Daarom verlangt de lidstaat van de eindgebruiker hetzij een vergunning hetzij een kennisgeving bij het gebruik van teruggewonnen water. Ter compensatie van de schade voor eindgebruikers in perioden van grote droogte, wanneer andere regelgeving beperkingen oplegt aan de onttrekking van oppervlaktewater of grondwater, zal dit nieuwe product helpen om de productie van gewassen (en in veel gevallen ook de daaraan gerelateerde veeteelt) in stand te houden.

De bevoegde autoriteiten moeten weten waarvoor het teruggewonnen water wordt gebruikt, maar een vergunning is niet vereist.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 7

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 7

Vergunningverlening

Artikel 7

Vergunningverlening

1.   Om de aanvraag te kunnen beoordelen, zal de bevoegde autoriteit voor zover van toepassing relevante informatie inwinnen bij en uitwisselen met:

1.   Om de aanvraag te kunnen beoordelen, zal de bevoegde autoriteit voor zover van toepassing relevante informatie inwinnen bij en uitwisselen met:

a)

andere relevante autoriteiten van dezelfde lidstaat, in het bijzonder de waterautoriteit, indien deze een andere is dan de bevoegde autoriteit;

a)

andere relevante autoriteiten van dezelfde lidstaat, in het bijzonder de waterautoriteit, indien deze een andere is dan de bevoegde autoriteit;

b)

overeenkomstig artikel 9, lid 1, aangewezen contactpunten van lidstaten die eventueel gemoeid zijn.

b)

overeenkomstig artikel 9, lid 1, aangewezen contactpunten van lidstaten die eventueel gemoeid zijn.

2.   De bevoegde autoriteit neemt binnen drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag zoals bedoeld in artikel 6, lid 3, onder a), een besluit over het al of niet verlenen van de vergunning. Indien de bevoegde autoriteit meer tijd nodig heeft vanwege de complexiteit van de aanvraag, stelt zij de aanvrager hiervan op de hoogte en geeft zij de verwachte datum voor de vergunningverlening aan, en waarom er meer tijd nodig is.

2.   De bevoegde autoriteit neemt binnen drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag zoals bedoeld in artikel 6, lid 3, onder a), een besluit over het al of niet verlenen van de vergunning. Indien de bevoegde autoriteit meer tijd nodig heeft vanwege de complexiteit van de aanvraag, stelt zij de aanvrager hiervan op de hoogte en geeft zij de verwachte datum voor de vergunningverlening aan, en waarom er meer tijd nodig is.

3.   Indien de bevoegde autoriteit besluit een vergunning te verlenen, stelt zij de toepasselijke voorwaarden vast, met inbegrip van (voor zover van toepassing):

3.   Indien de bevoegde autoriteit besluit een vergunning te verlenen, stelt zij de toepasselijke voorwaarden vast, met inbegrip van (voor zover van toepassing):

a)

voorwaarden met betrekking tot de minimumeisen voor waterkwaliteit en monitoring, zoals omschreven in bijlage I, deel 2;

a)

voorwaarden met betrekking tot de minimumeisen voor waterkwaliteit en monitoring, zoals omschreven in bijlage I, deel 2;

b)

voorwaarden met betrekking tot de aanvullende eisen, zoals voorgesteld in het risicobeheerplan voor hergebruik van water;

b)

voorwaarden met betrekking tot de aanvullende eisen, zoals voorgesteld in het risicobeheerplan voor hergebruik van water;

c)

alle andere voorwaarden die eventueel nodig zijn om onaanvaardbare risico’s voor het milieu of de gezondheid van mensen en dieren te beperken.

c)

alle andere voorwaarden die eventueel nodig zijn om onaanvaardbare risico’s voor het milieu of de gezondheid van mensen en dieren te beperken.

4.   De vergunning wordt regelmatig, en ten minste om de vijf jaar, herzien en zo nodig aangepast.

4.   De vergunning wordt regelmatig, en ten minste om de vijf jaar, herzien en zo nodig aangepast.

 

5.     De bevoegde autoriteit van de lidstaat waarbij de gebruiker de kennisgeving of vergunningsaanvraag heeft ingediend, schrijft voor dat de eindgebruiker uitsluitend gebruik mag maken van teruggewonnen water overeenkomstig bijlage I, deel 2, tabel 1, bij deze verordening.

Motivering

Zoals duidelijk blijkt uit de inhoud van de verordening, beschouwt de EU teruggewonnen water niet als hetzelfde (veilige) product als drinkwater; de eindgebruiker moet zich hiervan bewust zijn en ook de verantwoordelijkheid op zich nemen voor het gebruik ervan. Daarom verlangt de lidstaat van de eindgebruiker hetzij een vergunning hetzij een kennisgeving bij het gebruik van teruggewonnen water. Ter compensatie van de schade voor eindgebruikers in perioden van grote droogte, wanneer andere regelgeving beperkingen oplegt aan de onttrekking van oppervlaktewater of grondwater, zal dit nieuwe product helpen om de productie van gewassen (en in veel gevallen ook de daaraan gerelateerde veeteelt) in stand te houden.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 8, lid 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 8

Nalevingscontrole

Artikel 8

Nalevingscontrole

1.   De bevoegde autoriteit controleert of het teruggewonnen water op het nalevingspunt voldoet aan de voorwaarden die in de vergunning zijn vastgelegd. Bij de nalevingscontrole wordt gebruikgemaakt van:

1.   De bevoegde autoriteit controleert of het teruggewonnen water op het nalevingspunt voldoet aan de voorwaarden die in de vergunning zijn vastgelegd. Bij de nalevingscontrole wordt gebruikgemaakt van:

a)

controles ter plaatse;

a)

controles ter plaatse bij de leverancier of de eindgebruiker, zoals bepaald in de desbetreffende vergunning. Deze controles worden uitgevoerd overeenkomstig de normen en standaarden van het betrokken land op het gebied van bemonstering en analyse. Ook moet worden verwezen naar de ISO-normen voor de kwaliteit van het teruggewonnen water voor irrigatie in specifieke klassen, afhankelijk van de planten die worden bewaterd. Elke lidstaat stelt de frequentie van de controles vast op basis van een risicoanalyse, waarbij een hoger risico een hogere controlefrequentie met zich meebrengt;

b)

de krachtens deze verordening en de Richtlijnen 91/271/EEG en 2000/60/EG verkregen monitoringgegevens;

b)

alle andere, passend geachte middelen , zodat de kwaliteit van het teruggewonnen water niet alleen door de leverancier, maar ook door de eindgebruiker wordt gewaarborgd .

c)

alle andere, passend geachte middelen.

 

2.   In geval van niet-naleving zal de bevoegde autoriteit van de exploitant van de waterterugwinningsinstallatie eisen onverwijld alle nodige maatregelen te treffen om de naleving te herstellen.

2.   In geval van niet-naleving zal de bevoegde autoriteit van de exploitant van de waterterugwinningsinstallatie eisen onverwijld alle nodige maatregelen te treffen om de naleving te herstellen.

3.   Indien niet-naleving een beduidend risico voor het milieu of de gezondheid van de mens met zich meebrengt, staakt de exploitant van de waterterugwinningsinstallatie onmiddellijk alle verdere levering van het teruggewonnen water totdat de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat de naleving is hersteld.

3.   Indien niet-naleving een beduidend risico voor het milieu of de gezondheid van de mens met zich meebrengt, staakt de exploitant van de waterterugwinningsinstallatie onmiddellijk alle verdere levering van het teruggewonnen water totdat de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat de naleving is hersteld.

4.   Indien er zich een incident voordoet dat de naleving van de in de vergunning besloten voorwaarden in gevaar brengt, stelt de exploitant van de waterterugwinningsinstallatie de bevoegde autoriteit en de potentieel getroffen eindgebruiker(s) hiervan onmiddellijk op de hoogte en verstrekt hij de bevoegde autoriteit de informatie die nodig is om de gevolgen van een dergelijk incident te kunnen beoordelen.

4.   Indien er zich een incident voordoet dat de naleving van de in de vergunning besloten voorwaarden in gevaar brengt, stelt de exploitant van de waterterugwinningsinstallatie de bevoegde autoriteit en de potentieel getroffen eindgebruiker(s) hiervan onmiddellijk op de hoogte en verstrekt hij de bevoegde autoriteit de informatie die nodig is om de gevolgen van een dergelijk incident te kunnen beoordelen.

 

5.     De eindgebruiker zorgt voor een regelmatige controle van zijn producten door de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de landbouw- en voedselproductie.

Motivering

Dit artikel is van cruciaal belang voor het succes van de verordening als geheel, maar de formulering van lid 1 is veel te vaag en onhaalbaar als het gaat om de praktische tenuitvoerlegging van de verordening.

Met betrekking tot punt a):

Er worden geen duidelijke richtsnoeren gegeven over waar en wat er precies zal worden gecontroleerd. Hier zou ten minste moeten worden verwezen naar de relevante bemonsterings- en analysenormen en naar de ISO-norm voor de kwaliteit van het teruggewonnen water voor irrigatie in specifieke klassen, afhankelijk van de planten die worden bewaterd. De frequentie van de controles moet worden afgestemd op de aanwezige risico’s. Om hergebruik van water te stimuleren moet er een vereenvoudigde procedure komen voor kleine installaties met een laag risico.

Met betrekking tot punt b):

We zien niet wat het verband is met de genoemde EU-richtlijnen (91/271/EEG en 2000/60/EG). De gegevens die in het kader van deze richtlijnen worden verkregen, zijn gegevens over de kwaliteit van het gezuiverde afvalwater, wat niets te maken heeft met de kwaliteit van het teruggewonnen afvalwater, aangezien dit water (op enkele uitzonderingen na) verder wordt geraffineerd in de zuiveringsinstallatie.

Met betrekking tot lid 5:

Al met al ontbreken in artikel 8 bepalingen over de veiligheidscontrole van de eigenlijke landbouwproducten of de met teruggewonnen water geïrrigeerde landbouwgronden. Deze verplichting moet worden opgelegd aan de eindgebruiker, en de bevoegde (voedsel)keuringsinstantie of sanitaire dienst moet om controles verzoeken.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 10 — Wijzigen

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Voorlichting van het publiek

Voorlichting van het publiek

1.   Onverminderd de Richtlijnen 2003/4/EG en 2007/2/EG zorgen de lidstaten dat het publiek via het internet toegang heeft tot passende en actuele informatie over het hergebruik van water. Die informatie omvat onder meer:

1.   Onverminderd de Richtlijnen 2003/4/EG en 2007/2/EG zorgen de lidstaten dat het publiek via het internet toegang heeft tot passende en actuele informatie over het hergebruik van water. Die informatie omvat onder meer:

a)

de hoeveelheid en kwaliteit van het overeenkomstig deze verordening geleverde teruggewonnen water;

a)

de hoeveelheid en kwaliteit van het overeenkomstig deze verordening geleverde teruggewonnen water;

b)

het aandeel van het overeenkomstig deze verordening teruggewonnen water dat in de lidstaat wordt geleverd, als percentage van de totale hoeveelheid gezuiverd stedelijk afvalwater;

b)

het aandeel van het overeenkomstig deze verordening teruggewonnen water dat in de lidstaat wordt geleverd, als percentage van de totale hoeveelheid gezuiverd stedelijk afvalwater;

c)

de overeenkomstig deze verordening verleende of gewijzigde vergunningen, waaronder door bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 7, lid 3, vastgestelde voorwaarden;

c)

de overeenkomstig deze verordening verleende of gewijzigde vergunningen, waaronder door bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 7, lid 3, vastgestelde voorwaarden;

d)

de resultaten van de nalevingscontrole die overeenkomstig artikel 8, lid 1, is uitgevoerd;

d)

de resultaten van de nalevingscontrole die overeenkomstig artikel 8, lid 1, is uitgevoerd;

e)

de overeenkomstig artikel 9, lid 1, aangewezen contactpunten.

e)

de overeenkomstig artikel 9, lid 1, aangewezen contactpunten.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt ten minste eens per jaar bijgewerkt.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt ten minste eens per jaar bijgewerkt.

3.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde regels vaststellen ten aanzien van de vorm en presentatie van overeenkomstig lid 1 beschikbaar te stellen informatie. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 15 bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   De Commissie zal door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde regels vaststellen ten aanzien van de vorm en presentatie van overeenkomstig lid 1 beschikbaar te stellen informatie. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 15 bedoelde onderzoeksprocedure.

Motivering

Wij stellen voor „kan” te veranderen in „zal” om het ondubbelzinnige karakter van de verplichtingen die voortvloeien uit de verordening te benadrukken.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 12, lid 3

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

3.   Wat wordt beschouwd als een voldoende groot belang of een inbreuk op een recht wordt bepaald door de lidstaten in overeenstemming met de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen.

3.   Wat wordt beschouwd als een voldoende groot belang of een inbreuk op een recht, wordt bepaald door de lidstaten in overeenstemming met de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen.

Te dien einde wordt het belang van niet-gouvernementele organisaties die milieubescherming bevorderen en voldoen aan voorschriften van de nationale wetgeving, geacht te voldoen aan lid 1, onder a).

Te dien einde wordt het belang van niet-gouvernementele organisaties die specifiek de milieubescherming bevorderen en die voldoen aan voorschriften van de nationale wetgeving, geacht te voldoen aan lid 1, onder a).

Dergelijke organisaties worden bovendien geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van lid 1, onder b).

Dergelijke organisaties worden bovendien geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van lid 1, onder b).

Motivering

Het Comité van de Regio’s is van mening dat in de verordening inzake minimumeisen voor het hergebruik van water niet expliciet moet worden ingegaan op de kwestie van niet-gouvernementele organisaties. Anderzijds is het Comité van de Regio’s niet geïnteresseerd in een beperking van de rechten van niet-gouvernementele organisaties die actief zijn op milieugebied. Het wijzigingsvoorstel specificeert welke organisaties van dit recht gebruik kunnen maken.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 17

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Inwerkingtreding en toepassing

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van … [ één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

Zij is van toepassing met ingang van … [ drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Motivering

Een periode van één jaar zou niet volstaan om verbeteringen te eisen op het gebied van waterbehandeling, uitrusting, bedrijfsvoering, controle, risicobeoordeling en aanpassing van de regelgeving.

Wijzigingsvoorstel 8

BIJLAGE I

Deel 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

BIJLAGE I

GEBRUIK EN MINIMUMEISEN

Deel 1. Gebruik van teruggewonnen water als bedoeld in artikel 2

BIJLAGE I

GEBRUIK EN MINIMUMEISEN

Deel 1. Gebruik van teruggewonnen water als bedoeld in artikel 2

Landbouwirrigatie

Landbouwirrigatie duidt op irrigatie van de volgende soorten gewassen:

a)

Landbouwirrigatie

Landbouwirrigatie duidt op irrigatie van de volgende soorten gewassen:

 

rauw geconsumeerde voedingsgewassen, d.w.z. voor menselijke consumptie bestemde gewassen die rauw en onverwerkt worden gegeten;

verwerkte voedingsgewassen, d.w.z. voor menselijke consumptie bestemde gewassen die niet rauw maar na een behandelingsproces (d.w.z. gekookt, industrieel verwerkt) worden gegeten;

„non-food”-gewassen, dat wil zeggen niet voor menselijke consumptie bedoelde gewassen (bijv. weide-, diervoeder, vezel-, sier-, zaad-, energie- en grasveldgewassen).

 

rauw geconsumeerde voedingsgewassen, d.w.z. voor menselijke consumptie bestemde gewassen die rauw en onverwerkt worden gegeten;

verwerkte voedingsgewassen, d.w.z. voor menselijke consumptie bestemde gewassen die niet rauw maar na een behandelingsproces (d.w.z. gekookt, industrieel verwerkt) worden gegeten;

„non-food”-gewassen, dat wil zeggen niet voor menselijke consumptie bedoelde gewassen (bijv. weide-, diervoeder, vezel-, sier-, zaad-, energie- en grasveldgewassen).

 

b)

Irrigatie van stedelijke groenvoorzieningen, parken en tuinen bestemd voor openbaar gebruik (bv. voor recreatieve en sportieve doeleinden).

Motivering

Wij stellen voor het toepassingsgebied aan te vullen met een gebruik voor irrigatiedoeleinden, niet alleen voor de landbouwproductie, maar ook voor de genoemde elementen van stedelijke groenvoorzieningen, parken en tuinen voor openbaar gebruik, omdat hiervoor dezelfde benaderingen en minimumeisen voor de kwaliteit van het teruggewonnen water kunnen worden toegepast als in het geval van landbouwirrigatie. Het gebruik van teruggewonnen water voor deze doeleinden in het stedelijk waterbeheer zou ook een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van het probleem van de aanzienlijk warmere stadscentra in droge perioden.

Wijzigingsvoorstel 9

BIJLAGE I

Deel 2

Tabel 1

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Tabel 1 — Kwaliteitsklassen van teruggewonnen water, toegelaten agrarisch gebruik en toegelaten irrigatiemethoden

Tabel 1 — Kwaliteitsklassen van teruggewonnen water, toegelaten agrarisch gebruik , irrigatie van groenvoorzieningen in stedelijke gebieden, parken en tuinen voor openbaar gebruik en irrigatiemethoden

Laagste kwaliteitsklasse teruggewonnen water

Categorie gewas

Irrigatiemethode

A

Alle voedingsgewassen, met inbegrip van rauw geconsumeerde wortel- en knolgewassen en voedingsgewassen waarvan het eetbare gedeelte rechtstreeks in aanraking komt met teruggewonnen water

Alle irrigatiemethoden

B

Rauw geconsumeerde voedingsgewassen waarvan het eetbare gedeelte bovengronds wordt geproduceerd en niet rechtstreeks in aanraking komt met teruggewonnen water, verwerkte voedingsgewassen en „non-food”-gewassen, met inbegrip van gewassen voor het voeren van melk of vlees producerend vee.

Alle irrigatiemethoden

C

Uitsluitend druppelirrigatie (*1)

D

Industriële gewassen, energiegewassen en zaadgewassen

Alle irrigatiemethoden

Laagste kwaliteitsklasse teruggewonnen water

Categorie gewas

Irrigatie-methode

A

Alle voedingsgewassen, met inbegrip van rauw geconsumeerde wortel- en knolgewassen en voedingsgewassen waarvan het eetbare gedeelte rechtstreeks in aanraking komt met teruggewonnen water ; irrigatie van groenvoorzieningen in stedelijke gebieden, parken en tuinen voor openbaar gebruik

Alle irrigatiemethoden

B

Rauw geconsumeerde voedingsgewassen waarvan het eetbare gedeelte bovengronds wordt geproduceerd en niet rechtstreeks in aanraking komt met teruggewonnen water, verwerkte voedingsgewassen en „non-food”-gewassen, met inbegrip van gewassen voor het voeren van melk of vlees producerend vee.

Alle irrigatiemethoden

C

Uitsluitend druppelirrigatie (*2)

D

Industriële gewassen, energiegewassen en zaadgewassen

Alle irrigatiemethoden

Motivering

In het advies wordt het toepassingsgebied van het onderhavige voorstel voor een verordening, zoals bepaald in artikel 2 en gespecificeerd in bijlage I, deel 1, uitgebreid met een punt b) betreffende de irrigatie van stedelijke groenvoorzieningen, parken en tuinen.

Wijzigingsvoorstel 10

BIJLAGE I

Deel 2

Tabel 4

Validatiemonitoring van teruggewonnen water voor landbouwirrigatie

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Kwaliteitsklasse teruggewonnen water

Indicatormicro-organismen (*3)

Prestatiestreefwaarden voor de zuiveringsketen

(log10 reductie)

A

E. coli

≥ 5,0

Totaal aantal colifagen/ F-specifieke colifagen/somatische colifagen/colifagen (*4)

≥ 6,0

Clostridium perfringenssporen/sporenvormende sulfaatreducerende bacteriën (*5)

≥ 5,0

Kwaliteitsklasse teruggewonnen water

Indicatormicro-organismen (*6)

Prestatiestreefwaarden voor de zuiveringsketen

(log10 reductie)

A

E. coli

≥ 5,0

Totaal aantal colifagen/ F-specifieke colifagen/somatische colifagen/colifagen (*7)

≥ 6,0

Clostridium perfringens-sporen/sporenvormende sulfaatreducerende bacteriën (*8)

≥ 5,0

Motivering

In de praktijk zal het onmogelijk zijn om aan deze eisen te voldoen als de uitstroom uit de waterzuiveringsinstallatie bij het binnenkomen van de waterterugwinningsinstallatie (bv. het aandeel industrieel afvalwater dat de gemeentelijke waterzuiveringsinstallatie binnenkomt) om de een of andere reden lager is dan het standaard rioolwater.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Stand van zaken

1.

merkt op dat het hergebruik van water kan worden bevorderd met behulp van verschillende beleidsinstrumenten. Hierbij kan worden gedacht aan bindende normen of richtsnoeren die minimumeisen vastleggen waaraan geregenereerd water moet voldoen, om bijvoorbeeld opnieuw te kunnen worden gebruikt voor irrigatie in de landbouw. Momenteel bestaan dergelijke instrumenten slechts in zes lidstaten.

2.

De belangrijkste belemmering voor het gebruik van teruggewonnen water is de bezorgdheid over de voedselveiligheid van landbouwproducten die zijn geteeld op bodems die worden geïrrigeerd met gezuiverd stedelijk afvalwater.

3.

Het CvdR maakt zich zorgen omdat het hergebruik van water in de EU nog steeds beperkt is en er weinig kwantitatieve informatie is over het percentage water dat wordt teruggewonnen en het gebruik ervan in de verschillende lidstaten. Dit is deels te wijten aan uiteenlopende opvattingen over wat „hergebruik van water” inhoudt, alsook aan verschillende benaderingen voor het verzamelen en verstrekken van gegevens.

Behoefte aan regelgeving

4.

De noodzaak van deze verordening is ontstaan door het toenemende watertekort in de lidstaten van de EU, met name in de landbouw, en het streven om water te besparen. Ook is vast komen te staan hoeveel water hiermee kan worden bespaard in de EU. De verordening is ook ingegeven door de noodzaak om in alle lidstaten een gelijk speelveld voor landbouwproducenten te creëren. Uiteindelijk is deze verordening een concrete uiting van de inspanningen van de EU om ook in de watersector een circulaire economie tot stand te brengen.

5.

Het ondersteunen van deze manier van afvalwaterbeheer zou een voordeel voor de lidstaten moeten zijn, in die zin dat deze vorm van steun de activiteiten van landbouwbedrijven ook in tijden van droogte in stand houdt. In perioden van grote droogte, wanneer andere regelgeving beperkingen oplegt aan de onttrekking van oppervlaktewater of grondwater, zal dit nieuwe product landbouwbedrijven helpen om de productie van gewassen (en in veel gevallen ook de daaraan gerelateerde veeteelt) in stand te houden.

6.

De door de Europese Commissie aangevoerde redenen om het voorstel voor een verordening in te dienen, zijn gerechtvaardigd, maar aangezien de hele verordening in feite draait om de verplichtingen die aan de exploitanten van waterterugwinningsinstallaties worden opgelegd, ontbreekt een (met name economische) analyse van wat een exploitant van een waterzuiveringsinstallatie zou motiveren om exploitant van een waterterugwinningsinstallatie te worden.

7.

Op basis van de praktische ervaring van de landen die reeds irrigeren met teruggewonnen water, zullen de investeringskosten die nodig zijn om ervoor te zorgen dat waterterugwinningsinstallaties water van klasse A-kwaliteit voortbrengen, hoger zijn dan vermeld in het hoofdstuk „Effectbeoordeling” van het voorstel voor een verordening.

8.

Deze verordening zal uiteindelijk leiden tot een stijging van de kosten van afvalwaterzuivering, omdat de landbouwsector niet zal worden verplicht het hele jaar door gezuiverd water aan te kopen. Het is van belang ervoor te zorgen dat deze meerkosten niet onevenredig worden afgewenteld op gemeenten, landbouwers en het grote publiek.

9.

Er moet voor worden gezorgd dat de verordening in overeenstemming is met andere relevante wetgeving, met name de controleverordening en andere verordeningen die van toepassing zijn op de voedselproductie.

Uitbreiding van het toepassingsgebied van de verordening

10.

De basiswetgeving van de EU op het gebied van afvalwaterbeheer zijn Richtlijn 91/271/EEG en Richtlijn 2000/60/EG, maar er bestaat slechts een zeer zwak verband tussen deze richtlijnen en de voorgestelde verordening. In beide richtlijnen wordt het hergebruik van afvalwater slechts terzijde vermeld, en ligt de nadruk vooral op milieubescherming.

11.

De algemene EU-wetgeving mag het concept van hergebruik van afvalwater niet beperken tot de toepassing ervan in de landbouw. Wij zijn ons er echter van bewust dat een uitbreiding tot gebieden als industrie of energie zou betekenen dat de hele structuur van de tekst moet worden gewijzigd.

12.

Daarom wordt voorgesteld het toepassingsgebied van de verordening uit te breiden tot het gebruik van water, niet alleen voor irrigatie in de landbouw, maar ook voor de irrigatie van groenvoorzieningen in stedelijke gebieden, parken, tuinen en openbare ruimten (bijv. recreatie, sport), omdat hiervoor dezelfde benaderingen en minimumeisen voor de kwaliteit van het teruggewonnen water kunnen worden toegepast als in het geval van landbouwirrigatie. Het gebruik van teruggewonnen water voor deze doeleinden in het stedelijk waterbeheer zou ook een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van het probleem van de warmere stadscentra in droge perioden.

Verantwoordelijkheid van de eindgebruiker

13.

De belangrijkste tekortkoming van dit pakket is dat de eindgebruiker de rol wordt toebedeeld van een eenvoudige consument die slechts passief gebruik maakt van teruggewonnen water, maar die nergens verantwoordelijk voor is, zelfs niet voor mogelijke veranderingen in de kwaliteit van dit water na levering door de exploitant van waterterugwinningsinstallaties of in de manier waarop het wordt gebruikt, bijvoorbeeld de wijze waarop de bodem wordt bewaterd.

14.

Het CvdR dringt aan op de vaststelling van adequate normen voor bemonstering en analyse, rekening houdend met de ISO-normen voor de kwaliteit van het teruggewonnen water voor irrigatie in de verschillende klassen afhankelijk van het type gewas. Zoals duidelijk blijkt uit de inhoud van de verordening, beschouwt de EU teruggewonnen water niet als hetzelfde (veilige) product als drinkwater; de eindgebruiker moet zich hiervan bewust zijn en ook de verantwoordelijkheid op zich nemen voor het gebruik ervan. De controles moeten worden aangevraagd door de bevoegde (voedsel)keuringsinstantie of sanitaire dienst. De keuze van het perceel voor de uit te voeren controle moet zodanig zijn dat deze representatief is voor het gehele geïrrigeerde areaal waarvoor gebruik wordt gemaakt van teruggewonnen water uit de desbetreffende terugwinningsinstallatie.

Uitstroom van de waterterugwinningsinstallaties

15.

Het CvdR verzoekt de Europese Commissie een definitie te geven van het begrip „uitstroom van de waterterugwinningsinstallatie”. In het huidige voorstel ontbreekt een definitie van deze „uitstroom”, wat tot dubbelzinnige interpretaties leidt. Het begrip „uitstroom” kan betrekking hebben op het water dat uit de terugwinningsinstallatie stroomt, of op een reservoir waarin de noodzakelijke voorraad wordt aangelegd om het onregelmatige verbruik van de eindgebruikers te dekken, of zelfs op het irrigatiesysteem zelf, dat het product van de waterterugwinningsinstallatie naar de plaats van het eindverbruik transporteert.

Subsidiariteitsbeginsel

16.

Het CvdR is van mening dat de voorgestelde verordening in overeenstemming is met het subsidiariteitsbeginsel (artikel 5 VEU). Hoewel het vanuit het oogpunt van de subsidiariteit juist is om te stellen dat het specifieke gebruik van teruggewonnen afvalwater zal worden bepaald door de bevoegde lokale waterautoriteit in elke lidstaat, is een rechtsinstrument op EU-niveau nog steeds noodzakelijk gezien de aard van de interne markt voor landbouwproducten in de EU.

Brussel, 6 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ


(*1)  Druppelirrigatie is een micro-irrigatiesysteem waarmee de gewassen worden voorzien van water in de vorm van waterdruppeltjes of minieme waterstroompjes die via zeer dunne plastic buisjes met uitlaatopeningen bij een zeer laag debiet (2-20 liter/uur) druppelsgewijs op de grond of meteen onder het grondoppervlak worden gebracht.

(*2)  Druppelirrigatie is een micro-irrigatiesysteem waarmee de gewassen worden voorzien van water in de vorm van waterdruppeltjes of minieme waterstroompjes die via zeer dunne plastic buisjes met uitlaatopeningen bij een zeer laag debiet (2-20 liter/uur) druppelsgewijs op de grond of meteen onder het grondoppervlak worden gebracht.

(*3)  De referentiepathogenen Campylobacter, Rotavirus en Cryptosporidium kunnen ook in plaats van de voorgestelde indicatormicro-organismen voor validatiemonitoringdoeleinden worden gebruikt. Daarbij zijn dan de volgende log10-reductiestreefwaarden van toepassing: Campylobacter (≥ 5,0), Rotavirus (≥ 6,0) en Cryptosporidium (≥ 5,0).

(*4)  Totaal aantal colifagen wordt geselecteerd als de meest geschikte indicator voor virussen. Indien het echter niet mogelijk is om het totaal aantal colifagen te analyseren, moet ten minste één ervan (F-specifieke of somatische colifagen) worden geanalyseerd.

(*5)  Sporen van Clostridium perfringens wordt geselecteerd als de geschiktste indicator voor protozoa. Sporenvormende sulfaatreducerende bacteriën vormen echter een alternatief indien de concentratie Clostridium perfringens-sporen het niet mogelijk maakt om de gewenste log10-verwijdering te valideren.

De analysemethoden voor monitoring dienen te worden gevalideerd en gedocumenteerd door de exploitant in overeenstemming met EN ISO/IEC-17025 of andere nationale of internationale normen die dezelfde kwaliteit waarborgen.

(*6)  De referentiepathogenen Campylobacter, Rotavirus en Cryptosporidium kunnen ook in plaats van de voorgestelde indicatormicro-organismen voor validatiemonitoringdoeleinden worden gebruikt. Daarbij zijn dan de volgende log10-reductiestreefwaarden van toepassing: Campylobacter (≥ 5,0), Rotavirus (≥ 6,0) en Cryptosporidium (≥ 5,0).

(*7)  Totaal aantal colifagen wordt geselecteerd als de meest geschikte indicator voor virussen. Indien het echter niet mogelijk is om het totaal aantal colifagen te analyseren, moet ten minste één ervan (F-specifieke of somatische colifagen) worden geanalyseerd.

(*8)  Sporen van Clostridium perfringens wordt geselecteerd als de geschiktste indicator voor protozoa. Sporenvormende sulfaatreducerende bacteriën vormen echter een alternatief indien de concentratie Clostridium perfringens-sporen het niet mogelijk maakt om de gewenste log10-verwijdering te valideren.

De analysemethoden voor monitoring dienen te worden gevalideerd en gedocumenteerd door de exploitant in overeenstemming met EN ISO/IEC-17025 of andere nationale of internationale normen die dezelfde kwaliteit waarborgen.

Indien de log10-reductiewaarden niet kunnen worden bereikt als gevolg van de lage concentratie van indicatororganismen in het gezuiverde afvalwater dat de waterterugwinningsinstallatie binnenkomt, kan worden aangenomen dat de valideringsdoelstelling is bereikt als het indicatororganisme in kwestie niet in het teruggewonnen water voorkomt.


7.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/365


Advies van het Europees Comité van de Regio’s over het ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma

(2019/C 86/20)

Rapporteur:

Andres JAADLA (ET/ALDE), lid van de gemeenteraad van Rakvere

Referentiedocument:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU

COM(2018) 447 final

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

erkent het belang van de ruimtevaart als een sleuteltechnologie die bijdraagt aan het EU-beleid op een groot aantal gebieden, zoals oplossingen voor slimme steden, landbouw, milieu, klimaat, rampenrisicovermindering en rampenrespons, migratie, veiligheid, ruimtelijke ordening en andere gebieden. Het wijst verder op de mogelijkheden die de toegang tot hoogwaardige en actuele gegevens biedt om in bestaande en toekomstige behoeften te voorzien, alsook op de verbetering van het Europese concurrentievermogen, de sociaaleconomische voordelen en de vergroting van de Europese veiligheid.

2.

Het Comité steunt de visie van de Europese Commissie op de Ruimtevaartstrategie voor Europa en de uitvoering daarvan door vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de EU. Een eengemaakt en geïntegreerd ruimteprogramma zal leiden tot toenemende synergieën tussen de onderdelen ervan, alsook tot meer efficiëntie en effectiviteit.

3.

Het Comité is van mening dat het samenbrengen van de ruimtevaartactiviteiten van de EU in één verordening zorgt voor een samenhangend kader en een betere zichtbaarheid op dit gebied.

4.

Het Comité ziet deze hervorming van het ruimtevaartbeleid van de EU als een kans voor meer openheid, waarbij een groot aantal branches de mogelijkheid wordt geboden om te profiteren van zowel bestaande als toekomstige ruimtevaartactiviteiten.

5.

Het benutten van synergieën tussen energie en ruimtevaart is belangrijk voor een goede uitvoering van het energiebeleid van de EU. Lokale en regionale overheden worden steeds actiever in de energiesector, en daarom moet de coördinatie van de energie-infrastructuur met behulp van satelliettechnologie worden bevorderd.

6.

Het Comité verzoekt de Commissie om het idee en de totstandbrenging van ruimtevaarthubs en innovatiepartnerschappen te verduidelijken en verder uit te werken, met name wat betreft de financiële en beheerstaken van de verschillende betrokken partijen, en benadrukt dat deze initiatieven bij uitstek relevant kunnen zijn voor regio’s, waaronder regio’s die zich over meer dan één lidstaat uitstrekken.

7.

Het Comité verzoekt de Europese Commissie om in aanvullende voorstellen duidelijk te maken hoe het gebruik van aardobservatiegegevens en -technologieën door nationale, regionale en lokale overheden, kleine en middelgrote ondernemingen, wetenschappers, onderzoekers en speciale netwerken voor Copernicus-gegevensdistributie kan worden bevorderd, zodat zij uit die gegevens nuttige informatie voor de bevolking kunnen halen.

8.

Het Comité onderkent dat het bevorderen van een zo breed en open mogelijke deelname in de hele toeleveringsketen van startende ondernemingen, nieuwe marktdeelnemers, kleine en middelgrote ondernemingen, andere marktdeelnemers en lokale en regionale overheden, waaronder het vereiste van onderaanneming door de inschrijvers, in het voorstel wordt genoemd, maar zou graag meer duidelijkheid krijgen over hoe het ruimtevaartprogramma de initiële investeringen door die lokale en regionale overheden voor het gebruik van satellietgegevens moet ondersteunen om te waarborgen dat zij hun taken kunnen vervullen wanneer zij met technische, financiële of kennisinhoudelijke belemmeringen worden geconfronteerd.

9.

Het Comité is van mening dat de verordening beter duidelijk moet maken hoe de EU beoogt om te gaan met commerciële partijen in de ruimtevaart om de Europese industrie te ondersteunen in een sector die in veel opzichten specifiek is: sterk geconcentreerd, tweeërlei gebruik en hoge toetredingsdrempels ten gevolge van de hoge initiële investeringen en daaraan gerelateerde factoren. De bepalingen die onafhankelijke toegang moeten waarborgen moeten daarom aangescherpt worden.

10.

Het Comité wijst erop dat de nadruk die in het voorstel wordt gelegd op de beheersprocedures voor de samenwerking tussen de Europese Unie, het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma, de lidstaten en het Europees Ruimteagentschap moet voorkomen dat zich overlappingen voordoen of dat door het nieuwe agentschap dubbele structuren ontstaan. Een overdracht van andere taken naar het nieuwe agentschap mag niet door de Europese Commissie alleen worden uitgevoerd, maar dient uitsluitend in overleg met het Europees Parlement en de Raad te gebeuren.

11.

Het Comité is ingenomen met de ruimere financiering voor het ruimtevaartprogramma, die de voortzetting en verdere ontwikkeling moet waarborgen van kernprogramma’s als Copernicus, Galileo en Egnos, waaraan twee nieuwe initiatieven worden toegevoegd, te weten SST en Govsatcom.

12.

Het Comité betreurt dat er in Horizon Europa geen specifieke financiering wordt toegewezen aan ruimtevaartonderzoek, terwijl dit de Europese industrie extra stimulansen en zekerheid zou kunnen bieden voor verdere ontwikkeling op dit gebied en kan zorgen voor een optimale synergie tussen de industrie en onderzoeksinstellingen.

Algemene opmerkingen en analyse

13.

Op 26 oktober 2016 heeft de Europese Commissie de ruimtevaartstrategie voor Europa vastgesteld. Het doel van de ruimtevaartstrategie was om een algemene strategische visie voor de activiteiten van de Unie in de ruimte te bepalen, onder waarborging van een goede coördinatie en complementariteit met de activiteiten van de lidstaten en het Europees Ruimteagentschap (ESA). De ontwerpverordening beoogt de verwezenlijking van de doelstellingen van de Ruimtevaartstrategie voor Europa door specifieke maatregelen ter versterking van bestaande programma’s te nemen, nieuwe programma’s op te zetten en 16 miljard EUR voor ruimtevaartbeleid uit te trekken.

14.

Het Comité van de Regio’s steunt de doelstelling van de ruimtevaartstrategie van de EU en onderkent het belang ervan voor de regio’s. De ontwerpverordening draagt bij aan deze doelstellingen, maar gaat in sommige gevallen niet ver genoeg of is niet duidelijk genoeg over de manier waarop de beoogde resultaten kunnen worden bereikt. Europese burgers, bedrijven en onderzoeksgemeenschappen worden steeds actiever in de ruimtevaartsector. Tegen deze achtergrond is de invoering en bevordering van het gebruik van ruimtevaartgegevens en -diensten van vitaal belang om ervoor te zorgen de samenleving, de subnationale bestuursniveaus en het bedrijfsleven ervan kunnen profiteren. Gezien de strategische impact ervan op het Europese ruimtevaartbeleid zou de bevordering van het gebruik van ruimtevaartgegevens en -diensten daarom een belangrijk aandachtspunt moeten blijven van de Europese Commissie, die regelmatig verslag uitbrengt aan het Europees Parlement en de Raad over haar inspanningen op dit gebied.

15.

Het gebruik van ruimtevaarttechnologieën ter ondersteuning van diensten op aarde wint steeds meer aan belang. Er zijn steeds meer particuliere spelers actief in de ruimtesector. Het gebruik van de ruimte heeft zich een plaats verworven in het dagelijks leven op een manier die onvoorstelbaar was aan het begin van het ruimtevaarttijdperk, zestig jaar geleden. Op de ruimtevaart gebaseerde informatie en diensten spelen nu een rol op veel gebieden van het dagelijks leven. Ruimtevaarttechnologieën zijn onmisbaar voor de digitale economie, zijn vitaal voor het verbeteren van overheidsdiensten en bieden ook nieuwe kansen voor onderzoek. De EU is al decennialang een prominente gebruiker van ruimtevaarttechnologieën en heeft essentiële ruimtevaartcomponenten ontwikkeld, zoals Galileo en Copernicus. De EU kan bereiken wat grotendeels onbereikbaar zou zijn voor afzonderlijke lidstaten: Europa moet zijn krachten bundelen om een belangrijke rol te kunnen spelen op ruimtevaartgebied.

16.

Het belang van een nauwere coördinatie tussen wetenschap en ruimtevaartprogramma’s in de EU moet worden benadrukt, en hetzelfde geldt voor de bijdrage die regio’s en lokale overheden kunnen leveren aan een betere inbedding van wetenschap en ruimtevaartactiviteiten in het ondernemerschap. De ontwikkeling van digitale en ruimtetechnologieën moet sterker worden ondersteund door de EU en de onderzoeks- en ruimtevaartbegrotingen moeten nauwer worden gecoördineerd, aangezien deze technologieën gelden als sleutelfactoren voor innovatie op tal van gebieden die van belang zijn voor duurzame ontwikkeling (zoals digitalisering, kunstmatige intelligentie, energie, milieu, rampenrisicobeheer en klimaatverandering). Toegang tot zeer technologische en kennisintensieve wetenschappelijke projecten is van vitaal belang voor de toekomst van de ruimtevaartsector in de EU. Voor een grotere capaciteit van de Europese ruimtevaartindustrie moet ook de deelname van Europese bedrijven en universiteiten of onderzoeksinstellingen aan de ESA-programma’s ter ontwikkeling van geavanceerde technologieën voor ruimtemissies en -systemen worden voortgezet. De voordelen voor het bedrijfsleven moeten worden vergroot door in toekomstige kaderprogramma’s gebruik te maken van het EU-mkb-instrument voor het opschalen van ondernemerschap en zakelijke kansen in ruimtevaartproducten en -diensten.

17.

In het voorstel worden bestaande ruimtevaartactiviteiten geconsolideerd en nieuwe gecreëerd, zoals omgevingsbewustzijn in de ruimte (Space Situational Awareness — SSA) — een initiatief dat het mogelijk maakt maatregelen te nemen tegen risico’s in de ruimte, zoals ruimteschroot, ongelukken in de omloopbaan, weersomstandigheden in de ruimte enz. Verder zijn er plannen voor het oprichten van een netwerk van satellietcommunicatiediensten voor overheden (Govsatcom) waardoor communicatie mogelijk wordt op plaatsen waar normale communicatie niet beschikbaar is.

Industriebeleid en aanbesteding

18.

Ruimtevaarttechnologieën zijn kostbaar en kennisintensief, hetgeen betekent dat de toegangsdrempel voor ondernemingen enorm hoog is. Tegelijkertijd is er nog steeds onvoldoende inzicht in het belang van de ruimtevaart als een ontsluitende technologie. Ondernemingen van uiteenlopende omvang uit alle regio’s kunnen op diverse manieren gebruikmaken van ruimtevaart. Maar met name kleinere bedrijven, meer afgelegen regio’s en kleinere lidstaten zouden behoefte kunnen hebben aan aanvullende informatie of steun om zicht te krijgen op de wijze waarop het potentieel van ruimtevaarttechnologieën kan worden benut.

19.

De aandacht voor ruimtevaarthubs, innovatiepartnerschappen en andere manieren om innovatie te ondersteunen is positief, en het voorstel noemt uitdrukkelijk het regionale niveau. Er wordt echter niet gespecificeerd hoe dat kan worden bereikt.

20.

Ondanks de bepalingen in het voorstel kunnen de competitieve aard van EU-aanbestedingen en de vaardigheden en middelen die vereist zijn om mee te dingen tot situaties leiden die voordelig zijn voor grotere ondernemingen. Deze onevenwichtigheid kan op termijn marktverstoringen teweegbrengen die nadelig kunnen uitpakken voor start-ups, nieuwe marktdeelnemers en kleine en middelgrote ondernemingen, alsmede voor lokale en regionale overheden, wanneer het gaat om het verkrijgen van toegang tot economische mogelijkheden die voortvloeien uit het ruimtevaartprogramma.

21.

Kleine bedrijven zijn mogelijk flexibeler en slagvaardiger, staan dichter bij de gebruiker en vormen daarmee een belangrijke schakel in de waardeketen, ook op het gebied van de ruimtevaart. Ondernemingen uit alle regio’s kunnen op diverse manieren en op verschillende schaal gebruikmaken van ruimtevaart. Kleinere bedrijven, afgelegen regio’s en kleine lidstaten kunnen eveneens bijdragen aan de verwerking van de enorme hoeveelheid gegenereerde gegevens, en nieuwe, innovatieve manieren zoeken om deze te gebruiken. De regionale overheden zouden met behulp van de beschikbare financiële instrumenten en voorlichting meer belangstelling moeten opwekken voor de benutting van ruimtevaarttechnologieën voor marktdoeleinden, bijvoorbeeld door steun te verlenen aan technologiecentra voor op dit gebied actieve start-ups.

22.

In de aanbestedingsbeginselen in de ontwerpverordening wordt gesproken over kleine en middelgrote ondernemingen en een brede geografische keuze, alsmede over het gebruik van meerdere leveranciers en de noodzaak om alle lidstaten bij het proces te betrekken en concentratie te vermijden. De voorstellen in de tekst van de verordening betreffende de ondersteuning van het concurrentievermogen zijn niet specifiek.

23.

Er moet meer aandacht worden geschonken aan de mogelijke marktgevolgen voor de Europese industrie en de regio’s. De EU-procedures voor openbare aanbestedingen en de ESA-procedures kennen een onderling verschillend gewicht toe aan geografische spreiding of evenredige compensatie (juste retour). Er moet rekening worden gehouden met het effect van een verandering van aanbestedingssysteem op de regio’s, aangezien ESA-aanbestedingen voor veel regio’s van groot belang zijn.

24.

Op ruimtevaartgebied schort het aan een gelijk speelveld doordat andere landen beschikken over een grote defensiesector die garant staat voor investeringen en financieel kan bijdragen aan civiele toepassingen. Europa moet zorg dragen voor nauwe samenwerking en waarborgen dat alle mogelijke maatregelen worden genomen om het gebrek aan gelijke voorwaarden te verhelpen en Europese bedrijven te steunen.

25.

Lokale en regionale overheden moeten worden betrokken bij ruimtevaartgerelateerde clusters in een brede waaier aan sectoren waaraan ruimtevaart belangrijke informatie kan verstrekken (zoals energie, vervoer, milieubescherming, landbouw en oplossingen voor slimme steden). Regionale clusters waarbij meerdere lidstaten betrokken zijn kunnen een nuttig industrieel beleidsinstrument zijn voor ruimtevaartbeleid om de concurrentiepositie van de EU te versterken en regionale ontwikkeling te ondersteunen.

26.

De verordening dient beter duidelijk te maken hoe de EU van plan is om te gaan met commerciële leveranciers, met name wat betreft gegevens die met veiligheid verband houden. In het algemeen moeten in de verordening de prioriteiten en de manier waarop met particuliere entiteiten wordt omgegaan nader worden gepreciseerd en moeten de mogelijkheden voor gezamenlijke aanbesteding met particuliere entiteiten worden onderkend.

Bewustmaking en inclusief ruimtevaartbeleid

27.

De ruimtevaart biedt vele potentiële voordelen voor activiteiten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling en kan, mits goed aangeprezen en gepresenteerd op onder meer alle onderwijsniveaus, een stimulerende bron van inspiratie vormen voor nieuwe generaties van onderzoekers en ondernemers in Europa. Dit is essentieel als Europa een prominente rol wil blijven spelen op het gebied van ruimtevaartactiviteiten in een steeds verder geglobaliseerde omgeving. De lokale en regionale overheden zouden steun moeten verlenen voor (formele en niet-formele) onderwijsmaatregelen om de jonge generatie bewuster te maken van de voordelen van de benutting van ruimtevaarttechnologieën voor de civiele economie en het dagelijks leven, bijvoorbeeld voor de waarborging van de veiligheid op lokaal en regionaal niveau.

28.

De EU bevindt zich in een goede positie voor het ondersteunen van onderzoeksactiviteiten, uitwisselingsprojecten en vergelijkbare initiatieven. Het voorstel besteedt niet veel aandacht aan deze kant van het ruimtevaartbeleid. Onderzoek en ontwikkeling zou vaker en specifieker aan bod kunnen komen. In de huidige vorm lijkt de synergie tussen industrie en onderzoek niet genoeg te worden benadrukt.

29.

Er moet naar synergieën worden gezocht op het gebied van cyberbeveiliging, aangezien cyberbeveiliging van belang is voor alle aspecten van de ruimtevaart (grondsegment, satellieten, uplink/downlink en data).

Galileo en Copernicus

30.

Galileo, het mondiale satellietnavigatiesysteem van de EU (GNSS), levert kosteloze locatiegegevens die Europa strategische autonomie bieden. Egnos is een regionaal Europees systeem. Europese autonomie is essentieel in de gecompliceerde en onvoorspelbare geopolitieke omgeving van vandaag. Het belang van satellietgegevens neemt voortdurend toe. Technologieën van de toekomst, zoals zelfrijdende auto’s, zijn hiervan slechts een voorbeeld. Galileo biedt de mogelijkheid nieuwe producten en diensten te ontwikkelen, ook door kleine en middelgrote ondernemingen en in alle lidstaten. Dergelijke mogelijkheden, en de manier waarop deze benut kunnen worden, dienen op een toegankelijke manier te worden gepresenteerd om het gebruik ervan in brede kring te bevorderen.

31.

Het gebruik van gegevens van Copernicus is niet zo wijdverspreid als zou kunnen, en dat terwijl de gegevens kosteloos kunnen worden gebruikt. Er dienen maatregelen te worden genomen om het gebruik ervan in bredere kring te bevorderen. In de verordening wordt de gegevensketen genoemd die een breder gebruik zou ondersteunen. Gezien het zeer grote aantal gebruikers en de enorme hoeveelheid gegevens is snelle en veilige toegang essentieel. Dit is van groot belang voor regio’s, aangezien ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote bedrijven, overal nieuwe diensten kunnen ontwikkelen op basis van de beschikbare gegevens.

32.

Het is positief dat er maatregelen worden voorgesteld om diensten voor de toegang tot gegevens en informatie (DIAS) te verlenen. Een meer gerichte ondersteuning door de EU en een meer gerichte inzet van nationale middelen voor de ontwikkeling van de downstreamsector voor satellietdiensten en -toepassingen zijn van groot belang. De noodzaak om het gebruik van aardobservatiegegevens en -technologieën door lokale overheden, kleine en middelgrote ondernemingen, wetenschappers en onderzoekers, speciale netwerken voor Copernicus-gegevensdistributie, en nationale en regionale instanties te bevorderen en te faciliteren, wordt in het voorstel onderkend, maar het blijft onduidelijk hoe dit kan worden gerealiseerd.

SST

33.

Het voorgestelde systeem voor ruimtebewaking en -monitoring (SST) vormt een belangrijke en nuttige aanvulling, gegeven het steeds intensievere gebruik van de ruimte.

34.

In de bepalingen betreffende het bereik van het SST moet duidelijk worden gemaakt dat een brede betrokkenheid van belanghebbenden in alle delen van de EU — inclusief het gebruik van bestaande en al dan niet commerciële oplossingen — nodig is om op een snelle en efficiënte wijze diensten aan SST-gebruikers te verlenen.

Govsatcom

35.

Govsatcom zal direct voorzien in de behoeften van lidstaten die niet over de capaciteit beschikken om hun eigen ruimtevaartsystemen te ontwikkelen, waardoor de inbreng van de EU onmiddellijk een toegevoegde waarde krijgt.

36.

Govsatcom is vooral zeer belangrijk voor bepaalde regio’s, zoals grensgebieden. Dit wordt aanvankelijk hoofdzakelijk door de lidstaten gedaan. Mogelijk krijgen echter ook de regio’s in een later stadium (na de evaluatie in 2024) de gelegenheid een directe bijdrage te leveren aan het werk van het agentschap.

Toegang tot de ruimte

37.

Toegang tot de ruimte is belangrijk voor activiteiten als GNSS, Copernicus en Galileo. Europa heeft autonome en onafhankelijke toegang tot de ruimte nodig om de duurzaamheid te waarborgen. Het starten van lanceeractiviteiten is kostbaar en gecompliceerd, en de toegangsdrempels zijn huizenhoog. Dit betekent dat er naar manieren moet worden gezocht om ondersteuning te bieden aan moderne, efficiënte en flexibele lanceerinfrastructuren.

38.

Hierbij kan worden gedacht aan een aangepast aanbestedingsbeleid voor Europese institutionele lanceringen, alsook aan een samenhangend beleid betreffende de levensvatbaarheid van kritieke infrastructuur. In de verordening moet duidelijk melding worden gemaakt van de mogelijkheid om lanceringen te bundelen, alternatieve lanceertechnologieën te ontwikkelen en steun te bieden aan infrastructuur op de grond.

Organisatorische aspecten

39.

Het belangrijkste organisatorische voorstel is de uitbreiding van de functie van het GSA van een instantie voor een specifiek programma (Galileo) tot een ruimteagentschap voor de EU, naast het ESA, waardoor er een groot risico is op overlappingen en het ontstaan van dubbele structuren. Dit moet worden voorkomen: voordat taken worden overgeheveld naar het GSA dient zorgvuldig te worden nagegaan of het ESA daar niet al over beschikt. Het EU-beleid dient naast een meerwaarde voor de activiteiten van de lidstaten ook een meerwaarde voor de activiteiten van het ESA te hebben.

40.

Een groot deel van de ontwerpverordening gaat over de organisatorische aspecten van het voorgestelde agentschap, waarbij vooral wordt geput uit de verordening betreffende het GSA. Door de nadruk op deze kwesties te leggen ontstaat het gevaar dat er te veel aandacht wordt besteed aan de opbouw van administratieve structuren en er uiteindelijk onvoldoende personele en financiële middelen zijn voor de kernpunten, zoals een ambitieuzer EU-beleid voor de ruimtevaartindustrie.

41.

Met name kleinere landen hebben nu al problemen bij het vinden van de benodigde mankracht om deel te nemen aan een groot aantal verschillende activiteiten. Dergelijke moeilijkheden kunnen toenemen en leiden tot grotere verschillen tussen lidstaten in hun vermogen om actief te participeren. Het is noodzakelijk zorgvuldig na te denken over een goed gebruik van middelen, aangezien er al kaders voor samenwerking tussen het ESA en de EU bestaan.

42.

De huidige vruchtbare samenwerking tussen verschillende Europese organisaties op ruimtevaartgebied, waaronder bijvoorbeeld Eumetsat en ECWMT, moet worden voortgezet en verbeterd. Het potentieel van de bestaande kennis en structuren moet volledig worden benut.

Budget

43.

De toegewezen begrotingsmiddelen moeten worden toegejuicht. Het ruimtevaartprogramma levert een bijdrage aan een groot aantal beleidsgebieden van de EU, wat betekent dat de kosten niet alleen betrekking hebben op specifieke activiteiten, maar ook op essentiële bestanddelen van andere EU-beleidsgebieden. De financiële middelen die zijn voorzien voor de bevordering van het gebruik zouden recht moeten doen aan de toenemende betrokkenheid van burgers en bedrijven. Zij mogen dus niet lager uitvallen dan in de huidige periode, bijvoorbeeld voor Copernicus niet minder dan 5 % van het totale Copernicus-budget. Het EGNOS/Galileo-budget ter bevordering van het gebruik van technologieën mag niet worden aangesproken voor de oprichting van nieuwe administratieve structuren, maar moet uitsluitend gericht zijn op promotie en marktontwikkeling. Zonder adequate financiering kunnen lopende activiteiten mislukken of irrelevant worden, waardoor reeds gepleegde investeringen in gevaar worden gebracht.

44.

Het is spijtig dat het programma Horizon Europa geen specifieke financiering voor onderzoek op het gebied van ruimtevaart omvat.

45.

De invoering van ruimtevaarttechnologieën vergt hoge initiële investeringen. Daarom zou de overheid moeten nagaan of nieuwe, aantrekkelijke en marktgerichte financieringsinstrumenten kunnen worden gecreëerd voor kleine en middelgrote ondernemingen die ruimtevaarttechnologieën ontwikkelen.

Aanvullende punten

46.

Met betrekking tot recente controversiële ruimtevaartkwesties, zoals het gebruik (en de winning) van grondstoffen in de ruimte, die in de wetgeving van lidstaten zoals Luxemburg worden geregeld, kan de EU bijdragen aan een grotere internationale consensus over de verhouding tussen dergelijke nationale wetgeving en het internationale recht zoals vastgelegd in talloze verdragen.

47.

In het voorstel is sprake van de mogelijkheid van deelname van de EU aan ruimtevaartverdragen; dit moet echter per geval worden bekeken.

Brussel, 6 december 2018.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Karl-Heinz LAMBERTZ