|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
62e jaargang |
|
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
|
2019/C 54/01 |
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/1 |
Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
(2019/C 54/01)
Laatste publicatie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
V Bekendmakingen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/2 |
Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 28 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Sąd Rejonowy w Siemianowicach Śląskich — Polen) — Powszechna Kasa Oszczędności (PKO) Bank Polski S.A. / Jacek Michalski
(Zaak C-632/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Consumentenbescherming - Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten - Richtlijn 2008/48/EG - Betalingsbevelprocedure op basis van een uittreksel uit de rekeningen van de bank - Ontbreken van de mogelijkheid voor de rechter om het eventueel oneerlijke karakter van contractuele bedingen te beoordelen wanneer geen beroep is ingesteld door de consument))
(2019/C 54/02)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Rejonowy w Siemianowicach Śląskich
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Powszechna Kasa Oszczędności (PKO) Bank Polski S.A.
Verwerende partij: Jacek Michalski
Dictum
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en artikel 10 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan een betalingsbevel kan worden uitgevaardigd op basis van een uittreksel uit de rekeningen van een bank waaruit het bestaan van een uit een consumentenkredietovereenkomst voortvloeiende vordering blijkt, wanneer de rechter bij wie een verzoekschrift met het oog op de uitvaardiging van een betalingsbevel is ingediend, niet bevoegd is om te onderzoeken of de bedingen van deze overeenkomst eventueel oneerlijk zijn en om zich ervan te vergewissen dat de in bovengenoemd artikel 10 bedoelde gegevens in die overeenkomst zijn opgenomen, aangezien de voorwaarden voor de uitoefening van het recht om een dergelijk bevel te betwisten niet kunnen waarborgen dat de rechten worden geëerbiedigd die consumenten aan die richtlijnen ontlenen.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/3 |
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 13 november 2018 — Toontrack Music AB/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
(Zaak C-48/18 P) (1)
((Hogere voorziening - Artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Uniemerk - Aanvraag tot inschrijving van het woordmerk EZMIX - Afwijzing van de aanvraag - Verordening (EG) nr. 207/2009 - Artikel 7, lid 1, onder b) en c) - Artikelen 65, 75 en 76 - Beschrijvend karakter - Perceptie door het relevante publiek - Recht om te worden gehoord - Beginsel van ambtshalve onderzoek - Motiveringsplicht - Onjuiste voorstelling - Voor het eerst voor het Gerecht overgelegde bewijsstukken))
(2019/C 54/03)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekende partij: Toontrack Music AB (vertegenwoordiger: L.-E. Ström, advocaat)
Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond verklaard. |
|
2) |
Toontrack Music AB wordt verwezen in de kosten. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/3 |
Beschikking van het Hof (Vierde kamer) van 28 november 2018 — Jean-Marie Le Pen / Europees Parlement
(Zaak C-303/18 P) (1)
((Hogere voorziening - Ontvankelijkheid - Europees Parlement - Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement - Vergoeding voor assistentie aan parlementsleden - Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen))
(2019/C 54/04)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirant: Jean-Marie Le Pen (vertegenwoordiger: F. Wagner, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europees Parlement (vertegenwoordigers: S. Seyr en C. Burgos, gemachtigden)
Dictum
|
1) |
Het beroep is deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels ongegrond. |
|
2) |
Jean-Marie Le Pen wordt verwezen in de kosten. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/4 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Linz (Oostenrijk) op 8 oktober 2018 — HK, IJ / Deutsche Lufthansa AG
(Zaak C-630/18)
(2019/C 54/05)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landesgericht Linz
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: HK, IJ
Verwerende partij: Deutsche Lufthansa AG
De zaak is bij beschikking van het Hof van 15 november 2018 in het register van het Hof doorgehaald.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/4 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Specializat Mureş (Roemenië) op 7 november 2018 — SC Raiffeisen Bank SA/JB
(Zaak C-698/18)
(2019/C 54/06)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Tribunalul Specializat Mureş
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: SC Raiffeisen Bank SA
Verwerende partij: JB
Prejudiciële vragen
|
1) |
Staan de bepalingen van richtlijn 93/13/EEG van de Raad betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1), met name de twaalfde, eenentwintigste en drieëntwintigste overweging en artikel 2, onder b), artikel 6, lid 1, artikel 7, lid 2 en artikel 8 van de richtlijn, een samenstel van gerechtelijke instrumenten toe, bij toepassing van het beginsel van procedurele autonomie in combinatie met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, bestaande uit een niet voor verjaring vatbare gewone juridische vordering met als oogmerk het vaststellen van het oneerlijke karakter van sommige bedingen in consumentenovereenkomsten en een persoonlijke, vermogensrechtelijke en voor verjaring vatbare gewone juridische vordering waarmee het doel van de richtlijn wordt nagestreefd, namelijk het wegnemen van de gevolgen van alle verbintenissen die voortvloeien uit en ten uitvoer worden gelegd uit hoofde van een beding waarvan is vastgesteld dat het oneerlijk is ten opzichte van de consument? |
|
2) |
Indien de eerste vraag bevestigd wordt beantwoord: staan dezelfde bepalingen in de weg aan een uitlegging die voortvloeit uit de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel in civielrechtelijke rechtsverhoudingen volgens welke het moment van beëindiging van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan hij de hoedanigheid van consument had, het objectieve moment is waarop de consument het bestaan van een oneerlijk beding moest kennen of had moeten kennen? |
(1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/5 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Specializat Mureș (Roemenië) op 7 november 2018 — BRD Groupe Societé Générale SA/KC
(Zaak C-699/18)
(2019/C 54/07)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Tribunalul Specializat Mureș (Roemenië
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: BRD Groupe Societé Générale SA
Verwerende partij: KC
Prejudiciële vragen
|
1) |
Staan de bepalingen van richtlijn 93/13/EEG van de Raad betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1), met name de twaalfde, eenentwintigste en drieëntwintigste overweging en artikel 2, onder b), artikel 6, lid 1, artikel 7, lid 2 en artikel 8 van de richtlijn, een samenstel van gerechtelijke instrumenten toe, bij toepassing van het beginsel van procedurele autonomie in combinatie met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, bestaande uit een niet voor verjaring vatbare gewone juridische vordering met als oogmerk het vaststellen van het oneerlijke karakter van sommige bedingen in consumentenovereenkomsten en een persoonlijke, vermogensrechtelijke en voor verjaring vatbare gewone juridische vordering waarmee het doel van de richtlijn wordt nagestreefd, namelijk het wegnemen van de gevolgen van alle verbintenissen die voortvloeien uit en ten uitvoer worden gelegd uit hoofde van een beding waarvan is vastgesteld dat het oneerlijk is ten opzichte van de consument? |
|
2) |
Indien de eerste vraag bevestigd wordt beantwoord: staan dezelfde bepalingen in de weg aan een uitlegging die voortvloeit uit de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel in civielrechtelijke rechtsverhoudingen volgens welke het moment van beëindiging van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan hij de hoedanigheid van consument had, het objectieve moment is waarop de consument het bestaan van een oneerlijk beding moest kennen of had moeten kennen? |
(1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/5 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunalul Timiş (Roemenië) op 13 november 2018 — Amărăşti Land Investment SRL / Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Timişoara, Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Timiş
(Zaak C-707/18)
(2019/C 54/08)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Tribunalul Timiş
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Amărăşti Land Investment SRL
Verwerende partijen: Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Timişoara, Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Timiş
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet richtlijn 2006/112 (1), met name de artikelen 24, 28, 167 en artikel 168, onder a), aldus worden uitgelegd dat wanneer, in geval van een verkoop van onroerende goederen die niet zijn ingeschreven in het Registrul național de publicitate imobiliară (cartea funciară) (nationaal register van publiciteit voor onroerend goed; hierna: „kadaster”) en die op het moment van levering niet kadastraal bekend zijn, de belastingplichtige koper zich op grond van de overeenkomst ertoe verbindt om, op zijn kosten, de noodzakelijke stappen te ondernemen voor eerste inschrijving van deze goederen in het kadaster goed, hij een dienst ten behoeve van de verkoper verricht dan wel diensten betrekt die verband houden met zijn investering in onroerend goed waarvoor hij recht op aftrek van de btw behoort te krijgen? |
|
2) |
Kan richtlijn 2006/112, met name artikel 167 en artikel 168, onder a), aldus worden uitgelegd dat de kosten die de belastingplichtige koper heeft gemaakt voor eerste inschrijving in het kadaster van onroerende goederen waarvoor hij aanspraak kan maken op de toekomstige overdracht van het eigendomsrecht en die hem zijn geleverd door de verkoper wiens eigendomsrecht op deze goederen niet in het kadaster is ingeschreven, kunnen worden aangemerkt als aan de investering voorafgaande handelingen waarvoor de belastingplichtige recht op btw-aftrek geniet? |
|
3) |
Moeten de bepalingen van richtlijn 2006/112, met name de artikelen 24, 28, 167 en artikel 168, onder a), aldus worden uitgelegd dat de kosten die de belastingplichtige koper maakt voor eerste inschrijving in het kadaster van onroerende goederen die aan hem zijn geleverd en waarvoor hij, op grond van een overeenkomst, aanspraak maakt op de toekomstige overdracht van het eigendomsrecht door de verkoper wiens eigendomsrecht op deze goederen niet in het kadaster is ingeschreven, worden aangemerkt als een ten behoeve van de verkoper verrichte dienst in omstandigheden waarin de koper en de verkoper zijn overeengekomen dat de tegenwaarde voor inschrijving in het kadaster niet in de prijs van de onroerende goederen is inbegrepen? |
|
4) |
Dienen, in de zin van richtlijn 2006/112, de kosten voor de administratieve handelingen betreffende de onroerende goederen die aan deze koper zijn geleverd en waarvoor hij, op grond van een overeenkomst, aanspraak maakt op de toekomstige overdracht van het eigendomsrecht door de verkoper — waaronder doch niet uitsluitend de kosten voor eerste inschrijving in het kadaster — noodzakelijkerwijs door de verkoper te worden gedragen? Of kunnen deze kosten ook door de koper of door een van de partijen bij de transactie worden gedragen, overeenkomstig hetgeen tussen partijen is overeengekomen, met als gevolg dat het recht op btw-aftrek aan die persoon toekomt? |
(1) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/6 |
Beroep ingesteld op 16 november 2018 — Europese Commissie / Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-718/18)
(2019/C 54/09)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Noll-Ehlers, O. Beynet, gemachtigde)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
|
1. |
vaststellen dat de Bondsrepubliek Duitsland haar verplichtingen uit richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (1) en uit richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG (2) niet is nagekomen door
niet juist om te zetten; |
|
2. |
verweerster verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het beroep heeft betrekking op de gebrekkige Duitse omzetting van richtlijnen 2009/72 en 2009/73 inzake de interne markt voor respectievelijk elektriciteit en aardgas in het Energiewirtschaftsgesetz (wet betreffende de energiesector; hierna: „EnWG”). Volgens de Commissie is deze omzetting in het EnWG op vier punten ontoereikend. Ten eerste is de definitie van verticaal geïntegreerd bedrijf aan de hand waarvan wordt bepaald welke ondernemingen onder de ontvlechtingsvoorschriften van de richtlijnen vallen, slechts in beperkte mate in Duits recht omgezet. Ten tweede zijn de bepalingen over de afkoelperiode bij de wisseling van baan binnen de verticaal geïntegreerde onderneming niet volledig omgezet. Ten derde zijn ook de voorschriften over het verbod op bepaalde belangen bij of financiële voordelen afkomstig van ondernemingen binnen de verticaal geïntegreerde onderneming slechts in beperkte mate omgezet. Ten slotte is de toekenning van verantwoordelijkheden in het EnWG in strijd met de bij uitsluiting aan de nationale regulerende instantie toekomende verantwoordelijkheden zoals deze in die richtlijnen zijn vastgelegd.
Daardoor is volgens de Commissie sprake van schending van artikel 2, nummer 21, van richtlijn 2009/72/EG en artikel 2, nummer 20, van richtlijn 2009/73/EG, artikel 19, lid 3, juncto artikel 19, lid 8, van richtlijnen 2009/72/EG en 2009/73/EG, artikel 19, lid 5, van richtlijnen 2009/72/EG en 2009/73/EG en artikel 37, lid 1, onder a), en lid 6, onder a) en b), van richtlijn 2009/72/EG, alsook artikel 41, lid 1, onder a), en lid 6, onder a) en b), van richtlijn 2009/73/EG.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/7 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf (Duitsland) op 16 november 2018 — Ferrari S.p.A. / DU
(Zaak C-720/18)
(2019/C 54/10)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ferrari S.p.A.
Verwerende partij: DU
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet bij de beoordeling van de vraag of het gebruik naar aard en omvang normaal is in de zin van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2008/95/EG (1), in het geval van een merk dat voor een brede warencategorie — in casu middelen voor vervoer over land, met name automobielen en onderdelen daarvan — is ingeschreven, maar daadwerkelijk alleen voor een bijzonder marktsegment — in casu dure luxe sportwagens en onderdelen daarvan — wordt gebruikt, de markt van de ingeschreven warencategorie in zijn geheel in aanmerking worden genomen of kan het bijzondere marktsegment in aanmerking worden genomen? Wanneer het gebruik voor het bijzondere marktsegment volstaat, dient in een vervallenverklaringsprocedure het merk met betrekking tot dat marktsegment dan te worden gehandhaafd? |
|
2) |
Vormt de verkoop, door de merkhouder, van tweedehands waren die reeds door hem in de Europese Economische Ruimte in de handel zijn gebracht, een gebruik van het merk in de zin van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2008/95/EG? |
|
3) |
Wordt een merk dat niet alleen voor een waar maar tevens voor onderdelen van deze waar is ingeschreven, ook voor die waar gebruikt op een wijze die de instandhouding van de daaraan verbonden rechten verzekert, wanneer deze waar niet meer wordt verkocht, maar wel met het merk aangeduide accessoires en onderdelen voor de in het verleden verkochte en met het merk aangeduide waar nog steeds worden verkocht? |
|
4) |
Moet bij de beoordeling of er sprake is van een normaal gebruik eveneens in aanmerking worden genomen of de merkhouder bepaalde diensten aanbiedt waarvoor weliswaar niet het merk wordt gebruikt, maar die bestemd zijn voor de reeds verkochte waren? |
|
5) |
Moet bij het onderzoek van het gebruik van het merk in de betrokken lidstaat (in casu Duitsland) in de zin van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2008/95/EG, overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag tussen Zwitserland en Duitsland van 13 april 1892 betreffende de wederzijdse bescherming van octrooien, merken, tekeningen en modellen, ook het gebruik van het merk in Zwitserland in aanmerking worden genomen? |
|
6) |
Is het verenigbaar met richtlijn 2008/95/EG om aan de merkhouder tegen wie een vordering tot vervallenverklaring van het merk is ingesteld, een ruime exhibitieplicht met betrekking tot het gebruik van het merk op te leggen, maar het risico dat het bewijs niet kan worden geleverd te laten dragen door de verzoeker tot vervallenverklaring? |
(1) Richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25).
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/8 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf (Duitsland) op 16 november 2018 — Ferrari S.p.A. / DU
(Zaak C-721/18)
(2019/C 54/11)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ferrari S.p.A.
Verwerende partij: DU
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet bij de beoordeling van de vraag of het gebruik naar aard en omvang normaal is in de zin van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2008/95/EG (1), in het geval van een merk dat voor een brede warencategorie — in casu middelen voor vervoer over land, met name automobielen en onderdelen daarvan — is ingeschreven, maar daadwerkelijk alleen voor een bijzonder marktsegment — in casu dure luxe sportwagens en onderdelen daarvan — wordt gebruikt, de markt van de ingeschreven warencategorie in zijn geheel in aanmerking worden genomen of kan het bijzondere marktsegment in aanmerking worden genomen? Wanneer het gebruik voor het bijzondere marktsegment volstaat, dient in een vervallenverklaringsprocedure het merk met betrekking tot dat marktsegment dan te worden gehandhaafd? |
|
2) |
Vormt de verkoop, door de merkhouder, van tweedehands waren die reeds door hem in de Europese Economische Ruimte in de handel zijn gebracht, een gebruik van het merk in de zin van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2008/95/EG? |
|
3) |
Wordt een merk dat niet alleen voor een waar maar tevens voor onderdelen van deze waar is ingeschreven, ook voor die waar gebruikt op een wijze die de instandhouding van de daaraan verbonden rechten verzekert, wanneer deze waar niet meer wordt verkocht, maar wel met het merk aangeduide accessoires en onderdelen voor de in het verleden verkochte en met het merk aangeduide waar nog steeds worden verkocht? |
|
4) |
Moet bij de beoordeling of er sprake is van een normaal gebruik eveneens in aanmerking worden genomen of de merkhouder bepaalde diensten aanbiedt waarvoor weliswaar niet het merk wordt gebruikt, maar die bestemd zijn voor de reeds verkochte waren? |
|
5) |
Moet bij het onderzoek van het gebruik van het merk in de betrokken lidstaat (in casu Duitsland) in de zin van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2008/95/EG, overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag tussen Zwitserland en Duitsland van 13 april 1892 betreffende de wederzijdse bescherming van octrooien, merken, tekeningen en modellen, ook het gebruik van het merk in Zwitserland in aanmerking worden genomen? |
|
6) |
Is het verenigbaar met richtlijn 2008/95/EG om aan de merkhouder tegen wie een vordering tot vervallenverklaring van het merk is ingesteld, een ruime exhibitieplicht met betrekking tot het gebruik van het merk op te leggen, maar het risico dat het bewijs niet kan worden geleverd te laten dragen door de verzoeker tot vervallenverklaring? |
(1) Richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25).
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/9 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rēzeknes tiesa (Letland) op 28 november 2018 — Elme Messer Metalurgs / Latvijas Investīciju un attīstības aģentūra
(Zaak C-743/18)
(2019/C 54/12)
Procestaal: Lets
Verwijzende rechter
Rēzeknes tiesa
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: SIA Elme Messer Metalurgs
Verwerende partij: Latvijas Investīciju un attīstības aģentūra
Prejudiciële vraag
Moet artikel 2, punt 7, van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (1) aldus worden uitgelegd dat een situatie waarin de begunstigde van financiering de omzet die voor de relevante periode is bepaald niet kan realiseren omdat in die periode haar enige vennoot zijn handelsactiviteit heeft gestaakt of insolvabel is verklaard, dient te worden opgevat als een handeling of nalatigheid van een marktdeelnemer (de begunstigde van de financiering) waarbij de algemene begroting van de Europese Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld?
(1) Verordening van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB 2006, L 210, blz. 25).
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/10 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Riigikohus (Finland) op 29 november 2018 — H.K. / Openbaar Ministerie
(Zaak C-746/18)
(2019/C 54/13)
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Riigikohus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: H.K.
Verwerende partij: Openbaar Ministerie
Prejudiciële vragen
|
1) |
Dient artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 (1) in het licht van de artikelen 7, 8, 11 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat in een strafprocedure de toegang van overheidsinstanties tot gegevens die het mogelijk maken om de plaats van verzending en ontvangst, de datum, het tijdstip en de duur, de aard van de communicatiedienst, de gebruikte eindapparatuur en de locatie van het gebruik van mobiele eindapparatuur met betrekking tot een communicatie per telefoon of mobiele telefoon van een verdachte vast te stellen, een dusdanig ernstige inmenging vormt in de grondrechten zoals gewaarborgd door de genoemde artikelen van het Handvest, dat deze toegang op het gebied van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten moet worden beperkt tot de bestrijding van zware criminaliteit, ongeacht de periode waarop de bewaarde gegevens waartoe de overheidsinstanties toegang hebben, betrekking hebben? |
|
2) |
Dient artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG uitgaande van het in het arrest van het Hof van 2 oktober 2018 in zaak C-207/16, punten 55 tot en met 57, geformuleerde evenredigheidsbeginsel aldus te worden uitgelegd dat, als de hoeveelheid van de in de eerste vraag bedoelde gegevens waartoe de overheidsinstanties toegang hebben, (zowel naar de aard van de gegevens als ook gezien de betrokken periode) niet groot is, de daarmee gepaard gaande inmenging in de grondrechten in het algemeen gerechtvaardigd kan zijn door de doelstelling van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten en dat, naarmate de hoeveelheid van de gegevens waartoe de overheidsinstanties toegang hebben groter is, de strafbare feiten die met behulp van de inmenging moeten worden bestreden des te ernstiger moeten zijn? |
|
3) |
Betekent de in het arrest van het Hof van 21 december 2016 in de gevoegde zaken C-203/15 en C-698/15, dictum 2, genoemde eis dat de gegevenstoegang van de bevoegde overheidsinstanties is onderworpen aan een voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit, dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG aldus dient te worden uitgelegd dat het Openbaar Ministerie dat het opsporingsonderzoek leidt en daarbij krachtens de wet verplicht is tot onafhankelijk handelen en uitsluitend gebonden is aan de wet en in het kader van het opsporingsonderzoek zowel de voor de verdachte belastende alsook ontlastende omstandigheden onderzoekt, maar later in de gerechtelijke procedure optreedt als openbaar aanklager, kan worden beschouwd als onafhankelijke bestuurlijke autoriteit? |
(1) Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB 2002, L 201, blz. 37).
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/11 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bayerische Verwaltungsgerichtshof (Duitsland) op 3 december 2018 — Deutsche Umwelthilfe e.V. / Freistaat Bayern
(Zaak C-752/18)
(2019/C 54/14)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bayerischer Verwaltungsgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Deutsche Umwelthilfe e.V.
Verwerende partij: Freistaat Bayern
Prejudiciële vragen
Moeten
|
1) |
het bij artikel 4, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: „VEU”) vastgestelde vereiste dat de lidstaten alle maatregelen treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, |
|
2) |
het onder andere bij artikel 197, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: „VWEU”) vastgestelde beginsel inzake de doeltreffende uitvoering van het Unierecht door de lidstaten, |
|
3) |
het door artikel 47, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, |
|
4) |
de uit artikel 9, lid 4, eerste volzin, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus) blijkende verplichting van de verdragsluitende staten om daadwerkelijke rechtsbescherming inzake milieuaangelegenheden te bieden, |
|
5) |
de bij artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU vastgestelde verplichting van de lidstaten om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren, |
aldus worden uitgelegd dat een Duitse rechter het recht heeft — en zo nodig verplicht is — te bevelen dat functionarissen van een Duitse deelstaat worden gegijzeld teneinde de deelstaat te dwingen te voldoen aan zijn verplichting tot aanvulling van een luchtkwaliteitsplan in de zin van artikel 23 van richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB 2008, L 152, blz. 1) met een bepaalde minimuminhoud, wanneer deze deelstaat definitief is veroordeeld om een aanvulling met deze minimuminhoud uit te voeren, en
|
— |
de deelstaat meermaals vruchteloos is bedreigd met dwangsommen en aan betaling daarvan is onderworpen, |
|
— |
de dreiging met en de oplegging van hogere dwangsommen dan tot nu toe het geval was geen noemenswaardig effect hebben, omdat de betaling van de dwangsommen voor de definitief veroordeelde deelstaat niet gepaard gaat met verlies van vermogen, maar het opgelegde bedrag telkens gewoon wordt overgeboekt van de ene post binnen de deelstaatbegroting naar een andere post binnen dezelfde begroting, |
|
— |
de definitief veroordeelde deelstaat zowel tegenover de rechter als in het openbaar heeft verklaard — onder andere in het parlement bij monde van zijn hoogste politieke ambtsdrager — dat hij de gerechtelijk opgelegde verplichtingen in verband met de luchtkwaliteitsplanning niet zal nakomen, |
|
— |
het nationale recht in beginsel voorziet in het dwangmiddel gijzeling met het oog op de tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen, maar rechtspraak van de nationale constitutionele rechter in de weg staat aan de toepassing van de relevante bepaling op gevallen zoals het onderhavige, en |
|
— |
het nationale recht voor gevallen zoals het onderhavige niet voorziet in dwangmiddelen die doelgerichter zijn dan bedreiging met een dwangsom en de oplegging daarvan, maar minder ingrijpend dan gijzeling, en het gebruik van dergelijke dwangmiddelen uit de aard der zaak niet in aanmerking komt? |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/12 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de tribunal d’instance d’Aulnay-sous-Bois (Frankrijk) op 3 december 2018 — LC, MD / easyJet Airline Co. Ltd
(Zaak C-756/18)
(2019/C 54/15)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Tribunal d’instance d’Aulnay-sous-Bois
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: LC, MD
Verwerende partij: easyJet Airline Co. Ltd
Prejudiciële vragen
Dient artikel 3, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (1) (hierna: „verordening nr. 261/2004”) aldus te worden uitgelegd dat passagiers zich slechts op de bepalingen van deze verordening kunnen beroepen wanneer zij hun aanwezigheid bij de incheckbalie bewijzen?
Zo ja, verzet artikel 3, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 zich tegen een systeem van weerlegbaar vermoeden volgens hetwelk de voorwaarde van de aanwezigheid van de passagier bij de incheckbalie als vervuld wordt beschouwd zodra de passagier beschikt over een boeking die is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, in de zin van artikel 2, onder g)?
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/12 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rayonen sad Haskovo (Bulgarije) op 4 december 2018 — QH / Varhoven kasatsionen sad der Republik Bulgarien
(Zaak C-762/18)
(2019/C 54/16)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Rayonen sad Haskovo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: QH
Verwerende partij: Varhoven kasatsionen sad (Bulgarije)
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling en/of rechtspraak volgens welke een werknemer die onrechtmatig is ontslagen en met betrekking tot wie nadien de hervatting van zijn werkzaamheden gerechtelijk is bevolen, geen recht heeft op jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor de periode vanaf de datum van ontslag tot en met de hervatting van de werkzaamheden? |
|
2) |
Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88 aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling en/of rechtspraak volgens welke bij een nieuwe beëindiging van de arbeidsverhouding deze werknemer geen recht heeft op een financiële vergoeding voor niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor de periode vanaf de datum van het voorafgaande ontslag tot en met de hervatting van de werkzaamheden? |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/13 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) op 7 december 2018 — Caisse d’assurance retraite et de la santé au travail d’Alsace-Moselle / SJ, Ministre chargé de la Sécurité sociale
(Zaak C-769/18)
(2019/C 54/17)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour de cassation
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Caisse d’assurance retraite et de la santé au travail d’Alsace-Moselle
Verwerende partijen: SJ, Ministre chargé de la Sécurité sociale
Prejudiciële vragen
|
1) |
Valt de bijstand ter verlichting van de kosten van een handicap als bedoeld in § 35a, boek VIII, van het Sozialgesetzbuch (Duits sociaal wetboek) binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 883/2004 (1)? |
|
2) |
Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zijn de opvoedingsuitkering voor kinderen met een handicap, de aanvulling daarop, of bij gebreke daarvan de uitkering ter compensatie van de handicap enerzijds, en de hulp bij de integratie van kinderen en adolescenten met een handicap als bedoeld in § 35a, boek VIII, van het Sozialgesetzbuch (Duits sociaal wetboek) anderzijds, gelijkgestelde prestaties in de zin van artikel 5, onder a), van verordening nr. 883/2004, gelet op de doelstelling van artikel L. 351-4-1 van de code de la sécurité sociale (Frans wetboek van sociale zekerheid) om de kosten die inherent zijn aan de opvoeding van een kind met een handicap in aanmerking te nemen bij de bepaling van de verzekeringsduur die recht geeft op de uitkering van een ouderdomspensioen? |
(1) Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1).
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/14 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Conseil d'État (Frankrijk) op 11 december 2018 — Association française des usagers de banques / Ministre de l'Économie et des Finances
(Zaak C-778/18)
(2019/C 54/18)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Conseil d'État
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Association française des usagers de banques
Verwerende partij: Ministre de l'Économie et des Finances
Prejudiciële vragen
|
1) |
Staat artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/17/EU van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen (1), met name gelet op de doelstelling die door deze bepaling wordt gekoppeld aan de betaal- of spaarrekening die volgens haar mag worden geopend of aangehouden, of lid 3 van hetzelfde artikel toe dat de kredietgever de kredietnemer verplicht om in ruil voor een geïndividualiseerd voordeel al zijn looninkomsten of daarmee gelijkgestelde inkomsten automatisch te laten incasseren op een betaalrekening voor een op basis van de leningsovereenkomst bepaalde duur, ongeacht het bedrag, de aflossingstermijnen en de duur van de lening, en dat de aldus bepaalde duur tien jaar kan bedragen of even lang kan zijn als de duur van de overeenkomst, indien die korter is? |
|
2) |
Staan artikel 45 van richtlijn 2007/64/EG van 13 november 2007 (2), dat destijds van toepassing was en thans is vervat in artikel 55 van richtlijn (EU) 2015/2366 van 25 november 2015 (3), en de artikelen 9 tot en met 14 van richtlijn 2014/92/EU van 23 juli 2014 (4), die betrekking hebben op het stimuleren van de bancaire mobiliteit en op de vergoedingen voor opheffing van een betaalrekening, eraan in de weg dat de opheffing van een rekening — die, in het kader van een kredietovereenkomst, door de kredietnemer is geopend bij de kredietgever om in ruil voor een geïndividualiseerd voordeel zijn inkomsten automatisch te laten incasseren op die rekening — vóór afloop van de in die overeenkomst bepaalde periode tot het verlies van dat voordeel leidt, ook meer dan een jaar nadat de rekening is geopend, en verzetten dezelfde bepalingen zich ertegen dat de duur van deze periode tien jaar kan bedragen of even lang kan zijn als de totale duur van het krediet? |
(1) Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 60, blz. 34).
(2) Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG (PB L 319, blz. 1).
(3) Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337, blz. 35).
(4) Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB L 257, blz. 214).
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/15 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal d’instance Épinal (Frankrijk) op 13 december 2018 — Cofidis / YP
(Zaak C-782/18)
(2019/C 54/19)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Tribunal d’instance Épinal
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Cofidis
Verwerende partij: YP
Prejudiciële vraag
Verzet de door richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (1) verzekerde consumentenbescherming zich tegen een nationale regelgeving die — in het kader van een vordering die door een verkoper is ingesteld tegen een consument en is gebaseerd op een tussen hen gesloten kredietovereenkomst — het de nationale rechter na het verstrijken van een verjaringstermijn van vijf jaar die ingaat op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten, verbiedt om, ambtshalve of na een door de consument opgeworpen exceptie, een inbreuk vast te stellen op de in artikel 8 van de richtlijn neergelegde bepalingen inzake de verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, op de in de artikelen 10 en volgende van de richtlijn opgenomen bepalingen betreffende de op duidelijke en beknopte wijze in de kredietovereenkomst te vermelden informatie, en meer in het algemeen op alle in die richtlijn neergelegde bepalingen inzake consumentenbescherming, en die inbreuk te bestraffen?
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/15 |
Hogere voorziening ingesteld op 12 december 2018 door Mellifera eV, Vereinigung für wesensgemäße Bienenhaltung tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 27 september 2018 in zaak T-12/17, Mellifera e. V. / Europese Commissie
(Zaak C-784/18 P)
(2019/C 54/20)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Mellifera eV, Vereinigung für wesensgemäße Bienenhaltung (vertegenwoordiger: A. Willand, Rechtsanwalt)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
|
1. |
Het arrest van het Gerecht van 27 september 2018, Mellifera e. V. / Europese Commissie, T-12/17, vernietigen, voor zover het Gerecht het beroep van verzoekster in eerste aanleg strekkende tot nietigverklaring van het besluit van verweerster van 8 november 2016, Ares(2016)6306335 (punt 18, eerste streepje van het bestreden arrest) heeft verworpen en haar heeft verwezen in de kosten. |
|
2. |
Het in punt 1 genoemde besluit van verweerster nietig verklaren. |
|
3. |
Verweerster verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert in wezen twee middelen aan.
Eerste middel: schending van artikel 10, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, onder g), van verordening (EG) nr. 1367/2006 (1) en met het Verdrag van Aarhus.
Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, is de verlenging van de goedkeuring voor glyfosaat een administratieve handeling die getoetst kan worden in de procedure op grond van artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1367/2006. In artikel 2, lid 1, onder g), van verordening (EG) nr. 1367/2006 wordt gesproken van „individuele strekking”, welk element gezien de formulering en het doel ervan betrekking heeft op de inhoudelijke werkingssfeer en niet op de mogelijkheid om vast te stellen welke personen door deze regeling worden geraakt, noch op hun aantal.
Tweede middel: schending van het beginsel dat secundair Unierecht uitgelegd moet worden in het licht van internationaalrechtelijke overeenkomsten.
Het Gerecht schendt het beginsel van de zo goed mogelijk met het internationaal recht overeenstemmende uitleg doordat het artikel 10 juncto artikel 2, lid 1, onder g), van verordening nr. 1367/2006 niet conform het Verdrag van Aarhus heeft uitgelegd, hoewel dit volledig overeenstemt met de formulering en het doel van de relevante Unierechtelijke regeling die in verordening (EG) nr. 1367/2006 is vastgesteld.
(1) Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13).
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/16 |
Beschikking van de president van het Hof van 15 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — Nederland) — Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie / D, I / Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
(Zaak C-586/17) (1)
(2019/C 54/21)
Procestaal: Nederlands
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/16 |
Beschikking van de president van het Hof van 16 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg — Duitsland) — Kreyenhop & Kluge GmbH & Co. KG / Hauptzollamt Hannover
(Zaak C-593/17) (1)
(2019/C 54/22)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/17 |
Beschikking van de president van het Hof van 8 november 2018 — Europese Commissie / Ierland
(Zaak C-678/17) (1)
(2019/C 54/23)
Procestaal: Engels
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/17 |
Beschikking van de president van het Hof van 7 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de tribunal de première instance francophone de Bruxelles — België) — Edward Reich, Debora Lieber, Ella Reich, Ezra Bernard Reich, Zoe Reich / Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV
(Zaak C-730/17) (1)
(2019/C 54/24)
Procestaal: Frans
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/17 |
Beschikking van de president van het Hof van 26 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof — Duitsland) — Logistik XXL GmbH / CMR Transport & Logistik, in tegenwoordigheid van: Rudolph Spedition und Logistik GmbH
(Zaak C-135/18) (1)
(2019/C 54/25)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/17 |
Beschikking van de president van het Hof van 26 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court — Ierland) — KN / Minister for Justice and Equality
(Zaak C-191/18) (1)
(2019/C 54/26)
Procestaal: Engels
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/18 |
Beschikking van de president van de Zevende kamer van het Hof van 8 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Budai Központi Kerületi Bíróság — Hongarije) — VE / WD
(Zaak C-227/18) (1)
(2019/C 54/27)
Procestaal: Hongaars
De president van de Zevende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/18 |
Beschikking van de president van het Hof van 22 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Almería — Spanje) — Banco Popular Español SA / María Ángeles Díaz Soria, Miguel Ángel Góngora Gómez, José Antonio Sánchez González, Dolores María del Águila Andújar
(Zaak C-232/18) (1)
(2019/C 54/28)
Procestaal: Spaans
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/18 |
Beschikking van de president van het Hof van 15 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social no 33 de Barcelona — Spanje) — Magdalena Molina Rodríguez / Servicio Público de Empleo Estatal (SEPE)
(Zaak C-279/18) (1)
(2019/C 54/29)
Procestaal: Spaans
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/18 |
Beschikking van de president van het Hof van 26 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Handelsgericht Wien — Oostenrijk) — KAMU Passenger & IT Services GmbH / Türk Hava Yollari A.O. — T.H.Y. Turkish Airlines
(Zaak C-289/18) (1)
(2019/C 54/30)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/19 |
Beschikking van de president van het Hof van 7 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Linz — Oostenrijk) — DS / Porsche Inter Auto GmbH & Co KG
(Zaak C-466/18) (1)
(2019/C 54/31)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/19 |
Beschikking van de president van de Zesde kamer van het Hof van 23 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Förvaltningsrätt i Göteborg — Zweden) — AA / Migrationsverket
(Zaak C-526/18) (1)
(2019/C 54/32)
Procestaal: Zweeds
De president van de Zesde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/19 |
Beschikking van de president van het Hof van 8 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Hamburg — Duitsland) — Eurowings GmbH / JJ, KI
(Zaak C-557/18) (1)
(2019/C 54/33)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
Gerecht
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/20 |
Beschikking van het Gerecht van 28 november 2018 — Euronet Consulting/Commissie
(Zaak T-350/18) (1)
((„Overheidsopdrachten voor diensten - Aanbestedingsprocedure - Afwijzing van de offerte van een inschrijver - Gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden handeling - Wijzigingsbesluit - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”))
(2019/C 54/34)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Euronet Consulting EEIG (Brussel, België) (vertegenwoordigers: P. Peeters en R. van Cleemput, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Estrada de Solà, T. Ramopoulos en A. Aresu, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie, waarvan verzoekster is in kennis is gesteld bij brief van 26 maart 2018, houdende afwijzing van de offerte die door het door verzoekster geleide consortium is ingediend voor perceel nr. 2 in het kader van de aankondiging van de opdracht EuropeAid/138778/DH/SER/MULTI, met de titel „Raamovereenkomst voor de tenuitvoerlegging van buitenlandse hulp 2018 (FWC SIEA 2018) 2017/S 128-260026”, en houdende gunning van de opdracht aan tien andere inschrijvers.
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
Elke partij zal haar eigen kosten dragen, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/20 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 28 november 2018 — ZU / Commissie
(Zaak T-671/18 R)
((„Kort geding - Openbare dienst - Verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging - Geen spoedeisendheid”))
(2019/C 54/35)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: ZU (vertegenwoordiger: C. Bernard-Glanz, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Berscheid en R. Striani, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van het directoraat-generaal Personele middelen en veiligheid (DG HR) van de Commissie (Ares(2018)5241886 — 12/10/2018) van 12 oktober 2018 betreffende de overplaatsing van de verzoekende partij, en van het besluit van het directoraat-generaal Personele middelen en veiligheid (DG HR) van de Commissie (Ares(2018)5529220 — 29/10/2018) wat haar terugkeer naar het hoofdkantoor betreft
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/21 |
Beroep ingesteld op 27 november 2018 — Polen / Commissie
(Zaak T-703/18)
(2019/C 54/36)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Poolse Republiek (vertegenwoordiger: B. Majczyna, gemachtigde)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
Nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 17 september 2018 tot uitvoering van de acties en aanbevelingen die zijn vermeld in het definitieve auditverslag, in het deel betreffende aanbeveling 04.01, punt g), met betrekking tot de financiële correcties van de btw-bedragen betreffende de gevallen waarin de deelnemers die de steun ontvingen, btw-plichtig waren en derhalve de btw konden terugvorderen, maar dit hebben niet gedaan, in de projecten die zijn uitgevoerd in het kader van alle operationele programma’s die door het Europees Sociaal Fonds worden medegefinancierd, waarvoor uitgaven voor vergoeding door de Europese Commissie zijn gedeclareerd, |
|
— |
Verwijzing van de Europese Commissie in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één middel aan, te weten schending van de artikelen 65, lid 2, en 69, lid 3, onder c), van verordening nr. 1303/2013 (1) in samenhang met artikel 2, punt 10, van die verordening, voor zover de Commissie deze onjuist heeft uitgelegd en ten onrechte heeft overwogen dat artikel 69, lid 3, onder c), van verordening nr. 1303/2013 van toepassing is op de eindontvangers van de steun uit het Europees Sociaal Fonds, hoewel zij geen begunstigden zijn in de zin van artikel 2, punt 10, van die verordening.
In het kader van dit middel voert de Poolse Republiek aan dat, overeenkomstig het algemene beginsel van subsidiabiliteit van de uitgaven in de projecten van het Europees Sociaal Fonds als omschreven in artikel 65, lid 2, van verordening nr. 1303/2013, de voorwaarden voor subsidiabiliteit van uitgaven op grond van artikel 69 van deze verordening behoren tot de verplichtingen van de begunstigde die het project uitvoert.
Volgens verzoekster laat artikel 2, punt 10, van verordening nr. 1303/2013 in geval van steun ter waarde van minder dan 200 000 EUR de lidstaten uitdrukkelijk vrij om te kiezen of de entiteit die de steun ontvangt dan wel de entiteit die dergelijke steun verleent, als begunstigde wordt beschouwd.
In het onderhavige geval is de begunstigde volgens de keuze van de Poolse autoriteiten de entiteit die de steun verleent en niet de entiteit die de steun ontvangt. De eindontvangers van de steun zijn geen begunstigden en derhalve is volgens verzoekster artikel 69, lid 3, onder c), van verordening nr. 1303/2013 niet op hen van toepassing.
De Poolse Republiek stelt verder dat in de onderhavige zaak het toekennen van de status van begunstigde aan entiteiten die steun ontvangen — werklozen — hun veel verplichtingen zou opleggen met betrekking tot de afwikkeling van ontvangen steun, de rapportage over de voortgang van de projectuitvoering, de controles van het project en de noodzaak gegevens in te voeren in IT-systemen die zijn bedoeld ter ondersteuning voor de uitvoering van operationele programma’s. Een dergelijke oplossing zou het onmogelijk maken om de doelstellingen van verordening nr. 1303/2013 te verwezenlijken.
(1) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (PB 2013, L 347, blz. 320).
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/22 |
Beroep ingesteld op 29 november 2018 — Tilly-Sabco / Raad en Commissie
(Zaak T-707/18)
(2019/C 54/37)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Tilly-Sabco (Guerlesquin, Frankrijk) (vertegenwoordigers: R. Milchior en S. Charbonnel, advocaten)
Verwerende partijen: Europese Commissie, Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
het beroep tot nietigverklaring van verordening (EU) nr. 2018/1277 van de Raad van 18 september 2018 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee op 0 EUR (PB 2018, L 239, blz. 1) ontvankelijk verklaren; |
en bijgevolg,
|
— |
verordening (EU) nr. 2018/1277 van de Raad van 18 september 2018 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee op 0 EUR (PB 2018, L 239, blz. 1) nietig verklaren; |
|
— |
primair, oordelen dat de Raad aansprakelijk is wegens de onrechtmatige vaststelling van verordening (EU) nr. 2018/1277 van 18 september 2018, waarvan de nietigverklaring zal worden uitgesproken; |
|
— |
subsidiair, oordelen dat de Commissie aansprakelijk is wegens het onrechtmatig doen vaststellen van verordening (EU) nr. 2018/1277 van 18 september 2018, waarvan de nietigverklaring zal worden uitgesproken, door de Raad, en dit enkel ingeval de Commissie niet aansprakelijk zou worden geacht in het kader van de procedure welke het voorwerp is van zaak T-437/18; |
|
— |
uiterst subsidiair, oordelen dat de Raad en de Commissie aansprakelijk zijn wegens de onrechtmatige vaststelling van verordening (EU) nr. 2018/1277 van 18 september 2018, waarvan de nietigverklaring zal worden uitgesproken, en dit enkel ingeval de Commissie niet aansprakelijk zou worden geacht in het kader van de procedure welke het voorwerp is van zaak T-437/18; |
|
— |
oordelen dat het onrechtmatige handelen van de Raad en/of de Commissie de onderneming Tilly-Sabco schade heeft berokkend; |
en bijgevolg,
|
— |
primair,
|
|
— |
subsidiair,
|
|
— |
uiterst subsidiair,
|
|
— |
de Raad en de Commissie verwijzen in de kosten van het onderhavige beroep, waarbij de beslissing over de eventuele verdeling van de kosten tussen hen aan het Gerecht wordt overgelaten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.
|
1. |
Eerste middel, ontleend aan misbruik van de procedure of schending van de procedure, aangezien zijn meent dat in de onderhavige zaak de procedure ter vervanging van een nietig verklaarde handeling niet is nageleefd. De nietig verklaarde handeling, namelijk verordening (EU) nr. 689/2013 van 18 juli 2013 tot vaststelling van de uitvoerrestitiuties in de sector vlees van pluimvee (PB 2013, L 196, blz. 13), was immers door de Commissie vastgesteld, terwijl het de Raad is die de nieuwe verordening op 18 september 2018 op basis van andere teksten heeft vastgesteld. |
|
2. |
Tweede middel, ontleend aan de schending van de regel van het parallelisme van de vormen, voor zover de nieuwe verordening niet door de Commissie, maar door de Raad werd vastgesteld en de Commissie zich had moeten laten bijstaan door het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten. |
|
3. |
Derde middel, ontleend aan het ontbreken van een rechtsgrondslag voor de bestreden verordening, aangezien artikel 43, lid 3 VWEU, dat als enige mogelijke rechtsgrondslag voor de vaststelling van de bestreden verordening is genomen, niet toestaat dat de Raad een dergelijke verordening vaststelt. Bijgevolg bestaat er geen rechtsgrondslag die de Raad toestaat om uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee vast te stellen. |
|
4. |
Vierde middel, ontleend aan misbruik van de procedure, aangezien de Commissie de handeling ter vervanging van de nietig verklaarde verordening zelf had moeten vaststellen om aan het arrest van het Hof van Justitie van 20 september 2017, Tilly-Sabco/Commissie, (C-183/16 P, EU:C:2017:704), te voldoen en niet aan de Raad had mogen vragen om dit „in haar plaats” te doen. |
|
5. |
Vijfde middel, ontleend aan ontoereikende of onjuiste motivering, zowel naar de vorm, doordat in de bestreden verordening niet is toegelicht waarom aan de Raad moest worden gevraagd om deze tekst vast te stellen, noch waarom en hoe artikel 43, lid 3 VWEU de enige rechtsgrondslag was die de vaststelling hiervan toestaat, als naar de inhoud, wat betreft het vaststellen van de restitutievoet, doordat de Raad, zoals voordien de Commissie, elke economische analyse naast zich neer heeft gelegd. |
|
6. |
Zesde middel, ontleend aan een gebrek aan samenhang in de bestreden verordening, aangezien de Raad op identieke wijze, zonder overdenking en zonder onderzoek ten gronde en op basis van een verkeerde en ongeldige rechtsgrondslag, dezelfde verordening heeft vastgesteld, en dus geen rekening heeft gehouden met voornoemd arrest van het Hof van Justitie. |
Volgens verzoekster wordt door de nietigverklaring van deze nieuwe verordening (EU) nr. 2018/1277 primair het recht verkregen om van de Raad vergoeding te vorderen voor de schade die zij geleden heeft wegens de vaststelling ervan. Subsidiair stelt verzoekster een vordering tot aansprakelijkstelling van de Commissie in, op wie de vaststelling van deze nieuwe nietig te verklaren verordening is terug te voeren. Ten slotte verzoekt zij het Gerecht meer subsidiair om te verklaren dat de Raad en de Commissie gezamenlijk aansprakelijk zijn, aangezien elk van beide entiteiten onderscheiden fouten heeft begaan.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/25 |
Beroep ingesteld op 4 december 2018 — Adraces / Commissie
(Zaak T-714/18)
(2019/C 54/38)
Procestaal: Portugees
Partijen
Verzoekende partij: Associação para o Desenvolvimento da Raia Centro Sul — Adraces (Vila Velha de Ródão, Portugal) (vertegenwoordigers: G. Anastácio, D. Pirra Xarepe, J. Whyte en M. Barros Silva, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
beslissing ARES (2018) 4940694 van de Commissie van 26 september 2018 tot beëindiging van partnerschapskaderovereenkomst nr. COM/LIS/ED/2018-2020_1 ongeldig te verklaren en de Commissie te veroordelen om verzoekster terug te brengen in haar vroegere situatie, en |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de Commissie een overheidsopdracht eenzijdig heeft beëindigd zonder daarvoor enige grondslag of rechtvaardiging te geven. |
|
2. |
Tweede middel: schending van het beginsel van goede trouw, aangezien de Commissie, door in genoemde kaderovereenkomst een algemene herroepingsclausule op te nemen op grond waarvan zij deze overeenkomst arbitrair en zonder enige grondslag of rechtvaardiging kan opzeggen, haar bevoegdheid heeft misbruikt en geen rekening heeft gehouden met het belangenevenwicht dat aan elke overeenkomst, ongeacht de publieke of particuliere aard ervan, ten grondslag moet liggen. |
|
3. |
Derde middel: schending van het beginsel van eerbiediging van de legitieme rechten en belangen van particulieren waaraan de overheid op het gebied van overheidsopdrachten is gebonden, aangezien de Commissie de kaderovereenkomst eenzijdig en op louter arbitraire wijze en zonder rechtvaardiging heeft opgezegd, hetgeen in strijd is met het beginsel pacta sunt servanda. |
|
4. |
Vierde middel: schending van de verplichting tot behoorlijk bestuur, aangezien de Commissie de overeenkomst louter wegens een persartikel heeft opgezegd, zonder de zaak voldoende gedetailleerd te onderzoeken, hetgeen een duidelijk geval van slechts bestuur vormt. |
|
5. |
Vijfde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel, aangezien de Commissie, naar aanleiding van de veroordeling van een werknemer van verzoekster wegens vervalsing en fraude, die niets te maken had met verzoeksters activiteit of de taken en bevoegdheden van de Commissie, de kaderovereenkomst heeft opgezegd zonder enige grondslag of rechtvaardiging te geven. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/26 |
Beroep ingesteld op 5 december 2018 — B.D./EUIPO — Philicon 97 (PHILIBON)
(Zaak T-717/18)
(2019/C 54/39)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: B.D. — Boyer Developpement (Moissac, Frankrijk) (vertegenwoordiger: E. Junca, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Philicon 97 AD (Plovdiv, Bulgarije)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Houder van het betrokken merk: verzoekster voor het Gerecht
Betrokken merk: Uniewoordmerk PHILIBON — Uniemerk nr. 9 690 041
Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 10 oktober 2018 in zaak R 375/2018-4
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de bestreden beslissing te vernietigen; |
|
— |
de beslissing van de nietigheidsafdeling van 21 december 2017 te vernietigen; |
|
— |
het EUIPO te verwijzen in de kosten. |
Aangevoerde middelen
|
— |
de kamer van beroep heeft de bepalingen van verordening 2017/1001 toegepast terwijl deze verordening nog niet van kracht was op de datum waarop het verzoek tot doorhaling is ingediend bij het EUIPO. De kamer is voorbijgegaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 5, juncto artikel 53 van verordening nr. 207/2009; |
|
— |
schending van artikel 8, lid 2, onder c), van verordening nr. 207/2009. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/27 |
Beroep ingesteld op 5 december 2018 — Boyer/EUIPO — Philicon 97 (PHILIBON DEPUIS 1957 www.philibon.com)
(Zaak T-718/18)
(2019/C 54/40)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Boyer (Moissac, Frankrijk) (vertegenwoordiger: E. Junca, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Philicon 97 AD (Plovdiv, Bulgarije)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Houder van het betrokken merk: verzoekster voor het Gerecht
Betrokken merk: Uniebeeldmerk in de kleuren blauw, geel en wit — Uniemerk nr. 12 501 466
Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 10 oktober 2018 in zaak R 374/2018-4
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de bestreden beslissing te vernietigen; |
|
— |
de beslissing van de nietigheidsafdeling van 21 december 2017 te vernietigen; |
|
— |
het EUIPO te verwijzen in de kosten. |
Aangevoerd middel
|
— |
de kamer van beroep heeft de bepalingen van verordening 2017/1001 toegepast terwijl deze verordening nog niet van kracht was op de datum waarop het verzoek tot doorhaling is ingediend bij het EUIPO. De kamer is voorbijgegaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 5, juncto artikel 53 van verordening nr. 207/2009. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/27 |
Beroep ingesteld op 7 december 2018 — Apostolopoulou en Apostolopoulou-Chrysanthaki / Commissie
(Zaak T-721/18)
(2019/C 54/41)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partijen: Zoi Apostolopoulou (Athene, Griekenland), Anastasia Apostolopoulou-Chrysanthaki (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: D. Gkouskos, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
|
— |
de vordering toe te wijzen en verweersters hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan elk van de verzoeksters van het totale bedrag van 500 000 EUR, zoals nader uiteengezet in hun verzoekschrift; |
|
— |
verwerende partijen te gelasten, zich in de toekomst te onthouden van elke aantasting van de persoonlijkheidsrechten van verzoeksters; |
|
— |
de eerste verweerster te gelasten om de eer en de goede naam van verzoeksters te herstellen door middel van een verklaring voor de Efeteio Athinon (rechter in tweede aanleg Athene, Griekenland), waarvoor momenteel in tweede aanleg het door verzoeksters op 11 september 2017 ingestelde beroep met het algemene referentienummer 572461/2017 en het bijzondere referentienummer 1898/2017 aanhangig is, in het kader waarvan de eerste verweerster de betrokken valse en beledigende verklaringen jegens verzoeksters heeft afgelegd, en |
|
— |
verweersters te verwijzen in de kosten |
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is gericht tegen de Europese Commissie en de Europese Unie. Aangezien deze laatste voor het Hof steeds wordt vertegenwoordigd door de instelling waaraan de bestreden handeling of gedraging is toe te rekenen, wordt de Commissie in het onderhavige beroep als enige verwerende partij beschouwd.
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: schending van de menselijke waardigheid en de persoonlijkheidsrechten van verzoeksters, doordat de Commissie voor de Monomeles Protodikeio Athinon (alleensprekende rechter in eerste aanleg Athene, Griekenland) lasterlijke verklaringen heeft afgelegd, en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur teneinde over te gaan tot gedwongen tenuitvoerlegging tegen verzoeksters. |
|
2. |
Tweede middel: schending van de beginselen van legaliteit, goede trouw en gewettigd vertrouwen, aangezien de Commissie heeft beweerd dat verzoeksters als vennoten wettelijk aansprakelijk zijn en dat de vennootschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, hoewel herhaaldelijk overeenkomsten zijn gesloten in de wetenschap dat verzoeksters naar Grieks recht en volgens de statuten van de vennootschap niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap. |
|
3. |
Derde middel: schending van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en een onpartijdige rechterlijke instantie, aangezien verzoeksters geen partij waren in de procedure waarin de executoriale titel is afgegeven. |
|
4. |
Vierde middel: kwaadwillige en onrechtmatige versnelling van de tenuitvoerleggingsprocedure tegen verzoeksters. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/28 |
Beroep ingesteld op 7 december 2018 — Repsol/EUIPO — Basic (BASIC)
(Zaak T-722/18)
(2019/C 54/42)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Repsol, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Devaureix en J. Erdozain López, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Basic AG Lebensmittelhandel (München, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Houder van het betrokken merk: verzoekster voor het Gerecht
Betrokken merk: Uniebeeldmerk BASIC in de kleuren blauw, rood, oranje en wit — Uniemerk nr. 5 648 159
Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 22 augustus 2018 in zaak R 178/2018-2
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
het inleidende beroepsverzoekschrift en alle bijgevoegde stukken ontvankelijk te verklaren; |
|
— |
de bestreden beslissing te vernietigen; |
|
— |
Basic Aktiengesellschaft Lebensmittelhandel en het EUIPO te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Aangevoerde middelen
|
— |
schending van artikel 72, lid 6, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad; |
|
— |
schending van artikel 8, lid 4, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/29 |
Beroep ingesteld op 7 december 2018 — Aurea Biolabs/EUIPO — Avizel (AUREA BIOLABS)
(Zaak T-724/18)
(2019/C 54/43)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Aurea Biolabs Pte Ltd (Cochin, India) (vertegenwoordigers: B. Brandreth, Barrister, L. Oommen, Solicitor)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Avizel SA (Luxemburg, Luxemburg)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekster voor het Gerecht
Betrokken merk: Uniebeeldmerk AUREA BIOLABS — inschrijvingsaanvraag nr. 15 836 737
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 11 september 2018 in zaak R 814/2018-2
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de bestreden beslissing te vernietigen; |
|
— |
te gelasten dat aan verzoekster haar kosten worden vergoed. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/30 |
Beroep ingesteld op 6 december 2018 — Brand IP Licensing/EUIPO — Facebook (lovebook)
(Zaak T-728/18)
(2019/C 54/44)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Brand IP Licensing Ltd (Road Town, Britse Maagdeneilanden) (vertegenwoordiger: J. MacKenzie, Solicitor)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Facebook, Inc. (Menlo Park, Californië, Verenigde Staten)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager: verzoekster voor het Gerecht
Betrokken merk: aanvraag voor Uniewoordmerk lovebook — inschrijvingsaanvraag nr. 9 926 577
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 2 oktober 2018 in zaak R 2279/2017-2
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de bestreden beslissing te vernietigen; |
|
— |
de beslissing van de oppositieafdeling van 24 augustus 2017 in haar geheel te vernietigen; |
|
— |
de oppositie af te wijzen; |
|
— |
over de kosten te beslissen in het voordeel van de verzoekende partij. |
Aangevoerde middelen
|
— |
schending van artikel 8, lid 5, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad; |
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/31 |
Beroep ingesteld op 12 december 2018 — DQ e.a. / Parlement
(Zaak T-730/18)
(2019/C 54/45)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: DQ en elf andere verzoekende partijen (vertegenwoordiger: M. Casado García-Hirschfeld, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
|
— |
het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; |
dientengevolge,
|
— |
nietig te verklaren het stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding („bestreden besluit”) dat de verzoekende partijen op 13 december 2017 uit hoofde van artikel 90, lid 1, van het Statuut hebben ingediend; |
|
— |
voor zover nodig, nietig te verklaren het besluit van 12 september 2018 tot afwijzing van de klacht die op 23 mei 2018 uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut is ingediend; |
|
— |
vergoeding te gelasten van de immateriële schade die alle, globaal te beoordelen handelingen en gedragingen van het Parlement hebben veroorzaakt, welke schade door de verzoekende partij, onder voorbehoud van een nieuwe raming, ex aequo et bono wordt geraamd op het bedrag van 192 000 EUR; |
|
— |
het Parlement te veroordelen tot betaling van de vertragingsrente die inmiddels verschuldigd is; |
|
— |
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen onrechtmatigheden van het Parlement in zijn hoedanigheid van werkgever aan, met name schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, niet-nakoming van de zorgplicht, ondermijning van hun waardigheid, schending van hun privé- en gezinsleven, schending van hun recht op bescherming van het medisch geheim en schending van hun recht op arbeidsomstandigheden die hun gezondheid, hun veiligheid en hun waardigheid eerbiedigen.
De verzoekende partijen stellen dat de door hen aan de orde gestelde feiten en gedragingen op het eerste gezicht authentieke of althans aannemelijke feiten en gedragingen vormden die het bestaan van psychisch geweld jegens hen doen vermoeden, en stellen dat het Europees Parlement aansprakelijk is, met name wegens zijn passiviteit bij de behandeling van hun verzoek om bijstand krachtens de artikelen 12 en 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/31 |
Beroep ingesteld op 14 december 2018 — Dalasa/EUIPO — Charité — Universitätsmedizin Berlin (charantea)
(Zaak T-732/18)
(2019/C 54/46)
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Dalasa Handelsgesellschaft mbH (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordiger: I. Hödl, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Charité — Universitätsmedizin Berlin, Gliedkörperschaft Öffentlichen Rechts (Berlijn, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: aanvraag voor Uniewoordmerk charantea — inschrijvingsaanvraag nr. 15 485 956
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 15 oktober 2018 in zaak R 539/2018-4
Conclusies
|
— |
toewijzing van het beroep door het Gerecht, wijziging van de bestreden beslissing van de vierde kamer van beroep van 15 oktober 2018, R 539/2018-4 inzake oppositieprocedure nr. B 2 758 830 (Uniemerkaanvraag nr. 15 485 956), afwijzing van de oppositie en toestaan van de inschrijving van de Uniemerkaanvraag; |
subsidiair,
|
— |
vernietiging door het Gerecht van de bestreden beslissing van de vierde kamer van beroep van 15 oktober 2018, R 539/2018-4 inzake oppositieprocedure nr. B 2 758 830 (Uniemerkaanvraag nr. 15 485 956), en terugverwijzing van de zaak naar het EUIPO; |
|
— |
in elk geval verwijzing van het EUIPO in de kosten van deze procedure; alsook |
|
— |
verwijzing van de opposant in alle kosten van de procedures voor de oppositieafdeling en voor de kamer van beroep. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/32 |
Beroep ingesteld op 14 december 2018 — Dalasa/EUIPO — Charité — Universitätsmedizin Berlin (charantea)
(Zaak T-733/18)
(2019/C 54/47)
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Dalasa Handelsgesellschaft mbH (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordiger: I. Hödl, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Charité — Universitätsmedizin Berlin, Gliedkörperschaft Öffentlichen Rechts (Berlijn, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk charantea — inschrijvingsaanvraag nr. 15 785 801
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 15 oktober 2018 in zaak R 540/2018-4
Conclusies
|
— |
toewijzing van het beroep door het Gerecht, wijziging van de bestreden beslissing van de vierde kamer van beroep van 15 oktober 2018, R 540/2018-4 inzake oppositieprocedure nr. B 2 815 978 (Uniemerkaanvraag nr. 15 785 801), afwijzing van de oppositie en toestaan van de inschrijving van de Uniemerkaanvraag; subsidiair, |
|
— |
vernietiging door het Gerecht van de bestreden beslissing van de vierde kamer van beroep van 15 oktober 2018, R 540/2018-4 inzake oppositieprocedure nr. B 2 815 978 (Uniemerkaanvraag nr. 15 785 801), en terugverwijzing van de zaak naar het EUIPO; |
|
— |
in elk geval verwijzing van het EUIPO in de kosten van deze procedure; alsook |
|
— |
verwijzing van de opposant in alle kosten van de procedures voor de oppositieafdeling en voor de kamer van beroep. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/33 |
Beroep ingesteld op 17 december 2018 — Siberia Oriental/ CPVO (Siberia)
(Zaak T-737/18)
(2019/C 54/48)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Siberia Oriental BV (’t Zand, Nederland) (vertegenwoordiger: T. Overdijk, advocaat)
Verwerende partij: Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO)
Gegevens betreffende de procedure voor het CPVO
Betrokken communautair kwekersrecht: communautair kwekersrecht nr. EU0404 („Siberia” variëteit van Lilium L.)
Bestreden beslissing: beslissing van de kamer van beroep van het CPVO van 15 oktober 2018 in zaak A 009/2017
Conclusies
|
— |
de bestreden beslissing vernietigen; |
|
— |
CPVO verzoeken om de vervaldatum in het register te veranderen in 30 april 2020. |
Aangevoerde middelen
|
— |
schending van wezenlijke vormvoorschriften; |
|
— |
schending van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad of enige uitvoeringsregeling daarvan, met inbegrip van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. |
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/34 |
Beschikking van het Gerecht van 7 december 2018 — Kibelisa/Raad
(Zaak T-139/17) (1)
(2019/C 54/49)
Procestaal: Frans
De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/34 |
Beschikking van het Gerecht van 7 december 2018 — Kampete/Raad
(Zaak T-140/17) (1)
(2019/C 54/50)
Procestaal: Frans
De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/34 |
Beschikking van het Gerecht van 7 december 2018 — Amisi Kumba/Raad
(Zaak T-141/17) (1)
(2019/C 54/51)
Procestaal: Frans
De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/35 |
Beschikking van het Gerecht van 7 december 2018 — Kaimbi/Raad
(Zaak T-142/17) (1)
(2019/C 54/52)
Procestaal: Frans
De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/35 |
Beschikking van het Gerecht van 7 december 2018 — Ilunga Luyoyo/Raad
(Zaak T-143/17) (1)
(2019/C 54/53)
Procestaal: Frans
De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/35 |
Beschikking van het Gerecht van 7 december 2018 — Numbi/Raad
(Zaak T-144/17) (1)
(2019/C 54/54)
Procestaal: Frans
De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
11.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 54/35 |
Beschikking van het Gerecht van 7 december 2018 — Kanyama/Raad
(Zaak T-145/17) (1)
(2019/C 54/55)
Procestaal: Frans
De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.