|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
62e jaargang |
|
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
|
2019/C 44/01 |
|
|
V Bekendmakingen |
|
|
|
GERECHTELIJKE PROCEDURES |
|
|
|
Hof van Justitie |
|
|
2019/C 44/02 |
||
|
2019/C 44/03 |
||
|
2019/C 44/04 |
||
|
2019/C 44/05 |
||
|
2019/C 44/06 |
||
|
2019/C 44/07 |
||
|
2019/C 44/08 |
Zaak C-92/18: Beroep ingesteld op 7 februari 2018 — Franse Republiek / Europees Parlement |
|
|
2019/C 44/09 |
||
|
2019/C 44/10 |
||
|
2019/C 44/11 |
||
|
2019/C 44/12 |
||
|
2019/C 44/13 |
||
|
2019/C 44/14 |
||
|
2019/C 44/15 |
||
|
2019/C 44/16 |
||
|
2019/C 44/17 |
||
|
2019/C 44/18 |
||
|
2019/C 44/19 |
||
|
2019/C 44/20 |
||
|
2019/C 44/21 |
||
|
2019/C 44/22 |
||
|
|
Gerecht |
|
|
2019/C 44/23 |
||
|
2019/C 44/24 |
||
|
2019/C 44/25 |
||
|
2019/C 44/26 |
||
|
2019/C 44/27 |
||
|
2019/C 44/28 |
||
|
2019/C 44/29 |
||
|
2019/C 44/30 |
||
|
2019/C 44/31 |
||
|
2019/C 44/32 |
||
|
2019/C 44/33 |
||
|
2019/C 44/34 |
||
|
2019/C 44/35 |
||
|
2019/C 44/36 |
||
|
2019/C 44/37 |
||
|
2019/C 44/38 |
||
|
2019/C 44/39 |
||
|
2019/C 44/40 |
||
|
2019/C 44/41 |
||
|
2019/C 44/42 |
||
|
2019/C 44/43 |
||
|
2019/C 44/44 |
||
|
2019/C 44/45 |
||
|
2019/C 44/46 |
||
|
2019/C 44/47 |
||
|
2019/C 44/48 |
||
|
2019/C 44/49 |
||
|
2019/C 44/50 |
||
|
2019/C 44/51 |
||
|
2019/C 44/52 |
||
|
2019/C 44/53 |
||
|
2019/C 44/54 |
||
|
2019/C 44/55 |
||
|
2019/C 44/56 |
||
|
2019/C 44/57 |
||
|
2019/C 44/58 |
||
|
2019/C 44/59 |
||
|
2019/C 44/60 |
||
|
2019/C 44/61 |
||
|
2019/C 44/62 |
||
|
2019/C 44/63 |
||
|
2019/C 44/64 |
||
|
2019/C 44/65 |
||
|
2019/C 44/66 |
||
|
2019/C 44/67 |
||
|
2019/C 44/68 |
||
|
2019/C 44/69 |
||
|
2019/C 44/70 |
||
|
2019/C 44/71 |
||
|
2019/C 44/72 |
||
|
2019/C 44/73 |
||
|
2019/C 44/74 |
||
|
2019/C 44/75 |
||
|
2019/C 44/76 |
||
|
2019/C 44/77 |
||
|
2019/C 44/78 |
||
|
2019/C 44/79 |
||
|
2019/C 44/80 |
||
|
2019/C 44/81 |
||
|
2019/C 44/82 |
||
|
2019/C 44/83 |
||
|
2019/C 44/84 |
||
|
2019/C 44/85 |
||
|
2019/C 44/86 |
||
|
2019/C 44/87 |
||
|
2019/C 44/88 |
||
|
2019/C 44/89 |
||
|
2019/C 44/90 |
||
|
2019/C 44/91 |
||
|
2019/C 44/92 |
||
|
2019/C 44/93 |
||
|
2019/C 44/94 |
||
|
2019/C 44/95 |
||
|
2019/C 44/96 |
||
|
2019/C 44/97 |
||
|
2019/C 44/98 |
||
|
2019/C 44/99 |
||
|
2019/C 44/100 |
||
|
2019/C 44/101 |
||
|
2019/C 44/102 |
||
|
2019/C 44/103 |
Zaak T-712/18: Beroep ingesteld op 3 december 2018 — Umweltinstitut München / Commissie |
|
|
2019/C 44/104 |
||
|
2019/C 44/105 |
||
|
2019/C 44/106 |
Zaak T-719/18: Beroep ingesteld op 6 december 2018 — Telemark plus/EUIPO (Telemarkfest) |
|
|
2019/C 44/107 |
Zaak T-729/18: Beroep ingesteld op 10 december 2018 — El Corte Inglés/EUIPO — Lloyd Shoes (LLOYD) |
|
|
2019/C 44/108 |
Zaak T-636/15: Beschikking van het Gerecht van 8 november 2018 — Infratel Italia e.a. / Commissie |
|
|
2019/C 44/109 |
Zaak T-295/17: Beschikking van het Gerecht van 26 november 2018 — Danpower Baltic / Commissie |
|
|
2019/C 44/110 |
||
|
2019/C 44/111 |
||
|
2019/C 44/112 |
Zaak T-730/17: Beschikking van het Gerecht van 20 november 2018 — Evropaïki Dynamiki / Commissie |
|
|
2019/C 44/113 |
Zaak T-2/18: Beschikking van het Gerecht van 15 november 2018 — Wirecard/EUIPO — AXA Banque (boon.) |
|
|
2019/C 44/114 |
||
|
2019/C 44/115 |
Zaak T-252/18: Beschikking van het Gerecht van 27 november 2018 — European Anglers Alliance / Raad |
|
|
2019/C 44/116 |
Zaak T-374/18: Beschikking van het Gerecht van 15 november 2018 — Labiri/EESC |
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/1 |
Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
(2019/C 44/01)
Laatste publicatie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
V Bekendmakingen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/2 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 6 december 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okresný súd Bratislava — Slowakije) — FENS spol. s r.o./Slovenská republika — Úrad pre reguláciu sieťových odvetví
(Zaak C-305/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Vrij verkeer van goederen - Douanerechten - Heffingen van gelijke werking - Heffing over het transport van elektriciteit die op het nationale grondgebied is geproduceerd en voor de uitvoer is bestemd - Verenigbaarheid van een dergelijke regeling met het beginsel van vrij verkeer van goederen))
(2019/C 44/02)
Procestaal: Slowaaks
Verwijzende rechter
Okresný súd Bratislava
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: FENS spol. s r.o.
Verwerende partij: Slovenská republika — Úrad pre reguláciu sieťových odvetví
Dictum
De artikelen 28 en 30 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat die voorziet in een geldelijke last zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die alleen dan naar een andere lidstaat of naar een derde land uitgevoerde elektriciteit treft wanneer die elektriciteit op het nationale grondgebied is geproduceerd.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/3 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 4 december 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court — Ierland) — The Minister for Justice and Equality, The Commissioner of the Garda Síochána / Workplace Relations Commission
(Zaak C-378/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Gelijke behandeling in arbeid - Richtlijn 2000/78/EG - Verbod van discriminatie op grond van leeftijd - Aanwerving van politieagenten - Nationaal orgaan dat bij wet is ingesteld om het Unierecht op een specifiek gebied te handhaven - Bevoegdheid om met het Unierecht strijdige nationale wetgeving buiten toepassing te laten - Voorrang van het Unierecht))
(2019/C 44/03)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Supreme Court
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: The Minister for Justice and Equality, The Commissioner of the Garda Síochána
Verwerende partij: Workplace Relations Commission
Dictum
Het Unierecht, en in het bijzonder het beginsel van voorrang van het Unierecht, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, volgens welke een nationaal orgaan dat bij wet is ingesteld om de handhaving van het Unierecht op een specifiek gebied te waarborgen, niet bevoegd is om een bepaling van nationaal recht die in strijd is met het Unierecht buiten toepassing te laten.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/3 |
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 6 december 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Köln — Duitsland) — Frank Montag / Finanzamt Köln-Mitte
(Zaak C-480/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Vrijheid van vestiging - Directe belastingen - Inkomstenbelasting - Aftrekbaarheid van bijdragen aan een pensioeninstelling voor vrije beroepen en een particuliere pensioenverzekering - Uitsluiting van niet-ingezetenen))
(2019/C 44/04)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Köln
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Frank Montag
Verwerende partij: Finanzamt Köln-Mitte
Dictum
Artikel 49 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, op grond waarvan het een niet-ingezeten belastingplichtige die in die lidstaat is onderworpen aan de inkomstenbelasting uit hoofde van een beperkte belastingplicht, niet is toegestaan om het bedrag van de verplichte bijdragen aan een pensioeninstelling voor vrije beroepen af te trekken van de belastinggrondslag van de inkomstenbelasting in verhouding tot het gedeelte van de inkomsten dat in die lidstaat belastbaar is, wanneer deze bijdragen in rechtstreeks verband staan met de activiteit die deze inkomsten heeft gegenereerd, terwijl een ingezeten belastingplichtige die onderworpen is aan de inkomstenbelasting uit hoofde van een onbeperkte belastingplicht, dergelijke bijdragen wel kan aftrekken van de belastinggrondslag van de inkomstenbelasting binnen de in het nationale recht vastgelegde grenzen.
Artikel 49 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, op grond waarvan het een niet-ingezeten belastingplichtige die in die lidstaat is onderworpen aan de inkomstenbelasting uit hoofde van een beperkte belastingplicht, niet is toegestaan om het bedrag van aanvullende bijdragen aan een pensioeninstelling voor vrije beroepen en van bijdragen in het kader van een particuliere pensioenverzekering af te trekken van de belastinggrondslag van de inkomstenbelasting, terwijl een ingezeten belastingplichtige die onderworpen is aan de inkomstenbelasting uit hoofde van een onbeperkte belastingplicht, dergelijke bijdragen wel kan aftrekken van de belastinggrondslag van de inkomstenbelasting binnen de in het nationale recht vastgelegde grenzen.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/4 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 6 december 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Supremo Tribunal de Justiça — Portugal) — J. Portugal Ramos Vinhos SA / Adega Cooperativa de Borba CRL
(Zaak C-629/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Intellectuele eigendom - Merkenrecht - Richtlijn 2008/95/EG - Artikel 3, lid 1, onder c) - Nietigheidsgronden - Woordmerk dat uitsluitend is samengesteld uit tekens of aanduidingen die kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van waren of diensten - Andere kenmerken van waren of diensten - Installatie voor de productie van waren - Woordmerk dat is samengesteld uit een teken dat wijnproducten aanduidt en uit een geografische benaming die een woordelement vormt van de handelsnaam van de merkhouder))
(2019/C 44/05)
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Supremo Tribunal de Justiça
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: J. Portugal Ramos Vinhos SA
Verwerende partij: Adega Cooperativa de Borba CRL
Dictum
Artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat de inschrijving van een merk dat bestaat in een woordteken, zoals het woordteken dat aan de orde is in het hoofdgeding, waarmee wijnproducten worden aangeduid en waarin een geografische naam voorkomt, moet worden geweigerd op grond dat dit teken met name een term omvat die in het algemeen wordt gebruikt om de installaties en lokalen aan te duiden waarin dergelijke waren worden vervaardigd, en die tevens een van de woordelementen is van de handelsnaam van de rechtspersoon die de inschrijving van dat merk wenst te verkrijgen.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/5 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 6 december 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD) — Portugal) — Tratave — Tratamento de Águas Residuais do Ave SA / Autoridade Tributária e Aduaneira
(Zaak C-672/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Maatstaf van heffing - Verlaging - Beginsel van fiscale neutraliteit))
(2019/C 44/06)
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Tratave — Tratamento de Águas Residuais do Ave SA
Verwerende partij: Autoridade Tributária e Aduaneira
Dictum
Het neutraliteitsbeginsel alsmede de artikelen 90 en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke een belastingplichtige de maatstaf van heffing voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) in geval van niet-betaling niet kan verlagen zolang hij niet vooraf zijn voornemen om de btw geheel of gedeeltelijk te annuleren heeft meegedeeld aan de afnemer van het goed of de ontvanger van de dienst, indien deze een belastingplichtige is, met het oog op herziening van de aftrek van het btw-bedrag die laatstbedoelde belastingplichtige heeft kunnen toepassen.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/5 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 6 december 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato — Italië) — Ministero della Salute/Hannes Preindl
(Zaak C-675/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Erkenning van beroepskwalificaties - Richtlijn 2005/36/EG - Erkenning van na gedeeltelijk overlappende opleidingsperioden verkregen opleidingstitels - Verificatiebevoegdheden van de ontvangende lidstaat))
(2019/C 44/07)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Consiglio di Stato
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ministero della Salute
Verwerende partij: Hannes Preindl
Dictum
|
1) |
De artikelen 21, 22 en 24 van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties moeten aldus worden uitgelegd dat zij een lidstaat waarvan de wetgeving een voltijdopleiding verplicht stelt en verbiedt om gelijktijdig voor twee studies te zijn ingeschreven, verplichten tot automatische erkenning van in die richtlijn genoemde opleidingstitels die in een andere lidstaat na deels overlappende studies zijn afgegeven. |
|
2) |
Artikel 21 en artikel 22, onder a), van richtlijn 2005/36 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de ontvangende lidstaat verifieert of is voldaan aan de voorwaarde dat deeltijdopleidingen qua totale duur, niveau en kwaliteit niet onderdoen voor doorlopende voltijdopleidingen. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/6 |
Beroep ingesteld op 7 februari 2018 — Franse Republiek / Europees Parlement
(Zaak C-92/18)
(2019/C 44/08)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: F. Alabrune, D. Colas, E. de Moustier, B. Fodda, gemachtigden)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
|
— |
nietig verklaren de agenda van de plenaire vergadering van het Europees Parlement van woensdag 29 november 2017 (document P8_OJ (2017)11-29), voor zover de debatten over het gemeenschappelijk ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 daarop vermeld staan, de agenda van de vergadering van donderdag 30 november 2017 (document P8_OJ (2017)11-30), voor zover een stemming gevolgd door stemverklaringen over het gemeenschappelijk ontwerp van algemene begroting daarop vermeld staat, de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 30 november 2017 over het gemeenschappelijk ontwerp van algemene begroting (document P8_TA(2017)0458, P8_TA-PROV(2017)0458 in zijn voorlopige versie), evenals de handeling waarbij de voorzitter van het Europees Parlement, overeenkomstig de procedure van artikel 314, lid 9, VWEU, heeft geconstateerd dat de algemene begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2018 definitief was vastgesteld; |
|
— |
de gevolgen handhaven van de handeling van de voorzitter van het Europees Parlement waarbij hij heeft geconstateerd dat de algemene begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2018 definitief was vastgesteld, totdat die begroting definitief zal worden vastgesteld door een met de Verdragen strokende handeling, binnen een redelijke termijn vanaf de datum van uitspraak van het arrest; |
|
— |
het Europees Parlement verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar beroep vordert de Franse regering nietigverklaring van vier handelingen die het Europees Parlement in het kader van de uitoefening van zijn begrotingsbevoegdheden heeft vastgesteld tijdens de aanvullende plenaire vergadering op 29 en 30 november 2017 te Brussel.
Bij de eerste en de tweede handeling waarvan de Franse regering nietigverklaring vordert, gaat het om de agenda’s van de vergaderingen van woensdag 29 en donderdag 30 november 2017, voor zover daarop respectievelijk vermeld staan de debatten in plenaire vergadering over het gemeenschappelijk ontwerp van algemene begroting voor het begrotingsjaar 2018 en een stemming gevolgd door stemverklaringen over dat gemeenschappelijk ontwerp van algemene begroting.
De derde bestreden handeling is de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 30 november 2017 over het gemeenschappelijk ontwerp van algemene begroting.
Tot slot vordert de Franse regering nietigverklaring van de handeling waarbij de voorzitter van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 314, lid 9, VWEU, heeft geconstateerd dat de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2018 definitief was vastgesteld. Zoals onder meer blijkt uit de notulen van de vergadering van het Europees Parlement van 30 november 2017, betreft het hier de verklaring van de voorzitter van het Europees Parlement en vervolgens de ondertekening door deze laatste van de algemene begroting, in aansluiting op de stemming over de wetgevingsresolutie over het gemeenschappelijk ontwerp van algemene begroting.
Met haar enige middel geeft de Franse regering te kennen dat de vier bestreden handelingen nietig moeten worden verklaard wegens strijd met protocol nr. 6 gehecht aan het VEU en het VWEU en met protocol nr. 3 gehecht aan het EGA-Verdrag, betreffende de plaats van de zetels van de instellingen, van bepaalde instanties, organen, organisaties en diensten van de Europese Unie.
Zowel volgens de protocollen betreffende de plaats van de zetels van de instellingen als volgens de rechtspraak van het Hof kan het Europees Parlement de begrotingsbevoegdheden die artikel 314 VWEU hem verleent namelijk niet uitoefenen tijdens de aanvullende plenaire vergaderingen die plaatsvinden te Brussel, maar dient het deze uit te oefenen tijdens de periodes van de gewone plenaire vergaderingen die te Straatsburg worden gehouden.
Voor zover de rechtmatigheid van de bestreden handeling van de voorzitter van het Europees Parlement echter niet wordt bestreden op grond van de strekking of de inhoud van de handeling, maar uitsluitend op grond dat de handeling tot stand had moeten komen tijdens een periode van gewone plenaire vergaderingen te Straatsburg, rechtvaardigen volgens de Franse regering de noodzaak om de continuïteit van de Europese openbare dienst te waarborgen, en zwaarwegende redenen van rechtszekerheid dat de rechtsgevolgen van de handeling gehandhaafd blijven tot de totstandkoming van een nieuwe handeling die strookt met de Verdragen.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/7 |
Hogere voorziening ingesteld op 22 juni 2018 door Anthony Andrew King tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 10 april 2018 in zaak T-810/17, King/Commissie
(Zaak C-412/18P P)
(2019/C 44/09)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Anthony Andrew King (vertegenwoordiger: P. McKenna, Solicitor)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Bij beschikking van 22 november 2018 heeft het Hof van Justitie (Zevende kamer) de hogere voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/7 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny we Wrocławiu (Polen) op 23 augustus 2018 — Dong Yang Electronics Sp. z o.o. / Dyrektor Izby Administracji Skarbowej we Wrocławiu
(Zaak C-547/18)
(2019/C 44/10)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Wojewódzki Sąd Administracyjny we Wrocławiu
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Dong Yang Electronics Sp. z o.o.
Verwerende partij: Dyrektor Izby Administracji Skarbowej we Wrocławiu
Prejudiciële vragen
|
1) |
Kan uit het feit alleen dat een vennootschap met zetel buiten de Europese Unie een dochteronderneming met zetel in Polen heeft, worden afgeleid dat deze vennootschap in Polen beschikt over een vaste inrichting in de zin van artikel 44 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1) en artikel 11, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (herschikking (2))? |
|
2) |
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is een derde dan ertoe verplicht om de contractuele verhoudingen tussen de vennootschap met zetel buiten de Europese Unie en de dochteronderneming te onderzoeken teneinde vast te stellen of eerstbedoelde vennootschap over een vaste inrichting in Polen beschikt? |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/8 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Łodzi (Polen) op 3 september 2018 — Miasto Łowicz / Skarb Państwa — Wojewoda Łódzki
(Zaak C-558/18)
(2019/C 44/11)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Okręgowy w Łodzi
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Miasto Łowicz
Verwerende partij: Skarb Państwa — Wojewoda Łódzki
Prejudiciële vraag
Dient artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de daaruit voortvloeiende verplichting van de lidstaten om te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren in de weg staat aan bepalingen die het risico van afbreuk aan de waarborg van een onafhankelijke tuchtprocedure tegen rechters in Polen aanzienlijk verhogen door:
|
1) |
politieke beïnvloeding van het verloop van tuchtprocedures, |
|
2) |
het ontstaan van een risico dat de tuchtregeling wordt gebruikt met het oog op politieke controle over de inhoud van rechterlijke beslissingen en |
|
3) |
de mogelijkheid om in het kader van tuchtprocedures tegen rechters gebruik te maken van door middel van strafbare feiten verkregen bewijsmateriaal? |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/9 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 5 september 2018 — Strafzaak tegen VX, WW en XV
(Zaak C-563/18)
(2019/C 44/12)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Okręgowy w Warszawie
Partijen in de strafzaak
VX, WW en XV
Prejudiciële vraag
Dient artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de daaruit voortvloeiende verplichting om te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren, in de weg staat aan bepalingen die de waarborgen van een onafhankelijke tuchtprocedure tegen rechters in Polen teniet doen, omdat er sprake is van politieke beïnvloeding van het verloop van tuchtprocedures, en van het ontstaan van een risico dat de tuchtregeling wordt gebruikt om politieke controle over de inhoud van rechterlijke beslissingen te houden?
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/9 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 20 september 2018 — A. K./Krajowa Rada Sądownictwa
(Zaak C-585/18)
(2019/C 44/13)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Najwyższy
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: A. K.
Verwerende partij: Krajowa Rada Sądownictwa
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 267, derde alinea, VWEU junctis de artikelen 19, lid 1, en artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat de nieuwe kamer bij de rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, die bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van een nationale rechter en die uitsluitend moet zijn samengesteld uit rechters die zijn geselecteerd door een nationaal orgaan dat belast is met het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties (Krajowa Rada Sądownictwa), maar wegens de wijze waarop dat orgaan is samengesteld en functioneert niet van de wetgevende en de uitvoerende macht onafhankelijk is, een onafhankelijk gerecht in de zin van het Unierecht is? |
|
2) |
Ingeval de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 267, derde alinea, VWEU junctis de artikelen 19, lid 1, en artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een onbevoegde kamer van een rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, die voldoet aan de vereisten van het Unierecht voor een rechterlijke instantie en waarbij een beroep is ingesteld in een Unierechtelijk geschil, de bepalingen van nationaal recht buiten toepassing moet laten die haar ter zake onbevoegd verklaren? |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/10 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 3 oktober 2018 — CP/Sąd Najwyższy
(Zaak C-624/18)
(2019/C 44/14)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Najwyższy
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: CP
Verwerende partij: Sąd Najwyższy
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie juncto artikel 9, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (1) aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, wanneer daarbij een vordering wordt ingesteld wegens schending van het verbod van discriminatie op grond van leeftijd ten aanzien van een rechter van deze rechterlijke instantie en tevens wordt verzocht om bewarende maatregelen — met het oog op de waarborging van de aan het Unierecht ontleende rechten door vaststelling van een in het nationale recht voorziene voorlopige maatregel — moet weigeren nationale bepalingen toe te passen die de bevoegdheid in de zaak waarin het beroep in rechte is ingesteld, voorbehouden aan een organisatorische eenheid van deze instantie die niet actief is omdat daarin geen rechters zijn benoemd? |
|
2) |
Ingeval rechters worden benoemd bij de organisatorische eenheid die krachtens nationaal recht voor de beslissing op de ingestelde vordering bevoegd is: moet artikel 267, derde alinea, VWEU junctis de artikelen 19, lid 1, en artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een nieuwe kamer van een rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, die bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van een nationale rechter in eerste een tweede aanleg en die uitsluitend moet zijn samengesteld uit rechters die zijn geselecteerd door een nationaal orgaan dat belast is met het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties (Krajowa Rada Sądownictwa), maar wegens de wijze waarop dat orgaan is samengesteld en functioneert niet van de wetgevende en de uitvoerende macht onafhankelijk is, een onafhankelijk gerecht in de zin van het Unierecht is? |
|
3) |
Ingeval de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 267, derde alinea, VWEU junctis de artikelen 19, lid 1, en artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een onbevoegde kamer van een rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, die voldoet aan de vereisten van het Unierecht voor een rechterlijke instantie en waarbij een beroep is ingesteld in een Unierechtelijk geschil, de bepalingen van nationaal recht buiten toepassing moet laten die haar ter zake onbevoegd verklaren? |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/10 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 3 oktober 2018 — DO/Sąd Najwyższy
(Zaak C-625/18)
(2019/C 44/15)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Najwyższy
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: DO
Verwerende partij: Sąd Najwyższy
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie juncto artikel 9, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (1) aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, wanneer daarbij een vordering wordt ingesteld wegens schending van het verbod van discriminatie op grond van leeftijd ten aanzien van een rechter van deze rechterlijke instantie en tevens wordt verzocht om bewarende maatregelen — met het oog op de waarborging van de aan het Unierecht ontleende rechten door vaststelling van een in het nationale recht voorziene voorlopige maatregel — moet weigeren nationale bepalingen toe te passen die de bevoegdheid in de zaak waarin het beroep in rechte is ingesteld, voorbehouden aan een organisatorische eenheid van deze instantie die niet actief is omdat daarin geen rechters zijn benoemd? |
|
2) |
Ingeval rechters worden benoemd bij de organisatorische eenheid die krachtens nationaal recht voor de beslissing op de ingestelde vordering bevoegd is: moet artikel 267, derde alinea, VWEU junctis de artikelen 19, lid 1, en artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een nieuwe kamer van een rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, die bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van een nationale rechter in eerste een tweede aanleg en die uitsluitend moet zijn samengesteld uit rechters die zijn geselecteerd door een nationaal orgaan dat belast is met het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties (Krajowa Rada Sądownictwa), maar wegens de wijze waarop dat orgaan is samengesteld en functioneert niet van de wetgevende en de uitvoerende macht onafhankelijk is, een onafhankelijk gerecht in de zin van het Unierecht is? |
|
3) |
Ingeval de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 267, derde alinea, VWEU junctis de artikelen 19, lid 1, en artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een onbevoegde kamer van een rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, die voldoet aan de vereisten van het Unierecht voor een rechterlijke instantie en waarbij een beroep is ingesteld in een Unierechtelijk geschil, de bepalingen van nationaal recht buiten toepassing moet laten die haar ter zake onbevoegd verklaren? |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/11 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (Polen) op 17 november 2018 — Unitel Sp. z o.o. w Warszawie / Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie
(Zaak C-653/18)
(2019/C 44/16)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Naczelny Sąd Administracyjny
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Unitel Sp. z o.o. w Warszawie
Verwerende partij: Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet — in het licht van artikel 146, lid 1, onder a) en b), en artikel 131 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1) en van de beginselen van de belasting van het verbruik, neutraliteit en evenredigheid — de juiste nationale praktijk erin bestaan dat er een belastingvrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting (in Polen het nultarief) wordt toegepast telkens wanneer cumulatief is voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
|
|
2) |
Verzetten de bepalingen van artikel 146, lid 1, onder a) en b), en artikel 131 van richtlijn 2006/112/EG en de beginselen van de belasting van het verbruik, neutraliteit en evenredigheid zich tegen een nationale praktijk volgens welke er geen sprake is van een levering van goederen indien deze ontegenzeglijk zijn uitgevoerd naar een plaats buiten de Europese Unie maar de nationale belastingautoriteiten na de uitvoer in de loop van een procedure hebben vastgesteld dat de daadwerkelijke ontvanger niet overeenstemt met de ontvanger die vermeld staat op de factuur die door de belastingplichtige voor de betrokken levering is uitgereikt en de goederen zijn geleverd aan een andere partij die door de autoriteiten niet kon worden geïdentificeerd, met als gevolg dat zij weigeren om een dergelijke vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting (in Polen het nultarief) op deze handeling toe te passen? |
|
3) |
Moet — in het licht van artikel 146, lid 1, onder a) en b), en artikel 131 van richtlijn 2006/112/EG en van de beginselen van verbruiksbelasting, neutraliteit en evenredigheid — de juiste nationale praktijk erin bestaan dat op een goederenlevering het nationale tarief wordt toegepast indien er duidelijk bewijs bestaat voor het feit dat de goederen het grondgebied van de Europese Unie hebben verlaten maar de autoriteiten van mening zijn dat, aangezien de afnemer niet kon worden geïdentificeerd, er geen levering van goederen heeft plaatsgevonden, of moet in dit geval worden aangenomen dat er helemaal geen belastbare handeling heeft plaatsgevonden en dat de belastingplichtige in overeenstemming met artikel 168 van richtlijn 2006/112/EG geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting over de verwerving van de uitgevoerde goederen? |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/12 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 26 oktober 2018 — BP/UNIPARST
(Zaak C-668/18)
(2019/C 44/17)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Najwyższy
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: BP
Verwerende partij: UNIPARST sarl met statutaire zetel te Nyon
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moeten artikel 19, lid 1, tweede volzin, VEU, artikel 4, lid 3, derde volzin, VEU, artikel 2 VEU, artikel 267, derde alinea, VWEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in onderlinge samenhang gelezen, aldus worden uitgelegd dat er sprake is van schending van het beginsel van onafzetbaarheid van de rechters, dat deel uitmaakt van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming en van het beginsel van de rechtsstaat, wanneer de nationale wetgever de pensioenleeftijd van de rechters van de rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, verlaagt (bijvoorbeeld van 70 naar 65 jaar) en de nieuwe, lagere pensioenleeftijd toepast op de rechters in dienst zonder de uiteindelijke beslissing tot gebruikmaking van de lagere pensioenleeftijd aan de betrokken rechter over te laten? |
|
2) |
Moeten artikel 19, lid 1, tweede volzin, VEU, artikel 4, lid 3, derde volzin, VEU, artikel 2 VEU, artikel 267, derde alinea, VWEU en artikel 47 van het Handvest, in onderlinge samenhang gelezen, aldus worden uitgelegd dat er sprake is van schending van het beginsel van de rechtsstaat en van de onafhankelijkheid die is vereist ter waarborging van een effectieve rechterlijke bescherming in zaken waarin het Unierecht aan de orde is, wanneer de nationale wetgever, in strijd met het beginsel van onafzetbaarheid van de rechters, de gebruikelijke leeftijd tot welke een rechter van de rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, zijn functie mag uitoefenen, verlaagt van 70 naar 65 jaar en de mogelijkheid om het ambt van rechter te blijven bekleden laat afhangen van de discretionaire goedkeuring door een orgaan van de uitvoerende macht? |
|
3) |
Moeten artikel 2 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (1), in onderlinge samenhang gelezen, aldus worden uitgelegd dat er sprake is van discriminatie op grond van leeftijd indien de pensioenleeftijd van de rechters van de rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, wordt verlaagd en voor een rechter in dienst van deze rechterlijke instantie die de nieuwe, lagere pensioenleeftijd heeft bereikt, de mogelijkheid om het ambt van rechter te blijven bekleden afhankelijk wordt gesteld van de goedkeuring door een orgaan van de uitvoerende macht? |
|
4) |
Moeten de artikelen 2, 9 en 11 van richtlijn 2000/78 en de artikelen 21 en 47 van het Handvest, in onderlinge samenhang gelezen, aldus worden uitgelegd dat in het geval van discriminatie op grond van leeftijd van de rechters van de rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, erin bestaande dat de pensioenleeftijd van deze rechters wordt verlaagd van de huidige leeftijd van 70 jaar naar 65 jaar, deze rechterlijke instantie bij de behandeling van een zaak in een rechtsprekende formatie waarin een rechter zetelt die door de gevolgen van deze discriminerende nationale bepalingen wordt getroffen en niet te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van de nieuwe pensioenleeftijd, verplicht is om bij de beslechting van de prealabele kwestie van de rechtsprekende formatie de nationale bepalingen die in strijd zijn met richtlijn 2000/78 en artikel 21 van het Handvest buiten toepassing te laten en de behandeling van de zaak voort te zetten onder deelneming van deze rechter indien dit de enige doeltreffende manier is om de effectieve rechterlijke bescherming van de rechten die deze rechter aan het Unierecht ontleent, te waarborgen? |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/13 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curte de Apel Bucureşti (Roemenië) op 6 november 2018 — World Comm Trading Gfz SRL/Agenţia Naţională de Administrare Fiscală (ANAF), Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Ploieşti
(Zaak C-684/18)
(2019/C 44/18)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curtea de Apel Bucureşti
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: World Comm Trading Gfz SRL
Verwerende partijen: Agenţia Naţională de Administrare Fiscală (ANAF), Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Ploieşti
Prejudiciële vragen
|
1) |
Verzetten artikel 90 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1) en het beginsel van de neutraliteit van de btw zich tegen een nationale regeling (of tegen een administratieve praktijk die stoelt op een onduidelijke regeling) die aan een onderneming het recht ontzegt op btw-aftrek evenredig met de discount verleend voor binnenlandse leveringen van goederen op grond dat de fiscale factuur die is uitgereikt door de intracommunautaire leverancier (in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van een economische groep) de totale discount toont die is toegekend zowel voor de intracommunautaire goederen als voor de binnenlandse goederen die zijn geleverd op basis van het hetzelfde kadercontract maar zijn geregistreerd als verwervingen uit de referentielidstaat (van een lid van de groep met een ander btw-nummer dan op de discountfactuur staat vermeld)? |
|
2) |
Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord: verzet het evenredigheidsbeginsel zich ertegen dat de afnemer het recht wordt ontzegd op btw-aftrek evenredig aan de waarde van de totale door de intracommunautaire leverancier toegekende discount indien de plaatselijke leverancier (lid van dezelfde groep) zijn economische activiteiten heeft beëindigd en de maatstaf voor heffing over zijn leveringen niet meer kan verlagen door het uitreiken van een factuur met zijn eigen btw-nummer, met het oog op de terugvordering van het de te veel geïnde btw? |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/14 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Špecializovaný trestný súd (Slowakije) op 14 november 2018 — Strafzaak tegen UL en VM
(Zaak C-709/18)
(2019/C 44/19)
Procestaal: Slowaaks
Verwijzende rechter
Špecializovaný trestný súd
Partijen in de strafzaak
UL en VM
Prejudiciële vragen
|
1) |
Wordt het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat is neergelegd in de artikelen 3 en 4 van richtlijn (EU) 2016/343 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, gelezen in samenhang met overweging 16 van deze richtlijn, in een strafprocedure geëerbiedigd, wanneer een medeverdachte, in het kader van één enkele procedure, op basis van de tenlastelegging en na de opening van de terechtzitting, voor de rechter ontkent te hebben deelgenomen aan het feit of de feiten die hem ten laste worden gelegd door te verklaren onschuldig te zijn, de rechter vervolgens bij een beschikking die geen beschrijving van het feit, de juridische kwalificatie daarvan noch een rechterlijke beoordeling bevat, beslist om de verklaring van een andere medeverdachte dat hij het feit of enkele van de in de tenlastelegging vermelde feiten heeft gepleegd, te aanvaarden en aldus afziet van de bewijsvoering ten aanzien van diens schuld, en de rechter daarop, na het onderzoek van de bewijzen tijdens de terechtzitting, in één vonnis uitspraak doet over de tenlastelegging?
|
|
2) |
Is de handelwijze van een rechter in één enkele procedure met betrekking tot een tenlastelegging jegens verschillende verdachten in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het recht op een eerlijk proces en het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht zijn verankerd, indien de wettelijk bevoegde rechter bij een beschikking die geen beschrijving van het feit, de juridische kwalificatie daarvan noch een rechterlijke beoordeling bevat, eerst beslist om de schuldbekentenis te aanvaarden van de verdachten die door die bekentenis afstand hebben gedaan van het recht op een contradictoir onderzoek van de bewijzen, en diezelfde rechter vervolgens, na het onderzoek van de bewijsmiddelen ter terechtzitting, op basis van de voorgedragen tenlastelegging ten aanzien van alle verdachten ten gronde uitspraak doet?
|
|
3) |
Worden het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van de rechtsstaat als bedoeld in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ondertekend te Maastricht op 7 februari 1992, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon, ondertekend te Lissabon op 13 december 2007, het in artikel 9 van dit verdrag vervatte beginsel van gelijkheid van de burgers ten overstaan van de rechter en het algemene beginsel van de Unie volgens hetwelk eenieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak, in de zin van artikel 6, lid 3, van dat verdrag, geëerbiedigd in het geval waarin een nationale rechterlijke instantie, waarvan de beslissingen niet voor beroep vatbaar zijn, een uitspraak doet die in strijd is met de op uniformiteit gerichte rechtsopvatting die die nationale rechterlijke instantie heeft aangenomen op grond van haar mandaat uit hoofde van de nationale wettelijke bepaling ter uniformisering van de uitlegging van de wetten en andere algemeen toepasselijke wettelijke bepalingen, aangezien dit noodzakelijk is om tegenstrijdigheden in de rechtspraak uit de weg te ruimen en wegens de omstandigheid dat een kamer van de Najvyšší súd Slovenskej republiky (hoogste rechterlijke instantie van de Slowaakse Republiek) was afgeweken van de in een beslissing van een andere kamer van de Najvyšší súd Slovenskej republiky vervatte rechtsopvatting? |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/15 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Grondwettelijk Hof (België) op 22 november 2018 — Anton van Zantbeek VOF, andere partij: Ministerraad
(Zaak C-725/18)
(2019/C 44/20)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Grondwettelijk Hof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Anton van Zantbeek VOF
Andere partij: Ministerraad
Prejudiciële vragen
|
1) |
Dienen artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 36 van de Overeenkomst van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij een taks op de beursverrichtingen wordt ingevoerd, zoals bedoeld in de artikelen 120 en 1262 van het Belgisch Wetboek diverse rechten en taksen, en die tot gevolg heeft dat de Belgische ordergever schuldenaar wordt van die taks wanneer de tussenpersoon van beroep in het buitenland is gevestigd? |
|
2) |
Dienen artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 40 van de Overeenkomst van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij een taks op de beursverrichtingen wordt ingevoerd, zoals bedoeld in de artikelen 120 en 1262 van het Belgisch Wetboek diverse rechten en taksen, en die tot gevolg heeft dat de Belgische ordergever schuldenaar wordt van die taks wanneer de tussenpersoon van beroep in het buitenland is gevestigd? |
|
3) |
Zou het Grondwettelijk Hof, indien het op grond van het antwoord verstrekt op de eerste of de tweede prejudiciële vraag tot de conclusie zou komen dat de bestreden artikelen één of meer van de uit de in die vragen vermelde bepalingen voortvloeiende verplichtingen schendt, de gevolgen van de artikelen 120 en 1262 van het Belgisch Wetboek diverse rechten en taksen tijdelijk kunnen handhaven teneinde rechtsonzekerheid te voorkomen en de wetgever in staat te stellen ze in overeenstemming te brengen met die verplichtingen? |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/16 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Justice de paix de Charleroi III (België) op 26 november 2018 — IZ / Ryanair DAC
(Zaak C-735/18)
(2019/C 44/21)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Justice de paix de Charleroi III
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: IZ
Verwerende partij: Ryanair DAC
Prejudiciële vragen
[Het] verzoek om een prejudiciële beslissing met betrekking tot de uitlegging van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (1) luidt als volgt:
|
— |
Moet artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 aldus worden uitgelegd dat een gebeurtenis als aan de orde in het onderhavige geding, te weten de staking van de luchtverkeersleiders op het grondgebied dat een vliegtuig moet overvliegen vanuit een luchthaven buiten het door de staking getroffen grondgebied, met als bestemming een luchthaven buiten het door de staking getroffen grondgebied, moet worden beschouwd als een gebeurtenis die inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij en dientengevolge niet kan worden aangemerkt als „buitengewone omstandigheid” op basis waarvan de luchtvaartmaatschappij wordt vrijgesteld van haar verplichting om de passagiers te compenseren in geval van annulering van een vlucht die door dit vliegtuig wordt uitgevoerd[?] |
|
— |
In het geval dat de gebeurtenis als aan de orde in het onderhavige geding, te weten de staking van de luchtverkeersleiders op het grondgebied dat een vliegtuig moet overvliegen vanuit een luchthaven buiten het door de staking getroffen grondgebied, met als bestemming een luchthaven buiten het door de staking getroffen grondgebied, moet worden beschouwd als een „buitengewone omstandigheid”, moet daaruit dan worden afgeleid dat het voor de luchtvaartmaatschappij om een „buitengewone omstandigheid” gaat die niet had kunnen worden voorkomen, zelf niet als alle redelijke maatregelen waren getroffen? |
|
— |
Moet worden aangenomen dat het feit dat de staking is aangekondigd, tot gevolg heeft dat de gebeurtenis als aan de orde in het onderhavige geding, te weten de staking van de luchtverkeersleiders op het grondgebied dat een vliegtuig moet overvliegen vanuit een luchthaven buiten het door de staking getroffen grondgebied, met als bestemming een luchthaven buiten het door de staking getroffen grondgebied, niet valt onder het begrip „buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91? |
|
— |
Moet, gelet op overweging 15 van verordening (EG) nr. 261/2004, worden aangenomen dat de gebeurtenis als aan de orde in het onderhavige geding, te weten de staking van de luchtverkeersleiders op het grondgebied dat een vliegtuig moet overvliegen vanuit een luchthaven buiten het door de staking getroffen grondgebied, met als bestemming een luchthaven buiten het door de staking getroffen grondgebied, voor de luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid vormde, die niet had kunnen worden voorkomen en op grond waarvan zij, als redelijke maatregel om verdere annuleringen te kunnen vermijden, mocht beslissen de betrokken vlucht te annuleren om een situatie te vermijden waarin haar crews niet meer in staat zouden zijn om op de dag van de staking andere vluchten uit te voeren, waardoor zij voor de hele luchtvaartmaatschappij en alle passagiers de storingen en ongemakken als gevolg van de staking tot een minimum kon beperken? |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/17 |
Hogere voorziening ingesteld op 27 november 2018 door de Tsjechische Republiek tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 13 september 2018 in zaak T-627/16, Tsjechische Republiek / Commissie
(Zaak C-742/18 P)
(2019/C 44/22)
Procestaal: Tsjechisch
Partijen
Rekwirante: Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek, O. Serdula, J. Vláčil, J. Pavliš, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Koninkrijk Zweden
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 september 2018 in zaak T-627/16, Tsjechische Republiek / Commissie waarbij het Gerecht gedeeltelijk afwijzend heeft geoordeeld over het verzoek van de Tsjechische Republiek tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1059 (1) van de Commissie van 20 juni 2016 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 3753), voor zover in dit arrest de uitgaven van de Tsjechische Republiek zijn uitgesloten.
Conclusies
|
— |
punt 2 van het dictum van het arrest van het Gerecht in zaak T-627/16 en het overeenkomstige deel van dit arrest vernietigen; |
|
— |
besluit (EU) 2016/1059 van de Commissie nietig verklaren voor zover het uitgaven in het kader van de enkele areaalbetaling uitsluit voor een bedrag van 462 517,83 EUR; |
|
— |
besluit (EU) 2016/1059 van de Commissie nietig verklaren voor zover het uitgaven in het kader van investeringen in de wijnsector uitsluit voor een bedrag van 636 516,20 EUR; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert ter ondersteuning van haar hogere voorziening vier middelen aan.
Met het eerste middel wordt aangevoerd dat sprake is van schending van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 (2) juncto artikelen 26 en 31 van verordening nr. 1122/2009 (3). Rekwirante stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat controles ter plaatse in de vorm van teledetectie en klassieke controles ter plaatse hetzelfde of een vergelijkbaar foutenpercentage moeten hebben. Een dergelijk vereiste is uit geen enkele Europeesrechtelijke bepaling noch uit de aard van de betreffende controlemethoden af te leiden. Integendeel, op grond van specifiek aan deze methodes verbonden redenen, is de wijze waarop bij beide methodes ten behoeve van de controles steekproeven worden vastgesteld zo verschillend dat conclusies over de doelmatigheid ervan niet afhankelijk kunnen worden gemaakt van de vraag of het foutenpercentage hetzelfde of vergelijkbaar is.
Met het tweede middel wordt aangevoerd dat sprake is van schending van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2016 juncto artikel 33 van verordening nr. 1122/2009. Rekwirante stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de controlesteekproef bij vaststelling van een te hoge aangifte ter grootte van 3 % van de geconstateerde oppervlakte hoe dan ook uitgebreid moet worden tot geen te hoge aangifte meer wordt vastgesteld en dat dit zelfs geldt indien de nationale autoriteiten er op grond van de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval zeker van kunnen zijn dat op andere percelen van de betreffende landbouwer geen verdere onjuistheden in de aangifte van de oppervlakte landbouwgrond zijn te verwachten.
Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 juncto artikel 112 van verordening nr. 1605/2002 (4) of, naargelang van het geval, artikel 130 van verordening nr. 966/2012 (5). Het Gerecht heeft de inhoud van het geschil tussen Tsjechië en de Commissie volledig verkeerd opgevat en heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de opgelegde correctie uitsluitend ermee verband hield dat met terugwerkende kracht investeringen waren gefinancierd die voor de uitvoering van het nationale steunprogramma waren gedaan. In het kader van het betreffende onderzoek had de Commissie bezwaar tegen elke financiering met terugwerkende kracht van investeringen in de wijnsector. Het Gerecht gaf derhalve blijk van een onjuiste opvatting door op geen enkele wijze in te gaan op de argumenten van Tsjechië dat het strookte met het Unierecht om na de goedkeuring van het nationale steunprogramma met terugwerkende kracht investeringen te financieren.
Het vierde middel is ontleend aan schending van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 juncto artikelen 19 en 77 van verordening nr. 555/2008 (6) en artikel 27 van verordening nr. 1975/2006 (7) of, naargelang van het geval, artikel 25 van verordening nr. 65/2011 (8). Rekwirante voert aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat op de datum van de feiten in het hoofdgeding 100 % van de investeringen in de wijnsector ter plaatse gecontroleerd had moeten worden, ook al werd in artikel 77, lid 5, van verordening nr. 555/2008 via de uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 27 van verordening nr. 1975/2006 toegestaan dat controles werden uitgevoerd op basis van enkel een steekproef van de investeringen.
(2) Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549).
(3) Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (PB 2009, L 316, blz. 65).
(4) Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 248, blz. 1).
(5) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 [van de Raad] (PB 2012, L 298, blz. 1).
(6) Verordening (EG) nr. 555/2008 van de Commissie van 27 juni 2008 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, wat betreft de steunprogramma’s, de handel met derde landen, het productiepotentieel en de controles in de wijnsector (PB 2008, L 170, blz. 1).
(7) Verordening (EG) nr. 1975/2006 van de Commissie van 7 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling (PB 2006, L 368, blz. 74).
(8) Verordening (EU) nr. 65/2011 van de Commissie van 27 januari 2011 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling (PB 2011, L 25, blz. 8).
Gerecht
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/19 |
Arrest van het Gerecht van 22 november 2018 — Saleh Thabet e.a. / Raad
(Zaak T-274/16 en T-275/16) (1)
((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Egypte - Bevriezing van tegoeden - Doelstellingen - Criteria voor de plaatsing van personen op de lijst - Verlenging van de plaatsing van verzoekers op de lijst van betrokken personen - Feitelijke grondslag - Exceptie van onwettigheid - Rechtsgrondslag - Evenredigheid - Recht op een eerlijk proces - Vermoeden van onschuld - Beginsel van behoorlijk bestuur - Onjuiste rechtsopvatting - Kennelijke beoordelingsfout - Recht op eigendom - Rechten van de verdediging - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte”))
(2019/C 44/23)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij in zaak T-274/16: Suzanne Saleh Thabet (Caïro, Egypte) (vertegenwoordigers: B. Kennelly, QC, J. Pobjoy, barrister, G. Martin, M. Rushton en C. Enderby Smith, solicitors)
Verzoekende partijen in zaak T-275/16: Gamal Mohamed Hosni Elsayed Mubarak (Caïro), Alaa Mohamed Hosni Elsayed Mubarak (Caïro), Heidy Mahmoud Magdy Hussein Rasekh (Caïro), Khadiga Mahmoud El Gammal (Caïro) (vertegenwoordigers: B. Kennelly, J. Pobjoy, G. Martin, M. Rushton en C. Enderby Smith)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Kyriakopoulou en M. Veiga, vervolgens S. Kyriakopoulou en J. Kneale, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit (GBVB) 2016/411 van de Raad van 18 maart 2016 tot wijziging van besluit 2011/172/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte (PB 2016, L 74, blz. 40), besluit (GBVB) 2017/496 van de Raad van 21 maart 2017 tot wijziging van besluit 2011/172/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte (PB 2017, L 76, blz. 22), en uitvoeringsverordening (EU) 2017/491 van de Raad van 21 maart 2017 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 270/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Egypte (PB 2017, L 76, blz. 10), voor zover deze handelingen verzoekers betreffen
Dictum
|
1) |
De zaken T-274/16 en T-275/16 worden gevoegd voor het arrest. |
|
2) |
De beroepen worden verworpen. |
|
3) |
Suzanne Saleh Thabet, Gamal Mohamed Hosni Elsayed Mubarak, Alaa Mohamed Hosni Elsayed Mubarak, Heidy Mahmoud Magdy Hussein Rasekh en Khadiga Mahmoud El Gammal worden verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/20 |
Arrest van het Gerecht van 27 november 2018 — VG/Commissie
(Gevoegde zaken T-314/16 en T-435/16) (1)
([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Documenten en informatie betreffende een besluit van de Commissie om een einde te maken aan een, instemmingsbrief inzake toetreding tot Team Europe’ - Weigering van toegang - Uitzondering inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van het individu - Bescherming van persoonsgegevens - Verordening (EG) nr. 45/2001 - Weigering van doorgifte - Artikelen 7, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten - Niet-contractuele aansprakelijkheid”])
(2019/C 44/24)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: VG, als universele erfgename van MS, (vertegenwoordigers: aanvankelijk L. Levi en M. Vandenbussche, vervolgens L. Levi, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Clotuche-Duvieusart en A. Simon, vervolgens F. Clotuche-Duvieusart en B. Mongin, gemachtigden)
Voorwerp
Enerzijds, een vordering krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie van 2 februari en 19 april 2016 houdende afwijzing van het verzoek van MS om toegang tot hem betreffende documenten en van 16 juni 2016 houdende afwijzing van zijn verzoek om de hem betreffende persoonsgegevens vervat in de documenten waarop dat verzoek om toegang betrekking heeft, aan hem door te geven, en anderzijds, een vordering krachtens artikel 268 VWEU strekkende tot vergoeding van de schade die MS door deze weigering van toegang en van doorgifte zou hebben geleden.
Dictum
|
1) |
Het besluit van de Europese Commissie van 16 juni 2016 houdende afwijzing van het verzoek van MS om bepaalde persoonsgegevens aan hem door te geven, wordt nietig verklaard. |
|
2) |
De Commissie wordt veroordeeld om aan VG, als universele erfgename van MS, een bedrag van 5 000 EUR te betalen. |
|
3) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
4) |
VG en de Commissie dragen elk hun eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/21 |
Arrest van het Gerecht van 5 december 2018 — Bristol-Myers Squibb Pharma/Commissie en EMA
(Zaak T-329/16) (1)
([„Geneesmiddelen voor menselijk gebruik - Weesgeneesmiddelen - Besluit tot intrekking van de aanwijzing van Elotuzumab als weesgeneesmiddel - Besluit waarbij werd geoordeeld dat de aanwijzingscriteria niet langer waren vervuld - Vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel voor menselijk gebruik Empliciti (Elotuzumab) - Artikel 5, lid 12, onder b), van verordening (EG) nr. 141/2000 - Artikel 5, lid 8, van verordening nr. 141/2000 - Motiveringsplicht”])
(2019/C 44/25)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Bristol-Myers Squibb Pharma EEIG (Uxbridge, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: P. Bogaert en B. Van Vooren, advocaten, en B. Kelly, solicitor)
Verwerende partijen: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Sipos en K. Petersen, gemachtigden) en Europees Geneesmiddelenbureau (vertegenwoordigers: N. Rampal Olmedo, M. Tovar Gomis, T. Jabłoński en S. Drosos, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van een handeling van de Commissie waarbij Elotuzumab is geschrapt uit het communautaire register van weesgeneesmiddelen voor menselijk gebruik, of van een eventuele handeling van de Commissie of het EMA waarbij werd geoordeeld dat Elotuzumab niet langer voldeed aan de criteria om te worden aangewezen als weesgeneesmiddel ten tijde van de vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel Empliciti (Elotuzumab), krachtens verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen (PB 2000, L 18, blz. 1).
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in alle kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/21 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — Spanje / Commissie
(Zaak T-459/16) (1)
([„ELGF en Elfpo - Van financiering uitgesloten uitgaven - Artikel 31 van verordening (EG) nr. 1290/2005 - Verordening (EG) nr. 73/2009 - Tekortkomingen van het GBCS - Blijvend grasland - Risico voor het fonds - Document VI/5330/97 - Artikel 73 bis, lid 2 bis, van verordening (EG) nr. 796/2004 - Artikel 81, lid 3, van verordening (EG) nr. 1122/2009 - Artikel 137 van verordening nr. 73/2009 - Forfaitaire correcties van 25 % en 10 %”])
(2019/C 44/26)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: M. Sampol Pucurull, gemachtigde)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Triantafyllou, vervolgens I. Galindo Martín, N. Ruiz García en A. Sauka, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1059 van de Commissie van 20 juni 2016 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2016, L 173, blz. 59).
Dictum
|
1) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1059 van de Commissie van 20 juni 2016 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), wordt nietig verklaard voor zover daarbij aan het Koninkrijk Spanje de hierna volgende financiële correcties zijn opgelegd:
|
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
Elke partij zal haar eigen kosten dragen. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/22 |
Arrest van het Gerecht van 4 december 2018 — Janoha e.a. / Commissie
(Zaak T-517/16) (1)
((„Openbare dienst - Arbeidscontractanten - Herziening van het Statuut van 1 januari 2014 - Artikel 6 van bijlage X bij het Statuut - Nieuwe bepalingen voor de toekenning van verlofdagen voor in een derde land tewerkgestelde ambtenaren - Exceptie van onwettigheid - Artikel 10, tweede alinea, van het Statuut - Artikelen 7 en 33 van het Handvest van de grondrechten - Gelijke behandeling - Verworven rechten - Gewettigd vertrouwen - Rechtszekerheid - Misbruik van bevoegdheid”))
(2019/C 44/27)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Andrea Janoha (Christ Church, Barbados), en 5 andere verzoekende partijen wier namen zijn opgenomen in de bijlage bij het arrest (vertegenwoordiger: O. Mader, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Currall en G. Gattinara, vervolgens G. Gattinara en A.-C. Simon, gemachtigden)
Interveniënt aan de zijde van de verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Bauer en M. Veiga, vervolgens M. Bauer en R. Meyer, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van de besluiten tot vermindering van het aantal verlofdagen van verzoekers met ingang van 2014
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Andrea Janoha en de andere arbeidscontractanten van de Europese Commissie wier namen zijn opgenomen in de bijlage worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Commissie. |
|
3) |
De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten. |
(1) PB C 388 van 3.11.2014 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-86/14, en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/23 |
Arrest van het Gerecht van 4 december 2018 — Carreras Sequeros e.a./Commissie
(Zaak T-518/16) (1)
((„Openbare dienst - Ambtenaren en arbeidscontractanten - Herziening van het Statuut van 1 januari 2014 - Artikel 6 van bijlage X bij het Statuut - Nieuwe bepalingen voor het vakantieverlof voor in een derde land tewerkgestelde ambtenaren - Exceptie van onwettigheid - Doel van het verlof”))
(2019/C 44/28)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Francisco Carreras Sequeros (Addis-Abeba, Ethiopië), en vijf andere verzoekende partijen wier namen zijn opgenomen in de bijlage bij het arrest (vertegenwoordigers: S. Orlandi en T. Martin, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Currall en G. Gattinara, vervolgens G. Gattinara en A.-C. Simon, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: J. Steele en E. Taneva, gemachtigden); en Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Bauer en M. Veiga, vervolgens M. Bauer en R. Meyer, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van de besluiten om het aantal verlofdagen van verzoekers met ingang van 2014 te verminderen
Dictum
|
1) |
De besluiten tot vermindering van het aantal verlofdagen in 2014 van Francisco Carreras Sequeros en van de andere ambtenaren of functionarissen van de Europese Commissie wier namen zijn opgenomen in de bijlage worden nietig verklaard. |
|
2) |
De Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van Carreras Sequeros en van de andere ambtenaren of functionarissen van de Commissie wier namen zijn opgenomen in de bijlage. |
|
3) |
Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie dragen hun eigen kosten. |
(1) PB C 7 van 12.1.2015 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-88/14, en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/24 |
Arrest van het Gerecht van 4 december 2018 — Schneider/EUIPO
(Zaak T-560/16) (1)
((„Ambtenarenrecht - Tijdelijk functionarissen - Interne reorganisatie van de diensten van het EUIPO - Overplaatsing - Rechtsgrondslag - Artikel 7 van het Statuut - Dienstbelang - Wezenlijke wijziging van de taken - Gelijkwaardigheid van de ambten - Verkapte sanctie - Misbruik van bevoegdheid - Recht om te worden gehoord - Motiveringsplicht”))
(2019/C 44/29)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Gregor Schneider (Alicante, Spanje) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. Lukošiūtė, gemachtigde, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de uitvoerend directeur van het EUIPO van 2 oktober 2014 om verzoeker binnen het EUIPO over te plaatsen van de afdeling „Internationale Samenwerking en Juridische Zaken” naar de afdeling „Operaties”
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Gregor Schneider wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in de kosten van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO). |
(1) PB C 328 van 5.10.2015 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-116/15 en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/24 |
Arrest van het Gerecht van 22 november 2018 — Janssen-Cases/Commissie
(Zaak T-688/16) (1)
((„Ambtenarenrecht - Ambtenaren - Aanwerving - Kennisgeving van vacature - Bemiddelaar van de Commissie - Bevoegd TABG - Bevoegdheidsdelegatie - Procedure - Raadpleging van het personeelscomité - Aansprakelijkheid”))
(2019/C 44/30)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Mercedes Janssen-Cases (Brussel, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J.-N. Louis en N. de Montigny, vervolgens J.-N. Louis, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Berardis-Kayser en G. Berscheid, vervolgens G. Berscheid en L. Radu Bouyon, gemachtigden)
Voorwerp
Vordering op grond van artikel 270 VWEU strekkende, enerzijds, tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 15 juni 2016 houdende aanstelling van W als bemiddelaar van de Commissie en van de nota van 16 juni 2016 waarbij de Commissie verzoekster in kennis heeft gesteld van de uitkomst van de selectieprocedure en, anderzijds, tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden.
Dictum
|
1) |
Het besluit van de Europese Commissie van 15 juni 2016 houdende aanstelling van W als bemiddelaar van de Commissie en de nota van 16 juni 2016 waarbij de Commissie Mercedes Janssen-Cases in kennis heeft gesteld van de uitkomst van de selectieprocedure, worden nietig verklaard. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
De Commissie wordt verwezen in de kosten, met inbegrip van de kosten die op de procedure in kort geding zijn gevallen. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/25 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — ARFEA / Commissie
(Zaak T-720/16) (1)
((„Staatssteun - Door de Italiaanse autoriteiten met terugwerkende kracht toegekende compensatie voor de verrichting van een openbare dienst - Tussen 1997 en 1998 aangeboden regionaal busvervoer van passagiers op basis van concessies - Besluit waarbij steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en terugvordering ervan wordt gelast - Altmar-arrest - Toepassing in de tijd van materiële rechtsregels”))
(2019/C 44/31)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Aziende riunite filovie ed autolinee Srl (ARFEA) (Alexandrië, Italië) (vertegenwoordigers: M. Chiti, V. Angiolini en L. Formilan, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Armati en D. Recchia, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van besluit (EU) 2016/2084 van de Commissie van 10 juni 2016 inzake steunmaatregel SA.38132 (2015/C) (ex 2014/NN) — Aanvullende vergoeding voor openbaredienstverplichtingen voor ARFEA (PB 2016, L 321, blz. 57).
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Aziende riunite filovie ed autolinee Srl (ARFEA) wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/26 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — Di Bernardo / Commissie
(Zaak T-811/16) (1)
((„Openbare dienst - Ambtenaren - Aanwerving - Aankondiging van vergelijkend onderzoek - Algemeen vergelijkend onderzoek - Niet-opneming op de reservelijst - Motiveringsplicht - Beroepservaring - Aansprakelijkheid”))
(2019/C 44/32)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Danilo Di Bernardo (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S. Orlandi en T. Martin, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Gattinara en L. Radu Bouyon, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, ten eerste strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek aan de hand van een examen EPSO/AST-SC/03/15 van 10 augustus 2016 om verzoeker niet op te nemen op de reservelijst voor de aanwerving van secretariaatsmedewerker/kantoormedewerker van de rang SC 1, op het vakgebied van financiële ondersteuning, en ten tweede tot vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden
Dictum
|
1) |
Het besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek aan de hand van een examen EPSO/AST-SC/03/15 van 10 augustus 2016 om Danilo Di Bernardo niet op te nemen op de reservelijst voor de aanwerving van secretariaatsmedewerker/kantoormedewerker van de rang SC 1, op het vakgebied van financiële ondersteuning, wordt nietig verklaard. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/26 |
Arrest van het Gerecht van 27 november 2018 — Mouvement pour une Europe des nations et des libertés/Parlement
(Zaak T-829/16) (1)
([„Institutioneel recht - Europees Parlement - Besluit waarbij wordt verklaard dat bepaalde uitgaven van een politieke partij niet voor financiering in aanmerking komen voor het financiële jaar 2015 - Recht op behoorlijk bestuur - Rechtszekerheid - Verordening (EG) nr. 2004/2003 - Verbod van zijdelingse financiering van een nationale politieke partij”])
(2019/C 44/33)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Mouvement pour une Europe des nations et des libertés (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: A. Varaut, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: C. Burgos en S. Alves, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 12 september 2016 waarbij wordt verklaard dat bepaalde uitgaven niet voor financiering in aanmerking komen voor het financiële jaar 2015
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Mouvement pour une Europe des nations et des libertés wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van het Europees Parlement. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/27 |
Arrest van het Gerecht van 5 december 2018 — Falcon Technologies International/Commissie
(Zaak T-875/16) (1)
([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Beoordelingsverslag van een aangemelde instantie in de zin van de wetgeving inzake de EG-verklaring van overeenstemming voor medische hulpmiddelen - Weigering van toegang - Uitzondering ter bescherming van commerciële belangen - Verplichting om een concreet en individueel onderzoek uit te voeren - Hoger openbaar belang - Weigering van gedeeltelijke toegang”])
(2019/C 44/34)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Falcon Technologies International LLC (Ras Al Khaimah, Verenigde Arabische Emiraten) (vertegenwoordigers: R. Sciaudone en G. Arpea, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz en D. Nardi, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2016) 6722 final van de Commissie van 14 oktober 2016 waarin is geweigerd om verzoekster toegang te verlenen tot document DG (Gezondheid) 2015-7552
Dictum
|
1) |
Besluit C(2016) 6722 final van de Commissie van 14 oktober 2016 wordt nietig verklaard voor zover daarin gedeeltelijke toegang tot document DG (Gezondheid) 2015-7552 is geweigerd. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
Falcon Technologies International LLC en de Europese Commissie dragen elk hun eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/28 |
Arrest van het Gerecht van 22 november 2018 — Portugal/Commissie
(Zaak T-31/17) (1)
([„ELGF - Van financiering uitgesloten uitgaven - Specifieke maatregelen ten behoeve van de ultraperifere gebieden - Artikel 12, onder c), van verordening (EG) nr. 247/2006 - Technische bijstand - Controleacties - Procedurele waarborgen - Gewettigd vertrouwen”])
(2019/C 44/35)
Procestaal: Portugees
Partijen
Verzoekende partij: Portugese Republiek (vertegenwoordigers: L. Inez Fernandes, M. Figueiredo, J. Saraiva de Almeida en A. Tavares de Almeida, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Rechena en A. Sauka, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2016/2018 van de Commissie van 15 november 2016 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2016, L 312, blz. 26), voor zover daarbij met betrekking tot de Portugese Republiek de bedragen van 460 202,73 EUR en 200 000 EUR (begrotingspost 6701) aan bedoelde financiering worden onttrokken
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/28 |
Arrest van het Gerecht van 5 december 2018 — Sumner/Commissie
(Zaak T-152/17) (1)
((„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Documenten betreffende een door de Commissie tegen Ierland ingestelde niet-nakomingsprocedure - Weigering van toegang - Uitzondering inzake de bescherming van inspecties, onderzoeken en audits - Algemeen vermoeden - Hoger openbaar belang”))
(2019/C 44/36)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Loreto Sumner (Leixlip, Ierland) (vertegenwoordigers: J. MacGuill en E. Martin-Vignerte, solicitors)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Ehrbar en M. Konstantinidis, gemachtigden)
Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Ierland (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Joyce en L. Williams, vervolgens A. Joyce, M. Browne en G. Hodge, gemachtigden, bijgestaan door A. Carroll, barrister)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2017) 247 final van de Commissie van 13 januari 2017 houdende weigering om toegang te verlenen tot documenten met betrekking tot inbreukprocedure 2014/4131 tegen Ierland inzake de toepassing van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Loreto Sumner wordt verwezen in de kosten. |
|
3) |
Ierland draagt zijn eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/29 |
Arrest van het Gerecht van 28 november 2018 — Le Pen/Parlement
(Zaak T-161/17) (1)
((„Regeling inzake de kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement - Vergoeding voor parlementaire medewerkers - Terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen - Bevoegdheid van de secretaris-generaal - Rechten van verdediging - Gewettigd vertrouwen - Motiveringsplicht - Gelijke behandeling - Misbruik van bevoegdheid - Feitelijke vergissing - Evenredigheid”))
(2019/C 44/37)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Marion Le Pen (Saint-Cloud, Frankrijk) (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Ceccaldi en J.-P. Le Moigne, vervolgens M. Ceccaldi, en tot slot R. Bosselut, advocaten)
Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: G. Corstens en S. Seyr, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 6 januari 2017 om het ten onrechte als vergoeding voor parlementaire medewerkers betaalde bedrag van 41 554 EUR van verzoekster terug te vorderen, en van de daarop betrekking hebbende debetnota van 11 januari 2017
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Marion Le Pen wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van het Europees Parlement. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/30 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — Out of the blue/EUIPO — Dubois en MFunds USA (FUNNY BANDS)
(Zaak T-214/17) (1)
([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk FUNNY BANDS - Absolute weigeringsgronden - Artikel 7, lid 1, onder b) en c), en artikel 52, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder b) en c), en artikel 59, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2017/1001]”])
(2019/C 44/38)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Out of the blue KG (Lilienthal, Duitsland) (vertegenwoordigers: G. Hasselblatt, V. Töbelmann en A. Zarm, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: T. Frydendahl, J. Ivanauskas en D. Walicka, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Frédéric Dubois (Lasne, België) en MFunds USA LLC (Miami Beach, Florida, Verenigde Staten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 20 januari 2017 (zaak R 1081/2016-2) inzake een nietigheidsprocedure tussen Out of the blue, enerzijds, en Frédéric Dubois en MFunds USA, anderzijds
Dictum
|
1) |
De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 20 januari 2017 (zaak R 1081/2016-2) wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep is verworpen tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling tot afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van het Uniewoordmerk FUNNY BANDS voor „edele metalen en hun legeringen en producten hieruit vervaardigd of hiermee bedekt voor zover niet begrepen in andere klassen; juwelierswaren, bijouterieën; ringen (juwelierswaren); ringen [juwelierswaren]; armbanden (juwelierswaren); halskettingen (juwelierswaren); fantasie-sleutelhangers” van klasse 14, „rubber, guttapercha, gummi en hieruit vervaardigde producten voor zover niet begrepen in andere klassen; niet-metalen buigzame buizen; rubberringen; rubber (grondstof of halffabrikaat); koorden van rubber” van klasse 17 en „groot- en detailhandel in edele metalen en hun legeringen en producten hieruit vervaardigd of hiermee bedekt, juwelierswaren, bijouterieën, ringen [bijouterieën], vingerringen [bijouterieën], armbanden [bijouterieën], halskettingen [bijouterieën], rubber, guttapercha, gummi en hieruit vervaardigde producten, buigzame slangen, niet van metaal” van klasse 35. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
Elke partij zal haar eigen kosten dragen. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/31 |
Arrest van het Gerecht van 5 december 2018 — Campbell/Commissie
(Zaak T-312/17) (1)
([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Documenten betreffende een door de Commissie tegen de Republiek Litouwen ingeleide niet-nakomingsprocedure - Weigering van toegang - Uitzondering inzake de bescherming van inspecties, onderzoeken en audits - Algemeen vermoeden - Hoger openbaar belang”])
(2019/C 44/39)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Liam Campbell (Dundalk, Ierland) (vertegenwoordigers: J. MacGuill en E. Martin-Vignerte, solicitors)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Ehrbar en M. Konstantinidis, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2017) 2448 final van de Commissie van 7 april 2017 houdende weigering van toegang tot documenten die betrekking hebben op niet-nakomingsprocedure 2013/0406 tegen de Republiek Litouwen over de toepassing van richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB 2010, L 280, blz. 1)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Liam Campbell en de Europese Commissie dragen elk hun eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/31 |
Arrest van het Gerecht van 27 november 2018 — Hebberecht/EDEO
(Zaak T-315/17) (1)
((„Openbare dienst - Ambtenaren - EDEO - Tewerkstelling - Ambt van delegatiehoofd van de Europese Unie in Ethiopië - Besluit houdende weigering om de tewerkstelling te verlengen - Dienstbelang - Motiveringsplicht - Gelijke behandeling”))
(2019/C 44/40)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Chantal Hebberecht (Fourmies, Frankrijk) (vertegenwoordiger: B. Maréchal, advocaat)
Verwerende partij: Europese Dienst voor extern optreden (vertegenwoordigers: S. Marquardt en R. Spac, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU tot nietigverklaring van het op 3 februari 2017 aan verzoekster meegedeelde besluit van de EDEO houdende afwijzing van haar klacht tegen het besluit van de EDEO waarbij haar tewerkstelling als delegatiehoofd van de Europese Unie in Ethiopië niet werd verlengd, en tot vergoeding van de immateriële schade die verzoekster stelt te hebben geleden
Dictum
|
1) |
Het besluit van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 30 juni 2016 tot afwijzing van het verzoek van Chantal Hebberecht om haar tewerkstelling als hoofd van de delegatie van de Europese Unie in Ethiopië te verlengen, wordt nietig verklaard. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
De EDEO wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/32 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — Louis Vuitton Malletier/EUIPO — Bee-Fee Group (LV POWER ENERGY DRINK)
(Zaak T-372/17) (1)
([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniebeeldmerk LV POWER ENERGY DRINK - Ouder Uniebeeldmerk LV - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 5, van verordening (EU) 2017/1001] - Artikel 53, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 60, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001] - Artikel 75 van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 94 van verordening 2017/1001) - Eerdere beslissingen van het EUIPO waarbij de bekendheid van het oudere merk wordt erkend”])
(2019/C 44/41)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Louis Vuitton Malletier (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: P. Roncaglia, G. Lazzeretti, F. Rossi en N. Parrotta, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Gája, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Bee-Fee Group Ltd (Nicosia, Cyprus) (vertegenwoordiger: L. Karpierz, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 29 maart 2017 (zaak R 906/2016-4) inzake een nietigheidsprocedure tussen Louis Vuitton Malletier en Bee-Fee Group
Dictum
|
1) |
De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 29 maart 2017 (zaak R 906/2016-4) wordt vernietigd. |
|
2) |
Het EUIPO zal zijn eigen kosten dragen alsmede de helft van de kosten van Louis Vuitton Malletier. |
|
3) |
Bee-Fee Group Ltd zal haar eigen kosten dragen alsmede de helft van de kosten van Louis Vuitton Malletier. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/33 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — Louis Vuitton Malletier/EUIPO — Fulia Trading (LV BET ZAKŁADY BUKMACHERSKIE)
(Zaak T-373/17) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk LV BET ZAKŁADY BUKMACHERSKIE - Ouder Uniebeeldmerk LV - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 5, van verordening (EU) 2017/1001] - Artikel 75 van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 94 van verordening 2017/1001) - Eerdere beslissingen van het EUIPO waarbij de bekendheid van het oudere merk wordt erkend”])
(2019/C 44/42)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Louis Vuitton Malletier (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: P. Roncaglia, G. Lazzeretti, F. Rossi en N. Parrotta, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Gája, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Fulia Trading Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: L. Karpierz, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 29 maart 2017 (zaak R 1567/2016-4) inzake een oppositieprocedure tussen Louis Vuitton Malletier en Fulia Trading
Dictum
|
1) |
De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 29 maart 2017 (zaak R 1567/2016-4) wordt vernietigd. |
|
2) |
Het EUIPO zal zijn eigen kosten dragen alsmede de helft van de kosten van Louis Vuitton Malletier. |
|
3) |
Fulia Trading Ltd zal haar eigen kosten dragen alsmede de helft van de kosten van Louis Vuitton Malletier. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/34 |
Arrest van het Gerecht van 23 november 2018 — Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/EUIPO — Papouis Dairies (fino)
(Zaak T-416/17) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk fino Cyprus Halloumi Cheese - Ouder collectief Uniewoordmerk HALLOUMI - Relatieve weigeringsgrond - Overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”])
(2019/C 44/43)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi (Nicosia, Cyprus) (vertegenwoordigers: S. Malynicz, QC, en V. Marsland, solicitor)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: D. Gája en D. Walicka, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Papouis Dairies Ltd (Nicosia) (vertegenwoordiger: N. Korogiannakis, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 20 april 2017 (zaak R 2759/2014-4) inzake een oppositieprocedure tussen Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi en Papouis Dairies
Dictum
|
1) |
De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 20 april 2017 (zaak R 2759/2014-4) inzake een oppositieprocedure tussen Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi en Papouis Dairies Ltd wordt vernietigd. |
|
2) |
Het EUIPO wordt, behalve in zijn eigen kosten, verwezen in de kosten van Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi. |
|
3) |
Papouis Dairies zal haar eigen kosten dragen. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/35 |
Arrest van het Gerecht van 23 november 2018 — Cyprus/EUIPO — Papouis Dairies (fino Cyprus Halloumi Cheese)
(Zaak T-417/17) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk fino Cyprus Halloumi Cheese - Ouder certificeringswoordmerk van het Verenigd Koninkrijk HALLOUMI - Afwijzing van de oppositie - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] - Overeenstemmende tekens”])
(2019/C 44/44)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Republiek Cyprus (vertegenwoordigers: S. Malynicz, QC, en V. Marsland, solicitor)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: D. Gája en D. Walicka, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Papouis Dairies Ltd (Nicosia, Cyprus) (vertegenwoordiger: N. Korogiannakis, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 20 april 2017 (zaak R 2650/2014-4) inzake een oppositieprocedure tussen de Republiek Cyprus en Papouis Dairies
Dictum
|
1) |
De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 20 april 2017 (zaak R 2650/2014-4) inzake een oppositieprocedure tussen de Republiek Cyprus en Papouis Dairies Ltd wordt vernietigd. |
|
2) |
Het EUIPO wordt verwezen in zijn eigen kosten en in de kosten van de Republiek Cyprus. |
|
3) |
Papouis Dairies zal haar eigen kosten dragen. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/35 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2018 — Shindler e.a./Raad
(Zaak T-458/17) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Institutioneel recht - Terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie - Akkoord betreffende de voorwaarden voor de terugtrekking - Artikel 50 VEU - Besluit van de Raad waarbij machtiging wordt verleend tot het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk over dit akkoord - Burgers van het Verenigd Koninkrijk die in een andere Unielidstaat verblijven - Voorbereidende handeling - Handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld - Niet rechtstreeks geraakt - Niet-ontvankelijkheid”))
(2019/C 44/45)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Harry Shindler (Porto d’Ascoli, Italië) en de 12 overige verzoekers wier namen zijn opgenomen in de bijlage bij het arrest (vertegenwoordiger: J. Fouchet, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en R. Meyer, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit (EU, Euratom) van de Raad van 22 mei 2017 waarbij machtiging wordt verleend tot het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over een akkoord betreffende de voorwaarden voor zijn terugtrekking uit de Europese Unie (document XT 21016/17), met inbegrip van de bijlage bij dit besluit die de richtsnoeren voor de onderhandelingen over dit akkoord vastlegt (document XT 21016/17 ADD 1 REV 2)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Op het verzoek tot interventie van de Europese Commissie hoeft geen uitspraak meer te worden gedaan. |
|
3) |
Harry Shindler en de overige verzoekers wier namen zijn vermeld in de bijlage, zullen hun eigen kosten dragen alsmede die van de Raad van de Europese Unie. |
|
4) |
De Commissie zal haar eigen kosten in verband met het verzoek tot interventie dragen. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/36 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — WL / ERCEA
(Zaak T-493/17) (1)
((„Openbare dienst - Arbeidscontractanten - Administratief onderzoek - Verlenging van de proeftijd - Voorbereidende handeling - Ontslag - Kennisgeving van het ontslag via e-mail - Klachttermijn - Aanvang - Niet-ontvankelijkheid - Eerbiediging van wezenlijke vormvoorschriften - Ontslagbesluit na afloop van de proeftijd - Verbreking van de vertrouwensband - Aansprakelijkheid - Verzoek om een mondelinge behandeling gedaan in het verzoekschrift en niet herhaald overeenkomstig artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering”))
(2019/C 44/46)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: WL (vertegenwoordiger: F. Elia, advocaat)
Verwerende partij: Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (vertegenwoordigers: F. Sgritta en M. Chacón Mohedano, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot ten eerste nietigverklaring van het ontslagbesluit van ERCEA dat verzoekster op 10 januari 2017 mondeling is meegedeeld, tot onmiddellijk herstel van de arbeidsverhouding en tot veroordeling van ERCEA tot betaling van alle inmiddels verschuldigde bezoldigingen, ten tweede nietigverklaring van het besluit van ERCEA van 28 oktober 2016 om verzoeksters proeftijd te verlengen en tot vaststelling van de non-existentie van die proeftijd vanaf 1 november 2016, ten derde nietigverklaring van de handelingen bestaande in een administratief onderzoek uitgevoerd door het Bureau voor onderzoek en discipline van de Commissie (IDOC) en van het rapport van dat onderzoek van 7 november 2016 alsmede tot verordening aan ERCEA om dat onderzoek te verwijderen uit het computersysteem voor het personeelsbeleid en uit elke andere databank binnen de instellingen van de Europese Unie, ten vierde nietigverklaring van het ontslagbesluit van ERCEA van 22 december 2016 dat verzoekster heeft ontvangen op 24 januari 2017, tot onmiddellijk herstel van de arbeidsverhouding en tot veroordeling van ERCEA tot betaling van een schadevergoeding bestaande in de bezoldigingen vanaf de datum van ontslag tot de datum van bekendmaking van het arrest of, bij gebreke van herstel van de arbeidsverhouding, tot veroordeling van ERCEA tot vergoeding van de schade bestaande in het verlies van bezoldiging tot de afloop van de overeenkomst, welke schade 39 000 EUR bedraagt, en ten vijfde en in elk geval veroordeling van ERCEA tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van 300 000 EUR of van elk ander hoger of lager bedrag dat redelijk zal worden geacht wegens de ernstige afbreuk aan haar imago en haar persoonlijke en beroepsreputatie
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
WL wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/37 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — Sata/EUIPO — Zhejiang Auarita Pneumatic Tools (Verfspuit)
(Zaak T-651/17) (1)
([„Gemeenschapsmodel - Nietigheidsprocedure - Ingeschreven gemeenschapsmodel dat een verfspuit weergeeft - Oudere gemeenschapsmodellen - Nietigheidsgrond - Geïnformeerde gebruiker - Mate van vrijheid van de ontwerper - Eigen karakter - Verzadiging van de stand van de techniek - Artikel 6 en artikel 25, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 6/2002 - Nut van de mondelinge procedure - Artikel 64, lid 1, van verordening nr. 6/2002 - Motiveringsplicht - Artikel 62 van verordening nr. 6/2002”])
(2019/C 44/47)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Sata GmbH & Co. KG (Kornwestheim, Duitsland) (vertegenwoordigers: K. Manhaeve en G. Glas, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Hanne, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Zhejiang Auarita Pneumatic Tools Co. Ltd (Zhejiang, China)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO van 12 juli 2017 (zaak R 914/2016-3) inzake een nietigheidsprocedure tussen Zhejiang Auarita Pneumatic Tools en Sata
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Sata GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/38 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — Khadi and Village Industries Commission/EUIPO — BNP Best Natural Products (Khadi)
(Zaak T-681/17) (1)
([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk Khadi - Overlegging van bewijzen voor het eerst voor de kamer van beroep - Beoordelingsbevoegdheid van de kamer van beroep - Artikel 76, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 95, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001] - Absolute weigeringsgronden - Merk dat het publiek kan misleiden - Artikel 7, lid 1, onder g), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder g), van verordening 2017/1001] - Merk dat badges, emblemen of wapenschilden omvat - Artikel 7, lid 1, onder i), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder i), van verordening 2017/1001] - Geen kwade trouw - Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001]”])
(2019/C 44/48)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Khadi and Village Industries Commission (Mumbai Maharashtra, India) (vertegenwoordigers: J. Guise, N. Rose en V. Ellis, solicitors)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Rajh en D. Walicka, vervolgens M. Rajh en H. O’Neill, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: BNP Best Natural Products GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Kloth en R. Briske, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 30 juni 2017 (zaak R 2083/2016-5) inzake een nietigheidsprocedure tussen Khadi and Village Industries Commission en BNP Best Natural Products
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Khadi and Village Industries Commission wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/39 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — Khadi and Village Industries Commission/EUIPO — BNP Best Natural Products (khadí Naturprodukte aus Indíen)
(Zaak T-682/17) (1)
([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniebeeldmerk khadí Naturprodukte aus Indíen - Overlegging van bewijzen voor het eerst voor de kamer van beroep - Beoordelingsbevoegdheid van de kamer van beroep - Artikel 76, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 95, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001] - Absolute weigeringsgronden - Merk dat het publiek kan misleiden - Artikel 7, lid 1, onder g), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder g), van verordening 2017/1001] - Geen kwade trouw - Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001]”])
(2019/C 44/49)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Khadi and Village Industries Commission (Mumbai Maharashtra, India) (vertegenwoordigers: J. Guise, N. Rose en V. Ellis, solicitors)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Rajh en D. Walicka, vervolgens M. Rajh en H. O’Neill, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: BNP Best Natural Products GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Kloth en R. Briske, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 12 juli 2017 (zaak R 2085/2016-5) inzake een nietigheidsprocedure tussen Khadi and Village Industries Commission en BNP Best Natural Products
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Khadi and Village Industries Commission wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/40 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — Khadi and Village Industries Commission/EUIPO — BNP Best Natural Products (Khadi Ayurveda)
(Zaak T-683/17) (1)
([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk Khadi Ayurveda - Overlegging van bewijzen voor het eerst voor de kamer van beroep - Beoordelingsbevoegdheid van de kamer van beroep - Artikel 76, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 95, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001] - Absolute weigeringsgronden - Merk dat het publiek kan misleiden - Artikel 7, lid 1, onder g), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder g), van verordening 2017/1001] - Geen kwade trouw - Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001]”])
(2019/C 44/50)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Khadi and Village Industries Commission (Mumbai Maharashtra, India) (vertegenwoordigers: J. Guise, N. Rose en V. Ellis, solicitors)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Rajh en D. Walicka, vervolgens M. Rajh en H. O’Neill, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: BNP Best Natural Products GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Kloth en R. Briske, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 12 juli 2017 (zaak R 2086/2016-5) inzake een nietigheidsprocedure tussen Khadi and Village Industries Commission en BNP Best Natural Products
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Khadi and Village Industries Commission wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/41 |
Arrest van het Gerecht van 23 november 2018 — Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/EUIPO — Papouis Dairies (Papouis Halloumi)
(Zaak T-702/17) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk Papouis Halloumi - Ouder collectief Uniewoordmerk HALLOUMI - Relatieve weigeringsgrond - Overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”])
(2019/C 44/51)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi (Nicosia, Cyprus) (vertegenwoordigers: S. Malynicz, QC, en V. Marsland, solicitor)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: D. Gája en D. Walicka, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Papouis Dairies Ltd (Nicosia) (vertegenwoordiger: N. Korogiannakis, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 3 augustus 2017 (zaak R 2782/2014-4) inzake een oppositieprocedure tussen Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi en Papouis Dairies
Dictum
|
1) |
De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 3 augustus 2017 (zaak R 2782/2014-4) inzake een oppositieprocedure tussen Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi en Papouis Dairies Ltd wordt vernietigd. |
|
2) |
Het EUIPO wordt, behalve in zijn eigen kosten, verwezen in de kosten van Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi. |
|
3) |
Papouis Dairies zal haar eigen kosten dragen. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/42 |
Arrest van het Gerecht van 23 november 2018 — Cyprus/EUIPO — Papouis Dairies (Papouis Halloumi)
(Zaak T-703/17) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk Papouis Halloumi - Ouder certificeringswoordmerk van het Verenigd Koninkrijk HALLOUMI - Relatieve weigeringsgrond - Overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”])
(2019/C 44/52)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Republiek Cyprus (vertegenwoordigers: S. Malynicz, QC, en V. Marsland, solicitor)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: D. Gája en D. Walicka, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Papouis Dairies Ltd (Nicosia, Cyprus) (vertegenwoordiger: N. Korogiannakis, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 3 augustus 2017 (zaak R 2924/2014-4) inzake een oppositieprocedure tussen de Republiek Cyprus en Papouis Dairies
Dictum
|
1) |
De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 3 augustus 2017 (zaak R 2924/2014-4) inzake een oppositieprocedure tussen de Republiek Cyprus en Papouis Dairies Ltd wordt vernietigd. |
|
2) |
Het EUIPO wordt verwezen in zijn eigen kosten en in de kosten van de Republiek Cyprus. |
|
3) |
Papouis Dairies zal haar eigen kosten dragen. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/43 |
Arrest van het Gerecht van 22 november 2018 — The Vianel Group/EUIPO — Viania Dessous (VIANEL)
(Zaak T-724/17) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie - Woordmerk VIANEL - Ouder Uniewoordmerk VIANIA - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”])
(2019/C 44/53)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: The Vianel Group LLC (Dover, Delaware, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: V. Perrichon, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: P. Sipos en D. Walicka, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Viania Dessous GmbH (Mössingen, Duitsland)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 14 juli 2017 (zaak R 285/2017-5) inzake een oppositieprocedure tussen Viania Dessous en The Vianel Group
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
The Vianel Group LLC wordt, behalve in haar eigen kosten, verwezen in de kosten die voor het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) zijn opgekomen in de procedure voor het Gerecht. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/43 |
Arrest van het Gerecht van 29 november 2018 — Septona/EUIPO — Intersnack Group (welly)
(Zaak T-763/17) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk welly - Oudere Uniebeeldmerken Kelly’s en Kelly’s www.kellys.eu CHIPS - Relatieve weigeringsgrond - Geen verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”])
(2019/C 44/54)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Septona AVEE (Oinofyta, Griekenland) (vertegenwoordiger: V. Wellens, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Rajh en D. Walicka, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Intersnack Group GmbH & Co. KG (Düsseldorf, Duitsland)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 12 juli 2017 (zaak R 1525/2016-1) inzake een oppositieprocedure tussen Intersnack Group en Septona
Dictum
|
1) |
De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 12 juli 2017 (zaak R 1525/2016-1) wordt vernietigd. |
|
2) |
Het EUIPO wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/44 |
Arrest van het Gerecht van 27 november 2018 — H2O Plus/EUIPO (H 2 O+)
(Zaak T-824/17) (1)
([„Uniemerk - Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie - Beeldmerk H 2 O+ - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001”])
(2019/C 44/55)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: H2O Plus LLC (San Francisco, Californië, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: R. Niebel en F. Kerl, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Palmero Cabezas en D. Walicka, vervolgens S. Palmero Cabezas en H. O’Neill, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 6 oktober 2017 (zaak R 499/2017-1) inzake de internationale inschrijving, met aanduiding van de Europese Unie, van het beeldmerk H 2 O+
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
H2O Plus LLC wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/45 |
Arrest van het Gerecht van 22 november 2018 — TeamBank/EUIPO — Fio Systems (FYYO)
(Zaak T-826/17) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk FYYO - Ouder Uniewoordmerk FIO - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”])
(2019/C 44/56)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: TeamBank AG Nürnberg (Nürnberg, Duitsland) (vertegenwoordigers: D. Terheggen en H. Lindner, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Fischer en D. Walicka, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Fio Systems AG (Leipzig, Duitsland) (vertegenwoordiger: S. Hänsel, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 6 november 2017 (zaak R 2337/2016-4) inzake een oppositieprocedure tussen Fio Systems en TeamBank Nürnberg
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
TeamBank AG Nürnberg wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/45 |
Arrest van het Gerecht van 22 november 2018 — Addiko Bank/EUIPO (STRAIGHTFORWARD BANKING)
(Zaak T-9/18) (1)
([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk STRAIGHTFORWARD BANKING - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001”])
(2019/C 44/57)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Addiko Bank AG (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordiger: A. Seling, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. Folliard-Monguiral en D. Walicka, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 25 oktober 2017 (zaak R 1090/2017-2) inzake een aanvraag tot inschrijving als Uniemerk van het woordteken STRAIGHTFORWARD BANKING
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Addiko Bank AG wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/46 |
Arrest van het Gerecht van 22 november 2018 — Endoceutics/EUIPO — Merck (FEMIVIA)
(Zaak T-59/18) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk FEMIVIA - Ouder Uniewoordmerk FEMIBION INTIMA - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001”])
(2019/C 44/58)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Endoceutics, Inc. (Quebec, Canada) (vertegenwoordiger: M. Wahlin, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: A. Lukošiūtė, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Merck KGaA (Darmstadt, Duitsland)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 27 november 2017 (zaak R 280/2017-2) inzake een oppositieprocedure tussen Merck en Endoceutics
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Endoceutics, Inc. wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/47 |
Arrest van het Gerecht van 22 november 2018 — AB Mauri Italy/EUIPO — Lesaffre (FERMIN)
(Zaak T-78/18) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk FERMIN - Oudere internationale en Benelux-merken FERMIPAN - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 2017/1001”])
(2019/C 44/59)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: AB Mauri Italy SpA (Casteggio, Italië) (vertegenwoordigers: B. Brandreth, advocaat, en G. Hussey, solicitor)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Bonne en D. Walicka, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Lesaffre et Cie (Parijs, Frankrijk)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 4 december 2017 (gevoegde zaken R 2027/2016-4 en R 2254/2016-4) inzake een oppositieprocedure tussen AB Mauri Italy en Lesaffre et Cie
Dictum
|
1) |
De beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 4 december 2017 (gevoegde zaken R 2027/2016-4 en R 2254/2016-4) wordt vernietigd voor zover daarbij de oppositie tegen de inschrijving van het woordmerk FERMIN wegens het ontbreken van gelijksoortigheid met tot klasse 30 behorend „gist” is afgewezen met betrekking tot een aantal waren die tot diezelfde klasse behoren, namelijk voor „mengsels voor het maken van bakkerijproducten; bakkerijmixen (gebruiksklare broodmixen); bereidingen op basis van gist voor gebak en pizzadeeg”. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
Het EUIPO wordt, behalve in zijn eigen kosten, verwezen in de kosten van AB Mauri Italy SpA. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/47 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — Cheverny Investments / Commissie
(Zaak T-585/11) (1)
((„Staatssteun - Duitse wettelijke belastingregeling betreffende de overdracht van verliezen naar toekomstige belastingjaren (Sanierungsklausel) - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Nietigverklaring van het bestreden besluit door het Hof - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”))
(2019/C 44/60)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Cheverny Investments Ltd (St. Julians, Malta) (vertegenwoordigers: H. Prinz zu Hohenlohe-Langenburg, R. Staab en S. Rasch, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Lyal, T. Maxian Rusche en M. Adam, vervolgens R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze, K. Petersen en R. Kanitz, vervolgens T. Henze, R. Kanitz en K. Stranz, en tenslotte T. Henze, R. Kanitz en S. Eisenberg, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) „KStG, Sanierungsklausel” (PB 2011, L 235, blz. 26)
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Cheverny Investments Ltd. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/48 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — Oppenheim / Commissie
(Zaak T-586/11) (1)
((„Staatssteun - Duitse wettelijke belastingregeling betreffende de overdracht van verliezen naar toekomstige belastingjaren (Sanierungsklausel) - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Nietigverklaring van het bestreden besluit door het Hof - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”))
(2019/C 44/61)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Sal. Oppenheim jr. & Cie AG & Co. KGaA (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk W. Deselaers, J. Brückner en M. Haisch, vervolgens T. Bernard, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Lyal, T. Maxian Rusche, M. Adam en M. Noll-Ehlers, vervolgens R. Lyal, T. Maxian Rusche en M. Noll Ehlers, en tenslotte R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze, K. Petersen en R. Kanitz, vervolgens T. Henze, R. Kanitz en K. Stranz, en tenslotte T. Henze, R. Kanitz en S. Eisenberg, gemachtigden
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) „KStG, Sanierungsklausel” (PB 2011, L 235, blz. 26)
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Sal. Oppenheim jr. & Cie AG & Co. KGaA. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/49 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — Wagon Automotive Nagold GmbH / Commissie
(Zaak T-610/11) (1)
([„Staatssteun - Duitse wettelijke belastingregeling betreffende de overdracht van verliezen naar toekomstige belastingjaren (Sanierungsklausel) - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Nietigverklaring van het bestreden besluit door het Hof - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”])
(2019/C 44/62)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Wagon Automotive Nagold GmbH (Nagold, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Hackemann en H. Horstkotte, vervolgens T. Hackemann en F. von Bredow, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Lyal, T. Maxian Rusche en M. Adam, vervolgens R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze, K. Petersen en R. Kanitz, vervolgens T. Henze, R. Kanitz en K. Stranz, en tenslotte T. Henze, R. Kanitz en S. Eisenberg, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) „KStG, Sanierungsklausel” (PB 2011, L 235, blz. 26)
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Wagon Automotive Nagold GmbH. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/50 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — Treofan Holdings en Treofan Germany / Commissie
(Zaak T-612/11) (1)
([„Staatssteun - Duitse wettelijke belastingregeling betreffende de overdracht van verliezen naar toekomstige belastingjaren (Sanierungsklausel) - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Nietigverklaring van het bestreden besluit door het Hof - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”])
(2019/C 44/63)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Treofan Holdings GmbH (Raunheim, Duitsland), Treofan Germany GmbH & Co. KG (Neunkirchen, Duitsland) (vertegenwoordiger: J de Weerth, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Lyal, T. Maxian Rusche en M. Adam, vervolgens R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze, K. Petersen en R. Kanitz, vervolgens T. Henze, R. Kanitz en K. Stranz, en tenslotte T. Henze, R. Kanitz en S. Eisenberg, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) „KStG, Sanierungsklausel” (PB 2011, L 235, blz. 26)
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Treofan Holdings GmbH en Treofan Germany GmbH & Co. KG. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/50 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — VMS Deutschland / Commissie
(Zaak T-613/11) (1)
([„Staatssteun - Duitse wettelijke belastingregeling betreffende de overdracht van verliezen naar toekomstige belastingjaren (Sanierungsklausel) - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Nietigverklaring van het bestreden besluit door het Hof - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”])
(2019/C 44/64)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: VMS Deutschland Holdings GmbH (Darmstadt, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Pohl, G. Burwitz, M. Maier en P. Werner, vervolgens D. Pohl en G. Burwitz, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Lyal, T. Maxian Rusche en M. Adam, vervolgens R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze, K. Petersen en R. Kanitz, vervolgens T. Henze, R. Kanitz en K. Stranz, en ten slotte T. Henze, R. Kanitz en S. Eisenberg, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) „KStG, Sanierungsklausel” (PB 2011, L 235, blz. 26)
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van VMS Deutschland Holdings GmbH. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/51 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — CB / Commissie
(Zaak T-619/11) (1)
([„Staatssteun - Duitse wettelijke belastingregeling betreffende de overdracht van verliezen naar toekomstige belastingjaren (Sanierungsklausel) - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Nietigverklaring van het bestreden besluit door het Hof - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”])
(2019/C 44/65)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: CB (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Hackemann en H. Horstkotte, vervolgens T. Hackemann en F. von Bredow, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Lyal, T. Maxian Rusche, M. Adam en M. Noll-Ehlers, vervolgens R. Lyal, T. Maxian Rusche en M. Noll-Ehlers, en ten slotte R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze, K. Petersen en R. Kanitz, vervolgens T. Henze, R. Kanitz en K. Stranz, en ten slotte T. Henze, R. Kanitz en S. Eisenberg, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) „KStG, Sanierungsklausel” (PB 2011, L 235, blz. 26)
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van CB. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/52 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — SiNN / Commissie
(Zaak T-621/11) (1)
([„Staatssteun - Duitse wettelijke belastingregeling betreffende de overdracht van verliezen naar toekomstige belastingjaren (Sanierungsklausel) - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Nietigverklaring van het bestreden besluit door het Hof - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”])
(2019/C 44/66)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: SiNN GmbH, voorheen SinnLeffers GmbH (Hagen, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Rupp en H. Wunderlich, vervolgens H. Wunderlich en T. Engelmann, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Lyal, T. Maxian Rusche en M. Adam, vervolgens R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze, K. Petersen en R. Kanitz, vervolgens T. Henze, R. Kanitz en K. Stranz, en ten slotte T. Henze, R. Kanitz en S. Eisenberg, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) „KStG, Sanierungsklausel” (PB 2011, L 235, blz. 26)
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van SiNN GmbH. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/53 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — Sky Deutschland en Sky Deutschland Fernsehen / Commissie
(Zaak T-626/11) (1)
((„Staatssteun - Duitse wettelijke belastingregeling betreffende de overdracht van verliezen naar toekomstige belastingjaren (Sanierungsklausel) - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Nietigverklaring van het bestreden besluit door het Hof - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”))
(2019/C 44/67)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Sky Deutschland GmbH, voorheen Sky Deutschland AG, (Unterföhring, Duitsland), Sky Deutschland Fernsehen GmbH & Co. KG (Unterföhring) (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Cordewener, F. Kutt en C. Jehke, vervolgens F. Kutt en C. Jehke, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Lyal, T. Maxian Rusche, M. Adam en M. Noll-Ehlers, vervolgens R. Lyal, T. Maxian Rusche en M. Noll-Ehlers, en tenslotte R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partijen: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze, K. Petersen en R. Kanitz, vervolgens T. Henze, R. Kanitz en K. Stranz, en tenslotte T. Henze, R. Kanitz en S. Eisenberg, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) „KStG, Sanierungsklausel” (PB 2011, L 235, blz. 26)
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Sky Deutschland GmbH Sky Deutschland Fernsehen GmbH & Co. KG. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/53 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — ATMvision / Commissie
(Zaak T-627/11) (1)
((„Staatssteun - Duitse wettelijke belastingregeling betreffende de overdracht van verliezen naar toekomstige belastingjaren (Sanierungsklausel) - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Nietigverklaring van het bestreden besluit door het Hof - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”))
(2019/C 44/68)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: ATMvision AG (Salem, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Cordewener, F. Kutt en C. Jehke, vervolgens F Kutt en C. Jehke, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Lyal, T. Maxian Rusche, M. Adam en M. Noll-Ehlers, vervolgens R. Lyal, T. Maxian Rusche en M. Noll-Ehlers, en tenslotte R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze, K. Petersen en R. Kanitz, vervolgens T. Henze, R. Kanitz en K. Stranz, en tenslotte T. Henze, R. Kanitz en S. Eisenberg, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) „KStG, Sanierungsklausel” (PB 2011, L 235, blz. 26)
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van ATMvision AG. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/54 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — Biogas Nord / Commissie
(Zaak T-628/11) (1)
((„Staatssteun - Duitse wettelijke belastingregeling betreffende de overdracht van verliezen naar toekomstige belastingjaren (Sanierungsklausel) - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Nietigverklaring van het bestreden besluit door het Hof - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”))
(2019/C 44/69)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Biogas Nord AG (Bielefeld, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Birkemeyer, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Lyal, T. Maxian Rusche en M. Adam, vervolgens R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze, K. Petersen en R. Kanitz, vervolgens T. Henze, R. Kanitz en K. Stranz, en tenslotte T. Henze, R. Kanitz en S. Eisenberg, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) „KStG, Sanierungsklausel” (PB 2011, L 235, blz. 26)
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Biogas Nord AG. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/55 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — Biogas Nord Anlagenbau / Commissie
(Zaak T-629/11) (1)
([„Staatssteun - Duitse wettelijke belastingregeling betreffende de overdracht van verliezen naar toekomstige belastingjaren (Sanierungsklausel) - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard - Nietigverklaring van het bestreden besluit door het Hof - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”])
(2019/C 44/70)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Biogas Nord Anlagenbau GmbH (Bielefeld, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Birkemeyer, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Lyal, T. Maxian Rusche en M. Adam, vervolgens R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze, K. Petersen en R. Kanitz, vervolgens T. Henze, R. Kanitz en K. Stranz, en tenslotte T. Henze, R. Kanitz en S. Eisenberg, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) „KStG, Sanierungsklausel” (PB 2011, L 235, blz. 26)
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Biogas Nord Anlagenbau GmbH. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/56 |
Beschikking van het Gerecht van 16 november 2018 — OT/Commissie
(Zaak T-552/16) (1)
((„Openbare dienst - Tijdelijk functionarissen - Sollicitatie naar de post van directeur van het EWDD - Afwijzing van de sollicitatie - Advies van het CCN - Niet voor beroep vatbare handeling - Kennelijke niet-ontvankelijkheid”))
(2019/C 44/71)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: OT (vertegenwoordiger: D. Sobor, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Simonetti en G. Gattinara, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, enerzijds strekkende tot nietigverklaring van „het besluit van de [Commissie] van 26 september 2014 tot afwijzing van [haar] sollicitatie naar de post van directeur van het Europees waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving” (EWDD), en anderzijds tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekster zou hebben geleden
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
OT wordt verwezen in de kosten. |
(1) PB C 383 van 17.10.2016 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-75/15, en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/56 |
Beschikking van het Gerecht van 16 november 2018 — OT / Commissie
(Zaak T-576/16) (1)
((„Openbare dienst - Tijdelijk functionarissen - Sollicitatie naar de post van directeur van het EWDD - Afwijzing van de sollicitatie - Litispendentie - Afwijzing van een verzoek om bijstand - Ontbreken van procesbelang - Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond”))
(2019/C 44/72)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: OT (vertegenwoordiger: D. Sobor, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Simonetti en G. Gattinara, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, enerzijds strekkende tot nietigverklaring van ten eerste het „besluit van de [Commissie] van 26 september 2014 tot afwijzing van [haar] sollicitatie […] naar de post van directeur van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving” (EWDD), ten tweede het besluit van 9 april 2015 waarbij de Commissie haar klacht tegen dat besluit en het verzoek om bijstand heeft afgewezen, en ten derde het besluit van 22 oktober 2015 waarbij de Commissie haar klacht tegen de afwijzing van het verzoek om bijstand heeft afgewezen, en anderzijds tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekster zou hebben geleden
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
OT wordt verwezen in de kosten. |
(1) PB C 383 van 17.10.2016 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-4/16, en op 1 september 2016 overgedragen aan het Gerecht van de Europese Unie).
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/57 |
Beschikking van het Gerecht van 19 november 2018 — Credito Fondiario / GAR
(Zaak T-661/16) (1)
([„Beroep tot nietigverklaring - Economische en monetaire unie - Bankenunie - Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) - Gemeenschappelijk afwikkelingfonds (GAF) - Vaststelling van de vooraf te betalen bijdrage voor 2016 - Beroepstermijn - Termijnoverschrijding - Exceptie van onwettigheid - Kennelijke niet-ontvankelijkheid”])
(2019/C 44/73)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Credito Fondiario SpA (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: F. Sciaudone, S. Frazzani, A. Neri en F. Iacovone, advocaten)
Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (vertegenwoordigers: B. Meyring, A. Villani en M. Caccialanza, advocaten)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij Italiaanse Republiek (vertegenwoordiger: G. Palmieri, gemachtigde)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: V. Di Bucci, A. Steiblytė en K.-Ph. Wojcik, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de GAR in zijn bestuursvergadering van 15 april 2016 betreffende de vooraf te betalen bijdragen voor 2016 voor het Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds (SRB/ES/SRF/2016/06) en van het besluit van de GAR in zijn bestuursvergadering van 20 mei 2016 betreffende de aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen voor 2016 voor het Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds, ter aanvulling van het besluit van de GAR van 15 april 2016 (SRB/ES/SRF/2016/13), voor zover zij verzoekster betreffen, en verzoek krachtens artikel 277 VWEU.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Credito Fondiario SpA wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR). |
|
3) |
De Europese Commissie en de Italiaanse republiek dragen elk hun eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/58 |
Beschikking van het Gerecht van 19 november 2018 — Landesbank Baden-Württemberg / GAR
(Zaak T-14/17) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Economische en monetaire Unie - Bankenunie - Gemeenschappelijk mechanisme voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) - Gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) - Vaststelling van de in 2016 vooraf te betalen bijdrage - Beroepstermijn - Overschrijding - Kennelijke niet-ontvankelijkheid”))
(2019/C 44/74)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Landesbank Baden-Württemberg (Stuttgart, Duitsland) (vertegenwoordigers: H. Berger en K. Rübsamen, advocaten)
Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) (vertegenwoordigers: A. Martin-Ehlers, S. Raes, A. Kopp en T. Van Dyck, advocaten)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Steiblytė en K.-Ph. Wojcik, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van de bestuursvergadering van de GAR van 15 april 2016 betreffende de in 2016 vooraf te betalen bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (SRB/ES/SRF/2016/06) en het besluit van de bestuursvergadering van de GAR van 20 mei 2016 betreffende de aanpassing van de in 2016 vooraf te betalen bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, dat is vastgesteld ter aanvulling van het besluit van 15 april 2016 (SRB/ES/SRF/2016/13), voor zover zij verzoekster betreffen
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Landesbank Baden-Württemberg wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR). |
|
3) |
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/58 |
Beschikking van het Gerecht van 19 november 2018 — VR-Bank Rhein-Sieg / GAR
(Zaak T-42/17) (1)
([„Beroep tot nietigverklaring - Economische en monetaire unie - Bankenunie - Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) - Gemeenschappelijk afwikkelingfonds (GAF) - Vaststelling van de vooraf te betalen bijdrage voor 2016 - Beroepstermijn - Termijnoverschrijding - Kennelijke niet-ontvankelijkheid”])
(2019/C 44/75)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: VR-Bank Rhein-Sieg eG (Siegburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: H. Berger en K. Rübsamen, advocaten)
Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (vertegenwoordigers: A. Martin-Ehlers, S. Raes, A. Kopp en T. Van Dyck, advocaten)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Steiblytė en M. K.-Ph. Wojcik, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de GAR in zijn bestuursvergadering van 15 april 2016 betreffende de vooraf te betalen bijdragen voor 2016 voor het Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds (SRB/ES/SRF/2016/06) en van het besluit van de GAR in zijn bestuursvergadering van 20 mei 2016 betreffende de aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen voor 2016 voor het Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds, ter aanvulling van het besluit van de GAR van 15 april 2016 (SRB/ES/SRF/2016/13), voor zover zij verzoekster betreffen.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
VR-Bank Rhein-Sieg eG wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR). |
|
3) |
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/59 |
Beschikking van het Gerecht van 25 oktober 2018 — UI / Raad
(Zaak T-282/17) (1)
((„Openbare dienst - Ambtenaar - Beroep wegens niet-nakoming - Ontbreken van een besluit na het rapport over de proeftijd - Artikel 34 van het Statuut - Ontslagbesluit - Afdoening zonder beslissing”))
(2019/C 44/76)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: UI (vertegenwoordiger: J. Diaz Cordova, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: R. Meyer en M. Bauer, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot vaststelling dat de Raad ten onrechte heeft nagelaten om binnen de in het Statuut voorziene termijn een besluit te nemen over de vaste aanstelling van verzoeker
Dictum
|
1) |
Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan over het beroep. |
|
2) |
Elke partij zal haar eigen kosten dragen. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/60 |
Beschikking van het Gerecht van 23 oktober 2018 — Fakro/Commissie
(Zaak T-293/17) (1)
((„Mededinging - Misbruik van een machtspositie op de markt voor dakramen - Beroep wegens nalaten - Besluit tot afwijzing waarbij het nalaten werd beëindigd - Afdoening zonder beslissing”))
(2019/C 44/77)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Fakro sp. z. o.o. (Nowy Sącz, Polen) (vertegenwoordiger: A. Radkowiak-Macuda, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: I.V. Rogalski en J. Szczodrowski, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Republiek Polen (vertegenwoordiger: B. Majczyna, gemachtigde)
Voorwerp
Verzoek tot vaststelling dat de Commissie onrechtmatig heeft nagelaten een standpunt in te nemen over de door verzoekster op 12 juli 2012 ingediende klacht betreffende misbruik van machtspositie op de markt van dakramen.
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
FAKRO sp. z. o. o. draagt haar eigen kosten, alsmede de kosten van de Europese Commissie. |
|
3) |
De Republiek polen draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/60 |
Beschikking van het Gerecht van 22 november 2018 — Daico International / EUIPO — American Franchise Marketing (RoB)
(Zaak T-355/17) (1)
([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Beeldmerk „RoB” - Nietigverklaring - Artikel 60, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 68, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001] - Artikel 75 van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 94 van verordening 2017/1001) - Regel 49, lid 3, van verordening (EG) nr. 2868/95 [thans artikel 23, lid 3, van verordening (EU) 2018/625] - Regel 62, lid 3, van verordening nr. 2868/95 (thans artikel 58, lid 3, van verordening 2018/625) - Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is”])
(2019/C 44/78)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Daico International BV (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordiger: M. Kassner, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: A. Söder, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: American Franchise Marketing Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 9 maart 2017 (zaak R 1405/2016-2) inzake een nietigheidsprocedure tussen American Franchise Marketing en Daico International
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Daico International BV wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/61 |
Beschikking van het Gerecht van 22 november 2018 — Daico International / EUIPO — American Franchise Marketing (RoB)
(Zaak T-356/17) (1)
([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Woordmerk „RoB” - Nietigverklaring - Artikel 75 van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 94 van verordening (EU) 2017/1001] - Regel 62, lid 3, van verordening (EG) nr. 2868/95 [thans artikel 58, lid 3, van verordening (EU) 2018/625] - Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is”])
(2019/C 44/79)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Daico International BV (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordiger: M. Kassner, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: A. Söder, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: American Franchise Marketing Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 21 maart 2017 (zaak R 1407/2016-2) inzake een nietigheidsprocedure tussen American Franchise Marketing en Daico International
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Daico International BV wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/62 |
Beschikking van het Gerecht van 19 november 2018 — Iccrea Banca / Commissie en GAR
(Zaak T-494/17) (1)
([„Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding - Economische en monetaire unie - Bankenunie - Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) - Gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) - Vaststelling van de vooraf te betalen bijdrage voor 2016 - Onjuiste aanduiding van de verwerende partij - Beroepstermijn - Tardiviteit - Hypothetische handelingen - Verzoek tot schadevergoeding - Nauwe band met het verzoek tot nietigverklaring - Exceptie van onwettigheid - Kennelijke niet-ontvankelijkheid”])
(2019/C 44/80)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Iccrea Banca SpA Istituto Centrale del Credito Cooperativo (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: P. Messina, F. Isgrò en A. Dentoni Litta, advocaten)
Verwerende partijen: Europese Commissie (vertegenwoordigers: V. Di Bucci, A. Steiblytė en K.-Ph. Wojcik, gemachtigden), Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) (vertegenwoordigers: G. Rumi, S. Raes, M. Merola en T. Van Dyck, advocaten)
Voorwerp
Primair, ten eerste een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van de bestuursvergadering van de GAR van 15 april 2016 betreffende de vooraf aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te betalen bijdragen voor 2016 (SRB/ES/SRF/2016/06) en van alle andere besluiten van de GAR op basis waarvan de Banca d’Italia (Italiaanse centrale bank) de nationale besluiten nr. 1249264/15 van 24 november 2015, nr. 1262091/15 van 26 november 2015, nr. 1547337/16 van 29 december 2016, nr. 333162/17 van 14 maart 2017 en nr. 334520/17 van 14 maart 2017 zou hebben vastgesteld, voor zover deze betrekking hebben op verzoekster, en ten tweede een verzoek krachtens artikel 268 VWEU tot schadevergoeding. Subsidiair, een verzoek krachtens artikel 277 VWEU.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Iccrea Banca SpA Istituto Centrale del Credito Cooperativo wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in de kosten van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) en van de Europese Commissie. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/62 |
Beschikking van het Gerecht van 6 november 2018 — Fortischem / Parlement en Raad
(Zaak T-560/17) (1)
([„Beroep tot nietigverklaring - Milieu - Verordening (EU) 2017/852 - Bescherming van de volksgezondheid en het milieu - Verbod op de productie van chloor en natrium met gebruikmaking van kwik als electrode - Artikel 263, vierde alinea, VWEU - Niet individueel geraakt - Niet-ontvankelijkheid”])
(2019/C 44/81)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Fortischem a.s. (Nováky, Slowakije) (vertegenwoordigers: C. Arhold, P. Hodál en M. Staroň, advocaten)
Verwerende partijen: Europees Parlement (vertegenwoordigers: I. McDowell, L. Darie en A. Tamás, gemachtigden), Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Moore en J. Kneale, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van bijlage III, deel I, onder d), van verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1102/2008 (PB 2017, L 137, p. 1).
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan over de verzoeken tot interventie van de Europese Commissie en het Koninkrijk Zweden. |
|
3) |
Fortischem a.s. zal haar eigen kosten dragen alsmede die van de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement, met uitzondering van de kosten die verband houden met de verzoeken tot interventie. |
|
4) |
Fortischem, de Raad, het Parlement, de Commissie en het Koninkrijk Zweden dragen elk hun eigen kosten in verband met de verzoeken tot interventie. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/63 |
Beschikking van het Gerecht van 12 november 2018 — Stichting Against Child Trafficking / Commissie
(Zaak T-658/17) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring en beroep wegens nalaten - Rechtspersoon die OLAF informatie verschaft over eventueel laakbare gedragingen - Weigering van OLAF om een onderzoek te openen - Handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld - Niet-ontvankelijkheid - Kosten - Billijkheid - Artikel 135, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering”))
(2019/C 44/82)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Stichting Against Child Trafficking (Nijmegen, Nederland) (vertegenwoordiger: E. Agstner, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz en C. Tritz, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens de artikelen 263 en 265 VWEU om het besluit van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) van 3 augustus 2017 om geen administratief onderzoek te openen in zaak OC/2017/0451, nietig te verklaren en OLAF te gelasten een administratief onderzoek te openen en naargelang van zijn bevindingen de zaak aan de nationale gerechtelijke autoriteiten over te dragen met het oog op de inleiding van een strafrechtelijke procedure en/of deze zaak aan de Europese instellingen over te dragen met het oog op de inleiding van een administratieve procedure
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Stichting Against Child Trafficking wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/64 |
Beschikking van het Gerecht van 14 november 2018 — Spinoit / Commissie e.a.
(Zaak T-711/17) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding - Handeling van het hoofd van de EU-delegatie in Algerije in het kader van een openbare aanbesteding van diensten - Besluit om te verzoeken om vervanging van verzoeker als deskundige - Beëindiging van het contract tussen de vennootschap die de opdracht uitvoert en verzoeker als gevolg van dit besluit - Geen hoedanigheid van verwerende partij - Handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld - Geen voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent - Oorzakelijk verband - Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk rechtens ongegrond”))
(2019/C 44/83)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Bernard Spinoit (Charleroi, België) (vertegenwoordiger: H. Hansen, advocaat)
Verwerende partijen: Europese Commissie (vertegenwoordiger: A. Aresu, gemachtigde), Europese Dienst voor extern optreden (vertegenwoordigers: S. Marquardt en R. Spac, gemachtigden) en de EU-delegatie in Algerije
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de brief van 3 augustus 2017 waarbij wordt verzocht om vervanging van verzoeker als deskundige in het kader van een contract inzake dienstverlening en verzoek krachtens artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die verzoeker stelt door dit besluit te hebben geleden
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Bernard Spinoit wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/65 |
Beschikking van het Gerecht van 6 november 2018 — Chioreanu / Ercea
(Zaak T-717/17) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Ercea - Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie „Horizon 2020” - Besluit waarbij het verzoek om toetsing van de evaluatie van het voorstel voor onderzoek wordt afgewezen - Administratief beroep bij de Commissie - Verwerping van het administratieve beroep - Onjuiste aanduiding van de verwerende partij - Verzoek om een bevel - Kennelijke niet-ontvankelijkheid”))
(2019/C 44/84)
Procestaal: Roemeens
Partijen
Verzoekende partij: Nicolae Chioreanu (Oradea, Roemenië) (vertegenwoordiger: D.-C. Rusu, advocaat)
Verwerende partij: Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (Ercea) (vertegenwoordigers: F. Sgritta en M. E. Chacón Mohedano, gemachtigden)
Voorwerp
Ten eerste een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van Ercea van 23 maart 2017 waarbij het verzoek om toetsing van de evaluatie van voorstel voor onderzoek nr. 741797-NIP, ERC-2016-ADG „New and Innovative Powertrain — NIP” wordt afgewezen, alsook van besluit C(2017) 5190 final van de Commissie van 27 juli 2017, waarbij het administratieve beroep wordt verworpen dat verzoeker heeft ingesteld op grond van artikel 22, lid 1, van verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (PB 2003, L 11, blz. 1), en ten tweede een verzoek dat ertoe strekt dat het Gerecht Ercea gelast de evaluatie van het bovengenoemde voorstel voor onderzoek te toetsen.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Nicolae Chioreanu wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/65 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 23 november 2018 — GMPO / Commissie
(Zaak T-733/17 R)
([„Kort geding - Geneesmiddelen voor menselijk gebruik - Werkzame stof triëntine- tetrahydrochloride - Besluit van de Commissie om het geneesmiddel Cuprior-trientine niet als een weesgeneesmiddel te kwalificeren - Verordening (EG) nr. 141/2000 - Verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging - Geen spoedeisendheid”])
(2019/C 44/85)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: GMP-Orphan (GMPO) (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: M. Demetriou, QC, E. Mackenzie, barrister, L. Tsang en J. Mulryne, solicitors)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: K. Petersen en A. Sipos, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU tot opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 5 van uitvoeringsbesluit C(2017) 6102 final van de Commissie van 5 september 2017 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel voor menselijk gebruik „Cuprior-trientine” op basis van verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB 2004, L 136, blz. 1)
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/66 |
Beschikking van het Gerecht van 27 november 2018 — CMS Hasche Sigle / EUIPO (WORLD LAW GROUP)
(Zaak T-756/17) (1)
([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk „WORLD LAW GROUP” - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] - Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is”])
(2019/C 44/86)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: CMS Hasche Sigle Partnerschaft von Rechtsanwälten und Steuerberatern mbH (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordiger: P.-C. Thielen, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Bonne, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 29 augustus 2017 (zaak R 329/2017-5) inzake een aanvraag tot inschrijving als Uniemerk van het woordteken „WORLD LAW GROUP”
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
CMS Hasche Sigle Partnerschaft von Rechtsanwälten und Steuerberatern mbH wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/67 |
Beschikking van het Gerecht van 14 november 2018 — Bruel/Commissie e.a.
(Zaak T-793/17) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding - Handeling die het afdelingshoofd van de delegatie van de Unie in Algerije heeft vastgesteld in het kader van een openbare aanbesteding voor diensten - Besluit tot vervanging van verzoeker als deskundige - Op dit besluit volgende beëindiging van de overeenkomst tussen de vennootschap waaraan de opdracht werd toegewezen en verzoeker - Geen hoedanigheid van verwerende partij - Niet voor beroep vatbare handeling - Geen voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die rechten toekent aan particulieren - Causaal verband - Beroep dat gedeeltelijk kennelijk niet ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk rechtens ongegrond is”))
(2019/C 44/87)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Damien Bruel (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: H. Hansen, advocaat)
Verwerende partijen: Europese Commissie (vertegenwoordiger: A. Aresu, gemachtigde), Europese Dienst voor extern optreden (vertegenwoordigers: S. Marquardt en R. Spac, gemachtigden), Delegatie van de Europese Unie in Algerije
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de brief van 25 september 2017 tot vervanging van verzoeker als deskundige in het kader van een overeenkomst voor diensten tussen de vennootschap waaraan de opdracht werd toegewezen en verzoeker, alsook verzoek krachtens artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die verzoeker als gevolg van dit besluit zou hebben geleden.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Damien Bruel wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/67 |
Beschikking van het Gerecht van 15 november 2018 — Intercontact Budapest/Vertaalbureau
(Zaak T-809/17) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Overheidsopdrachten voor diensten - Aanbestedingsprocedure - Rangschikking van een inschrijver in de cascadeprocedure - Beroepstermijn - Te laat ingesteld beroep - Niet-ontvankelijkheid”))
(2019/C 44/88)
Procestaal: Hongaars
Partijen
Verzoekende partij: Intercontact Budapest Fordító és Pénzügyi Tanácsadó Kft. (Intercontact Budapest Kft.) (Budapest, Hongarije) (vertegenwoordiger: É. Subasicz, advocaat)
Verwerende partij: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Garnier en G. Bukodi, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van de door het Vertaalbureau op 10 juli 2017 genomen besluiten waarbij verzoekster respectievelijk als tweede en als derde werd geplaatst in de rangschikking van inschrijvers die na afloop van openbare aanbestedingsprocedures FL/GEN 16-01 en FL/GEN 16-02 zijn geselecteerd voor het afsluiten van meerdere raamovereenkomsten.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Elke partij zal haar eigen kosten dragen. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/68 |
Beschikking van het Gerecht van 3 december 2018 — Classic Media / EUIPO — Pirelli Tyre (CLASSIC DRIVER)
(Zaak T-811/17) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie - Woordmerk „CLASSIC DRIVER” - Ouder Uniewoordmerk „DRIVER” - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001] - Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is”])
(2019/C 44/89)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Classic Media AG (Zug, Zwitserland) (vertegenwoordiger: A. Masberg, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Fischer en D. Walicka, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Pirelli Tyre SpA (Milaan, Italië) (vertegenwoordigers: T. M. Müller en F. Togo, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 3 oktober 2017 (zaak R 59/2017-4) inzake een oppositieprocedure tussen Pirelli Tyre en Classic Media
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Classic Media AG wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/69 |
Beschikking van het Gerecht van 15 november 2018 — Novenco Building & Industry / EUIPO — Novenco Ventilator (Beijing) (NOVENCO)
(Zaak T-45/18) (1)
((„Uniemerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie - Beeldmerk „NOVENCO” - Ouder Uniewoordmerk „Novenco” - Doorhaling van de internationale inschrijving - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”))
(2019/C 44/90)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Novenco Building & Industry A/S (Næstved, Denemarken) (vertegenwoordiger: A. Rasmussen, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: E. Śliwińska en A. Folliard-Monguiral, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: Novenco Ventilator (Beijing) Co. Ltd (Beijing, China) (vertegenwoordigers: T. de Haan en P. Péters, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 7 november 2017 (zaak R 2354/2016-2) inzake een oppositieprocedure tussen Novenco Building & Industry en Novenco Ventilator (Beijing) alsmede incidenteel beroep tegen diezelfde beslissing
Dictum
|
1) |
Er hoeft niet meer op het principaal beroep en het incidenteel beroep te worden beslist. |
|
2) |
Elke partij draagt haar eigen kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/69 |
Beschikking van het Gerecht van 21 november 2018 — Husky CZ / EUIPO — Husky of Tostock (HUSKY)
(Zaak T-82/18) (1)
((„Uniemerk - Aanvraag voor Uniebeeldmerk „HUSKY” - Ouder Uniewoordmerk en Uniebeeldmerk „HUSKY” - Relatieve weigeringsgrond - Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is”))
(2019/C 44/91)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Husky CZ s.r.o. (Praag, Tsjechië) (vertegenwoordiger: L. Lorenc, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: D. Gája en D. Walicka, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Husky of Tostock Ltd (Woodbridge, Verenigd Koninkrijk)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 18 januari 2018 (zaak R 812/2017-1) inzake een oppositieprocedure tussen Husky of Tostock en Husky CZ
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Husky CZ s.r.o. wordt verwezen in de kosten. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/70 |
Beschikking van het Gerecht van 30 november 2018 — Front Polisario/Raad
(Zaak T-275/18) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Euromediterrane luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Marokko, anderzijds - Handeling waarbij deze overeenkomst wordt gesloten - Niet-toepasselijkheid van deze overeenkomst op het grondgebied van de Westelijke Sahara - Geen procesbevoegdheid - Niet-ontvankelijkheid”))
(2019/C 44/92)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Front populaire pour la libération de la Saguia el-Hamra et du Rio de oro (Front Polisario) (vertegenwoordiger: G. Devers, avocat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. de Elera-San Miguel Hurtado en R. Liudvinaviciute-Cordeiro, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit (EU) 2018/146 van de Raad van 22 januari 2018 betreffende de sluiting, namens de Unie, van de Euromediterrane luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB 2018, L 26, blz. 4)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Op de verzoeken om toelating tot interventie van het Koninkrijk Spanje, de Republiek Frankrijk en de Europese Commissie hoeft geen uitspraak te worden gedaan. |
|
3) |
Het Front populaire pour la libération de la Saguia-el-Hamra et du Rio de Oro (Front Polisario) draagt zijn eigen kosten alsook die van de Raad van de Europese Unie. |
|
4) |
Het Front Polisario, de Raad, de Commissie, het Koninkrijk Spanje en de Republiek Frankrijk dragen elk hun eigen kosten die verband houden met de verzoeken om toelating tot interventie. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/71 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 28 november 2018 — Klyuyev / Raad
(Zaak T-305/18 R)
((„Kort geding - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne - Bevriezing van tegoeden - Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging - Fumus boni juris - Geen spoedeisendheid”))
(2019/C 44/93)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Andriy Klyuyev (Donetsk, Oekraïne) (vertegenwoordigers: B. Kennelly, QC, J. Pobjoy, barrister, R. Gherson en T. Garner, solicitors)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: P. Mahnič en A. Vitro, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU om opschorting van de tenuitvoerlegging van besluit (GBVB) 2018/333 van de Raad van 5 maart 2018 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2018, L 63, blz. 48) en van uitvoeringsverordening (EU) 2018/326 van de Raad van 5 maart 2018 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2018, L 63, blz. 5), voor zover deze verzoeker betreffen.
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/71 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 25 oktober 2018 — Laboratoire Pareva / Commissie
(Zaak T-337/18 R II)
([„Kort geding - Verordening (EU) nr. 528/2012 - Biociden - Werkzame stof PHMB (1415; 4.7) - Weigering van de goedkeuring - Verzoek om voorlopige maatregelen - Nieuw verzoek - Geen nieuwe feiten - Niet-ontvankelijkheid”])
(2019/C 44/94)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Laboratoire Pareva (Saint-Martin-de-Crau, Frankrijk) (vertegenwoordigers: K. Van Maldegem en S. Englebert, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lindenthal en K. Mifsud-Bonnici, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU tot opschorting van de tenuitvoerlegging van uitvoeringsbesluit (EU) 2018/619 van de Commissie van 20 april 2018 tot niet-goedkeuring van PHMB (1415; 4.7) als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden van de productsoorten 1, 5 en 6 (PB 2018, L 102, blz. 21), en tot vaststelling van elke andere passende voorlopige maatregel
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/72 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 25 oktober 2018 — Laboratoire Pareva/Commissie
(Zaak T-347/18 RII)
([„Kort geding - Verordening (EU) nr. 528/2012 - Biociden - Werkzame stof PHMB (1415; 4.7) - Weigering van de goedkeuring - Verzoek om voorlopige maatregelen - Nieuw verzoek - Geen nieuwe feiten - Niet-ontvankelijkheid”])
(2019/C 44/95)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Laboratoire Pareva (Saint Martin de Crau, Frankrijk) (vertegenwoordigers: K. Van Maldegem en S. Englebert, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lindenthal en K. Mifsud-Bonnici, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU strekkende tot, ten eerste, opschorting van de tenuitvoerlegging van uitvoeringsverordening (EU) 2018/613 van de Commissie van 20 april 2018 tot goedkeuring van PHMB (1415; 4.7) als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden van de productsoorten 2 en 4 (PB 2018, L 102, blz. 1), en, ten tweede, vaststelling van iedere andere passende voorlopige maatregel
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/73 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 25 oktober 2018 — Crédit agricole en Crédit agricole Corporate and Investment Bank / Commissie
(Zaak T-419/18 R)
([„Kort geding - Mededinging - Euro Interbank Offered Rates (Euribor) - Euro Interest Rate Derivatives (EIRD) - Afwijzing van het verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde informatie die is vervat in een besluit waarbij schending van artikel 101 VWEU wordt vastgesteld - Beginsel van het vermoeden van onschuld - Verzoek om voorlopige maatregelen - Geen fumus boni iuris”])
(2019/C 44/96)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Crédit agricole (Montrouge, Frankrijk), Crédit agricole Corporate and Investment Bank (Montrouge) (vertegenwoordigers: J.-P. Tran Thiet, J. Jourdan, J.-J. Lemonnier, advocaten, en M. Powell, solicitor)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Mongin, M. Farley en F. van Schaik, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU, dat ten eerste ertoe strekt om over te gaan tot opschorting van de tenuitvoerlegging van besluit C(2018) 2743 final van de Commissie van 27 april 2018, met betrekking tot bezwaren tegen het vrijgeven van informatie door bekendmaking ervan die door Crédit agricole en Crédit agricole Corporate and Investment Bank zijn opgeworpen op grond van artikel 8 van besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadsadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures [zaak AT.39914 — rentederivaten in euro (EIRD)], en dat ten tweede ertoe strekt om de Commissie te gelasten om af te zien van de bekendmaking van een versie van haar besluit C(2016) 8530 final van 7 december 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte [zaak AT.39914 — rentederivaten in euro (EIRD)], dat beweerdelijk vertrouwelijke informatie bevat.
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/73 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 25 oktober 2018 — JPMorgan Chase e.a./Commissie
(Zaak T-420/18 R)
([„Kort geding - Mededinging - Euro Interbank Offered Rates (Euribor) - Euro Interest Rate Derivatives (EIRD) - Afwijzing van het verzoek tot vertrouwelijke behandeling van een besluit waarbij schending van artikel 101 VWEU wordt vastgesteld - Beginsel van het vermoeden van onschuld - Verzoek om voorlopige maatregelen - Geen fumus boni iuris”])
(2019/C 44/97)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: JPMorgan Chase & Co (New York, New York, Verenigde Staten), JPMorgan Chase Bank, National Association (Columbus, Ohio, Verenigde Staten), J. P. Morgan Services LLP (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: M. Lester, QC, D. Piccinin, D. Heaton, advocaten, B. Tormey, N. French, N. Frey en D. Das, solicitors)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Farley, B. Mongin en F. van Schaik, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU, dat ten eerste ertoe strekt om over te gaan tot opschorting van de tenuitvoerlegging van besluit C(2018) 2745 final van de Commissie van 27 april 2018, met betrekking tot bezwaren tegen het vrijgeven van informatie door bekendmaking ervan die door JPMorgan Chase & Co., JPMorgan Chase Bank, National Association en J. P. Morgan Services zijn opgeworpen op grond van artikel 8 van besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadsadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures [zaak AT.39914 — rentederivaten in euro (EIRD)], en dat ten tweede ertoe strekt om de Commissie te gelasten om af te zien van de bekendmaking van besluit C(2016) 8530 final van de Commissie van 7 december 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte [zaak AT.39914 — rentederivaten in euro (EIRD)].
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beschikking van 11 juli 2018, JPMorgan Chase e.a./Commissie (T-420/18 R), wordt ingetrokken. |
|
3) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/74 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 25 oktober 2018 — Antonakopoulos / Parlement
(Zaak T-590/18 R)
((„Kort geding - Openbare dienst - Ambtenaren - Schorsing van een ambtenaar zonder inhouding van de bezoldiging - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Afbreuk aan de reputatie - Geen spoedeisendheid”))
(2019/C 44/98)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Leonidas Antonakopoulos (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: S. Pappas, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: J. Steele en V. Montebello-Demogeot, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 25 september 2018 om verzoeker voor onbepaalde tijd te schorsen zonder inhouding van de bezoldiging
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/75 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 25 oktober 2018 — ZD/Parlement
(Zaak T-591/18 R)
((„Kort geding - Openbare dienst - Ambtenaren - Schorsing van een ambtenaar zonder inhouding van de bezoldiging - Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging - Afbreuk aan de reputatie - Geen spoedeisendheid”))
(2019/C 44/99)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZD (vertegenwoordiger: S. Pappas, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: J. Steele en V. Montebello Demogeot, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 25 september 2018 om verzoekster voor bepaalde tijd te schorsen zonder inhouding van de bezoldiging
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/75 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 25 oktober 2018 — ZE / Parlement
(Zaak T-603/18 R)
((„Kort geding - Openbare dienst - Ambtenaren - Schorsing van een ambtenaar zonder inhouding van de bezoldiging - Verzoek om voorlopige maatregelen - Afbreuk aan de reputatie - Geen spoedeisendheid”))
(2019/C 44/100)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZE (vertegenwoordiger: P. Yatagantzidis, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: J. Steele en V. Montebello-Demogeot, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU, ten eerste strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 25 september 2018 waarbij verzoeker voor bepaalde tijd is geschorst zonder inhouding van de bezoldiging, en ten tweede tot verordening aan het Parlement om „eventuele lekken in de media” waarbij verzoekers naam wordt genoemd te vermijden en niet te herhalen alsmede om verzoeker uit te nodigen om alle persoonlijke informatiebestanden die de controleurs eventueel in zijn bureau hebben verzameld, af te halen
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/76 |
Beroep ingesteld op 26 november 2018 — Apera Capital Master / EUIPO — Altera Capital (APERA CAPITAL)
(Zaak T-699/18)
(2019/C 44/101)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Apera Capital Master Ltd. (St Peter Port, Guernsey) (vertegenwoordigers: C. Schröder en A. von Alten, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Altera Capital (Luxemburg, Luxemburg)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij in de procedure voor het Gerecht
Betrokken merk: aanvraag voor het Uniewoordmerk „APERA CAPITAL” — inschrijvingsaanvraag nr. 15 640 436
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 18 september 2018 in zaak R 1091/2018-5
Conclusies
|
— |
de bestreden beslissing vernietigen; |
|
— |
de zaak voor een nieuwe behandeling terugverwijzen naar het EUIPO; |
|
— |
het EUIPO verwijzen in de kosten. |
Middelen
|
— |
schending van artikel 104, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad; |
|
— |
schending van het recht van verzoekster op behoorlijk bestuur en een eerlijk proces. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/76 |
Beroep ingesteld op 28 november 2018 — ZPC Flis/EUIPO — Aldi Einkauf (FLIS Happy Moreno choco)
(Zaak T-708/18)
(2019/C 44/102)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: ZPC Flis sp.j. (Radziejowice, Polen) (vertegenwoordiger: M. Kondrat, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG (Essen, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekster voor het Gerecht
Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk FLIS Happy Moreno choco — inschrijvingsaanvraag nr. 15 030 786
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 13 september 2018 in zaak R 2113/2017-1
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing en terugverwijzing van de zaak naar het EUIPO voor een nieuwe beoordeling; of |
|
— |
wijziging van de bestreden beslissing door te oordelen dat er geen relatieve gronden zijn tot weigering van de inschrijving van het Uniemerk (nr. 015030786) „Flis Happy Moreno choco” voor alle waren en diensten van de klassen 30 en 35, en dat het merk zal worden ingeschreven; |
|
— |
verwijzing in de kosten in het voordeel van verzoekster. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
|
— |
Schending van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/77 |
Beroep ingesteld op 3 december 2018 — Umweltinstitut München / Commissie
(Zaak T-712/18)
(2019/C 44/103)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Umweltinstitut München eV (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: Rechtsanwältin M. John)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
Het afwijzende besluit van verweerster van 2 oktober 2018 [C(2018) 6539 final] nietig verklaren. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep wordt verzocht om nietigverklaring van het afwijzende besluit van de Commissie 2 oktober 2018 waarbij verzoekster definitief de toegang is geweigerd tot de documenten die verband houden met de eerste vergadering van het Gemengd Comité voor de CETA van 26 en 27 maart 2018.
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij het volgende middel aan:
schending van artikel 15, lid 3, VWEU in samenhang met artikel 2 van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (1), aangezien verweerster niet gerechtigd was om de toegang tot de gevraagde documenten krachtens artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 (gedeeltelijk) te weigeren.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/78 |
Beroep ingesteld op 3 december 2018 — Esim Chemicals/EUIPO — Sigma-Tau Industrie Farmaceutiche Riunite (ESIM Chemicals)
(Zaak T-713/18)
(2019/C 44/104)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Esim Chemicals GmbH (Linz, Oostenrijk) (vertegenwoordigers: I. Rungg en I. Innerhofer, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Sigma-Tau Industrie Farmaceutiche Riunite (Rome, Italië)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekster voor het Gerecht
Betrokken merk: aanvraag voor Uniewoordmerk „ESIM Chemicals” — inschrijvingsaanvraag nr. 14 465 331
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 2 oktober 2018 in zaak R 1267/2018-5
Conclusies
|
— |
de bestreden beslissing vernietigen; |
|
— |
de beroepsprocedure voortzetten en de in beroep R 1267/2018-5 aangevoerde argumenten volgen; |
|
— |
subsidiair, het verzoek tot heropening van de procedure van 29 oktober 2018 toewijzen, opdat de vijfde kamer van beroep ten gronde kan beslissen; |
|
— |
verweerder verwijzen in de kosten. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 68 van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/79 |
Beroep ingesteld op 5 december 2018 — The Logistical Approach / EUIPO — Idea Groupe (Idealogistic Compass Greatest care in getting it there)
(Zaak T-716/18)
(2019/C 44/105)
Taal van het verzoekschrift: Frans
Partijen
Verzoekende partij: The Logistical Approach BV (Uden, Nederland) (vertegenwoordigers: R. Milchior en S. Charbonnel, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Idea Groupe (Montoir de Bretagne, Frankrijk)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij in de procedure voor het Gerecht
Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk „Idealogistic Compass Greatest care in getting it there” voor de kleuren zwart, wit en blauw — inschrijvingsaanvraag nr. 14 567 201
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 21 september 2018 in zaak R 2062/2017-4
Conclusies
|
— |
de bestreden beslissing vernietigen; |
|
— |
het EUIPO verwijzen in de kosten; |
|
— |
de vennootschap Idea Groupe verwijzen in de kosten van haar interventie, ingeval zij besluit te interveniëren. |
Middel
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/79 |
Beroep ingesteld op 6 december 2018 — Telemark plus/EUIPO (Telemarkfest)
(Zaak T-719/18)
(2019/C 44/106)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Telemark plus eV (Altusried, Duitsland) (vertegenwoordiger: S. Schenk, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Betrokken merk: aanvraag voor Uniewoordmerk Telemarkfest — inschrijvingsaanvraag nr. 16 615 114
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 25 september 2018 in zaak R 346/2018-4
Conclusies
|
— |
wijziging van de bestreden beslissing, na schrapping van punt 3, als volgt:
|
|
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/80 |
Beroep ingesteld op 10 december 2018 — El Corte Inglés/EUIPO — Lloyd Shoes (LLOYD)
(Zaak T-729/18)
(2019/C 44/107)
Taal van het verzoekschrift: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: El Corte Inglés, S.A. (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: J. L. Rivas Zurdo, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Lloyd Shoes GmbH (Sulingen, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk LLOYD — inschrijvingsaanvraag nr. 10 367 721
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 13 december 2018 in de gevoegde zaken R 2385/2017-1 en R 2431/2017-1
Conclusies
|
— |
de bestreden beslissing vernietigen voor zover die beslissing, door het beroep van de opposant gedeeltelijk af te wijzen, de beslissing van de oppositieafdeling in oppositieprocedure B 1 959 470 deels bevestigt, waardoor Uniebeeldmerk nr. 10 367 721 LLOYD wordt verleend voor „groot- en detailhandel, waaronder via internet en teleshopping, op het gebied van kleding, schoeisel en hoofddeksels”; |
|
— |
de partij(en) die zich tegen dit beroep verzet(ten), verwijzen in de kosten. |
Aangevoerde middelen
Schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/81 |
Beschikking van het Gerecht van 8 november 2018 — Infratel Italia e.a. / Commissie
(Zaak T-636/15) (1)
(2019/C 44/108)
Procestaal: Italiaans
De president van de Zesde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/81 |
Beschikking van het Gerecht van 26 november 2018 — Danpower Baltic / Commissie
(Zaak T-295/17) (1)
(2019/C 44/109)
Procestaal: Engels
De president van de Zesde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/81 |
Beschikking van het Gerecht van 26 november 2018 — Tengelmann Warenhandelsgesellschaft/EUIPO — C & C IP (T)
(Zaak T-379/17) (1)
(2019/C 44/110)
Procestaal: Engels
De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/82 |
Beschikking van het Gerecht van 26 november 2018 — Tengelmann Warenhandelsgesellschaft/EUIPO — C & C IP (T)
(Zaak T-401/17) (1)
(2019/C 44/111)
Procestaal: Engels
De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/82 |
Beschikking van het Gerecht van 20 november 2018 — Evropaïki Dynamiki / Commissie
(Zaak T-730/17) (1)
(2019/C 44/112)
Procestaal: Engels
De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/82 |
Beschikking van het Gerecht van 15 november 2018 — Wirecard/EUIPO — AXA Banque (boon.)
(Zaak T-2/18) (1)
(2019/C 44/113)
Procestaal: Engels
De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/82 |
Beschikking van het Gerecht van 29 november 2018 — Aliança — Vinhos de Portugal/EUIPO — Lidl Stiftung (ALIANÇA VINHOS DE PORTUGAL)
(Zaak T-222/18) (1)
(2019/C 44/114)
Procestaal: Engels
De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/83 |
Beschikking van het Gerecht van 27 november 2018 — European Anglers Alliance / Raad
(Zaak T-252/18) (1)
(2019/C 44/115)
Procestaal: Frans
De president van de Eerste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/83 |
Beschikking van het Gerecht van 15 november 2018 — Labiri/EESC
(Zaak T-374/18) (1)
(2019/C 44/116)
Procestaal: Frans
De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.