ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 455

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

61e jaargang
17 december 2018


Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2018/C 455/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1

 

Hof van Justitie

2018/C 455/02

Eedaflegging door de nieuwe leden van het Hof

2

2018/C 455/03

Verkiezing van de president van het Hof

2

2018/C 455/04

Verkiezing van de vicepresident van het Hof

2

2018/C 455/05

Verkiezing van de presidenten van de kamers van vijf rechters

2

2018/C 455/06

Aanwijzing van de eerste advocaat-generaal

3

2018/C 455/07

Verkiezing van de presidenten van de kamers van drie rechters

3

2018/C 455/08

Aanwijzing van de kamers die belast zijn met de zaken als bedoeld in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof

3

2018/C 455/09

Aanwijzing van de kamer die belast is met de zaken als bedoeld in artikel 193 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof

3

2018/C 455/10

Toevoeging van de rechters aan de kamers

3

2018/C 455/11

Lijsten ter bepaling van de samenstelling van de rechtsprekende formaties

5


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2018/C 455/12

Zaak C-669/16: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 18 oktober 2018 — Europese Commissie / Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Niet-nakoming — Milieu — Richtlijn 92/43/EEG — Instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde flora en fauna — Artikel 4, lid 1 — Bijlagen II en III — Aanwijzing van speciale beschermingszones (SBZ) — Bruinvis)

8

2018/C 455/13

Zaak C-100/17 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 18 oktober 2018 — Gul Ahmed Textile Mills Ltd / Raad van de Europese Unie, Europese Commissie (Hogere voorziening — Dumping — Verordening (EG) nr. 397/2004 — Invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan — Voortbestaan van het procesbelang)

9

2018/C 455/14

Zaak C-145/17 P: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 18 oktober 2018 — Internacional de Productos Metálicos, SA / Europese Commissie (Hogere voorziening — Dumping — Invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China of verzonden uit Maleisië — Strijdigheid met de in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) gesloten antidumping-overeenkomst — Intrekking van reeds ontvangen definitieve antidumpingrechten — Geen terugwerkende kracht — Artikel 263, vierde alinea, VWEU — Individueel geraakte persoon — Regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt)

9

2018/C 455/15

Zaak C-149/17: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 18 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht München I — Duitsland) — Bastei Lübbe GmbH & Co. KG / Michael Strotzer (Prejudiciële verwijzing — Auteursrecht en naburige rechten — Richtlijn 2001/29/EG — Eerbiediging van intellectuele-eigendomsrechten — Richtlijn 2004/48/EG — Schadevergoeding wegens een via filesharing gemaakte inbreuk op het auteursrecht — Internetaansluiting die toegankelijk is voor gezinsleden van de houder — Uitsluiting van aansprakelijkheid van de houder zonder dat de aard van het gebruik van de aansluiting door het gezinslid hoeft te worden gespecificeerd — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 7)

10

2018/C 455/16

Zaak C-153/17: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 18 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom — Verenigd Koninkrijk) — Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs / Volkswagen Financial Services (UK) Ltd [Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) — Richtlijn 2006/112/EG — Artikelen 168 en 173 — Aftrek van voorbelasting — Leasetransacties inzake voertuigen — Goederen en diensten die zowel worden gebruikt voor belastbare als voor vrijgestelde handelingen — Ontstaan en omvang van het recht op aftrek — Aftrekbaar gedeelte]

10

2018/C 455/17

Zaak C-167/17: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court — Ierland) — Volkmar Klohn/An Bord Pleanála (Prejudiciële verwijzing — Milieu — Milieueffectbeoordeling van bepaalde projecten — Recht om beroep in te stellen tegen een vergunningsbesluit — Vereiste van een niet buitensporig kostbare procedure — Begrip — Toepassing ratione temporis — Rechtstreekse werking — Invloed op een definitief geworden nationaal besluit tot begroting van kosten)

11

2018/C 455/18

Zaak C-207/17: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 18 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione tributaria di primo grado di Bolzano — Italië) — Rotho Blaas Srl / Agenzia delle Dogane e dei Monopoli (Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijke handelspolitiek — Definitief antidumpingrecht op bepaalde producten van oorsprong uit de Volksrepubliek China — Antidumpingrecht dat door het orgaan voor geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) onverenigbaar is bevonden met de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel)

12

2018/C 455/19

Zaak C-249/17: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Supreme Court — Ierland) — Ryanair Ltd/The Revenue Commissioners (Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) — Begrip belastingplichtige — Holdingmaatschappij — Aftrek van de voorbelasting — Uitgaven voor adviesdiensten met het oog op de verwerving van aandelen van een andere vennootschap — Voornemen van de verwervende vennootschap om managementdiensten aan de doelvennootschap te leveren — Geen levering van dergelijke diensten — Recht op aftrek van de voorbelasting over de afgenomen diensten)

13

2018/C 455/20

Zaak C-301/17: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 18 oktober 2018 — Europese Commissie / Roemenië (Niet-nakoming door lidstaat — Akte van toetreding van 2005 — Verplichtingen van toetredende staten — Milieu — Richtlijn 1999/31/EG — Artikel 14, onder b) — Storten van afvalstoffen — Sluiting van stortplaatsen waarvoor geen exploitatievergunning is verleend — Sluitings- en nazorgprocedure)

13

2018/C 455/21

Zaak C-425/17: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 17 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bayerische Verwaltungsgerichtshof — Duitsland) — Günter Hartmann Tabakvertrieb GmbH & Co. KG / Stadt Kempten (Prejudiciële verwijzing — Onderlinge aanpassing van de wetgevingen — Productie, presentatie en verkoop van tabaksproducten — Richtlijn 2014/40/EU — Verbod op het in de handel brengen van tabak voor oraal gebruik — Begrippen pruimtabak en tabak voor oraal gebruik — Pasta van fijngemalen tabak (Thunder Chewing Tobacco) en poreuze portiezakjes van cellulose die gevuld zijn met fijngesneden tabak (Thunder Frosted Chewing Bags)

14

2018/C 455/22

Zaak C-503/17: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 17 oktober 2018 — Europese Commissie / Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Niet-nakoming — Richtlijn 95/60/EG — Merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden — Bevoorrading van particuliere pleziervaartuigen)

15

2018/C 455/23

Zaak C-504/17: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 17 oktober 2018 — Europese Commissie / Ierland (Niet-nakoming — Belasting van energieproducten en elektriciteit — Richtlijn 2003/96/EG — Artikelen 4 en 7 — Toepassing van minimumbelastingniveaus voor motorbrandstoffen — Richtlijn 95/60/EG — Merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden — Bevoorrading van particuliere pleziervaartuigen)

15

2018/C 455/24

Zaak C-606/17: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 18 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Consiglio di Stato — Italië) — IBA Molecular Italy Srl / Azienda ULSS n. 3 e.a. (Prejudiciële verwijzing — Overheidsopdrachten voor leveringen — Richtlijn 2004/18/EG — Artikel 1, lid 2, onder a) — Gunning zonder procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht — Begrip ‚overeenkomsten onder bezwarende titel’ — Begrip ‚openbaar lichaam’)

16

2018/C 455/25

Zaak C-662/17: Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 18 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vrhovno sodišče Republike Slovenije — Slovenië) — E. G. / Republika Slovenija (Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk Europees asielstelsel — Richtlijn 2013/32/EU — Artikel 46, lid 2 — Rechtsmiddel tegen een beslissing waarbij is geweigerd de vluchtelingenstatus te verlenen, maar waarbij wel de subsidiairebeschermingsstatus is verleend — Ontvankelijkheid — Geen voldoende belang wanneer de door een lidstaat verleende subsidiairebeschermingsstatus dezelfde rechten en voordelen biedt als die welke krachtens het Unierecht en het nationale recht worden geboden uit hoofde van de vluchtelingenstatus — Relevantie van de individuele situatie van de verzoeker voor het onderzoek van de gelijkheid van die rechten en voordelen)

17

2018/C 455/26

Zaak C-393/18 PPU: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice, Family Division (England and Wales) — Verenigd Koninkrijk) — UD / XB [Prejudiciële verwijzing — Prejudiciële spoedprocedure — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Artikel 8, lid 1 — Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Begrip ‚gewone verblijfplaats van het kind’ — Vereiste van fysieke aanwezigheid — Vasthouden van de moeder en het kind in een derde land tegen de wil van de moeder — Schending van de grondrechten van de moeder en van het kind]

18

2018/C 455/27

Zaak C-422/18 PPU: Beschikking van het Hof (Eerste kamer) van 27 september 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale di Milano — Italië) — FR / Ministero dell’interno — Commissione Territoriale per il riconoscimento della Protezione Internazionale presso la Prefettura U.T.G. di Milano (Prejudiciële verwijzing — Prejudiciële spoedprocedure — Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming — Richtlijn 2013/32/EU — Artikel 46 — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 18, artikel 19, lid 2, en artikel 47 — Recht op een doeltreffende voorziening in rechte — Besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming — Nationale regeling die voorziet in rechtsgang in tweede aanleg — Schorsende werking van rechtswege beperkt tot het beroep in eerste aanleg)

18

2018/C 455/28

Zaak C-566/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Handelsgericht Wien (Oostenrijk) op 7 september 2018 — Austrian Airlines AG / MG, NF

19

2018/C 455/29

Zaak C-570/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 10 september 2018 door HF tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer — uitgebreid) van 29 juni 2018 in zaak T-218/17, HF / Parlement

20

2018/C 455/30

Zaak C-583/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (Duitsland) op 20 september 2018 — Verbraucherzentrale Berlin eV / DB Vertrieb GmbH

20

2018/C 455/31

Zaak C-610/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) op 25 september 2018 — AFMB Ltd e.a. tegen Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

21

2018/C 455/32

Zaak C-617/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia de Albacete (Spanje) op 2 oktober 2018 — De kredietnemers / Globalcaja S.A.

22

2018/C 455/33

Zaak C-627/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Tribunal Administrativo e Fiscal de Coimbra (Portugal) op 5 oktober 2018 — Nelson Antunes da Cunha, Lda / Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP)

23

2018/C 455/34

Zaak C-629/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski gradski sad (Bulgarije) op 8 oktober 2018 — EN, FM, GL/Ryanair Designated Activity Company (RYANAIR DAC)

24

2018/C 455/35

Zaak C-647/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Okrazhen sad Vidin (Bulgarije) op 17 oktober 2018 — Korporativna targovska banka AD (insolvent verklaard) / Elit Petrol AD

25

 

Gerecht

2018/C 455/36

Zaak T-605/18: Beroep ingesteld op 8 oktober 2018 — ZF / Commissie

27

2018/C 455/37

Zaak T-610/18: Beroep ingesteld op 9 oktober 2018 — ZR/EUIPO

28

2018/C 455/38

Zaak T-611/18: Beroep ingesteld op 9 oktober 2018 — Pharmaceutical Works Polpharma / EMA

29

2018/C 455/39

Zaak T-615/18: Beroep ingesteld op 8 oktober 2018 — Diesel/EUIPO Sprinter megacentrosdel deporte (D)

30

2018/C 455/40

Zaak T-618/18: Beroep ingesteld op 15 oktober 2018 — ZI / Commissie

30

2018/C 455/41

Zaak T-628/18: Beroep ingesteld op 22 oktober 2018 — E.J. Papadopoulos/EUIPO — Europastry (fripan VIENNOISERIE CAPRICE Pur Beurre)

31

2018/C 455/42

Zaak T-632/18: Beroep ingesteld op 23 oktober 2018 — ZM e.a. / Raad

32

2018/C 455/43

Zaak T-633/18: Beroep ingesteld op 22 oktober 2018 — Rose Gesellschaft/EUIPO — Iviton (TON JONES)

32


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2018/C 455/01)

Laatste publicatie

PB C 445 van 10.12.2018

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 436 van 3.12.2018

PB C 427 van 26.11.2018

PB C 408 van 12.11.2018

PB C 399 van 5.11.2018

PB C 392 van 29.10.2018

PB C 381 van 22.10.2018

Deze teksten zijn beschikbaar in

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


Hof van Justitie

17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/2


Eedaflegging door de nieuwe leden van het Hof

(2018/C 455/02)

Na hun benoeming tot rechter in het Hof van Justitie bij besluiten van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie van 28 februari 2018 (1), 13 juni 2018 (2) en 25 juli 2018 (3), voor de periode van 7 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2024, hebben mevrouw Rossi alsook de heren Jarukaitis, Xuereb en Cardoso da Silva Piçarra voor het Hof de eed afgelegd op 8 oktober 2018.

Na hun benoeming tot advocaat-generaal bij het Hof van Justitie bij besluiten van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie van 28 februari 2018 1 en 5 september 2018 (4), voor de periode van 7 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2024, hebben de heren Pitruzzella en Hogan voor het Hof de eed afgelegd op 8 oktober 2018.


(1)  PB L 64 van 7.3. 2018, blz. 1.

(2)  PB L 155 van 19.6.2018, blz. 4.

(3)  PB L 209 van 20.8.2018, blz. 1.

(4)  PB L 228 van 11.9.2018, blz. 1.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/2


Verkiezing van de president van het Hof

(2018/C 455/03)

De rechters in het Hof van Justitie hebben tijdens hun vergadering van 9 oktober 2018 krachtens artikel 8, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering de heer Lenaerts verkozen tot president van het Hof, voor de periode van 9 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2021.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/2


Verkiezing van de vicepresident van het Hof

(2018/C 455/04)

De rechters in het Hof van Justitie hebben tijdens hun vergadering van 9 oktober 2018 krachtens artikel 8, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering mevrouw Silva de Lapuerta verkozen tot vicepresident van het Hof, voor de periode van 9 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2021.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/2


Verkiezing van de presidenten van de kamers van vijf rechters

(2018/C 455/05)

De rechters in het Hof van Justitie hebben tijdens hun vergadering van 9 oktober 2018 krachtens artikel 12, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering de heer Bonichot verkozen tot president van de Eerste kamer, de heer Arabadjiev tot president van de Tweede kamer, mevrouw Prechal tot president van de Derde kamer, de heer Vilaras tot president van de Vierde kamer en de heer Regan tot president van de Vijfde kamer, voor de periode van 9 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2021.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/3


Aanwijzing van de eerste advocaat-generaal

(2018/C 455/06)

Tijdens zijn algemene vergadering van 10 oktober 2018 heeft het Hof de heer Szpunar aangewezen als eerste advocaat-generaal, voor de periode van 10 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2019.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/3


Verkiezing van de presidenten van de kamers van drie rechters

(2018/C 455/07)

De rechters in het Hof van Justitie hebben tijdens hun vergadering van 10 oktober 2018 krachtens artikel 12, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering mevrouw Toader verkozen tot president van de Zesde kamer, de heer von Danwitz tot president van de Zevende kamer, de heer Biltgen tot president van de Achtste kamer, mevrouw Jürimäe tot president van de Negende kamer en de heer Lycourgos tot president van de Tiende kamer, voor de periode van 10 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2019.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/3


Aanwijzing van de kamers die belast zijn met de zaken als bedoeld in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof

(2018/C 455/08)

Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 10 oktober 2018 krachtens artikel 11, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de Eerste en de Tweede kamer aangewezen als de kamers die belast zijn met de zaken als bedoeld in artikel 107 van voormeld Reglement, voor de periode van 10 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2019.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/3


Aanwijzing van de kamer die belast is met de zaken als bedoeld in artikel 193 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof

(2018/C 455/09)

Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 10 oktober 2018 krachtens artikel 11, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de Derde kamer aangewezen als de kamer die belast is met de zaken als bedoeld in artikel 193 van voormeld Reglement, voor de periode van 10 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2019.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/3


Toevoeging van de rechters aan de kamers

(2018/C 455/10)

Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 10 oktober 2018 besloten om de rechters als volgt toe te voegen aan de kamers van vijf rechters:

Eerste kamer

de heer Bonichot, kamerpresident,

mevrouw Toader, de heer Rosas, de heer Bay Larsen en de heer Safjan, rechters

Tweede kamer

de heer Arabadjiev, kamerpresident,

de heer von Danwitz, de heer Levits, mevrouw Berger, de heer Vajda en de heer Xuereb, rechters

Derde kamer

mevrouw Prechal, kamerpresident,

de heer Biltgen, de heer Malenovský, de heer Fernlund en mevrouw Rossi, rechters

Vierde kamer

de heer Vilaras, kamerpresident,

mevrouw Jürimäe, de heer Šváby, de heer Rodin en de heer Piçarra, rechters

Vijfde kamer

de heer Regan, kamerpresident,

de heer Lycourgos, de heer Juhász, de heer Ilešič en de heer Jarukaitis, rechters

Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 10 oktober 2018 besloten om de rechters als volgt toe te voegen aan de kamers van drie rechters:

Zesde kamer

mevrouw Toader, kamerpresident,

de heer Rosas, de heer Bay Larsen en de heer Safjan, rechters

Zevende kamer

de heer von Danwitz, kamerpresident,

de heer Levits, mevrouw Berger, de heer Vajda en de heer Xuereb, rechters

Achtste kamer

de heer Biltgen, kamerpresident,

de heer Malenovský, de heer Fernlund en mevrouw Rossi, rechters

Negende kamer

mevrouw Jürimäe, kamerpresident,

de heer Šváby, de heer Rodin en de heer Piçarra, rechters

Tiende kamer

de heer Lycourgos, kamerpresident,

de heer Juhász, de heer Ilešič en de heer Jarukaitis, rechters


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/5


Lijsten ter bepaling van de samenstelling van de rechtsprekende formaties

(2018/C 455/11)

Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 11 oktober 2018 de volgende lijst ter bepaling van de samenstelling van de Grote kamer opgesteld:

de heer Rosas

de heer Jarukaitis

de heer Juhász

mevrouw Rossi

de heer Ilešič

de heer Piçarra

de heer Malenovský

de heer Xuereb

de heer Levits

de heer Lycourgos

de heer Bay Larsen

mevrouw Jürimäe

de heer von Danwitz

de heer Biltgen

mevrouw Toader

de heer Rodin

de heer Safjan

de heer Vajda

de heer Šváby

de heer Fernlund

mevrouw Berger

Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 11 oktober 2018 de volgende lijsten ter bepaling van de samenstelling van de kamers van vijf rechters opgesteld:

Eerste kamer

de heer Rosas

de heer Safjan

de heer Bay Larsen

mevrouw Toader

Tweede kamer

de heer Levits

de heer Xuereb

de heer von Danwitz

de heer Vajda

mevrouw Berger

Derde kamer

de heer Malenovský

mevrouw Rossi

de heer Fernlund

de heer Biltgen

Vierde kamer

de heer Šváby

de heer Piçarra

de heer Rodin

mevrouw Jürimäe

Vijfde kamer

de heer Juhász

de heer Jarukaitis

de heer Ilešič

de heer Lycourgos

Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 11 oktober 2018 de volgende lijsten ter bepaling van de samenstelling van de kamers van drie rechters opgesteld:

Zesde kamer

de heer Rosas

de heer Bay Larsen

de heer Safjan

Zevende kamer

de heer Levits

mevrouw Berger

de heer Vajda

de heer Xuereb

Achtste kamer

de heer Malenovský

de heer Fernlund

mevrouw Rossi

Negende kamer

de heer Šváby

de heer Rodin

de heer Piçarra

Tiende kamer

de heer Juhász

de heer Ilešič

de heer Jarukaitis


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/8


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 18 oktober 2018 — Europese Commissie / Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

(Zaak C-669/16) (1)

((Niet-nakoming - Milieu - Richtlijn 92/43/EEG - Instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde flora en fauna - Artikel 4, lid 1 - Bijlagen II en III - Aanwijzing van speciale beschermingszones (SBZ) - Bruinvis))

(2018/C 455/12)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Norris-Usher en C. Hermes, gemachtigden)

Verwerende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: G. Brown, gemachtigde, bijgestaan door R. Palmer en M. Armitage, barristers)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn overeenkomstig artikel 4, lid 1, van en de bijlagen II en III bij richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, een lijst te hebben voorgesteld en toegezonden met een voldoende aantal gebieden waar de bruinvis (Phocoena phocoena) voorkomt en, door derhalve niet overeenkomstig artikel 3, lid 2, van deze richtlijn te hebben bijgedragen tot de totstandkoming van het Natura 2000-netwerk al naargelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de habitats van die soort, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zijn verplichtingen krachtens deze bepalingen niet nagekomen.

2)

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 63 van 27.02.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/9


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 18 oktober 2018 — Gul Ahmed Textile Mills Ltd / Raad van de Europese Unie, Europese Commissie

(Zaak C-100/17 P) (1)

((Hogere voorziening - Dumping - Verordening (EG) nr. 397/2004 - Invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan - Voortbestaan van het procesbelang))

(2018/C 455/13)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Gul Ahmed Textile Mills Ltd (vertegenwoordigers: L. Ruessmann, avocat, J. Beck, Solicitor)

Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix, gemachtigde, bijgestaan door R. Bierwagen en C. Hipp, Rechtsanwälte), Europese Commissie (vertegenwoordigers: J.-F. Brakeland en N. Kuplewatzky, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Gul Ahmed Textile Mills Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 168 van 29.5.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/9


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 18 oktober 2018 — Internacional de Productos Metálicos, SA / Europese Commissie

(Zaak C-145/17 P) (1)

((Hogere voorziening - Dumping - Invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China of verzonden uit Maleisië - Strijdigheid met de in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) gesloten antidumping-overeenkomst - Intrekking van reeds ontvangen definitieve antidumpingrechten - Geen terugwerkende kracht - Artikel 263, vierde alinea, VWEU - Individueel geraakte persoon - Regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt))

(2018/C 455/14)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirante: Internacional de Productos Metálicos, SA (vertegenwoordigers: C. Cañizares Pacheco, E. Tejedor de la Fuente en A. Monreal Lasheras, abogados)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J.-F. Brakeland, M. França en G. Luengo, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Internacional de Productos Metálicos SA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 195 van 19.6.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/10


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 18 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht München I — Duitsland) — Bastei Lübbe GmbH & Co. KG / Michael Strotzer

(Zaak C-149/17) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Auteursrecht en naburige rechten - Richtlijn 2001/29/EG - Eerbiediging van intellectuele-eigendomsrechten - Richtlijn 2004/48/EG - Schadevergoeding wegens een via filesharing gemaakte inbreuk op het auteursrecht - Internetaansluiting die toegankelijk is voor gezinsleden van de houder - Uitsluiting van aansprakelijkheid van de houder zonder dat de aard van het gebruik van de aansluiting door het gezinslid hoeft te worden gespecificeerd - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 7))

(2018/C 455/15)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landgericht München I

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bastei Lübbe GmbH & Co. KG

Verwerende partij: Michael Strotzer

Dictum

Artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, enerzijds, en artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, anderzijds, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, zoals uitgelegd door de bevoegde nationale rechterlijke instantie, krachtens welke de houder van een internetaansluiting waarmee inbreuken op het auteursrecht zijn gemaakt door filesharing, daarvoor niet aansprakelijk kan worden gesteld, wanneer hij minstens één gezinslid aanwijst dat toegang had tot deze aansluiting, zonder dat hij meer preciseringen verstrekt over het tijdstip waarop deze aansluiting is gebruikt door dat gezinslid en over de aard van het gebruik ervan door dat gezinslid.


(1)  PB C 213 van 3.7.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/10


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 18 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom — Verenigd Koninkrijk) — Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs / Volkswagen Financial Services (UK) Ltd

(Zaak C-153/17) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Artikelen 168 en 173 - Aftrek van voorbelasting - Leasetransacties inzake voertuigen - Goederen en diensten die zowel worden gebruikt voor belastbare als voor vrijgestelde handelingen - Ontstaan en omvang van het recht op aftrek - Aftrekbaar gedeelte])

(2018/C 455/16)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Supreme Court of the United Kingdom

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs

Verwerende partij: Volkswagen Financial Services (UK) Ltd

Dictum

Artikel 168 en artikel 173, lid 2, onder c), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zelfs wanneer de algemene kosten betreffende leasetransacties inzake roerende goederen, als die aan de orde in het hoofdgeding, niet worden doorberekend in het bedrag dat door de klant is verschuldigd voor de terbeschikkingstelling van het betrokken goed — dit is het belastbare deel van de transactie — maar in het rentebedrag dat is verschuldigd op grond van het „financieringsgedeelte” van de transactie — dit is het vrijgestelde deel daarvan –, deze algemene kosten voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) toch moeten worden beschouwd als een bestanddeel van de prijs van deze terbeschikkingstelling, en voorts dat de lidstaten geen toerekeningsmethode mogen toepassen die geen rekening houdt met de oorspronkelijke waarde van het betrokken goed bij de levering ervan, daar deze methode niet een nauwkeuriger toerekening kan waarborgen dan die welke het resultaat zou zijn van de toepassing van de verdeelsleutel op basis van de omzet.


(1)  PB C 178 van 6.6.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/11


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court — Ierland) — Volkmar Klohn/An Bord Pleanála

(Zaak C-167/17) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Milieu - Milieueffectbeoordeling van bepaalde projecten - Recht om beroep in te stellen tegen een vergunningsbesluit - Vereiste van een niet buitensporig kostbare procedure - Begrip - Toepassing ratione temporis - Rechtstreekse werking - Invloed op een definitief geworden nationaal besluit tot begroting van kosten))

(2018/C 455/17)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Supreme Court

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Volkmar Klohn

Verwerende partij: An Bord Pleanála

in tegenwoordigheid van: Sligo County Council, Maloney and Matthews Animal Collections Ltd

Dictum

1)

Artikel 10 bis, vijfde alinea, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003, moet aldus worden uitgelegd dat het daarin neergelegde vereiste dat bepaalde gerechtelijke procedures inzake milieuaangelegenheden niet buitensporig kostbaar mogen zijn, geen rechtstreekse werking heeft. Wanneer een lidstaat dit artikel niet heeft omgezet in nationaal recht, moeten de nationale rechterlijke instanties van die lidstaat niettemin vanaf het verstrijken van de voor omzetting van dat artikel vastgestelde termijn, het nationale recht zoveel mogelijk zodanig uitleggen dat particulieren er niet van worden weerhouden om een binnen de werkingssfeer van dit artikel vallend beroep in rechte in te stellen of voort te zetten wegens de financiële last die hieruit kan voortvloeien.

2)

Artikel 10 bis, vijfde alinea, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35, moet aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van een lidstaat verplicht zijn tot richtlijnconforme uitlegging wanneer zij uitspraak doen over de verwijzing in de kosten in gerechtelijke procedures die aanhangig waren op de datum waarop de termijn voor omzetting van het in dat artikel 10 bis, vijfde alinea, gestelde vereiste dat bepaalde gerechtelijke procedures inzake milieuaangelegenheden niet buitensporig kostbaar mogen zijn, is verstreken, ongeacht de datum waarop deze kosten gedurende de betreffende procedure zijn gemaakt.

3)

Artikel 10 bis, vijfde alinea, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35, moet aldus worden uitgelegd dat, in een geding als het hoofdgeding, een nationale rechterlijke instantie die uitspraak dient te doen over het bedrag van de kosten, verplicht is tot richtlijnconforme uitlegging, voor zover het gezag van gewijsde van de definitief geworden beslissing houdende verwijzing in de kosten zich daar niet tegen verzet, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.


(1)  PB C 178 van 6.6.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/12


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 18 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione tributaria di primo grado di Bolzano — Italië) — Rotho Blaas Srl / Agenzia delle Dogane e dei Monopoli

(Zaak C-207/17) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijke handelspolitiek - Definitief antidumpingrecht op bepaalde producten van oorsprong uit de Volksrepubliek China - Antidumpingrecht dat door het orgaan voor geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) onverenigbaar is bevonden met de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel))

(2018/C 455/18)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Commissione tributaria di primo grado di Bolzano

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Rotho Blaas Srl

Verwerende partij: Agenzia delle Dogane e dei Monopoli

Dictum

Bij het onderzoek van de eerste vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, uitvoeringsverordening (EU) nr. 924/2012 van de Raad van 4 oktober 2012 tot wijziging van verordening nr. 91/2009, en uitvoeringsverordening (EU) 2015/519 van de Commissie van 26 maart 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaalde soorten uit Maleisië verzonden ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1225/2009.


(1)  PB C 277 van 21.08.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/13


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Supreme Court — Ierland) — Ryanair Ltd/The Revenue Commissioners

(Zaak C-249/17) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Begrip belastingplichtige - Holdingmaatschappij - Aftrek van de voorbelasting - Uitgaven voor adviesdiensten met het oog op de verwerving van aandelen van een andere vennootschap - Voornemen van de verwervende vennootschap om managementdiensten aan de doelvennootschap te leveren - Geen levering van dergelijke diensten - Recht op aftrek van de voorbelasting over de afgenomen diensten))

(2018/C 455/19)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Supreme Court

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ryanair Ltd

Verwerende partij: The Revenue Commissioners

Dictum

De artikelen 4 en 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moeten aldus worden uitgelegd dat zij een vennootschap, zoals die in het hoofdgeding, die voornemens is alle aandelen van een andere vennootschap te verwerven met het oog op een economische activiteit die bestaat in het leveren van aan de belasting over de toegevoegde waarde (btw) onderworpen managementdiensten aan de overgenomen vennootschap, het recht toekennen de voorbelasting over de uitgaven voor adviesdiensten in het kader van een openbaar overnamebod integraal af te trekken, zelfs als vast is komen te staan dat deze economische activiteit niet van de grond is gekomen, voor zover deze uitgaven hun oorzaak uitsluitend vinden in de geplande economische activiteit.


(1)  PB C 221 van 10.07.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/13


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 18 oktober 2018 — Europese Commissie / Roemenië

(Zaak C-301/17) (1)

((Niet-nakoming door lidstaat - Akte van toetreding van 2005 - Verplichtingen van toetredende staten - Milieu - Richtlijn 1999/31/EG - Artikel 14, onder b) - Storten van afvalstoffen - Sluiting van stortplaatsen waarvoor geen exploitatievergunning is verleend - Sluitings- en nazorgprocedure))

(2018/C 455/20)

Procestaal: Roemeens

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Nicolae en E. Sanfrutos Cano, gemachtigden)

Verwerende partij: Roemenië (vertegenwoordigers: R.-H. Radu, E. Gane, L. Liţu, O.-C. Ichim en M. Chicu, vervolgens C.-R. Canţăr, E. Gane, L. Liţu, O.-C. Ichim en M. Chicu, gemachtigden)

Dictum

1)

Door met betrekking tot de 68 stortplaatsen in kwestie niet te voldoen aan de verplichting om alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om de stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend, zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13 van deze richtlijn, is Roemenië de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 14, onder b), juncto artikel 13 van die richtlijn.

2)

Roemenië wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 239 van 24.7.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/14


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 17 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bayerische Verwaltungsgerichtshof — Duitsland) — Günter Hartmann Tabakvertrieb GmbH & Co. KG / Stadt Kempten

(Zaak C-425/17) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Onderlinge aanpassing van de wetgevingen - Productie, presentatie en verkoop van tabaksproducten - Richtlijn 2014/40/EU - Verbod op het in de handel brengen van tabak voor oraal gebruik - Begrippen „pruimtabak” en „tabak voor oraal gebruik” - Pasta van fijngemalen tabak (Thunder Chewing Tobacco) en poreuze portiezakjes van cellulose die gevuld zijn met fijngesneden tabak (Thunder Frosted Chewing Bags))

(2018/C 455/21)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bayerischer Verwaltungsgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Günter Hartmann Tabakvertrieb GmbH & Co. KG

Verwerende partij: Stadt Kempten

in tegenwoordigheid van: Landesanwaltschaft Bayern

Dictum

Artikel 2, punt 8, van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 6, van die richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat enkel tabaksproducten die slechts correct kunnen worden geconsumeerd wanneer zij worden gepruimd, „tabaksproducten bestemd om te worden gepruimd” in de zin van die bepalingen vormen, hetgeen de nationale rechter dient vast te stellen op basis van alle relevante objectieve kenmerken van de betrokken producten, zoals de samenstelling, de consistentie, de aanbiedingsvorm en, in voorkomend geval, het daadwerkelijke gebruik ervan door de consument.


(1)  PB C 347 van 16.10.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/15


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 17 oktober 2018 — Europese Commissie / Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

(Zaak C-503/17) (1)

((Niet-nakoming - Richtlijn 95/60/EG - Merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden - Bevoorrading van particuliere pleziervaartuigen))

(2018/C 455/22)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Tomat en J. Tomkin, gemachtigden)

Verwerende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: S. Brandon, gemachtigde, bijgestaan door M. Gray, barrister)

Dictum

1)

Door het gebruik van gemerkte brandstof voor particuliere pleziervaartuigen toe te staan, ook al is die brandstof niet vrijgesteld van accijns of aan een verlaagd accijnstarief onderworpen, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zijn verplichtingen krachtens richtlijn 95/60/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden niet nagekomen.

2)

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 347 van 16.10.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/15


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 17 oktober 2018 — Europese Commissie / Ierland

(Zaak C-504/17) (1)

((Niet-nakoming - Belasting van energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Artikelen 4 en 7 - Toepassing van minimumbelastingniveaus voor motorbrandstoffen - Richtlijn 95/60/EG - Merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden - Bevoorrading van particuliere pleziervaartuigen))

(2018/C 455/23)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Tomat en J. Tomkin, gemachtigden)

Verwerende partij: Ierland (vertegenwoordigers: M. Browne, G. Hodge en J. Quaney en A. Joyce, gemachtigden, bijgestaan door F. Callanan, SC en B. Doherty, BL)

Dictum

1)

Door er niet voor te zorgen dat de minimumbelastingniveaus voor motorbrandstoffen die zijn vastgesteld in richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, worden toegepast op gasolie die wordt gebruikt als brandstof voor particuliere pleziervaartuigen, en het gebruik van gemerkte brandstof voor particuliere pleziervaartuigen toe te staan, ook al is die brandstof niet vrijgesteld van accijns of aan een verlaagd accijnstarief onderworpen, is Ierland zijn verplichtingen krachtens respectievelijk de artikelen 4 en 7 van richtlijn 2003/96 en richtlijn 95/60/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden niet nagekomen.

2)

Ierland wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 347 van 16.10.2017.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/16


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 18 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Consiglio di Stato — Italië) — IBA Molecular Italy Srl / Azienda ULSS n. 3 e.a.

(Zaak C-606/17) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Overheidsopdrachten voor leveringen - Richtlijn 2004/18/EG - Artikel 1, lid 2, onder a) - Gunning zonder procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht - Begrip ‚overeenkomsten onder bezwarende titel’ - Begrip ‚openbaar lichaam’))

(2018/C 455/24)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: IBA Molecular Italy Srl

Verwerende partijen: Azienda ULSS n. 3, Regione Veneto, Ministero della Salute, Ospedale dell’Angelo di Mestre

In tegenwoordigheid van: Istituto Sacro Cuore Don Calabria di Negrar, Azienda ULSS no 22

Dictum

1)

Artikel 1, lid 2, onder a), van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „overeenkomsten onder bezwarende titel” ook ziet op het besluit waarbij een aanbestedende dienst aan een bepaalde ondernemer rechtstreeks, en dus zonder een aanbestedingsprocedure uit te schrijven, een financiering toekent die volledig bedoeld is voor de vervaardiging van producten die deze ondernemer om niet moet leveren aan meerdere overheidsdiensten, die geen andere vergoeding aan voornoemde leverancier verschuldigd zijn dan een forfaitair bedrag van 180 EUR leveringskosten per verzending.

2)

Artikel 1, lid 2, onder a), en artikel 2 van richtlijn 2004/18 moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die „geclassificeerde” particuliere ziekenhuizen gelijkstelt aan openbare ziekenhuizen — door hen op te nemen in het stelsel van de nationale openbare gezondheidsplanning, waarvoor bijzondere overeenkomsten gelden die afwijken van de gebruikelijke accrediteringsbetrekkingen met andere particuliere ondernemers die deelnemen aan het stelsel van gezondheidszorgverlening — waardoor zij worden onttrokken aan de nationale en de Unieregeling inzake overheidsopdrachten, ook indien aan deze ziekenhuizen de opdracht is gegeven om bepaalde voor het verstrekken van gezondheidszorg noodzakelijke producten om niet te vervaardigen voor en te leveren aan openbare gezondheidsinstellingen, in ruil voor een overheidsfinanciering die is bedoeld voor het vervaardigen en het leveren van die producten.


(1)  PB C 22 van 22.01.2018.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/17


Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 18 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vrhovno sodišče Republike Slovenije — Slovenië) — E. G. / Republika Slovenija

(Zaak C-662/17) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk Europees asielstelsel - Richtlijn 2013/32/EU - Artikel 46, lid 2 - Rechtsmiddel tegen een beslissing waarbij is geweigerd de vluchtelingenstatus te verlenen, maar waarbij wel de subsidiairebeschermingsstatus is verleend - Ontvankelijkheid - Geen voldoende belang wanneer de door een lidstaat verleende subsidiairebeschermingsstatus dezelfde rechten en voordelen biedt als die welke krachtens het Unierecht en het nationale recht worden geboden uit hoofde van de vluchtelingenstatus - Relevantie van de individuele situatie van de verzoeker voor het onderzoek van de gelijkheid van die rechten en voordelen))

(2018/C 455/25)

Procestaal: Sloveens

Verwijzende rechter

Vrhovno sodišče Republike Slovenije

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: E. G.

Verwerende partij: Republika Slovenija

Dictum

Artikel 46, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat de subsidiairebeschermingsstatus die wordt verleend door een wettelijke regeling van een lidstaat zoals de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, niet „dezelfde rechten en voordelen biedt als de vluchtelingenstatus uit hoofde van het recht van de Unie en het nationale recht” in de zin van deze bepaling, zodat een rechterlijke instantie van deze lidstaat een rechtsmiddel tegen een besluit waarbij een verzoek om verlening van de vluchtelingenstatus ongegrond is verklaard maar wel de subsidiairebeschermingsstatus is toegekend, niet niet-ontvankelijk kan verklaren wegens onvoldoende belang van de verzoeker bij voortzetting van de procedure, wanneer is nagegaan dat deze rechten en voordelen die ingevolge de toepasselijke nationale wettelijke regeling op grond van deze tweede statussen van internationale bescherming worden toegekend, niet werkelijk gelijk zijn.

Een dergelijk rechtsmiddel kan evenmin niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer in het licht van de concrete situatie van de verzoeker is vastgesteld dat de verlening van de vluchtelingenstatus hem niet meer rechten en voordelen kan brengen dan de verlening van de subsidiairebeschermingsstatus, daar de verzoeker zich niet of nog niet beroept op rechten die worden toegekend krachtens de vluchtelingenstatus maar die niet of in mindere mate worden toegekend krachtens de subsidiairebeschermingsstatus.


(1)  PB C 32 van 29.1.2018.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/18


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice, Family Division (England and Wales) — Verenigd Koninkrijk) — UD / XB

(Zaak C-393/18 PPU) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Prejudiciële spoedprocedure - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 2201/2003 - Artikel 8, lid 1 - Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid - Begrip ‚gewone verblijfplaats van het kind’ - Vereiste van fysieke aanwezigheid - Vasthouden van de moeder en het kind in een derde land tegen de wil van de moeder - Schending van de grondrechten van de moeder en van het kind])

(2018/C 455/26)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

High Court of Justice, Family Division (England and Wales)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: UD

Verwerende partij: XB

Dictum

Artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moet aldus worden uitgelegd dat een kind fysiek aanwezig moet zijn geweest in een lidstaat opdat het kan worden geacht zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat te hebben in de zin van die bepaling. Omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding, gesteld dat zij zijn bewezen, te weten, ten eerste, de dwang van de vader tegen de moeder, waardoor de moeder in een derde staat is bevallen van hun kind en daar met het kind verblijft sinds zijn geboorte, en, ten tweede, schending van de grondrechten van de moeder of van het kind, zijn in dit opzicht niet van invloed.


(1)  PB C 276 van 6.8.2018.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/18


Beschikking van het Hof (Eerste kamer) van 27 september 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale di Milano — Italië) — FR / Ministero dell’interno — Commissione Territoriale per il riconoscimento della Protezione Internazionale presso la Prefettura U.T.G. di Milano

(Zaak C-422/18 PPU) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Prejudiciële spoedprocedure - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming - Richtlijn 2013/32/EU - Artikel 46 - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 18, artikel 19, lid 2, en artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte - Besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming - Nationale regeling die voorziet in rechtsgang in tweede aanleg - Schorsende werking van rechtswege beperkt tot het beroep in eerste aanleg))

(2018/C 455/27)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale di Milano

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: FR

Verwerende partij: Ministero dell’interno — Commissione Territoriale per il riconoscimento della Protezione Internazionale presso la Prefettura U.T.G. di Milano

in tegenwoordigheid van: Pubblico Ministero

Dictum

Het Unierecht, in het bijzonder het bepaalde in richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding, die voorziet in een rechtsmiddel tegen een uitspraak in eerste aanleg waarbij een besluit van de bevoegde administratieve autoriteit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming wordt bevestigd, zonder dat daarbij van rechtswege schorsende werking wordt verleend, maar op grond waarvan de rechter die die uitspraak heeft gedaan op verzoek van de betrokkene de opschorting van de tenuitvoerlegging van de uitspraak kan bevelen na te hebben beoordeeld of de in het rechtsmiddel tegen de uitspraak aangevoerde middelen al dan niet gegrond zijn, en niet of er een risico bestaat dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis ernstige en onherstelbare schade aan die eiser veroorzaakt.


(1)  PB C 311 van 3.9.2018.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Handelsgericht Wien (Oostenrijk) op 7 september 2018 — Austrian Airlines AG / MG, NF

(Zaak C-566/18)

(2018/C 455/28)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Handelsgericht Wien

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Austrian Airlines AG

Verwerende partijen: MG, NF

Prejudiciële vragen

1)

Moeten de artikelen 5 en 7 van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 (1), aldus worden uitgelegd dat luchtreizigers krachtens de verordening voor dezelfde boeking meermaals aanspraak kunnen maken op compensatie, wanneer de vlucht waarop de luchtvaartonderneming de reiziger heeft omgeboekt, wordt geannuleerd of vertraagd met meer dan drie uren, met het gevolg dat de compensatie krachtens artikel 7 van de verordening geen vaste compensatie is, maar afhangt van het aantal annuleringen of van de omvang van de annulering en dus van de vertraging?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe kan dat worden verzoend met het door het Hof in het arrest van 19 november 2009, Sturgeon e.a., C-402/07 en C-432/07 (2), geformuleerde beginsel dat artikel 5 van die verordening aldus moet worden uitgelegd dat passagiers van wie de vluchten zijn vertraagd, voor de voorschriften inzake compensatie moeten worden behandeld als passagiers van wie de vluchten zijn geannuleerd, wanneer inzake aanspraak op compensatie door het Hof in zijn arrest van 23 oktober 2012, Nelson e.a., C-581/10 en C-629/10 (3), is verklaard dat met vertragingen van meer dan drie uren geen rekening kan worden gehouden bij de berekening van de vaste compensatie?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).

(2)  ECLI:EU:C:2009:716

(3)  ECLI:EU:C:2012:657


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/20


Hogere voorziening ingesteld op 10 september 2018 door HF tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer — uitgebreid) van 29 juni 2018 in zaak T-218/17, HF / Parlement

(Zaak C-570/18 P)

(2018/C 455/29)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: HF (vertegenwoordiger: A. Tymen, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europees Parlement

Conclusies

Het arrest van het Gerecht van 29 juni 2018 in zaak T-218/17 vernietigen,

dientengevolge

de vorderingen van rekwirante in eerste aanleg toewijzen en, derhalve,

het besluit van het Europees Parlement van 30 juni 2016 tot afwijzing van haar verzoek om bijstand nietig verklaren,

verweerder veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de rekwirantes immateriële schade, welke ex aequo et bono wordt vastgesteld op 90 000 EUR,

verweerder in alle kosten van eerste en tweede aanleg verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Schending van het recht om te worden gehoord — Schending van artikel 41, lid 1, onder a), van het Handvest;

Schending van artikel 41, lid 1, van het Handvest — Verdraaiing van de door rekwirante geformuleerde argumenten — Niet-nakoming van de motiveringsplicht door de rechter in eerste aanleg;

Schending van artikel 31, lid 1, van het Handvest — Schending van artikel 12bis, leden 1, 3, en artikel 24 van het Statuut.

Tevens betwist rekwirante het besluit van de rechter in eerste aanleg om haar vordering tot schadevergoeding af te wijzen op grond dat het bestreden besluit niet nietig is verklaard.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/20


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (Duitsland) op 20 september 2018 — Verbraucherzentrale Berlin eV / DB Vertrieb GmbH

(Zaak C-583/18)

(2018/C 455/30)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberlandesgericht Frankfurt am Main

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Verbraucherzentrale Berlin eV

Verwerende partij: DB Vertrieb GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 2, punt 6, van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten (1) aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op overeenkomsten waarbij de handelaar niet rechtstreeks tot het leveren van een dienst wordt verplicht, maar de consument het recht verwerft bij in de toekomst in opdracht gegeven diensten een korting te ontvangen?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord,

2)

moet de sectorale uitsluiting van „overeenkomsten voor passagiersvervoerdiensten” zoals bepaald in artikel 3, lid 3, onder k), van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten aldus worden uitgelegd dat zij ook van toepassing is op situaties waarin aan de consument als tegenprestatie niet rechtstreeks een vervoerdienst wordt geleverd, maar deze het recht verwerft bij in de toekomst te sluiten vervoersovereenkomsten een korting te ontvangen?


(1)  Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64).


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) op 25 september 2018 — AFMB Ltd e.a. tegen Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

(Zaak C-610/18)

(2018/C 455/31)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Centrale Raad van Beroep

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekers: AFMB Ltd e.a.

Verweerder: Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

Prejudiciële vragen

1)

A.

Moet artikel 14, tweede lid, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 (1) zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden als die van de hoofdgedingen de internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst wordt aangemerkt als behorend tot het rijdend personeel van:

a.

de vervoersonderneming die de betrokkene heeft aangeworven, waaraan de betrokkene feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking staat, die het feitelijke gezag over de betrokkene uitoefent en te wiens laste de loonkosten feitelijk komen, dan wel

b.

de onderneming die met de vrachtwagenchauffeur formeel een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die volgens afspraak met de onder a. bedoelde vervoersonderneming aan de betrokkene een salaris betaalde en daarover premies afdroeg in de lidstaat waar zich de zetel van deze onderneming bevindt en niet in de lidstaat waar zich de zetel van de onder a. bedoelde vervoersonderneming bevindt;

c.

zowel de onderneming onder a. als de onderneming onder b.?

B.

Moet artikel 13, eerste lid, sub b, van verordening (EG) nr. 883/2004 (2) zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden als die van de hoofdgedingen als werkgever van de internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst wordt aangemerkt:

a.

de vervoersonderneming die de betrokkene heeft aangeworven, waaraan de betrokkene feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking staat, die het feitelijke gezag over de betrokkene uitoefent en te wiens laste de loonkosten feitelijk komen, dan wel

b.

de onderneming die met de vrachtwagenchauffeur formeel een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die volgens afspraak met de onder a. bedoelde vervoersonderneming aan de betrokkene een salaris betaalde en daarover premies afdroeg in de lidstaat waar zich de zetel van deze onderneming bevindt en niet in de lidstaat waar zich de zetel van de onder a. bedoelde vervoersonderneming bevindt;

c.

zowel de onderneming onder a. als de onderneming onder b.?

2)

Voor het geval in omstandigheden als die van de hoofdgedingen als werkgever wordt beschouwd de onderneming bedoeld in vraag 1A, onder b, en in vraag 1B, onder b:

Gelden de specifieke vereisten waaronder werkgevers, zoals uitzendbureaus en andere intermediairs, een beroep kunnen doen op de in artikel 14, eerste lid, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 12 van verordening (EG) nr. 883/2004 opgenomen uitzonderingen op het werklandbeginsel, in de hoofdgedingen naar analogie ook geheel of gedeeltelijk voor de toepassing van artikel 14, tweede lid, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 13, eerste lid, sub b, van verordening (EG) nr. 883/2004?

3)

Voor het geval in omstandigheden als die van de hoofdgedingen als werkgever wordt beschouwd de onderneming bedoeld in vraag 1A, onder b, en in vraag 1B, onder b, en vraag 2 ontkennend wordt beantwoord:

Is er bij de in dit verzoek weergegeven feiten en omstandigheden sprake van een situatie die is te duiden als misbruik van het recht van de EU en/of misbruik van het recht van de EVA? Zo ja, wat is hiervan het gevolg?


(1)  Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2).

(2)  Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1).


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/22


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia de Albacete (Spanje) op 2 oktober 2018 — De kredietnemers / Globalcaja S.A.

(Zaak C-617/18)

(2018/C 455/32)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de Primera Instancia de Albacete (rechter in eerste aanleg, Albacete)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: de kredietnemers

Verwerende partij: Globalcaja S.A.

Prejudiciële vragen

1)

Heeft de onverbindendheid waarin artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 (1) voorziet, tot gevolg dat de handelaar en de consument een beding dat niet voldoet aan het vereiste van een duidelijke en begrijpelijke formulering in de zin van artikel 4, lid 2, niet via een onderhandse overeenkomst kunnen wijzigen, hetzij door de in dat beding opgenomen bodemrente te verlagen, hetzij door het te vervangen door een ander beding dat minder nadelig is voor de consument?

Luidt het antwoord op die vraag anders indien de desbetreffende wijziging is vervat in een overeenkomst tussen de consument en de handelaar die precies tot doel heeft het geschil inzake het mogelijke gebrek aan transparantie van een beding dat in een eerder tussen hen gesloten overeenkomst is opgenomen zonder dat daar afzonderlijk over is onderhandeld, te regelen zonder een beroep te doen op de rechterlijke instanties?

2)

Moet artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat twee bedingen in een overeenkomst tussen de handelaar en de consument waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, waarbij enerzijds een in een eerdere overeenkomst tussen beiden vervat beding wordt gewijzigd — in die zin dat het wordt vervangen door een beding dat minder nadelig is voor de consument — en de consument anderzijds afstand doet van zijn recht een gerechtelijke of buitengerechtelijke vordering in te stellen wegens het eventuele gebrek aan transparantie van dat beding en de gevolgen van dat gebrek aan transparantie, vallen onder de begrippen „eigenlijke voorwerp van de overeenkomst” en „gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten”?

3)

Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, moet artikel 4 van richtlijn 93/13 dan aldus worden uitgelegd dat met „de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft” en „alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, […] op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen” alleen rekening kan worden gehouden om het oneerlijke karakter te beoordelen van bedingen die geen betrekking hebben op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst? Of kunnen diezelfde criteria ook in aanmerking worden genomen om de transparantie te beoordelen van bedingen die betrekking hebben op het eigenlijke voorwerp [van de overeenkomst zoals bedoeld in] artikel 4, lid 2?

4)

Indien het antwoord op de tweede vraag bevestigend luidt, is het dan verenigbaar met artikel 4, lid 2, van de richtlijn — en in het bijzonder met de vereisten van een duidelijke en begrijpelijke formulering en van transparantie die eruit voortvloeien — dat het volgens nationale rechtspraak, met betrekking tot een overeenkomst tussen de handelaar en de consument waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en die strekt tot wijziging van een in een eerdere overeenkomst tussen beiden vervat beding, niet nodig is dat de handelaar de consument in kennis stelt van het mogelijke gebrek aan transparantie van dat beding, op grond dat de criteria die aanleiding geven tot dat gebrek aan transparantie welbekend zijn?

5)

Indien het antwoord op de tweede vraag bevestigend luidt, moet artikel 4, lid 2, van de richtlijn dan aldus worden uitgelegd dat een beding waarbij de consument ervan afziet gerechtelijke of buitengerechtelijke vorderingen in te stellen wegens het mogelijke gebrek aan transparantie van een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, slechts voldoet aan het vereiste van een „duidelijke en begrijpelijke formulering” indien de handelaar de consument vooraf in kennis heeft gesteld van de concrete rechten waarvan hij afstand doet en, in het bijzonder, van het concrete bedrag van de terugvordering waarvan hij afziet?


(1)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/23


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Tribunal Administrativo e Fiscal de Coimbra (Portugal) op 5 oktober 2018 — Nelson Antunes da Cunha, Lda / Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP)

(Zaak C-627/18)

(2018/C 455/33)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Tribunal Administrativo e Fiscal de Coimbra

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Nelson Antunes da Cunha, Lda

Verwerende partij: Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas IP (IFAP)

Prejudiciële vragen

1)

Is de verjaringstermijn voor de uitoefening van bevoegdheden tot terugvordering van steun als bedoeld in artikel 17, lid 1, van verordening (EU) 2015/1589 (1) van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, enkel van toepassing op de betrekkingen tussen de Europese Unie en de lidstaat tot welke het besluit tot terugvordering van de steun is gericht, of eveneens op de betrekkingen tussen die lidstaat en eiseres in verzet als begunstigde van de met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar geachte steun?

2)

Indien wordt geoordeeld dat de bovenvermelde verjaringstermijn van toepassing is op de betrekkingen tussen de lidstaat tot welke het besluit tot terugvordering van de steun is gericht en de begunstigde van de met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar geachte steun, dient dan te worden aangenomen dat die verjaringstermijn enkel van toepassing is op de procedurele fase, of eveneens bij de tenuitvoerlegging van het terugvorderingsbesluit?

3)

Indien wordt geoordeeld dat de bovenvermelde verjaringstermijn van toepassing is op de betrekkingen tussen de lidstaat tot welke het besluit tot terugvordering van de steun is gericht en de begunstigde van de met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar geachte steun, dient dan te worden aangenomen dat die verjaringstermijn wordt gestuit door om het even welke handeling van de Commissie of van de lidstaat in verband met de onrechtmatige steun, ook al is de begunstigde van de terug te betalen steun van die handelingen nog niet in kennis gesteld?

4)

Staan artikel 16, lid 2, van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 en de Europese beginselen, met name het doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel dat staatssteun onverenigbaar is met de interne markt, in de weg aan de toepassing van een verjaringstermijn die korter is dan de in artikel 17 van die verordening gestelde verjaringstermijn, zoals de verjaringstermijn die in artikel 310, lid 1, onder d), van het Burgerlijk Wetboek is opgelegd voor rente waarmee die terug te vorderen steun wordt vermeerderd?


(1)  PB 2015, L 248, blz. 9.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/24


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski gradski sad (Bulgarije) op 8 oktober 2018 — EN, FM, GL/Ryanair Designated Activity Company (RYANAIR DAC)

(Zaak C-629/18)

(2018/C 455/34)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Sofiyski gradski sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: EN, FM, GL

Verwerende partij: Ryanair Designated Activity Company (RYANAIR DAC)

Prejudiciële vraag

Is het verenigbaar met artikel 25 van verordening (EU) nr. 1215/2012 (1) van het Europees Parlement en de Raad dat het bevoegde gerecht voor beroepen krachtens verordening (EG) nr. 261/2004 (2) van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 wordt aangewezen bij een overeenkomst die is gesloten voordat het geschil is ontstaan?


(1)  Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

(2)  PB 2004, L 46, blz. 1.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/25


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Okrazhen sad Vidin (Bulgarije) op 17 oktober 2018 — Korporativna targovska banka AD (insolvent verklaard) / Elit Petrol AD

(Zaak C-647/18)

(2018/C 455/35)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Okrazhen sad Vidin

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Korporativna targovska banka AD (insolvent verklaard)

Verwerende partij: Elit Petrol AD

Prejudiciële vragen

1)

i)

Moet de door artikel 2 VEU beschermde waarde „rechtsstaat” aldus worden uitgelegd dat de nationale wetgever bij de vaststelling van rechtsvoorschriften in een lidstaat verplicht is om zich te richten naar de rechtsbeginselen en criteria die de „rechtsstaat” kenmerken, welke zijn ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de mededeling van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 met als titel „Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat”?

ii)

Moeten de in artikel 2 EU verankerde waarde „rechtsstaat” en de algemene beginselen daarvan — rechtmatigheid, rechtszekerheid, onafhankelijke en doeltreffende rechterlijke toetsing, ook ten aanzien van de eerbiediging van de grondrechten en de gelijkheid voor de wet — aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de vaststelling van een nationaal voorschrift zoals § 5 van de overgangs- en slotbepalingen van de Zakon za izmenenie i dopalnenie na Zakona za bankovata nesastoyatelnost (Bulgaarse wet tot wijziging en vervollediging van de wet betreffende de insolventie van banken; hierna: „ZIDZBN”), waarbij op uitzonderlijke wijze is voorzien in een nieuwe regeling van de sociale verhoudingen die verbonden zijn met de inschrijving van zekerheidsrechten in de openbare registers ten behoeve van een concreet privaatrechtelijk rechtssubject? In het concrete geval worden de in de registers ingeschreven doorhalingen van zekerheidsrechten die ten behoeve van de insolvente KTB AD zijn gevestigd, bij het nationale voorschrift met terugwerkende kracht nietig verklaard, en creëert dit voorschrift rechtsonzekerheid omdat daarin is bepaald dat de insolvente KTB AD zich jegens derden van rechtswege kan beroepen op de zekerheidsrechten die geacht worden te zijn doorgehaald, ook al zijn de verbintenissen waarvoor de zekerheidsrechten waren gevestigd, reeds nagekomen.

iii)

De rechter wenst een uitlegging met betrekking tot de vraag of hij zich rechtstreeks mag baseren op artikel 2 VEU en dit artikel rechtstreeks mag toepassen wanneer hij vaststelt dat de wijze waarop het nationale voorschrift van § 5 van de overgangs- en slotbepalingen van de ZIDZBN de rechtsgevolgen van inschrijvingen van zekerheidsrechten in de openbare registers ten behoeve van de insolvente KTB AD met terugwerkende kracht opnieuw regelt, de waarde „rechtsstaat” en de bovengenoemde algemene beginselen daarvan schendt?

iv)

Welke criteria en voorwaarden moet de nationale rechter toepassen wanneer hij toetst of de waarde „rechtsstaat” in de zin van artikel 2 VEU niet in de weg staat aan de vaststelling van een nationaal voorschrift als § 5 van de overgangs- en slotbepalingen van de ZIDZBN?

v)

Moet artikel 67, lid 1, VWEU, volgens hetwelk de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd, aldus worden uitgelegd dat die bepaling zich verzet tegen nationale voorschriften die leiden tot onzekerheid in het civiele en handelsverkeer of vooruitlopen op de uitkomst van aanhangige rechtszaken?

2)

i)

De rechter wenst te vernemen of de toe te passen bepalingen van artikel 7, lid 2, onder h), en artikel 8 van verordening (EU) 2015/848 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures juncto artikel 2 VEU stelselmatig in verband met de grondrechten als bedoeld in artikel 17, lid 1, artikel 20 en artikel 47, lid 2, van het Handvest kunnen worden uitgelegd.

ii)

Als de genoemde bepalingen van het Unierecht moeten worden uitgelegd in verband met de rechten van het Handvest, is het dan toelaatbaar dat deze rechten worden toegepast in een insolventieprocedure in een lidstaat en moet de in die rechten verankerde bescherming dan aldus worden uitgelegd dat deze zich verzet tegen een nationaal rechtsvoorschrift waarbij de sociale verhoudingen op uitzonderlijke wijze en met terugwerkende kracht opnieuw worden geregeld ten behoeve van een door de wetgever concreet genoemde schuldeiser?

iii)

Wanneer artikel 7, lid 2, onder h), en artikel 8 van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures worden uitgelegd in verband met de rechten die voortvloeien uit artikel 17, lid 1, artikel 20 en artikel 47, lid 2, van het Handvest, staan die bepalingen dan in de weg aan de toepassing van een nationale rechtsnorm waarbij de in de registers ingeschreven doorhalingen van de zekerheidsrechten van KTB AD met terugwerkende kracht nietig worden verklaard en de ten behoeve van de insolvente KTB AD „herlevende” zekerheidsrechten van rechtswege jegens derden geldig worden verklaard, waardoor de rechten van de andere schuldeisers worden geschonden en de volgorde van voldoening van de vorderingen in de insolventieprocedure wordt gewijzigd?

iv)

Kan artikel 7, lid 2, onder h), van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures in verband met de rechten die voortvloeien uit artikel 17, lid 1, artikel 20 en artikel 47, lid 2, van het Handvest aldus worden uitgelegd dat die bepaling aan de voorwaardelijke vaststelling van vorderingen van een door de wetgever concreet genoemde schuldeiser (KTB AD) in een insolventieprocedure in de weg staat wanneer de vorderingen van deze schuldeiser bij de indiening ervan volledig zijn tenietgegaan door verrekening en er over de betwisting van de verrekening rechtszaken aanhangig zijn die nog niet zijn beëindigd? Als de voorwaarde waaronder de schuldeiser zijn vorderingen bij insolventie indient, inhoudt dat de nationale rechter de verrekeningen waardoor de vorderingen zijn tenietgegaan, ongeldig verklaart, laat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 47, lid 2, van het Handvest dan een nationaal rechtsvoorschrift toe dat met terugwerkende kracht de voorwaarden voor een geldige verrekening wijzigt en daardoor vooruitloopt op de uitkomst van de aanhangige rechtszaken over de betwisting van de verrekening respectievelijk over de vaststelling van de vordering in de insolventieprocedure?

v)

De rechter heeft behoefte aan een aanwijzing of hij zich rechtstreeks mag baseren op artikel 7, lid 2, onder h), en artikel 8 van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures juncto artikel 17, lid 1, artikel 20 en artikel 47, lid 2, van het Handvest en of hij deze bepalingen rechtstreeks mag toepassen wanneer hij vaststelt dat de nationale rechtsvoorschriften die de grondslag vormen van de voorwaardelijke vaststelling van de vordering van KTB AD en/of die met zich meebrengen dat de voorwaarde wordt vervuld waaronder de vordering wordt ingediend, in strijd zijn met Unierechtelijke bepalingen.

3)

Moet artikel 77 van richtlijn 2014/59/EU (2) aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de toepassing van een nationale wet die met terugwerkende kracht wijzigingen aanbrengt in de voorwaarden voor de verrekening van wederzijdse vorderingen en verbintenissen met een kredietinstelling waarvoor een herstel- of afwikkelingsprocedure loopt, en die daardoor vooruitloopt op de uitkomst van aanhangige rechtszaken over de betwisting van de verrekeningen die aan de kredietinstelling worden tegengeworpen?


(1)  PB 2015, L 141, blz. 19.

(2)  Richtlijn 2014/59/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190).


Gerecht

17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/27


Beroep ingesteld op 8 oktober 2018 — ZF / Commissie

(Zaak T-605/18)

(2018/C 455/36)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZF (vertegenwoordiger: J.-N. Louis, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

te verklaren en vast te stellen,

het besluit van de Commissie van 30 november 2017 tot vaststelling van haar pensioenrechten met terugwerkende kracht tot 6 maart 2015 en het besluit van 31 januari 2018 om over te gaan tot terugvordering van hetgeen onverschuldigd zou zijn betaald worden nietig verklaard;

de Commissie wordt verwezen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan de onwettigheid van de intrekking van een handeling waarbij subjectieve rechten zijn verleend, aangezien haar rechten met eerbiediging van artikel 15, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie zijn vastgesteld bij haar indiensttreding bij EDEO op 1 oktober 2011. Dit besluit was dus hetzij wettig zodat het niet kon worden ingetrokken, hetzij onwettig zodat de intrekking alleen binnen een redelijke termijn kon geschieden.

2.

Tweede middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het besluit om haar als tijdelijk functionaris van de rang AD 12, salaristrap 8, met anciënniteit van salaristrap op 1 november 2007, aan te werven een wettig besluit was dat in overeenstemming was met de tussen partijen gesloten overeenkomst, zodat het niet op wettige wijze kon worden ingetrokken en kon worden vervangen door een besluit waarbij een aanpassingscoëfficiënt werd toegepast die tot een aanzienlijke verlaging van haar salaris leidde.

3.

Derde middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout van de Commissie bij haar beslissing dat de verzoekende partij een functie uitoefende die op het niveau van hoofd van een sector lag.

4.

Vierde middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, aangezien de bestreden besluiten geen relevante motivering bevatten.

5.

Vijfde middel, ontleend aan schending van artikel 85 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, op grond dat de verzoekende partij niet op de hoogte kon worden gesteld van een eventuele onregelmatigheid in het besluit tot vaststelling van haar rechten bij haar indiensttreding bij EDEO.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/28


Beroep ingesteld op 9 oktober 2018 — ZR/EUIPO

(Zaak T-610/18)

(2018/C 455/37)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: ZR (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en A. Blot, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van de jury van 1 december 2017 om de verzoekende partij niet op de „reservelijst”, dat wil zegen de databank van geslaagde kandidaten, te plaatsen van vergelijkend onderzoek EUIPO/AD/01/17 — AD 6 — Administrateurs op het gebied van de intellectuele eigendom;

voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van de jury van 7 maart 2018 tot afwijzing van het verzoek om herziening van de verzoekende partij;

voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van de uitvoerend directeur van EUIPO van 27 juni 2018, waarvan is kennisgegeven op 29 juni 2018, tot afwijzing van de klacht van de verzoekende partij;

verwijzing van de verwerende partij in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van de artikelen 27 en 29 van het Statuut en van artikel 1, onder a) en c), van bijlage III bij het Statuut.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van artikel 30 van het Statuut en van artikel 3 van bijlage III daarbij alsmede van artikel 3 van bijlage III bij de aankondiging van vergelijkend onderzoek („algemene regels voor vergelijkende onderzoeken”).

De verzoekende partij beroept zich in dit verband op de onregelmatige benoeming van de leden van de jury.

De verzoekende partij verwijst voorts naar het gebrek aan bekendmaking van de besluiten tot benoeming van de jury en van de namen van alle leden daarvan.

De verzoekende partij beroept zich op de niet-gelijkwaardigheid voor wat betreft de vertegenwoordiging van het personeelscomité/het tot aanstelling bevoegd gezag in de jury.

Tevens beroept zij zich op een niet-gelijkwaardige vertegenwoordiging in die jury vanuit het oogpunt van genderevenwicht.

Tot slot stelt zij dat het beginsel van stabiliteit en van continuïteit van de jury is geschonden.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling.

4.

Vierde middel, ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten, niet-nakoming van de motiveringsplicht en gebrek aan transparantie.

De verzoekende partij stelt dat de jury geen rekening heeft gehouden met bepaalde feiten en verwijst in dat verband naar de beoordeling door de jury van bevoegdheden zoals omschreven in de aankondiging van vergelijkend onderzoek.

De verzoekende partij betoogt dat bepaalde, in het competentiepaspoort gespecificeerde resultaten niet in overeenstemming waren met de aankondiging van vergelijkend onderzoek en voert in dat opzicht een gebrek aan transparantie aan.

Voorts stelt de verzoekende partij dat het competentiepaspoort tegenstrijdige verklaringen bevatte.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/29


Beroep ingesteld op 9 oktober 2018 — Pharmaceutical Works Polpharma / EMA

(Zaak T-611/18)

(2018/C 455/38)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Pharmaceutical Works Polpharma S.A. (Starogard Gdański, Polen) (vertegenwoordigers: M. Martens, N. Carbonnelle, advocaten en S. Faircliffe, solicitor)

Verwerende partij: Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van het EMA van 30 juli 2018 tot weigering van verzoeksters aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen van Dimethyl Fumarate Polpharma, een generieke versie van Tecfidera;

verwijzing van het EMA in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één middel aan.

Het bestreden besluit weigert verzoeksters aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen van Dimethyl Fumarate Polpharma te valideren, omdat het referentiegeneesmiddel de regelgevende gegevensbescherming geniet.

Tegen het besluit tot het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen van het referentiegeneesmiddel wordt een exceptie van onwettigheid op basis van artikel 277 VWEU opgeworpen, omdat in dat besluit een kennelijke onjuiste conclusie is getrokken met betrekking tot het verschil tussen dat product en Fumaderm met het oog op een „algemene vergunning voor het in de handel brengen”. Met één middel stelt verzoekster dat, aangezien de exceptie van onwettigheid ontvankelijk en gegrond is, de motivering van het bestreden besluit om verzoeksters aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen niet te valideren, niet voldoet aan de vereisten van artikel 296 VWEU.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/30


Beroep ingesteld op 8 oktober 2018 — Diesel/EUIPO Sprinter megacentrosdel deporte (D)

(Zaak T-615/18)

(2018/C 455/39)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Diesel SpA (Breganze, Italië) (vertegenwoordiger: A. Parassina, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Sprinter megacentros del deporte, SL (Elche, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk D — inschrijvingsaanvraag nr. 11 404 019

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 3 augustus 2018 in zaak R 2657/2017-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten van de procedure.

Aangevoerde middelen

schending van regel 22, lid 3, van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie;

schending van artikel 47, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad;

schending van artikel 72, lid 6, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/30


Beroep ingesteld op 15 oktober 2018 — ZI / Commissie

(Zaak T-618/18)

(2018/C 455/40)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZI (vertegenwoordiger: J.-N. Louis, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het besluit van de Commissie houdende weigering om haar echtgenoot aan te sluiten bij de GRZV nietig te verklaren;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij een middel aan, ontleend aan de onwettigheid van artikel 13 van de gemeenschappelijke regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Unie, aangezien dit artikel in strijd is met artikel 72 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie daar het de strekking daarvan beperkt.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/31


Beroep ingesteld op 22 oktober 2018 — E.J. Papadopoulos/EUIPO — Europastry (fripan VIENNOISERIE CAPRICE Pur Beurre)

(Zaak T-628/18)

(2018/C 455/41)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Viomichania mpiskoton kai eidon diatrofis E.J. Papadopoulos S.A. (Moschato-Tavros, Griekenland) (vertegenwoordigers: C. Chrysanthis, P.-V. Chardalia en A. Vasilogamvrou, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Europastry, SA (Sant Cugat del Vallès, Spanje)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk fripan VIENNOISERIE CAPRICE Pur Beurre — inschrijvingsaanvraag nr. 13 125 265

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 8 augustus 2018 in zaak R 493/2018-5

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO en Europastry, SA, indien zij intervenieert, in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/32


Beroep ingesteld op 23 oktober 2018 — ZM e.a. / Raad

(Zaak T-632/18)

(2018/C 455/42)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: ZM, ZN en ZO (vertegenwoordiger: N. de Montigny, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

de voor hen bezwarende besluiten nietig te verklaren, bestaande in besluiten van het TABG om hun niet de schoolkosten voor het jaar 2017/2018 te vergoeden, welke besluiten op verschillende manieren kenbaar zijn gemaakt afhankelijk van de omstandigheden van elke verzoekende partij:

hetzij middels een individueel besluit (en meer bepaald middels een e-mail) waarin die weigering werd gepreciseerd;

hetzij via de vermelding „processed” in hun Sysper-systeem welke door de verzoekende partij als afwijzing wordt beschouwd, aangezien de daaropvolgende salarisafrekening de volgende maand (ten vroegste de 10e aangezien het om de datum van toezending van de salarisafrekeningen gaat) geen vergoeding of alleen een vergoeding voor de vervoerskosten bevat;

de verwerende partij te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen vier middelen aan.

Eerste middel, ontleend aan schending van artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en van de algemene uitvoeringsbepalingen voor de vergoeding van ziektekosten, aangezien de gewijzigde uitlegging door de verwerende partij een inbreuk vormde op de verworven rechten, de gewettigde verwachtingen, de rechtszekerheid en het beginsel van behoorlijk bestuur.

Tweede middel, ontleend aan schending van de rechten van het kind, van het recht op een gezinsleven en het recht op onderwijs.

Derde middel, ontleend aan schending van de beginselen van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie.

Vierde middel, ontleend aan het ontbreken van een daadwerkelijke afweging van hun belangen en niet-eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel in het bestreden besluit.


17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 455/32


Beroep ingesteld op 22 oktober 2018 — Rose Gesellschaft/EUIPO — Iviton (TON JONES)

(Zaak T-633/18)

(2018/C 455/43)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Rose Gesellschaft mbH (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordiger: R. Kornfeld, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Iviton s. r. o. (Prešov, Slowakije)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: aanvraag voor Uniewoordmerk TON JONES — inschrijvingsaanvraag nr. 15 109 614

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 12 juli 2018 in zaak R 2136/2017-2

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie gelasten de oppositieprocedure voort te zetten met afwijzing van de aangevoerde weigeringsgrond;

het EUIPO verwijzen in de kosten.

in geen geval de aanvrager van het Uniemerk te verwijzen in de proceskosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 15 van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad.