|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
61e jaargang |
|
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
|
I Resoluties, aanbevelingen en adviezen |
|
|
|
ADVIEZEN |
|
|
|
Europees Economisch en Sociaal Comité |
|
|
|
537e zitting van het EESC, 19.9.2018-20.9.2018 |
|
|
2018/C 440/01 |
||
|
2018/C 440/02 |
||
|
2018/C 440/03 |
||
|
2018/C 440/04 |
||
|
2018/C 440/05 |
||
|
2018/C 440/06 |
||
|
2018/C 440/07 |
|
|
III Voorbereidende handelingen |
|
|
|
EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ |
|
|
|
537e zitting van het EESC, 19.9.2018-20.9.2018 |
|
|
2018/C 440/08 |
||
|
2018/C 440/09 |
||
|
2018/C 440/10 |
||
|
2018/C 440/11 |
||
|
2018/C 440/12 |
||
|
2018/C 440/13 |
||
|
2018/C 440/14 |
||
|
2018/C 440/15 |
||
|
2018/C 440/16 |
||
|
2018/C 440/17 |
||
|
2018/C 440/18 |
||
|
2018/C 440/19 |
||
|
2018/C 440/20 |
||
|
2018/C 440/21 |
||
|
2018/C 440/22 |
||
|
2018/C 440/23 |
||
|
2018/C 440/24 |
||
|
2018/C 440/25 |
||
|
2018/C 440/26 |
||
|
2018/C 440/27 |
||
|
2018/C 440/28 |
||
|
2018/C 440/29 |
||
|
2018/C 440/30 |
||
|
2018/C 440/31 |
||
|
2018/C 440/32 |
||
|
2018/C 440/33 |
||
|
2018/C 440/34 |
|
NL |
|
I Resoluties, aanbevelingen en adviezen
ADVIEZEN
Europees Economisch en Sociaal Comité
537e zitting van het EESC, 19.9.2018-20.9.2018
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/1 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over kunstmatige intelligentie — Anticiperen op de gevolgen ervan voor werk om een eerlijke transitie te waarborgen
(initiatiefadvies)
(2018/C 440/01)
|
Rapporteur: |
Franca SALIS-MADINIER |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
15.2.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 29, lid 2, van het reglement van orde |
|
Bevoegde afdeling |
Afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
183/1/2 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Kunstmatige intelligentie (KI) en robotica zullen de gevolgen van de digitalisering van de economie voor de arbeidsmarkt vergroten en versterken (1). Van oudsher heeft technische vooruitgang invloed uitgeoefend op werk en werkgelegenheid, waardoor nieuwe vormen van sociale en maatschappelijke begeleiding vereist zijn geweest. De technologische ontwikkeling zal de economische en sociale vooruitgang zonder twijfel ten goede komen, maar het zou verkeerd zijn om de gevolgen ervan voor de samenleving te negeren of te onderschatten. Door KI zullen banen steeds meer geautomatiseerd worden (2). Daarom wil het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) door middel van een versterking en vernieuwing van het Europees sociaal model bijdragen aan de voorbereiding op de sociale veranderingen die gepaard zullen gaan met de opkomst van KI en robotica. |
|
1.2. |
Het EESC wenst de mogelijkheden van KI en de toepassingen ervan te benadrukken, waarbij het met name gaat om de gezondheidszorg, de veiligheid van vervoer en energie, de strijd tegen de klimaatverandering en het anticiperen op gevaren voor de cyberveiligheid. De Europese Unie, regeringen en maatschappelijke organisaties kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het ten volle benutten van de voordelen die KI kan opleveren, met name voor mensen met een handicap of met beperkte mobiliteit, ouderen en chronisch zieken. |
|
1.3. |
Het ontbreekt de EU echter aan gegevens over de digitale economie en de daaruit voortvloeiende sociale transformatie. Het EESC beveelt aan de statistische hulpmiddelen te verbeteren en de onderzoeksactiviteiten op te voeren, met name op het gebied van KI, het gebruik van industriële robots en diensten, het internet der dingen en nieuwe economische modellen (platformeconomie, nieuwe vormen van werk en werkgelegenheid). |
|
1.4. |
Het EESC vraagt de Europese Commissie de uitvoering van studies op het niveau van de Europese comités voor sectorale sociale dialoog naar de sectorale gevolgen van KI en robotica en in bredere zin de digitalisering van de economie te bevorderen en ondersteunen. |
|
1.5. |
Het staat buiten kijf dat KI en robotica werk zullen verplaatsen en veranderen, sommige banen overbodig zullen maken en weer andere banen zullen creëren. In elk geval moet de EU in overeenstemming met de Europese pijler van sociale rechten waarborgen dat alle werknemers en zelfstandigen of schijnzelfstandigen toegang hebben tot sociale bescherming. |
|
1.6. |
De Commissie heeft voorgesteld om het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering te versterken ter ondersteuning van met name werknemers en zelfstandigen die door de globalisering werkloos worden (3). Dat is een stap in de richting van een volwaardig Europees overgangsfonds dat kan bijdragen aan een maatschappelijk verantwoord beheer van de digitale transformatie. |
|
1.7. |
Het EESC beveelt aan dat de beginselen, verbintenissen en verplichtingen die zijn opgenomen in de bestaande teksten over de informatie en de raadpleging van werknemers die door de Europese instellingen en de sociale partners zijn goedgekeurd volledig worden toegepast en versterkt, met name bij de invoering van nieuwe technologieën zoals KI en robotica (4). Het EESC pleit voor een inclusief Europees programma voor KI dat is opgezet op grond van deze teksten en de Europese pijler van sociale rechten waarbij alle belanghebbenden betrokken zijn. |
|
1.8. |
De door de Commissie op te stellen ethische richtsnoeren voor KI zouden wat de interactie tussen intelligente werknemers en machines betreft een duidelijke grens moeten aangeven, zodat de mens nooit de uitvoerder van de machine wordt. In de geest van inclusieve AI moeten deze richtsnoeren beginselen omvatten voor participatie, verantwoordelijkheid en eigen inbreng in de productieprocessen zodat, zoals in het statuut van de IAO staat, werkenden in hun baan de voldoening vinden om al hun vaardigheden en kennis aan te spreken en zo goed mogelijk bij te dragen aan het algemeen belang. |
|
1.9. |
Het EESC beveelt tevens aan dat in deze richtsnoeren transparantiebeginselen worden opgenomen met betrekking tot het gebruik van KI-systemen voor het in dienst nemen en evalueren van en leiding geven aan werknemers, alsmede beginselen voor gezondheid en veiligheid en voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Tot slot moeten zij de bescherming van de rechten en vrijheden bij de verwerking van werknemersgegevens waarborgen, met inachtneming van het non-discriminatiebeginsel. |
|
1.10. |
Er zal toezicht moeten worden gehouden op de toepassing van de ethische richtsnoeren op het gebied van KI. Een Europese waarnemingspost voor ethiek in KI-systemen zou deze rol van toezichthouder of bewaker toegewezen kunnen krijgen, ook voor het bedrijfsleven. |
|
1.11. |
Het EESC beveelt tevens aan ingenieurs en ontwikkelaars van intelligente apparaten te onderwijzen over ethische kwesties om nieuwe vormen van digitaal taylorisme — waarbij de mens alleen nog maar instructies van slimme machines volgt — te voorkomen. De verspreiding van goede praktijken en de uitwisseling van ervaringen op dit gebied moeten worden bevorderd. |
|
1.12. |
Het EESC vraagt om verduidelijking van het beginsel van de wettelijke aansprakelijkheid. In het licht van de richtlijn inzake productaansprakelijkheid vereisen de nieuwe gezondheids- en veiligheidsrisico’s in de interactie tussen mens en machine een ambitieuzere aanpak (5). |
|
1.13. |
Gezien het gevaar dat de digitalisering leidt tot sociale polarisatie roept het EESC de instellingen van de EU op een debat aan te zwengelen over de financiering van begrotingsmiddelen en socialebeschermingsstelsels in een economie waar de roboticadichtheid toeneemt (6), aangezien de belasting op arbeid nog altijd de voornaamste bron van belastinginkomsten in Europa is. Met het oog op het billijkheidsbeginsel zou dit debat ook de herverdeling van de winst van de digitalisering moeten behelzen. |
2. Inleiding
|
2.1. |
KI heeft een ongekende ontwikkeling doorgemaakt sinds de opkomst van dit concept in 1956, en gedurende de hele tweede helft van de twintigste eeuw. Ze heeft tot hooggespannen verwachtingen maar ook tot grote desillusies geleid. Sinds enkele jaren maakt zij echter opnieuw een grote bloei door dankzij de verzameling, ordening en opslag van een hoeveelheid gegevens („big data”) die ongekend is in de geschiedenis van de mensheid en dankzij de exponentiële toename van de computercapaciteit en de mogelijkheden van algoritmen. |
|
2.2. |
Het EESC heeft in 2017 een advies (7) over KI opgesteld waarin tal van uitdagingen worden aangekaart. Zoals in dit advies wordt benadrukt, bestaat er geen exacte definitie van KI. In het kader van dit advies vatten wij KI op als een discipline die digitale technologieën beoogt te gebruiken voor het creëren van systemen die zelfstandig menselijke cognitieve functies kunnen reproduceren — inclusief met name het begrijpen van gegevens, een vorm van begrip en van aanpassing (oplossen van problemen, automatisch redeneren en leren). |
|
2.3. |
KI-systemen zijn tegenwoordig in staat complexe problemen op te lossen, die soms buiten het bereik van menselijke intelligentie liggen. De toepassingen zijn schijnbaar ontelbaar, zowel op het gebied van het bankwezen, verzekeringen, vervoer, gezondheidszorg, onderwijs, energie, marketing, defensie als op dat van onder meer de bouw, de landbouw en het ambacht (8). Van KI wordt verwacht dat zij de productie van goederen en diensten efficiënter maakt, het rendement van ondernemingen vergroot en aan de economische groei bijdraagt. |
|
2.4. |
Deze nieuwe bloei van KI doet ook opnieuw tal van vragen rijzen ten aanzien van haar mogelijke rol in de samenleving, haar mate van autonomie en haar interactie met de mens. Zoals in het in 2017 goedgekeurde advies van het EESC over KI (9) is benadrukt, gaan deze vragen voornamelijk over ethiek, veiligheid, transparantie, privacy en arbeidsnormen, onderwijs, toegankelijkheid, wet- en regelgeving, governance en democratie. |
|
2.5. |
Een wederzijdse beïnvloeding van de verschillende benaderingen in de discussie over KI is nodig om dit debat uit de economische sfeer te halen waarin die soms verstrikt raakt. Een dergelijk multidisciplinair kader zou nuttig zijn bij de analyse van de gevolgen van KI voor de arbeidsmarkt, aangezien die een van de voornaamste plaatsen van interactie is tussen mens en machine. Van oudsher is werk door techniek beïnvloed. De gevolgen van KI voor werkgelegenheid en werk vragen nu om bijzondere aandacht op politiek vlak, aangezien de instellingen met name de taak hebben om de processen van economische transformatie sociaal duurzaam te maken (10). |
|
2.6. |
Dit initiatiefadvies heeft tot doel de uitdagingen van KI voor werk, inclusief voor de aard ervan, arbeidsomstandigheden en arbeidsorganisatie, naar voren te brengen. Zoals reeds door het EESC is benadrukt (11), moeten de statistische hulpmiddelen worden verbeterd en de onderzoeksactiviteiten worden opgevoerd om precieze ramingen te kunnen maken ten aanzien van de ontwikkeling van de arbeidsmarkt, alsook duidelijke indicatoren te kunnen opstellen voor bepaalde tendensen met betrekking tot met name de kwaliteit van het werk, de polarisatie van arbeid en inkomsten en de arbeidsomstandigheden in de digitale transformatie. De EU beschikt niet over voldoende gegevens over de zogenaamde „deeleconomie”, platforms voor werk op verzoek, nieuwe modellen voor onlineonderaanneming of het gebruik van industriële robots persoonsgebonden diensten, het internet der dingen en het gebruik en de verspreiding van KI-systemen. |
3. KI en de ontwikkeling van de werkgelegenheid
|
3.1. |
Over de vraag in hoeverre de invoering van KI en robotica in productieprocessen ten koste zal gaan van de werkgelegenheid zijn de meningen verdeeld. Talrijke studies hebben getracht antwoord te geven op deze vraag zonder echter tot een wetenschappelijke consensus te komen. Hun uiteenlopende resultaten (het aantal banen dat in gevaar is loopt uiteen van 9 % tot 54 % (12)) weerspiegelen de complexiteit van de methodologische keuzen en de doorslaggevende gevolgen ervan voor de onderzoeksresultaten. |
|
3.2. |
De prognoses zijn onzeker, omdat andere factoren dan het technisch automatiseringspotentieel ook een rol spelen: politieke, regelgevende, economische en demografische ontwikkelingen alsook de maatschappelijke aanvaardbaarheid. Dat de technologie voorhanden is, volstaat niet om het gebruik en de verspreiding ervan te garanderen. |
|
3.3. |
Het blijft dus onmogelijk voor elke sector een netto-aantal van automatiseerbare banen te voorspellen zonder rekening te houden met de verandering van beroepen en het tempo waarmee nieuwe banen worden gecreëerd. De ontwikkeling van KI-systemen zal namelijk nopen tot nieuwe arbeidsplaatsen in engineering, informatica en telecommunicatie (ingenieurs, technici en operators) en op het gebied van megagegevens („big data”): gegevensfunctionarissen („data officers”), gegevensanalisten („data analysts”), gegevensonderzoekers („data miners”) enz. |
|
3.4. |
Overheidsinstellingen moeten zorgen voor de sociale duurzaamheid van deze digitalisering, die van invloed zal kunnen zijn op zowel de kwantiteit als de kwaliteit van banen (13). Deskundigen wijzen in dit verband onder meer op het risico van polarisatie van banen tussen enerzijds „winnaars”, die over de kwalificaties beschikken die van nut zijn voor de digitale economie, en anderzijds „verliezers”, van wie de kwalificaties, ervaring en kennis geleidelijk achterhaald zullen raken door deze transformatie. In haar recente mededeling (14) stelt de Europese Commissie een oplossing voor deze uitdaging voor die voornamelijk betrekking heeft op inspanningen op het gebied van onderwijs, opleiding, verbetering van de basisvaardigheden in schrijven, lezen en rekenen en van de digitale vaardigheden. Deze oplossing verdient de steun van economische en sociale actoren, met name in het kader van de nationale, Europese, bedrijfstakoverkoepelende en sectorale sociale dialoog (15). |
|
3.5. |
Het EESC is echter van mening dat dergelijke inspanningen niet zullen volstaan om tegemoet te komen aan alle uitdagingen, met name aan de onzekerheid in de ontwikkeling van banen. Drie aanvullende opties zijn het waard te worden ontwikkeld: een „inclusieve” KI, de anticipatie op veranderingen en tot slot — wanneer sociale plannen onvermijdelijk zijn geworden — maatschappelijk verantwoorde en afgebakende herstructureringen. |
4. Inclusieve en slimme KI en robotisering
|
4.1. |
Het EESC steunt het beginsel van een programma voor inclusieve KI en robotisering. Bij de invoering in bedrijven van nieuwe processen die gebruikmaken van nieuwe technologieën zou het conform dat beginsel nuttig zijn om werknemers inspraak te geven in de werking van deze processen. Zoals de WRR opmerkt (16), kan de „inclusieve en slimme” invoering van nieuwe technologieën — waarbij werknemers centraal blijven staan in de processen en bijdragen aan de verbetering ervan — helpen de verbetering van productieprocessen te bevorderen (17). |
|
4.2. |
Gezien de rol die algoritmen spelen bij de manier waarop mensen worden gerekruteerd, werken en worden beoordeeld, staat het EESC achter algoritmische transparantie. Dat betekent niet dat codes openbaar worden gemaakt, maar dat de parameters en criteria van beslissingen begrijpelijk worden gemaakt. Er moet altijd een beroep op mensen kunnen worden gedaan. |
|
4.3. |
Een KI-systeem dat de werknemer centraal stelt, houdt rekening met de standpunten van de personen die in nieuwe technologische processen werkzaam zullen zijn, stelt duidelijk de taken en verantwoordelijkheden vast die in handen van de werknemers zullen blijven en handhaaft vormen van eigen inbreng in het werk door werknemers om te voorkomen dat zij louter uitvoerders worden. |
|
4.4. |
Het beginsel van wettelijke aansprakelijkheid moet worden verduidelijkt. Industriële of dienstenrobots werken steeds meer samen met de mens. KI zorgt ervoor dat robots „uit hun kooi komen”, en hierbij kunnen zich ongevallen voordoen (18). Daarom moet de aansprakelijkheid van autonome systemen bij ongevallen duidelijk worden vastgesteld; de risico’s op het gebied van gezondheid en veiligheid die werknemers lopen, moeten kunnen worden gedekt. Tegen de achtergrond van de richtlijn inzake productaansprakelijkheid (19) is de Europese Commissie een discussie begonnen over deze nieuwe risico’s. Wat de veiligheid op het werk betreft zou deze aanpak een stuk ambitieuzer moeten zijn. |
|
4.5. |
Het op de arbeidsmarkt toegepaste beginsel van billijkheid bestaat erin de werknemer zijn werk niet te ontnemen. Sommige deskundigen wijzen op het risico dat werknemers door KI vaardigheden kwijtraken. Conform het statuut van de IAO moeten werkenden daarom in hun baan de voldoening vinden om al hun vaardigheden en kennis aan te spreken en zo goed mogelijk bij te dragen aan het algemeen belang. Vanuit het oogpunt van het management is het ook een manier om werknemers gemotiveerd te houden. |
5. Anticiperen op veranderingen
|
5.1. |
In tal van studies wordt erop gewezen dat de sociale dialoog op Europees niveau, en soms op nationaal niveau, in de afgelopen jaren is uitgehold, en dit ondanks de bereidheid van de Commissie en de Europese Raad om deze dialoog te „hervatten”. Deze sociale dialoog is desalniettemin een van de meest geschikte hulpmiddelen om het hoofd te bieden aan de sociale uitdagingen van de digitalisering. Daarom pleit het EESC er ten zeerste voor dat deze dialoog een vaste praktijk wordt in bedrijven en op alle relevante niveaus teneinde de veranderingen op een maatschappelijk aanvaardbare wijze voor te bereiden. Het EESC herinnert eraan dat de sociale dialoog een van de beste garanties vormt voor sociale vrede en vermindering van de ongelijkheid. Naast politieke verklaringen om de sociaal dialoog te hervatten, hebben de instellingen van de EU een grote verantwoordelijkheid om deze te stimuleren en te ondersteunen. |
|
5.2. |
Met name ten aanzien van de invoering van deze technologieën moet deze dialoog er enerzijds voor zorgen dat de vooruitzichten van de verandering van de productieprocessen op het niveau van ondernemingen en sectoren bekend zijn en dat de nieuwe behoeften op het gebied van kwalificaties en opleiding in kaart worden gebracht. Anderzijds moet ook alvast worden nagedacht over het gebruik van KI om organisatorische en productieprocessen te verbeteren, de kwalificaties van werknemers te vergroten en de door KI vrijgemaakte middelen te optimaliseren voor de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten of voor de verbetering van de kwaliteit van de klantendienst. |
|
5.3. |
Maatschappelijk verantwoorde herstructureringen |
|
5.4. |
Indien sociale plannen onvermijdelijk worden geacht, hebben de uitdagingen te maken met het sociaal beheer van deze herstructureringen. Zoals de Europese sociale partners in hun „Richtsnoeren voor het beheer van veranderingen en de sociale gevolgen ervan” (20) hebben benadrukt, wijzen tal van casestudy’s op het belang van onderzoek naar alle mogelijke alternatieven voor ontslagen, zoals opleiding, omscholing en steun voor de oprichting van bedrijven. |
|
5.5. |
In geval van herstructureringen moet de informatie en de raadpleging van de werknemers, overeenkomstig de toepasselijke Europese richtlijnen (21) het mogelijk maken om het anticiperen op risico’s te bevorderen, de toegang van werknemers tot opleidingsmogelijkheden binnen de onderneming te verbeteren, de organisatie van het werk flexibeler te maken in een kader van zekerheid, en de betrokkenheid van de werknemers bij de plannen voor de toekomst van de onderneming te bevorderen. |
|
5.6. |
Zoals de Europese Commissie zeer terecht benadrukt, moet de EU overeenkomstig de Europese pijler van sociale rechten (22) dus waarborgen dat alle burgers, waaronder werknemers en zelfstandigen of schijnzelfstandigen, toegang hebben tot sociale bescherming, „ongeacht de aard en de duur van hun arbeidsrelatie”. |
6. KI en verbetering van de arbeidsomstandigheden
|
6.1. |
Op 25 april 2018 heeft de Europese Commissie een „Europese benadering” voorgesteld ter bevordering van beleid voor investering in de ontwikkeling van KI en voor het instellen van richtsnoeren op het gebied van ethiek. Zij wijst op het transformatiepotentieel van onze samenleving dat met KI-technologieën gepaard gaat, met name in de sectoren vervoer, gezondheidszorg en in de verwerkende industrie. |
|
6.2. |
Dit transformatiepotentieel komt tot uiting in de productieprocessen en heeft ook een impact op de inhoud van werk. Deze impact kan positief uitdraaien, met name wat betreft de wijze waarop KI deze processen en de kwaliteit van werk kan verbeteren. Dezelfde positieve gevolgen kunnen afstralen op „flexibele” arbeidsorganisaties waar meer sprake is van gedeelde besluitvorming, alsook autonomie van de teams, ruime inzetbaarheid, horizontale organisatie en innovatieve en participatieve praktijken (23). |
|
6.3. |
Zoals het EESC (24) en de Commissie zelf benadrukken, kan KI werknemers helpen bij terugkerende, moeilijke of zelfs gevaarlijke taken en kunnen bepaalde toepassingen van KI het welzijn van werknemers verbeteren en hun dagelijkse werkzaamheden vergemakkelijken. |
|
6.4. |
Deze visie gaat echter gepaard met nieuwe vragen, met name ten aanzien van de interactie tussen KI en de werknemer, en de ontwikkeling van de inhoud van het werk. In hoeverre zullen slimme machines in fabrieken, ondernemingen en kantoren autonoom zijn en welke vormen van complementariteit met menselijke arbeid zullen er zijn? Het EESC benadrukt dat de definitie van de relatie tussen mens en machine in de nieuwe arbeidswereld van het grootste belang is. Het is essentieel dat de mens te allen tijde de controle over de machine behoudt (25). |
|
6.5. |
Het is a priori ethisch niet aanvaardbaar dat een mens door KI in zijn doen en laten wordt beperkt, of wordt gezien als een uitvoerder van een machine die hem vertelt welke taken hij moet vervullen, op welke manier en binnen welke termijn. Toch lijkt deze ethische grens soms te worden overschreden (26). Daarom moet deze ethische grens duidelijk worden verwoord in de ethische richtlijnen van de AI. |
|
6.6. |
Het moet een prioriteit zijn voor de EU om te voorkomen dat heden ten dage door ontwikkelaars van slimme machines nieuwe vormen worden gecreëerd van digitaal taylorisme. Zoals het EESC onlangs heeft bevestigd, moeten Europese onderzoekers, ontwikkelaars, ingenieurs en ondernemers die een bijdrage leveren aan het ontwerpen, ontwikkelen en op de markt brengen van KI-systemen daarom op ethisch en maatschappelijk verantwoorde wijze handelen. In dat verband is het wellicht een goed idee om binnen het opleidingsprogramma van ingenieurs ook aandacht aan ethische kwesties en geesteswetenschappen te besteden (27). |
|
6.7. |
Een ander vraagstuk betreft toezicht en controle op managementniveau. Iedereen is het eens over de noodzaak van verstandig toezicht op de productieprocessen en dus op het verrichte werk. Tegenwoordig kunnen dankzij nieuwe technologische hulpmiddelen mogelijkerwijs slimme systemen voor volledige controle in real-time van werknemers worden opgezet, met het risico echter dat toezicht en controle buitensporig worden. |
|
6.8. |
De vraag of de controle van de uitvoering van het werk, de prestatie-indicatoren en de vertrouwensrelatie tussen manager en medewerker redelijk en evenredig zijn, zou eveneens op de agenda van de nationale, Europese, bedrijfstakoverkoepelende en sectorale sociale dialoog moeten staan. |
|
6.9. |
Het vraagstuk of algoritmen en trainingsgegevens „bevooroordeeld” zijn en mogelijk negatieve discriminerende effecten teweegbrengen, blijft omstreden. Volgens sommigen zouden algoritmen en andere voorspellende aanwervingssoftware discriminatie bij indienstneming kunnen verminderen en „slimmere” aanwervingen kunnen bevorderen. Volgens anderen bestaat altijd het risico dat aanwervingssoftware, zelfs ongewild, de standpunten van de programmeurs van deze aanwervingsrobots weerspiegelt. Volgens sommige deskundigen zijn algoritmische modellen niet meer dan met wiskunde opgetuigde standpunten (28). Daarom moet er niet alleen voor worden gezorgd dat menselijk ingrijpen mogelijk is (in samenhang met het hierboven uiteengezette beginsel van transparantie: recht om besluitvormingscriteria op te vragen) maar ook dat de verzameling en verwerking van gegevens aan de beginselen van evenredigheid en doelbinding beantwoorden. In elk geval mogen gegevens niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarvoor zij zijn verzameld (29). |
|
6.10. |
De door de algemene verordening gegevensbescherming aan de lidstaten geboden mogelijkheid om, wettelijk of middels collectieve overeenkomsten, te voorzien in specifiekere regels ter bescherming van de rechten en vrijheden met betrekking tot de verwerking van de persoonsgegevens van werknemers in het kader van de arbeidsverhouding, vormt een waar hefboommechanisme waarover de lidstaten en de sociale partners zich moeten buigen (30). |
|
6.11. |
Er zij op gewezen dat de risico’s niet alleen betrekking hebben op werknemers. De ontwikkeling van onlineonderaanneming, werk op platforms en verschillende vormen van participatief werk gaat ook vergezeld van nieuwe systemen voor geautomatiseerd beheer van prestaties en stiptheid, waarvan de ethische grenzen soms lijken te worden overschreden (inwerkingstelling van de webcam van de werknemer door het platform, schermafdrukken maken op afstand enz.). |
|
6.12. |
De algoritmen van deze platforms, die onder meer de vergoeding van de zelfstandige medewerker diens digitale reputatie en mogelijkheden voor toegang tot opdrachten bepalen, zijn vaak ondoorzichtig. Hun werkingswijze wordt niet uitgelegd aan de medewerkers die geen toegang hebben tot de toegepaste werkingscriteria. |
7. Een eerlijke overgang voorbereiden
|
7.1. |
Op de middellange termijn vraagt het door tal van deskundigen benadrukte risico van sociale polarisatie om een grondige beschouwing van de toekomst van onze sociale modellen, inclusief de financiering ervan. Het EESC verzoekt de Commissie een debat op te starten over de kwestie van de belastingheffing en de financiering van begrotingsmiddelen en collectieve socialebeschermingsstelsels in een economie waar de roboticadichtheid snel toeneemt (31), aangezien de belasting op arbeid de voornaamste bron van belastinginkomsten in Europa blijft. Dit debat zou de kwestie van de herverdeling van dividenden van de digitalisering moeten behelzen. |
|
7.2. |
De Commissie stelt voor om het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) te versterken en onder meer open te stellen voor werknemers die hun baan zien verdwijnen en zelfstandigen die door de digitalisering van de economie (automatisering) werkloos worden (32). Dat is een stap in de richting van een volwaardig Europees overgangsfonds dat mede kan zorgen voor een goede voorbereiding op en een maatschappelijk verantwoord beheer van de digitalisering en de herstructureringen die daaruit voortvloeien. |
|
7.3. |
De sociale en, meer in het algemeen, maatschappelijke aspecten van KI vormen steeds meer het voorwerp van nationale debatten. Tijdens recente discussies in het Britse parlement (33) en de Franse Senaat is gewezen op de noodzaak om een ethische benadering van KI te bevorderen die gestoeld is op een aantal beginselen zoals loyaliteit, transparantie en begrijpelijkheid van algoritmische systemen, ethiek en aansprakelijkheid van KI-toepassingen en bewustmaking van onderzoekers, deskundigen en specialisten omtrent het potentieel verkeerde gebruik van hun onderzoeksresultaten. In Frankrijk wordt in het Villani-verslag getracht „invulling te geven” aan KI (34). Tal van deskundigen aan de universiteiten van Yale, Stanford, Cambridge en Oxford waarschuwen voor „onopgeloste kwetsbaarheden” van KI en wijzen erop dat deze absoluut moeten worden voorzien, voorkomen en verminderd (35). Ook de Québec Research Funds (FRQ) buigen zich sinds enkele maanden, in samenwerking met de Universiteit van Montreal, over een project voor een mondiale waarnemingspost voor de maatschappelijke gevolgen van KI en digitalisering (36). |
|
7.4. |
Al deze initiatieven tonen aan dat het debat over KI uit de economische en technische sfeer moet worden gehaald en dat de openbare besprekingen moeten worden uitgebreid naar de rol die KI volgens de maatschappij dient te vervullen, ook op de arbeidsmarkt. Dergelijke besprekingen zullen ervoor zorgen dat men ontsnapt aan de val van de „valse tweedeling” tussen een geheel naïeve en optimistische visie op KI en de gevolgen ervan en een rampzalige visie (37). Het feit deze debatten op nationaal niveau worden aangevangen, vormt een nuttige eerste stap, maar de EU heeft ook een rol te vervullen, met name door richtsnoeren inzake ethiek vast te stellen, waar de Commissie inmiddels mee begonnen is. |
|
7.5. |
De kwestie van de tenuitvoerlegging van deze richtsnoeren zal moeten worden overgelaten aan een waarnemingspost voor het ethische gehalte van KI-systemen. Het gaat erom KI en de toepassingen ervan ten dienste te stellen van het welzijn en de emancipatie van burgers en werknemers — met eerbiediging van de grondrechten — en te voorkomen dat zij direct of indirect ertoe bijdragen dat eigen inbreng en autonomie verloren gaan en dat werknemers vaardigheden verleren en onder hun niveau werken. Het beginsel van „de mens aan het roer” in elke mogelijke context, waaronder in de context van werk, moet zijn beslag krijgen in concrete toepassingen. |
|
7.6. |
Dit beginsel moet ook worden toegepast op andere activiteitensectoren, zoals zorgprofessionals, die diensten verlenen die nauw samenhangen met het leven, de gezondheid, de veiligheid en de levenskwaliteit van mensen. Alleen strikte ethische regels kunnen waarborgen dat niet alleen werknemers, maar ook consumenten, patiënten, klanten en dienstverleners, ten volle profijt kunnen trekken van de nieuwe KI-toepassingen. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Acemoglu, D., Restrepo, P. (2018), „Artificial Intelligence, Automation and Work”, NBER Working Paper 24196, januari 2018. Zie ook: Conseil d’orientation pour l’emploi (2017), Automatisation, numérisation et emploi. (Deel 1) (www.coe.gouv.fr).
(2) Acemoglu, D., op.cit.; Conseil d’orientation pour l’emploi (2017), op. cit.
(3) COM(2018) 380 final.
(4) Richtlijn 2002/14/EG; memorandum van overeenstemming Unice-EVV-CEEP over sociale dialoog en nieuwe technologieën, 1985; Gemeenschappelijk Standpunt van de sociale partners over nieuwe technologieën, arbeidsorganisatie en het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt, 1991; Richtsnoeren voor het omgaan met veranderingen en de sociale gevolgen daarvan, 2003.
(5) COM(2018) 246 final.
(6) https://ifr.org/ifr-press-releases/news/robots-double-worldwide-by-2020
(7) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 1.
(8) Zie met name: https://www.techemergence.com
(9) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 1.
(10) Eurofound (2018), Automation, digitalisation and platforms: Implications for work and employment, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
(11) PB C 13 van 15.1.2016, blz. 161.
(12) Frey et Osborne, 2013; Bowles, 2014; Arntz, Gregory et Zierahn, 2016; Le Ru, 2016; McKinsey, 2016; OCDE, 2017; zie ook verkennend advies CCMI/136 (PB C 13 van 15.1.2016, blz. 161).
(13) http://www.oecd.org/employment/future-of-work/
(14) COM(2018) 237 final.
(15) PB C 367, 11.4.2018, blz. 15.
(16) Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
(17) https://www.wrr.nl/actueel/nieuws/2015/12/08/wrr-bepleit-inclusieve-robotagenda
(18) Zie de werkzaamheden in verband met „nieuwe risico’s” van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (https://osha.europa.eu/nl/emerging-risks). Het agentschap schrijft: „In voorbereiding op deze ontwikkelingen moeten de huidige benaderingen en technische normen, gericht op het beschermen van werknemers tegen de risico’s van samenwerken met samenwerkende robots, worden herzien.”.
(19) COM(2018) 246 final.
(20) Gezamenlijke tekst Unice, CEEP, UEAPME en EVV, 16.10.2003.
(21) Richtlijn 2002/14/EG tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de EU.
(22) PB C 303 van 19.8.2016, blz. 54; PB C 173 van 31.5.2017, blz. 15; PB C 129 van 11.4.2018, blz. 7; PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30.
(23) PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30.
(24) PB C 367 van 11.4.2018, blz. 15.
(25) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 1; PB C 367 van 10.10.2018, blz. 15.
(26) In verschillende Europese media is gewag gemaakt van de arbeidsomstandigheden in bepaalde logistieke centra waar werknemers volledig afhankelijk zijn van algoritmen voor de te vervullen taken en de bijbehorende termijnen, en waar hun prestaties in realtime worden gemeten.
(27) PB C 367, 11.4.2018, blz. 15.
(28) Cathy O’Neil, Harvard PhD and data scientist, „models are opinions embedded in mathematics” (https://www.theguardian.com/books/2016/oct/27/cathy-oneil-weapons-of-math-destruction-algorithms-big-data).
(29) Zie bijvoorbeeld publicaties van de Franse CNIL („Comment permettre à l’homme de garder la main? Les enjeux éthiques des algorithmes et de l’intelligence artificielle”),
https://www.cnil.fr/sites/default/files/atoms/files/cnil_rapport_garder_la_main_web.pdf).
(30) Verordening (EU) 2016/679 (artikel 88).
(31) https://ifr.org/ifr-press-releases/news/robots-double-worldwide-by-2020
(32) COM(2018) 380 final.
(33) https://www.parliament.uk/ai-committee
(34) http://www.enseignementsup-recherche.gouv.fr/cid128577/rapport-de-cedric-villani-donner-un-sens-a-l-intelligence-artificielle-ia.html
(35) https://www.eff.org/files/2018/02/20/malicious_ai_report_final.pdf
(36) http://nouvelles.umontreal.ca/article/2018/03/29/le-quebec-jette-les-bases-d-un-observatoire-mondial-sur-les-impacts-societaux-de-l-ia/
(37) Acemoglu, D., op.cit. Zie ook Eurofound 2018, Automation, digitalisation and platforms: Implications for work and employment, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, blz. 23: „The risks comprise unwarranted optimism, undue pessimism and mistargeted insights”.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/8 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over vertrouwen, privacy en veiligheid voor consumenten en ondernemingen in het internet van dingen
(initiatiefadvies)
(2018/C 440/02)
|
Rapporteur: |
Carlos TRIAS PINTÓ |
|
Corapporteur: |
Dimitris DIMITRIADIS |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
15.2.2018 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 29, lid 2, reglement van orde Initiatiefadvies |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
182/3/2 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Door dingen en mensen met elkaar te verbinden biedt het internet van de dingen (hierna: ivd) enorme mogelijkheden voor burgers en bedrijven, maar voor een goede gang van zaken zijn er wel een aantal garanties en controles nodig. |
|
1.2. |
Aangezien het ivd zich mede kenmerkt door automatische besluiten zonder menselijk ingrijpen, moet ervoor worden gezorgd dat zulke besluiten de rechten van consumenten niet ondermijnen en nooit enig risico van ethische aard met zich meebrengen of strijdig zijn met fundamentele beginselen en mensenrechten. |
|
1.3. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) zou graag zien dat de Europese instellingen en de EU-lidstaten: |
|
1.3.1. |
voor de veiligheid en de persoonlijke levenssfeer adequate regelgeving uitwerken die strikte toezicht- en controlemaatregelen omvat; |
|
1.3.2. |
de aansprakelijkheid van alle marktdeelnemers in de toeleveringsketen van de producten en de daarmee verband houdende informatiestromen duidelijk omschrijven, om mazen in de wetgeving te voorkomen in situaties waarin er sprake is van verschillende producenten en distributeurs; |
|
1.3.3. |
zorgen voor adequate hulpbronnen en doeltreffende mechanismen voor de onderlinge afstemming tussen de Europese Commissie en de lidstaten, en aldus voor een consistente en geharmoniseerde tenuitvoerlegging van zowel te evalueren wetgeving als nieuwe regelgeving, en daarbij tegelijkertijd rekening houden met de internationale situatie; |
|
1.3.4. |
de ontwikkeling van opkomende ivd-technologieën volgen om een hoge mate van veiligheid, volledige transparantie en eerlijke toegankelijkheid te waarborgen; |
|
1.3.5. |
Europese en internationale normalisatie-initiatieven bevorderen om de betrouwbaarheid, beschikbaarheid, veerkracht en het onderhoud van de producten te waarborgen; |
|
1.3.6. |
toezicht houden op de markten en zorgen voor een level playing field bij de invoering van het ivd, waarbij zij zouden moeten voorkomen dat de transnationale economische macht vooral in handen komt van de nieuwe technologiebedrijven; |
|
1.3.7. |
bewustmakings- en opleidingsmaatregelen op het gebied van digitale vaardigheden zullen nemen, in combinatie met fundamenteel onderzoek en innovatie op dit gebied. |
|
1.3.8. |
zorgen voor de volledige toepassing en het effectieve gebruik van offline- en onlinesystemen voor alternatieve geschillenbeslechting (ADR en ODR); |
|
1.3.9. |
zorgen voor de invoering en doeltreffende werking van een Europees systeem van groepsacties dat het mogelijk maakt om inbreuken te doen staken en een vergoeding te verkrijgen wanneer het gebruik van het ivd schade van collectieve aard veroorzaakt; de „New Deal” voor consumenten zou dit moeten regelen. |
|
1.4. |
Het vertrouwen van de consument zal afhangen van de strikte naleving van de toepasselijke wetgeving en van de communicatie over goede zakelijke praktijken op het gebied van privacy en veiligheid, en de instellingen dienen deze zaken op te nemen in strategieën voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en investeren. |
|
1.5. |
Het ivd zal in sociaal en economisch opzicht steeds meer effect gaan sorteren naarmate het beter verweven raakt met de ontwikkeling van sociaal-ecologisch beleid in de coöperatieve economie, de circulaire economie en de functionele economie. |
2. Achtergrond en context
|
2.1. |
De afgelopen vijftien jaar heeft internet op alle terreinen veranderingen teweeggebracht, waardoor het dagelijks leven in al zijn facetten is veranderd en consumenten diverse andere gewoontes hebben aangenomen. Naar verwachting zal de revolutie van het internet van de dingen (ivd) de komende tien jaar ook de energie-, de landbouw- en de vervoerssector bereiken, evenals de meer traditionele sectoren van de economie en de samenleving, wat zal moeten leiden tot integraal en intelligent beleid voor deze technologische disruptie. |
|
2.2. |
Het idee van het ivd is ontstaan in het Massachusetts Institute of Technology (MIT) en komt in grote lijnen neer op een wereld van volledig onderling verbonden apparaten, zodat allerlei interoperabele processen tezamen kunnen worden geautomatiseerd. Vanaf de publicatie van de mededeling „i2010 — Een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid” (1) tot aan het onlangs verschenen actieplan voor het ivd maakt de Europese Unie zich al op voor de digitale convergentie en de nieuwe uitdagingen die het ivd oplevert; zie het document „Advancing the Internet of Things in Europe”, dat in 2016 deel uitmaakte van de mededeling „De digitalisering van het Europese bedrijfsleven — De voordelen van een digitale eengemaakte markt ten volle benutten” (2). |
|
2.3. |
Het EESC heeft zich al meermaals uitgesproken, en dan met name in het advies van 2017 (3), over de vierde industriële revolutie, die in het teken staat van de convergentie van digitale, fysische en biologische technologieën. Het ivd is het toneel van de meest geavanceerde vormen van KI en een proeftuin voor de door het EESC omschreven beginselen, met name het „human in control”-beginsel. |
|
2.4. |
Bij ivd-apparaten schort het vaak aan de authenticatienormen die nodig zijn voor de beveiliging van gebruikersgegevens. Dit kan tot problemen leiden, omdat de apparaten, de gegevens en de schakels van de toeleveringsketen daardoor zijn blootgesteld aan lacunes in de beveiliging. |
|
2.5. |
Opkomende technologieën zoals blockchain zijn een mogelijke oplossing voor beveiligings- en vertrouwensproblemen: blockchain kan worden gebruikt om metingen van gegevens door sensoren te traceren en duplicatie met andere, kwaadaardige gegevens te voorkomen, maar ook om de integriteit en traceerbaarheid van wijzigingen te waarborgen. Een gedeeld grootboek („distributed ledger”) kan een veilige, foutloze identificatie van ivd-apparaten, authenticatie en overdracht van gegevens mogelijk maken. Ivd-sensoren kunnen worden gebruikt om gegevens uit te wisselen via een blockchain in plaats van via een derde partij. Het gebruik van slimme contracten baant de weg voor autonoom functionerende apparaten en voor een individuele identiteit en integriteit van gegevens. De aanmaak- en exploitatiekosten vallen lager uit omdat er geen tussenpersonen zijn. Tot slot verschaffen ivd-apparaten in de blockchain informatie over de geschiedenis van aangesloten apparaten, wat zeer nuttig is voor het oplossen van mogelijke problemen (4). |
|
2.6. |
Daarnaast worden er gedistribueerde opensourcegrootboektechnologieën ontwikkeld voor de uitwisseling van informatie en waarde tussen apparaten in het ivd. Hierbij is data mining onmogelijk en wordt een op een wiskundig concept — een gerichte acyclische grafiek (DAG) — gebaseerde architectuur gebruikt, waardoor commissies niet langer nodig zijn en het netwerk gemakkelijk zijn capaciteit kan verhogen als het aantal gebruikers toeneemt. |
|
2.7. |
We hebben te maken met een groot en veelbelovend economisch (5) en sociaal potentieel, maar voor consumenten, overheden en burgers gaat een en ander door multidisciplinaire en transversale risico’s ook gepaard met grote uitdagingen. Daarom is het zaak om een gemeenschappelijke aanpak te hanteren, zonder evenwel voorbij te gaan aan de specifieke kenmerken van bepaalde gevallen. Volgens de Verenigde Naties zullen er in 2020 zo’n vijftig miljard onderling verbonden apparaten zijn, met toepassingen voor consumenten via televisietoestellen, koelkasten, beveiligingscamera’s, voertuigen enz. |
|
2.8. |
In de geglobaliseerde wereld leveren de toepassingen van het ivd reeds economische en sociale voordelen op. Daarbij valt te denken aan meer diensten die gevoelig zijn voor de sociaaleconomische context, kortere terugkoppelingscycli, reparatie op afstand, besluitvormingsondersteuning, betere toewijzing van middelen en dienstverlening op afstand. Een aantal gerelateerde zaken liggen echter uiterst gevoelig, zoals privacy en veiligheid, informatieasymmetrie en transparantie van transacties, complexe aansprakelijkheidsvraagstukken, product- en systeemblokkades, en ook de toename van hybride producten, die consequenties kan hebben voor eigendomskwesties en ertoe kan leiden dat consumenten met contracten op afstand en daardoor met minder goede garanties te maken krijgen. |
|
2.9. |
De EU en haar lidstaten staan voor enorme juridische uitdagingen omdat veel van de kenmerken van het ivd (hoge mate van complexiteit en grote onderlinge afhankelijkheid, autonomie, genereren en/of verwerken van gegevens, en open karakter) ook eigen zijn aan andere opkomende digitale technologieën zoals blockchain, 3D-printen en cloudcomputing. Het werkdocument van de Europese Commissie over de aansprakelijkheid van opkomende digitale technologieën (6) is wat dit betreft weer een stap in de goede richting. |
|
2.10. |
Om de voordelen van het ivd te maximaliseren en de risico’s ervan tot een minimum te beperken dient toegankelijke, duidelijke, beknopte en nauwkeurige informatie te worden verstrekt — waarbij met name moet worden gezorgd voor de inclusie en digitale connectiviteit van de meest kwetsbare consumenten — door middel van volledig traceerbare producten en diensten die voldoen aan geïntegreerde normen voor vertrouwen, privacy en veiligheid. |
3. Vertrouwen van consumenten en ondernemers in het ivd
|
3.1. |
Het ivd is een complex ecosysteem dat de interconnectie van apparaten van verschillende fabrikanten, distributeurs of softwareontwikkelaars mogelijk maakt. De keerzijde is dat het moeilijk kan zijn om vast te stellen wie aansprakelijk is als de regelgeving niet wordt nageleefd of als materiële schade of andere schade voor derden of systemen ontstaat door producten met gebreken of doordat derden producten met uitsluiting van eindgebruikers voor een ander doel gebruiken op internet. Het is zelfs mogelijk dat veel van de actoren in de totale waardeketen van netwerkapparaten te weinig afweten van en onvoldoende ervaring hebben met zaken als beveiliging of gegevensbescherming. |
|
3.2. |
Daarom is een nieuwe benadering van de aansprakelijkheid nodig, zodat zowel consumenten als bedrijven die ivd-toepassingen gebruiken zich beschermd weten in een omgeving waarin goed geconfigureerde producten door incidenten die de digitale beveiliging aantasten gebreken kunnen gaan vertonen, door derden (zoals hackers) misbruikt kunnen worden of onveilig kunnen worden. Zo’n omgeving moet het mogelijk maken om te anticiperen op geautomatiseerde beslissingen die wellicht indruisen tegen universeel erkende ethische grondbeginselen en mensenrechten, deze voor te zijn en zich ertegen te beschermen. |
|
3.3. |
Het EESC is ingenomen met zowel de herziening van de productaansprakelijkheidsrichtlijn van 1985 (7) als de recente oprichting van de multistakeholder deskundigengroep voor aansprakelijkheid en nieuwe technologieën, die als doel hebben om een eerlijk evenwicht tussen de belangen van producenten en consumenten te waarborgen. Een nieuw aansprakelijkheidskader dient de traceerbaarheid van verantwoordelijkheid en veiligheid duidelijk te regelen, zowel in de gehele waardeketen van een product als tijdens de levenscyclus ervan. Daarbij moet ook duurzaamheid als een factor gaan gelden, zodat de betrokken partijen wel gedwongen zijn om aandacht te besteden aan het updaten, het verbeteren, de portabiliteit, het hergebruik, de reparatie of de aanpassing van de producten in kwestie. |
|
3.4. |
Voor het ivd moet ook speciale aandacht worden geschonken aan het bepalen van de aansprakelijkheid voor alle verschillende schakels van de toeleveringsketen van producten, om mazen in de wetgeving te voorkomen in situaties waarin er sprake is van verschillende producenten en distributeurs. Het is van essentieel belang dat duidelijk wordt aangegeven welke procedures consumenten in elk van de afzonderlijke gevallen moeten volgen. In dit verband is het EESC een pleitbezorger van mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting (Engelse afkorting: ADR). |
|
3.5. |
Het EESC benadrukt het belang van precontractuele informatie, transparante contractbepalingen en duidelijke gebruiksaanwijzingen voor hulpmiddelen; eventuele daaraan verbonden risico’s en waarborgen moeten uitdrukkelijk worden vermeld. |
|
3.6. |
De interoperabiliteit en de compatibiliteit van apparaten en bijbehorende software moeten worden gewaarborgd om problemen te voorkomen en de consument in staat te stellen dienstverleners met elkaar te vergelijken. Dit is ook van cruciaal belang is voor het scheppen van gelijke concurrentievoorwaarden voor grote ondernemingen en kmo’s/mkb-bedrijven. |
|
3.7. |
Tot slot pleit het EESC ervoor om de netneutraliteit te handhaven en dringt het er bij de Commissie op aan om streng toe te zien op marktgedrag. |
4. Privacy van consumenten in het internet van de dingen
|
4.1. |
Dankzij de nieuwe algemene verordening gegevensbescherming (8) kunnen consumenten nu beter controle uitoefenen over hun persoonsgegevens en privacyvoorkeuren. De gebruiker van een apparaat moet kunnen bepalen hoe de gegevens die dit genereert worden gebruikt, en wie er toegang toe kan krijgen. De diversiteit van de gegevens, en het feit dat deze worden samengevoegd met en gekoppeld aan andere gegevens, vormen in het ecosysteem van het ivd namelijk een groot risico voor de privacy. |
|
4.2. |
De veelheid van producten, diensten of entiteiten kan consequenties hebben voor de privacy en voor de bescherming van gegevens wanneer deze door hun interconnectiviteit autonoom worden overgedragen. Zo kan het verwerken of bewerken van informatie op basis van oorspronkelijk onschadelijke gegevens nauwkeurige kennis opleveren over iemands gewoonten, locaties, interesses en voorkeuren, waardoor zijn of haar profiel gemakkelijker toegankelijk en traceerbaar wordt. |
|
4.3. |
Juridische waarborgen moeten ervoor zorgen dat gebruikers hun recht op privacy en bescherming van persoonsgegevens zonder beperkingen kunnen doen gelden, zodat mogelijke schade — zoals discriminerende praktijken, invasieve marketing, verminderde privacy of inbreuken op de beveiliging — wordt voorkomen. Op hun beurt moeten consumenten worden voorgelicht over de economische waarde van hun gegevens en het recht hebben om deze te delen. |
|
4.4. |
Conform de algemene verordening gegevensbescherming moeten bedrijven en regelgevers op gezette tijden de hoeveelheid persoonsgegevens die zij hebben verzameld tegen het licht houden en beoordelen hoe proportioneel en noodzakelijk de verwerkte gegevens voor hun dienstverlening zijn. Gedurende de hele fase waarin een aangesloten product, en het netwerkecosysteem waarvan dat product deel uitmaakt, bedacht, ontworpen en ontwikkeld worden, is het van belang goed te letten op privacykwesties en -effecten („privacy by design”). Daarom moeten de beginselen van privacy by design (gegevensbescherming door ontwerp) en privacy by default (gegevensbescherming door standaardinstellingen) consequent worden toegepast in het ivd. |
|
4.5. |
Bovendien moet de configuratie van elk met internet verbonden product standaard de beste bescherming van privacy (by design en by default) waarborgen, zodat het doen en laten van gebruikers niet tegen hun wil kan worden gevolgd. |
|
4.6. |
Consumenten moeten in ieder geval goed weten welke gegevens worden verzameld, wie daar toegang toe heeft en op welke manier men er gebruik van wil maken in de periode dat zij met het product of de dienst te maken hebben, alsook wat het toepasselijke privacybeleid is en of de gehanteerde algoritmen van invloed zijn op de kwaliteit, de prijs of de toegang tot een dienst. |
5. Veiligheid van consumenten en ondernemers in het ivd
|
5.1. |
De interconnectiviteit van apparaten die zo kenmerkend is voor het ivd-ecosysteem kan illegale of ongewenste technologische praktijken in de hand werken, waardoor er in dit ecosysteem gemakkelijk kwetsbaarheden kunnen ontstaan die zich razendsnel verspreiden. Daarom is in elk van de systeemonderdelen een integrale veiligheidsaanpak geboden. |
|
5.2. |
Cyberbeveiligingsproducten en -updates dienen verantwoord te zijn en niet alleen betrekking te hebben op afzonderlijke apparaten, maar ook bescherming te bieden tegen de veiligheidsrisico’s waarmee de interconnectiviteit met andere apparaten in het ivd gepaard gaat. Ongeacht de hoeveelheid van deze apparaten mag de beveiliging hierbij niet aan kwaliteit inboeten. |
|
5.3. |
Het voorstel voor een verordening betreffende het EU-agentschap voor cyberbeveiliging (9) bevat in dit verband een kader voor de certificering van informatie- en communicatietechnologieën dat het mogelijk maakt om vrijwillige certificerings- en etiketteringsregelingen vast te stellen voor de beveiliging van verschillende soorten producten, waaronder ivd-producten. Het EESC juicht deze maatregel weliswaar toe, maar is ook bezorgd omdat hij geen bindend karakter heeft. |
|
5.4. |
Cyberbeveiligingsmaatregelen moeten zich op risico’s — met name hacken, ongeoorloofde toegang en misbruik, maar ook problemen rond betaalmethoden en financiële fraude — die ontstaan door welke vorm van kwetsbaarheid dan ook. In dit verband steunt het EESC de bevoegdheden die zijn toegekend aan de multistakeholder deskundigengroep inzake aansprakelijkheid en nieuwe technologieën. |
|
5.5. |
Er moet ook aandacht worden besteed aan de beveiliging van individuele consumenten tegen risico’s zoals locatiebepaling, het gebruik van gedeelde frequentiebanden, blootstelling aan elektromagnetische velden of eventuele interferentie met essentiële aangesloten apparatuur. Het EESC pleit voor toezicht en preventieve onttrekking aan de markt als de gezondheid en veiligheid van consumenten gevaar lopen of hun persoonlijke en economische belangen in het gedrang komen. |
|
5.6. |
Bedrijven moeten op goede praktijken gebaseerde normen hanteren, zoals beveiliging door ontwerp en beveiliging door standaardinstellingen, en zich onderwerpen aan onafhankelijke externe evaluaties. Zij dienen beveiligingsincidenten of inbreuken in verband met persoonsgegevens te melden, waarbij zij ook informatie over aansprakelijkheid voor schade en niet-naleving moeten verschaffen. |
|
5.7. |
Zij moeten consumenten eenvoudige en toegankelijke informatie verstrekken, zodat deze de juiste besluiten kunnen nemen en veilige gewoonten kunnen aanleren, en hun gedurende de levenscyclus van een product de nodige beveiligingsupdates aanbieden. |
|
5.8. |
Het gebrek aan coherente regels voor ivd-netwerken moet worden aangepakt. Er moeten geavanceerde breedbandtechnologieën en technologieën van de nieuwe generatie worden ontwikkeld om de bestaande infrastructuur te verbeteren. |
6. Voorstellen voor overheidsmaatregelen (10)
|
6.1. |
Om voor een evenwicht tussen de verschillende belanghebbenden te zorgen dienen de verschillende overheden, bij de uitoefening van hun bevoegdheden in de verschillende regio’s van de Europese Unie, actief te worden betrokken bij het uitwerken van ivd-beleidsmaatregelen en -actieplannen waarmee wordt geanticipeerd op eventuele problemen en mogelijke averechtse effecten op verstandige wijze worden verzacht. Het EESC stelt voor om: |
|
6.1.1. |
testomgevingen (sand boxes) te creëren, dus fysieke ruimten, clusters en dergelijke, voor proefprojecten en conceptvalideringen. Hiermee moeten niet alleen technologieën, maar ook regelgevingsmodellen worden getest (11); |
|
6.1.2. |
technologische infrastructuur voor de ontwikkeling van innovatieve ivd-projecten te financieren in het kader van het nieuwe programma „Horizon Europa”; |
|
6.1.3. |
onafhankelijke instituten en agentschappen aan te wijzen als facilitators en toezichthouders van ivd-projecten. Het EESC is ingenomen met de maatregelen die in dit verband in de cyberbeveiligingsverordening van 2017 zijn opgenomen en verzoekt de Commissie om de normalisatieprocessen in de digitale industrie effectief te bevorderen met behulp van passende begrotingsmiddelen (12); |
|
6.1.4. |
publiek-private partnerschappen en samenwerkingsplatforms te promoten waarbij de wetenschappelijke gemeenschap, de industrie en de consumenten worden betrokken; |
|
6.1.5. |
investeringen te stimuleren in de ontwikkeling van lokale bedrijfsmodellen die de voordelen van het ivd benutten en die het gemakkelijker maken gecompliceerde kwesties zoals gegevensbescherming en gegevenseigendom te regelen; |
|
6.1.6. |
op medeverantwoordelijkheid gerichte maatregelen te nemen ten behoeve van de capaciteitsopbouw in het bedrijfsleven. Wat ict-producten en -diensten betreft, moet er gezorgd worden voor veiligheid en privacy door ontwerp en door standaardinstellingen, overeenkomstig de zogenaamde zorgplicht die in de nieuwe cyberbeveiligingsverordening is vastgelegd. In dit verband is het EESC ingenomen met het plan om ter aanvulling van de regelgeving gedragscodes op te stellen; |
|
6.1.7. |
een impuls te geven aan Europese en internationale standaardiseringsinitiatieven om ervoor te zorgen dat ivd-systemen de essentiële kenmerken betrouwbaarheid, veiligheid, beschikbaarheid, robuustheid, onderhoudbaarheid en bruikbaarheid bezitten. Standaardisering is met name essentieel voor een snelle invoering van sterk gedigitaliseerde industriële productiemethoden; |
|
6.1.8. |
ervoor te zorgen dat gebruikers van het ivd, met name de meest kwetsbare of in dunbevolkte gebieden wonende gebruikers, betaalbare toegang van hoge kwaliteit hebben; |
|
6.1.9. |
een impuls te geven aan bewustmakingscampagnes en onderwijsprogramma’s om ervoor te zorgen dat bedrijven en consumenten gemakkelijker vertrouwd raken met het ivd, en hen met het oog daarop in staat te stellen de nodige vaardigheden en competenties te verwerven (13), waarbij kwetsbare groepen en diversiteit de nodige aandacht behoeven; |
|
6.1.10. |
met onderwijsinitiatieven te zorgen voor adequate preventie, aangezien kinderen al vanaf jonge leeftijd in een digitale omgeving verkeren; |
|
6.1.11. |
diagnostische analyses en studies te maken van het effect van het ivd op onder meer nieuwe manieren van duurzame productie en consumptie; |
|
6.1.12. |
zorgen voor de volledige toepassing en het effectieve gebruik van offline- en onlinesystemen voor alternatieve geschillenbeslechting (ADR en ODR); |
|
6.1.13. |
zorgen voor de invoering en doeltreffende werking van een Europees systeem van groepsacties dat het mogelijk maakt om inbreuken te doen staken en een vergoeding te verkrijgen wanneer het gebruik van het ivd schade van collectieve aard veroorzaakt; de „New Deal” voor consumenten zou dit moeten regelen. |
|
6.2. |
Het EESC verzoekt de Commissie ook om de regels die direct of indirect verband houden met het ivd te evalueren en waar nodig de bestaande wetgeving te verbeteren. In dit verband moet de „New Deal” voor consumenten zich ook richten op onderling gekoppelde apparaten, netwerken en de veiligheid daarvan, en op de gegevens die daarmee verband houden. |
|
6.3. |
Ten slotte dienen er tussen de lidstaten samenwerkings- en coördinatiemechanismen te worden opgezet voor een efficiënte en uniforme toepassing van de beoogde verordeningen en voor de overeenkomsten die de Europese Unie buiten haar grondgebied moet sluiten omdat de hoofdkantoren van bedrijven en leveranciers daar gevestigd zijn, met bijzondere nadruk op de uitwisseling van beste praktijken. Het internationale beleid inzake grensoverschrijdende gegevensstromen moet worden gecoördineerd, zodat de betrokken landen in hun nationale wetgeving elk even strenge beschermingsnormen van zowel materiële als procedurele aard kunnen opnemen. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) COM(2005) 229 final.
(2) COM(2016) 180 final.
(3) Kunstmatige intelligentie — De gevolgen van kunstmatige intelligentie voor de (digitale) eengemaakte markt, de productie, consumptie, werkgelegenheid en samenleving (PB C 288 van 31.8.2017, blz. 1).
(4) Zie Khwaja Shaik, Why blockchain and IoT are best friends, https://www.ibm.com/us-en/?lnk=m; over innovaties in de Europese financiële sector zie (PB C 246 van 28.7.2017, blz. 8).
(5) Digital McKinsey schat dat het ivd in 2025 een economisch potentieel zal hebben bereikt van tussen de 3,9 en 11,1 miljard USD per jaar.
(6) SWD(2018) 137.
(7) COM(2018) 246 final.
(8) Van toepassing sinds 25 mei 2018.
(9) (Zie COM(2017) 477 final)
(10) Zie het rapport van de Wereldbank Internet of Things: The New Government-to-Business Platform.
(11) zie https://ec.europa.eu/digital-single-market/en/news/eu-and-eea-member-states-sign-cross-border-experiments-cooperative-connected-and-automated
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/14 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over geschiktere indicatoren voor de evaluatie van de SDG’s — Bijdrage van het maatschappelijk middenveld
(initiatiefadvies)
(2018/C 440/03)
|
Rapporteur: |
Brenda KING |
|
Corapporteur: |
Thierry LIBAERT |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
15.2.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 29, lid 2, rvo |
|
|
Initiatiefadvies |
|
Bevoegde afdeling |
Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
5.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
194/2/3 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Sinds de goedkeuring van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN door de Europese instellingen in 2015, heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) de Commissie verzocht een overkoepelende Europese strategie inzake duurzame ontwikkeling vast te stellen met concrete doelstellingen, streefwaarden en maatregelen om de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) te verwezenlijken. Hoewel de EU een leidende rol heeft gespeeld bij de goedkeuring van de Agenda 2030 en de kernwaarden van de EU — bevordering van meer sociale, politieke, economische en ecologische harmonie — zijn terug te vinden in de SDG’s, is de Commissie er niet in geslaagd om een overkoepelende strategie te ontwikkelen. De discussienota „Naar een duurzaam Europa in 2030”, die eind 2018 zal worden gepubliceerd, biedt de gelegenheid om te benadrukken hoe belangrijk het is om een overkoepelende Europese strategie vast te stellen. |
|
1.2. |
Het huidige ontbreken van een Europese strategie voor duurzame ontwikkeling vormt een risico voor de coherente tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 in de EU en op nationaal niveau. Er kunnen verschillen optreden bij de aanpak van de SDG’s, aangezien een aantal lidstaten hun nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling reeds voorbereidt zonder dat er een Europees strategisch kader voorhanden is of gemeenschappelijke uitvoeringsrichtsnoeren zijn vastgesteld. |
|
1.3. |
Het EESC is ingenomen met het eerste jaarlijkse monitoringverslag van Eurostat inzake de SDG’s uit 2017 (1) waarin gebruikgemaakt is van een reeks van honderd indicatoren die gebaseerd zijn op strak omlijnde gegevenscriteria. Het EESC heeft echter een aantal tekortkomingen van de huidige reeks indicatoren in kaart gebracht, waarmee in toekomstige edities van het jaarlijkse monitoringverslag van de SDG’s rekening dient te worden gehouden. |
|
1.4. |
Het EESC pleit voor indicatoren die de basis kunnen vormen voor beleidsplanning en beleidsvorming. Aan de hand van de huidige reeks indicatoren kan niet worden vastgesteld hoe ver de EU verwijderd is van de verwezenlijking van de streefwaarden en kan niet worden voorzien in passende voortgangsevaluaties. Er moeten specifieke streefcijfers voor EU-beleid met betrekking tot de SDG’s worden vastgesteld en met behulp van indicatoren moet worden nagegaan in hoeverre deze cijfers worden gehaald. Bij gebrek aan specifieke streefcijfers voor EU-beleid zou de EU nationale prestaties kunnen beoordelen op basis van beste en gemiddelde prestaties. |
|
1.5. |
Het EESC heeft ook bepaalde technische beperkingen geconstateerd die moeten worden aangepakt om ervoor te zorgen dat de beste indicatoren worden gebruikt. Zo blijft het gebruik van overkoepelende indicatoren ontoereikend om te kunnen voorzien in informatie over synergieën en dilemma’s met betrekking tot de doelstellingen. Ook zijn de overloopeffecten op de duurzame ontwikkeling van partnerlanden en het monitoren van de samenhang tussen belangrijke externe en binnenlandse beleidsdoelstellingen niet volledig geïntegreerd. |
|
1.6. |
Eurostat en de nationale bureaus voor statistiek moeten ervoor zorgen dat ze een samenhangend kader van indicatoren toepassen. Er moet een uitgebreid en geïntegreerd systeem van indicatoren worden ingesteld om te garanderen dat de monitoringwerkzaamheden inzake de tenuitvoerlegging van de SDG’s op Europees en nationaal niveau betrouwbaar is. |
|
1.7. |
Eurostat en de nationale bureaus voor statistiek beschikken over beperkte personele en financiële middelen voor het verzamelen van nieuwe gegevens, zodat het niet altijd mogelijk is om nieuwe en meer doelgerichte indicatoren op te stellen. Het EESC dringt aan op het uittrekken van voldoende middelen om dit euvel te verhelpen. |
|
1.8. |
Het EESC pleit voor een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de vaststelling van indicatoren en bij de beoordeling van de voortgang van de EU met betrekking tot de doelstellingen. Gezien de multidisciplinaire aard van de SDG’s is het zaak dat belanghebbenden op alle fronten samenwerken. |
|
1.9. |
Het EESC beveelt aan de reeks indicatoren aan te vullen met een kwalitatief schaduwverslag dat wordt opgesteld in nauwe samenwerking met organisaties van het maatschappelijk middenveld om ervoor te zorgen dat alle belanghebbenden zich verantwoordelijker gaan voelen voor de verwezenlijking van de SDG’s. Met kwalitatieve informatie kunnen trends worden gesignaleerd die niet worden opgepikt met uitsluitend kwantitatieve statistieken. Het EESC stelt voor om het voortouw te nemen wat betreft de coördinatie van de voorbereiding van het aanvullend kwalitatief verslag. Daarnaast stelt het EESC voor dat de Europese Commissie meewerkt aan de organisatie van een Europese top over de SDG’s die de gelegenheid biedt voor een inventarisatie waarbij alle relevante belanghebbenden worden betrokken. |
|
1.10. |
Bovendien vereist een coherent strategisch kader dat andere EU-indicatoren (bijv. de indicatoren van het sociaal scorebord of de Europese biodiversiteitsindicatoren) in lijn zijn met het kader van de Agenda 2030. Een overkoepelende strategie moet voorzien in een overzicht van het onderlinge verband tussen de SDG’s, de EU-beleidsmaatregelen en de verschillende reeksen indicatoren. |
|
1.11. |
Het EESC dringt erop aan om het huidige governancesysteem van de EU aan te passen aan de uitvoering van de Agenda 2030. Een overkoepelende EU-strategie voor duurzame ontwikkeling die volledig in lijn is met de Agenda 2030 zou ervoor zorgen dat de SDG’s in alle EU-beleidslijnen worden opgenomen en een kader verschaffen voor de coördinatie en monitoring van de tenuitvoerlegging van de SDG’s op EU- en nationaal niveau. Zo moet in het kader van het Europees Semester worden toegezien op en bijgedragen aan de tenuitvoerlegging van de SDG’s. Daarnaast moeten de Europese beleidsvorming en beleidsevaluatie (bijv. de agenda voor betere regelgeving) worden aangepast zodat de SDG’s volledig in de beleidscyclus worden opgenomen. Alle wetgeving- en beleidsvoorstellen moeten op duurzaamheid worden getoetst om de verwachte impact op de SDG’s in te schatten en de geschiktheid van het voorstel te beoordelen. |
|
1.12. |
Het EESC beveelt aan dat er binnen de Commissie een vicevoorzitter met een speciaal team, een specifieke begroting en werkorganisatie wordt aangewezen, die met alle commissarissen en diensten van de Commissie samenwerkt en ervoor zorgt dat de SDG’s een vaste plaats krijgen in alle beleidsmaatregelen van de EU. Voorts moet de voorzitter van de Europese Commissie in de jaarlijkse State of the Union-toespraak een overzicht geven van de vooruitgang die is geboekt en aangeven welke verdere actie geboden is met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de SDG’s. |
|
1.13. |
Ten slotte roept het EESC op overeenstemming te bereiken over een EU-begroting waarbij duurzame ontwikkeling de hoofddoelstelling is. Het EESC wijst erop dat pas wanneer het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2021-2027 helemaal rond is, zal blijken of de EU haar toezeggingen in het kader van de Agenda 2030 zal kunnen realiseren. Het voorstel van de Commissie van mei 2018 is een stap in de goede richting, maar laat uiteindelijk de kans onbenut om de Agenda 2030 tot prioriteit van de Europese agenda te maken. |
2. Het ontbreken van een EU-strategie
|
2.1. |
De EU moet haar leidende rol in het waarborgen en bevorderen van duurzame ontwikkeling met meer verve spelen. De Agenda 2030 van de VN sluit in feite rechtstreeks aan op wat de kerndoelstelling van de Europese Unie is, nl. de bevordering van meer sociale, politieke, economische en ecologische harmonie, zowel binnen Europa als wereldwijd. De EU en haar lidstaten hebben de wereldwijde agenda weliswaar ondertekend, maar toch loopt Europa achter. Tot op heden zijn de EU en een aantal lidstaten er niet in geslaagd om een strategie voor duurzame ontwikkeling ten uitvoer te leggen en zo de verwezenlijking van de SDG’s te waarborgen. |
|
2.2. |
In artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is het volgende te lezen met betrekking tot duurzame ontwikkeling: „In de betrekkingen met de rest van de wereld […] draagt [de Unie] bij tot de duurzame ontwikkeling van de aarde […]”. Hoewel er in toenemende mate in verschillende EU-beleidsmaatregelen, waaronder het industrie-, energie- en vervoersbeleid, aandacht wordt besteed aan duurzaamheid, blijven de ambities en middelen ontoereikend. In het algemeen betreurt het EESC het duidelijke gebrek aan strategie, beleidssamenhang en integratie in de algehele beleidscoördinatie in de EU. |
|
2.3. |
Het EESC is de enige instelling op Europees niveau die van duurzame ontwikkeling een kernprioriteit heeft gemaakt. Het Europees Parlement beschikt niet over een specifieke structuur om duurzame ontwikkeling aan de orde te stellen, hoewel sommige fracties de Agenda 2030 opnemen in hun politieke prioriteiten voor de Europese verkiezingen van mei 2019. Inmiddels heeft de Europese Commissie een multistakeholderplatform opgezet voor de tenuitvoerlegging van de SDG’s. Dit is een stap in de goede richting, maar het is niet duidelijk of dit platform ook na de ambtsperiode van de huidige Commissie zal worden voortgezet. Het EESC heeft overigens in het verleden al gepleit voor een ambitieuzer en groter forum van het maatschappelijk middenveld dan het forum dat uiteindelijk is opgezet (2). |
|
2.4. |
Op nationaal niveau loopt de mate van planning en tenuitvoerlegging met betrekking tot de SDG’s uiteen (3). Sommige lidstaten hebben al uitgebreide nationale strategieën inzake duurzame ontwikkeling aangenomen en in sommige gevallen ontplooien regionale en lokale overheden, evenals betrokken belanghebbenden, ook initiatieven op het gebied van SDG’s om het bewustzijn te vergroten. Vanwege het ontbreken van een Europees kader dreigt een gebrek aan samenhang tussen nationale benaderingswijzen. Het EESC pleit voor de integratie van duurzame ontwikkeling in nationaal beleid en voor volledige betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het ontwerp en de tenuitvoerlegging, in lijn met een overkoepelende EU-strategie. |
3. Wat in het verschiet ligt
|
3.1. |
Op 13 september 2017 kondigde voorzitter Juncker een discussienota aan getiteld „Naar een duurzaam Europa in 2030, over de follow-up van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering”, die in de winter van 2018 zal worden gepubliceerd. Tijdens de voorbereidingsfase houdt de Commissie rekening met de standpunten van de leden van het multistakeholderplatform met betrekking tot de SDG’s. De leden van het platform doen voorstellen over verbetering van de EU-governance met betrekking tot SDG’s (bijv. door de vaststelling van een overkoepelende strategie), beleidsaanbevelingen en de ontwikkeling van een EU-beleidsinstrumentarium voor de coördinatie van beleid, monitoring en verantwoording. |
|
3.2. |
De tenuitvoerlegging van de SDG’s heeft betrekking op economische, sociale, politieke en ecologische doelstellingen waarvoor fundamentele veranderingen in Europese samenlevingen en binnen de EU-instellingen nodig zullen zijn. |
|
3.3. |
De debatten over de toekomst van Europa in aanloop naar de Europese verkiezingen in 2019 zijn essentieel als het gaat om het vergroten van het bewustzijn van burgers omtrent duurzame ontwikkeling. Europese politieke partijen moeten een standpunt innemen en duurzame ontwikkeling in hun verkiezingsmanifesten opnemen. |
|
3.4. |
Bovendien is het EESC van mening dat de toekomstige Europese Commissie en het nieuwe Europees Parlement na de Europese verkiezingen van 2019 prioriteit moeten geven aan het beter integreren van de SDG’s in alle beleidsmaatregelen van de EU. Het EESC dringt er bij het Europees Parlement op aan om zijn capaciteit te vergroten om de voortgang met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de SDG’s te monitoren en hier toezicht op te houden en om verantwoordelijkheid te nemen voor de doelstellingen. Het zou ook een goede zaak zijn als de Commissie het leiderschap van de met duurzame ontwikkeling belaste vicevoorzitter zou versterken en de portefeuilles van de DG’s zou reorganiseren, zodat duidelijk is wie verantwoordelijk is voor de SDG’s. |
|
3.5. |
Uit het uiteindelijke besluit inzake het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2021-2027 zal blijken of de EU haar toezeggingen in het kader van de Agenda 2030 zal kunnen realiseren. Het MFK is cruciaal om de mainstreaming van de SDG’s te waarborgen. Het in mei 2018 gepubliceerde voorstel van de Europese Commissie is een stap in de goede richting, maar laat de gelegenheid onbenut om de Agenda 2030 tot prioriteit van de Europese agenda te maken. Naast de voorgestelde beperkte verhoging van het streefcijfer voor klimaatmainstreaming zou het nieuwe MFK relevante financiële middelen voor duurzame ontwikkeling moeten toewijzen en er ook voor moeten zorgen dat geen enkele vorm van financiering afbreuk doet aan de tenuitvoerlegging van de SDG’s. Er moet financiering beschikbaar worden gesteld aan spelers die de SDG’s in de praktijk brengen, waaronder de lidstaten, lokale overheden, bedrijven en ngo’s, ten behoeve van innovatieve, schaalbare projecten. |
|
3.6. |
De EU maakt een grote politieke en institutionele crisis door en staat voor uitdagingen zoals toenemende sociale ongelijkheid, milieuproblemen en het verlies van het vertrouwen van het publiek in de overheid en de EU (4). Om iets aan deze situatie te doen moet de EU een nieuw discours tot stand brengen dat concrete oplossingen kan bieden voor de uitdagingen waarmee onze samenlevingen momenteel worden geconfronteerd. Met de lopende debatten over de toekomst van Europa moet een bijdrage worden geleverd aan dit nieuwe discours, waarbij de Agenda 2030 en het zesde scenario voor Europa (5) in aanmerking worden genomen, zodat de EU uitgroeit tot een stuwende kracht achter duurzaamheid. De Europese staatshoofden moeten meer leiderschap tonen als het gaat om het opnemen van de SDG’s als centraal onderdeel van hun politieke discours en hun visie voor Europa. |
|
3.7. |
De Agenda 2030 is gebaseerd op fundamentele Europese waarden van democratie en participatie, sociale rechtvaardigheid, solidariteit en duurzaamheid, eerbiediging van de rechtsstaat en de rechten van de mens, zowel in Europa als wereldwijd. Het nieuwe discours over duurzame ontwikkeling moet burgers inzicht verschaffen in de wijze waarop overheden en het georganiseerd maatschappelijk middenveld van plan zijn gevolg te geven aan hun streven naar welzijn op economisch, sociaal en milieugebied. |
4. De kwestie van indicatoren
|
4.1. |
Het EESC is van mening dat de benadering die met de SDG-indicatoren van de EU wordt gekozen meer moet omvatten dan slechts een evaluatie en dat deze indicatoren dan ook moeten bijdragen aan de formulering en vormgeving van beleid en niet alleen als rapportage-instrument mogen worden gebruikt. De indicatoren moeten EU-beleidsmakers helpen bij het vaststellen van toekomstige beleidslijnen en bij het bedenken van hoe de SDG’s beter kunnen worden gehaald. De indicatoren moeten beleidsmakers ook helpen bij het opsporen van afwijkingen in de voortgang met betrekking tot het behalen van de SDG’s en hen in staat stellen om tijdig met noodzakelijke beleidsveranderingen te komen om ervoor te zorgen dat de doelstellingen tegen 2030 worden behaald. |
|
4.2. |
Vanuit de optiek van het EESC vormt het jaarlijkse SDG-monitoringverslag voor de EU van Eurostat uit 2017, het Monitoring report on progress towards the SDGs in an EU context, een goed begin, maar er is ruimte voor verbetering. Hierop moet worden voortgebouwd door de indicatoren te verbeteren. De huidige methode voor het evalueren van de voortgang (d.w.z. 1 % positieve verandering) kan, in afwezigheid van gekwantificeerde EU-streefwaarden, misleidend zijn, omdat deze, in tegenstelling tot andere verslagen, geen informatie biedt over hoe ver de EU verwijderd is van de verwezenlijking van de SDG’s. Zo concludeert Eurostat bijvoorbeeld dat er in Europa aanzienlijke vooruitgang met betrekking tot SDG12 (6) is geboekt, terwijl andere bronnen, zoals de OESO, tot andere conclusies komen (7). In het monitoringverslag moet het geïntegreerde karakter van de agenda duidelijker naar voren komen; de inspanningen moeten elke doelstelling ten goede komen in plaats van deze te ondermijnen. Hoewel het gebruik ervan waardevol is, worden er nog steeds te weinig overkoepelende indicatoren gebruikt om informatie te kunnen verschaffen over synergieën en dilemma’s met betrekking tot de doelstellingen. Bovendien moeten in het verslag de overloopeffecten op de duurzame ontwikkeling van partnerlanden worden beoordeeld en de samenhang tussen belangrijke externe en binnenlandse beleidsdoelstellingen worden bewaakt. Tot slot moeten indicatoren kunnen worden gebruikt om vergelijkingen te maken tussen Europese landen, verschillen aan het licht te brengen wat betreft de tenuitvoerlegging door de lidstaten, en moeten deze regelmatig worden bijgewerkt zodat ze gebaseerd zijn op de beste beschikbare wetenschap/kennis/informatie. |
|
4.3. |
Om te komen tot een samenhangend geheel van indicatoren waarmee een duidelijk overzicht wordt gegeven van de tenuitvoerlegging van de SDG’s op EU-niveau, is het essentieel om een alomvattend systeem van indicatoren op zowel Europees als nationaal niveau tot stand te brengen. Ten eerste moeten de huidige, voor verschillende beleidsterreinen op EU-niveau gebruikte indicatoren worden geharmoniseerd of op zijn minst worden gekoppeld aan de SDG-indicatoren van de EU. Zo moeten relevante reeksen indicatoren, zoals de indicatoren van het sociaal scorebord of de Europese biodiversiteitsindicatoren, worden gekoppeld aan de SDG-indicatoren van de EU en moet hun onderlinge verband duidelijk worden omschreven. Ten tweede moeten nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling gebruikmaken van dezelfde indicatoren of ten minste van indicatoren die vergelijkbaar zijn met de SDG-indicatoren van de EU. Mocht dit niet het geval zijn, dan dreigt er een gebrek aan samenhang tussen de verschillende benaderingen die de lidstaten volgen. Ten derde moet de EU een uitgebreid proces voor verslaglegging aan het politiek forum op hoog niveau van de VN voor duurzame ontwikkeling opzetten. De Europese Commissie moet zowel op EU-niveau als per afzonderlijke lidstaat een duidelijk overzicht kunnen geven van de tenuitvoerlegging van de SDG’s. |
|
4.4. |
Bij de vaststelling van de indicatoren moet rekening worden gehouden met bepaalde beperkingen. Eurostat en de nationale bureaus voor statistiek beschikken over beperkte personele en financiële middelen voor het verzamelen van nieuwe gegevens, zodat het niet altijd mogelijk is om nieuwe en meer doelgerichte indicatoren op te stellen. Volgens het jaarverslag 2017 van de Europese Adviescommissie voor statistische governance aan het Europees Parlement, bedragen de kosten voor het Europees statistisch systeem 0,02 % van het bbp, en na bezuinigingen op personele middelen in verband met begrotingsdiscipline is het aantal medewerkers niet terug op het niveau van voor de economische crisis (8). Om de reeks indicatoren te verbeteren, moet meer prioriteit worden gegeven aan de ontwikkeling van duurzaamheidsindicatoren en adequate financiering voor duurzaamheidsindicatoren worden toegewezen aan Eurostat en de nationale bureaus voor de statistiek, in lijn met de streefcijfers van SDG17. Zo kunnen er nieuwe indicatoren worden toegevoegd waarvoor mogelijk aanvullende gegevens moeten worden verzameld. |
|
4.5. |
Wat de huidige reeks indicatoren van Eurostat betreft, heeft het EESC een aantal tekortkomingen geconstateerd die moeten worden aangepakt, idealiter vóór publicatie van het monitoringverslag van Eurostat over de voortgang met betrekking tot de SDG’s van 2018. Mogelijke gebieden voor verbetering zijn:
|
|
4.6. |
Hoewel lange tijdreeksen zinvol zijn, moeten indicatoren worden geëvalueerd en verbeterd op basis van de vastgestelde nieuwe uitdagingen en de beschikbaarheid van nieuwe wetenschappelijke kennis, waaronder nieuwe gegevens. De inspanningen van Eurostat om in 2018 nieuwe indicatoren op te nemen vormen een stap in de goede richting, maar duidelijkheid over het proces en de tijdsplanning voor het opnemen van indicatoren die „in de wacht staan” is cruciaal. Zo moet er een plan van aanpak en een tijdslijn worden aangegeven voor de voorgestelde indicator „Omvang van dakloosheid in de EU”, aanbevolen door Feantsa (Europese Federatie van nationale organisaties werkend met daklozen), die momenteel „in de wacht” staat. |
|
4.7. |
Het georganiseerde maatschappelijk middenveld moet een grotere rol spelen met betrekking tot het jaarverslag van Eurostat. Eurostat moet het maatschappelijk middenveld meer raadplegen bij het definiëren van indicatoren en het beoordelen van de vooruitgang die daarmee wordt geboekt. In het algemeen moeten maatschappelijke organisaties in een vroeg stadium van het proces worden geraadpleegd, zodat nog rekening kan worden gehouden met hun aanbevelingen, en dient Eurostat toe te lichten waarom de aanbevelingen van het maatschappelijk middenveld al dan niet zijn overgenomen. |
|
4.8. |
Wat wel en niet wordt gemonitord en, in het bijzonder, de opzet en de keuze van indicatoren, heeft aanzienlijke politieke gevolgen (12). Daarom moet het maatschappelijk middenveld aan het proces dat Eurostat doorloopt bij het opstellen van het jaarlijkse verslag kunnen bijdragen met een kwalitatieve interpretatie van de indicatoren. Dit moet gepaard gaan met een regelmatige enquête van Eurobarometer, om de perceptie van burgers te beoordelen over de vooruitgang die wordt geboekt. |
|
4.9. |
Het EESC ziet in dat het maatschappelijk middenveld mogelijk niet over de statistische capaciteit beschikt om nieuwe indicatoren voor te stellen die aan de strenge criteria van Eurostat voldoen. Het maatschappelijk middenveld is echter in staat om nuttige indicatoren vast te stellen die gebruikmaken van andere bronnen dan de gegevens van Eurostat. Een voorbeeld hiervan zijn de indicatoren die worden ontwikkeld door het Sustainable Development Solutions Network. Niettemin vindt het EESC dat maatschappelijke organisaties moeten worden ondersteund met maatregelen voor capaciteitsopbouw, zodat zij een betere bijdrage aan de discussie met Eurostat kunnen leveren. |
|
4.10. |
Het EESC dringt erop aan dat de Europese Commissie en Eurostat beter gaan communiceren over de voortgang met betrekking tot de SDG’s, zodat er zoals hierboven vermeld een sterk nieuw discours ontstaat dat gericht is op duurzame ontwikkeling. Het verslag van Eurostat is niet altijd even goed leesbaar en niet breed gecommuniceerd, en daarom moet naar nieuwe manieren worden gezocht om er bekendheid aan te geven onder niet-gespecialiseerde doelgroepen en burgers. Andere onderzoeks- en communicatieproducten moeten ook worden onderzocht als onderdeel van een ambitieuze bewustmakingsstrategie. Zo zou het voorzien in een pagina over monitoring door het maatschappelijk middenveld op de SDG-website van Eurostat interactieve betrokkenheid bij de monitoring van de doelen mogelijk maken. |
|
4.11. |
Het EESC erkent dat in het jaarlijkse verslag van Eurostat geen kwalitatieve gegevens worden en kunnen worden opgenomen. Om deze leemte te vullen (evenals de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld te versterken), stelt het EESC voor dat de monitoring van de tenuitvoerlegging van de SDG’s moet worden aangevuld met een afzonderlijk, onafhankelijk en kwalitatief schaduwverslag, dat in nauwe samenwerking met alle belanghebbenden van het maatschappelijk middenveld wordt ontwikkeld. Dit schaduwverslag moet gericht zijn op: a) een reflectie op en het analyseren van het verslag van Eurostat; b) het aanvullen van het Eurostat-verslag met kwalitatieve gegevens die afkomstig zijn van het georganiseerd maatschappelijk middenveld, en c) het verstrekken van een interpretatie door het georganiseerd maatschappelijk middenveld van de voortgang bij de tenuitvoerlegging van de SDG’s. Het EESC voert momenteel een studie uit naar de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de monitoring van SDG’s (die naar verwachting in november 2018 wordt afgerond), waarin specifiek een methodologische aanpak voor het opstellen van dit aanvullend verslag op het jaarlijkse verslag van Eurostat zal worden onderzocht en voorgesteld. |
|
4.12. |
Verantwoording staat centraal in de SDG-agenda. Een ambitieuze SDG-strategie moet worden aangevuld met een solide verantwoordingskader waarin het georganiseerde maatschappelijk middenveld een centrale rol speelt. Daarom moet het bewustzijn onder burgers in de Unie worden vergroot en moeten er opiniepeilingen en andere mechanismen voor burgerfeedback worden toegepast. Met het oog hierop moet de Europese Commissie (in samenwerking met het EESC) een top over de SDG’s organiseren om jaarlijks een inventaris op te maken met de lidstaten, het Europees Parlement, het maatschappelijk middenveld, bedrijven en regionale en lokale overheden, en zich verbinden tot een inclusieve en regelmatige dialoog met belanghebbenden. Ten slotte moet de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de beoordeling van de SDG’s worden bevorderd. Het EESC zou een belangrijke rol kunnen spelen bij het ondersteunen van organisaties van het maatschappelijk middenveld bij het uitwisselen van ervaringen op dit vlak, het creëren van synergieën, het vergroten van kennis en bewustzijn, en het bevorderen van samenwerking. |
5. Integratie van de SDG’s in de EU-governance
|
5.1. |
Het huidige governancesysteem van de EU moet worden aangepast zodat ermee wordt bijgedragen aan de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030. Om dit te bereiken, moeten alle EU-instellingen maatregelen nemen om te zorgen voor coördinatie van hun werkzaamheden op weg naar verwezenlijking van de SDG’s. |
|
5.2. |
Hoewel het de vicevoorzitter van de Europese Commissie niet aan leiderschap ontbreekt, houdt het animo bij meerdere diensten van de Commissie duidelijk niet over, hetgeen het behalen van resultaten in de weg staat. Hetzelfde geldt voor het Parlement, dat een geloofwaardig proces moet ontwikkelen om in de verschillende commissies de tenuitvoerlegging van de SDG’s te bespreken. Voorts moet de werkgroep voor SDG’s in de Europese Raad, die alle lof verdient, ervoor zorgen dat de SDG’s adequaat aan bod komen in alle besprekingen van de Europese Raad, bijv. over de toekomst van het GLB, het cohesiebeleid, het vervoersbeleid (13), externe betrekkingen (14) en het volgende meerjarige financieel kader voor de periode 2021-2027. |
|
5.3. |
Een toekomstige overkoepelende EU-strategie voor duurzame ontwikkeling moet een doorslaggevende rol spelen bij de integratie van de SDG’s in alle EU-beleidslijnen en een kader verschaffen voor de coördinatie en monitoring van de tenuitvoerlegging van de SDG’s op EU- en nationaal niveau. Zoals gezegd, moeten in deze strategie streefwaarden worden vastgesteld, evenals manieren om deze te realiseren en een reeks indicatoren om de voortgang te monitoren. Het EESC vindt net als de Raad dat er een „referentiekader van indicatoren” moet worden ontwikkeld (15). |
|
5.4. |
Zoals werd opgemerkt, moeten in dit referentiekader van indicatoren alle momenteel op verschillende beleidsterreinen gebruikte relevante Europese indicatoren worden opgenomen en de onderlinge verbanden tussen de bestaande indicatoren en de SDG-indicatoren worden gedefinieerd. Zo moet de Europese Commissie bijvoorbeeld zorgen voor volledige afstemming en samenhang tussen de indicatoren van het sociaal scorebord en de Europese biodiversiteitsindicatoren. Momenteel maken acht van de twaalf indicatoren van het sociaal scorebord volledig of gedeeltelijk deel uit van de SDG’s van de EU. |
|
5.5. |
De coördinatie en monitoring van de SDG’s moet deel gaan uitmaken van het Europees Semester. Hiertoe heeft het EESC herhaaldelijk opgeroepen (bijv. in de EESC-adviezen nrs. NAT/693 (16), NAT/700 (17), SC/047 (18), SC/050 (19)). Daarbij moet worden toegezien op de toereikendheid van de strategieën voor de tenuitvoerlegging van de SDG’s op het niveau van de lidstaten. Nationale autoriteiten moeten gemeenschappelijke richtsnoeren ontvangen en worden gecontroleerd, zodat alle inspanningen in dezelfde richting gaan. Bovendien moet de uitwisseling van beste praktijken tussen lidstaten worden bevorderd. De reikwijdte van het Europees Semester moet volledig worden uitgebreid en moet behalve de traditionele economische dimensie ook een sociale en een milieudimensie omvatten waar evenveel aandacht naar uitgaat, binnen het kader van een toekomstige overkoepelende strategie voor duurzame ontwikkeling. De landenspecifieke aanbevelingen moeten dan ook in lijn zijn met de SDG’s alsook met de analyse die wordt uitgevoerd in de landenverslagen in het kader van het Europees Semester. |
|
5.6. |
Het onlangs opgezette steunprogramma voor structurele hervormingen (SRSP) is bedoeld om de lidstaten te helpen institutionele, structurele en administratieve hervormingen door te voeren. Naar verwachting zal het SRSP de komende jaren een belangrijke rol spelen. Zoals al werd opgemerkt door het EESC (20) en in het Falkenberg-verslag (21), moeten in het kader van het SRSP alleen de noodzakelijke hervormingen worden ondersteund die in lijn zijn met de Agenda 2030 en de SDG’s. |
|
5.7. |
Om ervoor te zorgen dat de SDG’s worden meegenomen in alle EU-beleidsmaatregelen, moet de agenda voor betere regelgeving dienovereenkomstig worden aangepast want alleen zo kan een alomvattende en holistische aanpak van de SDG’s worden gewaarborgd. Het EESC is van mening dat in de richtsnoeren en het beleidsinstrumentarium voor betere regelgeving expliciet moet worden verwezen naar de SDG-beginselen. Daarnaast moeten de methoden voor betere wetgeving worden herzien om ervoor te zorgen dat de langetermijndoelstellingen ermee kunnen worden beoordeeld en dat kan worden bepaald hoe ver de EU verwijderd is van de verwezenlijking van de SDG’s. Ten slotte moet meer aandacht worden besteed aan beleidssamenhang als instrument voor de tenuitvoerlegging van de SDG’s, bijvoorbeeld door het kader van de OESO voor beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling (PCSD) toe te passen. |
|
5.8. |
Wanneer zij nieuwe wetgevings- of beleidsinitiatieven voorstelt, moet de Commissie duidelijk aangeven op welke SDG deze betrekking hebben en een duurzaamheidstest uitvoeren om de verwachte impact op de SDG’s te bepalen (als onderdeel van het effectbeoordelingsproces, bedoeld om de economische, sociale en ecologische aspecten van voorstellen te beoordelen). Bovendien moet de Commissie aangeven welke problemen met de tenuitvoerlegging van de SDG’s zij met het voorgestelde beleid wil oplossen. Daarnaast moet de monitoring en evaluatie van het lopende EU-beleid worden aangepast zodat de voortgang met betrekking tot de verwezenlijking van de SDG’s wordt gemeten en beleidswijzigingen worden aanbevolen die de SDG’s in hogere mate bevorderen. |
|
5.9. |
Ook in het programma van de Commissie voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) moet het perspectief van duurzame ontwikkeling worden geïntegreerd. Met de werkzaamheden in het kader van het Refit-programma moet worden gegarandeerd dat een mogelijk voorgestelde vereenvoudiging en actualisering van de EU-wetgeving coherent is en bijdraagt aan de SDG’s. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) „Sustainable development in the European Union: Monitoring report on progress towards the SDGs in an EU context. 2017 edition”.
(2) Advies van het EESC over de volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst (PB C 345 van 13.10.2017, blz. 91).
Advies van het EESC over een Europees forum van het maatschappelijk middenveld voor duurzame ontwikkeling (PB C 303 van 19.8.2016, blz. 73).
(3) Het EESC brengt de initiatieven voor duurzame ontwikkeling op nationaal niveau in kaart. Op de website van het EESC zal een samenvatting per lidstaat worden gepubliceerd.
(4) Advies van het EESC over de transitie naar een duurzamere Europese toekomst, SC/047 (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 44).
(5) http://www.foeeurope.org/sites/default/files/other/2017/6th_scenario_future_of_europe.pdf
(6) SDG12 — Verantwoorde consumptie en productie.
(7) Zie bijvoorbeeld OESO. 2017. Het meten van de verwijdering tot de verwezenlijking van de SDG’s: een beoordeling van de huidige situatie in de OESO-landen.
(8) Jaarverslag ESGAB, 2017, blz. 25-26.
(9) SDG16 — Vrede, gerechtigheid en sterke instellingen.
(10) SDG17 — Partnerschappen voor de doelstellingen.
(11) Voortbouwen op huidige methodologieën zoals Civicus Monitor, https://civicus.org/index.php/what-we-do/innovate/civicus-monitor
(12) Advies van het EESC over de volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst, NAT/700 (PB C 345 van 13.10.2017, blz. 91).
(13) Advies van het EESC over de rol van vervoer bij de realisering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en daarmee samenhangende gevolgen voor de EU-beleidsvorming (PB C 367 van 10.10.2018, blz. 9).
(14) Advies van het EESC over het hernieuwde ACS-partnerschap, REX/485 (PB C 129 van 11.4.2018, blz. 76).
(15) https://www.consilium.europa.eu/media/23989/st10370-en17.pdf
(16) Advies van het EESC over duurzame ontwikkeling: inventarisatie van het interne en het externe beleid van de EU, NAT/693 (PB C 487 van 28.12.2016, blz. 41).
(17) Advies van het EESC over de volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst, NAT/700 (PB C 345 van 13.10.2017, blz. 91).
(18) Advies van het EESC over de transitie naar een duurzamere Europese toekomst, SC/047 (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 44).
(19) Advies van het EESC over de jaarlijkse groeianalyse 2018, SC/50 (PB C 227, 28.6.2018, blz. 95)
(20) Advies van het EESC over het steunprogramma voor structurele hervormingen, ECO/398 (PB C 177 van 18.5.2016, blz. 47).
(21) Sustainability Now! Strategienota’s ECPS. Uitgave 18 (2016) https://www.eesc.europa.eu/sites/default/files/files/rapport_kff.pdf
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/22 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de bijdrage van Europese plattelandsgebieden aan het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 door te zorgen voor duurzaamheid en cohesie tussen stad en platteland
(initiatiefadvies)
(2018/C 440/04)
|
Rapporteur: |
Tom JONES |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
15.2.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 29, lid 2, van het reglement van orde |
|
|
Initiatiefadvies |
|
Bevoegde afdeling |
Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
5.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
201/2/7 |
1. Conclusies en aanbevelingen
Conclusies
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) staat volledig achter het besluit om 2018 uit te roepen tot Europees jaar van het cultureel erfgoed (EYCH 2018) en is ingenomen met de inspanningen van organisatoren op alle niveaus om bekendheid te geven aan Europa’s rijke en diverse cultureel erfgoed (1). |
|
1.2. |
Het EESC moedigt alle belanghebbenden en deelnemers aan om de breedst mogelijke definitie van cultuur te hanteren en geen enkele burger uit te sluiten. |
|
1.3. |
Tijdens EYCH 2018 moet niet alleen cultureel erfgoed uit het verleden centraal staan, maar ook de aandacht worden gevestigd op opkomende, nieuwe en prikkelende uitingen van menselijke inspiratie en vaardigheden, die vaak voortkomen uit in het landelijk cultureel erfgoed van de lidstaten verankerde tradities. |
|
1.4. |
Twaalf maanden is een korte periode, maar het EESC hoopt dat de extra inspanningen en investeringen in het kader van EYCH 2018 burgers ertoe aanzetten zich ook te richten op de kansen die cultureel erfgoed in plattelandsgebieden biedt. Dat zou hen in staat moeten stellen te bouwen aan een nog grotere esthetische, sociale en economische schat aan welzijn voor de huidige en toekomstige generaties. Halverwege het jaar was al aan meer dan 3 500 projecten het EYCH 2018-label toegekend. Het percentage plattelandsprojecten verschilt per regio. |
|
1.5. |
Het EESC schaart zich achter de oproep van de Europese Alliantie voor kunst en cultuur uit januari 2018 aan de Europese instellingen en lidstaten om in het meerjarig financieel kader voor na 2020 te voorzien in substantiële steun voor kunst en cultuur. Ook is het tevreden dat de Europese Commissie in haar ontwerpbegroting uit mei 2018 aangeeft zich te willen inzetten voor cultuur en met haar nieuwe agenda voor cultuur (2) soortgelijke toezeggingen doet. |
Aanbevelingen
|
1.6. |
De intrinsieke artistieke waarde van het rijke en diverse landelijk cultureel erfgoed en de sociaaleconomische bijdrage die dat kan leveren aan het welzijn van alle burgers in Europa, moeten formeel worden erkend (3). |
|
1.7. |
Publieke investeringen moeten een „plattelandstoetsing” ondergaan, zodat bij de ontwikkeling van nieuwe financieringsprogramma’s ook aandacht uitgaat naar steun voor de permanente inspanningen van landbouwers, hun familie en werknemers, voor niet-gouvernementele organisaties van individuele kunstenaars, folkloristische gezelschappen, plaatselijke actiegroepen en zorgboerderijen, en volledig rekening wordt gehouden met de maatregelen die nodig zijn om de infrastructuur voor het landelijk erfgoed te verbeteren. |
|
1.8. |
In bestaande Europese financieringsstromen, waaronder het programma voor plattelandsontwikkeling, moet cultuur steeds meer beschouwd gaan worden als horizontale waarde en moet er steun gaan naar culturele projecten, onder meer die voor de bescherming, promotie en bevordering van landschappen met een grote biodiversiteit. Goede voorbeelden zijn het herstel van nomadische landbouw en afgelegen landhuisjes in de Pyreneeën en van wijngaarden op Santorini, de bescherming van gezamenlijke begrazingsgebieden in Șeica Mare (Roemenië) en het cultureel Leader-project op Lesbos (Griekenland) ter ondersteuning van de integratie van migranten. Met agromilieuregelingen moet de ontwikkeling van agrarische habitats ondersteund blijven worden en de bebouwde omgeving moet gaan voldoen aan strengere normen voor ontwerp, waarbij traditionele culturele patronen in acht moeten worden genomen met oog voor modern gebruik. |
|
1.9. |
Er moeten steunmaatregelen komen om te vermijden dat duurzame bosgebieden, bossen en waterwegen worden aangetast en vervuild. Er moeten middelen worden uitgetrokken voor het behoud van houtwallen, die in het verleden op het platteland zijn gecreëerd (in Polen bijvoorbeeld naar het ontwerp van Dezydery Chłapowski) en bodemerosie en CO2-uitstoot tegengaan, oogsten gunstig beïnvloeden en het landschap verrijken. |
|
1.10. |
Open dagen op boerderijen, schoolexcursies naar het platteland, shows, ambachts- en andere markten en culturele festivals in landelijke gebieden kweken begrip en waardering bij burgers uit steden en verdienen dan ook financiële steun van de overheid. Hetzelfde geldt voor maatregelen om met culturele projecten de kloof tussen de inwoners van stad en platteland te verkleinen. |
|
1.11. |
Maatregelen om nieuwe generaties kennis te laten maken met de cultuur en tradities van het platteland via innovatieve moderne idiomen moeten worden gestimuleerd. De sociaaleconomische baten daarvan moeten worden gemeten en goede praktijkvoorbeelden moeten worden gedeeld en gepromoot. Kunstenaars en andere culturele inspirators moeten worden ondersteund om, soms in andere plaatsen, gemeenschappen te helpen het potentieel van hun lokale cultuurgoederen ten volle te benutten. |
|
1.12. |
Het ernstige verlies aan ambachtelijke vaardigheden moet een halt worden toegeroepen met meer investeringen in opleidingen, zodat kennis uit het verleden aan de volgende generatie doorgegeven en innovatie gestimuleerd wordt. Op scholen in landelijke gebieden moet niet alleen aandacht worden geschonken aan carrièremogelijkheden elders maar ook aan de werkgelegenheidskansen die het platteland biedt. Voor alle jongeren uit plattelandsgebieden, onder wie jonge landbouwers, ligt er de bijzondere uitdaging om blijk te geven van ondernemerschap maar daarbij hun erfgoed te omarmen en te beschermen. |
|
1.13. |
Het landelijk cultureel erfgoed moet onder andere worden gepromoot voor duurzaam toerisme, zodat burgers uit steden de culturele waarden van het platteland leren waarderen en worden gestimuleerd naar het platteland te verhuizen en in meer afgelegen plaatsen te gaan werken. |
|
1.14. |
De marketing van culturele producten uit landelijke gebieden, waaronder het gastronomisch erfgoed, moet worden bevorderd en geografische merknamen moeten een beschermde status krijgen, zodat kwaliteit en traceerbaarheid worden gewaarborgd. |
|
1.15. |
Vrijwilligers, maatschappelijk actieve gemeenschappen, sociale ondernemingen en ondernemers in plattelandsgebieden moeten worden aangemoedigd hun culturele activiteiten, waaronder de bevordering van de diversiteit van talen en dialecten, verder te ontwikkelen en met anderen te delen. Dat komt alle burgers ten goede. „Slimme” plattelandsgemeenschappen moeten de waarde en het potentieel van lokale cultuurgoederen benutten en zoeken naar mogelijkheden voor samenwerking met soortgelijke groepen elders om netwerkvorming te stimuleren en onder andere de vruchten te plukken van meer toerismekansen. |
|
1.16. |
Ook al zullen de projecten in het kader van EYCH 2018 waarschijnlijk langer doorlopen, het is van belang de kwantificeerbare investeringen en resultaten op heldere wijze te inventariseren en evalueren, rekening houdend met economische, sociale en culturele factoren. Er is na trialoogonderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad in 2017 zo’n 8 miljoen EUR uitgetrokken voor EYCH 2018. Verwacht zou mogen worden dat een significant percentage daarvan beschikbaar is voor plattelandsgebieden. |
|
1.17. |
Meer onderzoek is gewenst om de kwaliteit van de baten van erfgoed en lopende culturele activiteiten voor het welzijn van de burgers te kwantificeren en te meten en toekomstige maatregelen te onderbouwen. Onverstoorbare pleitbezorgers van erfgoed moeten steun krijgen om nieuwe migranten en andere culturele tradities te verwelkomen. |
|
1.18. |
Er zijn dringend maatregelen nodig om vervoersverbindingen en digitale infrastructuur te verbeteren, die essentieel zijn voor de bevolking in landelijke gebieden en de ontwikkeling van cultuurtoerisme. |
2. Inleiding
|
2.1. |
Dit advies richt zich met name op het brede scala aan cultuurgoederen en talenten van plattelandsgebieden en hun inwoners, waarmee zij het Europees cultureel erfgoed mede vormgeven, en op de manier waarop zo’n ruime definitie van cultuur bijdraagt aan een leefbaarder en welvarender platteland. Het EESC onderschrijft het Pan-Europees Handvest voor landelijk erfgoed over de bevordering van duurzame ruimtelijke ontwikkeling (4), en de volgende passage uit de Cork 2.0-verklaring van 2016: „Landbeheer speelt een sleutelrol in het raakvlak tussen burgers en milieu. Beleidsmaatregelen moeten de levering van collectieve milieugoederen stimuleren, met inbegrip van het behoud van Europa’s natuurlijk en cultureel erfgoed.” |
|
2.2. |
Het EYCH 2018-initiatief moet een „plattelandstoetsing” ondergaan. Het EESC is bezorgd dat kleine gemeenschappen in dorpen en stadjes niet tijdig zullen beschikken over voldoende kennis van EYCH 2018 om de nodige voorbereidingen te kunnen treffen voor de promotie van het hen omringende enorme arsenaal cultuurgoederen. Tijdens EYCH 2018 moet niet alleen cultureel erfgoed uit het verleden centraal staan, maar ook de aandacht worden gevestigd op opkomende, nieuwe en prikkelende uitingen van menselijke inspiratie en vaardigheden, die vaak voortkomen uit in het landelijk cultureel erfgoed van de lidstaten verankerde tradities. |
|
2.3. |
Het inventariseren van bestaande culturele activiteiten en het trekken van lessen uit geslaagde projecten is zeker waardevol, maar EYCH 2018 moet ook nieuwe, innovatieve culturele evenementen omvatten die het cultureel erfgoed uit het verleden op eigentijdse wijze doorgeven aan de nieuwe generaties zodat plattelandsgebieden nieuwe kansen krijgen. Het programma Creatief Europa kent twee landelijke projecten, „Roots and Roads” en „Food is Culture”, die als ze succesvol zijn kunnen bijdragen aan onderwijs en ontwikkeling. |
|
2.4. |
Hoewel het lastig is de sociaaleconomische baten van culturele activiteiten te kwantificeren (de Europese cultuur levert 300 000 rechtstreekse banen op), meent de OESO dat cultuur moet worden aangewend als welzijnsindicator. Verder is het van belang dat EYCH 2018-organisatoren enig onderzoek verrichten om toekomstige investeringen te kunnen rechtvaardigen. Er moet een duidelijk overzicht worden opgesteld van hoe succesvol het jaar was met de organisatie van activiteiten in landelijke en afgelegen gebieden en hoe op goede praktijkvoorbeelden, zoals de AlpFoodway (5) en de Terract-projecten (6), kan worden voortgebouwd om op Europees en regionaal niveau nieuwe prioriteiten vast te stellen. |
3. Algemene en specifieke opmerkingen
|
3.1. |
Landelijke landschappen, het mozaïek van natuurlijke geologische structuren en menselijke invloeden door agrarische activiteiten, en bossen, meren, rivieren en nederzettingen, bieden wellicht het indrukwekkendste cultureel erfgoed dat er bestaat. Van nationale parken en Natura 2000-gebieden tot groene ruimten in de periferie van steden: er vallen vele vormen van schoonheid te bewonderen, die een bron van inspiratie zijn voor hele generaties kunstenaars, musici, schrijvers, dansers en voor alle mensen die niet tot een van die groepen behoren. De Commissie gaat in haar nieuwe agenda voor cultuur slechts kort in op de mogelijkheden voor het platteland. Ze schrijft echter dat herstel en verbetering van cultureel en natuurlijk erfgoed bijdragen aan groei en duurzaamheid, en dat geïntegreerd beheer van cultuurgoederen en natuurlijke hulpbronnen mensen stimuleert om beide te ontdekken en zich ervoor te engageren. Het Mayangna-volk uit Nicaragua gebruikt hetzelfde woord voor natuur en cultuur. Dat is ecologisch burgerschap. |
|
3.2. |
Plattelandsgemeenschappen waarderen het landschap zelfs op. Land- en bosbouwers en hun werknemers alsmede ambachtslieden — mannen en vrouwen — hebben de landelijke landschappen mede vormgegeven. Hele generaties goed geschoolde mensen hebben land en water bedwongen en benut voor voedsel, om er te wonen en inkomsten te genereren. In Polen bijvoorbeeld werden in de 19e eeuw houtwallen gecreëerd, die dienden ter bescherming van gronden en het moderne landschap zijn karakteristieke aanzien hebben gegeven. Andere bewoners hebben met stenen en hout land afgebakend en schuren en werkplaatsen gebouwd. Ze hielden inheemse veerassen die pasten in hun omgeving en bij het klimaat, en verbouwden gewassen. In de gemeenschappen ontstonden bijzondere gastronomische en folkloristische tradities. Hun nalatenschap is ook een rijk erfgoed bestaande uit verfijnde gebouwen — landhuizen, kastelen, kerken, maar ook boerenwoningen, kleine molens en winkeltjes op het platteland. Enkele daarvan zijn nauwgezet gerestaureerd en te vinden in het St Fagan Folk Museum in Wales. Vaak dragen particuliere investeerders de kosten van het onderhoud van dit soort historische architectuur, soms met de onmisbare steun van overheden en liefdadigheidsorganisaties. Bij een innovatief project in Noord-Wales wordt hernieuwbare energie uit de zeebodem gebruikt voor verwarming, waardoor kosten worden bespaard door Plas Newydd, een landhuis van de National Trust (7). Aandacht voor verleden en heden zou evenwicht moeten creëren tussen idealen en de dagelijkse problemen van mensen. |
|
3.3. |
Het EESC juicht alle inspanningen toe om dit erfgoed zorgvuldig te bewaren, ook die van de Europese Erfgoedalliantie. De restauratie ervan vereist ook de constructieve medewerking van planningsinstanties aan het in oude glorie herstellen van gebouwen. Het mede uit het Erasmus-programma gefinancierde Revab-project voorziet in cursussen om het potentieel voor het hergebruik van overbodige agrarische gebouwen te vergroten waardoor die niet verloren gaan. |
|
3.4. |
De bewoners van het platteland creëerden hun eigen cultuur, die een afspiegeling vormt van hun werk, vrijetijdsbesteding en sociale uitdagingen, wat tot uiting komt in kunst, sport en hun gemeenschappelijke activiteiten. Plattelandsgebieden zijn vaak belangrijk als plaatsen waar de diversiteit van minderheidstalen en dialecten wordt bewaard. De namen van dorpen, boerderijen en landerijen hebben vaak een belangrijke betekenis, die moet worden begrepen en gerespecteerd. Die, nog altijd groeiende, erfenis is van grote waarde voor de samenleving in het algemeen. |
|
3.5. |
Maar de economische activiteiten van plattelandsbewoners veranderen en verdwijnen nu en dan en niet alle landschappen zijn ongerept. Soms getuigen ze van industriële exploitatie, oorlogen en plunderingen, van de verwoestende gevolgen van droogten, overstromingen en bosbranden, of zelfs van overexploitatie ten gevolge van ongebreideld, zeer intensief toerisme. Alle landschappen vertellen verhalen, waar lessen uit kunnen worden getrokken. Beperking van de gevolgen van de klimaatverandering vereist positief ingrijpen om diversiteit en een palet aan ervaringen te behouden. Instandhouding van de banden met het verleden krijgt het etiket „levering van collectieve goederen” en landschappen verschralen als er geen sprake is van duurzame biodiversiteit, zorgvuldige planning en gecontroleerd gebruik. Zelfs kunst en cultuur verwateren als de plattelandsbevolking krimpt tot onder een duurzaam niveau. |
|
3.6. |
Eurostat wees er in 2017 op dat meer dan een derde van de Europeanen niet meedoet aan culturele activiteiten. Daarom is de ontwikkeling van cultuurtoerisme in landelijke gebieden in combinatie met gezondheidsactiviteiten en recreatie een belangrijk instrument om nu en in de toekomst de kloof tussen de inwoners van stad en platteland te verkleinen. De stad Galway is een goed voorbeeld van culturele samenwerking tussen steden en landelijke gebieden en de Europese culturele hoofdsteden (bijv. Plovdiv in Bulgarije en Matera in Italië in 2019) zouden altijd zowel cultuur uit steden als van het platteland voor het voetlicht moeten brengen. De erfgoeddienst van Wales (CADW) kent een inloopinitiatief, dat deel uitmaakt van een in vijftig landen lopend project, om burgers te helpen in de voetsporen van verandering te treden en zo hun bestaan beter te begrijpen (onder het motto „om je toekomst te kunnen plannen moet je je verleden begrijpen”). |
|
3.7. |
Een ander voorbeeld van het delen van kennis is te vinden in Griekenland, op de „kunstboerderij” van Sotiris Marinis (8). In het dorp Megali Mantineia in het westen van Mani heeft hij boomhuizen en een cursusruimte gebouwd met als leidraad dat „een ervaring hier kennis bijbrengt over ons landelijk en cultureel erfgoed”. |
|
3.8. |
Het cultuurtoerisme in landelijke gebieden is een bestaande en groeiende sociaaleconomische inkomstenbron en ligt aan de basis van gezamenlijke investeringen. De bescherming en ondersteuning van het cultureel erfgoed in Europa is een nationale, regionale en lokale verantwoordelijkheid en taak, waarbij het essentieel is een gevoel van trots te bezitten. De EU-instellingen kunnen het besef van de gemeenschappelijke Europese waarden bevorderen, goede praktijkvoorbeelden promoten en het delen van ervaringen stimuleren (9). Traditionele regionale recepten, bieren en wijnen, kostuums en muziek, zoals die tijdens de Groene Week in Berlijn ten toon worden gesteld (10), trekken jaarlijks duizenden internationale bezoekers en helpen het heden met het verleden te verbinden. Het wordt steeds populairder om consumenten via agrarische markten en internetverkoop rechtstreeks toegang te geven tot levensmiddelen en ambachtelijke producten van producenten uit landelijke gebieden. Een voorbeeld uit Finland zijn de lokale levensmiddelengroepen van REKO. |
|
3.9. |
Eenzame plekken waar burgers naar vogels kunnen kijken en luisteren, en natuurgebieden waar zij kennis kunnen maken met de diversiteit van bossen en de medische toepassingen van plantensoorten, stimuleren hun belangstelling, ontdekkingsdrang en welbevinden. Uitbreiding van de mogelijkheden daartoe moet helpen voorkomen dat kwetsbare plaatsen overbezocht worden. Dat creëert ook economische groei en werkgelegenheid in meer afgelegen landelijke gebieden doordat hun voornaamste hulpbronnen worden benut, waarvan slimme dorpen en gemeenschappen zich al bewust zijn. In de berggebieden van Lombardije wordt met het AttivAree-project het gevoel van verbondenheid van de mensen versterkt door via kunst het natuurlijk erfgoed te benadrukken. Dankzij dit project worden ook pensions opgeknapt en wordt de beschikbaarheid van accommodatie in afgelegen dorpen zoals Lavenone vergroot (11). Reisbureaus moeten worden aangemoedigd om samen met ondernemers uit afgelegen regio’s en sociale ondernemingen duurzaam cultureel toerisme te promoten. |
|
3.10. |
De verschaffing en verspreiding van culturele informatie met behulp van digitale technieken zal op creatieve wijze de kloof verkleinen die aan het ontstaan was tussen stad en platteland en tussen de jongere en oudere generaties. Projecten als YourAlps (12) die de jeugd weer in contact brengen met het erfgoed in berggebieden, krijgen de steun van het EESC. Er bestaan talrijke voorbeelden van nieuwe innovatieve manieren om culturele tradities te laten zien, zoals de artistieke projecten die lopen in Aasted (Denemarken) en het dorp Pfyn in Zwitserland. Die projecten zijn ontsproten aan lokale initiatieven en in kaart gebrachte lokale behoeften, en benutten participatieprocessen, die op hun beurt deel uitmaken van Europa’s culturele traditie. Om investeringen in soortgelijke initiatieven aan te moedigen, moeten de Europese, nationale en regionale bestuursniveaus over publieke en particuliere middelen kunnen beschikken. |
|
3.11. |
Er wordt ook meer en meer gebruikgemaakt van nieuwe digitale instrumenten om bijvoorbeeld in vroegere en huidige conflictgebieden belangrijke historische plekken te reconstrueren die zijn verwoest door verwaarlozing of oorlogen. Verder wordt technologie benut om grafstenen en vervagende manuscripten nauwkeuriger te kunnen lezen (13). Het EESC is ingenomen met de plannen van de Commissie voor een Digital4Culture-strategie en verwacht dat daarin ook alle relevante rurale aspecten in aanmerking worden genomen. In bijvoorbeeld het Memola-project worden 3D-scans van oude irrigatiegebieden gebruikt om nieuwe irrigatieprocessen aan te leren. |
|
3.12. |
Meer onderzoek is nodig om te begrijpen hoezeer culturele activiteiten belangrijk zijn en welke gezondheidsvoordelen ze opleveren voor mensen van alle leeftijden en met name degenen met fysieke of geestelijke aandoeningen (14). Met bestaande Erasmus+-programma’s, zoals TEMA Masters, worden momenteel goede onderzoeksmogelijkheden gefinancierd. Tijdens de Horizon 2020/EYCH 2018-conferentie op hoog niveau over innovatie en cultureel erfgoed (15) is gepleit voor meer onderzoeksinspanningen om prioriteiten en goede praktijkvoorbeelden voor de bevordering van culturele activiteiten vast te stellen. |
|
3.13. |
Door liefdadigheidsorganisaties en filantropische stichtingen gesteunde initiatieven dragen aanzienlijk bij aan het behoud van natuurgebieden en aan de stimulering van activiteiten, vaak via sociale ondernemingen, die de ontwikkeling van plattelandsgebieden op duurzame wijze aanjagen. De Finse Stichting voor de Cultuur steunt onderzoek naar maatregelen om te voorkomen dat agrarische residuen de waterkwaliteit van de Oostzee aantasten. Ze werkt samen met landbouwers vanuit de overtuiging dat meer biodiversiteit een rijker landschap betekent. Ook andere liefdadigheidsinitiatieven worden toegejuicht, zoals van de Wales Schools’ Cultural Heritage Trust, die culturele wedstrijden tussen scholen aanmoedigt waarbij kinderen culturele activiteiten kiezen en uitvoeren (16). Nog een goed voorbeeld is de school in het Roemeense Piscu (17), die een gespecialiseerde erfgoedinstelling is en workshops en conferenties organiseert en zo jongeren in staat stelt hun cultureel erfgoed te ontdekken. Het EESC zelf heeft in het kader van zijn initiatief „Jouw Europa, jouw mening” (18) in maart 2018 leerlingen van scholen uit heel Europa ontvangen voor een debat over hun culturele prioriteiten. Hun conclusies: „Wij willen leven in een Europa dat alle vormen van cultuur waardeert en beschermt…, wij willen elitarisme voorkomen en cultuur populariseren…, maar ook de kans krijgen zelf cultuur te creëren.” In het dorp Giffoni in Zuid-Italië hebben zo’n 300 studenten films en video’s gemaakt om hun regio te promoten. |
|
3.14. |
Publieke investeringen moeten een „plattelandstoetsing” ondergaan, zodat bij de ontwikkeling van nieuwe financieringsprogramma’s ook aandacht uitgaat naar steun voor de permanente inspanningen van landbouwers, hun familie en werknemers, voor niet-gouvernementele organisaties van individuele kunstenaars, folkloristische gezelschappen, plaatselijke actiegroepen en zorgboerderijen, en volledig rekening wordt gehouden met de maatregelen die nodig zijn om de infrastructuur voor het landelijk erfgoed te verbeteren. |
|
3.15. |
Er is ruimte voor en vraag van cultuurtoeristen naar meer thematische en geografische verbanden. Gezamenlijke profilering en gezamenlijke toegang tot projecten zijn welkom. Van groot sociaaleconomisch belang zijn landbouwshows in dorpen en stadjes en nationale evenementen zoals de Royal Welsh-show in Builth Wells (19), die zo’n 240 000 bezoekers lokt, en het literaire festival van Hay on Wye, dat een klein landelijk gebied naar schatting 21 miljoen GBP oplevert. Open dagen op boerderijen, jaarmarkten, culturele festivals, zoals het Llangollen International Eisteddfod, concerten, processietochten, zoals die in het Belgische Veurne, stoomtreintrajecten op smalspoor, nordic walking en traditionele dansgroepen dragen allemaal enorm bij aan het behoud en de promotie van het landelijk cultureel erfgoed. Het werk dat vrijwilligers reeds generaties lang voor dit soort evenementen verrichten vormt op zich al een belangrijk onderdeel van het cultureel erfgoed. Waardering verdienen de activiteiten van het Europees Vrijwilligerscentrum en nationale en regionale vrijwilligersorganisaties om de kwaliteit van het vrijwilligerswerk in de culturele sector te vergroten. Deze instanties worden aangemoedigd hun waardevolle werkzaamheden voort te zetten en ook gezondheids- en veiligheidstrainingen te geven zodat vrijwilligers en toeristen veilige en plezierige ervaringen beleven. |
|
3.16. |
Er is echter een groeiend tekort aan geschoolde ambachtslieden om kennis door te geven en een nieuwe generatie bij te brengen hoe het veelzijdige erfgoed kan worden beschermd en ontwikkeld. Het uit Frankrijk afkomstige JEMA-initiatief (20) stimuleert op regelmatige basis ambachtelijke activiteiten en herinnert aan de noodzaak nieuwe generaties daarin te scholen. Dat is tevens een kans bij uitstek om via en voor cultuur de band tussen verschillende generaties te verstevigen. Binnen bestaande Europese, nationale en regionale programma’s dient er meer nadruk te worden gelegd op praktijkopleidingen en erkenning van opgedane vaardigheden, met niet alleen aandacht voor bestaande ambachtelijke en milieuvaardigheden, maar ook voor begeleiding, ontwikkeling van nieuwe technieken en cultureel ondernemerschap. Onder meer kunstenaars moeten steun krijgen voor samenwerking met scholen in steden en op het platteland en voor de ontwikkeling van culturele ideeën tussen generaties en etnische groepen. |
|
3.17. |
Bij landelijk cultureel erfgoed gaat het ook over de participatiedemocratie. Europa kent een sterke traditie van gemeenschappelijke solidariteit en de bestrijding van isolement en achterstanden via gezamenlijke activiteiten, waarvan er vele een culturele basis hebben. De opbouw van lokaal duurzaam leiderschap en de uitvoering van lokale prioriteiten via door de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) en de Leader-methode passen bij de nalatenschap van maatschappelijke organisaties en bewegingen. Sociale en culturele activiteiten helpen mensen in gebieden met weinig publieke en particuliere voorzieningen om met elkaar verbonden te blijven. Een traditie van hulp van vrijwilligers, soms als laatste redmiddel, zorgt voor de instandhouding van precaire, kwetsbare landschappen waarin mensen kunnen overleven. Overheidssteun is daarvoor onontbeerlijk. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) EESC-advies over een Nieuwe agenda voor cultuur (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).
(2) https://ec.europa.eu/culture/news/new-european-agenda-culture_en
(3) EESC-conferentie van 20 en 21 juni 2016.
(4) Resolutie nr. 2 van de Europese Conferentie van ministers belast met ruimtelijke ordening/regionale planning van de lidstaten van de Raad van Europa (Cemat) over het Pan-Europees Handvest voor landelijk erfgoed: Bevordering van duurzame ruimtelijke ordening — Landelijk erfgoed als factor voor territoriale samenhang, goedgekeurd tijdens de 15e sessie van Cemat, Moskou, Rusland, 9 juli 2010.
(5) http://www.alpine-space.eu/projects/alpfoodway/en/home
(6) http://www.terract.eu/fr/
(7) https://www.bangor.ac.uk/studentlife/studentnews/gift-s-marine-renewable-visit-to-plas-newydd-18421
(8) https://www.facebook.com/agroktima.artfarm/
(9) EESC-advies over een Nieuwe agenda voor cultuur (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).
(10) https://www.gruenewoche.de/
(11) AttivAree-project in de regio Lombardije.
(12) http://www.alpine-space.eu/projects/youralps/en/home
(13) Project van Andrew Skerrett, dat hij presenteerde tijdens de hoorzitting van de studiegroep op 24 juli 2018 in Cardiff.
(14) Innovate Trust —Positive outcomes from field days horticulture project.
(15) https://ec.europa.eu/info/events/innovation-and-cultural-heritage-2018-mar-20_nl
(16) https://jamesprotheroe.wordpress.com/Darren Park Primary School, Ferndale
(17) http://piscu.ro/piscu-school/#
(18) https://www.eesc.europa.eu/nl/node/52237
(19) http://www.rwas.wales/royal-welsh-show/
(20) Journées Européennes des Métiers d’Art (Europese dagen van de ambachten), https://www.journeesdesmetiersdart.fr/
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/28 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de gevolgen van subsidiariteit en overregulering voor de economie en de werkgelegenheid
(verkennend advies op verzoek van het Oostenrijkse voorzitterschap)
(2018/C 440/05)
Rapporteur:
Dimitris DIMITRIADISCorapporteur:
Wolfgang GREIF|
Raadpleging |
Oostenrijks voorzitterschap van de Raad, 12.2.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
192/1/1 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het verzoek van het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie om een verkennend advies over „De gevolgen van subsidiariteit en overregulering voor de economie en de werkgelegenheid”. Dit voegt waarde en meer aspecten toe aan het lopende debat over betere regelgeving om rechtszekerheid en duidelijke regels te bieden en te „zorgen voor minimale regeldruk voor bedrijven, burgers en overheidsdiensten” (1). Het bestaande niveau van bescherming van burgers, consumenten, werknemers, investeerders en het milieu in de lidstaten mag niet ter discussie worden gesteld bij de uitvoering van de EU-wetgeving. |
|
1.2. |
Het EESC dringt er nogmaals op aan dat kwesties die verband houden met de toekomst, waaronder debatten over bevoegdheden en over het niveau van regelgeving, op nationaal en Europees niveau worden aangepakt, met de volledige medewerking van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties. Dit is een fundamentele uitdrukking van de participatieve democratie die is opgebouwd uit verschillende niveaus en derhalve moet worden versterkt in de EU en de lidstaten. |
|
1.3. |
Het EESC onderstreept dat het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel cruciaal zijn voor een alomvattende en solide Europese wetgeving. Het onderstreept dat de EU zich moet richten op gebieden waar het EU-recht voor een aanzienlijke meerwaarde zorgt. De Europese Commissie (EC) zou daarom moeten nagaan welke kwesties echt op de meest efficiënte manier op EU-niveau moeten worden aangepakt. Als de besluiten vereisen dat terdege rekening wordt gehouden met nationale, regionale en lokale kenmerken, moeten de respectieve autoriteiten de ruimte hebben om deze te specificeren, met de actieve betrokkenheid van de relevante belanghebbenden, waaronder de sociale partners. |
|
1.4. |
Binnen het EESC lopen de meningen over de term „overregulering” uiteen, die voortvloeien uit de verschillende standpunten van de diverse actoren. Hoewel er geen duidelijke definitie bestaat, verwijst „overregulering” over het algemeen naar een situatie waarin de lidstaten bij de omzetting in nationaal recht eisen invoeren die strenger zijn dan de minimumeisen die in de EU-wetgeving (voornamelijk richtlijnen) zijn vastgesteld. De EC moet richtsnoeren opstellen om de lidstaat te helpen de respectieve eisen van een rechtshandeling op de juiste wijze om te zetten, met inachtneming van de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit evenals eerlijke concurrentievoorwaarden. |
|
1.5. |
Het EESC merkt op dat, met name in het licht van subsidiariteit en evenredigheid en strokend met het EU-recht, alleen de lidstaten bevoegd zijn om aanvullende maatregelen te nemen die afwijken van de (minimum)eisen van de EU, teneinde recht te doen aan hun specifieke kenmerken. Dergelijke besluiten moeten op transparante wijze worden genomen na raadpleging van de sociale partners en belanghebbenden en conform de EU-wetgeving. In dit verband stelt het EESC de soevereiniteit, vrijheid en verantwoordelijkheid van de lidstaten om nationale wetten en praktijken vast te stellen niet ter discussie. |
|
1.6. |
Het EESC roept de Europese instellingen en de lidstaten op om zich meer in te spannen om onredelijke administratieve lasten te verminderen en zo groei en duurzame werkgelegenheid te stimuleren. |
|
1.6.1. |
In het kader van de voorbereiding van het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2021-2027 dringt het EESC er bij de EC op aan snel maatregelen te nemen om onnodige administratieve lasten aan te pakken die de ESIF-investeringen sterk belemmert — staatssteun, naleving van aanbestedingen, controlepraktijken en de vertraagde goedkeuring van universele gedetailleerde richtsnoeren, soms zelfs met terugwerkende kracht. |
|
1.6.2. |
Het EESC benadrukt dat onnodige regelgeving en administratieve lasten een belemmering vormen voor het maximaliseren van de voordelen en minimaliseren van de regelgevingskosten voor ondernemingen, burgers en openbare instanties. Het herhaalt dat er behoefte is aan vereenvoudigde en consistente regelgeving van betere kwaliteit die goed moet worden begrepen en uitgevoerd, met de even onmisbare betrokkenheid van alle vier bestuursniveaus — EU, nationaal, regionaal en lokaal. |
|
1.6.3. |
Net als in eerdere adviezen (2) pleit het EESC ervoor om bij de effectbeoordelingen van de EC een grondige mkb-toets uit te voeren. |
|
1.7. |
Het EESC herhaalt dat Europese minimumnormen, met name in het kader van het sociaal, het consumenten- en het milieubeleid van de EU, gericht zijn op de onderlinge aanpassing van de levens- en arbeidsomstandigheden in de hele EU, in een streven naar opwaartse convergentie. Minimumnormen in EU-richtlijnen mogen niet worden begrepen als maximumniveau dat nooit mag worden aangescherpt bij de omzetting in de nationale rechtsstelsels. Naar het oordeel van het EESC mag het draagvlak voor het Europese integratieproces niet worden aangetast door regelgevingsconcurrentie via verlaging van normen. Alle besluiten moeten op transparante wijze en in een open dialoog met de sociale partners en de organisaties van het maatschappelijk middenveld worden genomen. |
2. Inleiding
|
2.1. |
Het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad van de EU verzocht om een verkennend advies van het EESC over de gevolgen van subsidiariteit en overregulering voor de economie en de werkgelegenheid. |
|
2.2. |
Het EESC stelt vast dat het verzoek zowel het subsidiariteitsbeginsel als overregulering betreft en het huidige debat over betere regelgeving verruimt, waarover het EESC zich in diverse onlangs goedgekeurde adviezen (3) heeft uitgesproken. |
|
2.3. |
De kwestie subsidiariteit heeft onlangs aan belang gewonnen, vooral met het Witboek over de toekomst van Europa. De taskforce Subsidiariteit en Evenredigheid, die in november 2017 door de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, in het leven werd geroepen, heeft een rapport ingediend met aanbevelingen voor het verbeteren van de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel (4).
Het EESC vindt het karakter van het rapport in bepaalde opzichten beperkt en is van mening dat dit de beperkte samenstelling van de taskforce weerspiegelt. Het EESC wijst er daarom sterk op dat bij follow-upevenementen vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld actief moeten worden betrokken. Het EESC meent dat de evenredigheid van Europese maatregelen dringend moet worden besproken alsook en nog belangrijker, de gebieden waarop de EU haar optreden moet intensiveren, beperken of zelfs stilzetten, conform de belangen van burgers en de economie en andere maatschappelijke belangen. |
|
2.4. |
Volgens het EESC moeten deze kwesties met betrekking tot de toekomst op nationaal en EU-niveau worden aangepakt, samen met de sociale partners en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld. Het zou rechtstreeks bijdragen tot een zichtbare toepassing van horizontale subsidiariteit wanneer zij evenveel ruimte krijgen als de standpunten van de lokale en regionale overheden bij de opstelling en uitvoering van nationaal en EU-beleid. |
|
2.5. |
Het EESC is ingenomen met de erkenning van het Oostenrijkse voorzitterschap van de waarde van het benutten van de grote deskundigheid van de sociale partners en organisaties van het maatschappelijk middenveld bij het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van beleidsmaatregelen op nationaal en EU-niveau. Dit is een fundamentele uitdrukking van de participatieve democratie die is opgebouwd uit verschillende niveaus en derhalve moet worden versterkt in de EU en de lidstaten. |
|
2.6. |
In dit opzicht verzoekt het EESC de taskforce om naar behoren rekening te houden met zijn adviezen over subsidiariteit en evenredigheid, die ook de basis vormen voor de opmerkingen en aanbevelingen van dit advies. |
3. Het subsidiariteitsbeginsel
|
3.1. |
Het in artikel 5 VEU uiteengezette subsidiariteitsbeginsel moet waarborgen dat EU-maatregelen niet verder gaan dan nodig is om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken en dat de EU uitsluitend optreedt op gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen wanneer de doelstellingen van een wettelijke maatregel doeltreffender op EU-niveau dan op nationaal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden behaald. |
|
3.2. |
Het EESC onderstreept het grote belang van deze beginselen in een supranationale gemeenschap zoals de EU en steunt uitdrukkelijk de bij het Verdrag van Lissabon vastgestelde instrumenten voor de naleving van het subsidiariteitsbeginsel — van de subsidiariteitsbeoordeling voorafgaande aan de goedkeuring van een wetgevingshandeling tot de indiening van klachten over de subsidiariteit door nationale wetgevende organen. |
|
3.3. |
Het EESC benadrukt voorts dat alle gebieden waarin in het VWEU is voorzien een goed werkend Europa vereisen en dat het subsidiariteitsbeginsel niet mag worden gebruikt om EU-maatregelen, die een duidelijke Europese meerwaarde hebben, tegen te werken, om vooraf voorrang te verlenen aan nationale benaderingen of zelfs de EU van tevoren uit te sluiten van belangrijke beleidsgebieden. Alleen regels met een Europese meerwaarde mogen worden aangenomen. Het EESC meent dat de uitdagingen waarmee het continent momenteel wordt geconfronteerd niet vragen om een hernationalisering voor „minder Europa”, maar veeleer om moedige stappen op weg naar een beter en burgervriendelijker Europa dat ook de samenhang bevordert. |
|
3.4. |
Het EESC erkent dat de rol van de lidstaten bij de uitvoering van de EU-wetgeving bijzonder belangrijk is in het geval van de omzetting van richtlijnen, die wat het te behalen resultaat betreft bindend zijn, maar waarbij de nationale instanties zelf de vorm en middelen voor de uitvoering mogen bepalen en — in overeenstemming met de EU-wetgeving — mogen besluiten de normen te verbeteren indien zij dit nuttig achten. De omzetting mag tegelijkertijd de eerlijke concurrentievoorwaarden voor alle actoren op de interne markt niet belemmeren, hetgeen belangrijk is voor de goede werking ervan. |
|
3.5. |
Hoewel de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de nauwkeurige en tijdige omzetting van richtlijnen, moet de Commissie, als hoedster van de Verdragen, waarborgen dat de richtlijnen op nationaal niveau correct worden uitgevoerd. Deze zogenaamde gedeelde verantwoordelijkheid moet vanaf het allereerste begin van het wetgevingsproces duidelijk zichtbaar zijn: een goede uitvoering is afhankelijk van een duidelijke, transparante en uitgebreide effectbeoordeling als basis van een nieuwe EU-wet, de duidelijke en eenvoudige taal van het voorstel en toereikende uiterste termijnen voor de uitvoering. |
|
3.6. |
Het EESC waarschuwt echter dat zelfs wanneer aan de bovenstaande eisen is voldaan, de uitvoering op nationaal, regionaal en lokaal niveau ontoereikend en/of ondoeltreffend kan blijken. In dit opzicht herhaalt het zijn verzoek aan de EC om overeenkomstig haar bevoegdheden haar inspanningen systematisch te versterken om sneller en strenger op te treden in gevallen waarin de lidstaten de EU-wetgeving onjuist of niet omzetten (5) nadat alle samenwerkingsopties onder de loep zijn genomen. |
|
3.7. |
Het EESC stelt vast dat wordt gemeend dat een aantal juridische en politieke verbintenissen de bevoegdheden van de EU-instellingen te buiten gaan en dat ze worden gezien als inmenging in de domeinen en keuzen van lidstaten (bijv. nationale arbeidsbetrekkingen en initiatieven van vakbonden; pensioenen en gezondheids- en andere socialezekerheidsstelsels of beroepsvoorschriften, bijv. kwalificatiecriteria in de gezondheidssector).
Daarom verzet het EESC zich niet alleen tegen het te buiten gaan van de bevoegdheden van de EU-instellingen, maar ook tegen de overdracht van belangrijke delen van de regelgeving van het VWEU, zoals consumentenbescherming, normen inzake milieubescherming en het Europees sociaal beleid, naar nationaal niveau onder het voorwendsel van subsidiariteit. |
4. Het vermijden van onnodige regelgevende en administratieve lasten — overregulering
4.1. Het debat over overregulering.
|
4.1.1. |
Bij de omzetting van de EU-wetgeving voeren de lidstaten soms strengere of meer geavanceerde maatregelen in dan die in de vorm van vereisten zijn uiteengezet in de EU-wetgeving (voornamelijk richtlijnen) of ze maken geen gebruik van de door de richtlijn aangeboden opties met het oog op mogelijke vereenvoudiging. Dit fenomeen wordt in veel documenten overregulering genoemd („gold plating”). In het eerste geval is er sprake van actieve overregulering, het tweede geval wordt passieve overregulering genoemd. |
|
4.1.2. |
Het EESC heeft uiteenlopende standpunten ten aanzien van overregulering die ook de verschillende standpunten van de diverse actoren weerspiegelen. Sommige belanghebbenden zien het als een teveel aan normen, richtsnoeren en procedures die zich op nationaal, regionaal en lokaal niveau ophopen en de verwachte beleidsdoelstellingen doorkruisen die middels de omgezette regelgeving moeten worden behaald. Andere belanghebbenden zijn echter van mening dat het gebruik van de gestigmatiseerde term „overregulering” het risico met zich meebrengt dat vraagtekens worden geplaatst bij enkele geavanceerde normen van lidstaten die op democratische wijze zijn aangenomen en in hun rechtsstelsels zijn opgenomen, met name op het gebied van het arbeids-, consumenten- en milieurecht, en met betrekking tot de vrije beroepen. |
|
4.1.3. |
Het EESC pleit voor een pragmatische en evenwichtige aanpak en richt zich in het kader van dit advies op een neutrale, preciezere terminologie conform het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van mei 2016. |
4.2. Definitie van overregulering.
|
4.2.1. |
Het EESC stelt voor om overregulering preciezer te definiëren. Voor gevallen waarin lidstaten de inhoud van de EU-wetgeving op ambitieuzere wijze omzetten (wat betreft de inhoud of de procedure) of streven naar overeenstemming met de nationale wetgeving kunnen uitdrukkingen zoals „meer geavanceerde bepalingen”, „strengere bepalingen” of „hogere eisen” worden gebruikt. Het gebruik van de term „overregulering” moet worden beperkt tot gevallen van onredelijke en onnodige toevoegingen aan de EU-wetgeving in de loop van de omzetting in nationaal recht, die niet kunnen worden gerechtvaardigd met het oog op een of meer doelstellingen van de voorgestelde maatregel of die leiden tot extra onnodige administratieve lasten. De term „overregulering” is in elk geval heel algemeen en de vertaling ervan is in veel nationale talen misleidend en moet worden vervangen door een meer concrete term. |
|
4.2.2. |
Los van de terminologie (en zelfs wanneer de term „overregulering” mag worden gebruikt) herhaalt het EESC dat dit concept met name niet zou moeten verwijzen naar:
|
|
4.2.3. |
Het EESC herhaalt dat het subsidiariteitsbeginsel de lidstaten in staat stelt strengere maatregelen in te voeren, en aldus hun recht uit te oefenen om verschillende eigen doelstellingen te verwezenlijken (bijv. op economisch, sociaal en milieugebied) en verbintenissen na te komen ten aanzien van een hoge mate van bescherming, gelet op het specifieke karakter van rechtsinstrumenten zoals richtlijnen, en bepaalde beperkingen van bevoegdheden. Het EESC onderstreept dat dergelijke strengere verbintenissen alleen mogen worden aangegaan na een transparant en open debat met de sociale partners en belanghebbenden en in een geest van wederzijds begrip en een evenwichtig besluitvormingsproces. |
4.3. Overregulering en betere regelgeving.
|
4.3.1. |
In het kader van de agenda voor betere regelgeving erkent de EC het recht van de lidstaten om verder te gaan dan de in de EU-wetgeving vastgestelde normen (overregulering), maar toont ze zich bezorgd over het gebrek aan transparantie hieromtrent. Het Verenigd Koninkrijk, Nederland, België, Duitsland en Oostenrijk hebben stelsels vastgesteld om gevallen van overregulering te identificeren. In het Verenigd Koninkrijk en Nederland wordt overregulering geregeld in het kader van gecentraliseerd officieel beleid dat is gericht op de bevordering van de economische groei. |
|
4.3.2. |
Het EESC trekt de bestaande bepalingen van de Verdragen, en met name inzake de bevoegdheden van de EU en de lidstaten, geenszins in twijfel, maar herhaalt dat het noodzakelijk is om de „algemene Unierechtelijke beginselen, zoals democratische legitimiteit, subsidiariteit en evenredigheid, en rechtszekerheid” in acht te nemen. Dit betekent onder meer dat de democratische soevereiniteit, vrijheid en verantwoordelijkheid van de lidstaten moet worden geëerbiedigd om nationale wetgeving en praktijken te ontwikkelen die naar behoren rekening houden met de rol van de sociale partners in dit opzicht. Het EESC heeft altijd gepleit voor de bevordering van eenvoud, duidelijkheid en samenhang bij het opstellen van de Uniewetgeving, evenals voor meer transparantie in het wetgevingsproces. |
|
4.3.3. |
Het EESC heeft herhaaldelijk benadrukt: „Europese regelgeving is essentieel voor de Europese integratie en vormt geen last of een te vermijden kostenpost. Integendeel, deze regelgeving biedt alle belanghebbenden en EU-burgers een belangrijke waarborg voor bescherming, belangenbehartiging en rechtszekerheid, maar dan moet zij wel goed geproportioneerd zijn” (6). Het herhaalt zijn standpunt dat wetgeving essentieel is om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken en om de juiste voorwaarden te scheppen voor slimme, duurzame en inclusieve groei ten behoeve van het publiek, ondernemingen en burgers (7). Conform artikel 3 VWEU draagt de wetgeving ook bij tot de verbetering van het welzijn, de bescherming van het algemeen belang en de grondrechten, de bevordering van een hoog niveau van sociale en milieubescherming en de waarborging van rechtszekerheid en juridische voorspelbaarheid. Zij moet ook concurrentievervalsing en sociale dumping voorkomen (8). |
|
4.3.4. |
Bij de omzetting van richtlijnen voegen lidstaten soms elementen toe die geen duidelijk verband hebben met de desbetreffende EU-wetgeving. Het EESC vindt dat deze toevoegingen expliciet zouden moeten worden vermeld in de omzettingshandeling(en) of via de bijbehorende documentatie. De legitimiteit van de lidstaten om EU-handelingen aan te vullen als gevolg van de minimale harmonisatie moet over het algemeen worden erkend, zolang dit transparant is en de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid eerbiedigt. Er zijn veel voorbeelden van een niet-minimalistische omzetting van richtlijnen in de lidstaten die kunnen worden gezien als overregulering. |
|
4.3.5. |
Het EESC onderstreept dat de lidstaten wanneer de harmonisatie minimaal is in staat zijn om bepalingen te formuleren die gericht zijn op: het scheppen van werkgelegenheid, betere levens- en werkomstandigheden, adequate sociale bescherming, een hoog en duurzaam werkgelegenheidsniveau en de bestrijding van uitsluiting (artikel 151 VWEU), de bevordering en ontwikkeling van kmo’s en hoge normen voor de bescherming van de gezondheid en consumenten (de artikelen 168 en 169 VWEU), evenals de bescherming op milieugebied (artikel 191 VWEU) — zonder echter onnodige regelgevende of administratieve lasten te creëren. |
|
4.4. |
Het EESC is van mening dat de volgende maatregelen zullen helpen om onnodige regelgevende en administratieve lasten te voorkomen:
|
|
4.5. |
Om te voorkomen dat ondernemingen en andere belanghebbenden een concurrentienadeel ondervinden ten opzichte van hun tegenhangers in andere lidstaten, moet de EC richtsnoeren opstellen om de lidstaten te helpen de eisen van een rechtshandeling op de juiste wijze om te zetten, terwijl zij hierbij de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit en eerlijke concurrentievoorwaarden eerbiedigt. In dit verband herhaalt het EESC zijn eis dat de sociale partners en andere relevante belangen zo veel mogelijk moeten worden betrokken bij de omzettingsactiviteiten en dat de lidstaten en nationale en regionale parlementen sterk betrokken moeten zijn bij de respectievelijke beoordelingen achteraf (9). |
|
4.6. |
Aanbevelingen van het EESC voor een efficiënte omzetting: |
|
4.6.1. |
De lidstaten moeten aandacht besteden aan de relevante uiterste termijnen voor uitvoering om te zorgen dat voldoende tijd overblijft voor raadplegingen van alle relevante belanghebbenden:
|
|
4.6.2. |
Raadplegingen:
|
|
4.6.3. |
Terminologie en gedelegeerde handelingen:
|
5. Specifieke gevoelige gebieden
5.1. Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF)
|
5.1.1. |
Het Europese cohesiebeleid, en met name de structuurfondsen en het Europees Sociaal Fonds, wordt uitgevoerd in een complexe administratieve, institutionele en regelgevende omgeving en is een specifiek gebied waarop een onnodige en belastende omzetting een negatief effect kan hebben op het EU-beleid. Nationale en/of regionale regels voegen in dit verband vaak iets toe, in plaats van er uitsluitend voor te zorgen dat de minimale (Europese) eisen worden aangepakt. Veel van deze regels leiden tot aanvullende administratieve lasten. Er moet worden opgemerkt dat aanvullende eisen vaak voortvloeien uit de aanname dat deze belangrijk, nuttig, noodzakelijk en het resultaat van een democratisch proces zijn. |
|
5.1.2. |
In het kader van de voorbereiding van het MFK voor de periode 2021-2027, dringt het EESC er bij de EC op aan snel maatregelen te nemen om een onnodige administratieve last aan te pakken die de ESIF-investeringen sterk belemmert — staatssteun, naleving van aanbestedingen, controlepraktijken en de vertraagde goedkeuring van universele gedetailleerde richtsnoeren, soms zelfs met terugwerkende kracht. Het beperken of vermijden van onnodige administratieve lasten is een gedeelde verantwoordelijkheid van alle actoren. |
|
5.1.3. |
Ongepaste praktijken kunnen leiden tot een gebrek aan vertrouwen in het algemene systeem voor de uitvoering van de ESIF. Hiertoe behoren een risicomijdende benadering op alle niveaus; een gebrek aan consistentie in de uitleg van de reacties van verschillende DG’s van de EC; aanhoudende tekortkomingen ten aanzien van de harmonisatie van de ESIF-regels op nationaal, regionaal en lokaal niveau; angst voor de niet-naleving van de regels inzake staatssteun; uiteenlopende benaderingen van het beleid inzake overheidsopdrachten op EU- (met een nadruk op transparantie) en nationaal (met een nadruk op rendement) niveau; en uiteenlopende nationale administratieve culturen. |
|
5.1.4. |
Ongeschikte praktijken kunnen ook negatieve gevolgen hebben voor begunstigden alsook programma-organen en de administratieve kosten en lasten van de ESIF-uitvoering doen toenemen, waardoor zij minder aantrekkelijk worden. Vanwege het gebrek aan alternatieve systemen voor geschillenbeslechting kunnen bedrijven en met name mkb-bedrijven negatieve gevolgen ondervinden van late betalingen, administratieve overbelasting, ongeschikte controles, weigering van projecten, uitsluiting van collectieve acties enz. Daarom roept het EESC op gespecialiseerde systemen voor geschillenbeslechting vast te stellen. |
|
5.1.5. |
Aanbevelingen voor toekomstige maatregelen voor de periode 2021-2027: |
|
5.1.5.1. |
Beperking van de administratieve lasten op het gebied van beheer en controle:
|
|
5.1.5.2. |
Het EESC verzoekt om de vereenvoudiging en stroomlijning van staatssteunregels, onder meer door alle bronnen van onzekerheid in de toepassing ervan weg te nemen. Mogelijke wijzigingen moeten in overweging worden genomen, waaronder, indien nodig, wijzigingen van de toepasselijke regels, zodat vergelijkbare ESIF-projecten op dezelfde wijze worden behandeld als projecten die uit hoofde van het EFSI worden gefinancierd en programma’s die direct worden beheerd door de EC, zoals Horizon 2020. Het EESC waarschuwt tegelijkertijd dat de nota’s met uitleg en richtsnoeren en documenten op basis van vragen en antwoorden tot een minimum moeten worden beperkt, zodat deze niet nog een laag van feitelijke wetgeving worden. Het beveelt aan deze te vervangen door een brede verspreiding van goede praktijken en toepassing met terugwerkende kracht te vermijden. Het EESC verzoekt de EC af te zien van het opstellen van richtsnoeren die voor alle lidstaten gelden op basis van een verzoek of problemen in één lidstaat of een paar lidstaten. |
|
5.1.5.3. |
Om de uiteenlopende benaderingen aan te pakken bij de behandeling van regels inzake overheidsopdrachten stelt het EESC voor een gezamenlijke taskforce te creëren bestaande uit vertegenwoordigers van relevante DG’s en Fondsen, die de regels indien nodig op consistente wijze uitleggen en consistent advies verlenen, alsmede zorgen voor een uniforme benadering van financiële correcties. |
|
5.1.5.4. |
Het EESC is van mening dat subsidiariteit beter moet worden toegepast bij de uitvoering van de ESIF en het aan nationale autoriteiten moet worden overgelaten om de naleving van nationale regels te verifiëren. Het nodigt de lidstaten uit volledig gebruik te maken van de opties voor vereenvoudiging waarin de nieuwe programmeringsperiode voorziet, af te zien van overregulering, dat hier betrekking heeft op alle normen, richtsnoeren en uitvoeringsprocedures die onnodig kunnen worden geacht ten aanzien van de door de beheersautoriteiten vastgestelde beleidsdoelstellingen, en onnodige administratieve lasten te elimineren. |
5.2. Op weg naar betere regelgeving
|
5.2.1. |
Het EESC benadrukt dat onnodige regelgeving en administratieve lasten een belemmering vormen voor ondernemingen, burgers en openbare instanties. In dit opzicht herhaalt het EESC dat er behoefte is aan vereenvoudigde en consistente regelgeving van betere kwaliteit die goed moet worden begrepen en op transparante wijze moet worden uitgevoerd, met de even onmisbare betrokkenheid van alle vier bestuursniveaus — EU, nationaal, regionaal en lokaal. |
|
5.2.2. |
In sommige lidstaten moet de overheid strengere regels dan de in de EU-wetgeving vastgelegde minimumeisen (overregulering) voor een nationaal comité rechtvaardigen. In lidstaten waar dergelijke organen niet bestaan, is het niet nodig om nieuwe administratieve organen in het leven te roepen, maar moet het goedkeuringsproces van eisen die strenger zijn dan de EU-normen niettemin transparant verlopen. |
|
5.2.3. |
Net als in eerdere adviezen (11) pleit het EESC ervoor mkb-toetsen efficiënter uit te voeren bij de effectbeoordelingen inzake voorstellen voor nieuwe Europese wetgevingshandelingen. Het verzoekt de lidstaten gebruik te maken van opties om vrijstellingen van bepaalde regels te verlenen aan micro-ondernemingen in overeenstemming met het EU-recht. Het EESC herhaalt zijn standpunt dat streefdoelen voor de beperking van de regelgevende lasten gebaseerd moeten zijn op een uitgebreide evaluatie, met inbegrip van een dialoog met het maatschappelijk middenveld en belanghebbenden. Het bestaande niveau van bescherming van burgers, consumenten, werknemers, investeerders en het milieu in een lidstaat mag niet ter discussie worden gesteld bij de uitvoering van de EU-wetgeving (12). |
|
5.2.4. |
Het EESC haalt opnieuw de pariteit en de homogeniteit van de verschillende doelstellingen van het EU-beleid in overeenstemming met het Verdrag aan en legt met name de nadruk op een sociaal verantwoorde markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en op een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. |
|
5.2.5. |
Het EESC nodigt de EC uit om, indien redelijk en gerechtvaardigd, het gebruik van modellen op basis van stimulansen en internationale normen en richtsnoeren in overweging te nemen. |
6. Gevolgen voor arbeids-, consumenten- en milieunormen
|
6.1. |
In de laatste decennia is een aantal EU-brede minimumnormen vastgesteld voor de bescherming van consumenten, het milieu en werknemers, die erop gericht zijn te zorgen voor de opwaartse convergentie van levens- en arbeidsomstandigheden in de Unie, d.w.z. meer sociale convergentie zoals bedoeld in artikel 151 VWEU. |
|
6.2. |
De EU-wetgever heeft bewust ruimte gelaten voor de lidstaten om de minimumnormen uit te voeren, met inachtneming van de beginselen uit het EU-verdrag en met name van evenredigheid. Als gevolg hiervan is in richtlijnen bepaald dat lidstaten bij de uitvoering rekening kunnen houden met hun hogere normen. Het EESC benadrukt dat wanneer de lidstaten kiezen voor ambitieuzere beschermingsnormen, onder andere de beginselen voor betere regelgeving hierbij in acht kunnen worden genomen. |
|
6.3. |
Deze nationale normen zijn het resultaat van democratische onderhandelingen waarbij de Europese en nationale sociale partners in aanzienlijke mate werden betrokken en komen ten goede aan werknemers, consumenten en bedrijven. Conform de doelstellingen van het EU-Verdrag moet de vaststelling van dergelijke minimumnormen erop gericht zijn ervoor te zorgen dat de interne markt beter functioneert en mag ze geen nadelig effect hebben op de hogere beschermingsniveaus op nationaal niveau. Minimumnormen in het EU-recht omvatten vaak zelfs expliciete non-regressieclausules waarin wordt vermeld dat de uitvoering van de richtlijn niet mag worden gebruikt als rechtvaardiging voor het verlagen van eventuele hogere nationale normen dan de Europese norm. Dat betekent evenwel niet dat nationale normen voorgoed vastliggen en nooit kunnen worden gewijzigd. |
|
6.4. |
De lidstaten kunnen in de loop van de nationale omzetting van het EU-recht effectbeoordelingen gebruiken om na te gaan wat de sociale, economische en andere gevolgen zijn. |
|
6.5. |
Voor het sociaal beleid, evenals voor de consumenten- en milieubescherming heeft de EU-wetgeving ervoor gezorgd dat hogere normen in de lidstaten niet mogen worden ondermijnd en moeten worden gewaarborgd, met de inbreng van alle belanghebbenden bij de effectbeoordelingen. In dit opzicht heeft het EESC herhaaldelijk gesteld dat de agenda voor betere regelgeving moet resulteren in kwalitatief hoogwaardige EU-wetgeving, zonder belangrijke beleidsdoelstellingen te ondermijnen of aan te dringen op deregulering ten aanzien van normen voor sociale en milieubescherming en de grondrechten (13). |
|
6.6. |
Het EESC herhaalt dat Europese minimumnormen, met name in het kader van het sociaal beleid van de EU, gericht zijn op de onderlinge aanpassing van de levens- en arbeidsomstandigheden in de hele EU, in een streven naar opwaartse sociale convergentie. Minimumnormen in EU-richtlijnen mogen niet worden begrepen als maximumniveau dat niet mag worden overschreden bij de omzetting in de nationale rechtsstelsels. |
|
6.7. |
Het EESC ondersteunt het proces voor betere regelgeving en erkent de meerwaarde ervan. Tegelijkertijd waarschuwt het dat het in geen geval mag worden gebruikt als excuus voor het verlagen van eisen, met name op het gebied van consumenten-, milieu- en arbeidswetgeving en bevordering van welvaart en duurzame werkgelegenheid. Het EESC waarschuwt dat dit onder grote delen van de bevolking een reden zou zijn voor groeiende scepsis over de EU. Naar het oordeel van het EESC mag het draagvlak voor het Europese eenwordingsproces niet worden aangetast door regelgevingsconcurrentie via verlaging van normen. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) https://ec.europa.eu/info/law/law-making-process/planning-and-proposing-law/better-regulation-why-and-how_nl
(2) PB C 197 van 8.6.2018, blz. 1.
(3) PB C 434 van 15.12.2017, blz. 11; PB C 13 van 15.1.2016, blz. 192; PB C 303 van 19.8.2016, blz. 45; PB C 487 van 28.12.2016, blz. 51; PB C 262 van 25.7.2018, blz. 22.
(4) https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/report-task-force-subsidiarity-proportionality-doing-less-more-efficiently_1.pdf
(5) PB C 262 van 25.7.2018, blz. 22; PB C 18 van 19.1.2017, blz. 10.
(6) Zie onder meer paragraaf 1.2. van het advies van het EESC over Refit — PB C 303 van 19.8.2016, blz. 45.
(7) COM(2012) 746 final, blz. 2.
(8) PB C 303 van 19.8.2016, blz. 45, par. 2.1.
(9) PB C 262 van 25.7.2018, blz. 22, par. 1.2.
(10) CES248-2013 (informatief rapport) (PB C 13 van 15.1.2016, blz. 145).
(11) PB C 197 van 8.6.2018, blz. 1.
(12) PB C 262 van 25.7.2018, blz.22, par. 4.7.1 en 4.8.3.
(13) PB C 262 van 25.7.2018, blz. 22 (par. 1.1 en 3.4); PB C 303 van 19.8.2016, blz. 45 (par. 2.1-2.2, 2.5); PB C 13 van 15.1.2016, blz. 192 (par. 2.4).
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/37 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de digitale genderkloof
(verkennend advies op verzoek van het Europees Parlement)
(2018/C 440/06)
|
Rapporteur: |
Giulia BARBUCCI |
|
Verkennend advies op verzoek van het Europees Parlement |
Brief d.d. 19.4.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
19.7.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
176/2/6 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Er ligt een veelvoud aan oorzaken aan de digitale genderkloof ten grondslag. Te ondernemen acties moeten daarom verschillende terreinen aanpakken: het onderwijsstelsel, vanaf de kindertijd tot in de volwassenheid, de arbeidsmarkt, het evenwicht tussen werk en privéleven, openbare diensten en de digitale kloof in het algemeen. Een multidisciplinaire benadering waarin verschillende aspecten van innovatie worden samengebracht (technologisch, sociaal, cultureel enz.) wordt aanbevolen. |
|
1.2. |
De digitale genderkloof is niet louter een technologische kwestie: het is een economische, sociale en culturele kwestie waarvoor meerlagig en holistisch beleid nodig is, zodat genderongelijkheid bij de diepste maatschappelijke en culturele wortels kan worden aangepakt. |
|
1.3. |
Het is belangrijk om actie te ondernemen om het aantal vrouwen in de STEM-vakken te verhogen, aangezien dit ook kan leiden tot een verbetering van de omstandigheden in andere sectoren en in de economie en de samenleving als geheel. Daarnaast is het belangrijk in dit digitale tijdperk in alle sectoren het groeiende belang te erkennen van onderwijs in ICT en van multidisciplinaire en ondernemersvaardigheden en digitale en soft skills (zoals inlevingsvermogen, creativiteit en het oplossen van complexe problemen). Interdisciplinair onderwijs en op mensen gerichte vaardigheden zullen essentieel zijn en deze aspecten moeten in aanmerking worden genomen in het onderwijs. |
|
1.4. |
Digitale geletterdheid en digitaal onderwijs voor iedereen zijn cruciaal. Daarbij dienen meisjes bijzondere aandacht te krijgen om de digitale genderkloof al bij het begin te dichten. Om een einde te maken aan stereotypering is het essentieel dat er meer vrouwelijke digitale rolmodellen komen. |
|
1.5. |
De participatie van vrouwen in technische en hoogwaardige beroepen moet worden bevorderd. Daartoe moeten belemmeringen op het gebied van onderwijs en van professionele aard en stereotypen worden bestreden en waarborgen worden gecreëerd voor een leven lang digitaal leren om te voorkomen dat vrouwen van de arbeidsmarkt worden buitengesloten. |
|
1.6. |
Leerkrachten en opleiders moeten de juiste instrumenten krijgen om op alle niveaus ICT te kunnen gebruiken om les te geven, wat de democratie en een inclusiever en meer gepersonaliseerd onderwijs- en opleidingssysteem ten goede komt. |
|
1.7. |
Om de negatieve spiraal van de feminisering van armoede te voorkomen, moeten billijke arbeidsvoorwaarden en toegang tot sociale bescherming (1) worden gewaarborgd. Dit geldt met name voor de „gig-economie” (2). Sociale dialoog en collectieve onderhandelingen spelen in dit opzicht een fundamentele rol. |
|
1.8. |
Wanneer ook vrouwen de functie van ICT-ontwikkelaar vervullen, kan dat helpen om de gendervooroordelen weg te nemen die in het ontwerp van een bepaalde technologie kunnen sluipen. |
|
1.9. |
Vrouwelijk ondernemerschap moet worden ondersteund door de belemmeringen voor vrouwen voor zelfstandig ondernemerschap te slechten en de toegang tot de sociale bescherming en de kwaliteit ervan te verbeteren (3). |
|
1.10. |
Er moet toezicht worden gehouden op „slim werken” en telewerken om het risico te voorkomen dat de grenzen tussen zorg, werk en privéleven vervagen. |
|
1.11. |
Het is belangrijk om de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen met een handicap te verbeteren door de toepassing van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (4). |
|
1.12. |
De digitalisering van de openbare sector vormt een goede gelegenheid om de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te faciliteren en vrouwen met zorgtaken bij te staan. Ook wordt het hierdoor gemakkelijker om bureaucratische rompslomp uit de weg te ruimen en openbare diensten toegankelijker te maken. |
|
1.13. |
Het is belangrijk om genderstereotypen te bestrijden: dit probleem moet bij elke maatregel en op elk terrein aandacht krijgen, en moet worden aangepakt bij de diepste maatschappelijke en culturele wortels. |
|
1.14. |
Een van de grootste obstakels waar vrouwen online en op sociale netwerken mee te maken krijgen is cyberpesten. Het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld moet worden geratificeerd en toegepast. |
|
1.15. |
Bij alle maatregelen op nationaal, Europees en internationaal niveau moet discriminatie van vrouwen op digitaal terrein in aanmerking worden genomen. Deze discriminatie heeft ook een negatief effect op de economie en de maatschappij in het algemeen. |
|
1.16. |
Bij de uitwerking van overheidsbeleid moet het genderperspectief steeds voor ogen worden gehouden (mainstreaming). Genderbudgettering en het kijken door een genderlens kunnen in dit verband nuttige instrumenten zijn. |
|
1.17. |
De Europese Commissie zou de taskforce „Women in Digital” en het „Digital4Her”-initiatief moeten versterken. Om het aantal vrouwen dat een digitale studie volgt en een digitale carrière heeft in de hele EU te verhogen is het belangrijk dat er Europese netwerken van op digitaal terrein werkzame vrouwen worden opgezet en ontwikkeld. |
|
1.18. |
De Europese Commissie moet EU-landen aanbevelen om nationale streefcijfers en indicatoren vast te stellen waarmee de situatie kan worden gemonitord (jaarlijks scorebord). Mogelijke verbeteringen of verslechteringen moeten worden gemeten, ook via onderzoek door het EIGE. Via het Europees Semester kunnen landenspecifieke aanbevelingen tot de lidstaten worden gericht. |
|
1.19. |
De sociale partners op de passende niveaus streven naar en spelen een sleutelrol bij het verbeteren van gendergelijkheid in het onderwijs en op de arbeidsmarkt om de digitale genderkloof aan te pakken. Vooral collectieve onderhandelingen spelen een cruciale rol bij een leven lang leren en op de arbeidsmarkt doordat daarin genderrollen worden aangepakt, de rol van vrouwen in besluitvorming en in allerlei organen wordt bevorderd, het evenwicht tussen werk en privéleven wordt ondersteund en de loonkloof tussen mannen en vrouwen wordt aangepakt (5). |
|
1.20. |
Het EESC beveelt aan dat het Europees Parlement deze aanbevelingen voor de volgende zittingsperiode van het EP ondersteunt, aangezien dit onderwerp van kapitaal belang is voor de toekomstige ontwikkeling van Europa. |
2. Inleiding
2.1. Gendergelijkheid
|
2.1.1. |
Jean-Claude Juncker stelde in zijn toespraak tot het Europees Parlement over de politieke prioriteiten van de Europese Commissie dat er voor discriminatie in de Europese Unie geen plaats is, waardoor de gebieden justitie en grondrechten een van de tien politieke prioriteiten van het werk van de Commissie vormen. Gendergelijkheid behoort tot dit terrein, ook al wordt op dit gebied reeds een belangrijke rol gespeeld door het Handvest van de grondrechten, waarin wordt gesteld dat „de gelijkheid van vrouwen en mannen moet worden gewaarborgd op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning” (6). Mariya Gabriel, EU-commissaris voor Digitale Economie en Samenleving, heeft onlangs een aantal maatregelen uiteengezet in het kader van haar strategie om de participatie van vrouwen in de digitale sector te vergroten. De follow-up van de Digital4Her-verklaring, die werd ondertekend door een aantal IT-bedrijven, is in dit verband belangrijk; doel is een inclusieve en genderevenwichtige werkcultuur en -omgeving tot stand te brengen. |
|
2.1.2. |
Vrouwen worden op de arbeidsmarkt en in de maatschappij in het algemeen nog steeds gediscrimineerd. Uit de gendergelijkheidsindex, waarmee de ongelijkheid wordt gemeten op de gebieden van werk, tijd, geld, kennis, macht, geweld en gezondheid, blijkt dat op deze gebieden slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt. De index nam toe van 62 punten in 2005 tot 65 punten in 2012 en 66,2 punten in 2017 (7). Er is een veelvoud aan oorzaken van deze vorm van discriminatie. Om het hieruit voortvloeiende onevenwicht te corrigeren, heeft het eerste hoofdstuk van de Europese pijler van sociale rechten betrekking op gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, waarmee wordt erkend dat gendergelijkheid en gelijke kansen de gebieden zijn waarop discriminatie vaker voorkomt. |
|
2.1.3. |
De digitale genderkloof is een vorm van discriminatie die voortvloeit uit discriminatie van vrouwen, en die weleens een onoverkomelijk obstakel zou kunnen blijken voor de participatie van vrouwen op Europees en mondiaal niveau. De kloof leidt tot een vertraging van de groei van de Europese economie van de toekomst, die wordt gekarakteriseerd door digitalisering. Op dit moment gebruiken 68 % van de mannen en 62 % van de vrouwen regelmatig een pc en het internet, installeren 33 % van de mannen en 18 % van de vrouwen programma’s op hun apparaten, en doen 47 % van de mannen en 35 % van de vrouwen hun bankzaken online (8) Bovendien blijven vrouwen, hoewel meer dan de helft van alle afgestudeerden vrouw is, ondervertegenwoordigd in wetenschappelijke en ICT-opleidingen (informatie- en communicatietechnologie). Hun aandeel in het personeelsbestand in de sector bedraagt ongeveer een derde, waarbij het percentage per functie verschilt (8 % bij software, 54 % bij IT-ers in lagere functies). Het doel van dit advies is om aanbevelingen en voorstellen te doen om de onevenwichtigheden met betrekking tot het onderwijsstelsel en de arbeidsmarkt te corrigeren. |
|
2.1.4. |
Vrouwen hebben het online ook veel moeilijker als gevolg van cyberpesten: intimidatie op het internet is veel meer gericht op meisjes (volgens gegevens van het EIGE krijgt 51 % van de vrouwen te maken met intimidatie op het net, tegenover 42 % van de mannen) (9). Het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld moet worden geratificeerd en toegepast. |
2.2. Digitalisering en de digitale kloof
|
2.2.1. |
De digitalisering is niet louter een technologisch proces, maar een proces van economische, sociale, maatschappelijke en culturele aard. |
|
2.2.2. |
Door digitalisering kan het bbp van de EU jaarlijks 415 miljard EUR hoger uitvallen en door meer vrouwen in digitale beroepen zou daar jaarlijks nog eens 16 miljard EUR bovenop komen, zo staat te lezen in een studie van de Commissie (10). Tegelijkertijd hebben bedrijven moeite om ICT-specialisten aan te trekken, dus er is ruimte voor meer werkgelegenheid en beter onderwijs op digitaal gebied. |
|
2.2.3. |
De digitale kloof slaat niet alleen op de beperkte toegang tot een internetverbinding maar ook op het gebrek aan basisvaardigheden om van ICT-instrumenten gebruik te kunnen maken. Een van de aspecten van de digitale kloof is de digitale genderkloof. Volgens naar geslacht onderscheiden gegevens van de Internationale Unie voor Telecommunicatie voor 91 economieën bedroeg in 2017 de internetpenetratie voor vrouwen 44,9 % tegen 50,9 % voor mannen. Volgens gegevens van Eurostat maakte in 2017 71 % van de vrouwen dagelijks gebruik van het internet tegen 74 % van de mannen, en deed 49 % van de vrouwen aan internetbankieren, tegen 54 % van de mannen (11). Het is belangrijk om de kwestie zowel vanuit de kant van de arbeidsmarkt te beschrijven (digitalisering zal alle werkenden betreffen) als vanuit het oogpunt van de gebruiker (iedereen is een technologiegebruiker). |
|
2.2.4. |
De digitale kloof valt samen met andere vormen van discriminatie: tot een etnische minderheid behoren, in een landelijk gebied wonen, immigrant zijn, een lichamelijke beperking hebben, arm zijn enz. Technologie kan helpen om deze belemmeringen weg te nemen, waardoor de wereld voor iedereen inclusiever wordt, maar als dit proces niet door sociale actoren wordt geleid kan technologie de belemmeringen ook juist meer gewicht geven. |
|
2.2.5. |
De digitale genderkloof is niet louter een technologische kwestie: het is een economische, sociale, maatschappelijke en culturele kwestie, die via meerlagig en holistisch beleid moet worden benaderd, aangezien genderongelijkheid hierdoor in de hand wordt gewerkt. Meer nog, genderongelijkheid moet bij elke maatregel en op elk terrein aandacht krijgen, en moet worden aangepakt bij de diepste maatschappelijke en culturele wortels. |
|
2.2.6. |
Het kwalitatieve effect van digitalisering op de behoefte aan vaardigheden is ook vanuit het genderperspectief interessant, omdat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in bepaalde beroepen en ondervertegenwoordigd in andere, waaronder beroepen in de STEM-vakken (wetenschap, technologie, techniek en wiskunde). Er moet actie worden ondernomen om het aantal vrouwen in de STEM-vakken te verhogen. |
|
2.2.7. |
Het is echter ook essentieel om in het digitale tijdperk in alle sectoren het groeiende belang van soft skills te erkennen. De belangrijkste eigenschap van kunstmatige intelligentie en het internet der dingen is dat machines gevoeliger en slimmer worden, met als gevolg dat menselijke arbeidskrachten alleen onvervangbaar kunnen worden als zij concurreren op basis van werkelijke menselijke vaardigheden, zoals het vermogen om zich aan veranderingen aan te passen en samen te werken. Inlevingsvermogen, creativiteit en het oplossen van complexe problemen worden in onze samenleving worden vaker onderwezen aan meisjes dan aan jongens, en het zijn ook de meisjes die deze vaardigheden het best ontwikkelen (12). Aangeraden wordt een multidisciplinaire benadering te kiezen waarin verschillende aspecten van innovatie (op technologisch, sociaal, cultureel gebied enz.) worden samengebracht in een poging om niet alleen risico’s tegen te gaan, maar ook de kansen te grijpen die digitalisering vrouwen biedt. |
|
2.2.8. |
Speciale aandacht moet uitgaan naar mensen met een handicap — in het bijzonder vrouwen — wier situatie „niet alleen slechter (is) dan die van vrouwen zonder handicap” (13). Daarom is het belangrijk dat „vrouwen en meisjes met een handicap […] gelijke toegang krijgen tot de diverse onderdelen van ICT-faciliteiten en de informatiemaatschappij” (14). |
3. De digitale genderkloof in het onderwijsstelsel
|
3.1. |
Het onderwijsstelsel is het belangrijkste beleidsterrein dat moet worden aangepakt. In vergelijking met 2011 is het aantal vrouwen dat ICT-gerelateerd hoger onderwijs volgt, gedaald (15). De verbetering van digitale geletterdheid en vaardigheden voor vrouwen op alle niveaus is daarom essentieel om het voor hen mogelijk te maken om actief te participeren in de ontwikkeling van de maatschappij en te profiteren van de kansen die door digitalisering worden geschapen en te vermijden dat zij achterop raken. Vrouwen met een handicap hebben recht op inclusief en hoogwaardig onderwijs. Culturele en taalkundige stereotypen moeten worden aangepakt. Er moeten andere rolmodellen voor meisjes komen, in het bijzonder in de mediasector. Ook kan bij het lesgeven en bij klassikale activiteiten gebruik worden gemaakt van ICT-instrumenten. |
|
3.2. |
In het basisonderwijs is het essentieel om voor iedereen digitale geletterdheid en digitaal onderwijs te waarborgen, ook om ervoor te zorgen dat de mannen en vrouwen van de toekomst het vermogen hebben om zich aan te passen aan de snel ontwikkelende technologieën. Volgens het Programme for International Student Assessment (PISA), waarin de vooruitgang op het gebied van onderwijs van 15-jarigen in de OESO-landen wordt gemeten, zijn er bijna vier keer zo veel jongens als meisjes die een carrière in een STEM-vak ambiëren (16). Volgens een studie van het EIGE ambieert 3 tot 15 % van de tienerjongens een baan als ICT-professional, maar in slechts vier EU-landen had 1 tot 3 % van de tienermeisjes de ambitie om als ICT-professional te werken. Bovendien hebben jongens, zelfs als de digitale vaardigheden van jongeren onder jongens en meisjes gelijk zijn, toch meer vertrouwen in hun digitale vaardigheden. Dit is opnieuw een probleem van onjuiste perceptie en genderstereotypen (17). Het EESC wijst de lidstaten eens te meer op de noodzaak om in niet-discriminerende en inclusieve onderwijsstelsels te investeren (18). |
|
3.3. |
Docenten moet worden aangeleerd gebruik te maken van ICT bij het lesgeven. Om de digitale genderkloof bij de wortel aan te pakken en een inclusiever en meer gepersonaliseerd onderwijs- en opleidingsstelsel te bevorderen, is het van cruciaal belang dat de aandacht wordt gericht op meisjes. Digitale instrumenten kunnen ook nuttig zijn om de bureaucratische last voor leerkrachten en opleiders te verminderen (19). |
|
3.4. |
In het secundair en tertiair interdisciplinair onderwijs volgen meisjes nog steeds minder vaak een STEM-opleiding dan jongens: minder dan één van de vijf afgestudeerden in de ICT is vrouw (20). Ook interdisciplinair onderwijs en op mensen gerichte soft skills zullen essentieel zijn. |
|
3.5. |
Er moet meer aandacht uitgaan naar duaal leren en beroepsonderwijs en -opleiding, waarbij rekening moet worden gehouden met de toegang van meisjes tot technische en praktijkopleidingen (21). |
4. De digitale genderkloof op de arbeidsmarkt
|
4.1. |
Vrouwen moeten meer technische functies en functies op hoog niveau bekleden, zodat belemmeringen en stereotypen van onderwijskundige en professionele aard omver worden geworpen. Een grotere aanwezigheid van vrouwen in de ICT zou van voordeel kunnen zijn voor deze sector en voor de hele economie en maatschappij. |
|
4.2. |
Voor het dichten van de digitale genderkloof op de arbeidsmarkt is op bedrijfs-, nationaal en Europees niveau een essentiële rol weggelegd voor de sociale partners. Door sociale dialoog en collectief onderhandelen kunnen aanvaardbare oplossingen worden bereikt, waarbij rekening moet worden gehouden met de behoeften van zowel de werkgevers als de werknemers (22). Ook een toename van het aantal vrouwen in STEM-richtingen en banen op hoog niveau kan de loonkloof tussen mannen en vrouwen verkleinen. |
|
4.3. |
Een leven lang is cruciaal om uitsluiting van de arbeidsmarkt te voorkomen, en dat geldt des te meer voor vrouwen. De sociale partners spelen in dit verband een cruciale rol. |
|
4.4. |
Polarisatie van de arbeidsmarkt en de „gig-economie”: zelfs als machines technisch gezien laaggeschoolde arbeid kunnen vervangen (zowel handenarbeid als intellectueel werk, als gevolg van het internet der dingen, sensoren, kunstmatige intelligentie), dan kan het, als het om onzekere banen gaat en er geen gegarandeerde rechten zijn, voor bedrijven gemakkelijker zijn om mensen tegen lage kosten in te huren dan om te investeren in nieuwe machines. Dit gebeurt al in de zogenaamde „gig-economie”. In deze omstandigheden is sociale bescherming in het kader van de gebruikelijke werkvormen niet gewaarborgd (23). Door de informele aard van dit soort banen bestaat het gevaar dat vrouwen de traditionele werkgelegenheid met sociale uitkeringen verlaten en inruilen voor klussen (gigs) die sneller beschikbaar zijn en waar dingen soms gemakkelijker geregeld kunnen worden qua werktijden. Om de negatieve spiraal van feminisering van de armoede (24) te voorkomen, moeten billijke arbeidsvoorwaarden worden gewaarborgd. Alle belanghebbenden moeten zich inzetten voor een ontwikkelingsmodel dat is gebaseerd op kwaliteit. Ter zake is de rol van sociale partners en van collectieve onderhandelingen fundamenteel (25). |
|
4.5. |
Technologie is niet neutraal: software of algoritmes zouden moeten leiden tot minder subjectiviteit, die zo typerend is voor een menselijk proces of een menselijke beslissing, maar als zij culturele vooroordelen (zoals gendervooroordelen) bevatten wordt dit soort discriminatie steeds weer gereproduceerd, en wel op structurele (in plaats van incidentele) basis. Daarom moeten mensen die werken aan het ontwerp van deze systemen zo verschillend mogelijk zijn. Op dit moment is slechts 17 % van de 8 miljoen mensen die in de ICT werkzaam zijn vrouw (26); bovendien besluit in de EU slechts 20 % van de vrouwen van 30 jaar en ouder met een ICT-gerelateerde opleiding om in de technologiesector te blijven (27). Een hogere participatie van vrouwen in dit soort beroepen, en dus meer diversiteit, kan helpen om de vooroordelen weg te nemen die in het ontwerp van een bepaalde technologie kunnen sluipen. |
|
4.6. |
Doorbreek het glazen plafond voor een digitaler economisch systeem: Slechts 32 % van de economische leiders is vrouw (28), hoewel is bewezen dat bedrijven waar vrouwen in besluitvormingsposities betere bestuursstijlen hebben, stijlen die doorgaans „horizontaler” zijn, en waarin diversiteit en creatief en innovatief denken worden gestimuleerd. Als bedrijven genderbeleid ontwikkelen om vrouwen op de hoogste niveaus van de organisatie te krijgen, profiteert het bedrijf op het gebied van het innovatieve vermogen. Bij toepassing op grote schaal profiteert het hele economische systeem daar vervolgens van. |
|
4.7. |
Het Europese productiesysteem bestaat voor het grootste deel uit kmo’s, die met meer moeilijkheden worden geconfronteerd als zij in nieuwe technologieën investeren. Tegelijkertijd wordt micro-ondernemerschap gemakkelijker door digitale technologieën: via bepaalde digitale instrumenten (zoals e-handel) is het voor micro-kmo’s mogelijk om de wereldmarkt te bereiken en in het algemeen gesproken om belemmeringen die zelfstandig ondernemerschap in de weg staan, uit de weg te ruimen. Volgens de 2e European Startup Monitor is slechts 14,8 % van de oprichters van start-ups vrouw (29). Dit probleem heeft te maken met zwakkere zakelijke netwerken, stereotypen en ontoereikende financiële steun Door digitalisering kan de juiste omgeving voor vrouwelijk ondernemerschap worden gecreëerd. Onderwijs en ondersteunende diensten moeten worden gewaarborgd om vrouwen in staat te stellen hun eigen bedrijf te beginnen, door gebruik te maken van de beschikbare digitale technologieën. |
5. Digitalisering en het evenwicht tussen werk en privéleven
|
5.1. |
Volgens een studie van het EIGE tellen de werkweken in ICT-functies meer uren dan in andere sectoren (30). De eerste kwestie die daarom moet worden aangepakt is dat mannen en vrouwen de zorgtaken met elkaar gaan delen: er moet worden ingezet op een gelijke verdeling van de zorgtaken tussen mannen en vrouwen. Daarom is het heel belangrijk om het voorstel voor een richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers goed te keuren (31). |
|
5.2. |
Slim werken en telewerken worden vaak gezien als instrumenten waarmee werk en privéleven in evenwicht kunnen worden gebracht, waarbij rekening moet worden gehouden met zowel de risico’s als de kansen. Slim werken kan werkenden helpen om hun privéleven beter in te richten (in het bijzonder door het wegnemen van tijdsverlies door woon-werkverkeer), maar het is ook een feit dat als er niet goed met slim werken wordt omgegaan, de grenzen tussen zorg, werk en vrije tijd kunnen vervagen. Slim werken moet worden beheerd door specifieke collectieve bedrijfsovereenkomsten, zodat een en ander kan worden aangepast aan de culturele context, de productiemiddelen en de arbeidsorganisatie. Op de langere termijn kan slim werken ook leiden tot een verandering van de manier waarop mensen in steden (en in landelijke gebieden) en sociale ruimten leven. |
|
5.3. |
Digitale instrumenten kunnen ook een kans zijn voor mensen die van de arbeidsmarkt zijn buitengesloten. Ook kunnen zij de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt bevorderen. Vrouwen met een handicap worden echter veel meer uitgesloten van de arbeidsmarkt (32). Daarom is het erg belangrijk om het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) ten uitvoer te leggen (33). |
6. Digitalisering van de openbare sector
|
6.1. |
Door de toegenomen levensverwachting en de lage geboortecijfers vergrijst de Europese bevolking en vormen de zorgtaken voor vrouwen van middelbare leeftijd een steeds zwaardere last. Een gelijke verdeling van zorgtaken tussen mannen en vrouwen is van kapitaal belang, maar daarnaast moet worden erkend dat digitalisering in de openbare sector, in het bijzonder de invoering van robotica, een mooie kans is om de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken en vrouwen te helpen bij hun zorgtaken. |
|
6.2. |
Robotica kunnen automatisering en — belangrijker nog — verlichting mogelijk maken van sommige van de zwaarste zorgtaken (zoals het verplaatsen van een invalide), helpen bij de revalidatie van gewonden, ziekten voorkomen enz. Deze technologieën kunnen de levenskwaliteit van de hele samenleving, en met name van vrouwen, verbeteren, en kunnen ook de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt ten goede komen, en wel op twee manieren: zij kunnen het werk in de sector van de persoonlijke zorg, waar vrouwen sterk zijn vertegenwoordigd, verlichten, en tot voordeel strekken van vrouwen die onbetaalde zorg geven. Maar dat gebeurt alleen als de beschikbaarheid van deze technologieën gewaarborgd is voor iedereen die zorg nodig heeft. |
|
6.3. |
Digitale technologie kan ook een groot effect hebben op alle met openbare diensten verband houdende bureaucratische procedures. Sommige landen passen deze technologie al op brede schaal toe. Zij voeren een unieke digitale identiteit in voor alle procedures in het kader van de openbare sector (belastingen, gezondheidszorg, onderwijs enz.). Uitbreiding van dit proces kan de levenskwaliteit verbeteren, maar het is ook belangrijk om zich bewust te zijn van de risico’s (en deze te voorkomen) met betrekking tot het bezit van gegevens als er slechts één handelende partij is (ook al is dat de overheid), alsook op het vlak van privacy, cyberveiligheid, transparantie en ethiek (34). |
|
6.4. |
De overheid moet voor alle diensten en activiteiten genderbudgetten opstellen, om zo gelijkheid te bevorderen en het effect van het beleid op vrouwen in aanmerking te kunnen nemen. Alle investeringsbesluiten moeten worden genomen met behulp van een „genderlens”; dat geldt voor de volgende drie gebieden: gendergelijkheid op de werkplek, toegang tot kapitaal voor vrouwen en producten en diensten die vrouwen ten goede komen. |
|
6.5. |
Hoewel in sommige landen de digitalisering van de openbare sector al ver is voortgeschreden, is zij in andere nog maar net begonnen. Dit zou een gelegenheid kunnen zijn om, vanuit een genderperspectief, meer vrouwen in de openbare sector op te leiden en in dienst te nemen. |
|
6.6. |
Met het oog op de ontwikkeling van de digitalisering moet de noodzakelijke infrastructuur, zoals breedband, 5G enz., ter beschikking worden gesteld, zonder dat er sprake is van discriminatie op geografische basis. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) SOC/581 — EESC-advies over toegang tot sociale bescherming (zie blz. 135 van dit Publicatieblad).
(2) The Social Protection of Workers in the Platform Economy, Europees Parlement, 7.12.2017.
(3) PB C 173 van 31.5.2017, blz. 45.
(4) EESC-advies over de situatie van vrouwen met een handicap (PB C 367, 10.10.2018, blz. 20).
(5) „A Toolkit for Gender Equality in Practice” door de Europese sociale partners EVV, BusinessEurope, CEEP en UEAPME.
(6) Hoofdstuk III, artikel 23.
(7) EIGE, Gender Equality Index 2017 Report.
(8) Zie de EP-resolutie van 17 april 2018.
(9) EIGE, Youth, digitalisation and gender equality: opportunities and risks of digital technologies for girls and boys, 2018 (wordt binnenkort gepubliceerd).
(10) Vessela Karloukovska, DG CNECT, Taskforce „Women in Digital”, Europese Commissie.
(11) Gegevens van Eurostat.
(12) Martha Ochoa (UNi Global Union), „The path to genderless digitalisation”.
(13) EESC-advies over de situatie van vrouwen met een handicap (PB C 367, 10.10.2018, blz. 20), par. 2.1.
(14) Idem, par. 5.3.6.
(15) „Women in the Digital Age”, Europese Commissie, 2018.
(16) Dr Konstantina Davaki, auteur van de studie „The underlying causes of the digital gender gap and possible solutions for enhanced digital inclusion of women and girls”.
(17) Lina Salanauskaitė, Europees instituut voor gendergelijkheid (EIGE).
(18) EESC-advies over het EU-actieplan 2017-2019 — De loonkloof tussen vrouwen en mannen aanpakken, par. 4.4 (PB C 262, 25.7.2018, blz. 101).
(19) Ekaterina Efimenko, Europees Vakbondscomité van Onderwijsgevenden (EVO).
(20) Vessela Karloukovska, DG CNECT, Taskforce „Women in Digital”, Europese Commissie.
(21) PB C 13 van 15.1.2016, blz. 161; PB C 434 van 15.12.2017, blz. 36.
(22) EESC-advies over EU-concepten voor transitiemanagement in een gedigitaliseerde arbeidswereld (PB C 367 van 10.10.2018, blz. 15).
(23) EESC-adviezen over een Europese kaderrichtlijn inzake een minimuminkomen (goed te keuren tijdens de decemberzitting) en over toegang tot sociale bescherming (zie blz. 135 van dit Publicatieblad).
(24) Mary Collins, European Women’s Lobby (EWL) (PB C 129, 11.4.2018, blz. 7).
(25) Zie bijv. de overeenkomsten van Europese sociale partners, evenals het voorstel voor een richtlijn over evenwicht tussen werk en privéleven en de Europese pijler van de sociale rechten.
(26) Vessela Karloukovska, DG CNECT, Taskforce „Women in Digital”, Europese Commissie.
(27) Mary Collins, Europese Vrouwenlobby (EWL).
(28) Vessela Karloukovska, DG CNECT, Taskforce „Women in Digital”, Europese Commissie.
(29) „Women in the digital age”, studie voor het EP.
(30) Lina Salanauskaitė, Europees instituut voor gendergelijkheid (EIGE).
(31) COM(2017) 253.
(32) EESC-advies over de situatie van vrouwen met een handicap (PB C 367, 10.10.2018, blz. 20), par. 5.4.1.
(33) EESC-advies over de situatie van vrouwen met een handicap (PB C 367, 10.10.2018, blz. 20), par. 1.2, VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
(34) Digital Public Services (e-Government and e-Health).
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/45 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over bio-economie — De bijdrage aan het verwezenlijken van de klimaat- en energiedoelen van de EU en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN
(verkennend advies)
(2018/C 440/07)
|
Rapporteur: |
Tellervo KYLÄ-HARAKKA-RUONALA |
|
Corapporteur: |
Andreas THURNER |
|
Raadpleging |
Oostenrijks voorzitterschap van de Raad, 12.2.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 302 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Verkennend advies |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
13.3.2018 |
|
Bevoegde afdeling |
Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
5.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
180/1/4 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Volgens het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) draait het in de bio-economie om het creëren van meerwaarde door de productie, de omzetting en het gebruik van biologische natuurlijke hulpbronnen. De transitie naar koolstofneutraliteit en circulariteit zal steeds meer een motor voor de bio-economie worden, omdat een duurzame bio-economie het potentieel heeft om tegelijkertijd economische, sociale en klimatologische voordelen te genereren. |
|
1.2. |
Het EESC wijst erop dat de bio-economie op verschillende manieren bijdraagt tot het beperken van klimaatverandering: door CO2 uit de atmosfeer vast te leggen in biomassa, door koolstof op te slaan in biogebaseerde producten en door op fossiele hulpbronnen gebaseerde grondstoffen en producten te vervangen door uit biologische bronnen geproduceerde producten. |
|
1.3. |
Het Comité merkt voorts op dat de bio-economie bijdraagt aan het bereiken van de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU door fossiele brandstoffen te vervangen door bio-energie in de productie van elektriciteit, bij verwarming en afkoeling en in het vervoer. Ook vergroot de bio-economie de energie-efficiëntie en de zekerheid van de energievoorziening. |
|
1.4. |
Het EESC is ervan overtuigd dat de bio-economie een cruciale rol vervult bij de verwezenlijking van de algemene economische, sociale en milieudoelen van de VN-Agenda 2030 (de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, ofwel SDG’s). De rol van de bio-economie hangt nauw samen met doelen voor de industrie en de landbouw en het scheppen van banen in deze sectoren. |
|
1.5. |
Het Comité wil dat de EU-strategie voor de bio-economie wordt aangepast om in overeenstemming met economische, sociale en milieuduurzaamheid de meest gunstige voorwaarden voor de Europese bio-economie te scheppen om van de bio-economie een concurrentievoordeel voor de EU te maken. |
|
1.6. |
Het EESC beklemtoont dat beleidsmakers duurzame productie en het gebruik van biomassa in de EU moeten bevorderen en daarbij zorgen voor een stabiel, betrouwbaar en samenhangend kader voor investeringen in de bio-economie in de gehele waardeketen. Voorts moeten beleidsmakers de vraag naar biogebaseerde producten via overheidsopdrachten vergroten en een coherent kader voor technische, veiligheids- en staatssteunregels vaststellen om gelijke concurrentievoorwaarden voor biogebaseerde producten te creëren. |
|
1.7. |
Het EESC acht onderzoek en innovatie essentieel voor de ontwikkeling van een toekomstbestendige bio-economie. De innovatie-inspanningen die worden bevorderd door de EU-strategie voor de bio-economie moeten daarom worden voortgezet, met inbegrip van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (Gemeenschappelijke Onderneming BBI). |
|
1.8. |
Het Comité onderstreept de cruciale rol van onderwijs, adviesdiensten, kennisoverdracht en opleiding om te bereiken dat werknemers en ondernemers beschikken over de vereiste informatie en vaardigheden. Mensen moeten goed geïnformeerd zijn over de bio-economie en hun verantwoordelijkheden beseffen, zodat zij actieve consumenten kunnen zijn en besluiten kunnen nemen over duurzame consumptie. |
|
1.9. |
Het EESC benadrukt dat een goede infrastructuur een voorwaarde is voor een succesvolle bio-economie en vereist toereikende financiering. Efficiënte vervoerssystemen zijn nodig voor de toegang tot grondstoffen en voor de distributie van producten naar markten. |
|
1.10. |
Het EESC beveelt aan dat de EU zou moeten streven naar een mondiaal prijsstellingssysteem voor koolstofemissies, als een neutrale en doeltreffende manier om de bio-economie te bevorderen en alle marktspelers te mobiliseren voor de bestrijding van klimaatverandering. |
|
1.11. |
Het EESC is ervan overtuigd dat het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij initiatieven voor de bio-economie en besluitvormingsprocessen van het grootste belang is. Het Comité benadrukt dat het essentieel is om ervoor te zorgen dat de overgang naar een koolstofarme economie op een eerlijke wijze plaatsvindt. |
|
1.12. |
Het EESC onderstreept dat een duurzame bio-economie alleen tot stand kan worden gebracht door middel van een sectoroverstijgende aanpak. Samenhang en coördinatie tussen de diverse EU-beleidsterreinen en -doelstellingen zijn daarom onontbeerlijk. Het is ook van belang ervoor te zorgen dat de maatregelen op het niveau van de lidstaten coherent zijn. |
2. Achtergrond
|
2.1. |
Het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad heeft het EESC gevraagd een verkennend advies uit te brengen over de rol van de bio-economie bij het verwezenlijken van de klimaat- en energiedoelen van de EU en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN. Ondertussen bereidt het EESC een initiatiefadvies voor over de nieuwe mogelijkheden van een duurzame en inclusieve bio-economie voor de Europese economie (CCMI/160). |
|
2.2. |
Tegelijkertijd werkt de Europese Commissie aan een actualisering van de strategie voor een Europese bio-economie van 2012. Het EESC ziet toe op dit proces en is ingenomen met de inspanningen van de Commissie. De Commissie heeft de bio-economie gedefinieerd als „de productie van hernieuwbare biologische hulpbronnen en de omzetting van deze hulpbronnen en afvalstromen in producten met een toegevoegde waarde, zoals levensmiddelen, diervoeders, biogebaseerde producten en bio-energie”. |
|
2.3. |
Grosso modo omvat de bio-economie de vervanging van fossiele brandstoffen en fossiele grondstoffen door biogebaseerde alternatieven. De bio-economie omvat economische activiteiten die stoelen op de productie, de winning, de omzetting en het gebruik van biologische natuurlijke hulpbronnen. Afvalstromen, nevenproducten en residuen kunnen een andere belangrijke bron voor de levering van grondstoffen zijn. |
|
2.4. |
Landbouw en bosbouw zijn, samen met de visserijsector, van fundamenteel belang voor de productie van biomassa voor verder gebruik. Een breed scala aan sectoren (zoals bosbouw, levensmiddelen, chemie, energie, textiel en de bouw) zetten biomassa, met inbegrip van secundaire grondstoffen, om in consumentenproducten of voor andere sectoren bestemde tussenproducten. Doorgaans is de bio-economie gebaseerd op extensieve waardeketens, waaronder vervoer, handel en andere met bovengenoemde activiteiten samenhangende diensten. Ook ecosysteemdiensten maken deel uit van de bio-economie. |
|
2.5. |
De EU heeft zich ertoe verbonden om haar broeikasgasemissies voor 2030 te verminderen met 40 % ten opzichte van de niveaus van 1990 (1), met afzonderlijke doelstellingen en regels voor de emissiehandel- en andere sectoren. Daarnaast is de LULUCF-sector (LULUCF: landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw) opgenomen in het kader voor 2030, op voorwaarde dat deze sector geen netto-emissies genereert, maar bijdraagt aan de verwezenlijking van het doel om op lange termijn koolstofputten uit te breiden. Dit weerspiegelt de eis in artikel 4.1 van de Overeenkomst van Parijs, die stelt dat er in de tweede helft van de eeuw een evenwicht moeten worden bereikt tussen antropogene broeikasgasemissies per bron en verwijderingen van broeikasgassen per put (2). |
|
2.6. |
In overeenstemming met de energiedoelen van de EU voor 2030 moet de energie-efficiëntie worden verbeterd met 32,5 % ten opzichte van de prognoses en moet het aandeel van hernieuwbare energie in de totale energiemix toenemen tot 32 %, beide uitgedrukt als gemeenschappelijke EU-doelstellingen en niet als doelstellingen op lidstaatniveau (3). |
|
2.7. |
De 17 duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN bestrijken verschillende facetten van de economische, sociale en milieu-uitdagingen waar de wereld voor staat. Hoewel geen van de SDG’s specifiek betrekking heeft op de bio-economie, bestaan er verbanden tussen de bio-economie en diverse van deze doelen. |
3. Bijdrage van de bio-economie aan de verwezenlijking van de energie- en klimaatdoelen van de EU
|
3.1. |
De transitie naar koolstofneutraliteit vormt een enorme uitdaging en vereist een aanzienlijke reductie van emissies en een toename van de koolstofopslag. Het duurzame gebruik van biogebaseerde natuurlijke hulpbronnen is in dit verband van wezenlijk belang. |
|
3.2. |
De bio-economie draagt op diverse manieren bij tot het beperken van klimaatverandering: door CO2 uit de atmosfeer vast te leggen in biomassa door middel van fotosynthese, door koolstof op te slaan in biogebaseerde producten en door op fossiele hulpbronnen gebaseerde grondstoffen en producten te vervangen door op biologische bronnen gebaseerde producten. |
|
3.2.1. |
Een doeltreffende absorptie van CO2 vereist een toenemend gebruik van duurzame biomassa. Een actief en duurzaam bosbeheer en gebruik van hout zijn fundamentele factoren voor het behalen van de klimaatdoelstellingen (zoals reeds geschetst in NAT/655 (4) over de gevolgen van het klimaat- en energiebeleid en NAT/696 (5) over de verdeling van de inspanningen en de LULUCF-sector). In één m3 hout is circa 1000 kg CO2 opgeslagen. Omdat alleen groeiende biomassa CO2 kan absorberen, is het van cruciaal belang om geen grenzen te stellen aan het gebruik van bossen, mits het oogstpercentage niet hoger is dan het herbeplantings- en groeipercentage van bossen en bossen duurzaam worden beheerd. |
|
3.2.2. |
Er bestaan reeds diverse soorten biogebaseerde producten en er worden nieuwe producten ontwikkeld. Deze producten kunnen koolstof opslaan en derhalve uit de atmosfeer houden. Houtproducten met een lange levensduur, zoals gebouwen en hoogwaardige meubels, zijn de meest doeltreffende instrumenten voor de opslag van koolstof. Zolang biogebaseerde producten met een kortere levensduur worden gerecycled, zullen ook deze hun koolstofinhoud niet vrijgeven. Bovendien kunnen biogebaseerde producten aan het eind van hun levenscyclus worden gebruikt als bio-energie en daarom fossiele energiebronnen vervangen. |
|
3.3. |
Bio-energie draagt ook bij tot het bereiken van de energie-efficiëntiedoelen van de EU. Stadsverwarming in gemeenschappen en duurzame industriële warmte-krachtkoppeling (WKK) zijn hier goede voorbeelden van. Omdat gebouwen een aanzienlijke hoeveelheid energie verbruiken, is de energie-efficiëntie van gebouwen, samen met de gebruikte energiebron, van groot belang. |
|
3.4. |
Vervoer heeft een doorslaggevende rol te spelen bij het verwezenlijken van de klimaatdoelstellingen. Daarom zijn, gezien de verschillende behoeften en kenmerken van de diverse vervoerswijzen, alle typen maatregelen die bijdragen aan een lagere uitstoot van broeikasgassen noodzakelijk (zoals beschreven in diverse EESC-adviezen, bijv. TEN/609 (6), over het koolstofvrij maken van het vervoer). |
|
3.4.1. |
De elektrificatie van vervoer lijkt een stijgende trend te zijn. Voor een positief effect op het klimaat moet elektriciteit worden opgewekt met energiebronnen met een lage uitstoot van broeikasgassen, onder meer duurzame biogebaseerde energiebronnen. |
|
3.4.2. |
In het vervoer worden fossiele brandstoffen gedeeltelijk vervangen door duurzame biobrandstoffen. Niettegenstaande de toenemende elektrificatie van passagiersvoertuigen zijn de luchtvaart, de zeevaart, alsook het goederenvervoer over de weg en machines voor gebruik anders dan op de weg nog steeds in hoge mate afhankelijk van brandstoffen. Op dit gebied zijn met name biobrandstoffen veelbelovend. |
|
3.5. |
Behalve dat het gebruik van bio-energie klimaatvoordelen oplevert, draagt het ook bij tot de beschikbaarheid van energie en de continuïteit van de energievoorziening. Indien goed beheerd, zal bio-energie daarom een betekenisvolle rol spelen bij het verwezenlijken van deze basisdoelen van het energiebeleid van de EU. |
4. Bijdrage van de bio-economie aan de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s)
|
4.1. |
De SDG’s dagen ons uit om de rol van de bio-economie te onderzoeken, niet alleen vanuit de invalshoek van klimaat en energie, maar ook vanuit een overkoepelend economisch, sociaal en milieuperspectief, waarbij ook gekeken wordt naar het mondiale langetermijnperspectief. Gegeven de brede werkingssfeer van de bio-economie, zijn er verbanden met vrijwel alle 17 SDG’s. De bio-economie draagt echter met name bij tot de verwezenlijking van de volgende SDG’s: 1, 2, 6, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15. |
|
4.2. |
De bio-economie heeft het potentieel om economische groei en banen te genereren, niet alleen in stedelijke gebieden, maar ook in plattelandsregio’s. Daarom kan de bio-economie een betekenisvolle rol spelen bij het verwezenlijken van SDG 1 (geen armoede). |
|
4.3. |
SDG 2 houdt in dat honger volledig moet worden uitgebannen. Biomassa is een beperkte hulpbron en er bestaan onderlinge verbanden tussen de productie van voedsel, diervoeders en vezels. Een verantwoorde benadering van de duurzame bio-economie is geboden om voldoende productie voor diverse doeleinden (met beschikbaarheid van voedsel als prioriteit) en gezonde ecosystemen te waarborgen. Hulpbronnenefficiëntie en circulariteit, alsook de overgang naar meer op groenten gebaseerde diëten, zijn evenzovele manieren om deze doelen te bereiken. |
|
4.4. |
Een duurzame bio-economie draagt bij aan SDG 6 (schoon water en sanitaire voorzieningen), bijvoorbeeld door het in stand houden van gezonde bosecosystemen, een voorwaarde voor schoon water. |
|
4.5. |
SDG 7 (betaalbare en schone energie) staat centraal in de bio-economie. Het gebruik van neven- en afvalstromen levert schone en betaalbare energie op en vermindert de afhankelijkheid van fossiele energiebronnen. |
|
4.6. |
Over het geheel genomen kan de bio-economie een hoofdrol spelen bij het streven naar economische en sociale doelen. Ook in het kader van SDG 8 (fatsoenlijk werk en economische groei) kan de bio-economie een betekenisvolle rol spelen. Bovendien kan de bio-economie helpen bij het verminderen van de afhankelijkheid van de invoer van fossiele grondstoffen, het verhogen van de binnen de EU gerealiseerde toegevoegde waarde en het ondersteunen van lokale waardeketens. |
|
4.7. |
SDG 9 vraagt om een aanzienlijke stijging van het aandeel van de industrie in de werkgelegenheid en het bbp, evenals de vernieuwing van industrieën om ze duurzaam te maken, in combinatie met een efficiënter gebruik van hulpbronnen en een uitgebreidere toepassing van schone en milieuvriendelijke technologieën en industriële processen. De bio-economie is nauw verbonden met al deze doelstellingen, en een duurzaam gebruik van biomassa kan het industriële leiderschap van de EU verder versterken. Ook heeft de bio-economie een groot potentieel om de groei van kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen en deze te integreren in waardeketens. |
|
4.8. |
De bio-economie kan belangrijk zijn voor het bereiken van SDG 11 (duurzame steden en gemeenschappen). Klimaatvriendelijke steden (7) en welzijn in stedelijke gebieden gaan hand in hand met bio-economische oplossingen (bijv. houtbouw, emissiearm vervoer en stadsverwarming). |
|
4.9. |
De bio-economie heeft alles in zich om bij te dragen tot het behalen van SDG 12 (verantwoorde consumptie en productie). Door het gebruik van grondstoffen te optimaliseren, ecodesign toe te passen en recyclebare producten met een lange levensduur te produceren vervult de bio-economie een opmerkelijke functie in de transitie naar een circulaire economie. Het vergroten van het consumentenbewustzijn wordt echter gezien als een belangrijke voorwaarde voor geïnformeerde en verantwoorde consumptiepatronen en de bevordering van duurzame productie. |
|
4.10. |
De bio-economie kan een significante bijdrage leveren aan het beperken van klimaatverandering, zoals wordt gevraagd in SDG 13 (klimaatactie) en reeds is opgemerkt in hoofdstuk 3. Bovenop alle binnenlandse maatregelen, kan de EU een niet te onderschatten mondiale impact hebben door biogebaseerde producten, klimaatoplossingen en deskundigheid te exporteren. |
|
4.11. |
Tot slot is de bio-economie van invloed op het behalen van SDG 14 (leven in het water) en SDG 15 (leven op het land). Daarom moet een verantwoord, doeltreffend en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen centraal staan in de bio-economie. |
5. Voorwaarden voor de ontwikkeling van de bio-economie
|
5.1. |
Hoewel de bio-economie op een groot aantal manieren kan bijdragen aan de verwezenlijking van zowel klimaat- en energiedoelen als de SDG’s, moeten de voorwaarden daarvoor gunstig zijn. Enerzijds ondersteunen en verbeteren SDG’s de voorwaarden voor een verdere ontwikkeling van de bio-economie, en anderzijds leggen bepaalde SDG’s voorwaarden op waaraan de bio-economie moet voldoen. |
|
5.2. |
De EU-strategie voor de bio-economie moet worden aangepast aan nieuwe markten om, gelet op economische, sociale en milieuduurzaamheid, de meest gunstige voorwaarden te scheppen voor de Europese bio-economie, die zich in hoog tempo ontwikkelt en een snelle groei laat zien. |
|
5.3. |
Bovenal zouden beleidsmakers de duurzame productie en het gebruik van biomassa in de EU moeten bevorderen, terwijl het regionaal ontwikkelingsbeleid van de EU voldoende steun moet bieden om de ontwikkeling van plattelandsbedrijven te waarborgen. Voorts moeten zij zorgen voor een stabiel, betrouwbaar en samenhangend kader voor investeringen in de bio-economie in de gehele waardeketen. |
|
5.4. |
Beleidsmakers dienen een coherent kader voor technische, veiligheids- en staatssteunregels vast te stellen om gelijke concurrentievoorwaarden voor biogebaseerde producten te creëren. De openbare sector speelt via openbare aanbestedingen ook een belangrijke rol in de vraag naar biogebaseerde producten. Initiatieven als een Europese Week van de bio-economie kunnen helpen om de marktacceptatie en de kruisbestuiving tussen verschillende projecten te bevorderen. |
|
5.5. |
Onderzoek en innovatie zijn essentieel voor de ontwikkeling van een toekomstbestendige bio-economie, die de EU een concurrentievoordeel zou kunnen opleveren. Dit dient te worden gezien in het licht van het immense potentieel van nieuwe typen biogebaseerde producten, van traditionele voedsel- en vezelproducten tot nieuwe soorten bouw- en verpakkingsmaterialen, textiel, chemicaliën op biologische basis en plastics. Datzelfde geldt voor het potentieel van de plantenteelt en verschillende stoffen als grondstof voor biogebaseerde producten (bijvoorbeeld lignocellulose, plantaardige olie, zetmeel, suiker, proteïne). |
|
5.6. |
De innovatie-inspanningen die worden bevorderd door de EU-strategie voor de bio-economie moeten worden voortgezet, met inbegrip van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (8). Het kenniscentrum voor de bio-economie (9) moet een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van de toepassing van kennis om de bio-economie te helpen groeien. Ook moeten initiatieven en programma’s op het gebied van onderzoek en innovatie aantrekkelijker worden gemaakt voor investeerders. |
|
5.7. |
Educatie, adviesdiensten, kennisoverdracht en opleiding zijn van cruciaal belang om te bereiken dat werknemers en ondernemers over de benodigde informatie en vaardigheden beschikken, met als mogelijk resultaat dat de duurzaamheid van bedrijven verbetert en nieuwe kansen in de bio-economie worden benut. |
|
5.8. |
Tegelijkertijd moeten mensen goed geïnformeerd zijn over de bio-economie en hun verantwoordelijkheden meer beseffen, zodat zij actieve consumenten kunnen zijn en besluiten kunnen nemen over duurzame consumptie, rekening houdend met de verschillende mate van bereidheid van mensen van alle leeftijden om zich aan te passen en te veranderen. Daartoe zouden informatiecampagnes moeten worden georganiseerd die het vertrouwen van de consument in de bio-economie en biogebaseerde vergroten. |
|
5.9. |
Toegang tot grondstoffen is een van de belangrijkste voorwaarden voor de bio-economie. Een gunstig ondernemingsklimaat voor landbouw en bosbouw is daarom noodzakelijk om de beschikbaarheid van voldoende biomassa te waarborgen. Duurzaam beheer van bossen, land en mariene hulpbronnen, zoals bepleit in de SDG’s 14 en 15, vormt een essentiële bijdrage tot de zekerheid van de grondstoffenvoorziening. In dit verband zou het bestaande wetgevings- en niet-wetgevende kader voor duurzame en hernieuwbare grondstoffen in de EU moeten worden erkend en bevorderd. Het toenemende gebruik van nevenstromen en residuen als grondstof voor nieuwe gebruikstoepassingen helpt eveneens om de beschikbaarheid van voldoende biomassa te waarborgen. In geval van kleinschalige structuren kunnen coöperaties en productenorganisaties een belangrijke functie vervullen. |
|
5.10. |
Een solide fysieke infrastructuur is een andere voorwaarde voor de bio-economie; daarvoor zijn adequate financiële middelen nodig voor de energie-, vervoers- en digitale infrastructuur. Efficiënte vervoerssystemen zijn cruciaal voor de toegang tot grondstoffen en voor de distributie van producten naar markten. |
|
5.11. |
Wat de mondiale markten betreft, bestaat er een nauw verband tussen de bio-economie en SDG 17, die erop gericht is het wereldwijde partnerschap voor duurzame ontwikkeling te versterken. SDG 17 heeft betrekking op de bevordering van een universeel, op regels gebaseerd, open, niet-discriminerend en eerlijke multilateraal handelssysteem in het kader van de WTO. Dit is belangrijk voor de handel in zowel landbouw- als industriële producten van de bio-economie. Ondertussen moet de samenwerking binnen regionale waardeketens worden verbeterd om de regionale ontwikkeling te ondersteunen. |
|
5.12. |
Om de ontwikkeling van de bio-economie op een neutrale wijze te stimuleren, zou de EU moeten streven naar een mondiaal prijsstellingssysteem voor koolstofemissies, dat alle marktspelers mobiliseert en een gelijk speelveld creëert. |
|
5.13. |
Het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij de structuren van initiatieven voor de bio-economie en besluitvormingsprocessen is van het grootste belang om de samenwerking tussen verschillende actoren in de samenleving te versterken en het publieke bewustzijn van de duurzame bio-economie te vergroten. |
|
5.14. |
Hoewel de overgang naar een koolstofarme en circulaire economie een enorme uitdaging vormt en diepgaande structurele veranderingen in de daarmee samenhangende werkgelegenheid met zich mee zal brengen, is het belangrijk om ervoor te zorgen dat deze overgang eerlijk verloopt. |
|
5.15. |
Een duurzame bio-economie kan alleen tot stand worden gebracht door middel van een sectoroverstijgende aanpak. Samenhang en coördinatie tussen de diverse EU-beleidsterreinen en -doelstellingen zijn daarom onontbeerlijk, met name met betrekking tot het klimaat, het milieu, voedsel, landbouw, bosbouw, industrie, energie, de circulaire economie en onderzoek en innovatie. Daartoe zou een groep multistakeholders op hoog niveau voor de duurzame bio-economie moeten worden opgericht en bekrachtigd door de voorzitter van de Commissie. |
|
5.16. |
De vooruitgang bij het bereiken van SDG’s wordt gemeten en gecontroleerd aan de hand van 232 indicatoren. Daartoe behoren ook klimaat- en energiegerelateerde indicatoren, maar er bestaan geen specifieke indicatoren voor de bio-economie. De Commissie zou daarom de meest relevante indicatoren moeten ontwikkelen, zodat een realistisch en informatief beeld van de ontwikkeling van de bio-economie in de EU kan worden verkregen. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Zie het klimaat- en energiekader voor 2030, te raadplegen op https://ec.europa.eu/clima/policies/strategies/2030_en
(2) Zie artikel 4.1 van de Overeenkomst van Parijs, te raadplegen op https://unfccc.int/sites/default/files/paris_agreement_english_.pdf
(3) Zie de verklaring van de Europese Commissie van 19 juni 2018, te raadplegen op http://europa.eu/rapid/press-release_STATEMENT-18-3997_en.htm
(4) Zie NAT/655 over de Gevolgen van klimaat- en energiebeleid voor de land- en de bosbouwsector (PB C 291, 4.9.2015, blz. 1).
(5) Zie NAT/696 over de Verdeling van de inspanningen 2030 en landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) (PB C 75, 10.3.2017, blz. 103).
(6) Zie TEN/609 over het Koolstofvrij maken van het vervoer (PB C 173, 31.5.2017, blz. 55).
(7) http://www.climatesmartcities.org/
(8) https://www.bbi-europe.eu
(9) https://biobs.jrc.ec.europa.eu
III Voorbereidende handelingen
EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
537e zitting van het EESC, 19.9.2018-20.9.2018
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/51 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Kunstmatige intelligentie voor Europa
(COM(2018) 237 final)
(2018/C 440/08)
|
Rapporteur: |
Giuseppe GUERINI |
|
Corapporteur: |
Gonçalo LOBO XAVIER |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 12.7.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
199/1/2 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC is van mening dat in kunstmatige intelligentie („KI”) en automatiseringsprocessen een enorm potentieel besloten ligt om de Europese samenleving vooruit te helpen op het gebied van innovatie en positieve transformatie, maar er zijn ook grote uitdagingen, risico’s en punten van zorg. Het is daarom van vitaal belang dat de Europese instellingen snel werk maken van de volledige ontwikkeling en regulering van KI. |
|
1.2. |
Een geavanceerde benadering voor KI in Europa moet verschillende onderwerpen beslaan, waaronder i) publieke en particuliere investeringen in O & O; en geavanceerde digitale infrastructuur; ii) de tenuitvoerlegging van nieuwe of de aanpassing van reeds geldende rechtsregels; iii) de ontwikkeling van voldoende kennis en bewustzijn onder burgers en consumenten en iv) speciale opleidingsprogramma’s voor werknemers. |
|
1.3. |
Vooral aansprakelijkheidkwesties die zich voordoen door de opkomst van digitale technologieën moeten op internationaal, EU- en nationaal niveau systematisch in kaart worden gebracht en worden aangepakt, en het EESC zou nauw met de EU-instellingen willen samenwerken bij de analyse en evaluatie van alle EU-wetgeving inzake productveiligheid en (burgerlijke) aansprakelijkheid die moet worden gewijzigd. |
|
1.4. |
Het EESC staat achter het streefdoel dat de Commissie in haar mededeling uiteenzet en dat erin bestaat de industriële en technologische capaciteit van de EU te vergroten teneinde KI over de hele interne markt te verspreiden. De inspanningen die vereist zijn om gelijke tred te houden met andere mondiale spelers zijn zo groot dat coördinatie tussen alle op Europees en nationaal niveau beschikbare instrumenten en fondsen hard nodig is.
De waarden en beginselen van de EU mogen echter niet worden geofferd op het altaar van het mondiale concurrentievermogen. |
|
1.5. |
Met het oog op het streven van de Commissie om „KI ter beschikking te stellen aan alle potentiële gebruikers, met de nadruk op kleine en middelgrote ondernemingen”, moet KI volgens het EESC voor zo veel mogelijk entiteiten toegankelijk worden gemaakt om de uitdaging van een mondiaal concurrentievermogen aan te kunnen gaan. Het is daarom van cruciaal belang dat KI beschikbaar is voor alle verschillende vormen van ondernemingen die op de Europese interne markt actief zijn, waaronder kmo’s/mkb-bedrijven, landbouwbedrijven, sociale ondernemingen, coöperaties, individuele bedrijven en consumentenorganisaties. |
|
1.6. |
De Europese Commissie en de lidstaten moeten samenwerken om ethische richtsnoeren voor kunstmatige intelligentie uit te werken, met inspraak van alle relevante publieke en particuliere belanghebbenden. Deze richtsnoeren moeten ook voorzien in transparantie bij het gebruik van KI-systemen om werknemers in dienst te nemen en hun prestaties te beoordelen of te controleren. Naast ethische beginselen zou er op Europees niveau een duidelijk, geharmoniseerd en bindend rechtskader moeten komen om KI naar behoren te reguleren en de regels waarop KI van invloed is bij te werken, met name wat betreft de aansprakelijkheid van producenten en consumentenbescherming. Het EESC zou nauw met de EU-instellingen willen samenwerken bij de analyse en evaluatie van de EU-wetgeving die door de ontwikkeling van KI zal moeten worden aangepast. |
|
1.6.1. |
De Europese Commissie zal ook een grondige evaluatie van de gevolgen van KI voor de arbeidsmarkt moeten uitvoeren. Bij dit onderzoek moet rekening worden gehouden met de mogelijke vervanging van sommige werknemers door elektronische apparaten of robots, alsook met het feit dat bepaalde banen door de nieuwe technologieën ingrijpend zullen worden veranderd, ook al is er geen sprake van volledige automatisering. |
|
1.7. |
Daarom zou het EESC graag zien dat de wens dat „niemand aan zijn lot wordt overgelaten” niet louter een voorstel of aansporing blijft, maar een concrete invulling krijgt. |
|
1.8. |
Onderwijs- en opleidingsprogramma’s zijn van belang bij de bescherming van werknemers in Europa met een baan in een omgeving die ingrijpend wordt veranderd door de gestage opkomst van KI. Europese burgers moeten over passende informatie beschikken om op verantwoordelijke en onderlegde wijze gebruik te kunnen maken van de apparaten en toepassingen die zij dankzij de snelle technologische ontwikkelingen tot hun beschikking hebben. |
|
1.9. |
Wanneer nieuwe maatregelen overheidsdiensten in staat stellen om met behulp van technologie organisatorische beslissingen te nemen en snellere keuzes te maken, moet de juridische verantwoordelijkheid voor zulke beslissingen binnen een duidelijk rechtskader worden geplaatst dat hun verantwoordingsplicht jegens de burger volledig waarborgt. |
|
1.10. |
Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar de taak die is weggelegd voor maatschappelijke organisaties en organisaties van de sociale economie in het vergroten van de actieve deelname van burgers aan de economische en sociale processen die met behulp van kunstmatige intelligentie de participatie in onze samenlevingen zullen vergroten. Maatschappelijke organisaties en sociale ondernemingen kunnen een belangrijke rol spelen in het bevorderen van het begrip en de aanvaarding van technologieën door particulieren, met name via samenwerkingsmechanismen die de betrokkenheid van personen bij de huidige digitale transformatie mogelijk maken. |
|
1.11. |
De huidige technologische revolutie kan en mag niet plaatsvinden zonder een significante en actieve inclusie van werknemers, consumenten en sociale organisaties, en technologische ontwikkelingen moeten zo worden bijgestuurd dat een grotere en meer verantwoordelijke participatie van volledig geïnformeerde burgers verzekerd kan worden. Daarom beveelt het EESC aan dat de Europese Commissie bij het oprichten van de Europese KI-alliantie rekening houdt met de behoefte aan een inclusief, multidisciplinair en representatief platform voor de verschillende belanghebbenden die Europese burgers vertegenwoordigen. Daartoe behoren onder meer de vertegenwoordigers van werknemers die met slimme machines zullen moeten werken. (1) |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Grootschalige leermachines en digitale apparaten vergroten dagelijks de capaciteit van algoritmen om met enorme hoeveelheden gegevens te werken. Deze capaciteit zal in de toekomst waarschijnlijk nog verder toenemen dankzij de „neurale netwerken” (die bijvoorbeeld nu al door smartphones worden gebruikt om voorwerpen, gezichten en beelden te herkennen). |
|
2.2. |
Zulke ontwikkelingen transformeren het traditionele „leerproces” van KI-machines, in die zin dat zij niet enkel nieuwe dingen leren door regels af te leiden uit verwerkte gegevens maar ook een flexibele en adaptieve leercapaciteit ontwikkelen. Dit proces zal de leercapaciteit van KI vergroten en zal ervoor zorgen dat KI-toepassingen in grotere mate in de echte wereld kunnen worden ingezet. |
|
2.3. |
Met het oog op de bliksemsnelle technologische veranderingen van dit moment is het van cruciaal belang dat de Europese Commissie en de lidstaten samen de nieuwe uitdagingen onder de loep nemen, met inbreng van alle relevante publieke en particuliere belanghebbenden. zonder evenwel het potentieel aan vooruitgang en technologische ontwikkeling te ondermijnen. |
|
2.4. |
Mededeling COM(2018) 237 van de Commissie beoogt de industriële en technologische capaciteit van de EU te vergroten en het gebruik van KI in de hele Europese economie uit te breiden, door zowel het bedrijfsleven als de overheid. Zoals eerder vermeld in een initiatiefadvies (2) steunt het EESC het initiatief van de Commissie, die een groot aantal van de eerdere suggesties van het EESC in haar mededeling heeft overgenomen. Het EESC dringt er wel bij de Commissie op aan snel en doortastend te handelen. |
|
2.5. |
Om KI op een doeltreffende manier te kunnen benaderen, moet Europa ervoor zorgen dat er aanzienlijke investeringen worden gedaan in onderzoek en innovatie, waaronder de digitale infrastructuur. Beide zijn immers nodig ter voorbereiding op de grote sociaaleconomische uitdagingen die de ontwikkeling van nieuwe technologieën voor de Europese samenleving en markten in de komende jaren zal teweegbrengen. |
|
2.6. |
De Europese Commissie en de lidstaten moeten samenwerken om enkele richtsnoeren over de ethiek van kunstmatige intelligentie uit te werken, met betrokkenheid van alle relevante publieke en particuliere belanghebbenden. |
|
2.7. |
Tegelijkertijd moet op Europees niveau een geharmoniseerd rechtskader worden vastgesteld dat in overeenstemming is met het EU-Handvest van de grondrechten en de beginselen die in de EU-Verdragen zijn verankerd. Het regelgevingskader moet precieze regels bevatten om de risico’s te kunnen aanpakken die machinaal leren met zich meebrengt, zoals ondoorzichtigheid van de markt, gebrek aan concurrentie, discriminatie, oneerlijke handelspraktijken, gevaren voor de cyberveiligheid en productveiligheid.
Er moet met name worden voorzien in stringente regelgevingswaarborgen voor situaties waarin door KI-systemen automatisch gegevens worden opgehaald bij het gebruik van computers en elektronische apparaten. |
|
2.8. |
Het werkdocument van de diensten van de Commissie (2018) 137 final, dat als bijlage bij de mededeling van de Commissie is gevoegd, bevat een grondige analyse van de gevolgen van KI voor de EU-wetgeving en een overzicht van de aansprakelijkheidskwesties die de opkomst van digitale technologieën met zich meebrengt. |
|
2.9. |
Bovendien zullen alomvattende actieplannen nodig zijn om i) de modernisering van onderwijs- en opleidingsstelsels te schragen door de voor de arbeidsmarkt van de toekomst vereiste nieuwe vaardigheden tot ontwikkeling te laten komen, en ii) een grondige bescherming van burgers en werknemers tegen te verwachten problemen te waarborgen (3). |
|
2.10. |
Het EESC spoort de Commissie aan snel verdere actie te ondernemen wat betreft regelgeving en de bevordering van investeringen; het snelle tempo van de huidige veranderingen vraagt om voortvarende aanpassing. |
3. Het voorstel van de Europese Commissie: Europese steun voor en investeringen in kunstmatige intelligentie
|
3.1. |
De Commissie kondigt in haar mededeling aan dat ze ondersteuning zal bieden aan de toenemende toepassing van KI in zowel fundamenteel als industrieel onderzoek. In dit opzicht wijst het EESC erop dat alle verschillende partijen, waaronder kmo’s/mkb-bedrijven, dienstverlenende bedrijven, sociale ondernemingen, landbouwbedrijven, coöperaties, consumentenorganisaties en ouderenorganisaties, bij dat proces moeten worden betrokken. |
|
3.2. |
Met het oog op het streven van de Commissie om „KI ter beschikking te stellen aan alle potentiële gebruikers, met de nadruk op kleine en middelgrote ondernemingen”, moet KI volgens het EESC voor zo veel mogelijk entiteiten toegankelijk worden gemaakt om de uitdaging van een mondiaal concurrentievermogen aan te kunnen gaan. Naast de plannen van de Commissie om een „platform voor KI-on-demand” te ontwikkelen, moet ook worden gezorgd voor passende vormen van betrokkenheid en raadpleging van de diverse belanghebbenden, waaronder kmo’s/mkb-bedrijven, netwerken voor de sociale economie en maatschappelijke organisaties (waarbij deze laatstgenoemde belanghebbenden van vitaal belang zijn voor een onderlegde en actieve betrokkenheid van Europese burgers). |
|
3.3. |
De Commissie heeft aangekondigd dat zij steun zal verlenen aan innovatie op basis van kunstmatige intelligentie in het kader van het proefproject van de Europese Innovatieraad, waarvoor voor de periode 2018-2020 een budget van 2,7 miljard EUR is vrijgemaakt. |
|
3.4. |
Het EESC meent dat dit initiatief nuttig kan zijn voor de ontwikkeling van KI, maar benadrukt ook dat onderzoeksfinanciering na de experimenteerfase snel een structureel karakter moet krijgen. De Commissie moet bovendien de diverse onderzoekscentra, die nu verspreid liggen over de lidstaten, aanmoedigen om op Europees niveau een samenwerkingsnetwerk te ontwikkelen op het gebied van kunstmatige intelligentie. |
|
3.5. |
Het EESC merkt op dat de Commissie voornemens is investeringen in KI in het kader van het programma Horizon 2020 te verhogen tot ongeveer 1,5 miljard EUR tegen eind 2020. Als deze aanpak snel in bestaande publiek-private partnerschappen wordt toegepast, zou binnen twee jaar een extra bedrag van 2,5 miljard EUR kunnen worden vrijgemaakt. Dezelfde aanpak moet ook in het toekomstige kaderprogramma Horizon Europa worden gehanteerd. |
|
3.6. |
Vanuit een ander oogpunt bekeken is het een goed teken dat de Europese Commissie en het Europees Fonds voor strategische investeringen, dat een centrale sturende rol moet vervullen in de ondersteuning van de ontwikkeling van KI in de EU, het Venture EU-programma hebben opgestart — dit is een durfkapitaalfonds van 2,1 miljard EUR om investeringen in innovatieve ondernemingen in heel Europa aan te zwengelen. |
|
3.7. |
De inspanningen die vereist zijn om gelijke tred te houden met andere mondiale spelers zijn echter zo groot dat coördinatie en synergie tussen alle op Europees en nationaal niveau beschikbare instrumenten en fondsen hard nodig zijn. Het moge duidelijk zijn dat in de concurrentiestrijd om KI met China en de VS de krachten van alle publieke en particuliere belanghebbenden op Europees niveau moeten worden gebundeld teneinde de leiderspositie van de EU op het wereldtoneel veilig te stellen. |
|
3.8. |
Met het oog op een rendabel concurrentievermogen voor de EU op het gebied van KI moeten ook adequate investeringen worden gedaan in passende IT-software, hardware en digitale infrastructuur die de rol van de EU in dit opzicht geloofwaardigheid kunnen verlenen. |
|
3.9. |
Bij investeringen in KI moet rekening worden gehouden met het feit dat Europese bedrijven bijzonder sterk zijn op het gebied van automatisering en robotica. Dergelijke sectoren, die zich in ruime zin met KI bezighouden, zouden dan ook echt van belang kunnen blijken om ervoor te zorgen dat de EU wereldwijd gewicht in de schaal legt als het op de technologische ontwikkeling aankomt, en daarom verdienen zij speciale aandacht. |
4. Kunstmatige intelligentie en de impact ervan op mensen en werknemers
|
4.1. |
Het staat buiten kijf dat de ontwikkeling van KI zich in een zeer hoog tempo ontwikkelt. Daarom moeten de Europese instellingen bij het beoordelen van de impact van elke regelgevingsmaatregel inzake kunstmatige intelligentie absoluut een multidisciplinaire benadering hanteren waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met administratieve, juridische en economische aspecten, maar ook met zaken van antropologische, psychologische, sociologische en technologische aard. |
|
4.2. |
Om dergelijke innovaties te ondersteunen, maar bovenal ook om ervoor te zorgen dat de mens daarbij centraal blijft staan, is het van belang dat de Europese Unie naar een sterk technologisch concurrentievermogen streeft zonder daarbij essentiële ethische, sociale en menselijke aspecten uit het oog te verliezen. |
|
4.3. |
Het EESC acht het daarom cruciaal dat i) individuele privacy en de verantwoordelijke verwerking van persoonsgegevens worden geregeld door passende wetgeving, zoals door de concrete invoering van de algemene verordening gegevensbescherming, die indien nodig steeds bijgewerkt zal worden om de snelle ontwikkeling van KI bij te benen; ii) belangrijke onderdelen van de toepasselijke EU-wetgeving worden geëvalueerd en indien nodig aangepast aan de door KI gecreëerde nieuwe scenario’s, en iii) de competenties en vaardigheden worden ontwikkeld die mensen, overheden en Europese bedrijven nodig hebben om effectief baat te hebben bij de voordelen van kunstmatige intelligentie. |
|
4.4. |
Als aanzet voor de uit te voeren analyse dient men te beseffen dat KI is gebaseerd op het gebruik en de verwerking van grote hoeveelheden gegevens, die tenslotte ten grondslag liggen aan elke op nieuwe technologieën gestoelde toepassing. Daarom bestaat de belangrijkste uitdaging voor de Europese regelgever in de totstandbrenging van transparante en gereguleerde toegang tot gegevens van eindgebruikers. |
|
4.5. |
Hoe hoger de kwaliteit van de verwerkte gegevens, des te groter de nauwkeurigheid en des te beter de prestaties van KI-systemen. Er mag echter niet worden vergeten dat persoonsgegevens wettelijk moeten worden verzameld en moeten worden gebruikt op een voor de direct betrokkenen bekende wijze voor vooraf bepaalde en transparante gebruiksdoeleinden waarvoor de gebruiker zelf op geïnformeerde en bewuste wijze toestemming heeft gegeven. |
|
4.6. |
Er zij op gewezen dat enkele belangrijke stukken van de Europese wetgeving — bijvoorbeeld met betrekking tot onlinereclame, oneerlijke handelspraktijken, productveiligheid en -aansprakelijkheid en de rechten van de consument, oneerlijke contractvoorwaarden en -garanties, verzekeringen en prijsaanduidingen — wellicht moeten worden veranderd en naar behoren aangepast aan de nieuwe scenario’s die ontstaan door een uitgebreider en verfijnder gebruik van kunstmatige intelligentie, teneinde de eindgebruikers te beschermen. |
|
4.7. |
De Commissie heeft in haar werkdocument SWD (2018) 137 final terdege rekening gehouden met het doorslaggevende belang van productveiligheid en -aansprakelijkheid door casestudy’s te analyseren en een lijst op te stellen van de onderdelen van de EU-wetgeving die verdere analyse en evaluatie verdienen. Het EESC spoort de Commissie aan om op deze voet door te gaan en is graag bereid hieraan een eigen bijdrage te leveren. |
|
4.8. |
Ook moet de aandacht worden gevestigd op het belang van culturele, educatieve en academische vorming enerzijds en adequate voorlichting van het algemene publiek anderzijds. Het is namelijk belangrijk dat de rechten van Europese burgers gewaarborgd worden naarmate KI terrein wint. Het is met name van belang te zorgen voor een transparant en juist beheer van KI-algoritmen en van de databanken waarin deze algoritmen worden gebruikt. |
|
4.9. |
Het is dan ook cruciaal dat Europese burgers adequate training en eenvoudige en begrijpelijke informatie krijgen om op verantwoordelijke en onderlegde wijze gebruik te kunnen maken van de apparaten en toepassingen die te danken zijn aan de snelle technologische ontwikkelingen van vandaag de dagen steeds meer op alle niveaus beschikbaar komen. |
|
4.10. |
Gezien al deze vereisten moeten de EU en de lidstaten duidelijk en doeltreffend antwoord geven door een modern onderwijssysteem te bevorderen en levenslang leren op de arbeidsmarkt en in het maatschappelijk middenveld continu uit te breiden. |
|
4.11. |
De Europese Commissie zal een grondige evaluatie van de gevolgen van KI voor de arbeidsmarkt moeten uitvoeren. Dit is een groot punt van zorg voor tal van Europese werknemers die in zich een latere fase van hun loopbaan bevinden maar de pensioenleeftijd nog lang niet hebben bereikt en de veranderingen met wantrouwen en angst tegemoet zien. Bij dit onderzoek moet rekening worden gehouden met de mogelijke vervanging van sommige werknemers door elektronische apparaten of robots, alsook met het feit dat bepaalde banen door de nieuwe technologieën ingrijpend zullen worden veranderd, ook al is er geen sprake van volledige automatisering. Het onderzoek en de evaluatie moeten daarom niet alleen zijn gericht op de onvermijdelijke en verwachte aanpassingen aan productielijnen, maar ook — na een gedegen sociale dialoog met werknemers — op de noodzakelijke herziening van de organisatorische processen en de zakelijke doelstellingen. |
|
4.12. |
In sommige situaties, zoals ook het geval is (geweest) met tal van andere technologieën, zal het raadzaam zijn KI in stadia en opeenvolgende stappen van aanpassing vóór volledig gebruik te testen. Zo kunnen de betrokkenen vertrouwd raken met de nieuwe technologieën — waaronder via passende opleidingstrajecten — en worden aanpassingsfouten tijdens het proces verholpen (4). |
|
4.13. |
De invoering van nieuwe technologieën in ondernemingen vereist een sociale dialoog tussen de verschillende betrokken partners. In dit verband moeten de werknemersorganisaties en de vakbonden voortdurend worden geïnformeerd en geraadpleegd. |
5. Kunstmatige intelligentie, overheidsdiensten en het maatschappelijk middenveld
|
5.1. |
KI is een technologische en sociale innovatie die de hele samenleving radicaal kan transformeren en de publieke sector en de relatie tussen burgers en overheid ten goede kan komen. De door kunstmatige intelligentie geboden kansen kunnen administratieve taken efficiënter maken en de tevredenheid van burgers over door de overheid verleende diensten en de doeltreffende werking van die overheid vergroten. |
|
5.2. |
Met het oog hierop is het van cruciaal belang dat ook ambtenaren bereid zijn om te gaan met de veranderingen en uitdagingen die KI in de Europese samenleving zal teweegbrengen. Werkgevers en diensthoofden uit de overheidssector moeten — samen met de reeds aangehaalde docenten, opleiders en universiteitspersoneel — het KI-fenomeen volledig kunnen begrijpen. Ook moeten zij in staat zijn te besluiten welke nieuwe hulpmiddelen in de administratieve procedures moeten worden ingevoerd. |
|
5.3. |
De invoering van KI in de publieke en particuliere sector vraagt om de ontwikkeling van procedures ter bevordering van het begrip en de aanvaarding van technologieën door de gebruiker middels samenwerkingsmechanismen waarmee burgers — indien mogelijk via systemen voor participatieve governance — kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van op KI gebaseerde technologieën. |
|
5.4. |
Om op dit vlak significante resultaten te boeken kan het zinvol zijn steeds betrouwbaardere vormen van samenwerking en partnerschap tussen de publieke en particuliere sector te ontwikkelen, met als doel de kansen te grijpen die technologische toepassingen, kunstmatige intelligentie en robotica meebrengen. |
|
5.5. |
De uitdaging waarmee overheidsdiensten worden geconfronteerd, is van bijzonder gevoelig karakter wat betreft wettigheid en legitimiteit, aangezien het juiste evenwicht moet worden gevonden tussen de publieke belangen (met inbegrip van de uitoefening van het openbaar gezag) en individuele belangen (specifieke uiting van de vrijheid van het individu). In deze context zal met het oog op het gebruik van KI door overheidsdiensten bijvoorbeeld het beginsel van transparantie en publicatie van administratieve documenten moeten worden verzoend met de bescherming van persoonsgegevens en het recht van het individu op privacy binnen een duidelijk en expliciet regelgevingskader. |
|
5.6. |
Ingeval nieuwe maatregelen overheidsdiensten in staat stellen om met behulp van technologie organisatorische beslissingen te nemen en sneller keuzes te maken — zoals de selectie van contractanten voor aanbestedingen, het beheer van een wachtlijst voor specifieke diensten of de aanwerving van personeel voor de overheidsdienst —, moet de effectieve juridische verantwoordelijkheid voor deze beslissingen binnen een duidelijk rechtskader worden geplaatst, waarbij de volledige verantwoording van de overheidsdienst jegens de burger moet worden benadrukt. |
|
5.7. |
Maatschappelijke organisaties en sociale ondernemingen kunnen er in belangrijke mate voor helpen zorgen dat technologieën door individuen begrepen en aanvaard worden, met name via samenwerkingsmechanismen die betrokkenheid bij de digitale transformatieprocessen mogelijk maken. Van belang hierbij is de mogelijkheid om voor deze instrumenten systemen op te zetten voor participatieve governance, bijvoorbeeld in coöperatieve vorm, te beginnen met de digitale platformen die al worden gebruikt om nieuwe vormen van economische betrekkingen bij werkbeheer te organiseren. |
|
5.8. |
Administratieve instanties die met markttoezicht zijn belast, moeten over de deskundigheid en de bevoegdheden beschikken om eerlijke concurrentie, consumentenrechten en de veiligheid en rechten van werknemers te kunnen waarborgen. Openbare of onafhankelijke instanties moeten met het doorlichten van algoritmes worden belast. Tegelijkertijd moeten ondernemingen efficiënte methoden invoeren om de manier waarop KI met gegevens omgaat tegen het licht te houden. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Zie goedgekeurd EESC-advies INT/845 Kunstmatige intelligentie: anticiperen op de gevolgen ervan voor de arbeid om een eerlijke transitie te waarborgen (initiatiefadvies); rapporteur: Salis-Madinier (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad)
(2) INT/806 van 31 mei 2017 getiteld Kunstmatige intelligentie — De gevolgen van kunstmatige intelligentie voor de (digitale) eengemaakte markt, de productie, consumptie, werkgelegenheid en samenleving (PB C 288 van 31.8.2017, blz. 1).
(3) Het EESC heeft het advies SOC/578 — Transitiemanagement in een gedigitaliseerde arbeidswereld — goedgekeurd (PB C 367 van 10.10.2018, blz. 15).
(4) Zie goedgekeurd EESC-advies INT/845 Kunstmatige intelligentie: anticiperen op de gevolgen ervan voor de arbeid om een eerlijke transitie te waarborgen (initiatiefadvies); rapporteur: Salis-Madinier (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad)
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/57 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt; de burger „empoweren” en bouwen aan een gezondere maatschappij
(COM(2018) 233 final)
(2018/C 440/09)
|
Rapporteur: |
Diego DUTTO |
|
Corapporteur: |
Thomas KATTNIG |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 18.6.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
193/0/3 |
1. Conclusies
|
1.1. |
In de veranderingen die door de digitalisering teweeggebracht worden in de zorg moet de mens centraal staan. |
|
1.2. |
Dankzij digitalisering moeten gezondheidswerkers meer tijd kunnen doorbrengen met patiënten. Er moet op toegezien worden dat er voldoende gekwalificeerd personeel, dat over de juiste digitale vaardigheden beschikt, aan de slag is in de gezondheidszorg. |
|
1.3. |
Door digitalisering verandert de aard van het werk in de gezondheids- en zorgsector. Iedereen die hierbij betrokken is, moet deze ontwikkelingen professioneel en met een open geest tegemoet treden om hoge kwaliteitsnormen te bereiken. |
|
1.4. |
De sociale dialoog op Europees niveau over ziekenhuizen, gezondheidszorg en sociale dienstverlening moet worden versterkt. Er zijn passende cursussen en bijscholingsprogramma’s nodig, de arbeidsomstandigheden en de kwaliteit van de banen moeten worden verbeterd en de gegevens van het personeel moeten beter worden beschermd. |
|
1.5. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) weet dat lidstaten verantwoordelijk zijn voor de organisatie en de verstrekking van gezondheids- en sociale zorg. In het kader van de richtlijn betreffende de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (Richtlijn 2011/24/EU) moet een onlinenetwerk voor gezondheidszorg (eHealth- of e-gezondheidsnetwerk) worden opgezet om de interoperabiliteit van e-gezondheidsoplossingen te verbeteren. |
|
1.6. |
Met behulp van digitale instrumenten kunnen organisatorische veranderingen worden doorgevoerd in de gezondheids- en zorgstelsels en kan het potentieel van individuen, lokale gemeenschappen en de sociale economie beter worden benut. Deze stelsels zijn gebaseerd op solidariteit en universaliteit, hetgeen door passende overheidsinvesteringen kracht moet worden bijgezet. |
|
1.7. |
Digitalisering mag niet verkeerd worden geïnterpreteerd als een manier om te bezuinigen op zorgbudgetten en mag niet leiden tot personeelsinkrimping of afslanking van de dienstverlening. Zorg moet worden beschouwd als een persoonlijke dienst en er moeten, vooral nu de bevolking vergrijst, nieuwe concepten voor langdurige zorg worden ontwikkeld. |
|
1.8. |
Het EESC is het eens met de in de mededeling uiteengezette visie, nl. dat gezondheid moet worden bevorderd, ziektes moeten worden voorkomen en bestreden, aan onvervulde behoeftes van patiënten moet worden voldaan en het voor de burgers gemakkelijker moet worden gemaakt om op gelijke voet toegang te krijgen tot hoogwaardige zorg middels een zinvol gebruik van digitale innovaties en de sociale economie. |
|
1.9. |
Kennis op het gebied van gezondheid, in een sociale en digitale context, gaat over het vermogen van mensen om informatie te verkrijgen, te begrijpen en te gebruiken om hun welzijn te bevorderen en gezond te blijven. |
|
1.10. |
Burgers moeten inzage krijgen in hun gezondheidsgegevens. Zij beslissen zelf of en wanneer hun gegevens worden gedeeld. Uitgangspunt daarbij is de algemene verordening gegevensbescherming (AVG), die garandeert dat burgers zelf bepalen wat er met hun persoonsgegevens, met name hun gezondheidsgegevens, wordt gedaan. |
|
1.11. |
Volgens het EESC zou „het recht op (vrij) kopiëren” een actieve vorm van bescherming kunnen zijn. Dit betreft alle gegevens die door gebruikers worden gegenereerd wanneer zij gebruikmaken van digitale gezondheidsplatforms en stelt burgers in staat om hun eigen gegevens opnieuw te gebruiken. |
|
1.12. |
De oorspronkelijke gegevens van gebruikers zijn van nut voor algoritmes en platforms; ze moeten worden beschouwd als een origineel product dat wordt gegenereerd door gebruikers en worden beschermd overeenkomstig de wetgeving inzake intellectuele eigendom. |
|
1.13. |
Het „recht op (vrij) kopiëren” kan ook een rol spelen in de bescherming en bevordering van mededinging, die nu zwaar op de proef wordt gesteld door de systemen die momenteel worden gebruikt door digitale platforms om gegevens en persoonlijke informatie te achterhalen. |
|
1.14. |
Het EESC schaart zich achter (1) de vier pijlers van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van digitalisering van de gezondheidszorg, nl. gezamenlijke klinische evaluaties, gezamenlijk wetenschappelijk overleg, de identificatie van opkomende gezondheidstechnologieën en vrijwillige samenwerking. |
|
1.15. |
Het EESC stelt voor dat er passende maatregelen worden genomen om na te gaan of er nieuwe ethische, juridische en sociale voorzieningen kunnen worden getroffen waarin rekening wordt gehouden met de risico’s van datamining. |
|
1.16. |
Het EESC stelt voor om onderzoek naar de integratie van digitale technologie en innovatie te stimuleren met het oog op de modernisering van de gezondheidszorg, bijv. door middel van kunstmatige intelligentie, het internet der dingen en interoperabiliteit. Het EESC deelt de publieke opinie voor wat betreft beveiligde grensoverschrijdende toegang tot betrouwbare gezondheidsgegevens ten behoeve van onderzoek en ziektepreventie. |
|
1.17. |
Het EESC hecht eveneens zijn goedkeuring aan de steun van de EU voor kleine, middelgrote en sociale ondernemingen die digitale oplossingen ontwikkelen voor persoonsgerichte zorg en feedback van patiënten. |
|
1.18. |
Het EESC zou graag zien dat er „weer evenwicht wordt gebracht” in de sociaal-economische asymmetrie in datagestuurde economieën door het bevorderen van de ontwikkeling van beveiligde platforms en het verlenen van steun aan coöperatieve organisaties zonder winstoogmerk voor het opslaan, beheren en delen van persoonsgegevens. |
2. Achtergrond en algemene opmerkingen
|
2.1. |
Op 25 april 2018 publiceerde de Europese Commissie haar Mededeling over de digitale transformatie van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt (2), die betrekking heeft op de hervormingen en innovatieve oplossingen die zijn vereist om de gezondheids- en zorgstelsels veerkrachtiger, toegankelijker en doeltreffender te maken bij het leveren van kwaliteitszorg aan de Europese burgers en om een gezondere maatschappij tot stand te brengen. Als digitale gezondheids- en zorgoplossingen gedegen worden ontworpen en op een kostenefficiënte manier worden uitgevoerd, kunnen zij het welzijn van miljoenen burgers verhogen en de efficiency van de gezondheids- en zorgdiensten die aan patiënten worden verstrekt aanzienlijk verbeteren. Digitalisering kan de continuïteit van grensoverschrijdende zorg (Richtlijn 2011/24/EU) ondersteunen, wat een belangrijk aspect is voor degenen die voor zakelijke of toeristische doeleinden een tijd in het buitenland verblijven. Digitalisering kan ook gezondheid helpen bevorderen en ziektes helpen voorkomen, onder meer op de werkplek. Digitalisering kan de hervorming van gezondheidsstelsels en hun overgang naar nieuwe, op de behoeften van de bevolking gerichte zorgmodellen ondersteunen, en een verschuiving van ziekenhuisgerichte naar geïntegreerde en meer gemeenschapsgerichte welzijnsfaciliteiten mogelijk maken. Bij deze veranderingen dient te worden gegarandeerd dat burgers centraal staan binnen de zorg. Dankzij digitalisering moeten gezondheidswerkers meer tijd kunnen doorbrengen met de patiënt. Er moet dan ook op toegezien worden dat er voldoende gekwalificeerd personeel, dat over de juiste digitale vaardigheden beschikt, aan de slag is in de zorg. |
|
2.2. |
Door digitalisering van de gezondheidszorg verandert de aard van het werk in deze sector. Dit vergt hoge kwaliteitsnormen en alle betrokkenen moeten de veranderingen professioneel en met een open geest tegemoet treden. Daarom moet de sociale dialoog op Europees niveau in de gezondheidssector en sociale dienstverlening verder worden versterkt, zodat er passende cursussen en bijscholingsprogramma’s worden ontwikkeld en de arbeidsomstandigheden, met name het evenwicht tussen werk en privéleven, de bescherming van de persoonsgegevens van het personeel en de kwaliteit van banen, worden verbeterd. |
|
2.3. |
De Europese Commissie wijst erop dat de gezondheids- en zorgstelsels in Europa voor grote uitdagingen staan, zoals vergrijzing, multimorbiditeit, vaccinatie, gebrek aan arbeidskrachten in de gezondheidszorg door moeilijke arbeidsomstandigheden en de groeiende last van vermijdbare niet-overdraagbare ziekten, veroorzaakt door risicofactoren zoals tabak, alcohol en obesitas, en andere ziekten, zoals neurodegeneratieve en zeldzame ziekten. Bovendien is er een groeiende bedreiging van besmettelijke ziekten als gevolg van de toegenomen resistentie tegen antibiotica en nieuwe of weer opduikende pathogenen. De overheidsuitgaven voor de gezondheidszorg en langdurige zorg in de EU-lidstaten stijgen en zullen dat naar verwachting blijven doen. Het is vooral van belang dat de hiermee gepaard gaande uitgaven worden gebruikt om de kwaliteit van het werk in de gezondheidszorg te verbeteren en te voorkomen dat gezondheidswerkers slecht worden betaald en onder zware omstandigheden moeten werken. Nu de bevolking vergrijst, moeten er nieuwe concepten voor langdurige zorg worden ontwikkeld. |
|
2.4. |
Als er al gezondheidsgegevens beschikbaar zijn, dan zijn ze vaak gekoppeld aan technologieën die niet interoperabel zijn, wat een wijdverbreid gebruik ervan in de weg staat. |
|
2.5. |
Daarom beschikken gezondheidszorgstelsels niet over de noodzakelijke informatie om hun diensten te optimaliseren en is het voor dienstverleners moeilijk om schaalvoordelen tot stand te brengen, zodat ze efficiënte digitale gezondheids- en zorgoplossingen kunnen aanbieden en het grensoverschrijdend gebruik van gezondheidsdiensten kunnen ondersteunen. De op gezondheidsgegevens gebaseerde gekwantificeerde resultaten moeten gepersonaliseerde gezondheidsinzichten opleveren en toegankelijk zijn voor huisartsen, medisch specialisten en wetenschappers, zodat ze kunnen worden benut met het oog op clustering, het ontwikkelen van voorspellende modellen en het gebruik van beste praktijken. |
|
2.6. |
Zoals in het verslag over de staat van de gezondheidstoestand in de EU (State of Health in the EU) is geconcludeerd, is het gebruik van patiëntgerichte gezondheidsgegevens in de EU nog niet voldoende ontwikkeld. |
|
2.7. |
De organisatie en de verstrekking van gezondheidszorg en sociale zorg zijn de verantwoordelijkheid van de lidstaten. In sommige lidstaten, met name die met een federaal stelsel, zijn de regionale autoriteiten verantwoordelijk voor de financiering en de verstrekking van gezondheidszorg. |
|
2.8. |
In het kader van de richtlijn betreffende de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (Richtlijn 2011/24/EU) is een onlinenetwerk voor gezondheidszorg (eHealth- of e-gezondheidsnetwerk) opgezet om de interoperabiliteit van e-gezondheidsoplossingen te verbeteren. |
|
2.9. |
Ook zijn samenwerkingsstructuren ontwikkeld; bijvoorbeeld het Europese innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden, het gezamenlijke programma ter ondersteuning van een actief en autonoom leven (het programma „Actief en ondersteund wonen”), en publiek-private partnerschappen zoals het initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen en het initiatief Elektronische componenten en systemen voor Europees leiderschap (Ecsel). Regionale en nationale strategieën voor slimme specialisatie spelen ook een centrale rol in de ontwikkeling van sterkere regionale ecosystemen op het gebied van gezondheidszorg. Sinds 2004 bieden twee actieplannen voor e-gezondheidszorg een beleidskader voor de lidstaten en de Commissie, en heeft de groep van belanghebbenden op het gebied van e-gezondheid een belangrijke rol gespeeld. |
|
2.10. |
Mede in het licht van zijn in eerdere adviezen (3) ingenomen standpunten is het EESC van mening dat de maatregelen die de Commissie op drie gebieden voorstelt, dienen te worden ondersteund. Deze drie gebieden zijn: veilige toegang van burgers tot gezondheidsgegevens en het delen van die gegevens over de grenzen heen; betrouwbare gegevens om onderzoek, ziektepreventie en gepersonaliseerde gezondheidszorg te bevorderen; digitale instrumenten voor empowerment van burgers en persoonsgerichte zorg. Zoals eerder opgemerkt, mag digitalisering niet verkeerd worden geïnterpreteerd als een manier om te snijden in de uitgaven voor de gezondheidszorg en mag een en ander niet leiden tot personeelsinkrimping of vermindering van de dienstverlening. Personeelstekorten leiden tot ontoereikende zorg en een groter overlijdensrisico. Niet vergeten mag worden dat digitalisering een tweedimensionaal verschijnsel is dat zowel een „richting” als een „proces” omvat. Wat de richting betreft, focussen we op de externe factoren voor organisaties, waarbij steeds gekeken wordt naar „wat” wordt aangepakt door de digitale transformatie. Wat het proces betreft, ligt de nadruk op het denken binnen organisaties, met speciale aandacht voor „hoe” de digitale transformatie wordt doorgevoerd. Dit is iets wat constant in gedachten moet worden gehouden bij de behandeling van het onderwerp van dit advies, want alleen zo kan een patiëntgerichte aanpak worden gewaarborgd. |
|
2.11. |
Juist daarom wil het EESC er net als in zijn vorige advies (4) op wijzen dat de EU-netwerken en de geplande ondersteuningsmaatregelen digitale instrumenten moeten gebruiken om onze grondrechten op het gebied van gezondheid en zorg te doen gelden en te versterken, en niet te verzwakken, als we willen dat de digitale transformatie voordelen oplevert. Digitale instrumenten moeten de ontwikkeling van individueel potentieel en van het potentieel van lokale gemeenschappen en de sociale economie ondersteunen, ze moeten een krachtige hefboom zijn voor het bevorderen van rechten en het ontwikkelen van nieuwe vormen van organisatie en bestuur op het gebied van gezondheid en zorg, en ze moeten ertoe bijdragen dat opnieuw de nadruk wordt gelegd op solidariteit en universaliteit als onderliggende waarden van ons gezondheidszorgstelsel. Zoals vermeld in een eerder advies (5), dient dit te worden verzekerd middels gepaste overheidsinvesteringen. |
|
2.12. |
Zoals het EESC al in eerdere adviezen heeft aangegeven, is gelijke toegang tot zorg een essentiële doelstelling van het volksgezondheidsbeleid. Het EESC is van mening dat digitalisering hieraan kan bijdragen als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan:
|
|
2.13. |
De snelle opkomst van telegeneeskunde, het internet der dingen, nanotechnologie, biotechnologie, informatietechnologie en cognitieve wetenschappen (NBIC) mag er niet toe leiden dat patiënten louter gezien worden als met elkaar verbonden lichamen die op afstand door een almachtig IT-programma geanalyseerd, gecontroleerd en in de gaten gehouden kunnen worden. De technische ontwikkeling van de gezondheidszorg moedigt in feite aan tot het tegenovergestelde, nl. dat interpersoonlijke verhoudingen en sociale banden weer centraal komen te staan in de zorg en de geneeskunde. |
3. De gevolgen van de digitale transformatie
3.1. De gevolgen van de digitale transformatie voor gezondheid en zorg
|
3.1.1. |
In de mededeling van de Commissie wordt aangegeven hoe de EU kan bijdragen tot de verwezenlijking van de door de Raad in zijn conclusies geformuleerde doelstellingen, nl. door in de EU de noodzakelijke samenwerking en infrastructuur tot stand te brengen en zo de lidstaten te helpen hun politieke verplichtingen op deze gebieden na te komen. De voorgestelde maatregelen helpen de Commissie eveneens in haar streven om de VN-doelstelling inzake duurzame ontwikkeling „Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd” te halen en de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten in praktijk te brengen. |
|
3.1.2. |
Het EESC staat achter de visie die in de mededeling uiteengezet wordt, nl. dat gezondheid moet worden bevorderd, ziektes moeten worden voorkomen en bestreden, aan onvervulde behoeften van patiënten moet worden voldaan en het voor de burgers gemakkelijker moet worden gemaakt om op gelijke voet toegang te krijgen tot hoogwaardige zorg middels een zinvol gebruik van digitale innovaties en met behulp van sociale ondernemingen. |
|
3.1.3. |
Het EESC acht het cruciaal dat de duurzaamheid van de Europese gezondheids- en zorgstelsels wordt verbeterd en dat het potentieel van de digitale eengemaakte markt ten volle wordt benut door meer gebruik te maken van digitale producten en diensten op het gebied van gezondheid en zorg. Voorts dienen de voorgestelde maatregelen ook gericht te zijn op het stimuleren van groei en het bevorderen van Europese bedrijvigheid in de sector, evenals het steunen van bedrijven, zowel met als zonder winstoogmerk, die gezondheids- en zorgdiensten ontwerpen en beheren. |
|
3.1.4. |
Dankzij digitalisering wordt het met name mogelijk om toegang te krijgen tot en gebruik te maken van gegevens waarmee, naarmate de bevolking toeneemt en de levensverwachting stijgt, de kosten van de gezondheidszorg kunnen worden verlaagd, wat helpt om overheidsbeleid op nationaal en Europees niveau te optimaliseren. |
|
3.1.5. |
Digitalisering van de gezondheidszorg zal niet alleen bijdragen tot een korter verblijf in het ziekenhuis, wat een direct positief effect heeft op de gezondheidszorg in ziekenhuizen, maar zal ook het herstel van de patiënt zelf bevorderen. In het kader van internationale erkenning heeft de Wereldgezondheidsorganisatie samen met de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU) de National eHealth Strategy Toolkit gepresenteerd, een handboek waarin een methode voor het ontwikkelen en verbeteren van nationale eHealth-strategieën, actieplannen en monitoringkaders wordt voorgesteld. |
3.2. De gevolgen van de digitale transformatie voor mensen
|
3.2.1. |
Door digitalisering kunnen burgers op ruime schaal toegang krijgen tot innovatieve en efficiëntere gepersonaliseerde kennis, infrastructuur en diensten op het gebied van gezondheidszorg en kunnen zij als dienstverleners, informatieproducenten en gegevensverstrekkers bijdragen tot de verbetering van de gezondheid van anderen. |
|
3.2.2. |
Burgers hebben het recht om inzage te krijgen in hun gezondheidsgegevens en te beslissen of en wanneer ze deze gegevens willen delen. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de op 25 mei 2018 in werking getreden algemene verordening gegevensbescherming, die burgers de controle geeft over het gebruik van hun persoonsgegevens, evenals hun gezondheidsgegevens. Tevens dient aandacht te worden besteed aan de verklaring van de World Medical Association (WMA) over de ethische beginselen inzake gezondheidsdatabanken en biobanken (Verklaring van Taipei), die tijdens de 53e algemene vergadering van de WMA in oktober 2002 in Washington DC, Verenigde Staten, werd aangenomen en tijdens de 67e algemene vergadering in oktober 2016 in Taipei, Taiwan, werd herzien. |
|
3.2.3. |
Het risico dat de kloof op het gebied van digitale geletterdheid nog breder wordt, moet worden afgewend. Kennis op het gebied van gezondheid, in een sociale en digitale context, gaat over het vermogen van mensen om informatie te verkrijgen, te begrijpen en te gebruiken om hun welzijn te bevorderen en gezond te blijven. Met het oog hierop is het noodzakelijk een bepaald niveau van vaardigheden en vertrouwdheid met de nieuwe instrumenten te garanderen zodat mensen hun eigen welzijn en dat van de gemeenschap kunnen verhogen met maatregelen om hun levensstijl en leefomstandigheden te verbeteren. |
|
3.2.4. |
Aangezien gebruikers centraal staan in de dienstverlening en de wijze waarop deze wordt vormgegeven, moeten de door hen gegenereerde gegevens eveneens van centraal belang worden geacht en moeten er passende regels worden vastgesteld met betrekking tot de eigendom van de gegevens en het recht van de gebruiker zelf en van andere partijen om deze gegevens te gebruiken. De volgende vragen moeten worden gesteld: „Wie is eigenaar van de gegevens?”, „Wie heeft het recht om de gegevens te gebruiken?”, „Onder welke voorwaarden mogen andere, dienstverlenende partijen de gegevens gebruiken?”, „Mag de gebruiker de gegevens vrij gebruiken?” enz. In dit verband is het belangrijk om onderscheid te maken tussen verschillende soorten gegevens: oorspronkelijke gegevens enerzijds en door algoritmes en kunstmatige intelligentie gegenereerde gegevens anderzijds. Hoe moet de eigendom van informatie worden geregeld als een andere partij met een eigen algoritme nieuwe geaggregeerde gegevens genereert? Hoe gaan bedrijfsmodellen om met de aanwezigheid van verschillende belanghebbenden, die elk een essentieel onderdeel van de dienst aanleveren? Er moet ook onderscheid worden gemaakt tussen bedrijfsmodellen die alleen op diensten zijn gebaseerd (meer traditionele modellen, bijv. ondersteuning bij activiteiten in het dagelijks leven) en bedrijfsmodellen die zijn gebaseerd op patiëntgerichte gegevens en de mogelijkheid bieden om nieuwe diensten te ontwikkelen op het gebied van eHealth (bijv. preventie, ondersteuning bij behandeling en aanpassing). |
|
3.2.5. |
De authentieke — d.w.z. originele — gegevens van elke gebruiker vormen de enige nuttige waarde voor algoritmes, diensten en platforms, wat betekent dat deze kunnen/moeten worden beschouwd als een origineel product dat door de gebruikers (en alleen door hen en hun biologische, cognitieve, culturele en gedragskenmerken) werd gegenereerd en dat het dus „originele input” is die volgens vergelijkbare regels moet worden beschermd, zij het regels die ad hoc zijn gebaseerd op intellectuele eigendom. Er kan worden gedacht aan een actieve vorm van bescherming middels een „recht op (vrij) kopiëren” van alle gegevens die door gebruikers tijdens hun interactie met digitale gezondheidsplatforms worden gegenereerd zodat deze, indien nodig, kunnen worden hergebruikt door ze opnieuw te aggregeren via andere diensten/algoritmes. Het „recht op (vrij) kopiëren” helpt eveneens met een ander probleem, dat te maken heeft met de bescherming en bevordering van mededinging, die nu zwaar op de proef wordt gesteld door de systemen die momenteel — al dan niet op basis van contracten — worden gebruikt door digitale platforms om gegevens en persoonlijke informatie te achterhalen. |
|
3.2.6. |
De EU heeft het in par. 3.2.5 beschreven vraagstuk verschillende keren aangekaart en heeft in sommige gevallen gekozen voor het recht om gegevens beschikbaar te stellen (kopiëren — zie artikel 9 van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie: „zorgen zij ervoor dat, op verzoek van de eindafnemer, meetgegevens inzake de input en output van elektriciteit, in een gemakkelijk te begrijpen vorm die vergelijking van aanbiedingen op basis van gelijke criteria mogelijk maakt, beschikbaar worden gesteld aan de eindafnemer of aan een derde partij die namens de eindafnemer optreedt”). |
|
3.2.7. |
Het EESC stelt voor om een IT-infrastructuur tot stand te brengen om snel contact te leggen met patiënten met een zeldzame ziekte, zodat zij hun gezondheids- en medische gegevens beschikbaar kunnen stellen voor wereldwijd non-profit-onderzoek. De Europese Unie bevordert het opzetten van een systeem van elektronische medische dossiers, door informatie-uitwisseling, normalisatie en de ontwikkeling van netwerken voor de uitwisseling van informatie tussen zorgaanbieders te ondersteunen om in het geval van een risico voor de volksgezondheid maatregelen te kunnen coördineren. |
|
3.2.8. |
Dit zou mensen/burgers/patiënten/gebruikers in staat stellen om opnieuw volledig zeggenschap te krijgen over hun digitale identiteit. Zo zouden zij kunnen worden betrokken bij de verwerving van kennis die wordt verkregen uit geaggregeerde gezondheidsgegevens voor gepersonaliseerde geneeskunde en preventie, en kunnen profiteren van de aanzienlijke economische voordelen die voortvloeien uit deze geaggregeerde gegevens. |
3.3. De gevolgen van de digitale transformatie voor de sociale en gezondheidszorg
|
3.3.1. |
Het EESC schaart zich (zoals uiteengezet in zijn advies (7)) achter het proces met vier pijlers voor grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de digitale transformatie van gezondheid en zorg. |
|
3.3.1.1. |
Voorgesteld wordt een coördinatiegroep op te richten, bestaande uit vertegenwoordigers van de organen voor de evaluatie van gezondheidstechnologie (EGT). Ook worden de vier pijlers van de toekomstige samenwerking omschreven. De gezamenlijke werkzaamheden zouden worden geleid door de lidstaten, via de coördinatiegroep, en zouden de volgende activiteiten omvatten:
|
|
3.3.1.1.1. |
Gezamenlijke klinische evaluaties hebben betrekking op de meest innovatieve technologieën, waaronder i) geneesmiddelen die onderworpen zijn aan de centrale vergunningsprocedure voor het in de handel brengen ervan, en ii) bepaalde categorieën van medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek waarmee kan worden voorzien in onvervulde medische behoeften, mogelijke gevolgen voor de patiënten, de volksgezondheid of de gezondheidszorgstelsels, en met een aanzienlijke grensoverschrijdende dimensie. Dergelijke evaluaties zouden worden uitgevoerd door de EGT-organen van de lidstaten, farmaceutische bedrijven of fabrikanten van medische hulpmiddelen (de „ontwikkelaar”), patiënten, klinische deskundigen en andere belanghebbenden. Vervolgens zou het verslag hiervan, na verificatie door de Commissie, worden gepubliceerd en kan het worden gebruikt door de lidstaten. |
|
3.3.1.1.2. |
Via het gezamenlijk wetenschappelijk overleg, ook „vroegtijdige dialoog” genoemd, kan een ontwikkelaar advies inwinnen bij de EGT-organen over de gegevens en bewijzen die waarschijnlijk nodig zullen zijn als onderdeel van een toekomstige gezamenlijke klinische evaluatie. Ontwikkelaars zouden over de mogelijkheid beschikken om de coördinatiegroep om gezamenlijk wetenschappelijk overleg te verzoeken. Eenmaal goedgekeurd door de coördinatiegroep, zouden de verslagen van het gezamenlijk wetenschappelijk overleg worden overhandigd aan de ontwikkelaar van de gezondheidstechnologie, maar niet worden gepubliceerd. |
|
3.3.1.1.3. |
„Horizonverkenning”, of het in kaart brengen van opkomende gezondheidstechnologieën (gezondheidstechnologieën die nog geen deel uitmaken van het gezondheidszorgstelsel) zou helpen om ervoor te zorgen dat de gezondheidstechnologieën die naar verwachting grote gevolgen zullen hebben voor patiënten, de volksgezondheid of de gezondheidszorgstelsels in een vroeg stadium van hun ontwikkeling in kaart worden gebracht en onderdeel worden van de gezamenlijke werkzaamheden van de coördinatiegroep. |
|
3.3.1.1.4. |
Voor gebieden die niet onder de verplichte samenwerking vallen, zouden de lidstaten over de mogelijkheid beschikken om op vrijwillige basis te blijven samenwerken op EU-niveau. Dit zou het onder meer mogelijk maken om EGT’s te verrichten voor gezondheidstechnologieën die geen geneesmiddelen of medische hulpmiddelen zijn (zoals chirurgische procedures) en om niet-klinische aspecten te evalueren (zoals de gevolgen van medische hulpmiddelen voor de organisatie van de zorg). |
|
3.3.2. |
De uitrol van nieuwe, door de digitale transformatie mogelijk gemaakte gezondheidsoplossingen werpt een aantal belangrijke multidisciplinaire vragen op, waaronder ethische, juridische en sociale vragen. Hoewel er reeds een rechtskader bestaat voor gegevensbescherming en patiëntveiligheid, zijn er andere zaken die aandacht behoeven, zoals de toegang tot breedband, de risico’s die gepaard gaan met datamining en automatische besluitvorming, het garanderen van geschikte normen en wetgeving om de toereikende kwaliteit van eHealth- of mHealth-diensten te verzekeren, evenals de toegankelijkheid en kwaliteit van de diensten. Ook op het gebied van diensten — waarvoor zowel op Europees als nationaal niveau regels bestaan voor openbare aanbestedingen, mededinging en de interne markt — moet voor een nieuwe aanpak worden gekozen die rekening houdt met digitalisering. |
|
3.3.3. |
Door digitalisering zal het gezondheidszorgstelsel anders worden georganiseerd, met nieuwe manieren en normen voor het verlenen van diensten (bijv. het gebruik van robots in samenwerking met zorgverleners). Daarnaast moeten zorgverleners passende en specifieke cursussen volgen (bijv. op sociaal, medisch of technisch vlak) en worden voorbereid op een nieuwe invulling van hun werk en veranderingen in hun werkomgeving. Als gevolg hiervan zullen er nieuwe modellen voor dienstverlening worden vastgesteld, evenals nieuw ondersteunend beleid en nieuwe certificeringen en normen die zijn afgestemd op het invoeren van digitale diensten en technologieën in reële zorgkaders en -markten. Bij het opzetten en ontwikkelen van dit alles moeten de beginselen van gebruikersgericht ontwerp, usability engineering by design, universeel ontwerp enz. worden gevolgd en moeten de gebruikers en hun behoeften centraal staan, om te voorkomen dat er een digitale kloof ontstaat en mensen van diensten worden uitgesloten. |
|
3.3.4. |
Het EESC schaart zich achter de inspanningen van de Commissie om de ontwikkeling en vaststelling van een Europees uitwisselingsformaat voor elektronische medische dossiers te ondersteunen en om gemeenschappelijke identificatie- en authenticatiemaatregelen, zoals bepaald in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2011/24/EU, te ontwikkelen. |
3.4. De gevolgen van de digitale transformatie voor de interne markt
|
3.4.1. |
De uitdaging is om „weer evenwicht te brengen in de sociaal-economische asymmetrie in een datagestuurde economie” (8) met behulp van:
|
|
3.4.2. |
Gezamenlijke klinische evaluaties zouden snellere toegang bevorderen, dubbel werk op nationaal niveau vermijden en meer samenhang, helderheid en voorspelbaarheid creëren voor alle betrokkenen in het proces. De sector medische hulpmiddelen staat in het algemeen sceptischer tegenover het voorstel. Verplichte samenwerking op het gebied van klinische EGT’s zou de markttoegang voor hulpmiddelen kunnen vertragen in plaats van stroomlijnen. |
|
3.4.3. |
Aangezien het gebruik van mobiele apparaten toeneemt, kunnen met behulp van eHealth- of mHealth-oplossingen nieuwe diensten worden aangeboden en processen worden geoptimaliseerd. Tot deze processen behoort ook de mobiliteit van gezondheidswerkers en zorgverleners. |
|
3.4.4. |
De digitale transformatie zal de ontwikkeling van nieuwe, flexibele bedrijfsmodellen bevorderen, de betrokkenheid van verschillende belanghebbenden in de sector stimuleren en voordelen opleveren dankzij de kwantificering van gebruikerservaringen. Het succes ervan staat of valt met de klantgerichtheid (of gebruikersgerichtheid), en daarom moet ervoor worden gezorgd dat in het ontwerpproces (design thinking) van meet af aan rekening wordt gehouden met het perspectief van de gebruiker. |
|
3.4.5. |
Door digitalisering wordt het mogelijk om sociale en gezondheidsgegevens op grote schaal te gebruiken, waardoor de integratie van systemen en apparaten met machine learning services wordt bevorderd en de noodzaak van interoperabiliteit en interactie (M2M) zich opdringt, teneinde rekening te houden met de vele soorten gebruikersvereisten en -voorkeuren, de ontwikkeling van „toekomstbestendige” systemen, de mogelijkheid van integratie met bestaande infrastructuur en lokale dienstverstrekkers, evenals alle disruptieve en onvoorziene technologieën en diensten met nieuwe normalisatievereisten. |
|
3.4.6. |
Nieuwe sleuteltechnologieën, zoals 5G, zullen kansen creëren voor verbeterde mobiele breedbandproducten en -diensten en zo de uitrol van miljoenen verbindingen voor apparaten die gebruikmaken van het internet der dingen op grote schaal ondersteunen. Gezien de groei van 5G en het internet der dingen zijn strategieën voor digitale transformatie essentieel voor veel belanghebbenden die actief zijn op het gebied van gezondheidszorg, met name omdat nieuw gedrag en nieuwe behoeften van klanten een nieuwe gedigitaliseerd aanbod zullen vereisen. |
|
3.4.7. |
Het EESC steunt diensten die verband houden met: gezondheidsvoorlichting, ziektepreventie, ontwikkeling van systemen voor begeleiding op afstand, het online voorschrijven van geneesmiddelen, doorverwijzen en terugbetalen van medische kosten. Bestaande platforms zoals Alfred, Big White Wall, Medicine Patient Portal, Empower enz. kunnen worden beschouwd als motoren achter de digitalisering in de digitale eengemaakte markt. Op 29 mei 2018 werd aangekondigd dat de Europese open wetenschapscloud (EOSC) de wereldwijde leiderspositie van de EU op het gebied van wetenschap zou ondersteunen door een betrouwbare omgeving tot stand te brengen voor hosting en verwerking van onderzoeksgegevens. De cloud moet een breed, pan-Europees verbond van uitmuntende bestaande en opkomende infrastructuren zijn dat de bestuurs- en financieringsmechanismen van haar onderdelen respecteert. Aansluiting bij dit verbond zou op vrijwillige basis moeten plaatsvinden en de bestuursstructuur zou ministeries van de lidstaten, belanghebbenden en wetenschappers moeten omvatten. |
3.5. De gevolgen van de digitale transformatie voor dienstaanbieders
|
3.5.1. |
In het kader hiervan is het EESC het eens met de volgende doelstellingen:
|
|
3.5.2. |
Recente technologische, sociale en economische studies laten zien dat kunstmatige intelligentie, het internet der dingen en robotica het mogelijk zullen maken om nieuwe benaderingen uit te denken en te ontwikkelen op het gebied van gepersonaliseerde en precisiegeneeskunde, cognitieve zwakheid en coöperatieve robotica. Het gebruik hiervan in de gezondheidszorg betekent dat alle processen met betrekking tot het ontwerpen, aanbieden en beoordelen van de dienst moeten worden aangepast en ontwikkeld. Digitale transformatie is hierbij een fundamentele en tevens faciliterende (of „versnellende”) factor voor de integratie van innovatieve technologieën op het gebied van de gezondheidszorg. |
|
3.5.3. |
Door digitalisering kan een grote hoeveelheid gegevens beschikbaar komen die het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe en ambitieuze dienstenoplossingen op basis van kunstmatige intelligentie mogelijk maken. Dit zou de basis kunnen vormen voor het creëren van een kader voor objectieve kwantificering van chronische ziekten en het in kaart brengen van mogelijkheden voor vroegtijdige diagnose en therapiemonitoring. Bovendien kan dankzij de recente vooruitgang op het gebied van kunstmatige intelligentie gebruik worden gemaakt van de beschikbaarheid van gegevens om systemen te ontwikkelen die kunnen leren en zich vervolgens kunnen aanpassen aan de manier waarop ziekten zich ontwikkelen. |
|
3.5.4. |
Door het wijdverbreide gebruik van gegevens en het vermogen van belanghebbenden om deze gegevens te gebruiken en aan te passen aan de behoeften van de gebruikers ontstaan nieuwe scenario’s voor het delen van gegevens, kennis en expertise, zoals reeds ondersteund door de Europese referentienetwerken, die een ondersteunende structuur bieden voor het delen van kennis en coördineren van zorg op het gebied van zeldzame ziekten in de hele EU. Als er op een specifieke locatie (een regio of land) geen expertise voorhanden is op het gebied van een specifieke ziekte, kan het netwerk dokters helpen om kennis te verkrijgen van andere expertisecentra op andere locaties. Ook kunnen ziekenhuizen in heel Europa gebruikmaken van digitale netwerken om kennis te delen en elkaar te ondersteunen. |
|
3.5.5. |
Uit het bovenstaande vloeit duidelijk voort dat cyberveiligheid een topprioriteit is. Zoals vermeld in een verslag van ENISA (het ENISA Threat Landscape Report 2017: 15 Top Cyber-Threats and Trends, Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging) worden cyberaanvallen steeds complexer en vernuftiger. In het zorglandschap, waar veel wijdvertakte systemen met elkaar verbonden zijn en aanzienlijke belangen op het spel staan, zoals het leven van patiënten, gevoelige persoonlijke informatie, financiële middelen enz., is de beveiliging van informatie cruciaal. In het kader van de digitalisering zijn er nieuwe methoden en richtsnoeren nodig om evaluatiekaders voor cyberveiligheid, organisatorische tegenmaatregelen en interoperabiliteitsconformiteit op basis van cyberveiligheid tot stand te brengen. |
|
3.5.6. |
Het EESC staat ook achter de EU-steun voor kleine en middelgrote ondernemingen die digitale oplossingen ontwikkelen voor persoonsgerichte zorg en feedback van patiënten. Bij de samenwerking zullen uiteraard overheden en andere belanghebbenden worden betrokken die zich inzetten voor de bevordering van gedeelde of wederzijds erkende beginselen voor de validering en certificering van digitale oplossingen die worden gebruikt in gezondheidsstelsels (bijvoorbeeld mHealth en zelfstandig wonen). |
|
3.5.7. |
Het EESC is ook van mening dat eerdere initiatieven voor de afgifte van gezondheidszorgkaarten door de EU-lidstaten moeten worden voortgezet in het kader van de digitalisering van de (gezondheids)zorg in de interne markt. Gezien de gevoeligheid van de medische gegevens die op dergelijke e-gezondheidskaarten kunnen worden opgeslagen, moet worden voorzien in een goede bescherming van de persoonlijke levenssfeer. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) PB C 283 van 10.8.2018, blz. 28.
(2) COM(2018) 233 final.
(3) PB C 434 van 15.12.2017, blz. 1, PB C 13 van 15.1.2016, blz. 14 en PB C 458 van 19.12.2014, blz. 54.
(4) PB C 434 van 15.12.2017, blz. 1.
(5) PB C 173 van 31.5.2017, blz. 33.
(6) PB C 13 van 15.1.2016, blz. 14.
(7) PB C 283 van 10.8.2018, blz. 28.
(8) Wereld Economisch Forum — Global Information Technology Report 2014.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/66 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over a) het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG
(COM(2018) 184 final — 2018/0089 (COD))
en over b) het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993, Richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de EU
(COM(2018) 185 final — 2018/0090 (COD))
(2018/C 440/10)
|
Rapporteur: |
Jarosław MULEWICZ |
|
Corapporteur: |
Antonio LONGO |
|
Raadpleging |
|
||||||||
|
Rechtsgrondslag: |
Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
||||||||
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
||||||||
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
||||||||
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
20.9.2018 |
||||||||
|
Zitting nr. |
537 |
||||||||
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
155/1/5 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) neemt nota van het voorstel van de Commissie voor een betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de EU teneinde de huidige regels aan te passen aan nieuwe consumptiegewoonten en aan de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt. Maar zoals het EESC ook in zijn advies over handelspraktijken en de kwetsbaarheid van consumenten (1) heeft opgemerkt, moet er nodig iets worden gedaan aan de gebrekkige handhaving van de huidige regels. |
|
1.2. |
Het EESC is het met de Commissie eens dat het EU-consumentenbeleid aan modernisering en vereenvoudiging toe is en meent dat het nieuwe wetgevingspakket de kloof die door de exponentiële groei van elektronische handel is ontstaan en die het vertrouwen van de consument ondermijnt en verstoringen op de eengemaakte markt veroorzaakt, kan helpen dichten. |
|
1.3. |
Over het geheel genomen vindt het Comité dat de harmonisatie van het consumentenrecht het niveau van consumentenbescherming in de lidstaten niet mag aantasten en in evenwicht moet zijn met de rechtszekerheid van handelaren. Het EESC neemt kennis van de Refit-conclusies dat de regels inzake consumentenbescherming aan hun doel beantwoorden, maar merkt tevens op dat steeds meer consumenten met agressieve marketingpraktijken en misleidende handelspraktijken worden geconfronteerd. |
|
1.4. |
Het EESC staat achter het voorstel om de rechten van de consument uit te breiden tot alle „ogenschijnlijk gratis” digitale diensten waarvoor gebruikers persoons- en andere gegevens delen. Het is tevens voorstander van een grotere transparantie en verantwoordelijkheid voor onlineplatforms. |
|
1.5. |
Wat de herziening van Richtlijn 2011/83/EU inzake de bescherming van de rechten van de consument betreft, zijn binnen het Comité twee verschillende aandachtspunten naar voren gebracht. Handelaren zijn voorstander van het updaten, vereenvoudigen en aanpassen van precontractuele informatie, terwijl consumenten van mening zijn dat dit het niveau van consumentenbescherming zou aantasten. |
|
1.6. |
Het EESC is van mening dat de bepalingen inzake digitale inhoud, digitale diensten en onlineverkoop in overeenstemming moeten worden gebracht met de wetgeving inzake de digitale eengemaakte markt. |
|
1.7. |
Het EESC beschouwt het herroepingsrecht als een efficiënt instrument voor consumentenbescherming waaraan niet mag worden getornd. Binnen het Comité worden uiteenlopende standpunten ingenomen ten aanzien van het Commissievoorstel. Handelaren, en met name kleine en middelgrote ondernemingen, hebben meer rechtszekerheid nodig over niet naar behoren uitgeprobeerde goederen en vroegtijdige terugbetaling. Consumenten zijn tegen de wijziging en dringen aan op handhaving van de huidige situatie. Het Comité roept de Commissie op om deze belangrijke bepaling opnieuw in overweging te nemen teneinde tot een compromis te komen waarbij een evenwicht tussen de tegengestelde belangen wordt gevonden. |
|
1.8. |
Het EESC acht het terecht dat consumenten tegen producten van uiteenlopende kwaliteit worden beschermd en steunt het voorstel van de Commissie om voor meer transparantie te zorgen. |
|
1.9. |
Het Comité is voorstander van het gebruik van mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting en onlinebeslechting van geschillen, zoals bemiddeling of arbitrage, die op Europees en nationaal niveau moeten worden gepromoot. |
|
1.10. |
Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om te zorgen voor een effectieve tenuitvoerlegging en handhaving van de bestaande regels inzake consumentenbescherming door de lidstaten, om de harmonisatie van de regels inzake consumentenbescherming te ondersteunen, om de grensoverschrijdende samenwerking van nationale autoriteiten via het systeem voor samenwerking op het gebied van consumentenbescherming (SSCB) aan te moedigen en om een voorlichtingscampagne te lanceren teneinde de naleving van de wetgeving inzake consumentenbescherming door kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen. |
|
1.11. |
Het EESC verzoekt de lidstaten striktere regels ter handhaving van de bestaande wetgeving inzake consumentenbescherming vast te stellen, nationale en grensoverschrijdende inbreuken aan te pakken en het huidige niveau van consumentenbescherming in stand te houden. |
|
1.12. |
Het EESC staat achter het voorstel om specifieke criteria te hanteren bij de vaststelling van sancties. Dat is immers een doeltreffend instrument voor de bescherming van de consument. Het is belangrijk dat ondernemingen die de regels schenden, sancties opgelegd kunnen krijgen die een echt afschrikkend effect sorteren, d.w.z. die een significant percentage van hun jaaromzet kunnen bedragen, rekening houdend met de Europese schaal van de inbreuk. |
|
1.13. |
Het EESC neemt kennis van het voorstel voor een richtlijn betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG. Het Comité betreurt echter dat er bij het opstellen van het wetgevingsvoorstel geen rekening is gehouden met de aanbevelingen in zijn advies over een Europees kader voor collectief verhaal (2). |
|
1.14. |
Alle EU-burgers moeten zich gemakkelijk en snel tot de rechter kunnen wenden. Consumenten moeten een vergoeding kunnen krijgen indien zij als gevolg van een contractbreuk schade hebben geleden. Een op maat gesneden EU-stelsel voor collectief verhaal in geval van schade is daarom welkom. Het moet pragmatisch en kosteneffectief zijn, de nodige waarborgen bieden en rekening houden met de bestaande nationale rechtsstelsels. |
|
1.15. |
Het EESC neemt nota van de inspanningen van de Commissie om te bepalen welke bevoegde instanties overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en de nationale wetgeving een procedure voor collectief verhaal mogen starten. |
|
1.16. |
Bovendien zouden lidstaten de oprichting van fondsen voor geschillenbeslechting ten behoeve van bevoegde instanties moeten steunen. Het EESC steunt het voorstel van de Commissie om de schadevergoeding in zaken waarbij de schade gering is en het onmogelijk is om alle benadeelde personen te achterhalen, te bestemmen voor een publiek doel; wel zou nadere duidelijkheid over het soort doel gegeven moeten worden (bijv. bijstand aan consumenten, informatie- en onderwijsprogramma’s, geschillenfondsen). |
|
1.17. |
Tot slot is een belangrijke waarborg die in de richtlijn zou moeten worden opgenomen, de mogelijkheid om al dan niet aan een collectieve actie deel te nemen. Overeenkomstig de aanbeveling in het EESC-advies over een Europees kader voor collectief verhaal (3) moeten consumenten vrij kunnen beslissen of zij al dan niet aan een collectieve actie willen deelnemen. |
2. Achtergrondinformatie en inleiding
|
2.1. |
Op 11 april 2018 heeft de Commissie een wetgevingspakket met betrekking tot een „new deal” voor consumenten gepubliceerd. Dit pakket omvat een voorstel voor een richtlijn (omnibusrichtlijn) tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG (4), Richtlijn 98/6/EG (5), Richtlijn 2005/29/EG (6) en Richtlijn 2011/83/EU (7) wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de EU en een voorstel voor een richtlijn betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG. |
Omnibusrichtlijn
|
2.2. |
Met voorstel COM(2018) 185 over betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de EU wil de Commissie de huidige mechanismen inzake consumentenbescherming, grensoverschrijdende inbreuken en elektronische handel compleet maken en de lasten voor handelaren verminderen. Aanleiding voor het voorstel zijn de conclusies van de Refit-geschiktheidscontrole van de consumenten- en marketingwetgeving van de EU (8) en de evaluatie van Richtlijn 2011/83/EU over consumentenrechten. |
|
2.3. |
Hoofdpunten van de voorgestelde omnibusrichtlijn zijn: |
|
2.3.1. |
Invoering op gecoördineerde wijze van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor zowel nationale als grensoverschrijdende inbreuken. |
|
2.3.2. |
Vergroting van de transparantie op de digitale eengemaakte markt door middel van transparantieverplichtingen voor onlineplatforms. |
|
2.3.3. |
Uitbreiding van de consumentenbescherming op het gebied van digitale diensten, met name die diensten waarvoor consumenten geen geld betalen, maar persoons- en andere gegevens verstrekken die een economische waarde hebben, waardoor die diensten niet als „gratis” beschouwd kunnen worden. |
|
2.3.4. |
Vermindering van de lasten voor bedrijven door professionals toe te staan om gebruik te maken van nieuwe onlinecommunicatiemiddelen, zoals webformulieren of chats, als alternatieven voor e-mail. |
|
2.3.5. |
Herziening van bepaalde aspecten die betrekking hebben op het herroepingsrecht. Zo krijgt de handelaar de mogelijkheid om de consument pas terug te betalen nadat hij de goederen heeft geïnspecteerd en heeft geconstateerd dat de consument de goederen alleen getest en niet „gebruikt” heeft. |
|
2.3.6. |
Invoering van de mogelijkheid voor lidstaten om ongevraagde agressieve en misleidende praktijken in de context van colportage en commerciële excursies te beperken. |
|
2.3.7. |
Expliciete verwijzing naar producten van uiteenlopende kwaliteit en alle desbetreffende marketingactiviteiten, inclusief misleidende handelspraktijken, die met name in de agrifoodsector op grote schaal voorkomen. |
Richtlijn representatieve vorderingen
|
2.4. |
Met voorstel COM(2018) 184 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten legt de Commissie de grondslagen voor een Europees mechanisme voor collectief verhaal tegen grootschalige inbreuken op het consumentenrecht. Dit instrument bestaat al in een aantal lidstaten, maar zou in de gehele EU beschikbaar moeten zijn. Conform het subsidiariteitsbeginsel zouden lidstaten wel de mogelijkheid moeten hebben om het Europese mechanisme op nationaal niveau vorm te geven terwijl zij hun eigen mechanismen in stand houden. |
|
2.5. |
Alleen bevoegde instanties op nationaal niveau die aan bepaalde, door de Commissie vastgestelde minimumeisen voldoen, zouden een vordering namens consumenten mogen instellen. |
|
2.6. |
Het schadevergoedingsmechanisme wordt gekoppeld aan een besluit tot staking van inbreuken. Bevoegde instanties mogen alleen een procedure voor collectief verhaal starten nadat een rechtbank of administratieve autoriteit heeft vastgesteld dat er sprake is van een inbreuk op het consumentenrecht. De richtlijn is van toepassing op inbreuken op nationaal en EU-niveau en stelt consumenten in staat grensoverschrijdende collectieve vorderingen in te stellen. |
|
2.7. |
Wat betreft de vergoeding van schade voor consumenten maakt het voorstel onderscheid tussen geringe bedragen, waarbij de schadevergoeding naar een publiek doel gaat, en substantiële bedragen, waarbij de getroffen consumenten rechtstreeks worden vergoed. |
3. Algemene opmerkingen over de omnibusrichtlijn
|
3.1. |
Het EESC neemt nota van het voorstel van de Commissie voor een betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de EU teneinde de huidige regels aan te passen aan nieuwe consumptiegewoonten en aan de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt. Maar zoals het EESC ook in zijn advies over handelspraktijken en de kwetsbaarheid van consumenten (9) heeft opgemerkt, moet er nodig iets worden gedaan aan de gebrekkige toepassing van de huidige regels. |
|
3.2. |
Het EESC wijst op zijn informatief rapport over de consumenten- en marketingwetgeving (10), waarin het naging wat de maatschappelijke organisaties in de EU van de implementatie van de consumenten- en marketingwetgeving van de EU vinden, alsook op zijn informatief rapport over de richtlijn consumentenrechten (11), waarin het de implementatie van de richtlijn beoordeelde. Bij deze informatieve rapporten werd gebruikgemaakt van drie verschillende soorten gegevens: een enquête, een hoorzitting met deskundigen en negen onderzoeksmissies, naar Riga, Rome, Warschau, Madrid, Parijs, Athene, Vilnius, Lissabon en Brussel. |
|
3.3. |
In haar voorstel staat de Commissie stil bij de informatieve rapporten met een pleidooi voor meer inspanningen op het gebied van het consumentenbeleid wat bewustmaking, scholing en coördinatie betreft en voor regulering van onlineplatforms en de digitale economie. Zij besteedt echter te weinig aandacht aan de zorgen van het EESC over de harmonisatie van het consumentenbeleid, de versnippering van de nationale handhaving, en de noodzaak om bewustmakingscampagnes te financieren, levenslang leren aan te moedigen, kmo’s/mkb-bedrijven te ondersteunen, de juridische informatie voor consumenten te vereenvoudigen en alternatieve regelingen voor geschillenbeslechting, zelfregulering en gedragscodes te bevorderen. |
|
3.4. |
Het EESC erkent dat consumenten in situaties terecht kunnen komen waarin zij worden misleid of op agressieve wijze worden gedwongen tot het sluiten van overeenkomsten. Zo zijn er problemen bekend in verband met callcentra die energie-, telecom- of watercontracten verkopen en consumenten misleiden. Ook tijdens excursies die worden georganiseerd om producten te verkopen aan bepaalde categorieën kwetsbare consumenten wordt soms gebruikgemaakt van dergelijke agressieve verkooptechnieken. In dit soort gevallen zouden consumenten het recht moeten hebben om de verkoopovereenkomst te herroepen en/of compensatie moeten krijgen voor de schade die zij hebben geleden. |
|
3.5. |
Zoals aanbevolen in het EESC-advies over handelspraktijken en de kwetsbaarheid van consumenten, moet de consument passende individuele verhaalsmogelijkheden worden geboden, zoals terugbetaling, vervanging of beëindiging van de verkoopovereenkomst. De rechtsmiddelen zouden ook afgestemd moeten zijn op de situatie van elke consument, zodat deze kan kiezen voor een oplossing op maat. |
|
3.6. |
Het EESC is ook van mening dat de reeds bereikte harmonisatie van de Europese wetgeving inzake consumentenbescherming niet mag worden afgezwakt. Door een stap terug te zetten wordt er geen gelijk speelveld gecreëerd; dat is niet in het voordeel van de consument of de handelaar. |
|
3.7. |
Het EESC wijst erop dat agressieve en misleidende verkooptactieken reeds verboden zijn op grond van Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken, die voor een volledige harmonisatie heeft gezorgd. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om toe te zien op striktere handhaving van de bestaande regels door de lidstaten. |
|
3.8. |
Het Comité is verdeeld over het voorstel van de Commissie om bepaalde distributiemethoden aan banden te leggen. Handelaren vinden dat deze maatregelen niet beperkt mogen blijven tot colportage, waarmee een hele economische sector gestigmatiseerd wordt, maar gericht moeten zijn op alle agressieve praktijken; consumenten steunen de mogelijkheid voor lidstaten om bepaalde verkoopmethoden voor specifieke categorieën goederen (zoals geneesmiddelen, wapens en farmaceutische producten) om gezondheids- en veiligheidsredenen te beperken. |
|
3.9. |
In dat opzicht is de samenwerking tussen de nationale autoriteiten voor consumentenbescherming in het kader van de SCB-Verordening (verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming) van essentieel belang om malafide praktijken doeltreffend aan te pakken, zonder legale marktdeelnemers te benadelen. Consumenten moeten kunnen beschikken over informatie over handelaren en op nationaal en EU-niveau moeten bewustmakingscampagnes worden opgezet. |
|
3.10. |
Wat de herziening van Richtlijn 2011/83/EU inzake de bescherming van de rechten van de consument betreft, zijn binnen het Comité twee verschillende standpunten ingenomen en twee verschillende aandachtspunten naar voren gebracht. Handelaren zijn voorstander van het updaten, vereenvoudigen en aanpassen van precontractuele informatie, terwijl consumenten van mening zijn dat dit het niveau van consumentenbescherming zou aantasten. Het Comité is voorstander van een aanpak waarbij een juist evenwicht wordt gevonden tussen consumentenbescherming en rechtszekerheid voor ondernemers. Het EESC is van mening dat de bepalingen inzake digitale inhoud, digitale diensten en onlineverkoop in overeenstemming moeten worden gebracht met de wetgeving inzake de digitale eengemaakte markt. |
|
3.11. |
Wat onlineplatforms betreft, moet transparantie over hun identificatie en verantwoordelijkheid vooropstaan. Het EESC acht het van essentieel belang dat de consument bij het sluiten van een overeenkomst alle relevante informatie over de andere partij heeft verkregen. Daarnaast is de transparantie van onlineplatforms een sleutelfactor voor de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt, zowel voor consumenten als bedrijven (B2B) (12). |
|
3.12. |
Voorts staat het EESC ook achter het voorstel om de rechten van de consument uit te breiden tot alle „gratis” digitale diensten waarvoor gebruikers persoons- en andere gegevens delen. Aangezien dergelijke gegevens een commerciële waarde hebben, zou het oneerlijk zijn tegenover consumenten om deze diensten als „gratis” te beschouwen en de desbetreffende bescherming niet te bieden. Met het pakket maatregelen dat door de Commissie wordt voorgesteld kunnen de verhoudingen tussen de belangrijkste mondiale spelers op het gebied van onlineplatforms en individuele gebruikers, in ieder geval gedeeltelijk, weer in evenwicht worden gebracht. |
|
3.13. |
Het EESC is voorstander van de invoering van moderne mechanismen voor het uitwisselen van informatie tussen handelaren en consumenten (chatbots, onlineformulieren). Deze mechanismen kunnen de dialoog tussen de partijen vergemakkelijken mits in adequate waarborgen voor de consument wordt voorzien, zoals de mogelijkheid om de uitwisseling van informatie te traceren, aanvullende informatie te verkrijgen en klachten in te dienen. Belangrijk is dat het te allen tijde mogelijk moet zijn om langs traditionele weg contact op te nemen (bijv. via callcenters). |
|
3.14. |
Het EESC staat achter het herroepingsrecht, dat het beschouwt als een efficiënt instrument voor consumentenbescherming waaraan niet mag worden getornd. De Commissie komt nu met een voorstel dat de consumentenrechten dreigt in te beperken zonder dat zij afdoende aantoont dat stelselmatig en op grote schaal misbruik van deze rechten wordt gemaakt. Anderzijds hebben handelaren, en met name kleine en middelgrote ondernemingen, meer rechtszekerheid nodig over niet naar behoren uitgeprobeerde goederen en vroegtijdige terugbetaling. Het Comité roept de Commissie op om dit belangrijke punt opnieuw in overweging te nemen teneinde tot een evenwichtig compromis te komen. |
|
3.15. |
Het EESC is blij dat er meer duidelijkheid wordt verstrekt over producten van uiteenlopende kwaliteit, omdat sommige producten, met name voedingsmiddelen, kennelijk hetzelfde etiket hebben gekregen ook al hebben zij een andere samenstelling — met mogelijk misleiding van de consument tot gevolg. Misleidende benamingen en etikettering van producten moeten worden verboden om transparantie te waarborgen. |
|
3.16. |
Het EESC staat achter het voorstel om specifieke criteria te hanteren bij de vaststelling van sancties. Dat is immers een doeltreffend instrument voor de bescherming van de consument. Zoals de Europese Consumentenadviesgroep heeft opgemerkt, is het belangrijk dat ondernemingen die de regels schenden sancties opgelegd kunnen krijgen die een afschrikkend effect sorteren, d.w.z. die een significant percentage van hun jaaromzet kunnen bedragen, rekening houdend met de Europese schaal van de inbreuk. De Commissie zou moeten nagaan of het voorstel in lijn gebracht kan worden met de bepalingen van de algemene verordening gegevensbescherming. |
|
3.17. |
Het EESC is ook voorstander van het gebruik van mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting en onlinebeslechting van geschillen (13), zoals bemiddeling of arbitrage, die op nationaal niveau moeten worden gepromoot. Buitengerechtelijke schikkingen kunnen een optie zijn voorafgaand aan gerechtelijke acties en moeten eventueel worden bevorderd. Rechtbanken moeten een laatste redmiddel blijven. Het voorstel van de Commissie moet deze mogelijkheden tot het oplossen van problemen in verband met consumentenbescherming verder ondersteunen. |
|
3.18. |
Over het geheel genomen vindt het EESC dat duurzaamheid en kwaliteit centraal moeten staan in de toeleveringsketen om de bescherming van de consument gedurende de gehele productiecyclus te waarborgen. |
4. Specifieke opmerkingen over groepsacties in de EU
|
4.1. |
Het EESC neemt kennis van het voorstel voor een richtlijn betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG (14). Het Comité betreurt echter dat er bij het opstellen van het wetgevingsvoorstel geen enkele rekening is gehouden met de aanbevelingen in diverse van zijn adviezen over een Europees kader voor collectief verhaal (15). |
|
4.2. |
Uit de evaluatie in het kader van de Refit-geschiktheidscontrole is gebleken dat het risico van inbreuken op het EU-recht die de collectieve belangen van consumenten schaden, toeneemt ten gevolge van de economische globalisering en digitalisering. Bovendien voorziet een aantal lidstaten niet in doeltreffende collectieve compensatiemechanismen die zijn toegesneden op massaschade en hebben deze lidstaten de waarborgen van de aanbeveling van de Commissie van 2013 betreffende collectief verhaal niet ten uitvoer gelegd (16). |
|
4.3. |
Alle EU-burgers moeten zich gemakkelijk en snel tot de rechter kunnen wenden. Consumenten moeten een vergoeding kunnen krijgen indien zij als gevolg van een contractbreuk schade hebben geleden. Hetzelfde geldt echter ook voor handelaren, die niet het doelwit mogen zijn van een buitensporig gebruik van gerechtelijke procedures. Groepsacties zijn een rechtsinstrument, een procedureel recht, een grondrecht om de gerechtelijke bescherming van diffuse, collectieve en individuele homogene belangen op grond van artikel 81 VWEU mogelijk te maken. Dit instrument moet neutraal zijn en mag niet beperkt blijven tot het consumentenrecht (ook milieu- en werknemersrechten, rechten van kmo’s/mkb-bedrijven, rechten op het gebied van energie, deeleconomie, circulaire economie en platforms, alle digitale rechten enz.). |
|
4.4. |
Een op maat gesneden stelsel voor collectief verhaal in geval van schade is daarom welkom. Het moet pragmatisch en kosteneffectief zijn, de nodige waarborgen bieden en rekening houden met de bestaande nationale rechtsstelsels (bijv. die van Noorwegen of Denemarken). In de richtlijn van de EU moeten de belangrijkste richtsnoeren voor geharmoniseerde EU-groepsacties worden vastgesteld, waarbij duidelijk wordt aangegeven wat onder een EU-rechtsinstrument moet vallen en wat aan de lidstaten moet worden overgelaten, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel. Ook moet ervoor worden gezorgd dat de regeling bijdraagt tot een efficiëntere, snellere, betaalbare en eerlijkere toepassing van het recht, moet een doeltreffende en volledige schadevergoeding mogelijk worden gemaakt en moet de duurzaamheid van dit mechanisme in termen van adequate financiering worden gewaarborgd. Het huidige voorstel van de Commissie voldoet niet aan deze voorwaarden. |
|
4.5. |
Het EESC neemt nota van de inspanningen van de Commissie om te bepalen welke bevoegde instanties overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel een procedure voor collectief verhaal mogen starten. Ook moet duidelijk worden gemaakt dat de plaats van vestiging van de bevoegde instantie bepalend moet zijn voor de plaats van jurisdictie en voor het toepasselijke recht. Daarnaast is het EESC van mening dat de Commissie de rol van de rechter bij het beslissen over de ontvankelijkheid van de vordering, de bewijslast en het vergaren van bewijsmateriaal, de reikwijdte van het vonnis — „inter partes” of „erga omnes” — en het beroepsstelsel verder moet uitwerken. |
|
4.6. |
Alle proceskosten van collectieve acties moeten gedragen worden in overeenstemming met de nationale rechtsbijstandstelsels. |
|
4.7. |
Consumentenorganisaties of maatschappelijke organisaties zouden voldoende financiële middelen en juridisch advies moeten kunnen krijgen om verhaal te halen. Bevoegde instanties zouden met behulp van specifieke fondsen juridisch advies moeten kunnen bekostigen. lidstaten zouden de oprichting van fondsen voor geschillenbeslechting ten behoeve van bevoegde instanties moeten steunen. |
|
4.8. |
Wat schadevergoedingen betreft, wordt in het voorstel niet volledig tegemoet gekomen aan de noodzaak om consumenten daadwerkelijk schadeloos te stellen voor de geleden schade. In het voorstel moet duidelijk worden verwezen naar de compensatie van het totale, door de consument kwijtgeraakte bedrag, ongeacht de geleden schade. |
|
4.9. |
Het EESC maakt zich zorgen over de bescherming van de rechten van ondernemers, met inbegrip van de bescherming van bedrijfsgeheimen. Zonder afbreuk te doen aan de bescherming van consumenten die schade hebben geleden, zou het EESC graag zien dat er mechanismen worden ingevoerd om de vertrouwelijkheid van de verstrekte informatie te garanderen, niet alleen tijdens de juridische procedure, maar ook in de uiteindelijke beslissingen. |
|
4.10. |
Handelaren zouden eveneens graag zien dat een zaak binnen een kort tijdsbestek kan worden afgehandeld, o.a. via bovengenoemde mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting. |
|
4.11. |
Het EESC verzoekt de Commissie in haar voorstel inzake collectief verhaal een aanbeveling aan de lidstaten op te nemen om gebruik te maken van technologische innovaties, zoals de technologisch meest geavanceerde ADR- en ODR-entiteiten reeds doen, met name om deelnemers aan een collectieve actie bijeen te brengen. Deze maatregel zou de initiatiefnemers tot de collectieve actie en consumentenorganisaties die besluiten zich daarbij aan te sluiten aanzienlijke kostenbesparingen moeten opleveren. De Commissie zou ook de uitwisseling van goede praktijken moeten bevorderen, waarbij de aandacht vooral moet uitgaan naar het verzamelen van gegevens over alle gevallen waarin een collectieve vordering is ingesteld. |
|
4.12. |
Overeenkomstig de aanbeveling in het EESC-advies over een Europees kader voor collectief verhaal (17) is het Comité van mening dat consumenten vrij moeten kunnen beslissen of zij al dan niet aan een collectieve actie willen deelnemen. Bij zaken met een klein aantal slachtoffers die significante schade hebben geleden, is „opt-in” wellicht de beste keuze, terwijl in het geval van een groot aantal slachtoffers en beperkte schade „opt-out” het meest voor de hand ligt. |
Brussel, 20 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) PB C 12 van 15.1.2015, blz. 1.
(2) PB C 170 van 5.6.2014, blz. 68.
(3) PB C 170 van 5.6.2014, blz. 68.
(4) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95 van 21.4.1993, blz. 29).
(5) Richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (PB L 80 van 18.3.1998, blz. 27).
(6) Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22).
(7) Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).
(8) SWD (2017) 208 final en SWD(2017) 209 final, gepubliceerd op 23.5.2017.
(9) PB C 12 van 15.1.2015, blz. 1.
(10) Informatief rapport van het EESC, voorgelegd tijdens de zitting van 14.12.2016 (INT/796).
(11) Informatief rapport van het EESC, voorgelegd tijdens de zitting van 14.12.2016 (INT/795).
(12) EESC-advies TEN/662 over billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten (zie bladzijde 177 van dit Publicatieblad).
(13) Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (richtlijn ADR consumenten) (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 63).
(14) Richtlijn 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen (PB L 110 van 1.5.2009, blz. 30).
(15) PB C 170 van 5.6.2014, blz. 68.
(16) Aanbeveling 2013/396/EU van de Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen in de lidstaten (PB L 201, 26.7.2013, blz. 60).
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/73 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Een vernieuwde Europese agenda voor onderzoek en innovatie — De kans om de toekomst van Europa vorm te geven
(Bijdrage van de Europese Commissie aan de informele bijeenkomst van EU-leiders over innovatie op 16 mei 2018 in Sofia)
(COM(2018) 306 final)
(2018/C 440/11)
|
Rapporteur: |
Ulrich SAMM |
|
Corapporteur: |
Stefano PALMIERI |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 18.6.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
|
|
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
196/1/2 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ermee ingenomen dat de Commissie ook in de context van het meerjarig financieel kader 2020-2027 duidelijk heeft gemaakt dat onderzoek en innovatie essentiële EU-prioriteiten moeten blijven. |
|
1.2. |
Het EESC is verheugd dat aan innovatie meer gewicht moet worden toegekend, en herhaalt dat het toekomstige financieringsbeleid de hele onderzoeks- en innovatieketen op een uitgebalanceerde manier dient te ondersteunen, van fundamenteel tot productgericht onderzoek. Innovatie is de sleutel tot economische groei en de nieuwe instrumenten zullen met name gunstige zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen. Het EESC herhaalt dat overheidsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling van groot belang zijn voor het genereren en in stand houden van een overloopeffect voor de economieën van de lidstaten. |
|
1.3. |
Positief vindt het EESC ook de doelstelling om de staatssteunregels verder te vereenvoudigen teneinde de combinatie van verschillende fondsen te vergemakkelijken. Daarmee zouden de grote verschillen tussen het aantal succesvolle onderzoeks- en innovatieprojecten van lidstaten en regio’s kunnen worden verkleind. |
|
1.4. |
Horizon Europa moet investeren op terreinen met een specifieke Europese meerwaarde. Gezamenlijke onderzoeksprojecten moeten prioriteit krijgen, want die beantwoorden van bijna alle andere programma’s het best aan dit criterium. |
|
1.5. |
Het EESC is ervan overtuigd dat veel grote maatschappelijke uitdagingen alleen op Europees niveau kunnen worden aangegaan en gecoördineerde inspanningen van diverse betrokkenen vereisen die de reikwijdte van afzonderlijke gezamenlijke onderzoeksprojecten overstijgen. Daarom staat het achter het voorstel om onderzoeks- en innovatiemissies vast te stellen. |
|
1.6. |
Het ondersteunen van de mobiliteit van onderzoekers via Marie Skłodowska-Curieacties is een andere belangrijke maatregel om de Europese onderzoeksruimte verder te versterken. Het beleid van de EU en de lidstaten moet gericht zijn op het creëren van adequate en aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden voor professionals om hersenvlucht te voorkomen, die contraproductief is voor de samenhang in de EU. |
|
1.7. |
Het EESC meent dat de omvang van de EU-investeringen moet worden vergroot, om Europese werknemers te helpen op de hoogte te blijven van digitale ontwikkelingen en digitale vaardigheden te verwerven. |
|
1.8. |
Volgens het EESC moeten initiatieven om kleine en middelgrote ondernemingen te helpen de uitkomsten van onderzoek en innovatie te benutten, doeltreffender worden ondersteund. |
2. Inleiding
|
2.1. |
Tijdens de informele bijeenkomst van EU-leiders over innovatie op 16 mei 2018 in Sofia nodigde de Europese Commissie de aanwezigen uit te discussiëren over strategische richtsnoeren met het oog op het volgende meerjarig financieel kader in het algemeen en de prioriteiten voor onderzoek en innovatie in het bijzonder. Daartoe had zij een mededeling met voorstellen voor prioriteiten en nieuwe initiatieven opgesteld (1). |
|
2.2. |
Die voorstellen vormen ook een eerste stap op weg naar de vaststelling van het volgende kaderprogramma (KP9 of Horizon Europa), waarmee het succesvolle programma Horizon 2020 moet worden voortgezet en verbeterd (2). |
|
2.3. |
Tevens worden activiteiten voorgesteld om innovatie en industrieel leiderschap te stimuleren als vervolg op de vernieuwde strategie voor het EU-industriebeleid (3). |
3. Samenvatting van het voorstel
|
3.1. |
Het Commissievoorstel beoogt te waarborgen dat onderzoek en innovatie in de toekomst via verschillende begrotingsinstrumenten twee van de belangrijkste beleids- en financieringsprioriteiten van de EU blijven. Er komt meer nadruk te liggen op innovatie om van Europa een koploper op het gebied van marktcreërende innovatie maken. |
|
3.2. |
De Commissie stelt voor de investeringen in onderzoek en innovatie te vergroten door ongeveer 100 miljard EUR toe te wijzen aan het toekomstige programma Horizon Europa en het Euratom-programma voor onderzoek en opleiding (4). |
|
3.3. |
Ook heeft de Commissie voorgesteld circa 11 miljard EUR voor marktgebaseerde instrumenten te mobiliseren, waaronder financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties in een specifiek venster in het kader van het InvestEU-fonds, van waaruit op zijn beurt 200 miljard EUR aan particuliere investeringen worden gemobiliseerd om onderzoek en innovatie te ondersteunen. |
|
3.4. |
De lidstaten worden dringend verzocht de nodige stappen te nemen om hun uitgaven voor onderzoek en innovatie te verhogen teneinde de doelstelling van 3 % van het bbp te halen. |
|
3.5. |
Er wordt een eerste reeks onderzoeks- en innovatiemissies op EU-niveau vastgesteld met flinke, ambitieuze doelstellingen en een sterke Europese meerwaarde. De missies zullen investeringen en deelname stimuleren vanuit verschillende sectoren in de gehele waardeketen, verschillende beleidsgebieden (bijv. energie en klimaat, vervoer, geavanceerde productie, gezondheid en voeding, digitalisering) en verschillende wetenschappelijke disciplines (waaronder sociale en geesteswetenschappen). |
|
3.6. |
Telkens wanneer beleid en wetgeving uit Europese en nationale regelgevingskaders worden herzien, zou het innovatiebeginsel moeten worden toegepast, om te waarborgen dat de gevolgen voor innovatie volledig worden beoordeeld. |
|
3.7. |
Er zal een Europese Innovatieraad (ECI) worden opgezet om baanbrekende en disruptieve innovaties te ontdekken en op te schalen, waarbij de nadruk ligt op snel ontwikkelende innovaties met een hoog risico en met grote mogelijkheden om volledig nieuwe markten te creëren. |
|
3.8. |
Verder worden maatregelen voorgesteld om particuliere investeringen in onderzoek, innovatie en opschalingsinitiatieven te vergroten:
|
|
3.9. |
Voorts zouden staatssteunregels moeten worden vereenvoudigd om de naadloze combinatie van verschillende fondsen te vergemakkelijken, en zou het gebruik van gemeenschappelijke beoordelingsnormen voor onderzoeks- en innovatieprojecten moeten worden verbeterd. |
|
3.10. |
De Commissie pleit voor een belastingstelsel (6) dat innovatie ondersteunt en de kosten van investeringen in onderzoek en innovatie aftrekbaar maakt, met extra vrijstellingen voor jonge ondernemingen. |
|
3.11. |
Ook introduceert ze een openwetenschapskeurmerk voor universiteiten en onderzoeksinstellingen van de overheid om hen in staat te stellen ondernemender te worden en meer interdisciplinair te werken. |
4. Algemene opmerkingen
|
4.1. |
Het EESC is ermee ingenomen dat de Commissie ook in de context van het meerjarig financieel kader 2020-2027 duidelijk heeft gemaakt dat onderzoek en innovatie essentiële EU-prioriteiten moeten blijven. Een sterk en succesvol programma dat uitmuntendheid, gezamenlijke onderzoeksinfrastructuren en grensoverschrijdende samenwerking combineert en synergieën oplevert tussen de academische wereld, het bedrijfsleven, kleine en middelgrote ondernemingen en onderzoeksorganisaties, is een essentieel beleidsinstrument om bij te dragen aan duurzame economische groei en concurrentievermogen in Europa en om het hoofd te bieden aan de belangrijke uitdagingen waarvoor de Europese samenleving zich geplaatst ziet. |
|
4.2. |
Het EESC is verheugd dat aan innovatie meer gewicht moet worden toegekend, en herhaalt dat het toekomstige financieringsbeleid de hele onderzoeks- en innovatieketen op een uitgebalanceerde manier dient te ondersteunen, van fundamenteel tot productgericht onderzoek (7). Innovatie is de sleutel tot economische groei en de nieuwe instrumenten zullen met name gunstig zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen. Het EESC herhaalt dat overheidsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling van groot belang zijn voor het genereren en in stand houden van een overloopeffect voor de economieën van de lidstaten. |
|
4.3. |
Gelet op de hoge verwachtingen van de impact van Horizon Europa en de betekenis ervan voor het veiligstellen van het Europese concurrentievermogen beveelt het EESC, net als het Europees Parlement, een begroting van 120 miljard EUR aan. De Europese instellingen moeten laten zien dat ze het enorme belang begrijpen van onderzoek en innovatie voor de toekomstige concurrentiekracht van de EU. |
|
4.4. |
Het EESC meent dat de omvang van de EU-investeringen moet worden vergroot, om Europese werknemers te helpen op de hoogte te blijven van digitale ontwikkelingen en digitale vaardigheden te verwerven. Bovendien moeten initiatieven om kleine en middelgrote ondernemingen te helpen de uitkomsten van onderzoek en innovatie te benutten, doeltreffender worden ondersteund. |
5. Specifieke opmerkingen
5.1. Onderzoek in de gehele waardeketen
|
5.1.1. |
De Europese structuur- en investeringsfondsen moeten worden gebruikt om regio’s de innovatie-economie binnen te brengen. Er moeten synergieën worden gecreëerd met het programma Horizon Europa, het InvestEU-fonds, het Europees Sociaal Fonds, het Erasmus+-programma, het programma Digitaal Europa, het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en andere programma’s. |
|
5.1.2. |
De EU is het meest open gebied voor onderzoek en innovatie ter wereld. De EU juicht niet alleen de deelname van onderzoeksorganisaties uit de hele wereld aan haar projecten toe, maar werkt ook op grote schaal met internationale partners samen aan gezamenlijke programma’s. Horizon Europa moet investeren op de terreinen met een specifieke Europese meerwaarde. Gezamenlijke onderzoeksprojecten (8) moeten prioriteit krijgen, want die beantwoorden van bijna alle andere programma’s het best aan dit criterium: om oplossingen te vinden voor maatschappelijke kwesties die niet op nationaal niveau kunnen worden aangepakt, brengen deze projecten de beste wetenschappers en de innovatiefste kleine en middelgrote ondernemers en industriëlen uit Europa samen. Door hun vaardigheden en competenties op disciplineoverstijgende wijze te combineren leveren gezamenlijke onderzoeksprojecten waardevolle voordelen op voor de Europese burgers. |
|
5.1.3. |
Het EESC is ervan overtuigd dat veel grote maatschappelijke uitdagingen alleen op Europees niveau kunnen worden aangegaan en gecoördineerde inspanningen van diverse betrokkenen vereisen die de reikwijdte van afzonderlijke gezamenlijke onderzoeksprojecten overstijgen. Daarom staat het achter het voorstel om onderzoeks- en innovatiemissies vast te stellen. Gemeenschappelijke ambitieuze doelstellingen kunnen verschillende groepen en het grote publiek inspireren en bij hen dynamiek creëren, dat wil zeggen de bereidheid om actie te ondernemen. Missies moeten zicht op langdurige financiering bieden, voor de gehele looptijd van Horizon Europa. Cruciaal is dat de missies in de eerste plaats worden opgezet als grootschalige onderzoeksmissies, ook al zijn bij de deelprojecten ervan uiteenlopende stakeholders betrokken. Om de ambitieuze doelstellingen van de missies te realiseren, dienen ze de volledige innovatieketen te beslaan en onderzoeksactiviteiten op alle technologische-paraatheidsniveaus te omvatten. Het EESC waarschuwt om het missieconcept op zich niet buitensporig aan te prijzen, maar voor de doelstellingen ervan voldoende financiering uit te trekken. Die doelstellingen moeten zowel haalbaar als concreet zijn. |
|
5.1.4. |
Een van de sterke punten van de Europese kaderprogramma’s voor onderzoek is het tastbare EU-brede engagement om een Europese onderzoeksruimte tot stand te brengen die openstaat voor alle lidstaten. Krachtigere synergie tussen het volgende kaderprogramma en de structuurfondsen kan dat open karakter bevorderen. Een van de grote beleidsuitdagingen voor de komende jaren is om de verschillen tussen regio’s doeltreffender te overbruggen. Dit doel kan onder andere worden bereikt met effectieve partnerschappen tussen onderzoeksinstellingen. |
|
5.1.5. |
Een belangrijk instrument in dit verband zijn de FET-vlaggenschipinitiatieven. Die kenmerken zich door veel aandacht voor de ontwikkeling van innovatieve technologieën. Dat is hun unieke kracht. Europa moet zich grootschalige langetermijnprojecten veroorloven die een zekere mate van onzekerheid kunnen hebben maar toch even innovatief als toekomstgericht zijn. De FET-vlaggenschipinitiatieven moeten daarom duidelijk van de missies worden onderscheiden. Essentieel is dat de toekomstige FET-vlaggenschipinitiatieven volgens planning van start gaan en prioritaire financiering blijven ontvangen. |
|
5.1.6. |
Een van de successen van de kaderprogramma’s is het toegankelijk maken van onderzoeksinfrastructuur in de hele EU en daarbuiten. Het lijdt geen twijfel dat de beste onderzoeksinfrastructuur de beste wetenschappers aantrekt, en doorbraken zijn vaak alleen maar mogelijk dankzij toegang tot die infrastructuur. Er is dan ook dringend meer Europese financiering voor onderzoeksinfrastructuur nodig in plaats van de door de Commissie voorgestelde verlaging van het begrotingsaandeel. Prioriteit moet uitgaan naar het waarborgen van de toegang tot de infrastructuur voor gebruikers uit de EU13. |
|
5.1.7. |
Het ondersteunen van de mobiliteit van onderzoekers via Marie Skłodowska-Curieacties is een andere belangrijke maatregel om de Europese onderzoeksruimte verder te versterken en impact te creëren die niet op nationaal niveau kan worden bewerkstelligd. Het EESC staat achter elk initiatief om de mobiliteit van in kleine en middelgrote ondernemingen werkzame onderzoekers te stimuleren. Het is echter bezorgd over eventuele hersenvlucht, een verschijnsel dat door financiering voor mobiliteit zelfs in de hand kan worden gewerkt. Het beleid van de EU en de lidstaten moet daarom gericht zijn op het creëren van adequate en aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden voor professionals om hersenvlucht te voorkomen, die contraproductief is voor de samenhang in de EU. |
|
5.1.8. |
Academici die zijn verbonden aan met publiek geld gefinancierde instellingen, mogen in veel landen geen leningen afsluiten. Horizon Europa dient daarom primair op medefinanciering en niet op leningen gericht te blijven. |
|
5.1.9. |
Het EESC onderschrijft de oproep aan de lidstaten om de nodige stappen te nemen en hun uitgaven voor onderzoek en innovatie te verhogen teneinde de doelstelling van 3 % van het bbp te halen. |
5.2. Onderzoek en innovatie voor nieuwe markten en cohesie in Europa
|
5.2.1. |
Zoals in het zevende verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang werd benadrukt, blijven onderzoek en innovatie in Europa in hoge mate geconcentreerd in een klein aantal regio’s. In de lidstaten in het noordwesten van de EU hebben goede interregionale verbindingen, een hoogopgeleide beroepsbevolking en een aantrekkelijk ondernemingsklimaat het mogelijk gemaakt onderzoek en innovatie te benutten om het economische concurrentievermogen en de sociale samenhang op tastbare wijze te bevorderen. In de zuidelijke en oostelijke lidstaten is het innovatievermogen zwakker en profiteren regio’s dichtbij innovatiehubs (vooral hoofdsteden) niet van die gunstige ligging. Dit vraagt om beleidsmaatregelen om ondernemingen, onderzoekscentra en gespecialiseerde zakelijke dienstverleners tussen regio’s met elkaar te verbinden. Daarbij kan volgens het EESC het verder vereenvoudigen van de staatssteunregels om de naadloze combinatie van verschillende fondsen te vergemakkelijken, een essentiële rol spelen. |
|
5.2.2. |
In de onderzoeks- en innovatieprogramma’s voor na 2020 moet rekening worden gehouden met de economische, sociale en territoriale kenmerken van de regio’s in de EU en moeten uniforme strategieën worden vermeden. Zo’n benadering kan worden geschraagd met strategieën op basis van „open innovatie”. Ten aanzien van het territoriale aspect van het onderzoeks- en innovatiebeleid is het van belang nieuwe programma’s en prioriteiten te ontwikkelen rekening houdend met de economische en sociale dimensie van de gebieden waar het beleid zal worden geïmplementeerd. |
|
5.2.3. |
Het beleid en de programma’s voor onderzoek en innovatie na 2020 zouden moeten stroken met de doelstellingen van de „economie van het algemeen goed” (EAG), een duurzaam economisch model gericht op sociale samenhang. De EAG is een proces van „sociale innovatie” en positief ondernemerschap dat van nut kan zijn om nieuwe ideeën te propageren en te ondersteunen die sociale behoeften helpen vervullen, nieuwe sociale betrekkingen creëren en de economische waardeschepping stimuleren. |
|
5.2.4. |
Ondanks de grote beloften die bij de uitvoering van de programma’s voor 2014-2020 werden gedaan, heeft de toegang van kleine en middelgrote ondernemingen tot groeimogelijkheden op basis van innovatie amper effect gehad op concurrentievermogen en banenschepping. De regeling voor ondersteuning van onderzoek en innovatie in sommige regio’s is nog altijd te complex en ontmoedigt micro- en kleine ondernemingen met name om deel te nemen aan EU-projecten. Het EESC is daarom ingenomen met de oprichting van een Europese Innovatieraad (EIC), die de commercialisering en schaalvergroting van innovaties door start-ups die uit Horizon Europa-projecten voortvloeien, moet versnellen. De EIC zou een efficiënter instrument kunnen worden om de laatste stappen voor het dichten van de innovatiekloof te voltooien. |
|
5.2.5. |
Om te bewerkstelligen dat onderzoeks- en innovatiekansen factoren worden die het concurrentievermogen en de economische ontwikkeling beïnvloeden, dient steun te worden verleend voor samenwerking tussen kleine en middelgrote ondernemingen en O & O&I-instellingen, aan start-ups die ontstaan dankzij de uitwisseling van onderzoeks- en innovatieresultaten, en voor coaching en fondsenwerving. Het EESC vindt het van belang om de overdracht en benutting van het „quintuple helix”-model (9) te ondersteunen, teneinde publieke en private partnerschappen te bevorderen. |
|
5.2.6. |
Kleine en middelgrote ondernemingen kunnen voortrekkers worden op het gebied van „sociale open innovaties”. In dit verband zijn de menselijke netwerkkennis en capaciteiten voor gezamenlijke creatie, ontwerp en innovatie fundamenteel om sociale innovatie overal in Europa ten volle te verwezenlijken. Er moet meer passend innovatiebeleid voor kleine en middelgrote ondernemingen komen, naar het voorbeeld van hetgeen reeds in het kader van het Eureka-initiatief wordt gedaan. Daarbij kan met name worden geholpen door instellingen die deze ondernemingen rechtstreeks steunen om zich te ontwikkelen en te innoveren, zoals kamers van koophandel. |
|
5.2.7. |
Gelet op het subsidiariteitsbeginsel en de aanzienlijke regionale en nationale bevoegdheden voor de ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen, dient de Europese meerwaarde van beleidsmaatregelen echter de nadruk te krijgen. Die kan liggen in steun voor samenwerking van meer dan twee Europese innovatieactoren of in kapitaalverstrekking voor innovatieve concepten die te riskant zijn om op nationaal niveau te worden ondersteund. Verder zal de al genoemde stroomlijning van instrumenten leiden tot adequatere financiering. Naar verwachting zal voor de EIC daarom een kleiner begrotingsaandeel nodig zijn dan voor de financiële instrumenten van Horizon 2020 en niet de aanzienlijke door de Commissie voorgestelde verhoging. In de onderzoeks- en innovatieprogramma’s voor na 2020 moet meer aandacht uitgaan naar de kwalitatieve dimensie van de doelstellingen. |
|
5.2.8. |
De „slimheid” van een sociaaleconomisch systeem kan niet worden gemeten op basis van louter kwantitatieve gegevens zoals de uitgaven voor onderzoek en innovatie. Er dient ook rekening te worden gehouden met kwalitatieve indicatoren zoals het type innovaties, de maatschappelijke baten en het aantal nieuw gecreëerde banen. Het EESC staat daar dan ook achter. |
|
5.2.9. |
Tot tevredenheid van het EESC heeft de Commissie toegankelijkheid opgenomen als essentiële voorwaarde in het nieuwe MFK. Alle Europese en nationale O&I-financiering moet volledig aan criteria voor toegankelijkheid voldoen, zodat de baten ervan alle sociale groepen ten goede komen, onder wie gehandicapten, die 15 % van de EU-bevolking uitmaken. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) COM(2018) 306 final.
(2) Zie PB C 34 van 2.2.2017, blz. 66 en „Evaluatie van Horizon 2020” (informatief rapport).
(3) PB C 197 van 8.6.2018, blz. 10.
(4) Van de voorgestelde begroting van 100 miljard EUR voor 2021-2027 is 97,6 miljard EUR voor Horizon Europa (waarvan 3,5 miljard EUR in het kader van het InvestEU-fonds zal worden toegewezen) en 2,4 miljard EUR voor het Euratomprogramma voor onderzoek en opleiding.
(5) COM(2016) 723 final.
(6) Verwacht in het kader van de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB).
(7) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 66.
(8) Gezamenlijk onderzoek met minstens drie partners uit verschillende lidstaten maakt het mogelijk krachten te bundelen om uitdagingen aan te gaan die niet door één land alleen het hoofd kunnen worden geboden, en synergieën in de EU-onderzoekswereld tot stand te brengen, wat aanzienlijke Europese meerwaarde creëert, zoals de projecten die worden opgezet en uitgevoerd door Eureka.
(9) Quintuple Helix and how do knowledge, innovation and the environment relate to each other? A proposed framework for a trans-disciplinary analysis of sustainable development and social ecology, International Journal of Social Ecology and Sustainable Development, deel 1, nr. 1, blz. 41-69.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/79 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 596/2014 en (EU) 2017/1129 wat de bevordering van het gebruik van mkb-groeimarkten betreft
(COM(2018) 331 final — 2018/0165 (COD))
(2018/C 440/12)
|
Rapporteur: |
Mihai IVAŞCU |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 11.6.2018 Raad, 21.6.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
196/1/1 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) ondersteunt het voorstel van de Europese Commissie om van kapitaalmarkten een geloofwaardig alternatief te maken voor financiering en gelooft dat er een evenwicht moet worden gecreëerd tussen de drie belangrijkste doelstellingen van het voorstel: groei van de mkb-markten, lastenverlichting en verhoging van het liquiditeitsniveau. De Commissie mag niet overreguleren, maar moet genoeg barrières in stand houden om onvoorbereide ondernemingen te ontmoedigen. |
|
1.2. |
Het huidige voorstel is een stap in de juiste richting, maar is niet voldoende om de bestaande belemmeringen voor de mkb-groeimarkten aan te pakken. Er is inderdaad behoefte aan een holistische aanpak, maar elke afzonderlijke stap moet op zichzelf staan. |
|
1.3. |
Ondernemingen in de EU gaan, in vergelijking met die in de VS, veel vaker leningen bij banken aan als een vorm van financiering, waarbij zij soms zelfs aanzienlijke extra kosten voor lief nemen. Er is behoefte aan meer financiële opleiding, aangezien het voor publieke markten in de EU moeilijk is nieuwe emittenten aan te trekken en het aantal beursintroducties nauwelijks is toegenomen. |
|
1.4. |
Het EESC houdt vast aan zijn eerdere adviezen, waarin het stelde dat de communicatiekloof (1) en de bureaucratische aanpak (2) belangrijke belemmeringen vormen en dat er veel meer aandacht moet worden besteed aan het wegnemen daarvan. De communicatie vanuit Brussel moet altijd gericht zijn op het eind van de keten: de mkb-ondernemingen zelf. Daarbij moeten onder meer mkb-verenigingen, sociale partners en kamers van koophandel worden betrokken. |
|
1.5. |
Het EESC is zeer ingenomen met het voorstel voor mkb-ondernemingen om alleen lijsten van permanente insiders bij te houden en het voorstel om de termijn voor openbaarmaking van transacties van leidinggevenden met twee dagen te verlengen. In dit verband kan het EESC de Commissie slechts adviseren verdere mogelijkheden te onderzoeken om de lasten voor het mkb te verlichten en deze te verplaatsen naar andere belanghebbenden, zoals de nationale bevoegde autoriteiten. |
|
1.6. |
Het lichtere prospectus vormt inderdaad een aanzienlijke verlichting van de lasten. Het EESC is echter van mening dat meer mogelijkheden moeten worden onderzocht om het overgangsprospectus verder te vereenvoudigen voor ondernemingen die hun maturiteit hebben aangetoond door jarenlang op mkb-groeimarkten genoteerd te zijn. |
|
1.7. |
Het EESC is voorstander van de voorgestelde wijzigingen in de regeling voor marktpeilingen en waarschuwt voor overdreven gedetailleerde en/of voorschrijvende toelichtingsverzoeken van de nationale bevoegde autoriteiten. |
|
1.8. |
Het EESC raadt de Commissie aan de mogelijkheid te onderzoeken om institutionele beleggers, zoals particuliere pensioenfondsen, aan te trekken om in de mkb-groeimarkten te investeren door te voorzien in prikkels, met name wat betreft fiscale behandeling. De lidstaten zouden moeten nagaan wat de verdere mogelijkheden zijn voor aantrekkelijke nationale steunregelingen voor investeringen. |
|
1.9. |
Het EESC is zeer ingenomen met de liquiditeitscontracten, met name voor de onderontwikkelde markten. Het meent dat de 29e regeling voor liquiditeitscontracten, die de Commissie momenteel voorbereidt, een aanvullende optie voor emittenten zal creëren, naast nationale wetgeving. |
|
1.10. |
Het EESC wijst erop dat een grondige en regelmatige effectbeoordeling nodig is. Uit jaarlijkse effectbeoordelingen kan waardevolle informatie voor toekomstige wijzigingen van het regelgevingskader naar voren komen. |
2. Het voorstel van de Commissie
|
2.1. |
Het voorstel voor een verordening maakt deel uit van de agenda voor de kapitaalmarktenunie en is gericht op specifieke aanpassingen aan het functioneren van de mkb-groeimarkten, die sinds januari 2018 zijn gereguleerd. De EU heeft aanzienlijke vooruitgang geboekt bij het vergroten van het aantal financieringsbronnen voor ondernemingen naarmate deze geleidelijk opschalen en bij het ruimer beschikbaar maken van marktgebaseerde financiering in de hele EU. Er gelden al nieuwe regels om investeringen van EU-durfkapitaalfondsen (EuVECA) in start-ups en middelgrote ondernemingen te stimuleren. Samen met het Europees Investeringsfonds heeft de Commissie ook een programma voor pan-Europese paraplufondsen voor durfkapitaal (VentureEU) opgestart. |
|
2.2. |
Het belangrijkste doel van het voorstel is het voor mkb-ondernemingen eenvoudiger te maken om genoteerd te worden en om kapitaalmarkten te gebruiken om hun groei te financieren. Het voorstel vormt een verfijning van het eerste kader, waarmee een stap wordt gezet naar een verbeterde en meer doeltreffende regelgeving. |
|
2.3. |
Het voorstel zal van toepassing zijn op alle ondernemingen die op de mkb-groeimarkten genoteerd zijn, of ze nu mkb-ondernemingen zijn of niet. Hiermee wordt er ten eerste voor gezorgd dat snel groeiende ondernemingen niet worden gestraft voor hun positieve economische prestaties. Ten tweede wordt ervoor gezorgd dat deze markten ook grote bedrijven kunnen aantrekken. De Commissie verwacht dat de invoering van deze nieuwe regels ertoe leidt dat meer multilaterale handelsfaciliteiten (MTF’s) zich als mkb-groeimarkt zullen registreren (tot dusverre hebben slechts 3 van de 40 dit gedaan). |
|
2.4. |
Het voorstel bevat versoepelingen waarmee:
|
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Mkb-ondernemingen maken 99,8 % van alle niet-financiële ondernemingen in de EU uit. Zij genereren ongeveer 58 % van de totale toegevoegde waarde en bieden werk aan meer dan 90 miljoen mensen. Ieder jaar gaan echter ongeveer 200 000 mkb-ondernemingen failliet, waarvan meer dan 1,7 miljoen werknemers de dupe zijn (3). |
|
3.2. |
Volgens de investeringsenquête van de EIB van 2016/2017 zijn mkb-ondernemingen doorgaans afhankelijk van interne middelen voor investeringen (meer dan 60 %) (4). Het overgebleven deel bestaat vooral uit bankmiddelen. Het potentieel van markt-gebaseerde financiering wordt niet benut. Hierin verandering brengen is volgens het EESC van doorslaggevend belang voor innovatieve ondernemingen en voor ondernemingen met een hoog risico-rendementsprofiel.
Tabel 1 Bron van investeringen in het laatste boekjaar, EU-28 (5)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.3. |
Het EESC wijst op de terughoudendheid van mkb-bedrijven bij het zoeken naar financiering vanuit kapitaalmarkten en hun bereidheid de extra kosten van financiering per bankkrediet te dragen. Dit cultuurkenmerk is een van de belangrijkste factoren die het verschil maken met de succesvollere kapitaalmarkten in de VS, waar ondernemingen minder afhankelijk zijn van bankleningen. Meer financiële opleiding is van het grootste belang. |
|
3.4. |
Het EESC heeft in eerdere adviezen reeds vermeld dat het beleid en de steunmechanismen van de Unie nog steeds door bureaucratie en complexiteit van administratieve voorschriften worden gekenmerkt, ondanks de constante pogingen op EU-niveau om bureaucratische rompslomp tot een minimum te beperken (6). |
|
3.5. |
Het EESC heeft eerder zijn steun uitgesproken voor andere voorstellen die gericht waren op het verlichten van de administratieve last van het opstellen van prospectussen voor alle emittenten, met name mkb-ondernemingen, die vaak effecten emitteren en met secundaire uitgiften werken (7). Het EESC heeft bovendien uitgelegd dat hoewel bankleningen de realiteit zijn, „eigen vermogen […] ook als financieel instrument ingezet [zou] moeten worden. Dat gebeurt in Europa onvoldoende ten gevolge van punitieve belastingregels, het ontbreken van een eigen-vermogenscultuur, lage financiële geletterdheid en versnipperde insolventieregelingen” (8). |
|
3.6. |
Het EESC is voorstander van het initiatief van de Commissie om de administratieve last voor mkb-ondernemingen te verlichten en hen zo eenvoudiger toegang tot kapitaalmarkten te bieden en hun financieringsbronnen te diversifiëren. Het EESC is ook voorstander van het in dit voorstel gestelde doel om de liquiditeit van aandelen die door emittenten op de mkb-groeimarkt worden uitgegeven te verhogen. |
|
3.7. |
Hoewel de voordelen van notering op de daartoe bestemde markten voor mkb-ondernemingen duidelijk zijn en hoewel hun financieringsmogelijkheden hiermee worden verbeterd en gediversifieerd, hebben de publieke markten van de EU slechts moeizaam nieuwe emittenten aangetrokken en is het aantal beursintroducties niet noemenswaardig toegenomen. Slechts 3 000 van de meer dan 20 miljoen bestaande mkb-ondernemingen zijn beursgenoteerd en er vinden maar half zoveel beursintroducties plaats als voor de financiële crisis. Onvoldoende liquiditeit op de mkb-markten leidt tot hogere kosten voor emittenten om kapitaal bijeen te brengen en daarmee tot terughoudendheid om te beleggen bij kapitaalhouders. Dit betekent ook dat intermediairs op de markt minder geneigd zijn kleine beursgenoteerde ondernemingen te ondersteunen. |
|
3.8. |
Aandelenfinanciering is essentieel voor innovatieve ondernemingen die waarde creëren en voor groei zorgen, en vooral voor ondernemingen met een hoog risico-rendementsprofiel. Aandelenfinanciering in de opstart- en vroege fasen van ondernemingen kan hun oprichting en ontwikkeling bevorderen. Andere aandeleninstrumenten, zoals gespecialiseerde platforms voor publieke notering van mkb-ondernemingen, kunnen financiële middelen voor groeigerichte en innovatieve mkb-ondernemingen bieden. Daarnaast kan aandelenfinanciering geschikter zijn dan schuldfinanciering voor mkb-ondernemingen zonder onderpand of met negatieve of onregelmatige cashflows, of voor ondernemingen die langer nodig hebben om rendement op hun investeringen te genereren (9). |
|
3.9. |
De EU-markten zijn nog steeds gefragmenteerd en lijken niet in staat een groot aantal beursintroducties te ondersteunen. Het lijkt erop dat Europa een sterke positie heeft als het aankomt op het tot groei brengen van innovatieve hightechbedrijven, maar wanneer deze ondernemingen robuuste kapitaalinvesteringen nodig hebben, gaan ze meestal failliet. Snelgroeiende ondernemingen verruilen ook vaak de EU-markt voor de VS, op zoek naar meer toegankelijke aandelenoptieregelingen. |
|
3.10. |
Beursgenoteerde ondernemingen zijn minder afhankelijk van financiering door banken, kunnen gebruikmaken van een grotere investeringsbasis en staan meer in de aandacht. Desondanks moet er meer gebeuren om een gunstiger regelgevingskader te ontwikkelen om de toegang tot publieke financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen te ondersteunen, met name door het bevorderen van de registratie als mkb-groeimarkt. Er moet tevens een passend evenwicht tussen bescherming van beleggers en marktintegriteit worden gevonden door middel van goede regelgeving. |
|
3.11. |
Mkb-ondernemingen met gediversifieerde financieringsbronnen zijn robuuster en concurrerender omdat zij profiteren van lagere kosten en betere ontwikkelingskansen. Dit maakt een sterkere arbeidsmarkt mogelijk en zorgt voor betere mogelijkheden voor werkzoekenden, ongeacht hun opleidingsniveau. |
|
3.12. |
Het EESC beveelt de Commissie aan de regels en vereisten voor de mkb-groeimarkten verder te versoepelen om deze beter te onderscheiden van gereguleerde markten en aantrekkelijker te maken als instapmarkten. |
4. Specifieke opmerkingen
|
4.1. |
Het EESC staat volledig achter de continue pogingen in het kader van de agenda voor de kapitaalmarktenunie om van kapitaalmarkten een geloofwaardig alternatief voor financiering te maken. Het blijft echter de vraag of de lopende inspanningen genoeg zijn om de aanzienlijke belemmeringen op de huidige markt te verkleinen. Aangezien mkb-ondernemingen hun financieringsgewoonten niet lijken te veranderen, moet er meer gebeuren. De Commissie heeft erkend dat die inspanningen slechts een stap vooruit vormen en geen volledige oplossing bieden voor alle problemen op de kapitaalmarkten.
Tabel 2 Soorten financiering die mkb-ondernemingen de komende drie jaar meer in de financieringsmix willen zien, EU-28 (10)
|
|
4.2. |
Hoewel nog moet worden bezien of de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk zullen leiden tot verlaging van de nalevingskosten, verlichting van de lasten en bevordering van de marktliquiditeit — aangezien deze doelstellingen vrij ambitieus zijn — is het EESC van mening dat ze een stap in de goede richting vormen. |
|
4.3. |
Het EESC is van mening dat het lage aantal mkb-ondernemingen dat toegang heeft tot marktgebaseerde financiering ook te wijten is aan het gebrek aan communicatie op basisniveau. De berichten en instrumenten op EU-niveau dringen niet door tot het eind van de keten: de mkb-ondernemingen waar ze op gericht zijn. Dit heeft verschillende oorzaken, waarvan de belangrijkste de onvoldoende proactieve communicatie en interactie vanuit Brussel met de lidstaten, mkb-verenigingen, sociale partners en kamers van koophandel is. Het EESC heeft hier in een eerder advies (11) voor gewaarschuwd, maar heeft nauwelijks verbeteringen op dit gebied waargenomen. |
|
4.4. |
Anderzijds kan het lage aantal institutionele beleggers op de markten voor mkb-aandelen en -obligaties worden verklaard door het gebrek aan prikkels voor deze beleggers, met name wat betreft fiscale behandeling. Het EESC adviseert de Commissie deze mogelijkheid te onderzoeken. |
|
4.5. |
Het EESC is ingenomen met het voorstel om de termijn voor openbaarmaking van transacties van leidinggevenden met twee dagen te verlengen. Dit vormt een belangrijk instrument om de transparantie en symmetrie van kleinere markten in stand te houden. De termijn van drie dagen was echter een kritiek knelpunt voor mkb-ondernemingen. Het EESC verwacht dat de voorgestelde wijziging zal leiden tot een gestroomlijndere procedure voor ondernemingen in moeilijkere of drukkere perioden. Het EESC raadt de Commissie aan manieren te onderzoeken om de administratieve lasten voor ondernemingen te verlichten en deze te verleggen naar andere actoren, zoals nationale bevoegde autoriteiten. |
|
4.6. |
Het EESC heeft reeds zijn volledige steun uitgesproken voor het vereenvoudigen en stroomlijnen van de vereisten voor het prospectus dat bij het aanbieden van effecten op gereguleerde markten wordt gepubliceerd. Daardoor wordt dit document goedkoper alsmede informatiever voor beleggers (12). Een nieuw voorstel waarmee naar deze doelstelling wordt toegewerkt zou zeer op prijs worden gesteld. Gezien de vele informatie die ondernemingen op de mkb-groeimarkten krachtens de verordening marktmisbruik en Richtlijn 2014/65/EU openbaar moeten maken, is het EESC van mening dat een eenvoudiger overgangsprospectus voldoende is voor ondernemingen die naar een gereguleerde markt overstappen. |
|
4.7. |
Bovendien zou het EESC voorstander zijn van de verdere vereenvoudiging van het prospectus bij de overstap naar de gereguleerde markt door bedrijven die een passend aantal jaar op een mkb-groeimarkt zijn genoteerd. |
|
4.8. |
Het EESC is ingenomen met het voorstel voor op mkb-groeimarkten genoteerde ondernemingen om alleen lijsten van permanente insiders bij te houden, aangezien het aantal werknemers met toegang tot voorwetenschap beperkt is en grotendeels gelijk blijft. Hiermee worden de lasten aanzienlijk verlicht. |
|
4.9. |
Het EESC staat positief tegenover de aanpassingen aan de regeling voor marktpeilingen, aangezien de voorgestelde wijzigingen de uitgifte van bedrijfsobligaties door emittenten op mkb-groeimarkten zullen vergemakkelijken. Ten aanzien van de door emittenten op mkb-groeimarkten te geven verantwoording bij uitstel van openbaarmaking van voorwetenschap is het EESC van mening dat de ad-hoctoelichtingsverzoeken van nationale bevoegde autoriteiten na kennisgeving door de emittent niet te gedetailleerd of voorschrijvend mogen zijn. |
|
4.10. |
De verordening marktmisbruik zorgt voor administratieve en gerechtelijke kosten en kan door emittenten afkomstig van buiten de EU als een belemmering voor notering op EU-markten worden gezien. Het EESC beveelt aan dat verdere wijzigingen worden aangebracht om te zorgen voor op maat gesneden vereisten voor de mkb-groeimarkten. |
|
4.11. |
Hoewel liquiditeitscontracten nuttig zijn, vooral voor onderontwikkelde markten, zou een voorstel op Europees niveau voor een gelijk speelveld zorgen waarbinnen lokale omstandigheden zich kunnen ontwikkelen. Het EESC meent dat de 29e regeling voor liquiditeitscontracten, die de Commissie momenteel voorbereidt, voor emittenten de mogelijkheid zal creëren om hetzij op basis van nationale wetgeving (als die bestaat) of op basis van de Europese regelgeving een liquiditeitscontract op te stellen. |
|
4.12. |
Het voorstel van de Commissie vormt zeker een stap in de goede richting. Het EESC stelt echter voor geregeld effectbeoordelingen met op kwantitatieve indicatoren gebaseerde analyses uit te voeren in het kader waarvan brede toegang tot niet-vertrouwelijke gegevens wordt verleend. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) PB C 345 van 13.10.2017, blz. 15.
(2) PB C 345 van 13.10.2017, blz. 15.
(3) Marcin Szczepanski, Helping European SMEs to grow: Start-up and scale-up initiatives for business ventures in the EU.
(4) Europese Investeringsbank, „EIBIS 2016/2017: Surveying Corporate Investment Activities, Needs and Financing in the EU”, 2017.
(5) Apostolos Thomadakis, „Developing EU Capital Markets for SMEs: Mission impossible?”, ECMI Commentary nr. 46, 4 september 2017.
(6) PB C 345 van 13.10.2017, blz. 15.
(7) PB C 177 van 18.5.2016, blz. 9.
(8) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 20.
(9) Iota Kaousar Nassr en Gert Wehinger, „Opportunities and limitations of public equity markets for SMEs”, OECD Journal: Financial Market Trends 2015/1, 49-84.
(10) Apostolos Thomadakis, „Developing EU Capital Markets for SMEs: Mission impossible?”, ECMI Commentary nr. 46, 4 september 2017.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/85 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid
(COM(2018) 336 final — 2018/0168 (COD))
(2018/C 440/13)
|
Rapporteurs: |
Christophe LEFÈVRE |
|
Raadpleging |
Raad, 6.6.2018 Europees Parlement, 11.6.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 114, lid 1, VWEU |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
191/0/6 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de voorstellen van de Commissie tot wijziging van de richtlijn betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid. Het Comité betreurt echter dat de Commissie de gelegenheid niet heeft aangegrepen om te anticiperen op de ontwikkelingen op het gebied van autonome voertuigen, ondanks de opmerkingen die zijn gemaakt in de effectbeoordeling (1) bij het voorstel. |
|
1.2. |
Met betrekking tot de verbetering van de bescherming van slachtoffers van verkeersongevallen in geval van insolventie van de verzekeraar, kan het Comité zich vinden in het voorstel om slachtoffers schadeloos te laten stellen door het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat waar het slachtoffer woonachtig is. Krachtens het voorstel van de Commissie kan echter geen beroep op het orgaan worden gedaan wanneer het slachtoffer rechtstreeks een verzoek bij de verzekeraar heeft ingediend of een rechtsvordering heeft ingesteld. Het Comité beveelt aan om deze uitsluiting niet toe te passen als de verzekeraar intussen economisch failliet is gegaan (faillissement, liquidatie) of als het slachtoffer het orgaan machtigt om in zijn rechten te treden in de schadevergoedingsacties (subrogatie), om sneller te worden vergoed. Het Comité beveelt aan dat de schadevergoedingsniveaus (schadeposten) worden toegepast die het gunstigst zijn voor het slachtoffer: ofwel die van het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden, ofwel die van het land waar het slachtoffer woont. |
|
1.3. |
Om de erkenning van verklaringen betreffende het schadeverleden te verbeteren beveelt het Comité aan om de naam van de betrokken bestuurder en diens mate van aansprakelijkheid voor het ongeval (geheel, gedeeltelijk of nul) te vermelden. Het Comité plaatst vraagtekens bij de inhoud van deze verklaring, aangezien de ene nationale wetgeving voorziet in dekking van het voertuig ongeacht de bestuurder, en de andere nationale wetgeving voorziet in verzekering van het voertuig met vermelding van de bestuurder en waarbij het tarief wordt bepaald op basis van zijn individuele risico- en schadeprofiel, of van de houder van het rijbewijs, ongeacht het gebruikte voertuig. Het Comité dringt er bij de Commissie op aan voor te schrijven dat voor verzekeringsattesten en verklaringen over het schadeverleden beveiligde gegevensdragers worden gebruikt, en het gebruik toe te staan van een gedeelde databank die door rechtshandhavingsinstanties kan worden geraadpleegd om de geldigheid ervan te controleren. |
|
1.4. |
Wat de verzekeringscontroles ter bestrijding van onverzekerd rijden betreft, is het Comité ingenomen met het voorstel om kentekenherkenningstechnologieën te gebruiken waarmee voertuigen in een nationaal systeem kunnen worden gecontroleerd zonder dat deze halt hoeven te houden. Wanneer een verzekeringscontract ontbreekt, beveelt het Comité aan dat het voertuig niet verder mag rijden tot een geldig verzekeringscertificaat is overgelegd. |
|
1.5. |
Wat de harmonisatie van de minimumdekkingsbedragen betreft, beveelt het Comité de Commissie aan om een einddatum vast te stellen voor de invoering van minimumbedragen voor schadevergoedingen. |
|
1.6. |
Wat het toepassingsgebied van de richtlijn betreft, is het Comité ingenomen met de verduidelijking van het begrip vervoermiddel op openbaar of particulier terrein, stilstaand of in beweging, tenzij de voertuigen uitsluitend voor landbouw worden gebruikt. Wel moet ervoor worden gezorgd dat landbouwvoertuigen op de openbare weg wel degelijk onder de richtlijn vallen. |
|
1.7. |
Wat betreft de verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein stelt het Comité ten slotte vast dat de voorstellen van de Commissie het vrije verkeer van personen en goederen ondersteunen en stroken met de beginselen van de interne markt die het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging van verzekeraars garanderen. |
2. Achtergrond en inleiding
|
2.1. |
De Commissie stelt een wijziging voor van Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (2). |
|
2.2. |
De Europese Commissie wil de huidige gebrekkige bescherming van slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen verbeteren, de verschillen in de behandeling van verzekeringnemers in de EU met betrekking tot de bonus/malus verminderen, en de arresten van het Europees Hof van Justitie sinds de tenuitvoerlegging van de eerste EU-richtlijn motorrijtuigenverzekering uit 1972 overnemen. |
|
2.3. |
De richtlijn is een essentieel rechtsinstrument voor de goede werking van de interne markt in termen van vrij verkeer, op basis van één enkele premie, zonder dat een aanvullende verzekering moet worden afgesloten om in een andere lidstaat te kunnen rijden; zij beoogt ook een hoge mate van convergentie te bereiken op het gebied van de bescherming van verkeersslachtoffers. |
|
2.4. |
De wetgeving is gebaseerd op het internationale groenekaartsysteem, een niet-EU-overeenkomst waarbij 48 landen betrokken zijn. De belangrijkste elementen van Richtlijn 2009/103/EG zijn de volgende:
|
|
2.5. |
In het kader van het werkprogramma van de Commissie voor 2016 en het actieplan voor de financiële diensten van maart 2017, is in 2017 een beoordeling (3) van Richtlijn 2009/103/EG uitgevoerd en zijn in datzelfde jaar twee vonnissen van het Europees Hof van Justitie gewezen. Op grond hiervan heeft de Commissie een standpunt ingenomen. |
2.5.1.
|
2.5.1.1. |
De Commissie stelt voor om in iedere lidstaat een orgaan aan te wijzen dat benadeelden die gewoonlijk op hun grondgebied wonen, ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering vergoedt voor lichamelijk letsel of materiële schade veroorzaakt door een voertuig dat verzekerd is, wanneer de verzekeringsonderneming verzuimt om binnen drie maanden een met redenen omkleed antwoord te geven op de punten in het verzoek tot schadevergoeding, of wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming is onderworpen aan een faillissements- of afwikkelingsprocedure. Dit geldt niet wanneer het slachtoffer rechtstreeks een verzoek heeft ingediend bij of een vordering heeft ingesteld tegen de verzekeringsonderneming. |
|
2.5.1.2. |
De Commissie voorziet dat dit orgaan de schadevergoeding kan verhalen op het orgaan van de lidstaat waar de verantwoordelijke is gevestigd. |
2.5.2.
|
2.5.2.1. |
De richtlijn schrijft voor dat een verklaring betreffende het schadeverleden van de verzekeringsovereenkomst over de afgelopen vijf jaar moet worden verstrekt. Verzekeraars zijn niet verplicht om bij de premieberekening rekening te houden met dergelijke verklaringen. |
|
2.5.2.2. |
De Commissie beveelt aan de inhoud en de vorm van deze verklaringen te standaardiseren; zij zouden elementen moeten bevatten die het mogelijk maken de hoogte van de premies aan te passen afhankelijk van het schadeverleden, en de authenticiteit van de verklaringen te controleren. |
2.5.3.
|
2.5.3.1. |
De Commissie beveelt aan om technologie voor de herkenning van kentekenplaten te gebruiken om voertuigen te controleren zonder dat deze halt hoeven te houden, in het kader van een algemeen systeem van controles op het nationale grondgebied, een procedure die het vrije verkeer van personen en voertuigen niet belemmert. |
|
2.5.3.2. |
De Commissie preciseert dat er voor dergelijke verzekeringscontroles van voertuigen die het nationale grondgebied binnenkomen, gegevens tussen de lidstaten moeten worden uitgewisseld. |
2.5.4.
|
2.5.4.1. |
De Commissie stelt vast dat de minimumvergoedingsniveaus van land tot land verschillen, vooral omdat zij niet zijn aangepast tijdens de overgangsperiode. De Commissie beveelt aan de minimumdekkingsbedragen te harmoniseren, waarbij iedere lidstaat echter wel een hogere drempelbedrag mag opleggen. |
2.5.5.
|
2.5.5.1. |
De Commissie baseert zich op drie arresten van het EHvJ (4) om het toepassingsgebied van de verplichte wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering voor motorvoertuigen te preciseren, met uitsluiting van ongevallen waarbij het voertuig uitsluitend voor landbouw wordt gebruikt: elke deelneming aan het verkeer van een voertuig die overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan, ongeacht het terrein waarop het motorrijtuig wordt gebruikt (op de openbare weg of op privéterrein) en of het motorrijtuig stilstaat of in beweging is. |
2.6. Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
|
2.6.1. |
De Commissie wijst erop dat haar voorstellen het vrije verkeer van personen en goederen ondersteunen en dat zij stroken met de beginselen van de interne markt die het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging van verzekeraars garanderen. |
3. Opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC is ingenomen met de voorstellen van de Commissie tot wijziging van de richtlijn betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid. Zij vloeien voort uit de terugkoppeling van ervaringen waarin het wetgevingskader voorziet, maar ook uit effectbeoordelingen en openbare raadplegingen en uit de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie. |
3.2. Verbetering van de bescherming van slachtoffers van verkeersongevallen in geval van insolventie van de verzekeraar
|
3.2.1. |
Het Comité steunt het voorstel om slachtoffers schadeloos te laten stellen door het orgaan van de lidstaat waarin zij woonachtig zijn, wanneer een verzekeraar geen schadevergoeding uitkeert of niet binnen een redelijke termijn een met redenen omkleed antwoord heeft gegeven, en juicht het toe dat dit orgaan de schadevergoeding kan verhalen op het orgaan van het derde land waar de aansprakelijke verzekerde gevestigd is. |
|
3.2.2. |
Aangezien het beheersorgaan het slachtoffer niet mag vergoeden als het zich rechtstreeks tot de verzekeraar heeft gewend of als er een gerechtelijke procedure loopt, beveelt het Comité aan om deze uitsluiting niet toe te passen in de volgende gevallen:
Het Comité beveelt aan dat de schadevergoedingsniveaus (schadeposten) worden toegepast die het gunstigst zijn voor het slachtoffer: ofwel die van het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden, ofwel die van het land waar het slachtoffer woont. |
3.3. Verbetering van de erkenning van verklaringen betreffende het schadeverleden, vooral in een grensoverschrijdende context
|
3.3.1. |
Het Comité staat positief tegenover het systematisch afgeven van een gestandaardiseerd overzicht van het schadeverleden over de afgelopen vijf jaar. |
|
3.3.2. |
Het Comité beveelt aan om bovendien de naam van de betrokken bestuurder en diens mate van aansprakelijkheid voor het ongeval (geheel, gedeeltelijk of nul) te vermelden. |
|
3.3.3. |
Het Comité plaatst vraagtekens bij de inhoud van dergelijke verklaringen, aangezien de ene nationale wetgeving voorziet in dekking van het voertuig ongeacht de bestuurder, en de andere nationale wetgeving voorziet in de verzekering van het voertuig met vermelding van de bestuurder en waarbij het tarief wordt bepaald op basis van zijn individuele risico- en schadeprofiel, of van de houder van het rijbewijs, ongeacht het gebruikte voertuig. |
|
3.3.4. |
Het Comité vraagt zich echter af wat de situatie is voor motorvoertuigen zonder bestuurder, of eventueel wat het begrip „aansprakelijke bestuurder” inhoudt wanneer het motorvoertuig op afstand wordt bestuurd. |
|
3.3.5. |
Het Comité stelt vast dat de Commissie geen plannen heeft voor wetgeving met betrekking tot documentenfraude in verband met verklaringen over het schadeverleden of verzekeringsattesten. |
|
3.3.6. |
Het Comité dringt er bij de Commissie op aan voor te schrijven dat voor verzekeringsattesten en verklaringen over het schadeverleden beveiligde gegevensdragers worden gebruikt, en het gebruik toe te staan van een gekoppelde databank die door rechtshandhavingsinstanties kan worden geraadpleegd om de geldigheid ervan te controleren. |
|
3.3.7. |
Het Comité merkt op dat de Commissie niets zegt over de financiering van dergelijke grensoverschrijdende systemen. |
3.4. Controles ter bestrijding van onverzekerd rijden
|
3.4.1. |
Het Comité is ingenomen met het voorstel om technologieën voor de herkenning van kentekenplaten te gebruiken om voertuigen te controleren zonder dat deze halt hoeven te houden, mits de controles deel uitmaken van een algemeen systeem van controles op het nationale grondgebied, niet discriminerend zijn en niet vereisen dat het voertuig halthoudt. |
|
3.4.2. |
De Commissie zwijgt echter in alle talen over het lot van aldus opgespoorde voertuigen die niet door een verzekeringscontract zijn gedekt. Het Comité beveelt aan dat het voertuig niet verder mag rijden tot een geldig verzekeringsbewijs wordt overgelegd of een verzekeringsbewijs waarvan de einddatum minder dan een maand geleden verstreken is. |
|
3.4.3. |
De Commissie preciseert dat er voor dergelijke verzekeringscontroles van voertuigen die het nationale grondgebied binnenkomen, gegevens tussen de lidstaten moeten worden uitgewisseld, en dat de rechten, vrijheden en rechtmatige belangen van de betrokkene moeten worden gewaarborgd krachtens de algemene verordening gegevensbescherming (GDPR). |
|
3.4.4. |
De Commissie zegt echter niets over de beheerder en over de financiering van de kosten voor het opzetten en beheren van een gedeelde databank van geldige of ongeldige verzekeringsovereenkomsten. |
3.5. Harmonisatie van de minimumdekkingsbedragen
|
3.5.1. |
Het Comité schaart zich achter de analyse van de Commissie wat betreft de uiteenlopende en vooral niet-conforme minimumdrempels, die in bijna de helft van de lidstaten van de EU onder de drempels van de richtlijn liggen. |
|
3.5.2. |
Volgens het Comité zou de Commissie verder moeten gaan dan de simpele aanbeveling om de minimumbedragen te harmoniseren (5); zij zou een einddatum moeten vaststellen waarop de minimumbedragen voor schadevergoedingen moeten zijn ingevoerd, bijvoorbeeld eind 2019, hoewel de termijn eigenlijk al verstreken is. |
|
3.5.3. |
Het Comité beveelt aan dat de schadevergoedingsniveaus (schadeposten) worden toegepast die het gunstigst zijn voor het slachtoffer: ofwel die van het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden, ofwel die van het land waar het slachtoffer woont. |
3.6. Toepassingsgebied van de richtlijn
|
3.6.1. |
Het Comité is ingenomen met de verduidelijking van het begrip vervoermiddel op openbaar of particulier terrein, stilstaand of in beweging, met uitsluiting van voertuigen die uitsluitend voor landbouw worden gebruikt. Wel moet ervoor worden gezorgd dat landbouwvoertuigen op de openbare weg wel degelijk onder de richtlijn vallen. |
3.7. Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
|
3.7.1. |
Het Comité wijst er tevens op dat de voorstellen van de Commissie het vrije verkeer van personen en goederen ondersteunen en dat zij stroken met de beginselen van de interne markt die het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging van verzekeraars garanderen. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) https://ec.europa.eu/transparency/regdoc/rep/10102/2018/EN/SWD-2018-247-F1-EN-MAIN-PART-1.PDF
(2) PB L 263, 7.10.2009, blz. 11.
(3) https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/initiatives/ares-2017-3714481_nl
(4) Arrest Vnuk (2014 C-162/13), arrest Rodrigues de Andrade (2017 C-514/16), arrest Torreiro (2017 C-334/16).
(5) Richtlijn 84/5/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2005/14/EG.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/90 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/… en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 78/2009, (EG) nr. 79/2009 en (EG) nr. 661/2009
(COM(2018) 286 final — 2018/0145 COD)
(2018/C 440/14)
|
Rapporteur: |
Raymond HENCKS |
|
Raadpleging |
Europees Parlement: 28.5.2018 Raad, 4.6.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 114, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
193/1/2 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1 |
De verkeersveiligheid in de EU is de afgelopen decennia aanmerkelijk verbeterd dankzij de aanscherping van de verkeerswetgeving, van de verkeersregels voor bestuurders en van de arbeidsomstandigheden van en de opleidingsvereisten voor beroepschauffeurs, dankzij de verbetering van de weginfrastructuur en van de inzet van de noodhulpdiensten en dankzij de strengere veiligheidsvoorschriften van de EU voor voertuigen, waaraan de automobielindustrie door middel van innovatieve technische oplossingen altijd heeft weten te voldoen. |
|
1.2 |
Dit neemt niet weg dat het aantal verkeersdoden in de Unie nog altijd veel hoger is dan hetgeen de EU zich in het witboek Vervoer van 2011 ten doel heeft gesteld: nul doden in 2050 en halvering van het aantal dodelijke verkeersongevallen op de weg in 2020. |
|
1.3 |
Het merendeel van de verkeersongevallen is volledig toe te schrijven aan menselijke fouten, die meestal verband houden met te hard rijden, afgeleid zijn of dronken rijden. Er moet dan ook meer worden gedaan om burgers in de EU aan te sporen of zelfs te dwingen om in de eerste plaats zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen veiligheid en die van andere weggebruikers door zich in het verkeer naar behoren te gedragen. |
|
1.4 |
Een integrale aanpak van de verkeersveiligheid, die het rijgedrag, de arbeidsomstandigheden en vaardigheden van beroepschauffeurs en de infrastructuur omvat, is dan ook geboden. Bepalend voor de verkeersveiligheid zijn ook veiligheidsvoorzieningen in voertuigen die menselijke fouten kunnen voorkomen of corrigeren. |
|
1.5 |
Het EESC is verheugd dat de Commissie een nieuwe reeks geavanceerde veiligheidsvoorzieningen verplicht wil stellen voor alle wegvoertuigen, d.w.z. dat deze standaard uitgerust moeten worden met bijv. een bandenspanningscontrolesysteem, intelligente snelheidsondersteuning, vermoeidheids- en aandachtsdetectie, afleidingsdetectie, achteruitrijdetectie, noodstopsignaal en een noodremsysteem. |
|
1.6 |
Het EESC kan zich er ook in vinden dat vrachtwagens en bussen verplicht worden voorzien van een detectie- en waarschuwingssysteem voor situaties waarin kwetsbare weggebruikers zich dicht bij de voor- of rechterzijde van het voertuig bevinden, dat zij dusdanig ontworpen en gebouwd moeten worden dat kwetsbare weggebruikers beter te zien zijn vanuit de bestuurdersstoel, en dat zij uitgerust moeten worden met een systeem dat de bestuurder waarschuwt wanneer zijn voertuig onbedoeld van zijn rijbaan afwijkt. Bovendien is het verheugd over de aanvullende verplichting dat bussen zo ontworpen en gebouwd moeten zijn dat zij ook toegankelijk zijn voor personen met beperkte mobiliteit, met inbegrip van rolstoelgebruikers. |
|
1.7 |
Wel vraagt het EESC zich af waarom de Commissie alleen bepaalt dat de installatie van een alcoholslot ondersteund moet worden en niet dat de installatie van een dergelijke voorziening verplicht is. Een alcoholslot zou verplicht moeten zijn, geen optie. |
|
1.8 |
Het EESC beveelt daarnaast aan om de gegevensrecorder voor incidenten (ongevallen) ook verplicht te stellen voor vrachtwagens, zware bedrijfsvoertuigen en bussen, aangezien tachografen wel bepaalde rijgegevens verschaffen, maar cruciale informatie tijdens en na een ongeval niet opslaan. |
|
1.9 |
Tot slot betreurt het EESC het feit dat fabrikanten vaak alleen bij topmodellen geavanceerdere veiligheidsvoorzieningen inbouwen, terwijl minder dure modellen slechts aan de Europese wettelijke normen voldoen. Gevolg hiervan is dat niet alle burgers in de EU toegang tot hetzelfde veiligheidsniveau hebben. Het EESC beveelt de Commissie daarom aan er zowel in het kader van de onderhavige verordening als in het algemeen voor te zorgen dat de Europese normen sneller aan de technologische ontwikkelingen worden aangepast. |
|
1.10 |
Dit geldt ook voor vrachtwagens en bussen, met name wat betreft het detectie- en waarschuwingssysteem voor situaties waarin weggebruikers zich vlak voor of rechts van het voertuig bevinden; de installatie hiervan, waarin de voorgestelde verordening ook voorziet, dient zo snel mogelijk verplicht te worden gesteld. |
2. Inleiding
|
2.1 |
De verkeersveiligheid is de afgelopen decennia aanmerkelijk verbeterd. Dit is hoofdzakelijk te danken aan het feit dat voertuigen zijn voorzien van geavanceerde veiligheidssystemen, de weginfrastructuur is verbeterd, de verkeerswetgeving is aangescherpt, er voorlichtingscampagnes voor bestuurders zijn opgezet, en de noodhulpdiensten snel en vakkundig optreden. |
|
2.2 |
Dit neemt niet weg dat er nog altijd wezenlijke verschillen tussen de lidstaten bestaan, ondanks de inspanningen van de Europese Commissie, die er via verschillende programma’s en richtsnoeren naar streeft de verkeersregels binnen de EU te harmoniseren. |
|
2.3 |
Voorbeelden van dergelijke verschillen zijn:
|
|
2.4 |
In 2017 kwamen er in de EU 25 300 mensen om het leven in het verkeer. Hoewel dit een daling betekende van 2 % ten opzichte van 2016 (1), is deze afname bij lange na niet voldoende om het aantal verkeersslachtoffers significant terug te dringen (2) en uiteindelijk het streefcijfer van nul verkeersslachtoffers in 2050 te halen. |
|
2.5 |
Afgelopen jaar raakten ca. 135 000 mensen zwaar gewond (3), onder wie veel voetgangers, fietsers en motorrijders — weggebruikers die door de Commissie als bijzonder kwetsbaar worden beschouwd. |
|
2.6 |
Volgens de Commissie worden de sociaaleconomische kosten (medische zorg, arbeidsongeschiktheid enz.) van verkeersongevallen op 120 miljard EUR per jaar geraamd. |
3. Voorstel van de Commissie
|
3.1 |
Het onderhavige initiatief maakt deel uit van het derde mobiliteitspakket in het kader van „Europa in beweging”. Doel hiervan is de mobiliteit in Europa veiliger en toegankelijker te maken, het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven te vergroten, Europese banen zekerder te maken en ervoor te zorgen dat Europa beter in staat is om het probleem van de klimaatverandering aan te pakken. Dit moet met name gebeuren door de voorschriften met betrekking tot de veiligheidsvoorzieningen in wegvoertuigen aan te scherpen. |
|
3.2 |
Aangezien de huidige voorschriften inzake de typegoedkeuringsprocedure van de EU in het kader van de bescherming van voetgangers en de veiligheid van waterstofvoertuigen grotendeels zijn achterhaald door de technologische ontwikkelingen, worden de Verordeningen (EG) nr. 78/2009 (bescherming van voetgangers), (EG) nr. 79/2009 (motorvoertuigen op waterstof) en (EG) nr. 661/2009 (typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen) ingetrokken en vervangen door gelijkwaardige bepalingen van de VN-reglementen en de wijzigingen daarvan waar de EU voor heeft gestemd of die de EU overeenkomstig Besluit 97/836/EG toepast. |
|
3.3 |
In het algemeen wordt het toepassingsgebied van de verordening betreffende de algemene veiligheid van motorvoertuigen (GSR) gehandhaafd, zij het dat het toepassingsgebied van de vigerende veiligheidsvoorschriften voor voertuigen en de daarmee samenhangende vrijstellingen wordt verruimd tot alle voertuigcategorieën en de huidige vrijstellingen daarvan voor SUV’s en bestelwagens worden geschrapt. |
|
3.4 |
De voorgestelde verordening behelst algemene technische voorschriften voor de typegoedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen en afzonderlijke technische eenheden en bevat een lijst van de veiligheidsgebieden waarvoor nog nadere voorschriften (moeten) worden uitgewerkt in afgeleide wetgeving. Alle verkeersveiligheidsreglementen van de VN die op verplichte basis in de EU moeten worden toegepast, zijn in een bijlage bij de voorgestelde verordening opgenomen. |
|
3.5 |
Met de voorgestelde verordening wordt de Commissie ook in staat gesteld om via gedelegeerde handelingen gedetailleerde bepalingen en technische voorschriften vast te leggen. |
|
3.6 |
De huidige verplichting om personenvoertuigen van een bandenspanningscontrolesysteem te voorzien wordt uitgebreid tot alle voertuigcategorieën. |
|
3.7 |
Een reeks geavanceerde veiligheidsvoorzieningen, zoals intelligente snelheidsondersteuning, vermoeidheids- en aandachtsdetectie en afleidingsdetectie, achteruitrijdetectie, noodstopsignaal, ondersteuning van de installatie van een alcoholslot en een geavanceerd noodremsysteem, worden verplicht voor alle voertuigen. |
|
3.8 |
Personenauto's en lichte bedrijfswagens moeten daarnaast worden voorzien van:
Vrachtwagens en zware bedrijfsvoertuigen (categorieën N2 en N3) en bussen (categorieën M2 en M3) moeten worden uitgerust met:
Bovendien moeten bussen zo ontworpen en gebouwd zijn dat zij toegankelijk zijn voor personen met beperkte mobiliteit, met inbegrip van rolstoelgebruikers. Voertuigen op waterstof moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage V bij de voorgestelde verordening. Wat geautomatiseerde voertuigen betreft, moeten gedetailleerde bepalingen en technische voorschriften worden uitgewerkt, als basis voor de ingebruikname van deze voertuigen. |
4. Algemene opmerkingen
|
4.1 |
Het EESC is verheugd over het initiatief van de Commissie om een nieuw scala aan geavanceerde veiligheidsmaatregelen verplicht te stellen als standaarduitrusting van wegvoertuigen. Wel wenst het erop te wijzen dat er naast het aanscherpen van de verplichte minimumnormen voor nieuwe voertuigen die op de Europese markt worden verkocht, meer moet worden gedaan om burgers in de EU aan te sporen en zo nodig te dwingen om in de eerste plaats zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen veiligheid en die van andere weggebruikers door zich in het verkeer naar behoren te gedragen. |
|
4.2 |
Worden er met betrekking tot het weggedrag, de arbeidsomstandigheden en vaardigheden van beroepschauffeurs en de weginfrastructuur geen aanvullende maatregelen getroffen, dan dreigt de beoogde vermindering van het aantal ernstige wegongevallen in gevaar te komen — de nieuwe maatregelen inzake veiligheidsvoorzieningen van voertuigen, hoe nuttig en noodzakelijk die ook zijn, zullen op zichzelf mogelijk slechts een beperkt effect sorteren. Aangezien het aantal verkeersongevallen en daarmee ook het aantal doden en ernstig gewonden hoog blijft, is een dynamische aanpassing van het verkeersveiligheidsbeleid vereist, in die zin dat er niet alleen strengere eisen aan de veiligheidsvoorzieningen van voertuigen worden gesteld en preventieve maatregelen worden getroffen, maar ook afschrikkende maatregelen worden genomen jegens eenieder die zich niet aan de regels houdt en zijn eigen leven en dat van anderen in gevaar brengt. |
|
4.3 |
Weliswaar moet een impuls worden gegeven aan intelligente vervoerssystemen en aan technologie die interactie tussen bestuurders mogelijk maakt, maar men kan niet verwachten dat de mobiliteit van de toekomst, d.w.z. intelligente vervoerssystemen en volledig geautomatiseerd rijden, op korte en middellange termijn een oplossing biedt voor de huidige problemen. |
|
4.4 |
Volgens de Commissie zal de bescherming van kwetsbare weggebruikers dankzij het herziene kader verbeterd kunnen worden. In artikel 3, onder 1), van de voorgestelde verordening wordt „kwetsbare weggebruiker” gedefinieerd als „een weggebruiker die gebruikmaakt van een gemotoriseerd voertuig op twee wielen of een niet-gemotoriseerde weggebruiker, zoals een fietser of voetganger”. Het EESC is van mening dat deze definitie niet noodzakelijkerwijs betrekking heeft op alle risicogroepen, waaronder personen die vanwege hun leeftijd (kinderen, ouderen) of handicap kwetsbaar zijn. |
|
4.5 |
Het is algemeen bekend dat de verkeersveiligheid voornamelijk in gevaar wordt gebracht door onveilig weggedrag (te hard rijden, alcohol- of drugsgebruik, gebruik van mobiele elektronische apparatuur tijdens het rijden, zich laten afleiden, lichamelijk niet in staat zijn om te rijden, te lang achter elkaar rijden, niet op tijd rusten) en slechte infrastructuur (geen apart weggedeelte voor voetgangers, ontoereikende verlichting). |
|
4.6 |
Het EESC gaat er dan ook mee akkoord dat de Commissie de volgende voorzieningen systematisch in nieuwe voertuigen wil laten installeren om deze gevaren deels te voorkomen:
|
|
4.7 |
Het EESC vraagt zich wel af waarom in de voorgestelde verordening alleen wordt bepaald dat de installatie van een alcoholslot ondersteund moet worden en niet dat de installatie van een dergelijke voorziening verplicht is. Onderzoek van het „Verband der TÜV e.V.” (4) wijst uit dat 11 % van de ongevallen in 2016 werd veroorzaakt door bestuurders die onder invloed van alcohol bleken te zijn. Gezien het hoge aantal onopgemerkte gevallen van dronken rijden (ca. 1:600) wordt naar schatting meer dan 25 % van de ongevallen veroorzaakt door alcoholmisbruik. Het EESC vindt dat de installatie van een alcoholslot niet beperkt zou moeten worden tot recidivisten wier rijbewijs door de rechter wegens rijden onder invloed van alcohol of verdovende middelen is ingetrokken, maar algemeen verplicht zou moeten worden. |
|
4.8 |
Het EESC beveelt aan om de gegevensrecorder voor incidenten (ongevallen) ook verplicht te stellen voor vrachtwagens en bussen, aangezien tachografen wel bepaalde rijgegevens verschaffen, maar cruciale informatie tijdens en na een ongeval niet opslaan. |
|
4.9 |
Volgens de effectbeoordeling van de Commissie, die als bijlage bij de voorgestelde verordening is gevoegd, zal de invoering van de nieuwe veiligheidsvoorzieningen er over een periode van 16 jaar toe bijdragen het aantal doden met 24 794 en het aantal zwaargewonden met 140 740 te verminderen. Het EESC vraagt zich af of dergelijke minutieuze ramingen niet als nogal ongeloofwaardig beschouwd zullen worden en afbreuk zullen doen aan de meerwaarde van de hele effectbeoordeling. |
|
4.10 |
Tot slot wijst het EESC erop dat fabrikanten op vrijwillige basis voertuigen maken die aan hogere dan de Europese wettelijke veiligheidsnormen voldoen. Helaas gebeurt dit vaak alleen bij de topmodellen die op de belangrijkste markten van de lidstaten verkocht worden, terwijl minder dure modellen slechts met de wettelijk verplichte veiligheidsvoorzieningen worden uitgerust. Gevolg hiervan is dat niet alle burgers in de EU toegang tot hetzelfde veiligheidsniveau hebben. Het EESC beveelt de Commissie daarom aan ervoor te zorgen dat de Europese normen sneller aan de technologische ontwikkelingen worden aangepast.
Dit geldt ook voor vrachtwagens en bussen, met name wat betreft het detectie- en waarschuwingssysteem voor situaties waarin weggebruikers zich vlak voor of rechts van het voertuig bevinden (dode hoek); de installatie hiervan dient eveneens zo snel mogelijk verplicht te worden gesteld. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Zie persbericht van de Commissie van 10 april 2018, IP/18/2761.
(2) Zie persbericht van de Commissie van 10 april 2018, IP/18/2761.
(3) Zie persbericht van de Commissie van 10 april 2018, IP/18/2761.
(4) https://etsc.eu/wp-content/uploads/5_VdTÜV_DeVol_Brussels.PPT_17.06.18.pdf
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/95 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot aanvulling van de wetgeving inzake EU-typegoedkeuring in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie
(COM(2018) 397 final — 2018/0220 (COD))
(2018/C 440/15)
|
Rapporteur: |
Séamus BOLAND |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 2.7.2018 Raad, 3.7.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
198/0/7 |
1. Conclusies
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is verheugd over het voorstel van de Europese Commissie voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot aanvulling van de wetgeving inzake EU-typegoedkeuring in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. |
|
1.2. |
Het EESC is van mening dat het voorstel is toegespitst op de praktische stappen die moeten worden genomen om de echte gevolgen voor de sectoren voor de productie en distributie van voertuigen en voor de consumenten aan te pakken. Er is hier sprake van gevolgen die voortvloeien uit onvermijdelijke juridische wijzigingen in de certificering van typegoedkeuringen door instanties in het VK op basis van EU-wetten. |
|
1.3. |
In het kader hiervan is het EESC van mening dat dit voorstel als model moet dienen voor vele andere soortgelijke overeenkomsten die als gevolg van de brexit vereist zijn. |
|
1.4. |
Het EESC beveelt aan dat door goedkeuring van dit voorstel wordt erkend dat er behoefte is aan een redelijke aanlooptijd voordat de volledige tenuitvoerlegging van het nieuwe systeem van kracht wordt. De terugtrekkingsdatum 29 maart laat algemeen gezien veel te weinig ruimte en moet aan de hand van afspraken tussen het VK en de EU worden uitgesteld. |
|
1.5. |
Het EESC aanvaardt dat de typegoedkeuringsinstanties van het VK na de beëindiging van het VK-lidmaatschap niet langer voertuigen onder EU-wetgeving zullen kunnen certificeren en dat in het VK gevestigde fabrikanten een goedkeuring zullen moeten aanvragen bij een van de in de EU-27 gevestigde instanties. Omdat de regering van het VK van mening is dat haar instantie internationaal gezien als een typegoedkeuringsinstantie moet worden erkend, beveelt het EESC aan dat elke verwarring hieromtrent uit de weg wordt geruimd. |
|
1.6. |
Het EESC merkt op dat dit voorstel ten uitvoer zal worden gelegd binnen parameters die beschreven staan in het algemeen onderhandelde terugtrekkingsakkoord. Het beveelt derhalve aan om dit voorstel op geen enkele manier af te zwakken. |
|
1.7. |
Het EESC merkt op dat er binnen de EU wijzigingen aan en amendementen op richtlijnen kunnen optreden naar aanleiding van nieuwe technologieën, nieuwe informatie en dergelijke. Het raadt dan ook aan dat in overeenkomsten de nodige flexibiliteit wordt ingebouwd zodat gepaste onderhandelingen kunnen plaatsvinden. |
|
1.8. |
Het EESC beveelt aan dat bij alle algemene handelsovereenkomsten, alsook bij de beëindiging van lidmaatschap, rekening wordt gehouden met de enorme markt die in de EU en het VK bestaat. Bovendien moeten alle overeenkomsten waarborgen dat deze markt niet op negatieve wijze wordt verstoord. |
|
1.9. |
Het EESC beveelt sterk aan genoeg middelen uit te trekken voor de nodige informatiesystemen, opleidingen en adviesdiensten en die op transparante wijze ter beschikking te stellen van alle bedrijfssectoren, met inbegrip van consumentenorganisaties en belanghebbenden op het gebied van milieu. |
|
1.10. |
Het EESC aanvaardt dat er met dit voorstel weliswaar geen „grondrechten” worden geschonden, maar stelt dat consumentenrechten altijd een punt van zorg zullen blijven en raadt dan ook aan hier tijdens de hele tenuitvoerlegging aandacht aan te schenken. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Op 23 juni 2016 heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, na een referendum over het EU-lidmaatschap, besloten de EU te verlaten. Deze beslissing betreft ook Gibraltar. |
|
2.2. |
Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk de EU op de hoogte gebracht van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Eenmaal in gang gezet, volgde een onderhandelingsprocedure over beëindiging van het lidmaatschap, met het oog op het succesvol beheren van nieuwe complexe juridische afspraken. |
|
2.3. |
Zodra deze procedure is afgerond, zal het Verenigd Koninkrijk vanaf 30 maart 2019 geen lid meer zijn van de EU en een derde land worden, tenzij er in de overeenkomst een nieuwe begindatum wordt voorgesteld. |
|
2.4. |
Het is duidelijk dat door de intrekking van lidmaatschap het hoofd moet worden geboden aan talloze praktische kwesties met betrekking tot EU-wijde regelgeving inzake goederen en diensten. Met name typegoedkeuringsinstanties die in Groot-Brittannië gevestigd zijn, zullen vanaf de datum van beëindiging van het lidmaatschap niet langer een EU-regulator zijn. Dit heeft op zijn beurt gevolgen voor bestaande en toekomstige regelgeving voor goederen, ook reeds goedgekeurde goederen. |
|
2.5. |
Het dient evenwel te worden opgemerkt dat het exacte standpunt van het VK met betrekking tot de Britse typegoedkeuringsinstanties zal afhangen van de algemene overeenkomst, waarover nog wordt onderhandeld. |
|
2.6. |
Een van de vele gevolgen is de verstoring van de diverse toeleveringsketens, die zo nauwgezet zijn afgestemd dat ze op een kostenefficiënte en tijdige wijze goederen kunnen leveren in alle lidstaten, ook in Groot-Brittannië. |
|
2.7. |
In het kader van dit voorstel is men zich ook terdege bewust van de noodzaak om aan alle kwaliteitsnormen te voldoen en om te verzekeren dat milieu- en consumentgerelateerde normen niet worden afgezwakt. |
|
2.8. |
Dit voorstel kan gemakkelijk dienen als model voor andere soortgelijke overeenkomsten. Het is dan ook van cruciaal belang dat het de steun krijgt van alle belanghebbenden en van het grote publiek. |
|
2.9. |
In dit voorstel wordt gesteld dat er geen gevolgen zijn voor de bescherming van de grondrechten. Het EESC merkt evenwel op dat wijzigingen in regelgevingsstructuren die van invloed zijn op goederen, altijd gevolgen zullen hebben voor consumenten. |
|
2.10. |
Dit advies is toegespitst op de situatie met betrekking tot het typegoedkeuringssysteem voor motoren, voertuigen die betrokken zijn bij het goederenvervoer en motoren in niet voor de weg bestemde mobiele machines. |
3. Kern van het Commissievoorstel
|
3.1. |
Via het voorstel van de Commissie wil men het EU-wetgevingskader wijzigen dat het typegoedkeuringssysteem regelt zoals het van toepassing is op een aantal producten en dat niet langer van toepassing zal zijn op het Verenigd Koninkrijk nadat het uit de Unie is gestapt. |
|
3.2. |
Meer specifiek, en onder voorbehoud van overgangsbepalingen die in het terugtrekkingsakkoord kunnen worden opgenomen, stelt het voorstel van de Commissie dat het gaat om de volgende wetgeving:
|
|
3.3. |
In het voorstel wordt ook duidelijk gemaakt dat de bestaande typegoedkeuringsinstanties van het VK niet langer als dusdanig onder EU-wetgeving zullen kunnen werken. Om met de EU-wetgeving in overeenstemming te blijven en om toegang tot Europese markten te behouden, moeten fabrikanten die goedkeuringen in het VK hebben verkregen nieuwe goedkeuringen aanvragen bij een van de typegoedkeuringsinstanties van de EU-27. Dit is ook van toepassing op producten die al in productie zijn. |
|
3.4. |
Dit heeft aanzienlijke gevolgen voor de toekomstige rol van de typegoedkeuringsinstanties van het VK. Men maakt zich ernstige zorgen over de toekomst van de productie van voertuigen in het VK en omgekeerd binnen de EU. Deze bezorgdheden hebben hoofdzakelijk te maken met de juridische onzekerheid van typegoedkeuringen van het VK en met de afzwakking van een van de belangrijkste beginselen van regelgeving, namelijk het behoud van regelgevingsconsistentie binnen de hele Europese Unie. |
|
3.5. |
Met het voorstel wil men deze kwesties aanpakken door het tijdelijk wijzigen van bestaande regels zodat getroffen fabrikanten zonder al te veel problemen in een van de landen van de EU-27 een goedkeuring kunnen aanvragen. Volgens dit voorstel:
|
|
3.6. |
Het voorstel van de Commissie erkent de noodzaak om consumenten te beschermen met betrekking tot veiligheid van voertuigen en behoud van milieunormen. |
|
3.7. |
Het voorstel maakt duidelijk dat het werk van typegoedkeuringsinstanties niet eindigt met de productie of het in de handel brengen van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, maar zich tot meerdere jaren na het in de handel brengen van de desbetreffende producten uitstrekt. |
4. Opmerkingen
|
4.1. |
Autofabrikanten hebben nieuwe certificaten nodig voor nieuwe modellen die ongeveer om de zeven jaar uitkomen, maar ook voor aanzienlijke wijzigingen aan het ontwerp of de motor, die vaker kunnen voorkomen. Dit maakt het des te dringender om ervoor te zorgen dat er na de brexit een geleidelijke aanpassing komt van de regelgeving voor de productie ervan. |
|
4.2. |
Zo’n 56 % van de uitvoer van voertuigen uit het VK gaat naar Europa; slechts zo’n 7 % van de Europese uitvoer van voertuigen komt naar het VK. Analyses van marktgegevens met betrekking tot de levering van reserveonderdelen wijzen evenwel op een meer complex geheel van afspraken die een soepel regelgevingskader vereisen. |
|
4.3. |
Het EESC stelt vast dat de bekendmaking van dit voorstel niet betekent dat het effect ervan kan worden beoordeeld, gezien de grote onzekerheid die rond de huidige onderhandelingen tussen de EU en het VK heerst. |
|
4.4. |
Het EESC is van mening dat het voorstel geschikter is voor een succesvol onderhandelde overeenkomst tussen Groot-Brittannië en de EU, waarbij er voldoende overeenstemming is om maatregelen uit te voeren die het mogelijk maken dat er een zekere vorm van handel plaatsvindt binnen een douane-unie en/of een eengemaakte markt. |
|
4.5. |
Het EESC is het eens met de volgende stelling die het Britse Lagerhuis heeft bekendgemaakt (vijfde verslag van zitting 2017-2019, getiteld „The impact of Brexit on the automotive sector”): het Britse Lagerhuis ziet niet in hoe het voor multinationale grote fabrikanten — die het merendeel van de automobielsector in het VK uitmaken — economisch voordelig zou zijn om productie in het VK te hebben in een „no deal”-scenario of WTO-tariefscenario. Bij een „no deal”-scenario zal het voorstel dan ook moeten worden herschreven in bewoordingen die verzekeren dat het solide genoeg is om op een dergelijk scenario voorbereid te zijn. |
|
4.6. |
Over de exacte situatie met betrekking tot de toekomstige rol van de typegoedkeuringsinstanties van het VK hebben het VK en de Europese Unie tot nu toe nog geen overeenkomst bereikt. Het EESC is van mening dat het oplossen van deze kwestie van essentieel belang is om van het nieuwe regelgevingskader een succes te maken. |
5. Uitdagingen
|
5.1. |
Het EESC is verheugd over de doelstellingen van het voorstel, met name de intentie om kosten voor de sector door vertragingen bij de grenzen en nodeloze bureaucratie te beperken, terwijl wordt verzekerd dat de hoogste norm van toepassing is. Het EESC is evenwel van mening dat het behalen van deze doelstellingen een enorme uitdaging is, rekening houdend met het feit dat er nu een volledig nieuw regelgevingssysteem moet worden uitgewerkt. |
|
5.2. |
Het EESC merkt evenwel ook op dat een dergelijk systeem onvermijdelijk zal leiden tot hogere kosten, voornamelijk omdat Groot-Brittannië voortaan geen lidstaat meer zal zijn en net als andere niet-lidstaten onderworpen zal zijn aan andere afspraken. |
|
5.3. |
Kwesties waarvoor regels gelden, zoals milieu, consumentenrechten, kwaliteit van producten en dergelijke, zijn vaak onderworpen aan nieuwe of gewijzigde interne EU-wetgeving en lopende richtlijnen. Het EESC is van mening dat zowel de EU als het VK moet verzekeren dat de overeenkomst inzake het regelgevingskader flexibel genoeg is om hier op in te spelen, zodat er zo weinig mogelijk verstoring optreedt. |
|
5.4. |
Binnen de EU heeft het proces voor de productie en distributie van voertuigen zich op een sterk geïntegreerde manier ontwikkeld. Er zijn veel complexe en efficiënte toeleveringsketens in gebruik, die volgens alle deskundigen en het EESC aanzienlijke veranderingen zullen ondergaan wanneer het VK geen EU-lid meer is. Het EESC is ook van mening dat een dergelijke verstoring de efficiëntie van deze systemen zal verminderen. |
|
5.5. |
Gezien het grote aantal voertuigen dat in Groot-Brittannië wordt gefabriceerd en naar de EU wordt uitgevoerd, is het EESC vooral bezorgd over het feit dat elke uitsluiting van het VK van deze markt een negatieve invloed zal hebben op het algemene concurrentievermogen, wat op zijn beurt de kosten voor alle economische sectoren en voor de consumenten zal verhogen. Via het voorstel van de Commissie, die graag zou zien dat al deze belangen worden beschermd, moet worden gegarandeerd dat men zich hiervoor permanent inzet, wat in toekomstige afspraken moet worden verankerd. |
|
5.6. |
De complexiteit van de voorgestelde wijzigingen vereist aanzienlijke verbintenissen van beide kanten om uitgebreide informatie en opleidingsprogramma’s te verstrekken aan de sector en aan de typegoedkeuringsinstanties. Dit is een enorme uitdaging wat middelen betreft en het vraagt heel wat tijd. Ook de uitvoeringstermijn vormt een aanzienlijke uitdaging, gezien het huidige tijdschema voor uittreding van het VK zoals vastgesteld in artikel 50. |
|
5.7. |
Gezien de tijd die de onderhandelingsovereenkomst in beslag neemt en de tijd die nodig is om diverse systemen op elkaar af te stemmen, is het EESC van mening dat na de terugtrekkingsdatum van maart 2019 een overgangsperiode nodig zal zijn. |
|
5.8. |
Aangezien een gunstig resultaat de voortzetting van het huidige systeem is, dat het verkeer van voertuigen en aanverwante producten tussen het VK en de EU regelt, is het EESC van mening dat voertuigen die in het VK worden vervaardigd aan EU-regelgeving moeten voldoen. Het EESC merkt dan ook op dat het ontzettend moeilijk zal zijn om dit voorstel toe te passen, tenzij het VK op de een of andere manier betrokken is bij de douane-unie, de eengemaakte markt of beide. |
|
5.9. |
Het EESC is van mening dat de nieuwe status van het VK als niet-lid blijvende uitdagingen zal opleveren voor het regelgevingskader met betrekking tot voertuigen, mobiele en niet-mobiele toepassingen. Als er niet snel een oplossing voor deze problemen komt, zullen de fabrikanten er uiteindelijk toe worden gedwongen om de aard van hun huidige toeleveringsketen aan te passen, wat een invloed zou kunnen hebben op de continuïteit van beschikbare producten en op de kosten voor consumenten. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/100 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 469/2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen
(COM(2018) 317 final — 2018/0161 (COD))
(2018/C 440/16)
|
Algemeen afdelingsrapporteur: |
János WELTNER |
|
Raadpleging |
Raad, 21.6.2018 Europees Parlement, 2.7.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
|
|
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
20.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
167/2/7 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) neemt kennis van het feit dat de Commissie in haar werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD), vier opties heeft geanalyseerd voor de aanpak van de bestaande problemen als gevolg van de huidige status van het aanvullende beschermingscertificaat (ABC). |
|
1.2. |
Het EESC is het eens met de conclusie van de Europese Commissie, waarin wijzigingen in overeenstemming met optie 4 (1) worden voorgesteld, dat wil zeggen wetgeving inzake ontheffingen voor uitvoer en het aanleggen van voorraden door wijziging van Verordening (EG) nr. 469/2009. |
|
1.3. |
Het EESC is ingenomen met het feit dat dit voorstel de bescherming van aanvullende beschermingscertificaten intact laat voor zover het gaat om het in de handel brengen van producten op de EU-markt. |
|
1.4. |
Het EESC is ook ingenomen met de marktexclusiviteit van de houders van aanvullende beschermingscertificaten in de EU gedurende de volledige periode van de ABC-bescherming. |
|
1.5. |
Het EESC acht het uiterst belangrijk dat er op de markten buiten de Unie waar geen bescherming bestaat of deze vervallen is, sprake is van eerlijke concurrentie voor in de EU gevestigde producenten die generieke en biosimilaire geneesmiddelen op deze markten brengen. |
|
1.6. |
Het EESC staat pal achter deze vrijwaringsmaatregelen die transparantie waarborgen en beschermen tegen een mogelijke verlegging van handelsstromen van generieke en biosimilaire geneesmiddelen („G/B’s”) waarvan het oorspronkelijke product door een ABC wordt beschermd, naar de markt van de Unie. |
|
1.7. |
Het EESC steunt het standpunt van de Commissie ten opzichte van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), daar zij een belangrijke rol spelen in de productie van generieke en de ontwikkeling van biosimilaire geneesmiddelen. De kmo’s zullen hun marktactiviteiten beter kunnen plannen als het nieuwe ABC in werking treedt. |
|
1.8. |
Het EESC steunt het plan van de Commissie voor de evaluatie van de wetgeving betreffende weesgeneesmiddelen en geneesmiddelen voor kinderen, met een voor 2018-2019 geplande analyse. |
|
1.9. |
Het EESC begrijpt het standpunt van de Commissie dat, hoe nuttig ook, de Commissie momenteel geen voorstel voor een eenheidstitel voor ABC’s zal indienen, omdat het pakket voor het eenheidsoctrooi nog niet in werking is getreden. |
|
1.10. |
Het EESC steunt de wijziging van Verordening (EG) nr. 469/2009, zoals vermeld in document COM(2018) 317. De Commissie zou wel kunnen voorstellen om Verordening (EG) nr. 469/2009 in de in document COM(2018) 317 vastgelegde versie zo te wijzigen dat een ontheffing van de ABC-verplichting onmiddellijk haar beslag kan krijgen. |
2. Achtergrond
|
2.1. |
Een ABC zal de periode verlengen van effectieve octrooibescherming voor nieuwe geneesmiddelen, waarvoor een vergunning voor het in de handel brengen vereist is. |
|
2.2. |
De houder van zowel een octrooi als een ABC geniet maximaal 15 jaar bescherming vanaf het moment waarop voor het eerst een vergunning voor het in de handel brengen van het betrokken product in de EU wordt verkregen. |
|
2.3. |
De voordelen van een ABC zijn aanzienlijk voor de houder. Aangezien een ABC dezelfde rechten verleent als een basisoctrooi, wordt het uit het basisoctrooi (referentieoctrooi) voortvloeiende monopolie uitgebreid en wordt de houder ervan in staat gesteld om concurrenten te beletten van de uitvinding gebruik te maken (produceren, te koop aanbieden, opslaan enz. van het geneesmiddel) in die lidstaten waar een ABC is verleend. |
|
2.4. |
Een ABC dient als compensatie voor de investering in onderzoek. Het moet ook compensatie bieden voor verder onderzoek, controle en het wachten in de periode tussen de indiening van de octrooiaanvraag en de ontvangst van de vergunning voor het in de handel brengen van een dergelijk product. |
|
2.5. |
In de EU kan een ABC onder de volgende voorwaarden worden verleend: |
|
2.5.1. |
op de datum van de aanvraag om aanvullende bescherming wordt het product door een basisoctrooi beschermd; |
|
2.5.2. |
voor het product is nog geen certificaat afgegeven; |
|
2.5.3. |
er is een geldige en eerste administratieve vergunning voor het in de handel brengen van het product als geneesmiddel verleend. |
|
2.6. |
Uit de standpunten van de belanghebbenden (2) blijkt dat de huidige ABC’s in de EU gevestigde fabrikanten van generieke en biosimilaire geneesmiddelen (G/B’s) benadelen ten opzichte van fabrikanten die G/B’s buiten de EU kunnen produceren. |
|
2.7. |
In zijn huidige vorm wordt het aanvullende beschermingscertificaat voor de EU steeds afhankelijker van de invoer van geneesmiddelen en farmaceutische producten van buiten de EU. |
|
2.8. |
De mondiale farmaceutische markt is veranderd. Snelgroeiende economieën („pharmerging”) in combinatie met de vergrijzing in traditionele geïndustrialiseerde regio’s hebben geleid tot een massale vraag naar geneesmiddelen. De totale mondiale uitgaven voor geneesmiddelen zijn gestegen van 950 miljard EUR in 2012 tot 1,1 triljoen EUR in 2017 (VS 40 %, China 20 % en de EU minder dan 15 %). In 2022 zullen biologische geneesmiddelen goed zijn voor 25 % van de farmaceutische marktwaarde. Dit gaat gepaard met een verschuiving in de richting van een steeds groter marktaandeel voor G/B’s, dat in 2020 80 % van geneesmiddelen gemeten naar volume kan uitmaken en ongeveer 28 % van de wereldwijde omzet. |
|
2.9. |
Volgens Medicines for Europe wordt 56 % van alle huidige in de EU geleverde geneesmiddelen gemeten naar volume vertegenwoordigd door G/B’s. |
|
2.10. |
De „Bolar (3)-vrijstelling” heeft een onbedoeld neveneffect van een sterke octrooibescherming weggenomen, op grond van het idee dat vrije mededinging moet worden toegestaan zodra de bescherming vervalt. Het betreft een productievrijstelling voor testen en klinische proeven, en was bedoeld om ervoor te zorgen dat een generiek geneesmiddel zo snel mogelijk na het verstrijken van de octrooi-/ABC-bescherming in de handel kan worden gebracht. |
|
2.11. |
Wat de ABC-productievrijstelling betreft, kampen EU-bedrijven met een situatie die vergelijkbaar is met die van vóór het Bolar-tijdperk. Hoewel het legitieme doel van een ABC is om te voorkomen dat concurrerende producten worden geproduceerd met als doel deze op de EU-markt in de handel te brengen terwijl het ABC van kracht is, treden er twee onbedoelde en onvoorziene gevolgen op: |
|
2.11.1. |
de productie van G/B’s in de EU en de uitvoer ervan naar derde landen (waar geen wettelijke bescherming geldt) gedurende de duur van het ABC in de EU worden verhinderd; en |
|
2.11.2. |
de tijdige productie van G/B’s in de EU (en de daaropvolgende opslag) om direct vanaf dag 1 op de EU-markt te worden geplaatst, wordt verhinderd. |
|
2.12. |
Fabrikanten van G/B’s (gevestigd in een lidstaat waar de aanvraag voor een ABC voor het referentiegeneesmiddel is ingediend) zien zich geconfronteerd met de volgende problemen: |
|
2.12.1. |
Gedurende de periode van bescherming uit hoofde van het certificaat van het referentiegeneesmiddel in de EU, mogen fabrikanten dat geneesmiddel voor geen enkel doel produceren, ook niet voor uitvoer naar landen buiten de EU waar de ABC-bescherming voor het referentiegeneesmiddel is vervallen of nooit heeft bestaan, terwijl de in die derde landen gevestigde fabrikanten dat wel mogen. |
|
2.12.2. |
Onmiddellijk na het vervallen van het certificaat: ze zijn niet klaar om op dag 1 op de EU-markt te worden gebracht, omdat het Europese ABC-systeem de productie ervan in de EU tot dat moment niet toestaat. Fabrikanten die gevestigd zijn in derde landen waar de ABC-bescherming voor het referentiegeneesmiddel eerder is vervallen of nooit heeft bestaan, kunnen daarentegen vanaf dag 1 klaar zijn om via de uitvoer de EU- markt te betreden en hebben zo dus een aanzienlijk concurrentievoordeel. |
|
2.13. |
De G/B-sector is momenteel goed voor 160 000 banen in de EU (Medicines for Europe). Het verlies van banen, met name van hooggekwalificeerde banen, het verlies van knowhow en een braindrain naar landen buiten de EU, met name naar Azië, moet dringend worden voorkomen door een wijziging in de regelgeving voor ABC’s. |
|
2.14. |
De EU was pionier op het gebied van de ontwikkeling van regelgevingsprocedures voor de toelating van biosimilaire geneesmiddelen: het EMA verleende in 2006 de eerste vergunning voor een biosimilair geneesmiddel, de FDA deed dit pas in 2015. Er is echter een duidelijk teken aan de wand dat Europa zijn concurrentievoordeel momenteel aan het verliezen is, terwijl de handelspartners bezig zijn aan een inhaalbeweging. Daarom moet de EU het concurrentievermogen van in de EU gevestigde fabrikanten van G/B’s dringend herstellen. Niets doen of initiatieven uitstellen zou de EU-industrie verder verzwakken en het concurrentievoordeel dat de EU als pionier in de biosimilaire sector heeft, tenietdoen. |
|
2.15. |
Overeenkomstig de strategie voor de interne markt is een gerichte herkalibratie van bepaalde aspecten van de ABC’s nodig, die gericht is op de aanpak van de volgende problemen: |
|
2.15.1. |
verlies van uitvoermarkten in onbeschermde derde landen; |
|
2.15.2. |
vanaf dag 1 toegang tot de markten van de lidstaten voor in de EU gevestigde fabrikanten van G/B’s door de invoering van een „ABC-productievrijstelling” in de Europese ABC-wetgeving waardoor G/B’s gedurende de ABC-periode in de EU kunnen worden geproduceerd; |
|
2.15.3. |
gefragmenteerde uitvoering van de huidige ABC-regeling in de lidstaten, waarvoor het aanstaande eenheidsoctrooi, en de eventueel daarna in te stellen eenheidstitel voor aanvullende beschermingscertificaten, mogelijk een oplossing kunnen bieden; |
|
2.15.4. |
gefragmenteerde uitvoering van de Bolar-onderzoeksvrijstelling. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Wat mogen we verwachten van de nieuwe regeling? |
|
3.1.1. |
De versterking en instandhouding van de productiecapaciteit en knowhow in de EU, waardoor onnodige verplaatsing/outsourcing wordt teruggedrongen. |
|
3.1.2. |
Een betere toegang van patiënten in de EU tot geneesmiddelen door middel van diversificatie van geografische voorraadbronnen waardoor de binnenlandse productie wordt versterkt. |
|
3.1.3. |
Het wegnemen van de belemmeringen voor het starten van bedrijven die generieke en biosimilaire geneesmiddelen produceren binnen de EU, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen die het moeilijker hebben om deze belemmeringen uit de weg te ruimen en problemen kunnen ondervinden als ze te maken krijgen met concurrentie van buiten de EU. |
|
3.1.4. |
Aangezien de voor de uitvoer opgezette productiecapaciteit voorafgaand aan het vervallen van het certificaat kan worden gebruikt om vanaf dag 1 de Europese markt te beleveren, zal deze naar verwachting ook de toegang tot geneesmiddelen in de Unie bevorderen doordat G/B’s na het vervallen van certificaten sneller op de markt kunnen worden gebracht; dit zorgt voor een breder aanbod aan betaalbare geneesmiddelen wanneer de duur van de octrooi- en ABC-bescherming eenmaal verstreken is. Dit zou een positief effect moeten hebben op de nationale begrotingen wat de gezondheidszorg betreft. |
|
3.1.5. |
Tot op zekere hoogte zal het voorstel ertoe bijdragen dat de toegankelijkheid van geneesmiddelen voor EU-patiënten, met name in die lidstaten waarin de toegang tot bepaalde referentiegeneesmiddelen (bijv. bepaalde biologische geneesmiddelen) moeilijk is, wordt verbeterd doordat hiermee de voorwaarden worden geschapen voor een snellere toegang tot de markt van de Unie van verwante G/B’s wanneer de betrokken certificaten eenmaal vervallen zijn. Ook zal het leiden tot een diversifiëring in de geografische oorsprong van in de EU beschikbare geneesmiddelen en op die manier de toeleveringsketen en de voorzieningszekerheid versterken. |
4. Bijzondere opmerkingen
|
4.1. |
Mogelijk vindt de EC een manier om EU-middelen aan te wenden ter ondersteuning van de opbouw van productiecapaciteit in de lidstaten voor uitvoerdoeleinden gedurende de looptijd van het ABC. Voor bepaalde producten kan dit betekenen dat dankzij een snellere opschaling van de productie meer producten vanaf dag 1 op de EU-markt worden gebracht. |
|
4.2. |
De Commissie kan belanghebbende ngo’s ondersteunen bij hun activiteiten in het kader van de ontwikkeling van indicatoren voor toezicht op en evaluatie van de nieuwe ABC’s met het oog op de toekomstige ontwikkeling van het marktaandeel van de EU van in de EU geproduceerde generieke en biosimilaire geneesmiddelen. |
Brussel, 20 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) SWD(2018) 240 final, blz. 29.
(2) SWD(2018) 242 final.
(3) Richtlijn 2001/83/EG en Richtlijn 2001/82/EG.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/104 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging en rectificatie van Verordening (EU) nr. 167/2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen
(COM(2018) 289 final — 2018/0142 (COD))
(2018/C 440/17)
|
Rapporteur: |
Mindaugas MACIULEVIČIUS |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 28.5.2018 Raad, 1.6.2018 |
|
Rechtsgrondslag: |
Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
190/2/3 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met dit voorstel voor een verordening tot wijziging en rectificatie van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1). Het voorstel verwerkt de feedback die belanghebbenden en lidstaten in de eerste uitvoeringsperiode hebben ontvangen en moet daarom worden gesteund. |
|
1.2. |
Het EESC steunt de verlenging met nog eens vijf jaar van de bevoegdheid van de Commissie om de vereiste gedelegeerde handelingen vast te stellen, aangezien er behoefte blijft bestaan aan actualisering van diverse onderdelen van de typegoedkeuringsprocedure. |
|
1.3. |
Het is een goede zaak dat de Commissie er alles aan doet om de verschillende belanghebbenden en sociale partners over elk initiatief op dit gebied te raadplegen. |
|
1.4. |
Het EESC onderkent de activiteiten die de Commissie in dit verband op internationaal niveau ontplooit. Nieuwe, op grond van gedelegeerde handelingen ingevoerde normen worden vastgesteld in nauwe samenwerking met internationale werkgroepen, zoals de speciale werkgroepen van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN-ECE) en de OESO. |
2. Het voorstel van de Commissie
|
2.1. |
Naar aanleiding van feedback die de Commissie tijdens de eerste uitvoeringsperiode van belanghebbenden en lidstaten heeft ontvangen, wil zij Verordening (EU) nr. 167/2013 aan de technische vooruitgang aanpassen door bepaalde voorschriften te actualiseren en bepaalde redactionele fouten te rectificeren. |
|
2.2. |
Meer bepaald wordt bij deze handeling voorzien in verduidelijkingen bij twee definities van trekkercategorieën en de rectificatie van bepaalde termen die belangrijk zijn voor de uniforme toepassing van de verordening zonder verschillende interpretaties, en van de verwijzingen naar een ingetrokken wetgevingshandeling. |
|
2.3. |
Krachtens Verordening (EU) nr. 167/2013 is de Commissie bevoegd de gedetailleerde technische voorschriften, testprocedures en grenswaarden, waar van toepassing, vast te stellen in vier gedelegeerde handelingen betreffende i) arbeidsveiligheid (voertuigconstructievoorschriften); ii) functionele veiligheid; iii) remmen, en iv) milieu- en aandrijfprestaties. Die bevoegdheid is op 21 maart 2018 afgelopen. |
|
2.4. |
Het huidige voorstel voorziet in een verlenging met vijf jaar van de periode waarvoor de Commissie de bevoegdheid is toegekend gedelegeerde handelingen vast te stellen, en in de mogelijkheid tot stilzwijgende verlenging ervan, tenzij de Raad of het Europees Parlement zich daar uitdrukkelijk tegen verzet. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC is ingenomen met dit voorstel voor een verordening tot wijziging en rectificatie van Verordening (EU) nr. 167/2013. Het komt tegemoet aan de punten van zorg die belanghebbenden en lidstaten naar voren hebben gebracht en verbetert de toepasbaarheid en de duidelijkheid van de wetstekst door bepaalde eisen aan te scherpen en een aantal redactionele fouten te corrigeren. Alle betrokken partijen hebben daar vanzelfsprekend baat bij. |
|
3.2. |
Wat betreft de verlenging met nog eens vijf jaar van de bevoegdheid van de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen: het EESC kan zich in beginsel vinden in het voorstel en acht het een goede zaak dat de Commissie, zoals het EESC zelf altijd al heeft bepleit, de bevoegdheidsdelegatie voor een vaste periode heeft verlengd, met de mogelijkheid van verdere verlenging als de Raad en het Parlement daartegen geen bezwaar maken (2). |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) PB C 60 van 2.3.2013, blz. 1; PB C 54 van 19.2.2011, blz. 42.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/106 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt en verdedigt — Het meerjarig financieel kader 2021-2027
(COM(2018) 321 final)
en over het voorstel voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027
(COM(2018) 322 final/2 — 2018/0166 (APP))
en over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie
(COM(2018) 325 final — 2018/0135 (CNS))
en over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de eigen middelen op basis van de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, het emissiehandelssysteem van de Europese Unie en niet-gerecycleerd kunststof verpakkingsafval, en betreffende de maatregelen om in de behoefte van kasmiddelen te voorzien
(COM(2018) 326 final — 2018/0131 (NLE))
en over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie
(COM(2018) 327 final — 2018/0132 (APP))
en over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde
(COM(2018) 328 final — 2018/0133 (NLE))
(2018/C 440/18)
|
Rapporteur: |
Javier DOZ ORRIT |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 18.6.2018 Raad van de Europese Unie, 25.7.2018 en 5.9.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
|
|
|
Bevoegde afdeling |
Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang |
|
Goedkeuring door de afdeling |
7.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
140/3/7 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC erkent de grote Europese toegevoegde waarde van de programma’s waarvoor de uitgaven in het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 het sterkst stijgen. Het EESC plaatst echter vraagtekens bij het feit dat deze stijgingen gepaard gaan met stevige bezuinigingen op het cohesiebeleid (– 10 %) en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) (– 15 %), als gevolg van de inspanningen om de EU-begroting te verlagen van 1,16 % van het bruto nationaal inkomen (bni) van de EU-27 volgens de huidige begroting naar slechts 1,11 % in het MFK voor de periode na 2020. |
|
1.2. |
De EU staat voor grote uitdagingen, waaronder het overwinnen van de negatieve sociale en politieke gevolgen van de crisis en de externe risico’s in verband met geopolitieke instabiliteit en economisch nationalisme. De Unie moet haar vele economische en politieke mogelijkheden benutten voor de bevordering van een geavanceerd en groeigericht economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid dat de eerlijke verdeling van groeiresultaten waarborgt, de dringend noodzakelijke bestrijding van klimaatverandering en de financiering van de overgang naar een duurzaam Europa (conform artikel 3 VEU), en moet gebruikmaken van de kansen die kunstmatige intelligentie, digitalisering en Industrie 4.0 bieden. Dit alles vergt een grotere begrotingsinspanning. Het EESC sluit zich aan bij het Europees Parlement (1) en stelt ook voor om een percentage van 1,3 % van het bni te hanteren als bovengrens voor de inkomsten en uitgaven. Wat vastleggingen betreft, is 1,11 % van het bni van de EU te laag om de politieke agenda van de EU op geloofwaardige wijze te realiseren. |
|
1.3. |
Het EESC herhaalt wat het eerder in zijn advies inzake de discussienota over de toekomst van de EU-financiën (2) heeft gezegd, nl. dat de Europese burger behoefte heeft aan méér (en een beter) Europa om uit de politieke crisis in de EU te raken. De bevoegdheden en de financiële middelen die op dit moment zijn toegewezen aan de EU, zijn steeds minder goed afgestemd op de zorgen en verwachtingen van de Europese burgers. |
|
1.4. |
Het EESC onderschrijft de verbeteringen die de Commissie beoogt door te voeren in de structuur en flexibiliteit van de begroting en de capaciteit om synergieën te bevorderen, alsook de stijging van het percentage eigen middelen dat de EU mag innen. Maar die stijging is onvoldoende. Wat de inkomsten betreft, heeft de Commissie in haar voorstel voor het MFK voor de periode na 2020 slechts voor een deel rekening gehouden met de voorstellen van de Groep op hoog niveau eigen middelen (hierna „Groep op hoog niveau”) en het Europees Parlement, waarin een bredere waaier aan eigen inkomstenbronnen wordt bepleit. |
|
1.5. |
Hoewel het begrip heeft voor de redenen die ten grondslag liggen aan het voorstel van de Commissie, is het EESC het niet eens met de vermindering, tegen constante prijzen, van de middelen voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) met 12 %, en voor het Cohesiefonds met 46 % ten opzichte van de huidige begroting, zoals opgenomen in het voorstel voor het MFK 2021-2027. |
|
1.6. |
Het EESC staat niet achter de vermindering van de voorgestelde vastlegging voor het Europees Sociaal Fonds (ESF+) met 6 % in reële termen, met name gelet op de recente interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) en de bevordering van kwaliteitsbanen in november 2017. Overeenkomstig zijn recente advies over de financiering van de Europese pijler van sociale rechten (3) had het EESC verwacht dat de beginselen van de EPSR en de noodzakelijke tenuitvoerlegging ervan, met name op het gebied van werkgelegenheid, een leidraad zouden vormen bij de voorgestelde toewijzing van geplande vastleggingen in het volgende MFK. Er zou een specifiek programma moeten worden opgesteld om de lidstaten te helpen met de tenuitvoerlegging van de Verklaring van Göteborg inzake de Europese pijler van sociale rechten om hen te steunen bij hun inspanningen om hervormingen door te voeren die het scheppen van kwaliteitsbanen in het kader van duurzame ontwikkeling stimuleren. |
|
1.7. |
Het EESC is van mening dat de financiering van het cohesiebeleid (het EFRO, het CF en het ESF samen) ongewijzigd moet blijven in het MFK 2021-2027, d.w.z. dat er minstens evenveel middelen voor moeten worden uitgetrokken, tegen constante prijzen, als in het huidige financieel kader. |
|
1.8. |
Het EESC stelt met tevredenheid vast dat de Commissie melding maakt van de belangrijkste strategische investeringen die de sleutel vormen tot de toekomstige welvaart van Europa, en het voortouw neemt met betrekking tot de wereldwijde doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s). Niettemin is het EESC stellig van mening dat de SDG’s en met name Agenda 2030 een prominentere plaats hadden moeten krijgen, aangezien Agenda 2030 de komende jaren zeker bepalend zal zijn voor de koers die de EU gaat varen. |
|
1.9. |
Het EESC erkent de aanzienlijke stijging van de vastleggingen voor milieu- en klimaatactie (+ 46 %). Het EESC draagt het VN-programma voor duurzame ontwikkeling tot 2030 een warm hart toe en staat ook vierkant achter de doelen die de EU zichzelf heeft gesteld om bij te dragen aan de transitie naar een koolstofarme economie tegen 2050, maar constateert een gebrek aan ambitie in de begrotingsonderdelen die bestemd zijn voor de overgang naar duurzame ontwikkeling en de bestrijding van klimaatverandering. |
|
1.10. |
Het EESC is van mening dat de introductie van een stabilisatiemechanisme voor investeringen voor landen in de eurozone die te maken hebben met landenspecifieke schokken, weliswaar een stap in de goede richting is, maar dat de geplande vastleggingen voor leninggaranties en voor rentesubsidies voor de bovengenoemde leningen veel te laag zijn om een verschil te kunnen maken tijdens een crisis. Dit unieke en beperkte programma van de mogelijke begroting voor de eurozone maakt geen deel uit van de EMU-hervormingsstrategieën die in het MFK voor de periode na 2020 worden genoemd. |
|
1.11. |
Het EESC plaatst vraagtekens bij de voorgestelde bezuinigingen op de geplande vastleggingen voor het GLB (– 15 % in reële termen voor de EU-27, met inbegrip van het EOF in 2021-2027, afgezet tegen 2014-2020). Met deze bezuinigingen zal het onmogelijk zijn om een model van duurzame plattelandsontwikkeling — een algemene doelstelling van de nieuwe GLB-hervorming — en andere doelstellingen uit de recente mededeling van de Commissie over de toekomst van voeding en landbouw ten uitvoer te leggen. |
|
1.12. |
Het EESC prijst de Commissie om het voorstel voor een reeks nieuwe eigen middelen. Tegelijkertijd is het van mening dat de huidige voorstellen waarschijnlijk niet zullen resulteren in voldoende autonome, transparante en billijke eigen middelen. Het EESC is er evenwel voorstander van om het stelsel spoedig op samenhangende wijze te hervormen teneinde het aandeel eigen middelen in de ontvangsten te vergroten en ervoor te zorgen dat de wijze van inning van ontvangsten de EU-beleidsdoelstellingen aanvult en versterkt. Deze hervorming moet gebaseerd zijn op de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau en het Europees Parlement. De Europese instellingen dienen zich wel te realiseren dat het operationeel maken van al deze eigen middelen in de periode 2021-2027 een complexe aangelegenheid zal zijn. |
|
1.13. |
Het EESC verwelkomt het voorstel om de kortingen (of cheques) voor landen die grote bijdragen hebben geleverd aan de financiering van de EU-begroting, te schrappen. |
|
1.14. |
Het EESC steunt het voorstel om de ontvangst van EU-middelen door de lidstaten afhankelijk te stellen van de eerbiediging van het beginsel van de rechtsstaat, een fundamentele pijler van de waarden van de Unie volgens artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en meent dat deze voorwaarde zou kunnen worden uitgebreid naar de andere beginselen met betrekking tot de rechtsstaat die zijn vervat in de EU-Verdragen. Het EESC verzoekt de Commissie en het Parlement dan ook om deze mogelijkheid te onderzoeken. |
|
1.15. |
Het EESC is ingenomen met de steun voor investeringen die via de InvestEU-garantie wordt verstrekt en met de beoogde betrokkenheid van andere partners, zoals nationale stimuleringsbanken en -instellingen of internationale financiële instellingen (bijv. de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, EBWO), maar vindt het jammer dat de middelen alleen voldoende zullen zijn om de eerdere kredietverlening door de EIB (4) op peil te houden en geen rekening houden met het grote investeringstekort in de EU. Het EESC pleit ook voor wijzigingen in de werking van InvestEU om ervoor te zorgen dat relatief meer middelen worden toegewezen aan de landen met de laagste inkomens. Het moet een duidelijk doel van EU-programma’s zijn om convergentie te stimuleren, niet divergentie. |
|
1.16. |
Het EESC is bezorgd dat een strikte uitlegging van de voorwaarden van het stabiliteits- en groeipact en andere macro-economische voorwaarden en van de cofinancieringsvereisten voor de fondsen voor het cohesiebeleid de toegang tot deze financiering moeilijk maakt voor de EU-lidstaten die deze middelen het hardst nodig hebben. |
|
1.17. |
Het EESC is ingenomen met de voorgestelde forse toename van programma’s voor onderzoek naar en ontwikkeling van de digitale economie en samenleving, en benadrukt dat er een duidelijke strategie nodig is om innovatie te combineren met een Europees duurzaam industriebeleid gebaseerd op kwaliteitsbanen, onder meer door de samenwerking tussen academici, bedrijfsleven, sociale partners en maatschappelijke organisaties te vergemakkelijken. |
|
1.18. |
Het EESC is ingenomen met de voorgestelde wijzigingen waaronder de aanzienlijke stijgingen in reële termen voor programma’s in de rubrieken Migratie en grensbeheer en Nabuurschap en internationaal beleid. Er moet nodig een gemeenschappelijk asielbeleid worden aangenomen dat gebaseerd is op naleving van het internationale recht en op solidariteit met vluchtelingen en tussen staten onderling. Maar ook de vaststelling van een Europees migratiebeleid is dringend geboden. Aan deze vraagstukken moet extra aandacht worden besteed bij de tenuitvoerlegging van het MFK. |
|
1.19. |
Het EESC herhaalt dat het Europees semester centraal moet staan in de tenuitvoerlegging van de EU-begroting en dat daarbij zo veel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van de flexibiliteit van het nieuwe MFK. De sociale partners en het maatschappelijk middenveld zullen nauwer bij het Europees semester moeten worden betrokken om de richtsnoeren van het semester doeltreffender en democratischer ten uitvoer te leggen en om het nationale en het Europese domein met elkaar te verbinden. |
|
1.20. |
Het EESC dringt er bij de Europese instellingen en de regeringen van de lidstaten op aan om de werkzaamheden in verband met het MFK voor de periode na 2020 op te voeren, zodat het MFK volgens plan vóór de volgende Europese verkiezingen kan worden goedgekeurd. |
2. Het door de Commissie voorgestelde meerjarig financieel kader 2021-2027
|
2.1. |
Dit EESC-advies heeft betrekking op het pakket dat op 2 mei 2018 werd voorgesteld door de Commissie. Dit pakket omvat een mededeling over het MFK (5), vier voorstellen voor vier verordeningen van de Raad (6) en een voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen (7). |
|
2.2. |
Het voorgestelde plafond voor vastleggingskredieten bedraagt 1 135 miljard EUR voor 2021-2027 (in prijzen van 2018, met inbegrip van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)), wat overeenkomt met 1,11 % van het bni. Dit is een stijging ten opzichte van de 1 082 miljard EUR (de bijdrage van het VK uitgezonderd) of 1,16 % van het bni (het VK uitgezonderd) voor de periode 2014-2020. Het voorgestelde plafond voor betalingskredieten voor dezelfde periode bedraagt 1 105 miljard EUR (in prijzen van 2018 en met inbegrip van het EOF), ofwel 1,08 % van het bni, een stijging ten opzichte de vorige periode (1 045 miljard EUR/0,98 % van het bni). |
|
2.3. |
De voorgestelde wijzigingen omvatten een aantal aanzienlijke stijgingen in reële termen ten opzichte van het MFK voor de periode 2014-2020 (EU-27 plus EOF) voor programma’s in de rubrieken Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid (+ 43 %, tot 166,3 miljard EUR en 14,7 % van de totale begroting, waarvan 13,1 miljard EUR voor het InvestEU-programma), Migratie en grensbeheer (+ 210 %, tot 30,8 miljard EUR en 2,72 % van de totale begroting) en Nabuurschap en internationaal beleid (+ 14 %, tot 108,9 miljard EUR en 9,6 % van de totale begroting). Er worden echter reële bezuinigingen voorgesteld voor Cohesie en waarden (– 12 %, tot 242,2 miljard EUR voor het beleidscluster Regionale ontwikkeling en cohesie en — 10 %, tot 330,6 miljard EUR voor het cohesiebeleid) en Natuurlijke hulpbronnen en milieu (16 %, tot 336,6 miljard EUR en 29,7 % van de totale begroting), met name voor het cohesiebeleid (– 10 %) en het GLB (– 15 %). |
|
2.4. |
Aan de ontvangstenzijde omvat het pakket voorstellen voor aanvullende elementen om in overweging te nemen in het stelsel van eigen middelen van de Unie, terwijl in het voorstel voor een besluit van de Raad wordt voorgesteld de maxima voor de jaarlijkse afdrachten van eigen middelen voor betalingen en vastleggingen te verhogen tot respectievelijk 1,29 % en 1,35 % van het bni, om te voorzien in de hogere financieringsbehoefte als gevolg van de integratie van het Europees Ontwikkelingsfonds in de Uniebegroting en de financiering van nieuwe prioriteiten, met inachtneming van een toereikende veiligheidsmarge om de financiële verplichtingen na te komen. |
|
2.5. |
Naast de voorgestelde verhoging pleit de Commissie voor wijzigingen in de structuur van de EU-financiering. Het aandeel van de traditionele eigen middelen daalt licht van 15,8 % tot 15 % en de nationale bijdragen dalen van 83 % tot 72 % als gevolg van een geplande verlaging van de op het bruto nationaal inkomen gebaseerde bijdragen van 71 % tot 58 %. Een hervorming van de inning van op de btw gebaseerde eigen middelen leiden tot een stijging van het aandeel van dergelijke middelen van 11,9 % tot 14 %. Er worden nieuwe eigen middelen geïntroduceerd, waaronder bijdragen uit het emissiehandelssysteem, uit de voorgestelde nieuwe gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting — zodra die geleidelijk kan worden ingevoerd — en uit een nationale bijdrage op basis van de hoeveelheid niet-gerecyclede plastic verpakkingen. Deze nieuwe middelen kunnen in 12 % van de totale EU-begroting voorzien. |
|
2.6. |
De Commissie stelt voor dat de lidstaten aan bepaalde macro-economische voorwaarden moeten voldoen, structurele hervormingen moeten doorvoeren en de vereisten van het stabiliteits- en groeipact moeten nakomen om cohesiemiddelen te kunnen ontvangen. Om in aanmerking te komen voor hulp uit het nieuwe stabilisatiemechanisme voor investeringen moeten de lidstaten de voorgaande jaren aan de vereisten van het stabiliteits- en groeipact hebben voldaan. Om de bepleite aanzienlijke bezuinigingen op de middelen voor het cohesiebeleid en het GLB te verzachten stelt de Commissie ook voor om het percentage van de cofinanciering van projecten door de lidstaten te verhogen. |
|
2.7. |
Het voorstel voor een verordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat beoogt sancties op te leggen wanneer een lidstaat een maatregel neemt die afbreuk doet of dreigt te doen aan de beginselen van deugdelijk financieel beheer of de bescherming van de financiële belangen van de Unie, met name maatregelen die verband houden met aanvallen op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. De sancties kunnen leiden tot de vermindering en opschorting van de betalingen en de financiële vastleggingen van de EU voor de betreffende lidstaat. De sancties worden vastgesteld op basis van een voorstel van de Commissie, dat de Raad met een gekwalificeerde meerderheid kan afwijzen. |
3. Algemene opmerkingen
Politieke context en algemene doelstellingen
|
3.1. |
Gelet op de interne en externe uitdagingen en risico’s die de EU in het komende decennium het hoofd zal moeten bieden, heeft de EU behoefte aan een heldere politieke strategie en een krachtige begroting. Overeenkomstig zijn eerdere advies over de Discussienota over de toekomst van de EU-financiën (8) en de resolutie van het Europees Parlement (9), stelt het EESC bijgevolg voor om de vastleggingen voor 2021-2027 vast te stellen op 1,3 % van het bni. |
|
3.1.1. |
De financiële en economische crisis en de wijze waarop de Europese beleidsmakers hiermee zijn omgegaan hebben hun stempel gedrukt op veel Europese landen in die zin dat zij hebben geleid tot verlies aan concurrentievermogen, economische vertraging, armoede, ongelijkheid, scheuren in de sociale cohesie en divergentie tussen landen. |
|
3.1.2. |
Het wantrouwen van de burgers jegens de nationale en Europese democratische instellingen geeft de aanzet tot de opkomst van politieke bewegingen die democratische waarden en beginselen en de EU zelf in twijfel trekken. Sommige van deze politieke bewegingen maken nu deel uit van de regering in bepaalde EU-lidstaten (of zullen dat waarschijnlijk in de nabije toekomst gaan doen) en hebben mede de uitslag van het referendum over de brexit bepaald. |
|
3.1.3. |
De buurlanden van de Europese Unie gaan o.a. gebukt onder een toenemend aantal ondemocratische en/of autoritaire regeringen, de Syrische oorlog en de regionale en mondiale implicaties daarvan, de ernstige politieke instabiliteit en gewapende conflicten in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en de Sahel, en de demografische druk in Afrika en de migratiestromen naar Europa die daar het gevolg van zijn. |
|
3.1.4. |
Een van de gevolgen hiervan is de stroom van vluchtelingen en migranten naar Europa via de Middellandse Zee. Er moet nodig een gemeenschappelijk asielbeleid worden aangenomen dat gebaseerd is op naleving van het internationale recht en op solidariteit met vluchtelingen en tussen staten onderling. Maar ook de vaststelling van een Europees migratiebeleid is dringend geboden. Aan deze vraagstukken, evenals aan de intensivering van de ontwikkelingssamenwerking met vooral de landen in Afrika, moet extra aandacht worden besteed in het MFK 2021-2027. In het voorstel van de Commissie komen deze vraagstukken wel grotendeels aan bod, maar worden vooral de veiligheidsaspecten ervan belicht. |
|
3.1.5. |
De besluiten en de eenzijdige opzegging van zeer belangrijke internationale overeenkomsten door de huidige Amerikaanse regering dragen bij aan de mondiale geopolitieke instabiliteit en zijn in strijd met veel Europese beleidslijnen, waaronder het handelsbeleid, het milieubeleid en de strijd tegen klimaatverandering, het nabuurschapsbeleid en de bevordering van vrede en het verbod op kernwapens, multilateralisme in de buitenlandse betrekkingen en steun voor de VN. |
|
3.1.6. |
Europa moet deze risico’s het hoofd bieden door zijn capaciteiten optimaal te benutten en zijn potentieel te ontwikkelen op terreinen als onderzoek, innovatie en technologische ontwikkeling, menselijk kapitaal, concurrentievermogen van het bedrijfsleven en de economie, en het exportvermogen. Ook moet Europa binnen de EU en ten overstaan van de wereld zijn democratische waarden en de volledige eerbiediging van de rechtsstaat — de waarden die rechtvaardige, egalitaire en op solidariteit gestoelde samenlevingen kenmerken — en de bescherming van vrede en multilateralisme in de internationale betrekkingen maximaliseren en concretiseren. Ook hiervoor is een sterke EU-begroting een must. |
|
3.1.7. |
De Commissie en het Europees Parlement hebben voorstellen gedaan voor hervormingen van de EU en de EMU die in meer of mindere mate een verdere integratie bevorderen. Het is ongewis waar dit proces eindigt. De eengemaakte markt is nog niet voltooid, en dat, in combinatie met de vertraging van de innovatie en de toenemende vaardighedenmismatches, brengt het Europese concurrentievermogen in gevaar. De Europese Raad heeft in Göteborg een verklaring aangenomen over de Europese pijler van sociale rechten (EPSR). Het halen van al deze doelstellingen vereist aanzienlijke financiële inspanningen van de EU en haar lidstaten, alsook politieke inzet om de beschikbare middelen doeltreffend en efficiënt te investeren. Het succes ervan hangt af van de actieve betrokkenheid van de sociale partners en het georganiseerde maatschappelijk middenveld bij het besluitvormingsproces. |
|
3.1.8. |
Het grootste economische risico voor de toekomst van Europa is het investeringstekort en de achterstand op de mondiale leiders op het gebied van innovatie en het op de markt brengen van innovaties. De investeringsquote ligt, in verhouding tot het bbp, ver onder het niveau van voor de crisis. |
|
3.1.9. |
Bevordering van investeringen om duurzame kwaliteitsbanen te creëren, verbetering van de productiviteit en modernisering van de economie en het bedrijfsleven, stimulering van de industrie en innovatie, bevordering van convergentie tussen de lidstaten, het beheren van groene en digitale transities, ontwikkeling van de sociale pijler, versterking van de sociale cohesie en uitbanning van armoede, inachtneming van de doelstellingen en toezeggingen van de overeenkomsten van Parijs en de SDG’s van de VN: dit zouden de belangrijkste doelstellingen moeten zijn om een Europees model van duurzame ontwikkeling tot stand te brengen. Hiervoor is een sterke begroting voor 2021-2027 vereist, met op maat gesneden programma’s die maximaal bijdragen aan het creëren van Europese meerwaarde. |
|
3.1.10. |
Rekening houdend met deze en andere aspecten is het EESC van mening dat de EU behoefte heeft aan een ambitieuze begroting die ten dienste staat van beleid waarmee een heldere strategie voor een sterkere Unie wordt ontwikkeld, met meer integratie, meer democratie, grotere steun voor sociale partners en maatschappelijke organisaties binnen de EU en daarbuiten, meer steun voor het bedrijfsleven bij de aanpak van ecologische en digitale uitdagingen, een sterkere sociale dimensie en meer steun voor het plattelandsleven. Alleen op die manier kan de EU interne centrifugale krachten in bedwang houden en overwinnen en externe geopolitieke risico’s aanpakken. |
De uitgavenzijde van het nieuwe MFK
|
3.2. |
Het voorstel van de Commissie lijkt echter te zeer gericht te zijn op behoud van de status quo, en de omvang en de ernst van de nieuwe uitdagingen voor de EU, haar ambities en de daarvoor beschikbare middelen lijken niet op elkaar aan te sluiten. |
|
3.3. |
Volgens artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) moet de EU duurzame groei bevorderen, met inachtneming van het milieu. De klimaatproblemen zijn nu een topprioriteit, ook voor het EESC, en er moet mondiaal actie worden ondernomen, niet alleen door overheden, maar ook door economische actoren, werknemers en burgers. Daarom moet er op grote schaal een economische, sociale en ecologische transitie in gang worden gezet en, vooral, worden gefinancierd (10). |
|
3.4. |
Het EESC is ingenomen met de wijzigingen in de structuur van de begroting, waarbij rubrieken worden gereorganiseerd en programma’s worden geconsolideerd, en met de versterking van de flexibiliteitsmechanismen om het MFK flexibeler te maken zonder aan stabiliteit in te boeten. |
|
3.5. |
Hoewel het begrip heeft voor de redenen die ten grondslag liggen aan het voorstel van de Commissie, is het EESC het niet eens met de vermindering, tegen constante prijzen, van de middelen voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) met 12 %, en voor het Cohesiefonds met 46 % ten opzichte van de huidige begroting, zoals opgenomen in het voorstel voor het MFK 2021-2027. |
|
3.5.1. |
Er zijn aanwijzingen dat de crisis heeft geleid tot een hernieuwde divergentie tussen met name Noord- en Zuid-Europa wat het inkomen per hoofd van de bevolking betreft (11). Hoewel het deel van de bevolking van de EU-27 dat in „minder ontwikkelde” regio’s woont (met een bbp per hoofd van de bevolking van minder dan 75 % van het EU-gemiddelde) sinds 2010 afneemt, neemt het deel van de EU-27 dat in „overgangsregio’s” woont (met een bbp per hoofd van de bevolking tussen 75 % en 90 % van het EU-gemiddelde) toe. Dit is echter deels te wijten aan het feit dat het deel van de bevolking in de EU-27 dat in „ontwikkelde” regio’s woont, afneemt als gevolg van de crisis (12). De convergentie die heeft plaatsgevonden, is dus niet alleen inkomensconvergentie in opwaartse richting. Er zijn meer overheidsinvesteringen in gezondheid, onderwijs en sociale inclusie, met name op lokaal en regionaal niveau, nodig. Dit moet worden gerealiseerd door de gouden regel te hanteren waarvoor het Comité in een aantal van zijn meest recente adviezen heeft gepleit, nl. dat investeringsuitgaven, met name uitgaven die duurzame groei op lange termijn bevorderen, niet worden meegeteld bij de berekening van de tekorten in het kader van het stabiliteits- en groeipact; de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn is in dat geval nog steeds gewaarborgd. |
|
3.5.2. |
In dit verband constateert het EESC dat de economische en sociale omstandigheden aanzienlijk verschillen tussen de regio’s en de afgelopen jaren enigszins zijn gaan divergeren, ook in relatief rijke landen. Het cohesiebeleid zou dit moeten weerspiegelen door de invoering van nieuwe, alternatieve sociale indicatoren, zoals de werkgelegenheid en de arbeidsparticipatie van doelgroepen, alsook maatstaven op het gebied van armoede en sociale inclusie, in aanvulling op het relatieve bbp per hoofd van de bevolking. |
|
3.6. |
Het EESC is het niet eens met de voorgestelde reële verlaging van de vastleggingen voor het Europees Sociaal Fonds Plus (– 6 % in reële termen voor 2021-2027 ten opzichte van 2014-2020). De verlaging in reële termen zal nog groter uitvallen aangezien de jongerengarantie zal worden opgenomen in het ESF+. Dit fonds zou, in reële termen ten opzichte van 2020, minstens stabiel moeten blijven aangezien het de belangrijkste financiële middelen biedt waarmee de EU de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten kan ondersteunen, hetgeen van belang is om de sociale dimensie van de EU te versterken en opwaartse convergentie van de sociale normen te bevorderen. De minimumpercentages voor cofinanciering door de lidstaten zouden niet mogen worden verhoogd, omdat sommige lidstaten anders zouden afzien van investeringen in bepaalde regio’s, waardoor ook de Europese toegevoegde waarde verloren gaat. De tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten kan bijdragen tot een grotere veerkracht van de lidstaten in de eurozone en zodoende tot een betere werking van de EMU. Gezamenlijke acties van de sociale partners op Europees, nationaal en regionaal niveau zijn daarbij een onmisbaar instrument. Het EESC betreurt dan ook dat zij, anders dan in de huidige programmeringsperiode, niet uitdrukkelijk worden genoemd in het voorstel voor een verordening en verzoekt de Commissie om die vermelding terug op te nemen. |
|
3.7. |
Het EESC is van mening dat de financiering van het cohesiebeleid (het EFRO, het CF en het ESF samen) ongewijzigd moet blijven in het MFK 2021-2027, d.w.z. dat er minstens evenveel middelen voor moeten worden uitgetrokken, tegen constante prijzen, als in het huidige financieel kader. |
|
3.8. |
Het EESC meent, aansluitend bij zijn advies over De toekomst van voedsel en landbouw (13), dat er een nieuwe hervorming nodig is van het GLB, waarbij de twee pijlers ervan in stand worden gehouden maar een nieuwe invulling krijgen door de rechtstreekse steun veel meer te richten op landbouwers en veetelers, kleine en middelgrote ondernemingen en agrarische familiebedrijven, en dat de middelen voor plattelandsontwikkeling moeten worden gebruikt om een duurzaam model te bevorderen waarin rekening wordt gehouden met de verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomsten van Parijs en de SDG’s van de VN. De financiering van sociale infrastructuur in plattelandsgemeenschappen aan de hand van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling is een zeer belangrijk aspect geweest van het actieve EU-beleid om de ontvolking van het platteland tegen te gaan en is ten goede gekomen aan alle bewoners van plattelandsgebieden — zowel landbouwers als kleine ondernemingen en gemeenschappen. De aanzienlijke verlaging die de Commissie voor het GLB voorstelt (– 15 %) maakt het moeilijk om deze koers voort te zetten of om de doelstellingen te halen die zijn opgenomen in de mededeling van de Commissie over de toekomst van voeding en landbouw. |
|
3.9. |
Het EESC is ingenomen met het voorstel om binnen de EU-begroting een stabilisatiemechanisme voor de eurozone in te stellen. Dit mechanisme heeft als doel de investeringsuitgaven in eurolanden te beschermen in geval van landenspecifieke schokken die de overheidsuitgaven onder druk zetten. Dit is een noodzakelijke hervorming om de EMU veerkrachtiger te maken en een divergerende dynamiek tussen de lidstaten te voorkomen. |
|
3.9.1. |
Het EESC denkt echter dat dit mechanisme, zoals het hier wordt voorgesteld, voor onvoldoende stabilisering zorgt wanneer zich een crisis voordoet. Het zou slechts voorzien in beperkte back-to-backleningen voor de getroffen lidstaten. Het bedrag van 30 miljard EUR is niet voldoende om aan meerdere landen tegelijkertijd leningen te verstrekken (14). Ook de rentesubsidie van maximaal 600 miljoen EUR per jaar voor deze beperkte leningen biedt de lidstaten amper soelaas en zorgt dus voor onvoldoende stabilisering in de eurozone. Een grotere marge binnen de betalingsverplichtingen, waarvoor het plafond voor de bijdragen zou moeten worden verhoogd, zou een eerste stap zijn naar een groter stabilisatievermogen. |
|
3.9.2. |
Het baart het EESC zorgen dat de voorstellen van de Commissie voor het volgende MFK geen bepalingen bevatten voor de hervorming van de EMU en de governance ervan en de implicaties daarvan voor de begroting, vooral wat betreft de instelling van het Europees Monetair Fonds, of diensten of toelagen voor de burgers zoals werkloosheidsuitkeringen, als aanvulling op de nationale uitkeringen, in tijden van crisis. |
|
3.10. |
Het InvestEU-fonds is de opvolger van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), met dezelfde jaarlijkse bijdrage en dezelfde ramingen van de effecten op de totale investeringen. Investeringen vallen onder vier pijlers (duurzame infrastructuur; onderzoek, innovatie en digitalisering; kleine en middelgrote ondernemingen; sociale investeringen en vaardigheden), die allemaal goede kansen bieden. Het EESC is met name gecharmeerd van de vierde pijler, omdat deze de financiering van projecten in cruciale sectoren als vaardigheden, onderwijs, opleiding, sociale huisvesting, sociale innovatie en integratie van migranten, vluchtelingen en kwetsbare personen kan vergemakkelijken. Deze mogelijkheid om kredieten van de EIB, en mogelijk ook van andere openbare bankinstellingen, te garanderen, moet worden toegejuicht, maar zal alleen voldoende zijn om een voortzetting van eerdere kredietniveaus mogelijk te maken, terwijl sommige lidstaten met een relatief laag inkomen per hoofd van de bevolking er nog steeds niet van kunnen profiteren. Er zijn meer inspanningen nodig om de investeringskloof in de EU te dichten. |
|
3.11. |
Het hoofddoel van het cohesiebeleid is om opwaartse economische en sociale convergentie tussen de lidstaten te bevorderen. Door het stellen van strenge eisen wordt de toegang tot middelen uit het cohesiebeleid lastiger voor de lidstaten en regio’s die daar het meest behoefte aan hebben, d.w.z. die over minder inkomsten beschikken of een hogere schuldenlast dragen. De opmerking van het EESC in zijn advies over het MFK 2014-2020 (15) blijft geldig: „de desbetreffende subsidies [mogen] nooit zijn onderworpen aan macro-economische voorwaarden”. Het EESC pleit echter voor uitvoering van het cohesiebeleid volgens de richtsnoeren van het Europees semester, die voorzien in een sterkere participatie van de sociale partners en maatschappelijke organisaties op nationaal en Europees niveau. |
|
3.12. |
De strikte hantering van de cofinancieringsvereisten van het EFRO, het CF en het ESF belette sommige landen die deze financiering het hardst nodig hadden om deze middelen te gebruiken tijdens de periode van extreme bezuinigingen en werkte divergentie daarmee in de hand. Deze vereisten belemmeren in sommige landen nog steeds de toegang tot deze fondsen, en dat zal mogelijk in nog sterkere mate het geval worden indien het cofinancieringspercentage van de lidstaten wordt verhoogd in het MFK voor de periode na 2020. Het EESC pleit voor flexibeler cofinancieringscriteria, zodat rekening wordt gehouden met de economische en financiële situatie van elke lidstaat, evenals met hetgeen eerder in deze paragraaf over investeringsuitgaven in relatie tot de doelstellingen van het stabiliteits- en groeipact is gezegd. |
|
3.13. |
Gelet op de ervaringen met bepaalde opgelegde of bevorderde structurele hervormingen tijdens de periode van extreme bezuinigingen lijkt het logisch dat voorstellen om de toegang tot cohesiemiddelen in algemene zin afhankelijk te maken van de uitvoering van genoemde hervormingen, met argusogen worden bekeken. Het EESC is geen tegenstander van hervormingen, maar vindt het essentieel om te specificeren op welk type hervormingen wordt gedoeld. In verschillende adviezen, en meest recentelijk in het advies over het economisch beleid in de eurozone (2018) (16), verdedigt het EESC structurele hervormingen die de groei van de productiviteit, de baanzekerheid en de sociale bescherming bevorderen en tegelijkertijd investeringen aanmoedigen en de collectieve onderhandelingen versterken, uitgaande van de autonomie van de sociale partners en de sociale dialoog. |
|
3.14. |
Het EESC is ingenomen met de voorgestelde forse stijgingen voor programma’s inzake onderzoek en innovatie en de ontwikkeling van de digitale economie en samenleving, omdat die de basis kunnen vormen voor een duurzame en robuuste stijging van de productiviteit, de lonen en de levensstandaard. Het is van groot belang dat er een welomschreven strategie komt om innovatie te koppelen aan een Europees industriebeleid waarvan alle lidstaten, en met name de minder ontwikkelde lidstaten, kunnen profiteren. De participatie van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld is essentieel voor de formulering en uitvoering van een efficiënt industriebeleid dat goed is aangesloten op innovatiesystemen. Bovendien vereist de huidige context ook een solide en stevige nadruk op onderzoek naar samenlevingen, democratie, cultuur en sociale transformatie. |
|
3.15. |
Voorts moet worden gewezen op de stijging van de middelen voor Erasmus+ met 92 % (tot 26 368 miljoen EUR voor 2021-2027), een van de programma’s die de grootste bijdrage hebben geleverd aan de Europese identiteit. |
|
3.16. |
Het EESC is ingenomen met de stijging van het budget voor internationale samenwerking en humanitaire hulp, maar uit zijn bezorgdheid over het feit dat het externe optreden meer op veiligheid en migratiedruk wordt toegespitst, waarbij afstand wordt genomen van een meer op de lange termijn en op behoeften gerichte, door het land zelf gedragen bottom-upbenadering en vaststelling van prioriteiten, en waarbij de meest kwetsbare regio’s mogelijk buiten beschouwing worden gelaten. Het EESC vraagt om inspanningen ter ondersteuning van de maatregelen van partnerlanden in het kader van hun eigen plannen om de SDG’s te halen. |
Financiering en eigen middelen in het nieuwe MFK
|
3.17. |
De Commissie stelt voor om de manier waarop de EU-begroting wordt gefinancierd in het nieuwe MFK op een aantal punten te wijzigen, maar die wijzigingen steken bescheiden af bij de voorstellen van de Groep op hoog niveau en het Europees Parlement en bij de behoefte aan financiering van de nodige uitgaven. Het nieuwe voorstel zorgt voor een geleidelijke verschuiving naar een model waarin de Unie breekt met de huidige financiële afhankelijkheid van de bijdragen van de lidstaten en zeer geleidelijk zichzelf gaat financieren. Hiertoe worden enkele nieuwe inkomstenbronnen voorgesteld. |
|
3.18. |
Het MFK-voorstel is bescheiden en niet ambitieus, terwijl er een vastberaden optreden aan de hand van een samenhangende agenda nodig is. Daarbij moet worden uitgegaan van de voorstellen van de Groep op hoog niveau en het Europees Parlement voor een breed scala van andere bronnen van eigen middelen, zodat in de periode van het volgende MFK veel vaker een beroep kan worden gedaan op eigen middelen. |
|
3.19. |
Het EESC herhaalt wat het in zijn advies over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën (17) heeft gezegd, nl. dat het zich kan vinden in de analyse in het verslag Future financing of the EU van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen (HLGOR) (18), die wordt voorgezeten door Mario Monti. Het is met name van belang dat in het MFK voor de periode na 2020 nieuwe inkomsten hoofdzakelijk zijn gebaseerd op een autonoom, transparant en billijk stelsel van eigen middelen. Deze zouden rechtstreeks naar de EU-begroting gaan, dus niet via de lidstaten, zonder verhoging van de belastingdruk voor de meest achtergestelde burgers en kleine en middelgrote ondernemingen. |
|
3.20. |
Zoals gesteld in zijn advies over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën17, zouden sommige van de in het rapport van de HLGOR voorgestelde nieuwe middelen een Europese meerwaarde aan de ontvangstenzijde behelzen, indien zij op het juiste niveau geïnd worden, zowel om een transnationale heffingsgrondslag te creëren als om de wereldwijde gevolgen voor het milieu tegen te gaan: de vennootschapsbelasting (CCCTB) (19), met name opgelegd aan multinationals, op financiële transacties, brandstoffen en de uitstoot van kooldioxide. |
|
3.21. |
Volgens de Groep op hoog niveau hebben eigen middelen op basis van de vennootschapsbelasting het voordeel dat ze de werking van de eengemaakte markt verbeteren. Bovendien vereenvoudigt en harmoniseert de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting de regels in de hele EU en wordt de reikwijdte van de schadelijke aspecten van belastingconcurrentie erdoor beperkt. |
|
3.22. |
Een belasting op digitale diensten zou, indien goed doordacht, Europese toegevoegde waarde kunnen bieden, omdat de locatie die voor belastingdoeleinden wordt gebruikt nogal kan verschillen van de locatie die voor transacties wordt gebruikt, maar dit is een tijdelijke oplossing. |
|
3.23. |
De Europese instellingen dienen zich wel te realiseren dat het operationeel maken van al deze eigen middelen in de periode 2021-2027 een complexe aangelegenheid zal zijn. |
|
3.24. |
Bijdragen in samenhang met hogere milieunormen en de bestrijding van klimaatverandering bieden in potentie ook Europese toegevoegde waarde en zijn nauw verbonden met de strategische EU-doelstelling van een duurzaam ontwikkelingsmodel. Bovendien kunnen alleen gemeenschappelijke belastingen op energie en milieuschade zorgen voor eerlijke concurrentie in de eengemaakte markt. In dit verband stelt de Commissie bijdragen voor in verband met niet-gerecycled plastic verpakkingen en het emissiehandelssysteem (EU ETS). Er zouden inkomstenbronnen moeten worden vastgesteld in de vorm van heffingen voor andere vormen van milieuvervuiling die lidstaatoverschrijdende kosten veroorzaken. Voorbeelden zijn belastingen op motorbrandstoffen en op vliegtickets, zoals voorgesteld door het Europees Parlement en de Groep op hoog niveau en de invoering van een koolstofbelasting. De besluitvorming over en de tenuitvoerlegging van die nieuwe inkomstenbronnen, die in overeenstemming moeten zijn met de bredere EU-beleidsagenda, moeten spoedig in gang worden gezet. |
|
3.25. |
De Commissie stelt ook voor de huidige op de btw gebaseerde eigen middelen te vereenvoudigen. Die middelen zijn momenteel ingewikkeld omdat er in verschillende landen verschillende btw-tarieven gelden. Het zou een goede zaak zijn als er één btw-tarief voor alle lidstaten zou worden vastgesteld. Het huidige voorstel levert een lichte stijging van de ontvangsten op. De btw-bijdrage blijft echter in wezen vergelijkbaar met de bijdrage op basis van het bni, in die zin dat de bijdrage een afspiegeling is van de algemene economische activiteit in een lidstaat en niet van specifieke EU-beleidsdoelstellingen. |
|
3.26. |
Het vertrek van het VK uit de EU biedt de mogelijkheid om geleidelijk volledig af te stappen van het systeem van korting op de bijdrage aan de EU, dat eerst voor het VK gold en later werd uitgebreid tot sommige andere lidstaten. Dit is verheugend, net als de terugvloeiing van 90 % van de douaneontvangsten naar de EU-begroting dankzij de lagere kosten van het innen van douanerechten in de lidstaten. Een kleine aanvulling zou verder nog kunnen komen van winsten van de ECB (seigniorage). Het totaal van deze nieuwe bronnen van eigen middelen is echter te gering en te onzeker om te mogen verwachten dat ze zullen leiden tot een aanzienlijke vermindering van de bijdragen op basis van het bni. |
4. Specifieke opmerkingen
|
4.1. |
Het EESC ondersteunt het voorstel om de ontvangst van EU-middelen door de lidstaten afhankelijk te stellen van de eerbiediging van het beginsel van de rechtsstaat, een fundamentele pijler van de waarden van de Unie volgens artikel 2 van het Verdrag, op voorwaarde dat de uitvoering ervan niet ten koste gaat van burgers of individuele bedrijven die momenteel EU-middelen ontvangen. Aangezien de begroting het belangrijkste instrument voor de tenuitvoerlegging van al het Uniebeleid is, zou deze voorwaarde volgens het EESC moeten worden uitgebreid naar de andere beginselen met betrekking tot de rechtsstaat die in de EU-Verdragen zijn vervat. Het Comité verzoekt de Commissie en het Parlement dan ook deze mogelijkheid te onderzoeken. |
|
4.2. |
De geboden flexibiliteit zou maximaal moeten worden benut om de verbinding tussen de uitgavenprogramma’s te bevorderen, tot wederzijds voordeel voor beleidslijnen en middelen. Zo kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het GLB en Horizon voor de technologische modernisering van de landbouw in vitale plattelandsgebieden en duurzame landbouw; onderzoek, ontwikkeling en innovatie (O & O&I), universiteiten, Erasmus+ en andere programma’s voor jongeren; investerings- en cohesiebeleid, het Europees Sociaal Fonds en een nieuw programma voor de ontwikkeling van de Europese pijler van sociale rechten, dat het EESC in dit advies voorstelt, om convergentie tussen de lidstaten te bevorderen. Het EESC betreurt derhalve het voorstel om de N+3-regel te wijzigen in N+2 (20) en verzoekt de Commissie dit voorstel te heroverwegen. |
|
4.3. |
In de huidige evaluaties van de uitvoering van het plan-Juncker (Investeringsplan voor Europa) wordt betwijfeld of de investeringen er wel door zullen stijgen tot het oorspronkelijk voorspelde niveau, dat nog altijd onder het niveau ligt dat nodig is om de achterstand ten opzichte van de periode vóór 2008 significant te verkleinen. Verscheidene lidstaten met de laagste inkomens profiteren nog steeds onvoldoende van het plan. Er moeten passende mechanismen worden vastgesteld om deze ontwikkeling, die de divergentie tussen de lidstaten vergroot, te corrigeren. De mogelijkheid om financiering uit verschillende fondsen, bijvoorbeeld het Cohesiefonds en InvestEU, te combineren, moet worden bevorderd. |
|
4.4. |
Versterking van de sociale cohesie en herstel van het vertrouwen van de Europese burgers gaan hand in hand. De ontwikkeling van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) zou een belangrijke bijdrage aan beide doeleinden kunnen leveren, onder meer door steun en begeleiding te bieden aan de lidstaten die hervormingen doorvoeren om duurzame banen van hoge kwaliteit met een hoge toegevoegde waarde te scheppen. Het EESC stelt voor een specifiek programma voor deze pijler op te zetten in het MFK 2021-2027 op basis van toezeggingen door de lidstaten die de Verklaring van Göteborg hebben opgesteld. Het Europees Sociaal Fonds+ zou een bijdrage kunnen leveren aan de financiering ervan via een systeem van indicatoren die onder meer werkloosheid en participatiegraad, scholing en schooluitval, bbp per hoofd van de bevolking, armoede en sociale integratie omvatten, zowel indicatoren van algemene aard als regionale indicatoren, alsook indicatoren die betrekking hebben op bepaalde achtergestelde sociale groepen. |
|
4.5. |
Het Europees semester zou een belangrijke rol moeten spelen in de tenuitvoerlegging van de EU-begroting. Daarbij zou zo veel mogelijk gebruik moeten worden gemaakt van de flexibiliteit die het nieuwe MFK biedt, bijvoorbeeld om te zorgen voor een sterke koppeling tussen het cohesiebeleid en andere beleidsterreinen, zoals innovatie, investeringen en het creëren van banen. Hiertoe zou naar behoren gebruik moeten worden gemaakt van de mechanismen voor de participatie van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld in het Europees semester, zodat zij weten hoe zij de brug kunnen slaan van hun nationale domein naar het Europese domein. Door de tenuitvoerlegging van het Europees semester te ondersteunen raken de Commissie en de Raad rechtstreeks betrokken bij nationale politieke kwesties. Voorkomen moet worden dat maatregelen die met EU-middelen worden ondersteund, afbreuk doen aan de sociale rechten of de rechten van werknemers of consumenten. |
|
4.6. |
Prioriteit moet worden gegeven aan de inspanningen die de Europese instellingen en de nationale regeringen, samen met de organisaties van het maatschappelijk middenveld, moeten leveren om het MFK voor de periode na 2020 meer middelen te geven en hun prioriteiten opnieuw in evenwicht te brengen op de in dit advies voorgestelde manier. Het EESC dringt er bij hen op aan om vaart te zetten achter hun werkzaamheden, zodat het MFK, zoals gepland, vóór de volgende Europese verkiezingen kan worden goedgekeurd. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020 — (2017/2052(INI)), corapporteurs: Jan Olbrycht, Isabelle Thomas, paragraaf 14.
(2) PB C 81 van 2.3.2018, blz. 131.
(3) PB C 262 van 25.7.2018, blz. 1.
(4) Europese Investeringsbank.
(5) COM(2018) 321 final.
(6) COM(2018) 322 final/2, COM(2018) 326 final, COM(2018) 327 final, COM(2018) 328 final.
(7) COM(2018) 325 final.
(8) PB C 81 van 2.3.2018, blz. 131.
(9) Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020 — (2017/2052(INI)), corapporteurs: Jan Olbrycht, Isabelle Thomas, paragraaf 14.
(10) Zie ook de EESC-adviezen NAT/735 over het Europees pact voor klimaatfinanciering, rapporteur Rudy de Leeuw, en ECO/456 over het Actieplan voor duurzame financiering, rapporteur Carlos Trias Pinto. Nog niet gepubliceerd.
(11) ETUI/ETUC (2018), Benchmarking Working Europe, Brussels: ETUI.
(12) Darvas, Z. en Moes, N. (2018), How large is the proposed decline in EU agricultural and cohesion spending? Bruegel Blog-post, 4 mei 2018.
(13) PB C 283 van 10.8.2018, blz. 69.
(14) Zie Claeys, G. (2018), New EMU stabilisation tool within the MFF will have minimal impact without deeper EU budget reform, Bruegel Blog, 9 mei 2018. Volgens deze analyse is 30 miljard EUR ongeveer een derde van het bedrag dat tijdens de crisis aan Ierland is geleend.
(15) PB C 229 van 31.7.2012, blz. 32.
(16) PB C 197 van 8.6.2018, blz. 33.
(17) PB C 81 van 2.3.2018, blz. 131.
(18) De toekomstige financiering van de EU. Het eindverslag en de aanbevelingen van de groep op hoog niveau inzake de eigen middelen, december 2016.
(19) Door het EESC al in 2011 positief beoordeeld in zijn advies over de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (PB C 24 van 28.1.2012, blz. 63) en in het EESC-advies van 2017 over de gemeenschappelijke (geconsolideerde) heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (PB C 434 van 15.12.2017, blz. 58).
(20) Een deel van de vastlegging in de begroting wordt door de Commissie automatisch vrijgemaakt indien het aan het einde van het tweede jaar na het jaar waarin de vastlegging is verricht (n+2), niet is gebruikt of indien er geen enkele betalingsaanvraag is ontvangen. Bron: Europese Commissie.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/116 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en financieringsinstrumenten voor extern optreden
(COM(2018) 374 final — 2018/0199 (COD))
(2018/C 440/19)
|
Rapporteur: |
Henri MALOSSE |
|
Raadpleging |
Europees Parlement: 11.6.2018 Raad van de Europese Unie: 19.6.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikelen 178 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang |
|
Goedkeuring door de afdeling |
7.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
196/2/5 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
De Europese territoriale samenwerking is een uniek instrument van het cohesiebeleid en vormt een van de weinige kaders waarbinnen nationale, regionale en lokale actoren uit verschillende lidstaten systematisch worden aangespoord om gezamenlijke acties op te zetten en interventiepraktijken en -strategieën uit te wisselen. Dit instrument is als het ware de belichaming van het Europese streven. Hoewel de projecten die tot nu toe zijn uitgevoerd in vele gevallen een meerwaarde hebben opgeleverd en tot groeibevorderende investeringen hebben geleid, hebben de resultaten van de ex-postevaluaties toch nog meerdere tekortkomingen aan het licht gebracht. Het nieuwe voorstel voor een verordening moet daar op meerdere vlakken een oplossing voor bieden. |
|
1.1.1. |
Vereenvoudiging van de procedures — Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) vraagt om een drastische vereenvoudiging in verhouding tot de omvang van de projecten. De samenwerking heeft hoofdzakelijk betrekking op lokale activiteiten. De formulieren en evaluatiemethoden van de projecten moeten daarom worden vereenvoudigd en er moeten forfaitaire procedures worden ingevoerd als essentieel onderdeel van de nieuwe programmering. |
|
1.1.2. |
Financieel kader — Het cohesiebeleid is doorslaggevend voor de ondersteuning van de strategie Europa 2021-2027; de technische en budgettaire ondersteuning daarvan moet een prioriteit zijn. Het EESC waarschuwt voor een verlaging van de begrotingstoewijzingen, die de doeltreffendheid, zichtbaarheid en bekendheid van dit actieprogramma in het gedrang zou kunnen brengen. Het zou daarom graag zien dat het Europees Parlement een verhoging van de middelen voor het cohesiebeleid voorstelt, met name ten gunste van de Europese territoriale samenwerking. |
|
1.1.3. |
Additionaliteit — Het EESC maakt zich zorgen over de nieuwe regels, die het maximale financieringspercentage door de Unie zouden kunnen verlagen van 85 % tot 70 %. Het percentage van 85 % zou moeten worden behouden voor kleine projecten, de meest kwetsbare regio’s en acties van het maatschappelijk middenveld. Het EESC pleit er tevens voor meer gebruik te maken van participatie door de particuliere sector alsook van het Europese financieringsinstrumentarium InvestEu Fund voor acties ten gunste van de productiesector. |
|
1.1.4. |
Integratie van de financieringsinstrumenten — Het EESC verzoekt de Commissie om een strategie op te zetten om de verschillende financieringsinstrumenten die zij binnen het MFK 2021-2027 ter beschikking stelt te coördineren en te integreren. Het vraagt de Commissie om daartoe onverwijld met een mededeling te komen. De Europese territoriale samenwerking moet een bevoorrecht kader vormen om werk te maken van deze onmisbare coördinatie. |
|
1.1.5. |
Een echt partnerschap met het maatschappelijk middenveld — De Commissie moet het verplicht stellen om de sociale partners en maatschappelijke organisaties te betrekken bij het overleg over en de tenuitvoerlegging van de acties, aangezien de beste projectresultaten die werden opgetekend, tot stand zijn gekomen met medewerking van het maatschappelijk middenveld. Het EESC pleit ervoor om elke operationele instantie ertoe te verplichten een plan voor een partnerschap met het maatschappelijk middenveld voor te leggen, met een waarschuwingsmechanisme. |
|
1.1.6. |
Behoud en ontwikkeling van de thematische concentratie — Het EESC merkt tot zijn tevredenheid op dat er een verschuiving plaatsvindt in de richting van een thematische concentratie van de interventie- en investeringsprioriteiten, maar er moet nog worden verduidelijkt hoe:
|
|
1.1.7. |
Het maritieme domein en insulaire gebieden — Aangezien insulaire gebieden zich volledig binnen het maritieme domein bevinden, pleit het EESC ervoor om deze gebieden de mogelijkheid te blijven bieden om projecten in te dienen voor zowel grensoverschrijdende als territoriale samenwerking. Er kan eventueel een nieuwe prioriteit „insulaire gebieden” worden vastgesteld, met een specifieke begroting. |
|
1.1.8. |
Macroregionale strategieën (MRS) — Het EESC acht het absoluut noodzakelijk om de ontwikkeling van MRS uit te breiden naar nieuwe gebieden (het Middellandse Zeegebied, de Balkan, de Karpaten enz.) en hiervoor een betere integratie van de nieuwe Europese financieringsinstrumenten te verzekeren. |
|
1.1.9. |
Samenwerking met buurlanden — Het EESC is ingenomen met de invoering van een gemeenschappelijke uitvoeringsregeling met buurlanden/derde landen. Het onderstreept tevens het belang van een benadering waarbij de middelen van de Europese territoriale samenwerking en die van de Europese fondsen voor het externe optreden tegelijkertijd worden ingezet. Het verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de programma’s voor territoriale samenwerking binnen dit kader worden opengesteld voor landen uit het nabuurschap, ook als die geen grenzen delen met de EU, teneinde breuken binnen de desbetreffende landen te voorkomen. |
|
1.1.10. |
Innovatie — Het EESC schaart zich achter het voorstel om te voorzien in een prioritaire pijler voor innovatie met een eigen begroting en procedures die rechtstreekse toegang voor niet-overheidsactoren mogelijk maken. Het onderstreept evenwel dat innovatie ook een maatschappelijke en sociale dimensie moet omvatten. |
|
1.1.11. |
De digitale dimensie van de Europese territoriale samenwerking — Connectiviteit is een van de grootste uitdagingen waarmee de actoren van de Europese territoriale samenwerking momenteel worden geconfronteerd. Er moet worden voorzien in de nodige middelen en initiatieven om de digitale kloof tussen gebieden en tussen de stedelijke en landelijke delen van regio’s te dichten: werk maken van de uitwisseling van ervaringen, de digitale kloof dichten, enerzijds tussen regio’s onderling en anderzijds tussen stedelijke en landelijke gebieden binnen die regio’s. |
|
1.1.11.1. |
Daartoe beveelt het EESC aan om bij alle programma’s voor Europese territoriale samenwerking voor de periode 2021-2027 rekening te houden met de digitale transitie en de nieuwe vaardigheden die zij vereist. |
|
1.1.12. |
Aandacht voor jongeren — Het is van fundamenteel belang dat specifieke aandacht wordt geschonken aan de jongeren in Europa. Het EESC stelt voor om gebruik te maken van de methoden van Erasmus+ om uitwisselingen voor jongeren op te zetten: studenten, leerlingen, werkzoekenden, personen in moeilijkheden, zodat in de territoriale samenwerking rekening wordt gehouden met jongeren via specifieke mobiliteitsprogramma’s, beroepsopleidingen en talencursussen. Het EESC stelt voor om in de transnationale en grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s specifieke pijlers op te nemen inzake voorstellen en interventies voor jongeren en door jongeren. |
|
1.1.13. |
Acties ten gunste van kwetsbare bevolkingsgroepen en aandacht voor de horizontale criteria — Het EESC onderstreept het belang van nauwkeurige regels ten aanzien van de verplichtingen die moeten worden nagekomen met betrekking tot de naleving van de horizontale communautaire beginselen en wijst erop dat er ten aanzien daarvan een minimumdrempel moet worden vastgesteld (10 % van de steun voor de actie). |
|
1.1.14. |
Civiele bescherming en bestrijding van belangrijke risico’s — Het EESC vraagt de Commissie te overwegen om dit aspect als belangrijke pijler van de territoriale samenwerking op te nemen en een en ander af te stemmen op het nieuwe Fonds voor defensie en civiele bescherming dat de Commissie heeft voorgesteld voor het MFK 2021-2027. |
|
1.1.15. |
Publiciteit — Gezien het belang van de programma’s die in het kader van de Europese territoriale samenwerking worden ondersteund, zal het EESC zijn steun verlenen aan alle initiatieven die de zichtbaarheid ervan vergroten, teneinde het Europees burgerschap kracht bij te zetten en meer bekendheid te geven aan de concrete acties die zijn opgezet met de steun van de EU. Het pleit er meer in het bijzonder voor om informatiepunten op te zetten in de begunstigde regio’s van de samenwerkingsprogramma’s, bij voorkeur bij organisaties van het maatschappelijk middenveld. |
2. Inleiding
2.1. Territoriale en grensoverschrijdende samenwerking, belichaming van het Europese streven
|
2.1.1. |
De Europese territoriale samenwerking (Interreg) vormt, in al zijn grensoverschrijdende, transnationale en interregionale aspecten en wat de openstelling naar de buurlanden betreft, de hoeksteen van de Europese integratie, als centraal element voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke Europese ruimte: ze helpt ervoor te zorgen dat grenzen geen belemmeringen worden, brengt de Europeanen dichter bij elkaar, helpt om gezamenlijke problemen op te lossen, bevordert de uitwisseling van ideeën en sterke punten en stimuleert strategische initiatieven met gemeenschappelijke doelstellingen. |
|
2.1.2. |
De artikelen 24 en 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vormen het rechtskader voor de tenuitvoerlegging van het beleid voor economische, sociale en territoriale samenhang, dat gericht is op het verkleinen van de kloof tussen de ontwikkelingsniveaus van de regio’s, en dus ook voor de Europese territoriale samenwerking. |
|
2.1.2.1. |
Artikel 174 luidt: „Wat betreft die regio’s wordt bijzondere aandacht besteed aan de plattelandsgebieden, de regio’s die een industriële overgang doormaken, en de regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de noordelijkste regio’s met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden.”. Het EESC is van mening dat dit artikel ruimschoots rechtvaardigt dat binnen de Europese territoriale samenwerking bijzondere aandacht wordt geschonken aan deze regio’s en vraagt de Commissie en de lidstaten om daarop toe te zien. |
|
2.1.3. |
De Europese territoriale samenwerking (Interreg) vormt, als prioritaire doelstelling van het cohesiebeleid, het kader waarbinnen nationale, regionale en lokale publieke en particuliere actoren in de lidstaten collectieve initiatieven opzetten, goede praktijken uitwisselen, ontwikkelingsbeleid uitwerken aan de hand van de interne en externe plannen van Europa. Hoewel de projecten die tot nu toe zijn uitgevoerd in veel gevallen een meerwaarde hebben opgeleverd en tot groeibevorderende investeringen hebben geleid, zijn bepaalde onvolkomenheden die verband houden met tekortkomingen m.b.t. het kader van verschillende programma’s niet zonder gevolg gebleven; het is dan ook dienstig die onvolkomenheden te analyseren in de nieuwe vooruitzichten voor 2021-2027. |
|
2.1.4. |
Uit de resultaten van de ex-postevaluaties blijkt inderdaad dat er meerdere tekortkomingen zijn:
|
|
2.1.5. |
Sommige van die aspecten zijn meegenomen in het nieuwe voorstel voor een verordening, waarin de procedures worden versterkt teneinde de regionale prioriteiten voor alle Europese regio’s, met inbegrip van de meest afgelegen regio’s, te beperken, waarin nieuwe macroregionale strategieën en thematische concentraties worden ontwikkeld en initiatieven ter bevordering van innovatie onder de aandacht worden gebracht, evenals talrijke andere initiatieven, die vervolgens worden geanalyseerd en waarbij specifieke opmerkingen worden gemaakt. Toch moet het voorstel van de Commissie op een aantal belangrijke punten worden verbeterd en verduidelijkt. |
3. Prioritaire thema’s voor de aanbevelingen van het EESC aan de Commissie
|
3.1. |
Vereenvoudiging van de procedures — Werk maken van een drastische vereenvoudiging — De Commissie stelt een hele reeks specifieke bepalingen voor die de regels inzake het opzetten en het beheer van de programma’s moeten vereenvoudigen voor alle betrokken niveaus: begunstigden, lidstaten, beheersinstanties, deelnemende derde landen en de Commissie. Het EESC kan zich daar alleen maar bij aansluiten. Toch gaat het om een initiatief dat wordt voorgesteld bij elke nieuwe programmeringsperiode. De Commissie is in deze werkwijze niet ver genoeg gegaan. |
|
3.1.1. |
Wat vereenvoudiging en vaste bedragen betreft, is een forfaitaire behandeling van bepaalde uitgaven in de verordening een sleutelelement voor de volgende programmeringsperiode en worden bepaalde variabelen, zoals de personeelskosten, verder uitgewerkt (vaste bedragen en geen facturen nodig voor elk project met een waarde van minder dan 200 000 EUR). Daarmee erkent de Commissie de noodzaak van administratieve vereenvoudigingen en onderstreept zij dat een algemeen akkoord nodig is. |
|
3.1.2. |
De samenwerking heeft hoofdzakelijk betrekking op lokale activiteiten. Er is dus behoefte aan een programma dat in grotere mate openstaat voor het maatschappelijk middenveld, waarbij de procedures drastisch moeten worden vereenvoudigd en moet worden voorzien in kleine informatie- en bijstandseenheden. |
|
3.1.3. |
Er zou voor gezorgd moeten worden dat de administratieve lasten in verhouding staan tot de omvang van de projecten, om zo de nodige vereenvoudigingen aan te brengen in de formulieren en de evaluatiemethoden van de projecten, en om ten minste voor administratieve en beheersactiviteiten gebruik te maken van forfaitaire procedures. Die „drastische vereenvoudiging” is absoluut noodzakelijk om de initiatiefnemers van projecten in staat te stellen zich op de resultaten van de acties te concentreren in plaats van op tijdrovende administratieve werkzaamheden. |
|
3.1.4. |
De logica van resultaatgerichte projectevaluaties moet dan ook worden doorgetrokken zoals de Commissie vraagt, en projectleiders mogen niet langer worden verplicht om voortdurend activiteitenverslagen over te leggen (momenteel elke zes maanden). |
|
3.2. |
Financieel kader — De Commissie is van mening dat het cohesiebeleid en de Europese territoriale samenwerking, als uitvloeisel daarvan, een wezenlijk deel van het financiële pakket moeten blijven uitmaken. Het EESC onderschrijft dat standpunt. Een verlaging van de begrotingstoewijzing zou de doeltreffendheid, zichtbaarheid en bekendheid van dit actieprogramma aantasten. Er is momenteel voor gekozen om de begroting te handhaven ten opzichte van de vorige periode, gezien het feit dat de begroting van de Europese Unie met 10 % is gekrompen. Die situatie zou het mogelijk moeten maken om de steun voor de Interreg-programma’s op hetzelfde niveau te houden, hetgeen een minimum is, maar het EESC roept het Europees Parlement ertoe op een aanzienlijke verhoging voor te stellen, aangezien de politieke gevolgen en de gevolgen voor de doelgroepen van deze acties bijzonder groot kunnen zijn, voor zover er voldoende middelen voor worden vrijgemaakt. |
|
3.2.1. |
In de nieuwe verordening inzake Europese territoriale samenwerking wordt het medefinancieringspercentage verlaagd tot 70 % (van 85 % op dit moment). Volgens de Commissie moet die ontwikkeling tot een verhoging van de financiële bijdrage van de landen leiden en het „ownership” van de projecten bevorderen. Het EESC vreest dat deze maatregel, een zogeheten additionaliteitsmaatregel, particuliere spelers en de minst begunstigde regio’s alleen maar zal ontmoedigen om deel te nemen. Het vraagt daarom om het percentage van 85 % te behouden voor de kwetsbaarste regio’s in de zin van artikel 174 van het VWEU. Bovendien zorgt een concentratie van Europese interventies ook steeds voor meer zichtbaarheid ervan. |
|
3.2.2. |
Nieuwe regels voor „kleinschalige projecten” — De nieuwe verordening bevat een duidelijke definitie, die vergezeld gaat van nieuwe maatregelen en vereenvoudigde regels: een nieuwe definitie van technische bijstand, schrapping van de vereiste jaarlijkse verslagen, een forfaitaire aanpak voor talrijke uitgavenposten en voorwaarden om de volgende periode sneller van start te kunnen gaan. Het EESC is van mening dat deze initiatieven een stap in de goede richting vormen. |
|
3.2.3. |
Wat de administratieve lasten voor „kleinschalige projecten” betreft, is het EESC ook bijzonder tevreden over het voornemen om te voorzien in een grensoverschrijdende instelling die de volledige administratie van een geheel van „kleinschalige projecten” zal beheren, naast de vaste bedragen. |
|
3.2.4. |
Het EESC is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de particuliere deelname aan territoriale samenwerkingsprogramma’s te maximaliseren. Het gaat nog een stap verder en stelt voor om een minimumdrempel vast te stellen voor de betrokkenheid van niet-overheidsactoren (buiten de regionale overheden), zoals particuliere ondernemingen, sociale partners, vrijwilligersorganisaties, structuren van de sociale en solidaire economie en beroepsverenigingen. |
|
3.3. |
Partnerschap met het maatschappelijk middenveld — Het EESC herinnert eraan dat partnerschappen van essentieel belang zijn om rekening te houden met de horizontale beginselen. Het is vooral van belang dat er een partnerschap komt met het maatschappelijk middenveld, de sociale partners, de plaatselijke overheden en de organisaties voor sociale insluiting. In die context is in de verordening bepaald dat het maatschappelijk middenveld wordt betrokken bij de toezichtcomités. Het is tevens de bedoeling om op de websites waar informatie wordt verstrekt over de uitvoering en de resultaten van de programma’s informatie op te nemen over mislukkingen en projecten waarbij verplichtingen niet werden nagekomen. |
|
3.3.1. |
Er moet worden geconstateerd dat zodra de lokale autoriteiten zijn aangesteld, zij de neiging hebben al het overige te verwaarlozen. |
|
3.3.2. |
De deelname van spelers uit het maatschappelijk middenveld mag niet beperkt blijven tot het overlegproces. Het is van fundamenteel belang dat zij ook worden betrokken bij de uitvoering van de acties en dat zij daarin verantwoordelijkheden krijgen, ook door maatschappelijke organisaties als beheersinstanties aan te wijzen. |
|
3.3.3. |
Het EESC stelt voor dat de beheersautoriteit voor elk programma van de Europese territoriale samenwerking een partnerschapsplan overlegt dat aantoont dat het maatschappelijk middenveld bij elke fase van de voorbereiding, tenuitvoerlegging en evaluatie van de acties is betrokken. Dat plan dient een waarschuwingsmechanisme te omvatten om de actoren van het maatschappelijk middenveld in staat te stellen zich tot de betrokken instantie te wenden in het geval het partnerschapsbeginsel niet wordt nageleefd. |
|
3.4. |
Nieuwe verdeling van de bijstand voor territoriale samenwerking — In de nieuwe verordening „Europese territoriale samenwerking” (Interreg) wordt het toekomstige actieprogramma beschreven aan de hand van vijf samenwerkingsniveaus: grensoverschrijdend, transnationaal, interregionaal en maritiem, met de ultraperifere gebieden, en interregionale investeringen in innovatie. Deze benadering is samenhangend, hoewel het feit dat samenwerking op het maritieme domein uit de grensoverschrijdende samenwerkingen is gehaald, twijfels doet rijzen en de actoren in de betrokken regio’s verontrust. De Commissie motiveert haar beslissing door te stellen dat er, in het bijzonder in het kader van de maritieme samenwerking, overlappingen kunnen bestaan tussen meerdere grensoverschrijdende programma’s en dat zij zich ertoe verbindt een gezamenlijke aanpak vast te stellen voor de programma’s in maritieme zones, ook voor bilaterale samenwerking, die meer effect zal sorteren. |
|
3.5. |
Het maritieme domein en de situatie van de insulaire gebieden — Het EESC is van mening dat deze strategie ten aanzien van de maritieme dimensie te begrijpen valt voor de continentale gebieden, maar niet gerechtvaardigd is voor insulaire gebieden, waarvoor per definitie alleen maritieme grenzen bestaan. Het EESC heeft de Commissie bovendien al vaak verzocht om bijzondere aandacht te schenken aan eilanden, die met ernstige, permanente belemmeringen kampen die erkend zijn in artikel 174 van het VWEU. Het EESC stelt daarom voor om de Europese samenwerkingsacties tussen eilanden opnieuw op te nemen in de grensoverschrijdende samenwerking en/of om er een zesde categorie van te maken met een specifieke begroting, vooral ten behoeve van groepen eilanden die tot hetzelfde zeebekken behoren, en zo de uitwisseling van ervaringen te stimuleren. |
|
3.6. |
Specifieke openstelling voor innovatie — Er wordt voorgesteld om een nieuwe specifieke begrotingslijn op basis van oproepen tot het indienen van voorstellen te openen voor de ontwikkeling van projecten op het gehele Europese grondgebied, om verder te gaan dan de loutere uitwisseling van goede praktijken en te evolueren naar volledige onderzoeks-actiemechanismen (11 % van de Interreg-begroting). Het EESC schaart zich achter die aanpak, op voorwaarde dat ook maatschappelijke en sociale innovaties waarvoor samenwerking tussen de gebieden een groot effect kan hebben op de betrokken populaties erin worden meegenomen, en dat de rechtstreekse deelname van niet-overheidsactoren (onderzoekers, bedrijven, maatschappelijke organisaties) mogelijk is. |
|
3.7. |
Openstelling voor ultraperifere gebieden — De Commissie stelt voor om nieuwe maatregelen aan te nemen om deze regio’s in staat te stellen om samen te werken, rekening houdend met hun specifieke situatie, onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie getiteld „Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU” (1). Het zal gaan om samenwerking tussen ultraperifere gebieden onderling alsook met naburige gebieden (3,2 % van de Interreg-begroting). Deze specifieke bepaling is interessant, maar de EU-middelen voor derde landen die aan de ultraperifere gebieden grenzen (hoofdzakelijk het Europees Ontwikkelingsfonds, EOF) moeten eveneens gemakkelijk kunnen worden vrijgemaakt ter aanvulling van deze acties, hetgeen momenteel niet het geval is. Het EESC vraagt om een gecoördineerde wisselwerking tussen Interreg en het EOF, waarover een besluit moet worden genomen en die moet worden geprogrammeerd. |
|
3.8. |
Samenwerking met derde landen — Het EESC acht het positief dat er in een onrustige internationale situatie nu een identiek kader wordt uitgewerkt voor acties waarbij buurlanden buiten de Europese Unie zijn betrokken. Wat de landen van het nabuurschap betreft, moet de huidige mogelijkheid voor regio’s die niet aan deze landen grenzen om deel te nemen aan transnationale samenwerkingsacties beter worden benut, om de verschillen binnen die landen, die de grensgebieden van de EU vooruithelpen, niet aan te scherpen. |
4. Nieuwe discussiepunten
|
4.1. |
Ontwikkeling van de thematisch concentratie — Het EESC pleit ervoor om de programma’s toe te spitsen op acties die zijn afgestemd op de prioriteiten van de Europese Unie, zoals gedefinieerd in het voorstel voor het MFK 2021-2027 (innovatie, onderzoek, een groener Europa — energie, circulaire economie enz. —, een geconnecteerd Europa — vervoer, landbouw enz. —, een socialer Europa — ESF, EFRO, onderwijs, gezondheid enz. —, een lokaler Europa via ontwikkelingsstrategieën op het lokale niveau), zonder de specifieke doelstellingen van de verordening op sociaal gebied en op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg uit het oog te verliezen. Er dient dan ook bijzondere aandacht te worden geschonken aan lokale ontwikkelingsstrategieën waarbij alle actoren van het maatschappelijk middenveld zijn betrokken. |
|
4.1.1. |
In het kader van de thematische concentratie is het van fundamenteel belang dat duurzame ontwikkeling, klimaatmaatregelen, de circulaire economie en hernieuwbare energie overal een centrale plaats innemen en dat er expliciet rekening mee wordt gehouden. |
|
4.2. |
Macroregionale strategieën — De macroregionale strategieën (voor de Oostzee, de Donau, de Alpen, de Adriatische Zee en de Ionische Zee) worden algemeen als succesverhalen gezien. De Europese territoriale samenwerking biedt een specifieke meerwaarde doordat zij de juiste omstandigheden kan scheppen die bevorderlijk zijn voor de toepassing van macroregionale ontwikkelingsstrategieën op basis van:
|
|
4.2.1. |
Deze instrumenten zullen het mogelijk maken om de samenwerkingsprogramma’s te versterken, in het bijzonder op transnationaal en maritiem gebied. Het zou dienstig kunnen zijn om een proefproject op te zetten in het kader van een macroregionale strategie voor het (oostelijke en westelijke) Middellandse Zeegebied, in samenhang met de zeebekkenstrategieën die worden toegepast in het kader van de maritieme acties van de EU, en van een macroregionale strategie voor de bergketens in het zuidoosten van Europa (de Karpaten en de Balkan), die in beide gevallen ook derde landen bestrijken. |
|
4.3. |
De digitale dimensie van de Europese territoriale samenwerking — Connectiviteit is een van de grootste uitdagingen waarmee de Europese territoriale samenwerking momenteel wordt geconfronteerd. Er moet worden voorzien in de nodige middelen en initiatieven om de digitale kloof tussen gebieden en tussen de stedelijke en landelijke delen van regio’s te dichten. De digitale ontwikkeling omvat meerdere uitdagingen: |
|
4.3.1. |
Een technische en economische uitdaging voor de territoriale ontwikkeling. Digitale technologieën kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de territoriale ontwikkeling in het kader van nieuwe industriële ontwikkelingen, een deelsamenleving, de opkomst van nieuwe manieren van samenwerken en nieuwe manieren om lokale middelen optimaal te benutten. |
|
4.3.2. |
Een grote sociale uitdaging, die bijdraagt aan de ontwikkeling van vaardigheden binnen bevolkingsgroepen en gebieden. Er moet meer worden geïnvesteerd in vaardigheden en het leren gebruiken van deze technologieën, en de digitale kloof in de samenleving mag niet dieper worden. De digitale evolutie brengt nieuwe vormen van discriminatie met zich mee, die samenhangen met de beperkte toegang tot apparatuur voor arme bevolkingsgroepen, met de levensstandaard, met culturele aspecten die verband houden met het opleidingsniveau en met leeftijd. |
|
4.3.3. |
Er mag niet worden vergeten dat digitale technologieën mensen gemakkelijker toegang kunnen geven tot hun rechten, maar omgekeerd ook een extra factor van uitsluiting kunnen vormen voor bepaalde bevolkingscategorieën. Die vaststelling volstaat voor het EESC om de Commissie te vragen om in de acties van de Europese territoriale samenwerking werk te maken van voorlichting, samen met de spelers op het terrein. |
|
4.3.4. |
Het EESC stelt daarnaast voor om een groot deel van de innovatieve acties te wijden aan de digitale sector, met specifieke oproepen tot het indienen van voorstellen, met inbegrip van de uitwisseling van ervaringen en territoriale samenwerking op deze gebieden, waarbij de insluiting van de meest kansarme en kwetsbare bevolkingsgroepen een prioriteit moet zijn. Dat is van essentieel belang in het kader van de nieuwe industriële ontwikkelingen, de deelsamenleving, de opkomst van nieuwe manieren van samenwerken en de nieuwe manieren om lokale middelen optimaal te benutten. De Commissie heeft een ontwerpbegroting voor de periode 2021-2027 voorgesteld. Wordt daarin voldoende rekening gehouden met dat digitale aspect? Als dat niet het geval is, voldoet dit ontwerp niet. |
|
4.3.5. |
Digitale technologieën en kunstmatige intelligentie — Het is van essentieel belang dat de Commissie over de nodige instrumenten op het gebied van digitale technologieën en kunstmatige intelligentie beschikt om de toekomstige programma’s (op het gebied van big data, nieuwe technologieën en investering van middelen) te kunnen uitvoeren en evalueren. |
|
4.3.6. |
Volgens de Commissie zelf draait het bij de beoordeling van de effecten van de acties en programma’s van de EU om een „manier van denken”. De resultaten van een project zijn soms minder belangrijk dan de manier waarop die resultaten tot stand zijn gekomen, en het is moeilijk om (niet alleen kwantitatieve, maar ook kwalitatieve) indicatoren te vinden om dat te beoordelen. |
|
4.3.7. |
Het EESC spoort de Commissie er ten zeerste toe aan om op zoek te gaan naar betere indicatoren om de onmiddellijke resultaten en de effecten van de programma’s en projecten te beoordelen. |
|
4.4. |
Aandacht voor jongeren — Het is van fundamenteel belang dat specifieke aandacht wordt geschonken aan de jongeren in Europa. Het EESC stelt voor om gebruik te maken van de methoden van Erasmus+ om uitwisselingen voor jongeren — middelbare scholieren, studenten, stagiairs, werkzoekenden, personen in moeilijkheden — op te zetten, zodat in de territoriale samenwerking rekening wordt gehouden met jongeren via specifieke mobiliteitsprogramma’s, beroepsopleidingen en talencursussen. Het EESC overweegt meerdere mogelijkheden, die elkaar niet uitsluiten, om de territoriale samenwerking zinvol te maken voor jongeren. |
|
4.4.1. |
Het EESC stelt voor om een percentage van de middelen voor Europese territoriale samenwerking voor te behouden aan acties voor en door jongeren. Tegelijkertijd zou de Commissie in het kader van het toekomstige Erasmus+ na 2021 ervoor kunnen kiezen om een deel van de Erasmus+-programma’s te wijden aan initiatieven voor specifieke territoriale ruimten. |
|
4.4.2. |
10 % van één of meer Interreg-onderdelen zou moeten worden toegespitst op mobiliteit zoals in het kader van Erasmus, en eenzelfde percentage zou kunnen worden besteed aan projecten die worden beheerd in het kader van Erasmus+ en die in Europese ruimten worden georganiseerd. Er zou prioriteit kunnen worden verleend aan regio’s die vorm beginnen te krijgen, zoals een mediterrane macroregio, en/of, bij wijze van proefproject, aan regio’s die momenteel worden opgezet en ontwikkeld, zoals een macroregio Oostelijk Middellandse Zeegebied. |
|
4.4.3. |
Het is derhalve noodzakelijk om in de transnationale en grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s één of meer pijlers op te nemen met specifieke voorstellen en interventies voor en door jongeren. Die pijlers moeten het mogelijk maken om af te stappen van louter culturele uitwisselingen en meer werk te maken van acties die betrekking hebben op andere categorieën dan de categorieën die gewoonlijk profiteren van Erasmus+: jeugdbewegingen en het oprichten van verenigingen om sociale uitsluiting en ongelijkheid tegen te gaan en de meest kwetsbare personen (met een handicap) te integreren, acties voor het klimaat, initiatieven die bijdragen aan de opvang van vluchtelingen of andere thema’s op het gebied van onderwijs en solidariteit. |
|
4.5. |
Acties ten gunste van kwetsbare bevolkingsgroepen en aandacht voor de horizontale criteria — Het standpunt van de Commissie inzake de aandacht voor kwetsbare bevolkingsgroepen op alle niveaus van het ontwerp en de uitvoering van de samenwerkingsprogramma’s, waaronder meer in het bijzonder de selectie van de projecten, is duidelijk: de horizontale communautaire beginselen moeten absoluut worden nageleefd. |
|
4.5.1. |
Er bestaan echter twijfels over hoe dit aspect geregeld is in het kader van de Europese territoriale samenwerking, waarbinnen geen quota zijn vastgesteld. Het EESC stelt voor om een minimumdrempel vast te stellen voor grensoverschrijdende samenwerking (10 %). |
|
4.6. |
Civiele bescherming en bestrijding van belangrijke risico’s. Dit onderdeel, dat deel uitmaakt van het nieuwe Europese Fonds voor defensie en civiele bescherming dat de Commissie heeft voorgesteld voor het MFK 2021-2027, vormt een belangrijke pijler die van invloed is op de territoriale samenwerking. Hierbij zij bijvoorbeeld gedacht aan het voorkomen en bestrijden van bosbranden in het Middellandse Zeegebied of aan overstromingen in de meer noordelijke regio’s. Samenwerking over de nationale grenzen heen ligt voor de hand op dit gebied, en is van invloed op het dagelijkse leven van de burgers. |
|
4.6.1. |
Het EESC beveelt daarom aan om er bijzondere aandacht aan te schenken in de Europese territoriale samenwerking, met de mogelijkheid om meerdere fondsen te combineren, en om nauwkeurige aanbevelingen te doen aan de instanties die belast zijn met de programma’s, om hen bewust te maken van de uitdagingen en kansen die een en ander met zich brengt voor hun grondgebied. Daartoe zouden oproepen tot het indienen van demonstratievoorstellen kunnen worden gelanceerd om voor gezonde wedijver tussen de regio’s te zorgen. |
|
4.7. |
Integratie van de verschillende Europese instrumenten — Het EESC is van mening dat de kansen voor synergieën tussen de Europese territoriale samenwerking en de andere huidige of toekomstige financieringsinstrumenten van de EU in dit voorstel onvoldoende aan bod komen, in het bijzonder wat uitwisselingen voor jongeren, netwerken en de digitale agenda, onderzoek en ontwikkeling, investeringen, civiele bescherming en de bestrijding van belangrijke risico’s betreft. Het vraagt de Commissie om daar iets aan te doen. |
|
4.7.1. |
De Europese territoriale samenwerking vormt een passend kader om te verzekeren dat de verschillende Europese instrumenten elkaar aanvullen, uitgaand van de behoeften op het terrein:
enzovoort. |
|
4.7.2. |
De voorstellen van de Commissie blijven vaag wat dit betreft. Het EESC vraagt de Commissie om in het kader van de voorstellen voor het MFK 2021-2027 met een mededeling te komen over de integratie van haar financieringsinstrumenten. |
|
4.8. |
Publiciteit — Interreg is een van de belangrijkste hulpmiddelen om het Europees burgerschap kracht bij te zetten. Het is nu vooral zaak meer zichtbaarheid te krijgen om de acties van de EU beter bekend te maken. De Commissie moet met een eenvoudige publicatie en publiciteitscampagne komen over de benutting en de verwezenlijkingen van het Interreg-programma, zodat de burgers zich bewust worden van de concrete acties die met de steun van de EU zijn opgezet. Gezien het belang van dit thema stelt het EESC voor om daartoe contactpunten voor informatieverstrekking en grensoverschrijdende of territoriale samenwerking op te zetten, bij voorkeur bij organisaties van het maatschappelijk middenveld. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) COM(2017) 623 final.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/124 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen
(COM(2018) 373 final — 2018/0198 (COD))
(2018/C 440/20)
|
Rapporteur: |
Etele BARÁTH |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 11.6.2018 Raad van de Europese Unie, 19.6.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikelen 175 en 304 VWEU |
|
|
|
|
Bevoegde afdeling |
Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang |
|
Goedkeuring door de afdeling |
7.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
195/1/3 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de door de Europese Commissie voorgestelde verordening betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen (hierna: het mechanisme). Dit voorstel getuigt volgens het EESC van een nieuwe benadering en kan leiden tot meer mogelijkheden voor op subsidiariteit gebaseerde samenwerking tussen de lidstaten, een duurzame en evenwichtigere sociaal-economische ontwikkeling van de grensregio’s en een toename van het bbp van de EU. |
|
1.2. |
Het EESC vindt de redenen voor het voorstel gegrond, want ook al bestaan er al meerdere institutionele instrumenten ter ondersteuning van grensregio’s (o.a. Interreg en de EGTS), zij beschikken niet over de vereiste bevoegdheden om de desbetreffende wettelijke maatregelen te nemen. |
|
1.3. |
Naar de mening van het EESC kan de tenuitvoerlegging van het verordeningsvoorstel historische belemmeringen uit de weg helpen ruimen, bijdragen aan de verspreiding van Europees gerichte praktijken in het leven van alledag en het besef van Europees burgerschap verstevigen. |
|
1.4. |
Het EESC dringt er bij de Commissie op aan helderheid te scheppen over alle kwesties die juridische onzekerheid creëren, zodat de als complex beschouwde procedure met haar vele buitensporige waarborgen geen afschrikkende werking heeft op potentiële gebruikers van de nieuwe wetgeving. Er moet duidelijk vastgelegd worden hoe twee aangrenzende lidstaten kunnen worden gestimuleerd samen te werken als hun opvattingen over een project uiteenlopen of ze er in het algemeen een andere aanpak op nahouden. |
|
1.5. |
Het EESC wijst erop dat permanent toezicht op de correcte toepassing van de verordening nodig is omdat die niet de oplossingen maar de procedure zelf regelt en een kader met talloze samenwerkingsmogelijkheden kan bieden. |
|
1.6. |
Positief is dat de ontwerpverordening veeleer harmoniseert dan uniformiseert. De afbakening van het territoriale toepassingsgebied is dan ook van groot belang voor de uitvoerbaarheid ervan (zie par. 2.7.4). |
|
1.7. |
Verder gaat het verordeningsvoorstel uit van het principe dat een oplossing voor een bepaald probleem zou zijn om de geldende wetgeving aan de andere kant van de grens toe te passen. Dat is in veel gevallen echter niet mogelijk: het kan zijn dat er aan beide kanten van de grens helemaal geen wetgeving is waarmee een bepaald probleem kan worden opgelost. De oplossing kan dan wellicht in een derde land worden gevonden. Voor dit soort situaties zou een instrument moeten worden voorgesteld. |
|
1.8. |
Het EESC is ingenomen met de door de Commissie ingevoerde coördinatie en rekent erop dat de grensoverschrijdende coördinatiepunten de oude „goede praktijkvoorbeelden” verspreiden (grensoverschrijdende programma’s enz.) en initiatieven een territoriale dimensie geven (bijv. samenhang met de geïntegreerde macroregionale strategieën voor stedelijke ontwikkeling). Het beveelt in dit verband aan om de deskundigheid en coördinatiecapaciteit van maatschappelijke organisaties te benutten (zie par. 2.14.2). |
|
1.9. |
De ontwerpverordening kan bijdragen tot de verdere versterking van een innovatief en verantwoordelijk Europees openbaar bestuur, maar het EESC vindt dat aan de betrokken partijen een informatieverplichting moet worden opgelegd om de mogelijkheden voor grensoverschrijdende samenwerking onder de aandacht te brengen. Het stelt voor om deelname te vereenvoudigen en aantrekkelijker te maken met behulp van de instrumenten voor e-overheid. |
|
1.10. |
Het EESC beveelt aan goed in de gaten te houden of er geen sprake is van aanzienlijk scheve verhoudingen tussen potentiële initiatiefnemers. Zulke verhoudingen zouden moeten worden rechtgetrokken met steun om de deelname van de initieel minst begunstigde partners te vergemakkelijken. |
|
1.11. |
Wat grensoverschrijdende juridische initiatieven en praktijken betreft, dient elke mogelijke verslechtering te worden voorkomen. In het bijzonder moet erop worden gelet dat geen van de partijen ten gevolge van de samenwerking wordt benadeeld of schade lijdt. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Het EESC staat achter initiatieven die belemmeringen voor de interne markt uit de weg ruimen en de vier fundamentele vrijheden ervan helpen verwezenlijken (1). Het beschouwt het voorstel voor een grensoverschrijdend mechanisme, dat getuigt van de doeltreffende werkzaamheden van het Luxemburgse voorzitterschap, als een verdere stap in deze richting. |
|
2.2. |
De EU telt 40 interne grensregio’s, die samen 40 % van haar grondgebied beslaan en goed zijn voor bijna 30 % van haar bevolking. Dagelijks steken 1,3 miljoen mensen de grens over om te gaan werken (2). |
|
2.3. |
Zo’n grensoverschrijdend leven kan leiden tot moeilijkheden op het werk, in de gezondheidszorg, bij de gebruikmaking van door overheidsinstanties aangeboden diensten of in noodsituaties. Als belastingregelingen, pensioenrechten en andere rechten en normen niet worden erkend en gezamenlijke dienstverlening in geval van nood ontbreekt, kan dat ernstige problemen opleveren. De meeste belemmeringen vloeien voort uit wetgeving die aan weerskanten van de grens uiteenloopt, onverenigbare administratieve procedures of simpelweg het ontbreken van gezamenlijke territoriale planning (3). |
|
2.4. |
Grensregio’s presteren over het algemeen economisch echter minder goed dan andere regio’s in een lidstaat. De bewoners van grensregio’s hebben doorgaans minder gemakkelijk toegang tot openbare diensten zoals ziekenhuizen en universiteiten. Particulieren, bedrijven en overheden in grensregio’s stuiten op specifieke problemen als ze hun weg proberen te vinden tussen twee verschillende administratieve en juridische systemen. Onderzoekers van de technische universiteit van Milaan hebben aangetoond dat als de huidige administratieve belemmeringen uit de weg worden geruimd, het bbp van de EU met ongeveer 8 % zou kunnen stijgen (4). |
|
2.5. |
Gelet op de sociale dimensie van deze uitdaging vindt het EESC het heel belangrijk mechanismen in te voeren die administratieve belemmeringen uit de weg ruimen zodat burgers in alle vrijheid een baan kunnen kiezen en de ontwikkeling van infrastructuur en diensten van algemeen belang wordt bevorderd. |
|
2.6. |
Ook vanuit economisch oogpunt is de in het voorstel gevolgde benadering positief omdat die zal leiden tot een grotere vermindering van de administratieve lasten, wat in het belang is van werkgevers en werknemers. |
|
2.7. |
Grensregio’s zijn vanwege hun perifere ligging economisch en sociaal gezien vaak minder welvarend (5). Met het voorliggende initiatief zou een nuttige bijdrage kunnen worden geleverd aan het vergroten van de territoriale samenhang, dat wil zeggen de harmonieuze ontwikkeling van alle regio’s door hun inwoners in staat te stellen de regionale mogelijkheden optimaal te benutten. In lijn met het Verdrag van Lissabon (6) is het EESC van mening dat de regionale diversiteit kan worden aangewend ten voordele van de duurzame ontwikkeling van de gehele EU. |
|
2.7.1. |
Het EESC betreurt het dat de Commissie geen participatief proces is gestart dat had kunnen uitmonden in een overkoepelende en geïntegreerde strategie voor een duurzaam Europa in 2030 en daarna (7). De contextualisering van het nieuwe mechanisme is daarom bijzonder belangrijk: de nieuwe grensoverschrijdende coördinatiepunten zouden volgens het EESC niet alleen moeten zorgen voor juridische harmonisatie, maar ook voor de integratie van initiatieven in de verschillende territoriale procedures. |
|
2.7.2. |
Die territoriale procedures omvatten onder meer de territoriale strategieën voor de diverse niveaus (bijv. macroregionale strategieën of geïntegreerde strategieën voor stedelijke ontwikkeling) en ook de ervaringen met de Europese programma’s voor territoriale samenwerking zijn erin geïntegreerd, met name de ervaringen en uitkomsten van grensoverschrijdende programma’s. |
|
2.7.3. |
De kracht van de huidige formulering van het voorstel in vergelijking met eerdere ideeën is dat de mogelijkheid van maritieme samenwerking niet wordt uitgesloten (zodat het mechanisme kan worden toegepast op dynamische maritieme samenwerkingsverbanden, zoals die zijn opgericht in de regio Groot-Kopenhagen en tussen Helsinki en Tallinn, en bijvoorbeeld ook op de zich snel ontwikkelende betrekkingen tussen Italië en Kroatië). |
|
2.7.4. |
Het territoriale toepassingsgebied van de ontwerpverordening is het NUTS 3-niveau, maar op grond van de interpretatie van het voorstel moet het mechanisme worden toegepast op de kleinst mogelijke te rechtvaardigen territoriale eenheid, wat lof verdient. Het is echter van belang dat de verordening wordt aangepast voor gevallen waarin het territoriale toepassingsgebied zich verder moet uitstrekken dan de voorgestelde administratieve grenzen (zo moet de radiofrequentie van ambulances eventueel een groter gebied bestrijken). |
|
2.8. |
Zoals ook blijkt uit het nieuwe voorstel voor de EU-begroting, is milieubescherming onmiskenbaar een prioriteit geworden: de Commissie stelt voor om de financiering voor milieu en klimaatactie te verhogen (8). Het spreekt voor zich dat elke inspanning om te komen tot een coherente aanpak voor het Europese ecosysteem waarmee de natuur kan worden beschermd, moet worden toegejuicht. |
|
2.9. |
Het EESC is van mening dat grensoverschrijdende samenwerking verder zou moeten gaan dan juridische harmonisatie (ondersteuning van meertaligheid enz.). Dit sluit aan op de mededeling van de Commissie „Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s van de EU” (9) (waarin aan de hand van tien voorstellen dieper wordt ingegaan op de vraag hoe de EU en de lidstaten de complexiteit, de tijdrovendheid en de kosten van grensoverschrijdende interactie kunnen verminderen en de bundeling van diensten langs binnengrenzen kunnen bevorderen). |
|
2.10. |
Niettemin valt te vrezen dat de invoering van het mechanisme op vrijwillige basis zal leiden tot nog meer juridische en administratieve versnippering in Europa, en dat bovendien de praktijken van de meest ontwikkelde en minder ontwikkelde lidstaten aanzienlijk uiteen zullen gaan lopen. Die laatste hebben niet alleen te maken met andere juridische belemmeringen, maar ook met grotere uitdagingen, bijvoorbeeld op economisch vlak. |
|
2.11. |
Het EESC is zich ervan bewust dat juridische harmonisatie veel tijd vergt, maar moedigt de lidstaten toch aan om een zo homogeen mogelijke structuur in te voeren. Al met al lijkt het verordeningsvoorstel erop gericht de procedurele termijnen te verkorten om lokale actoren te beschermen. De complexiteit van het mechanisme en de lengte van de bureaucratische procedures vereisen evenwel een grote samenwerkingsbereidheid om de geplande termijnen te kunnen naleven. |
|
2.12. |
De opzet van het nieuwe institutionele systeem op meerdere niveaus roept eveneens vragen op. Het kader voor het functioneren van de betrokken instanties moet zo worden afgebakend dat eventuele belemmeringen geen gevolgen hebben voor de autoriteiten (onvoldoende capaciteit enz.). |
|
2.13. |
Het EESC is in dit verband ingenomen met de coördinerende rol van de Commissie, die mogelijk is geworden door de oprichting van het „Border Focal Point” in september 2017 (10). |
|
2.13.1. |
Niettemin is het EESC bezorgd over het gebrek aan Europese financiering, wat met name voor de minst ontwikkelde lidstaten een probleem zou kunnen vormen. Het vindt het daarom van belang te voorzien in een mogelijkheid om de verschillende financieringsfondsen en het mechanisme aan elkaar te koppelen. |
|
2.14. |
Heel positief is het bottom-upkarakter van het initiatief, aangezien de harmonisatieprocedure begint bij lokale actoren, dat wil zeggen degenen die daadwerkelijk te kampen hebben met grensoverschrijdende belemmeringen. |
|
2.14.1. |
Aangezien lokale actoren door maatschappelijke organisaties worden gemobiliseerd, zijn die laatste uitermate goed in staat om lokale problemen op te sporen en oplossingen voor te stellen. Het EESC vindt hun deelname daarom van bijzonder groot belang en beveelt aan om hun deskundigheid en coördinatiecapaciteit te benutten (bijv. op basis van interregionale indicatoren van kamers van koophandel of bestaande samenwerkingsverbanden tussen vakbonden en belangengroepen). Het is eveneens belangrijk om de werkzaamheden van de nationale en regionale sociaaleconomische raden in aanmerking te nemen. |
|
2.14.2. |
De lidstaten dienen bovendien het maatschappelijk middenveld op grote schaal te ondersteunen zodat de economisch minder begunstigde betrokkenen ook over alle mogelijkheden kunnen worden geïnformeerd en daarvan kunnen profiteren. |
|
2.14.3. |
Daarom zouden de werkzaamheden van de door grensregio’s opgerichte organisaties moeten worden gesteund (zoals de Vereniging van Europese grensregio’s, de „Mission Opérationnelle Transfrontalière” en de Centrale Europese Dienst voor grensoverschrijdende initiatieven), teneinde de belangen van grensgebieden te behartigen en contacten, uitwisseling van ervaringen en samenwerking tussen betrokkenen te bevorderen. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) PB C 125 van 21.4.2017, blz. 1.
(2) http://ec.europa.eu/regional_policy/nl/information/publications/communications/2017/boosting-growth-and-cohesion-in-eu-border-regions
(3) http://ec.europa.eu/regional_policy/nl/policy/cooperation/european-territorial/cross-border/review/
(4) Camagni et al., Quantification of the effects of legal and administrative border obstacles in land border regions, Europese Commissie, Brussel, 2017.
(5) http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docoffic/official/reports/cohesion7/7cr_nl.pdf
(7) PB C 345 van 13.10.2017, blz. 91.
(8) http://europa.eu/rapid/press-release_IP-18-4002_nl.htm
(9) http://ec.europa.eu/regional_policy/nl/information/publications/communications/2017/boosting-growth-and-cohesion-in-eu-border-regions
(10) http://europa.eu/rapid/press-release_IP-17-3270_nl.htm
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/128 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit
(COM(2018) 131 final — 2018/0064 (COD))
(2018/C 440/21)
|
Rapporteur: |
Carlos Manuel TRINDADE |
|
Raadpleging |
Raad, 6.4.2018 Europees Parlement, 16.4.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikelen 46, 91, lid 1, en 304 VWEU |
|
Bevoegde afdeling |
Afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
19.7.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
20.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
189/16/29 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
De huidige situatie op de grensoverschrijdende arbeidsmarkt levert aanzienlijke problemen op voor bedrijven, werknemers en lidstaten, met name oneerlijke concurrentie, sociale dumping en allerlei soorten illegale activiteiten en fraude op het gebied van belastingen en sociale zekerheid. Bovendien hebben het gebrek aan informatie voor bedrijven en werknemers, de gebrekkige samenwerking tussen de lidstaten en de over het algemeen geringe capaciteit van de arbeidsinspecties de bestaande problemen en conflicten nog verergerd. Hoewel er al een paar maatregelen zijn genomen, hebben de Europese instellingen, de voorzitter van de Commissie, het EESC, de sociale partners en maatschappelijke organisaties erop gewezen dat er meer en betere inspanningen nodig zijn om verbetering te brengen in deze situatie. |
|
1.2. |
Het voorstel van de Commissie voor een verordening tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit (European Labour Authority, ELA) is, indien het passend ten uitvoer wordt gelegd, een belangrijke stap in de goede richting om de grensoverschrijdende mobiliteit te verbeteren, de Europese en nationale wetgeving te handhaven, de samenwerking tussen nationale arbeidsmarktautoriteiten aan te moedigen en de toegang tot adequate en actuele informatie te verbeteren, illegale activiteiten aan te pakken en de interne markt te versterken, mits ELA de nationale en Europese bevoegdheden in acht neemt en er sprake is van samenwerking en steun van de kant van de lidstaten. |
|
1.3. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) steunt dit initiatief van de Commissie, dat bijdraagt aan de oplossing van de problemen in verband met grensoverschrijdende mobiliteit. Het neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor een verordening tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit en beklemtoont dat er voor een evenwichtige vorm van gestructureerde samenwerking tussen de lidstaten is gekozen met als doel innovatieve oplossingen met toegevoegde waarde te vinden voor bedrijven, werknemers en nationale arbeidsautoriteiten en -inspecties, zonder afbreuk te doen aan het subsidiariteitsbeginsel. |
|
1.4. |
Het EESC is het op hoofdlijnen eens met de inspanningen van de Commissie om grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren en illegale praktijken te vermijden. Het EESC zet hieronder uiteen op welke punten overeenstemming bestaat (paragraaf 4.1), maakt een aantal opmerkingen (paragraaf 4.2) en doet ten slotte nog een paar voorstellen (paragraaf 4.3) waarvan het hoopt dat zij in overweging worden genomen om de efficiëntie van de activiteiten van de ELA te helpen verbeteren. |
|
1.5. |
Het EESC beveelt de Commissie aan om bij het integreren van de verschillende organen in de ELA zeer zorgvuldig te werk te gaan, zodat de opgedane kennis en ervaring goed worden benut en overlapping met andere instrumenten en structuren wordt voorkomen, om ervoor te zorgen dat de ELA uiteindelijk doeltreffender kan optreden. De onafhankelijkheid van de ELA moet worden gewaarborgd door haar eigen middelen toe te wijzen voor de uitoefening van haar taken. Het EESC waarschuwt echter voor een eventueel tekort aan middelen, waardoor de doeltreffendheid van de Autoriteit in het gedrang kan komen. Daarom is het belangrijk ervoor te zorgen dat de middelen goed worden beheerd, ook al bestaat er bezorgdheid, onder meer over de kosteneffectiviteit ervan. |
|
1.6. |
Van alle voorstellen wil het EESC met name het voorstel over de betrokkenheid van de sociale partners (paragraaf 4.3.3) onder de aandacht brengen. Als de sociale partners actiever worden betrokken op Europees, nationaal en sectoraal niveau, dan zal het gemakkelijker zijn om oplossingen te vinden voor de problematiek van grensoverschrijdende mobiliteit — en dat is wat het EESC met dit voorstel beoogt. Het EESC stelt voor om de stakeholdergroep van de ELA om te vormen tot een adviesraad en de aanwezigheid van de sociale partners in dit orgaan te versterken. |
2. Achtergrond
|
2.1. |
De laatste jaren is de arbeidsmobiliteit enorm toegenomen: tussen 2010 en 2017 is het aantal burgers dat in een andere lidstaat dan zijn geboorteland woont of werkt toegenomen van 8 tot 17 miljoen; wanneer je enkel naar werknemers kijkt, is het aantal sinds 2010 met 68 % gestegen tot 2,3 miljoen in 2016. Er zijn ook meer dan 2 miljoen werknemers in het wegvervoer die elke dag grenzen binnen de EU oversteken om goederen of passagiers te vervoeren (1). |
|
2.2. |
Een belangrijk verschijnsel in de hedendaagse Europese samenleving is armoede, die niet noemenswaardig is afgenomen en 23,5 % van de bevolking van de Europese Unie treft (2). Hieronder bevinden zich ontmoedigde werknemers, gehandicapten, immigranten uit derde landen, zigeuners en daklozen, van wie een deel in een andere lidstaat dan zijn land van herkomst woont. Voor deze mensen zal gemakkelijker een oplossing kunnen worden gevonden als de grensoverschrijdende arbeidsmarkten efficiënter werken, omdat zich dan meer arbeidskansen voordoen. |
|
2.3. |
De Europese instellingen hebben zich onlangs uitgesproken over de kwestie arbeidsmobiliteit. De Commissie stelt echter vast dat er „nog punten van zorg [blijven] wat betreft de naleving en een doeltreffende en efficiënte handhaving van de EU-regels, wat het vertrouwen in en de eerlijkheid op de interne markt in gevaar brengt. Zo is bezorgdheid geuit over het feit dat mobiele werknemers kwetsbaar zijn voor misbruik of hun burgerrechten niet kunnen uitoefenen en dat bedrijven zich in een onzeker of onduidelijk bedrijfsklimaat en een ongelijk speelveld bevinden” (3). Het Europees Parlement wijst op de noodzaak om „de controles en samenwerking tussen en door de lidstaten te versterken, onder meer via betere uitwisseling van informatie tussen de arbeidsinspecties, en actief steun te verlenen aan de uitoefening van het recht van vrij verkeer” (4). De Raad onderstreept de noodzaak om „de administratieve samenwerking te verbeteren en bijstand en informatie-uitwisseling te ontwikkelen in het kader van de bestrijding van fraude met betrekking tot de detachering van werknemers, waarbij de nadruk werd gelegd op het belang van duidelijke en transparante informatie voor dienstverleners en werknemers” (5). |
|
2.4. |
In zijn toespraak over de staat van de Unie, van 13 september 2017, geeft voorzitter Jean-Claude Juncker goed aan wat de Europese instellingen te doen staat: „We moeten ervoor zorgen dat alle EU-regels voor arbeidsmobiliteit worden gehandhaafd op een eerlijke, eenvoudige en doeltreffende manier. Daarvoor is een nieuw Europees orgaan voor inspectie en handhaving nodig. Het is toch absurd dat we wel een Bankautoriteit hebben die toezicht houdt op de normen voor het bankwezen, maar geen gemeenschappelijke Arbeidsautoriteit die toeziet op eerlijkheid in de eengemaakte markt” (6). |
|
2.5. |
Ook het EESC heeft diverse adviezen (7) uitgebracht over dit onderwerp. |
|
2.6. |
Hoewel er in de voorbije jaren een heleboel initiatieven zijn gelanceerd en voorstellen zijn gedaan om tot een eerlijke arbeidsmobiliteit te komen, laten de uitvoering hiervan en het toezicht hierop te wensen over. |
|
2.7. |
De huidige situatie, die in sommige lidstaten wordt gekenmerkt door misbruik en illegale praktijken, houdt verband met het populisme en heeft geleid tot de anti-Europese gevoelens en het toenemend protectionisme die de afgelopen jaren in veel lidstaten de kop hebben opgestoken. |
|
2.8. |
Hieruit blijkt dat de rechten die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name in de artikelen 15, 16, 21, 29, 31, 34, 35 en 45, niet worden geëerbiedigd. |
|
2.9. |
Dit was overigens een van de belangrijkste redenen voor het uitroepen van de Europese pijler van sociale rechten, die ervoor moet zorgen dat „burgers gelijke kansen hebben en gelijke toegang hebben tot de arbeidsmarkt, eerlijke arbeidsomstandigheden, en sociale bescherming en inclusie” (8). |
|
2.10. |
Deze opmerkingen van de EU-instellingen sluiten aan bij de waarschuwingen en klachten die de Europese sociale partners, vakbonden en ondernemingen en verschillende nationale overheden in de loop der jaren hebben geuit en waarmee zij een lans hebben willen breken voor beleidsmaatregelen die hiervoor een oplossing bieden. |
|
2.11. |
Er bestaan grote verschillen tussen de lidstaten op het gebied van taken en middelen voor arbeidsinspectie en die verschillen zijn bekend. Zo is het aantal inspecteurs in veel gevallen lager dan door de IAO wordt aanbevolen (9). Echter, doordat er minder middelen worden uitgetrokken voor arbeidsinspectie, alsook door taalproblemen en verschillende niveaus van digitalisering blijkt er weinig bekend te zijn over grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit. Om dit euvel te verhelpen, en om efficiënter en proactiever samen te werken en vrijwillig gezamenlijke initiatieven te nemen, zijn optreden op EU-niveau en ondersteuning van de lidstaten noodzakelijk. |
|
2.12. |
De resultaten van de publieksraadplegingen via internet (10) en van het intern overleg tonen aan dat er een lacune bestaat: er is met name sprake van onvoldoende steun en begeleiding voor werknemers en bedrijven die de grens oversteken; de informatie die beschikbaar is voor het publiek over hun rechten en plichten is onvolledig of summier; de samenwerking en coördinatie tussen de nationale autoriteiten is ontoereikend en de toepassing en naleving van de regels schieten tekort. De gerichte raadplegingen leverden wisselende resultaten op. De meeste respondenten zijn voorstander van de oprichting van een nieuwe autoriteit die zich bezighoudt met het verbeteren van de samenwerking tussen de lidstaten door de uitwisseling van informatie en goede praktijken te vergemakkelijken. Tegelijkertijd benadrukken sommige respondenten dat de nieuwe autoriteit de in het Verdrag vastgelegde nationale bevoegdheden volledig moet respecteren en geen extra rapportageverplichtingen mag opleggen. Voorts werd gewaarschuwd voor mogelijke overlapping met de bestaande administratieve structuren. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC steunt de Commissie in haar pogingen om onrechtmatigheden en fraude met grensoverschrijdende mobiliteit te bestrijden. De oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit komt overeen met de beleidskoers die in juli 2014 is uitgezet met het oog op de totstandbrenging van een socialer Europa. |
|
3.2. |
Het EESC deelt de mening van de Commissie dat er behoefte is aan doeltreffende samenwerking tussen de nationale instanties en gezamenlijke administratieve maatregelen om de steeds „Europeser” wordende arbeidsmarkt te beheren en, door middel van de ELA — mocht die worden opgericht en, met inachtneming van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel, een duidelijk mandaat krijgen — op een eerlijke, eenvoudige en doeltreffende manier het hoofd te bieden aan belangrijke uitdagingen als grensoverschrijdende mobiliteit (11). |
|
3.3. |
Het EESC vindt net als de Europese Commissie dat „grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit in de EU ten goede komt van personen, economieën en de maatschappij als geheel” en dat dergelijke voordelen „vragen om duidelijke, eerlijke en doeltreffend gehandhaafde regels voor de grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit en de coördinatie van de sociale zekerheid” (12). |
|
3.4. |
Het EESC is nagegaan of het voorstel van de Commissie in overeenstemming is met het beginsel van subsidiariteit en evenredigheid, de overeenkomst tussen het Europees Parlement en de Raad over de rationalisering van decentrale Europese agentschappen en het beginsel van beter wetgeven en of er een verband bestaat tussen het voorgestelde initiatief en het Europees platform tegen zwartwerken, en kan hierop bevestigend antwoorden. |
|
3.5. |
Het EESC vindt dat de Commissie terecht voor een praktische oplossing heeft gekozen, nl. de oprichting van een nieuw agentschap dat uitgaat van samenwerking tussen de lidstaten en gebruik maakt van bestaande structuren, terwijl er ook nog andere mogelijkheden waren (13), en dat met deze oplossing wordt ingespeeld op de bestaande behoeften. Ook vindt het, net als de Commissie, dat een verordening hiervoor het beste instrument is, omdat het de benodigde rechtszekerheid kan bieden. |
|
3.6. |
Het EESC is van mening dat de oprichting van de ELA de eerder vermelde belangrijke lacunes kan dichten, mits er sprake is van samenwerking en steun van de kant van alle lidstaten. Het EESC onderstreept dat de ELA haar pijlen moet richten op verbetering van de arbeidsmobiliteit, toepassing van de regels, bestrijding van illegaliteit en versterking van de interne markt middels intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten. Hoe doelgerichter de ELA te werk gaat en hoe meer zij zich concentreert op haar doelstellingen, des te sneller zal zij eventuele verkeerde voorstellingen van zaken of foutieve inschattingen van haar belang uit de wereld helpen. |
|
3.7. |
Het EESC kan zich in grote lijnen vinden in het voorstel van de Commissie voor een verordening, met name in de doelstellingen ervan (artikel 2), de taken van de Autoriteit (artikel 5), de informatie over grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit (artikel 6), de toegang tot diensten op het gebied van grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit (artikel 7), de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten (artikel 8) en de samenwerking bij grensoverschrijdende verstoringen van de arbeidsmarkt (artikel 14), omdat hierin de taken van de ELA worden vastgelegd die ertoe kunnen bijdragen dat de arbeids- en sociale rechten op voet van gelijkheid worden gewaarborgd in het gastland, sociale dumping wordt bestreden, eerlijke concurrentie tussen bedrijven wordt veiliggesteld en fraude met betrekking tot grensoverschrijdende mobiliteit wordt tegengegaan — problemen die de lidstaten alleen niet kunnen oplossen. |
|
3.8. |
Het EESC is van oordeel dat deze doelstellingen en taken de rechtmatige twijfel die is gerezen omtrent de feitelijke functie en rol van ELA de kop kunnen indrukken. |
|
3.9. |
Het EESC denkt dat de ELA alles in zich heeft om, door middel van operationele en technische steun, een positieve bijdrage te leveren aan de strijd die de lidstaten en de sociale partners leveren tegen illegaliteit, misbruik en fraude bij arbeidsmobiliteit. De eerbiediging van de rechten van werknemers en burgers op gelijke behandeling, arbeidskansen en sociale zekerheid zal worden gewaarborgd door relevante informatie en diensten te verstrekken aan werknemers en werkgevers, door samenwerking en informatie-uitwisseling tussen nationale overheden, gecoördineerde en gezamenlijke inspecties, samenwerking in het geval van grensoverschrijdende geschillen en verstoringen van de arbeidsmarkt, evenals herstructurering van ondernemingen die gevolgen heeft voor verschillende lidstaten. |
|
3.10. |
Het EESC zou graag zien dat de ELA een inspiratiebron en stimulans wordt voor het versterken van de capaciteit van nationale overheden, vooral op het gebied van arbeidsinspecties en personeelsbestand, en informatie en advies verstrekt aan Europese bedrijven en werknemers over de regels die van toepassing zijn op praktijken die over de grens plaatsvinden. |
|
3.11. |
Het EESC wijst op het belang van nieuwe arbeidsvormen als gevolg van technologische en digitale innovatie in bedrijven en op de arbeidsmarkt, die natuurlijk gevolgen hebben voor grensoverschrijdende mobiliteit — reden waarom de ELA hier aandacht aan moet besteden. |
|
3.12. |
Het EESC hoopt dat de ELA de vruchten zal plukken van de synergieën die eventueel ontstaan door het bundelen van ervaring, capaciteit en taken en door de beoogde samenwerking, waarbij overlapping en gebrek aan duidelijkheid worden voorkomen, aangezien: |
|
3.12.1. |
de autoriteit verschillende bestaande structuren onder een noemer zal brengen, nl. het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (Eures), het Technisch Comité voor het vrije verkeer van werknemers, het Comité van deskundigen inzake de detachering van werknemers, de Technische Commissie, de Rekencommissie en de Arbitragecommissie van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en het Platform voor de bestrijding van zwartwerk; |
|
3.12.2. |
de autoriteit zal samenwerken met bestaande Europese agentschappen op het gebied van arbeidswetgeving, zoals Cedefop (14), ETF (15), EU-OSHA (16), Eurofound (17), de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, het Raadgevend Comité voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en het Raadgevend Comité voor het vrije verkeer van werknemers. |
|
3.12.3. |
Het EESC hoopt echter dat met deze nieuwe structuur en intensievere samenwerking een stap vooruit wordt gezet op het gebied van efficiency en dat de goede praktijken en werkzaamheden op al deze verschillende terreinen hierdoor niet worden geschaad. Het EESC bedoelt hiermee de goede voorbeelden van de Benelux-landen, het Platform voor de bestrijding van zwartwerk en de invoering van een Europese identiteitskaart voor de bouwsector, die behouden moeten blijven en zo veel mogelijk navolging verdienen. Te hopen valt ook dat er andere, soortgelijke innovatieve initiatieven ontstaan. Een voorbeeld hiervan is de invoering van een Europees socialezekerheidsnummer, na de lopende herziening van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (18) en de voltooiing van de werkzaamheden voor de elektronische uitwisseling van socialezekerheidsinformatie (EESSI). |
|
3.13. |
Het EESC wijst ook op het belang van de beoogde betrokkenheid van de sociale partners bij het functioneren en beheer van de ELA (artikel 24), maar acht de vorm die aan deze betrokkenheid wordt gegeven volstrekt ontoereikend. Het EESC hoopt dat deze betrokkenheid zodanig in het vat kan worden gegoten dat zij werkelijk meerwaarde heeft voor het oplossen van concrete problemen op het gebied van arbeidsmobiliteit. |
|
3.14. |
Het EESC vindt dat de ELA het subsidiariteitsbeginsel moet eerbiedigen en zich niet mag bemoeien met de werking van de arbeidsmarkten in de lidstaten, vooral niet met het overleg tussen werkgevers en werknemers en de onderhandelingen over collectieve arbeidsovereenkomsten, de autonomie van de sociale partners en de arbeidsinspecties. |
4. Specifieke opmerkingen
|
4.1. |
Het EESC is van mening dat: |
|
4.1.1. |
het uitvoeren van gezamenlijke en onderling gecoördineerde inspecties met de nationale overheden in geval van niet-naleving, fraude of misbruik dient te worden bevorderd, zij het in overeenstemming met de wetgeving van de betrokken lidstaten. Deze inspecties moeten op basis van vrijwilligheid plaatsvinden, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten. Wel dient erop te worden gewezen dat het uitblijven van de medewerking van een lidstaat, hetgeen altijd gemotiveerd moet worden, de doeltreffendheid van het optreden van de ELA in gevaar kan brengen; |
|
4.1.2. |
de ELA niet het initiatief mag nemen tot het uitvoeren van gezamenlijke en onderling gecoördineerde inspecties, hetgeen tot de bevoegdheid van de nationale autoriteiten behoort, maar de lidstaten wel mag voorstellen om dit te doen wanneer zij gevallen van niet-naleving van wettelijke voorschriften, misbruik of grensoverschrijdende fraude bespeurt; |
|
4.1.3. |
de ELA, in samenwerking met de enkele digitale toegangspoort, de verantwoordelijkheid op zich moet nemen voor het Eures-portaal voor arbeidsmobiliteit, in het kader van het informatiesysteem voor de interne markt (IMI) en de elektronische uitwisseling van socialezekerheidsgegevens (EESSI); |
|
4.1.4. |
de ELA rekening dient te houden met de autonomie van de sociale partners en het sociaal overleg, en vooral met het belang van hun actieve betrokkenheid bij de verwezenlijking van haar doelstellingen; |
|
4.1.5. |
het van groot belang is dat de ELA steun verleent aan vakbonden en bedrijven, vooral op het gebied van informatie en op technisch vlak, evenals bij grensoverschrijdende arbeidsconflicten, en aldus blijkt geeft van haar erkenning voor de fundamentele rol die zij spelen in de naleving van de wetgeving; |
|
4.1.6. |
de ELA als bemiddelaar kan optreden in conflicten tussen nationale autoriteiten, met name op het gebied van sociale zekerheid, en dat hieromtrent duidelijkheid moet worden verschaft; |
|
4.1.7. |
de nationale verbindingsfunctionarissen, als verbindende schakel met de lidstaten, de ELA efficiënter kunnen maken. Wel moet worden verduidelijkt wat hun functionele banden zijn met de lidstaten van herkomst, niet alleen met de autoriteiten daar, maar ook met de nationale sociale partners; |
|
4.1.8. |
de onafhankelijkheid van de ELA moet worden gewaarborgd door haar eigen middelen toe te wijzen voor de uitoefening van haar taken. Het EESC waarschuwt echter voor een eventueel tekort aan middelen, waardoor de doeltreffendheid van de Autoriteit in het gedrang kan komen. Ook de kosteneffectiviteit baart het Comité zorgen en daarom is het belangrijk ervoor te zorgen dat de middelen goed worden beheerd. |
|
4.2. |
Met het oog op de taken die de ELA krijgt, merkt het EESC op dat: |
|
4.2.1. |
geschillen tussen nationale instanties op het gebied van arbeidsmobiliteit en coördinatie van de sociale zekerheid kunnen worden opgelost door bemiddeling door de ELA op verzoek van, en in overeenstemming met, de nationale overheidsinstanties van de lidstaten; |
|
4.2.2. |
het bestaan van een dergelijke bemiddeling geen afbreuk mag doen aan een eventueel beroep dat door een van de betrokken partijen is ingesteld bij de bevoegde rechter; |
|
4.2.3. |
duidelijk moet zijn welke betrekkingen, in de zin van interactie en samenwerking, de ELA onderhoudt met agentschappen en andere EU-organen die zich bezighouden met arbeidskwesties en met de naleving en handhaving van de wetgeving; |
|
4.2.4. |
de oprichting van de ELA geen extra administratieve kosten met zich mag brengen voor bedrijven en werknemers. |
|
4.3. |
Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen die aan de oprichting van de ELA ten grondslag liggen, stelt het EESC voor dat de Commissie in haar voorstel voor een verordening: |
|
4.3.1. |
duidelijk maakt dat lidstaten de plicht hebben om met de ELA samen te werken, informatie en bijstand te verstrekken en toegang te verlenen tot nationale gegevensbanken op het gebied van wetgeving, sociale zekerheid en belastingen. Ook zou er opheldering moeten worden verschaft over hoe de kosten door de verschillende lidstaten zullen worden gedeeld, met name op het gebied van gezamenlijke inspecties; |
|
4.3.2. |
opneemt dat de ELA wordt geacht met haar activiteiten belastingfraude helpt te bestrijden, met name door, waar mogelijk, nauw samen te werken met Europol en Eurojust; |
|
4.3.3. |
wijzigingen aanbrengt in artikel 24 van de verordening, over de betrokkenheid van de sociale partners, omdat dit artikel duidelijk ontoereikend is. Met het oog hierop wordt voorgesteld om:
|
|
4.3.4. |
De ELA moet een databank aanleggen met door de lidstaten verstrekte informatie, waarin bedrijven zijn opgenomen die zich schuldig maken aan onwettige handelingen in verband met grensoverschrijdende mobiliteit. |
|
4.3.5. |
De ELA moet zich bezighouden met de invoering van een Europees socialezekerheidsnummer, ook al ligt het recht van initiatief op dit vlak bij de Commissie. |
|
4.3.6. |
De ELA zou jaarlijks een verslag moeten opstellen over grensoverschrijdende mobiliteit met een beoordeling van de risico’s en mogelijkheden, met name in de meest kwetsbare geografische gebieden en/of sectoren. |
Brussel, 20 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) SWD(2018) 68 final, blz. 7.
(2) People at risk of poverty or social exclusion, 2016 (Eurostat, 2018).
(3) COM(2018) 131 final, blz. 1.
(4) COM(2018) 131 final, blz. 1 en 2, 2015/2255(INI), 2013/2112(INI), 2016/2095(INI).
(5) COM(2018) 131 final, blz. 2.
(6) De toespraak over de staat van de Unie 2017 is beschikbaar op: http://europa.eu/rapid/press-release_SPEECH-17-3165_nl.htm
(7) PB C 75 van 10.3.2017, blz. 81; PB C 264 van 20.7.2016, blz. 11; PB C 345 van 13.10.2017, blz. 85; PB C 197 van 8.6.2018, blz. 45.
(8) COM(2017) 250, blz. 4.
(9) Volgens IAO-verdrag nr. 81 is de aanbeveling voor geïndustrialiseerde markteconomieën één inspecteur per 10 000 werknemers (IAO 297e zitting, november 2006).
(10) COM(2018) 131 final.
(11) De Commissie omschrijft deze uitdagingen als volgt: — gevallen van sociale dumping, de niet-naleving van de geldende wetgeving en frauduleuze praktijken in grensoverschrijdende situaties; — ontoereikende steun, begeleiding en informatie voor werknemers en ondernemers in grensoverschrijdende situaties over hun rechten en plichten; — onvoldoende toegang tot en uitwisseling van informatie tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de verschillende gebieden van de arbeidsmobiliteit en de coördinatie van de sociale zekerheid; — onvoldoende capaciteit van de nationale instanties om samenwerking met de instanties in andere lidstaten te organiseren; — zwakke of ontbrekende mechanismen voor gezamenlijke grensoverschrijdende handhavingsactiviteiten; — het ontbreken van een specifiek grensoverschrijdend bemiddelingsmechanisme tussen de lidstaten op alle gebieden van de arbeidsmobiliteit en de coördinatie van de sociale zekerheid.
(12) COM(2018) 131 final.
(13) SWD(2018) 68 final and SWD (2018) 69 final, Hoofdstuk B.
(14) Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding.
(15) Europese Stichting voor opleiding.
(16) Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk.
(17) Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden.
(18) PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1, corrigendum PB L 200 van 7.6.2004, blz. 1.
BIJLAGE
De volgende wijzigingsvoorstellen, die meer dan een kwart van het aantal uitgebrachte stemmen kregen, werden tijdens de beraadslagingen verworpen (artikel 39, lid 2, rvo):
Paragraaf 1.1
Als volgt wijzigen:
|
1.1. |
De huidige situatie op de grensoverschrijdende arbeidsmarkt levert aanzienlijke problemen op voor bedrijven, werknemers en lidstaten, met name oneerlijke concurrentie, sociale dumping en allerlei soorten illegale activiteiten en fraude op het gebied van belastingen en sociale zekerheid. Bovendien hebben het gebrek aan informatie voor bedrijven en werknemers, de gebrekkige samenwerking tussen de lidstaten en de over het algemeen geringe capaciteit van de arbeidsinspecties de bestaande problemen en conflicten nog verergerd. Hoewel er al een paar maatregelen zijn genomen, hebben de Europese instellingen, de voorzitter van de Commissie, het EESC, de sociale partners en maatschappelijke organisaties erop gewezen dat er meer en betere inspanningen nodig zijn om verbetering te brengen in deze situatie. |
Stemuitslag:
|
Voor: |
93 |
|
Tegen: |
124 |
|
Onthoudingen: |
13 |
Paragraaf 3.7
Als volgt wijzigen:
|
3.7. |
Het EESC kan zich in grote lijnen vinden in het voorstel van de Commissie voor een verordening, met name in de doelstellingen ervan (artikel 2), de taken van de Autoriteit (artikel 5), de informatie over grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit (artikel 6), de toegang tot diensten op het gebied van grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit (artikel 7), de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten (artikel 8) en de samenwerking bij grensoverschrijdende verstoringen van de arbeidsmarkt die gevolgen hebben voor grensarbeiders (artikel 14), omdat hierin de taken van de ELA worden vastgelegd die ertoe kunnen bijdragen dat de arbeids- en sociale rechten op voet van gelijkheid worden gewaarborgd in het gastland, sociale dumping illegale praktijken wordt en bestreden, eerlijke concurrentie tussen bedrijven wordt veiliggesteld en fraude met betrekking tot grensoverschrijdende mobiliteit wordt tegengegaan — problemen die de lidstaten alleen niet kunnen oplossen. |
Stemuitslag:
|
Voor: |
96 |
|
Tegen: |
121 |
|
Onthoudingen: |
11 |
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/135 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een aanbeveling van de Raad met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen
(COM(2018) 132 final)
(2018/C 440/22)
|
Rapporteur: |
Giulia BARBUCCI |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 14.5.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 292, in samenhang met artikel 153, lid 1, onder c), artikel 153, lid 2, derde alinea, en artikel 352 VWEU |
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
19.7.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
20.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
148/39/32 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is conform het fundamentele internationale instrumentarium van mening dat iedereen zijn leven lang recht heeft op een menswaardig bestaan, sociale bescherming en bescherming tegen alle ernstige risico’s op het werk, met inbegrip van gezondheidszorg en het recht van ouderen op een waardig pensioen. Een passende dekking van werknemers met atypische arbeidsovereenkomsten en zelfstandigen zou bijdragen tot de verwezenlijking van deze doelstelling, conform de beginselen van de Europese Pijler van sociale rechten die nu in praktijk moeten worden gebracht. Het is dan ook zaak dat deze groepen toegang krijgen tot gezondheidszorg, moederschaps- en ouderschapsuitkeringen, invaliditeits- en ouderdomsuitkeringen, en dat zij daaraan bijdragen. |
|
1.2. |
Het EESC herinnert eraan dat toegang tot socialezekerheidsstelsels cruciaal is voor een rechtvaardigere samenleving en een productieve, gezonde en actieve beroepsbevolking. Bij de uitwerking en uitvoering van EU-beleid moet worden uitgegaan van het herstel van de sociale duurzaamheid (1), en in bredere zin van het streven naar een gelijk speelveld op sociaal vlak, zodat iedereen op grond van dezelfde regels en onder vergelijkbare voorwaarden toegang krijgt tot sociale bescherming; instellingen op alle niveaus, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners moeten zich hierop richten. |
|
1.3. |
De lidstaten zouden de aanbeveling waar nodig moeten uitvoeren via specifieke actieplannen waarin onder meer wordt uitgegaan van de lacunes die zijn geschetst in de effectbeoordeling van de Europese Commissie ter ondersteuning van de aanbeveling; ook dienen zij hierover verslag uit te brengen; de sociale partners en het maatschappelijk middenveld zouden hierbij ten volle moeten worden betrokken. |
|
1.4. |
Het Comité is ingenomen met de belangrijkste verwachte effecten van de uitvoering van de aanbeveling, die immers gunstig zullen zijn voor burgers, werknemers én bedrijven; het gaat onder meer om een betere onderlinge verdeling van risico’s, meer inkomenszekerheid, een dynamischer arbeidsmarkt, hogere productiviteit, een betere verdeling van middelen en minder onzekerheid en armoede. |
|
1.5. |
„Een algemene oplossing voor de problemen met de erkenning van socialezekerheidsrechten van werknemers met nieuwsoortige banen zou kunnen zijn om de financiering van het systeem te veranderen. De lidstaten zouden moeten nagaan hoe de socialezekerheidssystemen zo gefinancierd kunnen worden dat zij levensvatbaar zijn en tegelijkertijd open staan voor personen die actief zijn in de nieuwe arbeidsvormen.” (2) |
|
1.6. |
In de initiatieven in het kader van de aanbeveling moet worden voorzien in behoorlijke uitkeringen en voorzieningen, met inbegrip van vangnetten voor wie onder de minimumdrempels voor steun blijft, in het bijzonder mensen die niet kunnen werken en hun gezinnen. Het EESC betreurt dat het basisinkomen uit de aanbeveling is gehaald, zoals blijkt uit het werkdocument van de Commissie — Effectbeoordeling (3). Het EESC heeft al in 2013 gepleit voor een Europese richtlijn tot vaststelling van een Europees minimuminkomen, aangezien dit zou „bijdragen tot economische en territoriale cohesie, bescherming van de grondrechten, waarborging van een evenwicht tussen economische en sociale doelstellingen en een rechtvaardige herverdeling van welvaart en inkomen” (4). |
|
1.7. |
Leeftijd en geslacht spelen een belangrijke rol in de uitsluiting van socialebeschermingsregelingen: bij de uitwerking van maatregelen in het kader van de aanbeveling moet uitdrukkelijk rekening worden gehouden met deze factoren. |
|
1.8. |
Er moet worden gestreefd naar effectieve dekking en toegang tot de stelsels, met name bij de vaststelling en uitvoering van maatregelen op nationaal niveau; ook moet rekening worden gehouden met de overdraagbaarheid van sociale rechten wanneer mensen van het ene type arbeidsovereenkomst of van het ene systeem naar het andere overstappen en rechten hebben opgebouwd. |
|
1.9. |
De complexiteit van de regelgeving en andere administratieve aspecten moeten worden aangepakt, zodat er sprake is van volledige transparantie en mensen meer inzicht krijgen in hun rechten en plichten; ook een verbetering van de kwaliteit van de statistische gegevens (uitgesplitst naar soort arbeidsverhouding, leeftijd, geslacht, gehandicaptenstatus, nationaliteit enz.) kan hiertoe bijdragen. |
2. Inleiding
|
2.1. |
De aanbeveling betreffende sociale bescherming maakt deel uit van de initiatieven van de Commissie in het kader van de Europese pijler van sociale rechten. De aanbeveling en de daarin opgenomen leidende beginselen stroken met verscheidene van de 20 sleutelbeginselen van de EPSR en het werkdocument van de Commissie. Zo wordt in beginsel 12 bepaald dat „ongeacht de aard en de duur van hun arbeidsrelatie […] werknemers en, onder vergelijkbare voorwaarden, zelfstandigen recht (hebben) op adequate sociale bescherming” (5). |
|
2.2. |
Hoofddoel van het initiatief is ervoor te zorgen dat met name werknemers met atypische arbeidsovereenkomsten en zelfstandigen daadwerkelijk en vlot toegang krijgen tot socialebeschermingsmaatregelen. Daarnaast is het de bedoeling de lidstaten te helpen bij het dichten van lacunes en het verlenen van eerlijke en evenredige toegang tot sociale bescherming voor alle werkenden, ongeacht hun arbeidssituatie (6) |
|
2.3. |
De aanbeveling is in de eerste plaats gericht op „het wegwerken of verminderen van obstakels die het voor de socialebeschermingsstelsels onmogelijk maken om mensen een adequate sociale bescherming te bieden, ongeacht de aard van hun arbeidsrelatie of rechtspositie, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten bij het ontwikkelen van hun eigen socialebeschermingsstelsels” (7). |
|
2.4. |
Daarnaast is het de bedoeling om iedereen adequate sociale bescherming te bieden: „Met name inkomsten- en tijdsdrempels (drempelperiodes, wachttijden, minimale lengte van werkperioden, looptijd van de uitkeringen) kunnen het voor bepaalde groepen werknemers met atypische arbeidsovereenkomsten en zelfstandigen te moeilijk maken om toegang te krijgen tot sociale bescherming.” (8) |
|
2.5. |
Het EESC betreurt dat het basisinkomen uit de aanbeveling van de Raad is gehaald. In een recente OESO-studie (9) staat het volgende te lezen: In het licht van de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt zorgt het lopende debat over het basisinkomen echter voor waardevol inzicht met betrekking tot de vraag welk soort sociale bescherming de samenleving wenst. Het EESC heeft er al eerder op gewezen (10) dat „een Europees minimuminkomen zal bijdragen tot economische en territoriale samenhang, de bescherming van de grondrechten van het individu, het waarborgen van een evenwicht tussen economische en sociale doelstellingen en een rechtvaardige herverdeling van rijkdom en inkomen”. Ook heeft het opgeroepen tot de goedkeuring van een kaderrichtlijn en heeft het gepleit voor „onderzoek […] naar financieringsmogelijkheden voor een Europees minimuminkomen”. |
|
2.6. |
De in de aanbeveling opgenomen maatregelen en beginselen zijn er enerzijds op gericht om toegang tot sociale bescherming te waarborgen voor alle werkenden (met name werknemers met atypische arbeidsovereenkomsten en zelfstandigen), en moeten er anderzijds voor zorgen dat in alle omstandigheden behoorlijke sociale bescherming wordt geboden. |
|
2.7. |
De Europese en nationale sociale partners hebben in het kader van eerdere overeenkomsten, gemeenschappelijke verklaringen en nationale collectieve onderhandelingen uitgebreid aandacht besteed aan de problematiek van toegang tot adequate sociale bescherming voor alle werkenden. Zo wordt in de preambules van overeenkomsten van de Europese sociale partners over arbeidscontracten voor bepaalde tijd en voor deeltijdwerk gewezen op de noodzaak om ervoor te zorgen dat de regelingen voor sociale bescherming worden aangepast aan evoluerende flexibele vormen van werk. In hun werkprogramma 2015-2016 (11) hebben de Europese sociale partners gewezen op de noodzaak om de houdbaarheid en toegankelijkheid van de socialebeschermingsstelsels voor alle burgers te waarborgen. |
|
2.8. |
In hun diepgaande analyse van de werkgelegenheid uit 2015 (12) hebben de Europese sociale partners ervoor gepleit „dat de lidstaten en de Commissie nauwer gaan samenwerken om een einde te maken aan corruptie, belastingfraude en belastingontwijking, die fnuikend zijn voor de socialezekerheidsstelsels en een negatieve invloed uitoefenen op verantwoordelijke bedrijven en individuen. Daarnaast hebben zij de lidstaten verzocht om samen met de sociale partners na te gaan op welke vlakken hun socialebeschermingsstelsels tekortschieten qua houdbaarheid en toereikendheid, en erop toe te zien dat deze stelsels ook in de toekomst blijven beantwoorden aan de behoeften van met name de meest kwetsbare groepen en de mensen die het risico lopen op sociale uitsluiting.” (13) |
3. Algemene opmerkingen: achtergrond
|
3.1. |
Een veranderende arbeidswereld: digitalisering, demografische veranderingen, energietransitie, globalisering en nieuwe vormen van werk brengen nieuwe kansen én uitdagingen mee voor de overheid, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners. |
|
3.2. |
Veranderende arbeidsmarkten: structurele arbeidsmarkthervormingen hebben geleid tot diversificatie van de arbeidsmarkten en in een aantal lidstaten gelden fundamentele socialebeschermingsmaatregelen niet voor bepaalde contractuele regelingen. Er is steeds meer sprake van uiteenlopende contractuele regelingen en aanzienlijke nationale verschillen qua context en regelingen: in 2016 waren in de EU 14 % van de werknemers zelfstandigen, 8 % voltijdse tijdelijke werknemers, 4 % deeltijdse tijdelijke werknemers en 13 % deeltijdse werknemers in vaste dienst (14). |
|
3.3. |
De socialebeschermingsstelsels verschillen van land tot land, maar de uitdagingen zijn overal gelijk: de veranderingen van de arbeidsmarkt en in de wetgeving; de vergrijzing van de beroepsbevolking en de tendens om de wettelijke pensioenleeftijd te verhogen; de lage arbeidsparticipatie van jongeren en vrouwen, zowel wat kwaliteit als kwantiteit betreft; de integratie van de mensen die het verst van de arbeidsmarkt af staan/de grootste kans lopen op blijvende uitsluiting; en digitalisering en nieuwe arbeidsvormen. Sommige socialebeschermingsstelsels zijn zo opgezet dat de socialezekerheidsbijdragen deel uitmaken van het loon van de werknemer. Hiermee moet rekening worden gehouden bij de aanpak van de nieuwe uitdagingen. |
|
3.4. |
Er moet een evaluatie worden opgemaakt van de gendereffecten op de toegang tot de arbeidsmarkt, op de mate waarin mensen erin slagen zich op de arbeidsmarkt te handhaven, en op de toegang tot sociale bescherming. Net als jongeren en migranten zijn vrouwen vaak oververtegenwoordigd in nieuwe arbeidsvormen (15), wat op zijn beurt consequenties heeft voor de socialebeschermingsrechten. |
|
3.5. |
Ook leeftijd speelt een belangrijke rol in de toegang tot sociale bescherming: jongeren hebben vaker een atypisch arbeidscontract („In de leeftijdsgroep tussen 20 en 30 jaar oud is het aandeel werknemers met tijdelijke arbeidsovereenkomsten of met „een ander soort of geen contract” twee keer zo hoog als in andere leeftijdsgroepen” (16)). Het feit dat de overstap van onderwijs naar standaardvormen van werk meer tijd in beslag neemt kan tot stigmatisering leiden, zowel waar het gaat om de toegang tot sociale bescherming als om toekomstige pensioenrechten; een en ander is onder meer te wijten aan de extreme versnippering van loopbanen (17). |
|
3.6. |
Lacunes in de toegang tot sociale bescherming als gevolg van iemands rechtspositie op de arbeidsmarkt en de aard van de arbeidsrelatie, kunnen tot gevolg hebben dat mensen ervoor terugschrikken om van de ene naar de andere rechtspositie op de arbeidsmarkt over te stappen als zij daardoor rechten verliezen, wat uiteindelijk kan leiden tot een tragere groei van de arbeidsproductiviteit. Een en ander kan bijgevolg ook nadelig zijn voor het bedrijfsleven en concurrentie en duurzame groei in de weg staan. |
|
3.7. |
Voorts is het niet ondenkbaar dat dergelijke lacunes ook leiden tot misbruik van rechtsposities en oneerlijke concurrentie tussen ondernemingen die blijven bijdragen tot de socialebeschermingsstelsels, en ondernemingen die dat niet doen. |
|
3.8. |
Op de lange termijn staat de sociale en economische houdbaarheid van de nationale socialebeschermingsstelsels op het spel, vooral ook in het licht van de huidige demografische trends en de werkloosheidscijfers. |
4. Specifieke opmerkingen: samenvatting van de aanbeveling
|
4.1. |
Er is al eerder getracht om via EU-wetgeving (onder meer Richtlijnen 2010/41/EU, 2014/50/EU, (EU) 2016/2341) de lacunes in de socialebeschermingsstelsels op te vullen, maar uit de voorlopige bevindingen — bijvoorbeeld met betrekking tot Richtlijn 2010/41/EU — blijkt dat de bepalingen in kwestie niet altijd volstaan om zelfstandigen daadwerkelijk toegang te verlenen tot sociale bescherming (18). |
|
4.2. |
In de groeianalyse 2018 hamert de Commissie erop dat inkomensvervanging via sociale bescherming cruciaal is om de ongelijkheid weg te werken en sociale samenhang en inclusieve groei te bevorderen (19). |
|
4.3. |
Het aantal zelfstandigen in Europa is de laatste jaren over het algemeen licht gedaald (20). Een van de redenen hiervoor is het gebrek aan (afdoende) bescherming van deze werknemers in geval van ziekte of bij bepaalde andere persoonlijke omstandigheden (moederschap, vaderschap, gezinszorg enz.). Een passend beschermingsniveau zou dus kunnen leiden tot meer en beter zelfstandig ondernemerschap. Het is echter van cruciaal belang dat instellingen op alle niveaus alle vormen van schijnzelfstandigheid bestrijden, ook op transnationaal niveau. |
|
4.4. |
Het Comité onderschrijft in dit verband het in de aanbeveling opgenomen besluit om verder te gaan dan de oorspronkelijke voorstellen uit de effectbeoordeling; zo wordt aanbevolen om „een verplichte formele dekking uit te breiden tot alle werknemers” en ervoor te zorgen „dat zelfstandigen toegang hebben tot sociale bescherming door hun formele dekking uit te breiden: op verplichte basis voor uitkeringen voor gezondheidszorg, ziekte, moeder- en vaderschap, ouderdom en invaliditeit, alsook uitkeringen in geval van arbeidsongevallen en beroepsziekten” en enkel „op vrijwillige basis voor werkloosheidsuitkeringen”. Het EESC is van mening dat het lage percentage zelfstandigen dat aan vrijwillige regelingen deelneemt (minder dan 1 à 20 %), voor zover er al regelingen zijn, extra inspanningen met het oog op bredere dekking en bescherming rechtvaardigt. |
|
4.5. |
Maatregelen die gericht zijn op een volledige dekking van zelfstandigen zijn daarom welkom. Het betreft in dit verband — indien nodig — ook meewerkende echtgenoten, d.w.z. de echtgenoot of partner van een zelfstandige die regelmatig en actief bijdraagt aan de activiteit van de zelfstandige, en wel zo dat die bijdrage als de hoofdactiviteit van de meewerkende echtgenoot kan worden beschouwd. |
|
4.6. |
Alle burgers zouden toegang moeten hebben tot socialebeschermingsstelsels die toereikende uitkeringen kunnen verstrekken. Het gaat dan om stelsels die gebaseerd zijn op belastingen en/of verzekeringen, en waaraan mensen op gelijke voet en naar vermogen bijdragen (of waarvan zij zijn vrijgesteld) en waarvan zij profiteren volgens hun behoeften, ten minste waar het gaat om adequate minimumvoorzieningen en vangnetten. |
|
4.7. |
In het licht van de veranderende arbeidsmarkt (21) moet worden toegezien op de houdbaarheid en de financiering van toegankelijke en adequate sociale bescherming, teneinde inclusiviteit, toereikendheid, billijkheid en gelijkheid te bevorderen in een breder perspectief van maatschappelijke en economische groei. |
|
4.8. |
Bij de uitwerking van EU- en nationale maatregelen moet worden gestreefd naar gelijke behandeling en gelijke kansen: de sociale overheidsuitgaven in Europa zijn een essentieel onderdeel van het Europees sociaal model; Europa is altijd een zeer aantrekkelijk continent geweest, dankzij het hoge niveau van sociale zekerheid in vergelijking met andere regio’s in de wereld. |
|
4.9. |
De stelsels voor sociale bescherming moeten stoelen op solidariteit en gelijkheid, zodat discriminatie op grond van persoonlijke omstandigheden/achtergrond en/of arbeidssituaties uitgesloten is. |
|
4.10. |
Bij de vaststelling van maatregelen voor sociale bescherming voor personen met een handicap moet worden uitgegaan van de mensenrechten, met name het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Personen met een handicap die niet kunnen werken en hun gezinnen dienen te worden beschermd tegen het risico van armoede en hebben recht op een adequate levensstandaard (22). |
|
4.11. |
Het Comité dringt erop aan dat de aanbeveling volledig wordt uitgevoerd door de lidstaten, zodat werknemers met een atypische arbeidsovereenkomst en zelfstandigen een betere bescherming zullen genieten. De socialebeschermingsstelsels moeten opnieuw worden bekeken en meer op inclusieve leest worden geschoeid, in lijn met de aanbevelingen van de jaarlijkse groeianalyse 2018: „Een betere complementariteit tussen de arbeidsmarkt en de stelsels voor maatschappelijke integratie zal voor alle kwetsbare groepen een hulp zijn, meer welvaart voor iedereen brengen en leiden tot een sterkere sociale samenhang.” |
|
4.12. |
Het tegengaan van oneerlijke concurrentie in de EU en optreden tegen zwartwerk (in overeenstemming met de acties van het Europees platform ter bestrijding van zwartwerk) zullen bevorderlijk zijn voor het bedrijfsleven, aangezien een betere sociale bescherming en een vermindering van oneerlijke concurrentie een positief effect op de productiviteit kunnen hebben. |
|
4.13. |
Ook de universele toegang tot gezondheidszorg staat centraal in de aanbeveling, conform beginsel 16 van de Europese pijler van sociale rechten (23). Zoals blijkt uit de effectbeoordeling van de Commissie is het in enkele landen zo dat werknemers met een atypische arbeidsovereenkomst en zelfstandigen als gevolg van contractuele regelingen of arbeidsmarktregulering maar in beperkte mate toegang hebben tot gezondheidszorg. Alle werknemers en zelfstandigen zouden verplicht toegang moeten krijgen tot gezondheidszorg. |
|
4.14. |
Ten slotte is het EESC ingenomen met de aangekondigde intensievere samenwerking met Eurostat bij de ontwikkeling van passende indicatoren voor het vastleggen van de vooruitgang op het vlak van formele dekking, effectieve dekking, transparantie enz. Ook het feit dat de Commissie voornemens is om in het Comité voor sociale bescherming een benchmarkkader voor sociale bescherming uit te werken, is een goede zaak. Het ontbreken van een degelijke databank en van een nauwkeuriger effectbeoordeling van het beleid naar aanleiding van de aanbeveling, kan hiermee worden ondervangen. |
Brussel, 20 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) PB C 237 van 6.7.2018, blz. 1.
(2) PB C 129 van 11.4.2018, blz. 7.
(3) Werkdocument van de diensten van de Commissie — Effectbeoordeling bij het document.
(4) PB C 170 van 5.6.2014, blz. 23.
(5) PB C 125 van 21.4.2017, blz. 10.
(6) Zie ook IAO-aanbeveling 202, waarin richtsnoeren zijn vastgelegd voor de invoering en handhaving van socialebeschermingsniveaus als cruciale schakel in de nationale socialezekerheidsstelsels.
(7) Zie de Aanbeveling met betrekking tot sociale bescherming, blz. 8, 14, § 10, 15 § 4, 23 § 8, 10.
(8) Zie de Aanbeveling met betrekking tot sociale bescherming, blz. 17 § 18.
(9) Basic income as a policy option: Technical Background Note Illustrating costs and distributional implications for selected countries, OESO, 2017.
(10) PB C 170 van 5.6.2014, blz. 23.
(11) http://resourcecentre.etuc.org/EU-social-dialogue-5.html
(12) 2015 Diepgaande analyse van de werkgelegenheid — EVV, BUSINESSEUROPE, CEEP, UEAPME.
(13) Zie voetnoot 12.
(14) Eurostat, 2016.
(15) IAO: INWORK Issue Brief No 9, mei 2017.
(16) Zie de Aanbeveling met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming, blz. 2 en 3.
(17) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 15.
(18) Zie Barnard, C. en Blackham, A. (2015), The implementation of Directive 2010/41 on the application of the principle of equal treatment between men and women engaged in an activity in a self-employed capacity, verslag van het Europees netwerk van juridische deskundigen op het gebied van gendergelijkheid, in opdracht van het directoraat-generaal Justitie van de Europese Commissie; zie het Voorstel voor een aanbeveling van de Raad met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen, blz. 9
(19) Europees Semester 2018: Jaarlijkse groeianalyse.
(20) Zie Eurofound: „The many faces of self-employment in Europe”.
(21) Zie het standpunt van BUSINESSEUROPE over de Aanbeveling met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming, blz. 1, 1 (19 april 2018).
(22) Zie de resolutie van het Europees Gehandicaptenforum over de bevordering van werkgelegenheid & sociale integratie voor personen met een handicap, 6 november 2017. http://www.edf-feph.org/newsroom/news/social-pillar-edf-adopts-resolution-promote-employment-social-inclusion-persons
(23) EPSR, beginsel 16: „Iedereen heeft recht op tijdige toegang tot betaalbare preventieve en curatieve gezondheidszorg van goede kwaliteit”.
BIJLAGE
De volgende wijzigingsvoorstellen bij de paragrafen 1.6 en 2.5, waarvoor minstens een kwart van de stemmen werd uitgebracht, werden tijdens de beraadslaging verworpen:
Par. 1.6
Als volgt wijzigen:
|
1.6. |
In de initiatieven in het kader van de aanbeveling moet worden voorzien in behoorlijke uitkeringen en voorzieningen , met inbegrip van vangnetten voor wie onder de minimumdrempels voor steun blijft, in het bijzonder mensen die niet kunnen werken en hun gezinnen. Het EESC betreurt stelt vast dat het basisinkomen uit de aanbeveling is gehaald, zoals blijkt uit vermeld in het werkdocument van de diensten van de Commissie — Effectbeoordeling (1) , en wel om een aantal redenen, zoals de dekkingscriteria en de voorkeur voor een aanpak van de problemen in het kader van de bestaande socialezekerheidsstelsels in de lidstaten. Het EESC is echter ingenomen met de discussie die momenteel in de lidstaten wordt gevoerd over het basisinkomen en andere vangnetten die gericht zijn op actieve integratie op de arbeidsmarkt en in de samenleving in het algemeen. Het EESC heeft al in 2013 gepleit voor een Europese richtlijn tot vaststelling van een Europees minimuminkomen, aangezien dit zou „bijdragen tot economische en territoriale cohesie, bescherming van de grondrechten, waarborging van een evenwicht tussen economische en sociale doelstellingen en een rechtvaardige herverdeling van welvaart en inkomen” (2). |
Motivering
Wordt mondeling gegeven.
Stemuitslag
|
Voor |
91 |
|
Tegen |
112 |
|
Onthoudingen |
10 |
Par. 2.5
Als volgt wijzigen:
|
2.5. |
Het EESC stelt vast dat het basisinkomen uit de aanbeveling is gehaald, zoals vermeld in het werkdocument van de diensten van de Commissie — Effectbeoordeling, en wel om een aantal redenen, zoals de dekkingscriteria en de voorkeur voor een aanpak van de problemen in het kader van de bestaande socialezekerheidsstelsels in de lidstaten. Het EESC betreurt dat het basisinkomen uit de aanbeveling van de Raad is gehaald. In een recente OESO-studie staat het volgende te lezen: In het licht van de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt zorgt het lopende debat over het basisinkomen echter voor waardevol inzicht met betrekking tot de vraag welk soort sociale bescherming de samenleving wenst. Het EESC heeft er al eerder op gewezen dat „een Europees minimuminkomen zal bijdragen tot economische en territoriale samenhang, de bescherming van de grondrechten van het individu, het waarborgen van een evenwicht tussen economische en sociale doelstellingen en een rechtvaardige herverdeling van rijkdom en inkomen”. Ook heeft het opgeroepen tot de goedkeuring van een kaderrichtlijn en heeft het gepleit voor „onderzoek […] naar financieringsmogelijkheden voor een Europees minimuminkomen”. |
Motivering
De aanbeveling heeft geen betrekking op uitkeringen voor een bestaansminimum. Hoofddoel is de toegang tot de sociale zekerheid vergemakkelijken voor groepen werknemers die waarschijnlijk niet onder de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten zullen vallen. Daarom hoeft de verwijdering van het basisinkomen uit het voorstel van de Commissie niet te worden betreurd. Het EESC kan echter wel kennis nemen van de discussie die momenteel in de lidstaten en in andere fora, zoals de OESO, wordt gevoerd. Wat het vorige EESC-advies over het minimuminkomen betreft, zou er ook verwezen moeten worden naar de verklaring van de Groep Werkgevers om duidelijk aan te geven dat de meningen over dit onderwerp uiteenlopen. De verwijzing naar de verklaring van de groep Werkgevers is al eerder gebruikt, bijv. in de EESC-adviezen SOC/542 (Europese pijler van sociale rechten) en SOC/564 (Impact van de sociale dimensie en de EPSR op de toekomst van de EU).
Stemuitslag
|
Voor |
92 |
|
Tegen |
113 |
|
Onthoudingen |
13 |
(1) Werkdocument van de diensten van de Commissie — Effectbeoordeling bij het document.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/142 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Aanpassing van het visumbeleid aan nieuwe uitdagingen”
(COM(2018) 251 final)
en over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode)
(COM(2018) 252 final — 2018/0061 (COD))
(2018/C 440/23)
|
Rapporteur: |
Ionuț SIBIAN |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 16.4.2018 Raad, 2.5.2018 Commissie, 18.6.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
|
|
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
19.7.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
168/0/1 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) beschouwt de Visumcode als een centraal onderdeel van het gemeenschappelijk visumbeleid omdat er een gemeenschappelijke reeks wettelijke bepalingen en operationele instructies mee wordt vastgelegd. |
|
1.2. |
Het EESC kan zich vinden in de voorgestelde geharmoniseerde procedures en voorwaarden van de Visumcode, waarmee kan worden voorkomen dat soortgelijke gevallen door EU-lidstaten verschillend worden behandeld en het mogelijk wordt om de behandeling van aanvragers af te stemmen op hun visumverleden. Er zouden ook inspanningen moeten worden geleverd om de beroepsprocedures in geval van visumweigering te harmoniseren. |
|
1.3. |
Het EESC is ingenomen met de voorgestelde geharmoniseerde regels voor meervoudige visa, waarvan de houders gedurende de geldigheidsduur ervan meerdere keren naar de EU kunnen reizen, want dit kan bijdragen aan economische groei, culturele en sociale ontwikkeling en uitwisselingen, wederzijdse ondersteuning en begrip. |
|
1.4. |
De visa voor één binnenkomst die aan de buitengrenzen zullen worden afgegeven en die in de Visumcode worden geïntroduceerd om toerisme van korte duur te promoten, laten de flexibiliteit en pragmatische houding van de lidstaten zien. Het EESC pleit ervoor eenzelfde benadering te volgen ten aanzien van andere aspecten van visumafgifte, om ervoor te zorgen dat éénloketfaciliteiten worden aangeboden. |
|
1.5. |
De Europese Unie moet proactief streven naar volledige visumwederkerigheid in haar betrekkingen met derde landen. Het EESC dringt er daarom bij de Commissie op aan om snel een raadpleging te houden en met heldere en uitvoerbare voorstellen te komen waarin zowel aandacht uitgaat naar versoepeling als veiligheid. |
|
1.6. |
Het EESC is het er echter volledig mee eens dat, voordat de Commissie een besluit neemt om de visumvrijstelling voor onderdanen van een derde land tijdelijk op te schorten, zij de mensenrechtensituatie in dat derde land in acht dient te nemen en rekening dient te houden met de mogelijke gevolgen van een opschorting van de visumvrijstelling voor die situatie. |
|
1.7. |
Tegelijkertijd beveelt het EESC aan alles in het werk te stellen om betrouwbare, relevante en (zo veel mogelijk) uniforme/vergelijkbare informatie te verzamelen over derde landen en over de situaties waarin lidstaten kunnen besluiten om de vrijstelling van de visumplicht tijdelijk op te schorten voor onderdanen van een derde land dat is opgenomen in bijlage II bij de verordening. Die bijlage omvat de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld. |
|
1.8. |
Het EESC raadt terughoudendheid aan als moet worden besloten over de constante (tweejarige) verhoging van de voorgestelde visumleges. Die verhoging zou niet automatisch mogen worden toegepast, in aanmerking nemende dat de voorgestelde kosten al hoog zijn in vergelijking met de economische groei en het ontwikkelingsniveau van een aantal van de betrokken derde landen. |
|
1.9. |
Het EESC staat in het licht van de technologische ontwikkeling achter de voorgestelde veranderingen in de Visumcode die verband houden met de aanvullende mogelijkheid om het aanvraagformulier elektronisch in te vullen en te ondertekenen. Tegelijkertijd vraagt het alle lidstaten zich positief op te stellen ten aanzien van het online indienen van visumaanvragen en de noodzakelijke aanpassingen door te voeren om een onlineprocedure mogelijk te maken. Het verzoekt de Commissie een realistische termijn vast te stellen voor de algemene invoering van onlinevisumaanvragen door de lidstaten. |
|
1.10. |
Het EESC vindt het een goede zaak dat de Commissie voorstelt om af te stappen van het principe dat alle visumaanvragers persoonlijk moeten verschijnen. Het staat achter en pleit voor regels die het online indienen van visumaanvragen mogelijk maken. Er zou moeten worden gestreefd naar de voor aanvragers meest gemakkelijke en snelle manier om vanuit hun woonplaats een visum aan te vragen, wat onder meer inhoudt dat zo nodig meer gebruik moet worden gemaakt van externe dienstverleners, dat voor een betere vertegenwoordiging moet worden gezorgd en dat de samenwerking tussen de diplomatieke posten van de lidstaten moet worden vergroot. |
|
1.11. |
Het EESC beveelt de Commissie aan om de huidige categorieën aanvragers die voor visumvrijstellingen in aanmerking komen, te herzien en duidelijker te definiëren. Ook zou moeten worden overwogen om vrijstellingen van leges aan te bieden aan ouderen en aan vertegenwoordigers van non-profitorganisaties die deelnemen aan door zulke organisaties gehouden seminars, conferenties, sportieve, culturele of educatieve evenementen. Voor die vertegenwoordigers zou geen leeftijdsgrens mogen gelden of zou die ten minste moeten worden verhoogd. |
|
1.12. |
Gelet op de bepaling dat deze verordening van toepassing is „op onderdanen van derde landen die bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit dienen te zijn van een visum […], zulks onverminderd: de rechten van vrij verkeer die worden genoten door onderdanen van derde landen die familieleden van burgers van de Unie zijn” en in het licht van de recente ontwikkelingen in de lidstaten ten aanzien van de definitie van het begrip „familie” wijst het EESC erop dat het van belang is een gangbare praktijk vast te stellen om discriminatie bij de vaststelling van „familiebanden” te voorkomen. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Het EESC neemt kennis van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de noodzaak om het gemeenschappelijk visumbeleid aan te passen aan nieuwe uitdagingen, en steunt daarom de twee voorstellen voor een verordening resp. betreffende de visumcode van de Unie en tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld. |
|
2.2. |
Het EESC begrijpt daarom dat de Visumcode gevolgen heeft die verder reiken dan de doelstelling om gemeenschappelijke wettelijke bepalingen en aanvraagprocedures vast te stellen, en behalve op het vergemakkelijken van legaal reizen en het bestrijden van illegale immigratie ook een impact heeft op de economische groei en werkgelegenheid, al werd dit aanvankelijk niet met de Visumcode beoogd. In 2017 werden 16,1 miljoen aanvragen voor eenvormige visa ingediend bij de consulaten van de Schengenlanden en dit aantal neemt toe. In meer dan de helft van de gevallen werden meervoudige visa afgegeven, terwijl 1,3 miljoen aanvragen — 8 % van het totaal — werden afgewezen (1). |
|
2.3. |
Het EESC is ingenomen met de voorgestelde veranderingen die zijn bedoeld om het aanvragen van een visum voor zowel aanvragers als consulaten te vereenvoudigen, namelijk: de mogelijkheid om een aanvraag zes maanden voor de geplande reis in te dienen (negen maanden voor zeevarenden), de verduidelijkingen en uitbreiding van de categorieën personen die namens de aanvrager een aanvraag kunnen indienen en de harmonisatie van de bewijsstukken. Zeer positief is de inachtneming van het principe dat aanvragers voor het indienen van een aanvraag zich slechts naar één plaats hoeven te begeven. |
|
2.4. |
Het EESC is zich er echter van bewust dat het soms lastig blijft om consulaten te bereiken, met name in derde landen waar de meeste lidstaten alleen in de hoofdstad een vertegenwoordiging hebben en aanvragers daarom worden geconfronteerd met hoge kosten (zowel qua tijd als geld) als zij lange afstanden moeten afleggen om bij een consulaat te komen. Het EESC vindt het daarom een goede zaak dat de Commissie voorstelt om af te stappen van het principe dat alle visumaanvragers persoonlijk moeten verschijnen. Het vraagt de lidstaten de noodzakelijke aanpassingen door te voeren om het online indienen van visumaanvragen mogelijk te maken. Tegelijkertijd juicht het toe dat allerlei maatregelen worden genomen om aanvragers in staat stellen op de voor hen meest gemakkelijke en snelle manier vanuit hun woonplaats een visum aan te vragen, wat onder meer inhoudt dat zo nodig meer gebruik wordt gemaakt van externe dienstverleners, dat voor een betere vertegenwoordiging wordt gezorgd en dat de samenwerking tussen de diplomatieke posten van de lidstaten wordt vergroot. |
|
2.5. |
In het licht van de onlangs in werking getreden nieuwe regels inzake gegevensbescherming en privacy (algemene verordening gegevensbescherming, AVG) benadrukt het EESC dat externe dienstverleners over de capaciteiten dienen te beschikken om de veiligheid van de verzamelde persoonsgegevens te garanderen. De lidstaten zouden alle nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de ondernemingen die visadiensten aanbieden (aan Europese onderdanen, of aan niet-Europese onderdanen voor Europese visa) hun beleid op het gebied van gegevensbescherming wijzigen om aan de AVG te voldoen. |
|
2.6. |
De nieuwe kortere termijnen voor het indienen van visumaanvragen en voor het nemen van beslissingen daarover alsmede de harmonisatie van de mogelijkheid om eenvormige visa af te geven (m.n. wat betreft beslissingen over de afgifte van meervoudige visa) kunnen de goedkeuring van het EESC wegdragen. Dat geldt ook voor het nieuw voorgestelde artikel 25 bis „Samenwerking op het gebied van overname”, dat is bedoeld om de medewerking van derde landen bij de overname van irreguliere migranten te vergroten door een restrictieve en tijdelijke toepassing van duidelijk omschreven maatregelen mogelijk te maken. Er moet een geharmoniseerde aanpak worden ontwikkeld om de visumaanvraagprocedure te vereenvoudigen voor aanvragers die al eerder naar de EU zijn gereisd. |
|
2.7. |
Het EESC ziet in dat moet worden gezorgd voor samenhang tussen het visumbeleid en de verbintenissen die op andere beleidsterreinen zijn aangegaan (bijv. in handelsovereenkomsten), en dat die samenhang realistisch moet zijn. Ten aanzien van visumvrijstellingsovereenkomsten die lidstaten met bepaalde derde landen hebben gesloten, zou de algemeen aanvaarde oplossing moeten worden gekozen. De Europese Unie moet proactief streven naar volledige visumwederkerigheid in haar betrekkingen met derde landen. |
|
2.8. |
Het EESC begrijpt de redenen voor de voorgestelde herziening van artikel 16 van de Visumcode, namelijk de verhoging van de visumleges met 1/3, maar is bezorgd over de mogelijke belemmeringen die deze verhoging zou kunnen opwerpen voor de onderdanen van een aantal derde landen met een aanzienlijk lager ontwikkelings- en welvaartsniveau dan de EU-lidstaten. De vergelijking van de hoogte van de visumleges met de reiskosten en andere uitgaven die visumaanvragers hebben, valt niet gunstig uit omdat het huidige ruime aanbod aan goedkope vervoers- en overnachtingsmogelijkheden ertoe kan leiden dat de gehele reis minder of evenveel kost als de visumleges. |
|
2.9. |
Wat betreft het voorstel om de visumleges elke twee jaar te herzien, vindt het EESC dat overwogen zou moeten worden om die leges te verlagen naar aanleiding van de eventuele invoering van elektronische visumaanvraagprocedures (die lagere administratieve en personeelskosten voor de lidstaten kunnen inhouden). De Commissie stelt in haar mededeling over de aanpassing van het gemeenschappelijk visumbeleid aan nieuwe uitdagingen dat de meeste lidstaten geïnteresseerd zijn in de voordelen van digitale visa (o.a. lagere kosten voor consulaten en een efficiëntere en klantvriendelijkere aanvraagprocedure dan bij aanvragen op papieren). |
|
2.10. |
Gelet op de huidige en voorgestelde hoogte van de visumleges vindt het EESC dat moet worden nagedacht over vrijstellingen van die leges voor vertegenwoordigers van non-profitorganisaties die deelnemen aan door zulke organisaties gehouden seminars, conferenties, sportieve, culturele of educatieve evenementen. Voor die vertegenwoordigers zou geen leeftijdsgrens mogen gelden of zou die ten minste moeten worden verhoogd (in de huidige wetgeving is er een leeftijdsgrens: 25 jaar of jonger). Tevens zouden senioren moeten worden vrijgesteld van visumleges, om hun actieve integratie in de samenleving en kwaliteit van leven te bevorderen. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Visastatistieken voor consulaten, 2017 (https://ec.europa.eu/home-affairs/what-we-do/policies/borders-and-visas/visa-policy#stats).
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/145 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk
(COM(2018) 171 final — 2018/0081 (COD))
(2018/C 440/24)
|
Rapporteur: |
János WELTNER |
|
Raadpleging |
Europees Parlement: 16.4.2018 Raad: 23.4.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 153, leden 1 en 2, en artikel 304, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Besluit van het bureau |
17.4.2018 |
|
Bevoegde afdeling |
Afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
19.7.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
191/4/11 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de voorgestelde wijziging van de richtlijn betreffende carcinogene en mutagene agentia (CMD), aangezien ze objectieve gegevens omvat ten behoeve van veiligere arbeidsomstandigheden. |
|
1.2. |
Net als in zijn voorgaande advies (1) verzoekt het EESC de Commissie nogmaals om te beoordelen wat het effect is van een mogelijke uitbreiding van het toepassingsgebied van de CMD tot reprotoxische stoffen. |
|
1.3. |
Gezien de reprotoxische gevolgen van verschillende carcinogene en mutagene agentia acht het EESC het van belang dat er bij herzieningen en wijzigingen van de CMD in de nabije toekomst meer aandacht wordt besteed aan beroepsmatige blootstelling van mannen en vrouwen waar het gaat om voortplanting, in het bijzonder — in het geval van vrouwen — blootstelling tijdens het eerste trimester van een zwangerschap. |
|
1.4. |
In deze wijziging worden bindende grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling vastgesteld op basis van wetenschappelijk en statistisch bewijs, wat het EESC toejuicht. Zoals blijkt uit de achtergronddocumentatie kunnen belanghebbenden een op risico’s gebaseerde aanpak gemakkelijk begrijpen. Een dergelijke aanpak vormt dus een goede basis voor een sociaal compromis. |
|
1.5. |
Het EESC is ingenomen met de op bewijsmateriaal gebaseerde procedure in het kader waarvan de Commissie het Wetenschappelijk Comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan chemische agentia (SCOEL) (2) en het Comité risicobeoordeling (RAC) (3) van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) (4) om advies heeft gevraagd. |
|
1.6. |
Het EESC benadrukt dat het noodzakelijk is om proefprogramma’s voor onderzoek op te zetten en, in een tweede fase, om in het kader van nationale socialezekerheidsstelsels of gezondheidszorgstelsels EU-brede programma’s op te zetten voor levenslange medische controle voor alle personen die zijn blootgesteld aan carcinogene en mutagene agentia en reprotoxische stoffen. In overeenstemming met de algemene verordening inzake gegevensbescherming (5) moeten deze controles anoniem worden uitgevoerd. |
|
1.7. |
Om werknemers beter te beschermen tegen carcinogene, mutagene en reprotoxische agentia op de werkplek moeten de lidstaten ervoor zorgen dat arbeidsinspectiediensten over voldoende financiële en personele middelen beschikken om hun taken uit te voeren. |
|
1.8. |
Het EESC beveelt aan dat alle stoffen waarvan het vermoeden bestaat dat ze carcinogeen, mutageen en/of reprotoxisch zijn aan een wetenschappelijke analyse worden onderworpen, en dat ze indien nodig worden opgenomen in de CMD. |
2. Achtergrond van het advies
|
2.1. |
Dit advies houdt verband met het advies van het EESC over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk” (6), dat is opgesteld naar aanleiding van de wijziging van de CMD in 2017 (7). Alle aanbevelingen van het EESC, behalve de aanbevelingen die in onderhavige wijziging zijn opgenomen, zijn nog steeds relevant (8). |
|
2.2. |
De doelstellingen van het voorstel zijn in overeenstemming met artikel 2 (Recht op leven) en artikel 31 (Rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
|
2.3. |
Het waarborgen van een veilige en gezonde werkomgeving is, zoals vermeld in het „Strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020” (9), een strategisch doel van de Europese Commissie. |
|
2.4. |
Kanker is het voornaamste arbeidsgerelateerde gezondheidsprobleem in de EU-28 en berokkent bijna evenveel schade aan het leven en de gezondheid van werknemers als de twee volgende gezondheidsproblemen (spier- en skeletaandoeningen en hart- en vaatziekten) samen. De negatieve gevolgen van kanker zijn veel groter dan die van arbeidsongevallen (10). Kanker brengt lijden met zich mee voor werknemers, hun vrienden en familie, alsook een slechte levenskwaliteit, verminderd welzijn en in het ergste geval overlijden (11). |
|
2.5. |
De Commissie is van start gegaan met een continu proces om de CMD (12) te actualiseren, teneinde nieuwe wetenschappelijke en technische ontwikkelingen bij te houden. Dit proces is in overeenstemming met de strategie van de EU voor duurzame ontwikkeling. Een van de doelstellingen van deze strategie is om ervoor te zorgen dat in 2020 chemische stoffen op zodanige wijze worden geproduceerd en gebruikt dat de menselijke gezondheid en het milieu hierdoor niet ernstig worden bedreigd. Het uiteindelijke doel is om zorgwekkende stoffen te vervangen door passende alternatieve stoffen of technologieën (13). |
3. Voorstel van de Commissie
|
3.1. |
In overeenstemming met dit proces en op basis van SWD(2018) 87 en 88 heeft de Commissie in het document COM(2018) 171 een nieuwe wijziging voorgesteld van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (14). Eerder in 2017 was het EESC voorstander van een wijziging van deze richtlijn; de huidige wijziging betreft vijf stoffen (15): |
|
3.1.1. |
Cadmium en de anorganische verbindingen daarvan, binnen het toepassingsgebied van de richtlijn: beroepen waarin werknemers worden blootgesteld aan deze stoffen, zijn onder andere cadmiumproductie en -verwerking, vervaardiging van nikkel-cadmiumbatterijen, vervaardiging en formulering van cadmiumpigment, productie van cadmiumlegeringen, mechanisch plateren, smelting van koper en zink, winning van non-ferrometaalertsen, solderen met soldeer van een zilver-cadmium-zilverlegering, compounding van polyvinylchloride en recyclen van metaalschroot en Ni-Cd-batterijen. Volgens de Commissie lopen naar schatting circa 10 000 werknemers risico. |
|
3.1.2. |
Beryllium en de anorganische verbindingen daarvan, binnen het toepassingsgebied van de richtlijn: er is een lijst van tien industriële sectoren opgesteld waarin werknemers het risico lopen blootgesteld te worden aan beryllium, zoals de metaalgieterij, de glassector en laboratoria. Koper, aluminium, magnesium en nikkel worden vaak vermengd met beryllium. Ongeveer 80 % van alle beryllium wordt gebruikt in koperlegeringen. Blootstelling aan beryllium veroorzaakt longkanker en ongeneeslijke chronische berylliose. Volgens de Commissie lopen naar schatting 54 000 werknemers risico. |
|
3.1.3. |
Arseenzuur en de zouten daarvan, alsook anorganische arseenzuurverbindingen, binnen het toepassingsgebied van de richtlijn: blootstelling aan arseenzuurverbindingen komt voor bij bijvoorbeeld koper- en zinkproductie, evenals in de glas-, elektronica- en chemische sector. Volgens de Commissie lopen naar schatting tussen de 7 900 en de 15 300 werknemers risico. |
|
3.1.4. |
Formaldehyde: komt voor bij de vervaardiging van formaldehyde, en in een reeks producten (kleefstoffen en afdichtingsmiddelen, coatings, polymeren, biociden en laboratoriumchemicaliën); blootstelling aan formaldehyde kan ook voorkomen tijdens activiteiten als bouwwerkzaamheden en bij het vervaardigen van leer en bont, pulp, papier en papierproducten, textiel, hout en houten producten. Formaldehyde wordt ook gebruikt voor het bewaren van weefsels en als ontsmettingsmiddel in pathologieafdelingen en autopsiezalen. Volgens de Commissie lopen naar schatting 1 miljoen werknemers risico. |
|
3.1.5. |
4,4’-methyleen-bis(2-chlooraniline) („MOCA”): werknemers die hieraan blootgesteld worden, werken in de plasticsector. MOCA wordt op 89 plaatsen in de EU gebruikt voor het modelleren van onderdelen uit polyurethaanelastomeren. Volgens de Commissie lopen naar schatting 350 werknemers risico. |
|
3.2. |
De lidstaten hanteren verschillende benaderingen. Sommige lidstaten hebben voor een groot aantal carcinogene, mutagene en/of reprotoxische chemicaliën bindende grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling vastgesteld; andere lidstaten hebben voor slechts enkele chemicaliën dergelijke grenswaarden vastgesteld. In het voorstel worden vijf stoffen genoemd; voor geen van deze stoffen is een EU-grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling vastgesteld. Twaalf lidstaten (BE, BG, CY, CZ, DE, EE, ES, HU, LT, LV, NL, SE) hebben geen grenswaarde voor een van de vijf stoffen, en in drie lidstaten (IT, LU, MT) is voor geen van de vijf stoffen een grenswaarde vastgesteld. Het niveau van deze grenswaarden kan van land tot land aanzienlijk verschillen. Het Comité is dan ook ingenomen met het voorstel tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG, waarin minimale bindende Europese grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling worden vastgesteld; bovendien zullen de arbeidsvoorwaarden na de inwerkingtreding van de richtlijn gelijk zijn voor alle werknemers die in een lidstaat aan deze schadelijke stoffen worden blootgesteld. |
|
3.3. |
Uit schattingen op basis van een studie van Risk & Policy Analysts Limited (RPA) (16) uit 2018 blijkt dat als dit voorstel wordt aangenomen, de arbeidsomstandigheden van meer dan 1 miljoen werknemers in de EU zullen verbeteren op de lange termijn en dat 22 000 gevallen van arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen kunnen worden vermeden. De huidige ziektelast is geschat op basis van de voorbije 40 jaar en omvat 24 770 gevallen van werkgerelateerde gezondheidsproblemen. Indien geen actie wordt ondernomen zullen daar de komende 60 jaar 24 689 nieuwe gevallen bijkomen. |
|
3.4. |
Volgens het werkdocument van de Commissie is het daarom nodig te overwegen om op basis van de hierboven vermelde informatie de CMD te actualiseren. De beginselen zijn dezelfde als in de CMD en in de vorige wijziging. Met deze wijziging wordt de vorige lijst in de bijlage van de CMD uitgebreid met de vijf hierboven vermelde stoffen. |
|
3.5. |
Voor cadmium, beryllium en formaldehyde is wetenschappelijk advies ingewonnen bij het SCOEL, en voor arseenzuur en MOCA bij het RAC. Het tripartiete Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats heeft over alle vijf de stoffen een advies uitgebracht. |
|
3.6. |
De grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling voor deze vijf carcinogene en mutagene agentia zijn vastgesteld op basis van wetenschappelijke gegevens en onder verwijzing naar de toekomstige gevolgen voor de gezondheid. Er is ook rekening gehouden met verschillende economische gevolgen. |
4. Algemene opmerkingen
|
4.1. |
De belangrijkste doelstelling van deze wijziging is om de lijst in de CMD uit te breiden. Deze lijst is momenteel beperkt tot carcinogene en mutagene agentia. Zoals vermeld in het advies van het EESC (17) moet een mogelijke uitbreiding worden overwogen om reprotoxische stoffen of stoffen die andere lichaamsfuncties aantasten ook onder het toepassingsgebied van de CMD te laten vallen. |
|
4.2. |
Dit advies wordt ondersteund door het monitoringverslag van Eurostat van 2017 inzake de vooruitgang op het vlak van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen in een EU-context (18): In 2015 werden in de EU 350 miljoen ton chemische stoffen verbruikt. Hiervan is 127 miljoen ton geclassificeerd als gevaarlijk voor het milieu en 221 miljoen ton als schadelijk voor de menselijke gezondheid. Hoewel het verbruik van giftige chemische stoffen op korte en lange termijn is afgenomen, bleef het aandeel van de meest giftige chemische stoffen in het totale verbruik van chemische stoffen vrijwel onveranderd. (Aandeel van kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen in het totale verbruik van chemische stoffen in de EU: 2004: 10,7 %, 2015: 10,3 %.) |
|
4.3. |
In de EU-strategie tegen beroepsgerelateerde kanker moet meer aandacht zijn voor vrouwen. |
|
4.3.1. |
Het patroon van de blootstelling en het patroon van de locatie van de kanker kan bij mannen en vrouwen verschillen. Zo is borstkanker bij mannen erg zeldzaam, terwijl dit bij vrouwen de meest voorkomende vorm van kanker is. Er zijn allerlei soorten beroepsmatige blootstellingen die mogelijk bijdragen aan de ontwikkeling van borstkanker. Teneinde gegevens te verzamelen die relevant zijn voor de besluitvorming, moet de incidentie van voornamelijk genderspecifieke kankers apart worden geanalyseerd voor mannen en vrouwen, en niet voor alle werknemers samen. |
|
4.3.2. |
Het Comité dringt er bij de Commissie op aan dat zij bij toekomstige herzieningen van de richtlijn systematischer rekening houdt met de beroepsmatige blootstelling aan carcinogene agentia bij vrouwen. Vele soorten werk waar veel vrouwen actief zijn (gezondheidszorg, schoonmaak, kapperszaken enz.), brengen blootstelling aan carcinogene agentia mee. In dit opzicht moeten bindende preventieve maatregelen worden genomen (bijvoorbeeld negatievedrukkasten in gezondheidszorginstellingen voor de bereiding door het personeel van voor injectie bestemde cytostatische producten). |
|
4.4. |
Met betrekking tot de eengemaakte markt is het EESC van mening dat het belangrijk is dat de Commissie in de CMD een methodologie definieert voor het vaststellen van bindende grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling. Bij dit proces moeten de sociale partners, de lidstaten en andere belanghebbenden, met inbegrip van ngo’s, uitvoerig worden geraadpleegd. Volgens het EESC moet bijzondere aandacht worden besteed aan twee elementen: ten eerste aan de consistentie van bindende grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling met betrekking tot het risiconiveau van de verschillende stoffen; ten tweede aan de behoefte om bindende grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling vast te stellen op basis van wetenschappelijke bewijzen, met inbegrip van de follow-up van veranderingen in de incidentie van arbeidsgerelateerde ziekten. Voor de grenswaarden moeten verschillende factoren in overweging worden genomen, zoals de haalbaarheid en de mogelijkheid om blootstellingsniveaus te meten. Om werkgevers te helpen bij het vaststellen van prioriteiten voor hun preventiemaatregelen moeten de grenswaarden expliciet verwijzen naar het risiconiveau dat met het blootstellingsniveau in verband wordt gebracht. |
|
4.5. |
Voor de meeste stoffen is er een lange latentieperiode tussen de eerste blootstelling en het ontstaan van kanker. Het is volgens het EESC dan ook noodzakelijk dat werknemers worden beschermd door alle werknemers die een blootstellingsrisico lopen in het kader van socialezekerheidsstelsels of nationale gezondheidszorgstelsels levenslange medische controles aan te bieden. Deze gegevens kunnen door Eurostat worden verschaft om de strategie voor duurzame ontwikkeling te helpen verfijnen. |
|
4.6. |
Governance op het gebied van de volksgezondheid moet uitsluitend gebaseerd zijn op empirisch onderbouwde regelgeving. Bewijsmateriaal kan worden verkregen via wetenschappelijke analyses op basis van statistisch evalueerbare gegevens van goede kwaliteit. Deze vereiste wordt ondersteund door artikel 9 van de algemene verordening inzake gegevensbescherming (19) zelf, dat betrekking heeft op de verwerking van bijzondere categorieën persoonsgegevens (20). Overeenkomstig Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (21) moet ook rekening worden gehouden met andere juridische aspecten. |
|
4.7. |
Het EESC beveelt opnieuw aan om meer inspanningen te richten op wetenschappelijke en statistische studies. Arbeidsgerelateerde kanker kan meerdere oorzaken hebben. Onderzoek naar de gevolgen en mogelijke interactie van gecombineerde blootstelling aan verschillende factoren moet meer aandacht en middelen krijgen. |
|
4.8. |
Een betere controle op de tenuitvoerlegging en toepassing van de CMD is een van de belangrijkste taken op het gebied van de bescherming van werknemers tegen carcinogene, mutagene en reprotoxische stoffen op de werkplek. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de arbeidsinspectiediensten beschikken over toereikende financiële en menselijke middelen om hun taken uit te voeren en moeten tegelijkertijd bedrijven, en dan met name kleine en middelgrote ondernemingen, helpen om aan deze bepalingen te voldoen. Zij dienen hun samenwerking met het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk te versterken. Een wijdverspreid gebruik van het OiRA-webplatform (Online interactive Risk Assessment) kan helpen bij risicobeoordelingen op dit gebied. |
5. Specifieke opmerkingen
|
5.1. |
Met de Europese wetgeving wordt ingespeeld op de cruciale vereiste van preventie en bescherming van de gezondheid op het werk en de noodzaak om het werk aan te passen aan de mensen, maar daarnaast wijst het Comité op het gevaar dat ondoeltreffende preventie van blootstelling aan carcinogene, mutagene en reprotoxische agentia negatieve gevolgen heeft voor het bedrijfsleven, zoals hogere kosten en lagere productiviteit als gevolg van absenteïsme, schadevergoedingen, expertise die verloren gaat en verstoorde concurrentie. Bovendien kunnen er negatieve gevolgen zijn voor de lidstaten als gevolg van hogere socialezekerheidskosten en misgelopen belastinginkomsten. |
|
5.2. |
De autoriteiten van de lidstaten en de werknemers- en werkgeversorganisaties hebben in het kader van het tripartiete Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats bevestigd dat ze bijzonder ingenomen zouden zijn met de juridische duidelijkheid en de betere bescherming die lagere grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling voor deze stoffen zouden meebrengen. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 56.
(2) Health and safety at work — SCOEL, Europese Commissie 30.6.2018.
(3) Committee for Risk Assessment (RAC), 30.6.2018.
(4) European Chemicals Agency (ECHA) .
(5) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 33, artikel 4; zie ook overwegingen 35, 45, 52, 53 en 155.
(6) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 56.
(7) COM(2017) 11 final.
(8) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 56.
(9) COM(2014) 332 final.
(10) EU-OSHA (2017).
(11) SWD (2018) 88, COM(2017) 11 final.
(12) Richtlijn 2004/37/EG.
(13) Eurostat, Sustainable development in the EU, blz.189.
(14) Procedure 2018/0081 (COD).
(15) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 56.
(16) Derde wijziging van de richtlijn inzake carcinogene en mutagene agentia.
(17) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 56.
(18) Eurostat 2017: „Sustainable Development in the European Union — Monitoring report on progress towards the SDGs in an EU context”, blz. 246.
(19) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(20) PB L 119 van 4.5.2016, artikel 9, onder h): „de verwerking is noodzakelijk voor doeleinden van preventieve of arbeidsgeneeskunde, voor de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid van de werknemer […] op grond van Unierecht of lidstatelijk recht […]”.
(21) PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45. Zie ook PB L 354 van 31.12.2008, blz. 70, artikel 2.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/150 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de aanbeveling van de Raad over bredere samenwerking bij de bestrijding van ziekten die door vaccinatie kunnen worden voorkomen
(COM(2018) 244 final — SWD(2018) 149 final)
(2018/C 440/25)
|
Rapporteur: |
Renate HEINISCH |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 17.4.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 29 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
17.4.2018 |
|
Bevoegde afdeling |
Afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
19.7.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
136/1/3 |
1. Conclusies en aanbevelingen
1.1. Op Europees niveau
|
1.1.1. |
Bij de samenwerking van de lidstaten op het gebied van vaccins moet rekening worden gehouden met de rol van vaccins gedurende het leven van mensen en moet expliciet worden gekeken naar de problematiek van vaccinaties voor kinderen, adolescenten, volwassenen en ouderen over de grenzen heen. Uit gegevens van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) blijkt dat ziekten zoals mazelen, die vroeger kinderziekten waren, nu tieners en jongvolwassenen treffen als gevolg van afnemende immuniteit. Samen met grensoverschrijdende migratiestromen en de beschikbaarheid van nieuwe vaccins gericht op specifieke leeftijdsgroepen (bv. HPV, meningokokkenziekte, gordelroos) vraagt deze situatie om een levenscyclusbenadering van vaccinatie. |
|
1.1.2. |
Voor de kinderen van vandaag is de terughoudendheid van hun ouders ten aanzien van vaccins een van de grootste gevaren voor hun welzijn — al lang bestaand wetenschappelijk bewijs wordt ondermijnd ten behoeve van de antivaccinatieagenda. Deze algemene trend van wantrouwen jegens experts en wetenschappelijke consensus moet worden aangepakt door empirisch onderbouwde communicatie, meer transparantie en bewustmaking, willen we de epidemieën van mazelen die de EU hebben getroffen en de recentelijke dodelijke gevallen van difterie voorkomen. Publieke betrokkenheid bij onderzoeks- en innovatieprogramma’s zoals het programma „Wetenschap met en voor de samenleving” is een van de instrumenten die de Commissie moet gebruiken om de schijnwerper te richten op de voordelen van vaccinatie. |
|
1.1.3. |
Het EESC roept de Commissie op om via een Europese immunisatiedag het publiek bewust te maken van de rol die vaccins spelen bij de bescherming van mensen tegen slopende ziekten. Een dergelijk forum zou op maat gemaakte communicatie moeten gebruiken om Europeanen, met name ouders, kinderen, gezondheidswerkers, migranten, minderheden en andere bevolkingsgroepen met verhoogd risico, voor te lichten over de ernstige gevolgen van ziekten die door vaccinatie kunnen worden voorkomen. Er moet gebruik worden gemaakt van alle communicatiekanalen, inclusief traditionele en sociale media, om burgers en organisaties wetenschappelijk onderbouwde en begrijpelijke informatie te bieden. Een intergenerationele leeraanpak in aan vaccins gerelateerde communicatie zou ook helpen vaccinatie over de generaties heen te bevorderen en wantrouwen aan te pakken. |
|
1.1.4. |
In een tijd waarin informatie en communicatie steeds digitaler worden en nieuwe technologieën tal van mogelijkheden bieden om de toegang tot vaccins te verbeteren en de vaccinatiegraad te verhogen, moet de Unie Europeanen beter voorlichten om twijfels in verband met vaccinatie weg te nemen, en de digitale geletterdheid op het gebied van gezondheid moet worden verbeterd om toegang tot en verwerking van digitale informatie over vaccins mogelijk te maken. |
|
1.1.5. |
We mogen niet vergeten dat de gezondheid van mens en dier onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid schat dat 75 % (1) van de infectieziekten die mensen treffen van dierlijke oorsprong is. Ook uit de steeds toenemende dreiging van antimicrobiële resistentie (AMR) blijkt de link tussen de gezondheid van mens en dier. In deze context voorkomen vaccins niet alleen ziekten, maar dragen ze ook bij aan de strijd tegen AMR door het onnodige gebruik van antimicrobiële middelen te verminderen. Deze maatschappelijke waarde wordt echter niet weerspiegeld in EU-ondersteuningsmechanismen, en er is geen marktprikkel voor landbouwers om vaccins te gebruiken in plaats van goedkopere producten die AMR vergroten. Het EESC zou graag zien dat de Commissie bij de komende herziening van het GLB subsidies verstrekt aan landbouwbedrijven met een vaccinatiegraad die hoog genoeg is om de economische en gezondheidsbedreigingen van AMR in te perken. |
1.2. Op nationaal niveau
|
1.2.1. |
We moeten ervoor zorgen dat vermijdbare ziekten uit ons verre verleden of ziekten die kunnen worden voorkomen door nieuwe generaties vaccins nooit meer de kop zullen opsteken. Gezondheidswerkers, waaronder apothekers, verpleegkundigen en artsen, evenals medische diensten op school en op het werk, zijn van groot belang bij de aanpak van de terughoudendheid ten aanzien van vaccins, aangezien zij een sleutelrol spelen bij het begeleiden en adviseren van patiënten. Het EESC dringt er bij de lidstaten op aan te investeren in permanente scholing, zodat gezondheidswerkers, en met name apothekers, ambassadeurs voor vaccinatie kunnen worden en een vuist kunnen maken tegen de vreselijke gevolgen van de antivaccinatiebeweging voor de volksgezondheid. Vaccinatie kan ook door artsen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat veilig wordt omgegaan met mogelijke acute reacties of anafylactische shocks. |
|
1.2.2. |
Gezondheidswerkers lopen ook het risico op blootstelling aan een breed scala aan ziekten. Als adviesorgaan dat werknemers, werkgevers en andere belangengroepen vertegenwoordigt, roept het EESC de lidstaten op om te zorgen voor een volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/54/EG, die erin voorziet dat werkgevers hun werknemers vaccinatie moeten aanbieden als er een risico bestaat voor hun gezondheid en veiligheid als gevolg van blootstelling aan biologische agentia waarvoor effectieve vaccins bestaan. |
|
1.2.3. |
De lidstaten moeten bovendien meer inspanningen leveren om niet alleen gezondheidswerkers te bereiken, maar ook bevolkingsgroepen met een verhoogd risico op ernstige gevolgen van ziekten die specifiek door vaccinatie kunnen worden voorkomen, zoals kinderen, zwangere vrouwen, ouderen, minderheden en bevolkingsgroepen met bepaalde onderliggende gezondheidsproblemen of die zijn blootgesteld aan seksueel overdraagbare ziekten zoals het humaan papillomavirus (HPV) en hepatitis A en B. De combinatie van routinecontroles, zoals pediatrische controles of controles in verband met gezondheid op het werk, en immunisatieprogramma’s zou kunnen helpen om suboptimale dekkingspercentages aan te pakken. |
|
1.2.4. |
Europa staat momenteel voor een historische uitdaging, nu de leeftijdspiramide van de Europese bevolking zich begint om te keren. Preventieve maatregelen, zoals vaccinatie voor volwassenen, moeten worden beschouwd als een instrument om deze uitdaging aan te gaan en tegelijkertijd bij te dragen aan de Europese doelstelling van actief en gezond ouder worden. |
|
1.2.5. |
Het EESC merkt echter met bezorgdheid op dat ondanks de doelstelling van de Raad van 2009 om 75 % van de ouderen te vaccineren tegen griep, slechts één lidstaat dit doel heeft bereikt. Aangezien influenza bij ouderen in het beste geval uitputtend en in het slechtste geval dodelijk is, zouden de lidstaten hun inspanningen moeten verdubbelen om dit doel te bereiken. |
|
1.2.6. |
De uitdagingen waarmee de lidstaten momenteel worden geconfronteerd variëren van terughoudendheid ten aanzien van vaccins tot demografische veranderingen — de vergrijzing — en de toegenomen mobiliteit van personen, factoren die in de hele Unie een impact hebben op de risico’s van blootstelling aan ziekteverwekkers. Het EESC roept de lidstaten op om beste praktijken en knowhow te delen om deze uitdagingen aan te gaan. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Het EESC steunt de op drie pijlers gebaseerde benadering van de Commissie om betere samenwerking te bevorderen bij de bestrijding van ziekten die door vaccinatie kunnen worden voorkomen als tijdig antwoord op de ernstige bedreigingen van de gezondheid waar de EU vandaag de dag mee te maken heeft, namelijk terughoudendheid ten aanzien van vaccins, afnemende bescherming tegen specifieke ziekten, ongeziene uitbraken van ziekten die door vaccinatie kunnen worden voorkomen, discrepanties tussen nationale vaccinatieprogramma’s en vaccintekorten. |
|
2.2. |
Het EESC is ingenomen met de voorgestelde activiteiten om de synergieën tussen vaccinatiebeleid en aanverwant beleid op nationaal, Europees en internationaal niveau te vergroten, waaronder maatregelen inzake crisisparaatheid, e-gezondheid, evaluatie van gezondheidstechnologie, O&O en de farmaceutische industrie. Gezamenlijke inspanningen zijn van cruciaal belang om de uitdagingen aan te pakken die momenteel de doeltreffendheid van vaccinatieprogramma’s in de hele Unie belemmeren. |
|
2.3. |
Dankzij vaccinatie, het belangrijkste instrument voor primaire preventie, is Europa poliovrij en zijn andere ziekten zoals pokken uitgeroeid, door individuele ziektegevallen te voorkomen en tegelijk de verspreiding van virussen te doorbreken. Buiten Europa heeft de globalisering geleid tot een toename van de grensoverschrijdende stromen van virussen, pathogenen en ziekten, en ook van mensen, een trend die nog werd versneld door de recente migratiegolf. Aangezien ziekten niet worden tegengehouden door regionale of landsgrenzen, kan vaccinatie een aanzienlijke bijdrage leveren aan de gezondheid wereldwijd. |
|
2.4. |
In de EU vallen vaccinatieprogramma’s onder de bevoegdheid van de lidstaten. Dientengevolge bestaan verschillende immunisatiestrategieën naast elkaar in de EU, waarbij sommige lidstaten geavanceerde programma’s hebben geïmplementeerd die gericht zijn op specifieke ziekten gedurende de levenscyclus, en/of de aanpak van geografische kenmerken. Aangezien de verspreiding van ziekten geen grenzen kent, steunt het EESC het voorstel van de Commissie om richtsnoeren voor een gemeenschappelijk EU-vaccinatieprogramma te ontwikkelen om de compatibiliteit van nationale programma’s te vergemakkelijken. |
|
2.5. |
Het gebrek aan harmonisatie van vaccinatieprogramma’s binnen de Unie vormt ook een belemmering voor de vrijheid van verkeer en verblijf, een van de fundamentele rechten van EU-burgers en hun familieleden. Sterker nog, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie, kan het met name voor kinderen lastig zijn om hun vaccinatieprogramma voort te zetten wanneer zij binnen Europa reizen. Een dergelijke harmonisatie mag echter niet leiden tot een vermindering van het aanbod beschikbare vaccins. |
|
2.6. |
In zijn conclusies van december 2014 (2) erkende de Raad dat vaccinaties weliswaar een doeltreffend instrument voor de volksgezondheid zijn, maar dat overdraagbare ziekten die soms opnieuw opduiken — zoals tuberculose, mazelen, kinkhoest en rodehond — nog steeds een uitdaging voor de volksgezondheid vormen en een groot aantal infecties en sterfgevallen kunnen veroorzaken. Deze recente ontwikkelingen maken samenwerking tussen de lidstaten bij de bestrijding van ziekten die door vaccinatie kunnen worden voorkomen, nog urgenter. |
|
2.7. |
In het licht van het bovenstaande is de aanbeveling van de Raad over betere samenwerking tussen de lidstaten, de industrie en belanghebbenden op EU-niveau een stap in de goede richting. Het EESC staat volledig achter versterkte maatregelen op het gebied van vaccinatie. |
3. Specifieke opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC onderschrijft het standpunt van de Commissie dat digitale instrumenten zoals een gemeenschappelijke vaccinatiekaart voor EU-burgers, die kan worden opgevraagd via elektronische informatiesystemen voor immunisatie, en een webportaal om mensen te wijzen op de voordelen en veiligheid van vaccinaties, kunnen helpen om de in de mededeling geschetste doelstellingen te bereiken. In dit verband zou de Commissie met de lidstaten moeten samenwerken om de digitale geletterdheid van Europeanen op het gebied van gezondheid te vergroten, teneinde de voordelen van deze digitale instrumenten te maximaliseren. |
|
3.2. |
Gezien het feit dat traditionele kinderziekten verschuiven naar latere levensfasen en er nieuwe vaccins beschikbaar zijn die ziekten bij volwassenen en ouderen kunnen voorkomen, worden de lidstaten aangemoedigd om vaccinatieprogramma’s gedurende de gehele levenscyclus te overwegen, rekening houdend met de meest kosteneffectieve vaccinatiestrategieën om ziekte te voorkomen volgens de behoeften van verschillende leeftijdsgroepen (bijvoorbeeld adolescenten, zwangere vrouwen, personen met chronische aandoeningen, minderheidsgroepen en ouderen). |
|
3.3. |
Zoals de heer Juncker in zijn Staat-van-de-Unie-toespraak van 2017 heeft benadrukt, sterven nog steeds kinderen aan ziekten die door vaccinatie kunnen worden voorkomen, zoals mazelen. Niet-gevaccineerde klasgenoten vormen een aanzienlijk risico voor kinderen. Om een hoge vaccinatiegraad te bereiken kan het nodig zijn plaatsing op school afhankelijk te maken van een bewijs van vaccinatie. In dit verband moeten scholen en opvoeders beter worden geïnformeerd over de rol van vaccins, zodat zij met ouders en kinderen kunnen praten over vaccinatie. Dit educatieve aspect is van cruciaal belang, aangezien scholen een centrale rol spelen in de besluitvorming van ouders. |
|
3.4. |
Kankers die door vaccinatie kunnen worden voorkomen vormen een bedreiging voor de adolescenten van vandaag, die te maken kunnen krijgen met dodelijke kankers wanneer ze ouder worden. Geconfronteerd met een toename van kanker, hebben de EU-lidstaten de bestrijding van kanker tot een topprioriteit op hun beleidsagenda gemaakt. De ervaring leert dat een goed uitgevoerd vaccinatiebeleid bepaalde ziekten, zoals aan humaan papillomavirus gerelateerde (HPV-gerelateerde) infecties, vrijwel volledige kan uitroeien. Het aanbieden van HPV-vaccinatie aan adolescenten moet worden gezien als een belangrijk aspect van kankerbestrijdingsprogramma’s, omdat het gaat om een unieke categorie van kankers die door vaccinatie kunnen worden voorkomen. |
|
3.5. |
Vaccinatie bij volwassenen is soms de enige beschikbare preventieve oplossing om een specifieke ziekte aan te pakken, zoals influenza of gordelroos, hetzij om deze volledig te voorkomen of om de ernst ervan te verminderen. In de Europese Unie lijdt een op de vier mensen tijdens zijn of haar leven aan gordelroos, terwijl elk jaar tot bijna 40 000 mensen vroegtijdig overlijden door aan griep gerelateerde aandoeningen. Deze cijfers kunnen alleen worden verlaagd door vaccinatie. |
|
3.6. |
Gezien de gerapporteerde terughoudendheid onder de gezondheidswerkers zelf, evenals gevallen en uitbraken van ziekten die door vaccinatie kunnen worden voorkomen als gevolg van overdracht door medisch personeel, moet de implementatie en naleving van vaccinatieprogramma’s voor gezondheidswerkers zorgvuldig worden gevolgd en ondersteund met adequate training, in het belang van de patiëntveiligheid, evenals voor de bescherming van de gezondheidswerkers zelf, in overeenstemming met Richtlijn 2000/54/EG. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, How do animal diseases affect humans?
(2) Conclusies van de Raad over vaccinaties als doeltreffend instrument voor de volksgezondheid, 1 december 2014.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/154 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 767/2008, Verordening (EG) nr. 810/2009, Verordening (EU) 2017/2226, Verordening (EU) 2016/399, Verordening (EU) 2018/… (de interoperabiliteitsverordening) en Beschikking 2004/512/EG, en tot intrekking van Besluit 2008/633/JBZ van de Raad
(COM(2018) 302 final)
(2018/C 440/26)
|
Algemeen rapporteur: |
Ionuţ SIBIAN |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 2.7.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Besluit van het bureau |
10.7.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
97/3/0 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité is voorstander van een visumbeleid dat een instrument is en blijft om toerisme en zakelijke contacten te faciliteren en dat tegelijkertijd veiligheidsrisico’s en het risico op irreguliere migratie naar de EU tegengaat. |
|
1.2. |
Het steunt de verdere ontwikkeling van het Visuminformatiesysteem (VIS) als de beste technologische oplossing om de procedure voor afgifte van visa voor kort verblijf te faciliteren en de visum-, grens-, asiel- en migratieautoriteiten te helpen de noodzakelijke informatie inzake onderdanen van derde landen die een visum nodig hebben om naar de EU te reizen, snel en doeltreffend te controleren. |
|
1.3. |
De harmonisatie van de procedures, praktijken en resultaten van de lidstaten met betrekking tot het visumbeleid moet een belangrijke doelstelling van maatregelen op dit gebied zijn. |
|
1.4. |
Het opstellen van specifieke risico-indicatoren voor de behandeling van visumaanvragen kan de rechten van aanvragers beperken. De EU-instellingen en de autoriteiten van de lidstaten moeten eerstelijns- en beheerspersoneel naar behoren informeren en opleiden om te voorkomen dat wordt geprofileerd op basis van ras, gender, etnische afkomst, godsdienst, seksuele oriëntatie of andere persoonlijke kenmerken. |
|
1.5. |
Het EESC onderschrijft de doelstelling om de identificatie van vermiste personen te faciliteren. Het verlagen van de leeftijd voor het nemen van vingerafdrukken van kinderen die een aanvraag indienen, van 12 naar 6 jaar kan echter problematisch zijn. In het voorstel werden geen bijdragen en adviezen opgenomen van agentschappen en organisaties voor kinderbescherming, waardoor het EESC de impact van het voorstel op kinderen en de bescherming van kinderen niet volledig kan beoordelen. |
|
1.6. |
In verband met deze doelstelling moet ook worden opgemerkt dat hoewel het opslaan van een kopie van de bladzijde met persoonsgegevens van het reisdocument van de aanvrager in het VIS acceptabel en noodzakelijk is, vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het creëren van dit nieuwe gegevensinstrument ter ondersteuning van terugkeerprocedures, zoals vermeld in het voorstel. De voorgestelde veranderingen zouden niet noodzakelijkerwijs leiden tot de terugkeer van onderdanen van derde landen. Het instrument moet in plaats daarvan lidstaten aanmoedigen om te handelen met inachtneming van zowel de wettigheid van het verblijf als de belangen en het welzijn van de betrokken persoon. Onderdanen van derde landen moeten worden aangemoedigd en geholpen door de autoriteiten om hun verblijf te regulariseren en te overwegen terug te keren naar hun land van herkomst. |
|
1.7. |
Wat betreft de secundaire doelstelling van dit voorstel — om nationale rechtshandhavingsautoriteiten en Europol onder strikte voorwaarden toegang te verlenen tot VIS-gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden — zijn strikte toegangsvoorwaarden van groot belang. De toegang moet idealiter een rechterlijke beslissing vereisen, wat zou waarborgen dat een dergelijke toegang een noodzakelijke beperking vormt op het beginsel van de bescherming van persoonsgegevens. |
|
1.8. |
Het EESC is verheugd over de omvang van de in verband met dit voorstel georganiseerde raadplegingen. Het zou echter zeer nuttig zijn geweest voor het EESC, de andere instellingen en het publiek als meer bijdragen en inzichten van de geraadpleegde partijen waren opgenomen in het voorstel. Het is niet duidelijk welke bijdragen werden geleverd en in hoeverre deze van invloed waren op de uiteindelijke vorm van het voorstel. |
|
1.9. |
Wat de bescherming van de grondrechten betreft, is het EESC ingenomen met de nadruk die de Europese Commissie op dit punt legt. Er moet echter meer aandacht worden besteed aan de manier waarop de lidstaten de persoonsgegevens van visumaanvragers gebruiken. Zoals eerder opgemerkt, zijn aanvullende waarborgen nodig tegen praktijken die leiden tot de discriminatie van onderdanen van derde landen die een aanvraag indienen voor een kort verblijf, een verblijf van langere duur of voor een verblijfsvergunning. |
|
1.10. |
Meer gedetailleerde en specifieke gegevens over de visa voor kort verblijf, visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen per land, van zowel de EU-lidstaten als van derde landen, zouden het voorstel ten goede zijn gekomen. Meer informatie over overschrijdingen van de toegestane verblijfsduur zou ook erg nuttig zijn geweest met betrekking tot kinderhandel. Deze gegevens zijn onmisbaar voor de beoordeling van de aard en structuur van de mobiliteit en de geschiktheid van de gebruikte instrumenten. |
|
1.11. |
Het EESC beveelt ook een sterker engagement aan om samen te werken met de regeringen en het maatschappelijk middenveld van de derde landen teneinde hun onderdanen te informeren, voor te bereiden en bij te staan gedurende de gehele procedure voor het aanvragen van een visum. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Het EESC is voorstander van een visumbeleid dat een instrument is en blijft om toerisme en zakelijke contacten te faciliteren en dat tegelijkertijd veiligheidsrisico’s en het risico op irreguliere migratie naar de EU tegengaat. |
|
2.2. |
Het erkent de uitdagingen op het gebied van migratie en veiligheid van de afgelopen jaren, maar moedigt de lidstaten en de EU-instellingen aan om een consensuele, evenwichtige en evenredige benadering te hanteren om ervoor te zorgen dat de EU zo open, verantwoordelijk, betrokken en innovatief mogelijk blijft. |
|
2.3. |
Het EESC steunt de verdere ontwikkeling van het Visuminformatiesysteem (VIS) als de beste technologische oplossing om de procedure voor afgifte van visa voor kort verblijf te faciliteren en de visum-, grens-, asiel- en migratieautoriteiten te helpen de noodzakelijke informatie inzake onderdanen van derde landen die een visum nodig hebben om naar de EU te reizen, snel en doeltreffend te controleren. |
|
2.4. |
Het steunt ook de algemene doelstellingen van dit initiatief om de veiligheid in de EU en aan haar grenzen te verbeteren, het recht van bonafide reizigers te faciliteren om de buitengrens te overschrijden en zich vrij binnen het gebied zonder controle aan de binnengrenzen te verplaatsen en er vrij te verblijven, en het beheer van de buitengrenzen van het Schengengebied te bevorderen. |
|
2.5. |
Het EESC steunt bovendien de specifieke doelstellingen van dit initiatief — het vergemakkelijken van de visumaanvraagprocedure; het vergemakkelijken en versterken van de controles aan de doorlaatposten aan de buitengrenzen en op het grondgebied van de lidstaten; en het bevorderen van de interne veiligheid in het Schengengebied door de informatie-uitwisseling tussen lidstaten inzake onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning te faciliteren. |
|
2.6. |
Het steunt daarnaast het elimineren van de nog bestaande informatielacunes op het gebied van grenzen en veiligheid door in het VIS visa voor verblijf van langere duur en verblijfsdocumenten op te nemen. |
|
2.7. |
Wat het verbeteren van de controles bij de behandeling van visumaanvragen door interoperabiliteit betreft, zijn de verificatie en beoordeling van de door aanvragers voorgelegde informatie en de automatische verificatie door het VIS van elke aanvraag aan de hand van elk van de beschikbare systemen een welkome procedurele en technologische ontwikkeling. |
|
2.8. |
Het opstellen van specifieke risico-indicatoren voor de behandeling van visumaanvragen kan de rechten van aanvragers beperken. Hoewel de risico-indicatoren geen persoonsgegevens zouden bevatten, zouden deze steunen op statistieken en informatie die de lidstaten verstrekken met betrekking tot dreigingen, abnormale percentages van weigering en langer verblijf dan toegestaan voor bepaalde categorieën onderdanen van derde landen, en risico’s voor de volksgezondheid. Er bestaat een aanzienlijk risico dat deze gegevens en indicatoren door de voor de behandeling van visumaanvragen bevoegde autoriteiten zullen worden gebruikt om visumaanvragen af te wijzen op basis van de in het systeem opgenomen profielen, in plaats van op basis van de individuele omstandigheden van de aanvrager. De EU-instellingen en de autoriteiten van de lidstaten moeten eerstelijns- en beheerspersoneel naar behoren informeren en opleiden om te voorkomen dat wordt geprofileerd op basis van ras, gender, etniciteit, godsdienst, seksuele oriëntatie of andere persoonlijke kenmerken. |
|
2.9. |
Het EESC onderschrijft de doelstelling om de identificatie van vermiste personen te faciliteren. Het verlagen van de leeftijd voor het nemen van vingerafdrukken van kinderen die een aanvraag indienen, van 12 naar 6 jaar kan echter problematisch zijn. In het voorstel werden geen bijdragen en adviezen opgenomen van agentschappen en organisaties voor kinderbescherming, waardoor het EESC de impact van het voorstel op kinderen en de bescherming van kinderen niet volledig kan beoordelen. |
|
2.10. |
In verband met deze doelstelling moet ook worden opgemerkt dat hoewel het opslaan van een kopie van de bladzijde met persoonsgegevens van het reisdocument van de aanvrager in het VIS acceptabel en noodzakelijk is, vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het creëren van dit nieuwe gegevensinstrument ter ondersteuning van terugkeerprocedures, zoals vermeld in het voorstel. De voorgestelde veranderingen zouden niet noodzakelijkerwijs leiden tot de terugkeer van onderdanen van derde landen. Het instrument moet in plaats daarvan lidstaten aanmoedigen om te handelen met inachtneming van zowel de wettigheid van het verblijf als de belangen en het welzijn van de betrokken persoon. Onderdanen van derde landen moeten worden aangemoedigd en geholpen door de autoriteiten om hun verblijf te regulariseren en te overwegen terug te keren naar hun land van herkomst. |
|
2.11. |
Wat betreft de secundaire doelstelling van dit voorstel — om nationale rechtshandhavingsautoriteiten en Europol onder strikte voorwaarden toegang te verlenen tot VIS-gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden — zijn strikte toegangsvoorwaarden van groot belang. De toegang moet idealiter een rechterlijke beslissing vereisen, wat zou waarborgen dat een dergelijke toegang een noodzakelijke beperking vormt op het beginsel van de bescherming van persoonsgegevens. |
|
2.12. |
Het EESC is ingenomen met het feit dat de Commissie opdracht heeft gegeven tot drie onafhankelijke studies: een over de haalbaarheid, de noodzaak en de evenredigheid van het verlagen van de leeftijd voor het nemen van vingerafdrukken van kinderen tijdens de visumprocedure en het opslaan van een kopie van het reisdocument van visumaanvragers in het VIS, en twee studies over respectievelijk de haalbaarheid en de noodzaak en evenredigheid van een uitbreiding van het VIS met gegevens inzake visa voor verblijf van langere duur en verblijfsdocumenten. |
|
2.13. |
Het EESC looft de omvang van de raadplegingen, waarbij alle belanghebbenden werden betrokken, waaronder nationale autoriteiten die toegang hebben tot het VIS om gegevens in te voeren, te wijzigen, te verwijderen of te raadplegen, nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor migratie en terugkeer, kinderbeschermingsautoriteiten, politie, autoriteiten die mensenhandel bestrijden, autoriteiten die bevoegd zijn voor consulaire zaken en nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor controles aan doorlaatposten aan de buitengrenzen. Voorts werden ook verschillende autoriteiten en niet-gouvernementele organisaties van buiten de EU die werkzaam zijn op het gebied van de rechten van het kind geraadpleegd. Het zou echter zeer nuttig zijn geweest voor het EESC, de andere instellingen en het publiek als meer bijdragen en inzichten van de geraadpleegde partijen waren opgenomen in het voorstel. Het is niet duidelijk welke bijdragen werden geleverd en in hoeverre deze van invloed waren op de uiteindelijke vorm van het voorstel. |
|
2.14. |
Wat de bescherming van de grondrechten betreft, is het EESC ingenomen met de nadruk die de Europese Commissie op dit punt legt. Het EESC is verheugd over de aanvullende waarborgen die in dit voorstel worden geïntroduceerd voor de specifieke behoeften van de nieuwe categorieën van gegevens, gegevensverwerking en betrokkenen in het kader van het VIS, als onderdeel van de bredere inspanningen om de rechten van personen op toegang, correctie, verwijdering en verhaal met betrekking tot persoonsgegevens te beschermen. Er moet echter meer aandacht worden besteed aan de manier waarop de lidstaten de persoonsgegevens van visumaanvragers gebruiken. Zoals eerder opgemerkt, zijn aanvullende waarborgen nodig tegen praktijken die leiden tot de discriminatie van onderdanen van derde landen die een aanvraag indienen voor een kort verblijf, een verblijf van langere duur of voor een verblijfsvergunning. |
|
2.15. |
Meer gedetailleerde en specifieke gegevens over de visa voor kort verblijf, visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen per land, van zowel de EU-lidstaten als van derde landen, zouden het voorstel ten goede zijn gekomen. Meer informatie over overschrijdingen van de toegestane verblijfsduur zou ook erg nuttig zijn geweest met betrekking tot kinderhandel. Deze gegevens zijn onmisbaar voor de beoordeling van de aard en structuur van de mobiliteit en de geschiktheid van de gebruikte instrumenten. |
|
2.16. |
Het EESC beveelt ook een sterker engagement aan om samen te werken met de regeringen en het maatschappelijk middenveld van de derde landen teneinde hun onderdanen te informeren, voor te bereiden en bij te staan gedurende de procedure voor het aanvragen van een visum. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/158 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002 (betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving), Richtlijn 2001/18/EG (inzake de doelbewuste introductie van ggo’s in het milieu), Verordening (EG) nr. 1829/2003 (inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders), Verordening (EG) nr. 1831/2003 (betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding), Verordening (EG) nr. 2065/2003 (inzake rookaroma’s), Verordening (EG) nr. 1935/2004 (inzake materialen die met levensmiddelen in contact komen), Verordening (EG) nr. 1331/2008 (inzake de uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s), Verordening (EG) nr. 1107/2009 (betreffende gewasbeschermingsmiddelen) en Verordening (EU) 2015/2283 (betreffende nieuwe voedingsmiddelen)
(COM(2018) 179 final — 2018/0088 (COD))
(2018/C 440/27)
|
Rapporteur: |
Antonello PEZZINI |
|
Corapporteur: |
Ester VITALE |
|
Raadpleging |
Raad, 22.5.2018 Europees Parlement, 28.5.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikelen 43, 114, 168, lid 4, sub b) en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Besluit van het bureau |
13.2.2018 |
|
Bevoegde afdeling |
Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
5.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
176/2/2 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) was altijd al voorstander van een EU-beleid ter bescherming van de gezondheid in alle stadia van de voedingsketen, van boer tot consument, ter voorkoming van besmettingen en voedselrisico’s, ter bevordering van de veiligheid en hygiëne en ter bevordering van duidelijke, transparante en veilige informatie over producten. |
|
1.2. |
Het EESC steunt de initiatieven van de Commissie voor de aanpak van transparantie, duurzaamheid en doeltreffendheid van het hele controlesysteem van de voedselvoorzieningsketen zodat de burgers, de media en het maatschappelijk middenveld meer doordrongen raken van betrouwbaarheid en veiligheid. |
|
1.3. |
Het EESC is er een groot voorstander van dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) wordt versterkt om risicomanagers zo goed mogelijk van wetenschappelijk advies te voorzien aan de hand van duidelijke en transparante communicatie en nauwere samenwerking met de lidstaten en andere maatschappelijke organisaties om te zorgen voor een coherent, veilig en betrouwbaar voedselveiligheidssysteem. |
|
1.4. |
Het Comité heeft erop gewezen dat „de EFSA sinds haar oprichting blijk heeft gegeven van de nodige kennis en kunde en ontegenzeglijk een zeer belangrijke rol speelt bij de preventie van gezondheidsrisico’s in Europa” (1). |
|
1.5. |
Het Comité acht het essentieel dat een hoge mate van onafhankelijkheid van externe beïnvloeding en de uitstekende wetenschappelijke expertise van de EFSA worden gehandhaafd door haar capaciteiten op het gebied van risicoanalyse te maximaliseren, teneinde de duurzaamheid van het EU-beoordelingssysteem, dat als een van de beste ter wereld wordt beschouwd, te waarborgen. |
|
1.6. |
Volgens het EESC moeten de EFSA en de lidstaten als netwerk in staat worden gesteld om op een optimale manier — op onafhankelijke, maar onderling coherente en gecoördineerde wijze tussen risicobeoordelaars en risicomanagers — adequate risicocommunicatie te ontwikkelen, zodat de gebruikers de resultaten en conclusies in een duidelijk en interactief perspectief kunnen zien, terwijl tegelijkertijd een adequaat niveau van vertrouwelijkheid en bescherming van intellectuele-eigendomsrechten wordt gewaarborgd. |
|
1.7. |
Het EESC is sterk vóór de invoering van een gemakkelijk toegankelijk onlineregister van studies dat deskundigen en gecertificeerde laboratoria vermeldt, alsook beëdigde verklaringen inzake afwezigheid van belangenconflicten, beschrijvingen van de doelstellingen, specifieke technische en financiële middelen en bronnen. |
|
1.8. |
Volgens het Comité moet de risicoperceptie van de consument in verband met levensmiddelen aanzienlijk worden verbeterd door middel van een doelgerichte voedingscultuur en selectieve risicoanalyse. |
|
1.9. |
Het EESC is van oordeel dat het toekomstige algemene Europese strategische plan voor risicocommunicatie — mits in volledige harmonie en met inachtneming van de onafhankelijkheid van de EFSA opgesteld — het kernelement is waarop de verantwoordelijken een beroep moeten kunnen doen om doeltreffend, ondubbelzinnig, tijdig, interactief en adequaat te reageren op de behoeften van de burgers op het gebied van veiligheid, transparantie en betrouwbaarheid van de voedselketen. |
|
1.10. |
Het EESC stelt voor om de gestructureerde en systematische dialoog met het maatschappelijk middenveld te versterken. Binnen dat kader kan het EESC met zijn structuren voor duurzame voedselsystemen een nuttige en concrete bijdrage leveren. |
|
1.11. |
Wat het bestuur van de EFSA betreft, is het EESC een groot voorstander van het voorstel om de lidstaten en maatschappelijke organisaties nauwer te betrekken bij de beheersstructuur en de wetenschappelijke panels door de samenstelling van de raad van bestuur af te stemmen op de normen van de Gemeenschappelijke aanpak voor gedecentraliseerde agentschappen. |
|
1.12. |
Volgens het EESC moet gevolg worden gegeven aan de overeenkomst tussen de EFSA en het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, met name wat betreft de gezamenlijke activiteiten voor levensmiddelen en diervoeders, en om een geharmoniseerde, wetenschappelijk hoogwaardige analysemethode te ontwikkelen die voor alle belanghebbenden transparantie, vergelijkbaarheid, inclusiviteit en billijkheid waarborgt. |
2. Inleiding
|
2.1. |
De algemene levensmiddelenwetgeving (EU-wetgeving inzake voedsel- en voederveiligheid in de hele productieketen) is de hoeksteen van het EU-regelgevingskader voor de hele voedselketen: „van boer tot bord”. |
|
2.2. |
De wet bepaalt dat de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen een wetenschappelijke basis heeft. Dit staat bekend als het principe van risicoanalyse, dat bestaat uit drie verschillende maar onderling verbonden componenten: risicobeoordeling, risicobeheer en risicocommunicatie. |
|
2.3. |
Bij Verordening (EG) nr. 178/2002 is de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) opgericht, een onafhankelijk wetenschappelijk agentschap dat tot taak heeft wetenschappelijke adviezen uit te brengen die het uitgangspunt zijn van de EU-maatregelen in de voedselketen. |
|
2.4. |
Op 6 oktober 2017 is officieel een Europees burgerinitiatief aan de Europese Commissie toegezonden, gebaseerd op in totaal 1 070 865 steunbetuigingen uit 22 lidstaten. Het initiatief „Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige gewasbeschermingsmiddelen” (2) verzocht de EC om de lidstaten diverse maatregelen voor te stellen. Een daarvan luidde: „ervoor zorgen dat de wetenschappelijke beoordeling van pesticiden met het oog op goedkeuring door de EU uitsluitend gebaseerd is op gepubliceerde studies die in opdracht van de bevoegde overheidsinstanties in plaats van de pesticidenindustrie zijn uitgevoerd.” De EC heeft zich ertoe verbonden dit wetgevingsvoorstel tegen mei 2018 voor te leggen om de transparantie van wetenschappelijke beoordelingen en de kwaliteit en onafhankelijkheid van de wetenschappelijke studies te verbeteren. |
|
2.5. |
De toetsing van de toereikendheid van de verordening inzake algemene levensmiddelenwetgeving (GFL), nr. 178/2002 (3), is op 15 januari 2018 voltooid. |
|
2.6. |
Uit de beoordeling blijkt dat de GFL-verordening nog steeds beslissend en adequaat is om recht te doen aan de meeste van de huidige trends. |
|
2.6.1. |
Over het algemeen zijn de belangrijkste doelstellingen van de GFL bereikt, te weten een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid, de belangen van de consument ten aanzien van levensmiddelen en de goede werking van de interne markt. |
|
2.6.2. |
De oprichting van de EFSA heeft de wetenschappelijke basis van EU-maatregelen verbeterd. Er zijn belangrijke verbeteringen aangebracht in de wetenschappelijke capaciteit van de EFSA, de kwaliteit van haar wetenschappelijke output, de verzameling van wetenschappelijke gegevens en de ontwikkeling en harmonisatie van risicobeoordelingsmethoden. |
|
2.6.3. |
De EFSA heeft de samenwerking met nationale en internationale wetenschappelijke organen uitgebreid, alsook de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten. |
|
2.6.4. |
Op EU-niveau zijn geen systematische inconsistenties bij de toepassing van het beginsel van risicoanalyse als zodanig vastgesteld. |
|
2.6.5. |
Het strikt onafhankelijke en transparante beleid van de EFSA is regelmatig verfijnd en versterkt. Maar aangezien niet alle lidstaten vertegenwoordigd zijn in de raad van bestuur van de EFSA, lijkt de governance van de EFSA niet overeen te stemmen met de gemeenschappelijke aanpak inzake gedecentraliseerde EU-organen. |
|
2.6.6. |
Het bij de GFL-verordening vastgestelde voedselveiligheidskader heeft in sommige gevallen ook als inspiratiebron gediend voor niet-EU-landen die hun nationale wetgeving ontwikkelen. |
|
2.6.7. |
Wat risicobeoordeling betreft, is de EFSA in de context van goedkeuringsdossiers gebonden aan geheimhoudingsregels en analysemethoden, die suggereren dat rekening moet worden gehouden met alle beschikbare studies of bewijzen. Daarom houdt de EFSA in haar adviezen niet alleen rekening met studies van de industrie, maar baseert zij haar wetenschappelijke bevindingen ook op een zo volledig mogelijk literatuuroverzicht. Het bedrijfsleven daarentegen is verplicht om bij de aanvraag van een vergunning studies over te leggen als onderdeel van het dossier. |
|
2.6.8. |
In het huidige systeem van de EFSA zouden volgens recente studies (4) enkele beperkingen zijn geconstateerd:
|
|
2.6.9. |
Bovendien vertragen langdurige vergunningsprocedures in sommige sectoren het op de markt brengen van nieuwe producten. Niettemin biedt het gecentraliseerde vergunningssysteem nog steeds efficiëntievoordelen in vergelijking met het gebruik van diverse nationale vergunningssystemen voor levensmiddelen. |
|
2.7. |
Het Comité heeft erop gewezen dat „de EFSA sinds haar oprichting blijk heeft gegeven van de nodige kennis en kunde en ontegenzeglijk een zeer belangrijke rol speelt bij de preventie van gezondheidsrisico’s in Europa” (5). |
|
2.8. |
In een eerder advies heeft het EESC, rekening houdend met de invloed van wetenschappelijke adviezen, die niet altijd op één lijn zitten, de EFSA aanbevolen om „met klem bijzondere aandacht te besteden aan deze ontwikkeling: de wetenschappelijke literatuur is immers een belangrijk referentiepunt in de evaluatieprocedure” (6). Het heeft de Commissie verzocht om de gebruikte verplichte studies en de onbewerkte gegevens daarvan, die tot de conclusies hebben geleid, regelmatig op de website van het agentschap te publiceren. |
|
2.9. |
Het EESC heeft er ook op gewezen (7) dat de beoordeling van de EFSA gebaseerd is op een wetenschappelijke studie die de onschadelijkheid van een product moet aantonen. Volgens de huidige wetgeving moeten die studies worden ingediend door het bedrijf dat het product op de markt wil brengen. Dit is het meest gevoelige aspect, aangezien de resultaten van wetenschappelijke studies soms kunnen verschillen, afhankelijk van de financieringsbron en de toegepaste methoden. |
|
2.10. |
Meer in het algemeen heeft het EESC onlangs verzocht om een voor de 21e eeuw geschikt voedselbeleid dat aan tal van criteria voldoet: voedselkwaliteit, gezondheid, milieu, sociale en culturele waarden, gezonde economie, fatsoenlijke banen, volledig geïnternaliseerde kosten en goed bestuur (8). |
|
2.11. |
De Europese Ombudsvrouw heeft onderzoek gedaan naar het risicobeoordelingsmodel van de EU in de voedselketen, waarbij zij de Europese Commissie bij schrijven van 15 maart 2018 op een aantal leidende beginselen heeft gewezen ter verbetering van dat model, te weten:
|
|
2.12. |
De Europese Ombudsvrouw benadrukte ook dat de instrumenten die de EFSA gebruikt om het publiek voor te lichten om het bewustzijn van de risico’s van bepaalde stoffen of producten te vergroten, beschikbaar zouden moeten zijn in alle 24 officiële EU-talen, dat de rechten van personen met een handicap moeten worden geëerbiedigd en dat bij risicocommunicatie rekening moet worden gehouden met hun behoeften. (10) |
3. De voorstellen van de Commissie
|
3.1. |
De EG stelt een herziening voor van de verordening inzake de algemene levensmiddelenwetgeving en de herziening van acht sectorale wetgevingshandelingen om deze af te stemmen op de algemene regels, om de transparantie te vergroten en om de garanties voor de betrouwbaarheid, objectiviteit en onafhankelijkheid van studies te vergroten. |
|
3.2. |
Met het oog op een beter bestuur wordt voorgesteld de lidstaten nauwer te betrekken bij de governancestructuur en de wetenschappelijke panels van de EFSA; de nationale wetenschappelijke organen zouden meer wetenschappelijke gegevens en studies moeten verstrekken. |
|
3.3. |
Ten slotte wordt met een algemeen communicatieplan beoogd de risicocommunicatie met de burgers te verbeteren en te verruimen door middel van gezamenlijke acties om het vertrouwen van de consument te vergroten en bij het publiek meer besef en begrip te kweken. |
4. Algemene opmerkingen
|
4.1. |
Het EESC was altijd al voorstander van een EU-beleid ter bescherming van de gezondheid in alle stadia van de voedingsketen, ter voorkoming van besmettingen en voedselrisico’s, ter bevordering van de voedselveiligheid en -hygiëne en ter bevordering van transparante en waarheidsgetrouwe informatie over producten, gezondheid van planten en gezondheid en welzijn van dieren. |
|
4.1.1. |
Het EESC steunt nadrukkelijk de eis dat de EU ervoor zorgt dat de Europese voedselketen zo veilig mogelijk is door via de EFSA de best mogelijke wetenschappelijke adviezen te verstrekken aan risicomanagers, door de risico’s duidelijk en transparant onder de aandacht van het publiek te brengen en door met de lidstaten en andere belanghebbenden samen te werken aan een coherent en betrouwbaar voedselveiligheidssysteem. Het zou nuttig zijn om:
|
|
4.2. |
Het EESC acht het essentieel dat een hoge mate van onafhankelijkheid van externe beïnvloeding en optimale wetenschappelijke expertise van de EFSA worden gehandhaafd door haar capaciteiten op het gebied van risicoevaluatie te maximaliseren, teneinde de duurzaamheid van het EU-beoordelingssysteem te waarborgen. |
|
4.3. |
Het EESC herinnert eraan dat de Europese burgers dankzij de EU-wetgeving een van de hoogste voedselveiligheidsnormen ter wereld genieten. Daarom is het volgens het EESC absoluut noodzakelijk om niet alleen te zorgen voor een hoog en betrouwbaar niveau van onafhankelijke wetenschappelijke analyse, volledige transparantie en interactieve communicatie tijdens de hele risicobeoordeling, waarbij de lidstaten ten volle worden betrokken en verantwoordelijkheden delen, maar ook en vooral voor krachtige en vastberaden actie ten aanzien van de mechanismen voor risicoperceptie door het maatschappelijk middenveld. |
|
4.4. |
Volgens het EESC is het cruciaal dat de consument veilig voedsel krijgt en het vertrouwen behoudt om een positieve en betrouwbare relatie met de burger te onderhouden en om de landbouw- en levensmiddelenmarkt positief te beïnvloeden. |
|
4.5. |
De wetenschappelijke gemeenschap moet vertrouwen hebben in de rol van de EFSA op het gebied van voedselveiligheid en haar adviezen moeten een sleutelrol spelen bij het waarborgen van de veiligheid van op de markt gebrachte levensmiddelen. |
|
4.6. |
Volgens het EESC is de EFSA het best in staat om adequate risicocommunicatie te ontwikkelen, met communicatie die gemakkelijk te begrijpen is, zodat de gebruikers de resultaten en conclusies in een duidelijk en transparant perspectief kunnen zien. Tegelijkertijd kan de EFSA zorgen voor een passend niveau van vertrouwelijkheid en bescherming van intellectuele-eigendomsrechten om innovatie en concurrentievermogen niet in de weg te staan. |
|
4.7. |
Een noodzakelijke maar ontoereikende voorwaarde om ervoor te zorgen dat de risicocommunicatie omtrent specifieke voedingsmiddelen voor de diverse doelgroepen begrijpelijk, passend, tijdig en consistent is, is een betere coördinatie tussen de risicobeoordelaar, de risicomanager, de lidstaten en de belanghebbenden op basis van overeengekomen beginselen voor de communicatie. |
|
4.7.1. |
Het EESC is van mening dat de perceptie bij de consument van de risico’s die hij loopt bij het consumeren van voedingsmiddelen, wat betreft de verspreiding van schadelijkheid, culturele opvattingen omtrent voeding en voedingsconsumptiepatronen, aanzienlijk moet worden verbeterd. |
|
4.7.2. |
Het EESC is van oordeel dat het toekomstige algemene Europese strategische plan voor risicocommunicatie — mits in combinatie met een reeks operationele, op specifieke contexten afgestemde maatregelen — van cruciaal belang is om te kunnen beoordelen in hoeverre alle verantwoordelijken op elk niveau in staat zijn om doeltreffend, tijdig en adequaat te reageren op de behoeften van de burgers op het gebied van veiligheid, transparantie en betrouwbaarheid van de voedselketen. |
|
4.7.3. |
Onzekerheden moeten worden onderkend en beschreven, waarbij eventuele leemten in de gegevens of kwesties in verband met niet-geharmoniseerde analysemethoden moeten worden gesignaleerd. In dit verband is het van essentieel belang dat communicatoren consistente boodschappen overbrengen en dat communicatiekanalen interactief en controleerbaar zijn, waarbij voortdurend toezicht wordt gehouden op de doeltreffendheid daarvan. |
|
4.7.4. |
Volgens het EESC is het verder essentieel dat communicatiemaatregelen gepaard gaan met campagnes om verkeerde informatie en misvattingen tegen te gaan, om te voorkomen dat de juiste risicoanalyses op slinkse wijze worden gebruikt om innovatie, met name door het mkb, te blokkeren. |
|
4.7.5. |
Het is van belang de coördinatie met de nationale autoriteiten en instanties te versterken ter wille van een doeltreffend waarschuwingssysteem om de samenhang van de communicatie te waarborgen en om een gestructureerde en systematische dialoog met het maatschappelijk middenveld te starten. Binnen dat kader kan het EESC met zijn structuren voor duurzame voedselsystemen een nuttige en concrete bijdrage leveren. |
|
4.7.6. |
Tot slot moeten de internationale coördinatie en samenwerking met onze belangrijkste handelspartners worden uitgebreid, met name in het kader van de vrijhandelsovereenkomsten, teneinde gemeenschappelijke richtsnoeren voor risicobeoordeling te waarborgen en geharmoniseerde methodologische beoordelingscriteria te ontwikkelen, conform de dekking van mondiale risico’s in het kader van de Codex Alimentarius. |
|
4.8. |
Evenzo dient de EFSA duidelijke richtsnoeren en informatie te verstrekken die zekerheid en voorspelbaarheid bieden aan de ondernemingen die verzoeken indienen. |
|
4.9. |
Om over alle essentiële elementen van een specifiek dossier te kunnen beschikken, moet de EFSA daarom bij de analyse van een specifiek dossier meer openstaan voor de dialoog met ondernemingen door de eerste gegevens waarover zij beschikt, te verstrekken en deze aan te vullen met indicaties van de betrokken ondernemingen. |
|
4.10. |
Voorts meent het EESC dat de onafhankelijkheid van de regelgevers die het werk van de EFSA flankeren moet worden versterkt om beleidsmakers en burgers te wijzen op het belang van gegevens van goede kwaliteit, ongeacht de bron. Meer publieke controle op de risicobeoordelingsfuncties van de EFSA, vanaf een vroeg stadium van het proces — zoals al gebeurt in het kader van de „Stakeholder Engagement Approach” —, zorgt momenteel voor een betere relatie met alle belanghebbenden. |
|
4.11. |
Het EESC dringt aan op beter gestroomlijnde en transparantere procedures, waarbij een goed evenwicht moet worden gevonden tussen de uitdagingen in verband met de intellectuele-eigendomsrechten van de gegevenseigenaren. |
|
4.12. |
Het EESC onderschrijft het recente pleidooi van het adviesforum van de EFSA voor meer overheidsinvesteringen in onderzoek naar voedselveiligheid, om ervoor te zorgen dat door het bedrijfsleven gesponsord onderzoek geen andere belangen dan het algemeen belang dient en om ervoor te zorgen dat de consument de EU-beoordeling van de voedselrisico’s volledig vertrouwt. |
|
4.13. |
Wat het bestuur van de EFSA betreft, staat het EESC achter het voorstel om de lidstaten nauwer te betrekken bij de beheersstructuur en de wetenschappelijke panels van de EFSA door de samenstelling van de raad van bestuur van de EFSA af te stemmen op de normen van de Gemeenschappelijke aanpak voor gedecentraliseerde agentschappen en tegelijk de structurele dialoog met het maatschappelijk middenveld uit te breiden. |
5. Specifieke opmerkingen
|
5.1. |
Het EESC onderschrijft het voorstel voor een register van studies, mits dit online vlot toegankelijk is en de betrokken deskundigen en gecertificeerde laboratoria vermeldt, beëdigde verklaringen inzake afwezigheid van belangenconflicten bevat, het doel en de complexiteit van het onderzoek beschrijft, alsook de specifieke technische en financiële middelen en hun bronnen, het tijdschema en de interactieve communicatiemethoden die zijn gebruikt, en eventueel vereiste follow-upstudies. |
|
5.2. |
De relevante wetgeving voor laboratoriumnormen is Richtlijn 2004/10/EG, en is gebaseerd op de door de OESO (11) ontwikkelde GLP-normen voor goede laboratoriumpraktijken. De wetgeving en de werking van laboratoria voor voedselveiligheid (12) moeten vergezeld gaan van auditsystemen voor gegevensverwerking om te garanderen dat de studies met de werkelijkheid overeenstemmen. |
|
5.3. |
Volgens het EESC moet gevolg worden gegeven aan de overeenkomst tussen de EFSA en het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, met name wat betreft de gezamenlijke activiteiten voor levensmiddelen en diervoeders, alternatieve methoden om dieren te beschermen, gecombineerde blootstelling aan chemische stoffen en mengsels en het verzamelen van basisgegevens voor risicobeoordelingen. De EFSA en het GCO moeten met name geharmoniseerde wetenschappelijke analysemethoden ontwikkelen die kwaliteit, transparantie, vergelijkbaarheid, inclusiviteit en billijkheid ten opzichte van alle belanghebbenden garanderen. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) PB C 268 van 14.8.2015, blz. 1.
(2) Zie http://ec.europa.eu/citizens-initiative/public/initiatives/successful/details/2017/000002.
(3) Zie de Executive Summary of the Refit Evaluation of the General Food Law (Verordening (EC) nr. 178/2002){SWD(2018) 38 final}.
(4) Zie SWD(2018) 37 final van 15.01.2018.
(5) PB C 268 van 14.8.2015, blz. 1.
(6) PB C 268 van 14.8.2015, blz. 1.
(7) Ibidem.
(8) PB C 129 van 11.4.2018, blz. 18.
(9) Brief van de Europese Ombudsman.
(10) Ibidem.
(11) OECD Principles of Good Laboratory Practice.
(12) Zie Verordening (EG) nr. 882/2004.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/165 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de voedselvoorzieningsketen
(COM(2018) 173 final)
(2018/C 440/28)
|
Rapporteur: |
Peter SCHMIDT |
|
Raadpleging |
Raad van de Europese Unie, 30.4.2018 Europees Parlement, 2.5.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 43, lid 2, en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Besluit van het bureau |
22.5.2018 |
|
Bevoegde afdeling |
Afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
5.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
172/1/3 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Oneerlijke handelspraktijken (OHP’s) in de voedselvoorzieningsketen zijn het gevolg van machtsongelijkheid tussen partijen in de keten en hebben negatieve economische, sociale en milieueffecten tot gevolg. Het EESC is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het aantal gevallen van OHP’s terug te dringen, hetgeen kan worden beschouwd als een noodzakelijke eerste stap op weg naar bescherming van zwakkere marktdeelnemers — met name landbouwers, werknemers en bepaalde marktdeelnemers — en een betere governance in de voedselvoorzieningsketen. Een manier om OHP’s doeltreffend aan te pakken op EU-niveau is via regelgeving en wetgevingsmaatregelen waaraan doeltreffende en krachtige handhavingsmechanismen zijn gekoppeld. |
|
1.2. |
Het EESC betreurt echter dat de Commissie alleen een gemeenschappelijke minimumnorm voor bescherming in de hele EU heeft ingevoerd door slechts een bepaald aantal OHP’s te verbieden, terwijl er een verbod op alle wanpraktijken nodig is. |
|
1.3. |
Volgens het EESC is het beperken van de bescherming tegen OHP’s tot kleine en middelgrote leveranciers die leveren aan afnemers die niet klein of middelgroot zijn, onvoldoende om het probleem van machtsongelijkheid effectief aan te pakken en zal dit geen noemenswaardig effect hebben. De bescherming moet worden uitgebreid tot alle leveranciers, groot en klein, zowel binnen als buiten de EU. Zelfs wanneer grote marktdeelnemers het slachtoffer zijn van OHP’s, komt het economisch effect veelal bij de zwakste schakels in de keten terecht. |
|
1.4. |
Het EESC is zeer te spreken over het voorstel van de Commissie om een geharmoniseerd EU-netwerk van handhavingsautoriteiten op te zetten. Maar ook de handhavingsmechanismen moeten worden versterkt, bijvoorbeeld met een speciale ombudsmanprocedure, groepsvorderingen en wetshandhaving door de autoriteiten, om de anonimiteit van de klager te beschermen. Dergelijke mechanismen moeten ook ruimte laten voor eventuele sancties. Om de klachtenprocedure te vergemakkelijken, zouden schriftelijke overeenkomsten verplicht moeten zijn. Dat zou eerlijke onderhandelingen ten goede komen. |
|
1.5. |
Behalve het aanpakken van OHP’s zou de Commissie ook bedrijfsmodellen die een rol spelen in het duurzaam maken van de toeleveringsketen (bijv. door deze te verkorten, de transparantie te vergroten enz.) en het weer in evenwicht brengen en efficiënter maken ervan, moeten aanmoedigen en steunen om tot een evenwichtiger machtsverdeling te komen. |
|
1.6. |
Last but not least wijst het EESC er nogmaals op dat de bevordering van eerlijker handelspraktijken onderdeel moet zijn van een alomvattend EU-voedselbeleid, dat ervoor moet zorgen dat de voedselvoorzieningsketen in economisch, sociaal en milieuopzicht duurzamer wordt, met het oog op de verwezenlijking van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling. |
2. Inleiding
|
2.1. |
Oneerlijke handelspraktijken (OHP’s) worden gedefinieerd als „praktijken die sterk afwijken van goed handelsgedrag, die in strijd zijn met de goede trouw en een eerlijke behandeling en die door een handelspartner eenzijdig worden opgelegd aan een andere handelspartner” (1). Met name de voedselvoorzieningsketen is vatbaar voor OHP’s, vanwege de grote verschillen tussen kleine en grote spelers. Oneerlijke handelspraktijken kunnen in alle stadia van de voedselvoorzieningsketen voorkomen en OHP’s die in het ene deel van de keten ontstaan, kunnen effect hebben op andere delen van de keten afhankelijk van de marktmacht van de betrokken actoren (2). |
|
2.2. |
Zoals uitgebreid beschreven in het EESC-advies over een eerlijkere agrovoedselvoorzieningsketen van oktober 2016 (3), heeft concentratie van onderhandelingsmacht ertoe geleid dat er misbruik wordt gemaakt van een dominante positie waardoor zwakkere marktdeelnemers steeds vaker te maken krijgen met OHP’s. Het economische risico komt hierdoor hogerop in de voedselvoorzieningsketen te liggen, wat vooral negatief uitpakt voor consumenten en voor bepaalde andere betrokkenen, zoals landbouwers, werknemers en kleine en middelgrote ondernemingen. Het probleem van OHP’s wordt erkend door alle belanghebbenden in de voedselvoorzieningsketen, en naar verluidt heeft een meerderheid van de marktdeelnemers OHP’s aan den lijve ondervonden (4). |
|
2.3. |
Met name de gevolgen voor de consument moeten worden onderstreept. Druk op de prijzen waardoor voedselverwerkers gedwongen worden om zo goedkoop mogelijk te produceren, kan de kwaliteit en veiligheid van het voor consumenten beschikbare voedsel aantasten. Om de kosten te drukken, gebruiken bedrijven soms goedkopere grondstoffen, wat zijn weerslag kan hebben op de kwaliteit en voedingswaarde van levensmiddelen. Zo worden er in veel producten transvetten gebruikt in plaats van gezondere oliën en vetten uit Europa (5). |
|
2.4. |
De druk op de zwakste schakels in de voedselvoorzieningsketen neemt toe. Volgens recente gegevens van Eurostat neemt het aandeel van detailhandelaren in de bruto toegevoegde waarde nog steeds toe. Dit is het gevolg van de hogere concentratie van de detailhandel en de verwerkende sector in de voedselvoorzieningsketen, die te wijten is aan een misverstand in het kartelrecht. Om ervoor te zorgen dat de inkomsten in de voedselvoorzieningsketen eerlijk worden verdeeld, moet de werking van de keten worden verbeterd. Gezien de rol van detailhandelaren in de levering van dagelijkse goederen mag hun belang echter niet worden onderschat. |
|
2.5. |
Bestrijding van OHP’s is een van de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de voedselvoorzieningsketen beter werkt; daarnaast moet ook de prijsvolatiliteit op de markten worden verminderd en moet de rol van producentenorganisaties worden versterkt. In juni 2016 verzocht het Europees Parlement, in een resolutie (6), de Commissie om een rechtskader voor oneerlijke handelspraktijken voor te stellen, een verzoek dat in oktober 2016 werd herhaald door het EESC en in november 2016 door de taskforce Landbouwmarkten. |
|
2.6. |
In twintig lidstaten zijn al diverse wetgevingsinitiatieven genomen om OHP’s aan te pakken. Samen met het bestaande initiatief voor de toeleveringsketen (Supply Chain Initiative, SCI) heeft dit het bewustzijn omtrent de ongelijke machtsverhoudingen in de voedselvoorzieningsketen vergroot. Toch hebben erg weinig nationale of vrijwillige initiatieven tot dusver het probleem van OHP’s opgelost. De Commissie is in april 2018 met een specifiek wetgevingsvoorstel gekomen, waarin wordt erkend dat de lappendeken van OHP-regels in de lidstaten of het ontbreken ervan afbreuk dreigt te doen aan een van de verdragsdoelstellingen, nl. het verzekeren van een redelijke levensstandaard voor de landbouwgemeenschap (7). |
3. Het voorstel van de Commissie
|
3.1. |
Met dit voorstel voor een richtlijn wil de Commissie het aantal gevallen van oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen terugdringen door een gemeenschappelijke minimumnorm voor bescherming in de Unie in te voeren, die bestaat uit een lijst van specifieke verboden OHP’s, nl. late betalingen voor bederfelijke voedingsproducten, lastminuteannuleringen van bestellingen, eenzijdige of retroactieve wijzigingen van overeenkomsten en de verplichting voor de leverancier om te betalen voor de verspilling van producten. Andere praktijken worden alleen toegestaan indien partijen daarover vooraf een duidelijke en ondubbelzinnige overeenkomst hebben gesloten: het retourneren van onverkochte voedingsproducten door de afnemer aan de leverancier; het vragen van een vergoeding door de afnemer aan de leverancier voor de opslag, uitstalling of opname in het assortiment van voedingsproducten; het betalen door de leverancier voor de promotie of marketing van voedingsproducten die door de afnemer worden verkocht. |
|
3.2. |
De bescherming tegen OHP’s is alleen van toepassing op de verkoop van voedingsproducten door kleine en middelgrote leveranciers aan afnemers die niet klein of middelgroot zijn (8). |
|
3.3. |
Daarnaast stelt de Commissie voor dat de lidstaten een overheidsinstantie aanwijzen die de nieuwe regels handhaaft. Indien de regels worden overtreden, is de handhavingsinstantie bevoegd om een evenredige en afschrikkende sanctie op te leggen. De handhavingsautoriteit kan op eigen initiatief of op basis van een klacht een onderzoek instellen. Partijen die een klacht indienen, kunnen in dit geval om geheimhouding en anonimiteit verzoeken om hun positie ten opzichte van hun handelspartner te beschermen. Er zal ook een coördinatiemechanisme in het leven worden geroepen door de Commissie om de uitwisseling van goede praktijken tussen de handhavingsautoriteiten mogelijk te maken. |
4. Algemene opmerkingen
|
4.1. |
Het EESC is ingenomen met het voorstel van de Commissie dat een cruciale eerste stap is op weg naar een wetgevingsproces om OHP’s in heel de EU aan banden te leggen, zoals krachtig bepleit in zijn advies van 2016. Dit is noodzakelijk om de zwakkere schakels in de voedselvoorzieningsketen, nl. boeren en werknemers, te beschermen en ervoor te zorgen dat hun inkomen minder wisselend, en dus stabieler, is. Het voorstel draagt er met name toe bij dat hun slechte onderhandelingspositie wordt aangepakt en de governance van de voedselvoorzieningsketen wordt verbeterd. |
|
4.2. |
In haar voorstel erkent de Commissie dat het onwaarschijnlijk is dat het EU-initiatief voor de toeleveringsketen (SCI) zal uitgroeien tot een alomvattend governancekader dat wetgevingsmaatregelen, onder meer inzake handhaving, overbodig zou maken (9). In dit verband herhaalt het EESC dat het SCI en andere op vrijwilligheid gebaseerde nationale regelingen nuttig kunnen zijn als aanvulling op — en niet als vervanging van — efficiënte en robuuste wetshandhavingsmechanismen op het niveau van de lidstaten (10). |
|
4.3. |
Het EESC constateert tot zijn genoegen dat de Commissie voorstander is van een geharmoniseerd EU-netwerk van handhavingsautoriteiten, zoals het in een eerder advies heeft bepleit. Doeltreffende samenwerking tussen handhavingsautoriteiten is van cruciaal belang om grensoverschrijdende oneerlijke handelspraktijken die anders wellicht ongestraft zouden blijven aan te pakken. |
|
4.4. |
Het EESC betreurt echter dat de Commissie voor minimale harmonisatie heeft gekozen, wat onvoldoende is om alle wanpraktijken in de hele voedselvoorzieningsketen aan te pakken. Het Comité vindt het vooral zeer jammer dat alleen kopers zich schuldig kunnen maken aan wanpraktijken en dat slechts een beperkt aantal OHP’s wordt verboden, zoals verder wordt uitgelegd in punt 5. |
|
4.5. |
Het EESC plaatst ook vraagtekens bij het voorstel van de Commissie om de bescherming tegen OHP’s te beperken tot kleine en middelgrote leveranciers aan afnemers die niet klein of middelgroot zijn. Om effect te sorteren en succesvol te zijn, moet bescherming tegen OHP’s van toepassing zijn op alle spelers in de toeleveringsketen, ongeacht hun grootte, zodat alle handelsbetrekkingen de impact hiervan ondervinden. Het EESC erkent echter de kwetsbaarheid van kleine en middelgrote ondernemingen. In het voorstel wordt ook voorbijgegaan aan de kwesties van ongelijke onderhandelingsposities en economische afhankelijkheid, die niet noodzakelijkerwijs samenvallen met de economische dimensie van marktdeelnemers. |
|
4.6. |
Het voorstel reikt niet ver genoeg en zou ook van toepassing moeten zijn op niet voor de voeding bestemde landbouwproducten, zoals tuinbouwproducten, en veevoer. |
|
4.7. |
Het aanpakken van oneerlijke handelspraktijken is een essentieel onderdeel (samen met het verminderen van de marktvolatiliteit en het versterken van de rol van producentenorganisaties) van de verduurzaming van de voedselvoorzieningsketen in economisch, sociaal en milieuopzicht. Het EESC herhaalt dat de bevordering van eerlijker handelspraktijken onderdeel moet zijn van een alomvattend EU-voedselbeleid dat gericht is op de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties. Een dergelijk alomvattend beleid moet met name eerlijke prijzen voor de producenten garanderen, zodat de landbouw levensvatbaar blijft (11). |
|
4.8. |
Hoewel dit buiten het bestek van het voorstel van de Commissie valt, wijst het EESC er nogmaals op dat de samenleving als geheel meer oog moet krijgen voor de waarde van voedsel en pleit het voor een Europese informatie- en bewustwordingscampagne over „de waarde van voedsel” en de voorkoming van voedselverspilling in samenwerking met de betreffende organisaties (12). |
5. Specifieke opmerkingen
Lijst van verboden OHP’s
|
5.1. |
Oneerlijke handelspraktijken kunnen ruwweg worden omschreven als praktijken die aanzienlijk afwijken van goed handelsgedrag en in strijd zijn met de goede trouw en een eerlijke behandeling (13). Hieronder vallen ook alle praktijken waarbij een ongerechtvaardigde of onevenredige overdracht van risico aan een contractpartij plaatsvindt. |
|
5.2. |
De Commissie heeft slechts een specifiek aantal OHP’s verboden. Het EESC wijst er nogmaals op dat alle oneerlijke praktijken moeten worden verboden, bijvoorbeeld ook (maar niet uitsluitend) de volgende praktijken, zoals reeds aanbevolen in zijn eerder uitgebrachte advies:
De lidstaten zouden de kans moeten krijgen om de lijst aan te vullen, afhankelijk van de specifieke situatie in hun land. |
|
5.3. |
Het EESC zou graag zien dat er een doeltreffend verbod komt op het verkopen door de levensmiddelendetailhandel van producten onder de kostprijs (14). Het EESC wil vooral dat leveranciers, zoals boeren, een eerlijke en rechtvaardige prijs betaald krijgen die hun een inkomen garandeert dat passend is voor investeringen, innovatie en duurzame productie. |
|
5.4. |
De OHP’s die in het voorstel van de Commissie expliciet worden verboden, hebben allemaal betrekking op situaties waarin sprake is van een bestaande overeenkomst. Het komt echter veel vaker voor dat marktdeelnemers bijv. onder druk worden gezet voordat er een overeenkomst is gesloten. Als een van de voorbeelden moet ook worden genoemd: het geval van een onderneming (met een machtige marktpositie) die zonder een gegronde en objectieve reden een gunst verlangt van een andere onderneming (zie ook § 19, lid 2, punt 5, van de Duitse wet inzake beperkingen van de mededinging (GWB)). Deze bepaling van de Duitse antitrustwetgeving is een geschikt middel gebleken om misbruik van afnemersmacht tegen te gaan. De uitspraak van het Duitse federale gerechtshof (Bundesgerichtshof, BGH) in de zaak-Hochzeitsrabatte m.b.t. de relatie tussen een machtige Duitse detailhandelaar in levensmiddelen en zijn leveranciers illustreert dit op treffende wijze (15). |
Definitie „kleine en middelgrote leveranciers”
|
5.5. |
Het beperken van de bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken tot kleine en middelgrote leveranciers is niet voldoende om het probleem van onevenwichtigheden in de voedselvoorzieningsketen doeltreffend aan te pakken. Het EESC wijst op het „domino-effect” dat kan ontstaan wanneer grote marktdeelnemers het slachtoffer worden van OHP’s. OHP’s hebben een duidelijk negatief effect, ongeacht wie verantwoordelijk is. Het economisch effect komt onvermijdelijk terecht bij de zwakste schakels in de voedselvoorzieningsketen, nl. boeren, werknemers, bepaalde marktdeelnemers en ook consumenten. |
|
5.6. |
Een ander argument voor het uitbreiden van de bescherming is dat met name grote marktdeelnemers soms kleine en middelgrote leveranciers discrimineren en uitsluiten van de toeleveringsketen vanwege het risico op klachten. Ook in deze context erkent het EESC de kwetsbaarheid van kleine en middelgrote ondernemingen. |
Handhaving
|
5.7. |
Met het oog op een doeltreffende wetshandhaving moet een onderscheid worden gemaakt tussen privaatrechtelijke handhaving (nog niet voorzien in het voorstel van de Commissie) en wetshandhaving door de autoriteiten. Van meet af aan moet worden benadrukt dat voldoende rekening dient te worden gehouden met het recht van de betrokken partij op anonimiteit, aangezien veel ondernemingen wellicht aarzelen om op te treden tegen wanpraktijken uit angst voor represailles, zoals van de lijst worden gehaald (de „angstfactor”). |
|
5.7.1. |
Privaatrechtelijke handhaving
In het geval van privaatrechtelijke handhaving moet de betrokken partij een beroep kunnen doen op vorderingen tot staking en/of ongedaanmaking, alsook op schadevorderingen. Maar vanwege de „angstfactor” zijn dergelijke middelen van tamelijk geringe betekenis. Bovendien moeten alle betrokken organisaties om een vordering tot staking of een vordering tot ongedaanmaking kunnen verzoeken. Dat zou bijzondere bescherming van de anonimiteit van de betrokken partij waarborgen, ingeval de oneerlijke handelspraktijk verschillende ondernemingen treft (bijv. een handelaar in levensmiddelen die van al zijn leveranciers/afnemers verlangt dat zij bijdragen in eventuele bijkomende kosten). De betrokken partij of vereniging moet de mogelijkheid krijgen om deze vorderingen hetzij bij een rechter hetzij bij een Europese Ombudsman in te dienen. De ombudsmanprocedure heeft als voordeel dat het geschil niet in het openbaar hoeft te worden beslecht. Er moet een specifieke ombudsmanprocedure komen. De Europese Ombudsman moet ook specifieke beslissingsbevoegdheden krijgen. Procedures die op vrijwilligheid zijn gebaseerd, zijn in veel gevallen wellicht niet effectief of bieden niet echt een oplossing. Daarnaast moedigt het EESC de marktdeelnemers aan om initiatieven te ontplooien om een cultuuromslag te bevorderen en een eerlijker toeleveringsketen tot stand te brengen. |
|
5.7.2. |
Wetshandhaving door de autoriteiten
Vanwege de „angstfactor” speelt handhaving door de autoriteiten een bijzonder belangrijke rol op dit gebied en daarom is regelgeving geboden. Autoriteiten zoals de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten moeten dan ook uitgebreide onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden krijgen. De mededingingsregels van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van artikel 81 (nu artikel 101) en artikel 82 (nu artikel 102) van het Verdrag kunnen in dit verband als voorbeeld dienen. (Artikel 6 van het voorstel voor een richtlijn heeft in vergelijking hiermee veel minder slagkracht.) Artikel 17 van de verordening voorziet met name in onderzoeken naar sectoren van de economie en naar soorten overeenkomsten. Als de autoriteiten de bevoegdheid zouden hebben om winstbelasting te heffen, dan zou dit het afschrikkingseffect nog vergroten. |
Alternatieve voedselvoorzieningsketens
|
5.8. |
Het EESC herhaalt dat alternatieve businessmodellen die ertoe bijdragen dat de afstand in de toeleveringsketen tussen voedselproducenten en consumenten, inclusief digitale platforms, korter wordt, moeten worden aangemoedigd en ondersteund, en dat de rol en positie van coöperaties en producentenorganisaties moeten worden versterkt om het machtsevenwicht te herstellen (16). Dit moet in een toekomstig advies van het EESC aan de orde komen. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Europese Commissie, 2014.
(2) Verslag van de taskforce Landbouwmarkten, november 2016: https://ec.europa.eu/agriculture/sites/agriculture/files/agri-markets-task-force/improving-markets-outcomes_en.pdf
(3) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 130.
(4) Mededeling van de Europese Commissie van 15 juli 2014 — Bestrijding van oneerlijke handelspraktijken tussen ondernemingen in de voedselvoorzieningsketen.
(5) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 130.
(6) Resolutie van het Europees Parlement van 7 juni 2016 over oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen (2015/2065(INI)).
(7) COM(2018) 173 final.
(8) Zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 1308/2013.
(9) COM(2018) 173 final.
(10) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 130.
(11) PB C 129 van 11.4.2018, blz. 18.
(12) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 130.
(13) COM(2014) 472 final.
(14) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 130.
(15) Zie: Bundesgerichtshof (BGH), 23.1.2018, KVR 3/17, Wirtschaft und Wettbewerb (WuW) 2018, 209 — Hochzeitsrabatte.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/171 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008
(COM(2018) 149 final — 2018/0074 (COD))
(2018/C 440/29)
|
Afdelingsrapporteur: |
Gabriel SARRÓ IPARRAGUIRRE |
|
Raadpleging Raad |
12.4.2018 |
|
Raadpleging van het Europees Parlement |
16.4.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 43, lid 2, en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Besluit van het bureau |
17.4.2018 |
|
Bevoegde afdeling |
Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
5.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
182/1/2 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is van mening dat de vaststelling van een meerjarenplan een adequate maatregel voor het beheer van de westelijke wateren is, al zouden ook de specifieke kenmerken van de visserijactiviteiten in de noordwestelijke en zuidwestelijke wateren in aanmerking moeten worden genomen. |
|
1.2. |
In de opvatting van het Comité zou deze verordening in overeenstemming moeten worden gebracht met de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). Met het oog hierop zou het belang van sociaaleconomische factoren bij het toewijzen van de vangstmogelijkheden moeten worden vermeld. |
|
1.3. |
Het EESC zou graag zien dat de lijsten van soorten waarop deze verordening betrekking heeft via regionalisering worden bijgewerkt, aangezien sommige van deze soorten het beheer van gemengde visserij bemoeilijken als gevolg van hun lage vangstcijfers, omdat ze als bijvangst worden beschouwd of omdat er in sommige lidstaten geen quota zijn. Dit is met name van belang gezien de ophanden zijnde inwerkingtreding van de aanlandingsverplichting en wanneer het fenomeen van „knelsoorten” (choke species) zich voordoet, dat in sommige gevallen zou kunnen leiden tot stopzetting van visserijactiviteiten. |
|
1.4. |
Het Comité onderstreept de noodzaak om, door middel van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMV), wetenschappelijk onderzoek te stimuleren teneinde meer kennis op te doen over de werkelijke situatie van visbestanden, zodat de voorzorgsbenadering zo veel mogelijk kan worden vermeden en een duurzame exploitatie van deze bestanden in de loop der tijd kan worden gerealiseerd. |
2. Samenvatting van het Commissievoorstel
|
2.1. |
Het doel van het onderhavige voorstel voor een verordening is de vaststelling van één enkel beheersplan voor demersale visbestanden, met inbegrip van diepzeebestanden, en de desbetreffende visserijactiviteiten in de westelijke wateren. |
|
2.2. |
Dit plan zal garanderen dat deze bestanden in overeenstemming met de beginselen van de maximale duurzame opbrengst (MDO of MSY), volgens een ecosysteemgerichte benadering en overeenkomstig het voorzorgsbeginsel worden geëxploiteerd. Daarmee wordt beoogd om stabiliteit in de vangstmogelijkheden te brengen op basis van de meest recente wetenschappelijke informatie, en om de invoering van de aanlandingsverplichting te vergemakkelijken. |
|
2.3. |
Bestanden dienen te worden beheerd op basis van de FMSY-bandbreedtes (waarbij de F staat voor de visserijsterfte) die worden aanbevolen door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), zodat de vangstmogelijkheden voor een bepaalde soort zullen worden vastgesteld binnen de laagste FMSY-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is, hoewel er ook vangstmogelijkheden zullen kunnen worden vastgesteld op een niveau dat lager ligt dan de FMSY-bandbreedte, of, onder bepaalde voorwaarden en mits dat bestand zich boven MSY Btrigger bevindt (referentiepunt voor paaibiomassa), binnen het bovenste segment van de FMSY-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is. |
|
2.4. |
De vangstmogelijkheden zullen in elk geval zodanig worden vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat de paaibiomassa onder Blim (grensreferentiepunt voor paaibiomassa) belandt, minder dan 5 % bedraagt. |
|
2.5. |
Bij het toewijzen van deze vangstmogelijkheden houden de lidstaten rekening met de vermoedelijke samenstelling van de vangst van vaartuigen die aan de visserijen deelnemen. |
|
2.6. |
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om door middel van gedelegeerde handelingen technische maatregelen vast te stellen met betrekking tot de kenmerken van vistuig en beperkingen van het gebruik ervan, teneinde de selectiviteit daarvan te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen en de negatieve impact daarvan op het ecosysteem tot een minimum te beperken, evenals met betrekking tot minimuminstandhoudingsreferentiegrootten en de aanlandingsverplichting. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC is van mening dat de vaststelling van een meerjarenplan een adequate maatregel is om de exploitatie van de visbestanden op middellange en lange termijn in de westelijke wateren te waarborgen. |
|
3.2. |
Niettemin zou volgens het Comité bij de uitwerking van het plan rekening moeten worden gehouden met de specifieke kenmerken van en de verschillen tussen de noordwestelijke en de zuidwestelijke visserijgebieden, op basis van de verschillende kenmerken van de vloten, de visserijactiviteiten (regelingen) en de duur van de visreizen. |
|
3.3. |
Het EESC dringt erop aan dat het plan bijdraagt tot de verwezenlijking van alle doelen van het GVB en dat, met het oog hierop, bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden ook rekening dient te worden gehouden met sociaaleconomische effectbeoordelingen en de drempelwaarde voor economische levensvatbaarheid voor elk van de regelingen die het voorwerp van deze verordening zijn, een component die in het voorstel voor een verordening ontbreekt. |
|
3.4. |
Het Comité maakt zich zorgen over de gevolgen van de toepassing van de voorzorgsbenadering wanneer er geen wetenschappelijke gegevens over bepaalde visserijen voorhanden zijn, en over de mogelijk daaruit voortvloeiende rechtstreekse vermindering van de vangstmogelijkheden. Daarom verzoekt het EESC de lidstaten en de Europese Commissie om hun onderzoeksinspanningen op te voeren om meer kennis over deze bestanden te vergaren. Ook is het EESC van mening dat wanneer de wetenschappelijke evaluaties voor visbestanden niet analytisch van aard zijn, de TAC’s (totale toegestane vangst) niet significant zouden mogen worden verlaagd zolang er geen betere evaluaties beschikbaar zijn. |
|
3.5. |
In het geval van gemengde visserij waar problemen zijn geconstateerd met in het plan genoemde knelsoorten waardoor de vangst van primaire doelsoorten in gevaar kan komen, zou volgens het EESC moeten worden nagegaan of die soorten kunnen worden uitgesloten van het systeem van totale toegestane vangsten (TAC) en zouden er via regionalisering alternatieve beheermaatregelen moeten worden getroffen om de bestanden op peil te houden. |
|
3.6. |
De specifieke kenmerken van bepaalde soorten en visserijgebieden vereisen een visserijbeheer dat, om doeltreffend te zijn, de vaststelling van deelbeheergebieden binnen eenzelfde ICES-sector moet vergemakkelijken. Het Comité dringt er bij de Commissie op aan om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening. |
4. Specifieke opmerkingen
|
4.1. |
Artikel 1 bevat een lijst van soorten die het beheer van gemengde visserij bemoeilijkt. Op die lijst staan ook diepzeesoorten waarvoor een aparte TAC- en quotaregeling geldt, die bovendien tweejaarlijks is en daarom volgens het Comité verwarring veroorzaakt. Deze soorten worden in sommige lidstaten in zeer beperkte mate of helemaal niet gevangen en als bijvangst beschouwd, zoals dat het geval is bij Beryx spp. Bovendien heeft zeebrasem (Pagellus bogaraveo) van sector IXa een aantal specifieke kenmerken die verband houden met de visserijgebieden (Atlantische en Middellandse Zeezijde, waar geen TAC’s en quota bestaan) en met de deelname aan de visserij door vloten van derde landen. Daarom heeft het volgens het EESC geen zin om deze op te nemen in de lijst wanneer niet bekend is in hoeverre die landen bereid zijn hun beheer aan te passen aan de beginselen en belangen van de EU. |
|
4.2. |
Ook zijn er soorten, zoals zeebaars (Dicentrarchus labrax) en wijting (Merlangius merlangus) van sector IXa, waarvoor geen TAC- en quotaregeling geldt en die daarom volgens het Comité uit de lijst zouden moeten verwijderd. Voor andere soorten, zoals kabeljauw (Gadus morhua) en wijting (Merlangius merlangus) van sector VII, of schelvis (Melanogrammus aeglefinus), zijn de quota voor sommige lidstaten bijzonder laag, zodat ze duidelijk limiterend zijn voor bepaalde vloten omdat ze als verstikkingssoorten worden beschouwd. Ook deze soorten moeten volgens het Comité uit de lijst worden verwijderd. |
|
4.3. |
Voorts vertonen de omschrijving en reikwijdte van de functionele eenheden langoustines (Nephrops norvegicus) een aantal fouten, die volgens het Comité nodig moeten worden gecorrigeerd. |
|
4.4. |
In de opvatting van het Comité betekent de schatting van de vangstmogelijkheden op basis van de maximale duurzame opbrengst (MDO), zoals wordt bepaald in de artikelen 3, 4 en 5, dat alleen variabelen die verband houden met de instandhouding van bestanden in aanmerking worden genomen. Het plan dient bij te dragen tot de verwezenlijking van alle doelen van het GVB overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, en mag niet alleen gericht zijn op milieuvariabelen, maar moet ook rekening houden met sociale en economische variabelen, zodat abrupte veranderingen in de vangstmogelijkheden van het ene jaar op het andere worden vermeden. |
|
4.5. |
Om te voorkomen dat het jaarlijkse beheer van de vangstmogelijkheden een meerjarig beheer belemmert, en om de betrokkenheid van de belanghebbende partijen bij de besluitvorming te bevorderen, zouden de medewetgevers artikel 4 van het voorstel voor een beheersplan moeten wijzigen door er een rechtsgrondslag in op te nemen voor het vaststellen van exploitatievoorschriften overeenkomstig de beginselen van het GVB via regionalisering. |
|
4.6. |
In artikel 5, lid 2, wordt bepaald dat wanneer er geen adequate wetenschappelijke informatie beschikbaar is, de bestanden worden beheerd volgens de voorzorgsbenadering. Het EESC stelt voor om in het kader van het plan doeltreffende mechanismen vast te stellen, via het EFMV, om ervoor te zorgen dat er tijdig en voldoende regelmatig wetenschappelijke informatie wordt verkregen, zodat stopzetting van visserijactiviteiten kan worden voorkomen. |
|
4.7. |
In artikel 9 wordt bepaald dat de lidstaten bij het toewijzen van de vangstmogelijkheden rekening zullen moeten houden met de waarschijnlijke samenstelling van de vangst van vaartuigen die aan gemengde visserij deelnemen. Het Comité is van mening dat dit beginsel veel verder gaat dan hetgeen wordt bepaald in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 met betrekking tot de criteria voor de toewijzing van vangstmogelijkheden aan de lidstaten. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/174 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EU) 2017/2107
(COM(2018) 229 final — 2018/0109 (COD))
(2018/C 440/30)
|
Afdelingsrapporteur: |
Gabriel SARRÓ IPARRAGUIRRE |
|
Raadpleging van het Europees Parlement |
2.5.2018 |
|
Raadpleging Raad |
14.5.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 43, lid 2, en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
22.5.2018 |
|
Bevoegde afdeling |
Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
5.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
181/1/3 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC kan zich in grote lijnen vinden in het voorstel van de Europese Commissie om Aanbeveling 16-05 van de Internationale Commissie voor de instandhouding van tonijn in de Atlantische Oceaan (ICCAT) om te zetten in het recht van de Unie. Deze aanbeveling omvat een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis waarmee wordt beoogd om uiterlijk in 2031 een biomassa te bereiken die een maximale duurzame opbrengst (MDO) kan opleveren met een waarschijnlijkheid van ten minste 60 %. |
|
1.2. |
Het Comité heeft vastgesteld dat de Europese Commissie zich niet heeft beperkt tot de omzetting van bovenvermelde ICCAT-aanbeveling, maar in haar voorstel ook een aantal punten heeft opgenomen die niet in deze aanbeveling voorkomen en die de Europese vissers concurrentienadeel zouden kunnen bezorgen ten opzichte van de vissers uit derde landen rond de Middellandse Zee, zoals Marokko, Algerije, Tunesië en Turkije, die ook actief zijn in deze tak van de visserij. Om te voorkomen dat de sociaaleconomische gevolgen voor Europese werkgevers en werknemers ernstiger zijn dan de gevolgen voor andere landen, verzoekt het EESC de medewetgevers dan ook om rekening te houden met onderstaande specifieke opmerkingen. |
|
1.3. |
Het EESC verzoekt de Commissie, de lidstaten en de landen rond de Middellandse Zee met klem alles in het werk te stellen om het gebruik van drijfnetten, waarvan het gebruik sinds 1998 verboden is, volledig uit te bannen, zodat de illegale vangst en verkoop van zwaardvis uit de Middellandse Zee, de gevolgen daarvan voor de markt en de oneerlijke concurrentie die dit met zich meebrengt voor de vissers die zich wel aan de regels houden, worden voorkomen. |
2. Inhoud van het Commissievoorstel
|
2.1. |
Gezien de alarmerende toestand van mediterrane zwaardvis (Xiphias gladius) heeft de ICCAT tijdens haar jaarvergadering van 2016 door middel van Aanbeveling 16-05 een 15-jarig herstelplan voor deze vissoort vastgesteld. In de aanbeveling worden regels bepaald voor de instandhouding, het beheer en de controle van het zwaardvisbestand in de Middellandse Zee, om een biomassa te bereiken die in 2031 een maximale duurzame opbrengst kan opleveren met een waarschijnlijkheid van ten minste 60 %. |
|
2.2. |
Het onderhavige voorstel voor een verordening heeft tot doel deze aanbeveling, die sinds 2017 rechtstreeks van toepassing is, om te zetten in EU-recht om de Unie in staat te stellen haar internationale verplichtingen na te komen en marktdeelnemers rechtszekerheid te bieden met betrekking tot de regels en verplichtingen waaraan zij moeten voldoen. |
|
2.3. |
De belangrijkste onderdelen van het herstelplan zijn: vaststelling van een geleidelijk af te bouwen totale toegestane vangst (TAC) van 10 500 ton; vaststelling van een minimuminstandhoudingsreferentiegrootte van een lengte onderkaak-vork van minder dan 100 cm, een levend gewicht van minder dan 11,4 kg of een ontkieuwd en ontweid gewicht van minder dan 10,2 kg; vaststelling van een maximumaantal vishaken dat mag worden aangebracht of aan boord mag worden genomen op 2 500; een jaarlijkse sluitingsperiode van drie maanden, die loopt van 1 januari tot en met 31 maart; beperking van het aantal vissersvaartuigen, en soortgelijke controlemaatregelen als voor blauwvintonijn. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC staat achter de omzetting van ICCAT-aanbeveling 16-05 in het recht van de Unie en steunt daarom het initiatief van de Europese Commissie. |
|
3.2. |
Het Comité heeft echter geconstateerd dat het voorstel van de Europese Commissie verder gaat dan de ICCAT-aanbeveling en nieuwe voorschriften bevat die niet in deze aanbeveling voorkomen. Aangezien het visbestand in kwestie niet alleen door de EU-vloot wordt geëxploiteerd, maar ook door alle andere landen rond de Middellandse Zee — hetzij via gerichte visserij, zoals in het geval van Marokko, Algerije, Tunesië en Turkije, hetzij via bijvangsten — acht het Comité het niet opportuun om eenzijdig dergelijke aanvullende maatregelen te nemen, aangezien dit tot discriminatie van de Europese vissers kan leiden en dit voor de marktdeelnemers uit de Unie andere sociaaleconomische gevolgen kan hebben dan voor de vissers uit andere landen. |
|
3.2.1. |
Met het oog op toekomstige onderhandelingen dringt het Comité er bij de Europese Commissie op aan om in het kader van de ICCAT intensiever samen te werken met derde landen en aldus overeenkomsten te sluiten die oneerlijke concurrentie tussen vissers voorkomen, het herstel van biomassa bevorderen en de overgang naar de gewenste MDO versnellen. |
|
3.3. |
Het Comité herinnert de Commissie eraan dat het gebruik van drijfnetten voor de vangst van zwaardvis in de Middellandse Zee sinds 1998 verboden is. Gezien de gevolgen van het illegale gebruik van dit verboden vistuig door sommige marktdeelnemers voor de toestand van de zwaardvisbestanden in de Middellandse Zee en gelet op de oneerlijke concurrentie die dit met zich meebrengt voor marktdeelnemers die zich wel aan de regels houden, roept het EESC de Commissie, de lidstaten en de kuststaten op om alles in het werk te stellen om dit vistuig volledig uit te bannen. |
4. Specifieke opmerkingen
|
4.1. |
Artikel 8, dat voorziet in een capaciteitsbeperking per vistuigtype, is niet slechts een omzetting van wat in paragraaf 6 van de ICCAT-aanbeveling staat („Gedurende de looptijd van het herstelplan geldt een capaciteitsbeperking. In 2017 beperken de verdragsluitende partijen (1) hun aantal vissersvaartuigen die gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen tot hun gemiddelde jaarlijkse aantal vaartuigen die in de periode 2013-2016 mediterrane zwaardvis hebben bevist, aan boord gehouden, overgeladen, vervoerd of aangeland. De verdragsluitende partijen kunnen echter besluiten uit te gaan van hun aantal vaartuigen die in 2016 mediterrane zwaardvis hebben bevist, aan boord gehouden, overgeladen, vervoerd of aangeland, indien dat aantal lager is dan het gemiddelde jaarlijkse aantal vaartuigen in de periode 2013-2016. Deze beperking geldt per vistuigtype voor visserijvaartuigen”), maar bepaalt dat moet worden gekozen voor de optie die het kleinste aantal oplevert. Daarom stelt het Comité voor om paragraaf 6 van ICCAT-aanbeveling 16-05 letterlijk over te nemen. |
|
4.2. |
Het EESC is van mening dat de formulering van artikel 10, lid 2, misleidend kan zijn en kan worden geïnterpreteerd als een volledig verbod op de beugvisserij, terwijl de ICCAT-aanbeveling bedoeld is om te voorkomen dat jonge zwaardvis wordt gevangen met de kleine haak die wordt gebruikt door vaartuigen die in de Middellandse Zee op witte tonijn vissen. Daarom stelt het Comité de volgende formulering voor: „Om mediterrane zwaardvis te beschermen, is de vangst van mediterrane witte tonijn (Thunnus alalunga) verboden gedurende de periode van 1 oktober tot en met 30 november van elk jaar.” |
|
4.3. |
Artikel 14, lid 2, is een van de artikelen waarin de Commissie restrictiever is dan de ICCAT-aanbeveling, aangezien daarin wordt bepaald dat aan boord van vissersvaartuigen „2 500 niet-gebruiksklare reservehaken [zijn] toegestaan voor reizen van meer dan twee dagen”. In paragraaf 18 van de aanbeveling, daarentegen, worden deze haken wel toegestaan. Het voorstel van de Commissie zou een operationeel probleem opleveren voor de bemanning van vissersvaartuigen, die aan steeds meer verplichtingen moeten voldoen. Het EESC beveelt dan ook aan om de woorden „niet-gebruiksklare” uit dit artikel te schrappen en de bewoordingen van de aanbeveling te gebruiken: „Een tweede reeks gebruiksklare haken kan aan boord worden toegestaan voor reizen van meer dan twee dagen op voorwaarde dat deze benedendeks naar behoren zijn vastgemaakt en opgeborgen zodat zij niet onmiddellijk kunnen worden gebruikt.” |
|
4.4. |
In artikel 18, lid 2, wordt bepaald dat „de doorgifte van VMS-gegevens van vangstvaartuigen (2) die gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen [voor controledoeleinden], niet [wordt] onderbroken wanneer de vaartuigen in de haven zijn”. Het Comité is van mening dat dit voorstel onnodige extra kosten met zich mee kan brengen voor de vissers en stelt daarom voor om op grond van artikel 18, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, toe te staan dat het VMS-systeem in de haven wordt uitgeschakeld, op voorwaarde dat er steeds op dezelfde positie wordt in- en uitgeschakeld. |
|
4.5. |
Ook in artikel 20, lid 2, gaat de Commissie verder dan wat er in ICCAT-aanbeveling 16-05 staat. De Commissie stelt namelijk voor dat ten minste 20 % van de pelagische beugvisserijvaartuigen die vissen op mediterrane zwaardvis, wetenschappelijke waarnemers moet hebben. In paragraaf 44 van de ICCAT-aanbeveling staat echter: „Elke verdragsluitende partij zorgt ervoor dat ten minste 5 % van de pelagische beugvisserijvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter die vissen op mediterrane zwaardvis, nationale wetenschappelijke waarnemers aan boord moet hebben.” Het EESC acht het ongerechtvaardigd en onevenredig om het percentage te verhogen tot 20 %, aangezien het veelal om kleine vaartuigen gaat die vanwege ruimteproblemen en uit kostenoverwegingen maar moeilijk aan deze eis kunnen voldoen. Bovendien kunnen de vloten van derde landen die ondergrens van 5 % blijven hanteren. Daarom beveelt het Comité aan om het door de ICCAT verplicht gestelde percentage van 5 % te handhaven. |
|
4.6. |
In artikel 24, lid 2, staat dat de kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van minder dan twaalf meter ten minste vier uur vóór de verwachte tijd van aankomst in de haven bepaalde informatie moeten verstrekken aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat. Gezien de problemen die deze verplichting op bepaalde momenten kan opleveren voor kleine vissersvaartuigen, stelt het EESC voor om een zin toe te voegen die ervoor zorgt dat de lidstaten in uitzonderlijke gevallen kunnen afwijken van de termijn van vier uur. Zo zou bijvoorbeeld een formulering kunnen worden gebruikt die vergelijkbaar is met die van artikel 31, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1627 betreffende het herstelplan voor blauwvintonijn: „Indien de lidstaten krachtens het toepasselijke Unierecht gemachtigd zijn een kortere kennisgevingsperiode toe te passen dan die bedoeld in de leden 1 en 2, kan de geraamde hoeveelheid aan boord gehouden blauwvintonijn worden gemeld op het toepasselijke tijdstip van kennisgeving vóór aankomst. Als de visgronden zich op minder dan vier uur van de haven bevinden, kan de geraamde hoeveelheid aan boord gehouden blauwvintonijn te allen tijde worden gewijzigd vóór aankomst.” |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Verdragsluitende partijen bij het ICCAT-verdrag.
(2) Satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/177 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van billijkheid en transparantie van onlinetussenhandelsdiensten
(COM(2018) 238 final — 2018/0112 (COD))
(2018/C 440/31)
|
Rapporteur: |
Marco VEZZANI |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 28.5.2018 Raad van de Europese Unie, 22.5.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikelen 114 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij |
|
Goedkeuring door de afdeling |
6.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
190/0/3 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een verordening en beschouwt dat als een belangrijke eerste stap om de billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten te bevorderen. Het EESC vindt dit voorstel met name heel belangrijk omdat hiermee voor het eerst de b2b-verhoudingen op het gebied van de elektronische handel worden gereguleerd, en pleit ervoor het snel goed te keuren zodat een duidelijk hiaat in de regelgeving kan worden opgevuld. |
|
1.2. |
Het EESC is echter van mening dat genoemde verordening alleen niet alle problemen van de digitale eengemaakte markt kan oplossen en „de cirkel niet rond maakt”. „Transparantie” vormt de basis van de verordening, maar transparantie alleen is niet voldoende om een uiterst dynamische en complexe markt als de digitale markt in goede banen te leiden, waarbij de ongelijke machtsverhouding tussen mondiale spelers en zakelijke gebruikers (vooral kleine en middelgrote ondernemingen, kmo’s) alleen kan worden overbrugd door duidelijkere grenzen en verhoudingen tussen de partijen vast te stellen en misbruik vanuit machtsposities tegen te gaan. Het EESC beveelt voorts aan om de sociale dimensie van de digitalisering zo snel mogelijk aan te pakken door de sociale dialoog op gang te brengen. Evenveel aandacht verdienen kwesties op het gebied van fiscale dumping, de data-economie en gegevenseigendom, aan de hand van een totaalvisie, zoals de Commissie overigens al voor andere dossiers doet. |
|
1.3. |
Het EESC acht het wenselijk in de verordening een verbod op te nemen ten aanzien van prijspariteitsclausules, die tot dusver de concurrentie belemmeren, nadelig zijn voor zowel bedrijven als consumenten en oligopolie- of monopolieposities van grote onlineplatforms in de hand dreigen te werken. Het is namelijk van cruciaal belang dat consumenten in staat worden gesteld goederen en diensten tegen lagere prijzen te kopen, dat bedrijven hun activiteiten efficiënt verder kunnen ontwikkelen via hun website en dat nieuwe onlineplatforms kunnen groeien en eerlijke concurrentie met al bestaande platforms kunnen aangaan. |
|
1.4. |
Volgens het EESC moeten eventuele gedifferentieerde behandelingen (bijvoorbeeld ranking) in het voordeel van bepaalde bedrijven (met name een afwijkende behandeling tegen betaling) niet alleen contractueel worden vastgelegd voor zakelijke gebruikers, maar deze moeten ook voor consumenten duidelijk herkenbaar zijn aan de aanduiding „gesponsorde advertentie”, „betaalde advertentie” of iets dergelijks op het moment dat zij online producten of diensten zoeken. Net zo belangrijk is het om zakelijke gebruikers en consumenten te informeren over de belangrijkste parameters die worden gebruikt om de ranglijsten op te stellen die de positie van zakelijke gebruikers bepalen. |
|
1.5. |
Het EESC steunt de invoering van mechanismen voor minnelijke schikking van geschillen en beveelt aan daarbij geharmoniseerde criteria te bepalen die de onafhankelijkheid van de bemiddelaars waarborgen. Het is van mening dat de kamers van koophandel, die deze activiteit reeds op nationaal niveau uitoefenen, dit heel goed zouden kunnen doen. Belangrijk is ook dat de mechanismen voor het instellen van verboden om aanhoudende schade ten nadele van zakelijke gebruikers te voorkomen of te verhinderen, eenvoudig, duidelijk en goedkoop zijn. |
|
1.6. |
Het EESC is van mening dat het EU-Waarnemingscentrum voor de onlineplatformeconomie een cruciale rol zal spelen bij de tenuitvoerlegging van zowel deze verordening als alle andere wetgevingsinitiatieven in verband hiermee. Dit geeft dit orgaan niet slechts een technisch maar ook een sterk politiek karakter. Het EESC, gesterkt door een reflectietraject op basis van tal van adviezen op dit gebied, biedt aan om de werkzaamheden van de deskundigengroep te ondersteunen met een eigen afgevaardigde als waarnemer, teneinde de visie van het maatschappelijk middenveld onder de aandacht te brengen. |
2. Inleiding
|
2.1. |
Onlineplatforms en zoekmachines zijn een essentieel element van het digitale ecosysteem en zijn van grote invloed op de organisatie en werking ervan. De laatste jaren hebben deze platforms een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van het net door nieuwe sociale en economische modellen voor te stellen om de keuzes en het handelen van burgers en ondernemingen op elkaar af te stemmen. |
|
2.2. |
Elektronische handel maakt in Europa een exponentiële groei door. De omzet van de onlinedetailhandelverkoop in 2017 werd geschat op 602 miljard EUR (+ 14 % ten opzichte van 2016). Dit cijfer was geheel in lijn met de groeitrends van het jaar ervoor, met een verkoopomzet van 530 miljard EUR (+ 15 % ten opzichte van 2015) (1). |
|
2.3. |
Volgens Eurostat (2) was in 2016 20 % van de ondernemingen in de 28 lidstaten van de EU actief in de elektronische handel. Achter dit cijfer gaan grote verschillen schuil afhankelijk van de bedrijfsgrootte. Het is namelijk zo dat 44 % van de grote ondernemingen, 29 % van de middelgrote ondernemingen en slechts 18 % van de kleine ondernemingen aan onlineverkoop doet. |
|
2.4. |
85 % van de ondernemingen die actief zijn in elektronische handel, maakt gebruik van een eigen website, maar het gebruik van onlineplatforms groeit gestaag. Deze worden nu door 39 % van de ondernemingen (zakelijke gebruikers) gebruikt (3). Dit is het gevolg van twee factoren: de toenemende belangstelling van kmo’s voor elektronische handel, die in onlineplatforms een strategisch instrument zien om toe te treden tot de digitale markt, en de exponentiële groei van deelplatforms (sociale netwerken), die gebruikers steeds meer benutten om hun echte en virtuele leven te organiseren. |
|
2.5. |
Hoewel meer dan een miljoen Europese kmo’s gebruikmaken van onlinetussenhandelsdiensten, zijn er betrekkelijk weinig platforms die deze diensten leveren. Dit maakt kmo’s enerzijds volledig afhankelijk van onlineplatforms en zoekmachines en geeft de laatsten anderzijds de mogelijkheid eenzijdige stappen te ondernemen die de rechtmatige belangen van gebruikers en consumenten schaden. |
|
2.6. |
Volgens een ander onderzoek van de Commissie stuit bijna 50 % van de Europese ondernemingen die op onlineplatforms opereren, op problemen. Bovendien blijven contractuele problemen in 38 % van de gevallen onopgelost, terwijl ze in 26 % van de gevallen slechts met grote moeite worden opgelost (4). |
|
2.7. |
Vooral de consumenten ondervinden indirect de gevolgen van de beperking van een volledige en eerlijke concurrentie. Dit blijkt uit tal van situaties: van niet-transparante ranking van goederen en diensten tot een gebrek aan keuze doordat ondernemingen weinig vertrouwen hebben in de digitale markt. |
|
2.8. |
De verhaalmogelijkheden voor ondernemingen zijn beperkt, niet goed toegankelijk en dikwijls ondoeltreffend. Niet toevallig richt de overgrote meerderheid van de ondernemingen zich op de onlineverkoop van hun producten binnen het nationale grondgebied (93 %), hoofdzakelijk als gevolg van de versnippering van de wetgeving, die de beslechting van grensoverschrijdende geschillen tot een langdurige en moeizame zaak maakt (5). |
|
2.9. |
Tot dusver is de Europese wetgeving erop gericht geweest de verhouding tussen bedrijven en consumenten (b2c) in de onlinehandel te definiëren, terwijl nooit serieus werk is gemaakt van de verhouding tussen bedrijven en onlineplatforms (b2b). |
|
2.10. |
Daarom heeft de Commissie in haar voorstel voor herziening van de strategie voor de digitale eengemaakte markt (6) het initiatief genomen om dit aspect van de Europese wetgeving aan te vullen ten behoeve van billijkheid en transparantie, waarbij misbruik als gevolg van een leemte in de wetgeving of versnippering door de verschillende nationale wetgevingen moet worden vermeden. |
3. Samenvatting van het voorstel
|
3.1. |
Het voorstel heeft tot doel de tussenhandelsdiensten te regelen die door onlineplatforms en zoekmachines worden aangeboden aan bedrijven. Hiertoe behoren ook onlinesoftwareapplicaties („app stores”) en onlinediensten van deelplatforms (sociale netwerken). |
|
3.2. |
Deze verordening is van toepassing op alle aanbieders van onlinetussenhandelsdiensten (met vestiging binnen of buiten de grenzen van de EU), mits de zakelijke gebruikers of exploitanten van bedrijfswebsites in de EU zijn gevestigd en mits deze hun producten of diensten gedurende minstens een deel van de transactie aan Europese consumenten aanbieden. Meer in het bijzonder moeten de consumenten zich in de EU bevinden, maar is het niet noodzakelijk dat hun verblijfplaats of nationaliteit Europees is. |
|
3.3. |
Om billijkheid en transparantie te waarborgen moeten de platforms de bedrijven op eenvoudige en duidelijke wijze informeren over de bepalingen en voorwaarden van het contract. Eventuele wijzigingen moeten minstens 15 dagen van tevoren worden meegedeeld. In het bijzonder moet worden meegedeeld op welke wijze advertenties worden gepubliceerd en welke criteria worden gehanteerd voor de opschorting en beëindiging van de dienst. |
|
3.4. |
In het voorstel is ook bepaald dat de parameters die de ranking van de advertenties of website bepalen, bekend worden gemaakt aan de bedrijven, ook als daarvoor wordt betaald. Eventuele gedifferentieerde behandelingen die producten of diensten bevoordelen die aan consumenten worden aangeboden door de aanbieder van diensten zelf of door zakelijke gebruikers die door hem worden beheerd, moeten expliciet worden vermeld in de bepalingen en voorwaarden van het contract. |
|
3.5. |
Om de rechten van kleine ondernemingen beter te beschermen moeten aanbieders van onlinediensten volgens het voorstel van de Commissie een intern systeem voor het afhandelen van klachten inrichten. De klachten moeten binnen korte tijd worden afgehandeld en daarover moet ondubbelzinnig met de gebruikers worden gecommuniceerd. Bovendien zijn de aanbieders verplicht periodieke verslagen over het aantal, het onderwerp en de afhandelingsduur van de klachten, alsook over de genomen beslissingen, te publiceren. |
|
3.6. |
Ook wordt voorzien in een systeem voor minnelijke schikking van geschillen. Zo kan een bedrijf zich wenden tot een bemiddelaar die van tevoren door de aanbieder van diensten is aangegeven in de bepalingen en voorwaarden van het contract. |
|
3.7. |
De bemiddelaars moeten onpartijdige en onafhankelijke personen zijn. De aanbieders worden aangemoedigd de oprichting van verenigingen van bemiddelaars te bevorderen, vooral om geschillen van grensoverschrijdende aard op te lossen. |
|
3.8. |
De nalevingskosten zullen hoofdzakelijk door de aanbieders van diensten worden gedragen, terwijl kmo’s daarvan gevrijwaard blijven (7). De voornoemde maatregelen vormen geen belemmering voor een gang naar de rechter, maar hebben tot doel geschillen op doeltreffende wijze en binnen een bepaalde tijd te behandelen en op te lossen. |
|
3.9. |
De nieuwe regelgeving zal worden gemonitord. Hiertoe is de oprichting voorzien van een EU-Waarnemingscentrum voor de onlineplatformeconomie (8) dat de Commissie ondersteuning zal bieden bij zowel het analyseren van de ontwikkeling van de digitale markt als bij het beoordelen van de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering en het effect van de verordening. De verzamelde resultaten zullen worden gebruikt om eens in de drie jaar vast te stellen of en welke herziening van de voorgestelde verordening nodig is. |
|
3.10. |
Met het voorstel krijgen vertegenwoordigende organisaties, verenigingen en publieke organen het recht een verbodsactie in te stellen om de niet-naleving van de in deze verordening vastgestelde vereisten door aanbieders van onlinetussenhandelsdiensten te beëindigen of te verbieden. |
|
3.11. |
De Commissie dringt er bij de aanbieders van onlinediensten en de organisaties die hen vertegenwoordigen op aan gedragscodes op te stellen teneinde bij te dragen tot de juiste toepassing van de verordening, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de behoeften van kmo’s. |
4. Algemene opmerkingen
|
4.1. |
Het EESC is een van de eerste pleitbezorgers van de digitale ontwikkeling en de daarmee samenhangende economische en sociale processen. Het heeft er in het volle besef van de risico’s en kansen van de digitalisering bij de Commissie steeds op aangedrongen een veilig, duidelijk, transparant en billijk kader voor de digitale eengemaakte markt vast te stellen. |
|
4.2. |
Het EESC is, in overeenstemming met zijn eerdere adviezen (9), ingenomen met het voorstel van de Commissie om de billijkheid en transparantie van de onlinetussenhandelsdiensten te bevorderen. Het is vooral verheugd over het flexibele karakter van het voorstel, dat een duidelijk kader moet scheppen voor een sector die voortdurend in ontwikkeling is en tegelijkertijd moet zorgen voor eerlijke concurrentie. |
|
4.3. |
Het EESC is van mening dat dit initiatief cruciaal is voor de bescherming van kmo’s, als eerste gebruikers van deze diensten (10), en voor het opzetten van een wetgevend kader dat zorgt voor eerlijke en daadwerkelijke concurrentie. Even cruciaal is dat kmo’s in staat worden gesteld hun groeikansen op de digitale eengemaakte markt te maximaliseren, zowel via hun eigen website als via onlineplatforms. |
|
4.4. |
In dit verband is het belangrijk te bedenken dat het voor kmo’s beslist geen eenvoudige uitdaging is de digitale markt te betreden. Zij moeten namelijk hun productie- en distributiesysteem aanpassen, nieuwe vaardigheden en vakkennis verwerven en daarbij voldoende investeringen doen, omdat ze zonder deze investeringen automatisch uit deze markt worden gedrukt, wat ook weer negatieve gevolgen heeft voor hun imago. Daarom is het nodig andere, ook financiële, instrumenten in het leven te roepen om deze overgang in goede banen te leiden. |
|
4.5. |
Het EESC is van mening dat „prijspariteitsclausules” (ook wel „clausules van meest begunstigde klant” genoemd) tot dusver een ernstige belemmering vormen voor de ontwikkeling van een eerlijke en open concurrentie in de digitale eengemaakte markt. Deze clausules verplichten een zakelijke gebruiker namelijk om op een bepaald onlineplatform zijn tarief lager vast te stellen dan op andere onlineplatforms en zijn eigen website. Dat leidt tot een ernstige verstoring van de markt, omdat hierdoor de versterking van enkele bestaande onlineplatforms wordt bevorderd (en de ontwikkeling van nieuwe platforms belemmerd), de kansen voor consumenten om tegen lagere prijzen toegang te kunnen krijgen worden beperkt en de zakelijke gebruiker aan het platform gebonden wordt gehouden, zonder dat hij een eigen rechtstreeks distributienetwerk met zijn klanten kan ontwikkelen. Deze praktijk is al in talrijke EU-lidstaten (11) verboden op initiatief van de respectieve mededingingsautoriteiten, met positieve resultaten voor de marktwerking in het voordeel van zowel ondernemingen als consumenten. Daarom hoopt het EESC dat deze clausules spoedig in de gehele EU worden verboden, mogelijk in het kader van voornoemde verordening. |
|
4.6. |
Het EESC benadrukt dat tot dusver het merendeel van de markt van onlinetussenhandelsdiensten in handen is van slechts enkele grote spelers van wie vele niet-Europees zijn. Het is dan ook belangrijk dat in de implementatiefase van de regelgeving ook eerlijke competitie tussen onlineplatforms wordt gemonitord en gewaarborgd, alsmede de mogelijkheid voor nieuwe, met name Europese, platforms om een plaats op de markt te veroveren. |
|
4.7. |
Het EESC stelt met genoegen vast dat tal van verzoeken en aanbevelingen die het in eerdere adviezen heeft gedaan, in de verordening zijn opgenomen. Met name constateert het sterke overeenkomsten en samenhang met alles wat transparantie en duidelijkheid van de contractuele bepalingen en voorwaarden betreft, de explicitering van rankingparameters en eventuele gedifferentieerde behandelingen, de vaststelling van vaste regelingen voor klachtenafhandeling en minnelijke schikking van geschillen, de verantwoordelijkheid van onlineplatforms (gedragscodes) en de monitoring van processen (12). In het bijzonder wordt benadrukt dat eventuele gedifferentieerde behandelingen in het voordeel van aangeboden producten of diensten (vaak tegen betaling) op duidelijke en herkenbare wijze aan de consumenten moeten worden meegedeeld. |
|
4.8. |
Het EESC is van mening dat het voorstel goed past in het ruimere wetgevende kader van de digitale eengemaakte markt, dat echter nog verre van voltooid is. De Europese Unie presteert namelijk minder goed dan haar belangrijkste mondiale concurrenten waar het gaat om aantallen gebruikers, bedrijven en onlinetransacties. Het EESC dringt er bij de Commissie en de lidstaten dan ook op aan verdere inspanningen te leveren om de regulering van de gehele elektronischehandelssector en in ruimere zin die van de e-democratie aan te vullen, teneinde van het internet en de digitale markt een veilige plek te maken die kansen creëert voor iedereen. |
|
4.9. |
De data-economie is een cruciaal onderdeel van de digitale markt. Het EESC is in het bijzonder van mening dat gegevenseigendom niet alleen kan worden geregeld in een contractuele overeenkomst tussen twee partijen. Bovendien lost de transparantie van informatie als voorgesteld in de verordening een belangrijke kwestie in verband met het gebruik dat van gegevens kan worden gemaakt zodra een particuliere partij ze in bezit krijgt, niet op. Daarom beveelt het EESC de Commissie aan om dit aspect zo spoedig mogelijk te behandelen en te reguleren, waarbij het belang van de gebruikers en van het concept data-economie (13) zelf voorop moet staan. |
|
4.10. |
Het EESC is van mening dat de digitale eengemaakte markt gelijke concurrentievoorwaarden moet waarborgen voor alle betrokken economische spelers, zowel Europese als niet-Europese. Daarom beveelt het de Commissie aan alle oneerlijke handelspraktijken zoals digitale fiscale dumping te bestrijden door te bepalen dat de winstbelasting daar moet worden betaald waar de betreffende economische activiteit wordt uitgeoefend (14), en die belasting in overeenstemming moet zijn met de daadwerkelijke omvang van de activiteiten (15). Er wordt bijvoorbeeld gewezen op het feit dat het platform „Airbnb” in Frankrijk in het jaar 2015 slechts 69 000 EUR belasting heeft betaald, terwijl de gehele hotelsector circa 5 miljard EUR moest afdragen (16). |
|
4.11. |
Het EESC acht het onontbeerlijk zo spoedig mogelijk het wetgevende kader van de gehele elektronischehandelssector aan te vullen, teneinde voldoende garanties en waarborgen voor alle betrokkenen in de digitale eengemaakte markt te creëren (17). Het acht het met name cruciaal de meest controversiële aspecten van de sociale dimensie van de digitalisering te regelen, waaronder: salarissen, arbeidscontracten, arbeidsvoorwaarden en werktijden van degenen die werken bij digitale platforms (18) of in de daarmee verbonden dienstverlening (19). Daarom wordt aanbevolen de Europese sociale dialoog zo spoedig mogelijk aan te vatten (20). Voorts wordt, gelet op het groeiend aantal wetgevingsbesluiten om de sector te reguleren, aanbevolen een „code van onlinerechten van de burgers” op te stellen (21). |
5. Specifieke opmerkingen
|
5.1. |
Het EESC is voorstander een ruime definitie van het begrip aanbieders van onlinetussenhandelsdiensten. Dit standpunt is ingegeven door de snelle en onvoorspelbare ontwikkeling van het internet en de elektronische handel. Daarom acht het EESC het cruciaal om eerder de manieren en fasen van beheer van deze diensten aan regelgeving te binden dan de digitale partijen die deze diensten leveren, omdat hun aard of functie op korte termijn kunnen veranderen als gevolg van de snelle en onvoorspelbare ontwikkeling van het internet (22). |
|
5.2. |
Het EESC is van mening dat het onderzochte voorstel een belangrijke leemte in de wetgeving opvult en van cruciaal belang is om versnippering ten gevolge van verschillende nationale wetgeving tegen te gaan, wat tot dusver een van de belangrijkste oorzaken van problemen bij grensoverschrijdende geschillen vormt. Het is voorts van mening dat het voorstel goed aansluit bij het al bestaande wetgevend kader van de digitale eengemaakte markt en de enkele regelingen die nu al min of meer direct van toepassing zijn op de b2b-verhoudingen. Het op de fundamentele waarden van de EU gebaseerde brede rechtskader lijkt geschikt om de handhavingsinstanties een ruime manoeuvreerruimte te bieden en hun een doeltreffend vermogen te garanderen om op te treden. |
|
5.3. |
Het EESC is er voorstander van dat de aanbieders van onlinediensten de belangrijkste parameters bekendmaken die ze voor de ranking van advertenties en websites hanteren. Het wijst er echter op dat dit principe behoedzaam moet worden toegepast, aangezien het fraude door zakelijke gebruikers in de hand zou kunnen werken ten nadele van andere ondernemingen of consumenten, wat tot verstoring van de markt leidt. |
|
5.4. |
De bemiddelaars krijgen een sleutelrol bij de minnelijke schikking van geschillen. Het EESC meent dat de hoedanigheid van de bemiddelaars en de wijze waarop dezen worden aangeworven niet geheel duidelijk zijn, wijst op de verschillen tussen de lidstaten en beveelt aan om geharmoniseerde criteria vast te stellen die hun onafhankelijkheid waarborgen. Het Comité stelt voor om te overwegen een Europees beroepsregister in te stellen om het vertrouwen van de zakelijke gebruikers te vergroten. Tegelijkertijd wordt voorgesteld gebruik te maken van de vakkennis van de kamers van koophandel en van de activiteiten op dit vlak die zij al met succes op nationaal niveau verrichten. |
|
5.5. |
Het EESC is ingenomen met de instelling van verboden om zakelijke gebruikers te beschermen. Dat instrument heeft een waarde die cruciaal is om de „angstfactor” te overwinnen, die dikwijls remmend werkt op de kleine ondernemingen tegenover de grote multinationals in de sector. Het EESC is in het bijzonder van mening dat de mechanismen voor het instellen van verboden duidelijk, eenvoudig en goedkoop moeten zijn. |
|
5.6. |
Het Waarnemingscentrum zal cruciaal zijn voor het monitoren van de ontwikkelingen op de digitale markt en de correcte en volledige tenuitvoerlegging van de verordening zelf. Het EESC is in het bijzonder van mening dat de deskundigen uiterst zorgvuldig moeten worden geselecteerd, waarbij hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid worden gewaarborgd. Het biedt aan om de werkzaamheden van de deskundigengroep te ondersteunen met een eigen afgevaardigde als waarnemer, teneinde de visie van het maatschappelijk middenveld onder de aandacht te brengen (23). |
|
5.7. |
Hoewel een verordening, in combinatie met een geharmoniseerd systeem van sancties, het meest geschikt wordt geacht als wetgevingsinstrument, is het EESC ingenomen met de oproep aan de aanbieders van onlinediensten om gedragscodes op te stellen waarmee een correcte en volledige implementatie van de regelgeving moet worden gewaarborgd. |
|
5.8. |
Het EESC benadrukt dat er momenteel, met name in de VS, sprake is van handelspraktijken van grote platforms die erop gericht zijn andere partijen uit de markt te drukken, zoals gratis verzending, wat nadelig is voor pakketbezorgingsbedrijven. Zulke praktijken zouden op middellange termijn tot oligopoliesituaties kunnen leiden, die schadelijk zijn voor ondernemingen en consumenten. Daarom roept het EESC de Commissie op een en ander nauwlettend in de gaten te houden. |
|
5.9. |
Het EESC is van mening dat dit voorstel heel belangrijke indirecte gevolgen zal hebben voor zowel consumenten — doordat hun een groter scala aan producten wordt aangeboden en de concurrentie tussen bedrijven toeneemt — als voor de werkgelegenheid, doordat er banen bijkomen aangezien een groter aantal bedrijven actief wordt op de digitale markt. Daarom is het belangrijk dat ook kleine digitale platforms (bijvoorbeeld deelplatforms) een eigen niche op de onlinemarkt kunnen vinden. |
|
5.10. |
Het EESC herhaalt de oproep aan de Commissie en de lidstaten om digitalevernieuwingsprocessen te ondersteunen met geschikte strategieën voor digitale alfabetisering in combinatie met gerichte onderwijs- en opleidingstrajecten met speciale aandacht voor minderjarigen en de meest kwetsbare groepen (24). Teneinde het bewustzijn van zakelijke gebruikers te versterken acht het EESC het bovendien essentieel dat brancheorganisaties worden ingeschakeld om specifieke scholingsactiviteiten onder de aandacht te brengen en te ondersteunen, met speciale aandacht voor kmo’s, om ten volle de kansen aan te grijpen die door de digitale eengemaakte markt worden geboden. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) „European E-commerce Report 2017”.
(2) Eurostat, „Digital economy and society statistics — enterprises”, 2018.
(3) Eurostat, „Web sales of EU enterprises”, 2018.
(4) europa.eu/rapid/press-release_IP-18-3372_nl.pdf
(5) Eurostat, „E-commerce statistics”, 2017.
(6) COM(2017) 228 final.
(7) Aanbeveling 2003/361/EG.
(8) Het Waarnemingscentrum zal worden opgericht overeenkomstig Besluit C(2018)2393 van de Commissie. Het zal bestaan uit minimaal 10 en maximaal 15 onafhankelijke deskundigen die via een openbare selectieprocedure worden geselecteerd. De deskundigen worden voor twee jaar benoemd en voeren deze taak onbezoldigd uit.
(9) PB C 75 van 10.3.2017, blz. 119; PB C 81 van 2.3.2018, blz. 102; PB C 12 van 15.1.2015, blz. 1 en PB C 271 van 19.9.2013, blz. 61.
(10) PB C 389 van 21.10.2016, blz. 50.
(11) Duitsland, Frankrijk, Italië, Zweden, België en Oostenrijk.
(12) PB C 75 van 10.3.2017, blz. 119; PB C 81 van 2.3.2018, blz. 102.
(13) PB C 345 van 13.10.2017, blz. 130; PB C 345 van 13.10.2017, blz. 138.
(14) PB C 75 van 10.3.2017, blz. 119.
(15) Zie PB C 367 van 10.10.2018, blz. 73.
(16) http://www.lastampa.it/2016/08/11/esteri/airbnb-in-francia-riscoppia-il-caso-tasse-KfgawDjefZxFdSNydZs8XP/pagina.html
(17) INT/845, Gevolgen van kunstmatige intelligentie voor werk, Salis Madinier en Samm, 2018 (zie bladzijde 1 van dit Publcatieblad).
(18) PB C 125 van 21.4.2017, blz. 10.
(19) PB C 75 van 10.3.2017, blz. 119.
(20) PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30.
(21) PB C 271 van 19.9.2013, blz. 127.
(22) PB C 75 van 10.3.2017, blz. 119.
(23) Besluit C(2018)2393 van de Commissie, artikel 10.
(24) PB C 173 van 31.5.2017, blz. 45; PB C 173 van 31.5.2017, blz. 1.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/183 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Bestrijding van online-desinformatie: een Europese benadering
(COM(2018) 236 final)
(2018/C 440/32)
|
Rapporteur: |
Martin SIECKER |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 18.6.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 VWEU |
|
Bevoegde afdeling |
Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij |
|
Goedkeuring door de afdeling |
6.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
121/16/34 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
De vrijheid van informatie en meningsuiting is onschendbaar in de EU, maar deze vrijheid wordt misbruikt om het tegenovergestelde te bereiken, teneinde het debat en kritisch denken onmogelijk te maken, en dus niet als een middel om te informeren of te overtuigen, maar als een wapen. Desinformatie wordt gebruikt als een extreme vorm van misbruik van de media die erop gericht is invloed uit te oefenen op sociaalpolitieke processen, en is bijzonder machtig wanneer deze wordt gefinancierd door regeringen en wordt gebruikt in de internationale betrekkingen. Enkele hoogst actuele voorbeelden (van vele) zijn de door de Russische staat gefinancierde desinformatie, de brexitcampagne (die alleen maar kan worden aangemerkt als een frontale aanval op de EU) en de inmenging in de Amerikaanse verkiezingen. Al deze destabiliserende operaties baren het Europees maatschappelijk middenveld grote zorgen. |
|
1.2. |
Er worden momenteel verschillende instrumenten en methoden gebruikt om de Europese waarden en externe activiteiten van de EU te ondermijnen, en om een separatistische en nationalistische houding uit te lokken en te ontwikkelen, het publiek te manipuleren en zich rechtstreeks te mengen in de binnenlandse politiek van soevereine landen en de EU als geheel. Bovendien neemt de invloed van offensieve cybervermogens toe en wordt technologie steeds vaker ingezet als wapen om politieke doelen te realiseren. De impact daarvan wordt dikwijls onderschat (1). |
|
1.3. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is het eens met het pleidooi van de Commissie voor meer verantwoordelijkheid van de kant van de socialemediaplatforms. Hoewel Europese specialisten de afgelopen jaren diverse studies en beleidsdocumenten hebben opgesteld, schort het in de mededeling echter aan praktische bindende stappen om dit te waarborgen. |
|
1.4. |
De EU zou op basis van beschikbaar onderzoek moeten doorgaan met het (laten) bestuderen van de impact van desinformatie in Europa, onder meer door in toekomstige Eurobarometer-enquêtes de weerstand van Europeanen tegen desinformatie te meten. Met die enquêtes zou niet alleen algemene informatie over nepnieuws moeten worden verzameld, maar ook vastgesteld moeten worden hoe immuun Europeanen echt zijn voor desinformatie. Het ontbreekt de Commissie aan een gevoel van urgentie en aan ambitie om fundamentele vraagstukken te behandelen, zoals steunregelingen voor traditionele media om het fundamentele recht van de burgers op kwalitatieve en betrouwbare informatie te waarborgen, de haalbaarheid van het opzetten van publiek-private partnerschappen om betaalde onlineplatforms te creëren die veilige en betaalbare onlinediensten aanbieden, de mogelijkheden om de onderliggende algoritmen van onlinesystemen transparanter te maken en er toezicht op te houden, en de mogelijkheid om monopolies open te breken en opnieuw een gelijk speelveld en eerlijke concurrentie tot stand te brengen, teneinde de toenemende verloedering van de samenleving een halt toe te roepen. |
|
1.5. |
Het EESC betreurt het dat zowel in de mededeling als in het verslag van de deskundigengroep op hoog niveau Rusland niet wordt genoemd als de belangrijkste bron van vijandige desinformatie gericht tegen de EU. Toch is de eerste stap voor de oplossing van een probleem erkennen dat er een probleem is. |
|
1.6. |
Op basis van de resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over onlineplatforms en de digitale interne markt (2) verwijst de Commissie naar het pleidooi van het EESC voor de nauwgezette handhaving van de bestaande wettelijke voorschriften voor onlineplatforms. Daarnaast verzoekt het EESC de Commissie om de discussie over de wettelijke aansprakelijkheid van onlineplatforms te beëindigen en voor die platforms doelgerichte regelgeving in te voeren rekening houdend met hun aard en kenmerken. Onlineplatforms en sociale netwerken zouden zich tot zulke regelgeving moeten verbinden en voor transparantie moeten zorgen door uit te leggen hoe algoritmen het gepresenteerde nieuws hebben geselecteerd. Ook zouden ze moeten worden aangemoedigd adequate maatregelen te nemen om betrouwbaar nieuws voor gebruikers zichtbaarder en toegankelijker te maken. |
|
1.7. |
Een probleem met desinformatie is dat het onmogelijk is om de identiteit te controleren van de bronnen die zulke informatie op het internet verspreiden. Het is te gemakkelijk om in cyberspace met een valse identiteit te werk te gaan, en in het algemeen is dat precies wat degenen die met kwade bedoelingen online actief zijn doen. De Commissie komt met diverse voorstellen, die zijn uiteengezet in de gezamenlijke mededeling over cyberbeveiliging die in september 2017 is gepubliceerd. Het probleem is dat deze voorstellen niet bindend zijn. Als we echt gewicht in de schaal willen leggen in de strijd tegen desinformatie, dan hebben we misschien strengere maatregelen voor identificatie nodig als mensen actief zijn op het internet. Zo werken de kwaliteitsmedia immers, in overeenstemming met de Code van Bordeaux uit 1954, die is opgesteld door de Internationale Federatie van Journalisten en zeer duidelijke en strikte principes vastlegt voor de omgang met bronnen. De namen en adressen van bronnen dienen altijd bij de redactie bekend te zijn. |
|
1.8. |
Het EESC is het met de Commissie eens dat de factcheckgemeenschap nauw zou moeten samenwerken. Dergelijke netwerken bestaan reeds, waaronder één onder de paraplu van de East StratCom-taskforce. Het probleem is dat zij voldoende financiële middelen nodig hebben, iets wat momenteel ontbreekt. Het EESC roept de Commissie en de lidstaten op om de inspanningen van de East StratCom-taskforce ten volle te steunen. Daarbij moet niet alleen worden gedacht aan een adequaat budget, maar ook aan actieve betrokkenheid van alle lidstaten bij de werkzaamheden van de taskforce door gedetacheerde deskundigen te sturen en contactpunten op te zetten. De website waarop de resultaten van de inspanningen van de East StratCom-taskforce worden gepresenteerd (3), moet proactiever bekend worden gemaakt om het publiek in de EU bewuster te maken van de dreigingen. |
2. Inhoud van de mededeling van de Commissie
|
2.1. |
Een goed functionerend, vrij en pluralistisch informatie-ecosysteem op basis van strenge professionele normen is onontbeerlijk voor een gezond democratisch debat. De Commissie volgt aandachtig de bedreigingen van desinformatie voor onze open en democratische samenlevingen. |
|
2.2. |
De Commissie wil in haar mededeling een allesomvattende benadering schetsen om op die bedreigingen te reageren, door digitale ecosystemen (4) op basis van transparantie te bevorderen, hoogkwalitatieve informatie te stimuleren, burgers tegen desinformatie te wapenen en onze democratieën en beleidsvormingsprocessen te beschermen. |
|
2.3. |
De Commissie roept alle betrokkenen op om hun inspanningen om desinformatie goed aan te pakken, aanzienlijk op te voeren. Indien effectief uitgevoerd zullen de voorgestelde maatregelen wezenlijk bijdragen aan de bestrijding van onlinedesinformatie. |
|
2.4. |
De Commissie signaleert drie hoofdoorzaken van het probleem (verschaffing van desinformatie, versterking door sociale en andere onlinemedia, verspreiding door gebruikers van onlineplatforms) en doet een aantal voorstellen om het probleem op vijf beleidsterreinen aan te pakken:
|
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
De toename van georganiseerde desinformatie van verschillende overheids- en niet-overheidsactoren vormt een reële bedreiging voor de democratie. Onder deze destabiliserende krachten bevinden zich regeringen van landen die groter zijn dan welke lidstaat dan ook. Wil de EU deze dreiging het hoofd bieden, dan is zij de bij uitstek geschikt om op te treden. Want anders dan de lidstaten afzonderlijk beschikt ze over de kritische massa en middelen die haar in de unieke positie brengt om strategieën en beleid te ontwikkelen en uit te voeren om dit complexe probleem aan te pakken. |
|
3.2. |
Een goed functionerende democratie hangt af van goed geïnformeerde burgers, die op basis van betrouwbare feiten en opinies die ze vertrouwen weloverwogen keuzes kunnen maken. Cruciaal hiervoor is een systeem van onafhankelijke, betrouwbare en transparante mediabedrijven, met een speciale positie voor publieke omroepen, die een flink aantal professionele medewerkers in dienst hebben om nieuwsbronnen te verzamelen, te controleren, te beoordelen, te analyseren en te interpreteren, teneinde een zeker niveau van kwaliteit en betrouwbaarheid van de gepubliceerde verhalen te waarborgen. |
|
3.3. |
Er is een verschil tussen nepnieuws en desinformatie. Nepnieuws heeft altijd al bestaan: het is een verzamelnaam voor geruchten, oorlogspropaganda, haatdragende taal, sensatie, leugens, selectief gebruik van feiten enz. De uitvinding van de drukpers in de 15e eeuw maakte de verspreiding van (nep)nieuws op ruimere schaal mogelijk; het geografische bereik nam nog verder toe na de introductie van de postzegel in 1840. De digitale technologie en internet hebben de laatste belemmeringen voor onbeperkte distributie weggenomen. |
|
3.4. |
Desinformatie wordt omschreven als aantoonbaar foute of misleidende informatie die wordt gecreëerd, gepresenteerd en verspreid voor economisch gewin of om het publiek opzettelijk te bedriegen, hetgeen democratische processen kan schaden en verkiezingen kan beïnvloeden; dit is een ernstige bedreiging voor de samenleving (5). |
|
3.5. |
Er zijn meerdere partijen in de keten van desinformatie: degenen die het creëren, degenen die het consumeren en onlineplatforms, die een centrale rol spelen doordat ze de verspreiding van desinformatie faciliteren.
Degenen die het creëren (onder meer regeringen, religieuze instellingen, zakenconglomeraten, politieke partijen en ideologische organisaties) doen dit om verschillende redenen (om de publieke opinie te beïnvloeden en te manipuleren, hun vermeende superioriteit te bevestigen, winst te maken of te vergroten, macht te verwerven, haat te zaaien, uitsluiting te rechtvaardigen enz.). Degenen die desinformatie verspreiden (met name onlineplatforms maar ook traditionele media) hebben daarvoor verschillende motieven, waaronder financieel gewin of opzettelijke manipulatie. Degenen die desinformatie tot zich nemen (internetgebruikers) zijn vaak als consumenten niet kritisch genoeg en worden dan ook bewust door de onlineplatforms gemanipuleerd. Intermediaire technologiebedrijven zoals Twitter, Google en Facebook (om er slechts enkele te noemen) faciliteren het onbeperkt en ongecontroleerd delen van inhoud op onlineplatforms in ruil voor de vergaring van privégegevens die deze platforms in staat stellen grote winsten te genereren dankzij microgerichte reclame (verspreiding van op maat gesneden commerciële boodschappen onder nauwkeurig gedefinieerde doelgroepen). De onwetendheid van consumenten ten aanzien van digitale zelfbescherming draagt bij aan de groei van het probleem. |
|
3.6. |
De betrokken technologiebedrijven dragen een gedeelde verantwoordelijkheid omdat ze in het geheel een centrale rol spelen. Ze zien zichzelf niet als uitgevers, maar „slechts” als onlineplatforms die informatie en andere door gevestigde media gecreëerde inhoud verspreiden zonder dat ze de kosten van het creëren van inhoud (d.w.z. een redactie) hoeven te betalen. Ze verspreiden inhoud van andere bronnen zonder het materiaal dat ze publiceren te checken, beoordelen, analyseren of interpreteren. „Google is niet zomaar een platform. Het plant, construeert en vervormt ons wereldbeeld”, was een van de conclusies van het artikel „De grote brexitoverval: hoe onze democratie werd gekaapt”, gepubliceerd door The Guardian, waarin geanalyseerd werd hoe een „schimmige, mondiale operatie van […] de verschillende krachten uit de Leave-campagne de uitkomst van het EU-referendum heeft beïnvloed”. Omdat desinformatie en betrouwbaar nieuws niet apart worden gepresenteerd, hebben gebruikers moeite om ze van elkaar te onderscheiden. Technologiebedrijven moeten daarom prioriteit geven aan transparantie over regels en data. Van bijzonder groot belang is de mate van transparantie over het verband tussen het beleid inzake reclame-inkomsten van platforms en de verspreiding van desinformatie. (In dit verband moeten de lopende onderhandelingen over de praktijkcode desinformatie, die eind juli 2018 zou moeten zijn verschenen, nauwlettend in het oog worden gehouden.) |
4. Specifieke opmerkingen
|
4.1. |
Ondanks de veelheid aan boodschappen, kanalen, instrumenten, niveaus, ambities en tactieken, en niettegenstaande het snel veranderende karakter ervan, is de strategische doelstelling van desinformatiecampagnes het ondermijnen van de liberale democratie en het scheppen en versterken van wantrouwen in geloofwaardige informatiebronnen, het geopolitieke beleid van een land en het werk van intergouvernementele organisaties. Desinformatie wordt gebruikt om verschillen tussen sociaal-economische groepen op basis van natie, ras, inkomen, leeftijd, opleidingsniveau en werk uit te buiten en te vergroten. Desinformatie wordt niet alleen op welbekende manieren verspreid, zoals via nieuwsdiensten, onlineplatforms, massa-e-mails enz., maar ook anders, bijvoorbeeld door middel van PR-ondernemingen, lobbyisten, denktanks, ngo’s, elitebeïnvloeders, partijpolitiek, deskundigen, culturele activiteiten en Europese extreemrechtse en extreemlinkse bewegingen die in ruil daarvoor betalingen ontvangen via verschillende „onafhankelijke” openbare trusts, offshore rekeningen e.d. |
|
4.2. |
De Russische regering maakt voor haar desinformatiecampagnes gebruik van een breed scala instrumenten en hulpmiddelen, zoals al door het Europees Parlement (6), de Europese Commissie (7) en de Europese Raad (8) is vastgesteld. Deze desinformatiecampagnes moeten uitermate serieus worden genomen. Ze maken deel uit van de Russische militaire doctrine en zijn als werkwijze aanvaard door de top van de belangrijkste Russische staatsmedia. Ze zijn rechtstreeks bedoeld om de liberale democratie, rechtsstaat en mensenrechten te schaden en om de instanties, intergouvernementele organisaties, politici en individuen die daarvoor opkomen, het zwijgen op te leggen (9). |
|
4.3. |
Het huidige tijdperk wordt gekenmerkt door sterk gepolariseerde politieke en democratische betrekkingen. Volgens denktanks zoals onder meer Freedom House en de Economist Intelligence Unit staat de democratie sinds de wereldwijde economische crisis in 2008 steeds meer onder druk. Een van de resultaten hiervan is een nieuw soort politiek leiderschap waarvan het profiel haaks staat op de democratische traditie die in Europa gedurende de laatste zeventig jaar is opgebouwd. In plaats van democratisch gekozen liberale leiders komen er steeds meer „sterke mannen” van wie de verkiezingen gepaard gaan met kritische vragen over de eerlijkheid daarvan. We zijn bekend met dit soort leiderschap buiten de invloedssfeer van de EU, bijvoorbeeld in Rusland en China. Maar het verschijnsel wordt heel zichtbaar en komt ongelooflijk dichtbij met vertegenwoordigers als Trump, Erdogan en gekozen „illiberale democraten” in EU-lidstaten, die allemaal bekendheid hebben verworven door hun voorkeur voor desinformatie, hun minachting voor de democratie en hun broze verhouding met de rechtsstaat. |
|
4.4. |
Een goed functionerende democratie hangt af van goed geïnformeerde burgers, die weloverwogen keuzes maken op basis van betrouwbare feiten en opinies die ze vertrouwen, maar „betrouwbaarheid” en „vertrouwen” zijn begrippen die in onze hedendaagse samenleving niet meer vanzelfsprekend zijn. In zo’n sterk gepolariseerd maatschappelijk klimaat en met een overvloed aan informatie zijn mensen zeer gevoelig voor desinformatie, waardoor het betrekkelijk eenvoudig is om hun gedrag te manipuleren. We hebben zulke, zeer succesvolle destabiliserende operaties gezien bij de algemene verkiezingen in diverse lidstaten en ook tijdens andere gebeurtenissen, zoals de brexitcampagne, alsmede desinformatiecampagnes over de aanvallen op de Krim en in Oekraïne en over de aanslag in 2014 met een Russische militaire BUK-raket op vlucht MH17 van Malaysian Airlines, waarbij alle 298 inzittenden op wrede wijze werden gedood. De Commissie wordt aangemoedigd na te gaan hoe het publiek proactiever kan worden voorgelicht over de gevaren van desinformatiecampagnes, cyberaanvallen en buitenlandse maatschappelijke beïnvloeding in het algemeen. Zij kan bijvoorbeeld de recente ontwikkelingen in andere landen volgen om burgers op toegankelijke en aantrekkelijke wijze te informeren over urgente cyberveiligheidskwesties, en daarbij tips en goede praktijkvoorbeelden geven van hoe zij henzelf het best digitaal kunnen beschermen. |
|
4.5. |
Terecht stelt de Commissie dat gelet op de complexiteit van de materie en het snelle tempo van de ontwikkelingen in de digitale omgeving een beleidsrespons allesomvattend moet zijn, continu het fenomeen desinformatie moet beoordelen en de beleidsdoelstellingen moet aanpassen in het licht van de evolutie van dit verschijnsel. Er bestaat niet één enkele oplossing voor alle problemen, maar niets doen is geen optie. De voorstellen van de Commissie zijn een stap in de goede richting, maar we moeten meer doen en met betere oplossingen komen. Transparantie, diversiteit, geloofwaardigheid en inclusiviteit moeten de leidraad vormen voor maatregelen om desinformatie aan te pakken, terwijl tegelijkertijd de vrijheid van meningsuiting en andere grondrechten moeten worden beschermd. |
|
4.6. |
Rusland lijkt bijzonder actief te zijn op het gebied van desinformatie en hybride oorlogsvoering tegen het westen, met bijzondere aandacht voor de EU. Om dat tegen te gaan is er dringend behoefte aan een transparanter, betrouwbaarder online-ecosysteem met een grotere verantwoordingsplicht. Het EESC beveelt het gebruik van het Prague Manual aan, een door het ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland en het internationaal Visegradfonds gefinancierde studie, dat een duidelijk overzicht geeft van de vijandige Russische subversie in de EU en van de bedreiging die deze vormt voor de democratie. Hoewel er lidstaten zijn die nog steeds twijfelen aan het bestaan van zo’n dreiging of die zelfs bijdragen aan de verspreiding ervan, is de studie zeer duidelijk in haar oordeel dat het absoluut noodzakelijk is dat de EU actie onderneemt. De studie bevat concrete voorstellen voor de opzet en uitvoering van strategieën tegen vijandige en subversieve invloeden. |
|
4.7. |
De rol van onlineplatforms met betrekking tot desinformatie is moreel verwerpelijk. In relatief korte tijd hebben deze platforms in feite een soort openbare nutsfunctie ontwikkeld die vergelijkbaar is met die van telefoonbedrijven, omroepen en kranten in het verleden. Om „gratis” gebruik te kunnen maken van de diensten van onlineplatforms, betalen gebruikers met persoonlijke gegevens, die deze platforms in staat stellen een enorme hoeveelheid microgerichte reclame te verkopen, waarvan de zaak rond Cambridge Analytica een goede illustratie vormt. Dit (uit oogpunt van privacy) omstreden inkomstenmodel is voor deze platforms te lucratief om het op vrijwillige basis af te schaffen. Er zijn stemmen opgegaan dat platforms als Facebook ook een geloofwaardige en goed functionerende Facebook-achtige dienst moeten aanbieden waarvoor gebruikers een betaalbare financiële bijdrage zouden moeten betalen in ruil voor de garantie dat hun privacy wordt gerespecteerd. De vraag rijst of potentiële gebruikers nog wel voldoende vertrouwen hebben in de geloofwaardigheid en integriteit van portalen als Facebook, na de manier waarop het bedrijf erachter aan de Amerikaanse Senaat verantwoording heeft afgelegd over zijn gedrag. Om het publieke vertrouwen in onlineplatforms te vergroten en de burgers tegen misbruik te beschermen, waaronder het misbruiken en delen van persoonlijke gegevens, moeten deze platforms worden gereguleerd, zoals eerder door de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende online-uitlatingen uit 2016, de AVG en de NIS-richtlijnen is aangetoond. De door de Commissie voorgestelde zelfregulering vormt in dit verband echter slechts een eerste stap en zou met meer maatregelen van haar kant gepaard moeten gaan. |
|
4.8. |
Andrew Keen, een Brits ondernemer en auteur die bekend staat als de antichrist van het internet, heeft vier zeer kritische boeken gepubliceerd over de ontwikkeling van het internet. Hij is niet tegen het internet of sociale media, maar wel beschouwt hij de activiteiten van de grote technologiebedrijven gericht op het verzamelen van gevoelige informatie over mensen, als de kern van het probleem. Privacy is een heel waardevol goed, het bepaalt wie we zijn. Het zogenaamde gratis bedrijfsmodel waarbij we niet met geld betalen maar onze privacy opgeven, zal het einde van onze privacy betekenen. Keen trekt parallellen met de 19e eeuw, toen de industriële revolutie veranderingen met zich meebracht op een schaal die vergeleken kan worden met de omvang van de veranderingen die de digitale revolutie momenteel veroorzaakt. Wanneer veranderingen worden omschreven als revolutie dan gaan ze gewoonlijk gepaard met enorme problemen. In de 19e eeuw zijn we erin geslaagd die problemen op te lossen met behulp van innovatie, regulering, keuzevrijheid voor de consument, civiele procedures en onderwijs. De boodschap van Keen is dat de menselijke intelligentie daartoe opnieuw in staat is (niet kunstmatige intelligentie) en we alle middelen die we hebben gebruikt om de vorige revolutie te beheersen, moeten aanwenden om de digitale revolutie onder controle te houden en te voorkomen dat die ons gaat domineren. |
|
4.9. |
De EU zou op basis van beschikbaar onderzoek moeten doorgaan met het (laten) bestuderen van de impact van desinformatie in Europa, onder meer door in toekomstige Eurobarometer-enquêtes de weerstand van Europeanen tegen desinformatie te meten. Met die enquêtes zou niet alleen algemene informatie over nepnieuws moeten worden verzameld, maar ook vastgesteld moeten worden hoe immuun Europeanen echt zijn voor desinformatie. Het ontbreekt de Commissie aan een gevoel van urgentie en aan ambitie om fundamentele vraagstukken te behandelen, zoals steunregelingen voor traditionele media om het fundamentele recht van de burgers op kwalitatieve en betrouwbare informatie te waarborgen, de haalbaarheid van het opzetten van publiek-private partnerschappen om betaalde onlineplatforms te creëren die veilige en betaalbare onlinediensten aanbieden, de mogelijkheden om de onderliggende algoritmen van onlinesystemen transparanter te maken en er toezicht op te houden, en de mogelijkheid om monopolies open te breken en opnieuw een gelijk speelveld en eerlijke concurrentie tot stand te brengen, teneinde de toenemende verloedering van de samenleving een halt toe te roepen. |
|
4.10. |
Het zou bijvoorbeeld rendabel kunnen zijn te overwegen om een onlineplatform op te richten op basis van een publiek-privaat partnerschap dat de privacy van de gebruikers garandeert. Een dergelijk Europees platform met de Commissie als medefinancierende publieke partner zou een zeer aantrekkelijk en veelbelovend voorstel kunnen zijn als alternatief voor Mark Zuckerbergs manipulatiemachine en andere grote particuliere en commerciële monopolisten uit de VS en China. Zo’n platform zou moeten garanderen dat het de privacy van zijn gebruikers eerbiedigt. |
|
4.11. |
In een markteconomie heeft alles een prijs, maar bij dit alternatief zou met geld in plaats van met privacy worden betaald. Het grootste deel van het budget van deze semipublieke dienst zou met belastinggeld kunnen worden gefinancierd, zoals bij alle publieke diensten gebeurt. Het resterende deel zou afkomstig zijn van de relatief geringe bijdrage die van de gebruikers wordt gevraagd om hun privacy te beschermen tegen de onstilbare datahonger van de huidige „sociale” platforms. Als de EU en de nationale regeringen van de lidstaten zo’n platform officieel tot voorkeurspartner zouden verklaren en het zouden gebruiken als alternatief voor de huidige dataverslindende roofdieren, zou dat voor het platform de nodige schaalvoordelen opleveren om te kunnen concurreren met de huidige marktspelers. De EU zou ook bestaande zoekmachines die absolute privacy garanderen, als voorkeurspartners kunnen gebruiken, als standaardapplicaties kunnen installeren op alle computers die door EU-instellingen worden gebruikt en als standaardapplicaties kunnen aanbevelen aan overheidsinstanties in de lidstaten. Verder zou de Commissie een proactievere rol kunnen spelen en kunnen nagaan wat de mogelijkheden zijn voor regelgeving ten aanzien van algoritmen en om monopolies open te breken. |
|
4.12. |
Feitenonderzoek (factchecken) is niet de oplossing van het probleem, maar wel van groot belang. Het dient als eerste stap naar het begrijpen, blootleggen en analyseren van desinformatie, wat noodzakelijk is voordat verdere tegenmaatregelen kunnen worden geformuleerd. Het is ook niet eenvoudig om een breder publiek te bereiken, omdat niet iedereen socialmediaplatforms of zelfs het internet gebruikt. Het is misschien heel moeilijk om bewoners van afgelegen regio’s te informeren. Zichtbaarheid in de media is van groot belang. Televisie is nog steeds de meest gangbare bron van informatie voor mensen, en regelmatige programma’s waarin gevallen van desinformatie in de nationale talen worden uitgelegd, kunnen er flink toe bijdragen om het publiek bewust te maken van het probleem. Het is van belang dat professionals feiten checken om de fouten te vermijden die onlangs bij de eerste poging van de Commissie zijn gemaakt. Samenwerking met uitgeverijen en mediaorganisaties waarvan journalisten betrokken zijn bij factchecks kan zulke problemen voorkomen. |
|
4.13. |
Een probleem met desinformatie is dat het onmogelijk is om de identiteit te controleren van de bronnen die zulke informatie via het internet verspreiden. Het is te gemakkelijk om in cyberspace met een valse identiteit te werk te gaan, en in het algemeen is dat precies wat degenen die met kwade bedoelingen online actief zijn doen. De Commissie komt met diverse voorstellen, die zijn uiteengezet in de gezamenlijke mededeling over cyberbeveiliging die in september 2017 is gepubliceerd. Het probleem is dat deze voorstellen niet bindend zijn: gebruikers kunnen ervoor kiezen om op onlineplatforms alleen contact te leggen met anderen die zich bekend hebben gemaakt, de Commissie zal het gebruik van vrijwillige onlinesystemen bevorderen waarmee informatieaanbieders kunnen worden geïdentificeerd enz. Natuurlijk is er een potentieel belangenconflict tussen privacy en volledige controle en zou het mogelijk moeten zijn om anoniem te blijven bij het passief surfen op het internet. Maar als we echt gewicht in de schaal willen leggen in de strijd tegen desinformatie, dan hebben we misschien strengere maatregelen voor identificatie nodig als mensen actief zijn op het internet. Zo werken de kwaliteitsmedia immers, in overeenstemming met de Code van Bordeaux uit 1954, die is opgesteld door de Internationale Federatie van Journalisten en zeer duidelijke en strikte principes vastlegt voor de omgang met bronnen. Soms zijn er geldige redenen waarom traditionele, op kwaliteit gerichte nieuwsorganisaties verhalen publiceren met anonieme bronnen, maar ze geven altijd aan dat de naam en het adres van de bron bij de redactie bekend zijn. |
|
4.14. |
Technologieën zijn niet „goed” of „slecht”, ze zijn neutraal. Ze kunnen goed of slecht gebruikt worden, maar dat hangt af van de keuzes die de gebruikers ervan maken. Nieuwe, opkomende technologieën, zoals die welke nu worden gebruikt voor desinformatie, kunnen ook een centrale rol spelen in de aanpak ervan. Het EESC is dan ook ingenomen met het voornemen van de Commissie om het werkprogramma Horizon 2020 en de opvolger ervan, Horizon Europa, ten volle te benutten om onderzoek te stimuleren en technologieën als kunstmatige intelligentie, blokchain en algoritmen te mobiliseren teneinde bronnen beter in kaart te brengen, de betrouwbaarheid van informatie na te gaan en de kwaliteit en nauwkeurigheid van gegevensbronnen in de toekomst te beoordelen. Er moet echter ook absoluut grondig worden gekeken naar andere financieringsmogelijkheden voor de bestrijding van desinformatie, omdat de meeste initiatieven niet op de Horizon-programma’s van toepassing zijn. |
|
4.15. |
Veilige en veerkrachtige verkiezingsprocessen vormen de basis van de democratie in de EU, maar de veiligheid en veerkracht van die processen zijn niet langer gewaarborgd. In de afgelopen jaren zijn tijdens verkiezingen in ten minste achttien landen onlinemanipulatie- en -desinformatietactieken ontdekt en desinformatietactieken droegen bij aan de zevende achtereenvolgende daling van de internetvrijheid in het algemeen. Gezien de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2019 is het EESC ingenomen met de initiatieven van de Commissie om na te gaan wat de beste praktijken zijn om de risico’s voor het verkiezingsproces ten gevolge van cyberaanvallen en desinformatie in kaart te brengen, te beperken en te beheersen. |
|
4.16. |
Digitale en mediavaardigheden en burgereducatie zijn cruciale bouwstenen voor het vergroten van de veerkracht van de samenleving, met name gezien het feit dat jongeren, die massaal aanwezig zijn op onlineplatforms, zeer ontvankelijk zijn voor desinformatie. Het onderwijsbeleid is een overheidstaak; daarom is het aan de nationale regeringen om een en ander op alle niveaus van de nationale onderwijsstelsels te organiseren en leraren op dit gebied op te leiden. Helaas verzuimen overheden vaak om nationaal onderwijs in media- en informatiegeletterdheid hoog op de politieke agenda te plaatsen. Dit moet in de eerste plaats worden verbeterd, maar media- en informatiegeletterdheid gaat ook verder dan het onderwijs. Ze moet onder alle maatschappelijke groepen, ongeacht hun leeftijd, worden bevorderd en verbeterd. Daarbij moeten niet-gouvernementele organisaties een rol spelen. In heel Europa zijn al veel van deze organisaties werkzaam, maar de meeste van hen opereren op kleine schaal en hebben niet het vereiste bereik. Nationale initiatieven voor samenwerking tussen de niet-gouvernementele organisaties en nationale overheden zouden deze leemte kunnen opvullen. |
|
4.17. |
Kwalitatief hoogwaardige nieuwsmedia en betrouwbare journalistiek zijn cruciaal om het publiek van degelijke en gevarieerde informatie te voorzien. De traditionele media ondervinden financiële problemen, aangezien de platforms inhoud verspreiden die door de traditionele media is geproduceerd, zonder hen te vergoeden voor de kosten die zij hebben gemaakt, en vervolgens inkomsten van deze media wegkapen door reclame te verkopen. Om de positie van uitgevers te verbeteren en ervoor te zorgen dat rechthebbenden voor hun werk worden gecompenseerd als anderen de vruchten van hun arbeid voor commerciële doeleinden gebruiken, zou snel overeenstemming moeten worden bereikt over de hervorming van het auteursrecht van de EU. Voorts beveelt het EESC aan om na te gaan hoe het door het Europees Parlement in september 2018 aangekondigde Europese financieringsinitiatief kan worden uitgebreid, met name ter ondersteuning van de onderzoeksjournalistiek in de EU. Een sterke en betrouwbare pers leidt tot een veerkrachtige en houdbare democratie waar waarheid en verantwoordingsplicht hoog in het vaandel blijven staan. Financiering is van bijzonder groot belang voor kleinere media, die vaak te maken krijgen met rechtszaken en vexatoire vorderingen bedoeld om hen ten onder te laten gaan. |
|
4.18. |
Om interne en externe desinformatiedreigingen tegen te gaan, heeft de Commissie in 2015 de taskforce East StratCom opgericht, die zich richt op proactieve strategische communicatie over EU-beleid om destabiliserende pogingen van Rusland te bestrijden. Het EESC zou het waarderen als de Commissie de werkzaamheden van East StratCom proactiever onder de aandacht van het grote publiek zou brengen en zou doorverwijzen naar de informatie op de website van de taskforce, zodat het publiek beter doordrongen raakt van de bedreigingen voor de democratie en het verzet tegen deze bedreigingen toeneemt. Ook zou het budget van deze taskforce moeten worden verhoogd. In oktober 2017 kwam het Europees Parlement een budget overeen van 1 000 000 EUR. Dat is amper te vergelijken met de financiële middelen die andere spelers zoals de Russische Federatie investeren. (Het ministerie van Buitenlandse Zaken van de VS schat dat de geraffineerde beïnvloedingscampagne van het Kremlin een intern en extern propaganda-apparaat ter waarde van 1,4 miljard USD omvat, waarmee ongeveer 600 miljoen mensen in 130 landen en 30 talen zouden worden bereikt.) |
|
4.19. |
Afgezien van andere maatregelen zou de Commissie aandacht moeten schenken aan het feit dat instanties en regelgeving inzake informatiebeveiliging in de lidstaten vaak onderontwikkeld zijn. Het regelgevingsklimaat is gedateerd waardoor bevoegde instanties niet grondig kunnen nagaan of desinformatiekanalen aan de wetgeving voldoen. De intra-institutionele samenwerking schiet tekort en het ontbreekt duidelijk aan nationale langetermijnstrategieën om buitenlandse desinformatiecampagnes te bestrijden en aan kwetsbare bevolkingsgroepen een coherent verhaal te vertellen. Verder is een grondige herziening noodzakelijk van de Europese richtlijn audiovisuele mediadiensten, op grond waarvan een mediadienst zich momenteel in een EU-lidstaat kan registreren zolang als een van de leden van zijn raad van bestuur in die lidstaat woonachtig is. Op die manier kan namelijk publiek in Europese landen worden bereikt door te profiteren van hiaten in EU-regelgeving. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Informatief rapport REX/432 „Gebruik van de media om sociaalpolitieke processen in de EU en de Oostelijke nabuurlanden te beïnvloeden”.
(2) 2016/2276 (INI).
(3) https://euvsdisinfo.eu
(4) De Commissie gebruikt in dit document het woord „ecosystemen”. Het woord „infrastructuur” is in dit verband wellicht beter.
(5) Mededeling van de Commissie COM(2018) 236 final.
(6) http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//NONSGML+TA+P8-TA-2017-0272+0+DOC+PDF+V0//NL
(7) http://ec.europa.eu/newsroom/dae/document.cfm?doc_id=50271http://ec.europa.eu/newsroom/dae/document.cfm?doc_id=50271
(8) http://www.consilium.europa.eu/nl/meetings/european-council/2015/03/19-20/; http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-1-2018-INIT/nl/pdf; http://www.consilium.europa.eu/media/35951/28-euco-final-conclusions-nl.pdf
(9) „The Strategy and Tactics of the Pro-Kremlin Disinformation Campaign”, EDEO.
BIJLAGE
Het volgende wijzigingsvoorstel, waarvoor minstens een kwart van de stemmen werd uitgebracht, werd tijdens de beraadslaging verworpen:
Paragraaf 4.3
|
4.3. |
Het huidige tijdperk wordt gekenmerkt door sterk gepolariseerde politieke en democratische betrekkingen. Volgens denktanks zoals onder meer Freedom House en de Economist Intelligence Unit staat de democratie sinds de wereldwijde economische crisis in 2008 steeds meer onder druk. Een van de resultaten hiervan is een nieuw soort politiek leiderschap waarvan het profiel haaks staat op de democratische traditie die in Europa gedurende de laatste zeventig jaar is opgebouwd. In plaats van democratisch gekozen liberale leiders komen er steeds meer „sterke mannen” van wie de verkiezingen gepaard gaan met kritische vragen over de eerlijkheid daarvan. We zijn bekend met dit soort leiderschap buiten de invloedssfeer van de EU, bijvoorbeeld in Rusland en China. Maar het verschijnsel wordt heel zichtbaar en komt ongelooflijk dichtbij met vertegenwoordigers als Trump, Erdogan en gekozen „illiberale democraten” in EU-lidstaten, die allemaal bekendheid hebben verworven door hun voorkeur voor desinformatie, hun minachting voor de democratie en hun broze verhouding met de rechtsstaat. |
Stemuitslag
|
Stemmen vóór: |
68 |
|
Stemmen tegen: |
82 |
|
Onthoudingen: |
24 |
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/191 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014
(COM(2018) 438 final — 2018/0228 (COD))
(2018/C 440/33)
|
Rapporteur: |
Aurel Laurenţiu PLOSCEANU |
|
Corapporteur: |
Graham WATSON |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 14.6.2018 Raad van de Europese Unie, 3.7.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikelen 172, 194 en 304 VWEU |
|
Bevoegde afdeling |
Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij |
|
Goedkeuring door de afdeling |
6.9.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
144/0/1 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) pleit voor een hoger budget voor de Connecting Europe Facility (CEF) na 2020, waarvan subsidies het belangrijkste onderdeel moeten blijven. Een aantal vervoers-, energie- en digitale-infrastructuurprojecten is essentieel voor het concurrentievermogen van de EU maar levert niet het noodzakelijke rendement op investeringen op om particuliere investeerders te kunnen aantrekken. In dit verband is daarom een krachtig engagement van de EU en de nationale overheden nodig. |
|
1.2. |
Het EESC beveelt de Europese Commissie en de lidstaten aan om op projectniveau tussen de drie sectoren meer synergieën te bevorderen, die thans beperkt zijn als gevolg van de starheid van het begrotingskader wat de subsidiabiliteit van de projecten en de kosten betreft. |
|
1.3. |
Het EESC beveelt de Commissie aan om technische ondersteuning te blijven geven (programma-ondersteunende acties van de CEF) om de subsidiabiliteit van tot wasdom gekomen en hoogwaardige projecten te bevorderen, en pleit in dit verband voor continuïteit van de steunverlening. Tegelijk zouden de evaluatiecriteria moeten worden bijgewerkt zodat de meerwaarde van projecten gemakkelijker kan worden vastgesteld. Er zouden verdere stappen moeten worden ondernomen om de administratieve voorschriften niet alleen voor geringe subsidies te vereenvoudigen. |
|
1.4. |
Het EESC dringt er bij de medewetgevers op aan om de verbintenis uit de vorige CEF-verordening te blijven nakomen en het grootste deel van het energiebudget uit te geven aan elektriciteitsprojecten. Dat is essentieel om de CEF te laten aansluiten op het klimaat- en energiebeleid van de EU en om te voorkomen dat de CEF binnen het meerjarig financieel kader (MFK) een belangrijke financieringsbron van fossiele-energieprojecten wordt. Deze toezegging dient in de CEF voor 2021-2027 te worden aangescherpt en niet afgezwakt. |
|
1.5. |
Het EESC is van mening dat de in artikel 13 opgesomde selectiecriteria moeten worden uitgebreid met voorzieningszekerheid voor alle energiesoorten (elektriciteit, gas, warmte enz.) en de door elk project gerealiseerde vermindering van de koolstofuitstoot. |
|
1.6. |
Het EESC benadrukt dat de CEF zich zou moeten richten op energieprojecten die kunnen zorgen voor grotere energie-onafhankelijkheid van en meer energiezekerheid in de EU. Met CEF-steun zouden ook nieuwe installaties voor elektriciteitsopslag moeten worden gecreëerd. |
|
1.7. |
Het EESC raadt aan om binnen het volgende MFK de financiële capaciteit van het CEF-programma te vergroten. Wat de verdeling van subsidies tussen de drie sectoren betreft, raadt het EESC aan rekening te houden met de financiële vereisten van elke sector, zoals kapitaalintensiteit en investeringsrendement, waarbij de voorkeur moet worden gegeven aan investeringen die niet door de markt kunnen worden gefinancierd, teneinde voor investeerders zeer geloofwaardig en aantrekkelijk te blijven. |
|
1.8. |
Om die reden beveelt het EESC aan om de totale CEF-begroting te verhogen, gelet op het cruciale belang van deze sectoren voor de interne markt. |
|
1.9. |
Het EESC onderstreept dat de Commissie en de lidstaten zich moeten blijven inzetten voor de voornaamste CEF-doelstellingen voor het vervoersbeleid: de voltooiing van het kernnet van het trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-V) in 2030 en de transitie naar schone, concurrerende, innovatieve en geconnecteerde mobiliteit, met inbegrip van een Europese hoofdstructuur van laadpunten voor alternatieve brandstoffen tegen 2025. In dit verband zijn multimodale en grensoverschrijdende verbindingen essentieel. |
|
1.10. |
Het EESC dringt er bij de medewetgevers op aan om een eerlijke en brede mededinging te waarborgen voor projecten die van CEF-middelen profiteren, door in de praktijk wederkerigheid in acht te nemen en gebruik te maken van contractvoorwaarden die efficiëntie combineren met eerlijke risicodeling. |
|
1.11. |
Het EESC beveelt de medewetgevers aan om ervoor te zorgen dat alleen ondernemingen uit landen waar de markten in kwestie open zijn, aan de desbetreffende aanbestedingsprocedures kunnen deelnemen, wat getuigt van echte wederkerigheid, en dat de gebruikte contractvorm past bij de doelstellingen en omstandigheden van het project. De contractvoorwaarden dienen zodanig te worden geformuleerd dat de aan het contract verbonden risico’s eerlijk worden verdeeld, met als belangrijkste doel om de goedkoopste prijs en een zo efficiënt mogelijke uitvoering van het contract te waarborgen. Dit uitgangspunt dient te worden toegepast ongeacht of voor het contract een nationaal of een internationaal model wordt gebruikt (gebaseerd op artikel 3.21 van de aanbestedingsvoorschriften en -regels van de EBWO van 1 november 2017). |
|
1.12. |
Het EESC is groot voorstander van het voorstel om in de CEF 2021-2027 grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de opwekking van hernieuwbare energie op te nemen. Het algemene doel van de CEF-acties met betrekking tot hernieuwbare energie zou het creëren van een Europees netwerk voor duurzame elektriciteit moeten zijn waarin hernieuwbare energietechnologieën doeltreffender kunnen worden geïntegreerd, teneinde beter rekening te houden met het in Europa beschikbare technologische potentieel. |
|
1.13. |
Het EESC is ermee ingenomen dat installaties voor hernieuwbare energie worden opgenomen onder de subsidiabele projecten in het energieonderdeel van de CEF. De desbetreffende bepalingen zouden moeten worden gewijzigd zodat ze betrekking hebben op zowel grootschalige projecten als portfolio’s van kleinschalige projecten en alle technologieën aldus eerlijk kunnen meedingen naar financiële middelen. |
|
1.14. |
De in artikel 3 opgesomde doelstellingen van de CEF zouden niet alleen de facilitering van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie moeten omvatten, maar ook expliciet het gebruik van hernieuwbare energie moeten noemen. |
|
1.15. |
Op grond van artikel 15, onder c, kan de aankoop van gronden niet worden opgevoerd als subsidiabele kosten. Het EESC verzoekt de medewetgevers om na te gaan of dit bepaalde projecten en technologieën zou kunnen bevoor- of benadelen. Voor sectoren als vervoer en hernieuwbare energie vormt de aankoop van gronden een niet te verwaarlozen deel van de investeringen. |
|
1.16. |
Het EESC herinnert de Commissie eraan dat grensoverschrijdende interconnectoren van essentieel belang zijn voor de integratie van hernieuwbare energie, niet alleen omdat ze de transmissie van duurzame elektriciteit over lange afstand mogelijk maken, wat de benutting van schonere en goedkopere elektriciteitsbronnen in Europa bevordert, maar ook omdat ze zorgen voor de noodzakelijke flexibiliteit van het systeem. |
|
1.17. |
De mogelijkheden die voortvloeien uit de digitalisering van energienetten en -netwerken en uit het creëren van slimme netten voor de integratie van hernieuwbare energie, zouden ten volle moeten worden benut. De Commissie zou moeten nagaan hoe kan worden geprofiteerd van synergieën tussen het digitale en het energieonderdeel van de CEF. Het EESC wijst op het gebrek aan projecten voor slimme netten in de CEF 2014-2020, wat deels te wijten is aan belemmeringen voor de financiering van projecten op lager distributienetniveau. Projecten met betrekking tot hoogspanningstransmissienetten hadden daar niet mee te kampen. |
|
1.18. |
Het EESC is van mening dat de CEF ook moet zorgen voor mechanismen om te certificeren in welke vervoerstoepassingen duurzame elektriciteit wordt gebruikt, bijvoorbeeld aan de hand van garanties van oorsprong voor hernieuwbare energie. |
|
1.19. |
Het EESC wijst erop dat voorrang moet worden gegeven aan grootschalige EU-projecten om het vervoer te digitaliseren, zoals ERTMS (Europees beheersysteem voor het spoorverkeer), Sesar (ATM-onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim) en zelfrijdende voertuigen. Om het kernnetwerk voor 2030 uit te rusten met ERTMS, moet 15 miljard EUR worden geïnvesteerd. Daartoe moet een grootschalig EU-project worden gefinancierd met subsidies uit de verschillende CEF-onderdelen, particuliere middelen en „blendingonderdelen” van InvestEU. |
|
1.20. |
Het EESC roept op tot 5G-dekking van het TEN-V-netwerk, hetgeen van fundamenteel belang is. |
|
1.21. |
Het EESC pleit voor adequate controles, moderne overnachtingsmogelijkheden en voldoende parkeerterreinen met genoeg voorzieningen. |
|
1.22. |
Er zou ook aandacht moeten worden geschonken aan betere methoden om over de resultaten van de CEF te communiceren. Een budget voor communicatie zou wat dit betreft nuttig kunnen zijn. Verder moet een betere voorspelbaarheid in aanmerking worden genomen. |
|
1.23. |
Het EESC raadt aan om aanvullende maatregelen te overwegen om het volledige potentieel van het programma te ontsluiten, aangezien de CEF doorslaggevend was voor de lancering van de meeste projecten en heeft bewezen een belangrijke katalysator te zijn voor overheids- en particuliere investeringen. De complementariteit tussen de CEF en andere programma’s (zoals Horizon Europa, InvestEU en het Cohesiefonds) moet worden versterkt om overlappingen te voorkomen en begrotingsmiddelen optimaal te benutten. |
|
1.24. |
Het EESC meent dat de cohesiemiddelen essentieel zijn voor de voltooiing van de kernnetwerken in de lidstaten die van die middelen profiteren. Het beveelt de Commissie en de lidstaten aan om in het volgende MFK het aandeel uit het Cohesiefonds onder direct beheer van de CEF te houden. De prioriteiten van de CEF-Vervoer moeten door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) worden ondersteund. In ieder geval moeten de middelen binnen de in aanmerking komende lidstaat blijven. |
|
1.25. |
De evaluatiemethode zou moeten worden aangepast, want het succes van de CEF hangt niet alleen af van het toegekende geldbedrag en het aantal ondersteunde projecten.
Het EESC stelt voor om de methode voor de evaluatie van de CEF te verbeteren. Aan het eind van de periode 2014-2020 zou een echte kwantitatieve en kwalitatieve beoordeling moeten worden uitgevoerd van de voltooide en vergevorderde projecten. Het EESC pleit voor grondige bestudering van onder meer de vooruitgang die met het TEN-V is geboekt en van de veranderingen in passagiers- en goederenstromen. Ook roept het op tot een sociaaleconomische kosten-batenanalyse van TEN-V-projecten waarbij relevante sociale, economische, klimaat- en milieugerelateerde kosten en baten in aanmerking worden genomen. |
|
1.26. |
Het EESC pleit voor specifieke maatregelen met betrekking tot algemene klimaatbeschermingsdoelstellingen. |
|
1.27. |
Het EESC is van mening dat in de belangrijkste infrastructuurprojecten rekening moet worden gehouden met metropolen, ongeacht of die steun uit het Cohesiefonds kunnen krijgen. |
|
1.28. |
Het EESC beveelt concrete maatregelen aan om ervoor te zorgen dat het aantrekkelijk blijft de bestaande infrastructuur, die de ruggengraat van het huidige netwerk en de geïnstalleerde capaciteit vormt, aan te passen, uit te breiden of te moderniseren. |
|
1.29. |
Het EESC steunt de ontwikkeling van infrastructuur voor tweeledig (civiel en militair) gebruik in het kader van de CEF, zowel fysieke als technologische infrastructuur (zoals ERTMS en Sesar). Wat dit betreft is in de nieuwe internationale, geopolitieke context een open en proactieve benadering raadzaam (Drie zeeën-initiatief e.d.). |
|
1.30. |
Het EESC beveelt aan binnen de CEF prioriteit te geven aan investeringen in grensoverschrijdende infrastructuur voor het TEN-V, teneinde in alle vervoerswijzen een consistente capaciteit te realiseren en knelpunten te voorkomen en zo een volledig geïntegreerd vervoersnetwerk tot stand te brengen. |
2. Presentatie van het Commissievoorstel
|
2.1. |
Het voorstel creëert de rechtsgrondslag voor de CEF voor de periode na 2020 en is afgestemd op een Unie met 27 lidstaten. |
|
2.2. |
Het Commissievoorstel (1) van 2 mei 2018 voor het MFK na 2020 omvat een bedrag van 42 265 miljoen EUR voor de CEF, als volgt uitgesplitst:
|
|
2.3. |
Europa streeft naar mobiliteit zonder verkeersslachtoffers, zonder uitstoot en zonder papier en wil wereldleider worden op het gebied van hernieuwbare energie en het voortouw nemen in de digitale economie. |
|
2.4. |
De CEF ondersteunt investeringen in vervoer, energie en digitale infrastructuur via de ontwikkeling van de trans-Europese netwerken (TEN’s) en promoot ook grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de opwekking van hernieuwbare energie. Deze netwerken en grensoverschrijdende samenwerking zijn cruciaal voor de werking van de eengemaakte markt en van strategisch belang voor de totstandbrenging van de energie-unie, de digitale eengemaakte markt en de ontwikkeling van duurzame vervoerswijzen. |
|
2.5. |
Het MFK 2021-2027 omvat ambitieuzere klimaatdoelstellingen in alle EU-programma’s: 25 % van alle EU-uitgaven moeten bijdragen tot het behalen daarvan. De CEF wordt geacht een belangrijke bijdrage te leveren: 60 % van de CEF-middelen moet bijdragen aan de klimaatdoelstellingen. |
|
2.6. |
De toekomstige behoeften voor decarbonisatie en digitalisering zullen tot een sterkere convergentie van de vervoers-, energie- en digitale sector leiden. Synergieën tussen alle drie de sectoren moeten derhalve volledig worden benut met het oog op een maximale effectiviteit en efficiency van de door de EU verleende steun. Om sectoroverschrijdende voorstellen aan te moedigen en te prioriteren, wordt het synergieaspect van een voorgestelde actie beoordeeld op basis van de selectiecriteria. |
|
2.7. |
Voor vervoer moet de CEF bijdragen aan de voltooiing van de twee TEN-V-lagen (het strategische kernnetwerk tegen 2030 en het uitgebreide netwerk tegen 2050). Volgens ramingen zal de voltooiing van het TEN-V-kernnetwerk zorgen voor een arbeidsvolume van 7,5 miljoen manjaar tussen 2017 en 2030 en het bbp met 1,6 % doen groeien in 2030. |
|
2.8. |
Voor de allereerste keer moet de EU-financiering van projecten voor tweeledig (civiel en militair) gebruik ten uitvoer worden gelegd via de CEF. |
|
2.9. |
Voor energie ligt de nadruk op: voltooiing van de trans-Europese energienetwerken door de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang met het oog op de verdere integratie van de interne energiemarkt en de interoperabiliteit van de netwerken over de grenzen en sectoren heen; duurzame ontwikkeling door de weg vrij te maken voor decarbonisatie, in het bijzonder door de integratie van hernieuwbare energiebronnen; continuïteit van de energievoorziening dankzij de digitalisering en de omschakeling naar slimme infrastructuur. |
|
2.10. |
Wat de digitale component betreft, zorgt de CEF ervoor dat alle burgers, bedrijven en overheden maximaal voordeel kunnen halen uit de digitale eengemaakte markt. |
|
2.11. |
Voor vervoer-, energie- en digitale infrastructuur worden verschillende steunpercentages voorzien via een aantal financiële programma’s en instrumenten van de EU, zoals de CEF, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds, Horizon Europa, InvestEU en LIFE. |
|
2.12. |
De acties van het programma moeten worden gebruikt om markttekortkomingen of suboptimale investeringsvoorwaarden op evenredige wijze aan te pakken, zonder overlapping met of verdringing van particuliere financiering en met een duidelijke Europese toegevoegde waarde. |
|
2.13. |
De uitkomsten van de ex-postevaluaties zijn door de Commissie op 13 februari 2018 (2) goedgekeurd overeenkomstig vijf criteria: doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, coherentie en EU-meerwaarde. Enkele fragmenten:
|
|
2.14. |
De Commissie stelt voor om de uitvoering van het nieuwe programma, voor de drie CEF-sectoren, voort te zetten met direct beheer door haarzelf en het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA). |
|
2.15. |
De voorgestelde begroting dekt alle noodzakelijke operationele uitgaven voor de uitvoering van het programma, alsmede de personeelskosten en andere administratieve uitgaven voor het beheer van het programma. |
|
2.16. |
Ten opzichte van de CEF 2014-2020, wordt een eenvoudiger maar robuuster prestatiekader gecreëerd om erop toe te zien dat de doelstellingen worden verwezenlijkt en het programma bijdraagt aan de doelstellingen van het EU-beleid. De indicatoren om toe te zien op de tenuitvoerlegging en voortgang hebben met name betrekking op:
|
3. Algemene en specifieke opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC onderstreept het strategische belang van het CEF-programma voor de integratie van de interne markt, slimme mobiliteit, sociale samenhang, welvaart en Europese meerwaarde en de mogelijkheden voor de EU om via dit programma van concrete meerwaarde te zijn voor burgers en bedrijven.
De CEF-Vervoer had eind 2017 reeds subsidies ten belope van 21,3 miljard EUR aan TEN-V-projecten toegekend, waarmee een totaalbedrag van 41,6 miljard EUR aan investeringen werd gegenereerd. |
|
3.2. |
In de loop van 2018 zullen aanvullende subsidie-overeenkomsten worden getekend voor een „blendingoproep” voor een combinatie van CEF-subsidies en particuliere investeringen, waaronder van het EFSI (Europees Fonds voor strategische investeringen). Volgens ramingen levert elke 1 miljard EUR die in het TEN-V-kernnetwerk wordt geïnvesteerd, wel 20 000 arbeidsplaatsen op. |
|
3.3. |
Het EESC is verheugd over het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility voor de periode 2021-2027 en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014. |
|
3.4. |
Het EESC erkent dat de CEF een van de succesvolste EU-programma’s is, en onderstreept het strategische belang van de CEF voor de integratie van de interne markt, de voltooiing van de energie-unie, slimme mobiliteit, sociale samenhang en de mogelijkheden voor de EU om van concrete meerwaarde te zijn voor burgers en bedrijven. |
|
3.5. |
Het EESC meent dat binnen het volgende MFK de financiële capaciteit van het CEF-programma vergroot en evenwichtiger verdeeld moet worden, om voor investeerders zeer geloofwaardig en aantrekkelijk te blijven. Een ontoereikende begroting zou de voltooiing van de TEN-V- en TEN-E-netwerken in gevaar brengen en daardoor zouden de reeds gedane investeringen uit overheidsmiddelen in feite in waarde dalen. |
|
3.6. |
Het EESC benadrukt dat investeringen in digitale, innovatieve en duurzame vervoersprojecten moeten worden versneld om een groener, echt geïntegreerd, modern, voor iedereen toegankelijk, veiliger en efficiënter vervoerssysteem te bewerkstelligen. De sociale samenhang op EU-niveau moet worden vergroot door de overheidsinvesteringen in Europese en regionale projecten met meerwaarde te verhogen. |
|
3.7. |
Het EESC merkt op dat synergieën op projectniveau tussen de drie sectoren thans beperkt zijn als gevolg van de starheid van het begrotingskader wat de subsidiabiliteit van de projecten en de kosten betreft. |
|
3.8. |
Het EESC is ingenomen met de technische ondersteuning die wordt gegeven om de subsidiabiliteit van tot wasdom gekomen en hoogwaardige projecten te bevorderen, en pleit in dit verband voor continuïteit van de steunverlening. Tegelijk zouden de evaluatiecriteria moeten worden bijgewerkt zodat de meerwaarde van projecten gemakkelijker kan worden vastgesteld. Er zouden verdere stappen moeten worden ondernomen om de administratieve voorschriften niet alleen voor geringe subsidies te vereenvoudigen. |
|
3.9. |
Het EESC onderstreept dat zowel de Commissie als de lidstaten zich moeten blijven inzetten voor de voornaamste beleidsdoelstellingen van de CEF: de voltooiing van het TEN-V-kernnetwerk in 2030 en de transitie naar schone, concurrerende, innovatieve en geconnecteerde mobiliteit, met inbegrip van een Europese hoofdstructuur van laadpunten voor alternatieve brandstoffen tegen 2025. In dit verband zijn multimodale en grensoverschrijdende verbindingen essentieel. |
|
3.10. |
De CEF moet zich richten op energieprojecten die kunnen zorgen voor grotere energie-onafhankelijkheid van en meer energiezekerheid in de EU. Met CEF-steun zouden ook installaties voor elektriciteitsopslag moeten worden gecreëerd. |
|
3.11. |
Grensoverschrijdende interconnectoren zijn van essentieel belang zijn voor de integratie van hernieuwbare energie, niet alleen omdat ze de transmissie van duurzame elektriciteit over lange afstand mogelijk maken, maar ook omdat ze zorgen voor de noodzakelijke flexibiliteit van het systeem. |
|
3.12. |
De Europese coördinatoren moeten een grotere rol gaan spelen om tot een grondige beoordeling te komen van de voltooide en vergevorderde projecten, de daadwerkelijke resultaten en de nog bestaande knelpunten. De Commissie moet ervoor zorgen dat de beoordelingen rekening houden met de prioriteit van de oproepen. |
|
3.13. |
Het EESC vindt dat de vervoersector ten volle gebruik moet maken van de mogelijkheden die worden geboden door de digitale en innovatieve technologieën en onderkent dat nieuwe innovatieve vervoersinfrastructuur aantrekkelijker is voor investeringen, met name uit de particuliere sector. |
|
3.14. |
Volgens het EESC zijn investeringen in vervoer en met name in het trans-Europese vervoersnet (TEN-V) cruciaal voor de groei en werkgelegenheid in Europa. Daarom pleit het voor een hoger budget voor de CEF na 2020, waarvan subsidies het belangrijkste onderdeel moeten blijven. Een aantal vervoersinfrastructuurprojecten is namelijk essentieel voor het concurrentievermogen van de EU maar levert niet het noodzakelijke rendement op investeringen op om particuliere investeerders te kunnen aantrekken. Die projecten vereisen een krachtig engagement van de EU en de nationale overheden. |
|
3.15. |
De Commissie moet de financiële capaciteit van de CEF intact houden en daar niet meer in snoeien ten gunste van andere programma’s, zoals het EFSI en EDIDP (industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie). |
|
3.16. |
Het EESC wijst erop dat voorrang moet worden gegeven aan grootschalige EU-projecten om het vervoer te digitaliseren, zoals ERTMS, Sesar en zelfrijdende voertuigen. Om die projecten te realiseren is een mix van financieringsbronnen nodig: overheidsmiddelen uit de CEF en particuliere middelen die worden gegarandeerd door InvestEU. De 5G-dekking van TEN-V is eveneens van fundamenteel belang. Slechts 8 % van de 51 000 km aan kernnetwerkcorridors is tussen 1995 en 2016 uitgerust met ERTMS. Om het gehele kernnetwerk daarmee uit te rusten is in het huidige tempo meer dan 200 jaar nodig. Wil die uitrusting voor 2030 worden voltooid, dan moet 15 miljard EUR worden geïnvesteerd en moet de uitvoering van het programma enorm worden versneld. Uiteindelijk zal Europa dan kunnen profiteren van naadloos spoorvervoer met een grotere capaciteit dat veiliger en stipter is. |
|
3.17. |
Elektrische mobiliteit is een centraal onderdeel van de transitie naar duurzaam vervoer en maakt ook de netintegratie van voertuigen mogelijk waarbij de opslagcapaciteit van de batterijen van elektrische voertuigen wordt gebruikt om de flexibiliteit van het stroomnet te vergroten. De interoperabiliteit van interfaces voor de netintegratie van elektrische voertuigen zou in de hele EU een belangrijke prioriteit moeten zijn. De CEF zou ook moeten zorgen voor mechanismen om te certificeren in welke vervoerstoepassingen duurzame elektriciteit wordt gebruikt, bijvoorbeeld aan de hand van garanties van oorsprong voor hernieuwbare energie. |
|
3.18. |
Synergieën zijn essentieel voor de succesvolle uitvoering van de CEF. Voorbeelden daarvan zijn met duurzame elektriciteit gevoede laadpunten voor elektrische voertuigen, carports met fotovoltaïsche installaties en de ontwikkeling van interfacetechnologie voor de netintegratie van elektrische voertuigen. |
|
3.19. |
Verder moet worden overwogen het wegvervoer te elektrificeren. Voor vrachtwagens en bussen is in de referentieperiode 10 miljard EUR nodig voor de elektrificatie van ongeveer 7 000 km snelweg. |
|
3.20. |
De ontwikkeling en het herstel van vervoersinfrastructuur in de EU is nog steeds behoorlijk versnipperd en vormt een grote uitdaging wat capaciteit en financiering betreft. Het is van strategisch belang om zowel duurzame groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen als sociale en territoriale cohesie in de Unie te waarborgen. |
|
3.21. |
De vervoersinfrastructuur verschaft werk aan 11,2 miljoen mensen. In de CEF moet in het algemeen met hun behoeften en arbeidsomstandigheden rekening worden gehouden. Het EESC pleit voor adequate controles, moderne overnachtingsmogelijkheden en voldoende parkeerterreinen met genoeg voorzieningen. |
|
3.22. |
Het EESC wijst erop dat het Commissievoorstel in zijn huidige vorm een afzwakking vormt van de eerdere verbintenis om het grootste deel van het energiebudget uit te geven aan elektriciteitsprojecten. Gelukkig verwacht de Commissie dat die verbintenis in de huidige CEF voor het eind van de programmaperiode zal worden nagekomen. Dit is essentieel om de CEF te laten aansluiten op het klimaat- en energiebeleid van de EU. |
|
3.23. |
De bepalingen inzake de opname van installaties voor hernieuwbare energie onder de subsidiabele projecten in het energieonderdeel van de CEF zouden moeten worden gewijzigd zodat ze betrekking hebben op zowel grootschalige projecten als portfolio’s van kleinschalige projecten. Dit is van groot belang om intensiever gebruik te maken van de EU-middelen voor hernieuwbare energie, zoals wordt bepleit in de herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie. |
|
3.24. |
Het EESC wijst erop dat tegen constante prijzen de CEF-toewijzing voor 2021-2027 en de bijdrage uit het Cohesiefonds neerkomen op besnoeiingen van 12 à 13 %. Dat zou moeten worden veranderd. Tegelijkertijd moet aan de prioriteiten van de CEF-Vervoer worden voldaan. Het aandeel EFRO-middelen dat door de begunstigde lidstaten in de eerste drie jaar niet is vastgelegd, zou overeenkomstig deze prioriteiten in hetzelfde land moeten worden toegewezen. |
|
3.25. |
De tussentijdse evaluatie van de CEF richtte zich voornamelijk op kwantitatieve aspecten, ondanks het zeer concrete karakter van de meeste projecten. |
|
3.26. |
Aan het eind van de periode 2014-2020 zou een echte kwantitatieve en kwalitatieve beoordeling moeten worden uitgevoerd van de voltooide en vergevorderde projecten. |
|
3.27. |
In het ontwerp is geen evaluatie van de doeltreffendheid van de projecten opgenomen, waarop de Europese Rekenkamer in 2018 in zijn verslag kritiek had. Het EESC pleit daarom voor grondige bestudering van onder meer de vooruitgang die met het TEN-V is geboekt en van de veranderingen in passagiers- en goederenstromen. Ook roept het op tot een sociaaleconomische kosten-batenanalyse van TEN-V-projecten waarbij relevante sociale, economische, klimaat- en milieugerelateerde kosten en baten in aanmerking worden genomen. |
|
3.28. |
Het succes van de CEF hangt niet alleen af van het toegekende geldbedrag en het aantal ondersteunde projecten. De evaluatiemethode zou derhalve moeten worden aangepast. |
|
3.29. |
Er zou ook aandacht moeten worden geschonken aan betere methoden om over de resultaten van de CEF te communiceren. Verder is een betere voorspelbaarheid noodzakelijk. |
|
3.30. |
De Europese metropolen zijn de regio’s in de EU die het meeste verkeer genereren. Bijna al het vervoer gaat naar of is afkomstig uit een metropool. Het EESC is van mening dat in de belangrijkste infrastructuurprojecten rekening moet worden gehouden met agglomeraties, ongeacht of die steun uit het Cohesiefonds kunnen krijgen. |
|
3.31. |
Het EESC is ermee ingenomen dat de CEF voor het eerst en voor een bedrag van 6,5 miljard EUR steun geeft voor vervoersinfrastructuur voor tweeledig (civiel en militair) gebruik, teneinde de militaire mobiliteit in de EU te verbeteren, overeenkomstig de gezamenlijke mededeling van november 2017 (3) en het actieplan van maart 2018 (4). |
|
3.32. |
Het EESC staat achter de doelstellingen uit het actieplan voor militaire mobiliteit en steunt een defensie-unie om infrastructuur te verbeteren en synergieën mogelijk te maken. Infrastructuur voor tweeledig (civiel en militair) gebruik moet in het TEN-V-netwerk en in de regio’s met de grootste militaire risico’s worden ontwikkeld. |
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) COM(2018) 321 final.
(2) COM(2018) 66 final.
(3) Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad over verbetering van de militaire mobiliteit in de Europese Unie, Brussel, 10.11.2017, JOIN(2017) 41 final.
(4) Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad over het actieplan voor militaire mobiliteit, Brussel, 28.3.2018, JOIN(2018) 5 final.
|
6.12.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 440/199 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma inzake uitwisselingen, bijstand en opleiding voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij voor de periode 2021-2027 (het „programma Pericles IV”)
(COM(2018) 369 final — 2018/0194 (CNS))
(2018/C 440/34)
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 18.6.2018 |
|
Rechtgrondslag |
Artikelen 133 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang |
|
Goedgekeurd door de voltallige vergadering |
19.9.2018 |
|
Zitting nr. |
537 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
207/0/1 |
Aangezien het Comité instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 19 en 20 september 2018 gehouden 537e zitting (vergadering van 19 september 2018) met 207 stemmen vóór, bij 1 onthouding, besloten hierover een positief advies uit te brengen.
Brussel, 19 september 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER