ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 367

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

61e jaargang
10 oktober 2018


Inhoud

Bladzijde

 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

ADVIEZEN

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

536e zitting van het EESC, 11.7.2018-12.7.2018

2018/C 367/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de gevolgen van een nieuwe koolstofvrije, decentrale en digitale energievoorziening voor werkgelegenheid en regionale economie (initiatiefadvies)

1

2018/C 367/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van vervoer bij de realisering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en daarmee samenhangende gevolgen voor de EU-beleidsvorming (initiatiefadvies)

9

2018/C 367/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over EU-concepten voor transitiemanagement in een gedigitaliseerde arbeidswereld — Essentiële input voor een witboek van de EU over de toekomst van werk (verkennend advies op verzoek van het Oostenrijkse voorzitterschap)

15

2018/C 367/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de situatie van vrouwen met een handicap (verkennend advies op verzoek van het Europees Parlement)

20


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

536e zitting van het EESC, 11.7.2018-12.7.2018

2018/C 367/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 wat bepaalde kosten van grensoverschrijdende betalingen in de Unie en valutawisselkosten betreft (COM(2018) 163 final — 2018/0076 (COD))

28

2018/C 367/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 168/2013 wat de toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers betreft (COM(2018) 137 final — 2018/0065 (COD))

32

2018/C 367/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven, tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven (COM(2018) 209 final — 2018/0103 (COD))

35

2018/C 367/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 952/2013 tot vaststelling van het douanewetboek (COM(2018) 259 final — 2018/0123 (COD))

39

2018/C 367/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft minimale verliesdekking voor niet-renderende blootstellingen (COM(2018) 134 final — 2018/0060 (COD)) en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake kredietservicers, kredietkopers en de uitwinning van zekerheden (COM(2018) 135 final — 2018/0063 (COD))

43

2018/C 367/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over het toepasselijke recht voor de gevolgen van effectentransacties voor de eigendom (COM(2018) 89 final) en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EU van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen (COM(2018) 92 final — 2018/0041 (COD)) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht dat van toepassing is op de derdenwerking van de cessie van vorderingen (COM(2018) 96 final — 2018/0044 (COD)) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen en houdende wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 345/2013 en (EU) nr. 346/2013 (COM(2018) 110 final — 2018/0045 (COD))

50

2018/C 367/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties (COM(2018) 93 final — 2018/0042 (COD)) en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU (COM(2018) 94 final — 2018/0043 (COD))

56

2018/C 367/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — FinTech-actieplan: voor een meer concurrerende en innovatieve Europese financiële sector (COM(2018) 109 final)

61

2018/C 367/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten (COM(2018) 99 final — 2018/0047 (COD)) en over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese aanbieders van crowdfundingdiensten voor ondernemingen (ECSP) (COM(2018) 113 final — 2018/0048 (COD))

65

2018/C 367/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid [COM(2018) 147 final — 2018/0072(CNS)] en over een voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de verlening van bepaalde digitale diensten [COM(2018) 148 final — 2018/0073 (CNS)]

73

2018/C 367/15

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen [COM(2018) 212 final — 2018/0104 (COD)]

78

2018/C 367/16

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van regels ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten en tot intrekking van Besluit 2000/642/JBZ van de Raad (COM(2018) 213 final — 2018/0105 (COD))

84

2018/C 367/17

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees bevel tot verstrekking en het Europees bevel tot bewaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken (COM(2018) 225 final — 2018/0108(COD)) en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de bewijsgaring in strafprocedures (COM(2018) 226 final — 2018/0107(COD))

88

2018/C 367/18

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (herschikking) (COM(2018) 144 final — 2018/0070 (COD))

93

2018/C 367/19

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM(2018) 29 final)

97

2018/C 367/20

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee (COM(2018) 115 final — 2018/0050 (COD))

103

2018/C 367/21

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (COM(2017) 753 final — 2017/0332(COD))

107

2018/C 367/22

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing en werking van de .eu-topniveaudomeinnaam en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 733/2002 en Verordening (EG) nr. 874/2004 van de Commissie (COM(2018) 231 final — 2018/0110(COD))

112

2018/C 367/23

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijnen 2006/112/EG en 2008/118/EG wat betreft de opname van de Italiaanse gemeente Campione d’Italia en de Italiaanse wateren van het meer van Lugano in het douanegebied van de Unie en in het territoriale toepassingsgebied van Richtlijn 2008/118/EG (COM(2018) 261 final — 2018/0124 (CNS))

117

2018/C 367/24

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de toepassing van de facultatieve verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten en van het snellereactiemechanisme tegen btw-fraude (COM(2018) 298 final — 2018/0150(CNS))

118

2018/C 367/25

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 110/2008 voor wat betreft in de Unie in de handel te brengen nominale hoeveelheden van éénmaal gedistilleerde shochu die in een alambiek is gestookt en is gebotteld in Japan (COM(2018) 199 final — 2018/0097 COD)

119

2018/C 367/26

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikking 2003/17/EG van de Raad wat betreft de gelijkwaardigheid van in Brazilië verrichte veldkeuringen van gewassen voor de teelt van zaaizaad van groenvoedergewassen en gewassen voor de teelt van zaaigranen en de gelijkwaardigheid van in Brazilië voortgebrachte zaaizaden van groenvoedergewassen en zaaigranen, alsook wat betreft de gelijkwaardigheid van in Moldavië verrichte veldkeuringen van gewassen voor de teelt van zaaigranen, gewassen voor de teelt van groentezaad en gewassen voor de teelt van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen en de gelijkwaardigheid van in Moldavië voortgebrachte zaaigranen, groentezaden en zaaizaden van oliehoudende planten en vezelgewassen (COM(2017) 643 final — 2017/0297 (COD))

120


NL

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

ADVIEZEN

Europees Economisch en Sociaal Comité

536e zitting van het EESC, 11.7.2018-12.7.2018

10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de gevolgen van een nieuwe koolstofvrije, decentrale en digitale energievoorziening voor werkgelegenheid en regionale economie

(initiatiefadvies)

(2018/C 367/01)

Rapporteur:

Lutz RIBBE

Besluit van de voltallige vergadering

15.2.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 29, lid 2, van het reglement van orde

 

Initiatiefadvies

Bevoegde afdeling:

Afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij

Goedkeuring door de afdeling

28.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

123/1/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

De omschakeling van het energiesysteem naar een koolstofvrije, gedecentraliseerde en gedigitaliseerde voorziening biedt grote kansen — met name voor de structureel zwakke en plattelandsgebieden van Europa. De ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen (hierna „HE” genoemd) kan aanzienlijke positieve gevolgen hebben voor de werkgelegenheid en kan zo vorm gegeven worden dat de regionale economie volledig nieuwe impulsen krijgt.

1.2.

Met name is de kans aanwezig dat de positieve effecten van het Europese energie- en cohesiebeleid elkaar wederzijds versterken. Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) betreurt het dat zowel de Commissie als de lidstaten dit potentieel nog onvoldoende onderkennen, laat staan benutten.

1.3.

Wèl draagt het cohesiebeleid sinds zijn heroriëntatie bij aan de bevordering van HE en energie-efficiëntie, wat het EESC toejuicht. Het Europese energiebeleid ondersteunt tot dusver het cohesiebeleid echter nauwelijks. Het besef ontbreekt dat HE juist de economische ontwikkeling van achtergebleven regio’s aanzienlijk zouden kunnen bevorderen. Zo wordt een enorm politiek potentieel voor regionale groei tekortgedaan.

1.4.

Om deze kansen te benutten, moeten de regio’s in staat worden gesteld en ondersteund om via de uitbreiding van HE en de daarmee samenhangende specifieke netwerkinfrastructuur de groei van de regionale economie te stimuleren en een breed maatschappelijk draagvlak hiervoor te creëren. Een zeer belangrijke vorm van participatie voor het creëren van regionale waarde is de opwaardering van de rol van consumenten, die als prosumenten en mede dankzij digitalisering een volledig nieuwe energieverantwoordelijkheid op zich kunnen nemen, een economische rol kunnen gaan vervullen en vanuit het idee „klimaatbescherming van onderaf” grotere politieke doelstellingen kunnen ondersteunen.

1.5.

Het is van belang voor de ontwikkeling van HE een integrale regionale aanpak te hanteren. Dit betekent dat de opwekking en het gebruik van HE — en wel voor de sectoren elektriciteit, warmte en mobiliteit samen — lokaal worden gecoördineerd. Kunstmatige intelligentie en „smart grids” kunnen hieraan aanzienlijk bijdragen.

1.6.

In hoeverre de regio’s hierin slagen, kan worden afgeleid uit de verhouding tussen regionaal benodigde energie en regionaal geproduceerde of produceerbare HE. In het kader van „regionale plannen voor de energiekringloop” zouden er analyses moeten worden opgesteld die een gedifferentieerde beoordeling mogelijk maken van het regionale economische potentieel van HE per regio. In de plannen moet voor de regio in kwestie ook rekening worden gehouden met de gevolgen voor de werkgelegenheid. Want hoewel in het algemeen kan worden gezegd dat de energietransitie meer banen zal creëren dan in het huidige energiesysteem zullen sommige regio’s meer van dit effect profiteren dan andere.

1.7.

De regionale plannen voor circulaire energie zouden het uitgangspunt kunnen vormen voor gestructureerd en gedifferentieerd overleg met de lokale bevolking, wat belangrijk is a) voor het behouden of creëren van een lokaal draagvlak voor HE en b) voor het versterken van regionale bedrijfslocaties. Het EESC verbaast zich erover dat dergelijke analyses en plannen tot nu toe slechts in een zeer beperkt aantal gevallen beschikbaar zijn.

1.8.

Een integrale regionale economische aanpak van de ontwikkeling van HE zou niet alleen een belangrijke bijdrage zijn aan het Europese cohesiebeleid. Ook uit energieoogpunt zijn er tal van argumenten: terugdringing van energieafhankelijkheid en -armoede, ondersteuning van ontkoppeling van sectoren, gebruik van het innovatiepotentieel van digitalisering, ontlasting van het netwerk.

1.9.

Tegen deze achtergrond dringt het EESC er bij de Commissie en de lidstaten op aan de nodige stappen te ondernemen om te komen tot een integrale aanpak van de ontwikkeling van HE: definitie van energieregio’s, ondersteuning voor de empirische vaststelling van de verhouding tussen de regionale energievraag en regionaal geproduceerde of produceerbare HE, gerichte opleiding en bijscholing, stimulansen voor de tenuitvoerlegging, bijv. door ondersteuning van de uitbreiding van de infrastructuur voor HE en de bijbehorende prijsstelling van netwerkkosten.

2.   Achtergrond

2.1.

De Europese Unie staat voor ingrijpende veranderingen in haar energievoorziening en -beleid. Deze behelzen niet alleen de productie (van koolstofhoudende fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen), maar ook enorme structurele veranderingen, zowel wat betreft de locatie van de energieproductie (van grote gecentraliseerde centrales naar decentralere structuren) als wat betreft de structuur van het aanbod en het verbruik (nieuwe belanghebbenden en verbruiks- en distributiemodellen, onder meer als gevolg van de digitalisering).

2.2.

Het EESC heeft zich al in diverse adviezen gebogen over de gevolgen van de energietransitie voor regio’s die hiervan de dupe zullen worden, zoals de steenkoolregio’s (1). In dergelijke regio’s zijn al veel mensen hun baan kwijtgeraakt; nog meer banenverlies is vrijwel niet te voorkomen. Des te belangrijker is het om de op handen zijnde structurele verandering bijtijds te herkennen en politiek te begeleiden, zodat de economische en sociale gevolgen tot een minimum worden beperkt en worden verzacht. Het EESC is in dit verband ingenomen met de eerste initiatieven van de Commissie (2).

2.3.

Het EESC heeft echter vastgesteld dat de te verwachten positieve veranderingen, bijv. in termen van regionale waardecreatie en het scheppen van banen, tot dusver slechts amper ter sprake zijn gekomen. De Commissie gaat weliswaar op verschillende plaatsen in de overwegingen van de huidige HE-richtlijn (2009/28/EG) in op het belang van HE voor de regionale economische ontwikkeling, maar tijdens zijn onderzoek heeft het EESC vastgesteld dat er a) amper onderzoek is gedaan naar de mogelijke economische gevolgen van de uitbreiding van HE voor de regio’s en b) binnen de Commissie en de lidstaten geen strategie bestaat om het energiebeleid en de regionale ontwikkeling concreet beter op elkaar af te stemmen. Er kan dus geen sprake zijn van een herkenbare politieke strategie om dit potentieel ten volle te benutten.

2.4.

Desondanks zijn er in Europa nu al tal van positieve bottom-upvoorbeelden van de ontwikkeling van HE op lokaal en regionaal niveau. Een willekeurig voorbeeld: in Langres in Oost-Frankrijk (10 000 inwoners) is een houtgestookte warmtecentrale gebouwd die via een lokaal verwarmingsnet van 5 km 22 warmwaterinstallaties en indirect onder andere een hotel, een zwembad en een bejaardentehuis voorziet; jaarlijks wordt 3 400 ton CO2 minder uitgestoten. Bij veel van dergelijke initiatieven valt op dat zij slechts zelden systematisch op hun regionale economische relevantie worden beoordeeld. In die zin bestaat er dus een groot „gebrek aan statistische kennis”.

2.5.

In Feldheim (bij Berlijn) worden niet alleen sinds twintig jaar de lokale hulpbronnen consequent gebruikt voor lokale energieproductie en -voorziening, maar worden ook de gevolgen voor de regionale economie uitvoerig beschreven. De elektriciteitsbehoefte van het dorp wordt ondertussen diverse malen en de warmtebehoefte volledig gedekt. Naast de rechtstreekse inkomsten uit de verkoop van energie zijn de besparingen op de uitgaven opmerkelijk: de inwoners betalen er een elektriciteitsprijs van slechts 16,6 ct/kWh, wat overeenkomt met iets meer dan 50 % van de gemiddelde elektriciteitsprijs in Duitsland. Bij deze consequent beheerde energiekringloop is de lokale bevolking als „drijvende kracht” zeer intensief betrokken (3).

Het EESC hecht er groot belang aan om deze mogelijk positieve effecten voor de regionale economie in een algemene evaluatie te vergelijken met de genoemde negatieve neveneffecten van de energietransitie.

2.6.

Met dit initiatiefadvies wil het Comité een diepgaande discussie op gang helpen brengen door de mogelijkheden en voorbeeldige benaderingen te beschrijven en door de zwakke punten in kaart te brengen.

3.   Het belang van HE voor de economische en sociale ontwikkeling van Europa en zijn regio’s

3.1.

De EU is de grootste energie-importeur ter wereld; 53 % van onze behoefte aan primaire energie wordt jaarlijks ingevoerd voor in totaal meer dan 400 miljard EUR. De energieafhankelijkheid van de Unie is een ernstig economisch en geopolitiek probleem.

3.2.

De „Europese energie-unie” beoogt: a) de energiezekerheid van Europa te vergroten door de energie-import te verminderen, b) de klimaatbescherming te bevorderen, c) nieuwe banen te scheppen. Volgens het EESC is deze Europese macro-economische doelstelling ook zinvol op regionaal niveau en moet deze worden toegepast.

3.3.

Tegen deze achtergrond moet de bevordering van HE als „binnenlandse” energiebronnen, die — in tegenstelling tot fossiele energiebronnen — in alle regio’s van de Unie beschikbaar zijn, niet alleen worden bezien uit oogpunt van klimaatbescherming, maar ook worden beschouwd als een belangrijke regionale economische doelstelling: energieproductie kan en moet regionale economieën stimuleren.

3.4.

Hoe meer regionale actoren — burgers, regionale bedrijven of gemeenten zelf — erin slagen hieraan economisch deel te nemen, hoe groter het vereiste draagvlak voor de uitbreiding van de infrastructuur voor HE zal zijn. Regionale waardecreatie door middel van HE neemt toe naarmate regionale belanghebbenden actiever bij de zaak betrokken worden.

3.5.

Een gedifferentieerde kijk op de waardeketen van HE laat zien hoe een dergelijke economische participatie er in detail uit kan zien.

In de eerste plaats moet de eigenlijke investering in installaties voor HE worden vermeld: de installaties worden meestal uit andere regio’s „geïmporteerd”. Hetzelfde geldt voor de planning, die — vooral voor grotere projecten — vaak wordt uitgevoerd door ingenieurs- of ontwikkelingsbureaus die ook zelf vaak niet in de regio zijn gevestigd; de impact op de regionale economie is dus vrij gering.

Anderzijds is de directe regionale toegevoegde waarde het resultaat van de exploitatie- en onderhoudskosten van de installaties. Deze kosten zijn echter voor installaties voor HE relatief laag. Positief werken, bijv. bij wind- of vrijstaande installaties met zonnepanelen, huurbetalingen aan lokale grondeigenaren en mogelijke belastinginkomsten voor gemeenten.

De werkelijke economische winst van installaties voor HE vloeit voort uit het gebruik of de verkoop van de opgewekte energie. Voor de regionale economie is het dus cruciaal wie de installaties exploiteert en wie met de exploitatie ervan winst kan genereren.

3.6.

Een vorm van economische participatie komt tot uiting in regionale banen die in de energiesector kunnen worden gecreëerd in het kader van de uitbreiding van HE. Uit tal van studies blijkt dat het netto-effect van de omschakeling van het energiesysteem op de werkgelegenheid duidelijk positief is — onlangs bijv. uit een onderzoek voor Nederland (4). Benadrukt moet worden dat volgens deze studie alle Nederlandse provincies van dit positieve effect zullen profiteren.

Om dergelijke positieve ontwikkelingen in alle regio’s van Europa te bereiken, is het zaak om zo vroeg mogelijk te investeren in de juiste kwalificaties van mensen.

3.7.

Het is duidelijk dat deze positieve effecten niet altijd alle nadelen van structurele verandering geheel kunnen compenseren, bijvoorbeeld voor kolengebieden. Maar de overschakeling op HE biedt grote kansen voor een positieve ontwikkeling in de vele regio’s van Europa, die nu louter energie-importeurs zijn.

3.8.

Een andere vorm van regionale economische deelname is directe participatie in investeringen in installaties voor HE en dus in de exploitatie daarvan. Bij installaties voor HE maken kapitaalkosten het grootste deel uit van de totale kosten. Daarom is het des te belangrijker voor de regionale waardeschepping dat regionale actoren in installaties voor HE kunnen investeren. Volgens een onderzoek voor de Duitse deelstaat Hessen kan regionale waardecreatie tot acht keer zo groot zijn als een windmolenpark regionaal wordt geëxploiteerd (5).

3.9.

In sommige Europese regio’s hebben politici dit belang onderkend en zijn zij initiatieven gestart om de regionale participatie in HE te versterken, bijvoorbeeld: Community Empowerment Bill (Schotland), Lov om fremme af vedvarende energi (Denemarken), Bürger- und Gemeindenbeteiligungsgesetz (Duitse deelstaat Mecklenburg-Vorpommern) of de „National Energy Independence Strategy” van Litouwen.

3.10.

Een derde mogelijke vorm van participatie is dat consumenten hun energie rechtstreeks kunnen betrekken van installaties in hun regio, bijv. via zogenaamde „overeenkomsten voor stroomafname” (PPA, power purchase agreements). De digitalisering zal ppa ook voor kleinere energieverbruikers toegankelijk maken en de kosten zullen zich waarschijnlijk zo ontwikkelen dat lokaal opgewekte wind- of zonne-energie steeds vaker goedkoper zal zijn dan de energie tegen groothandelsprijs.

3.11.

Er is nog een effect dat van belang kan zijn. Als een regionale economie met energiekringloop nieuwe toegevoegde waarde creëert in een regio door besparingen of inkomsten uit HE, of de uitstroom van geld door de import van energie vermindert, komt er kapitaal beschikbaar dat ook in andere economische sectoren — dus buiten de energiesector — kan worden geïnvesteerd. Er moet dus niet alleen gekeken worden naar de „directe” werkgelegenheidseffecten (zoals banen in de sector HE), maar ook naar de „indirecte” effecten die uit nieuwe regionale financieringsstromen kunnen voortvloeien.

4.   HE als regionaal beleid — een geslaagd voorbeeld uit Polen (Podlachië)

4.1.

De Poolse regio Podlachië is een voorbeeld dat bijzonder duidelijk laat zien hoe de overwegingen in hoofdstuk 3 regionaal kunnen worden uitgevoerd. Het voorbeeld illustreert hoe met de expansie van hernieuwbare energie succesvol regionaal beleid kan worden gevoerd in een structureel zwakke regio — zelfs onder allesbehalve optimale nationale omstandigheden. Dit vereist echter een systematische aanpak, die hieronder wordt beschreven.

4.2.

In 2012 heeft het regionaal parlement (Sejmik) een regionaal ontwikkelingsplan goedgekeurd dat de basis vormde voor de uitvoering van de operationele programma’s voor het gebruik van de Europese structuurfondsen.

4.3.

Podlachië, structureel en economisch gezien een van de zwakste regio’s in Europa, importeert jaarlijks voor ongeveer 5,2 miljard PLN (= 1,25 miljard EUR) aan energie. De regio beschikt niet over fossiele energiebronnen.

4.4.

De ontwikkelingsstrategie gewaagt van een geplande „revolutie” met vier doelstellingen: 1) onafhankelijkheid van de invoer van stroom, 2) groter aandeel van HE in het verbruik van energie, 3) terugdringing van de uitstoot van CO2 en 4) vergroting van het economisch potentieel van de regio, door ingevoerde (koolstofintensieve) energiebronnen te vervangen door regionale (schone) energiebronnen.

4.5.

In Podlachië heeft men ingezien dat een „regionaal energiebeleid” alleen kan slagen als ook gekeken wordt naar de structuur van de actoren op de energiemarkt. Het doel is „dat de inwoners en ondernemers van Podlachië eigenaar worden van decentrale energiebronnen”.

4.6.

Sinds eind 2016 heeft de gemeente Turośń Kościelna (Podlachië) met behulp van EFRO-middelen 38 warmtepompen, 77 PV- en 270 zonne-energiesystemen aangekocht. Zij coördineert de berekeningen, de bestellingen en de installatie en neemt zo de inwoners alle juridische en technische werkzaamheden uit handen. De investeringen werden voor 85 % gesubsidieerd uit de structuurfondsen van de EU. In de toekomst zal ongeveer 25 % van alle huizen uitgerust zijn met moderne technologie op het gebied van HE.

4.7.

In aansluiting op de bestaande „nettobemetering” voor kleine PV-installaties in Polen produceren burgers hun eigen „groene” stroom (inclusief alle bijkomende kosten) voor ca. 0,18 PLN/kWh (ca. 4,3 ct/kWh). Ter vergelijking: voor aankoop via het net (van elektriciteit die voornamelijk uit steenkool wordt geproduceerd) moet momenteel 0,65 PLN/kWh (= 15,5 ct/kWh) worden betaald. Dit resulteert in een vermindering van de elektriciteitskosten met ongeveer 75 %; het bespaarde geld komt ten goede aan de regionale economie.

4.8.

Het kantoor van de gouverneur heeft dit initiatief overgenomen en in 2017 in 62 andere gemeenten soortgelijke projecten mogelijk gemaakt. In totaal is subsidie aangevraagd voor circa 4 700 dakinstallaties voor thermische zonne-energie en 2 250 dakinstallaties voor PV-systemen met een totale capaciteit van ruim 7 mWp; de installatie is gepland voor 2018.

4.9.

Er wordt echter al lang verder gedacht, bijv. over elektromobiliteit. Van de 5,2 miljard PLN die Podlachië jaarlijks besteedt aan de invoer van energie gaat ongeveer 1,5 miljard PLN alleen al naar de invoer van benzine en diesel voor personenauto’s.

4.9.1.

De „Podlachische kanttekening” hierbij: de in de regio geregistreerde personenauto’s leggen jaarlijks ca. 5,2 miljard km af. Zouden alle voertuigen op elektriciteit rijden, dan zou bij een verbruik van 15 kWh/100 km ongeveer 800 000 MWh elektriciteit nodig zijn. Met de huidige netstroomprijs van 0,63 PLN/kWh zou dit ongeveer 500 miljoen PLN kosten in plaats van de 1,5 miljard PLN voor fossiele brandstoffen, die momenteel worden gebruikt. Alleen al hierdoor zou ongeveer 1 miljard PLN in de regio blijven en zou de economie kunnen versterken!!

4.9.2.

De benodigde hoeveelheid elektriciteit kan worden opgewekt met zo’n 70 (regionaal geïnstalleerde) windenergie-installaties. De jaarlijkse elektriciteit van zo’n installatie is voldoende voor het gebruik van ca. 7 000 auto’s, één kWh kost ca. 6-7 ct. Als 7 000 automobilisten de handen ineen zouden slaan en zo’n faciliteit coöperatief zouden exploiteren, dan zouden hun kosten voor het gebruik van e-voertuigen nog eens aanzienlijk afnemen. Dit zou echter juridisch en administratief mogelijk moeten worden gemaakt, bijvoorbeeld door netwerken voor peer-to-peerdistributie open te stellen. Digitalisering biedt zulke mogelijkheden, maar de politiek blokkeert die!

4.10.

In Podlachië wordt ook overwogen om regionaal opgewekte windenergie te gebruiken ter vervanging van steenkool in warmtecentrales. De windenergie zou worden gebruikt in industriële warmtepompen en warmteopslagsystemen. Dit lijkt zeer rendabel. Maar het overleg hierover is nog niet verder dan de voorlopige planning. Er is geen eens geld te vinden voor een haalbaarheidsstudie.

5.   Meer regionale toegevoegde waarde door regionaal gebruik van regionaal opgewekte HE

5.1.

Het „voorbeeld van Podlachië” laat zien dat een belangrijk effect van HE gelegen is in de potentiële versterking van de regionale koopkracht. Om dit in te zien is het in de eerste plaats van belang het potentieel van een „regionale kringloopeconomie voor energie” te beoordelen, en wel in de sectoren elektriciteit, warmte en vervoer.

5.2.

Het potentieel van de regionale economische benadering kan duidelijk worden geïllustreerd aan de hand van thermische zonne-energie. De regionale toegevoegde waarde door installatie en exploitatie is laag, te meer omdat hier ook negatieve effecten tegenoverstaan, bijvoorbeeld als een oliegestookte verwarmingsinstallatie wordt vervangen en daardoor werkgelegenheid voor stookoliehandelaren onder druk komt te staan. Thermische zonne-energie heeft echter zeer positieve gevolgen voor de consument. Hoe groter immers het aandeel van zonnewarmte in hun totale warmtebehoefte, hoe meer ze kunnen afzien van de invoer van energiegrondstoffen zoals steenkool, ruwe olie of aardgas, die verlies van koopkracht uit de regio betekent, ten gunste van steenkool-, olie- en gasexporterende landen of multinationale olie- en gasbedrijven.

5.3.

Al met al lijkt het zaak om een regionale energiebalans op te stellen om na te gaan in hoeverre het mogelijk is of zou zijn om het regionale energieverbruik te dekken met regionaal opgewekte (en mogelijk tijdelijk opgeslagen) HE. De balans moet vier aspecten omvatten:

1.

De energiebehoeften van een regio in de sectoren elektriciteit, warmte en mobiliteit moeten worden vastgesteld. Het is om twee redenen van belang de verwarmings- en mobiliteitssector in aanmerking te nemen: ten eerste zijn deze gebieden goed voor 75 % van het energieverbruik. Ten tweede zijn warmte- en mobiliteitstoepassingen belangrijke flexibiliteitsopties die meestal alleen ter plaatse beschikbaar zijn.

2.

Bekeken moet worden welke mogelijkheden er zijn om met HE uit de regio in deze behoefte te voorzien. Daartoe moet ook worden bekeken in hoeverre dit daadwerkelijk leidt tot een wijziging van de kapitaalstroom, nl. ten gunste van de regio. In het geval van bio-energie is dan de oorsprong van de biomassa van belang en in het geval van alle technologieën voor HE de oorsprong van de installaties en van de bedrijven die belast zijn met de installatie en het onderhoud ervan. Verder moet aan de hand van de structuur van de exploitant en eventueel het volume van het intraregionale elektriciteitsverbruik worden nagegaan of de door de exploitatie gegenereerde omzet in de regio blijft en dus economische participatie van regionale spelers behelst.

3.

Het verschil tussen de regionale energievraag en het aandeel dat regionale HE daarin kan bieden, geeft aan hoeveel energie uit andere regio’s moet worden geïmporteerd (kapitaaluitstroom uit de regio). Veel Europese regio’s zullen ook in de toekomst niet zonder energie-invoer kunnen, omdat het inefficiënt, oneconomisch of gewoonweg technisch onmogelijk is om de hele regionale energievraag regionaal te dekken.

4.

Als er in de regio meer energie wordt opgewekt dan regionaal wordt verbruikt, moet worden bepaald wie participeert in de opbrengst van de verkochte elektriciteit.

5.4.

Voor elke Europese regio zou een balans moeten worden opgemaakt van de regionale energieproductie en -consumptie, zonder dat dit een wettelijke verplichting wordt. Integendeel: elke regio zou er zelf belang bij moeten hebben om vrijwillig zo’n balans op te stellen. Bekeken moet worden of de vastgestelde categorie NUTS 3-regio’s hiertoe kan worden gebruikt. In sommige gevallen lijken grensoverschrijdende energieregio’s ook aantrekkelijk, ook in de zin van een „Europa van de regio’s”. Een energie-informatiedienst, voor de oprichting waarvan het EESC in een eerder advies (6) heeft gepleit, zou in dit verband een coördinerende rol kunnen spelen.

6.   Energiepotentieel en potentieel voor regionaal beleid van een evenwichtige of positieve energiebalans

6.1.

Als de in hoofdstuk 5 beschreven balans tussen regionaal geproduceerde en regionaal gebruikte HE kan worden verbeterd, wordt een bijdrage geleverd aan de vermindering van de Europese energieafhankelijkheid.

6.2.

Als regionale actoren meer en economisch aan HE zouden kunnen deelnemen, zou dat de regionale cohesie versterken. Dit komt doordat structureel zwakke regio’s vaak het grootste potentieel voor HE hebben en het regionale economische effect van HE hier dus het grootste effect heeft.

6.3.

Als er specifieke regionale energiebalansen zouden worden opgesteld, kan het belang worden nagegaan van de energietransitie voor de afzonderlijke regio’s. Het debat over de structurele veranderingen in bepaalde regio’s moet op een gefundeerde basis worden gevoerd. Desbetreffende maatregelen in het kader van regionaal beleid zouden beter kunnen worden ontwikkeld dan nu het geval is, aangezien relatief algemeen sprake is van „steenkoolregio’s” of „energie-eilanden”.

6.4.

Of een regio nu energie in- of uitvoert of een evenwichtige energiebalans heeft: dit heeft concrete gevolgen voor de mensen die er wonen. Dit vereist een dialoog met regionale belanghebbenden. Er is geen perfecte oplossing die alle regio’s in gelijke mate past. In plaats daarvan moeten per regio rechtvaardiger oplossingen worden uitgewerkt, ook ten aanzien van ruimtelijke rechtvaardigheid, dus de vraag welke gebieden waarvoor gebruikt worden. Vertegenwoordigers van de regionale politiek en het regionale bestuur moeten over de juiste kwalificaties beschikken.

6.5.

Hoe meer regionale HE in de regionale energiebehoefte kunnen voorzien, hoe onafhankelijker de in de regio wonende en werkende consumenten zullen zijn van de ontwikkeling van de wereldmarktprijzen, met name voor olie en gas. Dit is de beste manier om energiearmoede en kwetsbaarheid van eindgebruikers te verminderen. Aangezien de energieprijzen een steeds belangrijker criterium worden voor investeringsbeslissingen kan tegelijkertijd de aantrekkelijkheid van lokale economische en industriële vestigingsplaatsen worden vergroot.

6.6.

De op handen zijnde integratie van de verwarmings- en mobiliteitssector in het elektriciteitssysteem kan gericht worden bevorderd door stimulansen voor het regionale gebruik van regionaal opgewekte HE en aldus voor de versterking ervan.

6.7.

De digitalisering van de energiesector biedt enorme kansen. Ook in dit opzicht kunnen prikkels om het regionale gebruik van regionaal geproduceerde HE helpen om de specifieke mogelijkheden van digitalisering te ontsluiten en zo innovatie te bevorderen.

6.8.

De Europese energie-unie beoogt de rol van burgers en energieconsumenten in de energietransitie te versterken. Supraregionale energiemarkten kennen echter hoge drempels voor markttoegang, en schaalvoordelen spelen een belangrijke rol (7). Uiteindelijk is dit een gevolg van historisch gegroeide monopolistische marktstructuren. Op regionale schaal kunnen burgers en consumenten hun nieuwe, actievere rol, d.w.z. in de context van een regionale kringloopeconomie voor energie, veel gemakkelijker spelen.

6.9.

Als regionaal opgewekte HE meer in de regio zou worden gebruikt, zou dit het net ontlasten en mogelijk de noodzaak verminderen om de Europese elektriciteitstransportnetten massaal uit te breiden (zie ook overweging 52 van het voorstel voor een richtlijn inzake de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (COM(2016) 767 final)).

7.   Eisen met betrekking tot een regionale kringloopeconomie voor energie

7.1.

Het EESC roept de EU-instellingen op om het regionale gebruik van regionaal geproduceerde HE te beschouwen als een doelstelling van een Europees energiebeleid, alsook van het cohesiebeleid, en om de balans tussen de regionale vraag naar energie en de regionale productie van HE als maatstaf te hanteren. Dit houdt in dat bij de verdere vormgeving van de bevordering van HE rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van energieprojecten van burgers en andere regionale actoren, die niet van schaalvoordelen profiteren (8). Het doel moet met name zijn de belemmeringen voor de toegang tot de markt weg te nemen die afbreuk doen aan de marktkansen van kleine (regionale) actoren. Zinvol is ook een Europees programma voor de kwalificatie van regionale actoren en een intensievere uitwisseling van goede praktijken.

7.2.

Dit vereist een strategische beslissing, nl. om het energiebeleid op decentralisatie te richten. In dit opzicht bevat het pakket „Schone energie voor alle Europeanen” nog steeds veel te veel tegenstrijdigheden tussen een eerder decentraal en een uitgesproken gecentraliseerd energiebeleid. Het zou een goede zaak zijn als Europese regio’s en gemeenten de bevoegdheid zouden krijgen om de deelname van regionale actoren aan het gebruik van regionale hernieuwbare energie rechtstreeks te reguleren. Dit zou ook aansluiten op de in veel lidstaten gegroeide traditie van gemeentelijke diensten van algemeen belang.

7.3.

Het EESC verzoekt de Commissie na te gaan welke maatregelen in het kader van de energiepolitieke mix op Europees, nationaal en subnationaal niveau kunnen bijdragen aan de bevordering van regionale energie. Onderdeel daarvan kan een specifieke versie van de wetgeving inzake overheidsopdrachten zijn. Bovendien moet een methode worden ontwikkeld waarmee de regio’s hun energiebalans kunnen opstellen. Een onlinetoepassing voor regionale politici en belanghebbenden die ten minste bij benadering resultaten oplevert, zou wenselijk zijn.

7.4.

Een herstructurering van de nettarieven, mogelijk ook van andere heffingen en belastingen, zou kunnen bijdragen om de geschetste regionale economische effecten bij de uitbreiding van HE te bereiken. De export en vooral de import van energie moeten zodanig worden beprijsd dat ten minste rekening wordt gehouden met de transportkosten.

7.5.

Een gedifferentieerde inning van de netwerktarieven — dus de prijs van transacties voor de handel in elektriciteit afhankelijk maken van het aantal netwerkniveaus dat wordt gebruikt om de transactie te verwerken — zou het, in combinatie met een grotere dekking van de regionale energievraag door regionaal opgewekte HE, ook gemakkelijker maken om op een marktgeoriënteerde manier vast te stellen in hoeverre het net daadwerkelijk uitgebreid moet worden. Wel zal het belangrijk zijn om de energieregio’s in Europa goed met elkaar te verbinden. Dit betekent echter niet dat uitbreiding van het net zonder meer en in elk geval voorrang moet krijgen. Dat gebeurt vandaag de dag nog te vaak, zonder dat dit economisch verantwoord is (9).

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 1.

(2)  https://ec.europa.eu/info/news/no-region-left-behind-launch-platform-coal-regions-transition-2017-dec-08_en

(3)  Zie voor meer details de presentatie van de casestudy tijdens de hoorzitting van het EESC over „De energietransitie in Europa’s regio’s — Beoordeling van de impact van de transitie naar een intelligente en koolstofarme energievoorziening op de regionale economie” op 31 mei 2018. https://www.eesc.europa.eu/en/news-media/presentations/presentation-michael-knape

(4)  Weterings, A. et al. (2018): Effecten van de energietransitie op de regionale arbeidsmarkt — een quickscan, PBL, Den Haag, blz. 36.

(5)  Institut für dezentrale Energietechnologien (2016). Regionale Wertschöpfung in der Windindustrie am Beispiel Nordhessen.

(6)  PB C 262 van 25.7.2018, blz. 86.

(7)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 91.

(8)  PB C 246 van 28.7.2017, blz. 55.

(9)  Zie Peter, F.; Grimm, V. & Zöttl, G. (2016). Dezentralität und zellulare Optimierung — Auswirkungen auf den Netzausbaubedarf. https://www.fau.de/files/2016/10/Energiestudie_Studie.pdf


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/9


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van vervoer bij de realisering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en daarmee samenhangende gevolgen voor de EU-beleidsvorming

(initiatiefadvies)

(2018/C 367/02)

Rapporteur:

Tellervo KYLÄ-HARAKKA-RUONALA

Besluit van de voltallige vergadering

15.2.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 29, lid 2, reglement van orde

 

Initiatiefadvies

Bevoegde afdeling

Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij

Goedkeuring door de afdeling

28.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

136/0/3

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Vervoer is een onmisbare factor voor het realiseren van bepaalde duurzameontwikkelingsdoelstellingen (sustainable development goals of SDG’s). Het levert een belangrijke bijdrage aan de SDG’s die betrekking hebben op economische ontwikkeling, industrie en het midden- en kleinbedrijf (mkb), of op handel en investeringen. Vervoer helpt zo ook de SDG’s te verwezenlijken die werkgelegenheid en welzijn beogen te bevorderen en naar minder ongelijkheid en uitsluiting streven. Ondertussen brengt de vervoerssector tal van uitdagingen op het gebied van duurzame ontwikkeling met zich mee, zoals de noodzaak om de klimaat- en milieueffecten te verminderen, de vervoerssystemen en de verkeersveiligheid te verbeteren en de problemen op het gebied van werkgelegenheid en fatsoenlijk werk aan te pakken.

1.2.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) verzoekt de Europese Commissie om een nieuw geïntegreerd beleidskader voor de volgende generatie vervoersbeleid op te stellen, met als doel de basis te leggen voor een verbetering van vervoer en mobiliteit zonder de sociale en milieudoelstellingen uit het oog te verliezen.

1.3.

Met het oog hierop moet het EU-beleid de voorwaarden scheppen die ertoe bijdragen dat vervoer aan de mobiliteitsbehoeften van mensen en bedrijven kan voldoen. Dit vereist aanzienlijke investeringen in degelijke infrastructuur, innovatie en goed functionerende vervoerssystemen, met inbegrip van openbaar vervoer — allemaal in overeenstemming met de SDG’s.

1.4.

Er moet ook ingespeeld worden op de SDG’s die betrekking hebben op de sociale aspecten van vervoer, zoals de bevordering van volledige en productieve werkgelegenheid, waardig werk en de ontwikkeling van vaardigheden, en er moet vooruitgang worden geboekt op het gebied van gendergelijkheid. Ook moet er bijzondere aandacht worden geschonken aan de behoeften van personen in een kwetsbare situatie, zoals kinderen, mensen met een handicap en ouderen. De sociale dialoog moet een sleutelrol spelen bij het in goede banen leiden van structurele veranderingen.

1.5.

De doelstelling betreffende klimaatverandering is een grote uitdaging voor de vervoerssector en vergt een intensieve ontwikkeling van vervoerssystemen, de invoering van allerlei koolstofarme maatregelen en een nieuwe en innovatieve benadering van mobiliteit.

1.6.

Digitalisering en robotisering behoren tot de megatrends die van invloed zijn op de ontwikkeling van het vervoer en vereisen een goed beheer van de kansen en uitdagingen. Digitalisering draagt bij tot duurzaam vervoer door de logistiek efficiënter te maken, de passagiers betere vervoersinformatie te verstrekken en de verkeersveiligheid te verbeteren.

1.7.

Aangezien vervoer een zaak van de gehele samenleving is, is het cruciaal om het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de voorbereiding en tenuitvoerlegging van het vervoersbeleid. Hoewel de rol van de publieke sector essentieel is, moeten ook bottom-up-acties en partnerschappen worden gestimuleerd om de best mogelijke oplossingen voor het vervoer te vinden.

1.8.

Bovendien roept het EESC de Europese Commissie op om de SDG-indicatoren uitgebreid te evalueren vanuit het perspectief van vervoer en de ontwikkeling te bevorderen van indicatoren die relevant zijn, een realistisch en informatief beeld geven van de ontwikkelingen en overeenstemmen met de geïntegreerde aanpak.

2.   Achtergrond

2.1.

De duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Agenda 2030 van de Verenigde Naties bestrijken in grote lijnen verschillende aspecten van de economische, sociale en ecologische uitdagingen waarmee de wereld geconfronteerd wordt. Geen enkele van de SDG’s is specifiek op vervoer en mobiliteit gericht, maar er zijn wel verscheidene SDG’s die impliciet verband houden met vervoer. Bovendien houdt een aantal van de 169 „targets” die de SDG’s aanvullen direct verband met vervoer; dat geldt met name voor de targets die infrastructuur, lokale vervoerssystemen en verkeersveiligheid betreffen. Ook is het zo dat drie van de 232 indicatoren die worden gebruikt om de vooruitgang te meten vervoersgerelateerd zijn en vervoersvolumes, toegang tot openbaar vervoer en verkeersdoden in het wegverkeer meten.

2.2.

Aan de verhouding tussen vervoer en SDG’s zitten verschillende kanten. De SDG’s bieden vervoer zowel kansen als uitdagingen, en vervoer kan de verwezenlijking van de SDG’s dichterbij helpen brengen en in goede banen leiden. „Vervoer” betekent hier het vervoer van goederen en passagiers, inclusief alle vervoerswijzen.

2.3.

Het doel van dit initiatiefadvies is om:

vast te stellen hoe het vervoer bijdraagt aan het bereiken van de SDG’s, en hoe de SDG’s het vervoer ten goede kunnen komen of kunnen helpen vormgeven;

te analyseren welke gevolgen de verbanden tussen vervoer en de SDG’s kunnen hebben voor vervoersgerelateerde EU-beleidsmaatregelen, zowel binnen de EU als in mondiaal verband;

het standpunt van het EESC weer te geven en voorstellen te formuleren over hoe deze verbanden opgenomen kunnen worden in het EU-beleid en de beleidsvorming, om de kansen volledig te benutten en op een juiste manier om te gaan met de risico’s.

De rol van vervoer als factor van belang bij de verwezenlijking van de SDG’s komt in de paragrafen 3 en 4 aan de orde. Paragraaf 5 gaat in op de vraag hoe SDG’s het vervoer ten goede komen door de fundamenten ervan te versterken. In de paragrafen 6 en 7 wordt nagegaan wat voor uitdagingen en verwachtingen SDG’s met zich meebrengen voor het vervoer. De bevindingen van deze analyse zijn opgenomen in hoofdstuk 8 in de vorm van implicaties en aanbevelingen voor de beleidsvorming.

3.   Vervoer en SDG’s: economische ontwikkeling en werkgelegenheid stimuleren

3.1.

Vervoer is een van de voornaamste motoren van economische ontwikkeling zowel in de EU als in de hele wereld, en verdient bijgevolg een centrale plaats op de EU-agenda. Vervoer speelt een essentiële rol bij het helpen verwezenlijken van doelstelling 8 betreffende de bevordering van aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk voor iedereen.

3.2.

Hoewel digitalisering overal in de economie en de samenleving aan een opmars bezig is, zal dit niet het einde betekenen van materiële productie en consumptie. Logistiek verbindt de verschillende onderdelen van toeleveringsketens en omvat het vervoer van grondstoffen, tussenproducten en eindproducten naar de klant. Vervoer is dus een noodzaak voor de industrie, de landbouw en de handel.

3.3.

Goed beheerd vervoer kan ook bijdragen aan het specifieke doel van doelstelling 8, waarin wordt gepleit voor beleid ter bevordering van duurzaam toerisme, met als doel banen te creëren en de lokale cultuur en producten te promoten.

3.4.

Vervoer staat niet alleen in dienst van andere bedrijven, maar vormt ook zelf een belangrijke bedrijfssector die goed is voor miljoenen banen en een belangrijk bijdrage levert aan de economie. Bovendien is vervoer ook de spil waar productiesectoren als de auto-industrie, het spoorvervoer, de scheepvaart en de luchtvaart om draaien.

3.5.

Al met al draagt vervoer bij tot de verwezenlijking van doelstelling 9, te weten een significante stijging van de werkgelegenheid en van het bbp in de industriesector. Aangezien veel vervoersgerelateerde bedrijven kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) zijn, draagt vervoer ook bij tot de integratie van kmo’s in waardeketens en markten, en bevordert dat hun groei, waarnaar gestreefd wordt in doelstellingen 9 en 8.

3.6.

Zo draagt vervoer bij tot het creëren van werkgelegenheid in vervoersgerelateerde sectoren, hetgeen wordt beoogd door doelstelling 8. Vervoer is bovendien bevorderlijk voor een beter geografisch evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en zorgt dus voor meer werkgelegenheid. Er doen zich echter ook uitdagingen voor, zoals de ontwikkelingen als gevolg van digitalisering en robotisering, wat volgens prognoses tot grote veranderingen op het gebied van banen en taken zal leiden.

3.7.

In een mondiale context draagt vervoer bij tot doelstelling 17, die erop gericht is het wereldwijde partnerschap voor duurzame ontwikkeling te versterken. Deze doelstelling beoogt de bevordering van een universele, op regels gebaseerde, open, niet-discriminerende en eerlijke multilaterale handelsregeling in het kader van de WTO. Aangezien vervoer de ruggengraat van handel is, biedt het veel potentieel voor de verwezenlijking van deze doelstelling.

3.8.

Doelstelling 9 streeft naar het bouwen van een duurzame en veerkrachtige infrastructuur in ontwikkelingslanden en sluit aan bij doelstelling 10 — dring ongelijkheid in en tussen landen terug — waarbij de nadruk ligt op ontwikkelingshulp voor en buitenlandse directe investeringen in landen waar de behoefte het grootst is.

3.9.

Door bij te dragen aan economische ontwikkeling en het creëren van degelijke banen door middel van productie, handel en investeringen speelt vervoer ook een rol bij het nastreven van doelstelling 1, die erop gericht is om armoede in al haar vormen overal uit te bannen.

4.   Vervoer en SDG’s: toegang bieden tot goederen en diensten

4.1.

Consumenten maken gebruik van vervoer om toegang te hebben tot goederen, of het nu gaat om voedsel (doelstelling 2) en andere basisproducten of om meer luxueuze goederen. Bovendien hebben mensen ook vervoer nodig om gebruik te kunnen maken van allerlei diensten, zoals op het gebied van toerisme, hobby’s of sociale zekerheid.

4.2.

Vervoer is een van de belangrijkste verbindende elementen van markten, zowel op de interne markt als in de internationale handel. Markten die met elkaar verbonden zijn, leveren efficiency en schaalvoordelen op en dragen aldus bij aan de bereikbaarheid en betaalbaarheid van goederen voor consumenten.

4.3.

Vervoer is ook cruciaal voor het aanbod en gebruik van gezondheidsdiensten, zowel in de EU als wereldwijd. Vervoer draagt dus bij tot het realiseren van doelstelling 3, nl. het voorkomen en behandelen van ziektes en het waarborgen van een gezond leven en welzijn voor iedereen.

4.4.

Hetzelfde geldt voor het verstrekken en volgen van onderwijs. Vervoer draagt dus eveneens bij tot doelstelling 4, het verzekeren van gelijke toegang tot kwaliteitsvol onderwijs en het bevorderen van levenslang leren voor iedereen.

5.   Vervoer en SDG’s: de basis leggen voor mobiliteit

5.1.

Vervoer moet toegankelijk, betaalbaar, probleemloos, doeltreffend alsook helemaal veilig zijn om de mobiliteit van personen en goederen mogelijk te maken. Het is dus cruciaal dat de EU meer investeert in degelijke infrastructuur en passende technologie, en goed functionerende vervoerssystemen bevordert.

5.2.

Doelstelling 9 heeft een rechtstreeks gunstig effect op vervoer, aangezien wordt gepleit voor het ontwikkelen van „een kwaliteitsvolle, betrouwbare, duurzame en veerkrachtige infrastructuur” ter ondersteuning van de economische ontwikkeling en het welzijn van de mens.

5.3.

Vlotte grensovergangen op de interne markt en in het internationaal vervoer en verkeer zijn van het allergrootste belang voor goed functionerende markten en een soepel verkeer van goederen en personen. Doelstelling 9 tracht dit te helpen verwezenlijken door de rol van grensoverschrijdende infrastructuur te benadrukken.

5.4.

Doelstelling 11 beoogt steden en dorpen inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam te maken. Het streven is om iedereen te voorzien van veilige, betaalbare, toegankelijke en duurzame vervoerssystemen. Ook moet er bijzondere aandacht worden geschonken aan de behoeften van personen in een kwetsbare situatie, zoals vrouwen, kinderen, mensen met een handicap en ouderen. Dat vereist een goede planning van landgebruik en verkeerssystemen, alsook passende overheidsinvesteringen in de infrastructuur. De ontwikkeling van openbaar vervoer speelt hierin een belangrijke rol, zowel in stedelijke als plattelandsgebieden.

5.5.

Wat innovatie betreft, wordt in doelstelling 9 aangeraden om wetenschappelijk onderzoek uit te breiden en de technologische capaciteiten van industriesectoren te verbeteren. Dit is ook belangrijk met het oog op de ontwikkeling van het vervoer en van vervoersgerelateerde sectoren.

5.6.

Daarnaast wordt in doelstelling 7 opgeroepen tot internationale samenwerking om de toegang tot onderzoek en technologie inzake schone energie te vergemakkelijken alsook investeringen in energie-infrastructuur en schone-energietechnologie te bevorderen. Deze maatregelen, waartoe ook infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en elektrische laadpunten behoren, zijn ook bevorderlijk voor het koolstofarm maken van vervoer.

5.7.

Met de toenemende digitalisering en robotisering van het vervoer moet steeds meer aandacht worden besteed aan de behoeften van de digitale infrastructuur, waaronder geautomatiseerde verkeersbeheer- en verkeersgeleidingssystemen. In doelstelling 9 wordt vermeld dat ICT veel toegankelijker moet worden en dat er gestreefd moet worden naar een universele en betaalbare toegang tot het internet. In doelstelling 17 wordt vervolgens aangeraden om het gebruik van ontsluitingstechnologie, met name ICT, te bevorderen. Digitalisering maakt de logistiek efficiënter en helpt bijvoorbeeld de vervoersinformatie voor passagiers te verbeteren.

6.   Vervoer en SDG’s: inspelen op maatschappelijke verwachtingen

6.1.

Vervoer draagt weliswaar bij tot gezondheidszorg en welzijn, maar veroorzaakt ook gezondheidsrisico’s via vervuiling, zoals fijnstof in de lucht, en verkeersongevallen. Doelstelling 3 ijvert voor een forse vermindering van deze risico’s. Doeltreffende verkeersbeheersystemen, regelgeving en handhaving zijn allemaal nodig om de verkeersveiligheid te helpen verbeteren. Door het aantal menselijke fouten te verminderen, zal geavanceerde automatisering, ondanks technologische problemen, de veiligheid van het vervoer helpen verhogen.

6.2.

Onderwijs en opleiding, het thema van doelstelling 4, zijn cruciaal om ervoor te zorgen dat werknemers en ondernemers in vervoersgerelateerde sectoren over de noodzakelijke vaardigheden beschikken. Doordat taken veranderen, bijvoorbeeld als gevolg van digitalisering, verandert ook de vraag naar vaardigheden. Doelstelling 4 is dan ook een factor van belang voor vervoer.

6.3.

Met doelstelling 5 wil men gendergelijkheid bereiken en ervoor zorgen dat alle vrouwen en meisjes in hun capaciteiten geloven. De vervoerssector kan gendergelijkheid versterken door meer vrouwen over te halen om als ondernemers of werknemers toe te treden tot de sector, en zo het potentieel van mensen, ongeacht hun geslacht, te benutten. Het moet ook veilig zijn voor vrouwen om gebruik te maken van vervoer, met name openbaar vervoer.

6.4.

Doelstelling 8 beoogt volledige en productieve tewerkstelling voor iedereen, het voorkomen van uitsluiting van jongeren, waardig werk voor iedereen en de bescherming van arbeidsrechten. De concrete invulling hiervan varieert. In ontwikkelingslanden is de eerbiediging van de basisrechten van werknemers wellicht het belangrijkste doel, terwijl in de EU de bevordering van volledige werkgelegenheid en waardig werk voor iedereen de grootste zorgen voor de toekomst zijn.

6.5.

Om de structurele veranderingen waarmee de EU als gevolg van de digitalisering en de transitie naar een koolstofarme economie geconfronteerd wordt het hoofd te kunnen bieden, zijn alomvattende strategieën nodig voor het waarborgen van een eerlijke en soepele transitie, het inperken van de negatieve sociale gevolgen en het inspelen op de vaardigheidskloof.

6.6.

Bovendien beoogt doelstelling 10 de bevordering van de sociale, economische en politieke inclusie van iedereen en de goedkeuring van beleidsmaatregelen die gelijkheid ten doel hebben. Deze beleidsmaatregelen zijn ook bevorderlijk voor doelstelling 1 — beëindiging van armoede. Met doelstelling 9 wordt naar betaalbaar en voor iedereen toegankelijk vervoer gestreefd. Vervoer — met name het openbaar vervoer — speelt een belangrijke rol bij het voorkomen van uitsluiting van mensen, aangezien het toegang biedt tot werk, goederen en diensten.

6.7.

Met doelstelling 10 wil men ook ordelijke, veilige, reguliere en verantwoorde migratie en mobiliteit van mensen vergemakkelijken. Dit hangt op twee manieren samen met vervoer: enerzijds speelt vervoer een rol bij het voorkomen van het verlies van mensenlevens en draagt het bij tot het veilige en legale verkeer van vluchtelingen en migranten. Anderzijds biedt de vervoerssector migranten kansen om toe te treden tot de arbeidsmarkt.

7.   Vervoer en SDG’s: de milieudoelstellingen realiseren

7.1.

Vervoer moet niet enkel voldoen aan de mobiliteitsbehoeften van mensen en bedrijven, maar ook aan de klimaat- en milieuvereisten. In doelstelling 13 wordt benadrukt dat dringend actie moet worden ondernomen om klimaatverandering en de gevolgen daarvan tegen te gaan. Aangezien vervoer een belangrijke bron van wereldwijde broeikasgasemissies is en een sector waarin de emissies nog steeds toenemen, vormt deze doelstelling een grote uitdaging voor de vervoerssector. Er zijn meer inspanningen nodig om de doelstellingen van het EU-beleid te bereiken, evenals mondiale samenwerking met betrekking tot het internationale lucht- en zeevervoer.

7.2.

Het doel om economische groei en aantasting van het milieu van elkaar los te koppelen, zoals bepleit in doelstelling 8, is ook vanuit het oogpunt van vervoer een enorme uitdaging, aangezien vervoer en economische groei nauw met elkaar verbonden zijn. Streven naar een dergelijke ontkoppeling vereist dus een intensieve ontwikkeling van duurzame vervoerssystemen met minimale milieugevolgen, de invoering van geavanceerde technologieën, evenals nieuwe en innovatieve benaderingen van mobiliteit. Dit sluit ook aan bij doelstelling 12, die verantwoord consumeren en produceren betreft.

7.3.

Infrastructuur speelt een belangrijke rol waar het gaat om de milieueffecten van vervoer. Doelstelling 15 beoogt ecosystemen op het vasteland te beschermen, te herstellen en het duurzaam gebruik ervan te bevorderen, iets waar rekening mee moet worden gehouden bij ruimtelijke ordening en de aanleg van infrastructuur. Hetzelfde geldt voor doelstelling 11, waarin wordt gesteld dat meer moet worden gedaan om het culturele en natuurlijke erfgoed van de wereld te beschermen en veilig te stellen.

7.4.

Aangezien energie een eerste vereiste is voor vervoer, is de energiegerelateerde doelstelling 7 ook rechtstreeks van toepassing op vervoer. Gestreefd wordt o.m. naar een aanzienlijke verhoging van het aandeel hernieuwbare energie in de globale energiemix en een flinke verbetering van de energie-efficiëntie. Een van de „targets” van doelstelling 12 is de geleidelijke afschaffing van subsidies voor schadelijke fossiele brandstoffen. Aangezien fossiele brandstoffen op grote schaal gebruikt worden in de vervoerssector, heeft deze target een duidelijke impact op deze sector en zijn gebruikers.

7.5.

Doelstelling 14 is gericht op de instandhouding en het duurzaam gebruik van oceanen, zeeën en mariene hulpbronnen. Niet alleen op het vasteland, maar ook in het zeevervoer moet het afvalbeheer worden verbeterd en de emissies worden verminderd.

7.6.

Het is niet enkel het vervoer zelf dat een milieu-impact heeft, maar ook de levenscyclus van voertuigen, vliegtuigen en schepen (van productie tot sloop). Die impact kan worden verminderd door een efficiënter gebruik van hulpbronnen en het gebruik van schone technologieën in industriële processen, in combinatie met recycling en hergebruik, zoals bepleit in de doelstellingen 9 en 12.

7.7.

Ook maatregelen om verkeersstromen te verbeteren, spelen een rol bij het terugdringen van uitstoot. Daartoe zijn hoogwaardige infrastructuur en vlotte grensovergangen, landgebruik en stedelijke planning, efficiënt openbaar vervoer en multimodale alternatieven voor goederenvervoer van cruciaal belang.

7.8.

De ontwikkeling van autonoom vervoer kan tot gevolg hebben dat de eigen auto vaker wordt gebruikt vanwege het grotere gebruiksgemak voor passagiers. Autodelen en het openbaar vervoer zouden echter moeten leiden tot een daling van het aantal privévoertuigen. Al met al leiden digitalisering en robotisering tot meer efficiency in vervoer en logistiek, wat een positieve impact heeft op de klimaat- en milieugevolgen van vervoer.

7.9.

Los van het feit dat de uitstoot van het vervoer moet worden teruggedrongen, draagt de vervoerssector ook bij tot het voorkomen en oplossen van klimaat- en milieuproblemen door de verspreiding van koolstofarme en milieuvriendelijke technologieën, producten en oplossingen mogelijk te maken, zoals bepleit in doelstelling 17.

8.   Vervoer en SDG’s: implicaties voor de beleidsvorming

8.1.

Uit bovenstaande analyse blijkt duidelijk dat er een link is tussen vervoer en een groot aantal SDG’s. Aangezien vervoer een essentieel onderdeel is van meerdere SDG’s, zou de rol van vervoer volledig erkend moeten worden bij de tenuitvoerlegging van de SDG’s op Europees, nationaal en lokaal niveau.

8.2.

Ondertussen moet er in het vervoersbeleid van de EU op geïntegreerde wijze rekening worden gehouden met de SDG’s, met als doel de basis te leggen voor een verbetering van vervoer en mobiliteit zonder de sociale en milieudoelstellingen uit het oog te verliezen.

8.3.

Het benaderen van vervoer vanuit het oogpunt van elk afzonderlijk beleidsterrein, in de zin van „één kwestie per keer”, leidt tot suboptimale oplossingen. Het is daarom van essentieel belang dat het vervoersbeleid in zijn geheel wordt ontwikkeld. Het EESC verzoekt de Commissie dan ook om een nieuw geïntegreerd beleidskader uit te werken voor het vervoersbeleid van de volgende generatie. Dit beleidskader zou dan als leidraad moeten dienen voor meer gedetailleerde vervoersgerelateerde beslissingen.

8.4.

Het beleidskader moet ook een mondiale dimensie hebben, die erop gericht is de SDG’s onderdeel te maken van de vervoersgerelateerde internationale samenwerking en het externe optreden van de EU.

8.5.

Aangezien vervoer een zaak van de gehele samenleving is, is het van belang dat het maatschappelijk middenveld wordt betrokken bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het vervoersbeleid. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan doelstelling 16, die een besluitvorming beoogt die op alle niveaus ontvankelijk, inclusief, participatief en representatief is. In het geval van arbeidsmarktkwesties en transitieprocessen moet sociaal overleg een belangrijke rol spelen.

8.6.

In doelstelling 17 wordt aanbevolen om doeltreffende publieke, publiek-private en maatschappelijke partnerschappen te stimuleren en te bevorderen, waarbij wordt voortgebouwd op de ervaringen en de financieringsstrategieën van partnerschappen. Hoewel de rol van de publieke sector van vitaal belang is, verzoekt het EESC de EU-beleidmakers om de cruciale rol van bottom-upmaatregelen en partnerschappen ten volle te erkennen, aangezien ze bijdragen tot het vinden van de meest optimale oplossingen voor vervoersgerelateerde uitdagingen en manieren om kansen te grijpen, bijvoorbeeld door middel van nieuwe productie- en consumptiemodellen die door bedrijven en burgers zijn ontwikkeld.

8.7.

Ook roept het EESC de Europese Commissie op om de SDG-indicatoren uitgebreid te evalueren vanuit het perspectief van vervoer en de ontwikkeling te bevorderen van indicatoren die relevant zijn, een realistisch en informatief beeld geven van de ontwikkelingen en overeenstemmen met de geïntegreerde aanpak, zoals hierboven beschreven.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/15


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over EU-concepten voor transitiemanagement in een gedigitaliseerde arbeidswereld — Essentiële input voor een witboek van de EU over de toekomst van werk

(verkennend advies op verzoek van het Oostenrijkse voorzitterschap)

(2018/C 367/03)

Rapporteur:

Franca SALIS-MADINIER

Corapporteur:

Ulrich SAMM

Verzoek van het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad

Brief d.d. 12.2.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 29, lid 1, van het reglement van orde

Verkennend advies

Besluit van het bureau

13.3.2018

Bevoegde afdeling

Afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

6.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

152/1/4

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is voorstander van een rechtvaardige digitale transitie op basis van naleving van de Europese waarden — waarden waarbij volledige werkgelegenheid, sociale vooruitgang, een hoog beschermingsniveau en vermindering van armoede en ongelijkheid hoog in het vaandel staan.

1.2.

Iedereen, d.w.z. werknemers, burgers en ondernemingen, zou moeten profiteren van de enorme mogelijkheden die de nieuwe technologieën bieden. De digitalisering mag geen verliezers opleveren. Het beleid moet in de eerste plaats gericht zijn op versterking van individuele loopbaantrajecten, opdat alle burgers over goede vaardigheden beschikken, en van collectieve socialezekerheidsstelsels ter bevordering van de toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen zoals voorzien in het Handvest van de grondrechten, de door de EU-instellingen in Göteborg in het kader van de Europese pijler van sociale rechten aangegeven prioriteiten en de IAO-verdragen.

1.3.

Onder invloed van de automatisering, de digitalisering en kunstmatige intelligentie (AI) zullen banen veranderingen ondergaan. De vaardigheden van de Europese werknemers moeten dringend op peil worden gebracht. De aandacht moet daarbij vooral uitgaan naar werknemers die door hun te lage competentieniveau of achterhaalde vaardigheden niet geschikt zijn voor de nieuwe of als gevolg van technologische ontwikkelingen veranderde banen. De EU en de lidstaten moeten dringend maatregelen treffen om het initiële onderwijs en de scholing in het kader van een leven lang leren in die zin te veranderen dat meer plaats wordt ingeruimd voor relevante onderwijsmethoden om mensen creatieve en digitale vaardigheden, die steeds belangrijker worden in de nieuwe banen, bij te brengen.

1.4.

Genderdiversiteit moet centraal staan bij de prioriteiten: bij studierichtingen met een sterke digitale component zijn vrouwen in dusdanige mate ondervertegenwoordigd dat de situatie alarmerend te noemen is (1). Het is belangrijk om deze tendensen in het oog te houden en te meten en de toegang van vrouwen tot deze sectoren te bevorderen.

1.5.

Slechts 0,3 % van de totale overheidsuitgaven in de EU is bestemd voor investeringen op het vlak van het sociaal beleid (2). Er moeten voldoende middelen worden uitgetrokken, met name in het kader van de volgende meerjarenbegroting van de EU voor de periode na 2020 (3), om dit beleid te versterken en de digitale transformatie in de arbeidswereld op dusdanige wijze te laten verlopen dat werknemers, ondernemingen èn de samenleving als geheel er de vruchten van plukken.

1.6.

Productiviteitswinsten als gevolg van de digitalisering zouden aanvullende middelen kunnen opleveren. Op ondernemings- en bedrijfstakniveau zou een sociale dialoog over het delen van de toegevoegde waarde moeten worden opgezet om afspraken over de benutting ervan te maken.

1.7.

Om ervoor te kunnen zorgen dat alle flexibele arbeidsvormen die met de digitalisering ontstaan, gedekt worden en geen enkele werknemer aan de kant komt te staan (4), behoort het behoud van de kwaliteit en betaalbaarheid van de socialebeschermingsstelsels tot de prioriteiten van het Comité. De Commissie en de lidstaten zouden een overleg met de sociale partners moeten opzetten om de socialebeschermingsstelsels aan te passen, met name ten gunste van werknemers met een rechtspositie die onvoldoende sociale bescherming biedt.

1.8.

In verband met de invoering van nieuwe technologieën zoals robots of intelligente machines herinnert het Comité er in zijn studie aan dat het belangrijk is dat de vertegenwoordigers van de werknemers van tevoren geïnformeerd en geraadpleegd worden en dat collectieve onderhandelingen ter begeleiding van de veranderingen die deze technologieën met zich meebrengen, noodzakelijk zijn (5). Deze raadpleging is op grond van de richtlijn betreffende de Europese ondernemingsraad bovendien verplicht (6).

1.9.

Wat kunstmatige intelligentie betreft, is de manier waarop algoritmes werken en bepalend zijn voor keuzes die worden gemaakt zonder dat de mens er nog aan te pas komt, ondoorzichtig. Niet alleen komt de EU hierdoor voor immense uitdagingen te staan, maar ook roept dit fundamentele vragen op over de samenleving waarin we willen leven. Het EESC heeft al eerder benadrukt dat de definitie van de relatie tussen mens en machine in de arbeidswereld van het grootste belang is. Het is essentieel dat de mens te allen tijde de controle over de machine behoudt (7).

1.10.

Het EESC steunt universele beleidskaders voor kunstmatige intelligentie die de EU een concurrentievoordeel geven (8) en pleit voor ontwikkeling van een sociaal verantwoorde kunstmatige intelligentie waarbij het algemeen belang voorop staat. Het onderzoek dat op het nieuwe gebied „cognitieve ergonomie” wordt verricht teneinde maatregelen vast te kunnen stellen om het gebruik van slimme mensgerichte technologieën te bevorderen, zou door de EU ondersteund moeten worden.

2.   Inleiding

2.1.

Het EESC heeft zich op verzoek van het Estse en het Bulgaarse voorzitterschap van de Raad in drie verkennende adviezen reeds over nieuwe arbeidsvormen en de toekomst van werk uitgesproken (9). In aanvulling daarop wijdde het een ander verkennend advies, dat op verzoek van het Bulgaarse voorzitterschap werd opgesteld, aan een bredere beschouwing over het thema „een sociaal duurzaam concept voor het digitale tijdperk” (10).

2.2.

Men mag er niet zonder meer van uitgaan dat „de digitalisering winnaars en verliezers zal opleveren”. In dit advies stelt het EESC een aantal maatregelen voor om ervoor te zorgen dat alle burgers van de digitalisering profiteren en dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten.

2.3.

Om te voorkomen dat een deel van de werknemers en burgers aan de kant komt te staan zouden de uitgaven voor investeringen in sociaal beleid, die nu slechts 0,3 % van de totale overheidsuitgaven in de EU bedragen (11), opgetrokken moeten worden. Er moeten voldoende middelen worden uitgetrokken, met name in het kader van de volgende meerjarenbegroting van de EU voor de periode na 2020 (12), om de digitale transformatie in de arbeidswereld te begeleiden.

2.4.

Wil de automatisering positieve gevolgen hebben voor de hele samenleving, dan moeten de EU en haar lidstaten kunnen vertrouwen op een goed functionerend, hoogwaardig stelsel voor een leven lang leren, een vaste sociale dialoog tussen de belanghebbende partijen, relevante collectieve onderhandelingen en een adequaat belastingstelsel.

2.5.

Er moet nú actie worden ondernomen om ervoor te zorgen dat er in de toekomst adequate vaardigheden beschikbaar zijn, zodat de EU en alle EU-lidstaten concurrerend blijven en in staat zijn om nieuwe ondernemingen en nieuwe banen te creëren, mensen hun hele loopbaan lang aansluiting tot de arbeidsmarkt blijven houden en het welzijn van alle burgers is gewaarborgd.

3.   Kunstmatige intelligentie ten dienste van de mens met het oog op een rechtvaardige en hoogwaardige transitie

3.1.

Kunstmatige intelligentie — d.w.z. alle technologieën waarmee cognitieve taken die van oudsher door de mens worden uitgevoerd, gedigitaliseerd worden — brengt een reeks uitdagingen met zich mee voor de EU.

3.2.

Willen werknemers, burgers, ondernemingen, lidstaten en de EU de vruchten kunnen plukken van de digitalisering en van kunstmatige intelligentie — die steeds beter en krachtiger wordt —, dan moet kunstmatige intelligentie in toom worden gehouden en moeten de mogelijk negatieve gevolgen ervan voorzien en gereguleerd worden.

3.3.

De nieuwe generatie zgn. „op samenwerking gerichte robots” biedt kansen waarvan de hele samenleving kan profiteren. Als daadwerkelijke partners kunnen robots de dagelijkse werkzaamheden van werknemers verlichten en daardoor minder stressvol maken. Ook kunnen ze mensen met een lichamelijke of cognitieve handicap en zeker ook mensen met een mobiliteitsbeperking helpen.

3.4.

Het EESC benadrukt nogmaals (13) dat mensen te allen tijde, bij alle onderdelen van het digitaliseringsproces, de controle moeten behouden („human in command”). Onze samenleving moet het hoofd bieden aan de angst dat AI-systemen op een dag misschien beslissingen over belangrijke aspecten van ons leven nemen zonder dat daar een mens aan te pas komt. Met het „human in command”-beginsel hebben machines duidelijk de rol om mensen te dienen en blijven complexere zaken die verband houden met de mens, zoals verantwoordelijkheid nemen en oordelen over controversiële/ethische zaken of irrationeel gedrag, onder de controle van mensen vallen. Dit zeer algemene beginsel kan als uitgangspunt voor toekomstige regelgeving dienen.

3.5.

Het EESC herinnerde er in zijn initiatiefadvies over kunstmatige intelligentie (14) al aan dat het voor onze democratieën en onze fundamentele vrijheden, ook in de arbeidswereld, enorm belangrijk is dat algoritmes gecontroleerd worden en transparant zijn. De EU moet streven naar een digitale transformatie die uit sociaal en ethisch oogpunt verantwoord is. Het EESC steunt universele beleidskaders voor kunstmatige intelligentie die de EU een concurrentievoordeel geven. Het onderzoek dat op het nieuwe gebied „cognitieve ergonomie” wordt verricht teneinde maatregelen vast te kunnen stellen om het gebruik van slimme mensgerichte technologieën te bevorderen, zou door de Unie ondersteund moeten worden.

3.6.

Sturende algoritmes kunnen discriminatie bij beslissingen en keuzes in bedrijven in de hand werken, bijv. bij de werving van personeel en bij personeelszaken in het algemeen (15). Een goede programmering van gegevens en algoritmes kan de werving van personeel en het personeelsbeleid in het algemeen echter ook „intelligenter” en rechtvaardiger maken.

3.7.

Europese onderzoekers, ingenieurs en ondernemers die ertoe bijdragen AI-systemen te ontwerpen, te ontwikkelen en op de markt te brengen, moeten op ethisch en sociaal verantwoorde wijze handelen. In dat verband is het wellicht een goed idee om binnen het opleidingsprogramma van ingenieurs ook aandacht aan ethische kwesties en geesteswetenschappen te besteden (16). Ook zou een gedragscode op het vlak van kunstmatige intelligentie wenselijk kunnen zijn.

3.8.

Het EESC wijst erop dat kunstmatige intelligentie een bedreiging vormt voor de cyberbeveiliging en de privacy. De nieuwe technologie maakt het veel eenvoudiger om kwalitatief hoogwaardige nepfoto’s, nepvideo’s, neptoespraken en nepteksten te produceren. Binnen het EU-beleid moet de hoogste prioriteit worden gegeven aan maatregelen om deze ernstige dreiging het hoofd te bieden.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.   Impact op de werkgelegenheid

4.1.1.

Over de vraag in hoeverre de automatisering en digitalisering van en de toepassing van kunstmatige intelligentie in de verschillende productieprocessen ten koste zal gaan van de werkgelegenheid zijn de meningen sterk verdeeld. Afhankelijk van de methode die wordt gehanteerd — analyse van taken of van banen — lopen de voorspellingen over het aantal banen dat verloren zal gaan, enorm uiteen (17).

4.1.2.

Hoe sterk deze prognoses ook verschillen, zeker is dat digitalisering in verreweg de meeste banen een rol zal gaan spelen. Sommige beroepen zullen harder worden getroffen dan andere en mogelijk binnen afzienbare tijd verdwijnen (18). Andere beroepen zullen van gedaante veranderen en herscholing noodzakelijk maken.

4.1.3.

De impact van de automatisering op de werkgelegenheid binnen de EU verschilt sterk van lidstaat tot lidstaat (19). Volgens een studie van de OESO worden banen in het Verenigd Koninkrijk, de Noordse landen en Nederland over het geheel genomen minder geautomatiseerd dan de banen in de Oost- en Zuid-Europese lidstaten (20). Deze verschillen kunnen door diverse factoren verklaard worden: verschillen qua taakorganisatie binnen economische sectoren, qua sectorale structuur en qua investeringen (landen met een taakstructuur die zich gemakkelijker voor automatisering leent, zijn nog niet overgestapt op technologieën die arbeid kunnen vervangen en hebben daar ook nog niet geïnvesteerd). Ook qua algemene bedrijfsvoering en opleidingsniveau van de werknemers bestaan verschillen.

4.2.   Kerncompetenties van alle burgers waarborgen

4.2.1.

In dit licht kunnen de EU-lidstaten met behulp van adequate vaardigheden een betere plek op de geglobaliseerde markten veroveren en zich beter specialiseren in de meest geavanceerde technologieën, met innovatievere ondernemingen die de concurrentie kunnen bijbenen. Daartoe heeft iedere sector werknemers nodig die niet alleen over uitstekende creatieve en cognitieve vaardigheden (kunnen lezen, schrijven en rekenen en complexe problemen kunnen oplossen) maar ook over managementcapaciteiten en communicatieve vaardigheden beschikken en over het vermogen om bij te leren.

4.2.2.

Degenen die prioritaire maatregelen en een intensievere begeleiding vergen, zijn laaggeschoolde werknemers met banen waarbij de kans groot is dat ze geautomatiseerd, getransformeerd of vervangen worden of helemaal verdwijnen.

4.2.3.

De kloof tussen vaardigheden en toekomstige banen wordt steeds groter in de EU. 22 % van de werknemers in de lidstaten dreigt niet de juiste digitale vaardigheden in huis te hebben om zich aan de veranderingen in zijn of haar werkzaamheden te kunnen aanpassen (21). Sinds 2008 is de gemiddelde periode van (langdurige) werkloosheid langer geworden, met name onder laaggeschoolde werknemers.

4.2.4.

Het EESC heeft er onlangs nog op gewezen dat het gezien de moeite die deze werklozen hebben om een baan te vinden, dringend noodzakelijk is het opleidings- en competentieniveau van werknemers door middel van de sociale dialoog op bedrijfstak-, lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau aan te pakken (22), opdat alle werknemers toegang hebben tot een goede baan en zich tijdens hun loopbaan verder kunnen ontwikkelen.

4.3.   Het initiële onderwijs veranderen en een leven lang leren bevorderen

4.3.1.

Gezien de uitdagingen die op het spel staan moeten de EU en de lidstaten dringend gerichte maatregelen treffen om het initiële onderwijs en de scholing in het kader van een leven lang leren in die zin te veranderen dat meer plaats wordt ingeruimd voor relevante onderwijsmethoden om mensen creatieve vaardigheden, die van steeds doorslaggevender belang worden, bij te brengen.

4.3.2.

Eén uniform Europees beleid zou mogelijk geen effect sorteren omdat de problemen per lidstaat verschillen, maar overal bestaat behoefte aan een beleid om de kloof tussen de banen van de toekomst en de beschikbare vaardigheden en toekomstige banen te verkleinen (23).

4.4.   Gevaar voor discriminatie op de arbeidsmarkt en in de samenleving

4.4.1.

Gendergelijkheid: de banen van de toekomst en de banen die het meest gewaardeerd en het best betaald zullen worden, zijn te vinden op de STEM-gebieden (wetenschap, technologie, techniek en wiskunde) en met name in de IT-sector (informatietechnologie). Genderdiversiteit moet centraal staan bij de prioriteiten: bij studierichtingen met een sterke digitale component zijn vrouwen in dusdanige mate ondervertegenwoordigd dat de situatie alarmerend te noemen is (24). Het is belangrijk om deze tendensen in het oog te houden en te meten en de toegang van vrouwen tot deze sectoren te bevorderen als we verdere ongelijkheid in de arbeidswereld willen voorkomen (25).

4.4.2.

Ongelijkheid op basis van leeftijd: ongeacht leeftijd krijgt iedere werknemer te maken met de gevolgen van de veranderende arbeidswereld voor de arbeidsvoorwaarden, waardoor hij of zij mogelijk niet altijd meer vast werk heeft. Het is bijvoorbeeld nu zo dat vooral jongeren alleen nog een arbeidscontract voor een bepaalde tijd kunnen krijgen (26) — wat nogal onrechtvaardig is — maar mogelijk gaat dit ook gelden voor oudere werknemers, met alle mogelijke gevolgen van dien. Anderzijds kan de technologische ontwikkeling die gepaard gaat met de digitalisering oudere werknemers ook kansen bieden. Gerichte studies moeten deze ontwikkelingen volgen.

5.   Een innoverende en anticiperende sociale en burgerdialoog

5.1.

Op alle niveaus — Europees, nationaal, bedrijfstak-, regionaal, lokaal en ondernemingsniveau — moeten de digitale uitdagingen een volwaardige plaats krijgen binnen de sociale dialoog, waarbij anticiperend beleid wordt ontwikkeld op basis van relevante gegevens over de door de veranderingen getroffen beroepen, de nieuwe banen en de vaardigheden die ontwikkeld moeten worden om deze nieuwe banen in te kunnen vullen.

5.2.

Daarbij moeten de gevolgen van de automatisering voor de arbeidsvoorwaarden meer in het algemeen aan bod komen, zodat de nieuwe kansen en risico’s in acht genomen kunnen worden. De Commissie zou de afspraken die de sociale dialoog in de verschillende lidstaten en sectoren heeft opgeleverd, moeten analyseren om na te gaan of deze resultaten overgenomen kunnen worden (recht op onbereikbaarheid (27), telewerkovereenkomsten, overdraagbare persoonsgebonden rechten, collectieve overeenkomst met platforms (28) enz.) (29).

5.3.

Om ervoor te kunnen zorgen dat alle flexibele arbeidsvormen die met de digitalisering ontstaan, gedekt worden en geen enkele werknemer aan de kant komt te staan (30), behoort het behoud van de kwaliteit en betaalbaarheid van de socialebeschermingsstelsels, in overeenstemming met de Europese pijler van sociale rechten, tot de prioriteiten van het Comité. De Commissie en de lidstaten zouden een dialoog met de sociale partners moeten opzetten om de socialebeschermingsstelsels aan de nieuwe arbeidsvormen aan te passen.

5.4.

Productiviteitswinsten als gevolg van de digitalisering zouden aanvullende middelen kunnen opleveren. Op ondernemings- en bedrijfstakniveau moet een sociale dialoog worden opgezet om de herverdeling van de toegevoegde waarde onder de loep te nemen.

5.5.

Belastinghervormingen moeten aandachtig bekeken worden om een vergelijkbare belastingdruk op alle vormen van inkomsten te waarborgen, ongeacht of deze inkomsten in conventioneel georganiseerde sectoren of in de deeleconomie worden gegenereerd.

5.6.

De belanghebbende partijen van het maatschappelijk middenveld moeten actief bij deze ontwikkelingen worden betrokken. Gezien de opleidingsmaatregelen voor kwetsbare groepen in het licht van de snelle technologische veranderingen, de maatregelen op het vlak van de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en de digitalisering, waarvan de gevolgen alle burgers aangaan, is voor de maatschappelijke organisaties een belangrijke rol weggelegd.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Europese Commissie (2018). Women in the Digital Age.

(2)  COM(2017) 206 final, blz. 28.

(3)  PB C 262 van 25.7.2018, blz. 1.

(4)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 54 en PB C 129 van 11.4.2018, blz. 7.

(5)  EESC (2017). Impact of digitalization and the on-demand economy on labour markets and the consequences for employment and industrial relations.

(6)  PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28.

(7)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 1.

(8)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 1.

(9)  PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30 en blz. 36, en PB C 237 van 6.7.2018, blz. 8.

(10)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 1.

(11)  Europese Unie (2017). Discussienota over de sociale dimensie van Europa, blz. 24.

(12)  PB C 262 van 25.7.2018, blz. 1.

(13)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 1.

(14)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 1.

(15)  IAO (2018). The impact of technology on the quality and quantity of jobs; cf. Villani, C. (2018). Donner un sens à l'intelligence artificielle: pour une stratégie nationale et européenne.

(16)  Zie het verslag van Cédric Villani over kunstmatige intelligentie (maart 2018).

(17)  Nedelkoska, L. en G. Quintini (2018). „Automation, skills use and training”. OECD Social, Employment and Migration Working Papers, nr. 202, OESO, Parijs.

(18)  France Stratégie (2018). Intelligence artificielle et travail: rapport à la ministre du travail et au secrétaire d'État auprès du premier ministre, chargé du numérique.

(19)  Cedefop (2018). Insights into skill shortages and skill mismatch: learning from Cedefop’s European skills and job survey.

(20)  Nedelkoska, L. en G. Quintini (2018). „Automation, skills use and training”. OECD Social, Employment and Migration Working Papers, nr. 202, OESO, Parijs.

(21)  Cedefop (2018). Insights into skill shortages and skill mismatch: learning from Cedefop’s European skills and job survey.

(22)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 8.

(23)  Cedefop (2018). Insights into skill shortages and skill mismatch: learning from Cedefop’s European skills and job survey.

(24)  Europese Commissie (2018). Women in the Digital Age.

(25)  Europese Commissie (2015). Monitoring the Digital Economy & Society 2016-2021.

(26)  Eurofound (2017), Non-standard forms of employment: Recent trends and future prospects, blz. 7, en Eurofound (2017) Working conditions of workers at different ages.

(27)  PB C 237 van 6.7.2018, blz. 8.

(28)  Zie de in Denemarken getekende overeenkomst.

(29)  PB C 434 van 15.12.2017, blz. 30.

(30)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 54 en PB C 129 van 11.4.2018, blz. 7.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/20


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de situatie van vrouwen met een handicap

(verkennend advies op verzoek van het Europees Parlement)

(2018/C 367/04)

Rapporteur:

Gunta ANČA

Raadpleging

Europees Parlement, 3.4.2018

Rechtgrondslag

Artikel 29 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Besluit van de voltallige vergadering

13.3.2018

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

6.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

187/2/0

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Vrouwen en meisjes met een handicap blijven geconfronteerd worden met meervoudige en intersectionele discriminatie op basis van zowel hun geslacht als hun handicap. Vrouwen met een handicap hebben niet dezelfde kansen als anderen om deel te nemen aan alle aspecten van de samenleving. Zij worden te vaak uitgesloten, onder meer van inclusief onderwijs en inclusieve opleiding, werk, toegang tot programma’s voor armoedebestrijding, degelijke huisvesting en participatie in het politieke en openbare leven. Verschillende wetgevingshandelingen bepalen dat zij geen beslissingen kunnen nemen over hun eigen leven, met inbegrip van hun seksuele en reproductieve rechten. Zij kunnen hun rechten als EU-burgers niet altijd uitoefenen (1).

1.2.

Dit advies dringt er bij de EU en al haar lidstaten op aan uitvoering te geven aan het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Convention on the Rights of Persons with Disabilities — CRPD) (2), aan de aanbevelingen uit 2015 van het CRPD-comité aan de EU inzake vrouwen en meisjes met een handicap, en aan algemene opmerking nr. 3 van het VN-Comité bij artikel 6 van het CRPD.

1.3.

Wij roepen de EU en de lidstaten ertoe op een gehandicaptenperspectief op te nemen in hun toekomstige strategieën, beleidslijnen en programma’s inzake gendergelijkheid, en een genderperspectief in hun strategieën inzake handicaps, ook in de komende Europese strategie inzake handicaps 2020-2030 en de Europese pijler van sociale rechten (3). De opvolger van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei moet ook het perspectief van vrouwen met een handicap onder de aandacht brengen, aangezien hun economische en sociale participatie essentieel is voor het welslagen van Europa’s algemene sociaal-economische strategie (4).

1.4.

Zowel op EU- als op nationaal niveau zijn maatregelen nodig om een gestructureerde dialoog op te zetten onder een afzonderlijke begrotingslijn die een behoorlijk overleg met en een behoorlijke betrokkenheid van personen — onder wie vrouwen, meisjes en jongens — met een handicap bij de uitvoering van en het toezicht op het CRPD mogelijk maakt, dit via hun representatieve organisaties (5).

1.5.

De bestaande en toekomstige financieringsinstrumenten van de EU, met name de structuurfondsen en het Europees Sociaal Fonds, moeten worden gebruikt als essentiële instrumenten om toegankelijkheid en non-discriminatie voor vrouwen en meisjes met een handicap te bevorderen (6).

1.6.

De EU en de lidstaten dienen spoedig toe te treden tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul), als een stap in de strijd tegen geweld ten aanzien van vrouwen en meisjes met een handicap (7). De maatregelen moeten onder meer inhouden dat seksueel en ander geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap strafbaar wordt gesteld, waarbij ook een einde moet worden gemaakt aan gedwongen sterilisatie (8).

1.7.

De EU en de lidstaten moeten alles doen om ervoor te zorgen dat vrouwen en meisjes met een handicap gelijke toegang hebben tot specifieke gezondheidsdiensten voor personen met een handicap, alsook tot reguliere diensten. Alle vrouwen en meisjes met een handicap moeten hun handelingsbevoegdheid kunnen uitoefenen door hun eigen beslissingen te nemen, desgewenst met ondersteuning, ten aanzien van medische en/of therapeutische behandeling, ook inzake het behouden van hun vruchtbaarheid en reproductieve autonomie (9).

2.   Inleiding

2.1.

Vrouwen met een handicap bevinden zich nog steeds aan de rand van de samenleving. Hun situatie is niet alleen slechter dan die van vrouwen zonder handicap, maar ook dan die van mannen met een handicap (10).

2.2.

Van alle vrouwen in de EU heeft 16 % een handicap. Aangezien de EU momenteel iets minder dan 250 miljoen vrouwen telt, zijn er ongeveer 40 miljoen vrouwen en meisjes met een handicap (11).

2.3.

Het aantal ouderen in Europa en de wereld stijgt, wat betekent dat ook het aantal personen met een handicap zal stijgen. Omdat vrouwen een hogere levensverwachting hebben, zal het aantal vrouwen met een handicap onevenredig stijgen (12).

2.4.

Dit advies dringt er bij de EU en al haar lidstaten op aan uitvoering te geven aan het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Convention on the Rights of Persons with Disabilities — CRPD) (13), aan de aanbevelingen uit 2015 van het CRPD aan de EU inzake vrouwen en meisjes met een handicap, en aan algemene opmerking nr. 3 van het VN-Comité bij artikel 6 van het CRPD. De EU en de lidstaten dienen zo snel mogelijk te voorzien in een actieplan, een tijdschema en middelen voor de implementatie van het CRPD.

3.   Algemene opmerkingen

Internationaal en Europees rechtskader

3.1.

De EU is, samen met de 28 EU-lidstaten, partij bij en internationaalrechtelijk gebonden door het CRPD. Dat houdt in dat zij de in dat verdrag verankerde rechten van personen, onder wie vrouwen en meisjes, met een handicap gezamenlijk dienen te bevorderen, te beschermen en te waarborgen. De EU heeft hierin een voorbeeldrol, aangezien zij de enige organisatie voor regionale integratie ter wereld is die partij is bij het CRPD. Zij is dus ideaal geplaatst om ervoor te zorgen dat vrouwen en meisjes met een handicap in heel Europa op dezelfde manier gelijk beschermd worden.

3.2.

Krachtens artikel 6 van het CRPD erkennen de staten die partij zijn dat „vrouwen en meisjes met een handicap onderworpen zijn aan meervoudige discriminatie en [zij] nemen in dat verband maatregelen om hen op voet van gelijkheid het volledige genot van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden te garanderen. De staten die partij zijn nemen alle passende maatregelen om de volledige ontwikkeling, positieverbetering en mondigheid van vrouwen te waarborgen, teneinde hen de uitoefening en het genot van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, vervat in dit verdrag, te garanderen”.

3.3.

In 2015 heeft de EU van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap belangrijke aanbevelingen gekregen over hoe de situatie van personen, onder wie vrouwen en meisjes, met een handicap in de Unie kan worden verbeterd.

3.4.

In 2016 heeft het Comité zijn algemene opmerking nr. 3 bij artikel 6 van het CRPD aangenomen, waarin wordt benadrukt dat de staten die partij bij het verdrag zijn, waaronder de EU, de genoemde maatregelen moeten nemen om de rechten van vrouwen en meisjes met een handicap te bevorderen.

3.5.

Alle EU-lidstaten zijn ook partij bij het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women — CEDAW), het meest uitgebreide internationale rechtsinstrument om de gelijke erkenning, het genot en de uitoefening van alle mensenrechten van vrouwen te bevorderen in het politieke, economische, sociale, culturele en civiele leven en thuis. Vrouwen en meisjes met een handicap moeten ook ten volle kunnen profiteren van en worden betrokken bij nationale inspanningen ter uitvoering van het CEDAW.

3.6.

Uit hoofde van de artikelen 10 en 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dient de EU bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden met passende maatregelen. Artikel 8 van het VWEU bepaalt dan weer dat de Unie er „bij elk optreden […] [naar streeft] de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen”.

3.7.

De artikelen 20 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de EU verbieden discriminatie op grond van handicap, en erkennen het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen. Het Handvest handhaaft ook de gelijkheid van vrouwen en mannen en non-discriminatie op tal van gronden, waaronder geslacht.

4.   Algemene aanbevelingen

4.1.

Ondanks de bepalingen in het CRPD, het CEDAW, het VWEU en het Handvest heeft de Europese Unie het gehandicaptenperspectief niet in al haar genderbeleidsmaatregelen, -programma’s en -strategieën geïntegreerd. Omgekeerd heeft zij het genderperspectief niet opgenomen in haar strategieën inzake handicaps. Het ontbreekt de EU en haar lidstaten momenteel aan een krachtig rechtskader voor de bescherming, de bevordering en de waarborging van alle mensenrechten van vrouwen en meisjes met een handicap. Wij roepen de EU en de lidstaten ertoe op een gehandicaptenperspectief op te nemen in hun toekomstige strategieën, beleidslijnen en programma’s inzake gendergelijkheid, en een genderperspectief in hun strategieën inzake handicaps, ook in de komende Europese strategie inzake handicaps 2020-2030 en de Europese pijler van sociale rechten. De opvolger van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei moet ook het perspectief van vrouwen met een handicap onder de aandacht brengen, aangezien hun economische en sociale participatie essentieel is voor het welslagen van Europa’s algemene sociaal-economische strategie (14).

4.2.

De EU en de lidstaten doen te weinig om representatieve organisaties van vrouwen en meisjes met een handicap te raadplegen en te financieren. Zowel op EU- als op nationaal niveau zijn maatregelen nodig om een gestructureerde dialoog op te zetten onder een afzonderlijke begrotingslijn die een behoorlijk overleg met en een behoorlijke betrokkenheid van personen — onder wie vrouwen, meisjes en jongens — met een handicap bij de uitvoering van en het toezicht op het CRPD mogelijk maakt, dit via hun representatieve organisaties (15).

4.3.

Vrouwen en meisjes met een handicap komen nog steeds nauwelijks aan bod binnen de bestaande mensenrechtenorganisaties. In periodieke verslagen van de organen van de mensenrechtenverdragen van de Europese Unie en de lidstaten moet systematisch worden ingegaan op de situatie van vrouwen met een handicap. Deze praktijk moet worden uitgebreid tot alle Europese en nationale instanties die zich met mensenrechten bezighouden, waaronder de representatieve organisaties van personen met een handicap en hun gezinnen, vrouwen in het algemeen en vrouwen met een handicap (16).

4.4.

Het ontbreekt de EU en de lidstaten aan consistente en vergelijkbare gegevens en mensenrechtenindicatoren met betrekking tot vrouwen en meisjes met een handicap, alsook aan onderzoek naar de situatie van vrouwen en meisjes met een handicap in de EU (17). Europese agentschappen, met name Eurofound, Cedefop, het FRA en het EIGE, zouden ten aanzien van mensen met een handicap en hun maatschappelijke en arbeidsmarktsituatie systematischer te werk moeten gaan. Daarbij zouden ze in het bijzonder moeten letten op de situatie van vrouwen en het feit dat intersectionaliteit kan leiden tot meervoudige discriminatie. Dit aspect zouden ze ook in hun werkprogramma’s duidelijk moeten vermelden. Zowel op EU- als op nationaal niveau dient de problematiek van vrouwen en meisjes met een handicap in aanmerking te worden genomen bij de verzameling van gegevens en statistieken over gender en leeftijd en in bestaande statistische reeksen en studies, conform de beginselen van het CRPD. Er moet een mechanisme worden opgezet om gegevensverzameling en onderzoek in verband met vrouwen en meisjes met een handicap en de intersectionele discriminatie jegens hen — ook bij de meest gemarginaliseerde groepen in de samenleving, zoals etnische en religieuze minderheden — te monitoren en te financieren, zodat een gericht beleid kan worden gevoerd. Bij elk onderzoek inzake de rechten van personen met een handicap moet rekening worden gehouden met het genderperspectief, en bij elk onderzoek naar vrouwen en meisjes met het gehandicaptenperspectief.

4.5.

De bestaande en toekomstige financieringsinstrumenten van de EU, met name de structuurfondsen en het Europees Sociaal Fonds, moeten worden gebruikt als essentiële instrumenten om toegankelijkheid en non-discriminatie voor vrouwen en meisjes met een handicap te bevorderen (18) en de financieringsmogelijkheden voor dergelijke maatregelen in programma’s na 2020 meer onder de aandacht te brengen en zichtbaar te maken. Organisaties voor personen met een handicap moeten toegankelijke informatie en ondersteuning krijgen bij het zoeken naar financieringsmogelijkheden.

4.6.

Vrouwen en meisjes met een handicap lopen een groter risico om het slachtoffer te worden meervoudige en intersectionele discriminatie in Europa. Door de raakvlakken die bestaan tussen ras, etnische afkomst, sociale klasse, leeftijd, seksuele gerichtheid, nationaliteit, godsdienst, geslacht, handicap, de status van vluchteling of migrant enz. heeft discriminatie op deze gronden een multiplicatoreffect, zoals vrouwen met een handicap ondervinden (19). Deze discriminatie komt voort uit de wijze waarop mensen hun identiteit construeren. Zij gaan voorbij aan de diversiteit tussen vrouwen met een handicap en hebben de neiging hen onder één maatschappelijke noemer te plaatsen, wat een exclusieve kijk op hun realiteit met zich meebrengt (20). De EU en haar lidstaten moeten alle discriminerende wetgeving, beleid en praktijken intrekken, en alle discriminatie op grond van geslacht en handicap en de intersectionele vormen ervan verbieden, onder meer door krachtige en brede EU-wetgeving aan te nemen die vrouwen met een handicap op alle terreinen beschermt tegen intersectionele discriminatie (21).

4.7.

Door de eeuwen heen hebben bepaalde attitudes en vooroordelen in de gemeenschap, ook binnen de familie, vrouwen en meisjes met een handicap negatief gestereotypeerd, wat hun sociaal isolement en hun uitsluiting in de hand werkte. In de media worden ze vrijwel volledig genegeerd, en als ze toch worden opgevoerd, gebeurt dat vanuit een aseksueel medisch perspectief, en wordt voorbijgegaan aan hun capaciteiten en hun bijdrage aan de omgeving (22). Vrouwen en meisjes met een handicap zijn nog niet voldoende op de hoogte van hun rechten in het kader van het CRPD, het CEDAW en het Unierecht. De EU en de lidstaten moeten een brede campagne opzetten om mensen bewust te maken van het CRPD en het CEDAW, om de situatie van vrouwen met een handicap onder de aandacht te brengen, en om de vooroordelen tegen vrouwen en meisjes met een handicap te bestrijden (23). De media moeten worden aangespoord om in dialoog gaan met vrouwen met een handicap, bij voorkeur die welke door hun organisaties naar voren worden geschoven. Deze vrouwen moeten ook deelnemen aan presentaties en programma’s monitoren. Organisaties voor personen met een handicap moeten de nodige financiële steun krijgen om vrouwen en meisjes met een handicap te kunnen informeren en onderrichten over hun rechten krachtens het CRPD.

4.8.

Als overheid is de EU ertoe gehouden het CRPD in haar instellingen te implementeren. De EU moet waarborgen dat de problematiek van vrouwen en meisjes met een handicap ten volle aan bod komt en geëerbiedigd wordt in haar evenementen en bijeenkomsten, in communicatie-, voorlichtings- en raadplegingsactiviteiten en in haar socialezekerheids- en werkgelegenheidsbeleid, en zij moet zich inspannen om in de budgetten ruimte te maken voor genderkwesties. Er zijn positieve maatregelen nodig om te waarborgen dat vrouwen met een handicap op gelijke basis met anderen kunnen deelnemen aan het werk en het functioneren van de EU-instellingen.

5.   Bijzondere opmerkingen

5.1.   Geweld

5.1.1.

Vrouwen met een handicap lopen een groter risico op geweld, uitbuiting en misbruik dan andere vrouwen. Geweld kan een interpersoonlijk, institutioneel en/of structureel karakter hebben. Met institutioneel en/of structureel geweld wordt bedoeld elke vorm van structurele ongelijkheid of institutionele discriminatie waardoor vrouwen zich in fysiek of ideologisch opzicht in een ondergeschikte positie bevinden ten opzichte van anderen in hun gezin, familie of gemeenschap (24). Een studie van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten uit 2014 schat dat vrouwen en meisjes met een handicap drie tot vijf keer meer kans maken om het slachtoffer te worden van geweld, vooral huiselijk geweld (25).

5.1.2.

In de wetgeving van de EU en de lidstaten ter voorkoming van uitbuiting, geweld en misbruik wordt vaak te weinig aandacht geschonken aan vrouwen en meisjes met een handicap. De EU moet ervoor zorgen dat het aspect handicap in alle wetten, beleidsmaatregelen en strategieën tegen geweld, misbruik en uitbuiting aan bod komt (26). Geweld tegen vrouwen moet strafbaar worden gesteld. De EU en de lidstaten moeten alle nodige wetgevende, bestuursrechtelijke, sociale en educatieve maatregelen treffen om vrouwen en meisjes met een handicap te beschermen tegen alle vormen van uitbuiting, geweld en misbruik, zowel thuis als daarbuiten, en voor hen de toegang tot justitie te vergemakkelijken door te zorgen voor aangepaste hulp en ondersteuning vanuit de gemeenschap, waarbij rekening moet worden gehouden met hun specifieke behoeften, bijvoorbeeld aan ondersteunende hulpmiddelen, om te voorkomen dat zij geïsoleerd en opgesloten raken in hun eigen huis (27).

5.1.3.

De EU en de lidstaten dienen spoedig toe te treden tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul), als een stap in de strijd tegen geweld ten aanzien van vrouwen en meisjes met een handicap. De maatregelen moeten onder meer inhouden dat seksueel en ander geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap strafbaar wordt gesteld, waarbij ook een einde moet worden gemaakt aan gedwongen sterilisatie (28).

5.2.   Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, inclusief het recht op een thuis en een gezin

5.2.1.

Verkeerde stereotypering in verband met handicap en gender is een vorm van discriminatie die een bijzonder ernstige impact heeft op de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en op het recht een gezin te stichten. Schadelijke stereotypen over vrouwen met een handicap zijn onder meer dat zij aseksueel, onbekwaam, irrationeel en/of hyperseksueel zijn (29).

5.2.2.

De keuzes van vrouwen met een handicap worden, vooral wanneer het om een psychosociale of intellectuele handicap gaat, veelal genegeerd. Vaak wordt in hun plaats beslist door derden zoals wettelijke vertegenwoordigers, dienstverleners, voogden en familieleden, wat in strijd is met hun rechten krachtens artikel 12 van het CRDP (30). Te vaak worden vrouwen en meisjes met een handicap gedwongen tot sterilisatie en abortus of andere reproductiebeperkende handelingen. De EU en de lidstaten moeten alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat vrouwen met een handicap hun handelingsbevoegdheid kunnen uitoefenen door hun eigen beslissingen te nemen, desgewenst met ondersteuning, ten aanzien van medische en/of therapeutische behandeling, ook inzake het behouden van hun vruchtbaarheid en reproductieve autonomie, inzake hun recht om te kiezen hoeveel kinderen zij willen en met welke tussenpozen, inzake kwesties omtrent hun seksualiteit, en inzake hun recht om relaties aan te gaan. Dat alles moet gebeuren zonder dwang, discriminatie of geweld. Gedwongen sterilisatie en gedwongen abortus zijn een vorm van geweld tegen vrouwen en moeten strafbaar worden gesteld, overeenkomstig artikel 39 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (31).

5.2.3.

Vrouwen met een handicap kan ook de toegang tot informatie, communicatie en onderwijs over hun seksuele en reproductieve gezondheid en rechten worden ontzegd, op basis van de schadelijke stereotypen dat zij aseksueel zouden zijn en dus minder behoefte aan dergelijke informatie zouden hebben dan anderen. Informatie is ook niet altijd beschikbaar in een toegankelijke vorm. Gezondheidsfaciliteiten en -uitrusting, waaronder machines voor mammografieën en tafels voor gynaecologisch onderzoek, zijn vaak niet fysiek toegankelijk voor vrouwen met een handicap (32). De EU en de lidstaten moeten alle maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat vrouwen en meisjes met een handicap gelijke toegang hebben tot specifieke gezondheidsdiensten voor personen met een handicap, alsook tot reguliere diensten zoals tandartsen en oogartsen, al dan niet preventieve seksuele en reproductieve gezondheidszorg, met inbegrip van gynaecologen, medische onderzoeken, gezinsplanning en aangepaste steun tijdens de zwangerschap.

5.2.4.

Er zijn maatregelen nodig op het gebied van de opleiding van professionals, in de eerste plaats gezondheidswerkers en rechtsbeoefenaren, opdat deze in gerechtelijke onderzoeken en procedures luisteren naar meisjes en vrouwen met een handicap. Deze maatregelen moeten worden genomen in nauw overleg met de representatieve organisaties van personen met een handicap.

5.3.   Onderwijs en opleiding

5.3.1.

Wanneer schadelijke stereotypen over gender en handicap met elkaar worden gecombineerd, voedt dat discriminerende attitudes, beleidsmaatregelen en praktijken zoals: lesmateriaal gebruiken dat onterechte stereotypen over gender en handicap in stand houdt, gendergebaseerde gezinsactiviteiten uitvoeren, een zorgrol toewijzen aan vrouwen en meisjes en — in sommige gebieden — meer belang hechten aan jongens- dan aan meisjesonderwijs, kindhuwelijken van meisjes met een handicap aanmoedigen, en nalaten op scholen toegankelijke sanitaire voorzieningen voor menstruatiehygiëne in te richten. Dat resulteert op zijn beurt in een hogere graad van ongeletterdheid, mislukken op school, onregelmatige presentiecijfers, absenteïsme en totale schooluitval (33).

5.3.2.

Uit een vergelijkende analyse van de EU bleek dat in 2011 slechts 27 % van de personen met een handicap tertiair of equivalent onderwijs in de EU had voltooid (34). Over vrouwen en meisjes met een handicap zijn echter geen specifieke gegevens voorhanden. In Europese scholen en in verschillende lidstaten hebben meisjes en vrouwen met een handicap lang niet altijd toegang tot inclusief, hoogwaardig onderwijs overeenkomstig het CRPD. Bewezen is dat de financiële crisis een negatief effect heeft gehad op de inspanningen voor een inclusief onderwijs.

5.3.3.

Inclusief regulier onderwijs voor meisjes en vrouwen met een handicap is van belang in het licht van het streven naar hoogwaardig onderwijs, gelijke kansen, behoorlijke ondersteuning en aanpassing (35), en universele toegankelijkheid in alle levensfasen, waarbij wordt gewaarborgd dat vrouwen met een handicap toegang hebben tot voortgezet onderwijs als een manier om de vrije ontwikkeling van hun persoonlijkheid en hun sociale integratie te versterken, en dat zij doorlopend het recht hebben zelf beslissingen te nemen en hun manier van leven te kiezen. Ouders van leerlingen met een handicap moeten de nodige informatie krijgen over de voordelen van inclusief regulier onderwijs.

5.3.4.

De EU en haar lidstaten moeten de huidige situatie evalueren en maatregelen nemen om de toegang tot en het volgen van inclusief, hoogwaardig onderwijs voor alle leerlingen met een handicap te bevorderen, conform het CRPD, door het gebruik van Europese financieringsinstrumenten te stimuleren en in de Europa 2020-strategie specifieke handicapindicatoren op te nemen in het kader van de onderwijsdoelstelling.

5.3.5.

De afgelopen jaren zijn de EU-regels en -uitwisselingsprogramma’s voor studenten (zoals Erasmus+) verbeterd door in financiële steun voor de mobiliteit van studenten met een handicap te voorzien. In de praktijk ondervinden studenten met een handicap echter veel belemmeringen (attitude, fysieke obstakels, communicatie- en informatieproblemen, weinig flexibele curricula) als zij de nationale onderwijsdiensten van het land van bestemming proberen te bereiken (36). De EU-programma’s voor hoger onderwijs, opleiding en een leven lang leren moeten steun voor vrouwen met een handicap omvatten. Het Europees ondernemersuitwisselingsprogramma dient in financiële steun te voorzien voor jongeren met een handicap. Dat is nu nog niet het geval. Goede praktijken en pijnpunten in verband met uitwisselingsprogramma’s voor studenten en jonge ondernemers moeten worden uitgewisseld, en er is opleiding nodig voor onderwijskundigen, sociale partners en media.

5.3.6.

Vrouwen en meisjes met een handicap moeten gelijke toegang krijgen tot de diverse onderdelen van ICT-faciliteiten en de informatiemaatschappij. Bij het uitdenken van informatie- en communicatietechnologieën dient rekening te worden gehouden met economische factoren, opleidingsbehoeften en gelijke kansen, ongeacht de leeftijd, zodat ook meisjes en vrouwen met een handicap die het risico lopen op sociale uitsluiting of armoede toegang hebben.

5.4.   Werkgelegenheid

5.4.1.

De globale participatiegraad van vrouwen op de arbeidsmarkt blijft veel lager dan die van mannen (46,6 % tegen 61,9 %). Op de arbeidsmarkten in alle lidstaten is nog steeds sprake van een aanzienlijke gendersegregatie. Vrouwen met een handicap worden evenwel veel meer uitgesloten van de arbeidsmarkt. Volgens de gendergelijkheidsindex 2015 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid heeft slechts 18,8 % van de vrouwen met een handicap in de EU werk, tegenover 28,1 % van de mannen met een handicap. De hoge werkloosheidsgraad bij vrouwen met een handicap blijft onaanvaardbaar, aangezien dit ertoe leidt dat zij een groter risico lopen op armoede en sociale uitsluiting. Vrouwen en meisjes met een handicap stuiten op grotere problemen wanneer zij zich op de arbeidsmarkt willen begeven, wat het voor hen moeilijker maakt een normaal en onafhankelijk bestaan op te bouwen. Bovendien worden zij vaak onderbetaald. Belemmeringen voor de mobiliteit en de sterkere mate van afhankelijkheid van familieleden en mantelzorgers moeten worden overwonnen om hun actieve participatie in het onderwijs en op de arbeidsmarkt en in het sociale en economische leven van de samenleving te stimuleren (37).

5.4.2.

Gezien de hoge werkloosheid en inactiviteit op de arbeidsmarkt bij vrouwen met een handicap, moeten de EU en haar lidstaten brede en positieve maatregelen voor vrouwen met een handicap ontwikkelen, opdat zij een opleiding, een stageplaats of een vaste baan kunnen vinden, en om gelijk loon voor gelijk werk, evenwaardige carrièremogelijkheden, aanpassingen op de werkplek en een evenwicht tussen werk en privé te bevorderen. Vrouwen met een handicap moeten, op dezelfde basis als anderen, het recht hebben op rechtvaardige en gunstige arbeidsvoorwaarden, inclusief gelijke kansen en gelijke beloning voor gelijkwaardig werk (38).

5.4.3.

Het EU-instrument voor microfinanciering en het Europees Sociaal Fonds ter bevordering van werkgelegenheid en sociale inclusie indachtig, dienen er meer mogelijkheden te komen voor vrouwen met een handicap om als zelfstandige of ondernemer te werken, gelijkelijk te worden vertegenwoordigd in raden van bestuur van ondernemingen, sociale ondernemingen op te zetten of een eigen zaak op te starten. Vrouwen met een handicap moeten gelijke rechten op financiële steun hebben gedurende de hele levenscyclus van het bedrijf, en moeten als bekwame ondernemers worden gezien. In dit verband moeten voor vrouwen met een handicap die ondernemer zijn, ook in plattelandsgebieden, positieve maatregelen worden uitgewerkt in de vorm van zachte leningen, microkredieten en niet-terugvorderbare subsidies.

5.4.4.

De stijging van het aantal mensen met een handicap zal de last van mantelzorgers vergroten, met name van familieleden, voornamelijk vrouwen, die zich gedwongen zien om minder te gaan werken of de arbeidsmarkt zelfs geheel te verlaten om voor afhankelijke familieleden te zorgen (39).

5.4.5.

De EU en de lidstaten moeten, aan de hand van doeltreffende maatregelen op grond van specifieke behoeften, een beter evenwicht tussen werk en privé promoten voor vrouwen met een handicap en mantelzorgers van personen met een handicap. In dit verband kan worden gedacht aan meer loontransparantie, aangepaste aanwervingsprocedures en socialezekerheidsbetalingen, flexibele werkuren of deeltijds thuiswerken, een evenwicht tussen met de handicap verbonden kosten van het moederschap en de zorg voor anderen met grote steunbehoeften, en universele toegang tot betaalbare, kwaliteitsvolle ondersteunende diensten op verschillende momenten van de dag, bijvoorbeeld voor kinderopvang of zorgdiensten voor ouderen en anderen met grote steunbehoeften (40).

5.4.6.

De EU en de lidstaten moeten vrouwen met een handicap en gezinnen van personen met een handicap opnemen in de voorgestelde richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers, alsook in andere beleidsmaatregelen ter verbetering van dat evenwicht (41).

5.4.7.

Vrouwen met een handicap botsen ook op specifieke obstakels voor een gelijkwaardige participatie op de werkplek, zoals seksuele intimidatie, ongelijk loon en gebrekkige verhaalmogelijkheden omdat hun vorderingen vaak vanuit een discriminerende attitude worden verworpen. De EU en de lidstaten moeten ook voorzien in veilige en gezonde arbeidsomstandigheden voor vrouwen met een handicap en mantelzorgers van personen met een handicap, waaronder bescherming tegen pesten en verhaalmogelijkheden bij klachten. Pesten op het werk moet worden voorkomen door het aannemen van doeltreffende protocollen tegen pesten, conform de toepassing van Richtlijn 2000/78/EG (42).

5.5.   Participatie in het politieke en openbare leven

5.5.1.

De stem van vrouwen en meisjes met een handicap is in het verleden altijd genegeerd, waardoor zij ondervertegenwoordigd zijn in de publieke besluitvorming. In de meeste EU-lidstaten resulteert het feit dat personen met een handicap geen handelingsbevoegdheid hebben in het verlies van hun stemrecht. Andere belemmeringen voor het stemrecht zijn ontoegankelijke stemprocedures, inclusief ontoegankelijke stembureaus (43). De EU moet ervoor zorgen dat vrouwen met een handicap ten volle kunnen deelnemen aan het politieke en openbare leven, en met name aan de verkiezingen van het Europees Parlement in 2019.

5.5.2.

Door onevenwichtige machtsverhoudingen en meervoudige discriminatie hebben zij minder kansen gekregen om organisaties op te richten of te vervoegen die hun behoeften als vrouwen, kinderen en personen met een handicap kunnen vertegenwoordigen. De EU moet maatregelen treffen om vrouwen met een handicap ertoe aan te sporen leidinggevende functies op te nemen in publieke besluitvormingsorganen op alle niveaus, en hen in staat te stellen organisaties en netwerken van vrouwen met een handicap op te richten en te vervoegen (44). Voor vrouwen met een handicap moet in programma’s voor opleiding/werkbegeleiding worden voorzien, opdat zij klaar zijn om toe te treden tot het politieke en publieke leven.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Algemene opmerking nr. 3 bij het CRPD (CRPD/C/GC/3), blz. 1; alternatief verslag inzake het CRPD, Europees Gehandicaptenforum, blz. 57.

(2)  VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

(3)  Slotopmerkingen bij het eerste verslag van de EU, CRPD, Verenigde Naties (art. 6 CRPD/C/EU/CO/1).

(4)  Verslag over vrouwen met een handicap, Europees Parlement, 14.10.2013, blz. 6.

(5)  Idem voetnoot 3, art. 4.3; idem voetnoot 1, blz. 17.

(6)  Idem voetnoot 4, blz. 9.

(7)  Idem voetnoot 3, art. 16.

(8)  „Ending forced sterilisation against women and girls with disabilities”, verslag van het Europees Gehandicaptenforum, 2018, blz. 49.

(9)  „2nd Manifesto on the Rights of Women and Girls with Disabilities in the EU”, Europees Gehandicaptenforum, 2011, blz. 18 en 34.

(10)  Idem voetnoot 9, blz. 4.

(11)  Ad-hocmodule van de arbeidskrachtenenquête van de EU over mensen met een handicap en langdurige gezondheidsproblemen, 2002.

(12)  Idem voetnoot 4, blz. 24.

(13)  VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

(14)  Idem voetnoot 3, art. 6; idem voetnoot 4, blz. 6.

(15)  Idem voetnoot 3, art. 4.3; idem voetnoot 1, blz. 17.

(16)  Idem voetnoot 9, blz. 47.

(17)  Idem voetnoot 4, blz. 16.

(18)  Idem voetnoot 4, blz. 9.

(19)  Idem voetnoot 1, blz. 2.

(20)  Idem voetnoot 9, blz. 52.

(21)  Idem voetnoot 1, blz. 15.

(22)  Idem voetnoot 9, blz. 11.

(23)  Idem voetnoot 3, art. 8.

(24)  Idem voetnoot 1, blz. 8.

(25)  „Violence against women: an EU-wide survey”, Bureau voor de grondrechten, 2014, blz. 186.

(26)  Idem voetnoot 3, art. 16.

(27)  Idem voetnoot 9, blz. 21.

(28)  Idem voetnoot 3, art. 16; idem voetnoot 8, blz. 49.

(29)  Idem voetnoot 1, blz. 10.

(30)  Idem voetnoot 1, blz. 11.

(31)  „Ending forced sterilisation against women and girls with disabilities”, verslag van het Europees Gehandicaptenforum, 2018, blz. 49 en 50.

(32)  Idem voetnoot 1, blz. 11; idem voetnoot 9, blz. 34.

(33)  Idem voetnoot 1, blz. 14.

(34)  EU — SILC 2011.

(35)  Idem voetnoot 9, blz. 32.

(36)  Alternatief verslag aan het CRPD, blz. 43.

(37)  Idem voetnoot 4, blz. 7.

(38)  Idem voetnoot 9, blz. 41.

(39)  Idem voetnoot 9, blz. 45; idem voetnoot 4, blz. 6.

(40)  Idem voetnoot 4, blz. 14; idem voetnoot 9, blz. 43.

(41)  Idem voetnoot 3, art. 23.

(42)  Idem voetnoot 4, blz. 25.

(43)  Alternatief verslag inzake het CRPD.

(44)  Idem voetnoot 1, blz. 16.


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

536e zitting van het EESC, 11.7.2018-12.7.2018

10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/28


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 wat bepaalde kosten van grensoverschrijdende betalingen in de Unie en valutawisselkosten betreft

(COM(2018) 163 final — 2018/0076 (COD))

(2018/C 367/05)

Rapporteur:

Daniel MAREELS

Raadpleging

Europees Parlement, 19.4.2018

Europese Raad, 3.5.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de afdeling

7.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

116/0/0

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Comité verwelkomt het voorliggende voorstel waardoor de kosten van grensoverschrijdende betalingen in euro in de lidstaten buiten de eurozone zullen verminderen en die eveneens meer transparantie inzake valutawisselkosten tot stand brengen. Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) dringt aan op de spoedige realisatie van dit voorstel.

1.2.

Het directe effect van dit voorstel zal in eerste instantie voelbaar zijn in de lidstaten buiten de eurozone. De daar toegepaste hoge kosten voor grensoverschrijdende betalingen in euro binnen de EU zullen verdwijnen aangezien zij moeten worden gelijkgetrokken met de lagere vergoedingen voor binnenlandse transacties in de nationale munt. Het Comité is verheugd met deze lagere kosten die vooral consumenten en ondernemingen, vooral kmo’s, ten goede zullen komen.

1.3.

Op zijn beurt zal deze verlaging van kosten ongetwijfeld leiden tot een toename van het grensoverschrijdende vrije verkeer en de dito vrije handel in de gehele EU, en aldus voordelen opleveren voor alle lidstaten van de Unie. Voor het Comité zijn deze verdieping van de eengemaakte markt en de positieve economische gevolgen die aldus tot stand worden gebracht belangrijk.

1.4.

Het Comité is ermee ingenomen dat daarmee ook het initieel opzet van SEPA wordt bereikt om alle betalingen in euro in de EU als binnenlandse betalingen te beschouwen. Tegelijk wordt ook de eengemaakte markt voor financiële retaildiensten verwezenlijkt, door een einde te stellen aan de bestaande tweedeling in deze markt met een opsplitsing tussen gebruikers van binnen en van buiten de eurozone. De lagere kosten die gebruikers binnen de eurozone betalen komen hiermee ook in het bereik van de gebruikers van buiten de eurozone.

1.5.

In het kader van zijn herhaalde pleidooien ten voordele van de biodiversiteit van het bankenlandschap als garantie voor de stabiliteit en doeltreffendheid van het systeem, en om rekening te houden met de verschillende toekomstgerichte ontwikkelingen en uitdagingen waar ze voor staan, vraagt het Comité meer aandacht voor het kostenaspect waarmee de betrokken banken als gevolg van dit voorstel te maken krijgen.

1.6.

Aan de marktspelers zal worden opgelegd dat de volledige kosten voor een valutawissel in het buitenland openbaar worden gemaakt en aan de betrokkenen bekend zijn vooraleer zij hun verrichtingen doen. Voor het Comité zijn deze nieuwe, bijkomende transparantieverplichtingen op hun plaats omdat zij het de consumenten mogelijk moeten maken de juiste keuze te maken bij deze verrichtingen, tegen een correcte prijs. Maar ook hier is het zaak rekening te houden met het technisch zeer ingewikkelde karakter van deze aangelegenheid en met de ermee verband houdende kosten in hoofde van de aanbieders.

1.7.

Tot slot wil het Comité ook aangeven dat, ofschoon dit een heel technische aangelegenheid betreft, hier ongetwijfeld een uitgelezen opportuniteit bestaat tot goede en duidelijke communicatie met alle burgers in de Unie. De hier doorgevoerde wijzigingen kunnen worden aangegrepen om uit te leggen hoe de EU positieve veranderingen teweegbrengt voor elkeen en oplossingen brengt voor problemen van elke dag.

2.   Achtergrond

2.1.

Al sedert het begin van de jaren 2000 wordt werk gemaakt van de harmonisatie van de manier waarop cashloze betalingen gebeuren in Europa. Daartoe werd al van bij de invoering van de euro gewerkt aan een Europese eenheidsmarkt voor betalingen, de Single Euro Payments Area (afgekort SEPA) (1). In dat kader werd een geleidelijke overstap van nationale naar Europese betaalsystemen doorgevoerd. Dat proces werd in 2014 afgerond.

2.2.

Op grond daarvan kunnen overheden, handelaars en ondernemingen hun betalingen overal in de eurozone en de Europese Unie (2) gemakkelijk uitvoeren dankzij het gebruik van identieke betaalmiddelen: kaarten, overschrijvingen en domiciliëringen. In welk land men ook woont, er wordt geen onderscheid meer gemaakt: alle betalingen zijn „interne betalingen” binnen Europa.

2.3.

Daarnaast zijn ook meerdere andere initiatieven gelanceerd niet alleen om de kosten voor betalingen transparanter te maken maar ook om ze te verminderen. Op grond hiervan zijn thans onder meer de vergoedingen voor grensoverschrijdende betalingen in euro binnen de Unie gelijkgetrokken met die voor binnenlandse betalingen in euro. Dat gebeurde met de Verordening (EG) nr. 2560/2001, later vervangen door de Verordening (EG) nr. 924/2009.

2.4.

De facto had deze ontwikkeling enkel effect in de lidstaten van de eurozone (3). En in Zweden, dat gebruik maakte van een voorziene optie (4) die de andere lidstaten hadden om deze regeling uit te breiden tot de nationale valuta.

2.5.

In het kader van het „Actieplan inzake financiële diensten voor de consument: Betere producten, meer keuze” van maart 2017 had de Commissie zich geëngageerd om maatregelen voor te stellen om de kosten voor grensoverschrijdende transacties in alle lidstaten te verlagen en om de praktijken op het gebied van dynamische valutaomrekening te beoordelen (5).

2.6.

Het thans voorliggende voorstel (6) tot wijziging van voormelde Verordening (EG) nr. 924/2009 wil het voordeel van vorengenoemde regeling voor transacties in euro binnen de EU uitbreiden ten voordele van personen en ondernemingen in lidstaten buiten de eurozone. En daarmee kunnen de kosten voor grensoverschrijdende betalingen binnen de EU worden verlaagd door ze gelijk te trekken met vergoedingen voor binnenlandse transacties in de nationale munt van een lidstaat.

2.7.

Tegelijk (7) worden bijkomende transparantieverplichtingen opgelegd voor praktijken bij valutawissel. Daardoor zullen de kosten van een grensoverschrijdende transactie in de toekomst openbaar zijn.

2.8.

Het Comité is er verheugd over dat ook een aantal bijkomende transparantieverplichtingen bij een valutawissel worden opgelegd aan de marktspelers. De volledige kosten voor een grensoverschrijdende transactie zullen daardoor aan de betrokkenen bekend zijn vooraleer zij hun verrichtingen doen.

3.   Commentaren en opmerkingen

3.1.

Het Comité verwelkomt de voorstellen waarmee de voordelen verbonden aan SEPA worden uitgebreid tot de burgers en ondernemingen uit de lidstaten buiten de eurozone. Daardoor zal de kost voor grensoverschrijdende betalingen van euro binnen de EU in de regel verminderen, inzonderheid in laatstgenoemde lidstaten. Tegelijk en aanvullend worden de transparantieverplichtingen mbt valutawisselkosten vermeerderd.

3.2.

Deze voorstellen dragen aldus bij tot de realisatie van een eengemaakte markt voor financiële retaildiensten, door een einde te stellen aan de bestaande tweedeling in de markt voor grensoverschrijdende betalingen in euro binnen de EU. Gebruikers binnen de eurozone kunnen voor deze soort betalingen ten volle de voordelen genieten van SEPA, terwijl dat thans niet het geval is voor gebruikers in lidstaten die de euro niet als munt hebben.

3.3.

De meeste gebruikers binnen de eurozone kunnen de hier bedoelde betalingen tegen een lage of zelfs verwaarloosbare kostprijs doen terwijl dat niet het geval is voor gebruikers buiten de eurozone. Zij betalen hiervoor in de regel hoge kosten. Het is goed, en heel belangrijk, dat aan die situatie een einde wordt gemaakt. Aanbieders van betalingsdiensten in deze lidstaten zullen hun vergoedingen voor grensoverschrijdende transacties in euro moeten gelijktrekken met de — doorgaans lagere — vergoedingen voor binnenlandse transacties in de nationale munt.

3.4.

Deze kostenverlaging moet tot gunstige gevolgen leiden voor het grensoverschrijdende vrije verkeer en dito vrije handel in de EU, en dat in alle lidstaten. Aldus zullen consumenten van buiten de eurozone gemakkelijker toegang krijgen tot markten in de eurozone, die daar hun voordeel kunnen mee doen. Dezelfde gemakkelijkere toegang geldt ook voor ondernemingen, inzonderheid kmo’s, die daardoor hun positie in de markten zullen kunnen verbeteren en meer competitief zijn, wat dan op zijn beurt voordelen voor hen oplevert.

3.5.

Het EESC onderschrijft de keuze om de voorgestelde regeling toe te spitsen op verrichtingen in euro. Inderdaad, in zijn advies over het „Actieplan inzake financiële diensten voor de consument” stelde het Comité dat „het goed is dat de Commissie momenteel zuinig is met regelgeving (8)”. Tegelijk is het voor de betrokken lidstaten een grote vooruitgang, die zelf sedert geruime tijd de mogelijkheid hadden deze stap te zetten, maar dat niet deden (9).

3.6.

Onverminderd een aantal andere redenen (10) houdt deze keuze ook het midden tussen de meer uitgesproken vragen van zowel aanbieders van betalingsdiensten (11) en de gebruikers van die diensten (12). Verder sluit de voorgestelde oplossing ook beter aan bij het idee van een oplossing „op maat”. Ze laat immers toe rekening te houden met de specifieke kenmerken van en de toestand in de betrokken lidstaten, onder meer op het niveau van de betalingssystemen en de aanbieders van betalingsdiensten.

3.7.

Teneinde consumenten de mogelijkheid te geven de juiste keuze te maken bij een valutawissel in het buitenland, wat thans moeilijk lijkt omdat ze niet altijd tijdig over de goede informatie beschikken, worden ook een aantal bijkomende transparantieverplichtingen opgelegd aan de marktspelers. Daardoor zullen de volledige kosten voor een grensoverschrijdende transactie openbaar worden gemaakt en aan de betrokkenen bekend zijn vooraleer zij hun verrichtingen doen.

3.8.

Voor het Comité is deze transparantieverplichting ten voordele van gebruikers en consumenten zeer belangrijk, net als de veiligheid van de transacties. Datzelfde belang is ook aanwezig wanneer het gaat om het vaststellen van een bovengrens voor de kosten van dergelijke diensten, in afwachting van de totstandkoming van de concrete definitieve uitvoeringsmaatregelen (13). Voor de aanbieders van betaaldiensten is dit een heel complexe en moeilijke kwestie, en daarom is ook enige aandacht voor het ermee gepaard gaande kostenaspect op zijn plaats.

3.9.

De kosten en minderinkomsten in hoofde van aanbieders van betaaldiensten als gevolg deze voorstellen zijn niet gering (14). Zelfs al is de huidige situatie misschien niet helemaal bevredigend en kunnen de verliezen op termijn enigszins getemperd worden, dan nog lijkt er voldoende aandacht voor dit kostenaspect te moeten zijn.

3.10.

Die aandacht voor het kostenaspect is noodzakelijk, zoals het Comité overigens recent nog opmerkte (15), in kader van zijn pleidooi ten voordele van de biodiversiteit van het bankenlandschap, als garantie voor de stabiliteit en doeltreffendheid van het systeem (16). Overigens mag niet uit het oog worden verloren dat banken op dit ogenblik het hoofd moeten bieden aan talrijke belangrijke uitdagingen, onder meer in het regelgevend en toezichtskader, een aantal toekomstgerichte ontwikkelingen (17), de langdurige lage rentestand en een aantal andere situaties (18).

3.11.

Tot slot wil het Comité ook aangeven dat, ofschoon dit een heel technische aangelegenheid betreft, hier ongetwijfeld een uitgelezen opportuniteit bestaat tot goede en duidelijke communicatie met alle burgers in de Unie. Inderdaad zouden de hier doorgevoerde wijzigingen kunnen worden aangegrepen om uit te leggen hoe de EU positieve veranderingen teweegbrengt in het leven van ondernemers, burgers en consumenten en oplossingen brengt voor problemen van elke dag zoals bijvoorbeeld wanneer mensen op reis zijn.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Over SEPA, zie de website van de European Payments Council; zie https://www.europeanpaymentscouncil.eu/

(2)  Het geografische toepassingsgebied van de SEPA schema’s strekt zich actueel uit over 34 landen en gebieden: de 28 EU-lidstaten plus IJsland, Noorwegen, Liechtenstein, Zwitserland, Monaco en San Marino. Zie de website onder voetnoot 1.

(3)  En bijgevolg, voor de betalingen in euro.

(4)  Optie voorzien ten voordele van alle lidstaten in Verordening (EG) nr. 2560/2001 en haar opvolger Verordening (EG) nr. 924/2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen.

(5)  Zie COM(2017) 139 final; https://eur-lex.europa.eu/legal-content/nl/TXT/?uri=CELEX:52017DC0139. Zie inzonderheid de voorgestelde acties 1 en 2.

(6)  Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 wat bepaalde kosten van grensoverschrijdende betalingen in de Unie en valutawisselkosten betreft. Zie https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1524213305690&uri=CELEX:52018PC0163

(7)  In hetzelfde voorstel van verordening.

(8)  Zie PB C 434, 15.12.2017, blz. 51, punt 1.1.

(9)  Cf de optie als vermeld in punt 2.4.

(10)  Een aantal daarvan zijn samengevat in de „FAQ: Cross border payments” gepubliceerd samen met de het perscommuniqué over de huidige voorstellen. Zie http://europa.eu/rapid/press-release_MEMO-18-2424_en.htm

(11)  Die eerder de status quo bepleitten.

(12)  Die eerder voorstander waren om nog meer verrichtingen te regelen.

(13)  Omwille van de snel evoluerende omgeving en de technische aard van deze kwestie, is een termijn van maximum 36 maanden na de inwerkingtreding van de verordening voorzien.

(14)  In de toelichting van het voorstel wordt een bedrag vermeld van 900 miljoen EUR per jaar, mbt de grensoverschrijdende transacties in euro.

(15)  Zie PB C 434, 15.12.2017, blz. 51; advies INT/822, punt 3.6.

(16)  Zie PB C 251 van 31.7.2015, blz. 7, punt 1.1. en PB C 451 van 16.12.2014, blz. 45, punt 1.11.

(17)  Bijvoorbeeld inzake FinTech en blockchain evenals de financiering van duurzame economie. Mbt het Actieplan van de Commissie inzake de financiering van duurzame groei, zie https://ec.europa.eu/info/publications/180308-action-plan-sustainable-growth_en) (COM(2018) 97 final).

(18)  Onder andere de EU-aanpak van de niet-presterende leningen (https://ec.europa.eu/info/business-economy-euro/banking-and-finance/financial-supervision-and-risk-management/managing-risks-banks-and-financial-institutions/non-performing-loans-npls_en).


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/32


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 168/2013 wat de toepassing van de Euro 5-stap op de typegoedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers betreft

(COM(2018) 137 final — 2018/0065 (COD))

(2018/C 367/06)

Rapporteur:

Gerardo LARGHI

Raadpleging

Europees Parlement, 16.4.2018

Raad, 4.4.2018

 

 

Rechtsgrondslag

Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de afdeling

7.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

125/0/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het voorstel voor een verordening COM(2018) 137 final vanwege de specifieke wijzigingen in Verordening (EU) nr. 168/2013, die evenwicht moeten brengen tussen de noodzaak om technologieën met een gering milieueffect (Euro 5-typegoedkeuring) te ontwikkelen en de daadwerkelijke mogelijkheden voor bepaalde ondernemingen om deze binnen de beoogde tijd toe te passen (technologische haalbaarheid). Dit houdt in dat de veranderingen geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de markt en de werkgelegenheid maar tegelijk moeten garanderen dat er in korte tijd betere emissienormen worden bereikt.

1.2.

Het EESC benadrukt dat de wijzigingen die de Commissie voorstelt in overeenstemming zijn met de aanbevelingen van het vorige advies van het EESC (1). De belangrijkste hiervan zijn: de geleidelijke en flexibele toepassing van de verordening op basis van de daadwerkelijke technologische haalbaarheid, redelijke kosten voor ondernemingen en consumenten, en het uitsluiten van voertuigen van de categorieën L1 en L2 van het boorddiagnosesysteem (OBD-systeem) (2). Het EESC neemt er ook nota van dat dit voorstel brede steun geniet onder de lidstaten en alle betrokken belanghebbenden.

1.3.

Het EESC is van mening dat de regelgeving positieve effecten zal hebben op de kosten voor ondernemingen en bijgevolg ook op de kosten voor de consument. In deze context moet worden gewezen op de sociale rol van voertuigen van categorie L in plattelandsgebieden, waar zij dikwijls een alternatief vormen voor het schaarse openbaar vervoer, en in steden, omdat zij bijdragen aan de vermindering van verkeersverstoppingen.

1.4.

Het EESC is er voorstander van de Commissie opnieuw voor vijf jaar de bevoegdheid te verlenen om gedelegeerde handelingen vast te stellen. Het EESC is van mening dat deze voorwaarde doorslaggevend is om de huidige regelgeving snel aan te passen aan de voortdurende technologische en marktontwikkelingen in de sector.

1.5.

Het EESC stelt vast dat het onderzoek van de Commissie (3) geen rekening houdt met de kosten, de technische haalbaarheid en de reproduceerbaarheid van de test van het energieverbruik (test van type VII) voor goedgekeurde elektrische gemotoriseerde rijwielen (L1e-A) en goedgekeurde rijwielen met trapondersteuning (L1e-B). Het genoemde onderzoek richt zich uitsluitend op de analyse van voertuigen met een verbrandingsmotor. Het EESC adviseert de Commissie derhalve zo snel mogelijk een aanvullend onderzoek te doen naar het energieverbruik van voertuigen van de categorieën L1e-A en L1e-B om de ondernemingen in de sector een betrouwbaar regelgevingskader te bieden.

1.6.

Het EESC deelt het voorstel van de Commissie om de toepassing van de Euro 5-emissiegrenswaarden voor lichte voertuigen op vier wielen (minicar — L6e-B), motorfietsen op drie wielen (L2eU), trialbikes (L3e-AxT) en enduro-motorfietsen (L3e-AxE) uit te stellen. Omdat het echter gaat om nicheproducten (4) die worden gemaakt door kleine en micro-ondernemingen adviseert het EESC deze afwijking te verlengen tot 2024, zoals oorspronkelijk in de effectbeoordeling is gesuggereerd. Deze maatregel zou de overgang voor ondernemingen in de sector minder traumatisch maken omdat de instandhouding van de werkgelegenheid erdoor wordt bevorderd.

2.   Inleiding

2.1.

De sector „voertuigen van categorie L” wordt gekenmerkt door een breed spectrum van lichte voertuigen op twee, drie en vier wielen. Deze omvat zeven categorieën voertuigen: rijwielen met trapondersteuning en bromfietsen met twee (L1e) en drie wielen (L2e), motorfietsen met twee (L3e) en drie wielen (L4e — zijspan), gemotoriseerde driewielers (L5e), en lichte (L6e) en zware vierwielers (L7e — quads). Elke categorie is zelf weer onderverdeeld, wat leidt tot een totaal van 25 subcategorieën.

2.2.

De verscheidenheid aan modellen, aandrijfsystemen en toepassingen maakt categorie L tot een van de meest gevarieerde en veelzijdige in de voertuigsector. Naar schatting rijden er in de EU meer dan 35 miljoen voertuigen van categorie L.

2.3.

De typegoedkeuringsvoorschriften die met ingang van 1 januari 2016 voor „voertuigen van categorie L” (5) gelden, zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 168/2013 en de vier gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan (6).

2.4.

Op basis van de kritiek in de „Effect study of the environmental step Euro 5 for L-category vehicles” stelt de Commissie voor bepaalde artikelen van Verordening (EU) nr. 168/2013 aan te passen of aan te vullen om de beginselen ervan te verduidelijken en de uitvoering ervan te vergemakkelijken.

2.5.

Dit voorstel, dat ook de wens is van de bedrijven in de sector (7), is uitgewerkt na formele raadpleging van alle belanghebbenden (productiebedrijven, goedkeuringsautoriteiten en de sociale partners).

3.   Samenvatting van het Commissievoorstel

3.1.   Boorddiagnosesysteem

3.1.1.

Het OBD-systeem (8) dient om de algehele werking van een voertuig te controleren en signaleert met name gebreken of storingen die gevolgen hebben voor de uitstoot van schadelijke stoffen. Het OBD-systeem bestond al in Euro 4 en zal verder worden ontwikkeld in Euro 5. Ingevolge de Euro 5-regeling brengt het OBD-systeem een wisselwerking tot stand met voertuigsensoren en -actuatoren, niet alleen om de goede werking van de motor te controleren, maar ook om de behandeling van uitlaatgassen en de katalysator te monitoren.

3.1.2.

De Commissie stelt voor bepaalde aspecten met betrekking tot de verplichting om de OBD-fase II te installeren, en met name de controle van de katalysator, uit te stellen tot 2025. Deze maatregel is alleen voorzien voor enkele voertuigtypen, aangezien het genoemde instrument om technische redenen in 2020 nog niet beschikbaar is. De aanpassing van deze bepaling moet ervoor zorgen dat ondernemingen voldoende tijd hebben om de regelgeving toe te passen.

3.1.3.

Verder maakt de Commissie duidelijk dat bromfietsen (categorieën L1 en L2), lichte vierwielers (categorie L6e) en motorfietsen van de subcategorieën enduro-motorfietsen (L3e-AxE) en trialbikes (L3e-AxT) zijn uitgesloten van het OBD-fase II-systeem.

3.2.   Emissiebeperkingsmethode (mathematische duurzaamheidsprocedure)

3.2.1.

Het onderzoek naar het milieueffect van Euro 5 toont aan dat de methode om voertuigen te testen na „100 gereden kilometers” geen beoordeling toestaat van de werkelijke aantasting van het emissiebeperkingssysteem van het voertuig tijdens de levensduur (9).

3.2.2.

De Commissie stelt voor deze methode vóór 2025 geleidelijk af te schaffen. In de tussentijd wordt voorgesteld om voertuigen pas na een langere afgelegde afstand te testen om een grotere betrouwbaarheid van de gegevens te waarborgen. Daarom wordt in het voorstel bepaald dat voertuigen die tussen 1 januari 2020 en 31 december 2024 zijn geregistreerd na 2 500 km moeten worden getest op milieuprestaties als het voertuig een maximumsnelheid van minder dan 130 km/h heeft en na 3 500 km als het een maximumsnelheid van 130 km/h of hoger heeft.

3.3.   Toepassing Euro 5-grenswaarden

3.3.1.

Het onderzoek naar het effect van Euro 5 bevestigt dat de technologie die nodig is om te voldoen aan de nieuwe milieugrenswaarden al beschikbaar is, behalve voor enkele typen voertuigen van categorie L (L6e-B, L2e-U, L3e-AxT e L3e-AxE).

3.3.2.

De Commissie stelt daarom voor de toepassing van deze grenswaarden voor de genoemde subcategorieën uit te stellen van 2020 naar 2022. Deze maatregel stelt fabrikanten, met name kmo’s, in staat zich te houden aan de termijnen die zijn voorzien voor de overgang naar emissieloze aandrijfsystemen, en ook nog met een positief effect op de kosten, ten voordele van de consument.

3.3.3.

Verder stelt de Commissie vast dat de grenswaarden voor het geluidsniveau voor Euro 5 verdere verduidelijking behoeven. Daarom stelt zij voor de geldigheid van de huidige Euro 4-emissiegrenswaarden te wijzigen totdat de nieuwe Euro 5-grenswaarden zijn vastgesteld.

3.4.   Gedelegeerde handelingen

3.4.1.

Bij Verordening (EU) nr. 168/2013 werd aan de Commissie de bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen toegekend voor een periode van vijf jaar, die op 21 maart 2018 is afgelopen. Aangezien de regelgeving voortdurend moet worden bijgewerkt op basis van de technologische vooruitgang, verzoekt de Commissie om een verlenging met nog eens vijf jaar van de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, met de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  PB C 84 van 17.3.2011, blz. 30.

(2)  PB C 84 van 17.3.2011, blz. 30, punten 4.1, 4.3 en 5.3.

(3)  Het verslag over het onderzoek: „Effect study of the environmental step Euro 5 for L-category vehicles”, EU-Books, ET-04-17-619-EN-N.

(4)  Deze subcategorieën voertuigen vertegenwoordigen minder dan 1 % van de gehele productie van voertuigen van de categorie L.

(5)  PB L 60 van 2.3.2013, blz. 52 — Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers.

PB L 53 van 21.2.2014, blz. 1 — Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 134/2014 van de Commissie van 16 december 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid en tot wijziging van bijlage V bij die verordening.

PB L 25 van 28.1.2014, blz. 1 — Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 44/2014 van de Commissie van 21 november 2013 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers.

PB L 7 van 10.1.2014, blz. 1 — Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 3/2014 van de Commissie van 24 oktober 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende functionele veiligheidsvoorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers.

(6)  Zie voetnoot 3.

(7)  https://www.acem.eu/newsroom/press-releases/329-stefan-pierer-acem-president-we-urgently-need-clarity-from-the-ec-regarding-the-implementation-of-euro-5

(8)  On board technology. Verordening (EU) nr. 168/2013, artikel 21 en bijlage IV, punten 1.8.1, 1.8.2 en 1.8.3.

(9)  Artikel 23, lid 3, onder c).


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/35


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven, tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven

(COM(2018) 209 final — 2018/0103 (COD))

(2018/C 367/07)

Rapporteur:

David SEARS

Raadpleging

Europees Parlement, 28.5.2018

Raad, 31.5.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 114 VWEU

Bevoegde afdeling

Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de afdeling

7.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

128/0/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC is ingenomen met de voorgestelde verordening. Ze bouwt voort op en vervangt de bestaande verordening, waarover het EESC in januari 2011 (1) opmerkingen heeft geformuleerd, en probeert lering te trekken uit de ervaringen die op nationaal en EU-niveau zijn opgedaan sinds de inwerkingtreding in 2013 en de (geplande) volledige tenuitvoerlegging ervan in september 2014.

1.2.

Het EESC stelt vast dat de tijd die nodig is om de nieuwe verordening voor te bereiden, beperkt werd door procedurele factoren, met name de korte tijd die nu nog rest vóór het einde van de huidige mandaatsperiode van zowel de Commissie als het Europees Parlement. Gezien de vrij korte levensduur en de trage tenuitvoerlegging van de bestaande verordening valt dit te betreuren, ook omdat voor de vervanging ervan gedegen steun en betrokkenheid van de lidstaten en alle actoren in de toeleveringsketen geboden zijn. De redenen voor de trage tenuitvoerlegging, met name door grote landen die te maken kregen met terroristische aanslagen tegen hun bevolking, moeten nader worden onderzocht.

1.3.

Het EESC stelt vast dat er op een aantal gebieden meer duidelijkheid geboden is over de reikwijdte en de toepassing van de verordening; deze punten zullen de komende maanden ook uitvoeriger met de lidstaten moeten worden besproken. De bepalingen met betrekking tot verkoop via internet moeten verder worden uitgewerkt om enig reëel effect te sorteren; het valt moeilijk te begrijpen hoe deze bepalingen alleen op het niveau van de lidstaten effect kunnen sorteren.

1.4.

Ten slotte vraagt het EESC zich eens te meer af of dermate sterk uiteenlopende stoffen wel doeltreffend in één regelgevingssysteem kunnen worden ondergebracht. In die omstandigheden is het niet alleen moeilijk om wetgeving op te stellen maar is het voor professionele gebruikers of het grote publiek immers nog moeilijker om ze toe te passen of te begrijpen. Een andere stofspecifieke aanpak is dan ook wenselijk. De EU-wetgeving inzake drugsprecursoren reikt hiervoor een nuttig model aan (2).

2.   Inleiding

2.1.

Geïmproviseerde explosiemiddelen (improvised explosive devices (IED’s)) met verschillende zelfgemaakte explosieven worden gebruikt door terroristen en andere niet-statelijke actoren om met autobommen of op het lichaam gedragen bommen statische aanvallen uit te voeren op militaire of economische doelen, in de eerste plaats om terreur te zaaien onder de burgerbevolking en daarbij politieke of religieuze idealen na te streven.

2.2.

De kennis die nodig is om dergelijke bommen te maken, op te slaan en af te leveren, is gemakkelijk beschikbaar op het internet. Grondstoffen kunnen voor algemeen gebruik bestemd zijn (meel, suiker, dieselolie, meststoffen). Voor krachtigere springstoffen en detonatoren (TATP, PETN, HMTD) is chemische synthese vereist met andere stoffen die voor legitieme doeleinden in de kleinhandel verkrijgbaar zijn. Commerciële springstoffen (waaronder dynamiet, buskruit en TNT) worden nu al streng gecontroleerd en worden, althans in de ontwikkelde wereld, nog zelden gebruikt.

2.3.

De meeste terroristische incidenten vinden in minder ontwikkelde landen plaats, vaak dagelijks, hoewel daarvan niet noodzakelijk uitgebreid melding wordt gemaakt. Samen zijn deze incidenten verantwoordelijk voor bijna 99 % van alle sterfgevallen als gevolg van terrorisme. Rijkere — en stabielere en beter beschermde — landen zijn echter ook doelwitten en als aanvallen slagen, kunnen de gevolgen ervan verwoestend zijn, zoals burgers in een aantal grote steden van de EU (en de VS) thans kunnen getuigen.

2.4.

Desondanks blijft het werkelijke dagelijkse risico laag (in ieder geval in vergelijking met andere natuurlijke of algemeen aanvaarde risico’s) — en de reacties van regeringen variëren naargelang van hun plaatselijke ervaring en nationale praktijken. Autoritaire regimes worden uiteraard (nog) niet geviseerd; meer liberale staatsbestellen worden misschien wel vaker aangevallen, maar bekommeren zich ook om de bescherming van de mensenrechten. Zoals altijd zijn er geen eenvoudige antwoorden.

2.5.

Deze kwesties zijn aan de orde gesteld in eerdere adviezen van het EESC, nl. een advies van 2008 (3) over het in de handel brengen en het gebruik van „bepaalde gevaarlijke stoffen”, waaronder ammoniumnitraat (AN), dat in zeer grote hoeveelheden wordt gebruikt als stikstofhoudende meststof en ook als een doeltreffend goedkoop bestanddeel van commerciële en zelfgemaakte explosieven, en een advies van 2011 (4) over de eerste verordening inzake de controle op precursoren van explosieven, die thans in het licht van de ervaring moet worden ingetrokken en vervangen. Ook de precursoren van illegale drugs en het misbruik ervan voor illegale doeleinden zijn aan de orde gesteld en de desbetreffende wetgeving kan in dit verband een nuttig model voor navolging bieden.

3.   Voorstellen van de Commissie

3.1.

De voorgestelde nieuwe verordening inzake de controle op precursoren van explosieven (15 blz.) bevat een inleiding (17 blz.), drie bijlagen (elk 1 blz.) en een effectbeoordeling (188 blz.). Ze is gebaseerd op artikel 114 VWEU betreffende de werking van de interne markt. Zij legt nieuwe verplichtingen op aan de lidstaten en aan al degenen die betrokken zijn bij de handel in stoffen die zijn opgenomen in bijlage I (precursoren waarvoor een beperking geldt) en bijlage II (precursoren die moeten worden gemeld), en stelt in bijlage III het vereiste formaat voor een vergunning voor „professionele gebruikers” vast. De verordening zou twintig dagen na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad in werking moeten treden en een jaar na die datum van toepassing moeten worden.

3.2.

De algemene aanpak blijft dan ook dezelfde: een aantal stoffen (negen) wordt aangemerkt als stoffen waarvoor op basis van hun concentratie (en dus hun belang en bruikbaarheid bij de productie van zelfgemaakte explosieven) een beperking geldt bij verkoop aan het grote publiek. Een andere reeks stoffen (weer negen) mag vrij worden verkocht, maar „verdachte” transacties moeten worden gemeld aan nationaal aangewezen contactpunten.

3.3.

In deze lijsten is ammoniumnitraat (AN) verplaatst van de tweede naar de eerste lijst (met een overeenkomstige wijziging van bijlage XVII van de Reach-verordening inzake de registratie van chemische stoffen) en zijn drie nieuwe stoffen of groepen die via gedelegeerde handelingen van de Commissie in november 2016 waren toegevoegd, in de tweede lijst opgenomen (aluminiumpoeders, magnesiumpoeders en magnesiumnitraathexahydraat). De overige 14 reeds opgelijste stoffen blijven ongewijzigd. In de effectbeoordeling worden de redenen voor deze wijzigingen uiteengezet (hoewel de drie toevoegingen niet in detail worden besproken en er hier of als onderdeel van de gedelegeerde handelingen geen informatie wordt verstrekt over de betrokken toeleveringsketens, de mogelijke marktimpact of de hoeveelheden die professionele gebruikers of burgers waarschijnlijk zullen aankopen).

3.4.

De verordening verschaft ook de hoognodige verduidelijking van de verschillende rollen in de verschillende toeleveringsketens, en geeft met name duidelijke definities van „marktdeelnemers, „professionele gebruikers”, „landbouwers” en „particulieren”.

3.5.

Aangezien de bestaande verordening onder het Refit-programma van de Commissie valt, beoogt het nieuwe voorstel de kosten te verlagen en de doeltreffendheid (en hopelijk de uitwerking ervan) te verbeteren door het aantal opties waarover de lidstaten beschikken, te verminderen. Burgers (niet-professionele gebruikers) zullen een vergunning moeten krijgen voor het gebruik van precursoren waarvoor beperkingen gelden en waarvan de concentraties hoger liggen dan de in bijlage 1 gespecificeerde grenswaarden. Het bestaande, minder stringente proces van zelfregistratie zal dus niet langer volstaan. Bestaande vergunningen kunnen alleen worden verlengd indien zij geacht worden te voldoen aan de eisen van de nieuwe verordening.

3.6.

De noodzaak om iedereen in de relevante fysieke en onlinetoeleveringsketens te informeren over en op de hoogte te houden van de nieuwe maatregelen, wordt erkend — hoewel de feitelijke mechanismen om dit te doen onduidelijk blijven. Veiligheidsinformatiebladen bijvoorbeeld zijn bedoeld om de veiligheid van werknemers en consumenten te garanderen bij het omgaan met de stoffen, niet om illegaal gebruik ervan te voorkomen. De belangrijkste grenswaarden in bijlage I zijn voor sommige van de vermelde stoffen moeilijk te interpreteren en moeten wellicht worden herzien, vooral omdat elk ervan betrekking heeft op een verschillende toeleveringsketen en verschillende marktdeelnemers. Als er op dit gebied bij de lidstaten goede praktijken bestaan, moeten deze duidelijk zo breed mogelijk worden gedeeld.

3.7.

De lidstaten kunnen strengere controles voorstellen (met inbegrip van lagere concentratieniveaus of een volledig verbod) en de Commissie kan nieuwe stoffen aan de bijlagen toevoegen indien dit noodzakelijk blijkt om terrorisme te beheersen.

3.8.

De lidstaten moeten de Commissie jaarlijks een overzicht verstrekken van het aantal verdachte transacties, van de vergunningsaanvragen en de redenen voor weigering, en van bewustmakingsacties en bijzonderheden over de verrichte inspecties van on- en offlineactiviteiten.

3.9.

Ten slotte zal de Commissie de doeltreffendheid van de verordening op zijn vroegst zes jaar na de datum van toepassing evalueren en daarover verslag uitbrengen aan het Europees Parlement, de Raad en het EESC.

4.   Algemene en specifieke opmerkingen

4.1.

Het EESC is ingenomen met het voorstel voor een nieuwe verordening en kan zich volledig vinden in de doelstellingen ervan. De stoffen die worden gereguleerd, komen in grote lijnen overeen met de prioriteitenlijsten in andere delen van de ontwikkelde wereld. De nieuwe definities moeten duidelijkheid verschaffen aan degenen die voor een follow-up moeten zorgen. De regeringen zullen een aantal extra kosten moeten dragen, maar deze lijken in verhouding te staan tot de voordelen van een verdere beperking van terroristische activiteiten. Een gemeenschappelijk regelgevingskader in alle lidstaten moet ten goede komen aan leveranciers en andere marktdeelnemers. Er lijkt een redelijk evenwicht te zijn gevonden tussen de noodzaak om de risico’s voor het grote publiek (en anderen, met inbegrip van prominente personen, politie en militair personeel) te beperken en de behoefte om tegelijk het vrije verkeer van goederen voor legitieme doeleinden mogelijk te maken.

4.2.

Het EESC is het er ook mee eens dat de lidstaten dringend gecoördineerde actie moeten ondernemen en deelt de bezorgdheid van de Commissie over de trage en niet-uniforme reactie op de bestaande verordening.

4.3.

Een en ander doet echter op zijn beurt vragen rijzen bij het verloop van de voorbereiding van de vervanging van de bestaande verordening, met name wat betreft de inhoud en de kwaliteit van de bewijsstukken. De effectbeoordeling, die door de Commissie is opgesteld op basis van het werk van consultants Ernst & Young, is in hoge mate gebaseerd op openbaar beschikbare statistieken op EU-niveau die al dan niet adequaat of volledig zijn. Het formaat, dat interne richtsnoeren volgt, is niet gemakkelijk leesbaar of duidelijk. De openbare publieksconsultatie heeft slechts 83 reacties van wisselend belang opgeleverd. Beide documenten werden voorbereid in een korte periode, met inbegrip van Kerstmis en Nieuwjaar 2017-18, met weinig of geen tijd om leemten in de gepresenteerde bewijsstukken op te vullen. De beschikbaarheid van onlineproducten werd gecontroleerd via zoekopdrachten op Amazon; er wordt geen melding gemaakt van meer obscure bronnen op het „dark web”.

4.4.

Het EESC heeft begrepen dat de Commissie al in een vroeg stadium heeft gekeken naar de kernvraag van het toepassingsgebied van de verordening, namelijk welke producten moeten worden gecontroleerd, maar dat deze vraag in de effectbeoordeling niet aan de orde komt. Zoals reeds opgemerkt, lijkt er geen marktanalyse te zijn gebeurd voor de drie stoffen die in 2016 via gedelegeerde handelingen zijn toegevoegd. Het ontbreken van controles op zoutzuur, dat in de voor de huidige verordening voorbereide effectbeoordeling was meegenomen maar op het laatste moment zonder enige uitleg uit de bestaande lijst is geschrapt, blijft onverklaard. Andere precursoren met een gemiddelde prioriteit, waaronder kaliumpermanganaat, natriumnitriet, ureum en zinkpoeder die op andere lijsten van producten voor mogelijk dubbel gebruik voorkomen, moeten ten minste worden besproken. Vooruitgang in de richting van een wereldwijd erkende lijst zou, in ieder geval voor de ontwikkelde landen, een nuttig doel zijn.

4.5.

Het EESC stemt in met de lijst van mogelijke controlemaatregelen die in een vroeg stadium zijn afgewezen. Er zij echter enige bezorgdheid geuit over het beperkte aantal controles dat nu wordt voorgesteld, vooral gezien de zeer uiteenlopende aard van de betrokken producten. Verpakkingsgroottes, barcodes en het aandringen op betaling met traceerbare kaarten of bankoverschrijvingen van persoonlijke of zakelijke rekeningen kunnen allemaal hun rol spelen in het beperken of traceren van de verkoop. De huidige praktijken in de lidstaten kunnen verschillen, maar dit is geen belangrijk argument in de strijd tegen het terrorisme.

4.6.

Verschillen in de toepassing van de bestaande verordening zullen echter van invloed zijn op de kosten voor sommige lidstaten en voor degenen die betrokken zijn bij de legale distributie en het legale gebruik van de producten waarvoor beperkingen gelden. Aangezien een aantal inbreukprocedures nodig waren om in het kader van de huidige regeling maatregelen te kunnen nemen, kan er enige terughoudendheid bestaan om een aanpak te aanvaarden die alleen op een vergunning is gebaseerd, ongeacht de voordelen op lange termijn. Controles op de verkoop via internet worden wel genoemd, maar worden niet verder geanalyseerd en als nationale verantwoordelijkheid buiten beschouwing gelaten.

4.7.

In het voorstel is een lange analyse van zijn verenigbaarheid met en wettigheid krachtens andere EU-wetgeving opgenomen, met inbegrip van de wetgeving inzake algemene gegevensbescherming (GDPR), die pas nu volledig van kracht wordt. De beperkingen van het huidige systeem van GN-codes die worden gebruikt om grensoverschrijdend verkeer van stoffen en mengsels te identificeren, worden ook besproken — net als acht jaar geleden toen het vorige advies werd opgesteld. Aangezien er momenteel slechts 18 stoffen zijn opgelijst — en er waarschijnlijk niet meer dan 12 stoffen nog zouden kunnen worden toegevoegd — moet het mogelijk zijn om specifieke douanecodes voor specifiek gebruik in het kader van deze verordening te ontwikkelen en te verzekeren dat voor andere doeleinden ontwikkelde EU-wetgeving niet in strijd is met de fundamentele doelstellingen van veiligheid en beveiliging van de EU-burgers.

4.8.

Het EESC wijst er tevens op dat de genoemde producten sterk verschillen wat betreft productievolumes, toeleveringsketens en legitiem eindgebruik, zowel voor professionele gebruikers als voor het grote publiek. Het enige wat ze gemeen hebben, is dat ze mogelijk van belang zijn voor terroristen — en de bedoeling van de wetgeving is dan ook om deze ongewenste toeleveringsketens met gebruik van alle beschikbare middelen tegen te gaan.

4.9.

Deze maatregelen zullen niet voor elk product dezelfde zijn; het is onwaarschijnlijk dat één enkel controlesysteem waarin alle maatregelen verplicht zijn ondergebracht, echt zo doeltreffend zal zijn als het zou moeten zijn. Een geprefereerde aanpak zou zijn te kiezen voor een eenvoudige kaderrichtlijn waarin de algemene doelstellingen worden uiteengezet, en voor specifieke raadplegingen, analyses, effectbeoordelingen en verordeningen die van toepassing zijn op elk van de opgelijste stoffen. Over het geheel genomen zou dit tijd en mensenlevens sparen — en zou het zeker beter voldoen aan de eisen van het Refit-programma.

4.10.

Een en ander zou ook nauwere samenwerking op lange termijn en informatie-uitwisseling met de fabrikanten en andere betrokken partijen mogelijk maken, die allemaal maatregelen steunen om misbruik van hun producten tegen te gaan. De hoeveelheden die illegaal worden misbruikt, zijn onbeduidend in vergelijking met eventuele reputatieschade of het risico van ruimere beperkingen. De wereldwijde inspanningen om de zeer kleine hoeveelheden azijnzuuranhydride die nodig zijn voor de productie van illegale drugs, waaronder heroïne, te controleren, zijn een nuttig voorbeeld van wat er in dit verband kan worden bereikt. Het EESC heeft zijn advies over dit voorstel inzake drugsprecursoren in januari 2013 gepubliceerd (5). Veel van de ideeën die toen in overweging zijn genomen, zijn ook van toepassing op de precursoren van explosieven waarvoor in het kader van dit voorstel beperkingen of meldingsplicht gelden.

4.11.

Tot slot verheugt het EESC zich erover dat het ingeschakeld blijft bij de ontwikkeling en toepassing van deze verordening, maar is het, met name in het licht van de krappe tijdschema’s voor de uitwerking van het voorstel, van mening dat de Commissie de verordening uiterlijk, en niet op zijn vroegst, zes jaar na de datum van toepassing ervan opnieuw moet bekijken.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  PB C 84 van 17.3.2011, blz. 25.

(2)  PB C 76 van 14.3.2013, blz. 54.

(3)  PB C 204 van 9.8.2008, blz. 13.

(4)  PB C 84 van 17.3.2011, blz. 25.

(5)  PB C 76 van 14.3.2013, blz. 54.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/39


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 952/2013 tot vaststelling van het douanewetboek

(COM(2018) 259 final — 2018/0123 (COD))

(2018/C 367/08)

Rapporteur:

Antonello PEZZINI

Raadpleging

Europees Parlement, 28.5.2018

Raad, 29.5.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de voltallige vergadering

12.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

147/0/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) heeft er altijd op gewezen dat een efficiënte douane-unie een conditio sine qua non is voor het Europese integratieproces, om te zorgen voor een efficiënt, veilig en transparant vrij verkeer van goederen, voor een maximale bescherming van consumenten en milieu, voor kwaliteitsvolle banen en voor een doeltreffende bestrijding van fraude en namaak.

1.2.

Het EESC benadrukt dat er een duidelijk, transparant en ondubbelzinnig regelgevingskader moet komen voor alle openbare en particuliere marktdeelnemers en actoren die in het douanegebied van de Unie actief zijn, waarbij vaste definities, procedures en termen moeten worden gebruikt die van toepassing zijn op goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten, zodat de douane-unie zelf doeltreffend kan functioneren, aansluitend bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk handelsbeleid.

1.3.

Het EESC staat dan ook achter het voorgestelde regelgevingskader, namelijk:

de wijzigingen van de technische normen en voorschriften van het douanewetboek van de Unie (DWU);

de correctie van technische fouten en omissies door het wetboek in overeenstemming te brengen met de Internationale Overeenkomst tussen de EU en Canada (CETA);

de opname in het douanegebied van de Unie van de enclaves van de gemeente Campione en de territoriale wateren van het Luganomeer, zoals gevraagd door de betrokken lidstaat.

1.4.

Volgens het Comité is het voor de Unie en de landen waarmee zij vrijhandelsovereenkomsten heeft gesloten, van essentieel belang dat deze gezamenlijke inspanning wordt ondersteund, zodat vrije en eerlijke handel in een dynamische en toekomstgerichte samenleving wordt bevorderd, de economische activiteit wordt gestimuleerd en gemeenschappelijke waarden en ideeën worden gepromoot. Deze waarden hebben concreet gestalte gekregen in de Europese Akte van 1986 en in het douanewetboek van 1992, dat in het DWU van 2013 is verfijnd, en zijn als voorstel opgenomen in de langetermijnbegroting voor 2021-2027, ter ondersteuning van een efficiëntere belasting- en douanesamenwerking in de Unie.

1.5.

Wat de opname van „territoriale enclaves” betreft, beveelt het Comité aan om er in het bijzonder op toe te zien dat in de Richtlijnen 2008/118/EG (accijnsrichtlijn) en 2006/112/EG (btw-richtlijn) tegelijkertijd de nodige wijzigingen worden aangebracht.

1.6.

Het EESC zou graag zien dat de Commissie hem in 2021 het geplande tussentijdse evaluatieverslag over het rechtskader van het DWU voorlegt, zodat kan worden beoordeeld of de met onderhavige verordening aangebrachte wijzigingen wel adequaat zijn en of de gemeenschappelijke digitale systemen die tegen die tijd geactiveerd moeten zijn, wel doeltreffend zijn.

2.   Inleiding

2.1.

De douane-unie is een exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie op grond van artikel 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en het douanewetboek van de Unie (DWU) heeft het mogelijk gemaakt:

eerdere, uiteenlopende normen te harmoniseren;

gelijke behandeling toe te passen;

rechtmatig sancties op te leggen.

2.2.

Op 1 mei 2016 zijn nieuwe douaneregels van kracht geworden, met als doel het leven van bedrijven die in Europa actief zijn, te vereenvoudigen en de consumentenbescherming te verbeteren. Met het nieuwe EU-douanewetboek is de in 1992 in werking getreden EU-douanewetgeving grondig herzien.

2.3.

Met de Europese Akte van 1986, die in juli 1987 in werking is getreden, is een proces begonnen dat in drie fasen — in 1990 voor kapitaal, in 1993 voor goederen en in 1999 voor de eenheidsmunt — heeft geleid tot de bepalingen van artikel 28 van het VWEU die met name betrekking hebben op „het verbod van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling”.

2.4.

Na het wetboek van 1992 en de verordening van 2008 is er in 2013 het huidige DWU gekomen — aangevuld met een aantal gedelegeerde en uitvoeringsverordeningen — dat een mijlpaal vormt voor de Europese douane-unie: het DWU is het kader waarbinnen jaarlijks goederen ter waarde van meer dan 3 000 miljard EUR de EU kunnen binnenkomen en verlaten.

2.5.

Na de inwerkingtreding van de nieuwe materiële bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 tot vaststelling van het DWU heeft het raadplegingsproces met de lidstaten en de ondernemingen het mogelijk gemaakt fouten en technische anomalieën aan het licht te brengen, die moeten worden gecorrigeerd om rechtszekerheid en samenhang van het recht te waarborgen.

2.6.

Het douanegebied van de EU valt immers niet precies samen met de som van de gebieden die deel uitmaken van het geofysische grondgebied van de EU. Bepaalde gebieden binnen het grondgebied van de verschillende lidstaten zijn uitgesloten van het douanegebied van de EU, terwijl andere gebieden die geen deel uitmaken van het geofysische gebied van de Unie, in feite worden beschouwd als deel uitmakend van het douanegebied.

2.7.

Terwijl de Oostenrijkse gebieden Jungholz en Mittelberg, het vorstendom Monaco, de republiek San Marino, de Franse overzeese departementen (Martinique, Guadeloupe, Frans Guyana en Réunion), Man en de Canarische Eilanden deel uitmaken van het douanegebied van de EU, zijn bepaalde gebieden die deel uitmaken van het geofysische grondgebied van de EU ervan uitgesloten, zoals de Faeröer, Helgoland en Busingen, Ceuta en Melilla, de Franse overzeese gebieden (Frans-Polynesië, Wallis en Futuna, Nieuw-Caledonië, de Franse Antarctische en Australeilanden en de territoriale gemeenschappen van Mayotte, St. Pierre en Miquelon) alsook Livigno. Tot nu toe waren ook Campione d’Italia en de Italiaanse nationale wateren van het Luganomeer tussen Ponte Tresa en Porto Ceresio uitgesloten; Italië heeft evenwel verzocht deze gebieden in de douane-unie op te nemen.

2.8.

De onderhandelingen over een uitgebreide economische en handelsovereenkomst tussen de EU en Canada (CETA) zijn in september 2014 afgerond bij Besluit (EU) 2017/37 van de Raad van 28 oktober 2016. Bij die overeenkomst, die op 21 september 2017 in werking is getreden, is 99 % van de douanerechten afgeschaft, evenals een groot aantal andere belemmeringen waarmee bedrijven tot nu toe te kampen hadden.

2.9.

De CETA-overeenkomst, waarover het EESC zich al meermaals heeft uitgesproken (1), bevat een aantal aspecten van groot douanebelang, aangezien ze in artikel 1, lid 4, een vrijhandelszone instelt tussen Canada en de Europese Unie overeenkomstig artikel XXIV van de GATT (1994) (2) en artikel V van de GATS (3) (van de CETA). De overeenkomst doet in ieder geval geen afbreuk aan de aanvullende rechten en verplichtingen die reeds tussen de overeenkomstsluitende partijen bestaan op grond van de WTO-overeenkomst, noch aan enige andere overeenkomst waarbij zij partij zijn (4).

2.10.

De vrijhandelszone omvat, tenzij anders aangegeven (5):

voor Canada: zijn landgedeelte, zijn luchtruim, zijn binnen- en maritieme territoriale wateren, alsmede zijn exclusieve economische zone, zoals omschreven in de Canadese nationale wetgeving, overeenkomstig deel V van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982 („UNCLOS-Verdrag” (6)); zijn continentaal plat, zoals omschreven in de Canadese nationale wetgeving, overeenkomstig deel VI van Unclos;

voor de Europese Unie, de gebieden waar het VEU en het VWEU van toepassing zijn, onder de in die Verdragen vastgestelde voorwaarden, en, wat de bepalingen betreffende de tariefbehandeling van goederen betreft, ook de delen van het douanegebied van de Europese Unie die niet onder de Verdragen vallen.

2.10.1.

De EU en Canada hebben samen met de CETA een gemeenschappelijk interpretatief instrument (7) ondertekend dat rechtskracht zal hebben en waarin duidelijk en ondubbelzinnig wordt beschreven wat Canada en de Europese Unie zijn overeengekomen in een aantal CETA-artikelen, bijv. betreffende het nieuwe rechtsstelsel voor investeringsbescherming, het recht op wetgeving, openbare diensten en milieu- en arbeidsbescherming.

2.10.2.

Tijdens het regelmatige overlegproces met de lidstaten en het bedrijfsleven is een aantal fouten en technische anomalieën aan het licht gekomen die moeten worden gecorrigeerd om rechtszekerheid en samenhang van het recht te waarborgen. Dit is de achtergrond van de voorstellen van de Commissie, waarbij o.a. een voorstel erop gericht is het DWU op één lijn te brengen met een internationale overeenkomst die ten tijde van de goedkeuring van het wetboek nog niet van kracht was, en een ander voorstel betrekking heeft op het verzoek van Italië om een deel van zijn grondgebied in het douanegebied van de EU op te nemen.

3.   De voorstellen van de Commissie

3.1.

De Commissie stelt voor het douanewetboek van de EU te wijzigen om:

technische fouten en omissies te corrigeren, met inbegrip van de harmonisatie van het DWU met de bepalingen van internationale overeenkomsten die nog niet van kracht waren op het moment dat het wetboek werd aangenomen, zoals de uitgebreide economische en handelsovereenkomst (CETA) tussen de Unie en Canada;

de definitie van het douanegebied van de Unie te wijzigen, teneinde de Italiaanse gemeente Campione d’Italia en de Italiaanse wateren van het Luganomeer erin op te nemen;

te voorzien in specificaties en aanvullingen voor besluiten en procedurele termijnen, wat betreft bindende tariefinlichtingen, summiere aangiften bij binnenkomst, aangiften tijdelijke opslag, summiere aangiften van uitgaan of kennisgevingen van wederuitvoer, vrijstellingen van invoerrechten, in het kader van regelingen voor passieve veredeling.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.

Het EESC staat volledig achter de doelstelling van de Commissie om het EU-douanewetboek (DWU) zodanig technisch te wijzigen dat het niet alleen voldoet aan de doelstelling om het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven te verbeteren, maar ook om de financiële en economische belangen van de EU beter te beschermen, de werkgelegenheid te verbeteren en de veiligheid van de consument te vergroten.

4.2.

Het EESC wijst op het belang dat de CETA hecht aan handel en duurzame ontwikkeling, op de relevante verbintenissen die de verdragsluitende partijen in het kader van het gemeenschappelijk interpretatief instrument zijn aangegaan om de bepalingen van dat instrument aan te scherpen, alsook op de positieve benadering van het nieuwe model wat betreft de beslechting van investeringsgeschillen.

4.3.

Het Comité is dan ook ingenomen met het voornemen om de EU-wetgeving in overeenstemming te brengen met de met Canada gesloten overeenkomsten inzake:

bindende tariefinlichtingen;

tijdelijke opslag;

summiere aangifte van binnenkomst en te verstrekken gegevens indien voor de aankomst geen informatie over goederen van buiten de Unie is verstrekt;

nietigverklaring van de verklaring van tijdelijke opslag;

volledige vrijstelling van invoerrechten in bepaalde gevallen;

de exacte termijnen van de nietigverklaring in geval van een aangifte tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij uitgaan of een kennisgeving van wederuitvoer.

4.4.

Het Comité steunt het verzoek van de Italiaanse regering om de Italiaanse gemeente Campione d’Italia en de Italiaanse binnenwateren van het Luganomeer met ingang van 1 januari 2019 op te nemen in het douanegebied van de EU.

4.5.

Het Comité beveelt aan om gelijktijdig met dit integratieproces ook Richtlijn 2008/118/EG (accijnsrichtlijn) en Richtlijn 2006/112/EG (btw-richtlijn) te wijzigen, zodat zij vanaf 1 januari 2019 van toepassing zijn.

4.6.

Het EESC zou graag zien dat de Commissie hem in 2021 het geplande evaluatieverslag voorlegt over de doeltreffendheid, samenhang en juistheid van het nieuwe rechtskader van het DWU, zoals gewijzigd bij het onderhavige wetgevingsvoorstel.

Brussel, 12 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  PB C 48 van 15.2.2011, blz. 87; PB C 332 van 8.10.2015, blz. 45; PB C 227 van 28.6.2018, blz. 27.

(2)  General Agreement on Tariffs and Trade (Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel).

(3)  General Agreement on Trade in Services (Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten).

(4)  Zie artikel 1.5 CETA.

(5)  Zie artikel 1.3 CETA.

(6)  United Nations Convention on the Law of the Sea (Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee).

(7)  Goedgekeurd door de Raad op het ogenblik van de ondertekening op 28 oktober 2016, met een bindende interpretatie van de CETA overeenkomstig artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht: http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-13541-2016-INIT/en/pdf


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/43


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft minimale verliesdekking voor niet-renderende blootstellingen

(COM(2018) 134 final — 2018/0060 (COD))

en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake kredietservicers, kredietkopers en de uitwinning van zekerheden

(COM(2018) 135 final — 2018/0063 (COD))

(2018/C 367/09)

Rapporteur:

Juan MENDOZA CASTRO

Raadpleging

Raad van de Europese Unie: 24.4.2018

Europees Parlement: 19.4.2018

Rechtsgrondslag

Artikelen 114 en 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

27.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

145/0/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

NPL-pakket

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het pakket van de Commissie, dat centraal staat binnen de inspanningen van de EU om het aanhoudende vraagstuk van de niet-renderende leningen (NPL’s, non-performing loans) aan te pakken en dat cruciaal is voor de vooruitgang in de richting van een bankenunie.

1.2.

De financiële instellingen van de EU hebben zowel wat betreft de kwaliteit van de kredietportefeuilles als wat betreft het totale volume niet-renderende leningen vooruitgang geboekt. Aanvullende maatregelen op EU-niveau zijn echter noodzakelijk om de accumulatie van NPL’s in de toekomst te vermijden.

1.3.

Wanneer NPL-volumes op EU-niveau worden vergeleken, moet rekening worden gehouden met het feit dat banken in sommige landen in de vroege fase van de crisis (2008-2012) aanzienlijke bedragen aan staatssteun hebben ontvangen, terwijl dat voor andere onmogelijk was vanwege wijzigingen in de staatssteunregels.

1.4.

Het EESC vestigt de aandacht op de sociale gevolgen van de financiële crisis op het gebied van uitsluiting, sociale rechtvaardigheid en belemmeringen voor de voltooiing van de interne markt.

1.5.

Om de gevolgen van een te hoge schuldenlast in de toekomst te vermijden is het essentieel dat in waarde verminderde schuld uit de rekeningen van de financiële instellingen wordt verwijderd. Het EESC vraagt eveneens dat kredietinstellingen aan verantwoord lenen doen.

Wettelijke prudentiële achtervangmaatregelen

1.6.

Het EESC schaart zich achter de toepassing van wettelijke prudentiële achtervangmaatregelen als preventieve maatregelen om te verzekeren dat voldoende voorzieningen worden gevormd voor kredietverliezen op toekomstige NPL’s.

1.7.

Het EESC neemt nota van de redenering achter het voorstel van de Commissie en voegt hieraan toe dat achtervangmaatregelen gerechtvaardigd zouden zijn door de verschillende doelstellingen inzake prudentiële regelgeving die met het kader voor financiële verslaggeving worden nagestreefd.

1.8.

Het EESC moet er echter ook op wijzen dat:

de uniforme aanpak geen rekening houdt met de verschillen die nog bestaan in het nationaal burgerlijk recht en in de duur van de procedures in burgerlijke rechtbanken;

het tijdschema voor de vorming van voorzieningen voor nieuwe NPL’s banken ertoe zou kunnen dwingen om deze NPL’s snel te verkopen in plaats van te wachten totdat de in financiële nood verkerende onderneming weer meer levensvatbaar is.

1.9.

Indien mogelijk zou de Commissie rekening moeten houden met de specifieke situatie van kleinere en gespecialiseerde bedrijven met een minder complexe vermogensstructuur.

1.10.

Het EESC is van mening dat IFRS 9 voor alle EU-banken verplicht zou moeten zijn.

1.11.

Het EESC stelt voor om een specifieke effectbeoordeling te maken om in te schatten wat de gevolgen van de voorgestelde verordening kunnen zijn voor banken, voor de kredietverstrekking aan huishoudens, voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor de groei van het bbp.

1.12.

Het EESC merkt op dat de ECB haar addendum reeds heeft gepubliceerd, zonder daarbij rekening te houden met de door het Parlement, de Raad en de Commissie te publiceren pijler 1-regels en zonder te wachten op de richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit (EBA).

Ontwikkeling van secundaire markten

1.13.

Het EESC erkent dat de Commissie een antwoord biedt op de vele problemen van gefragmenteerde secundaire markten voor NPL’s in de EU, en wijst op de specifieke voorstellen ter zake. Het is echter van mening dat regelgevende instanties de verkoop van NPL’s niet dienen aan te moedigen.

1.14.

In verband met de gevolgen van kredietoverdrachten stelt het EESC het volgende voor:

Consumentenbescherming: de Commissievoorstellen worden over het algemeen met bijval begroet. De autoriteiten dienen aandacht te hebben voor specifieke maatregelen en aanbevelingen om de rechten van schuldenaars te beschermen.

Bescherming van werknemers: de bevoegde autoriteiten moeten overeenkomstig de Europese en nationale wetgeving rekening houden met de mobiliteit en bescherming van de werknemers van de bedrijven die bij overdrachten van bedrijven zijn betrokken.

Versnelde buitengerechtelijke uitwinning van zekerheden

1.15.

Het EESC is positief te spreken over het recht op een eerlijk proces in een nationale rechtbank als dat noodzakelijk is en als de toepassing van deze procedure zoals voorgesteld in de richtlijn wordt beperkt.

1.16.

In vele lidstaten is de uitwinningsprocedure al efficiënt. De oplossing voor het probleem rond NPL’s ligt voornamelijk in een versterking van de gerechtelijke procedures in de gehele EU.

2.   De voorstellen van de Europese Commissie

2.1.

Op 14 maart presenteerde de Commissie een voorstel voor een verordening (1) tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft minimale verliesdekking voor niet-renderende blootstellingen (NPE’s), evenals een voorstel voor een richtlijn (2) inzake kredietservicers, kredietkopers en de uitwinning van zekerheden.

2.2.

Beide voorstellen gingen vergezeld van werkdocumenten van de diensten van de Commissie en effectbeoordelingen, en op dezelfde dag publiceerde de Commissie eveneens haar tweede voortgangsverslag (3) over het terugdringen van niet-renderende leningen in Europa en een blauwdruk (4) met technische richtsnoeren voor de oprichting van nationale vermogensbeheerders (AMC’s).

2.3.

Deze voorstellen vormen belangrijke onderdelen van de inspanningen van de Commissie om de Europese economische en monetaire unie (EMU) te versterken en zijn cruciaal voor de voltooiing van de bankenunie. Het aanpakken van hoge volumes niet-renderende leningen (NPL’s) en niet-renderende blootstellingen (NPE’s), maar ook van de mogelijke accumulatie ervan in de toekomst is een belangrijk onderdeel van de inspanningen van de Unie om de risico’s in het bankbestel verder af te bouwen en banken in staat te stellen zich te concentreren op de kredietverschaffing aan bedrijven en burgers.

2.4.

In het voorstel voor een verordening stelt de Commissie voor om een wettelijke prudentiële achtervang vast te stellen door gemeenschappelijke minimale dekkingsniveaus vast te leggen voor nieuw geïnitieerde leningen die niet-renderend worden. De bedoeling hiervan is te voorkomen dat een buitensporige aangroei van NPL’s zich voordoet zonder dat er op de balans van banken voldoende dekking is voor verliezen, evenals de afwikkeling ervan te vergemakkelijken.

2.5.

Met het voorstel voor een richtlijn wil de Commissie de efficiëntie van schuldinvorderingsprocedures verhogen door middel van een aparte gemeenschappelijke procedure voor de versnelde buitengerechtelijke uitwinning van zekerheden (accelerated extrajudicial collateral enforcement, AECE). Het voorstel stimuleert eveneens de ontwikkeling van secundaire markten voor NPL’s door vereisten te harmoniseren en een interne markt tot stand te brengen voor kredietservicing en voor de overdracht van bankleningen aan derden in de EU.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC is ingenomen met het pakket van de Commissie, dat centraal staat binnen de inspanningen van de EU om het aanhoudende probleem van de NPL’s (5) aan te pakken en dat cruciaal is om de bankenunie dichterbij te brengen.

3.2.

Aangezien solvabiliteit en stabiliteit in het financiële bestel fundamenteel zijn voor de EU, is het hoge volume NPL’s dat tijdens de crisis en de daaropvolgende recessie in de banken van sommige lidstaten werd geaccumuleerd slecht voor het financiële bestel in zijn geheel en nadelig voor de economie. Het heeft in sommige gevallen hoge kosten veroorzaakt voor de belastingbetaler.

3.3.

De afgelopen jaren hebben de financiële instellingen van de EU vooruitgang geboekt, zowel wat betreft de kwaliteit van de leningportefeuilles als wat betreft het totale volume NPL’s. Dit totale volume is echter nog steeds hoog: bruto 813 miljard EUR (6). Banken en toezichthouders beschikken over de noodzakelijke instrumenten om het aantal niet-terugbetaalde of aan waardevermindering onderhevige leningen terug te dringen, maar er zijn aanvullende maatregelen op EU-niveau nodig om accumulatie ervan in de toekomst te vermijden.

3.4.

Het EESC wijst erop dat banken in sommige landen in de vroege fase van de crisis (2008-2012) aanzienlijke bedragen aan staatssteun hebben ontvangen, terwijl dat voor andere onmogelijk was vanwege wijzigingen in de staatssteunregels voor de financiële sector. Wanneer NPL-volumes op EU-niveau worden vergeleken, moet dan ook met deze verschillen rekening worden gehouden.

3.5.

Het EESC vestigt de aandacht op de sociale gevolgen die de financiële crisis heeft op het gebied van uitsluiting, sociale rechtvaardigheid en belemmeringen voor de voltooiing van de interne markt. In sommige lidstaten laten NPL’s zien hoe ernstig gezinnen en kleine en middelgrote ondernemers zijn getroffen, waarbij ze zelfs het risico lopen dat ze hun woning kwijtraken of dat er gedwongen verkoop plaatsvindt.

3.6.

Om de gevolgen van een te hoge schuldenlast in de toekomst te vermijden is het essentieel dat in waarde verminderde schuld uit de rekeningen van de financiële instellingen wordt verwijderd. Het Ecofin-plan moet aan deze doelstelling bijdragen. Het EESC roept eveneens op tot verantwoord lenen, wat betekent dat kredietinstellingen meer aandacht zullen moeten besteden aan de behoeften en situaties van hun individuele leningnemers en dat zij het financieel instrument zullen moeten vinden dat het best aansluit op hun individuele omstandigheden (7).

4.   Specifieke opmerkingen

4.1.    Wettelijke prudentiële achtervangmaatregelen

4.1.1.

Het EESC schaart zich achter de toepassing van wettelijke prudentiële achtervangmaatregelen als preventieve maatregelen om te verzekeren dat voldoende voorzieningen worden gevormd voor kredietverliezen op toekomstige NPL’s.

4.1.2.

Om de volumes NPL’s en NPE’s (8) terug te schroeven, omvat de voorgestelde wijziging van de verordening kapitaalvereisten (VKV) een geleidelijk tijdschema voor gedekte leningen (tot acht jaar) en niet-gedekte leningen (twee jaar).

4.1.3.

De Commissie motiveert het voorstel als volgt (9):

Werkzaamheden in verband met verliezen op rekeningen zijn, prudentieel gezien, mogelijk niet altijd geschikt, vanwege het andere toepassingsgebied en de andere doelstelling.

IFRS 9 (10) zal naar verwachting zorgen voor veel betere aansluiting op de prudentiële normen dan IAS 39 (11) en bijdragen aan de aanpak van het probleem van vertraagde en ontoereikende bepalingen, aangezien het een aanpak op basis van „verwachte verliezen” hanteert. De nieuwe norm laat echter nog steeds beoordelingsruimte voor wat betreft de evaluatie van NPL’s en de onderliggende zekerheden en, bijgevolg, voor het bepalen van het niveau van de voorzieningen.

Prudentiële regelgeving geeft toezichthouders van banken de bevoegdheid om binnen de limieten van het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving invloed uit te oefenen op het voorzieningenniveau (ook voor NPL’s), evenals om specifieke aanpassingen te eisen van de berekeningen van het eigen vermogen van de bank. De toezichthouder kan echter alleen bindende maatregelen en vereisten toepassen in individuele gevallen en dient daarbij rekening te houden met de specifieke situatie van de instelling (de zogenaamde pijler 2-maatregelen).

Op maat gemaakte toezichtmaatregelen na een individuele beoordeling door de bevoegde toezichthouder zijn gepast om de specifieke NPL-gerelateerde risico’s van individuele banken aan te pakken.

4.1.4.

Het EESC wil hieraan toevoegen dat achtervangmaatregelen gerechtvaardigd zouden zijn door de verschillende doelstellingen in verband met prudentiële regelgeving die met het kader voor financiële verslaggeving worden nagestreefd.

4.1.5.

Het EESC moet echter eveneens op het volgende wijzen:

In de voorgestelde verordening, waarin een uniforme aanpak wordt gehanteerd, wordt geen rekening gehouden met de verschillen die nog bestaan in het nationaal burgerlijk recht en in de duur van de procedures in burgerlijke rechtbanken.

Het tijdschema voor de vorming van voorzieningen voor nieuwe NPL’s zou banken ertoe kunnen dwingen om deze NPL’s snel te verkopen in plaats van te wachten totdat de in financiële nood verkerende onderneming weer meer levensvatbaar is. Dit kan de kans op schuldherstructurering en een tweede kans voor ondernemers verkleinen, wat mogelijk grote negatieve gevolgen kan hebben op sociaal en werkgelegenheidsgebied.

Volgens een analyse (12) zullen kleinere en gespecialiseerde bedrijven met een minder complexe vermogensstructuur waarschijnlijk harder worden getroffen door de gelijktijdige invoering van IFRS 9 en prudentiële achtervangmaatregelen voor NPE’s. De Commissie zou moeten nagaan of het nodig is het voorstel bij te schaven om dit probleem aan te pakken.

4.1.6.

Hoewel de voorgestelde achtervangmaatregelen de uit de goedkeuring van verschillende kaders voor financiële verslaggeving (IFRS 9 in plaats van nationale GAAP’s (13)) voortvloeiende verschillen in voorzieningen kunnen beperken, is het EESC van mening dat IFRS 9 verplicht zou moeten zijn voor alle EU-banken.

4.1.7.

Het EESC stelt voor om een specifieke analyse te maken om in te schatten wat de gevolgen van de voorgestelde verordening kunnen zijn voor banken, voor de kredietverstrekking aan huishoudens, voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor de groei van het bbp.

4.1.8.

Er zijn andere risico’s die soortgelijke problemen zouden kunnen veroorzaken als die van NPL’s, met name de risico’s die verband houden met zware, complexe derivaten en teruggenomen activa van niveau 2 en niveau 3. In dit verband meent het EESC dat deze risico’s moeten worden opgenomen in de lijst van prioriteiten voor risicoafbouw.

4.1.9.

Het EESC merkt op dat de ECB haar addendum reeds heeft gepubliceerd, zonder daarbij rekening te houden met de door het Parlement, de Raad en de Commissie te publiceren pijler 1-regels en zonder te wachten op de richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit (EBA), die nog worden besproken. Dit zou een schending van de beginselen inzake betere regelgeving kunnen vormen. Het addendum van de ECB over NPL’s moet dan ook worden aangepast aan het toekomstige pijler 1-kader inzake NPL’s, zodat de samenhang van de Europese regels verzekerd blijft.

4.2.    Maatregelen voor de verdere ontwikkeling van secundaire markten voor NPL’s

4.2.1.

Transacties op secundaire markten zijn in de EU relatief klein (14). De oorzaken zijn onder andere: gefragmenteerde regelgeving, uit de wetgeving voortvloeiende beperkingen ten aanzien van houders van bepaalde activaklassen, ten aanzien van de mate van betrokkenheid van servicers en ten aanzien van de soorten beleggers (in sommige gevallen kunnen mogelijk alleen andere banken NPL’s servicen of kopen), evenals meningsverschillen tussen lokale banken en buitenlandse beleggers over de economische vooruitzichten. Het EESC is van mening dat de Commissie op vele van deze problemen een antwoord biedt.

4.2.2.

Een van de belangrijkste uitdagingen voor de NPL-markt is het gebrek aan kwaliteitsvolle gegevens over NPL’s, wat leidt tot informatieasymmetrieën. Het EESC is ingenomen met de gegevenstemplates, die zijn gericht op het verschaffen van uniforme en gestandaardiseerde gegevens voor niet-renderende kredietovereenkomsten.

4.2.3.

Het EESC is echter van mening dat regelgevers de verkoop van NPL’s niet dienen aan te moedigen, aangezien het binnen de banken beheren van aan een waardevermindering onderhevige leningen middels de invordering ervan meer waarde zou kunnen opleveren dan de prijzen die kunnen worden verkregen bij verkoop.

4.2.4.

Het EESC wil de volgende aspecten van het Commissievoorstel beklemtonen en ondersteunen:

Kredietservicers. In de voor de hele EU geldende regels worden specifieke vereisten en procedures vastgesteld voor het verlenen, weigeren en intrekken van een vergunning (artikelen 5 tot 7), met inbegrip van „als voldoende betrouwbaar” bekendstaan, „een blanco strafblad” hebben en „niet aan een insolventieprocedure onderworpen” zijn. De regels hebben ook betrekking op: het register (artikel 8), de contractuele relatie met de kredietnemer (artikel 9), uitbesteding van activiteiten (artikel 10) en grensoverschrijdende diensten (artikelen 11 en 12).

Kredietkopers. De kredietgever verstrekt alle nodige informatie over de kredietovereenkomst (artikel 13) overeenkomstig technische normen die zullen worden ontwikkeld door de EBA (artikel 14) en die niet kunnen worden onderworpen aan meer vereisten dan die welke in de nationale maatregelen tot omzetting zijn opgenomen (artikel 15). Zij kunnen de naleving van een kredietovereenkomst rechtstreeks afdwingen (artikel 18) of overdragen (artikel 19).

Kredietservicers, kredietinstellingen of hun dochterondernemingen, die een belangrijke rol spelen in aan NPL’s gerelateerde activiteiten, zijn opgenomen in artikel 16.

Toezicht. Dit is een cruciaal aspect, aangezien wordt gevraagd om toepassing van dezelfde regels in de EU, een toezichthoudende rol voor de bevoegde autoriteiten en administratieve sancties (artikelen 20 t/m 22).

Gegevensbescherming. Als voorwaarde voor de overdracht van een lening geldt de „inachtneming van de rechten van de kredietnemer en de naleving van de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens waarborgen in overeenstemming met het recht dat op de kredietovereenkomst van toepassing is” (artikel 5, lid 1, onder c)).

4.2.5.   Consumentenbescherming

Het EESC acht het belangrijk om op het gebied van financiële diensten een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen.

In dit licht is het ingenomen met het in het voorstel gehanteerde algemene beginsel „om hetzelfde niveau van bescherming te waarborgen, ongeacht wie het krediet bezit of servicet en ongeacht de wettelijke regeling die van kracht is in de lidstaat van de kredietkoper of de kredietservicer”. Met name de richtlijn hypothecair krediet (15), de richtlijn consumentenkrediet (16) en de richtlijn oneerlijke bedingen (17) moeten worden nageleefd.

Het EESC wijst ook op de verplichtingen die de kredietgever jegens de consument heeft in geval van wijzigingen van de kredietovereenkomst (artikel 34).

Het EESC merkt op dat door de overdracht van een lening de schuldenaar te maken krijgt met een niet-financieel bedrijf met ander personeel, andere werkwijzen en een andere doelstelling. Het is dan ook gepast dat nationale autoriteiten aandacht besteden aan maatregelen en aanbevelingen om de rechten van schuldenaars te beschermen, zoals dat ook gebeurt bij het Consumer Financial Protection Bureau in de VS (18).

4.2.6.   Bescherming van werknemers

Telkens wanneer kredieten worden overgedragen aan externe bedrijven moeten de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de Europese en nationale wetgeving rekening houden met de mobiliteit en bescherming van de werknemers van de bij deze overdrachten betrokken bedrijven.

4.3.    Versnelde buitengerechtelijke uitwinning van zekerheden (AECE)

4.3.1.

Het EESC kan zich vinden in de verplichting voor de lidstaten om ervoor te zorgen dat de zakelijke kredietnemer het recht heeft om het gebruik van dit mechanisme voor een nationale rechter aan te vechten (artikel 28). Dit zou het grondrecht van burgers en bedrijven op een eerlijk proces (19) afdoende moeten beschermen, met name in het geval van oneerlijke of tot misbruik leidende contractuele voorwaarden.

4.3.2.

Niettemin stelt het EESC vast dat verscheidene lidstaten betwijfelen of een dergelijk instrument het mogelijk zal maken om de uitwinningsprocedures in de lidstaten waar procedures in de rechtbanken al binnen een kort tijdsbestek worden behandeld, aanzienlijk te versnellen. Buitengerechtelijke procedures kunnen gunstig zijn voor kredietgevers, maar de oplossing voor het probleem rond NPL’s ligt voornamelijk in een versterking van de gerechtelijke procedures in de gehele EU.

4.3.3.

Hoe dan ook is het EESC positief te speken over de beperkingen op de toepassing van AECE in het voorstel. Ten eerste gaat het alleen om overeenkomsten tussen kredietgevers en zakelijke kredietnemers. Bovendien zijn de bepalingen in kwestie niet van toepassing op:

consumenten die niet-beroepsmatige activiteiten uitoefenen (20);

vennootschappen zonder winstoogmerk;

financiëlezekerheidsovereenkomsten (21), en

een voor bewoning bestemd onroerend goed dat de hoofdwoning van een zakelijke kredietnemer is (22).

4.4.    Blauwdruk voor nationale vermogensbeheerders (AMC’s)

Staatssteunregels

4.4.1.

Het EESC vindt net als de Commissie dat AMC’s een belangrijk deel van de oplossing zijn geweest om de balansen van banken in sommige lidstaten op te schonen, met name in de nasleep van de financiële crisis. Het EESC is het er echter ook mee eens dat ze — in het geval van met overheidsgeld ondersteunde of gegarandeerde instrumenten — ook kunnen bijdragen tot risico’s voor de financiële stabiliteit, en eventueel ook de zogenaamde vicieuze cirkel tussen banken en staten (sovereign feedback loop) kunnen versterken.

4.4.2.

Het EESC pleit daarom voor samenhang met het EU-rechtskader, in het bijzonder met de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD) (23) en de verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (SRMR) (24).

4.4.3.

In de praktijk hebben bijna alle nationale AMC’s in één of andere vorm staatssteun gekregen, met inbegrip van: garanties om verliezen op te vangen of om AMC-financiering te garanderen (dit kan ertoe leiden dat de AMC een „staatsrating” krijgt, zodat AMC-effecten bijvoorbeeld in aanmerking komen om te worden gebruikt als zekerheden voor repo’s), AMC’s die activa kopen boven hun marktwaarde (de waarde die een belegger zou betalen) omdat zij de economische waarde op de langere termijn bekijken — het gedeelte van de economische waarde dat groter is dan de marktwaarde vormt staatssteun en vereist goedkeuring op het niveau van de bank door de Europese Commissie, evenals de herkapitalisatie door de overheid van banken die deelnemen aan AMC-programma’s (25).

4.4.4.

Zelfs indien een vorm van bijstand door de staat is toegestaan, is volgens de meest recente EU-regels in het algemeen vereist dat op zijn minst voor de achtergestelde schulden van een bank een bail-in wordt toegepast (afschrijving of omzetting in eigen vermogen), zodat de last van de herkapitalisatie ten minste wordt gedeeld door de openbare en particuliere sector.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  COM(2018) 134 final — Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft minimale verliesdekking voor niet-renderende blootstellingen.

(2)  COM(2018) 135 final — Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake kredietservicers, kredietkopers en de uitwinning van zekerheden.

(3)  COM(2018) 133 final — Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad en de Europese Centrale Bank — Tweede voortgangsverslag over het terugdringen van niet-renderende leningen in Europa.

(4)  SWD(2018) 72 final — Werkdocument van de diensten van de Commissie — AMC Blueprint accompanying the document Communication from the Commission to the European Parliament, the European Council, the Council and the European Central Bank — Second Progress Report on the Reduction of Non-Performing Loans in Europe.

(5)  Conclusies van de Raad over het actieplan inzake niet-renderende leningen in Europa (11 juli 2017).

(6)  Risicodashboard van de EBA, gegevens vierde kwartaal 2017.

(7)  Advies van het EESC over krediet en sociale uitsluiting in een maatschappij van overvloed (PB C 44 van 16.2.2008, blz. 74).

(8)  Definitie van de Europese Bankautoriteit (EBA): een NPE is een blootstelling waarvoor een betalingsachterstand van meer dan 90 dagen bestaat of die waarschijnlijk niet zal worden betaald zonder de executie van zekerheden, zelfs als deze niet wordt erkend als niet-terugbetaald of aan een waardevermindering onderhevig. Overeenkomstig artikel 178 van de VKV en het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving worden niet-terugbetaalde of aan een waardevermindering onderhevige blootstellingen altijd als niet-renderend beschouwd. Bovendien moet elke blootstelling aan een schuldenaar worden beschouwd als niet-renderend wanneer binnen de balanstelling de blootstellingen waarvoor een betalingsachterstand van meer dan 90 dagen geldt 20 % vertegenwoordigen van alle blootstellingen binnen de balanstelling aan die debiteur („aanzuigend effect”). De totale NPE is gelijk aan de som van niet-renderende leningen, niet renderende schuldtitels en niet-renderende posten buiten balanstelling.

(9)  Raadplegingsdocument inzake wettelijke achtervangmaatregelen.

(10)  Internationale standaard voor financiële verslaglegging. Van kracht sinds 1 januari 2018.

(11)  Internationale standaard voor jaarrekeningen.

(12)  Eurofinas: reactie op de raadpleging van de Europese Commissie inzake wettelijke prudentiële achtervangmaatregelen.

(13)  Algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen.

(14)  KPGM: 100 miljard EUR, minder dan 10 % van de uitstaande volumes.

(15)  Richtlijn 2014/17/EU (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34).

(16)  Richtlijn 2011/83/EU (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).

(17)  Richtlijn 93/13/EEG (PB L 95 van 21.4.1993, blz. 29).

(18)  https://www.consumerfinance.gov/about-us/newsroom/consumer-financial-protection-bureau-reminds-mortgage-servicers-of-legal-protections-for-consumers-when-transferring-loans

(19)  Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 47.

(20)  Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten, artikel 3, onder a).

(21)  Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten, artikel 2, lid 1, onder a).

(22)  „De financiële crisis, die tal van woningbezitters tot faillissement heeft gedreven en die hun onroerend goed tegen lage prijzen moesten verkopen”. Advies van het EESC over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake woningkredietovereenkomsten (PB C 318 van 29.10.2011, blz. 133).

(23)  Richtlijn 2014/59/EU.

(24)  Verordening (EU) nr. 806/2014 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).

(25)  KPGM.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/50


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de

mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over het toepasselijke recht voor de gevolgen van effectentransacties voor de eigendom

(COM(2018) 89 final)

en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EU van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen

(COM(2018) 92 final — 2018/0041 (COD))

en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht dat van toepassing is op de derdenwerking van de cessie van vorderingen

(COM(2018) 96 final — 2018/0044 (COD))

en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen en houdende wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 345/2013 en (EU) nr. 346/2013

(COM(2018) 110 final — 2018/0045 (COD))

(2018/C 367/10)

Rapporteur:

Petr ZAHRADNÍK

Raadpleging

Raad van de Europese Unie: 12.4.2018

Europees Parlement: 16.4.2018

Rechtsgrondslag

Artikelen 53, lid 1, 114 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

27.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

152/0/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) staat achter de stelselmatige inspanningen om tegen 2019 alle essentiële bouwstenen van de kapitaalmarktenunie tot stand te brengen en verwacht hiervan voordelen in de vorm van kansen voor investeringen, efficiëntere financiële bemiddeling, diversificatie van investeringen en een verbeterde capaciteit om het hoofd te bieden aan risico’s.

1.2.

Als het gaat om het openen van nieuwe mogelijkheden voor de grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen, is het van belang dat een evenwichtige verhouding tot stand wordt gebracht tussen de vereisten inzake beleggersbescherming, die in dit verband van essentieel belang zijn, en het behoud van voldoende ruimte voor de inventiviteit van ontwikkelaars en verkopers van beleggingsproducten.

1.3.

Het EESC is het met de Commissie eens dat de grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen momenteel sterk wordt ontmoedigd door verhandelingsvereisten, regelgevingsvergoedingen, kennisgevingsprocedures en administratieve voorschriften op nationaal niveau. Tegelijkertijd is het zich ervan bewust dat er nog andere belemmeringen zijn, die niet worden bestreken door de voorgestelde maatregelen, zoals uiteenlopende belastingregels, waarvan de harmonisatie realistischer is op langere termijn.

1.4.

Het EESC is echter van mening dat de belangrijkste belemmeringen voor de grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen momenteel niet zozeer gelegen zijn in de huidige verordeningen en richtlijnen, maar vooral in het ontbreken van gedetailleerde richtsnoeren en instructies van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority, ESMA), waardoor iedere nationale jurisdictie haar eigen regels heeft. Het merendeel van de voorstellen zou vergezeld moeten gaan van gedetailleerde en verklarende instructies van de ESMA, en het voorstel voor een nieuwe verordening zou slechts het algemene kader moeten verschaffen om een consistente aanpak van de regelgeving te waarborgen.

1.5.

Om schaalvoordelen te bereiken moet de „nationale creativiteit” als het gaat om de ontwikkeling van de heffingenstructuur beperkt blijven, en moet worden gekozen voor duidelijk omschreven en gemakkelijk te interpreteren nationale besluiten, waarvan de inhoud consistent is binnen de EU.

1.6.

Het EESC verwelkomt en steunt het voornemen om de regelgevingsvergoedingen transparanter te maken, aangezien dit de grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen aanzienlijk kan versnellen. De ESMA speelt in dit verband een essentiële rol.

1.7.

Het EESC dringt erop aan dat regels worden vastgesteld voor de systematische kennisgeving van publicitaire mededelingen, die voldoende streng zijn om de voortzetting van praktijken die tot een versnippering van de EU-markt leiden, tegen te gaan.

1.8.

Het EESC is ingenomen met de oprichting van de ESMA-databank, maar wijst er wel op dat het niet wenselijk is om vermogensbeheerders aanvullende rapportageverplichtingen op te leggen, die uitsluitend van toepassing zouden moeten zijn op de bevoegde nationale autoriteiten.

1.9.

Met betrekking tot de voorgestelde regels voor de stopzetting van de verhandeling en de marketing van beleggingsfondsen is het EESC van mening dat het besluit tot stopzetting facultatief moet zijn, en afhankelijk moet zijn van de beslissing van de vermogensbeheerder.

1.10.

Het EESC beveelt aan meer gedetailleerde regels uit te werken voor de verificatie van de kwalificaties en de bekwaamheid van de personen die beleggingsdiensten verrichten.

2.   Achtergrond en bredere context: maatregelen om tegen 2019 de fundamenten voor de kapitaalmarktenunie te leggen

2.1.

De kapitaalmarktenunie is een langetermijnproject van de EU om de efficiëntie en doeltreffendheid van financiële bemiddeling te versterken. Het effect daarvan moet na 2019 merkbaar zijn, wanneer alle bouwstenen die nu worden voorgesteld naar verwachting aanwezig zullen zijn, en zal tot uiting komen in een gunstig investeringsklimaat voor de lange termijn dat bijdraagt tot sterke economische groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid.

2.2.

In symbiose met de bankenunie zal een goed werkende kapitaalmarktenunie de werking van de interne markt ondersteunen en de Economische en Monetaire Unie versterken. Zij draagt er tegelijkertijd toe bij dat de EU aantrekkelijker wordt voor internationale investeringen. Versterking van de diversificatie is van groot belang als middel om een grensoverschrijdende risicodeling door de particuliere sector mogelijk te maken. Hiervoor is het noodzakelijk dat de verspreiding van slechte activa wordt voorkomen, omdat het risico anders verder zou toenemen.

2.3.

De voorstellen van de Europese Commissie sluiten aan bij de stappen die sinds 2015 zijn genomen om een kapitaalmarktenunie tot stand te brengen. Het doel hiervan is om kapitaal op efficiënte wijze aan te trekken en in te zetten op basis van de winstgevendheid, zodat het beschikbaar komt voor alle soorten ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen.

2.4.

De huidige voorstellen van de Commissie zijn specifiek gericht op het ondersteunen van de grensoverschrijdende markt voor beleggingsfondsen; zij zijn gericht op de EU-markt voor gedekte obligaties als bron van langetermijnfinanciering, en op het waarborgen van grotere rechtszekerheid voor grensoverschrijdende transacties in effecten en schuldvorderingen. De voorgestelde maatregelen moeten worden gezien in het licht van hun onderlinge samenhang. Tegelijkertijd is het zaak dat het Actieplan voor financiële technologie en het Actieplan voor duurzame financiering worden nageleefd, aangezien deze plannen ook van groot belang zijn voor de totstandbrenging van een volwaardige kapitaalmarktenunie.

2.5.

Het doel is om tegen 2019 meer vooruitgang te boeken op het gebied van de kapitaalmarktenunie, ten minste met betrekking tot drie thema’s: versterking van de rol van „Europese merken en paspoorten” voor financiële producten, harmonisatie en vereenvoudiging van de regels om de kapitaalmarkten in een grensoverschrijdende context te verdiepen en te homogeniseren, en zorgen voor een coherenter en effectiever toezicht op deze markten.

2.6.

Het beoogde doel van de voorgestelde maatregelen is een hogere mate van integratie en homogeniteit te bereiken op de markt voor collectieve beleggingsfondsen, de kosten op grensoverschrijdend niveau te verlagen, het aanbod voor beleggers aanzienlijk te versterken en een betere bescherming te bieden aan beleggers, op basis van gemeenschappelijke regels. In deze zin biedt de openstelling van de markten voor de grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen grote mogelijkheden. Hiervoor moeten dan wel de belemmeringen van wetgevende en niet-wetgevende aard binnen de lidstaten worden weggenomen.

3.   Het doel van de maatregelen voor het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen

3.1.

Collectieve beleggingsfondsen zijn een belangrijk instrument in het proces van financiële bemiddeling, dat het mogelijk maakt om zowel particuliere als publieke financiële activa te plaatsen en te beleggen in reële bedrijfsprojecten en productieve investeringsprojecten van de overheid. In de EU bedraagt de omvang van de markt voor collectieve beleggingen 14 300 miljard EUR, wat zeer dicht bij de waarde van het bbp van de EU ligt.

3.2.

Hun potentieel wordt echter nog niet volledig benut in een grensoverschrijdende context waar circa 37 % van de instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) en ongeveer 3 % van de alternatieve beleggingsfondsen (abi’s) zijn geregistreerd voor verkoop in meer dan drie lidstaten.

3.3.

Naast natuurlijke belemmeringen is deze situatie ook te wijten aan wettelijke beperkingen die een grootschaliger grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen in de weg staan. De voorstellen van de Europese Commissie zijn bedoeld om deze beperkingen voor alle soorten beleggingsfondsen terug te dringen en de grensoverschrijdende distributie ervan te vergemakkelijken, waardoor deze sneller zou kunnen verlopen en producten goedkoper zouden worden, als gevolg van de schaalvoordelen. Wettelijke belemmeringen zijn er met name in de vorm van verhandelingsvereisten, regelgevingsvergoedingen, kennisgevingsprocedures en administratieve voorschriften op nationaal niveau. Deze belemmeringen kunnen worden weggenomen door te zorgen voor meer transparantie en harmonisatie. De voorgestelde maatregelen zijn vooral van technische aard.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.

Het EESC is van mening dat de belangrijkste belemmeringen voor de grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen momenteel niet zozeer gelegen zijn in de huidige verordeningen en richtlijnen, maar eerder in het ontbreken van gedetailleerde richtsnoeren en instructies van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority, ESMA), en het feit dat de regels van de verschillende Europese jurisdicties uiteenlopen. De nieuwe verordening zou dan ook moeten worden goedgekeurd voor een beperkt aantal gevallen, terwijl het merendeel van de voorstellen gericht moet zijn op gedetailleerde en verklarende instructies van de ESMA, die de bestaande voorschriften zouden moeten verduidelijken, in plaats van nieuwe normen vast te stellen, en dus moeten voortbouwen op de positieve bijdrage die de ESMA tot nu toe heeft geleverd om de voorschriften gelijk te trekken.

4.2.

Het EESC acht de in dit advies voorgestelde maatregelen van belang, hoewel veel van hen hoofdzakelijk ondersteunende oplossingen van technische aard zijn. Over het geheel genomen leveren zij echter een belangrijke bijdrage aan de werking van de EMU. Tegelijkertijd beveelt het EESC aan om de inhoud van alle vier de documenten in kwestie op te nemen in een nieuw, allesomvattend verordeningsvoorstel.

4.3.

Bij de invoering van nieuwe spelregels moet worden gestreefd naar een evenwichtige verhouding tussen de vereisten inzake beleggersbescherming enerzijds en het behoud van voldoende ruimte voor de inventiviteit van ontwikkelaars en verkopers van beleggingsproducten anderzijds. Het effect van de bescherming van beleggers wordt versterkt door systematische financiële educatie.

4.4.

EU-wetgeving van hoge kwaliteit, zoals de bepalingen betreffende instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) en de richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsfondsen (abi’s), moeten prevaleren boven algemene bepalingen zoals die van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFID). In de praktijk is immers gebleken dat de regelgeving inzake icbe’s en abi’s een zeer solide kader bieden voor beleggingsfondsen, terwijl het EESC van mening is dat de MiFID — ondanks een aantal voordelen — verschillende onzekerheden met zich meebrengt, die paradoxaal genoeg hebben geleid tot een verdere versnippering van de interne markt en verschillen tussen EU-lidstaten.

4.5.

Het EESC erkent dat de grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen een stabiel belastingstelsel vereist, waarmee de voorwaarden worden gecreëerd voor een duurzaam ondernemingsklimaat. Een volledige harmonisatie van de belastingregels, met inbegrip van de tarieven, is momenteel niet aan de orde. Niettemin kan worden aangenomen dat inspanningen voor belastingharmonisatie in de toekomst kunnen bijdragen tot het creëren van uniforme belastingvoorwaarden in dit segment in de hele EU. De huidige inspanningen om de belastingparameters op elkaar af te stemmen, zijn echter gericht op andere belastinginstrumenten.

4.6.

Het EESC is van mening dat de gewenste schaalvoordelen kunnen worden bereikt door de „nationale creativiteit” bij de uitwerking van tariefstructuren (die in veel gevallen verder gaan dan de EU-regelgeving om essentiële kosten te dekken) te beteugelen, en door nationale bepalingen vast te stellen die duidelijk, ondubbelzinnig en consistent zijn.

4.7.   De mededeling van de Commissie over het toepasselijke recht voor de gevolgen van effectentransacties voor de eigendom

4.7.1.

Het EESC kan zich vinden in de doelstelling om maatregelen te nemen om de rechtsonzekerheid van grensoverschrijdende effectentransacties en vorderingen te verminderen. Het is van belang dat duidelijk en voorspelbaar is welk nationaal recht van toepassing is om te bepalen wie de eigenaar is van de onderliggende activa van de transactie, aangezien de juridische risico’s als gevolg van de rechtsonzekerheid extra verliezen in de hand kunnen werken. Daarom is het essentieel en noodzakelijk om de juridische terminologie te verduidelijken teneinde het eigendomselement en het contractuele element nader te kunnen omschrijven.

4.8.   Verordening betreffende het recht dat van toepassing is op de derdenwerking van de cessie van vorderingen

4.8.1.

Onder verwijzing naar bovengenoemde mededeling is het EESC ingenomen met het idee om de hierboven beschreven rechtsonzekerheid weg te nemen door uniforme regels voor te stellen om te bepalen welk nationaal recht van toepassing is op de eigendom van een schuldvordering die grensoverschrijdend is gecedeerd. De grensoverschrijdende cessie van schuldvorderingen is een proces waarbij bedrijven via gespecialiseerde ondernemingen liquiditeit en toegang tot krediet kunnen verwerven. Het EESC erkent dat rechtszekerheid op dit gebied zal bijdragen tot een versterking van grensoverschrijdende investeringen, onder meer door de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen. Het gaat hierbij om factoring, zekerheidsstelling en securitisatie.

4.9.   De richtlijn betreffende de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen

4.9.1.

Het EESC juicht het toe dat de voorwaarden worden gecreëerd voor een betere benutting van het potentieel voor grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen, door de nationale voorschriften voor het in de handel brengen op zowel nationaal als EU-niveau transparanter te maken en de structuur van de regelgevingsvergoedingen op EU-niveau transparanter te maken, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat bij de vaststelling van deze vergoedingen bepaalde algemene gemeenschappelijke beginselen in acht worden genomen.

4.9.2.

Het EESC vindt dat de keuze van middelen ter ondersteuning van plaatselijke beleggers aan de beheerders van beleggingsfondsen moet worden overgelaten.

4.9.3.

Het EESC stemt in met de harmonisatie van de procedures voor het gebruik van het „paspoort” voor de grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen.

4.9.4.

Het EESC is voorstander van de harmonisatie van de regels inzake publicitaire mededelingen.

4.9.5.

Het EESC stemt in met de oprichting van een systeem waarin de lidstaten ervoor zorgen dat de wetgeving inzake de grensoverschrijdende verhandeling van beleggingsfondsen op hun grondgebied gemakkelijk beschikbaar is (langs elektronische weg en in de taal die normaliter in internationale financiële context wordt gebruikt).

4.10.   De verordening betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen

4.10.1.

Het EESC is ermee ingenomen dat de verordening er voornamelijk op gericht is om tot een gemeenschappelijk begrip te komen van de definitie van de vereisten die van toepassing zijn op publicitaire mededelingen, en maatregelen vast te stellen om de transparantie van de nationale bepalingen betreffende de vereisten voor de verhandeling van fondsen te waarborgen.

4.10.2.

Het EESC steunt de voorgestelde praktijk waarbij de vergoedingen in verhouding staan tot de uitgevoerde toezichthoudende taken. Het EESC verwacht dat het onderhouden van een onlinedatabank van vergoedingen en de relevante berekeningsmethoden reële voordelen zullen opleveren en ziet dit als een echte uitdaging. Het beveelt echter aan deze voordelen af te zetten tegen de gemaakte kosten en mogelijke risico’s in verband met de werking van de databank in kaart te brengen. Het EESC pleit voor de opstelling van technische uitvoeringsnormen voor informatie over vergoedingen en voor het openbaar maken en bijhouden van een onlinedatabank inzake vergoedingen door de ESMA.

4.10.3.

Het EESC is ingenomen met de precisering van de vereisten voor informatiestromen en de standaardisering en vereenvoudiging daarvan, alsook met de regulering van het pre-verhandelingsproces, waarbij de belangstelling van beleggers voor toekomstige investeringsmogelijkheden of -strategieën wordt uitgetest.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1.

Wat de door de nationale bevoegde autoriteiten in rekening gebrachte vergoedingen en kosten en de transparantie daarvan betreft, steunt het EESC het doel van het voorstel om de transparantie van de regelgevingsvergoedingen te versterken, onder meer door de rol van de ESMA bij het verzamelen van de benodigde informatie te definiëren. Naar de mening van het EESC kan deze maatregel de grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen verder bevorderen.

5.2.

Voorgesteld wordt om op het niveau van de nationale bevoegde autoriteiten regels in te voeren voor de systematische kennisgeving van publicitaire mededelingen, met het oog op voorafgaande controle van marketingmateriaal. Het feit dat de regels van de nationale bevoegde autoriteiten uiteenlopen kan volgens het EESC tot een versnippering van de EU-markt leiden. Daarom zouden er binnen de interne markt geen verschillen mogen bestaan. Het EESC beveelt in dit verband aan de bevoegde nationale autoriteiten niet de mogelijkheid te geven om op dit gebied verschillende standpunten in te nemen.

5.3.

Hoewel het EESC ingenomen is met de oprichting van een ESMA-databank van abi-beheerders, icbe-beheermaatschappijen, abi’s en icbe’s, is het niet wenselijk dat vermogensbeheerders bijkomende kennisgevingsverplichtingen opgelegd krijgen. Volgens het EESC moet worden verduidelijkt dat de kennisgevingsverplichtingen op grond van de artikelen 10 en 11 van de voorgestelde verordening kennisgevingsverplichtingen voor de bevoegde nationale autoriteiten moeten zijn, en geen extra verplichtingen voor marktdeelnemers mogen inhouden.

5.4.

Het EESC wijst erop dat de voorgestelde definitie van preverhandeling niet mag worden gebaseerd op de definitie in de richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsfondsen. Er is meer rechtszekerheid en consistentie nodig, en de ervaring uit de praktijk leert dat niet-wetgevende middelen en instrumenten misschien wel een betere — of zelfs de enige — manier zijn om dit te bereiken. Het EESC vreest dat het huidige voorstel kan leiden tot een verdere versnippering van de eengemaakte markt, wegens verschillende nationale interpretaties.

5.5.

Met betrekking tot de regels die worden voorgesteld voor de stopzetting van de verhandeling en marketing van beleggingsfondsen, is het EESC van mening dat deze zouden kunnen leiden tot een verstoring van de interne markt voor beleggingsfondsen. Het besluit tot stopzetting van de verhandeling van rechten van deelneming of aandelen in beleggingsfondsen in een bepaald rechtsgebied mag uitsluitend een zakelijk besluit zijn van de maatschappij die de activa beheert. De bescherming van de beleggers wordt (zoals uit de praktijk blijkt) op adequate wijze geregeld door:

de bekendmaking van besluiten;

het verstrekken van informatie aan de beleggers;

beleggers de mogelijkheid te bieden om zich tijdens een bepaalde periode kosteloos terug te trekken uit het fonds.

5.6.   Andere belemmeringen voor de grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen

5.6.1.

Ook de regels voor het verifiëren van de kwalificaties van personen die beleggingsdiensten verrichten behoren tot de belemmeringen voor de grensoverschrijdende distributie. Het EESC is van mening dat nadere regels moeten worden vastgesteld, bijvoorbeeld:

op welke diensten de bestaande regels van toepassing zijn;

op welke soorten activiteiten bij het verlenen van deze diensten de regels van toepassing zijn;

hoe de controle van kwalificaties moet worden uitgevoerd wanneer lokale (nationale) regelgevers niet in staat zijn nationale procedures in te voeren;

de erkenning van verschillende manieren om kwalificaties op EU-niveau te controleren met gebruikmaking van pan-Europese of wereldwijde procedures, zoals CFA-tests.

5.6.2.

Het EESC beveelt aan om gedetailleerde en ondubbelzinnige regels uit te werken om te bepalen welke wetgeving van toepassing is op de distributie van beleggingsfondsen: momenteel is het in de praktijk niet duidelijk welke regels hiervoor gelden (de MiFID-richtlijn, de icbe-richtlijn of de abi-richtlijn). Het feit dat iedere regelgever een andere benadering hanteert is volgens het EESC een van de voornaamste belemmeringen voor grensoverschrijdende distributie. Er moet duidelijk worden vermeld dat de distributie van beleggingsfondsen alleen binnen de werkingssfeer van de icbe- of de abi-richtlijn valt (voor eigen fondsen, beheerde fondsen en fondsen van derde partijen), en dat de beheermaatschappij geen MiFID-vergunning of vergunning voor het aanbieden van diensten op grond van de MiFID-richtlijn nodig heeft.

5.6.3.

Het EESC is van mening dat lokale (nationale) rapportage niet verplicht mag worden gesteld. De regelgevende instanties zouden niet de bevoegdheid mogen hebben om lokale (nationale) fondsen verslagleggingsverplichtingen op te leggen in de vorm van regelgevingsrapporten of een verplichting om informatie te publiceren, bijvoorbeeld in de pers.

5.6.4.

Naar de mening van het EESC zou de interactieve databank van de ESMA inzake vergoedingen en heffingen moeten worden uitgebreid met:

de tijd die nodig is voor elk type vergunning/registratie;

de gedetailleerde informatie die wordt gevraagd in lokale (nationale) verslagen;

de lokale (nationale) regels voor distributie.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/56


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties

(COM(2018) 93 final — 2018/0042 (COD))

en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU

(COM(2018) 94 final — 2018/0043 (COD))

(2018/C 367/11)

Rapporteur:

Daniel MAREELS

Raadpleging

Raad van de Europese Unie, 28.3.2018

Europees Parlement, 16.4.2018

Rechtsgrondslag

Artikelen 53, 114 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

27.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

165/0/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Om de verschillende hierna vermelde redenen verwelkomt het EESC ten zeerste de voorstellen inzake gedekte obligaties (zie punt 1.2 en volgende). Het Comité dringt er op aan dat alles in het werk wordt gesteld om snel vooruitgang te boeken en tot resultaat te komen. In dat verband doet het Comité ook een aantal voorstellen (zie punt 1.7 en volgende).

1.2.

Vooreerst passen deze voorstellen in een groter kader en dragen ze bij tot de realisatie van doelstellingen die het Comité nauw aan het hart liggen, zoals de snelle opbouw van een KMU evenals de voltooiing van de EMU. Daarnaast werken gedekte obligaties grensoverschrijdende financieringsverrichtingen in de hand en aldus ook meer private risicodeling.

1.3.

Verder hebben een aantal EU-lidstaten traditioneel een heel sterke positie op de internationale en globale markten. De Europese aanpak inzake de prudentiële behandeling van gedekte obligaties geldt als leidraad op wereldvlak. De huidige voorstellen moeten worden aangegrepen niet alleen om deze leidende positie te bestendigen maar waar mogelijk om die ook te versterken. Zeker gelet op een aantal krachts- en machtsverschuivingen tussen het Oosten en het Westen, komt het erop aan dat de EU zich slagvaardig en krachtdadig opstelt.

1.4.

De in de voorstellen vervatte opportuniteit moet worden aangegrepen om gedekte obligaties veralgemeend ingang te laten vinden en markten daarvoor te ontwikkelen in de hele Unie. Alles moet in het werk worden gesteld om inzonderheid hiermee succes te boeken in de lidstaten waar deze instrumenten en markten vooralsnog onbekend zijn.

1.5.

Ook is het Comité ruim ingenomen zowel met de gekozen benadering van minimale harmonisatie op basis van nationale regelingen als met de inhoud van de voorstellen, waarvoor overigens gedegen fundamenten zijn gelegd door het Europees Parlement, de toezichthouders en andere stakeholders. Een en ander heeft toegelaten een kwalitatief resultaat te bereiken zonder verstoring van bestaande markten, en tegen een aanvaardbare kost.

1.6.

Zeer belangrijk is dat gedekte obligaties aan banken toelaten om bijkomende middelen voor de langetermijnfinanciering van de economie te creëren. Die nieuwe middelen moeten omgezet worden in bijkomende financieringen aan de overheden, de ondernemingen en de huishoudens. Als dat het geval is, kan dit voorstel een bijdrage leveren aan een vernieuwd vertrouwen in het bank- en financiewezen.

1.7.

Het Comité is er bijzonder mee ingenomen dat er in het voorstel aandacht is om gedekte obligaties ook binnen het bereik van kleinere banken te brengen. Niettemin dringt het Comité erop aan dat verder wordt onderzocht hoe deze mogelijkheid maximaal kan worden opengelegd. Zonder af te wijken van de algemeen geldende regels zou kunnen worden nagegaan, bijvoorbeeld, welke administratieve en andere verplichtingen zouden kunnen aangepast worden voor kleinere banken.

1.8.

Ook pleit het Comité zeer sterk om het gebruik van het Europees label voor gedekte obligaties verplicht te maken, en niet facultatief zoals nu is voorzien. Het komt er hier op aan de zaken globaal en vanuit een toekomstgerichte visie te bekijken. Een veralgemeend verplicht gebruik van het Europees label kan het Europees leiderschap op mondiaal vlak alleen maar ten goede komen en kansen creëren voor de (vooral kleinere) lidstaten die de kansen geboden door de nieuwe regeling ten volle willen exploiteren. Hun producten krijgen daardoor de garantie dat ze op de markt kunnen gedistribueerd worden en dit verplicht gebruik van het label zou ook het vertrouwen van de beleggers ten goed kunnen komen.

1.9.

Rekening houdend met de algemeen aangenomen veiligheid en liquiditeit van gedekte obligaties evenals de extra bescherming die ze bieden doordat ze niet vatbaar zijn voor bail-in, dringt het Comité er op aan dat zou worden nagedacht over welke maatregelen nodig en wenselijk zijn om ook de particuliere spaarder en consument hiervoor te interesseren. Nu het lange termijninstrumenten zijn, lijken gedekte obligaties in het bijzonder geknipt voor pensioenvorming, en daar kan worden gedacht aan de PEPP-voorstellen.

1.10.

Het Comité is ingenomen met de voorziene evaluatie van de nieuwe regeling, maar het voorstel om dat na drie jaar te doen, lijkt te kort. Nu dit een marktaangelegenheid is en er voldoende tijd moet gelaten worden om nuttige ervaring op te doen met de nieuwe regeling, bepleit het Comité een verlenging van deze termijn, bijvoorbeeld tot vijf jaar. En lidstaten kunnen uiteraard op nationaal vlak de zaken van dichtbij opvolgen.

2.   Achtergrond

2.1.

Van bij haar aantreden in 2014 werkte de Commissie Juncker een „investeringsplan voor Europa” uit ter realisatie van haar absolute prioriteiten, zijnde groei, banen en investeringen (1). Een van de belangrijkste doelstellingen daarvan is het progressief nastreven van een kapitaalmarktenunie, naast een eengemaakte digitale markt en een energie-unie. Daarmee wil men komen tot een goed functionerende en geïntegreerde kapitaalmarktenunie, die alle lidstaten omvat.

2.2.

Met het „actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktenunie” (2) engageerde de Commissie er zich toe alle bouwstenen daartoe tegen 2019 aan te reiken. In totaal werden meer dan 33 initiatieven en acties vooropgesteld.

2.3.

Na pleidooien voor snelle vooruitgang (3) (4) kwam het al in 2017 tot een tussentijdse evaluatie van het actieplan. Die mondde uit in een aantal nieuwe prioritaire acties, om rekening te houden met de wisselende uitdagingen en de wijzigende omstandigheden, waaronder de „brexit”.

2.4.

Overigens gaf de Commissie bij die gelegenheid eveneens aan dat „de ambitie een stuk hoger moet reiken om de belemmeringen aan te pakken, en wat nog belangrijker is, om deze nieuwe kansen te benutten” (5). Het is in het kader daarvan dat de Commissie op 8 maart 2018 een mededeling „Voltooiing van de kapitaalmarktenunie tegen 2019 — Tijd om snel resultaten te boeken” publiceerde en een pakket maatregelen bekendmaakte.

2.5.

De huidige voorstellen inzake gedekte obligaties, die deel uitmaken van dit pakket (6), omvatten twee teksten en met name een:

2.5.1.

voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU (7);

2.5.2.

voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties (8).

2.6.

Deze voorstellen strekken ertoe een faciliterend raamwerk voor gedekte obligaties op EU-niveau te creëren. Dat behelst onder meer definitie van dergelijke obligaties, het gebruik van een Europees label in de markt, de prudentiële vereisten om een preferentiële kapitaalbehandeling te verkrijgen evenals bepaalde verplichtingen in hoofde van de bevoegde autoriteiten.

3.   Opmerkingen en commentaren

3.1.

Het EESC verwelkomt ten zeerste deze voorstellen die deel uitmaken van de opbouw van een KMU en dringt er meteen op aan dat alles in het werk wordt gesteld om snel werk hiervan te maken en tot resultaat te komen.

3.2.

In de eerste plaats dragen deze voorstellen bij tot een aantal grotere doelstellingen die het Comité zeer ter harte gaan en waarvoor het al eerder gepleit heeft (9). Daarbij kunnen vermeld worden:

3.2.1.

De opbouw van de KMU, die gepaard moet gaan met meer economische en sociale convergentie en met financiële en economische integratie, moet middels een verruiming en diversificatie van de financieringsbronnen van de economie leiden tot meer veiligheid, stabiliteit en veerkracht van het financieel en economisch bestel. De snelle realisatie daarvan moet een grote prioriteit blijven.

3.2.2.

Een voorgestelde regeling voor gedekte obligaties werkt grensoverschrijdende financieringsverrichtingen in de hand en aldus ook meer private risicodeling. Voor de lidstaten is dat van groot belang bij het voorkomen van asymmetrische schokken ingeval van crisis of het verminderen van de effecten ervan. Overigens levert de KMU een belangrijke bijdrage aan convergente groei tussen de lidstaten van de Unie, hetgeen minder sterke economieën in staat moet stellen hun achterstand op de meer performante economieën sneller in te halen.

3.2.3.

Ook voor de verdere voltooiing van de EMU is de KMU van cruciaal belang en de realisatie onontbeerlijk. Samen met een volwaardige bankenunie moet de KMU leiden tot een echte financiële unie, een van de vier fundamentele pijlers van de EMU.

3.2.4.

Europa staat traditioneel heel sterk in gedekte obligaties (10). Deze voorstellen dienen te worden aangegrepen om de leidende Europese positie op wereldvlak verder te versterken. Meer algemeen, en vanuit een internationaal perspectief, komt het erop aan dat de EU krachtdadig optreedt en zich sterk positioneert, des te meer daar mondiaal een aantal krachts- en machtsverschuivingen tussen het Oosten en het Westen aan de gang zijn.

3.3.

Deze voorstellen dragen ertoe bij bijkomende middelen voor de langetermijnfinanciering van de economie te creëren. Inderdaad, middels de uitgifte van gedekte obligaties wordt het de banken mogelijk gemaakt om kostenefficiënte, „langetermijnfunding” te verwerven. Globaal genomen kan het potentieel van bijkomende emissies van gedekte obligaties oplopen tot 342 miljard EUR en de daarmee gekoppelde totale jaarlijkse besparingen voor Europese kredietnemers tot 1,5 à 1,9 miljard EUR (11).

3.4.

Het is elk geval van belang dat de nieuwe middelen ten goede komen van de economie. Die bijkomende financieringsmiddelen moeten door de banken worden gebruikt voor bijkomende kredietverlening aan overheden, huishoudens en ondernemingen. Als dat het geval is, kan dit voorstel een bijdrage leveren aan een vernieuwd vertrouwen in het bank- en financiewezen.

3.5.

Omwille van de stabiliteit en de veiligheid van het financieel bestel is het belangrijk dat deze nieuwe middelen er komen middels instrumenten die in alle omstandigheden veilig en liquide zijn, en de voorliggende voorstellen houden daartoe een aantal garanties in. Een solide regime voor de gedekte obligaties moet ook de investeerders ten goede komen middels meer en betere keuzes op de markten. Voor die investeerders is de dubbele vordering (12) (dual recourse) waarover ze beschikken, van groot belang, en daarom is het van belang dat de autoriteiten erop aandringen dat onderliggende activa door de emittenten goed worden gewaardeerd.

3.6.

In lijn hiermee verdient het voorstel om een faciliterend raamwerk te creëren dat de ontwikkeling van gedekte obligaties en markten voor deze instrumenten overal in de Unie in de hand werkt, alle steun van het Comité. Alles moet in het werk worden gesteld om inzonderheid hiermee succes te boeken in de lidstaten (13) waar deze instrumenten en markten vooralsnog onbekend zijn. Het komt er op aan de laatste witte vlekken op de kaart weg te werken en ervoor te zorgen dat een regime voor gedekte obligaties in alle lidstaten voorhanden is!

3.7.

Met deze steun wil het Comité erkenning geven aan en zich aansluiten bij de eerdere inspanningen die sedert enkele jaren onder meer door de Commissie, het Europees Parlement, de EBA en anderen zijn geleverd ten voordele van een regeling voor gedekte obligaties op Europees niveau. Ook de meeste lidstaten en andere stakeholders zoals de brancheorganisatie European Covered Bond Council hebben zich hierover positief uitgesproken (14).

3.8.

De beleidsoptie om te kiezen voor een minimale harmonisatie op Europees niveau op basis van de nationale regelingen wordt door het Comité evenzeer ten volle onderschreven, nu ze toelaat meerdere doelstellingen te realiseren tegen een redelijke kost. Tegelijk worden verstoringen van de bestaande markten voorkomen en zijn er minder transitiekosten. Het is echter wel van belang dat de bestaande nationale regelingen mee het doel van het Europese voorstel onderschrijven om de markt voor gedekte obligaties te stimuleren. Mogelijke nationale belemmeringen of beperkingen in strijd hiermee zijn dan ook onwenselijk.

3.9.

Zoals hoger gezegd, staat een aantal lidstaten zeer sterk in deze markt, maar tegelijk tonen recente evoluties aan dat er ook elders in de wereld meer interesse voor de gedekte obligaties ontstaat. In het licht daarvan is het voor het Comité ook zaak dat de huidige Europese leidinggevende positie in deze omgeving in de internationale context verder bestendigd wordt en inspanningen dienen te gebeuren om de Europese benadering als wereldwijde benchmark te promoten.

3.10.

Het Comité is er eveneens over te spreken dat in een evaluatie van de resultaten en het succes van deze nieuwe regeling is voorzien. Nu dit een marktaangelegenheid is en er voldoende tijd moet gelaten worden om nuttige ervaring op te doen, inzonderheid in de lidstaten voor wie dit nieuw is, is het Comité van oordeel dat de thans voorziene periode van drie jaar te kort is en wordt ervoor gepleit om deze termijn te verlengen, bijvoorbeeld tot vijf jaar. Lidstaten zijn uiteraard vrij om op elk ogenblik de zaken van dichtbij op te volgen.

4.   Bijkomende opmerkingen en commentaren

4.1.

Globaal genomen kan de aanpak van de Commissie om te voorzien in een duidelijke en omvattende regeling, met onder meer een definitie, een omschrijving van de structurele kenmerken, het publiek toezicht en het voorzien van een Europees label voor gedekte obligaties, evenals de prudentiële behandeling van dit instrument, worden bijgetreden.

4.2.

Het is wel van belang dat deze regeling toegankelijk is en effectief kan worden gebruikt door alle banken. In dat verband is het Comité ermee ingenomen dat bijzondere aandacht wordt geschonken aan de moeilijkheden en problemen die kleinere banken kunnen ondervinden wanneer ze gedekte obligaties willen uitgeven. Voor het Comité komt het erop aan dat deze mogelijkheid maximaal wordt opengelegd. Zonder af te wijken van de algemeen geldende regels, zou kunnen worden bekeken, bijvoorbeeld, welke administratieve en andere verplichtingen zouden kunnen aangepast worden voor kleinere banken.

4.3.

Het gebruik van het Europees label voor gedekte obligaties wordt enkel als faculteit voorzien, om het mogelijk te maken dat lidstaten hun eigen bestaande nationale benamingen en labellingraamwerken blijven gebruiken (15). Het Comité deelt deze mening niet en pleit daarentegen zeer sterk ten voordele van het verplicht gebruik van het Europees label. Het komt er hier op aan de zaken globaal en vanuit een toekomstgerichte visie te bekijken. Het verplicht gebruik van het Europees label kan het Europees leiderschap op mondiaal vlak alleen maar ten goede komen en kansen creëren voor de (vooral kleinere) lidstaten die de kansen geboden door de nieuwe regeling ten volle willen exploiteren. Voor hen vormt het EU label de garantie dat hun gedekte obligaties gedistribueerd zullen kunnen worden op de markten. Dit verplichte gebruik zou ook het vertrouwen van de beleggers ten goede kunnen komen.

4.4.

De markt voor de gedekte obligaties is op dit ogenblik hoofdzakelijk in handen van professionele en institutionele beleggers (16). Het Comité dringt er op aan dat zou worden nagedacht over welke maatregelen nodig en wenselijk zijn om ook de particuliere spaarder en consument hiervoor meer actief te interesseren. Verschillende elementen pleiten hiervoor. Niet alleen worden gedekte obligaties traditioneel en zelfs in tijden van crisis als veilige en liquide middelen aangemerkt, er kan ook gewezen worden naar de bijdrage die de huidige voorstellen leveren. Bovendien zijn ze niet bail-in-able, wat niet onbelangrijk is in het kader van de bescherming van particuliere spaarders. Daardoor lijken ze ook meer geschikt dan sommige andere producten (17). Nu het langetermijninstrumenten zijn, lijken gedekte obligaties zeker nuttig in het kader van pensioenvorming, en daar kan worden verwezen naar de PEPP-voorstellen.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Zie de website van de Europese Commissie.

(2)  Actieplan van september 2015 „Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie” — Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. Zie COM(2015) 468 final.

(3)  Aldus bepleitte de Europese Raad de „snelle en vastberaden vooruitgang” van het plan om „te zorgen voor een gemakkelijkere toegang tot financiering voor bedrijven en om investeringen in de reële economie te ondersteunen”.

(4)  Ook de Commissie nam een mededeling aan waarin het versnellen van de hervormingen werd bepleit. Zie COM(2016) 601 final.

(5)  Zie de mededeling van de Commissie „Voltooiing van de kapitaalmarktenunie tegen 2019 — Tijd om snel resultaten te boeken”. Zie COM(2018) 114 final.

(6)  Naast het vermelde voorstel omvat het pakket nog een voorstel voor het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen, een voorstel voor een faciliterend raamwerk voor Europese aanbieders van crowdfundingdiensten voor ondernemingen (ECSP), alsmede een voorstel betreffende het recht dat van toepassing is op de derdenwerking van de cessie van vorderingen en een mededeling betreffende het toepasselijke recht op de vermogensrechtelijke gevolgen van effectentransacties.

(7)  Zie het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.

(8)  Zie het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties.

(9)  Zie onder meer ECO/437 —„Kapitaalmarktenunie: tussentijdse herziening” (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 117).

(10)  Ongeveer 90 % van alle gedekte obligaties in de wereld wordt door negen Europese landen uitgegeven. Zie ook de cijfers gepubliceerd door de European Covered Bond Council (ECBC) in haar European Covered Bond Fact Book, 12th edition (2017). Wereldwijd bedraagt het uitstaand bedrag aan gedekte obligaties 2,5 biljoen EUR, waarvan 2,1 biljoen EUR uitgegeven is door in Europa gevestigde instellingen (cfr. het „Commission Staff Working Document — Impact Assessment” (SWD(2018) 50 final).

(11)  Zie het „Commission Staff Working Document — Impact Assessment” (SWD(2018) 50 final) bij de hier besproken voorstellen.

(12)  De dubbele vordering van de houders van gedekte obligaties is die enerzijds op de dekkingspool (cover pool) en anderzijds op de emittent.

(13)  Op dit ogenblik zijn er nog een twaalftal lidstaten in de EU die geen wetgevend kader inzake gedekte obligaties hebben.

(14)  Voor een overzicht, zie het voorstel van richtlijn en het voorstel van verordening, telkens hoofdstuk 3.

(15)  Zie het voorstel van richtlijn, overweging 33.

(16)  Volgens mondelinge toelichtingen van de vertegenwoordigers van de Commissie bestaan die voor 1/3 uit banken, 1/3 ECB en 1/3 andere partijen zoals beleggingsfondsen en pensioenfondsen.

(17)  Er zou ook kunnen verwezen worden naar de voorstellen inzake crowdfunding en peer-to-peerlending. De in dat kader aangeboden financiële instrumenten (in essentie verhandelbare financiële instrumenten die eigen vermogen (bv aandelen) of vreemd vermogen (bv obligaties) vertegenwoordigen. De in dat kader voorziene bescherming voor de spaarders en beleggers kan als zeer beperkt worden beschouwd.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/61


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — FinTech-actieplan: voor een meer concurrerende en innovatieve Europese financiële sector

(COM(2018) 109 final)

(2018/C 367/12)

Rapporteur:

Petru Sorin DANDEA

Raadpleging

Europese Commissie: 10.4.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

27.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

12.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

126/1/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) steunt het plan van de Commissie en is van mening dat de ontwikkeling van financiële technologie in de Europese financiële sector een aantal voordelen kan bieden voor Europese ondernemingen en hun klanten.

1.2.

Volgens het EESC kan het plan van de Commissie helpen om de ontwikkeling van kapitaalmarkten, alsook kleine en middelgrote ondernemingen die in de financiële sector actief zijn, te stimuleren.

1.3.

De in het actieplan vervatte maatregelen ter verbetering van de cyberbeveiliging en ook van de weerbaarheid van de financiële sector zijn belangrijk, maar moeten volgens het EESC wel worden aangevuld met regelgeving om binnen de EU voor uniformiteit in de ontwikkeling van FinTech te zorgen. Ook vindt het EESC dat actoren uit de financiële technologie onderworpen moeten worden aan dezelfde regels als de financiële sector, met name wat de veerkracht, cyberbeveiliging en het toezicht betreft.

1.4.

Wil men in het kader van de betalingsdienstenrichtlijn en de verordening gegevensbescherming eerlijke concurrentie bewerkstelligen waar het gaat om de toegang van klanten tot gegevens, dan is het volgens het EESC absoluut zaak om het recht op persoonsgegevensportabiliteit te implementeren op een manier die met genoemde richtlijn verenigbaar is.

1.5.

Gezien de ontwikkelingen van de cryptovaluta en hun sterke volatiliteit raadt het EESC de Commissie aan de toestand in dit vlak in samenwerking met de Europese toezichthouders permanent en nauwgezet op te volgen. In voorkomend geval dienen op EU-niveau alle nodige maatregelen te worden genomen zodat de veiligheid en stabiliteit van het financieel en economisch bestel op geen enkele manier en op geen enkel ogenblik in gevaar kunnen gebracht worden.

1.6.

Uit verscheidene recente studies blijkt dat de invoering van financiële technologie ertoe leidt dat een groot aantal arbeidsplaatsen in de financiële sector verloren gaat. De lidstaten zouden er volgens het EESC goed aan doen om programma’s met actieve arbeidsmarktmaatregelen ten uitvoer te leggen zodat werknemers die door de opkomst van technologische innovatie in de financiële sector zijn getroffen, zo snel mogelijk aan nieuw werk worden geholpen.

1.7.

Het EESC beveelt de Commissie aan om vast te stellen welke regels er op ondernemingen die clouddiensten leveren eventueel moeten worden toegepast waar het gaat om hun verantwoordelijkheid voor de beveiliging van de gegevens die zij bezitten. Voor deze ondernemingen zouden dezelfde regels inzake bescherming van persoonsgegevens moeten gelden als voor ondernemingen die bepaalde soorten diensten uitbesteden.

2.   Voorstel van de Commissie

2.1.

Om de financiële markt concurrerender en innovatiever te maken heeft de Europese Commissie op 8 maart 2018 een actieplan voorgesteld over de manier waarop er gebruik kan worden gemaakt van de kansen die geboden worden met innovatie op basis van technologie op het gebied van financiële diensten (FinTech).

2.2.

Het actieplan van de Commissie is bedoeld om ervoor te zorgen dat de financiële sector de vruchten kan plukken van de snelle vooruitgang die dankzij nieuwe technologieën, zoals blockchain (1), kunstmatige intelligentie en cloudcomputingdiensten, is geboekt. Volgens de Commissie zou Europa een mondiale hub voor financiële technologie moeten worden met ondernemingen en investeerders die in staat zijn om te profiteren van de voordelen die de eengemaakte markt biedt op dit volop in ontwikkeling zijnde gebied.

2.3.

Op basis van de uitkomsten van de openbare raadpleging die van maart tot juni 2017 is gehouden, is de Commissie van mening dat er in dit stadium maar weinig behoefte is aan hervorming van wet- of regelgeving op EU-niveau. Wel is het zaak een aantal specifieke initiatieven te ontplooien om te bevorderen dat de EU meegaat in de digitalisering van de financiële sector.

2.4.

Op grond van het FinTech-actieplan dienen er met name maatregelen te worden vastgesteld om innovatieve bedrijfsmodellen een Europese dimensie te geven, de invoering van technologische innovatie in de financiële sector te ondersteunen en de beveiliging en de weerbaarheid van deze sector te verbeteren.

2.5.

Samen met deze mededeling en in het kader van het actieplan heeft de Commissie ook een voorstel ingediend voor een EU-verordening betreffende Europese aanbieders van op deelneming in eigen vermogen en op kredietverlening gebaseerde crowdfundingdiensten voor ondernemingen.

2.6.

Wat de vergunningen voor FinTech-ondernemingen betreft, heeft de Commissie de Europese toezichthoudende autoriteiten verzocht de huidige procedures op dit gebied te evalueren en de Commissie eventueel aan te bevelen de EU-wetgeving inzake financiële diensten aan te passen. Gedurende 2018 zal de Commissie de ontwikkelingen op het gebied van cryptoactiva ook blijven monitoren, in samenwerking met de Europese toezichthoudende autoriteiten, de Europese Centrale Bank en de Raad voor financiële stabiliteit. Op basis van de risicobeoordeling zal de Commissie bepalen of regelgevende maatregelen op EU-niveau nodig zijn.

2.7.

Waar het gaat om gemeenschappelijke normen en interoperabele oplossingen voor FinTech zal de Commissie samenwerken met het Europees Comité voor Normalisatie en de Internationale Organisatie voor normalisatie, vooral op het gebied van blockchaintechnologie. Om op EU-niveau innovatieve bedrijfsmodellen te ontwikkelen zal de Commissie de bevoegde autoriteiten van de lidstaten aansporen om initiatieven te ontplooien die innovatie faciliteren. Ook zal de Commissie de Europese toezichthoudende autoriteiten uitnodigen om samenwerking op het gebied van toezicht te faciliteren, met name wat betreft de coördinatie en verspreiding van informatie over innovatieve technologieën en de oprichting van innovatiehubs en regulatory sandboxes.

2.8.

Om technologische innovatie in de financiële sector aan te moedigen zal de Commissie een deskundigengroep oprichten die tot taak krijgt na te gaan of er regelgevingsbelemmeringen bestaan die innovatie op financieel gebied verhinderen. De Commissie nodigt de Europese toezichthoudende autoriteiten uit om te onderzoeken of er richtsnoeren inzake de outsourcing aan aanbieders van clouddiensten moeten komen. De Commissie zal de ontwikkeling van contractuele standaardclausules voor outsourcing aan aanbieders van clouddiensten door financiële instellingen faciliteren.

2.9.

Volgens de Commissie moet het Europese regelgevings- en toezichtkader bedrijven die in de eengemaakte markt actief zijn in staat stellen om financiële innovatie te benutten en hun cliënten aldus betere producten aan te bieden.

2.10.

De Commissie zal een openbare raadpleging houden over verdere digitalisering van gereglementeerde informatie over ondernemingen die genoteerd zijn aan gereglementeerde markten van de EU, met inbegrip van de mogelijke uitvoering van een European Financial Transparency Gateway op basis van distributed ledger-technologie (RegTech).

2.11.

Wat blockchaintechnologie betreft, heeft de Commissie in februari 2018 een EU-waarnemingscentrum en -forum opgericht en een studie gelanceerd over de haalbaarheid van een openbare blockchaininfrastructuur van de EU om grensoverschrijdende diensten te ontwikkelen. De Commissie wil nagaan in hoeverre blockchaintechnologie in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen als een digitale diensteninfrastructuur kan worden uitgerold. Voorts zal de Commissie een Europees FinTech-laboratorium oprichten.

2.12.

Teneinde de financiële sector veiliger en weerbaarder te maken zal de Commissie een publiek-private workshop organiseren om de hinderpalen voor de uitwisseling van informatie over cyberdreigingen tussen financiële marktdeelnemers te analyseren en mogelijke oplossingen te zoeken. Daarnaast nodigt de Commissie de Europese toezichthoudende autoriteiten uit om een kosten-batenanalyse te maken van de ontwikkeling van een coherent testkader voor de cyberweerbaarheid van belangrijke marktdeelnemers en -infrastructuren in de gehele financiële sector van de EU.

3.   Algemene en specifieke opmerkingen

3.1.

Het EESC steunt het plan van de Commissie, omdat de ontwikkeling van financiële technologie in de Europese financiële sector een aantal belangrijke voordelen kan bieden voor zowel ondernemingen als hun klanten.

3.2.

Naar het oordeel van het EESC is het FinTech-actieplan, door het integreren van digitalisering, van cruciaal belang voor de verdieping en uitbreiding van de kapitaalmarkten en dus ook voor de kapitaalmarktenunie, die voor de Europese Unie een belangrijke prioriteit is. Ook meent het EESC dat het actieplan een essentiële hefboom kan betekenen voor de sector kleine en middelgrote ondernemingen — die 99 % van alle ondernemingen in Europa uitmaken — doordat deze bedrijven meer financieringsmogelijkheden krijgen en ze bijgevolg voor eenvoudigere en toegankelijkere oplossingen kunnen kiezen.

3.3.

De in het actieplan vervatte maatregelen ter verbetering van de cyberbeveiliging en ook van de weerbaarheid van de financiële sector zijn belangrijk, maar moeten volgens het EESC wel worden aangevuld met regelgeving om binnen de EU voor uniformiteit in de ontwikkeling van FinTech te zorgen.

3.4.

Het EESC deelt de visie van de Commissie luidens welke het Europese regelgevings- en toezichtkader bedrijven die in de eengemaakte markt actief zijn in staat moet stellen om financiële innovatie te benutten en hun cliënten aldus betere producten aan te bieden. Evenwel mag dat voor het Comité niet ten koste gaan van de veiligheid. Een gelijk speelveld voor alle operatoren, ongeacht de wijze waarop ze optreden, is noodzakelijk (2).

3.5.

Naar aanleiding van de laatste financiële crisis zijn de regelingen voor financiële instellingen aangescherpt, zowel op Europees als nationaal niveau. Ze hebben ook betrekking op cyberbeveiliging en omvatten bindende veiligheidsbepalingen en -normen voor instellingen uit de financiële sector. Het EESC vindt dat de cyberbeveiligingsnormen op EU-niveau ook ten uitvoer moeten worden gelegd in geval van ondernemingen die FinTech-diensten aanbieden. Om ervoor te zorgen dat ze op uniforme wijze worden toegepast, zouden ze op Europees niveau moeten worden vastgesteld, en zelfs mondiaal moeten gelden.

3.6.

Het EESC herinnert eraan dat cyberaanvallen doorgaans grensoverschrijdend van aard zijn. Vanwege bepalingen in het nationale recht wordt er tussen autoriteiten van de lidstaten momenteel maar in beperkte mate informatie over cyberdreigingen en cyberaanvallen uitgewisseld. Het is absoluut zaak dat er in dezen meer wordt geijverd voor coördinatie, regulering en toezicht op het niveau van de EU.

3.7.

Wat cryptoactiva en inzonderheid cryptomunten betreft, heeft men recent in Europa kunnen zien welke vlucht die nemen en welke volatiliteit ze vertonen. Gezien die ontwikkelingen, het gebrek aan transparantie en de hoge risico’s die ze kunnen meebrengen, raadt het EESC de Commissie aan de toestand in dit vlak in samenwerking met de Europese toezichthouders permanent en nauwgezet op te volgen. En maatregelen dringen zich op wanneer de veiligheid en de stabiliteit van het financieel bestel op enig ogenblik of op enige manier in gevaar zouden kunnen gebracht worden. Die maatregelen dienen in eerste instantie voor de hele EU te gelden en derhalve op dat vlak genomen te worden.

3.8.

Wat cryptoactiva betreft, heeft men kunnen vaststellen dat innovaties op basis van technologie het mogelijk maken om tussen de mazen van het regelgevingsnet te glippen, ook al opereren deze valuta in feite op een sterk gereglementeerde markt. Gezien de sterke volatiliteit van de sector, het gebrek aan transparantie en de hoge risico’s die cryptoactiva voor beleggers met zich meebrengen, raadt het EESC de Commissie en de lidstaten aan om te bestuderen welke methoden zouden moeten worden ingevoerd om toezicht te houden op transacties waarbij ze worden gebruikt.

3.9.

De Commissie heeft voorgesteld om een observatorium op het gebied van blockchaintechnologieën op te richten. Aangezien FinTech-toepassingen een zeer dynamische ontwikkeling doormaken vindt het EESC dat het werkterrein van dit observatorium zou moeten worden uitgebreid, zodat het de gehele FinTech-sector bestrijkt. Voorts doen op blockchain gebaseerde toepassingen een aantal bevoegdheids- en aansprakelijkheidskwesties rijzen waar het gaat om de toepasselijke wetgeving. Het EESC steunt het idee van de Commissie om op EU-niveau een initiatief inzake blockchain te ontplooien teneinde te verduidelijken hoe hierbij te werk moet worden gegaan en de huidige versnippering een halt toe te roepen.

3.10.

Er is geconstateerd dat de invoering van financiële technologie ertoe leidt dat een groot aantal arbeidsplaatsen in de financiële sector verloren gaat. De lidstaten zouden er volgens het EESC goed aan doen om programma’s met actieve arbeidsmarktmaatregelen ten uitvoer te leggen zodat werknemers die door de opkomst van technologische innovatie in de financiële sector zijn getroffen, zo snel mogelijk aan nieuw werk worden geholpen.

3.11.

Als financiële ondernemingen diensten uitbesteden aan verleners van clouddiensten, vreest de Commissie dat de overdracht van informatie en gegevens te veel geconcentreerd wordt in het beperkte aantal ondernemingen die op de markt aanwezig zijn en die meestal geen Europese bedrijven zijn. Het EESC beveelt de Commissie aan om vast te stellen welke regels er op ondernemingen die clouddiensten leveren eventueel moeten worden toegepast waar het gaat om hun verantwoordelijkheid voor de beveiliging van de gegevens die zij bezitten.

Brussel, 12 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Een blockchain is een voortdurend groeiende ketting gegevens, „blokken” genoemd, die aan zijn elkaar zijn gekoppeld en via cryptografie zijn beveiligd. Blockchains zijn zo opgezet dat ze beschermd zijn tegen het wijzigen van de gegevens die ze bevatten. Een blockchain vormt een open en gedeeld grootboek (distributed ledger) waarmee transacties tussen twee partijen efficiënt, verifieerbaar en permanent kunnen worden opgeslagen. Zijn ze eenmaal opgeslagen, dan is het niet mogelijk om de gegevens in een blok retroactief te veranderen zonder alle blokken verderop in de keten te wijzigen, een operatie die de instemming van een meerderheid van de netwerkdeelnemers vereist. (bron: Wikipedia EN)

(2)  PB C 227 van 28.6.2018, blz. 63.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/65


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten

(COM(2018) 99 final — 2018/0047 (COD))

en over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese aanbieders van crowdfundingdiensten voor ondernemingen (ECSP)

(COM(2018) 113 final — 2018/0048 (COD))

(2018/C 367/13)

Rapporteur:

Daniel MAREELS

Raadpleging

Europees Parlement, 16.4.2018

Raad van de Europese Unie, 27.3.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 114 en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

27.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

146/0/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is bijzonder ingenomen met deze voorstellen om een faciliterend raamwerk voor crowdfundingverrichtingen tot stand te brengen, middels een 29e regime. Het Comité dringt er dan ook op aan dat hier snel werk van gemaakt wordt om tot een goed resultaat te komen, zeker nu het zich inschrijft in een ruimer kader dat het Comité zeer ter harte gaat (1).

1.2.

Het is verheugend vast te stellen dat er aandacht is voor de financiering van kleine, jonge en innovatieve ondernemingen. Als onderdeel van hun financieringsladder is crowdfunding voor hen van belang inzonderheid op een ogenblik waarop zij van een opstart- naar een expansiefase overgaan en traditionele financiering niet altijd voor de hand ligt. Tegelijk worden meer en betere investeringsopportuniteiten voor beleggers tot stand gebracht.

1.3.

Het is heel positief dat hiervoor gebruik wordt gemaakt van innovatieve en door moderne technologie ondersteunde producten en oplossingen zodat dit toekomstgerichte voorstel ook aansluit bij de realisatie van een digitale eengemaakte markt. Meteen wordt ook een grensoverschrijdende dimensie toegevoegd, die bijdraagt tot de effectieve integratie en verdieping van de kapitaalmarkten. De realisatie van één enkele geharmoniseerde markt in de EU met dezelfde regels zowel voor ondernemers als voor beleggers dient voorop te staan.

1.4.

Rekening houdend met het feit dat dit innovatieve kader niet mag worden afgeremd door artificiële hindernissen bepleit het Comité vanuit een globale en holistische benadering niettemin de aanscherping van de voorstellen en bijkomende maatregelen op bepaalde punten, minstens in de opstartfase (zie hierna 1.5 en volgende). Het Comité laat zich daarbij inzonderheid leiden door de principes van „credibiliteit”, „duidelijkheid”, en „vertrouwen”. En dat impliceert ook zekerheid en bescherming voor al wie hiermee te maken heeft.

1.5.

Vooreerst is het Comité ingenomen met de aandacht voor de risico-aspecten die verbonden zijn aan crowdfundingverrichtingen en —markten, maar tegelijk is het van oordeel dat — minstens in een eerste tijd — nog meer aandacht naar deze risico-aspecten dient uit te gaan, om ze nog beter in kaart te brengen of ze in te perken waar mogelijk. Dat betreft onder meer volgende aangelegenheden:

1.5.1.

de transparantie en bescherming van de beleggers. Het Comité is van oordeel dat de risico-inschatting voor specifieke projecten op crowdfundingplatformen teveel aan de markten en aan de beleggers wordt overgelaten. Voor het Comité zijn passende maatregelen aangewezen om alle risico’s, financiële zowel als niet-financiële, beter in kaart te brengen of in te perken. Finaal komt het erop aan dat beleggers beter worden beschermd. Daarbij zou op de MiFID-benadering kunnen gesteund worden. Overigens dreigt hier een ongelijk speelveld met de traditionele aanbieders, zoals de financiële instellingen die in de relaties met hun klanten wel strenge beschermingsregels moeten toepassen.

1.5.2.

mogelijke spanningsgebieden in het statuut van de aanbieders en hun diensten. De mogelijkheid tot het afsluiten van contracten van „discretionaire bevoegdheid” met beleggers om voor hen het beste resultaat te behalen kan aanleiding geven tot delicate situaties voor aanbieders, die in de eerste plaats moeten optreden als „neutrale tussenpersonen”.

1.5.3.

het toezicht. De opdracht van ESMA lijkt duidelijk, maar dat lijkt minder het geval wanneer het gaat om de rol van de nationale toezichthouders. Het Comité is van oordeel dat hier meer duidelijkheid moet worden gebracht. Overigens vraagt het EESC zich af of geen substantiële rol moet worden toebedeeld aan de nationale toezichthouders, nu die dichter bij de nationale markten staan en lokale situaties beter kunnen inschatten. Overigens, en in elk geval, is voor het Comité belangrijk dat de overheden en toezichthouders op het nationale en het Europese vlak permanent en consistent overleggen en samenwerken, zowel met het oog op verdere harmonisatie en integratie in de Unie als voor het succes van de huidige voorstellen.

1.6.

Vervolgens, nu als gevolg van de gemaakte keuzes het 29e regime en nationale regimes parallel naast elkaar zullen bestaan, kunnen geïnteresseerden op eenzelfde moment op eenzelfde markt te maken krijgen met verschillende wetgevingen, uiteenlopende voorwaarden en ongelijke bescherming, wat aanleiding kan geven tot verwarring en onduidelijkheid. Bijkomende maatregelen met het oog op meer duidelijkheid zijn hier aangewezen:

1.6.1.

Voor het Comité zijn bijkomende verplichtingen in hoofde van overheden en toezichthouders aangewezen om alle gebruikers accurate, gemakkelijk toegankelijke en zekerheid verschaffende informatie ter beschikking te stellen, in hun eigen taal opgesteld.

1.6.2.

Aan de crowdfundingplatformen kan de verplichting worden opgelegd om hun „EU-label” uitdrukkelijk en duidelijk te vermelden in alle gevallen waarin ze zich tot het publiek richten en in al hun externe communicatie.

1.7.

Verder is het Comité van oordeel dat de voorziene regeling inzake de strijd tegen het witwassen en de financiering van terrorisme relatief beperkt en grotendeels indirect blijft. En de bepalingen om crowdfundingplatformen aan deze regels te onderwerpen dienen te worden verruimd en aangescherpt. Voor het Comité kan het niet dat die mogelijkheid slechts eenmalig bestaat en dat alleen de Commissie bevoegd is om de onderwerping aan vorenbedoelde regels voor te stellen. Ook dienen duidelijke criteria en voorwaarden voor dergelijke beslissing te worden voorzien.

1.8.

Opmerkelijk is ook dat de fiscale behandeling van de inkomsten uit crowdfunding en de fiscale verplichtingen voor de schuldenaars niet aan bod komen, terwijl nochtans redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de fiscaliteit mee doorslaggevend zal zijn voor het al dan niet succesvol zijn van dit initiatief. Het Comité pleit er dan ook voor deze aspecten mee in de discussie op te nemen. Zo nodig dient een aangepaste regeling op het juiste niveau te worden uitgewerkt.

1.9.

Nu dit een marktaangelegenheid is, is het voor het Comité van het grootste belang dat alle neuzen in dezelfde richting wijzen om van deze voorstellen een echt succes te maken. Het is onontbeerlijk dat ondernemingen en beleggers effectief en in ruime mate gebruikmaken van het 29e regime. Vanuit een marktperspectief rijst hier de vraag of de beperking per project tot 1 miljoen EUR geen hinderpaal zal zijn.

1.10.

Ten slotte, om de toekomst en het blijvend succes van crowdfundingplatforms veilig te stellen dient naar de mening van het Comité eveneens te worden voorzien in een regelmatige opvolging, evaluatie en succesmeting van dit 29e regime. Overleg en dialoog met alle stakeholders en belanghebbenden zijn daarbij evenzeer onontbeerlijk.

2.   Achtergrond

2.1.

Van bij haar aantreden in 2014 werkte de Commissie Juncker een „investeringsplan voor Europa” uit ter realisatie van haar absolute prioriteiten, zijnde groei, banen en investeringen (2). Eén van de belangrijkste doelstellingen daarvan is het progressief nastreven van een kapitaalmarktenunie, naast een eengemaakte digitale markt en een energie-unie. Doel is te komen tot een goed functionerende en geïntegreerde kapitaalmarktenunie, die alle lidstaten omvat.

2.2.

Met het „Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktenunie (3)” engageerde de Commissie er zich toe alle bouwstenen daartoe tegen 2019 aan te reiken. In totaal werden meer dan 33 initiatieven en acties vooropgesteld.

2.3.

Na pleidooien voor snelle vooruitgang (4)(5) kwam het al in 2017 tot een tussentijdse evaluatie van het Actieplan. Die mondde uit in een aantal nieuwe prioritaire acties, om rekening te houden met de wisselende uitdagingen en de wijzigende omstandigheden, waaronder de „Brexit”. Het is tegelijk zaak effectief vooruitgang te boeken in de verwezenlijking van de bankenunie en de kapitaalmarktenunie. Samenhang en coherentie dienen daarbij voorop te staan.

2.4.

Overigens gaf de Commissie bij die gelegenheid eveneens aan dat „de ambitie een stuk hoger moet reiken om de belemmeringen aan te pakken, en wat nog belangrijker is, om deze nieuwe kansen te benutten (6)”. Het is in het kader daarvan dat de Commissie op 8 maart 2018 een Mededeling met twee actieplannen (7) publiceerde.

2.5.

Met het Actieplan voor financiële technologie (FinTech) wil men uitdrukking geven aan de ambitie om van Europa een mondiale FinTech-hub te maken waardoor bedrijven en beleggers in de EU zo veel mogelijk kunnen profiteren van de voordelen van de eengemaakte markt in deze snel evoluerende sector (8).

2.6.

Het stimuleren van crowdfunding en peer-to-peerleningen vormt één van de sleutelacties van dat Actieplan. Het accent ligt daarbij zowel op de ontwikkeling van nieuwe diensten en labels als de integratie van kapitaalmarkten.

2.7.

Meer concreet vinden de ideeën van de Commissie hun uitwerking in:

2.7.1.

het „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese aanbieders van crowdfundingdiensten voor ondernemingen (ECSP)” (9), en

2.7.2.

het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten” (10).

2.8.

Deze voorstellen strekken ertoe een Europees label voor crowdfundingplatforms in te stellen dat grensoverschrijdende activiteiten mogelijk maakt. Dat moet crowdfundingdiensten toelaten hun activiteiten op te schalen en op EU-niveau te ontplooien en tegelijk ondernemers en — inzonderheid kleine, jonge en innovatieve — ondernemingen een ruimere toegang tot financiering verschaffen. De voorstellen hebben alleen betrekking op verhandelbare effecten voor crowdfundingdiensten op basis van beleggingen.

2.9.

Tegelijk gaat het erom deze platforms aan een aangepaste en adequate regelgeving en dito toezicht te onderwerpen. Die moeten niet alleen toelaten de economische en financiële stabiliteit in de Unie te handhaven maar, meer nog, tegelijk ook het vertrouwen van de beleggers in de hand te werken, inzonderheid in een grensoverschrijdende context.

3.   Opmerkingen en commentaren

Algemeen — een welgekomen initiatief

3.1.

Het EESC verwelkomt ten zeerste deze voorstellen om een 29e regime inzake crowdfunding tot stand te brengen en dringt er meteen op aan dat alles in het werk wordt gesteld om snel een goed resultaat te boeken.

3.2.

In de eerste plaats dragen deze voorstellen bij tot een aantal grotere doelstellingen die het Comité zeer ter harte gaan en waarvoor het al eerder gepleit heeft (11). Daarbij kunnen vermeld worden:

3.2.1.

De opbouw van de KMU, die gepaard moet gaan met meer economische en sociale convergentie en met financiële en economische integratie, moet middels een verruiming en diversificatie van de financieringsbronnen van de economie leiden tot meer veiligheid, stabiliteit en veerkracht van het financieel en economisch bestel. De snelle realisatie daarvan moet een grote prioriteit blijven.

3.2.2.

Een eengemaakt EU-label voor crowdfundingplatforms werkt grensoverschrijdende financieringsverrichtingen in de hand en aldus ook meer private risicodeling. Dat is van belang bij het voorkomen van asymmetrische schokken ingeval van crisis of het verminderen van de effecten ervan. Overigens wordt aldus een belangrijke bijdrage geleverd aan convergente groei tussen de lidstaten van de Unie. Minder sterke economieën worden aldus in staat gesteld hun achterstand op de meer performante economieën sneller in te halen.

3.2.3.

Ook voor de verdere verdieping en voltooiing van de EMU is de KMU van cruciaal belang en de realisatie onontbeerlijk. Samen met een volwaardige bankenunie moet de KMU leiden tot een echte financiële unie, één van de vier fundamentele pijlers van de EMU.

3.2.4.

Nu crowdfunding in de EU maar weinig ontwikkeld is in vergelijking met andere grote economieën kan hier ook de positie van de EU ten aanzien van de rest van de wereld worden vermeld. De EU moet zich sterk positioneren en krachtdadig opstellen, des te meer daar mondiaal een aantal krachts- en machtsverschuivingen tussen het Oosten en het Westen aan de gang zijn.

3.3.

In eerdere adviezen (12) heeft het Comité bezorgdheden geuit en vragen gesteld bij de relevantie en effectiviteit van de KMU voor de kmo’s. Het Comité is erover te spreken dat er nu een begin van aanpak is. Crowdfunding richt zich inzonderheid tot een bepaalde groep van kmo’s en voor een bepaald onderdeel van de financieringsladder. Het EESC is ingenomen met de huidige voorstellen die de financiering van de kleine, jonge en innovatieve vennootschappen verbeteren en vergemakkelijken en, tegelijk, meer en betere investeringsopportuniteiten voor investeerders tot stand brengen.

3.4.

Ten slotte kan hier het toekomstgerichte karakter van de voorstellen worden vermeld, als onderdeel van het Actieplan voor financiële technologie (FinTech) waarmee men uitdrukking wil geven aan de ambitie om van Europa een mondiale FinTech-hub te maken. Door het aanboren van innovatieve en door moderne technologie ondersteunde producten en oplossingen schrijft dit voorstel zich ook naadloos in in de realisatie van een digitale eengemaakte markt.

De voorstellen — een goede basis maar bijkomende beschermende maatregelen wenselijk

3.5.

Het Comité is van oordeel dat alles in het werk moet worden gesteld om een succes te maken van deze voorstellen. Het Comité hecht er groot belang aan dat het nieuwe regime wordt gekenmerkt door „credibiliteit”, „duidelijkheid” en „vertrouwen”. Crowdfunding dient te worden aangeboden in een kader dat zekerheid en bescherming biedt aan allen die er mee te maken hebben.

3.6.

Het Comité is bijzonder ingenomen met de keuze voor „29e regime” waarmee, gebruik makend van nieuwe en toekomstgerichte technologieën, de grondslagen worden gelegd voor de realisatie van één enkele geharmoniseerde markt met dezelfde regels, zowel voor jonge ondernemers die op zoek zijn naar grensoverschrijdende financiering als voor investeerders die bijkomende investeringsopportuniteiten nastreven.

3.7.

De keuze van een „verordening” om deze doelstelling te verwezenlijken is hier dan ook helemaal op zijn plaats. Dit voorstel kan als een voorbeeld van effectieve integratie en verdieping van de kapitaalmarkten gelden.

3.8.

Onverminderd verderop zal worden gezegd, is het Comité er eveneens mee ingenomen dat de Commissie van meet af aan oog heeft voor de risico-aspecten die aan crowdfundingverrichtingen en -markten verbonden zijn. De voorwaarden waaraan crowdfundingplatformen en de diensten die ze aanbieden (13) moeten voldoen, evenals het voorziene toezicht, kunnen op bijval rekenen. Ook investeerders wordt aanbevolen hun risico’s te beperken (14).

3.9.

Tegelijk en vanuit een holistisch perspectief is het Comité van oordeel dat — minstens in een eerste tijd — nog meer aandacht aan deze risico-aspecten dient te worden besteed. Voor het Comité dienen alle risico’s, zowel financiële als niet financiële, nog beter in kaart te worden gebracht en waar mogelijk ingeperkt. Ook is meer aandacht gewenst voor een aantal andere omgevingsfactoren die van belang zijn voor het succes van deze voorstellen.

3.10.

De gemaakte beleidskeuze ten voordele van een complementaire dienstgebaseerde oplossing (15) heeft als gevolg dat nationale en EU-regelgevingen parallel naast elkaar zullen bestaan en toepassing vinden. Geïnteresseerden zullen op eenzelfde moment op eenzelfde markt te maken krijgen met operatoren met een verschillend statuut, zoals EU-gelabelde aanbieders die grensoverschrijdend werken, dezelfde aanbieders die lokaal werken en aanbieders die onder (bestaande) nationale regelingen of bestaande vergunningen (16) vallen. Verschillende wetgevingen, uiteenlopende voorwaarden en ongelijke bescherming (17) kunnen hiervan het gevolg zijn. Het Comité vraagt meer aandacht voor deze situatie die aanleiding kan geven tot onduidelijkheid en verwarring (18). Een aantal concrete voorstellen volgen verderop in dit advies.

Ten aanzien van de aanbieders van crowdfundingdiensten

3.11.

Aanbieders van crowdfundingdiensten zullen met één enkele vergunning hun activiteiten op het gehele grondgebied van de Unie kunnen uitoefenen, wat een opschaling van hun activiteiten mogelijk maakt. Dat is een belangrijke nieuwigheid en een grote vooruitgang in vergelijking met de huidige toestand waarin grensoverschrijdende activiteiten nauwelijks mogelijk zijn.

3.12.

Onverminderd wat hoger is gezegd (19) vraagt het EESC meer aandacht voor mogelijke spanningsgebieden in het statuut van de aanbieders en de diensten die ze aanbieden. Zo lijkt de mogelijkheid die ze krijgen tot het afsluiten van contracten van „discretionaire bevoegdheid” met investeerders aanleiding te kunnen geven tot delicate situaties. Als tussenpersonen moeten ze als „neutrale tussenpersonen” optreden, terwijl ze contractueel gehouden zijn „om het best mogelijke resultaat voor hun klanten te behalen” (20). Voor het Comité mag de neutraliteitsverplichting onder geen enkel beding in het gedrang kunnen komen. Bijkomende maatregelen dringen zich hier op. Platformen dienen kwalitatief hoogstaande diensten aan te bieden.

3.13.

Voor alle potentiële gebruikers, ondernemers zowel als investeerders, is het op elk ogenblik onontbeerlijk en primordiaal om duidelijk te weten met welk platform zij te maken hebben. En dat is des te meer van belang nu, zoals eerder gezegd, nationale en EU-regelgevingen parallel naast elkaar zullen bestaan en toepassing vinden (21). In dat verband worden de door ESMA te houden registers van EU-platformen als instrument van publiciteit onvoldoende geacht. Voor het Comité zijn bijkomende verplichtingen in hoofde van overheden en toezichthouders aangewezen om alle gebruikers accurate, gemakkelijk toegankelijke en zekerheid verschaffende informatie ter beschikking te stellen, in hun eigen taal opgesteld.

3.14.

Voor het Comité moeten ook de platformen publiciteitsverplichtingen opgelegd krijgen. Concreet kan worden voorzien dat platformen het bezit van het „EU-label” uitdrukkelijk en duidelijk dienen te vermelden in alle gevallen waarin ze zich tot het publiek of geïnteresseerden richten (22) en in al hun externe communicatie (23).

3.15.

De rol en verantwoordelijkheid van ESMA inzake het toezicht lijkt duidelijk, maar tegelijk kan de vraag worden gesteld of niet enige rol moet worden toebedeeld aan de nationale toezichthouders, nu die dichter bij de nationale markten staan en lokale situaties beter kennen. In elk geval lijkt duidelijkheid hier aangewezen. Dat is ook voor anderen van belang, onder meer de ondernemers die een beroep wensen te doen op crowdfunding.

3.16.

Meer algemeen, nu — zoals hoger gezegd — nationale en EU-regelgevingen parallel naast elkaar zullen bestaan en toepassing vinden, is het voor het Comité in elk geval (24) van belang dat de onderscheiden overheden en toezichthouders op het nationale en het Europese vlak permanent en consistent overleggen en samenwerken, ook met het oog op verdere harmonisatie en integratie in de Unie. Overigens hebben ze ook een belangrijke rol te spelen in het „vertrouwen” dat onontbeerlijk is voor het succes van crowdfunding.

3.17.

Wanneer ESMA in het kader van haar toezichtsopdracht sancties oplegt moet, in voorkomend geval, een beroep daartegen aanhangig worden gemaakt bij het Europees Hof van Justitie. Dat is niet alleen een zware procedure maar bovendien rijst de vraag of dit tot het takenpakket van het Hof van Justitie moet behoren.

In hoofde van de ondernemingen die beroep doen op crowdfunding

3.18.

Crowdfinanciering richt zich in de eerste plaats tot startende en jonge ondernemingen die minder gemakkelijk toegang hebben tot bankfinanciering of bezig zijn met meer risicovolle en innovatieve projecten, in de beginperiode van hun activiteiten, inzonderheid wanneer zij van een opstart- naar een expansiefase overgaan. Het Comité is ermee ingenomen dat de nieuwe voorstellen voor dit type van kmo’s en ondernemingen een bijkomend potentieel voor financiering creëren die ruimer en gemakkelijker toegankelijk is, bovendien met een grensoverschrijdende dimensie.

3.19.

Verder kan het Comité ook de overweging (25) bijtreden luidens welke er naast de al genoemde voordelen nog andere zijn, waaronder het bieden van concept- en ideevalidatie aan de projecteigenaar, het geven van toegang aan een groot aantal mensen die de ondernemer inzichten en informatie verschaffen, en een marketingtool vormen als een crowdfundingcampagne succesvol is.

3.20.

Ondernemingen krijgen de mogelijkheid hun projecten te laten financieren tot een bedrag van 1 miljoen EUR per twaalf maanden. De vraag rijst daar of deze drempel niet te laag is, inzonderheid wanneer de crowdfunding betrekking heeft op „deelnemingen in eigen vermogen (26)”. In die gevallen vormt de verplichte overdraagbaarheid van de effecten een belangrijke waarborg voor beleggers die uit het project willen uitstappen (27). De vraag rijst of de voorziene 1 miljoen-drempel geen hinderpaal vormt voor de totstandkoming en goede werking van de markten voor dit soort effecten. Overigens lijken in de nationale regelingen hogere drempels mogelijk (28).

In hoofde van (potentiële) beleggers

3.21.

Het Comité is ermee ingenomen dat een nieuw kanaal opengaat voor beleggers, dat bovendien grensoverschrijdend werkt. Hun mogelijkheden worden daardoor verruimd en de keuze groter.

3.22.

Het is ongetwijfeld positief dat voorzien wordt in een eerste beoordeling van de geschiktheid van een potentiële belegger via een toegangskennistest en een mogelijkheid tot simulatie van het vermogen om verlies te dragen (29), maar dat kan daarentegen niet worden gezegd van het feit dat het risico (en de beoordeling daarvan) volledig aan de markt en de potentiële beleggers wordt overgelaten.

3.23.

Inderdaad, het feit dat geen „ante factum” goedkeuring (30) van het „blad met de essentiële beleggersinformatie” door de bevoegde autoriteiten is voorzien, of zelfs geen kennisgevingsvereiste (31) komt de bescherming van de potentiële beleggers niet ten goede. De beperkte verplichtingen tot vertaling van belangrijke documenten (32) dragen daar overigens evenmin toe bij. Deze situatie lijkt onbevredigend. Voor het Comité zijn, minstens bij de opstart van dit regime, passende maatregelen om het risico beter in kaart te brengen, of in te perken waar mogelijk, in hoofde van de beleggers dan ook aangewezen. Hetzelfde geldt voor de informatie die ze ontvangen.

3.24.

Als men daarnaast ook rekening houdt met de meer traditionele manier van aanbieding van effecten, inzonderheid via het kanaal van de banken en beursvennootschappen, dan riskeert de in de huidige voorstellen voorziene beperkte bescherming van de beleggers een ongelijk speelveld tussen de verschillende aanbieders te creëren (33). Voor het Comité dienen al te grote verschillen in dit vlak te worden voorkomen omdat dit het vertrouwen in bepaalde marktdeelnemers in het gedrang kan brengen en kan leiden tot onzekerheid en regelgevingsarbitrage. Uiteindelijk zou dit ook gevolgen kunnen hebben voor de financiële stabiliteit in de EU.

Andere opmerkingen

3.25.

Inzake de strijd tegen het witwassen en de financiering van terrorisme lijkt de voorziene regeling te weinig doortastend, zeker nu door ESMA eerder op bepaalde risico’s en gevaren ter zake is gewezen (34). Vragen worden gesteld bij de voorziene vrij beperkte regeling ter zake (35) en de bevoegdheid die aan de Commissie gegeven is om aanbieders van crowdfundingdiensten eventueel aan de regels ter zake te onderwerpen (36). De vraag rijst hier of deze beslissing aan de Commissie toekomt. Zo ja, welke criteria er gelden hier (37)? Overigens, waarom wordt deze mogelijkheid tot onderwerping enkel éénmalig (38) voorzien? Voor het Comité dient deze mogelijkheid op elk ogenblik te bestaan en mag dat niet de enkele bevoegdheid van de Commissie zijn. Bovendien dienen de voorwaarden en criteria duidelijk gesteld te worden waaronder die onderwerping mogelijk is.

3.26.

Inzonderheid in het licht van de nagestreefde doelstellingen is het opmerkelijk dat de fiscale behandeling van de inkomsten uit crowdfunding en de verplichtingen voor de schuldenaars (39) in dit vlak niet aan bod komen en onbehandeld blijven in de huidige voorstellen (40). En dit terwijl redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de fiscaliteit mee doorslaggevend zal zijn voor het al dan niet succesvol zijn van dit initiatief. Het Comité pleit er dan ook voor deze aspecten mee in overweging te nemen. Zo nodig dient een aangepaste regeling op het juiste niveau te worden uitgewerkt.

Behoedzaam van wal steken, credibiliteit opbouwen en een oog op de toekomst

3.27.

Om van dit marktgebonden voorstel een effectief succes te maken is het van het grootste belang dat alle neuzen in dezelfde richting wijzen. Dat zal enkel het geval zijn indien ondernemingen en investeerders effectief en in ruime mate gebruikmaken van het faciliterende raamwerk dat met de huidige voorstellen wordt gerealiseerd. Alleen dan zal een echte markt ontstaan waarop kredietvraag en -aanbod elkaar ontmoeten. Voor het EESC komt het erop aan in de opstartfase credibiliteit op te bouwen, bedachtzaam en voorzichtig van wal te steken, met meer aandacht voor het risicomanagement en de omgevingsfactoren.

3.28.

Voor het Comité is het ten zeerste aangewezen dat voorzien wordt in een regelmatige opvolging, evaluatie en succesmeting van dit 29e regime om de toekomst ervan veilig te stellen. Ook de andere crowdfundingregimes die in de lidstaten bestaan moeten in die oefening worden betrokken. Het komt erop aan te leren uit de beste marktpraktijken en die te integreren in het Europese regime. Overleg en dialoog met alle stakeholders en belanghebbenden zijn daarbij evenzeer onontbeerlijk.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Zie punten 3.1. tot en met 3.4.

(2)  Zie website van de Europese Commissie https://ec.europa.eu/commission/priorities/jobs-growth-and-investment/investment-plan-europe-juncker-plan_en

(3)  Actieplan van september 2015. „Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie” — Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s COM(2015) 468 final. Zie http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1447000363413&uri=CELEX:52015DC0468

(4)  Aldus bepleitte de Europese Raad de „snelle en vastberaden vooruitgang” van het Plan om „te zorgen voor een gemakkelijker toegang tot financiering voor bedrijven en om investeringen in de reële economie te ondersteunen”. Zie http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2016/06/28/euco-conclusions/

(5)  Ook de Commissie nam een Mededeling aan waarin het versnellen van de hervormingen werd bepleit. Zie COM(2016) 601 final.

(6)  Cf. Mededeling van de Commissie „Voltooiing van de kapitaalmarktenunie tegen 2019 — Tijd om snel resultaten te boeken”. Zie https://ec.europa.eu/transparency/regdoc/rep/1/2018/NL/COM-2018-114-F1-NL-MAIN-PART-1.PDF

(7)  Naast het in 2.5 genoemde actieplan gaat het om het „Actieplan voor duurzame financiering”.

(8)  Persmededeling van 8 maart 2018„FinTech: de Commissie neemt maatregelen voor een meer concurrerende en innovatieve financiële markt”. Zie http://europa.eu/rapid/press-release_IP-18-1403_nl.htm

(9)  Zie https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1521456325451&uri=CELEX:52018PC0113

(10)  Zie https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1521456325451&uri=CELEX:52018PC0099

(11)  Zie het advies van het EESC over de tussentijdse evaluatie van het actieplan kapitaalmarktenunie (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 117).

(12)  Zie inzonderheid het advies van het EESC over het actieplan over de opbouw van een kapitaalmarktenunie (PB C 133 van 14.4.2016, blz. 17) en het advies van het EESC over de tussentijdse evaluatie van het actieplan kapitaalmarktenunie (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 117).

(13)  Zie de toelichting bij de ontwerpverordening en artt. 1 tot en met 9 ervan.

(14)  Zie artikel 16 van de ontwerpverordening. Het blad met essentiële beleggersinformatie dat aan de geïnteresseerden ter beschikking moet worden gesteld omvat onder meer de volgende aanbeveling: „[…] u mag niet meer dan 10 % van uw vermogen in crowdfundingprojecten beleggen”.

(15)  Bij de effectbeoordeling lagen vier beleidsopties op tafel. Zie ontwerpverordening, hoofdstuk 3, „Effectbeoordeling”.

(16)  Met inbegrip van die op grond van de richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID II), de richtlijn betalingsdiensten (PSD) en de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (AIFMD).

(17)  Al naargelang de geïnteresseerde een ondernemer of een investeerder is.

(18)  Dit is een van de „omgevingsfactoren” waarvoor aandacht wordt gevraagd in punt 3.9.

(19)  Zie punt 3.8.

(20)  Zie overweging 16 van de ontwerpverordening.

(21)  Zie punt 3.10.

(22)  Bijvoorbeeld op hun website.

(23)  Bijvoorbeeld in alle documenten bestemd voor geïnteresseerden.

(24)  Los van de regeling inzake het toezicht en de kwestie bedoeld in punt 3.15.

(25)  Overweging 4 van de ontwerpverordening.

(26)  Bijvoorbeeld aandelen of soortgelijke effecten.

(27)  Cf. overweging 11 van de ontwerpverordening.

(28)  De prospectusverordening (die in werking treedt in juli 2018) bevat geen aparte uitzondering voor crowdfunding. Veel lidstaten, waaronder België, hebben een eigen uitzonderingsregime voorzien. Dat kan voor transacties van minder dan 8 miljoen EUR, die niet geharmoniseerd zijn (daarboven is in elk geval een prospectus vereist). Het gevolg is dat elke lidstaat nu een eigen regime rond prospectusvrijstellingen i.v.m. crowdfundingtransacties ontwikkelt, met marktfragmentatie tot gevolg. Platformen die in meerdere lidstaten actief willen zijn, moeten dus telkens het nationale regime controleren en naleven. Het voorstel blijft nu beperkt tot transacties van minder dan 1 miljoen EUR, en draagt dus weinig bij tot de crowdfundingmarkt voor transacties van meer dan 1 miljoen EUR.

(29)  Artikel 15 van de ontwerpverordening.

(30)  Zie artikel 16 van de ontwerpverordening.

(31)  Inzonderheid de nationale bevoegde autoriteiten. Zie artikel 16, lid 8, van de ontwerpverordening.

(32)  Voorzien is dat het „blad met de essentiële beleggersinformatie wordt opgesteld in één van de officiële talen van de betrokken lidstaat of in een taal die in de internationale financiële kringen gangbaar is”. Een belegger kan een aanbieder wel „verzoeken het (vorenbedoelde) blad te laten vertalen in een taal naar keuze van de belegger”, maar die aanbieder lijkt geen absolute verplichting te hebben dat af te leveren. Zie artikel 16 van de ontwerpverordening.

(33)  Banken en beursvennootschappen zijn onderworpen aan de MiFID-regeling, terwijl crowdfundingplatformen daarvan worden vrijgesteld (cf. ontwerp van richtlijn). Laatstgenoemden zijn aan een specifieke regeling, zoals uitgewerkt in de ontwerpverordening onderworpen.

(34)  ESMA stelde dat „op investeringen gebaseerde crowdfunding een risico van misbruik voor financiering van terrorisme dragen, inzonderheid wanneer platformen slechts een beperkte of zelfs geen „due diligence” uitvoeren op projecteigenaars en hun projecten om, openlijk of geheim, fondsen in te zamelen voor de financiering van terroristen”, ESMA, Questions and Answers Investment-based crowdfunding: money laundering/terrorist financing. Zie https://www.esma.europa.eu/sites/default/files/library/2015/11/esma_2015_1005_qa_crowdfunding_money_laundering_and_terrorist_financing.pdf

(35)  Zie de ontwerpverordening. Met name vereist artikel 9 dat betalingen voor crowdfundingtransacties moeten plaatsvinden via entiteiten met een vergunning op grond van de richtlijn betalingsdiensten (PSD) en dus onderworpen aan de vierde antiwitwasrichtlijn (AMLD), ongeacht of de betaling door het platform zelf dan wel door een derde wordt verricht. Artikel 9 bepaalt ook dat aanbieders van crowdfundingdiensten ervoor moeten zorgen dat projecteigenaren financiering van crowdfundingaanbiedingen of betalingen alleen aanvaarden via een entiteit met een vergunning op grond van de PSD. Artikel 10 voert vereisten in voor de „goede naam” van managers, waaronder het ontbreken van een strafregister op grond van de antiwitwaswetgeving. Artikel 13 vereist dat de nationale bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de nationale bevoegde autoriteiten die overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn (EU) 2015/849 zijn aangewezen, ESMA in kennis stellen van elke kwestie die relevant is op grond van de AMLD en waarbij een crowdfundingplatform betrokken is. ESMA kan vervolgens de vergunning intrekken op basis van deze informatie.

(36)  Artikel 38 van de ontwerpverordening.

(37)  Cf. artikel 38 van de ontwerpverordening. Daarin wordt, schematisch samengevat, gesteld dat de Commissie binnen een nader te bepalen tijdstip (twee jaar) een verslag over de toepassing van de verordening moet indienen bij het Parlement en de Raad. In dat verslag moet worden beoordeeld „de noodzaak en evenredigheid van het onderwerpen van aanbieders van aanbieders van crowdfundingdiensten aan verplichtingen inzake de naleving van de nationale bepalingen (inzake witwassen en financiering van terrorisme). In voorkomend geval zou dit verslag vergezeld moeten zijn van een wetgevingsvoorstel.

(38)  Cf. vorige voetnoot; op basis van genoemd artikel 38 lijkt dat dus het enige tijdstip waarop tot die onderwerping zou kunnen worden beslist.

(39)  Inzonderheid wordt hier gedacht aan de verplichtingen die aan schuldenaars van (onder andere) interesten en dividenden worden opgelegd op grond van de transparantieverplichtingen, o.a. inhoudings- en rapporteringsverplichtingen.

(40)  Dit betreft een andere „omgevingsfactor” waarvoor aandacht wordt gevraagd in punt 3.9.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/73


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid

[COM(2018) 147 final — 2018/0072(CNS)]

en over een voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de verlening van bepaalde digitale diensten

[COM(2018) 148 final — 2018/0073 (CNS)]

(2018/C 367/14)

Rapporteur:

Krister ANDERSSON

Corapporteur:

Petru Sorin DANDEA

Raadpleging

Raad van de Europese Unie: 11.4.2018

Rechtsgrondslag

Artikelen 113 en 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

27.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

12.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

175/6/3

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het is lovenswaardig dat de Commissie belastinginitiatieven op digitaal vlak neemt en een verdere impuls geeft aan internationale discussies door een duidelijk voorbeeld te geven van de wijze waarop de huidige belastingbeginselen omgevormd zouden kunnen worden.

1.2.

Het EESC beschouwt de hele economie als gedigitaliseerd en is er net als de Commissie vast van overtuigd dat de oplossing uiteindelijk een mondiale moet zijn, met goede mondiale governance en mondiale regels, om de voordelen van de mondialisering beter te benutten. Het EESC verwelkomt daarom nauwe samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten en de OESO om de ontwikkeling van een internationale oplossing te ondersteunen.

1.3.

Naar oordeel van het EESC is het erg belangrijk dat er nieuwe beginselen worden ontwikkeld voor het toerekenen van bedrijfswinsten aan een EU-land en het belasten van deze winsten. Dit dient te gebeuren in dialoog met de handelspartners om escalatie van handels- en belastingspanningen tussen grote economische spelers in de wereld te voorkomen. Er is behoefte aan eerlijke en op consensus gebaseerde oplossingen.

1.4.

Het EESC meent dat de effectbeoordeling aangevuld zou moeten worden met een analyse van de impact die de tussentijdse maatregel zal hebben op investeringen, start-ups, werkgelegenheid en groei. In de effectbeoordeling moet eveneens worden aangegeven welke gevolgen kleine en middelgrote ondernemingen van het voorstel zullen ondervinden.

1.5.

Met de door de Commissie voorgestelde tussentijdse maatregel om bepaalde digitale diensten te belasten wordt niet de bedrijfswinst maar de omzet belast. Deze aanpak verschilt van het mondiale stelsel van vennootschapsbelasting, dat is gebaseerd op winstbelasting. Het EESC erkent echter dat het land van verkoop geen vennootschapsbelasting zal ontvangen in het geval van digitale ondernemingen die niet fysiek aanwezig zijn.

1.6.

Het EESC vreest dat een dergelijke verschuiving in de belastingheffing ten goede zal komen aan grotere economieën met veel consumenten en ten koste zal gaan van kleinere exporterende economieën. Het EESC onderstreept dat elke (korte- en langetermijn)oplossing voor de belastingheffing op digitale bedrijfsmodellen eerlijke en gelijke economische resultaten voor alle economieën in de EU moet opleveren.

1.7.

Bij het beoordelen van het daadwerkelijke belastingniveau in de digitale sector dient rekening te worden gehouden met de wijzigingen in de belastingwetten als gevolg van de lopende toepassing van de BEPS-regels, en met name met de aanzienlijk hogere belastingtarieven in de VS voor Amerikaanse digitale bedrijven die actief zijn in de EU, die voortvloeien uit veranderingen in de Amerikaanse belastingwetgeving.

1.8.

Er is geen vervalbepaling of ander mechanisme dat ervoor zorgt dat de tussentijdse belastingmaatregel wordt ingetrokken zodra er een oplossing voor de langere termijn wordt gevonden. Het is daarom sterk aan te raden dat de Raad dergelijke regels opstelt, mocht de tussentijdse maatregel worden ingevoerd.

1.9.

Het EESC benadrukt dat het voorstel om een omzetbelasting in te voeren in internationaal verband een levendig debat heeft losgemaakt, wat mede de bedoeling van het initiatief was. Europa moet nu in het kader van de lopende discussie binnen de OESO een Gemeenschappelijk Standpunt zien te bereiken.

2.   Inleiding en context

2.1.

Met haar mededeling getiteld „Tijd om een moderne, eerlijke en efficiënte standaard voor de belastingheffing van de digitale economie vast te stellen”, gepubliceerd op 21 maart 2018, presenteerde de Commissie haar wetgevingspakket voor een geharmoniseerde hervorming van de Europese regels inzake vennootschapsbelasting voor digitale bedrijvigheid. Het pakket bevat twee richtlijnen van de Raad, vergezeld van een aanbeveling voor zachte wetgeving betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid.

2.2.

Meer bepaald stelde de Commissie twee nieuwe richtlijnen voor: i) een voorstel voor de lange termijn, waarbij regels en bepalingen voor „digitale aanwezigheid” (digitale vaste inrichting) (1) worden opgesteld en dat gericht is op een hervorming van de regels voor vennootschapsbelasting, zodat winsten worden geregistreerd en belast op de plek waar bedrijven aanmerkelijke interactie hebben met gebruikers via digitale kanalen, in plaats van waar zij winst maken, en ii) een voorstel voor de korte termijn, een tussentijdse omzetbelasting op het aanbieden van bepaalde soorten digitale diensten (2). De eengemaakte markt van de EU heeft behoefte aan een stabiel belastingkader dat is aangepast aan de digitale bedrijfsmodellen. De bedoeling is innovatie te stimuleren door bedrijven een stabiel investeringsklimaat te bieden en hen in staat te stellen te groeien. Bedrijven die zich bezighouden met digitale diensten, moeten, net als alle andere bedrijven, bijdragen tot de overheidsfinanciën en de belastingdruk dragen die nodig is om openbare diensten te financieren (3).

2.3.

Meer in het bijzonder bevat het voorstel voor de lange termijn regels inzake het bepalen van een belastbare nexus voor digitale bedrijven die grensoverschrijdend actief zijn maar geen fysieke commerciële aanwezigheid hebben, alsmede beginselen voor het toerekenen van winsten aan digitale bedrijven die de waardecreatie van deze bedrijven beter vatten. Deze maatregelen zouden van toepassing zijn op ondernemingen die aan een van de volgende criteria voldoen: i) een drempel van meer dan 7 miljoen EUR aan jaarinkomsten in een lidstaat; ii) meer dan 100 000 gebruikers in een lidstaat in een belastingjaar, of iii) meer dan 3 000 zakelijke contracten voor digitale diensten die in een belastingjaar tussen de onderneming en zakelijke gebruikers zijn gemaakt.

2.4.

Het voorstel voor de korte termijn, de tussentijdse omzetbelasting, zou als indirecte belasting van toepassing zijn op bedrijvigheid waarvan de inkomsten worden gegenereerd: i) uit de verkoop van onlineadvertentieruimte; ii) uit activiteiten van digitale tussenpersonen waardoor gebruikers met andere gebruikers kunnen communiceren en die de verkoop van goederen en diensten tussen hen kunnen vergemakkelijken, en iii) uit de verkoop van gegevens die zijn gegenereerd op basis van door de gebruiker verstrekte informatie. Deze belasting zou alleen van toepassing zijn op bedrijven die jaarlijks wereldwijd minstens 750 miljoen EUR en in de EU minstens 50 miljoen EUR per jaar aan inkomsten hebben. Als het belastingtarief 3 % zou bedragen, zouden de lidstaten elk jaar naar schatting 5 miljard EUR aan inkomsten kunnen genereren.

2.5.

Het voorstel van de Commissie is om de nieuwe richtlijnen samen te voegen met amendementen op de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), waarbij ervoor wordt gezorgd dat de vennootschapsbelastingstelsels van de lidstaten en de voorgestelde CCCTB regels bevatten voor het belasten van digitale economische bedrijvigheid (4).

2.6.

Wat de toekomst betreft, is de Commissie er sterk van overtuigd dat de enige oplossing een mondiale oplossing is, en werkt zij nauw samen met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) om de ontwikkeling van een internationale oplossing te ondersteunen in overeenstemming met het tussentijds verslag van de OESO over belastingheffing van de digitale economie, gepubliceerd op 16 maart 2018.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC beschouwt de hele economie als gedigitaliseerd. Gezien de snelle ontwikkeling van bedrijfsmodellen, met name op het gebied van digitale diensten, is het van het grootste belang om ook onze belastingstelsels verder te ontwikkelen. De gedigitaliseerde economie overstijgt grenzen en er is een groeiende noodzaak om het belastingkader te laten aansluiten op de digitale bedrijfsmodellen.

3.2.

Net als de Commissie is het EESC er vast van overtuigd dat de oplossing uiteindelijk een mondiale moet zijn, met goede mondiale governance en mondiale regels, om de voordelen van de mondialisering beter te benutten. Het EESC verwelkomt daarom de nauwe samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten en de OESO om de ontwikkeling van een internationale oplossing te ondersteunen.

3.3.

Parallel aan de internationale discussies en naar aanleiding van haar in september 2017 gepubliceerde mededeling (5) stelt de Commissie thans oplossingen op EU-niveau voor. Zoals de Commissie aangeeft (6), zal dit een verdere impuls geven aan de internationale discussies door een duidelijk voorbeeld te geven van hoe de beginselen die op internationaal niveau worden besproken, kunnen worden omgezet in een modern, eerlijk en doeltreffend kader voor vennootschapsbelasting dat is aangepast aan de gedigitaliseerde economie.

3.4.

Een gelijk speelveld op het gebied van vennootschapsbelasting is van groot belang. De afgelopen jaren hebben aangetoond dat bepaalde bedrijven in sommige lidstaten gebruik hebben kunnen maken van specifieke belastingregels, waardoor hun daadwerkelijke belastingdruk tot bijna nul is gedaald. Het gebrek aan transparantie heeft daartoe bijgedragen. Bij sommige gevallen waren multinationals betrokken die actief zijn op het gebied van digitale diensten. Het EESC deelt dan ook de ambitie van de Commissie om door te gaan met het aanpakken van agressieve fiscale planning en ondoorzichtige afspraken in lidstaten om gelijke behandeling van bedrijven te waarborgen en het Europese concurrentievermogen te bevorderen.

3.5.

Het is lovenswaardig dat de Commissie belastinginitiatieven op digitaal vlak neemt en een verdere impuls geeft aan internationale discussies door een duidelijk voorbeeld te geven van de wijze waarop de huidige belastingbeginselen omgevormd zouden kunnen worden. Het voorstel om een omzetbelasting in te voeren heeft in internationaal verband een levendig debat losgemaakt, wat mede de bedoeling van het initiatief was. Europa moet nu in het kader van de lopende discussie binnen de OESO een Gemeenschappelijk Standpunt zien te bereiken.

3.6.

Het EESC is het eens met de Commissie dat elke op EU-niveau voorgestelde oplossing ook rekening moet houden met de mondiale dimensie. en erkent dat „[de Commissie] met deze voorstellen [bijdraagt] aan het vormgeven van de op consensus gebaseerde oplossing waarmee de OESO naar verwachting in 2020 zal komen. Zij laten zien hoe de beginselen die ter tafel liggen op internationaal niveau in de praktijk kunnen worden gebracht (7).”

3.7.

Het is erg belangrijk dat er nieuwe beginselen worden ontwikkeld voor het toerekenen van bedrijfswinsten aan een EU-land en het belasten van deze winsten. Dit dient te gebeuren in dialoog met de handelspartners om escalatie van handels- en belastingspanningen tussen grote economische spelers in de wereld te voorkomen. Er is behoefte aan eerlijke en op consensus gebaseerde oplossingen.

3.8.

De huidige vennootschapsbelastingstelsels in de wereld zijn gebaseerd op het beoordelen van de bedrijfswinst die kan worden toegeschreven aan elk betreffend rechtsgebied. Belasting moet daar worden geheven waar waarde wordt gecreëerd. Omdat het moeilijk is om te bepalen waar in de waardeketen winst wordt gegenereerd, moeten er universele beginselen worden opgesteld om te bepalen waar waarde wordt gecreëerd. De OESO heeft zich hier uitvoerig over gebogen en regels opgesteld waarin op basis van belastingbeginselen en definities wordt aangegeven hoe de prijzen van goederen en diensten voor ondernemingen binnen een concern moeten worden bepaald (regels voor verrekenprijzen).

3.9.

De internationale belastingregels zouden van tijd tot tijd moeten worden herzien naarmate bedrijfsmodellen evolueren. De huidige regels zijn zeer recentelijk herzien in verband met de overeenkomst betreffende grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) (8). De nieuwe regels en definities worden momenteel ten uitvoer gelegd. Verwacht wordt dat ze de mogelijkheden voor agressieve fiscale planning en erosie van de belastinggrondslag aanzienlijk zullen beperken (9).

3.10.

Het is belangrijk dat andere ontwikkelingen op het gebied van de vennootschapsbelasting in overeenstemming zijn met de reeds behaalde resultaten in het kader van BEPS. Een van de beginselen in BEPS is om bij het toerekenen van winsten aan landen uit te gaan van de plaats waar waarde wordt gecreëerd.

3.11.

Er is behoefte aan gedegen effectbeoordelingen. De huidige effectbeoordeling is niet uitgebreid genoeg. De Commissie heeft niet geanalyseerd welke impact de tussentijdse maatregel zal hebben op investeringen, start-ups, werkgelegenheid en groei. In de effectbeoordeling wordt evenmin aangegeven welke gevolgen kleine en middelgrote ondernemingen van de voorstellen zullen ondervinden.

3.12.

De inkomenseffecten voor kleinere en grotere economieën moeten eveneens geanalyseerd worden, net als het effect van de maatregelen die met de toepassing van de BEPS in verschillende landen worden doorgevoerd, en van de Amerikaanse belastinghervorming.

3.13.

Het EESC is bezorgd dat door het belasten van de omzet, met de negatieve kettingreactie die expliciet door de Commissie wordt erkend, de ontwikkeling van digitale diensten, en met name start-ups, wordt geschaad. Deze kettingreactie ontstaat wanneer de diensten meerdere malen worden verkocht en iedere keer worden belast.

3.14.

Het EESC is van mening dat de drempel van 7 miljoen EUR voor de oprichting van een vaste inrichting, die voor de toepassing van de nieuwe regeling zou gelden, moet worden verhoogd. Het zou wenselijk zijn dat de beraadslagingen in de Raad resulteren in een uitkomst die geen obstakel vormt voor de digitalisering, maar in plaats daarvan de werking van de eengemaakte markt verbetert. Bij het beoordelen van het daadwerkelijke belastingniveau in de digitale sector dient rekening te worden gehouden met de wijzigingen in de belastingwetten als gevolg van de lopende toepassing van de BEPS-regels, en met name met de aanzienlijk hogere belastingtarieven in de VS voor Amerikaanse digitale bedrijven die actief zijn in de EU, die voortvloeien uit veranderingen in de Amerikaanse belastingwetgeving (10).

3.15.

Het belasten van de omzet in plaats van de winst en het heffen van belastingen op de plaats waar de verkoop plaatsvindt in plaats van waar de waarde wordt gecreëerd, houdt een fundamentele verandering in van de huidige beginselen inzake belastingheffing. Het EESC vreest dat een dergelijke verschuiving in de belastingheffing ten goede zal komen aan grotere economieën met veel consumenten en ten koste zal gaan van kleinere exporterende economieën. Het EESC onderstreept dat elke (korte- en langetermijn)oplossing voor de belastingheffing op digitale bedrijfsmodellen eerlijke en gelijke economische resultaten voor alle economieën in de EU moet opleveren.

3.16.

De voorgestelde tussentijdse maatregel betekent dat zelfs onrendabele bedrijven belast zouden worden. Het huidige mondiale stelsel van vennootschapsbelasting is gebaseerd op winstbelasting. Het EESC erkent echter dat het land van verkoop geen vennootschapsbelasting zal ontvangen in het geval van digitale ondernemingen die niet fysiek aanwezig zijn.

3.17.

Er is geen vervalbepaling of ander mechanisme dat ervoor zorgt dat de tussentijdse belastingmaatregel wordt ingetrokken zodra er een oplossing voor de langere termijn wordt gevonden. Het is daarom sterk aan te raden dat de Raad dergelijke regels opstelt, mocht de tussentijdse maatregel worden ingevoerd.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1.

Een van de door de Europese Commissie vastgestelde onderdelen is een vast tarief van 3 %, maar dit kan slechts als ter indicatie worden beschouwd; er is op dit gebied een evaluatie nodig. Voorts zou er een zekere mate van progressiviteit kunnen worden overwogen om rekening te houden met eenieders vermogen om bij te dragen.

4.2.

Het ontbreken van grensoverschrijdende winst- en verliesverrekening en het grote aantal geschillen over verrekenprijzen en vaste inrichtingen binnen de EU leiden vaak tot internationale dubbele belastingheffing en vormen dus een aanzienlijke belemmering voor de eengemaakte markt. De invoering van een omzetbelasting op digitale diensten die niet zou worden verrekend met inkomstenbelastingen in andere landen zou het probleem van dubbele belastingheffing verergeren, waardoor er nog een barrière wordt opgeworpen in de eengemaakte markt. Het EESC acht het van belang dat er geen maatregelen worden genomen die tot enige vorm van dubbele belasting kunnen leiden.

4.3.

De OESO-methode voor het ontwikkelen van de definitie voor vaste inrichting is een dynamische procedure waarbij de wijzigingen in beginsel algemeen geaccepteerd zijn. Door een eenzijdige definitie voor te stellen en daarmee af te wijken van deze procedure neemt de complexiteit van het internationale belastingstelsel toe, alsmede de onzekerheid voor beleggers. Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat de OESO in haar verwachte eindverslag over de digitale economie in 2020 dezelfde definitie zou overnemen, zou het niet lang meer duren voordat de twee systemen uit elkaar gaan lopen (11).

4.4.

Het EESC maakt zich zorgen over het feit dat het aantal gebruikers van digitale diensten als criterium voor een belastbare nexus wordt gehanteerd. Het aantal kliks op een website kan gemakkelijk gemanipuleerd worden en het gevaar dreigt dat bedrijven niet meer kunnen bepalen onder welk rechtsgebied hun activiteiten vallen.

Brussel, 12 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  COM(2018) 147 final.

(2)  COM(2018) 148 final.

(3)  COM(2018) 146 final.

(4)  COM(2018) 146 final. Voor het standpunt van het EESC zie PB C 434 van 15.12.2017, blz. 58.

https://www.eesc.europa.eu/en/our-work/opinions-information-reports/opinions/common-consolidated-corporate-tax-base

(5)  COM(2017) 547 final.

(6)  COM(2018) 146 final, blz. 5.

(7)  COM(2018) 146 final, blz. 6.

(8)  OESO 2015.

(9)  De Commissie heeft berekend dat er in de EU met de grondslaguitholling en winstverschuiving door bedrijven een bedrag van 50-70 miljard EUR gemoeid is, wat overeenkomt met 4 promille van het bbp (COM(2018) 81 final).

(10)  „Tax Cuts and Jobs Act”, 22 december 2017.

(11)  De reden hiervoor is dat de definitie van „vaste inrichting” die door de EU via een richtlijn wordt vastgesteld, zich zou ontwikkelen door uitspraken van het Europese Hof van Justitie, terwijl de OESO-definitie die in de rest van de wereld wordt toegepast, zich zou ontwikkelen door middel van internationale consensus, tot uitdrukking gebracht door de OESO middels voortdurende herzieningen.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/78


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen

[COM(2018) 212 final — 2018/0104 (COD)]

(2018/C 367/15)

Algemeen rapporteur:

Jorge PEGADO LIZ

Raadpleging

Europees Parlement, 28.5.2018

Raad, 18.6.2018

Rechtsgrondslag

Artikelen 21, lid 2, en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Besluit van het bureau

22.5.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

155/8/5

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC is zeer te spreken over dit initiatief van de Commissie, dat noodzakelijk en urgent is, en stemt in met de rechtsgrondslag, die bij de reikwijdte van het voorstel past, evenals met de keuze van het rechtsinstrument. Het beaamt dat het voorstel in overeenstemming is met het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, alsook met de grondrechten, en dringt erop aan dat het met spoed wordt aangenomen.

1.2.

Het EESC staat ook achter het voorschrift dat de kaart een gezichtsopname van de houder en twee vingerafdrukken in een interoperabel formaat dient te bevatten en deelt de mening dat biometrische gegevens moeten worden gescheiden van alle andere gegevens die eventueel op deze kaarten zijn opgeslagen.

1.3.

Het EESC is echter van mening dat de Commissie haar keuze voor dit rechtsinstrument niet afdoende rechtvaardigt, en betreurt dat zij niet uitlegt waarom zij niet met een voorstel is gekomen dat een ruimere harmonisatie van de wetgeving beoogt, zodat er een echt gemeenschappelijk systeem van identiteitsdocumenten ontstaat dat onmiskenbare voordelen biedt op het gebied van veiligheid, eenvoudige en snelle controles en eenvormige procedures die in het belang zijn van de burgers. Het begrijpt ook niet waarom er niet, net als in het geval van verblijfsdocumenten voor burgers van de Unie, wordt bepaald wat er op de kaarten moet worden vermeld, nl. datgene wat in de bijlage bij de effectbeoordeling van dit voorstel wordt genoemd: titel van het document, naam, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteplaats en plaats van afgifte, handtekening en geldigheidsduur van het document.

1.4.

Het EESC vindt overigens ook dat het voorstel te weinig rekening houdt met de conclusies van het Refit-programma en van de burgerraadplegingen, waaruit bleek dat het vrije verkeer in de Europese ruimte soms nog duidelijke hinder ondervindt omdat de lidstaten nog steeds zelf mogen kiezen of zij identiteitskaarten invoeren op hun nationale grondgebied en zelf het toepassingsgebied, de minimuminformatie en het type van deze kaarten mogen bepalen.

1.5.

Het EESC had ook graag gezien dat de Commissie de mogelijkheid had onderzocht om een Europese identiteitskaart in te voeren die de Europese burgers het recht geeft om op basis van deze kaart te stemmen, ook al zou daarvoor een andere rechtsgrondslag nodig zijn.

1.6.

Het EESC vreest dat de nalevingskosten die met de nieuwe kaarten gemoeid zijn in ondoorzichtige, onterechte en onevenredige mate op de burgers zullen worden afgewenteld, wanneer de nationale overheden volledig de vrije hand krijgen.

1.7.

Voorts is het EESC van oordeel dat ook andere, aanvullende elementen die de lidstaten in de identiteitskaarten hadden moeten opnemen, in het voorstel aan de orde hadden kunnen komen, en dat het al dan niet opnemen of het gebruik ervan door de belanghebbenden zelf of door derden, voor zover mogelijk, gestandaardiseerd had kunnen worden.

1.8.

Het EESC acht het van fundamenteel belang dat de tenuitvoerlegging van dit voorstel wordt gemonitord en op de voet wordt gevolgd door de Commissie, om te waarborgen dat de documenten waarover dit voorstel gaat onvoorwaardelijk worden erkend, niet alleen als identificatiemiddel, maar ook als instrument dat de houder in staat stelt om in ongeacht welke lidstaat een aantal handelingen te verrichten, zoals zich vrij verplaatsen binnen het Schengengebied, goederen verwerven en diensten — met name financiële diensten — afnemen, evenals gebruikmaken van publieke en private diensten.

1.9.

Gezien de noodzaak en urgentie van deze verordening, beveelt het EESC aan om de meeste termijnen die worden voorzien voor de inwerkingtreding en de latere monitoring ervan in te korten.

1.10.

Het EESC verzoekt de Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten om de specifieke voorstellen die het doet met betrekking tot met name onderdelen die het essentieel acht, alsook ten aanzien van het gebruik van identiteitskaarten door derden, in overweging te nemen. Dergelijke regels zijn immers essentieel gebleken in sommige lidstaten.

2.   Korte samenvatting en achtergrond van het voorstel

2.1.

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad „Veertiende voortgangsverslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie” (1) wordt niet alleen ingegaan op de ontwikkelingen met betrekking tot twee belangrijke pijlers van de Europese defensie — de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad en de middelen ter ondersteuning daarvan, en de verbetering van onze weerbaarheid en veerkracht tegenover die dreigingen — maar onder andere (2) ook verwezen naar een wetgevingsvoorstel ter verbetering van de beveiliging van nationale identiteitskaarten en verblijfsdocumenten dat „het moeilijker [zal] maken voor terroristen en andere criminelen om dergelijke documenten te misbruiken of te vervalsen om de EU binnen te komen of zich binnen de EU te verplaatsen”.

2.2.

In deze mededeling wordt met name opgemerkt dat, zoals uit de statistieken van het Europees Grens- en Kustwachtagentschap over vervalste documenten blijkt, „nationale identiteitskaarten met zwakke beveiligingskenmerken de reisdocumenten [zijn] die binnen de EU het vaakst frauduleus worden gebruikt”. Als onderdeel van de in het actieplan van december 2016 beschreven Europese reactie op reisdocumentfraude heeft de Commissie samen met het voortgangsverslag een voorstel aangenomen voor een verordening ter versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden. „De verbetering van de beveiligingskenmerken van identiteitskaarten en verblijfsdocumenten zal het moeilijker maken voor criminelen om dergelijke documenten te misbruiken of te vervalsen om zich binnen de EU te verplaatsen of de buitengrenzen van de EU te overschrijden. Beter beveiligde identiteitsdocumenten zullen bijdragen tot een versterking van het beheer van de EU-buitengrenzen (ook wat het aanpakken van het probleem van terugkerende buitenlandse terroristische strijders en hun familieleden betreft). Tegelijkertijd zullen beter beveiligde en betrouwbaardere documenten het gemakkelijker maken voor EU-burgers om hun recht van vrij verkeer uit te oefenen.” Aldus het voorstel.

2.3.

In het Commissievoorstel, dat op een effectbeoordeling en openbare raadpleging is gebaseerd, worden voor nationale identiteitskaarten geldende minimumnormen inzake documentbeveiliging vastgesteld. Zo moeten met name een biometrische foto en vingerafdrukken worden opgeslagen op een chip in de identiteitskaart. Ook moeten de verblijfsdocumenten die aan mobiele EU-burgers worden afgegeven, bepaalde minimuminformatie bevatten en is er behoefte aan volledige harmonisatie van de verblijfskaarten van familieleden van buiten de EU. De Commissie verzoekt de medewetgevers het wetgevingsvoorstel onverwijld in behandeling te nemen teneinde zo spoedig mogelijk overeenstemming daarover te bereiken.

2.4.

Binnen deze ruime context moet het onderhavige voorstel voor een verordening worden bestudeerd en beoordeeld. De doelstellingen van dit voorstel zijn:

a)

verbetering en versterking van het grensbeheer aan de buitengrenzen;

b)

bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad en totstandbrenging van een echte veiligheidsunie;

c)

bevordering van de mobiliteit van EU-burgers die hun recht van vrij verkeer uitoefenen en hun identiteit moeten bewijzen ten behoeve van entiteiten uit de publieke en private sector wanneer zij hun recht uitoefenen om in een ander EU-land te verblijven;

d)

een krachtiger Europese reactie op reisdocumentfraude en een kleiner risico op vervalsing en documentfraude;

e)

preventie van misbruik en bedreigingen van de interne veiligheid als gevolg van gebreken in de beveiliging van documenten;

f)

voorkoming van reizen naar derde landen om deel te nemen aan terroristische activiteiten en ongestrafte terugkeer naar de EU.

2.5.

Om deze doelstellingen te verwezenlijken heeft de Commissie het onderhavige voorstel voor een verordening opgesteld, dat zij overeenkomstig artikel 21, lid 2, VWEU als het geschikte rechtsinstrument beschouwt en waarmee de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in acht worden genomen.

2.6.

Van de drie overwogen opties — handhaving van de status quo, ruime harmonisatie of invoering van een systeem voor het bepalen van minimumnormen voor de beveiliging van identiteitskaarten en gemeenschappelijke minimumeisen voor verblijfsdocumenten afgegeven aan EU-burgers en, in het geval van de verblijfskaarten voor familieleden van EU-burgers uit derde landen, het gebruik van het gemeenschappelijke uniforme model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen — werd deze laatste gekozen, omdat hiermee de grondrechten worden geëerbiedigd, met name de bescherming van persoonsgegevens en van de privacy.

2.7.

Het onderhavige voorstel zal nog vergezeld gaan van niet-bindende maatregelen (zoals bewustwordings- en opleidingsacties) voor een soepele uitvoering die op de specifieke situatie en behoeften van elke lidstaat is toegesneden, waaronder:

a)

een programma voor monitoring van de outputs, resultaten en effecten van deze verordening;

b)

rapportage door de lidstaten aan de Commissie binnen één jaar nadat de verordening van toepassing is geworden, en vervolgens jaarlijks, van informatie die van essentieel belang wordt geacht om het functioneren van deze verordening daadwerkelijk te kunnen monitoren;

c)

evaluatie door de Commissie, ten vroegste zes jaar nadat de verordening van toepassing is geworden, van het tot stand gekomen rechtskader op zijn effectiviteit, efficiëntie, relevantie, coherentie en toegevoegde waarde voor de EU, om ervoor te zorgen dat er voldoende gegevens beschikbaar zijn en dat er, middels raadplegingen van belanghebbenden, feedback wordt verzameld over de effecten van de wetswijzigingen en de ten uitvoer gelegde soft-lawmaatregelen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC is zeer te spreken over dit initiatief van de Commissie, waarvoor het in eerdere adviezen al had gepleit, en stemt in met de rechtsgrondslag, die bij de reikwijdte van het voorstel past, evenals met de keuze van het rechtsinstrument. Het beaamt dat het voorstel in overeenstemming is met het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel en met de grondrechten, en dringt er tevens op aan dat het met spoed wordt aangenomen.

3.2.

Het EESC staat ook achter het voorschrift dat de kaart een gezichtsopname van de houder en twee vingerafdrukken in een interoperabel formaat dient te bevatten, en achter de uitzonderingen daarop, en deelt de mening dat biometrische gegevens moeten worden gescheiden van alle andere gegevens die eventueel bij besluit van de lidstaten op deze kaarten zijn opgeslagen.

3.3.

Het EESC herinnert aan de conclusies van het Refit-programma en van de burgerraadplegingen, waaruit bleek dat het vrije verkeer in de Europese ruimte soms niet helemaal soepel verloopt, met name als gevolg van identiteitskaarten die door de autoriteiten niet als reisdocumenten worden erkend, verschillende geldigheidsperiodes die de erkenning door de lidstaten in de weg staan, en problemen die burgers ondervinden wanneer zij toegang willen tot goederen en diensten.

3.4.

Het EESC vindt echter dat de Commissie onvoldoende rekening heeft gehouden met deze conclusies; de lidstaten mogen immers nog steeds zelf kiezen of zij identiteitskaarten invoeren op hun nationale grondgebied, en ze mogen zelf het toepassingsgebied, de minimuminformatie en het type van deze kaarten bepalen.

3.5.

Het EESC wijst erop dat identiteitskaarten doorgaans fungeren als belangrijkste identiteitsbewijs van de houder, waarmee toegang kan worden verkregen tot financiële diensten (met name het openen van een bankrekening), sociale voorzieningen, gezondheidszorg, onderwijs en de uitoefening van wettelijke en politieke rechten.

3.6.

Net als het Europees Parlement, dat in zijn studie „The Legal and Political Context for setting a European Identity Document” tot dezelfde conclusie kwam, had het EESC ook graag gezien dat de Commissie de mogelijkheid had onderzocht om een Europese identiteitskaart in te voeren die de Europese burgers het recht geeft om uitsluitend op basis van deze kaart te stemmen, ook al zou daarvoor een andere rechtsgrondslag nodig zijn.

3.7.

Het EESC vreest ook dat de nalevingskosten die met de nieuwe kaarten gemoeid zijn in ondoorzichtige mate op de burgers zullen worden afgewenteld, wanneer de nationale overheden volledig de vrije hand krijgen. Het Comité acht het dan ook noodzakelijk dat de kosten die het onderhavige voorstel met zich meebrengt, vooraf worden beoordeeld om ervoor te zorgen dat zij passend en evenredig zijn.

3.8.

Het EESC wijst erop dat, volgens de effectbeoordeling van het onderhavige voorstel, veel lidstaten die identiteitskaarten afgeven nog niet toestaan dat er biometrische gegevens worden verkregen (Italië, Frankrijk, Roemenië, Kroatië, Tsjechische Republiek, Finland, Malta, Slowakije en Slovenië), en dat het daarom noodzakelijk is om de financiële en technologische impact van deze maatregelen op de burgers en de betreffende overheidsinstanties in kaart te brengen en te voorkomen.

3.9.

Voorts moet in dit voorstel duidelijk naar voren komen dat de identiteitskaart een rechtsgeldig instrument is dat de houder in staat stelt om in ongeacht welke lidstaat een aantal handelingen te verrichten, zoals zich vrij verplaatsen binnen het Schengengebied, goederen verwerven en diensten, met name financiële diensten, afnemen.

3.10.

Anderzijds wil het EESC ook wijzen op de problemen die zijn opgetreden in verband met verblijfsdocumenten, met name de overvloed aan documenten, en de weigering van toegang tot de lidstaten en van toegang tot fundamentele goederen en diensten — problemen waarvoor, zo vreest het Comité, dit voorstel geen oplossing kan bieden.

3.11.

Niettemin is het noodzakelijk dat het beginsel van minimale gegevensverwerking in acht wordt genomen en dat wordt gewaarborgd dat de doeleinden waarvoor biometrische gegevens worden verzameld duidelijk en transparant zijn en dat een legaal, welomlijnd en transparant doel wordt beoogd.

3.12.

Het EESC is van mening dat de Commissie haar keuze voor dit rechtsinstrument niet afdoende rechtvaardigt en betreurt dat zij niet uitlegt waarom zij niet met een voorstel is gekomen dat een ruimere harmonisatie van de wetgeving beoogt, zodat er een echt gemeenschappelijk systeem van identiteitsdocumenten ontstaat dat onmiskenbare voordelen biedt op het gebied van veiligheid, eenvoudige en snelle controles en eenvormige procedures, waar de burgers absoluut baat bij hebben, en betreurt dat de Commissie dit niet eens als doel voor de middellange termijn heeft aangemerkt. Dit is een optie die brede steun krijgt, zoals blijkt uit een werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2018) 111 final) (3): „Een meerderheid van EU-burgers die is geraadpleegd, steunde de ruimere harmonisatie van nationale identiteitskaarten (ID 2) en is voorstander van een algemene harmonisatie van verblijfsdocumenten (RES 3).”

3.13.

Het is onbegrijpelijk waarom er in het voorstel niet, net als in het geval van verblijfsdocumenten voor burgers van de Unie, wordt bepaald wat er op de kaarten moet worden vermeld, nl. datgene wat in de bijlage bij de effectbeoordeling van dit voorstel wordt genoemd: titel van het document, naam, geslacht, nationaliteit, geboortedatum, geboorteplaats en plaats van afgifte, handtekening en geldigheidsduur van het document.

3.14.

Het EESC onderstreept dat er strenger moet worden gecontroleerd op fraude, vooral in het vervoer, met name het vervoer door de lucht, over land en over zee, en dat de grensbewakingsdiensten over voldoende menselijke, logistieke en technische middelen moeten beschikken om ervoor te zorgen dat de documenten van alle lidstaten niet alleen worden erkend, maar ook beter worden gecontroleerd.

3.15.

Het is dan ook van fundamenteel belang dat de tenuitvoerlegging van dit voorstel wordt gemonitord en op de voet wordt gevolgd door de Commissie, om te waarborgen dat de documenten waarover dit voorstel gaat worden erkend als reisdocumenten en documenten die toegang verschaffen tot publieke en private diensten.

3.16.

Voorts is het EESC van oordeel dat ook andere, aanvullende elementen die de lidstaten in de identiteitskaarten hadden moeten opnemen, indien nodig in het voorstel aan de orde hadden kunnen komen, en dat het al dan niet opnemen of het gebruik ervan door de belanghebbenden zelf of door derden, voor zover mogelijk, gestandaardiseerd had kunnen worden.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1.

Artikel 1 — Gezien de reikwijdte van dit voorstel vindt het EESC dat onder „onderwerp” ook de minimale informatievereisten hadden moeten worden genoemd.

Wat duidelijk moet worden vermeld, is dat deze verordening in overeenstemming is met het beginsel van wettigheid, evenals met het beginsel van echtheid, waarachtigheid, ondubbelzinnigheid en bescherming van de identificatiegegevens van de burgers.

4.2.

Artikel 2 — Behalve het toepassingsgebied en onverminderd het bepaalde in Richtlijn 2004/38/EG zou in het voorstel ook moeten worden gedefinieerd wat onder „identiteitskaart van een staatsburger” wordt verstaan, om ervoor te zorgen dat het in alle lidstaten om hetzelfde document gaat.

4.3.

Artikel 3, lid 2 — Het EESC plaatst vraagtekens bij de eis dat de titel van het document „in ten minste één andere officiële taal” moet verschijnen, omdat dat niet adequaat en passend is om de erkenning van documenten aan de grens te vergemakkelijken.

4.4.

Artikel 3, lid 10 — Het EESC vindt dat de geldigheidsduur van deze documenten voor elke leeftijdsgroep eenvormig zou moeten worden vastgesteld in de verordening.

4.5.

Artikel 5 — De periode voor uitfasering van de kaarten zou drie jaar moeten zijn in plaats van vijf jaar.

4.6.

Artikel 6

4.6.1.

Op de verblijfsdocumenten zou ook het volgende moeten worden aangegeven:

naam van vader en naam van moeder,

nationaliteit,

geboorteplaats,

geslacht,

lengte,

kleur van ogen,

handtekening.

4.6.2.

Om er zeker van te zijn dat de identiteit van elk individu correct wordt vastgesteld, moeten de naam en voorna(a)m(en) van de kaarthouder voluit worden geschreven, in overeenstemming zijn met zijn of haar geboortecertificaat en correct worden gespeld.

4.7.

Artikel 8, lid 2 — De periode voor uitfasering van de kaarten zou drie jaar moeten zijn in plaats van vijf jaar.

4.8.

Artikel 10 — Onverminderd de toepassing van Verordening (EU) 2016/679 zou dit voorstel, volgens het EESC, specifieke regels moeten bevatten over het doel van de databank, de wijze van verzamelen en updaten, het mededelen en raadplegen van en de toegang tot gegevens, evenals het bewaren van persoonlijke gegevens.

4.9.

Artikel 12, lid 1 — De termijn voor het indienen van het verslag over de tenuitvoerlegging van deze verordening zou drie jaar moeten zijn in plaats van vier jaar, overeenkomstig overweging 21.

4.10.

Artikel 12, lid 2 — De termijn voor het indienen van het evaluatieverslag zou vijf jaar moeten zijn in plaats van zes jaar.

4.11.

Ook zou in de verordening moeten worden vastgelegd binnen welke termijn na de geboorte van een kind een identiteitskaart moet worden aangevraagd (bijvoorbeeld dertig dagen).

4.12.

In de verordening moet ook worden bepaald dat een publieke of private instantie die de identiteit van iemand controleert aan de hand van een geldige identiteitskaart, die kaart enkel mag innemen of bewaren voor zover dat nodig is met het oog op de veiligheid en verdediging van de lidstaat; de kaart mag evenmin worden gefotokopieerd of anderszins worden gereproduceerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de kaarthouder, tenzij een rechter hiertoe opdracht heeft gegeven, om voor de hand liggende redenen van veiligheid, preventie van fraude of onrechtmatig gebruik en met het oog op de bescherming van persoonsgegevens en privacy.

4.13.

Ook zouden de gegevens onmiddellijk moeten worden gewist in geval van verlies, diefstal of vervanging van de kaart, om frauduleus gebruik van officiële documenten te voorkomen.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  COM(2018) 211 final van 17.4.2018.

(2)  Andere maatregelen zijn: nieuwe instrumenten voor de verzameling van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures; vergemakkelijking van het gebruik van financiële informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van ernstige strafbare feiten; aangescherpte regels tegen precursoren voor explosieven die voor het vervaardigen van zelfgemaakte explosieven worden gebruikt; verbetering van de controles op de in- en uitvoer van vuurwapens ter voorkoming van illegale handel in vuurwapens; bestrijding van terroristische online-inhoud, interoperabiliteit van de informatiesystemen en betere informatie-uitwisseling; bescherming tegen chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico’s en bescherming van openbare ruimten; tegengaan van cybercriminaliteit en zorgen voor een betere cyberbeveiliging.

(3)  Samenvatting van de effectbeoordeling bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/84


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van regels ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten en tot intrekking van Besluit 2000/642/JBZ van de Raad

(COM(2018) 213 final — 2018/0105 (COD))

(2018/C 367/16)

Rapporteur:

Victor ALISTAR

Raadpleging

Europees Parlement, 28.5.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 87, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Besluit van het bureau

22.5.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

12.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

176/0/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) stelt vast dat EU-optreden op dit gebied meerwaarde beoogt te creëren door middel van een geharmoniseerde aanpak die de binnenlandse en grensoverschrijdende samenwerking bij financiële onderzoeken naar ernstige misdrijven en terrorisme versterkt. Bovendien zal een Europees optreden tot geharmoniseerde bepalingen leiden, met name op het gebied van gegevensbescherming, om de doeltreffendheid van een gemeenschappelijke ruimte van veiligheid en recht te waarborgen.

1.2.

Hiertoe moet het regelgevingskader voor financiële inlichtingeneenheden (FIE’s), dat is vastgesteld op grond van artikel 114, worden aangevuld met een rechtsinstrument dat is vastgesteld op grond van artikel 87, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Er is gekozen voor een koppeling van de toegang tot financiële gegevens, conform de vijfde richtlijn voor de bestrijding van het witwassen van geld (1), met mechanismen voor justitiële samenwerking tussen de lidstaten.

1.3.

De voorgestelde richtlijn is bedoeld om de capaciteit voor het onderzoek en de bestrijding van criminaliteit op het grondgebied van de Europese Unie te versterken door ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten directere toegang hebben tot financiële gegevens, teneinde de opbrengsten van misdrijven te vervolgen en patronen in de criminaliteit vast te stellen.

1.4.

De door de Commissie vastgestelde werkingssfeer heeft betrekking op het onderzoek naar en de vervolging van strafbare feiten in het kader van de mechanismen voor justitiële samenwerking en verwijst, wat de definitie van ernstige criminaliteit betreft, in artikel 2, onder l), naar artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2016/794 betreffende Europol (2). In dit verband acht het EESC het noodzakelijk dat er een nauwkeurigere en striktere lijst wordt opgesteld van strafbare feiten waarvoor dit mechanisme mag worden gebruikt.

1.5.

De Commissie moet er in haar voorstel voor een richtlijn in slagen een beter evenwicht te vinden tussen de in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgelegde grondrechten van personen en de noodzaak om te zorgen voor een betere handhaving van de wetgeving inzake de bestrijding van criminaliteit en de repressie daarvan, teneinde in de Unie een klimaat van veiligheid en rechtvaardigheid te waarborgen.

1.6.

Ter wille van het evenwicht tussen de toegang tot de financiële gegevens van de Europese burgers en het beginsel van de noodzaak tot kennisname moet de richtlijn uitsluitend worden beperkt tot het opsporen en bestrijden van strafbare feiten en mag zij in beginsel niet al te algemene preventieve doeleinden nastreven. Daarom wordt aanbevolen om de richtlijn te beperken tot naar behoren gemotiveerde gevallen.

1.7.

De centrale bankrekeningenregisters zouden kunnen worden aangevuld met financiële gegevens over de beleggingsrekeningen van beleggingsbeheerders op de kapitaalmarkt, aangezien dergelijke beleggingen ook behoren tot de huidige vormen van witwassen en verhulling van illegaal verkregen financiële producten. Het EESC verzoekt de Commissie tevens na te gaan of het mogelijk is de gegevens die zijn verzameld krachtens de vijfde antiwitwasrichtlijn (3), de voorgestelde richtlijn en de vierde richtlijn betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (4), aan elkaar te koppelen. Wat laatstgenoemde betreft: alleen voor het documenteren van ernstige strafbare feiten, uitsluitend om vast te stellen dat er verschillen bestaan tussen de gegevens die tijdens de onderzoeken worden verzameld en de beheerde informatie.

1.8.

Wat de technische regelgevingselementen betreft beveelt het EESC aan om artikel 17 aan te vullen met procedurele bepalingen over Europese regels inzake justitiële samenwerking en de uitwisseling van financiële informatie met derde landen.

1.9.

Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om de definities van artikel 2, onder f), „wetshandhavingsinformatie” en onder l) „ernstige strafbare feiten” te herzien om te zorgen voor duidelijkheid, voorspelbaarheid en evenredigheid van de regels tot vaststelling van mechanismen voor toegang tot financiële gegevens van burgers van de Unie.

1.10.

Voorts verzoekt het EESC de Commissie om het doel van de toegang tot gegevens in centrale nationale bankrekeningregisters te reguleren door deze te beperken tot strafbare feiten die de collectieve en individuele veiligheid van de Europese burgers bedreigen, namelijk terrorisme, mensenhandel en drugshandel, en deze toegang mogelijk te maken voor alle ernstige strafbare feiten in verband met de opsporing, onderzoek en vervolging van bepaalde strafbare feiten of de recuperatie van vermogensbestanddelen die het resultaat zijn van strafbare feiten.

2.   Achtergrond van het advies

2.1.

Criminele groepen, waaronder terroristen, zijn in verschillende lidstaten actief, en hun bezittingen, inclusief bankrekeningen, bevinden zich vaak over de hele EU of zelfs daarbuiten. Zij maken gebruik van moderne technologie om binnen enkele uren geld over te maken tussen meerdere bankrekeningen en in verschillende valuta’s.

2.2.

Het EESC stelt vast dat EU-optreden op dit gebied meerwaarde beoogt te creëren door middel van een geharmoniseerde aanpak die de binnenlandse en grensoverschrijdende samenwerking bij financiële onderzoeken naar ernstige misdrijven en terrorisme versterkt. Daarnaast leiden maatregelen op Unieniveau tot geharmoniseerde bepalingen, waaronder inzake gegevensbescherming, terwijl gelijke waarborgen op dat gebied moeilijk te realiseren zijn wanneer iedere lidstaat zijn eigen wetgeving vaststelt.

2.3.

Hoewel bij de vijfde antiwitwasrichtlijn (5) centrale nationale registers van bankrekeningen zijn ingesteld die de verwerkingscapaciteit en de efficiëntie van financiële inlichtingeneenheden (FIE’s) vergroten, is het noodzakelijk dat onderzoeken en vervolgingen doeltreffender worden en dat de bevoegde justitiële autoriteiten sneller toegang hebben tot financiële informatie. Hiertoe moet het regelgevingskader voor de FIE’s, dat is vastgesteld op grond van artikel 114, worden aangevuld met een rechtsinstrument dat is vastgesteld op grond van artikel 87, lid 2, VWEU.

2.4.

Op die manier krijgen de bevoegde autoriteiten rechtstreeks toegang tot de centrale nationale bankrekeningregisters, hetgeen het werk verlicht van justitiële, belasting- en corruptiebestrijdingsautoriteiten, die krachtens het nationale recht onderzoeksbevoegdheden hebben. Tot de bevoegde autoriteiten op dit gebied behoren ook de bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen die belast zijn met de opsporing en identificatie van criminele vermogensbestanddelen met het oog op de eventuele bevriezing of confiscatie ervan, om ervoor te zorgen dat criminelen van deze inkomsten worden beroofd.

2.5.

De door de Commissie vastgestelde werkingssfeer heeft betrekking op het onderzoek naar en de vervolging van strafbare feiten in het kader van de mechanismen voor justitiële samenwerking en verwijst, wat de definitie van ernstige criminaliteit betreft, in artikel 2, onder l), naar artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2016/794 betreffende Europol (6). In dit verband acht het EESC het noodzakelijk dat er een nauwkeurigere en striktere lijst wordt opgesteld van strafbare feiten waarvoor dit mechanisme mag worden gebruikt.

2.6.

Voorts wordt krachtens Verordening (EU) 2017/1939 (7) ook Europese openbare aanklagers toegang verleend tot de centrale nationale bankrekeningregisters. Deze machtiging zal tot gevolg hebben dat de capaciteit om fraudegevallen te onderzoeken die de financiële belangen van de Europese Unie schaden, wordt vergroot.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

Het EESC erkent het belang van instrumenten voor de samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten en is ingenomen met het initiatief van de Commissie, dat instrumenten creëert waarmee de bevoegde autoriteiten van de lidstaten sneller en directer toegang kunnen krijgen tot financiële gegevens in andere lidstaten.

3.2.

Dit voorgestelde richtlijn is bedoeld om de capaciteit voor het onderzoek en de bestrijding van criminaliteit op het grondgebied van de Europese Unie te versterken door ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten directere toegang hebben tot financiële gegevens, teneinde de opbrengsten van misdrijven te vervolgen en patronen in de criminaliteit vast te stellen.

3.3.

De Commissie moet er in haar voorstel voor een richtlijn in slagen een beter evenwicht te vinden tussen de in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgelegde grondrechten van personen en de noodzaak om te zorgen voor een betere handhaving van de wetgeving inzake de bestrijding van criminaliteit en de repressie daarvan.

3.4.

Zo dient het recht op eerbiediging en bescherming van het privéleven alleen te worden beperkt als een daartoe strekkende maatregel in verhouding staat tot het algemeen belang, dat wil zeggen het waarborgen van een klimaat van veiligheid en rechtvaardigheid op het gehele grondgebied van de EU.

3.5.

Ter wille van het evenwicht tussen de toegang tot de financiële gegevens van de Europese burgers en het beginsel van de noodzaak tot kennisname zou de richtlijn beperkt moeten worden tot het opsporen en bestrijden van strafbare feiten en mag zij in beginsel niet al te algemene preventieve doeleinden nastreven. Daarom wordt aanbevolen om de richtlijn te beperken tot naar behoren gemotiveerde gevallen.

3.6.

De toegang tot de financiële gegevens zou slechts mogen worden verleend aan de autoriteiten die bevoegd zijn om de strafbare feiten te onderzoeken en te vervolgen, alsmede, in naar behoren gemotiveerde gevallen, aan de instanties die bevoegd zijn om vermogen terug te vorderen, teneinde te voorkomen dat verzamelingen metadata worden gegenereerd en in bezit komen van nationale of Europese entiteiten die niet over specifieke opsporings- en onderzoeksbevoegdheden beschikken.

3.7.

De centrale bankrekeningenregisters zouden kunnen worden aangevuld met financiële gegevens over de beleggingsrekeningen van beleggingsbeheerders op de kapitaalmarkt, aangezien dergelijke beleggingen ook behoren tot de huidige vormen van witwassen en verhulling van illegaal verkregen financiële producten.

3.8.

Het richtlijnvoorstel zou moeten worden aangevuld met procedurele bepalingen over andere Europese wetgeving op het gebied van justitiële samenwerking en de uitwisseling van financiële informatie met derde landen, teneinde de volgende twee dwingende aspecten in acht te nemen: het vaststellen van algemene rechtsregels voor justitiële procedures met het oog op het geldig verkrijgen van bewijs als andere wetgevingsinstrumenten aanvullend worden gebruikt, en het ruimer ten uitvoer leggen van de doelstellingen van overheidsbeleid die in de toelichting en de ex-postanalyse van de Commissie uiteen zijn gezet.

3.9.

Het EESC heeft er met tevredenheid kennis van genomen dat het richtlijnvoorstel voorziet in zeer duidelijke bepalingen inzake de bescherming van de grondrechten, maar wijst erop dat die zich beperken tot de bescherming van de persoonsgegevens die in het kader van het gecreëerde instrument worden overgedragen en tot de toegang tot de centrale bankrekeningenregisters. Het ontbreekt aan specifieke regels ter bescherming van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven en aan procedurele waarborgen ten aanzien van de beperking van dat recht.

4.   Specifieke opmerkingen en aanbevelingen

4.1.

Om te waarborgen dat bij de toepassing van de in het richtlijnvoorstel voorziene samenwerkingsinstrumenten de beperking van de grondrechten ter bescherming van het privéleven legitiem en proportioneel blijft, moet in artikel 2, onder e), in de definitie van financiële informatie „voorkoming” als doeleinde worden geschrapt. Dit doet geen afbreuk aan de in de vijfde antiwitwasrichtlijn (8) vastgelegde definitie, die krachtens artikel 1, lid 2, onder a), van het richtlijnvoorstel ongewijzigd blijft. Hiermee wordt elk risico uitgesloten op schending van de bepalingen uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die de grondrechten betreffen.

4.2.

Gelet op de definitie van „ernstige strafbare feiten” in artikel 2, onder l), waarin wordt verwezen naar bijlage I bij Verordening (EU) 2016/794 betreffende Europol (9), in de geest van het richtlijnvoorstel en in het licht van de wetgeving inzake de toegang tot gegevens ter voorkoming van ernstige delicten lijkt de beoogde toegang niet in verhouding te staan tot de nagestreefde algemene doelstelling. Zo kan bijvoorbeeld toegang worden verleend tot de financiële gegevens van burgers ter voorkoming van strafbare feiten zoals dodelijke verkeersongevallen, racistische of xenofobe daden of afpersing.

4.3.

Het EESC beveelt aan om de definitie in artikel 2, onder l), als volgt te wijzigen: „„ernstige strafbare feiten”: de vormen van criminaliteit die verband houden met terrorisme, georganiseerde misdaad, handel in verdovende middelen, mensenhandel, corruptie, witwassen van geld, strafbare handelingen met nucleaire en radioactieve stoffen, migrantensmokkel, illegale handel in organen en weefsels, ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving, gijzeling, diefstal met of zonder geweld, illegale handel in kunstvoorwerpen, antiquiteiten en cultuurgoederen, handelingen die de financiële belangen van de Unie schaden, handel met voorkennis, manipulatie van financiële markten, racketeering, namaak, piraterij, valsemunterij, vervalsing van betaalmiddelen, handel in wapens, munitie en explosieven, het veroorzaken van milieuschade, waaronder verontreiniging vanaf schepen, seksueel misbruik, seksuele uitbuiting, waaronder materiaal dat seksueel misbruik van minderjarigen laat zien, ontucht met minderjarigen of kinderen, genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden”.

4.4.

In lijn hiermee en om het voorwerp van de wetgeving te verduidelijken en te zorgen voor samenhang met de genoemde doelstellingen van overheidsbeleid, zou de toegang tot de nationale centrale bankrekeningenregisters slechts mogen zijn toegestaan ter voorkoming van terroristische handelingen, handel in verdovende middelen of mensenhandel alsmede met het oog op identificatie, onderzoek, strafrechtelijke vervolging, bestraffing en schadevordering in het kader van voornoemde en alle andere strafbare feiten die in het richtlijnvoorstel zijn vermeld.

4.5.

Artikel 5 van het richtlijnvoorstel moet worden aangevuld met een nieuw lid 3 met bepalingen om de proportionaliteit en legitimiteit te waarborgen van de toegang van rechtshandhavingsautoriteiten tot gegevens, waaronder financiële, die het privéleven betreffen. In dit verband dient in deze nieuwe paragraaf 3 de verplichting te worden opgenomen dat verzoeken om toegang telkens per geval moeten worden beoordeeld, met als uitgangspunt dat een geval „naar behoren gemotiveerd” moet zijn, zodat als de gegevens in kwestie juridisch bewijsmateriaal worden, de toegang ertoe beantwoordt aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de verkrijging en het gebruik van bewijsstukken en in overeenstemming is met de fundamentele vrijheden en grondrechten, waaronder het recht op een eerlijk proces (hetgeen aansluit op de praktijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg), en de gegevens door de nationale rechterlijke instanties met succes kunnen worden benut om de gepleegde strafbare feiten te bestraffen.

4.6.

In dit opzicht is de bepaling uit de artikelen 7 en 8 van het richtlijnvoorstel dat bij de toegang tot de financiële gegevens van fysieke personen de nationale procedurele waarborgen in acht moeten worden genomen, onvoldoende, aangezien deze gegevens ook toegankelijk zijn voor organismen die niet over eigen onderzoeksbevoegdheden beschikken (evenals voor Europol, waarvan de toegang in artikel 10 is geregeld).

4.7.

Artikel 7, lid 1, van het richtlijnvoorstel moet in overeenstemming worden gebracht met de in paragraaf 4.1 gemaakte opmerkingen over artikel 2, onder e). Het EESC stelt dan ook voor om artikel 7, lid 1, als volgt te wijzigen: „[…] wanneer die financiële informatie of financiële analyse in het betrokken geval nodig is voor het voorkomen van ernstige strafbare feiten die verband houden met terrorisme, mensenhandel en handel in verdovende middelen, alsmede voor het opsporen, onderzoeken of vervolgen van deze en alle andere ernstige strafbare feiten.” Met het oog op de samenhang en harmonie van het richtlijnvoorstel zou artikel 7, lid 2, dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

4.8.

Het EESC is ermee ingenomen dat de Commissie in artikel 9, lid 4, van het richtlijnvoorstel bepaalt dat in geval van een technische storing van het FIU.net de alternatieve middelen voor de verzending van de financiële informatie moeten beantwoorden aan dezelfde beveiligingsvoorwaarden als die voor FIU.net gelden. Als de omstandigheden daarom vragen, zou, net als bij FIU.net, met deze alternatieve middelen ook op zodanige wijze een schriftelijke melding moeten kunnen worden gegenereerd dat de echtheid kan worden geverifieerd.

4.9.

Ten aanzien van artikel 10, dat het recht van toegang van Europol regelt parallel aan de toegang van de in artikel 3 bedoelde bevoegde autoriteiten, verzoekt het EESC om dit recht te definiëren op basis van de eigen onderzoeksbevoegdheden van dit agentschap en in dit verband te voorzien in de nodige garanties ten aanzien van de analyse van metadata.

Brussel, 12 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43).

(2)  Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).

(3)  Zie voetnoot nr. 1.

(4)  Richtlijn (EU) 2016/881 van de Raad van 25 mei 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 146 van 3.6.2016, blz. 8).

(5)  Zie voetnoot 1.

(6)  Zie voetnoot 2.

(7)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(8)  Zie voetnoot 1.

(9)  Zie voetnoot 2.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/88


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees bevel tot verstrekking en het Europees bevel tot bewaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken

(COM(2018) 225 final — 2018/0108(COD))

en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de bewijsgaring in strafprocedures

(COM(2018) 226 final — 2018/0107(COD))

(2018/C 367/17)

Algemeen rapporteur:

Christian BÄUMLER

Raadpleging

Europees Parlement, 31.5.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 82, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Besluit van het bureau

22.5.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

12.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

157/2/0

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) beschouwt het toenemend gebruik van informatiediensten als een uitdaging voor de rechtshandhaving. Het schort nog steeds aan betrouwbare samenwerking met dienstverleners en aan transparantie; en er heerst rechtsonzekerheid met betrekking tot de bevoegdheid voor onderzoeksmaatregelen.

1.2.

Het EESC juicht het toe dat het voorstel voor een verordening voor Europese verstrekkings- en bewaringsbevelen voor elektronisch bewijsmateriaal bindende Europese instrumenten invoert voor de veiligstelling van en de toegang tot gegevens.

1.3.

Het EESC is ermee ingenomen dat het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel onderzoeksmaatregelen zijn die alleen kunnen worden genomen in het kader van strafrechtelijk onderzoek of een strafprocedure voor concrete strafbare feiten.

1.4.

Het is volgens het EESC een goede zaak dat het Europese verstrekkingsbevel alleen van toepassing zal zijn op zwaardere strafbare feiten. Het EESC geeft in overweging dat deze doelstelling eerder wordt bereikt met een minimumstraf van drie maanden dan met een maximale straf van drie jaar.

1.5.

Benadrukt zij dat de verordening de grondrechten en beginselen in acht moet nemen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in de grondwetten van de lidstaten zijn erkend.

1.6.

Vragen over de voorwaarden voor toegang tot gegevens in strafprocedures en wie daarover moet beslissen, worden op nationaal niveau vaak verschillend beantwoord. Het EESC pleit voor de ontwikkeling van uniforme normen in Europa voor de voorwaarden voor gegevenstoegang.

1.7.

Het EESC vindt het een goede zaak dat een justitiële autoriteit van een lidstaat beide bevelen uitvaardigt of bevestigt. Het EESC acht het echter problematisch dat een bevel tot verstrekking van abonnee- of toegangsgegevens ook kan worden uitgevaardigd door een openbare aanklager en pleit ervoor om de rechterlijke toestemming uit te breiden tot het verzamelen van alle persoonsgegevens.

1.8.

Evenals de Commissie beschouwt het EESC het als een probleem dat derde landen EU-dienstverleners verplichtingen kunnen opleggen die niet stroken met de grondrechten van de EU. Het is positief dat het voorstel sterke garanties bevat en expliciet verwijst naar de voorwaarden en garanties die reeds inherent aan het EU-acquis zijn.

1.9.

Het EESC steunt de in het Commissievoorstel voorziene mogelijkheid dat de adressaat de rechtmatigheid, noodzaak of evenredigheid van een verstrekkingsbevel kan aanvechten en dat de uitvaardigende staat de immuniteiten en voorrechten die in de lidstaat van de dienstverlener voor de bescherming van de gevraagde gegevens gelden, moet eerbiedigen.

1.10.

Het EESC kan zich erin vinden dat het Commissievoorstel dienstverleners ertoe verplicht een vertegenwoordiger in de Unie aan te wijzen om beslissingen inzake bewijsverkrijging te ontvangen, na te leven en ten uitvoer te leggen.

1.11.

Volgens het EESC moeten dienstverleners in alle gevallen recht op vergoeding van kosten hebben indien het recht van de uitvaardigende staat daarin voorziet.

2.   Achtergrond van het voorstel

2.1.

Meer dan de helft van alle strafrechtelijke onderzoeken omvatten tegenwoordig een grensoverschrijdend verzoek om toegang tot elektronisch bewijsmateriaal zoals teksten, e-mails of berichten-apps. De Commissie stelt daarom nieuwe regels voor om de politiële en justitiële autoriteiten gemakkelijker en sneller toegang te geven tot het elektronische bewijsmateriaal dat zij nodig achten voor onderzoeken met het oog op de arrestatie en veroordeling van criminelen en terroristen.

2.2.

In 2016 riep de Raad (1) op tot concrete maatregelen op basis van een gemeenschappelijke EU-aanpak om de wederzijdse rechtshulp doeltreffender te maken, de samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten en dienstverleners in derde landen te verbeteren en oplossingen voor te stellen met betrekking tot de vaststelling van de rechtsbevoegdheid voor onderzoek en vervolging in de cyberruimte.

2.3.

Ook het Europees Parlement (2) wees op de problemen die het thans gefragmenteerde rechtskader kan opleveren voor dienstverleners die trachten te voldoen aan verzoeken inzake rechtshandhaving. Het Parlement riep op tot de invoering van een Europees rechtskader, dat ook waarborgen bevat voor de rechten en vrijheden van alle betrokken partijen.

2.4.

Met het oog op situaties waar ofwel het bewijs ofwel de dienstverlener zich in een ander land bevindt, werden enkele tientallen jaren geleden mechanismen voor samenwerking tussen landen ontwikkeld. Ondanks regelmatige hervormingen staan deze samenwerkingsmechanismen onder toenemende druk als gevolg van de groeiende behoefte aan snelle grensoverschrijdende toegang tot elektronisch bewijs. In reactie daarop heeft een aantal lidstaten en derde landen besloten om zijn nationale instrumenten uit te breiden. Volgens het EESC leidt de fragmentatie die daarvan het gevolg is tot rechtsonzekerheid en tegenstrijdige verplichtingen en roept vragen op over de bescherming van grondrechten en procedurele waarborgen voor personen op wie dergelijke verzoeken betrekking hebben.

2.5.

Het EESC beschouwt het toenemende gebruik van informatiediensten als een probleem voor rechtshandhavingsautoriteiten, omdat de bevoegde autoriteiten vaak slecht zijn uitgerust om met onlinebewijsmateriaal om te gaan. Het langdurige proces voor het verkrijgen van bewijs wordt als een van de voornaamste hindernissen gezien. Het schort nog steeds aan betrouwbare samenwerking met dienstverleners en aan transparantie; en er heerst rechtsonzekerheid met betrekking tot de bevoegdheid voor onderzoeksmaatregelen. Het EESC is voorstander van rechtstreekse grensoverschrijdende samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties en aanbieders van digitale diensten in strafrechtelijke onderzoeken.

2.6.

Het huidige EU-rechtskader bestaat uit Unie-samenwerkingsinstrumenten op het gebied van strafzaken, zoals Richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (3) (de EOB-richtlijn), de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (4), Besluit 2002/187/JBZ van de Raad betreffende de oprichting van Eurojust (5), Verordening (EU) 2016/794 betreffende Europol (6) en Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams (7), alsook uit bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en derde landen.

3.   Bewarings- en verstrekkingsbevelen

3.1.

Het EESC juicht het toe dat het voorstel voor een verordening voor Europese verstrekkings- en bewaringsbevelen voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken (COM(2018) 225) bindende Europese instrumenten invoert voor de veiligstelling van en de toegang tot gegevens. Adressaten zijn aanbieders van elektronische communicatiediensten, sociale netwerken, onlinemarktplaatsen, aanbieders van hostingdiensten en aanbieders van internetinfrastructuur zoals registers van IP-adressen en domeinnamen.

3.2.

De EOB-richtlijn heeft betrekking op alle grensoverschrijdende onderzoeken in de EU. Ook toegang tot elektronisch bewijsmateriaal valt eronder, maar de EOB-richtlijn bevat geen specifieke bepalingen over de grensoverschrijdende verzameling van elektronisch bewijsmateriaal. Het EESC juicht het daarom toe dat de Commissie nieuwe regels voorstelt om de politiële en justitiële autoriteiten gemakkelijker en sneller toegang te geven tot elektronische bewijsmateriaal.

3.3.

Het EESC is ermee ingenomen dat het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel onderzoeksmaatregelen zijn die alleen kunnen worden genomen in het kader van strafrechtelijk onderzoek of een strafprocedure voor concrete strafbare feiten. De link met een concreet onderzoek onderscheidt deze maatregelen van in de wetgeving omschreven preventieve maatregelen of verplichtingen tot bewaring van gegevens en waarborgt de toepassing van de procedurele rechten die in strafprocedures gelden.

3.4.

Het EESC neemt er nota van dat bevelen om abonnee- en toegangsgegevens te verstrekken voor elk strafbaar feit kunnen worden uitgevaardigd, terwijl het bevel om transactie- of inhoudelijke gegevens te verstrekken slechts kan worden uitgevaardigd voor feiten waarop in de uitvaardigende staat een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaar staat, of voor specifieke delicten die in het voorstel worden genoemd en waarbij sprake is van een specifiek verband met elektronische instrumenten, en strafbare feiten waarop Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding van toepassing is. De vermelding van de maximale straf van drie jaar moet ervoor zorgen dat het Europees verstrekkingsbevel voor dergelijke gegevens alleen zal worden gebruikt voor meer ernstige vormen van criminaliteit. Het EESC geeft in overweging dat deze door het EESC onderschreven doelstelling eerder wordt bereikt met een minimumstraf van drie maanden.

3.5.

De rechtsgrondslag voor de ondersteuning van maatregelen op het gebied van justitie is artikel 82, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Artikel 82, lid 1, bepaalt dat volgens de gewone wetgevingsprocedure, maatregelen kunnen worden vastgesteld die ertoe strekken regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden.

3.6.

De nieuwe instrumenten bouwen voort op deze beginselen van wederzijdse erkenning om de grensoverschrijdende verzameling van elektronisch bewijsmateriaal te vergemakkelijken. Een autoriteit in het land waar de adressaat van het bevel zich bevindt, hoeft niet rechtstreeks bij de kennisgeving of betekening en uitvoering van het bevel te worden betrokken. Het EESC wijst erop dat dit kan betekenen dat een autoriteit van een andere lidstaat volgens de regels van die lidstaat toegang krijgt tot gegevens van een EU-burger.

3.7.

Benadrukt zij dat de verordening de grondrechten en beginselen in acht moet nemen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in de grondwetten van de lidstaten zijn erkend. Het gaat onder meer om het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging, het legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel, en het recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde strafbare feit te worden berecht of gestraft. Het EESC wijst erop dat de bescherming van deze rechten ook afhangt van de voorwaarden waaronder op deze rechten inbreuk mag worden gemaakt en van de vraag wie daarover moet beslissen.

3.8.

Vragen over de voorwaarden voor toegang tot gegevens in strafprocedures en wie daarover moet beslissen, worden op nationaal niveau vaak verschillend beantwoord. De politie, het parket of een rechtbank kunnen bevoegd zijn voor de toegang tot de gegevens. Verschillen bestaan ook met betrekking tot de vraag in welk stadium van een onderzoeksprocedure en bij welke mate van verdenking toegang tot gegevens wettelijk is toegestaan. Het EESC zou graag zien dat er in heel Europa uniforme normen worden ontwikkeld voor het moment waarop toegang tot gegevens toegestaan is.

3.9.

Het EESC vindt het een goede zaak dat een justitiële autoriteit van een lidstaat beide bevelen uitvaardigt of bevestigt. Bij de uitvaardiging van een Europees verstrekkings- of bewaringsbevel moet altijd een justitiële autoriteit zijn betrokken, hetzij als uitvaardigende, hetzij als bekrachtigende autoriteit. Voor bevelen tot het verstrekken van transactie- of inhoudelijke gegevens is de tussenkomst van een rechter of rechtbank vereist. Het voorstel van de Commissie zou het algemene niveau van rechtsbescherming in Europa verhogen.

3.10.

Het EESC acht het echter problematisch dat een verstrekkingsbevel voor abonnee- of toegangsgegevens ook door een openbare aanklager kan worden uitgevaardigd, aangezien abonnee- en toegangsgegevens ook persoonsgegevens zijn en rechtsbescherming achteraf moeilijk is wanneer gegevens vanuit een andere lidstaat worden opgevraagd. Het EESC is er voorstander van om de rechterlijke toestemming uit te breiden tot het verzamelen van alle persoonsgegevens.

3.11.

Het EESC onderschrijft de in het Commissievoorstel voorziene mogelijkheid voor de adressaat om de rechtmatigheid, noodzaak of evenredigheid van een verstrekkingsbevel aan te vechten. De rechten uit hoofde van het recht van de staat waar het bevel ten uitvoer wordt gelegd, worden volgens het Commissievoorstel volledig geëerbiedigd door de garantie dat de immuniteiten en voorrechten die in de lidstaat van de dienstverlener voor de bescherming van de gevraagde gegevens gelden, door de uitvaardigende staat in aanmerking moeten worden genomen. Dit is volgens het voorstel met name van belang wanneer zij een hoger niveau van bescherming bieden dan de wetgeving van de uitvaardigende staat.

3.12.

Het EESC merkt op dat het bevel ook van invloed is op de rechten van dienstverleners, met name op de vrijheid van ondernemerschap. Het EESC juicht het toe dat het voorstel de dienstverlener het recht verleent om in de uitvaardigende lidstaat bepaalde vorderingen in te stellen, bijvoorbeeld wanneer het bevel niet door een justitiële autoriteit is uitgevaardigd of bekrachtigd. Wanneer het bevel voor tenuitvoerlegging is doorgegeven aan de tenuitvoerleggingsstaat, kan de tenuitvoerleggingsautoriteit besluiten om het bevel niet te erkennen of ten uitvoer te leggen wanneer zich een van de toelaatbare gronden voor bezwaar voordoet, zij het dat eerst de uitvaardigende autoriteit moet worden geraadpleegd.

3.13.

Het Commissievoorstel bepaalt dat dienstverleners ook vergoeding van hun kosten kunnen vorderen van de uitvaardigende staat conform het nationale recht van die staat, wanneer dat recht in vergelijkbare binnenlandse gevallen ten aanzien van binnenlandse bevelen daarin voorziet. Volgens het EESC moeten dienstverleners in alle gevallen recht op vergoeding van kosten hebben indien het recht van de uitvaardigende staat daarin voorziet.

4.   Tegenstrijdige verplichtingen

4.1.

Evenals de Commissie beschouwt het EESC het als een probleem dat derde landen EU-dienstverleners verplichtingen kunnen opleggen die niet stroken met de grondrechten van de EU, waaronder het hoge niveau van gegevensbescherming dat het EU-acquis waarborgt.

4.2.

In het voorstel wordt deze kwestie aangepakt door te zorgen voor een maatregel die krachtige waarborgen bevat en die expliciet verwijst naar de voorwaarden en garanties die reeds inherent aan het EU-acquis zijn. Het EESC deelt de mening van de Commissie dat dit als model voor buitenlandse wetgeving zou kunnen dienen.

4.3.

Het EESC staat achter de in het voorstel gedane suggestie om een specifieke clausule op te nemen inzake „tegenstrijdige verplichtingen”, op grond waarvan dienstverleners kunnen vaststellen of er tegenstrijdige verplichtingen zijn en deze aan de orde kunnen stellen, en zo een toetsing door de rechter in gang kunnen zetten. Deze clausule moet ervoor zorgen dat twee types wetgeving worden nageleefd: algemene blokkeringswetten, zoals de Amerikaanse Electronic Communications Privacy Act (hierna „ECPA” genoemd), die openbaarmaking in verband met inhoudelijke gegevens, behoudens een beperkt aantal uitzonderingen, binnen zijn geografische werkingssfeer verbiedt, en wetten die openbaarmaking niet in het algemeen, maar in individuele gevallen verbieden.

4.4.

Het EESC is het met de Commissie eens dat internationale overeenkomsten met andere belangrijke partners het aantal situaties waarin sprake is van tegenstrijdige wetgeving, verder kunnen verkleinen. Dit is waarschijnlijk de beste manier om conflicten te vermijden.

5.   Richtlijn inzake de aanwijzing van vertegenwoordigers

5.1.

Het Commissievoorstel inzake Europese bevelen voor verstrekking en bewaring zal worden aangevuld met een richtlijn tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van wettelijke vertegenwoordigers in strafprocedures (COM(2018) 226). lidstaten hebben momenteel verschillende benaderingen met betrekking tot de verplichtingen die worden opgelegd aan dienstverleners. Deze versnippering doet zich met name voor in het geval van elektronisch bewijsmateriaal. Dit creëert rechtsonzekerheid voor de betrokkenen en kan ertoe leiden dat dienstverleners te maken krijgen met verschillende en soms tegenstrijdige verplichtingen en sanctieregelingen, afhankelijk van of zij hun diensten nationaal, grensoverschrijdend binnen de Europese Unie of van buiten de Unie verrichten.

5.2.

De door de Commissie voorgestelde richtlijn voert een verplichting in voor dienstverleners om een wettelijke vertegenwoordiger in de Unie aan te wijzen voor de ontvangst, de naleving en de tenuitvoerlegging van beslissingen met het oog op de bewijsgaring door bevoegde nationale autoriteiten in strafzaken.

5.3.

Volgens het EESC zou deze regeling zorgen voor een betere werking van de interne markt op een wijze die strookt met de ontwikkeling van een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. De verplichting voor alle dienstverleners die actief zijn in de Europese Unie om een wettelijke vertegenwoordiger aan te wijzen, zou ervoor zorgen dat er altijd een duidelijke adressaat voor onderzoeksmaatregelen is. Hierdoor zou het voor dienstverleners gemakkelijker worden om aan deze bevelen te voldoen, omdat de wettelijke vertegenwoordiger namens de dienstverlener verantwoordelijk zou zijn voor de ontvangst, de naleving en de tenuitvoerlegging van deze bevelen.

Brussel, 12 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Conclusies van de Raad van de Europese Unie van 9 juni 2016 inzake de verbetering van de strafrechtspraak in de cyberruimte, ST9579/16.

(2)  P8_TA(2017)0366.

(3)  Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1).

(4)  Akte van de Raad van 29 mei 2000 tot vaststelling, overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie.

(5)  Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken

(6)  Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol).

(7)  Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad van 13 juni 2002.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/93


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (herschikking)

(COM(2018) 144 final — 2018/0070 (COD))

(2018/C 367/18)

Rapporteur:

Brian CURTIS

Raadpleging door de Raad

Raadpleging door het Europees Parlement

13.4.2018

16.4.2018

Rechtsgrondslag

Artikelen 192, lid 1, en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Besluit van het bureau

19.9.2017 (in afwachting van de raadpleging)

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de afdeling

26.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

12.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

157/0/4

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de verordening inzake persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s) te herschikken teneinde de EU in staat te stellen haar verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Stockholm op coherente en doeltreffende wijze na te komen.

1.2.

Het EESC wijst erop dat er in de EU reeds een eind is gemaakt aan het op de markt brengen en het gebruik van de meeste POP’s. Gelet op de buitengewoon schadelijke gevolgen van POP’s voor mensen en het milieu moet de vervaardiging van dergelijke stoffen niettemin worden verboden en moeten de vrijstellingen worden beperkt tot specifieke toepassingen. Daarom dringt het EESC er bij de Commissie op aan om strengere controlemaatregelen vast te stellen, in overeenstemming met de voorzorgsbenadering en de Verklaring van Rio over milieu en ontwikkeling.

1.3.

Het EESC stemt in met het voorstel om taken van de Commissie over te hevelen naar het ECHA, teneinde een geschikter kader te scheppen voor het verlenen van administratieve, wetenschappelijke en technische ondersteuning met het oog op de uitvoering van die taken. Het wijst er echter op dat er een solide werkmethode moet komen, waarbij de Commissie, het ECHA, de lidstaten en belanghebbenden worden betrokken.

1.4.

Het EESC beveelt aan om op de juiste wijze en in beperkte mate gebruik te maken van gedelegeerde handelingen om een open dialoog met alle belanghebbenden te kunnen voeren, met bijzondere aandacht voor publieke bewustmaking en transparantie.

1.5.

Het Comité zou graag zien dat de EU wereldwijd een voortrekkersrol speelt in de bestrijding van POP’s. Het EU-optreden moet toegespitst zijn op harmonisatie van de nationale strategieën en wetgeving voor de monitoring en controle van POP’s. Het Comité is met name van mening dat de EU duurzaamheid en de handhaving van POP-bepalingen in bilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten moet bevorderen.

1.6.

Het EESC steunt het voorstel om op EU-niveau een brede bewustmakingscampagne over POP’s te organiseren in het kader van duurzame ontwikkeling. Volgens hem kan een open databank inzake POP’s voor bedrijven en consumenten een nuttig instrument zijn.

1.7.

Het EESC dringt erop aan opleidingscursussen over POP’s verplicht en beschikbaar te maken voor alle Europese werknemers wier baan direct of indirect met deze stoffen verband houdt. Het pleit met name voor harmonisatie van de initiatieven op het gebied van onderwijs en opleiding, die als onderdeel van dezelfde strategie moeten worden beschouwd, aansluitend bij een benadering van levenslang leren.

2.   Inleiding

2.1.

Persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s) zijn organische verbindingen die bestand zijn tegen afbraak in het milieu door chemische, biologische of fotolytische processen. Gezien hun persistentie bioaccumuleren POP’s en hebben zij mogelijk schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en het milieu. Veel POP’s werden en worden momenteel nog altijd gebruikt als pesticiden, oplosmiddelen, farmaceutische producten of industriële chemicaliën. Hoewel sommige POP’s in de natuur voorkomen, bijvoorbeeld in vulkanen of ten gevolge van verschillende biosynthetische processen, worden de meeste door de mens gemaakt via totaalsynthese.

2.2.

Het effect van POP’s op de gezondheid van de mens en het milieu is in 2001 door de internationale gemeenschap besproken tijdens de conferentie van Stockholm over persistente organische verontreinigende stoffen (1). Het Verdrag van Stockholm, dat door 180 partijen is geratificeerd en gebaseerd is op het voorzorgsbeginsel, is een wereldwijd verdrag dat een wettelijk kader biedt om de productie, het gebruik, de invoer en de uitvoer van POP’s tegen te gaan. Het verdrag en de daarin opgenomen lijst van twaalf elementen (waaronder DDT) zijn in 2005 door de EU ondertekend.

2.3.

De Europese Unie heeft zich ertoe verbonden maatregelen in te voeren om het vrijkomen van POP’s in het milieu te beperken teneinde de blootstelling van mens en dier te verminderen. De EU heeft zich zeer actief ingezet om nieuwe stoffen in het kader van het verdrag aan te wijzen (2). Verordening (EG) nr. 850/2004 (of „de POP-verordening”) is het rechtsinstrument waarmee de verbintenis van de EU en haar leden in het kader van het verdrag ten uitvoer wordt gelegd.

2.4.

Een tweede verdrag, het Protocol van Aarhus inzake persistente organische verontreinigende stoffen (laatst gewijzigd in 2009), heeft betrekking op grensoverschrijdende luchtvervuiling door verontreinigende stoffen over grote afstand. Met dit protocol is de productie van bepaalde verontreinigende stoffen onmiddellijk verboden en is er voor andere verontreinigende stoffen een termijn vastgesteld om ze uit te bannen. Momenteel komen er 22 stoffen voor op de lijst van dit protocol.

3.   Samenvatting van het voorstel

3.1.

Het voorstel van de Commissie beoogt een herschikking van de POP-verordening. Dit initiatief verandert niets aan de huidige wetgeving wat betreft beginselen (voorzorgsbeginsel) en doelstellingen (bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid), maar komt veeleer tegemoet aan de behoefte aan volledige aanpassing van de wetgeving en betere tenuitvoerlegging.

3.2.

Met het voorstel wordt met name ingespeeld op de volgende uitdagingen:

afstemming van de POP-verordening, die verwijst naar Richtlijn 67/548/EEG en Richtlijn 75/442/EEG, op Verordening (EG) nr. 1907/2006, Verordening (EG) nr. 1272/2008 en Richtlijn 2008/98/EG. Meer in het bijzonder verwijst de POP-verordening naar een regelgevend comité dat niet langer bestaat (3) en moet zij worden aangepast aan het Verdrag van Lissabon (VWEU). Voorts moet ook worden gespecificeerd welke regels onder uitvoeringshandelingen vallen en welke voorwaarden van toepassing zijn op de vaststelling van gedelegeerde handelingen;

overdracht van taken van de Commissie aan het ECHA (4) om een geschikter kader te scheppen voor het verlenen van administratieve, wetenschappelijke en technische ondersteuning met het oog op de uitvoering van die taken. Ook wordt voorgesteld de handhaving van de POP-verordening door de lidstaten te ondersteunen door een coördinerende rol toe te kennen aan het Forum voor de uitwisseling van handhavingsinformatie, dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad („REACH”) (5);

opname van technische wijzigingen in de uitvoeringsbepalingen, zoals verduidelijking van bestaande definities en toevoeging van de definities van „vervaardiging”, „gebruik” en „tussenproduct in een tot de locatie beperkt gesloten systeem” om de huidige procedures te verbeteren en te vereenvoudigen.

3.3.

In het voorstel wordt bijzondere aandacht besteed aan transparantie en publieke toegang tot informatie. Er moeten bewustmakingsprogramma’s over POP’s worden bevorderd en gefaciliteerd, met name voor kwetsbare groepen, alsook opleidingen voor werknemers, wetenschappers, opvoeders en technisch en managementpersoneel. Voorts moet het publiek de mogelijkheid krijgen om deel te nemen aan het opstellen, uitvoeren en actualiseren van uitvoeringsplannen op nationaal niveau.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.

Het EESC is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de POP-verordening te herschikken teneinde de EU in staat te stellen haar verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Stockholm op coherente en doeltreffende wijze na te komen. Dergelijke maatregelen zijn van fundamenteel belang om een gemeenschappelijk rechtskader tot stand te brengen waarbinnen maatregelen kunnen worden genomen om de vervaardiging, het op de markt brengen en het gebruik van opzettelijk geproduceerde POP’s tegen te gaan, om jaarlijkse controles in te voeren die door de afzonderlijke lidstaten worden verricht, en om vergelijkbare gegevens op te stellen voor de EU.

4.2.

Het EESC wijst erop dat er in de EU reeds een eind is gemaakt aan het op de markt brengen en het gebruik van de meeste POP’s. Om het vrijkomen van POP’s tot een minimum te beperken, moet de vervaardiging van dergelijke stoffen niettemin worden verboden en moeten de vrijstellingen worden beperkt tot stoffen die bij een specifieke toepassing een essentiële functie hebben. Daarom dringt het EESC er bij de Commissie op aan om strengere controlemaatregelen vast te stellen dan die uit hoofde van het Verdrag van Stockholm, in overeenstemming met de voorzorgsbenadering inzake milieubescherming, zoals vastgelegd in de Verklaring van Rio over milieu en ontwikkeling (6).

4.3.

Het EESC is zich ervan bewust dat het besluit van de Commissie om formele raadplegingen van belanghebbenden en lidstaten achterwege te laten, is ingegeven door een algemene geconsolideerde overeenkomst met alle publieke en particuliere belanghebbenden over de maatregelen die moeten worden genomen om de POP-verordening te herschikken. Niettemin beveelt het EESC de Commissie aan om bij de volgende uitvoeringsfasen een doeltreffende en inclusieve aanpak te hanteren.

4.4.

Het EESC stemt in met het voorstel om taken van de Commissie over te hevelen naar het ECHA, teneinde een geschikter kader te scheppen voor het verlenen van administratieve, wetenschappelijke en technische ondersteuning met het oog op de uitvoering van die taken. Het Comité wijst er echter op dat er een solide werkmethode moet komen, waarbij de Commissie, het ECHA en de lidstaten worden betrokken, om te zorgen voor doeltreffende samenwerking en betere resultaten. Een hoeksteen van dit nieuwe werkkader zou de raadpleging van belanghebbenden moeten zijn.

4.5.

Volgens het EESC zijn sommige aspecten van de herschikking volledig technisch van aard. Net als in eerdere adviezen (7) beschouwt het Comité POP’s als een ernstige bedreiging voor het milieu en de volksgezondheid. Het EESC beveelt dan ook aan om (waar dat strikt noodzakelijk is) op de juiste wijze en in beperkte mate gebruik te maken van gedelegeerde handelingen om een open dialoog met alle belanghebbenden te kunnen voeren, met bijzondere aandacht voor publieke bewustmaking en transparantie.

5.   Bijzondere opmerkingen

5.1.

Het Comité dringt er bij de Commissie op aan om nauwkeuriger te omschrijven op welke wijze de lidstaten bij het opstellen, uitvoeren en actualiseren van de nationale uitvoeringsplannen de burgers mogelijkheden tot participatie moeten bieden. Het EESC is met name van mening dat de participatiemethoden duidelijk en gemeenschappelijk moeten zijn voor alle lidstaten. Het is ervan overtuigd dat het maatschappelijk middenveld zelf, meer dan individuele personen, een belangrijke rol kan spelen. Bovendien is het niet duidelijk of en hoe deze initiatieven financiële steun van de Commissie zullen ontvangen en hoe deze belangrijke kans onder de aandacht zal worden gebracht.

5.2.

POP’s vormen een mondiale bedreiging. Momenteel is de harmonisatie van de nationale strategieën en wetgeving voor de monitoring en controle van POP’s de belangrijkste uitdaging op mondiaal niveau. Daarom steunt het EESC het voorstel van de Commissie voor een proactievere rol van de EU ten opzichte van derde landen bij de aanpak van POP-emissies.

5.3.

Niettemin is het EESC van mening dat „uitwisseling van informatie” (8) met derde landen die geen partij zijn bij het Verdrag van Stockholm, of „tijdige technische bijstand op verzoek en binnen de grenzen van de beschikbare middelen” (9) voor de tenuitvoerlegging van het verdrag nog te vaag zijn om POP’s uit te bannen. Het EESC is met name van mening dat de EU duurzaamheid en de handhaving van POP-bepalingen in bilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten moet bevorderen (10). Zelfs internationale bemiddelingsinstanties, zoals het bij het Verdrag van Minamata ingestelde Comité uitvoering en naleving, zouden in dit verband een belangrijk referentiepunt kunnen zijn (11). Het EESC is er stellig van overtuigd dat de EU een voortrekkersrol kan spelen op het gebied van duurzame innovatie.

5.4.

Het EESC steunt het voorstel om op EU-niveau een brede bewustmakingscampagne over POP’s te organiseren. Tegelijkertijd zou Europa actiever werk moeten maken van het bevorderen van onderwijs over duurzaamheid en het verspreiden van informatie over goede praktijken op het gebied van duurzaamheid (12). Het EESC pleit er met name voor te voorzien in een open databank inzake POP’s, die voor bedrijven en consumenten een nuttig instrument zal zijn.

5.5.

Het Comité dringt erop aan opleidingscursussen over POP’s verplicht en beschikbaar te maken voor alle Europese werknemers wier baan direct of indirect met deze stoffen verband houdt. Het EESC wijst erop dat deze aspecten reeds worden meegenomen in bestaande wetgeving, maar dat een onzekere en zwakke tenuitvoerlegging betekent dat er met het oog op een doeltreffendere tenuitvoerlegging nieuwe instrumenten geboden zijn. Het EESC pleit met name voor harmonisatie van de initiatieven op het gebied van voorlichting, onderwijs en opleiding, die als onderdeel van dezelfde strategie moeten worden beschouwd, aansluitend bij een benadering van levenslang leren.

Brussel, 12 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  http://chm.pops.int/

(2)  In de afgelopen jaren zijn nog eens 16 elementen aan de initiële lijst toegevoegd. http://chm.pops.int/TheConvention/ThePOPs/TheNewPOPs/tabid/2511/Default.aspx

(3)  Sinds 1 juni 2015.

(4)  Verordening (EG) nr. 1907/2006.

(5)  Registratie en beoordeling van en autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH).

(6)  Verklaring van Rio, 1992. Beginsel 15: „Ter bescherming van het milieu wordt de voorzorgsbenadering door de staten naar vermogen op ruime schaal toegepast. Wanneer er gevaar bestaat voor ernstige of onomkeerbare schade, mag het ontbreken van volledige wetenschappelijke zekerheid niet worden gebruikt als reden voor het uitstellen van kosteneffectieve maatregelen ter voorkoming van milieuaantasting.”

(7)  EESC-advies over Persistente organische verontreinigende stoffen (PB C 32 van 5.2.2004, blz. 45).

(8)  COM(2018) 144 final, overweging 18.

(9)  COM(2018) 144 final, overweging 21.

(10)  EESC-advies over De transitie naar een duurzamere Europese toekomst, (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 44).

(11)  Het Verdrag van Minamata inzake kwik is een mondiaal verdrag ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu tegen de schadelijke effecten van kwik. De overeenkomst is op 19 januari 2013 in Genève (Zwitserland) gesloten, op 10 oktober 2013 tijdens een diplomatieke conferentie in Kumamoto (Japan) aangenomen en op 16 augustus 2017 in werking getreden. Het getuigt van een innovatieve en alomvattende aanpak, waarbij kwik gedurende zijn hele levenscyclus, van mijnbouw tot afvalbeheer, aan de orde komt. http://www.mercuryction.org/. Artikel 15

(12)  EESC-advies over Rio+20: naar een groene economie en betere governance (PB C 376 van 22.12.2011, blz. 102), zie par. 4.13.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/97


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over een monitoringkader voor de circulaire economie

(COM(2018) 29 final)

(2018/C 367/19)

Rapporteur:

Cillian LOHAN

Corapporteur:

Tellervo KYLÄ-HARAKKA-RUONALA

Raadpleging

Europese Commissie, 12.2.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Besluit van de voltallige vergadering

19.9.2017

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de afdeling

26.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

172/0/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC juicht de mededeling over het monitoringkader voor de circulaire economie toe als een belangrijk vervolg op het actieplan voor de circulaire economie, zoals ook werd aanbevolen in NAT/676.

1.2.

Deze mededeling vormt een goed uitgangspunt, maar er ontbreken een aantal relevante en essentiële indicatoren, op het stuk van:

ecologisch ontwerp

ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen

deeleconomie

sociale factoren

emissiegegevens.

1.3.

Hoewel het EESC een adviesorgaan van de EU-instellingen is, moet het vaststellen dat het niet is geraadpleegd tijdens het raadplegingsproces dat aan de ontwikkeling van deze indicatoren vooraf ging.

1.4.

De circulaire economie hangt samen met de koolstofarme economie en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling. De voor de monitoring gebruikte indicatoren zouden dit moeten weerspiegelen.

1.5.

De monitoring mag niet al te zeer gericht zijn op afval.

1.6.

De definitie van „sectoren van de circulaire economie” is te beperkt en moet verder worden uitgewerkt, omdat dit gevolgen heeft voor verschillende indicatoren.

1.7.

Het ontbreken van gegevens op een specifiek gebied mag geen reden zijn voor uitsluiting. Lacunes in de gegevens moeten duidelijk worden gemaakt, en er moeten strategieën worden vastgesteld voor het opvullen van deze hiaten. Als we ons blijven beperken tot de traditionele gegevens dan zullen we de transitie naar een nieuw economisch model niet nauwkeurig kunnen meten.

1.8.

Er zijn verschillende inconsistenties in beleid en regelgeving die het bedrijfsleven ervan weerhouden de overstap naar een circulaire economie te maken. Deze inconsistenties moeten in kaart worden gebracht als onderdeel van het monitoringkader.

1.9.

Het gebruik van overheidsmiddelen moet worden gemonitord met een eigen indicator. Specifiek op initiatieven van de circulaire economie gerichte investeringen zouden moeten beschikken over eigen gegevens die kunnen worden gebruikt om deze indicator te ontwikkelen. Ook is belangrijk dat zowel het „uitgegeven geld” als het „geïnvesteerde geld” wordt gemonitord.

1.10.

Het Europees stakeholdersplatform voor de circulaire economie moet worden gebruikt als een instrument om de actieve betrokkenheid van belanghebbenden in het veld te bevorderen. Om dit te bereiken moet een communicatiestrategie met concrete doelstellingen worden opgesteld en uitgevoerd.

1.11.

De mate van bewustmaking en educatie op consumenten- en gebruikersniveau moet worden gemeten, om te zorgen voor een beter begrip van de rol van de consument in de circulaire economie en de materiaalstromen. De infrastructurele ondersteuning die consumenten in staat stelt hun gedrag met betrekking tot hulpbronnenefficiëntie te verbeteren, en activiteiten die de transformatie van „consument” in „gebruiker” ondersteunen, moeten worden aangemoedigd en in kaart worden gebracht.

2.   Algemene opmerkingen

2.1.

Het EESC is ingenomen met de mededeling van de Commissie. Het monitoren van de vooruitgang die wordt geboekt bij het verwezenlijken van de doelstellingen van het actieplan voor de circulaire economie vormt een essentieel onderdeel van het proces.

2.2.

Bij de raadpleging met het oog op de ontwikkeling van het monitoringkader lag de nadruk op de stakeholders. Ook het EESC had moeten worden geraadpleegd, aangezien zijn rol als adviesorgaan in de Verdragen is vastgelegd, en veel van de relevante stakeholders zijn vertegenwoordigd in het Comité.

2.3.

In een doeltreffend monitoringsysteem is het van essentieel belang dat de meeteenheden gebaseerd zijn op solide gegevens die kunnen worden vergeleken tussen de lidstaten.

2.4.

De voortgang naar een circulaire economie monitoren is duidelijk een uitdagende opdracht. Het zal van het allergrootste belang zijn alle elementen van de overgang naar een circulaire economie te meten, en ervoor te zorgen dat lacunes in de gegevens duidelijk worden geïdentificeerd.

2.5.

Er moeten middelen worden toegewezen om ervoor te zorgen dat lacunes in de gegevens worden opgevuld door zo snel mogelijk criteria vast te stellen en gegevens te verzamelen om uitgangswaarden vast te stellen. Continu onderzoek en monitoring van criteria, metingen en indicatoren wordt aanbevolen.

2.6.

De definitie van „sectoren van de circulaire economie” is vrij beperkt en zou gebaat zijn bij een verdere uitwerking. Deze definitie heeft een beperkend effect op de meeteenheden die worden gebruikt om de economische activiteit, het scheppen van werkgelegenheid, innovatie en andere indicatoren te beoordelen.

Figuur 1 — Materiaalstromen in de economie (EU-28, 2014)

Image

Figuur 1: Hier beschikbaar: http://ec.europa.eu/eurostat/web/circular-economy/material-flow-diagram

2.7.

Het algemene cijfer voor materiaalstromen laat zien dat in de EU jaarlijks 8 miljard ton materiaal wordt omgezet in energie en producten. Hoewel 0,6 miljard ton daarvan vervolgens wordt uitgevoerd, blijft de overgrote meerderheid onder controle van actoren binnen de EU. Deze analyse is echter selectief wat betreft de materialen die worden meegeteld, waarbij belangrijke stromen als voedsel en textiel buiten beschouwing worden gelaten. Er moet rekening worden gehouden met het effect van de productie ten opzichte van het effect van de consumptie, waarbij moet worden gekeken naar hoe en wat we produceren, exporteren en importeren.

2.8.

In de mededeling zou rekening moeten worden gehouden met het feit dat de opstellers van het onderzoek suggereren dat de cijfers voor recycling optimistisch zijn en waarschijnlijk een overdreven weergave zijn van wat er in werkelijkheid gebeurt.

2.9.

Het is van essentieel belang dat de circulaire economie wordt gekoppeld aan de koolstofarme economie. Deze koppeling moet worden opgenomen in het monitoringkader om de maatregelen te versterken en dubbel werk te voorkomen, zodat de transitie efficiënter verloopt.

2.10.

De mededeling is sterk gefocust op afval. Dit kan deels worden verklaard door het feit dat er voor afvalstoffen solide, consistente en vergelijkbare gegevens beschikbaar zijn. In de toekomst moet de monitoring echter verder gaan dan afval en recycling, en focussen op ontwerp, productie en consumptie.

2.11.

De mate van bewustmaking en educatie op consumenten- en gebruikersniveau moet worden gemeten, om de rol van de consument in de circulaire economie en de materiaalstromen inzichtelijker te maken. Er moeten op feiten gebaseerde en praktische oplossingen worden ingevoerd; de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld speelt een belangrijke rol en een circulaire cultuur, gebaseerd op het herdenken van waarden en het veranderen van bestaande consumptiepatronen, is van groot belang.

2.12.

Er dient een door de EU goedgekeurd woordenboek van definities inzake de circulaire economie te worden opgesteld. De huidige monitoring van de circulaire economie is per definitie te beperkt om het soort systemische verandering dat in het actieplan voor de circulaire economie wordt beoogd en door de samenleving wordt gewenst, effectief te kunnen identificeren. Ook moet worden geherdefinieerd wat we precies verstaan onder afval.

3.   De tien indicatoren

3.1.

De tien indicatoren zijn gegroepeerd in productie en consumptie, afvalbeheer, secundaire grondstoffen en concurrentievermogen en innovatie.

3.2.

Er zijn geen indicatoren voor het onderzoeken van emissies in de lucht, waaronder broeikasgassen, die verband houden met het bestaande lineaire model. Dit is van cruciaal belang om de circulaire economie te koppelen aan de koolstofarme economie, de klimaat- en energiedoelen van de EU en de Overeenkomst van Parijs.

3.3.

De tien indicatoren zijn sterk gefocust op afval. Er moet een bredere analyse komen om de hele waardeketen van producten en materialen te omvatten, met inbegrip van ecologisch ontwerp, nieuwe bedrijfsmodellen, veranderingen in bedrijfssystemen en industriële symbiose, alsook nieuwe soorten consumptiemodellen.

3.4.

In grote lijnen dienen de indicatoren enerzijds de output en de voordelen van de circulaire economie te meten en anderzijds het circulaire karakter van de hulpbronnen te onderzoeken.

3.5.

Hoewel in een circulaire economie kortere, kleinere lussen de voorkeur verdienen, is de nadruk op zelfvoorziening, los van andere indicatoren, geen indicator van circulariteit. De mate van terugwinning van grondstoffen en het gebruik van secundaire grondstoffen kan de zelfvoorzieningsgraad verhogen. De nadruk op zelfvoorziening als indicator brengt het risico met zich mee dat het een doelstelling wordt, wat niet de bedoeling is. Het kan er onbedoeld toe leiden dat het accent verschuift en dat niet langer wordt gestreefd naar het meest efficiënte gebruik van grondstoffen en producten. Systeemgericht denken is dan ook nodig.

3.6.

Het is begrijpelijk dat bij de keuze van de tien indicatoren rekening is gehouden met de beschikbaarheid van gegevens. Lacunes in de gegevens moeten echter duidelijk en expliciet worden aangegeven. Als onderdeel van het monitoringkader moet dringend een plan worden opgesteld voor het opvullen van deze lacunes.

3.7.

Het huidige plan ter verbetering van de kennisbasis is nog steeds sterk gericht op afval en moet worden verbreed tot de andere aspecten van de circulaire economie.

3.8.

Het Europees stakeholdersplatform voor de circulaire economie, een gezamenlijk initiatief van de Europese Commissie en het EESC, moet worden ingezet als middel om lacunes in de gegevens in kaart te brengen, trends onder belanghebbenden te begrijpen en bij te dragen tot het opsporen van belemmeringen voor de transitie.

4.   Eerste bevindingen

4.1.   Productie en consumptie

4.1.1.

De indicatoren inzake productie en consumptie zijn te sterk gefocust op afval.

4.1.2.

Bij gebrek aan relevante gegevens wordt de zelfvoorzieningsgraad als het gaat om de levering van grondstoffen gemeten. Zelfvoorziening is op zich geen indicator voor een circulaire economie (zie paragraaf 3.4). Het onderscheid tussen onbewerkte en secundaire of tertiaire grondstoffen moet worden verduidelijkt. Ook zou het nuttig zijn de ontwikkelingen op een meer uitgesplitste manier te volgen, bijvoorbeeld door het gebruik van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen te meten, de terugwinning van kritieke hulpbronnen, zoals zeldzame metalen, alsook de effecten van productie, invoer en uitvoer (zie paragraaf 2.8).

4.1.3.

Groene overheidsopdrachten (GPP, Green Public Procurement) zijn een goede indicator voor het gebruik van overheidsgeld en kunnen een aanjager zijn van de circulaire economie. De uitvoering van GPP-plannen in de lidstaten zou kunnen worden vergemakkelijkt door duidelijke communicatie en toewijzing van middelen voor trainingen over de verbanden tussen GPP en de circulaire economie, de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) en de doelstellingen van het akkoord van Parijs voor een koolstofarme economie.

4.1.4.

Bij de beoordeling van regionale en nationale GPP-plannen moeten de opleidingsprogramma’s voor inkopers worden gemonitord en informatie worden uitgewisseld. Er moet iets worden gedaan aan het gebrek aan inzicht in de schijnbare tegenstrijdigheden tussen circulaire of groene aanbestedingen en de regels van de interne markt.

4.1.5.

Instrumenten voor het meten van de voedselverspilling, om te weten waar in de toeleveringsketen voedsel wordt verspild — een complexe materie — zijn van essentieel belang. Het volstaat niet om alleen het niveau van voedselverspilling bij de consument in kaart te brengen; er is behoefte aan een systemische verandering om dit enorme probleem aan te pakken.

4.1.6.

Voedselverspilling is echter slechts één aspect van de invoering van circulariteit in de agrovoedingssector. Er zijn duidelijke definities nodig om circulaire landbouwmethoden aan te duiden. Deze moeten dringend worden ontwikkeld, in overleg met belanghebbenden (zie paragraaf 2.13). Voedselafval moet als onderdeel van één systeem worden gemonitord, om rekening te houden met de onderlinge verbanden die er bestaan tussen de productie van levensmiddelen, voedselverspilling, en andere sectoren zoals energie, mobiliteit en waterbeheer.

4.1.7.

Er zijn belangrijke aspecten van de transitie naar een circulaire economie die hier niet aan de orde komen, maar die binnen het monitoringkader wel tot de productie en consumptie moeten worden gerekend. Het gaat hierbij onder meer om ecologisch ontwerp, nieuwe eigendomsmodellen, vrijwillige overeenkomsten, consumentenvoorlichting, consumentengedrag, ondersteunende infrastructuur, het in kaart brengen van subsidies die mogelijk niet-circulaire activiteiten ondersteunen, en koppelingen met de koolstofarme economie en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen.

4.2.   Afvalbeheer

4.2.1.

Een herdefiniëring van het afvalbeheer, een herdefiniëring van afval, bevordering van onderzoek en innovatie op het gebied van recycling, nieuwe bedrijfsmodellen, nieuwe waardeketens en verder kijken dan recycling zijn van fundamenteel belang voor de circulaire economie. Dit zou ook een verschuiving van afvalbeheer naar het beheer van hulpbronnen moeten omvatten.

4.2.2.

De belangrijkste vraag die gesteld moet worden als het gaat om de monitoring van gemeentelijk afval, en de recyclingpercentages daarvan, is waar in de keten de meting plaatsvindt — voor of na de afvalscheiding. Hiernaar wordt in het werkdocument van de diensten van de Commissie expliciet verwezen, maar niet in de mededeling. Het EESC heeft zich altijd op het standpunt geplaatst dat het meest nauwkeurig kan worden gemeten na de afvalscheiding.

4.2.3.

Monitoring van stedelijk afval moet ook betrekking hebben op afvalwater. Menselijk afval is een levensvatbare energiebron wanneer het wordt behandeld in anaerobe gistingstanks. Dit kan ook bijdragen tot een vermindering van de emissies van andere energiebronnen.

4.3.   Secundaire grondstoffen

4.3.1.

De rol van een levendige, goed werkende markt voor secundaire grondstoffen als onderdeel van de circulaire economie is van vitaal belang.

4.3.2.

In een circulaire economie moet het concept „materiaalstromen” verder gaan dan recycling; de monitoring van materiaalstromen moet ook betrekking hebben op reparatie en hergebruik, met inbegrip van herbewerkingsactiviteiten. Ook hier zijn definities van essentieel belang, aangezien afvalstoffen van de ene sector een potentiële hulpbron voor een andere sector zouden moeten zijn.

4.3.3.

Het onderscheid tussen het einde van de levensduur van een product (d.w.z. het einde van het functioneren van het product) en het einde van de levensduur van de onderdelen en materialen die bij de constructie ervan worden gebruikt, moet worden erkend.

4.3.4.

De materiaalstroom in een circulaire economie moet ook de verandering van eigenaar in een op diensten gebaseerd bedrijfsmodel volgen.

4.3.5.

Dit deel gaat over het beheer van het afval dat momenteel wordt geproduceerd, en wijst op de mogelijkheid om daaruit secundaire grondstoffen te creëren. Dit initiatief is welkom, maar de reikwijdte wordt beperkt door de uitsluiting van grote soorten materiaalstromen, waaronder voedsel en textiel, van de beoordeelde stromen.

4.3.6.

Het is van essentieel belang de opzet van de maatschappelijke voorraad („societal stock”) te monitoren, om ervoor te zorgen dat de gebruikte grondstoffen kunnen worden teruggewonnen wanneer zij hun functionaliteit of gewildheid verliezen. Hierdoor zouden de mogelijkheden voor het beheer van materiaalstromen meer dan verdubbelen. Digitalisering kan een nuttig middel zijn om deze monitoring mogelijk te maken.

4.3.7.

De mededeling zou kunnen worden verbeterd op het stuk van de transparantie en duidelijkheid over welke materialen in de maatschappelijke voorraad zijn opgenomen, en hoe dit wordt gemeten en gemonitord.

4.4.   Concurrentievermogen en innovatie

4.4.1.

Innovatie, investeringen en handel zijn de belangrijkste activiteiten waarmee bedrijven bijdragen aan de transitie naar een circulaire economie. Aangezien de circulaire economie relevant is voor alle bedrijfssectoren, en samenwerking tussen sectoren van cruciaal belang is, is een bredere aanpak van de sectoren van de circulaire economie nodig.

4.4.2.

Specifieke ontwikkelingen op het gebied van ecologisch ontwerp moeten worden gemonitord, evenals de ontwikkeling van nieuwe, op diensten gebaseerde bedrijfsmodellen en flexibele eigendomsopties. Zo moeten de ontwikkeling en goedkeuring van normen inzake ecologisch ontwerp die relevant zijn voor de circulaire economie worden gemonitord.

4.4.3.

Er zijn bedrijven die zich gaan toeleggen op herfabricage, en die op aanzienlijke delen van de markt een machtspositie innemen. Het monitoringkader moet hierop toezien.

4.4.4.

Het gebruik van overheidsmiddelen moet worden gemonitord met eigen indicatoren. Investeringen die specifiek voor initiatieven van de circulaire economie zijn gedaan, moeten over eigen gegevens beschikken die voor de ontwikkeling van deze indicator kunnen worden gebruikt, zodat niet alleen de bestede middelen, maar ook de bereikte effecten kunnen worden gemeten.

4.4.5.

Particuliere investeringen spelen eveneens een cruciale rol bij de transitie naar een koolstofarme circulaire economie. De beleggings-, verzekerings- en banksectoren hebben reeds instrumenten en evaluatiemodellen ontwikkeld. Particuliere investeringen en overheidsfinanciën moeten daarom in het monitoringsysteem worden gekwantificeerd.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/103


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee

(COM(2018) 115 final — 2018/0050 (COD))

(2018/C 367/20)

Rapporteur:

Gabriel SARRÓ IPARRAGUIRRE

Raadpleging

Europees Parlement, 15.3.2018

Raad, 20.3.2018

Rechtsgrondslag

Artikelen 43, lid 2, 114, lid 1 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Besluit van de voltallige vergadering

13.2.2018 (in afwachting van de raadpleging)

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de afdeling

26.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

165/0/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is het met de Commissie eens dat er een meerjarenplan voor de visserij op demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee moet komen waarmee een einde kan worden gemaakt aan de overbevissing van het merendeel van de demersale bestanden waarvoor gegevens beschikbaar zijn. Het Comité is in dit verband voorstander van een visserij-inspanningsregeling voor trawls op basis van het aantal visdagen en per beheerseenheid. Ook toont het zich ingenomen met de mogelijkheid om een regeling op basis van de totaal toegestane vangsten (TAC's) in te voeren als het beheer van de visserij-inspanning op niets uitdraait.

1.2

Het plan moet gericht zijn op de totstandbrenging van een vanuit sociaal, economisch en milieu-oogpunt duurzame visserij. De maatregelen dienen dan ook in verhouding te staan tot het doel, zodat de sociaaleconomische gevolgen voor de vissers in de Middellandse Zee aanvaardbaar zijn en hun activiteiten niet in gevaar brengen. Het moge duidelijk zijn dat het in het licht van de geplande goedkeuring en inwerkingtreding van dit voorstel (niet eerder dan medio 2019), moeilijk zal zijn om tegen 2020 voor alle bestanden de maximale duurzame opbrengst (MDO) te bereiken. Wel staat het EESC achter het internationale streven van de EU om tegen 2020 de MDO te bereiken; het belang daarvan in het kader van het meerjarenplan is cruciaal, met name voor de meest overbeviste soorten die het risico lopen te verdwijnen. Het lijkt dan ook aangewezen een realistischer en redelijker tijdschema vast te stellen voor het behalen van het MDO-niveau voor alle bestanden.

1.3

Zonder afbreuk te willen doen aan de specifieke regionale kenmerken van de visserij in de Middellandse Zee, is het Comité van mening dat de „bijzondere” aard van dit gebied vereist dat nu eindelijk werk wordt gemaakt van de hervorming van de visserij, en beveelt het de medewetgevers aan een degelijke beheersregeling te steunen, zodat de Europese maritieme regio's op gelijke voet worden behandeld en het Middellandse Zeegebied in staat wordt gesteld de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid volledig te verwezenlijken.

1.4

Het Comité erkent dat het aantal vissersvaartuigen de laatste jaren aanzienlijk is afgenomen, maar betreurt niettemin dat deze inspanningen van de visserijsector niet hebben geleid tot een vermindering van de werkelijke visserijsterfte bij de belangrijkste bestanden. Dat is met name te wijten aan de structurele overcapaciteit van bepaalde vlootsegmenten, in het bijzonder trawlers, en de grotere efficiëntie van de visserij door de modernisering van motoren, vistuig en visserijtechnologieën.

1.5

Het EESC verzoekt de Commissie ook rekening te houden met andere menselijke factoren en activiteiten die van invloed zijn op de toestand van de visbestanden en de ecosystemen in de Middellandse Zee (zie par. 3.5) en maatregelen voor te stellen om de gevolgen daarvan voor de bestanden te beperken.

1.6

Aangezien de Middellandse Zee een half-ingesloten zee is met 22 kuststaten, waarvan de meeste niet-Europees, dringt het Comité er bij de Commissie op aan alles in het werk te stellen om met deze landen overeenstemming te bereiken over het beheer van de gedeelde soorten, met name in het kader van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM).

1.7

Gezien de ernstige overbevissing in de regio erkent het EESC dat specifieke maatregelen nodig zijn om het gebruik van trawlnetten — het belangrijkste vistuig van de visserijtakken waarop het plan betrekking heeft — in een bepaald gebied te beperken, teneinde de impact ervan op ongewenste vangsten van demersale soorten, met name jonge vis, maar ook op cruciale vishabitats (kweek- en kraamgebieden) aanzienlijk te verminderen wanneer dat volgens de wetenschappelijke verslagen noodzakelijk is.

1.8

Het gebruik van trawlnetten wordt elk jaar van 1 mei tot en met 31 juli verboden binnen het gebied bepaald door de dieptelijn van 100 meter; het Comité zou graag zien dat de medewetgevers dit verbod intrekken, en wel om de in paragraaf 4.3 van dit advies uiteengezette redenen.

1.9

De Commissie zou in haar voorstel buitengewone begeleidende maatregelen moeten opnemen om de vissers te compenseren voor de maatregelen ter vermindering van de visserij-inspanning en de vissterfte. In dit verband zou het goed zijn de steun voor tijdelijke stopzetting uit te breiden en opnieuw te kijken naar steun voor definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten.

1.10

Ten slotte verzoekt het Comité de Commissie om rekening te houden met alle in de hoofdstukken algemene en specifieke opmerkingen van dit advies geformuleerde overwegingen.

2.   Inhoud van het Commissievoorstel

2.1

Dit voorstel van de Commissie voor een verordening tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee heeft betrekking op de blauwrode diepzeegarnaal, de roze diepzeegarnaal, de rode diepzeegarnaal, de heek, de langoustine en de zeebarbeel, waarop met name door de Italiaanse, Franse en Spaanse trawlvloten wordt gevist.

2.2

Het voorstel is erop gericht de maximale duurzame opbrengst (MDO) voor de bestanden in kwestie te bereiken, de voorzorgsaanpak en de ecosysteemgerichte benadering te doen toepassen en de uitvoering van de aanlandingsverplichting te vergemakkelijken, dit alles met de bedoeling de visserijactiviteit op lange termijn ecologisch duurzaam te maken en zo te beheren dat zij economische en sociale voordelen en voordelen voor de werkgelegenheid oplevert.

2.3

De Commissie heeft gemeend dit voorstel te moeten indienen omdat Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad (1) en de nationale beheersplannen niet aan de verwachtingen voldoen; zo wordt volgens de Europese en internationale wetenschappelijke gemeenschap meer dan 80 % van de geëvalueerde bestanden in deze subregio overbevist en worden de bandbreedtes voor de visserijsterfte, die het mogelijk zouden moeten maken de MDO te halen, ruimschoots overschreden.

2.4

De Commissie stelt onder meer de volgende maatregelen voor: de vaststelling van streefwaarden voor de visserijsterfte (FMSY), instandhoudingsreferentiepunten, noodmaatregelen en een maximumaantal visdagen; daarnaast wordt het eerste jaar voorzien in een aanzienlijke vermindering van de visserij-inspanning. Mochten deze maatregelen geen vruchten afwerpen dan kunnen totaal toegestane vangsten (TAC's) worden vastgesteld, alsook, via gedelegeerde handelingen, een hele waaier aan technische instandhoudingsmaatregelen. Voorts stelt de Commissie nog een gebieds- en tijdsgebonden sluiting voor, waarbij elk jaar van 1 mei tot en met 31 juli een verbod op de visserij met trawls wordt ingesteld binnen het gebied bepaald door de dieptelijn van 100 m.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

In het licht van de wetenschappelijke studies terzake erkent het Comité de omvang van het probleem van de overbevissing en de daarmee gepaard gaande ernstige milieucrisis, en is het het ermee eens dat aanvullende beheersmaatregelen nodig zijn om de visserij-inspanning en de vissterfte terug te dringen, zodat de belangrijkste overbeviste demersale visbestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee zich kunnen herstellen.

3.2

Wel is het Comité van mening dat een en ander binnen redelijke grenzen moet gebeuren, zodat de situatie houdbaar blijft voor de vissers in het Middellandse Zeegebied, die de afgelopen jaren al te lijden hebben gehad van een aanzienlijke inkrimping van het aantal vissersvaartuigen, waardoor ook de werkgelegenheid is gedaald.

3.3

Gezien de huidige toestand van de bestanden en de geplande goedkeuring en inwerkingtreding van het voorstel (niet eerder dan medio 2019) is het volgens het EESC moeilijk om tegen 2020 voor alle bestanden het MDO-niveau te halen. Het zou daarom graag zien dat extra aandacht uitgaat naar de meest overbeviste soorten die dreigen te verdwijnen (zoals de heek en de zeebarbeel), zodat deze doelstellingen toch kunnen worden gehaald. Het lijkt dan ook aangewezen een realistischer en redelijker tijdschema vast te stellen voor het behalen van het MDO-niveau voor alle bestanden.

3.4

Voorts lijkt de Commissie in haar analyse van de toestand van de bestanden en in haar voorstellen ter verbetering daarvan maar weer eens voorbij te gaan aan de andere menselijke factoren en activiteiten die daarop van invloed zijn, te weten klimaatverandering, verzuring, vervuiling, activiteiten die verband houden met olie en gas, zeevervoer, zwerfvuil op zee, wanbeheer van kustactiviteiten, enz. De visserijsector kan dan ook niet als enige verantwoordelijk worden gesteld voor de toestand van de visbestanden. Er is dringend behoefte aan een ecosysteemgerichte benadering die met al deze factoren en activiteiten rekening houdt.

3.5

Anderzijds moet er oog zijn voor het belang van gesleept vistuig vanuit sociaaleconomisch oogpunt. De trawlvisserij is goed voor circa 75 % van de vangst van demersale soorten. Vandaar dat we moeten inzetten op adequate regelgeving (maatregelen op het vlak van ruimte en tijd), en verbetering van de selectiviteit. Trawlvisserij is de enige manier om in de Middellandse Zee te kunnen vissen op grote hoeveelheden van soorten als de roze en blauwrode diepzeegarnaal, de langoustine, de bidsprinkhaankreeft, de blauwe wijting, de gaffelkabeljauw, de hondshaai, de kortvinpijlinktvis, de kleine pijlinktvis en de kleine sepia. Voor bepaalde soorten bestaan er echter selectievere technieken met minder impact, waarbij bijvoorbeeld gebruik wordt gemaakt van korven, kubben en kiew- en schakelnetten.

3.6

Het is belangrijk dat functionele visserijgebieden en kwetsbare habitats in diepzeegebieden doeltreffend worden beschermd, met name wanneer wetenschappelijk advies wijst op de aanwezigheid van concentraties van jonge vis of paaigronden voor demersale soorten zoals heek, langoustine of garnalen. Deze gebieden, die van belang zijn voor het herstel van de visbestanden, moeten overeenkomstig artikel 8 van het GVB betreffende de instelling van gebieden voor het herstel van de visbestanden, permanent of tijdelijk voor de visserij worden gesloten. Het Comité steunt de opname van een aantal gebieden in dit plan, zoals de Ebro-delta, de Golfe du Lion en de laagwaterzones van Carloforte.

3.7

Naar de mening van het Comité stelt de Commissie ook dit keer weer een buitensporig gebruik van gedelegeerde handelingen voor. Veel van de voorgestelde maatregelen vallen onder de medebeslissingsprocedure (artikelen 13, 16 en 18).

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

Het Comité neemt kennis van het advies van het WTECV (17-02), waarin te lezen staat dat het beheer van de visserij-inspanning relatief gezien weinig efficiënt is om de visserijsterfte doeltreffend terug te brengen, en dat voor het herstel van de bestanden tot duurzame niveaus drastische verlagingen nodig zijn. Het EESC zou dan ook graag zien dat wordt overgestapt op een beheer op basis van vangstbeperkingen (TAC's), dat aansluit bij wetenschappelijk advies, als enige manier om de visserijsterfte doeltreffend te beheersen.

4.2

In overweging 5, waarin wordt verwezen naar de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), zou naast de milieuduurzaamheid ook de sociale en economische duurzaamheid moeten worden vermeld.

4.3

In overweging 26 en het daarmee verband houdende artikel 8 wordt de mogelijkheid geopperd om op totaal toegestane vangsten gebaseerde (TAC's) beheersmaatregelen in te voeren; deze bepalingen zouden moeten worden behouden als langetermijnstreven voor het beheer van de gemengde visserij in de Middellandse Zee. Het WTECV moet advies kunnen uitbrengen over de belangrijkste bestanden waarvoor wetenschappelijk advies over voorzorgs-TAC's op MDO-niveau kan worden gegeven.

4.4

In overweging 28 en artikel 11, lid 1, wordt voorgesteld om het gebruik van trawls elk jaar van 1 mei tot en met 31 juli te verbieden binnen het gebied bepaald door de dieptelijn van 100 m. Een dergelijke bepaling is in de ogen van het Comité buitensporig en ongerechtvaardigd. In de nationale en de EU-regelgeving zijn al voldoende garanties opgenomen om te voorkomen dat trawls worden gebruikt op kwetsbare bodems. Er zijn in de Middellandse Zee ook ondiepe, platte gedeelten, waar het voorgestelde verbod het voor veel trawlers onmogelijk zou maken om te vissen. In plaats daarvan pleit het Comité voor de instelling van specifieke wetenschappelijk verantwoorde gesloten gebieden, zoals de visserijsector zelf al in verschillende EU-landen heeft voorgesteld.

4.5

Overweging 37 hangt samen met artikel 19, waarin wordt verwezen naar het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) en wordt voorgesteld maatregelen voor tijdelijke stopzetting te nemen. Het Comité zou graag zien dat de Commissie in dit verband ook de mogelijkheid van definitieve stopzetting opneemt; dergelijke maatregelen zouden kunnen worden gefinancierd uit het huidige EFMZV of het fonds dat in 2021 in werking zal treden. De vereiste vermindering van de visserij-inspanning en de capaciteit zal immers gepaard moeten gaan met compenserende maatregelen voor reders en werknemers.

4.6

In artikel 4, lid 1, wordt bepaald dat de FMSY-bandbreedtes voor de betrokken bestanden uiterlijk in 2020 moeten worden bereikt; het Comité heeft in paragraaf 3.3 al opgemerkt dat dit streefdoel moeilijk te verwezenlijken zal zijn willen we onaanvaardbare sociaaleconomische gevolgen voor de vloot vermijden. De meerjarenplannen zijn pas geruime tijd na de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 1380/2013 betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid ingediend, buiten de schuld van de visserijsector. Het is dan ook onbillijk te verwachten dat de doelstellingen alsnog zouden worden gehaald.

4.7

Wat artikel 7, lid 1, aangaat, kan het Comité zich vinden in de invoering van een visserij-inspanningsregeling voor trawls op basis van het aantal visdagen. Daarentegen is het geen voorstander van een onderscheid tussen lengteklassen, zoals het geval is in bijlage 1, of tussen inspanningsgroepen op basis van de gevangen soorten, dat wil zeggen de blauwrode diepzeegarnaal of de rode diepzeegarnaal in de diepzee, en de zeebarbeel, de heek, de roze diepzeegarnaal en de langoustine in het continentaal plat en het hoogste gedeelte van de continentale helling. Het Comité zou er de voorkeur aan geven alle trawls te beheren per beheerseenheid (geografisch deelgebied), zonder onderscheid te maken naar lengte of diepte. Het gaat namelijk om een kunstmatige, louter theoretische opdeling: trawls kunnen tijdens eenzelfde visreis zowel soorten vangen in het continentaal plat als in diepzeewateren. Daarnaast is het belangrijk dat het beheer per beheerseenheid onafhankelijk gebeurt, en dat specifieke maatregelen worden genomen met het oog op het herstel van de soorten van elke beheerseenheid, zonder rekening te houden met de toestand van de soorten van andere eenheden.

4.8

Wat de in artikel 7, lid 4, bedoelde uitgangswaarde betreft wijst het Comité erop dat een minimumaantal dagen moet worden vastgesteld om te voorkomen dat bedrijven een punt bereiken waarop zij onmogelijk weer rendabel kunnen worden: als deze drempel bereikt is mag geen verdere vermindering worden opgelegd.

4.9

Het Comité kan zich vinden in de in artikel 9, lid 3, opgelegde beperking van maximaal 12 uur per visdag en vijf visdagen per week of het equivalent daarvan. Wel meent het dat uitzonderingen mogelijk zouden moeten zijn voor afgelegen visgronden of diepzeewateren in de Middellandse Zee, op voorwaarde dat een en ander naar behoren wordt gemotiveerd en dat specifiek toestemming wordt verleend. Op die manier kan het aantal reisuren (maar niet het aantal visuren) worden verlengd, zoals in sommige landen al het geval is.

4.10

In artikel 9, lid 5, moet de mogelijkheid van uitwisseling van capaciteit tussen de verschillende beheersgebieden open worden gelaten, op voorwaarde dat de toestand van de visbestanden voldoende is verbeterd (met inachtneming van de criteria die reeds zijn vastgelegd in de regels inzake algemene capaciteitsmaxima).

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 11).


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/107


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking)

(COM(2017) 753 final — 2017/0332(COD))

(2018/C 367/21)

Rapporteur:

Gerardo LARGHI

Raadpleging

Europees Parlement, 8.2.2018

Raad, 28.2.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Besluit van de voltallige vergadering

13.2.2018

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de afdeling

26.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

12.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

161/1/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de drinkwaterrichtlijn te actualiseren en onderschrijft in grote lijnen de structuur, doelstellingen en maatregelen ervan. Het Comité stelt met voldoening vast dat voor het eerst een door een Europees burgerinitiatief op gang gebracht wetgevingsproces conform de algemene doelstellingen ervan wordt afgerond. Het Comité wijst er tevens op dat meer dan 99 % van het in de EU aangeboden drinkwater aan de eisen van de vigerende Richtlijn 98/83/EG voldoet.

1.2.

Evenals in een eerder advies (1) betreurt het EESC het dat het voorstel voor een richtlijn geen expliciete erkenning bevat van het universele recht op toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen, zoals in het Right2Water-initiatief wordt bepleit en in de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties (2) is opgenomen.

1.3.

Het EESC meent dat het door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voorgestelde model, gebaseerd op een minimale hoeveelheid water per persoon per dag, een zinvolle optie is. Het is van belang dat op dit punt (3) een holistische benadering wordt gehandhaafd waarbij de regelgeving inzake duurzaamheid en de circulaire economie, alsook de economische, sociale en milieuaspecten (4) worden geïntegreerd.

1.4.

Het EESC meent dat de Commissie de door de WHO voorgestelde parameterwaarden zou moeten aanvaarden, de uitzonderingsregeling zoals die nu is, zou moeten voortzetten en het automatisme waarin artikel 12 van de richtlijn voorziet, zou moeten heroverwegen. Dit voorstel beoogt de beste kwaliteitsnormen te garanderen, samen met de vaststelling van protocollen die worden toegepast als er sprake is van een reëel risico voor de gebruikers.

1.5.

Het EESC steunt de invoering van maatregelen voor de lidstaten om de toegang tot drinkwater te vergemakkelijken voor kwetsbare personen of personen die in afgelegen, perifere of moeilijk bereikbare gebieden wonen. Uit het oogpunt van subsidiariteit moet de precieze uitvoering van de maatregelen echter in overleg met de lidstaten plaatsvinden.

1.6.

Het EESC is ingenomen met de toepassing (5) van het voorzorgsbeginsel en van het beginsel „de vervuiler betaalt” en is voorstander van voorlichtingscampagnes om een ruimer en bewuster gebruik van openbaar water te bevorderen, waarbij het gebruik van alle beschikbare instrumenten, en niet alleen van online-instrumenten, wordt aanbevolen.

1.7.

Het EESC erkent dat de richtlijn aanzienlijke innovaties bevat voor de controle op en de transparantie van informatie. Echter, om gebruikers bewuster te maken van het belang om leidingwater te drinken, wordt aanbevolen dat de overgebrachte informatie duidelijk en begrijpelijk is. Het EESC benadrukt de belangrijke rol van het mkb in de waterdistributie. Om administratieve lasten voor het mkb te vermijden, moeten de taken evenredig zijn.

1.8.

Het EESC acht het van belang dat de bronnen voor watervoorziening conform Richtlijn 2000/60/EG in de gaten worden gehouden, dat er -indien noodzakelijk- waterreserves worden aangelegd om noodsituaties het hoofd te bieden, dat er naar nieuwe benaderingen van alternatieve bronnen, zoals regenwater, wordt gekeken, en dat het grondwater rationeler wordt gebruikt om verspilling te beperken.

1.9.

Volgens het EESC dient water voor huishoudelijk gebruik deel uit te maken van de circulaire economie; daarom is het belangrijk dat de richtlijn van de Commissie dit aspect in aanmerking neemt en nieuwe regels vastlegt voor de productie, terugwinning en hergebruik ervan.

1.10.

Het EESC vreest dat uitsluitend de eindgebruikers opgezadeld zullen worden met de hogere kosten van de controles, modernisering en aanpassing van het netwerk in plaats van ook gedeeld te worden met overheidsdiensten en de waterleidingbedrijven.

1.11.

Het EESC zou graag zien dat de lidstaten voor de armste burgers, de mensen die onder de armoedegrens leven en de mensen die in achtergestelde plattelandsgebieden wonen, aangepaste tarieven voor de waterbetalingen instellen. Tegelijkertijd beveelt het Comité maatregelen aan om het gebruik van onevenredig veel water te ontmoedigen en om zo goed gedrag aan te moedigen. Hetzelfde zou ook moeten gelden voor industrieel en agrarisch gebruik van water. Het EESC wijst erop dat het waterleidingnet efficiënt moet worden onderhouden. Deze maatregel moet het verschil tussen de getransporteerde en in rekening gebrachte hoeveelheden verkleinen om verspilling tegen te gaan. Ter wille van de solidariteit met de lagere-inkomensgroepen is het ook essentieel om voor grote gebruikers degressieve tarieven te blijven hanteren die kunnen bijdragen tot een verlaging van de vaste kosten.

1.12.

Volgens het EESC is water een primair publiek goed. Daarom mogen grondwater, hydrogeologische bekkens en grote natuurlijke watervoorraden niet langer geprivatiseerd worden, of in ieder geval dienen zij openbaar ter beschikking te blijven. Om de beschikbaarheid van drinkwater voor iedereen te waarborgen, kan de lidstaat particuliere exploitanten betrekken bij de distributie van water voor huishoudelijk en industrieel gebruik. De rol van particuliere actoren moet echter ondersteunend zijn; zij mag niet belangrijker zijn dan die van publiekrechtelijke entiteiten.

1.13.

In de toekomst zou een onderscheid moeten worden gemaakt tussen de erkenning van het recht op water en de bescherming van de gezondheid.

2.   Achtergrond van het advies

2.1.

Drinkwater is een primair goed dat van fundamenteel belang is voor de gezondheid, het welzijn en de waardigheid van ieder mens. De levenskwaliteit van elk individu, alsook de economische en productieve activiteiten, worden in hoge mate beïnvloed door de beschikbaarheid van water of door verstoringen van de hydrogeologische cyclus.

2.2.

Vandaag de dag is ongeveer 40 % van de wereldbevolking afhankelijk van grensoverschrijdende watervoorzieningsgebieden en in 2030 zouden circa 2 miljard mensen in gebieden met waterschaarste kunnen wonen.

2.3.

De EU is ongetwijfeld een van de meest succesvolle gebieden in het beheer van drinkwater, maar twee miljoen Europese burgers hebben nog steeds geen toegang tot veilig, schoon en betaalbaar water dat voor meer dan 99 % aan de normen van Richtlijn 98/83 voldoet.

2.4.

De kwaliteit van het water is van invloed op de voedselketen; daarom moet conform Verordening (EG) nr. 178/2002 in alle onderdelen van de voedselketen toegang tot gezond water bestaan.

2.5.

Tal van factoren, zoals de groeiende wereldbevolking, de toenemende behoefte aan water voor huishoudens, industrie en landbouw, vervuiling en klimaatverandering zorgen voor nieuwe uitdagingen op het gebied van de voorziening, toegang, beheer en recycling van water. Dat is een stimulans om de bestaande wetgeving, onder meer Richtlijn 98/83/EG, te actualiseren.

2.6.

In 2013 telde het Europees burgerinitiatief Right2Water meer dan 1,8 miljoen leden; het beoogde de bestaande wetgeving aan te passen aan de nieuwe uitdagingen en op te roepen tot erkenning van het universele recht op toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen (6).

2.7.

Het Europees Parlement (7) en het EESC (8) hebben hun krachtige steun uitgesproken voor dit initiatief, dat gebaseerd is op de Agenda 2030 van de Verenigde Naties (9).

2.8.

Naar aanleiding van het Right2Water-initiatief heeft de Commissie een openbare raadpleging (10) gehouden, gevolgd door een formele raadpleging van alle belanghebbenden, die onder andere uitmondde in de herziening van Richtlijn 98/83/EG in de context van het REFIT-programma. De toegang tot schoon en hoogwaardig drinkwater, alsmede het efficiënt beheer daarvan, zijn kernelementen van de Europese Sociale pijler, het stelsel van preventieve gezondheidszorg en de voorziening met veilig voedsel en kunnen, samen met hergebruikt water deel uitmaken van het Actieplan voor een circulaire economie (11).

3.   Samenvatting van het Commissievoorstel

3.1.

De in de richtlijn onderscheiden pijlers zijn: actualisering van de lijst van parameters; invoering van een risicogebaseerde aanpak; verbetering van de regels inzake transparantie en toegang van de consument tot actuele informatie; ruimere transparantie en toegang tot gegevens; verbetering van de vrije handel in materialen die met drinkwater in aanraking komen; en toegang tot drinkwater voor iedereen.

3.2.

Het voorstel voorziet in een aanscherping van de parameters die van toepassing zijn op voor menselijk gebruik bestemd water en zijn deels conform de specifieke aanbevelingen (12) van de WHO om de gezondheid van dat water te waarborgen, in strengere controles op pathogenen en legionella, in nieuwe chemische parameters en hormoonontregelaars en in strengere grenswaarden voor lood en chroom.

3.3.

De lidstaten zorgen ervoor dat de levering, behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water gebaseerd worden op een risicogebaseerde benadering van de gevaren van waterlichamen die worden gebruikt voor de winning, voorziening en huishoudelijke distributie van water (voor de laatste zijn de beoordelingen driejaarlijks en voor het leveringsrisico om de zes jaar).

3.3.1.

De lidstaten mogen aanvullende controles uitvoeren voor stoffen of micro-organismen waarvoor geen parameters zijn vastgesteld.

3.3.2.

De nieuwe risicogebaseerde aanpak vormt een aanvulling op het beginsel dat de vervuiler betaalt.

3.4.

Het voorstel bevat bepalingen om de huidige verschillen te verkleinen en de normen voor materialen die met water in aanraking komen, die tot nu toe de vrije handel belemmeren, te harmoniseren.

3.5.

De lidstaten dienen de toegang tot water voor iedereen te waarborgen, met bijzondere aandacht voor kwetsbare en gemarginaliseerde mensen; de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren waar die reeds wordt verleend; te zorgen voor betaalbaar water voor huishoudelijk gebruik; campagnes te voeren om het gebruik van drinkwater te bevorderen en mensen te informeren over de kwaliteit van drinkwater in hun gebied, alsook over de genomen maatregelen om afvalwater te controleren, te verzamelen en af te voeren.

3.6.

Het grootste deel van de nieuwe kosten zal voor rekening van de waterbeheerders komen, terwijl de consumenten hun rekeningen slechts licht zouden moeten zien stijgen; de richtlijn sluit in ieder geval het risico van buitensporige kosten van drinkwater uit. De uitgaven per huishouden zouden kunnen stijgen met 0,73 % à 0,76 %, d.w.z. met 7,90 à 10,40 euro per jaar, maar een betere kwaliteit van het drinkwater zou ertoe kunnen leiden dat wordt afgestapt van flessenwater.

3.7.

Het eventuele banenverlies kan worden gecompenseerd door meer werkgelegenheid in de watervoorzieningssector, besparingen op kunststofverpakkingen en recycling van plastic. De banen moeten vooral daar worden gecreëerd waar de watervoorraden zich bevinden.

3.8.

Er worden positieve effecten verwacht voor het mkb, met name voor de bedrijven die zich bezighouden met wateranalyse en -zuivering. De administratieve kosten voor nationale autoriteiten werden als verwaarloosbaar of afnemend beoordeeld.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.

Het EESC houdt zich uitgebreid bezig met het voorstel van de Commissie om de drinkwaterrichtlijn te actualiseren. Het Comité stelt met name met voldoening vast dat voor het eerst een door een Europees burgerinitiatief op gang gebracht wetgevingsproces conform de algemene doelstellingen ervan wordt afgerond. Er zij echter op gewezen dat meer dan 99 % van het drinkwater in de EU aan Richtlijn 98/83/EG voldoet en van uitmuntende kwaliteit (13) is.

4.2.

Het EESC betreurt het echter dat de richtlijn geen duidelijke erkenning bevat van het universele recht op toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen, zoals door het Europees burgerinitiatief Right2Water wordt bepleit en wordt vermeld in de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 25 september 2015, „Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development”, alsook in de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (doelstelling nr. 6 „Zorg ervoor dat veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen en billijk toegankelijk is”).

4.3.

Het EESC staat achter de keuze van de Commissie voor een richtlijn, omdat deze, gelet op de subsidiariteit, beter tegemoetkomt aan de specifieke behoeften en problemen op nationaal en lokaal niveau, op voorwaarde echter dat steeds een holistische aanpak wordt gehanteerd, waarbij met name alle andere wetgeving inzake duurzame ontwikkeling en de circulaire economie wordt betrokken, teneinde een hoogwaardige drinkwatervoorziening te waarborgen.

4.4.

Gelet op de subsidiariteit stelt het EESC voor dat de lidstaten specifieke maatregelen kunnen nemen om de toegang tot drinkwater voor kwetsbare en gemarginaliseerde mensen te vergemakkelijken. Het Comité koestert echter ernstige twijfels over de combinatie van de afschaffing van de huidige nationale uitzonderingsregeling en de invoering van automatische mechanismen op grond van artikel 12 van de richtlijn. Dergelijke maatregelen houden immers onvoldoende rekening met de specifieke territoriale kenmerken en kunnen tot onverwachte onderbrekingen in de voorziening leiden zonder dat er sprake is van een reëel gevaar voor de menselijke gezondheid. Derhalve wordt aanbevolen meer belang te hechten aan vastgestelde trends in de watersamenstelling dan aan individuele, incidentele gegevens.

4.5.

Het Comité is vóór grootschalige communicatiecampagnes om het publiek te informeren over de nieuwe voorschriften inzake gezondheidsbescherming en om een ruimer en bewuster gebruik van het openbaar water te bevorderen. Zulke campagnes moeten ook op niet-digitale wijze worden gevoerd om alle lagen van de bevolking te bereiken. De Commissie zou economische maatregelen moeten overwegen voor recyclingcampagnes en voor degenen die waterbesparende apparaten aanschaffen.

4.6.

Het EESC steunt het voorstel om de bestaande wetgeving inzake materialen die met drinkwater in aanraking komen, te standaardiseren. Het Comité is met name van oordeel dat een dergelijke maatregel aanzienlijke schaalvoordelen op de interne markt en vooruitgang op gezondheidsgebied kan opleveren.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1.

Het EESC beschouwt de ervaring met het Right2Water-initiatief als een belangrijke casestudy, die de Commissie ter harte zou moeten nemen om het instrument van het Europees burgerinitiatief te versterken. Het Comité wijst er met name op dat dit het eerste en enige initiatief is dat de hele procedure heeft doorlopen, wat bevestigt dat het instrument buitensporig ingewikkeld is, zowel wat de indiening en verzameling van steunbetuigingen voor het actiecomité, als wat de follow-up door de Commissie (14) betreft, zoals reeds gedeeltelijk is erkend in het recente voorstel voor een verordening COM(2017) 482.

5.2.

Het Comité meent dat het WHO-model, dat uitgaat van dagelijkse minimumhoeveelheden water per persoon, een zinvolle optie (15) kan zijn. Het EESC acht het van essentieel belang dat de EU het voortouw neemt in de strijd tegen wereldwijde waterarmoede.

5.3.

Conform de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is het van belang dat voor gebruikers beleid wordt uitgewerkt om, op basis van de volgende indicatoren, de toegang tot drinkwater te verbeteren:

veilig: eventuele sporen van pathogene micro-organismen en chemische stoffen mogen de tolerantiedrempel niet overschrijden, noch een stralingsgevaar opleveren;

aanvaardbaar: het water moet een aanvaardbare kleur, geur en smaak hebben;

toegankelijk: ieder heeft recht op water- en sanitaire voorzieningen die binnen of in de directe omgeving van het gezin, de school, de werkplek of de zorginstelling fysiek bereikbaar zijn;

betaalbaar: volgens het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) mogen de waterkosten niet meer bedragen dan 3 % van het gezinsinkomen.

5.4.

Het EESC vreest dat de kosten voor de consument zullen stijgen en dringt er nogmaals op aan dat voor alle burgers het recht op betaalbaar drinkwater wordt erkend. Uit een oogpunt van meer transparantie worden daarom de lidstaten en de Commissie verzocht de prijsontwikkelingen te volgen.

5.5.

Volgens het EESC kan de herziening van de richtlijn voor veel kleine en middelgrote ondernemingen kansen en nieuwe banen opleveren, met name voor bedrijven die zich bezighouden met wateranalyse en -monitoring, onderhoud en nieuwe installaties. Het Comité stelt echter vast dat de Commissie weinig aandacht besteedt aan de vraag of er genoeg werknemers zijn met de juiste vaardigheden, die in staat zijn om de nieuwe uitdagingen in de sector het hoofd te bieden. Het EESC benadrukt de belangrijke rol van het mkb in de waterdistributie. Om administratieve lasten voor het mkb te vermijden, moeten de taken evenredig zijn.

5.6.

Het EESC wijst op de risico’s die de richtlijn voor de mineraalwatersector kan creëren, met alle gevolgen van dien voor de werkgelegenheid. Dit risico wordt door de Commissie onvoldoende onderkend, zowel wat de steun aan ondernemingen in geval van industriële omschakeling, als wat eventuele steun aan werknemers tijdens de perioden zonder werk, en de aanpassing van hun vaardigheden met het oog op herintreding op de arbeidsmarkt betreft. Volgens het EESC moeten deze kwesties op Europees niveau worden aangepakt met behulp van alle beschikbare instrumenten, met inbegrip van de sociale dialoog.

5.7.

Het EESC acht het van belang dat de bronnen voor watervoorziening conform Richtlijn 2000/60/EG in de gaten worden gehouden, dat er -indien noodzakelijk- waterreserves worden aangelegd om noodsituaties het hoofd te bieden, dat er naar nieuwe benaderingen van alternatieve bronnen, zoals regenwater en ontzilting van zeewater, wordt gekeken, en dat het grondwater rationeler wordt gebruikt om verspilling te beperken.

Brussel, 12 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  EESC-advies „Water en sanitaire voorzieningen zijn een mensenrecht!” (PB C 12, 15.1.2015, blz. 33). Paragraaf 1.8.

(2)  Resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 25 september 2015, „Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development”. Doelstelling nr. 6: „Zorg ervoor dat veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen en billijk toegankelijk is.”

(3)  Advies van het EESC over het Europees innovatiepartnerschap (EIP) inzake water (PB C 44, 15.2.2013, blz. 147) (par. 1.2).

(4)  EESC-advies over de Verwerking van waterbeleid in al het andere EU-beleid (PB C 248, 25.8.2011, blz. 43). Paragraaf 1.1.

(5)  EESC-advies Een blauwdruk voor het behoud van de Europese wateren (PB C 327 van 12.11.2013, blz. 93). Paragraaf 1.5.

(6)  www.right2water.eu.

(7)  Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over de follow-up van het Europees burgerinitiatief „Right2Water”.

(8)  EESC-advies „Water en sanitaire voorzieningen zijn een mensenrecht!” (PB C 12, 15.1.2015, blz. 33).

(9)  Resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 25 september 2015, „Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development”. Doelstelling nr. 6: „Zorg ervoor dat veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen en billijk toegankelijk is.”

(10)  De Commissie ontving meer dan 5 900 antwoorden en organiseerde vervolgens formele bijeenkomsten om de transparantie en vergelijkende analyse te bespreken.

(11)  COM(2017) 614 final.

(12)  Samenwerkingsproject inzake drinkwaterparameters van het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) „Support to the revision of Annex I Council Directive 98/83/EC on the quality of water intended for human consumption (Drinking Water Directive) Recommendation”, 11 september 2017.

(13)  COM 2016/666.

(14)  Advies van het EESC over het Europees burgerinitiatief (PB C 237, 6.7.2018, blz. 74).

(15)  http://www.ohchr.org/Documents/Publications/FactSheet35en.pdf.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/112


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing en werking van de .eu-topniveaudomeinnaam en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 733/2002 en Verordening (EG) nr. 874/2004 van de Commissie

(COM(2018) 231 final — 2018/0110(COD))

(2018/C 367/22)

Rapporteur:

Philippe DE BUCK

Raadpleging

Europees Parlement, 28.5.2018

Raad, 5.6.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 172, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij

Goedkeuring door de afdeling

28.6.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

133/1/0

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) steunt de doelstellingen in de voorgestelde verordening betreffende de toepassing en werking van het .eu-topniveaudomein (TLD) en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 733/2002 en (EG) nr. 874/2004 van de Commissie. De bedoeling is enerzijds iets te doen aan achterhaalde bepalingen en anderzijds sneller te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen.

1.2.

Het EESC wijst erop dat het voor EU-burgers, -bedrijven en -organisaties dermate belangrijk is om over een online-identificatiemiddel te beschikken dat de .eu-domeinnaam als een dienst van algemeen belang moet worden beschouwd. Er zou dan ook moeten worden overwogen te bepalen dat het register een organisatie zonder winstoogmerk moet zijn, die zich uitsluitend bezighoudt met het operationele beheer van de domeinnaam, en dat eventuele overschotten naar de EU-begroting overgeheveld moeten worden.

1.3.

Het EESC neemt er nota van dat het register wordt aangewezen na een openbare aanbestedingsprocedure en benadrukt dat alles in het werk moet worden gesteld om het functioneren van .eu-TLD niet te verstoren. Een openbare aanbestedingsprocedure zou negatief kunnen uitpakken op de stabiliteit van het betrokken personeelsbestand en van de betrekkingen met de verschillende registrators alsook op het vertrouwen in en de reputatie van de domeinnaam. Alle selectiecriteria dienen daarom ruim van tevoren duidelijk omschreven te worden. Met name moet helder zijn of het register al dan niet een commercieel bedrijf mag zijn. Het EESC dringt er sowieso op aan dat het hele proces volledig transparant verloopt.

1.4.

De Commissie zou moeten aangeven of het register al dan niet een organisatie zonder winstoogmerk moet zijn.

1.5.

Het EESC is vóór oprichting van een Multistakeholderraad en zou daar graag in vertegenwoordigd zijn.

1.6.

Het EESC steunt de verruiming van de voorwaarden waaraan natuurlijke personen moeten voldoen om een .eu-domeinnaam te kunnen registreren. Zij hoeven niet langer woonachtig te zijn in een lidstaat van de EU. Door alle onderdanen van EU-lidstaten, in welk land zij ook wonen, in staat te stellen een .eu-domeinnaam te registeren, zal niet alleen het profiel van de EU worden versterkt, maar zal ook uitdrukkelijk blijk worden gegeven van affiniteit met de EU.

1.7.

De brexit zal gevolgen hebben voor de ontvankelijkheidscriteria wanneer en indien het Verenigd Koninkrijk de EU verlaat, of wanneer een eventuele overgangsperiode afloopt. Alle instanties die zich bezighouden met de governance en de operationele verantwoordelijkheden rond de .eu-domeinnaam dienen zich op de nieuwe omstandigheden voor te bereiden. De betrokken .eu-domeinnaameigenaars dienen tijdig van de intrekking van hun rechten in kennis te worden gesteld. Er moeten realistische termijnen worden vastgesteld.

1.8.

Het EESC zou graag zien dat voor een soepele overgangsperiode wordt gezorgd. Aangezien het contract van het huidige register, EURid, in oktober 2019 verstrijkt en de nieuwe verordening en de uitvoeringshandelingen van de Commissie op dat moment waarschijnlijk niet volledig ten uitvoer gelegd kunnen worden, zal een overgangsperiode noodzakelijk zijn. Dit betekent dat het contract met EURid moet worden verlengd of dat er opnieuw over onderhandeld moet worden. Aangezien het contract wellicht moet worden gewijzigd, zouden deze onderhandelingen zo vroeg mogelijk moeten beginnen om te voorkomen dat het functioneren van de .eu-domeinnaam wordt verstoord.

2.   Inleiding

2.1.

Het .eu-topniveaudomein (TLD) is de domeinnaam van de Europese Unie en haar burgers. Het is toegewezen aan de EU en wordt beheerd door de Commissie. Het .eu-TLD is in het leven geroepen bij Verordening (EG) nr. 733/2002 betreffende de invoering van het .eu-topniveaudomein. Het is ook onderworpen aan Verordening (EG) nr. 874/2004 en de latere wijzigingen daarop, waarin de regels met betrekking tot het overheidsbeleid voor de toepassing en werking van het .eu-topniveaudomein en de beginselen inzake registratie zijn vastgelegd. Het .eu-TLD werd in maart 2005 gedelegeerd door de Internet Corporation for Assigned Names and Numbers (ICANN) en werd na een zgn. „sunrise period” (bepaald tijdsbestek waarbinnen merkhouders bepaalde domeinnamen kunnen aanvragen) die in december 2005 inging, in april 2006 gelanceerd.

2.2.

Doel van het .eu-TLD is de internetidentiteit van de EU en haar burgers te bevorderen, het imago van de EU op de wereldwijde informatienetwerken te versterken en de interne markt van de EU beter te profileren op de virtuele internetmarktplaats.

2.3.

In overeenstemming met de doelstellingen van de strategie voor de digitale eengemaakte markt biedt het .eu-TLD Europese bedrijven en burgers de mogelijkheid om aan e-handel te doen en actiever te zijn op de eengemaakte onlinemarkt.

2.4.

Het .eu-TLD-register is een organisatie die door de Commissie na een openbare aanbestedingsprocedure voor een periode van vijf jaar is geselecteerd. Het register is van meet af aan beheerd door EURid, een organisatie zonder winstoogmerk die een contract heeft gesloten met de Commissie. Het huidige contract met EURid verstrijkt in oktober 2019. Tot nu toe is de .eu-domeinnaam goed beheerd. Op basis van een tevredenheidsonderzoek onder registrators is EURid uitgeroepen tot beste register.

2.5.

De .eu-domeinnamen kunnen geregistreerd worden via een netwerk van „geaccrediteerde registrators”. Momenteel kan een .eu-domeinnaam alleen geregistreerd worden door natuurlijke personen, bedrijven of organisaties („registreerders”) die in de EU, IJsland, Liechtenstein of Noorwegen wonen of gevestigd zijn.

2.6.

Sommige namen die verband houden met geografische begrippen mogen alleen worden geregistreerd door EU-instellingen, lidstaten, EER-landen, landen die zich in de fase van toetreding tot de EU bevinden en door EURid zelf. De lijst met gereserveerde namen (bijvoorbeeld „republicaportuguesa”, „hrvaska”) is als bijlage gevoegd bij Verordening (EG) nr. 1654/2005, waarin staat dat deze namen uitsluitend als domeinnaam op het tweede niveau rechtstreeks onder het .eu-TLD gereserveerd of geregistreerd kunnen worden.

2.7.

Het .eu-TLD behoort tot de grootste TLD’s ter wereld. Volgens de gegevens van de Commissie telt het meer dan 3,8 miljoen registraties. Na .de, .uk en .nl is het de grootste TLD op Europees niveau. Er zijn meer dan 700 geaccrediteerde registrators over de hele wereld. Sinds .eu werd ingevoerd is het aantal registraties fors toegenomen, al is de afgelopen twee jaar een afvlakking te zien. Het gemiddelde verlengingspercentage (80 %) ligt boven het algemene gemiddelde in de bedrijfstak (70-75 %). Bovendien gaat het gebruik van mobiele applicaties, zoekmachines en sociale media om toegang tot online-inhoud te krijgen ten koste van de zichtbaarheid van domeinnamen, waardoor traditionele domeinnamen onder druk komen te staan.

2.8.

Sinds de vaststelling van de .eu-verordeningen zijn de onlinewereld en de politieke en juridische context in de EU aanzienlijk veranderd. Met de snelle opkomst van nieuwe generieke topniveaudomeinen (zoals .top, .trade, .club of .xyz) is de concurrentie op het gebied van domeinnamen aanmerkelijk toegenomen, waardoor de dynamiek tussen registers en registrators is veranderd. Registrators verkeren bij het aanbieden van domeinnamen aan hun klanten nu in een betere positie om te beslissen welke registers meer zichtbaarheid krijgen. Tegelijkertijd hebben de governance van het internet en het dynamische TLD-ecosysteem substantiële technische wijzigingen ondergaan. De exploitant van het .eu-TLD-register moet aan steeds complexere kwaliteitseisen voldoen.

2.8.1.

Bovendien is de vraag naar unieke online-identificatiemiddelen door de opkomst van socialemediaplatforms veranderd. Unieke online-identificatiemiddelen zijn strings (domeinen, gebruikersnamen) die het mogelijk maken online aanwezig te zijn. Personen en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) beschikken over goedkope en gemakkelijke alternatieven om online aanwezig te zijn. Dit heeft een aanzienlijk effect op de markt voor domeinnamen.

2.9.

De belangrijkste problemen met het huidige kader die de Commissie wil aanpakken, zijn:

2.9.1.

Het .eu-TLD is onderworpen aan een achterhaald en rigide rechtskader dat niet gemakkelijk geactualiseerd kan worden. De verordeningen bevatten zeer gedetailleerde bepalingen die wellicht niet meer relevant zijn, maar wel gevolgen hebben voor het dagelijkse beheer van het .eu-domein. Het .eu-TLD is niet flexibel genoeg om doeltreffend in te spelen op een snel veranderende markt op het vlak van het domeinnaamsysteem (DNS).

2.9.2.

De exploitant van het register wordt geen optimale governancestructuur qua toezicht en verantwoordingsplicht geboden; er wordt geen rekening gehouden met het multistakeholderkarakter van internetgovernance en de Commissie beschikt over onvoldoende toezichthoudende bevoegdheden ten aanzien van de exploitant van het register.

2.9.3.

Op grond van de huidige regels mag het .eu-TLD-register zelf geen .eu-domeinnamen rechtstreeks aan klanten verkopen. Het vermogen van het register om zijn diensten doeltreffend aan te bieden, wordt hierdoor wellicht aangetast.

3.   Samenvatting van het Commissievoorstel

3.1.

De belangrijkste aspecten van het nieuwe voorstel zijn:

3.1.1.

Een rechtskader dat het volgende omvat:

flexibele, toekomstbestendige, op beginselen gebaseerde verordeningen;

comitéprocedures worden beperkt tot de belangrijkste aspecten van het beheer van het .eu-TLD, zoals selectiecriteria voor de exploitant van het register of gereserveerde domeinnamen;

een contract tussen Commissie en exploitant van het register met daarin alle relevante gedetailleerde beginselen en procedures, plus een bijlage met de maatregelen en procedures die betrekking hebben op het beheer van de domeinnaam. Dit zou betekenen dat technische wijzigingen in de toekomst middels een contractherziening doorgevoerd moeten worden.

3.1.2.

Verbeteringen met betrekking tot de governance en het beheer van het .eu-TLD door middel van:

een adviesorgaan, de Multistakeholderraad, om de Commissie bij te staan en te adviseren over de correcte tenuitvoerlegging van de verordening en de exploitatie van het .eu-domein;

nieuwe toezichthoudende bevoegdheden voor de Commissie ten aanzien van het register, teneinde de organisatie, het bestuur en de verrichtingen van het .eu-TLD beter in het oog te houden en na te gaan of het register de verordening naleeft. Het register zal iedere twee jaar door een externe auditor worden gecontroleerd.

3.1.3.

Uitbreiding van de huidige ontvankelijkheidscriteria voor de registratie van .eu-domeinnamen:

EU-burgers die in derde landen wonen, zullen een .eu-domein mogen registreren; natuurlijke personen en ondernemingen uit derde landen die in de EU wonen c.q. gevestigd zijn, mogen eveneens een .eu-domeinnaam registreren.

3.1.4.

Opheffing van de strikte verbodsbepalingen op verticale scheiding:

de Commissie kan het dienstenaanbod van het register verruimen (verkoop van domeinnamen aan eindgebruikers, rechtstreekse registratie van domeinnamen op de website van het register) zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de regels inzake eerlijke mededinging.

3.2.

De Commissie zal toezicht houden op de toepassing van de verordening en uiterlijk vijf jaar na de datum waarop de verordening van kracht wordt, een evaluatieverslag uitbrengen. Bovendien zullen de vorderingen van het .eu-TLD in het oog worden gehouden: de Commissie zal drie jaar na de indiening van dit evaluatieverslag en vervolgens iedere drie jaar daarna een verslag over de implementatie, doelmatigheid en werking van het .eu-TLD uitbrengen.

3.3.

Het voorstel is in overeenstemming met de doelstellingen van de strategie voor de digitale eengemaakte markt, die er o.a. in bestaan Europees ondernemerschap en Europese startups te stimuleren en tegelijkertijd de beveiliging te versterken en het vertrouwen in de internetomgeving te vergroten. De implementatie van de verordening dient in overeenstemming te zijn met de grondrechten op het gebied van gegevensbescherming, privacy, beveiliging en meertaligheid. Persoonlijke gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen moeten worden ingebed in alle gegevensverwerkende systemen en databanken die worden ontwikkeld en/of onderhouden.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.

Het EESC steunt de doelstellingen in de voorgestelde verordening betreffende de toepassing en werking van het .eu-topniveaudomein en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 733/2002 en (EG) nr. 874/2004 van de Commissie. De bedoeling is enerzijds iets te doen aan achterhaalde bepalingen en anderzijds sneller te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen.

4.2.

Het EESC wijst erop dat het voor EU-burgers, -bedrijven en -organisaties dermate belangrijk is om over een online-identificatiemiddel te beschikken dat de .eu-domeinnaam als een dienst van algemeen belang moet worden beschouwd. Er zou dan ook moeten worden overwogen te bepalen dat het register een organisatie zonder winstoogmerk moet zijn, die zich uitsluitend bezighoudt met het operationele beheer van de domeinnaam, en dat eventuele overschotten naar de EU-begroting overgeheveld moeten worden.

4.3.

Het EESC neemt er nota van dat het register wordt aangewezen na een openbare aanbestedingsprocedure en benadrukt dat alles in het werk moet worden gesteld om het functioneren van .eu-TLD niet te verstoren. Een openbare aanbestedingsprocedure zou negatief kunnen uitpakken op de stabiliteit van het betrokken personeelsbestand en van de betrekkingen met de verschillende registrators alsook op het vertrouwen in en de reputatie van de domeinnaam. Alle selectiecriteria dienen daarom ruim van tevoren duidelijk omschreven te worden. Met name moet helder zijn of het register al dan niet een commercieel bedrijf mag zijn.

4.4.

De domeinnaammarkt en -omgeving ondergaan veranderingen door de opkomst van nieuwe internetpartijen, de groei van generieke domeinnamen en de snelle ontwikkeling van internetcommunicatie door bedrijven en particuliere gebruikers.

4.5.

Het EESC kan zich erin vinden dat de nieuwe verordening gebaseerd is op beginselen, d.w.z. dat alleen de brede grondbeginselen in de voorgestelde regels zijn vastgelegd. Dit betekent dat een aantal specifieke regelgevingsonderdelen, zoals de gereserveerde domeinnamen en de criteria voor de selectie van het register, door de Commissie via uitvoeringshandelingen en de comitéprocedure nader vastgesteld zullen worden. Andere, meer gedetailleerde specificaties waaraan het geselecteerde register moet voldoen, zullen later worden overeengekomen en in het contract worden opgenomen.

4.6.

Hoewel het EESC voorstander is van een flexibeler aanpak bij de onderhandelingen over de verordening en het contract, dringt het erop aan dat het hele proces rond de publicatie van de aanbesteding en de onderhandelingen over het contract van meet af aan volledig transparant verloopt. Aanvragers moeten bij het opstellen van hun inschrijving en bij hun voorbereiding op de onderhandelingen een duidelijk beeld hebben van de verplichtingen, voorwaarden en rechten.

4.6.1.

In tegenstelling tot de huidige verordening sluit de nieuwe verordening verticale integratie niet uit. Dit betekent dat het geselecteerde register ook mag optreden als registrator en de .eu-domeinnaam op de markt mag aanbieden. Het EESC kan zich vinden in deze innovatie, die vooral van nut is in landen of regio’s waar registreerders slechts uit een beperkt aantal lokale registrators kunnen kiezen. Een en ander zou een positief effect kunnen hebben op de marktpenetratie van de .eu-domeinnaam, vooral voor de varianten ervan in andere schriften.

4.6.2.

Voorts hoeft het geselecteerde register niet langer een organisatie zonder winstoogmerk te zijn. Indien de Commissie hieraan vasthoudt, dan houdt dit een grote verandering in die aanzienlijke gevolgen met zich mee zal brengen. Commerciële entiteiten zullen immers anders handelen aangezien zij winst zullen moeten maken op de .eu-domeinnaam. Bovendien zullen de door het register gegenereerde overschotten niet langer naar de EU-begroting worden overgeheveld. Het EESC verzoekt de Commissie hier zo snel mogelijk duidelijkheid over te verschaffen, zodat alle relevante informatie beschikbaar is tijdens het wetgevingsproces.

4.6.3.

Terecht wordt er in de effectbeoordeling op gewezen dat de EU van de huidige opzet van het register geprofiteerd heeft omdat de Commissie daardoor in staat werd gesteld een reeks projecten en initiatieven, zoals de bijeenkomsten van EuroDIG en ICANN in Brussel, te ondersteunen.

4.7.

Een belangrijk nieuw element is de oprichting van een Multistakeholderraad, die volgens overweging 20 zal berusten op een reeks coherente mondiale internetgovernancebeginselen. Overeenkomstig artikel 14, lid 2, bestaat de Multistakeholderraad uit vertegenwoordigers van de volgende zes groepen: regeringen van de lidstaten, de privésector, het maatschappelijk middenveld, de academische wereld, internationale organisaties en de technische gemeenschap.

4.7.1.

Het EESC kan zich volledig vinden in deze aanpak, aangezien deze belanghebbenden de EU-instellingen kunnen adviseren over gemeenschappelijke beginselen, normen, regels, besluitvormingsprocedures en programma’s die vorm geven aan het gebruik en de ontwikkeling van internet. Het is echter wel belangrijk om duidelijker aan te geven dat de Multistakeholderraad niet tot taak heeft zich te mengen in het operationele beheer. Het EESC verzoekt de Commissie dan ook om de taken en bevoegdheden van een dergelijke raad nader te verduidelijken. Er moeten voldoende financiële middelen worden uitgetrokken, wil de Multistakeholderraad naar behoren kunnen functioneren.

4.7.2.

Het EESC meent dat het als vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld, mede gezien het belangrijke werk dat het heeft verricht (ook met betrekking tot relevante thema’s als de digitalisering van de economie en de ontwikkeling van de elektronische handel), een plaats in de Multistakeholderraad toekomt.

4.8.

Het EESC is ook ingenomen met het feit dat het toezicht op de naleving van de wettelijke verplichtingen bij alle processen die door het register worden uitgevoerd, wordt aangescherpt met de verplichting om iedere twee jaar een externe audit te laten verrichten. Bovendien zal de Multistakeholderraad adviseren hoe en in hoeverre een audit moet worden uitgevoerd.

4.9.

Het EESC steunt de verruiming van de voorwaarden waaraan natuurlijke personen moeten voldoen om een .eu-domeinnaam te kunnen registreren. Zij hoeven niet langer woonachtig te zijn in een lidstaat van de EU. Door alle onderdanen van EU-lidstaten, in welk land zij ook wonen, in staat te stellen een .eu-domeinnaam te registeren, zal niet alleen het profiel van de EU worden versterkt, maar zal ook uitdrukkelijk blijk worden gegeven van affiniteit met de EU.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1.

Aangezien het contract van het huidige register, EURid, in oktober 2019 verstrijkt en de nieuwe verordening en de uitvoeringshandelingen van de Commissie op dat moment waarschijnlijk niet volledig ten uitvoer gelegd kunnen worden, zal een overgangsperiode noodzakelijk zijn. Dit betekent dat het contract met EURid moet worden verlengd of dat er opnieuw over onderhandeld moet worden. Aangezien het contract wellicht moet worden gewijzigd, zouden deze onderhandelingen zo vroeg mogelijk moeten beginnen om te voorkomen dat het functioneren van de .eu-domeinnaam wordt verstoord.

5.2.

Het EESC stelt tot zijn genoegen vast dat de procedures voor alternatieve geschillenbeslechting (ADR) worden aangevuld met mogelijkheden om online geschillen te beslechten (ODR).

5.3.

Krachtens overweging 16 en artikel 11, onder f), hebben de bevoegde autoriteiten toegang tot de gegevens van het register met het oog op preventie, opsporing en vervolging van misdaden. De huidige formulering kan de indruk wekken dat de rechtshandhavingsautoriteiten onbeperkte en ongedifferentieerde toegang tot registratiegegevens hebben. Iedere wettelijke verplichting tot samenwerking met bevoegde autoriteiten dient afgebakend te zijn en aan controle onderworpen te worden.

5.4.

In artikel 12, lid 1, staat: „Het register zet een WHOIS-databankfaciliteit op en beheert deze, met als doel accurate en actuele informatie over de registratie van domeinnamen onder het .eu-TLD te verstrekken”. Zorg dragen voor accurate gegevens in de WHOIS-databank is een hele opgave in het domeinnaamsysteem, waar gegevens worden ingevoerd door meerdere partijen waarover het register in feite weinig controle heeft. Zo is het meestal de registrator die het contract met de eindgebruiker (registreerder) heeft gesloten. Weliswaar controleren sommige registers de juistheid van de gegevens achteraf, maar geen enkel register kan garanderen dat de gegevens in de WHOIS-databank 100 % accuraat of actueel zijn. De mate van accuraatheid die met een dergelijke bepaling wordt voorgeschreven, is mogelijk dus onrealistisch en onhaalbaar.

5.5.

In de definitie van de term „register” (artikel 2, onder a)) staat onder meer dat het register wordt belast met „de verspreiding van de TLD-zonebestanden”. Deze formulering is ambigu en zou opgevat kunnen worden in die zin dat het register verplicht is zijn zonebestand te publiceren. De meeste landcodetopniveaudomeinen (ccTLD’s) doen dat om redenen van privacy en cyberbeveiliging niet. De definitie van „register” zou duidelijk moeten aangeven dat publicatie van het zonebestand niet vereist is.

5.6.

De brexit zal gevolgen hebben voor de ontvankelijkheidscriteria wanneer en indien het Verenigd Koninkrijk de EU verlaat, of wanneer een eventuele overgangsperiode afloopt. Alle instanties die zich bezighouden met de governance en de operationele verantwoordelijkheden rond de .eu-domeinnaam dienen zich op de nieuwe omstandigheden voor te bereiden. De betrokken .eu-domeinnaameigenaars dienen tijdig van de intrekking van hun rechten in kennis te worden gesteld. Er moeten realistische termijnen worden vastgesteld.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/117


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijnen 2006/112/EG en 2008/118/EG wat betreft de opname van de Italiaanse gemeente Campione d’Italia en de Italiaanse wateren van het meer van Lugano in het douanegebied van de Unie en in het territoriale toepassingsgebied van Richtlijn 2008/118/EG

(COM(2018) 261 final — 2018/0124 (CNS))

(2018/C 367/23)

Raadpleging

Raad van de Europese Unie, 29.5.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

174/0/2

Aangezien het Comité met het voorstel instemt en er geen commentaar op heeft, heeft het met algemene stemmen besloten geen algemene discussie te houden en onmiddellijk over te gaan tot stemming (artikel 50, lid 4, en artikel 56, lid 3, van het reglement van orde).

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/118


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de toepassing van de facultatieve verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten en van het snellereactiemechanisme tegen btw-fraude

(COM(2018) 298 final — 2018/0150(CNS))

(2018/C 367/24)

Raadpleging

Raad van de Europese Unie: 11.6.2018

Rechtgrondslag

Artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedgekeurd door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

175/1/3

Het Comité kan zich volledig in dit voorstel vinden. Het heeft bovendien reeds een standpunt over dit onderwerp ingenomen in een op 31 mei 2017 verschenen advies over btw-derogatie — verleggingsregeling (1). Daarom heeft het tijdens zijn op 11 en 12 juli 2018 gehouden 536e zitting (vergadering van 11 juli 2018) met 175 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, besloten een positief advies over de voorgestelde tekst uit te brengen en daarin te verwijzen naar zijn eerder geformuleerde standpunt ter zake.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 52.


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/119


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 110/2008 voor wat betreft in de Unie in de handel te brengen nominale hoeveelheden van éénmaal gedistilleerde shochu die in een alambiek is gestookt en is gebotteld in Japan

(COM(2018) 199 final — 2018/0097 COD)

(2018/C 367/25)

Raadpleging

Europees Parlement: 2.5.2018

Raad van de Europese Unie: 30.4.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 114, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedgekeurd door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

170/0/5

Aangezien het Comité volledig met het voorstel instemt en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 11 en 12 juli 2018 gehouden 536e zitting (vergadering van 11 juli) met 170 stemmen vóór, bij 5 onthoudingen, besloten hierover een positief advies uit te brengen.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


10.10.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 367/120


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikking 2003/17/EG van de Raad wat betreft de gelijkwaardigheid van in Brazilië verrichte veldkeuringen van gewassen voor de teelt van zaaizaad van groenvoedergewassen en gewassen voor de teelt van zaaigranen en de gelijkwaardigheid van in Brazilië voortgebrachte zaaizaden van groenvoedergewassen en zaaigranen, alsook wat betreft de gelijkwaardigheid van in Moldavië verrichte veldkeuringen van gewassen voor de teelt van zaaigranen, gewassen voor de teelt van groentezaad en gewassen voor de teelt van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen en de gelijkwaardigheid van in Moldavië voortgebrachte zaaigranen, groentezaden en zaaizaden van oliehoudende planten en vezelgewassen

(COM(2017) 643 final — 2017/0297 (COD))

(2018/C 367/26)

Raadpleging

Raad van de Europese Unie: 18.6.2018

Rechtgrondslag

Artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedgekeurd door de voltallige vergadering

11.7.2018

Zitting nr.

536

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

166/0/4

De Raad heeft op 18 juni 2018 besloten om de compromistekst 9299/18, die het Comité van permanente vertegenwoordigers tijdens zijn vergadering van 27 april 2018 heeft goedgekeurd na de wijziging van de rechtsgrond in artikel 43, lid 2, VWEU, ter raadpleging voor te leggen aan het Europees Economisch en Sociaal Comité.

Aangezien het Comité zich in zijn op 14 februari 2018 goedgekeurde advies EESC 2942/00043 (NAT/726) (*1) al heeft uitgesproken over de inhoud van dit voorstel, heeft het tijdens zijn 536e zitting van 11 en 12 juli 2018 (vergadering van 11 juli 2018) met 166 stemmen vóór, bij 4 onthoudingen, besloten er geen nieuw advies over op te stellen, maar te verwijzen naar het standpunt dat het in bovengenoemd advies heeft ingenomen.

Brussel, 11 juli 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(*1)  PB C 227 van 28.6.2018, blz. 76.