ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 346

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

61e jaargang
27 september 2018


Inhoud

Bladzijde

 

 

EUROPEES PARLEMENT
ZITTING 2017-2018
Vergaderingen van 2 t/m 5 oktober 2017
De notulen van deze zitting zijn bekendgemaakt in PB C 109 van 22.3.2018 .
AANGENOMEN TEKSTEN
Vergaderingen van 23 t/m 26 oktober 2017
De notulen van deze zitting zijn bekendgemaakt in PB C 138 van 19.4.2018 .
De aangenomen tekst van 25 oktober 2017 betreffende de kwijtingen voor het begrotingsjaar 2015 is bekendgemaakt in PB L 318 van 2.12.2017 .
AANGENOMEN TEKSTEN

1


 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 3 oktober 2017

2018/C 346/01

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk (2017/2847(RSP))

2

2018/C 346/02

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over de economische empowerment van vrouwen in de particuliere en openbare sector in de EU (2017/2008(INI))

6

2018/C 346/03

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over het aanpakken van de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden (2016/2324(INI))

20

2018/C 346/04

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit (2017/2068(INI))

29

2018/C 346/05

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over politieke betrekkingen tussen de EU en ASEAN (2017/2026(INI))

44

 

Woensdag 4 oktober 2017

2018/C 346/06

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van Verordening van de Commissie tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 met betrekking tot de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de bepaling van hormoonontregelende eigenschappen (D048947/06 — 2017/2801(RPS))

52

2018/C 346/07

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051972 — 2017/2879(RSP))

55

2018/C 346/08

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051971 — 2017/2878(RSP))

60

2018/C 346/09

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over de uitbanning van kindhuwelijken (2017/2663(RSP))

66

2018/C 346/10

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23) (2017/2620(RSP))

70

 

Donderdag 5 oktober 2017

2018/C 346/11

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over de situatie van mensen met albinisme in Malawi en andere Afrikaanse landen (2017/2868(RSP))

82

2018/C 346/12

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over de gevallen van de leiders van de Krim-Tataren Akhtem Chiygoz en Ilmi Umerov en journalist Mykola Semena (2017/2869(RSP))

86

2018/C 346/13

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over de situatie op de Maldiven (2017/2870(RSP))

90

2018/C 346/14

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over penitentiaire systemen en de omstandigheden in de gevangenis (2015/2062(INI))

94

 

Dinsdag 24 oktober 2017

2018/C 346/15

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over de controle van de uitgaven en het toezicht op de kosteneffectiviteit van de EU-garantieregelingen voor jongeren (2016/2242(INI))

105

2018/C 346/16

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot hernieuwde goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 (D053565-01 — 2017/2904(RSP))

117

2018/C 346/17

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D052754 — 2017/2905(RSP))

122

2018/C 346/18

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja 305423 x 40-3-2 (DP-3Ø5423-1 × MON-Ø4Ø32-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D052752 — 2017/2906(RSP))

127

2018/C 346/19

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8 × ACS-BNØØ3-6), MON 88302 × Ms8 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8) en MON 88302 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACS-BNØØ3-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D052753 — 2017/2907(RSP))

133

2018/C 346/20

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën (2017/2742(RSP))

139

2018/C 346/21

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang bij het onthullen van vertrouwelijke informatie van bedrijven en overheidsinstanties (2016/2224(INI))

143

2018/C 346/22

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over beleid ter garantie van een minimuminkomen als instrument om de armoede te bestrijden (2016/2270(INI))

156

 

Woensdag 25 oktober 2017

2018/C 346/23

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat (2017/2038(INI))

171

 

Donderdag 26 oktober 2017

2018/C 346/24

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over de toepassing van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (2016/2251(INI))

184

2018/C 346/25

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU (2017/2897(RSP))

192

2018/C 346/26

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over het economisch beleid van de eurozone 2017/2114(INI))

200

2018/C 346/27

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 met de aanbeveling van het Parlement aan de Raad betreffende het voorgestelde onderhandelingsmandaat voor de handelsbesprekingen met Australië (2017/2192(INI))

212

2018/C 346/28

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 met de aanbeveling van het Parlement aan de Raad over het voorgestelde onderhandelingsmandaat voor handelsonderhandelingen met Nieuw-Zeeland (2017/2193(INI))

219

2018/C 346/29

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over de controle op de toepassing van het EU-recht (2015) (2017/2011(INI))

226


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES PARLEMENT

 

Dinsdag 3 oktober 2017

2018/C 346/30

P8_TA(2017)0362
Beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/65/EU betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (COM(2017)0038 — C8-0021/2017 — 2017/0013(COD))
P8_TC1-COD(2017)0013
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/65/EU betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur

234

2018/C 346/31

P8_TA(2017)0363
In het verdragsgebied van de ICCAT geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van in het verdragsgebied van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad (COM(2016)0401 — C8-0224/2016 — 2016/0187(COD))
P8_TC1-COD(2016)0187
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van in het verdragsgebied van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad

236

 

Woensdag 4 oktober 2017

2018/C 346/32

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de overeenkomst tot oprichting van de internationale EU-LAC-Stichting (11342/2016 — C8-0458/2016 — 2016/0217(NLE))

238

2018/C 346/33

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de inwerkingstelling van bepaalde bepalingen van het Schengenaquis inzake het Visuminformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en in Roemenië (10161/2017 — C8-0224/2017 — 2017/0808(CNS))

239

2018/C 346/34

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens met de Tsjechische Republiek (09893/2017 — C8-0197/2017 — 2017/0806(CNS))

240

2018/C 346/35

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Portugal (09898/2017 — C8-0213/2017 — 2017/0807(CNS))

241

2018/C 346/36

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Griekenland (10476/2017 — C8-0230/2017 — 2017/0809(CNS))

242

2018/C 346/37

P8_TA(2017)0373
Veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/45/EG inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (COM(2016)0369 — C8-0208/2016 — 2016/0170(COD))
P8_TC1-COD(2016)0170
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/45/EG inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen

243

2018/C 346/38

P8_TA(2017)0374
Registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten varen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/41/EG van de Raad inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen en tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten (COM(2016)0370 — C8-0209/2016 — 2016/0171(COD))
P8_TC1-COD(2016)0171
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/41/EG van de Raad inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen en Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten

244

2018/C 346/39

P8_TA(2017)0375
Inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende havenstaatcontrole en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad (COM(2016)0371 — C8-0210/2016 — 2016/0172(COD))
P8_TC1-COD(2016)0172
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad

245

 

Donderdag 5 oktober 2017

2018/C 346/40

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over het ontwerp van verordening van de Raad betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (09941/2017 — C8-0229/2017 — 2013/0255(APP))

246

 

Dinsdag 24 oktober 2017

2018/C 346/41

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de Euro-mediterrane luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (15653/2016 — C8-0094/2017 — 2006/0048(NLE))

247

2018/C 346/42

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot wijziging van Besluit nr. 189/2014/EU van de Raad waarbij Frankrijk wordt gemachtigd een verlaagd tarief van bepaalde indirecte belastingen toe te passen op in Guadeloupe, Frans-Guyana, Martinique en Réunion vervaardigde traditionele rum en tot intrekking van Beschikking 2007/659/EG (COM(2017)0297 — C8-0212/2017 — 2017/0127(CNS))

248

2018/C 346/43

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 560/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (COM(2017)0068 — C8-0118/2017 — 2017/0024(NLE))

249

2018/C 346/44

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende het onderwerpen van N-fenyl-N-[1-(2-fenylethyl)piperidine-4-yl]furaan-2-carboxamide (furanylfentanyl) aan controlemaatregelen (11212/2017 — C8-0242/2017 — 2017/0152(NLE))

253

2018/C 346/45

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad teneinde nieuwe psychoactieve stoffen in de definitie van drug op te nemen en tot intrekking van Besluit 2005/387/JBZ van de Raad (10537/1/2017 — C8-0325/2017 — 2013/0304(COD))

254

2018/C 346/46

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 24 oktober 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van bemestingsproducten met CE-markering en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 (COM(2016)0157 — C8-0123/2016 — 2016/0084(COD))

255

2018/C 346/47

P8_TA(2017)0393
De uitwisseling van informatie over, het systeem voor vroegtijdige waarschuwing voor en de risicobeoordelingsprocedure inzake nieuwe psychoactieve stoffen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1920/2006, wat betreft de uitwisseling van informatie, het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en de risicobeoordelingsprocedure inzake nieuwe psychoactieve stoffen (COM(2016)0547 — C8-0351/2016 — 2016/0261(COD))
P8_TC1-COD(2016)0261
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1920/2006, wat betreft de uitwisseling van informatie over, het systeem voor vroegtijdige waarschuwing voor en de risicobeoordelingsprocedure inzake nieuwe psychoactieve stoffen

362

2018/C 346/48

P8_TA(2017)0394
Gemeenschappelijk visserijbeleid: implementatie van de aanlandingsverplichting ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1380/2013 betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2017)0424 — C8-0239/2017 — 2017/0190(COD))
P8_TC1-COD(2017)0190
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1380/2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid

363

2018/C 346/49

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 tot financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO) en tot verhoging van de reserve voor noodhulp naar aanleiding van de herziening van de verordening inzake het nieuwe meerjarig financieel kader (12441/2017 — C8-0351/2017 — 2017/2135(BUD))

364

2018/C 346/50

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (COM(2017)0480 — C8-0235/2017 — 2017/2134(BUD))

366

 

Woensdag 25 oktober 2017

2018/C 346/51

Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 21 september 2017 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad wat toezicht op producten en governancevereisten voor verzekeringsondernemingen en verzekeringsdistributeurs betreft (C(2017)06218 — 2017/2854(DEA))

369

2018/C 346/52

Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 21 september 2017 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van informatievereisten en gedragsregels die van toepassing zijn op de distributie van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (C(2017)06229 — (2017/2855(DEA))

370

2018/C 346/53

Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 22 september 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen inzake indirecte clearingregelingen (C(2017)06268 — (2017/2860(DEA))

371

2018/C 346/54

Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 22 september 2017 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 149/2013 van de Commissie met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende indirecte clearingregelingen (C(2017)06270 — (2017/2859(DEA))

373

2018/C 346/55

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (11815/2017 — C8-0313/2017 — 2017/2044(BUD))

375

2018/C 346/56

P8_TA(2017)0410
Bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (COM(2016)0248 — C8-0181/2016 — 2016/0130(COD))
P8_TC1-COD(2016)0130
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk

389

2018/C 346/57

P8_TA(2017)0411
Instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de EU overschrijden ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de Europese Unie overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 767/2008 en Verordening (EU) nr. 1077/2011 (COM(2016)0194 — C8-0135/2016 — 2016/0106(COD))
P8_TC1-COD(2016)0106
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de Overeenkomst ter Uitvoering van het te Schengen gesloten Akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011

390

2018/C 346/58

P8_TA(2017)0412
Wijziging van de Schengengrenscode wat betreft het gebruik van het inreis-uitreissysteem ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 in verband met het gebruik van het inreis-uitreissysteem (EES) (COM(2016)0196 — C8-0134/2016 — 2016/0105(COD))
P8_TC1-COD(2016)0105
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 in verband met het gebruik van het inreis-uitreissysteem (EES)

391

 

Donderdag 26 oktober 2017

2018/C 346/59

P8_TA(2017)0415
Een kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende securitisatie en tot instelling van een Europees kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (COM(2015)0472 — C8-0288/2015 — 2015/0226(COD))
P8_TC1-COD(2015)0226
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012

392

2018/C 346/60

P8_TA(2017)0416
Prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) Nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (COM(2015)0473 — C8-0289/2015 — 2015/0225(COD))
P8_TC1-COD(2015)0225
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

393


Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

***

Goedkeuringsprocedure

***I

Gewone wetgevingsprocedure, eerste lezing

***II

Gewone wetgevingsprocedure, tweede lezing

***III

Gewone wetgevingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de in de ontwerptekst voorgestelde rechtsgrond)

Amendementen van het Parlement:

Nieuwe tekstdelen worden in vet cursief aangegeven. Geschrapte tekstdelen worden aangegeven met het symbool ▌of worden doorgestreept. Waar tekstdelen worden vervangen, wordt de nieuwe tekst in vet cursief aangegeven, terwijl de vervangen tekst wordt geschrapt of doorgestreept.

NL

 


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/1


EUROPEES PARLEMENT

ZITTING 2017-2018

Vergaderingen van 2 t/m 5 oktober 2017

De notulen van deze zitting zijn bekendgemaakt in PB C 109 van 22.3.2018.

AANGENOMEN TEKSTEN

Vergaderingen van 23 t/m 26 oktober 2017

De notulen van deze zitting zijn bekendgemaakt in PB C 138 van 19.4.2018.

De aangenomen tekst van 25 oktober 2017 betreffende de kwijtingen voor het begrotingsjaar 2015 is bekendgemaakt in PB L 318 van 2.12.2017.

AANGENOMEN TEKSTEN

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement

Dinsdag 3 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/2


P8_TA(2017)0361

Stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk (2017/2847(RSP))

(2018/C 346/01)

Het Europees Parlement,

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken (1),

gezien de richtsnoeren van de Europese Raad (art. 50) van 29 april 2017 naar aanleiding van de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50 VEU en de bijlage bij het besluit van de Raad van 22 mei 2017 die voorziet in richtsnoeren voor de onderhandelingen over een akkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over de voorwaarden voor zijn terugtrekking uit de Europese Unie,

gezien de standpuntnota's van de Commissie van 12 juni 2017 over „Essentiële beginselen betreffende de rechten van burgers” en „Essentiële beginselen inzake burgerrechten” en van 20 september 2017 over „Leidende beginselen voor de dialoog over Ierland/Noord-Ierland”,

gezien de standpuntnota's van de regering van het Verenigd Koninkrijk over de kwesties in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, en met name die van 26 juni 2017 over „De bescherming van de positie van EU-burgers die in het VK wonen en onderdanen van het VK die in de EU wonen” en van 16 augustus 2017 over „Noord-Ierland en Ierland”,

gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat er momenteel ongeveer 3,2 miljoen burgers van de overblijvende 27 lidstaten (EU-27) in het Verenigd Koninkrijk wonen en 1,2 miljoen burgers van het Verenigd Koninkrijk („Britse staatsburgers”) in de EU-27 wonen;

B.

overwegende dat EU-burgers die zich in een andere lidstaat hebben gevestigd, dat hebben gedaan op grond van hun rechten uit hoofde van het EU-recht en met dien verstande dat zij deze rechten gedurende hun hele leven zouden blijven genieten;

C.

overwegende dat het Europees Parlement alle EU-burgers vertegenwoordigt, met inbegrip van Britse staatsburgers, en zal optreden om hun belangen te beschermen gedurende het hele proces dat zal leiden tot de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie;

D.

overwegende dat uit recente administratieve incidenten in het Verenigd Koninkrijk en ook in een aantal andere lidstaten is gebleken dat er nu al sprake is van discriminatie van burgers van de EU-27 in het Verenigd Koninkrijk en van Britse staatsburgers in de EU-27, met gevolgen voor het dagelijkse leven van de betrokken burgers, waardoor de daadwerkelijke uitoefening van hun rechten wordt beperkt;

E.

overwegende dat een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie vereist dat de unieke positie en de bijzondere omstandigheden waarmee het eiland Ierland wordt geconfronteerd, ter sprake komen, dat het Goede Vrijdagakkoord van 10 april 1998 in al zijn onderdelen wordt gehandhaafd en dat een „verharding” van de grens wordt vermeden;

F.

overwegende dat de inwoners van Noord-Ierland die hun recht op het Ierse staatsburgerschap hebben uitgeoefend of kunnen uitoefenen, het EU-burgerschap zullen genieten en dat er geen obstakels of belemmeringen mogen worden opgeworpen die hen beletten hun rechten uit hoofde van de Verdragen ten volle uit te oefenen;

G.

overwegende dat de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk beide de financiële verplichtingen die uit de volledige duur van het EU-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk voortvloeien, volledig moeten nakomen;

H.

overwegende dat de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 in Florence een aantal verduidelijkingen heeft gegeven over de rechten van burgers, de kwestie Ierland en Noord-Ierland, de financiële regeling, de noodzaak van een overgangsperiode en de vooruitzichten voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk;

1.

herhaalt alle elementen van zijn resolutie van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken;

2.

benadrukt dat de richtsnoeren die de Europese Raad op 29 april 2017 heeft goedgekeurd en de onderhandelingsrichtsnoeren die de Raad vervolgens op 22 mei 2017 heeft vastgesteld, in overeenstemming zijn met de resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017; is ingenomen met het feit dat de onderhandelaar van de Europese Unie met volledige inachtneming van dat mandaat te werk gaat;

3.

neemt er nota van dat de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 een in de tijd beperkte overgangsperiode heeft voorgesteld, in overeenstemming met zijn resolutie van 5 april 2017; wijst erop dat een zo'n overgang alleen mogelijk is op basis van de bestaande regelgevings-, begrotings-, toezichts-, gerechtelijke en handhavingsinstrumenten en -structuren van de Europese Unie; onderstreept dat zo'n overgangsperiode, wanneer het Verenigd Koninkrijk geen lidstaat meer is, alleen de voortzetting van het volledige acquis communautaire kan zijn, hetgeen de volledige toepassing van de vier vrijheden (vrij verkeer van burgers, kapitaal, diensten en goederen) inhoudt, en dat dit moet gebeuren zonder enige beperking van het vrije verkeer van personen door het opleggen van nieuwe voorwaarden; benadrukt dat zo'n overgangsperiode alleen kan worden overwogen onder de volledige bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie; benadrukt dat zo'n overgangsperiode alleen kan worden overeengekomen als er een volwaardig terugtrekkingsakkoord wordt gesloten dat alle kwesties in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk omvat;

Rechten van burgers

4.

benadrukt dat het terugtrekkingsakkoord de volledige reeks rechten moet omvatten die burgers thans genieten, zodat hun positie niet wezenlijk wordt gewijzigd, en dat het moet zorgen voor wederkerigheid, billijkheid, symmetrie en non-discriminatie voor EU-burgers in het Verenigd Koninkrijk en Britse staatsburgers in de Europese Unie; onderstreept met name dat in aanmerking komende EU-onderdanen die in het Verenigd Koninkrijk wonen en kinderen die na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk worden geboren, als gezinsleden en niet als afzonderlijke rechthebbenden onder het terugtrekkingsakkoord moeten vallen, dat toekomstige gezinsleden verblijfsrecht moeten blijven genieten op grond van dezelfde bepalingen als de huidige gezinsleden, dat documenten declaratoir moeten zijn in overeenstemming met het EU-recht, dat omslachtige administratieve procedures moeten worden vermeden en dat alle in de EU-wetgeving gedefinieerde uitkeringen exporteerbaar moeten zijn;

5.

benadrukt in dat verband dat het terugtrekkingsakkoord het geheel van de EU-regels inzake burgerrechten zoals vastgesteld in de desbetreffende EU-wetgeving moet handhaven, maar is van mening dat de voorstellen van het Verenigd Koninkrijk in zijn standpuntnota van 26 juni 2017 in dat opzicht tekortschieten, niet het minst wat betreft het voorstel om een nieuwe categorie „vaste status” in de Britse immigratiewetgeving op te nemen; vreest dat deze voorstellen, het trage onderhandelingsproces en de openbaar gemaakte beleidsopties voor de toekomstige status van EU-burgers tot onnodige moeilijkheden en bezorgdheid leiden voor de burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen;

6.

uit zijn bezorgdheid over betreurenswaardige administratieve praktijken ten aanzien van EU-burgers die in het Verenigd Koninkrijk wonen; herinnert het Verenigd Koninkrijk er bovendien aan dat het zolang het nog een lidstaat van de Europese Unie is, het EU-recht in acht moet nemen en moet handhaven en zich moet onthouden van administratieve of andere praktijken die resulteren in belemmeringen voor en discriminatie van burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen, ook op de werkplek; verwacht dat alle andere lidstaten er van hun kant voor zullen zorgen dat Britse staatsburgers die in de Europese Unie wonen, volledig in overeenstemming met het EU-recht worden behandeld, aangezien zij EU-burgers blijven totdat het Verenigd Koninkrijk zich uit de Europese Unie terugtrekt;

7.

merkt op dat de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 heeft toegezegd ervoor te zullen zorgen dat de rechten van burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen, rechtstreeks van toepassing zijn door het terugtrekkingsakkoord te laten opnemen in het recht van het Verenigd Koninkrijk; benadrukt dat dit op dergelijke wijze moet gebeuren dat het niet eenzijdig kan worden gewijzigd, dat EU-burgers de in het terugtrekkingsakkoord vervatte rechten rechtstreeks kunnen laten gelden voor de rechtbanken en overheidsdiensten van het Verenigd Koninkrijk, en dat het voorrang heeft boven het recht van het Verenigd Koninkrijk; benadrukt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie, teneinde de samenhang en integriteit van de rechtsorde van de EU te waarborgen, de enige bevoegde autoriteit voor de interpretatie en handhaving van het EU-recht en het terugtrekkingsakkoord moet blijven; wacht in dat verband op concrete voorstellen van het Verenigd Koninkrijk;

Ierland en Noord-Ierland

8.

benadrukt dat de unieke positie en de bijzondere omstandigheden waarmee het eiland Ierland wordt geconfronteerd, in het terugtrekkingsakkoord ter sprake moeten komen, en wel op een wijze die volledig in overeenstemming is met het Goede Vrijdagakkoord in al zijn onderdelen, de overeengekomen samenwerkingsgebieden en het EU-recht, teneinde de continuïteit en stabiliteit van het vredesproces in Noord-Ierland te garanderen;

9.

is er stellig van overtuigd dat het de verantwoordelijkheid van de Britse regering is om een unieke, doeltreffende en werkbare oplossing te vinden die een „verharding” van de grens voorkomt, ervoor zorgt dat het Goede Vrijdagakkoord in al zijn onderdelen volledig wordt nageleefd, in overeenstemming is met het EU-recht, en de integriteit van de interne markt en de douane-unie volledig garandeert; is ook van mening dat het Verenigd Koninkrijk zijn billijke aandeel in de financiële steun aan Noord-Ierland/Ierland moet blijven betalen; betreurt dat de voorstellen van het Verenigd Koninkrijk in zijn standpuntnota over „Noord-Ierland en Ierland” in dit opzicht tekortschieten; neemt er anderzijds nota van dat de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 fysieke infrastructuur aan de grens heeft uitgesloten, wat veronderstelt dat het Verenigd Koninkrijk in de interne markt en de douane-unie blijft of dat Noord-Ierland in een of andere vorm in de interne markt en de douane-unie blijft;

10.

herhaalt dat een oplossing die voor het eiland Ierland wordt gevonden, niet mag dienen om bij voorbaat oplossingen vast te leggen in de context van de besprekingen over de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk;

Financiële regeling

11.

neemt kennis van de verklaring van de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 over de financiële regeling, maar wacht in dat verband op concrete voorstellen van de regering van het Verenigd Koninkrijk; onderstreept dat het ontbreken van duidelijke voorstellen de onderhandelingen tot dusver ernstig heeft belemmerd en dat er op dit gebied aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt voordat er besprekingen over andere kwesties, waaronder het kader voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk, kunnen worden aangegaan;

12.

bevestigt, overeenkomstig het standpunt van de Commissie van 12 juni 2017 over „Essentiële beginselen inzake financiële afwikkeling”, opnieuw dat het Verenigd Koninkrijk zijn financiële verplichtingen als lidstaat van de Europese Unie volledig moet nakomen en benadrukt dat deze kwestie volledig in het terugtrekkingsakkoord moet worden geregeld; wijst met name op de financiële verplichtingen die voortvloeien uit het meerjarig financieel kader en het besluit betreffende de eigen middelen van 2014 (2), die, los van een eventuele overgangsperiode, de nog te betalen vastleggingen van de Europese Unie, het aandeel in de verplichtingen, met inbegrip van voorwaardelijke verplichtingen, en de kosten van de terugtrekking uit de Europese Unie omvatten, aangezien er geen sprake van kan zijn dat verplichtingen die door 28 lidstaten zijn aangegaan, slechts door de overblijvende 27 worden nakomen;

Vooruitgang van de onderhandelingen

13.

herinnert eraan dat er overeenkomstig de gefaseerde aanpak van de onderhandelingen, die van cruciaal belang is voor een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt wat de rechten van burgers, Ierland en Noord-Ierland en de afwikkeling van de financiële verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk betreft, voordat de onderhandelingen over het kader voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk en over de overgangsfase kunnen worden aangevat;

14.

onderstreept dat het van essentieel belang is dat de toezeggingen die de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 heeft gedaan, ook worden omgezet in tastbare wijzigingen in het standpunt van het Verenigd Koninkrijk en in concrete voorstellen, teneinde de werkzaamheden tijdens de eerste fase van de onderhandelingen te bespoedigen en het mogelijk te maken dat in een tweede fase, op basis van wederzijds vertrouwen en loyale samenwerking, besprekingen kunnen beginnen over een nieuw en hecht partnerschap in het kader van een associatie tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie;

15.

is van mening dat er in de vierde onderhandelingsronde nog onvoldoende vooruitgang is geboekt wat de rechten van burgers, Ierland en Noord-Ierland en de afwikkeling van de financiële verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk betreft; vraagt de Europese Raad om, tenzij er tijdens de vijfde onderhandelingsronde op alle drie de gebieden een grote doorbraak in overeenstemming met deze resolutie wordt bereikt, tijdens zijn bijeenkomst in oktober 2017 te besluiten om de beoordeling van de vraag of er voldoende vooruitgang is geboekt, uit te stellen;

o

o o

16.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie, de nationale parlementen en de regering van het Verenigd Koninkrijk.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0102.

(2)  Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105).


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/6


P8_TA(2017)0364

De economische empowerment van vrouwen in de particuliere en openbare sector in de EU

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over de economische empowerment van vrouwen in de particuliere en openbare sector in de EU (2017/2008(INI))

(2018/C 346/02)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien de artikelen 8 en 10, artikel 153, lid 1, artikel 153, lid 2, en artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de artikelen 23 en 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (1),

gezien Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad (2),

gezien Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (3) (richtlijn moederschapsverlof),

gezien het voorstel van de Commissie van 2 juli 2008 voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426),

gezien zijn standpunt van 2 april 2009 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (4),

gezien het voorstel van de Commissie van 3 oktober 2008 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de richtlijn moederschapsverlof (COM(2008)0637),

gezien zijn standpunt in eerste lezing vastgesteld op 20 oktober 2010 met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/85/EEG van de Raad inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie en inzake de vaststelling van maatregelen die werknemers helpen om hun werk en gezinsleven te combineren (5),

gezien Richtlijn 2013/62/EU van de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Richtlijn 2010/18/EU tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, in verband met de wijziging van de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie (6),

gezien het voorstel van de Commissie van 14 november 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen (richtlijn vrouwelijke bestuurders) (COM(2012)0614),

gezien zijn standpunt in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2013 met het oog op de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen (7),

gezien zijn resolutie van 12 maart 2013 over de uitbanning van genderstereotypen in de EU (8),

gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid (9),

gezien zijn resolutie van 20 mei 2015 over zwangerschapsverlof (10),

gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU (11),

gezien zijn resolutie van 12 mei 2016 over de toepassing van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst over ouderschapsverlof, en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG (12),

gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief (13),

gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven (14),

gezien zijn resolutie van 15 september 2016 over toepassing van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep („richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep”) (15),

gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (16),

gezien zijn aanbeveling van 14 februari 2017 aan de Raad over de EU-prioriteiten voor de 61e vergadering van de Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw (17),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015 (18),

gezien zijn resolutie van 4 april 2017 over vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden (19),

gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2015 getiteld „Gelijke inkomenskansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten”,

gezien het in de conclusies van de Raad van 7 maart 2011 aangenomen Europees pact voor gendergelijkheid voor de periode 2011-2020 (20),

gezien de aanbeveling van de Commissie van 7 maart 2014 getiteld „Het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen versterken door transparantie” (2014/124/EU) (21),

gezien het initiatief van de Commissie van december 2015 getiteld „Roadmap: A new start to address the challenges of work-life balance faced by working families” (Stappenplan: nieuwe start om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin bij werkende gezinnen aan te pakken), alsook de raadpleging van de bevolking en belanghebbenden hierover,

gezien de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, de eerste globale reeks richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten, die ondubbelzinnig werden goedgekeurd door alle VN-lidstaten tijdens de vergadering van de VN-Mensenrechtenraad van 16 juni 2011; gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 over maatschappelijk verantwoord ondernemen (COM(2011)0681), waarin de lidstaten ertoe worden aangespoord om de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten aan hun eigen nationale context aan te passen,

gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 inzake de oprichting van een Europese pijler van sociale rechten (COM(2017)0250),

gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 getiteld „Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen” (COM(2017)0252),

gezien de strategie van de Europese Investeringsbankgroep inzake gendergelijkheid en economische empowerment van vrouwen,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld „The Strategic engagement for gender equality 2016-2019” (Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019) (SWD(2015)0278) en met name hoofdstuk 3.1 getiteld „Increasing female labour-market participation and the equal economic independence of women and men” (Vergroting van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en gelijke economische onafhankelijkheid voor vrouwen en mannen),

gezien het verslag van de Commissie van 2017 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie, en met name hoofdstuk 1 getiteld „Increasing female labour market participation and the equal economic independence of women and men” (Vergroting van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en gelijke economische onafhankelijkheid voor vrouwen en mannen), alsook hoofdstuk 2 getiteld „Reducing gender pay, earnings and pension gaps” (De verkleining van de loon-, inkomsten- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen),

gezien de verslagen van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound), getiteld „The gender employment gap: challenges and solutions” (Het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen: uitdagingen en oplossingen, 2016), „Work-life balance: creating solutions for everyone” (Balans tussen werk en privéleven: oplossingen die voor iedereen werken, 2016), „Social partners and gender equality in Europe” (Sociale partners en gendergelijkheid in Europa, 2014) en „Developments in working life in Europe: EurWORK annual review” (Ontwikkelingen in de arbeidssfeer in Europa: jaaroverzicht EurWORK, 2014 en 2015), alsook het zesde Europees onderzoek naar de arbeidsomstandigheden (EWCS, 2016),

gezien het IAO-verdrag betreffende gelijke beloning van 1951, het IAO-verdrag betreffende deeltijdwerk van 1994, het IAO-verdrag betreffende thuiswerk van 1996, het IAO-verdrag betreffende de bescherming van het moederschap van 2000 en het IAO-verdrag inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijk personeel van 2011,

gezien de goedgekeurde conclusies van 24 maart 2017 van de 61e zitting van de Commissie van de Verenigde Naties voor de Status van de Vrouw getiteld „Women's economic empowerment in the changing world of work” (Economische empowerment van vrouwen in de veranderende arbeidswereld),

gezien het rapport van september 2016 van het panel op hoog niveau van de VN-secretaris-generaal over economische empowerment van vrouwen getiteld „Leave no one behind: A call to action for gender equality and women's economic empowerment” (Niemand aan zijn lot overlaten: een oproep om tot actie over te gaan met betrekking tot gendergelijkheid en de economische empowerment van vrouwen),

gezien het actieprogramma van Peking en het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0271/2017),

A.

overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden gendergelijkheid te bevorderen en voor gendermainstreaming te zorgen in al haar activiteiten;

B.

overwegende dat een gelijke participatie van vrouwen in de arbeidsmarkt en economische besluitvorming een absolute voorwaarde is voor de empowerment van vrouwen, maar hier tevens het gevolg van is;

C.

overwegende dat vrouwen in de hele EU nog steeds sterk ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt en in bestuursfuncties en dat de totale arbeidsparticipatie van vrouwen nog altijd bijna 12 % lager ligt dan die van mannen;

D.

overwegende dat de voornaamste belemmeringen voor de economische empowerment van vrouwen onder meer bestaan uit nadelige sociale normen, discriminerende wetgeving of een gebrek aan rechtsbescherming, het uitblijven van een gelijke verdeling van onbetaald huishoudelijk werk en zorgtaken tussen mannen en vrouwen, alsook een gebrek aan toegang tot financiële activa, digitale assets en onroerend goed; overwegende dat deze situatie bovendien nog erger kan worden als gevolg van discriminatie die al deze factoren doorkruist (22), op grond van onder meer ras en etnische afkomst, religie, handicap, gezondheid, genderidentiteit, seksuele gerichtheid en/of sociaaleconomische omstandigheden;

E.

overwegende dat structurele belemmeringen voor de economische empowerment van vrouwen voortkomen uit meervoudige en elkaar kruisende vormen van ongelijkheid, stereotypen en discriminatie in de openbare en privésfeer;

F.

overwegende dat economische empowerment van vrouwen niet alleen „juist” maar ook „slim” is, in de eerste plaats omdat het een essentieel aspect vormt van gendergelijkheid en dus een kwestie van mensenrechten is en in de tweede plaats omdat de grotere participatie van vrouwen in de arbeidsmarkt bijdraagt aan duurzame economische ontwikkeling op alle niveaus van de samenleving; overwegende dat bedrijven die vrouwen naar waarde schatten en hen in staat stellen om ten volle deel uit te maken van de arbeidsmarkt en besluitvormingsprocessen betere prestaties kunnen voorleggen en de productiviteit en de economische groei helpen stimuleren; overwegende dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) bewijzen aanvoert die erop wijzen dat een betere gendergelijkheid tegen 2050 tot 10,5 miljoen bijkomende banen zou opleveren in de EU, dat de arbeidsparticipatie in de EU bijna 80 % zou bedragen en dat het bbp per hoofd in de EU zou kunnen toenemen met 6,1 % tot 9,6 % en dat dit de groei in de lidstaten tegen 2050 met 15 % tot 45 % zou kunnen stimuleren;

G.

overwegende dat in de Europa 2020-strategie het streefdoel is opgenomen om tegen 2020 in de EU 75 % van de mannen en vrouwen aan het werk te krijgen en om met name de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen te dichten; overwegende dat er gecoördineerde inspanningen nodig zullen zijn om de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen te bevorderen;

H.

overwegende dat de Commissie eind 2015 het genderactieplan 2016-2020 heeft gepubliceerd en daarin de economische rechten en empowerment van vrouwen naar voren schuift als een van de vier „cruciale gebieden” voor actie;

I.

overwegende dat „de verkleining van de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen en dus ook de bestrijding van armoede bij vrouwen” tot de prioriteiten behoort die de Commissie heeft vastgelegd in haar document „Strategic engagement for gender equality 2016-2019” (Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019);

J.

overwegende dat de 17 duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) horizontale streefdoelen bevatten voor de economische empowerment van vrouwen;

K.

overwegende dat een daadwerkelijk evenwicht tussen werk en privéleven bevorderend werkt om in de verhoudingen tussen vrouwen en mannen naar een model van „equal earner-equal carer” te evolueren, een gunstige uitwerking heeft op het vlak van gezondheid en bijdraagt tot een inclusieve economische omgeving, groei, concurrentievermogen, algemene arbeidsmarktparticipatie, gendergelijkheid, een verminderd risico op armoede en solidariteit tussen de generaties, en dat hierdoor beter kan worden ingespeeld op de uitdagingen die verbonden zijn aan een vergrijzende samenleving;

L.

overwegende dat in de EU 31,5 % van de werkende vrouwen deeltijds werkt, tegenover 8,2 % van de werkende mannen, en dat iets meer dan 50 % van de vrouwen voltijds werkt, tegenover 71,2 % van de mannen, goed voor een verschil in voltijdse arbeidsparticipatie van 25,5 %; overwegende dat bijna 20 % van de economisch inactieve vrouwen zorgtaken vermeldt bij de redenen van inactiviteit, en dat dit voor economisch inactieve mannen slechts in 2 % van de gevallen geldt; overwegende dat zorgtaken en problemen die voortvloeien uit de combinatie tussen werk en privéleven tot gevolg hebben dat vrouwen veel vaker deeltijds werken of economisch inactief zijn dan mannen, hetgeen nadelige gevolgen heeft voor hun loon en hun inkomen uit pensioen;

M.

overwegende dat de meeste zorgtaken doorgaans gericht zijn op de kinderen, oudere familieleden of gehandicapte familieleden van onbetaalde verzorgers;

N.

overwegende dat vrouwen ten minste tweeënhalf keer zoveel onbetaalde huishoudelijke en zorgtaken verrichten dan mannen;

O.

overwegende dat het moederschap niet mag worden gezien als een obstakel dat de professionele ontwikkeling van vrouwen en dus ook hun emancipatie in de weg staat;

P.

overwegende dat mannen en vrouwen gelijke rechten en plichten hebben met betrekking tot het ouderschap (met uitzondering van herstel na de bevalling) en overwegende dat de lasten van het opvoeden van kinderen moeten worden gedeeld en niet alleen op de schouders van de moeder mogen terechtkomen;

Q.

overwegende dat de gemiddelde arbeidsparticipatie van vrouwen met een kind jonger dan zes jaar in 2015 bijna 9 % lager lag dan die van vrouwen zonder jonge kinderen en dat het verschil in een aantal lidstaten meer dan 30 % bedroeg;

R.

overwegende dat het onaanvaardbaar is moederschap en ouderschap aan te voeren als reden om vrouwen te discrimineren die willen beginnen en blijven werken;

S.

overwegende dat er een publiek toegankelijk kader voor het in kaart brengen van lonen en voor het verzamelen van gegevens tot stand moet worden gebracht, met de bedoeling de genderloonkloof te dichten door druk uit te oefenen op de particuliere en openbare sector om hun loonstructuren te evalueren en eventuele gendergerelateerde verschillen die zo aan de oppervlakte komen recht te zetten, en dat op die manier een „cultuur van bewustzijn” tot stand kan komen waarin het sociaal onaanvaardbaar is wanneer er in een sector of bedrijf sprake is van een loonkloof tussen mannen en vrouwen;

T.

overwegende dat quota een positief effect blijken te hebben op de prestaties van particuliere ondernemingen, een impuls blijken te geven aan bredere economische groei en er daarnaast ook voor zorgen dat het aanwezige talent onder de beroepsbevolking beter wordt benut;

U.

overwegende dat gendergelijkheid en diversiteit onder vertegenwoordigers van de werknemers in het bestuur van bedrijven een democratisch kernbeginsel is met positieve economische gevolgen, zoals inclusieve strategische besluitvorming en de verkleining van de loonkloof tussen vrouwen en mannen;

V.

overwegende dat uit studies van de OESO blijkt dat bedrijven met meer vrouwen in hun bestuur winstgevender zijn dan bedrijven met enkel mannen in het bestuur;

W.

overwegende dat traditioneel door vrouwen gedomineerde sectoren of functies over het algemeen worden gekenmerkt door lagere lonen dan vergelijkbare sectoren of functies die door mannen worden gedomineerd, hetgeen een rol speelt in de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, die momenteel respectievelijk 16 % en 40 % bedragen;

X.

overwegende dat de IAO een kader heeft uitgewerkt waarbinnen banen worden beoordeeld aan de hand van vier factoren, meer bepaald kwalificaties, inspanning, verantwoordelijkheid en arbeidsomstandigheden, en een gewicht krijgen toebedeeld volgens het belang dat ze hebben voor de onderneming of organisatie in kwestie;

Y.

overwegende dat sociale partners de economische empowerment van vrouwen kunnen versterken via collectieve onderhandelingen, door zich in te zetten voor gelijke lonen voor vrouwen en mannen, door te investeren in een evenwicht tussen werk en privéleven, door de loopbaanontwikkeling van vrouwen in bedrijven te stimuleren en door informatie en opleiding op het gebied van werknemersrechten te verstrekken;

Z.

overwegende dat er bewijzen zijn die aantonen dat loonverschillen kleiner zijn waar er een sterke traditie van collectieve onderhandelingen is (23);

AA.

overwegende dat cijfers van Eurostat aantonen dat 24,4 % van de vrouwen in de EU het slachtoffer dreigt te worden van armoede of sociale uitsluiting, waarbij vooral alleenstaande moeders, vrouwen boven de 55 jaar en vrouwen met een handicap een bijzonder hoog risico lopen op werkloosheid en inactiviteit op de arbeidsmarkt;

AB.

overwegende dat de toepassing van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) een absolute voorwaarde is om empowerment van vrouwen en dus gendergelijkheid tot stand te brengen; overwegende dat gendergerelateerd geweld een onaanvaardbare vorm van discriminatie is en een schending vormt van de grondrechten en dat dit niet alleen gevolgen heeft voor de gezondheid en het welzijn van vrouwen, maar ook voor hun toegang tot de arbeidsmarkt en hun financiële onafhankelijkheid; overwegende dat geweld ten aanzien van vrouwen een van de grootste hindernissen vormt voor gendergelijkheid en dat onderwijs over het potentieel beschikt het risico op gendergerelateerd geweld terug te dringen; overwegende dat vrouwen door onderwijs sociaal en economisch sterker staan en dat dit hen kan helpen te ontsnappen aan geweld; overwegende dat geweld en intimidatie op het werk, met inbegrip van seksisme en seksuele intimidatie, ernstige nadelige gevolgen hebben voor alle betrokken werknemers, hun collega's en hun gezinnen, alsook voor de organisaties waar ze werken en de samenleving als geheel, en dat dit een van de verklaringen kan zijn waarom vrouwen de arbeidsmarkt verlaten;

AC.

overwegende dat economisch geweld een vorm van gendergerelateerd geweld is in het dagelijks leven van vrouwen dat hen belet hun recht op vrijheid te vervullen, dat ongelijkheid tussen mannen en vrouwen genereert en de rol van vrouwen in de hele samenleving miskent;

AD.

overwegende dat er tal van studies zijn waaruit duidelijk blijkt dat bezuinigingen in de openbare sector enorme negatieve gevolgen hebben gehad voor vrouwen, hun economische empowerment en voor gendergelijkheid;

AE.

overwegende dat opleiding, kwalificaties en de verwerving van vaardigheden van essentieel belang zijn voor de empowerment van vrouwen op sociaal, cultureel en economisch niveau, en dat opleidingsmogelijkheden algemeen worden beschouwd als een centraal aspect voor het bestrijden van ongelijkheden zoals ondervertegenwoordiging in besluitvormings- en bestuursfuncties en op de domeinen van techniek en wetenschap, en dus bijdragen aan de economische empowerment van vrouwen en meisjes;

AF.

overwegende dat digitalisering positieve effecten heeft wat betreft het scheppen van nieuwe banen en het teweegbrengen van een constructieve verschuiving naar flexibelere arbeidspatronen, met name voor vrouwen die hun intrede of herintrede op de arbeidsmarkt doen, en gunstig is om een beter evenwicht tussen zorgtaken en het beroepsleven voor zowel vrouwen als mannen mogelijk te maken;

I.    Algemene overwegingen

1.

is van mening dat de economische participatie en empowerment van vrouwen van cruciaal belang zijn voor de versterking van de grondrechten van vrouwen, aangezien vrouwen hierdoor economisch onafhankelijk kunnen worden, invloed kunnen uitoefenen in de samenleving en controle kunnen hebben over hun eigen leven, en er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat het glazen plafond dat een gelijke behandeling van mannen en vrouwen in het beroepsleven in de weg staat, wordt doorbroken; spoort daarom aan tot de economische empowerment van vrouwen via politieke en financiële methoden;

2.

benadrukt dat de rechten en de economische empowerment van vrouwen alleen kunnen worden versterkt als we iets doen aan de diepgewortelde ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen die leiden tot discriminatie en geweld ten aanzien van vrouwen, meisjes en LGBTI's, en wijst erop dat machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen in wisselwerking staan met andere vormen van discriminatie en ongelijkheid, onder meer die op grond van ras, handicap, leeftijd en genderidentiteit;

3.

doet een oproep aan de Commissie en de lidstaten om voor iedereen gelijkheid en non-discriminatie op de werkplek te waarborgen;

4.

verzoekt de lidstaten de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep en Richtlijn 2010/41/EU betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen volledig ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie om een betere toepassing van deze richtlijnen te waarborgen;

5.

wijst erop dat de lage arbeidsparticipatie van vrouwen en de uitsluiting van vrouwen van de arbeidsmarkt nadelige gevolgen hebben voor de economische empowerment van vrouwen; wijst erop dat de totale jaarlijkse economische kosten van de lagere arbeidsparticipatie van vrouwen, rekening houdend met gederfde inkomsten, sociale bijdragen en extra kosten voor de overheidsfinanciën, volgens schattingen van Eurofound in 2013 goed waren voor 2,8 % van het bbp van de EU of 370 miljard EUR, terwijl de kosten van de uitsluiting van een vrouw van de arbeidsmarkt door het EIGE worden geschat op 1,2 à 2 miljoen EUR, afhankelijk van het opleidingsniveau van de vrouw;

6.

overwegende dat de economische empowerment van vrouwen en gelijke kansen op de arbeidsmarkt in de eerste plaats cruciaal zijn voor de vrouw als individu, maar ook van groot belang zijn voor de economische groei van de EU en een positieve impact hebben op het bbp, op inclusiviteit en het concurrentievermogen van bedrijven, en tevens helpen om in te spelen op problemen die gepaard gaan met de vergrijzing van de EU-bevolking; wijst erop dat het bbp van de EU volgens een studie uit 2009 in theorie met bijna 27 % zou kunnen groeien indien wordt uitgegaan van een arbeidsmarkt waar een volledig genderevenwicht geldt;

II.    Maatregelen en instrumenten om de economische empowerment van vrouwen te bevorderen

Beter evenwicht tussen werk en privéleven

7.

stelt vast dat de Commissie naar aanleiding van de oproep van het Parlement om een beter evenwicht tussen werk en privéleven tot stand te brengen niet-wetgevingsvoorstellen en een wetsvoorstel heeft geformuleerd waarin verschillende soorten verlof in het leven worden geroepen om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te kunnen bieden; benadrukt dat de voorstellen van de Commissie een eerste stap in de goede richting zijn om te voldoen aan de verwachtingen van Europese burgers, aangezien vrouwen en mannen hierdoor in staat worden gesteld hun beroeps-, gezins- en sociale verantwoordelijkheden eerlijker te verdelen, vooral wat de zorg voor personen ten laste en voor de kinderen betreft; verzoekt alle instellingen om dit pakket zo spoedig mogelijk te realiseren;

8.

roept de lidstaten ertoe op om betere bescherming te bieden tegen discriminatie en onrechtmatig ontslag in verband met de combinatie van werk en privéleven en om de toegang tot de rechter en het nemen van juridische stappen te waarborgen; verzoekt de Commissie om met betrekking tot de EU-antidiscriminatiewetgeving te zorgen voor een beter toezicht, voor een betere omzetting en uitvoering, en om in voorkomend geval inbreukprocedures in te leiden en naleving te bevorderen door onder meer gebruik te maken van bewustmakingscampagnes over wettelijke rechten op het vlak van gelijke behandeling;

9.

benadrukt dat lonen en socialezekerheidsbijdragen tijdens verlofperioden moeten worden doorbetaald;

10.

verzoekt de lidstaten om op basis van een analyse van beste praktijken ontspanningsverlof te garanderen voor ouders van kinderen met een handicap, waarbij de aandacht in het bijzonder uitgaat naar alleenstaande moeders;

11.

dringt er bij de lidstaten op aan te investeren in informele naschoolse onderwijsfaciliteiten waar de nadruk op spelen ligt en waar kinderen met name terecht kunnen wanneer zij uit school/uit de crèche komen, om de kloof tussen school- en kantooruren te overbruggen;

12.

hamert erop dat de verwezenlijking van de Barcelona-doelstellingen en de introductie van zorgdoelstellingen voor hulpbehoevenden en ouderen in de samenleving, met onder meer toegankelijke, betaalbare en kwaliteitsvolle voorzieningen en diensten voor kinderopvang en andere zorg en beleidsmaatregelen inzake zelfstandig wonen voor personen met een handicap, van cruciaal belang zijn voor de lidstaten om de Europa 2020-doelstellingen te kunnen behalen; wijst erop dat investeringen in sociale infrastructuur, zoals kinderopvang, niet alleen grote werkgelegenheidseffecten hebben, maar ook aanzienlijke extra inkomsten voor de overheidssector genereren in de vorm van belasting op arbeid en besparingen met betrekking tot de werkloosheidsverzekering; benadrukt in dat verband dat er in alle plattelandsgebieden voorzieningen voor kinderopvang beschikbaar moeten zijn en spoort de lidstaten aan tot het bevorderen van investeringen in dienstverlening voor levenslange, toegankelijke en betaalbare kwaliteitszorg, onder meer voor kinderen, hulpbehoevenden en ouderen; is van mening dat adequate kinderopvang ook beschikbaar en betaalbaar moet zijn opdat ouders gebruik kunnen maken van de mogelijkheden van een leven lang leren;

13.

benadrukt de cruciale rol van kwaliteitsvolle openbare dienstverlening, met name voor vrouwen; onderstreept het belang van universele toegang tot hoogwaardige, betaalbare, gunstig gelegen en vraaggestuurde openbare diensten als een hefboom voor de economische empowerment van vrouwen;

14.

wijst op de huidige incoherentie tussen de verwezenlijkingen van de lidstaten en de doelstellingen die in de Barcelona-doelstellingen zijn vastgelegd, en dringt er bij de Commissie op aan nauwlettend toe te zien op de maatregelen die de lidstaten hebben genomen, om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan hun verplichtingen;

15.

is ervan overtuigd dat het voor een wijziging van de traditionele stereotypen met betrekking tot rollenpatronen van mannen en vrouwen een absolute voorwaarde is dat mannen meer zorgtaken gaan uitvoeren; is voorts van mening dat beide geslachten en de hele samenleving baat zullen hebben bij een eerlijkere verdeling van onbetaald werk en bij een evenwichtigere opname van zorggerelateerd verlof; is ervan overtuigd dat een „equal earner-equal carer”-model het meest doeltreffende middel is om gendergelijkheid te bereiken in alle aspecten van het leven;

16.

verzoekt de lidstaten een specifiek en actief werkgelegenheids- en opleidingsbeleid te voeren om vrouwen die hun loopbaan hebben onderbroken om voor een persoon ten laste te zorgen te steunen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

17.

benadrukt dat een beter evenwicht tussen werk en privéleven en een grotere gelijkheid tussen vrouwen en mannen van essentieel belang zijn om de doelstellingen met betrekking tot de empowerment van vrouwen te verwezenlijken; benadrukt dat een beter evenwicht tussen werk en privéleven zou zorgen voor een eerlijkere verdeling van betaald en onbetaald werk binnen het gezin en voor een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen, en daardoor ook de loon- en pensioenkloof tussen vrouwen en mannen zou verkleinen;

18.

benadrukt het belang van goede arbeidsvoorwaarden die zekerheid bieden en zowel vrouwen als mannen in staat stellen werk en privéleven met elkaar te verzoenen, en verzoekt de Commissie en de lidstaten te ijveren voor sterkere arbeidsrechten, collectieve onderhandelingen en grotere gelijkheid tussen vrouwen en mannen;

19.

pleit er sterk voor om te stimuleren dat het recht op verlofregelingen wordt geïndividualiseerd, dat het recht op ouderschapsverlof niet kan worden overgedragen van de ene ouder op de andere, en dat zorggerelateerde taken gelijk worden verdeeld tussen beide ouders, met het oog op een verzoening tussen werk en privéleven die voor zowel vrouwen als mannen in balans is;

20.

verzoekt de Commissie middelen uit te trekken voor studies om te analyseren wat de omvang en waarde is van onbetaalde zorgtaken binnen het gezin die door vrouwen en mannen worden verricht, en hoeveel uren er gemiddeld worden besteed aan betaald en onbetaald werk, met name met betrekking tot de zorg voor ouderen, kinderen en personen met een handicap;

21.

dringt aan op de ontwikkeling van een kader voor flexibele vormen van werk voor vrouwen en mannen waarin de werknemer centraal staat, vergezeld van adequate sociale bescherming, zodat het makkelijker wordt een evenwicht te bewaren tussen persoonlijke en professionele verantwoordelijkheden; is er tegelijkertijd van overtuigd dat werknemersrechten en het recht op een zekere baan voorrang moeten krijgen op flexibiliteit van de arbeidsmarkt, zodat wordt gewaarborgd dat flexibiliteit niet leidt tot meer precaire, ongewenste en onzekere arbeidsvormen en banen en niet ten koste gaat van arbeidsnormen die momenteel eerder vrouwen dan mannen betreffen — waarbij precaire arbeid betrekking heeft op banen die niet stroken met EU-, internationale en nationale normen en wetten, en/of die onvoldoende inkomen genereren voor een waardig leven of een adequate sociale bescherming, zoals onderbroken arbeid, de meeste tijdelijke contracten, nulurencontracten of onvrijwillig deeltijds werk; benadrukt tevens dat er voorwaarden moeten worden gecreëerd waarmee het recht om van vrijwillig deeltijds werk weer over te schakelen op voltijds werk wordt gegarandeerd;

Gelijk loon voor gelijk werk van gelijke waarde en het in kaart brengen van lonen

22.

merkt op dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijk of gelijkwaardig werk is verankerd en wordt gedefinieerd in artikel 157 van het VWEU en dat de lidstaten dit daadwerkelijk moeten toepassen; dringt er in dit verband op aan dat de aanbeveling van de Commissie over de versterking van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen door transparantie moet worden gebruikt om de situatie in de lidstaten nauwlettend te volgen en voortgangsverslagen op te stellen, onder meer met de steun van de sociale partners, en spoort de lidstaten en de Commissie aan met het oog hierop beleidsmaatregelen uit te werken en toe te passen, in overeenstemming met deze aanbeveling, zodat de aanhoudende loonkloof tussen mannen vrouwen voor eens en voor altijd tot het verleden behoort;

23.

dringt er bij de lidstaten en ondernemingen op aan loonpariteit in acht te nemen en bindende maatregelen in te voeren met betrekking tot loontransparantie, zodat ondernemingen methoden aangereikt krijgen voor het bestrijden van de loonkloof tussen mannen en vrouwen, onder meer via loonaudits en door maatregelen inzake gelijke beloning deel te laten uitmaken van collectieve onderhandelingen; beklemtoont hoe belangrijk het is dat werknemers van nationale, regionale en lokale overheden en wetshandhavingsinstanties, alsook arbeidsinspecteurs passende opleiding krijgen over de wetgeving en jurisprudentie inzake non-discriminatie met betrekking tot arbeid;

24.

onderstreept dat traditioneel door vrouwen gedomineerde banen, zoals werk in de gezondheids-, sociale en onderwijssector, erkenning en een nieuwe waardering moeten krijgen, vergeleken met traditioneel door mannen gedomineerde banen;

25.

is ervan overtuigd dat er voor de verwezenlijking van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijk werk van gelijke waarde een duidelijk kader nodig is met specifieke instrumenten voor de beoordeling van banen met vergelijkbare indicatoren om de „waarde” van banen of sectoren in te schatten;

26.

wijst erop dat in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie de waarde van arbeid dient te worden beoordeeld en vergeleken aan de hand van objectieve criteria, zoals onderwijs-, beroeps- en opleidingsvereisten, vaardigheden, inspanningen en verantwoordelijkheid, verrichte werkzaamheden en de aard van de betrokken taken;

27.

wijst op het belang van het beginsel van genderneutraliteit in systemen voor het evalueren en indelen van banen in zowel de openbare als de particuliere sector; is verheugd over de inspanningen van de lidstaten om beleid te bevorderen ter voorkoming van discriminatie bij de aanwerving en spoort hen aan het gebruik van genderblinde cv's te bevorderen, zodat ondernemingen en overheden niet vervallen in gendervooroordelen bij het aanwerven van personeel; verzoekt de Commissie te overwegen een geanonimiseerd „Europass-CV” te ontwikkelen; stelt voor dat de lidstaten programma's uitwerken om sociale en genderspecifieke stereotypen te bestrijden, met name onder jongere delen van de bevolking, als een manier om te voorkomen dat er een rangorde van banen ontstaat aan de hand van het beroep, waardoor vrouwen vaak slechts beperkt toegang krijgen tot de best betaalde functies en banen;

Genderevenwicht in de openbare en particuliere sector

28.

is van mening dat quota in de openbare sector mogelijk nodig zijn indien de openbare instellingen niet voldoen aan hun verantwoordelijkheid inzake billijke vertegenwoordiging, en dat quota zo kunnen zorgen voor een grotere democratische legitimiteit van besluitvormingsorganen;

29.

merkt op dat het gebruik van genderquota en lijsten volgens het ritsprincipe bij de politieke besluitvorming de doeltreffendste manier is gebleken om discriminatie en gendergerelateerde machtsongelijkheid aan te pakken en te zorgen voor een betere democratische vertegenwoordiging in politieke besluitvormingsorganen;

30.

dringt bij de Commissie aan op een verbeterde verzameling, analyse en verspreiding van uitvoerige, vergelijkbare, betrouwbare en regelmatig geactualiseerde gegevens over de deelname van vrouwen aan de besluitvorming;

31.

verzoekt de EU-instellingen de deelname van vrouwen aan het Europese verkiezingsproces te stimuleren door genderevenwichtige lijsten op te nemen in de volgende herziening van de Europese kieswet;

32.

herhaalt zijn verzoek aan de Raad om een snelle vaststelling van de richtlijn inzake de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen als een belangrijke eerste stap op weg naar een gelijke vertegenwoordiging in de openbare en particuliere sector, en merkt op dat bestuursraden met meer vrouwen een positief effect blijken te hebben op de prestaties van particuliere ondernemingen; wijst erop dat de meeste tastbare vooruitgang (van 11,9 % in 2010 naar 22,7 % in 2015) is geboekt in lidstaten waar bindende wetgeving inzake quota voor raden van bestuur is aangenomen (24); dringt er bij de Commissie op aan druk te blijven uitoefenen op de lidstaten om tot een akkoord te komen;

Gendergelijkheidsplannen

33.

constateert dat de Commissie er voorstander van is dat organisaties die onderzoek uitvoeren en onderzoek financieren gendergelijkheidsplannen vaststellen;

34.

merkt op dat gendergelijkheidsplannen op het niveau van een onderneming of sector diverse personeelsmaatregelen kunnen omvatten, gericht op aanwerving, loon, bevordering, opleiding en het evenwicht tussen werk en privéleven; merkt op dat hierbij vaak sprake is van concrete maatregelen, zoals genderneutraal taalgebruik, preventie van seksuele intimidatie, benoeming van het ondervertegenwoordigde geslacht voor topfuncties, deeltijds werk en de participatie van vaders in de zorg voor de kinderen, en dat met betrekking tot de verplichte invoering van dergelijke maatregelen in de lidstaten uiteenlopende benaderingen worden gehanteerd;

35.

beaamt dat de vaststelling van gendergelijkheidsplannen en genderaudits in de particuliere sector bedrijven een positief imago kan opleveren van werkplek waar het evenwicht tussen werk en privéleven wordt bevorderd en kan bijdragen tot een grotere motivatie bij de werknemers en tot een kleiner personeelsverloop; verzoekt de Commissie daarom bedrijven met meer dan 50 werknemers aan te sporen om met de sociale partners te onderhandelen over gendergelijkheidsplannen met het oog op een grotere gendergelijkheid en ter bestrijding van discriminatie op de werkplek; dringt erop aan dat in deze gendergelijkheidsplannen een strategie wordt opgenomen om seksuele intimidatie op het werk aan te pakken, te voorkomen en uit te bannen;

Collectieve arbeidsovereenkomsten en sociale partners

36.

is ervan overtuigd dat sociale partners en collectieve arbeidsovereenkomsten het potentieel in zich dragen om gendergelijkheid te bevorderen, via solidariteit bij te dragen aan de empowerment van vrouwen en de strijd aan te gaan met ongelijke beloning van mannen en vrouwen; benadrukt dat het waarborgen van een gelijke en passende vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in teams voor het voeren van collectieve onderhandelingen van cruciaal belang is om de economische empowerment van vrouwen te bevorderen, en is daarom van mening dat sociale partners vrouwen in de structuur van het sociaal partnerschap een sterkere positie moeten toebedelen in leidende besluitvormingsfuncties en moeten onderhandelen over gendergelijkheidsplannen op het niveau van ondernemingen en sectoren;

37.

spoort de Commissie aan samen te werken met sociale partners en het maatschappelijk middenveld om hen te versterken in hun centrale rol bij het opsporen van discriminerende gendervooroordelen in de vaststelling van loonschalen en bij het verstrekken van functiewaarderingen die vrij zijn van gendervooroordelen;

III.    Aanbevelingen voor de bevordering van de economische empowerment van vrouwen

38.

is van mening dat economische modellen en praktijken, fiscale maatregelen en uitgavenprioriteiten, met name in tijden van crisis, een genderaspect moeten bevatten, rekening moeten houden met vrouwen als economische actoren en gericht moeten zijn op het dichten van genderkloven ten goede van burgers, bedrijven en de samenleving als geheel, en herhaalt in dit verband dat met name vrouwen te lijden hebben gehad onder de economische crises;

39.

dringt aan op hervormingen om gendergelijkheid te vergroten, zowel in het gezinsleven als op de arbeidsmarkt;

40.

merkt op dat vrouwen doorgaans een loopbaan zonder noemenswaardige vooruitgang hebben; roept de lidstaten op vrouwen aan te sporen en te steunen om een succesvolle carrière uit te bouwen, onder meer via positieve acties zoals netwerk- en begeleidingsprogramma's, door gepaste omstandigheden te creëren en op elke leeftijd dezelfde kansen als voor mannen te garanderen wat betreft opleiding, promotie, bijscholing en omscholing, alsook door te zorgen voor pensioenrechten en werkloosheidsuitkeringen die gelijk zijn aan die van mannen;

41.

spoort de lidstaten aan om op basis van de bepalingen van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten (25) (de richtlijn betreffende overheidsopdrachten) het gebruik van sociale clausules bij overheidsopdrachten te bevorderen als een methode om de gelijkheid tussen vrouwen en mannen te vergroten, indien er sprake is van relevante nationale wetgeving en deze kan fungeren als basis voor sociale clausules;

42.

benadrukt dat de strijd moet worden aangebonden met alle vormen van gendergerelateerd geweld, waaronder huiselijk geweld als verkrachting, vrouwelijke genitale verminking, seksueel misbruik, seksuele uitbuiting, seksuele intimidatie, gedwongen huwelijken op jonge leeftijd en kindhuwelijken, alsook het fenomeen van economisch geweld; vestigt de aandacht op het bijzonder zorgwekkende hoge aantal gevallen van seksuele intimidatie op het werk (26) en onderstreept dat de empowerment van vrouwen enkel kan slagen als de werkplek vrij is van alle vormen van discriminatie en geweld; verzoekt de EU en de lidstaten om het Verdrag van Istanbul zonder voorbehoud te ratificeren en bewustmakings- en informatiecampagnes te organiseren over geweld ten aanzien van vrouwen, en vraagt om de uitwisseling van goede praktijken te stimuleren; merkt op dat de economische onafhankelijkheid van vrouwen een cruciale rol speelt in hun vermogen om aan situaties van geweld te ontsnappen; verzoekt de lidstaten daarom socialebeschermingsstelsels uit te bouwen om vrouwen in deze situatie te ondersteunen;

43.

herhaalt dat de individuele, sociale en economische empowerment en onafhankelijkheid van vrouwen verweven is met het recht om zelf te beslissen over hun lichaam en seksualiteit; wijst erop dat universele toegang tot het volledige aanbod van seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten een cruciale motor vormt om gelijkheid voor iedereen te bevorderen;

44.

is ingenomen met de conclusies van de 61e zitting van de Commissie inzake de positie van de vrouw over de economische empowerment van vrouwen in de veranderende arbeidswereld, waarin voor de eerste keer een rechtstreeks en duidelijk verband wordt gelegd tussen de economische empowerment van vrouwen en hun seksuele en reproductieve gezondheid en reproductieve rechten; betreurt echter dat uitgebreide seksuele voorlichting volledig is weggelaten in de overeenkomst;

45.

beklemtoont dat vrouwen 52 % van de totale Europese bevolking uitmaken, maar slechts een derde van de zelfstandige werknemers of startende ondernemers in de EU; benadrukt dat vrouwen meer moeilijkheden ondervinden dan mannen om toegang te krijgen tot financiering, opleiding en netwerkvorming en om een evenwicht te bewaren tussen werk en gezin; spoort de lidstaten aan maatregelen en acties te stimuleren om vrouwen te ondersteunen en te adviseren bij het opstarten van een onderneming, maar onderstreept dat financiële onafhankelijkheid van cruciaal belang is om gelijkheid tot stand te brengen; verzoekt de lidstaten de toegang tot kredieten te vereenvoudigen en de bureaucratische rompslomp en andere belemmeringen voor startende vrouwelijke ondernemers weg te werken; verzoekt de Commissie om intensiever met de lidstaten samen te werken om de hinderpalen voor vrouwelijk ondernemerschap op te sporen en weg te werken, en om meer vrouwen aan te sporen een eigen bedrijf op te starten, onder meer door te zorgen voor verbetering op het vlak van toegang tot financiering, marktonderzoek, opleiding en netwerkvorming voor zakelijke doeleinden, zoals het platform WEgate voor vrouwelijke ondernemers en andere Europese netwerken;

46.

onderstreept dat de economische empowerment en de zelfstandigheid van vrouwen kan worden bevorderd door de digitale vaardigheden en IT-geletterdheid van vrouwen en meisjes te verbeteren en de integratie van vrouwen in de ICT-sector te stimuleren, wat op zijn beurt ook de totale genderloonkloof kleiner zal maken; verzoekt de lidstaten en de Commissie zich meer in te spannen om een einde te maken aan de digitale kloof tussen mannen en vrouwen, zoals aangekondigd in de Europa 2020-digitale agenda, door de toegang van vrouwen tot de informatiemaatschappij te bevorderen, met een bijzondere nadruk op een betere zichtbaarheid van vrouwen in de digitale sector;

47.

wijst erop dat bijna 60 % van de afgestudeerden in de EU van het vrouwelijk geslacht is, maar dat vrouwen desalniettemin vanwege hardnekkige belemmerende factoren nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in de wetenschap, wiskunde, IT, engineering en aanverwante loopbanen; verzoekt de lidstaten en de Commissie informatie- en bewustmakingscampagnes op te starten om de participatie van vrouwen in traditioneel door mannen gedomineerde sectoren te bevorderen, met name in de wetenschappen en de nieuwe technologieën, onder meer door gendergelijkheid te integreren in de digitale agenda voor de komende jaren en door de participatie van mannen in sectoren die traditioneel als „vrouwelijk” worden gezien te bevorderen, met name in de zorg en het onderwijs; benadrukt hoe belangrijk het is de sociale bescherming uit te breiden in sectoren waar vooral vrouwen aan de slag zijn, bijvoorbeeld in het geval van persoonlijke zorgverleners, schoonmakers en assistenten, cateringpersoneel en vrije beroepen in de gezondheidszorg; benadrukt hoe belangrijk beroepsonderwijs en -opleiding is om loopbaankeuzes te diversifiëren en vrouwen en mannen in contact te brengen met niet-traditionele loopbaanmogelijkheden, zodat horizontale en verticale uitsluiting geen kans krijgt en het aantal vrouwen in besluitvormingsorganen in de politiek en het bedrijfsleven stijgt;

48.

verzoekt de lidstaten wetgevende en niet-wetgevende maatregelen te nemen om de economische en sociale rechten van werknemers in de zogenaamde vervrouwelijkte sectoren te waarborgen; wijst erop hoe belangrijk het is de oververtegenwoordiging van vrouwen in onzekere banen te voorkomen en herhaalt dat het onzeker karakter van sectoren als die van huishoudelijk werk of zorgverlening moet worden bestreden; is zich ervan bewust dat het werk in de grotendeels vervrouwelijkte sector van huishoudelijk werk en huishoudelijke dienstverlening vaak plaatsvindt in de vorm van zwartwerk; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de formele sector van huishoudelijke dienstverlening te bevorderen en verder te ontwikkelen, onder meer via het Europees platform tegen zwartwerk, om huishoudelijke diensten, arbeidsrelaties tussen gezinsleden en thuiszorg te erkennen als een waardevolle economische sector met een potentieel voor het scheppen van banen die beter moet worden gereguleerd in de lidstaten, zodat er voor huishoudelijk personeel zekere banen worden gecreëerd en gezinnen bovendien in staat worden gesteld hun rol als werkgevers te vervullen, en er mogelijkheden ontstaan voor werkende gezinnen om hun professionele en privéleven met elkaar te verzoenen;

49.

benadrukt het belang van onderwijs voor de bestrijding van genderstereotypen; verzoekt de Commissie daarom initiatieven te steunen die zijn gericht op het ontwikkelen van opleidingsprogramma's inzake gendergelijkheid voor onderwijspersoneel en op het voorkomen dat stereotypen worden doorgegeven via onderwijsprogramma's en lesmateriaal;

50.

benadrukt het belang van gendermainstreaming als een fundamenteel instrument voor het uitwerken van genderbewuste beleidslijnen en wetgeving, onder meer op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken, en dus voor het waarborgen van de economische empowerment van vrouwen; verzoekt de Commissie systematische gendereffectbeoordelingen in te voeren; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om haar tekst „Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019” een hogere status toe te kennen door deze als mededeling aan te nemen; verzoekt de Commissie genderbewuste budgettering in te voeren in het komend meerjarig financieel kader en de controle van EU-begrotingsprocedures en -uitgaven steeds strenger te maken, onder meer door maatregelen te nemen ter verbetering van de transparantie en door verslaglegging met betrekking tot de besteding van middelen; verzoekt voorts de Europese Investeringsbank om gendergelijkheid en economische empowerment van vrouwen te integreren in al haar activiteiten binnen en buiten de EU;

51.

verzoekt de lidstaten het genderperspectief te integreren in hun nationale beleid op het gebied van vaardigheden en de arbeidsmarkt en dergelijke maatregelen op te nemen in nationale actieplannen en als onderdeel van het Europees semester, in overeenstemming met de werkgelegenheidsrichtsnoeren;

52.

onderstreept hoe belangrijk het is vrouwen in plattelandsgebieden mogelijkheden voor een leven lang leren aan te bieden, onder meer in het kader van opleidingen binnen een onderneming; benadrukt dat in plattelandsgebieden naar verhouding een groot aantal zelfstandigen werkzaam is die onvoldoende sociale bescherming genieten, en dat er verhoudingsgewijs veel „onzichtbaar” werk wordt verricht, hetgeen met name gevolgen heeft voor vrouwen; verzoekt de lidstaten en de regio's met wetgevende bevoegdheden dan ook om sociale zekerheid te garanderen voor zowel mannen als vrouwen die in plattelandsgebieden werken; verzoekt de lidstaten tevens om voor vrouwen een eerlijke toegang tot land te faciliteren, eigendoms- en erfrechten te waarborgen en toegang tot kredieten te vereenvoudigen;

53.

wijst erop dat vrouwen meer dan mannen het risico lopen in armoede te vervallen of te maken te krijgen met sociale uitsluiting, en benadrukt daarom dat maatregelen ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting een grote impact hebben op de economische empowerment van vrouwen; benadrukt dat het alleen mogelijk is de genderpensioenkloof te voorkomen en te dichten en de armoede onder oudere vrouwen terug te dringen wanneer er voorwaarden worden gecreëerd waarin vrouwen gelijke pensioenbijdragen kunnen afdragen door hen verder te integreren in de arbeidsmarkt en gelijke kansen te waarborgen wat betreft beloning, loopbaanontwikkeling en mogelijkheden om voltijds te werken; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de ESI-fondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen bijdragen aan de terugdringing van armoede bij vrouwen, zodat de algemene Europa 2020-doelstelling inzake armoedebestrijding kan worden verwezenlijkt; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat de 20 % ESF-middelen die zijn toegewezen voor maatregelen voor sociale inclusie ook worden gebruikt om meer steun te leveren aan lokale projecten die gericht zijn op de empowerment van vrouwen die te maken krijgen met armoede en sociale uitsluiting;

54.

merkt op dat armoede nog steeds gemeten wordt aan de hand van het totale inkomen van het huishouden, waarbij ervan uit wordt gegaan dat alle leden van het huishouden evenveel verdienen en dat de middelen eerlijk worden verdeeld; dringt aan op geïndividualiseerde rechten en berekeningen die gebaseerd zijn op individuele inkomens, zodat de ware omvang van armoede onder vrouwen zichtbaar wordt;

55.

merkt op dat vrouwen het meest zijn getroffen door bezuinigingsmaatregelen in de openbare sector (minder en duurdere kinderopvang, afbouw van diensten voor ouderen en personen met een handicap, privatisering en sluiting van ziekenhuizen), met name op gebieden zoals onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening, aangezien vrouwen 70 % van de werknemers in de openbare sector vormen;

56.

benadrukt dat het belangrijk is aandacht te besteden aan de specifieke behoeften en complexe problemen van een aantal kwetsbare groepen die te maken krijgen met bepaalde barrières die toegang tot de arbeidsmarkt bemoeilijken; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat deze personen snel en gemakkelijk toegang krijgen tot kwaliteitsvolle opleidingen, met inbegrip van stages, met het oog op een volledige integratie in onze samenleving en op de arbeidsmarkt, rekening houdend met de informele en formele vaardigheden en competenties, talenten en knowhow; roept de lidstaten ertoe op maatregelen in te voeren ter voorkoming van intersectionele discriminatie, een fenomeen dat vooral vrouwen in kwetsbare situaties treft; benadrukt hoe belangrijk het is dat Richtlijn 2000/78/EG inzake gelijke behandeling in arbeid en beroep en Richtlijn 2000/43/EG van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (27), op correcte wijze ten uitvoer worden gelegd;

57.

verzoekt de lidstaten en de Commissie de praktische toepassing van de reeds bestaande wetgeving en werkplekmaatregelen af te dwingen en te verbeteren en deze in voorkomend geval aan te passen om vrouwen te beschermen tegen directe en indirecte discriminatie, vooral bij het selecteren, aanwerven, in dienst houden, specifiek opleiden en bevorderen van vrouwen in banen in zowel de openbare als de particuliere sector, en om vrouwen gelijke kansen te bieden op het vlak van loon en loopbaanontwikkeling;

58.

betreurt het ten zeerste dat de Raad nog steeds niet zijn goedkeuring heeft gehecht aan het in 2008 ingediende voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid; is verheugd dat de Commissie deze richtlijn prioriteit heeft gegeven; herhaalt zijn oproep aan de Raad om het voorstel zo snel mogelijk goed te keuren;

59.

verzoekt de Commissie de verzameling van specifieke genderindicatoren en naar gender uitgesplitste gegevens te verbeteren om te kunnen nagaan wat het effect op gendergelijkheid is van beleid in de lidstaten en op EU-niveau;

60.

benadrukt dat vrouwen onevenredig vaak en veelal onvrijwillig in onzekere banen terechtkomen; verzoekt de lidstaten om de IAO-aanbevelingen ter vermindering van het aantal onzekere banen ten uitvoer te leggen, zoals een beperking van de omstandigheden waarin gebruik kan worden gemaakt van onzekere arbeidsovereenkomsten en een verkorting van de periode waarbinnen werknemers met een dergelijke arbeidsovereenkomst kunnen worden aangeworven;

61.

verzoekt het EIGE om door te gaan met het verzamelen van genderspecifieke gegevens en het opstellen van scoreborden op alle relevante beleidsdomeinen;

o

o o

62.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(2)  PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1.

(3)  PB L 348 van 28.11.1992, blz. 1.

(4)  PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 68.

(5)  PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 163.

(6)  PB L 353 van 28.12.2013, blz. 7.

(7)  PB C 436 van 24.11.2016, blz. 225.

(8)  PB C 36 van 29.1.2016, blz. 18.

(9)  PB C 93 van 9.3.2016, blz. 110.

(10)  PB C 353 van 27.9.2016, blz. 39.

(11)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0203.

(12)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0226.

(13)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0235.

(14)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.

(15)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0360.

(16)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0351.

(17)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0029.

(18)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0073.

(19)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0099.

(20)  3073e zitting van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken, Brussel, 7 maart 2011.

(21)  PB L 69 van 8.3.2014, blz. 112.

(22)  VN-panel op hoog niveau over economische empowerment van vrouwen: „Leave no one behind: A call to action for gender equality and economic women's empowerment” (september 2016).

(23)  Zie „Collective bargaining: our powerful tool to close the gender gap” (Collectieve onderhandelingen: onze krachtige hefboom om de genderkloof te dichten) van het Europees Verbond van Vakverenigingen (2015).

(24)  Zie: factsheet van de Commissie getiteld „Gender balance on corporate boards — Europe is cracking the glass ceiling” (Genderevenwicht in raden van bestuur — Europa doorbreekt het glazen plafond), oktober 2015; Europese Commissie, DG JUST, „Women in economic decision-making in the EU: Progress report: A Europe 2020 initiative” (Vrouwen in economische besluitvorming in de EU: voortgangsverslag: een Europa 2020-initiatief), 2012; Aagoth Storvik en Mari Teigen, „Women on Board: The Norwegian Experience” (Vrouwen aan boord: ervaringen in Noorwegen), juni 2010.

(25)  PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.

(26)  FRA-onderzoek over geweld tegen vrouwen.

(27)  PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/20


P8_TA(2017)0365

Het aanpakken van de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over het aanpakken van de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden (2016/2324(INI))

(2018/C 346/03)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien artikel 7 van het VWEU waarin wordt bevestigd dat de EU toeziet „op de samenhang tussen haar verschillende beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen”,

gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de VN, in het bijzonder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, die op 16 december 1966 in New York zijn aangenomen, en het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 1979,

gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde slotdocument getiteld „Onze wereld transformeren: de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling” (1),

gezien de Europese consensus over ontwikkeling,

gezien het document getiteld „Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid — gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa”, dat in juni 2016 is gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) (2),

gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019), dat op 20 juli 2015 door de Raad is aangenomen (3),

gezien de routekaart van de EU voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld in partnerlanden,

gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (de Overeenkomst van Cotonou), en de herzieningen hiervan van 2005 en 2010,

gezien de gedragscode voor de deelname van het maatschappelijk middenveld aan het besluitvormingsproces, goedgekeurd door de conferentie van INGO's van 1 oktober 2009,

gezien de verklaring van Berlijn, opgesteld na de jaarlijkse vergadering van de Basisgroep van het Platform van het maatschappelijk middenveld voor de vredes- en staatsopbouw (CSPPS) die van 6 tot 9 juli 2016 plaatsvond,

gezien Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 (4) en Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (5),

gezien Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (6) en Verklaring I van de Overeenkomst van Cotonou („Gemeenschappelijke Verklaring over de actoren van het partnerschap”),

gezien artikel 187, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (7) (het „Financieel Reglement”),

gezien het indicatief meerjarenprogramma voor ontwikkelingssamenwerking 2014-2020 „Organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden” (8),

gezien de mededeling van de Commissie van 12 september 2012 getiteld „Aan de basis van democratie en duurzame ontwikkeling: het maatschappelijke engagement van Europa in de externe betrekkingen” (COM(2012)0492),

gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 27 juni 2016 over de ruimte voor het maatschappelijk middenveld (9),

gezien het EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld, en het EU-beleid voor 2015,

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen (10),

gezien zijn resolutie van 4 oktober 2016 over de toekomst van de ACS-EU-betrekkingen voor de periode na 2020 (11),

gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten, inclusief de EU-richtsnoeren inzake verdedigers van de mensenrechten, en de EU-richtsnoeren tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, goedgekeurd door de Raad op 24 juni 2013,

gezien de richtsnoeren voor interparlementaire delegaties van het Europees Parlement over het bevorderen van de mensenrechten en democratie bij hun bezoeken buiten de Europese Unie (12),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 9 oktober 2013 getiteld „Eigen verantwoordelijkheid voor de lokale autoriteiten in de partnerlanden met het oog op beter bestuur en doeltreffender ontwikkelingsresultaten”,

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 24 februari 2015 getiteld „Een waardig leven voor iedereen: van wensbeeld naar collectieve maatregelen”,

gezien het rapport van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 11 april 2016 met praktische aanbevelingen voor het creëren en in stand houden van een veilige en stimulerende omgeving voor het maatschappelijk middenveld, op basis van goede praktijken en geleerde lessen (13), en gezien de rapporten van de speciale VN-rapporteur over het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging,

gezien het mondiaal risicorapport 2017 van het Economisch Wereldforum (14),

gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de herziening van de Europese consensus over ontwikkeling (15),

gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking (16),

gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over het verslag 2015 van de EU over de coherentie van het ontwikkelingsbeleid (17),

gezien de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten,

gezien zijn resolutie van 12 mei 2016 over de follow-up en de herziening van de Agenda 2030 (18),

gezien zijn resolutie van 22 oktober 2013 over lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld: toezeggingen van Europa ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling (19),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0283/2017),

A.

overwegende dat artikel 21 van het VEU bekrachtigt dat het extern optreden van de EU, met inbegrip van ontwikkelingssamenwerking, geleid wordt door de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

B.

overwegende dat het maatschappelijk middenveld naast de openbare en de particuliere sector de derde sector van een gezonde en fatsoenlijke maatschappij vertegenwoordigt; overwegende dat het middenveld bestaat uit niet-gouvernementele en non-profitorganisaties die een rol spelen in het openbare leven en waarin de belangen en waarden van hun leden of anderen tot uitdrukking komen, die gebaseerd zijn op ethische, culturele, politieke, wetenschappelijke, religieuze of filantropische overwegingen;

C.

overwegende dat het maatschappelijk middenveld een centrale rol speelt bij de opbouw en versterking van de democratie, bij de controle op de macht van de staat en bij de bevordering van goed bestuur, transparantie en verantwoording; overwegende dat de aanwezigheid van middenveldorganisaties als energieke krachten in de maatschappij van fundamenteel belang is, aangezien zij het nodige tegengewicht bieden aan de gevestigde orde, de rol van tussenpersoon en bemiddelaar tussen bevolking en staat op zich nemen en zich opwerpen als bewakers van de democratie; overwegende dat tal van maatschappelijke organisaties ernaar hebben gestreefd zich in te zetten voor constitutionele hervormingsprocessen om de democratische beginselen en instellingen te beschermen;

D.

overwegende dat maatschappelijke organisaties een breed spectrum van mensenrechten bestrijken, onder meer het recht op ontwikkeling, onderwijs en gendergelijkheid, evenals activiteiten op het gebied van maatschappij en milieu; overwegende dat het maatschappelijk middenveld een grote verscheidenheid aan groeperingen en doelstellingen omvat, waaronder maatschappelijke organisaties, ngo's, mensenrechtengroeperingen, lokale gemeenschappen, diaspora's, kerken, religieuze organisaties en gemeenschappen, belangenverenigingen voor mensen met een handicap, sociale bewegingen en vakbonden, inheemse volkeren en stichtingen, alsmede de vertegenwoordiging van kwetsbare, gediscrimineerde en gemarginaliseerde personen;

E.

overwegende dat de Overeenkomst van Cotonou het maatschappelijk middenveld erkent als een belangrijke speler in de samenwerking tussen de EU en de ACS-landen; overwegende dat het aflopen van de Overeenkomst in 2020 de gelegenheid biedt om het partnerschap opnieuw te bekijken en de deelname van maatschappelijke organisaties verder te versterken;

F.

overwegende dat maatschappelijke organisaties belangrijke spelers geworden zijn in de mondiale ontwikkelingssteun, met name wat betreft sociale basisdienstverlening, publieksvoorlichting, de bevordering van democratie, mensenrechten en goed bestuur, en van een vreedzame en inclusieve samenleving, door de veerkracht van personen, gezinnen en lokale gemeenschappen te stimuleren en gewelddadig extremisme tegen te gaan, en door de respons op humanitaire crises;

G.

overwegende dat kerken, religieuze gemeenschappen en verenigingen samen met andere organisaties van religieuze of levensbeschouwelijke aard, zoals erkend door internationale organisaties in hun protocollen en praktijken, bij het verlenen van ontwikkelingshulp en humanitaire bijstand in de voorste linies staan en reeds lang actief zijn op het terrein;

H.

overwegende dat het indicatief meerjarenprogramma voor ontwikkelingssamenwerking 2014-2020 „Organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden” een thematisch programma is waarbij de bevordering van een stimulerende omgeving voor maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden centraal staat; overwegende dat dit programma ten doel heeft de stem en de participatie van maatschappelijke organisaties in het ontwikkelingsproces van partnerlanden te versterken en de politieke, sociale en economische dialoog te bevorderen;

I.

overwegende dat de EU de grootste donor is voor maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden en een leidende rol speelt in de bescherming van actoren van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers, door de toepassing en uitvoering van een aantal instrumenten en beleidsmaatregelen, waaronder het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR), het thematisch programma van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) ten behoeve van organisaties uit het maatschappelijk middenveld en lokale overheden, het Europees Fonds voor Democratie, de routekaarten voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld die in 105 landen worden toegepast, en de landenstrategiedocumenten;

J.

overwegende dat het maatschappelijk middenveld in de wereld tijdens het laatste decennium niet alleen qua omvang maar ook qua reikwijdte, samenstelling en invloed is toegenomen; overwegende dat echter tegelijkertijd in een toenemend aantal landen in de wereld, zowel ontwikkelingslanden als ontwikkelde landen, krachtiger en repressiever wordt opgetreden tegen actoren en activiteiten van het maatschappelijk middenveld;

K.

overwegende bovendien dat de door institutionele donoren opgestelde agenda in sommige gevallen onvoldoende voorrang verleent aan de werkelijke behoeften van de actoren van het maatschappelijk middenveld die op het terrein actief zijn;

L.

overwegende dat het rapport van 2016 over de situatie van het maatschappelijk middenveld tot de conclusie komt dat 2015 een slecht jaar was voor het maatschappelijk middenveld, aangezien de burgerrechten in meer dan honderd landen ernstig werden bedreigd; overwegende dat dit vooral de regio's in Afrika bezuiden de Sahara en in het Midden-Oosten en Noord-Afrika betreft, die vaker worden geconfronteerd met politieke spanningen, conflicten en kwetsbare situaties;

M.

overwegende dat een toenemend aantal regeringen wettelijke of administratieve maatregelen neemt tegen maatschappelijke organisaties, onder meer door de vaststelling van restrictieve wetten, beperking van de financiering, strikte vergunningsprocedures en bestraffende belastingen;

N.

overwegende dat er de laatste jaren in ontwikkelingslanden een zorgwekkende stijging is van het aantal meldingen van vervolging, intimidatie, stigmatisering als „buitenlandse agent”, arbitraire arrestaties en gevangenhouding van activisten, medewerkers van maatschappelijke organisaties, mensenrechtenbeschermers, vakbondsleden, advocaten, intellectuelen, journalisten en religieuze leiders, evenals van het aantal slachtoffers van misbruik en geweld; overwegende dat dit in een aantal landen volledig straffeloos gebeurt, soms met medeweten of steun van de autoriteiten;

O.

overwegende dat de mensenrechten universeel en onvervreemdbaar, ondeelbaar, onderling afhankelijk en onderling verbonden zijn; overwegende dat het vermogen van het maatschappelijk middenveld om actie te ondernemen steunt op de uitoefening van fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van vereniging, de vrijheid van vreedzame vergadering, de vrijheid van meningsuiting, gedachten, geweten, religie of levensbeschouwing en het recht op vrije toegang tot informatie;

P.

overwegende dat er een verband is tussen een verzwakt maatschappelijk middenveld, beperkte politieke en maatschappelijke ruimte, toenemende corruptie, maatschappelijke en genderongelijkheid, lage menselijke en sociaaleconomische ontwikkeling, alsmede kwetsbare situaties en conflicten;

Q.

overwegende dat, om geloofwaardig en doeltreffend te zijn, de EU-respons op de steeds krappere ruimte voor het maatschappelijk middenveld een nauwkeurige en tijdige beoordeling van en inzicht in de dreigingen en factoren vergt die deze ruimte doen inkrimpen; overwegende dat een dergelijke respons ook een gecoördineerd evenwicht moet vinden tussen ontwikkeling en politieke samenwerking, zodat er samenhang komt tussen alle externe en interne instrumenten van de EU door een gemeenschappelijke boodschap naar buiten te brengen over het belang van een vrij functionerend maatschappelijk middenveld, alsook samenwerking op plaatselijk, regionaal en internationaal niveau;

R.

overwegende dat de Agenda voor 2030, en met name de SDG's 16 en 17, voorzien in nauwere samenwerking met het maatschappelijk middenveld als cruciale partner en facilitator voor de bevordering, tenuitvoerlegging, follow-up en beoordeling van de SDG's;

1.

meent dat een echt onafhankelijk, divers, pluralistisch en levendig maatschappelijk middenveld essentieel is voor de ontwikkeling en stabiliteit van een land, voor het bevorderen van de consolidatie van de democratie, maatschappelijke rechtvaardigheid en eerbiediging van de mensenrechten en voor het totstandbrengen van een inclusieve samenleving, zodat niemand buiten de boot valt; herinnert er voorts aan dat het maatschappelijk middenveld een belangrijke speler is bij het realiseren van de SDG's;

2.

onderstreept de centrale rol van het maatschappelijk middenveld bij het ondersteunen van de democratie door waarborging van de scheiding der machten en door het bevorderen van transparantie, verantwoordingsplicht en goed bestuur, met name in de strijd tegen corruptie en gewelddadig extremisme, en de mogelijke gevolgen daarvan voor de economische en menselijke ontwikkeling van een land, evenals voor de ecologische duurzaamheid;

3.

is ernstig bezorgd over het feit dat het beperken van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden op steeds complexere en meer geavanceerde manieren gebeurt, die moeilijker aan te pakken zijn en toegepast worden via wettelijke bepalingen, belastingen, financiële beperkingen, toegenomen bureaucratie, rapportage- en bancaire vereisten, criminalisering en stigmatisering van vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, laster, alle vormen van pesterij, online-repressie en belemmering van de toegang tot internet, censuur, willekeurige arrestaties, gendergerelateerd geweld, foltering en moord, met name in door conflicten geteisterde landen; wijst op de noodzaak om de door regeringen en andere actoren gehanteerde tactieken voor het wegdrukken van kritische stemmen aan te pakken;

4.

is bezorgd dat maatschappelijke organisaties die legaal buitenlandse financiering kunnen krijgen, mogelijk als „buitenlandse agenten” worden bestempeld, waardoor zij worden gestigmatiseerd en aanzienlijk meer risico lopen; verzoekt de EU om haar instrumenten en beleid voor institutionele opbouw en de rechtsstaat te versterken en hierin duidelijke benchmarks voor verantwoording en de strijd tegen straffeloosheid voor willekeurige arrestaties, politiegeweld, foltering en andere mishandeling van mensenrechtenverdedigers op te nemen, rekening houdend met het feit dat vrouwen en mannen deze zaken anders beleven;

5.

onderstreept dat de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld een mondiaal fenomeen is, dat niet beperkt blijft tot ontwikkelingslanden maar ook steeds vaker voorkomt in gevestigde democratieën en midden- en hoge-inkomenslanden, waaronder lidstaten van de EU en enkele van haar trouwste bondgenoten; verzoekt de EU en de lidstaten het goede voorbeeld te geven en de grondrechten van het maatschappelijk middenveld strikt te eerbiedigen en elke negatieve tendens op dat gebied aan te pakken;

6.

onderstreept dat staten in eerste instantie verantwoordelijk zijn en de plicht hebben om de mensenrechten en fundamentele vrijheden van alle burgers te beschermen, en een politiek, wettelijk en administratief klimaat moeten scheppen dat bevorderlijk is voor een vrij en goed functionerend maatschappelijk middenveld met een gegarandeerde vrije en veilige werking en toegang tot financiering, ook als die afkomstig is uit buitenlandse bronnen;

7.

verzoekt de EU te erkennen dat regeringen, politieke partijen, parlementen en administraties in begunstigde landen in het kader van ontwikkelingsstrategieën begeleid moeten worden om strategieën te ontwikkelen voor de totstandbrenging van een passende juridische, bestuurlijke en politieke omgeving zodat maatschappelijke organisaties efficiënt kunnen werken;

8.

is uiterst bezorgd over de toenemende aanvallen op mensenrechtenverdedigers overal ter wereld; verzoekt de EU, en de VV/HV in het bijzonder, een beleid vast te stellen om moord op mensenrechtenverdedigers stelselmatig en op ondubbelzinnige wijze te veroordelen, net als elke poging om hen te onderwerpen aan allerlei vormen van geweld, vervolging, bedreiging, intimidatie, gedwongen verdwijning, gevangenneming of willekeurige arrestatie, om zich krachtig uit te spreken tegen al wie dergelijke wreedheden begaat of laat gebeuren, en om intensiever aan publieksdiplomatie te doen, waarbij mensenrechtenverdedigers open en duidelijk worden gesteund; spoort de EU-delegaties en de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten aan mensenrechtenverdedigers actief te blijven steunen, in het bijzonder door op stelselmatige wijze toe te zien op processen, opgesloten mensenrechtenverdedigers te bezoeken en in voorkomend geval verklaringen af te leggen over individuele zaken;

9.

is van mening dat de lidstaten bij een snelle en dramatische beperking van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld de getroffen mensenrechten-ngo's/individuele mensenrechtenverdedigers op hoog niveau publieke erkenning moeten geven voor hun werk, bijvoorbeeld door ze een bezoek te brengen tijdens officiële bezoeken;

10.

spoort de EU aan richtsnoeren te ontwikkelen voor de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging; spoort de EU aan ten volle gebruik te maken van de EU-landenstrategieën voor mensenrechten en democratie, controle-instrumenten in te voeren voor de effectieve, gezamenlijke tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren inzake verdedigers van de mensenrechten, en te waarborgen dat er geen leemten bestaan in de bescherming en dat ernstige mensenrechtenschendingen bestraft worden;

11.

wijst erop dat het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol vervult bij de bevordering van de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en levensbeschouwing, en bekrachtigt zijn steun voor de toepassing van de EU-richtsnoeren tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging;

12.

onderstreept dat het van essentieel belang is om de betrekkingen van maatschappelijke organisaties met de burgers en de staat te versterken, zodat gemeenschappen en kiesdistricten, met inbegrip van vrouwen en vrouwenrechtenorganisaties en alle kwetsbare groepen, daadwerkelijk vertegenwoordigd worden en zodat ontwikkeling en het beschermen van alle mensenrechten doelmatiger en verantwoordelijker door de staat worden aangepakt;

13.

verwelkomt de langdurige inzet en steun van de EU voor het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden en pleit opnieuw ondubbelzinnig voor de voortzetting en intensivering van de steun en financiering door de EU om een vrije en stimulerende omgeving te creëren voor het maatschappelijk middenveld op nationaal en op plaatselijk niveau, onder meer via jaarlijkse programmering; verzoekt de EU de financieringsmodaliteiten en -mechanismen voor actoren van het maatschappelijk middenveld te diversifiëren en te maximaliseren door rekening te houden met hun specifieke kenmerken en ervoor te zorgen dat hun actieradius en het aantal potentiële gesprekspartners niet worden beperkt;

14.

verzoekt de EU ervoor te zorgen dat de financiële middelen van de EU zowel worden gebruikt voor langetermijnsteun als voor een optreden in noodgevallen, met name om activisten van het maatschappelijk middenveld die risico's lopen, te helpen;

15.

herinnert eraan dat burgerparticipatie en de kracht van het maatschappelijk middenveld in aanmerking moeten worden genomen als indicatoren voor democratie; dringt er sterk op aan om leden van maatschappelijke organisaties te laten deelnemen aan interparlementaire debatten over democratie en het maatschappelijk middenveld te betrekken bij het raadplegingsproces over alle wetgeving die het middenveld betreft;

16.

verzoekt de EU zich verder in te zetten voor een grotere autonomie van de maatschappelijke ruimte, niet alleen via EU-beleidsmaatregelen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten, maar ook door een geïntegreerde aanpak van alle ander intern en extern beleid van de Unie, met inbegrip van justitie, binnenlandse zaken, handels- en veiligheidsbeleid, overeenkomstig het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling;

17.

waarschuwt de EU en de lidstaten voor een toegeeflijkere benadering van de inkrimping van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld en andere mensenrechtenvraagstukken wanneer er sprake is van landen waarmee de EU samenwerkt op het gebied van migratievraagstukken; onderstreept dat een beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenschendingen kunnen bijdragen tot gedwongen migratie;

18.

wijst erop dat het aanpakken van de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld een gezamenlijke en consequente benadering in de betrekkingen van de EU met derde landen vereist; verzoekt de EU en de lidstaten proactief op te treden om de onderliggende oorzaken van de afnemende ruimte voor het maatschappelijk middenveld aan te pakken, met name door het mainstreamen van de bevordering van maatschappelijke organisaties en hun participatie in bilaterale en multilaterale samenwerking als partners in de politieke, economische en sociale dialoog; spoort de EU in dit verband aan rekening te houden met de verschillen in omvang, capaciteit en deskundigheid van middenveldorganisaties;

19.

moedigt de EU aan om zich actief in te zetten en steun te bieden aan institutionele instrumenten en initiatieven van meerdere belanghebbenden voor een intensievere dialoog, en sterkere en bredere coalities en partnerschappen te ontwikkelen tussen regeringen, maatschappelijke organisaties, plaatselijke autoriteiten en de particuliere sector in ontwikkelingslanden, met het doel een stimulerende omgeving te creëren voor het maatschappelijk middenveld; onderstreept het belang van veilige ruimten voor een dergelijke dialoog;

20.

verzoekt de EU toezicht te houden op maatregelen inzake terrorismebestrijding en aspecten van antiwitwaswetgeving en wetgeving inzake transparantie, en maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat hiermee geen onrechtmatige beperkingen worden opgelegd aan de financiering en activiteiten van maatschappelijke organisaties; herhaalt in dit verband dat de aanbevelingen van de Financiële-actiegroep (FATF) niet zodanig mogen worden geïnterpreteerd en toegepast dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld ten onrechte wordt beperkt;

21.

herinnert eraan dat de particuliere sector een bevoorrechte partner is bij de verwezenlijking van de SDG's en een belangrijke rol speelt bij het bevorderen van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld en van een stimulerende omgeving voor maatschappelijke organisaties en vakbonden, met name door maatschappelijk verantwoord ondernemerschap en zorgvuldigheid in de hele toeleveringsketen te bekrachtigen, en door gebruik te maken van publiek-private partnerschappen;

22.

herhaalt dat de particuliere sector verplicht is zich zowel aan de mensenrechten als aan de hoogste sociale en milieunormen te houden; vraagt de EU en de lidstaten om zich actief te blijven inzetten voor de werkzaamheden van de VN-Mensenrechtenraad voor een internationaal verdrag dat ondernemingen aansprakelijk stelt voor hun betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen en voorziet in beoordelingen van mensenrechtenrisico's bij openbare aanbestedingen en investeringen;

23.

is van mening dat door de EU en haar lidstaten gesloten handels- en investeringsovereenkomsten de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de maatschappelijke ruimte in ontwikkelingslanden niet mogen ondermijnen, direct noch indirect; is van oordeel dat bindende mensenrechtenclausules in handelsovereenkomsten een invloedrijk instrument zijn om meer ruimte te creëren voor maatschappelijke organisaties; verzoekt de Commissie de rol van maatschappelijke organisaties te versterken in instellingen die zich bezighouden met handelsovereenkomsten, onder meer interne adviesgroepen en raadgevende comités voor EPO's;

24.

verzoekt de Commissie een controlekader te ontwikkelen voor de financieringsinstrumenten voor het externe optreden van de EU, met bijzondere aandacht voor de mensenrechten;

25.

verzoekt de Commissie en de EDEO om in het kader van het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie en in het kader van de tussentijdse herziening van het EIDHR beste praktijken vast te stellen en duidelijke benchmarks en indicatoren te ontwikkelen met betrekking tot de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld, zodat de vooruitgang op dit gebied kan worden gemeten;

26.

dringt er bij alle EU-actoren op aan om zich binnen multilaterale fora actiever in te zetten voor de versterking van het internationale juridische kader dat het fundament vormt voor democratie en mensenrechten, bijvoorbeeld door samen te werken met multilaterale organisaties, zoals de VN, met inbegrip van de speciale procedures van de VN en het mechanisme van de universele periodieke doorlichting (UPR) van de VN-Mensenrechtenraad, en met regionale organisaties, zoals de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Afrikaanse Unie (AU), de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN), de Arabische Liga (LAS) en de werkgroep voor de versterking van de positie en de bescherming van het maatschappelijk middenveld van de Gemeenschap van democratieën; herinnert eraan dat de Unie samen met alle partnerlanden een inclusieve mensenrechtendialoog moet opzetten waaraan ook de organisaties uit het maatschappelijk middenveld deelnemen; verzoekt de Unie en de lidstaten voorts om hun programma's voor goed bestuur met derde landen te versterken en de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van inclusie en participatie van maatschappelijke organisaties aan de besluitvorming te bevorderen; is van mening dat tripartite dialogen tussen regeringen, de EU en maatschappelijke organisaties moeten worden bevorderd, ook over lastige vraagstukken als veiligheid en migratie;

27.

pleit voor de oprichting, met betrokkenheid van de bevoegde EU-instellingen, van een mechanisme voor bewaking en vroegtijdige signalering van beperkingen van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld, op basis waarvan bedreigingen van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers worden gevolgd en een waarschuwing wordt gegeven als er bewijs is dat een ontwikkelingsland werkt aan ernstige nieuwe beperkingen ten aanzien van het maatschappelijk middenveld, of als de regering door de overheid georganiseerde niet-gouvernementele organisaties (GONGO's) gebruikt om het te doen lijken alsof er een onafhankelijk maatschappelijk middenveld is, zodat de EU in staat is eerder en op gecoördineerde en concrete wijze in actie te komen;

28.

verzoekt de EU haar steun voor de volledige participatie en empowerment van minderheden en andere kwetsbare groepen, zoals personen met een handicap, inheemse volkeren en geïsoleerde bevolkingsgroepen, in het culturele, sociale, economische en politieke leven op te voeren; roept staten in dat verband op om ervoor te zorgen dat hun wetgeving en beleid er niet toe leiden dat de mensenrechten niet gelden of dat de activiteiten van het maatschappelijk middenveld ter verdediging van hun rechten worden ondergraven;

29.

betreurt dat er in een tijd van opkomst van wereldwijd terrorisme gebrek is aan organisaties die terreurslachtoffers in derde landen helpen; onderstreept daarom dat er een veilig klimaat tot stand moet komen voor dergelijke organisaties, zodat slachtoffers van terrorisme worden beschermd;

30.

wijst op de cruciale bijdrage die vrouwen en vrouwenrechtenorganisaties, met inbegrip van door jongeren aangevoerde bewegingen, leveren aan de sociale vooruitgang; verzoekt de EU te wijzen op het belang van steun aan empowerment van vrouwen en van het creëren van een veilige en stimulerende omgeving voor maatschappelijke vrouwenorganisaties en verdedigers van vrouwenrechten, en specifieke gendergerelateerde vormen van repressie aan te pakken, met name in conflictregio's;

31.

wijst uitdrukkelijk op het belang van actieve bijdragen aan de ondersteuning van beleid en maatregelen inzake vrouwenrechten, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

32.

herhaalt dat het belangrijk is te kiezen voor een op rechten gebaseerde aanpak in het ontwikkelingsbeleid van de Unie, teneinde de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat te integreren in de ontwikkelingsmaatregelen van de Unie en de activiteiten op het gebied van mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking op elkaar af te stemmen;

33.

herinnert aan het belang van regionale samenwerking bij het versterken van een stimulerende omgeving voor het maatschappelijk middenveld; spoort de ontwikkelingslanden aan de dialoog en beste praktijken voor de bescherming van en overleg met het maatschappelijk middenveld te bevorderen;

34.

verwelkomt de landenspecifieke routekaarten van de EU voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld als een doeltreffend instrument en als mogelijk nieuw EU-kader voor de contacten met het maatschappelijk middenveld; acht het van essentieel belang dat maatschappelijke organisaties niet alleen worden betrokken bij het overleg in de aanloop naar de vaststelling van de routekaarten, maar ook bij de tenuitvoerlegging, monitoring en evaluatie ervan;

35.

verbindt zich ertoe op jaarbasis en in via grondige raadpleging van relevante institutionele spelers en ngo's een lijst op te stellen van landen waar de ruimte voor het maatschappelijk middenveld het sterkst wordt bedreigd;

36.

verzoekt de VV/HV om op de bijeenkomsten van de Raad Buitenlandse Zaken regelmatig een agendapunt te wijden aan de discussie en follow-up van de inspanningen van de EU voor de vrijlating van mensenrechtenbeschermers, hulpverleners, journalisten, politieke activisten, mensen die gevangen worden gehouden omwille van hun religieuze of morele overtuigingen en anderen die gevangen worden gehouden als gevolg van de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld;

37.

is ingenomen met de aanwijzing van contactpunten voor de mensenrechten en het maatschappelijk middenveld in de EU-delegaties, die moeten bijdragen tot een betere samenwerking met het plaatselijk maatschappelijk middenveld, met name door steun te verlenen aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen en personen; verzoekt de EU-delegaties met nationale parlementsleden, regeringen en lokale overheden stelselmatig het vraagstuk van de afnemende ruimte voor het maatschappelijk middenveld en de bescherming van activisten aan te kaarten, en nauwer samen te werken met maatschappelijke organisaties bij de programmering en de daaropvolgende controle van EU-steun, zelfs daar waar bilaterale samenwerking wordt afgebouwd; verzoekt de EU-delegaties verder geregeld en op een transparante manier aan het maatschappelijk middenveld informatie te verstrekken over financieringsbronnen en -mogelijkheden;

38.

vraagt de EU en de lidstaten om de afnemende ruimte voor het maatschappelijk middenveld systematisch op te nemen in hun bilaterale relaties en gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten, onder meer ontwikkeling en handel, om ervoor te zorgen dat de partnerlanden zich houden aan hun verbintenis om de mensenrechten te beschermen en te garanderen; vraagt de EU de participatie van de actoren van het maatschappelijk middenveld in partnerlanden nauwlettend in het oog te houden en er bij de regeringen op aan te dringen alle wetten in te trekken die een inbreuk vormen op de vrijheid van vereniging en vergadering; is in dit opzicht van mening dat de EU een positieve conditionaliteit aan begrotingssteun zou moeten verbinden wat de beperking van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld betreft;

39.

dringt erop aan dat het westerse maatschappelijk middenveld de oprichting en versterking van ngo's zou moeten ondersteunen via de overdracht van knowhow om hen te helpen een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van hun eigen landen;

40.

pleit nadrukkelijk voor synergie tussen de externe financieringsinstrumenten van de EU ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en vraagt dat alle EU-steun voor het maatschappelijk middenveld op landenniveau in kaart wordt gebracht, om dubbel werk en overlappingen te voorkomen en mogelijke financieringstekorten en -behoeften te identificeren;

41.

spoort de EU aan richtsnoeren over partnerschappen met kerken, religieuze organisaties en religieuze leiders bij ontwikkelingssamenwerking goed te keuren, op basis van de bestaande ervaring van internationale organisaties en programma's (zoals Unicef, de Wereldbank, de WHO en het VN-ontwikkelingsprogramma), en goede praktijken in de lidstaten van de EU en in derde landen;

42.

is sterk voorstander van een betere bescherming voor vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties in derde landen teneinde mogelijke vijandigheid jegens hen aan te pakken;

43.

is verheugd over de grotere flexibiliteit van een aantal EU-financieringsinstrumenten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, waardoor onder meer de registratie van subsidieaanvragers wordt vergemakkelijkt en indien nodig vertrouwelijkheid voor de begunstigden wordt gewaarborgd; meent echter dat meer kan worden gedaan om het meest geschikte een passende antwoord te bieden op de specifieke situatie in bepaalde landen, onder meer door eerdere voorlichting over komende oproepen tot het indienen van voorstellen, meer financieringsmogelijkheden, vaker bijgewerkte routekaarten, openbare beschikbaarheid van routekaarten, harmonisatie en vereenvoudiging van financieringsmodaliteiten en ondersteuning van maatschappelijke organisaties bij administratieve procedures;

44.

verzoekt de Commissie in het indicatief meerjarenprogramma voor ontwikkelingssamenwerking 2018-2020 een thematische mondiale oproep tot het indienen van voorstellen op te nemen, specifiek gericht op het probleem van de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld;

45.

verzoekt de Commissie om via het EIDHR meer middelen beschikbaar te stellen om het probleem van de steeds beperktere ruimte voor en de situatie van mensenrechtenverdedigers aan te pakken; betreurt dat de jaarlijkse bedragen in sommige landen op een zeer laag niveau liggen; verzoekt de Commissie na te gaan welke nieuwe activiteiten op dit gebied via het EIDHR gefinancierd kunnen worden, door middel van een brede benadering van maatschappelijke organisaties, en inspanningen te blijven leveren om een flexibeler en eenvoudiger procedure in te voeren voor de toegang tot EIDHR-middelen, met name voor jongeren, en onder meer duidelijker uitzonderingen in te voeren voor maatschappelijke organisaties die specifiek gevaar lopen en te voorzien in steun voor niet-geregistreerde groepen, die uiteindelijk door de overheid erkend zouden moeten worden; vindt dat meer nadruk moet komen te liggen op ondersteuning van lokale groepen en actoren, omdat problemen op het gebied van de mensenrechten vaak concreter en directer gevoeld worden op lokaal niveau; wijst nogmaals op het belang van het EIDHR, dat dringende rechtstreekse financiële en materiële bijstand verleent aan mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen, en van het noodfonds, dat de EU-delegaties in staat stelt om rechtstreeks ad-hoctoelagen te verstrekken; erkent het belang van coalities en consortia van internationale en nationale spelers uit het maatschappelijk middenveld om het werk van plaatselijke ngo's te vergemakkelijken en te beschermen tegen repressieve maatregelen; verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten om een effectieve, gezamenlijke tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren voor mensenrechtenverdedigers te bevorderen in alle derde landen waar het maatschappelijk middenveld gevaar loopt, door plaatselijke strategieën vast te stellen voor de volledige toepassing ervan;

46.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/70/1&Lang=E

(2)  Raadsdocument 10715/16.

(3)  Raadsdocument 10897/15

(4)  PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44.

(5)  PB L 77 van 15.3.2014, blz. 1.

(6)  PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.

(7)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(8)  C(2014)4865 final.

(9)  A/HRC/32/L.29.

(10)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0405.

(11)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0371.

(12)  http://www.europarl.europa.eu/document/activities/cont/201203/20120329ATT42170/ 20120329ATT42170EN.pdf

(13)  A/HRC/32/20.

(14)  http://www3.weforum.org/docs/GRR17_Report_web.pdf

(15)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0026.

(16)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0437.

(17)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0246.

(18)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0224.

(19)  PB C 208 van 10.6.2016, blz. 25.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/29


P8_TA(2017)0366

De strijd tegen cybercriminaliteit

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit (2017/2068(INI))

(2018/C 346/04)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 2, 3 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien de artikelen 16, 67, 70, 72, 73, 75, 82, 83, 84, 85, 87 en 88 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de artikelen 1, 7, 8, 11, 16, 17, 21, 24, 41, 47, 48, 49, 50 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

gezien het Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind van 25 mei 2000,

gezien de Verklaring en het actieplan van Stockholm, aangenomen op het eerste Wereldcongres tegen commerciële seksuele uitbuiting van kinderen, de wereldwijde verbintenis van Yokohama, aangenomen op het tweede Wereldcongres tegen commerciële seksuele uitbuiting van kinderen, en de verbintenis en het actieplan van Boedapest, aangenomen op de voorbereidende conferentie voor het tweede Wereldcongres tegen commerciële seksuele uitbuiting van kinderen,

gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 25 oktober 2007 inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik,

gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over de bescherming van kinderen in de digitale wereld (1),

gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen op internet (2),

gezien Kaderbesluit 2001/413/JAI van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten (3),

gezien het Verdrag van Boedapest inzake cybercriminaliteit van 23 november 2001 (4) en het aanvullend protocol daarbij,

gezien Verordening (EG) nr. 460/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot oprichting van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (5),

gezien Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (6),

gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (7),

gezien Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (8),

gezien de gezamenlijke mededeling van 7 februari 2013 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, getiteld „Strategie inzake cyberbeveiliging van de Europese Unie: Een open, veilige en beveiligde cyberspace” (JOIN(2013)0001),

gezien Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvallen op informatiesystemen en ter vervanging van Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad (9),

gezien Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (10) (de EOB-richtlijn),

gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 8 april 2014 (11) waardoor de richtlijn inzake de bewaring van gegevens ongeldig is verklaard,

gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over een EU-strategie inzake cyberveiligheid: een open, veilige en beveiligde cyberruimte (12),

gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld „Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa” (COM(2015)0192),

gezien de mededeling van de Commissie van 28 april 2015 getiteld „De Europese veiligheidsagenda” (COM(2015)0185) en de daaropvolgende voortgangsverslagen over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie,

gezien het verslag van de conferentie over de rechtspleging in de cyberruimte die op 7 en 8 maart 2016 in Amsterdam werd gehouden,

gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (13),

gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (14),

gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) (15),

gezien het besluit van de Commissie van 5 juli 2016 betreffende de ondertekening van een overeenkomst inzake een publiek-privaat partnerschap voor industrieel onderzoek en innovatie op het gebied van cyberveiligheid tussen de EU, vertegenwoordigd door de Commissie, en de organisaties van belanghebbenden (C(2016)4400),

gezien de gezamenlijke mededeling van 6 april 2016 aan het Europees Parlement en de Raad van de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, getiteld „Gezamenlijk kader voor de bestrijding van hybride bedreigingen — een reactie van de Europese Unie” (JOIN(2016)0018),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Europese strategie voor een beter internet voor kinderen” (COM(2012)0196) en het verslag van de Commissie van 6 juni 2016 getiteld „Definitieve evaluatie van het meerjarenprogramma van de EU betreffende de bescherming van kinderen die het internet en andere communicatietechnologieën gebruiken (programma veiliger internet)” (COM(2016)0364),

gezien de gezamenlijke verklaring van Europol en Enisa van 20 mei 2016 betreffende wettig strafrechtelijk onderzoek dat de principes inzake gegevensbescherming van de 21e eeuw respecteert,

gezien de conclusies van de Raad van 9 juni 2016 over het Europees justitieel netwerk cybercriminaliteit,

gezien Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (16),

gezien het adviesdocument van Enisa van december 2016 over sterke encryptie en de bescherming van onze digitale identiteit,

gezien het eindverslag van de Cloud Evidence Group van de commissie Cybercrimeverdrag (T-CY) van de Raad van Europa getiteld „Criminal justice access to electronic evidence in the cloud: Recommendations for consideration by the T-CY” (Toegang van het strafrechtelijk systeem tot elektronisch bewijs in de cloud: aanbevelingen ter overweging door de T-CY) van 16 september 2016,

gezien het werk van de Taskforce voor gezamenlijke actie op het gebied van cybercriminaliteit (J-CAT),

gezien het SOCTA-rapport van Europol (dreigingsevaluatie van de zware en georganiseerde criminaliteit) van 28 februari 2017 en het IOCTA-rapport (dreigingsevaluatie van de georganiseerde internetcriminaliteit) van 28 september 2016,

gezien het arrest van het HvJ-EU in zaak C-203/15 (Tele2-arrest) van 21 december 2016 (17),

gezien Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (18),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0272/2017),

A.

overwegende dat cybercriminaliteit steeds vaker aanzienlijke sociale en economische schade veroorzaakt die de individuele grondrechten raakt, een bedreiging vormt voor de rechtsstaat in de cyberruimte en de stabiliteit van democratische samenlevingen in gevaar brengt;

B.

overwegende dat cybercriminaliteit een toenemend probleem is in de lidstaten;

C.

overwegende dat de IOCTA van 2016 aantoont dat cybercriminaliteit aan intensiteit en complexiteit en in omvang toeneemt, dat in sommige EU-landen vaker melding wordt gemaakt van cybercriminaliteit dan van traditionele criminaliteit, dat cybercriminaliteit zich uitstrekt tot andere gebieden van criminaliteit, zoals mensenhandel, dat het gebruik van instrumenten voor encryptie en anonimisering voor criminele doeleinden toeneemt, en dat er vaker sprake is van aanvallen met ransomware dan van traditionele malwarebedreigingen zoals trojans;

D.

overwegende dat het aantal aanvallen op de servers van de Commissie in 2016 met 20 % is toegenomen ten opzichte van 2015;

E.

overwegende dat de kwetsbaarheid van computers voor aanvallen voortkomt uit de unieke wijze waarop de informatietechnologie zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld, de snelle groei van de onlinemarkt en het gebrek aan overheidsoptreden;

F.

overwegende dat er een almaar groter wordende zwarte markt bestaat voor geautomatiseerde afpersing, gehuurde botnets, hacken en gestolen digitale goederen;

G.

overwegende dat het zwaartepunt van cyberaanvallen nog steeds ligt bij malware, zoals bankingtrojans, maar dat aanvallen op industriële besturingssystemen en -netwerken, gericht op het vernietigen van kritieke infrastructuur en economische structuren en het destabiliseren van samenlevingen, zoals het geval was bij de WannaCry-ransomwareaanval van mei 2017, ook toenemen in aantal en impact en dus een toenemende bedreiging vormen voor de veiligheid, defensie en andere belangrijke sectoren; overwegende dat de meerderheid van de internationale verzoeken van rechtshandhavingsautoriteiten om gegevens verband houden met fraude en financiële criminaliteit, gevolgd door gewelddadige en ernstige criminaliteit;

H.

overwegende dat de almaar toenemende onderlinge verbondenheid van mensen, plaatsen en dingen weliswaar vele voordelen met zich meebrengt, maar eveneens een verhoogd risico op cybercriminaliteit; overwegende dat apparaten die met het internet der dingen zijn verbonden, waaronder slimme netwerken, op het internet aangesloten koelkasten, auto's, medische instrumenten of hulpmiddelen, vaak niet zo goed zijn beschermd als traditionele op het internet aangesloten apparaten en zodoende een ideaal doelwit vormen voor cybercriminelen, vooral omdat het systeem voor beveiligingsupdates voor aangesloten apparaten vaak gebrekkig is of volledig ontbreekt; overwegende dat gehackte apparaten van het internet der dingen die fysieke actuatoren hebben of kunnen controleren, een concrete bedreiging voor mensenlevens kunnen vormen;

I.

overwegende dat een doeltreffend rechtskader voor gegevensbescherming cruciaal is voor de opbouw van vertrouwen in de onlinewereld, aangezien dit consumenten en bedrijven in staat stelt ten volle de vruchten te plukken van de digitale interne markt en cybercriminaliteit aan te pakken;

J.

overwegende dat bedrijven de uitdaging om de verbonden wereld veiliger te maken niet alleen kunnen aangaan, en dat de overheid moet bijdragen aan cyberbeveiliging door middel van regelgeving en het bieden van stimulansen voor een veiliger consumentengedrag;

K.

overwegende dat de grenzen tussen cybercriminaliteit, digitale spionage, digitale oorlogsvoering, cybersabotage en cyberterrorisme steeds verder vervagen; overwegende dat individuen en publieke en private entiteiten het doelwit kunnen worden van cybercriminaliteit en dat cybercriminaliteit een hele reeks strafbare feiten kan omvatten, waaronder inbreuken op de privacy, seksueel misbruik van kinderen op internet, het publiekelijk aanzetten tot geweld en haat, sabotage, spionage, financiële criminaliteit en fraude, zoals betalingsfraude, diefstal en identiteitsdiefstal en onrechtmatige systeemverstoring;

L.

overwegende dat in het mondiaal risicorapport 2017 van het Wereld Economisch Forum het op grote schaal voorkomen van gegevensfraude en diefstal wordt aangeduid als een van de vijf belangrijkste wereldwijde risico's in termen van waarschijnlijkheid;

M.

overwegende dat een aanzienlijk aantal cybermisdrijven niet wordt vervolgd en onbestraft blijft; overwegende dat er nog veel te weinig aangifte wordt gedaan en dat er sprake is van lange opsporingsperiodes waardoor cybercriminelen meerdere ingangen/uitgangen of achterdeurtjes kunnen creëren, moeilijke toegang tot elektronisch bewijsmateriaal, problemen bij het verkrijgen van dit bewijsmateriaal en de ontvankelijkheid ervan bij de rechtbank, evenals complexe procedures en juridische problemen in verband met de grensoverschrijdende aard van cybermisdrijven;

N.

overwegende dat de Raad in zijn conclusies van juni 2016 heeft benadrukt dat, met het oog op de grensoverschrijdende aard van cybercriminaliteit en de gemeenschappelijke bedreigingen op het gebied van cyberveiligheid waarmee de EU wordt geconfronteerd, nauwere samenwerking en informatie-uitwisseling tussen politiële en gerechtelijke autoriteiten en deskundigen op het gebied van cybercriminaliteit van essentieel belang zijn voor het verrichten van doeltreffend onderzoek in de cyberruimte en het verkrijgen van elektronisch bewijsmateriaal;

O.

overwegende dat door de nietigverklaring van de richtlijn gegevensbewaring door het HvJ-EU in zijn arrest van 8 april 2014, en door het verbod op algemene, niet-selectieve en niet-gerichte gegevensbewaring zoals bevestigd door de uitspraak van het HvJ-EU in zijn Tele2-arrest van 21 december 2016, strenge grenzen worden gesteld aan de verwerking van telecommunicatiegegevens in bulk en de toegang van de bevoegde autoriteiten tot dergelijke gegevens;

P.

overwegende dat in het Maximillian Schrems-arrest van het HvJ-EU (19) wordt benadrukt dat grootschalig toezicht een schending van de grondrechten inhoudt;

Q.

overwegende dat in de strijd tegen cybercriminaliteit dezelfde procedurele en essentiële waarborgen en grondrechten moeten worden gerespecteerd als in de strijd tegen andere vormen van misdaad, namelijk met betrekking tot gegevensbescherming en de vrijheid van meningsuiting;

R.

overwegende dat kinderen op steeds jongere leeftijd gebruikmaken van internet en bijzonder kwetsbaar zijn voor grooming en andere vormen van seksuele uitbuiting op internet (cyberpesten, seksueel misbruik, seksuele dwang en chantage), ontvreemding van persoonsgegevens en gevaarlijke campagnes ter bevordering van diverse vormen van zelfverminking, zoals in het geval van „blue whale”, en dat zij daarom speciale bescherming behoeven; overwegende dat cybercriminelen sneller slachtoffers kunnen vinden en contact met hen kunnen leggen via chatrooms, e-mail, onlinespellen en sociale netwerken en dat verborgen peer-to-peernetwerken (P2P-netwerken) nog altijd de centrale platforms zijn voor kindermisbruikers om materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat te verkrijgen, door te geven, op te slaan en te delen, en om ongemerkt op zoek te gaan naar nieuwe slachtoffers;

S.

overwegende dat de toenemende trend van seksuele dwang en chantage nog niet voldoende is onderzocht of beschreven, met name vanwege de aard van het misdrijf die bij de slachtoffers schaamte en schuldgevoelens veroorzaakt;

T.

overwegende dat livestreaming van kindermisbruik als een toenemende bedreiging wordt beschouwd; overwegende dat er een duidelijk verband bestaat tussen de livestreaming van kindermisbruik en de commerciële verspreiding van beelden van seksuele uitbuiting van kinderen;

U.

overwegende dat uit een recente studie van het National Crime Agency in het Verenigd Koninkrijk is gebleken dat jongeren die hacken niet zozeer door geld worden gedreven, maar vaak computernetwerken aanvallen om indruk te maken op vrienden of een politiek systeem uit te dagen;

V.

overwegende dat het bewustzijn over de risico's van cybercriminaliteit is toegenomen, maar dat de door individuele gebruikers, overheidsinstellingen en ondernemingen genomen voorzorgsmaatregelen nog steeds volkomen ontoereikend zijn, met name vanwege het gebrek aan kennis en middelen;

W.

overwegende dat de strijd tegen cybercriminaliteit en illegale onlineactiviteiten de positieve aspecten die een vrije en open cyberruimte biedt, namelijk nieuwe mogelijkheden voor het delen van kennis en het bevorderen van politieke en sociale inclusie wereldwijd, niet mag overschaduwen;

Algemene overwegingen

1.

benadrukt dat de sterke toename van ransomware, botnets en onrechtmatige ingrepen in computersystemen gevolgen heeft voor de veiligheid van individuen, de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van hun persoonsgegevens, de bescherming van de privacy en de fundamentele vrijheden en de integriteit van kritieke infrastructuur, met inbegrip van, maar niet beperkt tot energie- en elektriciteitsvoorziening en financiële structuren zoals de effectenbeurs; herinnert er in dit verband aan dat de strijd tegen cybercriminaliteit een prioriteit is van de Europese Veiligheidsagenda van 28 april 2015;

2.

wijst erop dat er gemeenschappelijk definities moeten worden ontwikkeld van cybercriminaliteit, cyberoorlog, cyberbeveiliging, cyberpesten en cyberaanvallen, om ervoor te zorgen dat de EU-instellingen en de EU-lidstaten gemeenschappelijke wettelijke definities hanteren;

3.

benadrukt dat de strijd tegen cybercriminaliteit eerst en vooral de beveiliging en versterking van kritieke infrastructuur en andere netwerkapparatuur moet behelzen, en niet alleen de uitvoering van repressieve maatregelen;

4.

wijst opnieuw op het belang van wettelijke maatregelen op Europees niveau om de definitie te harmoniseren van misdrijven in verband met aanvallen op informatiesystemen en met seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen op internet, en om de lidstaten te verplichten een systeem op te zetten voor het opslaan, produceren en verstrekken van statistische gegevens over deze misdrijven, teneinde deze vormen van criminaliteit op een doeltreffendere manier te bestrijden;

5.

doet een dringend beroep op de lidstaten die Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie nog niet hebben omgezet en uitgevoerd om dit snel en naar behoren te doen; verzoekt de Commissie strikt toe te zien op en te zorgen voor de volledige en doeltreffende uitvoering ervan, tijdig bij het Parlement en de bevoegde commissie verslag uit te brengen over haar bevindingen en tegelijkertijd Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad te vervangen; benadrukt dat Eurojust en Europol toereikende middelen moeten krijgen om de identificatie van slachtoffers te verbeteren, georganiseerde netwerken van plegers van seksuele misdrijven te bestrijden en ervoor te zorgen dat online- en offlinemateriaal dat kindermisbruik bevat sneller wordt opgespoord, geanalyseerd en gemeld;

6.

betreurt het feit dat 80 % van de ondernemingen in Europa al minstens één cyberbeveiligingsincident heeft meegemaakt en dat cyberaanvallen tegen ondernemingen dikwijls niet worden opgespoord of gemeld; wijst er nogmaals op dat de jaarlijkse kosten van cyberaanvallen voor de wereldeconomie volgens diverse studies aanzienlijk zijn; is van mening dat de verplichting om beveiligingslekken te melden en informatie over risico's te delen, zoals ingevoerd bij Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (de algemene verordening gegevensbescherming) en Richtlijn (EU) 2016/1148 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (NIS-richtlijn), zal helpen dit probleem aan te pakken, aangezien hiermee steun wordt geboden aan ondernemingen, met name kmo's;

7.

benadrukt dat de voortdurend veranderende aard van de cyberdreigingen alle belanghebbenden voor ernstige juridische en technologische uitdagingen stelt; is van mening dat nieuwe technologieën niet moeten worden gezien als een bedreiging en erkent dat door de technologische vooruitgang op het gebied van encryptie de algemene beveiliging van onze informatiesystemen zal verbeteren, onder meer omdat eindgebruikers hun gegevens en communicatie beter kunnen beschermen; benadrukt evenwel dat er in de beveiliging van communicatie nog steeds opvallende hiaten voorkomen en dat technieken zoals onion-routing en verborgen netwerken kunnen worden gebruikt door kwaadaardige gebruikers, met inbegrip van terroristen en kindermisbruikers, of door hackers die worden gesponsord door niet-bevriende derde landen of extremistische politieke of religieuze organisaties voor criminele doeleinden, met name om hun criminele activiteiten of identiteit te verbergen, hetgeen tot ernstige uitdagingen leidt bij onderzoeken;

8.

toont zich uiterst bezorgd over de recente wereldwijde ransomwareaanval, die tienduizenden computers lijkt te hebben getroffen in bijna 100 landen en talrijke organisaties waaronder de National Health Service (NHS) in het Verenigd Koninkrijk, het meest in het oog springende slachtoffer van deze grootschalige malwareaanval; erkent in dit verband het belangrijke werk van het initiatief „No More Ransom” (NMR) dat meer dan veertig decoderingsinstrumenten kosteloos ter beschikking stelt, waardoor slachtoffers van ransomware wereldwijd hun getroffen apparaten kunnen decoderen;

9.

wijst erop dat verborgen netwerken en onion-routing ook een vrijplaats bieden voor journalisten, politieke activisten en verdedigers van de mensenrechten in bepaalde landen om niet te worden ontdekt door repressieve overheidsinstanties;

10.

merkt op dat criminele en terroristische netwerken nog steeds slechts in beperkte mate een beroep doen op instrumenten en diensten voor cybercriminaliteit; benadrukt echter dat dit naar alle waarschijnlijkheid zal veranderen, gezien de toenemende banden tussen terrorisme en georganiseerde misdaad en de ruime beschikbaarheid van vuurwapens en precursoren voor explosieven op verborgen netwerken;

11.

veroordeelt ten stelligste elke systeemverstoring die wordt ondernomen of gestuurd door een buitenlandse natie of haar agenten om het democratische proces in een ander land te ontwrichten;

12.

wijst erop dat grensoverschrijdende verzoeken om de inbeslagneming van domeinen, de verwijdering van inhoud en de toegang tot gebruikersgegevens grote uitdagingen vormen die een dringend optreden vereisen, aangezien er grote belangen op het spel staan; benadrukt in dit verband dat internationale mensenrechtenkaders, die zowel online als offline van toepassing zijn, een belangrijke maatstaf op wereldniveau vormen;

13.

verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat slachtoffers van cyberaanvallen ten volle gebruik kunnen maken van alle in Richtlijn 2012/29/EU vervatte rechten, en meer inspanningen te leveren ten aanzien van de identificatie van slachtoffers en diensten voor slachtoffers, onder meer door steun te blijven verlenen aan de taskforce voor slachtofferidentificatie van Europol; verzoekt de lidstaten zo spoedig mogelijk in samenwerking met Europol relevante platforms op te zetten om te garanderen dat alle internetgebruikers weten hoe ze om hulp kunnen vragen als ze het doelwit worden van illegale activiteiten op internet; verzoekt de Commissie opdracht te geven tot een studie naar de gevolgen van grensoverschrijdende cybercriminaliteit op basis van Richtlijn 2012/29/EU;

14.

benadrukt dat er in het IOCTA-verslag 2014 van Europol op wordt gewezen dat er behoefte is aan efficiëntere en doeltreffendere rechtsinstrumenten, gezien de huidige beperkingen van het proces inzake het verdrag betreffende wederzijdse rechtshulp, en pleit tevens voor verdere harmonisering van de wetgeving in de hele EU, voor zover noodzakelijk;

15.

onderstreept dat cybercriminaliteit het functioneren van de digitale interne markt ernstig ondergraaft doordat het vertrouwen in de aanbieders van digitale diensten afneemt, grensoverschrijdende transacties worden ondermijnd en de belangen van consumenten van digitale diensten ernstig worden geschaad;

16.

benadrukt dat cyberbeveiligingsstrategieën en -maatregelen alleen deugdelijk en effectief kunnen zijn indien ze zijn gebaseerd op de grondrechten en fundamentele vrijheden zoals bepaald in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en op de EU-kernwaarden;

17.

benadrukt dat er een legitieme en sterke behoefte bestaat aan bescherming van de communicatie tussen individuen onderling en tussen individuen en publieke en private organisaties om cybercriminaliteit te voorkomen; benadrukt dat sterke cryptografie ertoe kan bijdragen dat aan deze behoefte wordt voldaan; benadrukt voorts dat het beperken van het gebruik of het afzwakken van de sterkte van cryptografische hulpmiddelen zal leiden tot kwetsbaarheden die voor criminele doeleinden kunnen worden benut en het vertrouwen in elektronische diensten kunnen doen afnemen, hetgeen voor zowel het maatschappelijk middenveld als de bedrijfswereld schadelijk is;

18.

verzoekt om een actieplan voor de bescherming van de rechten van het kind in de cyberruimte, zowel online als offline, en herinnert eraan dat de rechtshandhavingsautoriteiten in hun strijd tegen cybercriminaliteit bijzondere aandacht moeten besteden aan misdrijven tegen kinderen; benadrukt in dit verband dat de lidstaten de justitiële en politiële samenwerking onderling en met Europol en diens Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3) moeten versterken, teneinde cybermisdrijven en met name seksuele uitbuiting van kinderen op internet te voorkomen en te bestrijden;

19.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan alle noodzakelijke juridische maatregelen te treffen om het verschijnsel onlinegeweld tegen vrouwen en cyberpesten te bestrijden; verzoekt de EU en de lidstaten in het bijzonder hun krachten te bundelen om een kader voor strafbare feiten te creëren dat onlinebedrijven ertoe verplicht beledigende, kwetsende en vernederende inhoud te verwijderen of de verspreiding ervan te stoppen; verzoekt tevens om psychologische bijstand voor vrouwen die het slachtoffer zijn van onlinegeweld en meisjes die het slachtoffer zijn van cyberpesten;

20.

benadrukt dat illegale online-inhoud onmiddellijk moet worden verwijderd op basis van een deugdelijke rechtsgang; onderstreept de rol van informatie- en communicatietechnologie, aanbieders van internetdiensten en aanbieders van internethosting bij het snel en efficiënt verwijderen van illegale online-inhoud op verzoek van de verantwoordelijke rechtshandhavingsinstantie;

Preventie

21.

verzoekt de Commissie, in het kader van de herziening van de Europese cyberbeveiligingsstrategie, voort te gaan met het opsporen van kwetsbaarheden inzake netwerk- en informatiebeveiliging van Europese kritieke infrastructuur, de ontwikkeling van robuuste systemen te intensiveren en de situatie ten aanzien van de strijd tegen cybercriminaliteit in de EU en de lidstaten te beoordelen, teneinde een beter begrip te krijgen van trends en ontwikkelingen op het gebied van misdrijven in de cyberruimte;

22.

benadrukt dat cyberveerkracht essentieel is bij het voorkomen van cybercriminaliteit en derhalve de hoogste prioriteit moet krijgen; verzoekt de lidstaten een proactief beleid en proactieve maatregelen voor de verdediging van netwerken en kritieke infrastructuur aan te nemen, en verzoekt om een alomvattende Europese aanpak van de strijd tegen cybercriminaliteit die in overeenstemming is met de grondrechten, gegevensbescherming, cyberbeveiliging, consumentenbescherming en e-handel;

23.

is in dit opzicht verheugd over de investeringen van EU-fondsen in onderzoeksprojecten zoals het publiek-private partnerschap (PPP) inzake cyberbeveiliging, dat gericht is op het bevorderen van de Europese cyberveerkracht door middel van innovatie en capaciteitsopbouw; erkent in het bijzonder de inspanningen van het PPP inzake cyberbeveiliging om passende oplossingen te ontwikkelen voor het beheer van „zero day”-kwetsbaarheden;

24.

wijst in dit verband op het belang van vrije software en opensourcesoftware; vraagt dat meer EU-fondsen specifiek ter beschikking worden gesteld voor onderzoek naar IT-beveiliging op basis van vrije software en opensourcesoftware;

25.

stelt met bezorgdheid vast dat er een tekort is aan gekwalificeerde IT-professionals die actief zijn op het gebied van cyberbeveiliging; dringt er bij de lidstaten op aan te investeren in onderwijs;

26.

is van mening dat regelgeving een grotere rol moet spelen bij het beheer van cyberbeveiligingsrisico's via verbeterde product- en softwarenormen voor ontwerp en updates, en minimumnormen voor standaardgebruikersnamen en -wachtwoorden;

27.

dringt er bij de lidstaten op aan meer informatie uit te wisselen via Eurojust, Europol en Enisa en meer beste praktijken te delen via het Europese netwerk van CSIRT's (computercalamiteitenteams) en CERT's (computercrisisteams) over de uitdagingen waarmee zij te maken hebben bij de strijd tegen cybercriminaliteit, evenals over de concrete juridische en technische oplossingen voor de aanpak daarvan en de vergroting van de cyberveerkracht; roept de Commissie in dit verband op doeltreffende samenwerking te bevorderen en informatie-uitwisseling te vergemakkelijken om op potentiële risico's te anticiperen en ze te beheren, zoals bedoeld in de NIS-richtlijn;

28.

is bezorgd over de constatering van Europol dat het merendeel van de succesvolle aanvallen op individuen te wijten is aan een gebrek aan digitale hygiëne en besef bij de gebruikers, of aan het feit dat er onvoldoende aandacht wordt besteed aan technische beveiligingsmaatregelen zoals beveiliging door ontwerp; benadrukt dat gebruikers het eerste slachtoffer zijn van slecht beveiligde hardware en software;

29.

verzoekt de Commissie en de lidstaten in samenwerking met alle relevante actoren en belanghebbenden een bewustmakingscampagne te starten om kinderen mondiger te maken en ouders, verzorgers en opvoeders te steunen in het begrijpen van en omgaan met onlinerisico's en het beschermen van de veiligheid van kinderen op internet, de lidstaten te steunen bij het opstellen van programma's ter preventie van seksueel misbruik op internet, bewustmakingscampagnes voor verantwoordelijk gedrag op sociale media te bevorderen en grote zoekmachines en socialemedianetwerken aan te moedigen een proactieve benadering voor de bescherming van de veiligheid van kinderen op internet aan te nemen;

30.

verzoekt de Commissie en de lidstaten bewustmakings-, voorlichtings- en preventiecampagnes te starten en goede praktijken te bevorderen om ervoor te zorgen dat burgers, in het bijzonder kinderen en andere kwetsbare gebruikers, maar ook centrale en lokale overheden, belangrijke marktdeelnemers en actoren uit de private sector, met name kmo's, zich bewust worden van de risico's van cybercriminaliteit, weten hoe ze zich veilig online kunnen bewegen en weten hoe ze hun apparaten kunnen beschermen; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarnaast praktische beveiligingsmaatregelen te bevorderen, zoals encryptie en andere technologieën ter versterking van de beveiliging en privacy en anonimiseringsinstrumenten;

31.

benadrukt dat bewustmakingscampagnes vergezeld moeten gaan van voorlichtingsprogramma's inzake „geïnformeerd gebruik” van informatietechnologie-instrumenten; moedigt de lidstaten aan om cyberbeveiliging, alsook de risico's en gevolgen van het gebruik van persoonsgegevens online, op te nemen in de computeronderwijsprogramma's van scholen; benadrukt in dit verband de in het kader van de Europese strategie voor een beter internet voor kinderen (Better Internet for Kids (BIK) Strategy 2012) geleverde inspanningen;

32.

benadrukt dat er in de strijd tegen cybercriminaliteit dringend meer inspanningen moeten worden geleverd op het gebied van onderwijs en opleiding inzake netwerk- en informatiebeveiliging, door opleidingen inzake netwerk- en informatiebeveiliging, inzake de ontwikkeling van veilige software en inzake de bescherming van persoonlijke gegevens in te voeren voor studenten in de computerwetenschappen, en een basisopleiding inzake netwerk- en informatiebeveiliging aan te bieden aan het personeel van overheidsdiensten;

33.

is van mening dat een verzekering tegen cyberhacking een van de instrumenten kan zijn die aanzetten tot actie op het gebied van beveiliging, zowel door ondernemingen die aansprakelijk worden gesteld voor het softwareontwerp als door gebruikers die worden opgeroepen de software correct te gebruiken;

34.

benadrukt dat ondernemingen kwetsbaarheden en risico's moeten opsporen in het kader van regelmatige beoordelingen, hun producten en diensten moeten beschermen door kwetsbaarheden onmiddellijk te verhelpen, onder meer door patchbeheerbeleid en gegevensbeschermingsupdates, de gevolgen van ransomwareaanvallen moeten beperken door robuuste back-upprocedures in te stellen, en cyberaanvallen consequent moeten melden;

35.

dringt er bij de lidstaten op aan CERT's op te zetten waaraan bedrijven en consumenten kwaadwillige e-mails en websites kunnen melden zoals voorzien in de NIS-richtlijn, zodat de lidstaten regelmatig op de hoogte worden gebracht van beveiligingsincidenten en maatregelen om het risico voor hun eigen systemen te beperken; moedigt de lidstaten aan te overwegen een databank voor de registratie van alle vormen van cybercriminaliteit op te zetten en de evolutie van de relevante verschijnselen op te volgen;

36.

dringt er bij de lidstaten op aan te investeren in het veiliger maken van hun kritieke infrastructuur en bijbehorende gegevens om cyberaanvallen te kunnen weerstaan;

De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van dienstverleners uitbreiden

37.

is van mening dat een nauwere samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten en dienstverleners een belangrijke factor is bij het versnellen en stroomlijnen van procedures voor wederzijdse rechtshulp en wederzijdse erkenning binnen de bevoegdheden waarin het Europees wettelijk kader voorziet; verzoekt aanbieders van elektronische-communicatiediensten die niet in de Unie zijn gevestigd vertegenwoordigers in de Unie schriftelijk aan te stellen;

38.

herhaalt dat ten aanzien van het internet der dingen producenten het belangrijkste uitgangspunt vormen voor de aanscherping van aansprakelijkheidsregelingen die leiden tot een betere productkwaliteit en een veiliger omgeving wat betreft externe toegang en een gedocumenteerde updatevoorziening;

39.

is van mening dat, met het oog op innovatietrends en de toenemende toegankelijkheid van apparaten die zijn verbonden met het internet der dingen, bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de beveiliging van alle apparaten, zelfs de meest eenvoudige; is van oordeel dat het in het belang van producenten van hardware en ontwikkelaars van innovatieve software is om te investeren in oplossingen om cybercriminaliteit te voorkomen en informatie uit te wisselen over bedreigingen van de cyberveiligheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten de aanpak „beveiliging door ontwerp” te bevorderen, en dringt er bij de industrie op aan „beveiliging door ontwerp”-oplossingen in te bouwen in al deze apparaten; spoort de private sector in dit verband aan tot de tenuitvoerlegging van vrijwillige maatregelen die zijn ontwikkeld op basis van de relevante EU-wetgeving, zoals de NIS-richtlijn, en afgestemd op internationaal erkende normen om het vertrouwen in de veiligheid van software en apparatuur te versterken, zoals het vertrouwenskeurmerk van het internet der dingen;

40.

moedigt dienstverleners aan de gedragscode inzake de bestrijding van illegale haatdragende taal op het internet te onderschrijven, en verzoekt de Commissie en de deelnemende ondernemingen op dit gebied te blijven samenwerken;

41.

herinnert eraan dat Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (20) („richtlijn elektronische handel”) tussenpersonen uitsluitend vrijstelt van aansprakelijkheid voor inhoud indien zij een neutrale en passieve rol spelen met betrekking tot de doorgestuurde en/of gehoste inhoud, maar ook een prompte reactie vereist wat betreft het verwijderen van inhoud of het blokkeren van de toegang ertoe wanneer een tussenpersoon feitelijke kennis heeft van een inbreuk of illegale activiteiten of informatie;

42.

benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is om rechtshandhavingsdatabanken te beschermen tegen beveiligingsincidenten en ongeoorloofde toegang, aangezien dit een punt van zorg is voor natuurlijke personen; uit zijn bezorgdheid over de extraterritoriale werkingssfeer van rechtshandhavingsautoriteiten voor wat de toegang tot gegevens in het kader van strafrechtelijke onderzoeken betreft, en benadrukt dat in dit verband strenge regels moeten worden ingevoerd;

43.

is van mening dat problemen op het gebied van illegale onlineactiviteit prompt en efficiënt moeten worden aangepakt, onder meer via verwijderingsprocedures indien de betreffende inhoud niet of niet langer nodig is voor de opsporing, onderzoek of vervolging; herinnert eraan dat de lidstaten, wanneer verwijdering niet haalbaar is, noodzakelijke en evenredige maatregelen kunnen nemen om de toegang tot dergelijke inhoud op het grondgebied van de Unie te blokkeren; benadrukt dat dergelijke maatregelen in overeenstemming moeten zijn met de bestaande wetgevings- en gerechtelijke procedures, alsook met het Handvest, en onderworpen moeten worden aan passende waarborgen, met inbegrip van verhaalmogelijkheden;

44.

benadrukt de rol van aanbieders van diensten van de digitale informatiemaatschappij bij het snel en efficiënt verwijderen van illegale online-inhoud op verzoek van de verantwoordelijke rechtshandhavingsautoriteit, en is ingenomen met de vooruitgang die in dit verband is geboekt, onder meer dankzij de bijdrage van het EU-internetforum; benadrukt de noodzaak van een grotere inzet en meer medewerking van de kant van de bevoegde autoriteiten en aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij om te bewerkstelligen dat de industrie inhoud snel en doeltreffend verwijdert en om de blokkering van illegale inhoud door middel van overheidsmaatregelen te voorkomen; verzoekt de lidstaten niet-conforme platforms wettelijk aansprakelijk te stellen; herhaalt dat maatregelen om illegale online-inhoud te verwijderen die voorzien in algemene voorwaarden, uitsluitend mogen worden toegestaan indien de nationale procedureregels gebruikers de mogelijkheid bieden hun rechten uit te oefenen voor een rechtbank nadat ze kennis hebben genomen van die maatregelen;

45.

benadrukt dat, in overeenstemming met de resolutie van het Parlement getiteld „Naar een akte voor een digitale interne markt” van 19 januari 2016 (21), de beperkte aansprakelijkheid van tussenpersonen van wezenlijk belang is voor de bescherming van de openheid van het internet, de grondrechten, de rechtszekerheid en innovatie; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om richtsnoeren te verstrekken over procedures voor kennisgeving en verwijdering, onlineplatforms te begeleiden bij de nakoming van hun verantwoordelijkheden en de in de richtlijn elektronische handel (2000/31/EG) uiteengezette aansprakelijkheidsregels, de rechtszekerheid te vergroten en te zorgen voor meer vertrouwen onder gebruikers; dringt er bij de Commissie op aan een wetgevingsvoorstel inzake deze kwestie in te dienen;

46.

verzoekt om de toepassing van de „volg het geld”-benadering zoals beschreven in de resolutie getiteld „Naar een hernieuwde consensus over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten: een EU-actieplan” (22) van het Parlement van 9 juni 2015, op basis van het regelgevingskader van de richtlijn elektronische handel en de richtlijn handhaving intellectuele-eigendomsrechten;

47.

benadrukt het cruciale belang van voortdurende en specifieke opleiding en psychologische ondersteuning voor content moderators bij private en publieke entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de beoordeling van aanstootgevende en illegale inhoud op internet, aangezien zij op dat gebied als eersten tussenbeide komen;

48.

verzoekt dienstverleners in duidelijke meldingstypes te voorzien, evenals in een goed georganiseerde backoffice-infrastructuur, waarmee een snelle en gepaste opvolging van de meldingen kan worden gewaarborgd;

49.

verzoekt dienstverleners meer inspanningen te leveren met het oog op bewustmaking omtrent de risico's op internet, met name onder kinderen, door interactieve instrumenten en voorlichtingsmateriaal te ontwikkelen;

Versterken van de politiële en justitiële samenwerking

50.

is bezorgd over het feit dat een aanzienlijk aantal cybermisdrijven onbestraft blijft; betreurt het feit dat het gebruik door internetaanbieders van technologieën zoals NAT CGN een ernstige belemmering vormt voor onderzoeken, aangezien zij de precieze identificatie van de gebruiker van een IP-adres technisch onmogelijk maken, en dus ook de toewijzing van onlinemisdrijven; benadrukt dat rechtshandhavingsautoriteiten een rechtmatige toegang tot relevante informatie moet worden toegestaan in de specifieke omstandigheden waarin dergelijke toegang noodzakelijk en evenredig is om veiligheids- en justitiële redenen; benadrukt dat gerechtelijke en rechtshandhavingsautoriteiten moeten worden uitgerust met voldoende capaciteiten om legitieme onderzoeken te kunnen verrichten;

51.

dringt er bij de lidstaten op aan geen verplichtingen op te leggen aan encryptiediensten waardoor de veiligheid van hun netwerken of diensten wordt verzwakt of in het gedrang komt, zoals het creëren of in de hand werken van „backdoors”; benadrukt dat er haalbare oplossingen moeten worden geboden, zowel via wetgeving als via voortdurende technologische ontwikkelingen, voor zover zij noodzakelijk zijn om veiligheids- en justitiële redenen; dringt er bij de lidstaten op aan samen te werken, in overleg met de gerechtelijke autoriteiten en Eurojust, bij het op elkaar afstemmen van de voorwaarden voor het wettelijk gebruik van onderzoeksinstrumenten op internet;

52.

benadrukt dat legale interceptie een zeer effectieve maatregel kan zijn om illegaal hacken te bestrijden, op voorwaarde dat zij noodzakelijk, evenredig, gebaseerd op de correcte juridische procedures en volledig in overeenstemming met de grondrechten en de EU-gegevensbeschermingswetgeving en -rechtspraak is; verzoekt alle lidstaten om gebruik te maken van de mogelijkheden van legaal hacken gericht op verdachte personen, om duidelijke regels vast te stellen met betrekking tot de procedure voor voorafgaande gerechtelijke goedkeuring voor legale hackactiviteiten, met inbegrip van beperkingen van het gebruik en de duur van instrumenten voor legaal hacken, om een controlemechanisme in te stellen en om te voorzien in doeltreffende rechtsmiddelen voor de doelwitten van hackactiviteiten;

53.

moedigt de lidstaten aan samen te werken met ICT-beveiligingsdeskundigen en hen aan te sporen een actievere rol te spelen op het gebied van „ethisch hacken” en het melden van illegale inhoud, zoals materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat;

54.

moedigt Europol aan om binnen verborgen netwerken een anoniem meldingssysteem op te zetten waarmee personen illegale inhoud, zoals afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen, kunnen melden aan de autoriteiten, met gebruikmaking van technische waarborgen die vergelijkbaar zijn met die welke talrijke persorganisaties toepassen voor de uitwisseling van gevoelige informatie met journalisten op een wijze die een hogere mate van anonimiteit en veiligheid mogelijk maakt dan conventionele e-mail;

55.

benadrukt dat het noodzakelijk is om de risico's voor de privacy van internetgebruikers van lekken van exploits of instrumenten die door rechtshandhavingsautoriteiten worden gebruikt als onderdeel van hun legitieme onderzoeksactiviteiten tot een minimum te beperken;

56.

benadrukt dat gerechtelijke en rechtshandhavingsautoriteiten moeten worden uitgerust met voldoende capaciteiten en middelen om hen in staat te stellen doeltreffend te reageren op cybercriminaliteit;

57.

benadrukt dat de lappendeken van verschillende, territoriaal gedefinieerde nationale rechtsgebieden leidt tot moeilijkheden bij het bepalen welke wetgeving van toepassing is op transnationale interacties en tot rechtsonzekerheid, waardoor samenwerking over de grenzen heen, die noodzakelijk is om cybercriminaliteit doeltreffend aan te pakken, wordt belemmerd;

58.

benadrukt de noodzaak om concrete elementen te ontwikkelen voor een gemeenschappelijke EU-aanpak op het gebied van jurisdictie in de cyberruimte, zoals gesteld tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van 26 januari 2016;

59.

benadrukt in dit verband dat er gedeelde procedurele normen moeten worden ontwikkeld waarmee de territoriale factoren kunnen worden vastgesteld die de basis vormen voor het toepasselijk recht in de cyberruimte, en dat er onderzoeksmaatregelen moeten worden vastgesteld waarvan ongeacht het geografische gebied gebruik kan worden gemaakt;

60.

erkent dat een dergelijke gemeenschappelijke Europese aanpak, waarbij de grondrechten en de privacy moeten worden geëerbiedigd, vertrouwen zal scheppen onder de belanghebbenden, de vertraging bij de behandeling van grensoverschrijdende verzoeken zal beperken, voor interoperabiliteit tussen heterogene actoren zal zorgen en de mogelijkheid zal bieden om de eisen inzake een eerlijke rechtsgang op te nemen in de operationele kaders;

61.

is van mening dat er op lange termijn ook gedeelde procedurele normen voor de handhaving van rechtspraak in de cyberruimte moeten worden ontwikkeld op mondiaal niveau; is in dit verband verheugd over het werk van de Cloud Evidence Group van de Raad van Europa;

e-Bewijs

62.

benadrukt dat een gemeenschappelijke Europese benadering van het strafrecht in de cyberruimte een prioriteit is, aangezien deze de handhaving van de rechtsstaat in de cyberruimte zal verbeteren, het verkrijgen van e-bewijs in strafprocessen zal vergemakkelijken en zal bijdragen tot een snellere afhandeling van rechtszaken;

63.

wijst op de noodzaak manieren te vinden om e-bewijs sneller veilig te stellen en te verkrijgen, en op het belang van nauwe samenwerking tussen rechtshandhavingsautoriteiten — onder meer door meer gebruik te maken van gezamenlijke onderzoeksteams — derde landen en dienstverleners die actief zijn op het Europese grondgebied, in overeenstemming met de algemene verordening gegevensbescherming ((EU) 2016/679), Richtlijn (EU) 2016/680 (de politiële richtlijn) en bestaande overeenkomsten inzake wederzijdse rechtshulp; wijst op de noodzaak centrale contactpunten in alle lidstaten op te richten en het gebruik van de bestaande contactpunten te optimaliseren, aangezien hierdoor de toegang tot e-bewijs en het delen van informatie gemakkelijker zal worden, de samenwerking met dienstverleners zal verbeteren en de procedures voor wederzijdse rechtshulp sneller zullen verlopen;

64.

erkent dat het momenteel versnipperde wettelijke kader problemen kan opleveren voor dienstverleners die willen voldoen aan de eisen van rechtshandhavingsautoriteiten; verzoekt de Commissie een voorstel voor een Europees rechtskader voor e-bewijs voor te leggen, met inbegrip van geharmoniseerde regels om te bepalen of een dienstverlener als binnenlands of buitenlands kan worden beschouwd, en een verplichting op te leggen aan dienstverleners om gehoor te geven aan verzoeken van andere lidstaten die gebaseerd zijn op een eerlijke rechtsgang en in overeenstemming zijn met het Europees onderzoeksbevel (EOB), waarbij rekening wordt gehouden met het evenredigheidsbeginsel om nadelige gevolgen voor de uitoefening van de vrijheid van vestiging en van dienstverlening te voorkomen en passende waarborgen te garanderen, teneinde rechtszekerheid te verschaffen en het vermogen van dienstverleners en tussenpersonen om gehoor te geven aan verzoeken van rechtshandhavingsautoriteiten te verbeteren;

65.

wijst erop dat een kader inzake e-bewijs over voldoende waarborgen voor de rechten en vrijheden van alle betrokkenen dient te beschikken; wijst erop dat daarbij moet worden vereist dat verzoeken om e-bewijs in eerste instantie worden gericht aan de eigenaars of verwerkers van de gegevens, teneinde ervoor te zorgen dat hun rechten, en de rechten van de personen op wie de gegevens betrekking hebben (bijv. hun recht om een wettelijk privilege in te roepen en schadeloosstelling te eisen in geval van onevenredige of anderszins onwettige toegang) worden geëerbiedigd; wijst er tevens op dat een wettelijk kader maatregelen moet bevatten om dienstverleners en alle andere partijen te beschermen tegen verzoeken die tot wetsconflicten kunnen leiden of anderszins inbreuk kunnen maken op de soevereiniteit van andere landen;

66.

verzoekt de lidstaten Richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel (de EOB-richtlijn) volledig ten uitvoer te leggen, met het oog op het doeltreffend veiligstellen en verkrijgen van e-bewijs in de EU en het opnemen van specifieke bepalingen in verband met de cyberruimte in hun nationale wetboek van strafrecht, teneinde de toelaatbaarheid van e-bewijs voor de rechter te vergemakkelijken en duidelijkere richtlijnen te kunnen vaststellen voor rechters ten aanzien van de strafbaarheid van cybercriminaliteit;

67.

is ingenomen met de doorlopende werkzaamheden van de Commissie aan een samenwerkingsplatform met een beveiligd communicatiekanaal voor de digitale uitwisseling van EOB's, e-bewijs en antwoorden tussen de gerechtelijke autoriteiten in de EU; verzoekt de Commissie samen met de lidstaten, Eurojust en dienstverleners de formulieren, instrumenten en procedures voor het veiligstellen en verkrijgen van e-bewijs te onderzoeken en op elkaar af te stemmen, teneinde de authenticatie te vergemakkelijken, snelle procedures te waarborgen en de transparantie en verantwoording van het proces voor het verkrijgen en veiligstellen van e-bewijs te vergroten; verzoekt het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol) opleidingsmodules te ontwikkelen inzake doeltreffend gebruik van de huidige kaders die worden gebruikt om elektronisch bewijs veilig te stellen en te verkrijgen; benadrukt in dit verband dat door het stroomlijnen van het beleid van dienstverleners de heterogeniteit van de benaderingen zal afnemen, met name betreffende de procedures en voorwaarden voor het verlenen van toegang tot de opgevraagde gegevens;

Capaciteitsopbouw op Europees niveau

68.

wijst erop dat uit de recente gebeurtenissen duidelijk is gebleken dat de EU, en met name de EU-instellingen, nationale regeringen en parlementen, grote Europese bedrijven en Europese IT-infrastructuur en -netwerken, zeer kwetsbaar zijn voor geavanceerde aanvallen met complexe software en malware; verzoekt het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) om het dreigingsniveau voortdurend te evalueren, en de Commissie om te investeren in IT-capaciteiten en de verdediging en veerkracht van de kritieke infrastructuur van de EU-instellingen, teneinde de kwetsbaarheid van de EU voor ernstige cyberaanvallen door grote criminele organisaties, van staatswege gesteunde aanvallen of terroristische groeperingen te beperken;

69.

erkent de belangrijke bijdrage aan de strijd tegen cybercriminaliteit van het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3) van Europol en Eurojust, evenals van Enisa;

70.

verzoekt Europol de nationale rechtshandhavingsautoriteiten te ondersteunen bij het opzetten van veilige en adequate transmissiekanalen;

71.

betreurt het feit dat er momenteel geen EU-normen voor opleiding en certificering bestaan; erkent dat de toekomstige tendensen in cybercriminaliteit een steeds hoger deskundigheidsniveau van de beroepsbeoefenaars vereisen; is verheugd over het feit dat bestaande initiatieven zoals de Europese groep voor opleiding in verband met cybercriminaliteit (ECTEG), het project „opleiding van opleiders” (Training of Trainers — TOT) en de opleidingsactiviteiten in het kader van de EU-beleidscyclus al de weg effenen voor de aanpak van de expertisekloof op EU-niveau;

72.

verzoekt Cepol en het Europees netwerk voor justitiële opleiding hun cursussen over onderwerpen die verband houden met cybercriminaliteit ook aan te bieden aan de bevoegde rechtshandhavingsautoriteiten en gerechtelijke autoriteiten in de hele Unie;

73.

benadrukt dat het aantal cybermisdrijven dat aan Eurojust wordt voorgelegd met 30 % is gestegen; wenst dat er voldoende middelen worden toegewezen en zo nodig meer arbeidsplaatsen worden gecreëerd om Eurojust in staat te stellen zijn toenemende werklast in verband met cybercriminaliteit het hoofd te bieden en zijn steun aan nationale aanklagers op het gebied van cybercriminaliteit in grensoverschrijdende gevallen uit te werken en verder te versterken, onder meer via het onlangs opgerichte Europees justitieel netwerk cybercriminaliteit;

74.

verzoekt om een herziening van het mandaat van Enisa en een versterking van de nationale agentschappen voor cyberbeveiliging; verzoekt om een versterking van de taken, het personeelsbestand en de middelen van Enisa; benadrukt dat het nieuwe mandaat ook sterkere banden met Europol en belanghebbenden uit de sector moet omvatten, teneinde het agentschap in staat te stellen de bevoegde autoriteiten beter te ondersteunen in de strijd tegen cybercriminaliteit;

75.

verzoekt het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) een praktisch en gedetailleerd handboek op te stellen met richtlijnen voor toezichthoudende controles door de lidstaten;

Betere samenwerking met derde landen

76.

wijst op het belang van een nauwe samenwerking met derde landen in de mondiale strijd tegen cybercriminaliteit, onder meer door middel van de uitwisseling van beste praktijken, gezamenlijke onderzoeken, capaciteitsopbouw en wederzijdse rechtshulp;

77.

verzoekt de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, het Verdrag inzake cybercriminaliteit van de Raad van Europa van 23 november 2001 (het Verdrag van Boedapest) te ratificeren en volledig uit te voeren, evenals de bijbehorende protocollen, en het in samenwerking met de Commissie te promoten op relevante internationale fora;

78.

benadrukt zijn ernstige bezorgdheid over het werk in de commissie Cybercrimeverdrag van de Raad van Europa betreffende de interpretatie van artikel 32 van het Verdrag van Boedapest inzake grensoverschrijdende toegang tot opgeslagen computergegevens („cloudbewijs”), en verzet zich tegen de sluiting van bijkomende protocollen of richtsnoeren die zijn bedoeld om de genoemde bepaling een grotere draagwijdte te geven dan de huidige regeling die is vastgesteld door het Verdrag, die al een grote uitzondering vormt op het beginsel van territorialiteit omdat zij kan leiden tot ongebreidelde toegang op afstand van rechtshandhavingsautoriteiten tot servers en computers die zich in andere rechtsgebieden bevinden, zonder daarbij gebruik te maken van overeenkomsten voor wederzijdse rechtshulp of andere instrumenten voor justitiële samenwerking die in het leven zijn geroepen om de grondrechten van het individu te waarborgen, met inbegrip van gegevensbescherming en een eerlijke rechtsgang, en in het bijzonder Verdrag 108 van de Raad van Europa;

79.

betreurt het feit dat er geen bindende internationale wet inzake cybercriminaliteit bestaat, en dringt er bij de lidstaten en de Europese instellingen op aan te werken aan de sluiting van een verdrag over deze kwestie;

80.

verzoekt de Commissie mogelijke initiatieven voor te stellen om de efficiëntie te verhogen en het gebruik te bevorderen van de verdragen inzake wederzijdse rechtshulp, als tegenwicht tegen de opneming van extraterritoriale rechtsbevoegdheid door derde landen;

81.

verzoekt de lidstaten te zorgen voor voldoende capaciteit voor de afhandeling van verzoeken om wederzijdse rechtshulp in verband met onderzoeken in de cyberruimte, en relevante opleidingsprogramma's te ontwikkelen voor het personeel dat verantwoordelijk is voor de afhandeling van dergelijke verzoeken;

82.

benadrukt dat strategische en operationele samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en derde landen zowel de uitwisseling van informatie als de samenwerking in de praktijk vergemakkelijken;

83.

neemt nota van het feit dat het grootste aantal verzoeken van rechtshandhavingsautoriteiten gericht is tot de VS en Canada; is bezorgd over het feit dat het percentage gevallen waarin grote Amerikaanse dienstverleners gegevens openbaar maken op verzoek van Europese strafrechtelijke autoriteiten onder de 60 % ligt en herinnert eraan dat, volgens hoofdstuk V van de algemene verordening gegevensbescherming, de overeenkomsten inzake wederzijdse rechtshulp en andere internationale overeenkomsten de voorkeursmechanismen zijn om toegang te verlenen tot persoonsgegevens in het buitenland;

84.

verzoekt de Commissie concrete maatregelen voor te stellen om de grondrechten van de verdachte of beschuldigde persoon te beschermen wanneer informatie tussen Europese rechtshandhavingsautoriteiten en derde landen wordt uitgewisseld, met name waarborgen betreffende het snel verkrijgen, na een rechterlijke beslissing, van relevant bewijs, aan abonnees gerelateerde informatie of gedetailleerde metagegevens en inhoudelijke gegevens (indien niet versleuteld) van rechtshandhavingsautoriteiten en/of dienstverleners, met het oog op het verbeteren van de wederzijdse rechtshulp;

85.

verzoekt de Commissie om, in samenwerking met de lidstaten, de geassocieerde Europese instanties en waar nodig derde landen, nieuwe methoden te overwegen om in derde landen gehost e-bewijs op efficiënte wijze te verkrijgen en veilig te stellen, in volledige overeenstemming met de grondrechten en de EU-gegevensbeschermingswetgeving, door het versnellen en stroomlijnen van het gebruik van procedures voor wederzijdse rechtshulp en, indien van toepassing, van het gebruik van wederzijdse erkenning;

86.

benadrukt het belang van het responscentrum voor cyberincidenten van de NAVO;

87.

roept alle lidstaten op deel te nemen aan het wereldwijde forum inzake cyberexpertise (GFCE) om de oprichting van partnerschappen voor capaciteitsopbouw te vergemakkelijken;

88.

steunt de bijstand voor capaciteitsopbouw die door de EU wordt verleend aan de landen van het Oostelijk Nabuurschap, aangezien vele cyberaanvallen afkomstig zijn uit deze landen;

o

o o

89.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB C 419 van 16.12.2015, blz. 33.

(2)  PB C 316 van 30.8.2016, blz. 109.

(3)  PB L 149 van 2.6.2001, blz. 1.

(4)  Raad van Europa, Serie Europese Verdragen nr. 185 van 23.11.2001.

(5)  PB L 77 van 13.3.2004, blz. 1.

(6)  PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75.

(7)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.

(8)  PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.

(9)  PB L 218 van 14.8.2013, blz. 8.

(10)  PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1.

(11)  ECLI:EU:C:2014:238.

(12)  PB C 93 van 9.3.2016, blz. 112.

(13)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

(14)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.

(15)  PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.

(16)  PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1.

(17)  Arrest van het Hof van Justitie van 21 december 2016, Tele2 Sverige AB tegen Post- och telestyrelsen en Secretary of State for the Home Department tegen Tom Watson e.a., C-203/15, ECLI:EU:C:2016:970.

(18)  PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6.

(19)  ECLI:EU:C:2015:650.

(20)  PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.

(21)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0009.

(22)  PB C 407 van 4.11.2016, blz. 25.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/44


P8_TA(2017)0367

De politieke betrekkingen tussen de EU en ASEAN

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over politieke betrekkingen tussen de EU en ASEAN (2017/2026(INI))

(2018/C 346/05)

Het Europees Parlement,

gezien de oprichting van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN) op 8 augustus 1967,

gezien het voornaamste juridische kader voor de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN, namelijk de in maart 1980 ondertekende samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en de ASEAN (1),

gezien het in november 2007 ondertekende Handvest van de ASEAN, waarin aan de ASEAN rechtspersoonlijkheid en een juridisch en institutioneel kader worden gegeven, met inbegrip van de oprichting van een comité van permanente vertegenwoordigers om het werk van de ASEAN te ondersteunen en te coördineren,

gezien het Regionaal Forum van de ASEAN, dat in 1993 werd opgericht om de dialoog en raadpleging over politieke en veiligheidskwesties te bevorderen en om bij te dragen aan vertrouwenwekkende en preventieve diplomatie in de regio Azië-Stille Oceaan,

gezien de verschillende ASEAN-kaders voor het opbouwen van vertrouwen in de regio: het Regionaal Forum van de ASEAN (ARF), de vergadering van de ministers van Defensie van de ASEAN (ADMM-plus), de Oost-Azië-top (EAS), de ASEAN plus drie (de ASEAN plus China, Japan en Zuid-Korea), en de ASEAN plus zes (de ASEAN plus China, Japan, Zuid-Korea, India, Australië en Nieuw-Zeeland),

gezien de bestaande handelsovereenkomsten van de ASEAN met Japan, China, Zuid-Korea, India, Australië en Nieuw-Zeeland,

gezien de lopende onderhandelingen over en/of de conclusie van zeven partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten tussen de Europese Unie en bepaalde ASEAN-lidstaten, namelijk Brunei Darussalam, Indonesië, Maleisië, de Filipijnen, Singapore, Thailand en Vietnam,

gezien de komende onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met Indonesië en de Filipijnen, de onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met Maleisië en Thailand, die beide momenteel zijn opgeschort, de sluiting van vrijhandelsovereenkomsten met Singapore en Vietnam die de komende maanden wordt verwacht, en de onderhandelingen over een investeringsovereenkomst met Myanmar,

gezien de ontmoeting tussen de commissaris van handel Cecilia Malmström en de ministers van Economische Zaken van de ASEAN in Manilla op 10 maart 2017,

gezien de negende bijeenkomst van het parlementair samenwerkingsverband Azië-Europa (ASEP9), die op 21 en 22 april 2016 plaatsvond in Ulaanbaatar, Mongolië,

gezien de verklaring van Neurenberg over een versterkt partnerschap tussen de EU en de ASEAN van maart 2007 en het bijbehorende actieplan van november 2007,

gezien het op 27 april 2012 in Brunei Darussalam aangenomen actieplan van Bandar Seri Begawan ter intensivering van het versterkte partnerschap tussen de EU en de ASEAN (2013-2017),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 18 mei 2015 aan het Europees Parlement en de Raad getiteld „De EU en de ASEAN: Een partnerschap met een strategische doelstelling” (JOIN(2015)0022),

gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU over de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN van 22 juni 2015,

gezien de verklaring van Bangkok van 14 oktober 2016 over het bevorderen van een mondiaal partnerschap tussen de ASEAN en de EU met betrekking tot gezamenlijke strategische doelstellingen,

gezien de toetreding van de Europese Unie tot het Verdrag van vriendschap en samenwerking in Zuidoost-Azië in Phnom-Penh op 12 juli 2012 (2),

gezien de elfde top van de Aziatisch-Europese vergadering (ASEM11), die op 15 en 16 juli 2016 plaatsvond in Ulaanbaatar (Mongolië),

gezien de stichting Azië-Europa, die in februari 1997 werd opgericht om een forum voor een niet-gouvernementele dialoog te verschaffen,

gezien het ASEAN-EU Programme of Regional Integration Support (APRIS), het ASEAN Regional Integration Support programme (ARISE) en het Regional EU-ASEAN Dialogue Instrument (READI) ter ondersteuning van de harmonisering van beleid en maatregelen in niet-handelsgerelateerde sectoren,

gezien de in 2007 overeengekomen blauwdruk voor de economische gemeenschap van de ASEAN,

gezien de 14e ASEAN-top in 2009 en de opstelling van een stappenplan voor de totstandbrenging van de interne markt van de ASEAN (ASEAN Economic Community (AEC)), de politieke en veiligheidsgemeenschap van de ASEAN (APSC) en de sociaal-culturele gemeenschap van de ASEAN (ASCC),

gezien de 28e en 29e ASEAN-topconferenties, gehouden op 6 en 7 september 2016 in Vientiane (Laos), evenals de 30e ASEAN-topconferentie, gehouden van 26 tot en met 29 april 2017 in Manilla (de Filipijnen),

gezien de 24e vergadering van het gemengd samenwerkingscomité ASEAN-EU in Jakarta (Indonesië) op 2 maart 2017,

gezien de Visie 2025 van de ASEAN-gemeenschap, aangenomen tijdens de 27e ASEAN-top in Kuala Lumpur (Maleisië) van 18 tot en met 22 november 2015, en de aankondiging van de oprichting op 31 december 2015 van de ASEAN-economische gemeenschap, met als doel het creëren van een interne markt voor meer dan 600 miljoen personen,

gezien de elfde Oost-Aziatische top van de leiders van 18 landen — de lidstaten van de ASEAN, China, Japan en Zuid-Korea (ASEAN+3), India, Australië en Nieuw-Zeeland (ASEAN+6) en Rusland en de Verenigde Staten — in Vientiane (Laos), op 8 september 2016,

gezien de eerste mensenrechtenverklaring van de ASEAN van 18 november 2012 en de oprichting van de intergouvernementele commissie voor de mensenrechten van de ASEAN (ASEAN Intergovernmental Commission on Human Rights AICHR) in 2009,

gezien de ASEAN-parlementsleden voor mensenrechten (APHR), een orgaan dat in 2013 werd opgericht met als doel democratie en mensenrechten in alle ASEAN-landen te bevorderen,

gezien het ASEAN-instituut voor vrede en verzoening (AIPR),

gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, die door alle lidstaten van de ASEAN zijn geratificeerd,

gezien de richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten ter uitvoering van het kader „Protect, Respect and Remedy” van de Verenigde Naties, die op 16 juni 2011 zijn goedgekeurd door de VN-Mensenrechtenraad,

gezien het ASEAN-verdrag ter bestrijding van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, dat in november 2015 door alle ASEAN-lidstaten is ondertekend,

gezien de universele periodieke doorlichtingen (UPR's) door de VN-Mensenrechtenraad, waaraan alle lidstaten van de ASEAN hebben deelgenomen,

gezien zijn recente resoluties over de ASEAN, en met name die van 15 januari 2014 over de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN (3),

gezien zijn recente resoluties over lidstaten van de ASEAN, met name die van 9 juni 2016 over Vietnam (4), van 17 december 2015 over de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de EU en Vietnam (resolutie) (5), van 17 december 2015 over de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de EU en Vietnam(goedkeuring) (6), van 8 juni 2016 over de kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EU en de Filipijnen (goedkeuring) (7) en van 8 juni 2016 over de kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de EU en de Filipijnen (resolutie) (8),

gezien zijn recente urgente mensenrechtenresoluties over lidstaten van de ASEAN, met name die van 14 september 2017 over Myanmar, in het bijzonder de situatie van de Rohingya (9), van 21 mei 2015 over het lot van Rohingya-vluchtelingen, met inbegrip van massagraven in Thailand (10), van 15 december 2016 over de situatie van de Rohingya-minderheid in Myanmar (11), van 7 juli 2016 over Myanmar, en met name de situatie van de Rohingya (12), van 14 september 2017 over Cambodja, in het bijzonder de zaak van Kem Sokha (13), van 9 juni 2016 over Cambodja (14), van 26 november 2015 over de politieke situatie in Cambodja (15), van 9 juli 2015 over de Cambodjaanse wetsvoorstellen inzake ngo's en vakbonden (16), van 6 oktober 2016 over Thailand, met name het geval van Andy Hall (17), van 8 oktober 2015 over de situatie in Thailand (18), van 17 december 2015 over Maleisië (19), van 19 januari 2017 over Indonesië (20), van 15 juni 2017 over Indonesië (21), van 15 september 2016 (22) en 16 maart 2017 (23) over de Filipijnen, en van 14 september 2017 over Laos, in het bijzonder de gevallen van Somphone Phimmasone, Lod Thammavong and Soukane Chaithad (24),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0243/2017),

A.

overwegende dat dit jaar het vijftigjarig bestaan van de ASEAN, de zestigste verjaardag van de Verdragen van Rome en het veertigjarig bestaan van formele betrekkingen tussen de EU en ASEAN gevierd worden;

B.

overwegende dat de ASEAN-regio zich heeft ontwikkeld tot een van 's werelds meest dynamische en snelst groeiende regio's, met name wat betreft de economie, technologie en onderzoek, in geopolitiek en geo-economisch opzicht een strategische plaats inneemt, een zeer actieve bevolking heeft, over overvloedige grondstoffen beschikt, grotere economische integratie tot doel heeft en een ambitieuze agenda voor duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) nastreeft, met name inzake onderwijs, en een krachtig pleitbezorger is van multilateralisme; overwegende dat het dichten van de ontwikkelingskloof binnen de ASEAN van essentieel belang is bij het streven naar verdere integratie en het waarborgen van veiligheid, stabiliteit en de bescherming van sociale, economische en politieke rechten;

C.

overwegende dat de integratieprocessen van de EU en de ASEAN verschillend van aard zijn, zowel qua achtergrond als qua zienswijze en missies; overwegende dat de integratieprocessen van de EU en de ASEAN ieder hun eigen logica volgen, maar wel vergelijkbaar zijn, aangezien beide op regels gebaseerde organisaties al decennia bijdragen aan de bevordering van vreedzame co-existentie, regionale integratie en internationale samenwerking en ontwikkeling, en beogen vertrouwen te scheppen tussen hun lidstaten; overwegende dat de EU zodoende een unieke partner voor de ASEAN vormt;

D.

overwegende dat de twee regio's een aanzienlijk niveau van interactie hebben bewerkstelligd, en dat de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN zeer uitgebreid zijn en een brede reeks sectoren omvatten, waaronder handel en investeringen, ontwikkeling, economie en politieke kwesties; overwegende dat de ASEAN de op twee na grootste handelspartner van de EU is en de EU de op een na grootste handelspartner van de ASEAN, waarbij de jaarlijkse bilaterale handel in goederen goed is voor meer dan 200 miljard EUR, terwijl de EU de grootste verstrekker van buitenlandse directe investeringen in de ASEAN-regio is; overwegende dat de ASEAN voor Europese ondernemingen een toegangsweg is tot de markten van de bredere regio; overwegende dat de EU en haar lidstaten gedurende de periode 2014-2020 de grootste verstrekker van ontwikkelingshulp in de regio zijn en dat de EU 3 miljard EUR heeft toegezegd om armoede te bestrijden en ontwikkelingsachterstanden in ASEAN-landen met een laag inkomen te verkleinen;

E.

overwegende dat het EU-project in het verleden een voorbeeld is geweest voor andere regionale integratieprocessen;

F.

overwegende dat de EU voortdurend het werk van de ASEAN en met name het secretariaat van de ASEAN gesteund heeft, en als erkenning van het belang van de ASEAN een hoofd van de EU-delegatie bij de ASEAN heeft benoemd, die in 2015 is aangetreden;

G.

overwegende dat op dit moment de integratieprocessen in beide regio's op de proef worden gesteld, maar dat er zich tegelijkertijd nieuwe mogelijkheden voor integratie voordoen; overwegende dat de EU met meerdere crises wordt geconfronteerd; overwegende dat de ASEAN, niettegenstaande het doel de centrale rol van de ASEAN te bevorderen, in 2016 te maken had met een daling van de handel binnen de ASEAN en te kampen heeft gehad met problemen, waaronder uiteenlopende oriëntaties op het gebied van buitenlands beleid en overloopeffecten van binnenlandse problemen, in verband met dreigingen voor de democratie en de rechtsstaat, interreligieuze verhoudingen, etnische minderheden, sociale ongelijkheid en mensenrechtenschendingen, ook met grensoverschrijdende gevolgen;

H.

overwegende dat de EU heeft besloten de mensenrechten een centrale plaats toe te kennen in haar betrekkingen met derde landen;

I.

overwegende dat de EU de Filipijnen in december 2014 de SAP+-status heeft toegekend, waarmee dit het eerste ASEAN-land is dat dergelijke handelspreferenties geniet; overwegende dat de Filipijnen hierdoor 66 % van hun producten tariefvrij kunnen uitvoeren naar de EU;

J.

overwegende dat de terugtrekking van de VS uit het trans-Pacifisch partnerschap (TTP) een nieuwe impuls zou kunnen geven aan de onderhandelingen over een regionaal alomvattend economisch partnerschap (RCEP); overwegende dat een zelfbewuster China initiatieven zoals „One belt, one road” lanceert, waardoor alle buurlanden en andere landen op de proef worden gesteld;

K.

overwegende dat de spanningen in de Zuid-Chinese Zee een bedreiging en een risico voor de veiligheid en de stabiliteit van de regio vormen; overwegende dat de militarisering van de Zuid-Chinese Zee de meest zorgelijke ontwikkeling is; overwegende dat de dialoog tussen de ASEAN en China over een gedragscode het belangrijkste mechanisme van de ASEAN blijft voor uitwisselingen met China over de Zuid-Chinese Zee; overwegende dat de activiteiten van China — van militaire patrouilles en oefeningen tot bouwactiviteiten waarbij de principes van de verklaring over het gedrag van de partijen in de Zuid-Chinese Zee van 2002 genegeerd worden — een punt van zorg blijven;

1.

feliciteert de lidstaten van de ASEAN met het vijftigjarig bestaan van de ASEAN en staat volledig achter alle inspanningen voor regionale integratie; betuigt evenzeer zijn waardering voor veertig jaar betrekkingen tussen de EU en de ASEAN en herhaalt zijn aanbeveling om de betrekkingen op te waarderen tot een strategisch partnerschap op basis van concrete acties, tastbare resultaten en nauwere inhoudelijke samenwerking; benadrukt dat de EU haar samenwerking met deze sleutelspeler in een strategisch belangrijke regio wenst te versterken; benadrukt dat een strategisch partnerschap met de ASEAN voor de EU een mogelijkheid betekent om haar bijdrage aan de verwezenlijking van gedeelde doelstellingen in de Indo-Pacifische regio te versterken;

2.

wijst op de politieke waarde van sterke handels- en investeringsbetrekkingen tussen de ASEAN en de EU en dringt er bij beide partijen op aan hun economische en politieke betrekkingen verder te versterken; benadrukt dat er een aanzienlijk potentieel is voor verdere uitbreiding van de handelsbetrekkingen tussen de EU en de ASEAN; wijst erop dat de EU de grootste buitenlandse investeerder in de ASEAN is; wijst ook op de kansen voor samenwerking inzake de uitvoering van de SDG's; pleit voor intensivering van de samenwerking teneinde de ontwikkelingskloof binnen de ASEAN te dichten; is van mening dat de samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken op diverse terreinen kunnen worden versterkt, onder meer bij de aanpak van mondiale problemen, inclusief de klimaatverandering, transnationale georganiseerde misdaad en terreur, grensbeheer, maritieme veiligheid, de ontwikkeling van de financiële sector, transparantie en macroeconomisch beleid; benadrukt het streven naar een hoge graad van samenwerking tussen de EU en de ASEAN binnen multilaterale instellingen zoals de VN, maar ook in de WTO, met betrekking tot de handhaving, versterking en ontwikkeling van het multilaterale internationale handelsbestel en eerlijke handelsbetrekkingen;

3.

prijst de VV/HV en de Commissie voor het aannemen van een gezamenlijke verklaring, met steun van de lidstaten, waarin een routekaart is opgenomen voor de verdieping van het partnerschap met betrekking tot politieke, veiligheids- en economische zaken, alsook wat betreft connectiviteit, het milieu, natuurlijke hulpbronnen en andere domeinen, zoals de bevordering en bescherming van de mensenrechten; benadrukt het belang van de versterking van de politieke dialoog tussen de EU en de ASEAN; wijst erop dat de actieve steun van de EU voor de verdieping van de integratie van de ASEAN bijdraagt aan haar veerkracht en aan de stabiliteit van de regio; benadrukt dat de EU technische bijstand en steun voor capaciteitsopbouw verleent voor de totstandbrenging van een interne markt;

4.

is ingenomen met de benoeming van een hoofd van de EU-delegatie bij de ASEAN en de opening van een EU-missie bij de ASEAN in 2015, een ontwikkeling waaruit blijkt hoe belangrijk de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN zijn;

5.

merkt op dat, aangezien het VK door de jaren heen een belangrijke en waardevolle rol heeft gespeeld in het tot stand brengen van de banden tussen de EU en de ASEAN, de EU en haar lidstaten genoodzaakt zullen worden en de gelegenheid zullen krijgen om de betrekkingen actief te versterken in het licht van de nieuwe realiteit van de brexit; dringt er bij het VK op aan nauw met het partnerschap tussen de EU en de ASEAN samen te werken; roept de EU op haar betrokkenheid bij de bestaande door de ASEAN geleide fora te versterken; is van oordeel dat de EU haar diplomatieke inspanningen met de ASEAN naar een hoger plan moet tillen en moet intensiveren om bij te dragen tot meer stabiliteit en veiligheid in conflictgebieden waar opnieuw spanningen zijn ontstaan, en daarbij nauw moet samenwerken met partners in de regio en het internationaal recht moet hooghouden;

6.

betreurt de late en gereserveerde reactie van de EU op de Unclos (Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee)-uitspraak inzake het geschil met betrekking tot de Zuid-Chinese Zee en dringt er bij de EU op aan te bevorderen dat de bepalingen van Unclos worden geëerbiedigd; benadrukt nogmaals dat de EU vreedzame, via onderhandelingen bereikte oplossingen voor internationale geschillen steunt; houdt vast aan vrijheid van scheepvaart; roept China op de uitspraak van het tribunaal te accepteren; moedigt de partijen aan een vreedzame schikking van de geschillen na te streven, gebaseerd op de beginselen van het internationaal recht onder Unclos; steunt de inspanningen van de ASEAN-lidstaten om te streven naar de spoedige vaststelling van een doeltreffende gedragscode voor de Zuid-Chinese Zee;

7.

betreurt acties zoals grootschalige landaanwinning en het plaatsen van militaire installaties en arsenaal op aangewonnen land, wat het risico met zich meebrengt dat het conflict gemilitariseerd wordt; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de toenemende uitgaven voor defensie in de regio en de naburige landen, alsmede over de toenemende militarisering van conflicten, met name in de Zuid- en de Oost-Chinese Zee; merkt op dat de EU de ontwikkeling van de vreedzame betrekkingen tussen China en zijn buurlanden rond de Zuid-Chinese Zee door constructieve bilaterale en inclusieve multilaterale mechanismen moet blijven steunen; steunt alle acties die het mogelijk maken om van de Zuid-Chinese Zee een „zee van vrede en samenwerking” te maken; dringt er bij de lidstaten op aan zich strikt te houden aan de EU-gedragscode inzake wapenexport; benadrukt het belang van de non-proliferatie van massavernietigingswapens, met name in het licht van de recente ontwikkelingen in de Democratische Volksrepubliek Korea;

8.

steunt het veiligheidspartnerschap en het uitwisselen van ervaring en beste praktijken tussen de EU en de ASEAN op het vlak van een reeks niet-conventionele veiligheidskwesties met het oog op de versterking van de regionale capaciteiten, met name wat betreft een intensievere dialoog en samenwerking op het gebied van de maritieme veiligheid, piraterij, bestrijding van de georganiseerde misdaad en steun voor samenwerking tussen Europol en de politiedienst van de ASEAN (Aseanapol), terrorismebestrijding, cyberveiligheid, klimaatveiligheid, preventieve diplomatie en bemiddeling, crisisbeheer, paraatheid bij rampen en noodhulp en humanitaire bijstand; pleit voor een grotere EU-bijdrage aan en -betrokkenheid bij het Regionaal Forum van de ASEAN (ARF);

9.

is ingenomen met de derde dialoog op hoog niveau tussen de ASEAN en de EU over de samenwerking op het gebied van de maritieme veiligheid in Thailand op 15 en 16 september 2016, waar toekomstige gebieden van concrete samenwerking tussen de ASEAN en de EU op het gebied van maritieme veiligheid en preventieve diplomatie in kaart werden gebracht en voorgesteld; ziet uit naar het bijeenroepen van de vierde dialoog op hoog niveau tussen de ASEAN en de EU over samenwerking op het gebied van de maritieme veiligheid in 2017 in de Filipijnen;

10.

bevestigt nogmaals dat de EU de centrale rol van de ASEAN en de belangrijke bijdrage van de ASEAN aan de bevordering van dialoog en samenwerking voor vrede, veiligheid, stabiliteit en welvaart in de regio Azië-Stille Oceaan en daarbuiten steunt; pleit voor de oprichting van operationele en doeltreffende geschillenbeslechtingsmechanismen, zoals voorzien in hoofdstuk 8 van het Handvest van de ASEAN en in een protocol bij het handvest van 2010, met inbegrip van wettelijk bindende maatregelen en regelingen; wijst op de ervaringen die men sedert pakweg veertig jaar op het Europese continent heeft opgedaan met een veiligheidsconcept dat naast een politiek-militaire dimensie tevens de economische, de milieu- en de menselijke dimensie omvat; is ervan overtuigd dat deze ervaringen kunnen worden benut bij de inspanningen van de ASEAN met het oog op de vreedzame ontwikkeling van de regio; beklemtoont dat de EU belang heeft bij het bevorderen van de betrokkenheid bij de regio in het kader van alle door de ASEAN geleide processen;

11.

onderstreept de specifieke ervaring van de EU met institutionele opbouw, de eenheidsmarkt, convergentie van de regelgeving, conflict- en crisisbeheersing, maritieme veiligheid, bemiddeling, en humanitaire hulp en hulp bij rampen, alsook haar recente vorderingen bij de integratie op het gebied van defensie en de positieve ervaringen met de regionale vaststelling van normen en een sterk regionaal mensenrechten- en democratisch bestel, en de bereidheid van de EU om deze ervaring te delen waar dit nuttig is; wijst op de onderhandelingen inzake de uitgebreide luchtvervoersovereenkomst tussen de EU en de ASEAN (CATA) en de bredere agenda voor connectiviteit; wijst erop dat de EU in de periode 2014-2020 de helft van haar financiële bijstand besteedt aan de ASEAN ter ondersteuning van haar connectiviteit;

12.

onderstreept de noodzaak van samenwerking op multilateraal niveau met andere rechtsgebieden in de regio, bijvoorbeeld tussen waarnemers uit ASEAN-landen, Papoea-Nieuw-Guinea en Oost-Timor, alsook China, Japan en Taiwan;

13.

is van mening dat er uit geopolitiek oogpunt zeer goede redenen zijn om te pleiten voor hervatting van de onderhandelingen inzake een regionale vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de ASEAN, en is ingenomen met de uitkomst van de recente ontmoeting tussen de EU-commissaris van handel Cecilia Malmström en de ministers van Economische Zaken van de ASEAN met betrekking tot een verkennend onderzoek in dit verband, alsook met de stappen die zijn gezet met het oog op de einddoelstelling van een overeenkomst tussen regio's; spoort vanuit strategisch oogpunt alle inspanningen aan om de mogelijkheden voor het sluiten van vrijhandelsovereenkomsten met alle ASEAN-landen te onderzoeken; herinnert eraan dat de ASEAN buiten Europa de derde handelspartner van de EU is en de EU de tweede handelspartner van de ASEAN;

14.

benadrukt dat de in de ASEAN-landen gevestigde binnen- en buitenlandse bedrijven moeten handelen in overeenstemming met de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap; dringt er bij de ASEAN-landen op aan ervoor te zorgen dat sociale, milieu- en arbeidsrechten ten volle worden geëerbiedigd; pleit voor volledige en effectieve uitvoering van de IAO-verdragen en eerbiediging van de fundamentele arbeidsnormen; roept de ASEAN en haar leden op de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten doeltreffend toe te passen, gepaste arbeidsbescherming en toegang tot behoorlijke werkomstandigheden te bevorderen, en een milieu op te bouwen dat gunstiger is voor de ontwikkeling van vakbonden; verzoekt de Commissie en de EDEO alle beschikbare middelen aan te wenden om naleving van bovengenoemde richtsnoeren af te dwingen; wijst voorts op de noodzaak alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid en kinderarbeid uit te bannen;

15.

roept Europese bedrijven die investeren in de ASEAN-regio op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen en de Europese normen op het gebied van consumenten-, arbeids- en milieurechten te eerbiedigen en de rechten van de inheemse bevolking te waarborgen;

16.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om een geïnstitutionaliseerde sociale dialoog tussen het burgerforum Azië-Europa (AEPF) en overeenkomstige middenveldstructuren in de EU te faciliteren;

17.

wijst erop dat de ASEAN zelf heeft verklaard de bevolking centraal te stellen en dat de legitimiteit en relevantie van de regionale integratieprocessen, in zowel de EU als de ASEAN, erbij zijn gebaat zo veel mogelijk belanghebbenden bij het proces te betrekken en de bereikte resultaten openbaar te maken; is van oordeel dat het contact tussen mensen, met name voor jonge mensen, een zeer belangrijk instrument is voor culturele uitwisseling, en roept op tot een aanzienlijke vergroting van de Erasmus+-faciliteit voor de ASEAN; beklemtoont dat er in de ASEAN-landen veel meer ruimte is voor beroepsonderwijs, en wijst op de perspectieven voor samenwerking op het gebied van het duale opleidingenstelsel dat in sommige EU-landen wordt toegepast; pleit tevens voor de ontwikkeling van activiteiten op het gebied van culturele diplomatie overeenkomstig de mededeling van 8 juni 2016 over een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen en het recente verslag van het Parlement over hetzelfde onderwerp; wijst op de belangrijke rol van de stichting Azië-Europa en is van mening dat de steun voor de werkzaamheden ervan moet worden uitgebreid;

18.

beklemtoont dat gestructureerde uitwisselingen en samenwerking op het niveau van regio's en gemeenten (tweelingsteden) interessante mogelijkheden bieden om praktische ervaringen te versterken, en vestigt de aandacht op concrete initiatieven als het Burgemeestersconvenant of het memorandum van overeenstemming „Under2”, die actief moeten worden bevorderd;

19.

stelt voor de jaardag van de betrekkingen tussen de ASEAN en de EU dit jaar te vieren met een EU-initiatief voor een „EU-ASEAN-uitwisselingsprogramma voor jonge leiders”, in 2018 wanneer Singapore het ASEAN-voorzitterschap bekleedt; stelt voor, als dit programma vruchten afwerpt, een jaarlijks forum te organiseren waarop jonge leiders uit de EU en de ASEAN ideeën kunnen uitwisselen en relaties aanknopen ter ondersteuning van toekomstige betrekkingen tussen de EU en de ASEAN; suggereert voorts om samen met de ASEAN-partners te onderzoeken hoe de wederkerige financiering van onderzoeksinstituten of academische programma's die zijn gericht op de bestudering van de integratieprocessen en de ervaringen met deze processen in de respectieve partnerregio's in de praktijk kan worden gebracht;

20.

beklemtoont de noodzaak om gendergelijkheid te bevorderen, de positie van vrouwen te versterken en de levens van vrouwen en meisjes te verbeteren; wijst erop dat toegang tot het onderwijs derhalve van zeer groot belang is en kan leiden tot een sociale en economische transformatie;

21.

benadrukt dat de EU tevens de beleidsdialogen en samenwerking moet intensiveren over kwesties zoals fundamentele rechten, met inbegrip van de rechten van etnische en religieuze minderheden en met betrekking tot kwesties van gemeenschappelijk belang onder meer op het gebied van de rechtsstaat en veiligheid, de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de vrije uitwisseling van informatie, de bestrijding van transnationale misdaad, corruptie, belastingontduiking, witwassen van geld, de handel in mensen en drugs, terrorismebestrijding, non-proliferatie, ontwapening, maritieme en cyberveiligheid;

22.

is ingenomen met de eerste beleidsdialoog tussen de EU en de ASEAN over mensenrechten in Brussel in oktober 2015, en kijkt uit naar meer van dergelijke dialogen; is zeer bezorgd over de afbrokkeling van de democratie en de schendingen van mensenrechten en rechten van minderheden en de voortdurende repressie en discriminatie in landen in de regio, en over het onvermogen om genoeg bewegingsruimte te bieden aan vluchtelingen en staatlozen of aan het maatschappelijk middenveld, met name voor milieu-, landrechten- en arbeidsrechtenactivisten, mensenrechtenverdedigers en werknemers in de media; waarschuwt ervoor dat het niet aanpakken van de vraagstukken in verband met de marginalisering van minderheden de duurzaamheid en het welslagen op lange termijn van de ASEAN in gevaar kan brengen; betreurt dat een repressieve aanpak van drugsgebruikers een groot aantal mensenlevens heeft geëist en tot buitengerechtelijke executies heeft geleid; vindt het noodzakelijk dat het maatschappelijk middenveld in de ASEAN inspraak krijgt door zinvol overleg met ngo's en volksbewegingen in verband met regionale beleidsvorming te waarborgen;

23.

maakt zich zorgen over de tegenslagen in verband met de afschaffing van de doodstraf in de regio, en roept alle ASEAN-landen op af te zien van herinvoering van de doodstraf en zich te houden aan hun internationale verplichtingen; is ingenomen met de inspanningen ter bestrijding van mensenhandel en dwangarbeid, en roept alle regeringen op de bescherming van de slachtoffers en de coördinatie en samenwerking tussen de landen te intensiveren;

24.

roept de ASEAN op voldoende middelen vrij te maken voor haar intergouvernementele commissie voor de mensenrechten (AICHR); hoopt dat specifieke en verifieerbare streefdoelen en maatregelen zullen worden opgenomen in het vijfjarige werkplan van AICHR, en dat haar mandaat zal worden versterkt, zodat zij mensenrechtenschendingen actief kan monitoren, onderzoeken, vervolgen en voorkomen; moedigt de AICHR aan de instelling van een aanvullend hof voor de mensenrechten van de ASEAN te overwegen en te bespreken, naar het model van dergelijke hoven in andere regio's in de wereld;

25.

dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan alle mogelijkheden aan te grijpen om met de ASEAN-landen samen te werken ter versterking van de democratie; steunt de werkzaamheden van het ondersteuningsbureau voor mensenrechten van het „Regional EU-ASEAN Dialogue Instrument” dat ernaar streeft ruchtbaarheid te geven aan mensenrechtenvraagstukken en -acties en de aandacht voor de mensenrechten te vergroten; dringt er bij alle lidstaten van de ASEAN op aan om verdere mensenrechtenverdragen van de VN en de bijbehorende optionele protocollen alsmede het Statuut inzake het Internationaal Strafhof (ICC) te ratificeren, en initiatieven voor overgangsrechtspraak, verzoening en de strijd tegen straffeloosheid in de hele regio te steunen;

26.

is bezorgd over het feit dat in de ASEAN-lidstaten miljoenen staatlozen wonen; wijst erop dat de Rohingya van Myanmar de grootste staatloze bevolkingsgroep ter wereld vormen met meer dan 1 miljoen personen die onder het UNHCR-mandaat om staatlozen te helpen, vallen, maar dat ook in Brunei, Vietnam, de Filipijnen, Maleisië en elders grote gemeenschappen van staatlozen verblijven; moedigt de ASEAN-lidstaten aan samen te werken, goede voorbeelden uit te wisselen en hun inspanningen te bundelen om een eind te maken aan staatloosheid in de hele regio;

27.

erkent de belangrijke rol die de EU heeft gespeeld in de vorderingen die tot op heden door de ASEAN-landen zijn geboekt en dringt er bij de EU op aan om de dialoog steeds op gang te houden teneinde de regio te ondersteunen op de weg naar democratisering, ontwikkeling en integratie;

28.

is bezorgd dat klimaatverandering een grote invloed zal hebben op de ASEAN; herinnert eraan dat de ASEAN-regio een van de kwetsbaarste regio's is voor dit verschijnsel; verzoekt de lidstaten van de ASEAN de verschuiving naar een koolstofarme economie te versnellen en ontbossing snel te verminderen, op effectieve wijze een halt toe te roepen aan bosbranden en meer milieuvriendelijke technologieën voor transport en gebouwen in te voeren; is ingenomen met het initiatief van de EU voor een nieuwe specifieke dialoog tussen de EU en de ASEAN over duurzame ontwikkeling; wijst er in dit verband op dat de EU het opruimen van niet-geëxplodeerde oorlogsmunitie in een aantal landen in de regio ondersteunt; dringt aan op samenwerking tussen de EU en de ASEAN inzake duurzaam toerisme, voedselveiligheid en de bescherming van de biologische diversiteit, met name van koraalriffen en mangrovebossen, en pleit voor een effectieve aanpak van de overbevissing in de regio; wijst er met klem op dat de ASEAN-landen hulp moeten krijgen bij het verbeteren van de bescherming en het duurzaam gebruik van biodiversiteit en het systematische herstel van bosecosystemen; dringt er bij de ASEAN-lidstaten op aan maatregelen te treffen ter versterking van hun capaciteit voor snelle respons in het geval van natuurrampen uit hoofde van de ASEAN-overeenkomst inzake rampenbeheer en optreden in noodsituaties („ASEAN Agreement on Disaster Management and Emergency Response” — AADMER);

29.

roept alle EU-instellingen en de EU-lidstaten op om passende prioriteit te geven aan zeer frequente politieke contacten, met name op ministerieel niveau, en om volledig gebruik te maken van de ASEAN-lidstaat die namens ASEAN is belast met de coördinatie van de betrekkingen in het kader van de dialoog met de EU en het ASEAN-voorzitterschap; herinnert aan de ingediende verzoeken om een parlementaire vergadering van de EU en de ASEAN in een regio-tot-regiovorm, en pleit ervoor de parlementaire publieke diplomatie op diverse beleidsterreinen uit te breiden; dringt er in de tussentijd op aan de samenwerking met de Interparlementaire Assemblee van de ASEAN (AIPA) te versterken door middel van regelmatige en gestructureerde uitwisselingen; roept de EU-instellingen en de lidstaten op tevens hun voordeel te doen met de mogelijkheden voor intensieve uitwisseling over regionale vraagstukken die tijdens het forum van de jaarlijkse Shangri-La-dialoog aan de orde kwamen;

30.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de Interparlementaire Assemblee van de ASEAN, het secretariaat van de ASEAN en de regeringen en parlementen van de ASEAN-lidstaten.

(1)  PB C 85 van 8.4.1980, blz. 83.

(2)  PB L 154 van 15.6.2012, blz. 1.

(3)  PB C 482 van 23.12.2016, blz. 75.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0276.

(5)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0468.

(6)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0467.

(7)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0262.

(8)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0263.

(9)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0351.

(10)  PB C 353 van 27.9.2016, blz. 52.

(11)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0506.

(12)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0316.

(13)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0348.

(14)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0274.

(15)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0413.

(16)  PB C 265 van 11.8.2017, blz. 144.

(17)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0380.

(18)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0343.

(19)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0465.

(20)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0002.

(21)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0269.

(22)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0349.

(23)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0088.

(24)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0350.


Woensdag 4 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/52


P8_TA(2017)0376

Bezwaar tegen een uitvoeringshandeling: wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van Verordening van de Commissie tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 met betrekking tot de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de bepaling van hormoonontregelende eigenschappen (D048947/06 — 2017/2801(RPS))

(2018/C 346/06)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van Verordening van de Commissie tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 met betrekking tot de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de bepaling van hormoonontregelende eigenschappen (D048947/06 (de 'ontwerpverordening'),

gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name de artikelen 4, lid 1, en 78, lid 1, onder a), en de tweede alinea van de punten 3.6.5. en 3.8.2. van bijlage II daarbij,

gezien het arrest van het Gerecht, de rechtsprekende instantie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 16 december 2015 (2), en met name de punten 71 en 72 daarvan,

gezien zijn resolutie van 8 juni 2016 over hormoonontregelende stoffen: stand van zaken na het arrest van het Gerecht van 16 december 2015 (3),

gezien de Mededeling van de Commissie van 15 juni 2016 inzake hormoonontregelaars en de ontwerphandelingen van de Commissie tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de identificatie daarvan in het kader van de EU-wetgeving betreffende gewasbeschermingsmiddelen en biociden COM(2016)0350),

gezien het samenvattend verslag van de vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in Brussel op 28 februari 2017,

gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over bescherming van de volksgezondheid tegen hormoonontregelaars (4),

gezien artikel 5 bis, lid 3, onder b), van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (5),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3 en lid 4, onder c), van zijn Reglement,

A.

overwegende dat, overeenkomstig punt 3.8.2. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009, een werkzame stof slechts wordt goedgekeurd wanneer deze niet wordt geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijk kunnen zijn voor niet-doelwit organismen, tenzij de blootstelling van niet-doelwit organismen aan die werkzame stof in realistisch voorgestelde gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is (het 'cut-off'-criterium voor het milieu);

B.

overwegende dat, overeenkomstig de tweede alinea van punt 3.6.5. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009, de Commissie uiterlijk op 14 december 2013 een ontwerp van de maatregelen met betrekking tot specifieke wetenschappelijke criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen voorlegt aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid;

C.

overwegende dat het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders op 4 juli 2017 een positief advies over de ontwerpverordening heeft uitgebracht, met drie lidstaten tégen, en vier lidstaten die zich van stemming hebben onthouden;

D.

overwegende dat het laatste lid van de ontwerpverordening luidt „wanneer de beoogde gewasbeschermende werking van de onderzochte werkzame stof bestaat uit het beheersen van ongewervelde doelorganismen via hun hormoonsysteem worden de effecten op organismen van dezelfde taxonomische stam als de doelorganismen niet in aanmerking genomen bij de identificatie van de stof als een stof met hormoonontregelende eigenschappen met betrekking tot niet-doelorganismen”;

E.

overwegende dat het Gerecht in zijn arrest in zaak T-521/14 duidelijk heeft aangegeven dat „la spécification des critères scientifiques pour la détermination des propriétés perturbant le système endocrinien ne peut se faire que de manière objective, au regard de données scientifiques relatives audit système, indépendamment de toute autre considération, en particulier économique” (6) (punt 71);

F.

overwegende dat verhinderen dat een stof met een beoogde hormoonontregelende werking als een hormoonontregelende stof voor niet-doelwit organismen wordt geïdentificeerd niet wetenschappelijk is;

G.

overwegende dat de ontwerpverordening derhalve niet kan worden beschouwd als een tekst die stoelt op objectieve wetenschappelijke gegevens met betrekking tot het hormoonstelsel zoals bedoeld door het Gerecht; overwegende dat de Commissie daarmee haar uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

H.

overwegende dat hetgeen met dit laatste lid wordt beoogd duidelijk wordt aangegeven in het samenvattend verslag van de vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in Brussel op 28 februari 2017, waarin staat „daarnaast werd de redenering achter de bepaling betreffende actieve stoffen met een beoogde hormoonontregelende werking ('groeiregulatoren') uitgelegd. […] De bepaling betreffende groeiregulatoren staat toe dat de 'cut-off'-criteria niet worden toegepast op stoffen met een beoogde hormoonontregelende werking […]”;

I.

overwegende dat dit laatste lid een afwijking creëert van het 'cut-off'-criterium zoals bedoeld in punt 3.8.2. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009;

J.

overwegende dat uit de overwegingen 6 t/m 10 en artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 blijkt dat de wetgever bij de ingewikkelde kwestie van het vaststellen van regels voor de goedkeuring van actieve stoffen een wankel evenwicht heeft moeten vinden tussen meerdere, potentieel conflicterende doelstellingen, te weten de landbouwproductie en de interne markt enerzijds, en de bescherming van de gezondheid en het milieu anderzijds;

K.

overwegende dat het Gerecht in het hierboven reeds aangehaalde arrest het volgende heeft aangegeven: „Dans ce contexte, il importe de relever que, en adoptant le règlement no 528/2012, le législateur a procédé à une mise en balance de l’objectif d’amélioration du marché intérieur et de celui de la préservation de la santé humaine, de la santé animale et de l’environnement, que la Commission se doit de respecter et ne saurait remettre en cause […]. Or, dans le cadre de la mise en œuvre des pouvoirs qui lui sont délégués par le législateur, la Commission ne saurait remettre en cause cet équilibre, ce que cette institution a d’ailleurs en substance admis lors de l’audience” (7) (punt 72);

L.

overwegende dat dit wordt weerspiegeld in de resolutie van het Parlement van 8 juni 2016, waarin wordt beklemtoond dat „het Gerecht heeft bepaald dat de vaststelling van wetenschappelijke criteria uitsluitend op objectieve wijze kan worden gerealiseerd op basis van wetenschappelijke gegevens met betrekking tot het hormoonstelsel, onafhankelijk van andere overwegingen, in het bijzonder economische, en dat de Commissie niet bevoegd is het in een basishandeling vastgelegde regelgevende evenwicht te wijzigen via de toepassing van aan haar toegewezen bevoegdheden overeenkomstig artikel 290 [van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (VWEU)]”;

M.

overwegende dat dezelfde beperking van bevoegdheden op de Commissie van toepassing is in de context van een uitvoeringshandeling in het kader van de regelgevingsprocedure met toetsing;

N.

overwegende dat het, volgens de Mededeling van de Commissie van 15 juni 2016, voor haar „de uitdaging is criteria vast te stellen om te bepalen welke stoffen al dan niet hormoonontregelaars zijn voor de toepassing van de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden, en niet hoe de stoffen worden gereguleerd. De wetgever heeft de regelgevingsimplicaties al vastgelegd in de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen (2009) en biociden (2012)”;

O.

overwegende dat het 'cut-off'-criterium zoals bedoeld in punt 3.8.2. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 een essentieel onderdeel van de verordening vormt;

P.

overwegende dat, overeenkomstig de vaste jurisprudentie, de vaststelling van regelgevingselementen die voor een bepaalde zaak essentieel zijn, is voorbehouden aan de wetgevingsautoriteit van de EU en niet aan de Commissie kan worden gedelegeerd;

Q.

overwegende dat de Commissie haar uitvoeringsbevoegdheden heeft overschreden door een essentieel regelgevingselement van Verordening (EG) nr. 1107/2009 te wijzigen, in weerwil van de erkenning van de beperking van haar bevoegdheden tijdens de behandeling van zaak T-521/14, in weerwil van hetgeen zij verklaart in haar mededeling van 15 juni 2016, en in weerwil van het fundamentele Uniebeginsel van de rechtsstaat;

R.

overwegende dat, zelfs indien de ontwikkelingen op het gebied van de wetenschappelijke en technische kennis steekhoudende gronden zouden zijn voor de introductie van een afwijking met betrekking tot de voorwaarden voor de goedkeuring van stoffen met een beoogde hormoonontregelende werking, een dergelijke afwijking uitsluitend mogelijk is middels een wetgevingsprocedure tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zoals bedoeld in artikel 294 VWEU;

1.

maakt bezwaar tegen de vaststelling van het ontwerp van verordening van de Commissie;

2.

is van mening dat dit ontwerp van verordening van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

3.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van verordening in te trekken en onverwijld een nieuw ontwerp aan het comité voor te leggen;

4.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van verordening te wijzigen middels schrapping van het laatste lid;

5.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Arrest van het Gerecht van 16 december 2015, Zweden/Commissie, T-521/14, ECLI:EU:T:2015:976.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0270.

(4)  PB C 36 van 29.1.2016, blz. 85.

(5)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6)  Gezien het feit dat het arrest van zaak T-521/14 uitsluitend in het Frans en het Zweeds beschikbaar is, heeft de vertaaldienst van het Parlement het in het Engels vertaald: „the specification of scientific criteria for the determination of endocrine-disrupting properties may only be performed objectively, in the light of scientific data relating to that system, independently of all other considerations, in particular economic ones”. (Nederlandse versie: „de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de identificatie van hormoonontregelende eigenschappen mag uitsluitend op objectieve wijze geschieden, met inachtneming van specifieke wetenschappelijke gegevens met betrekking tot dat systeem, los van alle andere overwegingen, met name overwegingen van economische aard.”).

(7)  Gezien het feit dat het arrest van zaak T-521/14 uitsluitend in het Frans en het Zweeds beschikbaar is, heeft de vertaaldienst van het Parlement het in het Engels vertaald: „In this context, it is important to note that, when adopting Regulation (EU) No 528/2012, the legislature weighed up the objective of improving the internal market and that of protecting human health, animal health and the environment, arriving at conclusions which the Commission must respect and cannot call into question […]. In the context of the exercise of the powers delegated to it by the legislator, the Commission cannot call that balance into question, a fact which, moreover, that institution has in essence accepted during the hearing”. (Nederlandse versie: „In dit verband is het belangrijk erop te wijzen dat de wetgever twee doelstellingen tegen elkaar heeft afgewogen, te weten die van het verbeteren van de interne markt en die van het beschermen van de gezondheid van mens en dier, en van het milieu, en daarbij tot conclusies is gekomen die de Commissie moet eerbiedigen en niet in twijfel kan trekken […]. In het kader van de uitoefening van de bevoegdheden die de wetgever haar heeft gegeven, kan de Commissie dat evenwicht niet in twijfel trekken, een feit dat die instelling tijdens de behandeling van deze zaak bovendien in wezen heeft aanvaard.”).


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/55


P8_TA(2017)0377

Genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051972 — 2017/2879(RSP))

(2018/C 346/07)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051972),

gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), en met name artikel 7, lid 3, artikel 9, lid 2, artikel 19, lid 3, en artikel 21, lid 2,

gezien de stemming van 17 juli 2017 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (2),

gezien het advies dat op 1 maart 2017 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 6 april 2017 werd gepubliceerd (3),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemanipuleerde organismen (4),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Bayer Crop Science LP en M.S. Technologies LLC op 10 december 2013 bij de nationale bevoegde instantie van Nederland een aanvraag hebben ingediend om levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127 in de handel te brengen, overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat deze aanvraag ook betrekking had op het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan en bestemd zijn voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere sojasoorten zijn toegelaten, met uitzondering van de teelt;

B.

overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 1 maart 2017 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 6 april 2017 is gepubliceerd (5);

C.

overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en wordt vereist dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

D.

overwegende dat soja FG72 × A5547-127 is ontwikkeld om tolerantie te geven voor herbiciden op basis van isoxaflutool (5-cyclopropylisoxazol-4-yl 2-mesyl-4-trifluoromethylfenylketon), glyfosaat (N-(fosfonomethyl)glycine) en glufosinaat (l-fosfinotricine)-ammonium; overwegende dat tolerantie voor deze herbiciden wordt bereikt door respectievelijk de eiwitten HPPD W336 (4-hydroxyl fenylpyruvaatdioxygenase), 2mEPSPS (5-enolpyruvylshikimaat-3-fosfaatsynthase) en PAT (fosfinotricineacetyltransferase) tot expressie te brengen;

E.

overwegende dat de lidstaten gedurende de overlegperiode van drie maanden talrijke kritische opmerkingen hebben ingediend (6); overwegende dat in de meest kritische opmerkingen onder meer wordt vastgesteld dat er wegens het ontbreken van een onderzoek naar subchronische toxiciteit van 90 dagen geen conclusies kunnen worden getrokken over de risico's in verband met gebruik van dit ggo in levensmiddelen voor menselijke consumptie en diervoeders, dat er onvoldoende gegevens worden verstrekt over samenstelling, fenotypische evaluatie en toxicologie, dat conclusies die op basis van deze gegevens tot stand zijn gekomen over de gelijkwaardigheid tussen het ggo en de conventionele soja en over de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders voorbarig zijn, en dat deze genetisch gemodificeerde soja niet is getest met de wetenschappelijke kracht die vereist is om de veiligheid ervan vast te stellen;

F.

overwegende dat in een onafhankelijke studie wordt geconcludeerd dat de risicobeoordeling van de EFSA onaanvaardbaar is in de huidige vorm, aangezien hierin nergens sprake is van kennislacunes en -onzekerheden en er is nagelaten een beoordeling te verrichten van de toxiciteit of de effecten op het immuunsysteem en het voortplantingssysteem (7);

G.

overwegende dat de huidige vergunning van glyfosaat uiterlijk op 31 december 2017 afloopt; overwegende dat de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat nog steeds vragen doen rijzen; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend zou zijn en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in maart 2017 heeft besloten dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor Onderzoek naar Kanker (IARC) van de WHO daarentegen glyfosaat in 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen;

H.

overwegende dat glufosinaat is ingedeeld bij de stoffen die toxisch zijn ten aanzien van de voortplanting en dus onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (8); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat op 31 juli 2018 afloopt (9);

I.

overwegende dat isoxaflutool waarschijnlijk kankerverwekkend is voor de mens (10), giftig is voor bepaalde aquatische organismen en niet tot de doelsoorten behorende planten, en dat waterverontreiniging door deze stof en zijn afbraakproducten en metabolieten gemakkelijk tot stand komt; overwegende dat dergelijke bezorgdheden hebben geleid tot beperkingen in het gebruik van deze stof (11);

J.

overwegende dat de toepassing van de complementaire herbiciden tot de gangbare landbouwpraktijken behoort bij de teelt van herbicideresistente gewassen en dat daarom kan worden verwacht dat de oogst steeds sporen zal bevatten van residuen die afkomstig zijn van besproeiing en dat deze hiervan een onvermijdelijk bestanddeel zullen uitmaken; overwegende dat is aangetoond dat voor herbicideresistente ggo's meer van dit soort complementaire herbiciden worden gebruikt dan voor hun conventionele tegenhangers (12);

K.

overwegende dat de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden niet zijn opgenomen in de beoordeling van de EFSA; overwegende dat derhalve niet kan worden geconcludeerd dat genetisch gemanipuleerde soja die wordt besproeid met isoxaflutool, glyfosaat en glufosinaat veilig is voor gebruik in levensmiddelen en diervoeders;

L.

overwegende dat de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerantie geven voor verschillende selectieve herbiciden vooral te wijten is aan de snelle ontwikkeling van onkruidresistentie tegen glyfosaat in landen die sterk hebben ingezet op genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat in wetenschappelijke publicaties meer dan 20 verschillende varianten van glyfosaatresistent onkruid zijn gedocumenteerd (13); overwegende dat glufosinaatresistent onkruid sinds 2009 wordt waargenomen;

M.

overwegende dat de stemming op 17 juli 2017 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 „geen advies” heeft opgeleverd; overwegende dat 15 lidstaten tegen stemden en slechts 10 lidstaten, die nauwelijks 38,43 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl drie lidstaten zich van stemming onthielden;

N.

overwegende dat bij de stemming op 14 september 2017 van het comité van beroep evenmin een advies is uitgebracht; overwegende dat 15 lidstaten tegen stemden en slechts 11 lidstaten, die nauwelijks 38,69 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl twee lidstaten zich van stemming onthielden;

O.

overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit — bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel — de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook Commissievoorzitter Juncker deze praktijk heeft afgekeurd en als ondemocratisch heeft bestempeld (14);

P.

overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing heeft verworpen (15) en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

Q.

overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

1.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (16) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.

verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor genetisch gemodificeerde organismen op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.

verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

6.

verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten die resistent zijn gemaakt tegen een combinatie van herbiciden, zoals in het geval van soja FG72 × A5547-127, zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de specifieke cumulatieve effecten van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de combinatie van complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

7.

verzoekt de Commissie ervoor te pleiten dat er veel nauwkeuriger wordt getest welke gezondheidsrisico's modificaties met meerdere transformatiestappen zoals soja FG72 × A5547-127 met zich meebrengen;

8.

verzoekt de Commissie strategieën uit te werken voor de beoordeling van gezondheidsrisico's en voor toxicologie, alsook voor toezicht na het in de handel brengen, gericht op de volledige levensmiddelen- en diervoederketen;

9.

verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van de complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten, ongeacht of de genetisch gemodificeerde plant bestemd is voor teelt in de Unie of voor invoer als levensmiddelen en diervoeders;

10.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(3)  https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4744

(4)  

Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).

Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (P8_TA(2015)0456).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0040).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0039).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0038).

Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de „events” Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271).

Resolutie van het Europees Parlement van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0272).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde maïs MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).

Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde maïs DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).

Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).

(5)  https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4744

(6)  Bijlage G — Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2013-01032

(7)  http://www.testbiotech.org/en/node/1975

(8)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/404 van de Commissie van 11 maart 2015 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen beflubutamide, captan, dimethoaat, dimethomorf, ethoprofos, fipronil, folpet, formetanaat, glufosinaat, methiocarb, metribuzin, fosmet, pirimifos-methyl en propamocarb (PB L 67 van 12.3.2015, blz. 6).

(10)  https://a816-healthpsi.nyc.gov/ll37/pdf/carcclassJuly2004_1.pdf

(11)  Bijlage G — Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, blz. 27. http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2013-01032

(12)  https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00267-015-0589-7

(13)  https://link.springer.com/chapter/10.1007/978-94-007-7796-5_12

(14)  Zie onder meer zijn openingstoespraak voor de plenaire vergadering van het Parlement, opgenomen in de beleidslijnen voor de volgende Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).

(15)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0379.

(16)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/60


P8_TA(2017)0378

Genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051971 — 2017/2878(RSP))

(2018/C 346/08)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051971),

gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), en met name artikel 7, lid 3, artikel 9, lid 2, artikel 19, lid 3, en artikel 21, lid 2,

gezien de stemming van 17 juli 2017 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (2),

gezien het advies dat op 17 februari 2017 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 21 maart 2017 werd gepubliceerd (3),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, 2017/0035(COD)),

gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemanipuleerde organismen (4),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Dow Agrosciences LLC en MS Technologies LLC op 16 februari 2012 bij de nationale bevoegde instantie van Nederland een aanvraag hebben ingediend om levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6 in de handel te brengen, overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat deze aanvraag ook betrekking had op het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan en bestemd zijn voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere sojasoorten zijn toegelaten, met uitzondering van de teelt;

B.

overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 17 februari 2017 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 21 maart 2017 is gepubliceerd (5);

C.

overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en wordt vereist dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

D.

overwegende dat de lidstaten gedurende de overlegperiode van drie maanden talrijke kritische commentaren hebben ingediend (6); overwegende dat in de meest kritische commentaren onder meer wordt opgemerkt dat „de huidige aanvraag en de in het kader van de risicobeoordeling voorgelegde gegevens onvoldoende informatie bevatten om negatieve effecten op de diergezondheid en de menselijke gezondheid zonder meer uit te sluiten” (7), dat „de informatie over fenotypische evaluatie, samenstelling en toxicologie niet volstaat” (8) en dat de bevoegde autoriteit „het noodzakelijk acht de concentratie van glyfosaat, 2,4-D, glufosinaat en hun afbraakproducten in zaden en gewassen die zowel voor menselijke voeding als voor diervoeding zullen worden gebruikt, te evalueren, teneinde eventuele schadelijke gevolgen voor de gezondheid van mensen en dieren uit te sluiten” (9);

E.

overwegende dat in een onafhankelijke studie wordt geconcludeerd dat „de risicobeoordeling van de EFSA onaanvaardbaar is in de huidige hoedanigheid, aangezien er nergens sprake is van kennislacunes en -onzekerheden en wordt nagelaten een beoordeling te verrichten van de toxiciteit of de effecten op het immuunsysteem en het voortplantingssysteem”; overwegende dat er in dezelfde studie voor gepleit wordt het monitoringplan af te wijzen „omdat het geen essentiële gegevens beschikbaar zal maken” (10);

F.

overwegende dat soja DAS-44406-6 5-enolpyruvylshikimaat-3-fosfaatsynthase (2mEPSPS) tot expressie brengt, dat tolerantie geeft voor glyfosaatherbiciden, alsook aryloxyalkanoaat dioxygenase (AAD-12), dat tolerantie geeft voor 2,4-dichlorofenoxyazijnzuur (2,4-D) en andere gerelateerde fenoxyherbiciden, en fosfinotricineacetyltransferase (PAT), dat tolerantie geeft voor glufosinaat-ammoniumherbiciden;

G.

overwegende dat de huidige vergunning van glyfosaat ten laatste op 31 december 2017 afloopt; overwegende dat er nog geen uitsluitsel bestaat over de carcinogeniteit van glyfosaat; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend zou zijn en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in maart 2017 heeft besloten dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor Onderzoek naar Kanker (IARC) van de WHO daarentegen glyfosaat in 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen;

H.

overwegende dat in onafhankelijk onderzoek bezorgdheid wordt geuit over de risico's van de werkzame stof van 2,4-D in verband met embryo-ontwikkeling, geboorteafwijkingen en hormoonontregeling (11); overwegende dat de goedkeuring voor de werkzame stof 2,4-D in 2015 weliswaar is verlengd, maar dat de aanvrager nog geen gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de potentiële endocriene eigenschappen van de stof (12);

I.

overwegende dat glufosinaat is ingedeeld bij de stoffen die toxisch zijn ten aanzien van de voortplanting en dus onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (13); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat op 31 juli 2018 afloopt (14);

J.

overwegende dat enkele deskundigen hun bezorgdheid hebben uitgesproken over 2,4-dichloorfenol, een afbraakproduct van 2,4-D, dat mogelijk aanwezig is op ingevoerde soja DAS-44406-4; overwegende dat 2,4-dichloorfenol een gekende hormoonontregelaar met voortplantingstoxiciteit is;

K.

overwegende dat 2,4-dichloorfenol, een directe metaboliet van 2,4-D, mogelijk toxischer is dan de herbicide zelf; overwegende dat 2,4-dichloorfenol ingedeeld wordt bij de carcinogenen van groep 2B van de IARC, en opgenomen is op de lijst van chemische producten die werd uitgewerkt met het oog op herziening in het kader van de EU-strategie tegen hormoonontregelaars (15);

L.

overwegende dat 2,4-dichloorfenol gemakkelijk oplosbaar is in vetten en oliën en dat de stof zich daarom naar verwachting zal ophopen in sojaolie bij de verwerking van sojabonen; overwegende dat sojaolie het meest door mensen gebruikte sojaproduct is en onder meer deel uitmaakt van een aantal soorten volledige zuigelingenvoeding (16);

M.

overwegende dat de hoeveelheid 2,4-dichloorfenol in een product groter kan zijn dan de hoeveelheid 2,4-D-residu; overwegende dat er voor 2,4-dichloorfenol geen door de Unie vastgesteld maximumresidugehalte (MRL) bestaat;

N.

overwegende dat de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden niet zijn opgenomen in de beoordeling; overwegende dat derhalve niet kan worden geconcludeerd dat genetisch gemanipuleerde soja die wordt besproeid met 2,4-D, glyfosaat en glufosinaat veilig is voor gebruik in levensmiddelen en diervoeders;

O.

overwegende dat de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerantie geven voor verschillende selectieve herbiciden vooral te wijten is aan de snelle ontwikkeling van onkruidresistentie tegen glyfosaat in landen die sterk hebben ingezet op genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat in wetenschappelijke publicaties meer dan twintig verschillende varianten van glyfosaatresistent onkruid zijn gedocumenteerd (17); overwegende dat glufosinaatresistent onkruid sinds 2009 wordt waargenomen;

P.

overwegende dat een vergunning voor het invoeren van soja DAS-44406-6 in de Unie ongetwijfeld zal leiden tot een toename van de teelt van dit gewas in derde landen, en als gevolg daarvan tot een toename van het gebruik van herbiciden op basis van 2,4-D en glufosinaat; overwegende dat soja DAS-44406-6 momenteel geteeld wordt in Argentinië, Brazilië, de VS en Canada;

Q.

overwegende dat de Unie de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) heeft onderschreven, die onder meer een engagement inhouden om het aantal overlijdens en ziekten als gevolg van gevaarlijke chemische stoffen en lucht-, water- en bodemverontreiniging en -vervuiling tegen 2030 aanzienlijk terug te dringen (SDG 3, doelstelling 3.9) (18); overwegende dat is aangetoond dat voor herbicideresistente ggo's meer van dit soort herbiciden worden gebruikt dan voor hun conventionele tegenhangers (19);

R.

overwegende dat de Unie vasthoudt aan het concept van beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat erop gericht is tegenstrijdigheden in het Uniebeleid tot een minimum te beperken en synergieën te creëren tussen de verschillende beleidsdomeinen van de Unie, onder meer op het gebied van handel, milieu en landbouw (20), zodat het beleid ten goede komt aan ontwikkelingslanden en de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking vergroot (21);

S.

overwegende dat de stemming op 17 juli 2017 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 „geen advies” heeft opgeleverd; overwegende dat 15 lidstaten tegen stemden en slechts 10 lidstaten, die nauwelijks 38,43 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl drie lidstaten zich van stemming onthielden;

T.

overwegende dat bij de stemming op 14 september 2017 van het comité van beroep evenmin een advies is uitgebracht; overwegende dat 14 lidstaten tegen stemden en slechts 12 lidstaten, die nauwelijks 38,78 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl twee lidstaten zich van stemming onthielden;

U.

overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit — bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel — de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook Commissievoorzitter Juncker deze praktijk heeft afgekeurd en als ondemocratisch heeft bestempeld (22);

V.

overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing (23) heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

W.

overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

1.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, en niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (24) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.

verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor genetisch gemodificeerde organismen op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.

verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

6.

verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten die resistent zijn gemaakt tegen een combinatie van herbiciden, zoals in het geval van soja DAS-44406-6, zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de specifieke cumulatieve effecten van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de combinatie van complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

7.

verzoekt de Commissie strategieën uit te werken voor de beoordeling van gezondheidsrisico's en voor toxicologie, alsook voor toezicht na het in de handel brengen, gericht op de volledige levensmiddelen- en diervoederketen;

8.

verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van de complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten, ongeacht of de genetisch gemodificeerde plant bestemd is voor teelt in de Unie of voor invoer als levensmiddelen en diervoeders;

9.

verzoekt de Commissie te voldoen aan de verplichting inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling die voortvloeit uit artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

10.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(3)  https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4738

(4)  

Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).

Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde maïs NK603 × T25 (P8_TA(2015)0456).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0040).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0039).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0038).

Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de „events” Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271).

Resolutie van het Europees Parlement van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0272).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde maïs MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).

Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde maïs DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).

Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).

(5)  https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4738

(6)  Bijlage G — Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2012-00368

(7)  Bijlage G — Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, blz. 1.

(8)  Bijlage G — Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, blz. 52.

(9)  Bijlage G — Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, blz. 87.

(10)  http://www.testbiotech.org/node/1946

(11)  http://www.pan-europe.info/sites/pan-europe.info/files/public/resources/reports/pane-2014-risks-of-herbicide-2-4-d.pdf

(12)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2033 van de Commissie van 13 november 2015 tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof 2,4-D overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (PB L 298 van 14.11.2015, blz. 8).

(13)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(14)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/404 van de Commissie van 11 maart 2015 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen beflubutamide, captan, dimethoaat, dimethomorf, ethoprofos, fipronil, folpet, formetanaat, glufosinaat, methiocarb, metribuzin, fosmet, pirimifos-methyl en propamocarb (PB L 67 van 12.3.2015, blz. 6).

(15)  Bijlage G — Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, blz. 5. http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2012-00368

(16)  Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel in reactie op de aanvraag tot een vergunning voor ggo-soja DAS-68416-4, blz. 31. http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2011-00052

(17)  https://link.springer.com/chapter/10.1007/978-94-007-7796-5_12

(18)  https://sustainabledevelopment.un.org/sdg3

(19)  https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00267-015-0589-7

(20)  Mededeling van de Commissie van 12 april 2005 getiteld „Samenhang in het ontwikkelingsbeleid — Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor de ontwikkeling te bereiken” (COM(2005)0134).

(21)  https://ec.europa.eu/europeaid/policies/policy-coherence-development_en

(22)  Zie onder meer zijn openingstoespraak voor de plenaire vergadering van het Parlement, opgenomen in de beleidslijnen voor de volgende Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).

(23)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0379.

(24)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/66


P8_TA(2017)0379

Uitbanning van kindhuwelijken

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over de uitbanning van kindhuwelijken (2017/2663(RSP))

(2018/C 346/09)

Het Europees Parlement,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en met name artikel 16 daarvan, en alle andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de Verenigde Naties (VN),

gezien het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind, dat op 20 november 1989 door de Algemene Vergadering van de VN werd aangenomen,

gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (1),

gezien artikel 16 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

gezien artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

gezien artikel 10, punt 1, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 9,

gezien het gezamenlijk werkdocument, getiteld „Gender Equality and Women’s Empowerment: Transforming the Lives of Girls and Women through EU External Relations 2016-2020”,

gezien de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 inzake het genderactieplan 2016-2020,

gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019,

gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind (2017) — Geen kind aan zijn lot overlaten,

gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling, waarin het voornemen van de EU om de mensenrechten en gendergelijkheid in haar beleid centraal te stellen, in overeenstemming met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, wordt benadrukt,

gezien artikel 32, artikel 37 en artikel 59, lid 4, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

gezien het rapport van het Bevolkingsfonds van de VN (UNFPA), getiteld „Marrying Too Young — End Child Marriage”, uit 2012,

gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden de rechten van het kind te beschermen en dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken een schending zijn van deze rechten; overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden de rechten van het kind in haar buitenlands beleid in volle omvang te beschermen en te bevorderen, in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de facultatieve protocollen daarbij en andere internationale normen en verdragen op dit gebied;

B.

overwegende dat in het internationaal recht inzake de mensenrechten erkend wordt dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken schadelijke praktijken zijn, die vaak gepaard gaan met ernstige vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, waaronder geweld binnen het gezin;

C.

overwegende dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken desastreuze gevolgen hebben voor de mogelijkheden van vrouwen en meisjes om hun rechten uit te oefenen en voor de gezondheid van meisjes, en dat bijvoorbeeld het gevaar van zwangerschappen met complicaties of besmetting met hiv groot is; overwegende dat meisjes die in deze situatie verkeren een groot gevaar lopen het slachtoffer te worden van seksueel misbruik, huiselijk geweld of zelfs eermoord;

D.

overwegende dat de herinvoering en uitbreiding van de werkingssfeer van de zogeheten „global gag rule”, die financiering verbiedt van organisaties, zoals het Bevolkingsfonds van de VN, die anticonceptie verstrekken en voorlichting geven aan vrouwelijke slachtoffers van kindhuwelijken om de kans op hiv-besmetting en complicaties bij zwangerschappen op jonge leeftijd te verminderen, reden is tot grote zorg;

E.

overwegende dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken fundamenteel in strijd zijn met het recht van vrouwen en meisjes op zeggenschap over het eigen lichaam en lichamelijke integriteit;

F.

overwegende dat kindhuwelijken een vorm van gedwongen huwelijken zijn, omdat kinderen vanwege hun leeftijd per definitie niet in staat zijn om volledig, vrij en geïnformeerd met hun huwelijk en het tijdstip waarop dat voltrokken wordt in te stemmen;

G.

overwegende dat één op de drie meisjes in ontwikkelingslanden voor haar achttiende verjaardag in het huwelijk treedt, en één op de negen zelfs voor haar vijftiende verjaardag; overwegende dat meisjes het grootste risico lopen (82 % van de slachtoffers van kindhuwelijken is een meisje);

H.

overwegende dat de sociale druk op kindbruiden om hun vruchtbaarheid te bewijzen enorm is, waardoor het gevaar groot is dat zij jong en frequent zwanger raken; overwegende dat complicaties tijdens de zwangerschap of bij de bevalling in landen met lage en middellage inkomens de belangrijkste doodsoorzaak is bij meisjes in de leeftijdscategorie 15-19 jaar;

I.

overwegende dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken samengaan met hoge moedersterftecijfers, ongewenste zwangerschappen en een geringer gebruik van anticonceptie, en meestal het einde betekenen van de schoolcarrière van meisjes; overwegende dat het uitbannen van kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken expliciet genoemd wordt in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling (duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 5 — doelstelling 5.3) en dat duidelijk gesteld wordt dat dergelijke huwelijken in de weg staan aan gendergelijkheid en emancipatie van vrouwen;

J.

overwegende dat de uitbanning van kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken een van de prioriteiten is van het buitenlands beleid van de EU op het gebied van de bevordering van vrouwenrechten en mensenrechten;

K.

overwegende dat meer dan 60 % van de kindbruiden in ontwikkelingslanden geen formeel onderwijs heeft genoten, hetgeen een vorm van genderdiscriminatie is, en dat kinderen in de schoolleeftijd door kindhuwelijken niet het onderwijs kunnen volgen dat zij nodig hebben voor hun persoonlijke ontwikkeling, als voorbereiding op volwassenheid en om een rol te kunnen spelen binnen hun eigen gemeenschap;

L.

overwegende dat dit probleem zich niet alleen voordoet in derde landen, maar ook in EU-lidstaten;

M.

overwegende dat de EU onlangs heeft besloten het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) te ondertekenen;

N.

overwegende dat gedwongen huwelijken in het Verdrag van Istanbul worden aangemerkt als vorm van geweld tegen vrouwen en dat dit verdrag verlangt dat het dwingen van een kind tot het aangaan van een huwelijk en het lokken van een kind naar het buitenland met het oogmerk dat kind te dwingen tot het aangaan van een huwelijk strafbaar worden gesteld;

O.

overwegende dat er op nationaal, Europees en internationaal niveau weinig statistische gegevens beschikbaar zijn om de omvang van het probleem van kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken in de EU aan te tonen (2);

P.

overwegende dat in de huidige migratiecrisis nieuwe gevallen van in het buitenland gesloten kindhuwelijken aan het licht zijn gekomen, waarbij het in sommige gevallen ging om kinderen onder de 14 jaar;

Q.

overwegende dat kinderen die trouwen voordat ze 18 zijn veel vaker hun opleiding afbreken en in armoede vervallen;

R.

overwegende dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken vaker voorkomen in landen waar gewapende conflicten zijn of de situatie instabiel is;

1.

wijst nogmaals op het belang van een benadering waarbij prioriteit wordt verleend aan alle mensenrechten en gendergelijkheid, en herinnert eraan dat de EU in dit kader voorvechter blijft van de bevordering, bescherming en volledige ontplooiing van alle mensenrechten en van de volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van het actieprogramma van Peking, het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), het Verdrag van Istanbul en het EU-actieplan over gendergelijkheid en versterking van de positie van vrouwen;

2.

wijst erop dat het dwingen van een kind tot het aangaan van een huwelijk in strijd is met de rechten van het kind en aangemerkt moet worden als vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes; benadrukt dat kindhuwelijken derhalve veroordeeld moeten worden;

3.

verlangt dat de EU en de lidstaten de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling verwezenlijken, zich actiever inzetten voor de bestrijding van schadelijke praktijken en de personen die zich schuldig maken aan dergelijke handelingen ter verantwoording roepen; verzoekt de EU en de lidstaten om, in samenwerking met VN-Vrouwen, het Kinderfonds van de Verenigde Naties, het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties en andere partners, het onderwerp kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken onder de aandacht te brengen door meer aandacht te vragen voor de positie van vrouwen, onder meer door middel van onderwijs, versterking van de economische positie van vrouwen en een grotere deelname van vrouwen aan besluitvormingsprocessen, en voor de bescherming en bevordering van de fundamentele rechten van alle vrouwen en meisjes, waaronder het recht op seksuele en reproductieve gezondheid;

4.

verzoekt de EU en de lidstaten om de toegang van vrouwen en kindbruiden tot gezondheidsdiensten, waaronder diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, te verbeteren;

5.

verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid om het verschijnsel kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken aan te pakken en terug te dringen en daarvoor gebruik te maken van alle beschikbare middelen en door beleid, programma's en wetgeving te ontwikkelen, bijvoorbeeld in de vorm van een politieke dialoog, mensenrechtendialogen, bilaterale en multilaterale samenwerking en gebruikmaking van de strategie „handel voor iedereen”, GSP+ en andere instrumenten;

6.

verzoekt de EU en de lidstaten om, onder meer met het oog op de ratificering van het Verdrag van Istanbul door de EU, met betrekking tot de aanpak van kindhuwelijken uniforme juridische normen toe te passen;

7.

verzoekt de EU en de lidstaten om samen te werken met rechtshandhavingsinstanties en het gerechtelijk apparaat in derde landen, en scholing en technische ondersteuning te bieden om deze landen te helpen wetgeving vast te stellen en te handhaven waarin het aangaan van een huwelijk op jonge leeftijd en het dwingen van personen tot het aangaan van een huwelijk wordt verboden en waarin een minimumleeftijd is opgenomen waarop een huwelijk mag worden aangegaan;

8.

benadrukt dat het belangrijk is dat er bijzondere maatregelen worden genomen, gericht op de rehabilitatie en ondersteuning van kindbruiden, om ervoor te zorgen dat kindbruiden weer onderwijs of scholing kunnen gaan volgen en de druk van het gezin of de maatschappelijke druk ten gevolge van het feit dat zij jong getrouwd zijn kunnen weerstaan;

9.

benadrukt dat er financiële middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor programma's ter preventie van kindhuwelijken, die erop gericht zijn een omgeving te creëren waarin meisjes zich volledig kunnen ontplooien, onder meer door middel van scholing, maatschappelijke en economische programma's voor niet-schoolgaande meisjes, kinderbeschermingsregelingen, opvanghuizen voor meisjes en vrouwen, juridisch advies en psychologische ondersteuning;

10.

is ingenomen met de projecten die ontwikkeld zijn in het kader van het Daphne-programma en die gericht zijn op de ondersteuning van slachtoffers en de preventie van kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken; is van oordeel dat deze projecten versterkt moeten worden en passende financiering moeten krijgen;

11.

vindt dat er bijzondere aandacht moet uitgaan naar kinderen uit achtergestelde gemeenschappen en wijst erop het probleem bij deze groep kinderen aangepakt kan worden door middel van voorlichting en onderwijs en versterking van de economische positie;

12.

benadrukt dat er bijzondere procedures moeten worden ontwikkeld en ingevoerd om de bescherming van minderjarige vluchtelingen en asielzoekers te waarborgen, in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind; dringt er bij de landen die vluchtelingen opvangen op aan de toegang van minderjarige vluchtelingen tot onderwijs te garanderen en hun integratie en opname in nationale onderwijsstelsels zo veel mogelijk te bevorderen;

13.

dringt aan op de invoering van speciale procedures in opvangcentra voor vluchtelingen en asielzoekers, om kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken op te sporen en de slachtoffers ervan ondersteuning te bieden;

14.

pleit voor goede en geharmoniseerde monitoring op het gebied van kindhuwelijken in de lidstaten van de EU, en wijst erop dat het verzamelen van naar geslacht uitgesplitste gegevens belangrijk is om de omvang van het probleem beter te kunnen beoordelen;

15.

wijst op de grote discrepantie tussen het aantal officieel geregistreerde gevallen en het aantal potentiële slachtoffers dat om hulp vraagt, en dat erop wijst dat veel kindhuwelijken door de autoriteiten niet worden opgemerkt; dringt erop aan dat maatschappelijk werkers, leraren en andere personen die contact hebben met potentiële slachtoffers speciale training en richtsnoeren krijgen, om slachtoffers te kunnen herkennen en de procedures in gang te zetten om ze hulp te bieden;

16.

dringt aan op versterking van speciale projecten en campagnes die deel uit maken van het extern beleid van de EU ter bestrijding van kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken; benadrukt dat er speciale aandacht moet uitgaan naar bewustmakingscampagnes en campagnes die gericht zijn op onderwijs en verbetering van de positie van vrouwen en meisjes in de uitbreidingslanden en de nabuurschapslanden;

17.

wijst erop dat de EU derde landen moet steunen en aansporen om ervoor te zorgen dat het maatschappelijk middenveld een rol kan spelen en dat kinderen die het slachtoffer zijn van een kindhuwelijk, huwelijk op jonge leeftijd of een gedwongen huwelijk en de personen die namens deze kinderen optreden op kindvriendelijke wijze toegang hebben tot de rechter;

18.

benadrukt dat er in het kader van humanitaire hulpprogramma's projecten gefinancierd moeten worden die gericht zijn op de bestrijding van gendergerelateerd geweld en onderwijs in noodsituaties, om de druk op kinderen die het slachtoffer zijn van een kindhuwelijk, huwelijk op jonge leeftijd of een gedwongen huwelijk te verlichten;

19.

wijst erop dat de risicofactoren voor kindhuwelijken in humanitaire crises in kaart gebracht moeten worden en dat adolescente meisjes daarbij betrokken moeten worden en dat steunverlening aan getrouwde meisjes al bij het ontstaan van een crisissituatie deel moet uitmaken van de humanitaire hulp;

20.

veroordeelt krachtig de herinvoering en uitbreiding van de werkingssfeer van de zogeheten „global gag rule” en betreurt de gevolgen daarvan voor de algehele gezondheidszorg voor en de rechten van vrouwen en meisjes; herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om het financieringstekort op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten ten gevolge van deze maatregel van de VS te verhelpen en daarvoor zowel nationale middelen als EU-ontwikkelingsfinanciering vrij te maken;

21.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB C 289 van 9.8.2016, blz. 57.

(2)  http://fileserver.wave-network.org/home/ForceEarlyMarriageRoadmap.pdf


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/70


P8_TA(2017)0380

VN-Klimaatconferentie 2017 in Bonn, Duitsland (COP23)

Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23) (2017/2620(RSP))

(2018/C 346/10)

Het Europees Parlement,

gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

gezien de Overeenkomst van Parijs, Besluit 1/CP.21 en de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het UNFCCC, en de 11e Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs hebben plaatsgevonden,

gezien de 18e Conferentie van de Partijen (COP18) bij het UNFCCC en de 8e Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP8), die van 26 november t/m 8 december 2012 in Doha, Qatar, hebben plaatsgevonden, en de goedkeuring van een amendement op het protocol met daarin een tweede verbintenisperiode in het kader van dat protocol, die is ingegaan op 1 januari 2013 en eindigt op 31 december 2020,

gezien de openstelling voor ondertekening van de Overeenkomst van Parijs in het VN-hoofdkwartier in New York op 22 april 2016, en gezien het feit dat deze openstelling op 21 april 2017 is beëindigd, dat 195 landen de Overeenkomst van Parijs hebben ondertekend en dat 160 landen akten van bekrachtiging hebben neergelegd,

gezien de 22e Conferentie van de Partijen (COP22) bij het UNFCCC en de 1e Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert (CMA1), die van 15 november t/m 18 november 2016 in Marrakesh, Marokko, hebben plaatsgevonden,

gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 over de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de VN-conferentie van 2016 over klimaatverandering in Marrakesh, Marokko (COP22) (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2016 getiteld „Een snellere overgang van Europa naar een koolstofarme economie” (COM(2016)0500),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „EUROPA 2020 — Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

gezien de conclusies van de Europese Raad van 15 februari 2016, 30 september 2016 en 23 juni 2017,

gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017,

gezien de voorgenomen nationaal bepaalde bijdrage (INDC) van de EU en haar lidstaten, die op 6 maart 2015 door Letland en de Europese Commissie namens de Europese Unie en haar lidstaten bij het UFCCC is ingediend,

gezien het vijfde evaluatierapport (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het samenvattend verslag hiervan,

gezien het samenvattend verslag van het Milieuprogramma van de VN (UNEP) van november 2016 getiteld „The Emissions Gap Report 2016” (Rapport over de emissiekloof 2016) en het UNEP-rapport van 2016 over de aanpassingskloof,

gezien de verklaring van de leiders op de G7-top van 7 tot en met 8 juni 2015 in Schloss Elmau, Duitsland, getiteld „Think ahead. Act together” (Vooruitdenken. Samen handelen), waarin zij herhaalden zich te willen houden aan hun verbintenis om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 40 à 70 % te verminderen ten opzichte van 2010, waarbij de reductie eerder in de richting van 70 % dan 40 % moet gaan,

gezien het communiqué van de G7-leiders van 2017 en met name het communiqué van de ministers van Milieu van de G7 van Bologna,

gezien de mededeling van de president van de Verenigde Staten over de uitstap uit de Overeenkomst van Parijs,

gezien de encycliek van paus Franciscus getiteld Laudato Si',

gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de Conferentie van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23) (O-000068/2017 — B8-0329/2017 en O-000069/2017 — B8-0330/2017),

gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Overeenkomst van Parijs op 4 november 2016 in werking is getreden en dat 160 van de 197 partijen bij het UNFCCC hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de VN hebben ingediend (per vrijdag 8 september 2017);

B.

overwegende dat het voorstel van juli 2015 over de hervorming van het emissiehandelssysteem (ETS) en het klimaatpakket van juli 2016 (waarin voorstellen inzake verdeling van de inspanningen, inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) en een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit aan bod komen) de belangrijkste instrumenten zijn om deze verbintenissen na te komen en de positie van de EU als wereldleider in de strijd tegen de klimaatverandering opnieuw te bekrachtigen;

C.

overwegende dat de inspanningen om de opwarming van de aarde te beperken niet mogen worden gezien als een obstakel voor het streven naar economische groei, maar integendeel moeten worden gezien als een hefboom voor het realiseren van nieuwe en duurzame groei en werkgelegenheid;

D.

overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering harder zullen worden gevoeld in ontwikkelingslanden, in het bijzonder in de minst ontwikkelde landen en in kleine insulaire ontwikkelingslanden die niet voldoende middelen hebben om zich voor te bereiden op en zich aan te passen aan de veranderingen die plaatsvinden; overwegende dat Afrika volgens de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) bijzonder kwetsbaar is ten aanzien van deze uitdaging en in het bijzonder wordt blootgesteld aan waterstress, uiterst gewelddadige meteorologische fenomenen en voedselonzekerheid ten gevolge van droogte en woestijnvorming;

E.

overwegende dat klimaatverandering de concurrentie met betrekking tot hulpbronnen zoals voedsel, water en weilanden kan vergroten, economische tegenspoed en politieke instabiliteit in de hand kan werken en in de niet al te verre toekomst zou kunnen uitgroeien tot de grootste drijfveer voor volksverhuizingen, zowel binnen als buiten nationale grenzen; overwegende dat het in dit verband belangrijk is de kwestie van klimaatgedreven migratie bovenaan op de internationale agenda te plaatsen;

F.

overwegende dat de EU op 6 maart 2015 de INDC van de EU en haar lidstaten heeft ingediend bij het UNFCCC en hierin verklaart zich te willen inzetten voor een bindend streefcijfer van ten minste 40 % interne reductie van de broeikasgasemissies tegen 2030 ten opzichte van het niveau van 1990;

G.

overwegende dat een ambitieus beleid inzake beperking van klimaatverandering kansen biedt voor groei en werkgelegenheid; overwegende dat er in specifieke sectoren met een hoge koolstofintensiteit en een hoge handelsintensiteit echter sprake kan zijn van koolstoflekkage als op andere markten geen vergelijkbare ambitie aan de dag wordt gelegd; overwegende dat een passende bescherming tegen koolstoflekkage dan ook noodzakelijk is om de werkgelegenheid in deze specifieke sectoren veilig te stellen;

1.   

herinnert eraan dat de klimaatverandering een van de belangrijkste uitdagingen voor de mensheid is en dat alle landen en alle actoren wereldwijd hun uiterste best moeten doen om de problemen die hieruit voortvloeien te beperken; onderstreept dat de Overeenkomst van Parijs een belangrijke stap in die richting is, hoewel het werk hiermee verre van af is;

Wetenschappelijke basis voor klimaatactie

2.

herinnert eraan dat in het AR5 van de IPCC van 2014 wetenschappelijk is aangetoond dat de opwarming van het klimaatsysteem onmiskenbaar is, dat klimaatverandering plaatsvindt en dat menselijke activiteiten de belangrijkste oorzaak zijn geweest van de opwarming die sinds het midden van de 20e eeuw is waargenomen; toont zich bezorgd over het feit dat wijdverspreide en aanzienlijke effecten van de klimaatverandering reeds duidelijk waarneembaar zijn in natuurlijke en menselijke systemen op alle continenten en in alle oceanen;

3.

neemt nota van de wereldwijde koolstofbudgetten die in het AR5 van de IPCC naar voren worden geschoven en stelt vast dat als het huidige niveau van wereldwijde broeikasgasemissies wordt voortgezet, het resterende koolstofbudget dat overeenkomt met de beperking van de wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging tot 1,5 oC binnen de komende vier jaar zal worden opgebruikt; benadrukt dat alle landen de in de overeenkomst van Parijs overeengekomen transitie naar een nulniveau van broeikasgasemissies en naar klimaatbestendigheid moeten versnellen om de ergste gevolgen van de opwarming van de aarde te voorkomen;

4.

wijst er nogmaals op hoe belangrijk het is wereldwijde klimaatactie te baseren op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens, en is ingenomen met de faciliterende dialoog in 2018, die plaatsvindt voor het verstrijken van de in het UNFCCC bepaalde uiterste termijn van 2020 voor de herindiening van de nationaal bepaalde bijdragen (NDC's) voor 2030, en met de eerste algemene inventarisatie in 2023, als gelegenheden om dit beginsel in de praktijk te brengen;

5.

pleit voor dialoog tussen deskundigen van de IPCC en partijen bij het opstellen en publiceren van de resultaten van de zesde evaluatiecyclus; is in dit verband verheugd over het besluit om in 2018 een speciaal IPCC-verslag te publiceren over de gevolgen van de opwarming van de aarde met 1,5 oC ten opzichte van de pre-industriële niveaus en de daarmee verband houdende mondiale broeikasgasemissietrajecten;

Ratificatie van de Overeenkomst van Parijs en uitvoering van de toezeggingen

6.

is verheugd over de ongekend snelle ratificatie en de snelle inwerkingtreding van de Overeenkomst van Parijs en over de in de „Marrakesh Action Proclamation” geuite wereldwijde vastberadenheid om de overeenkomst volledig en spoedig ten uitvoer te leggen; dringt er bij alle partijen op aan de overeenkomst zo snel mogelijk te ratificeren;

7.

spreekt zijn tevredenheid uit over het feit dat alle partijen op de COP22 in Marrakesh hebben beloofd zich aan de toezeggingen van Parijs te blijven houden, ongeacht veranderende politieke omstandigheden;

8.

toont zich teleurgesteld over de mededeling van de Amerikaanse president Donald Trump over zijn intentie om de Verenigde Staten terug te trekken uit de Overeenkomst van Parijs; betreurt de beslissing en beschouwt deze als een stap achterwaarts; wijst erop dat de formele terugtrekking ten vroegste van kracht kan worden na de volgende presidentsverkiezingen in de VS in 2020; is verheugd over de krachtige reacties van regeringen overal ter wereld en hun aanhoudende en versterkte steun voor de volledige tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs; stelt met tevredenheid vast dat een aantal Amerikaanse staten, steden en bedrijven heeft beloofd zich te zullen blijven houden aan de toezeggingen die de VS heeft gedaan in het kader van de Overeenkomst van Parijs;

9.

is ingenomen met het feit dat alle grote partijen na de mededeling van president Trump hebben bevestigd de Overeenkomst van Parijs te zullen nakomen;

10.

benadrukt dat Europa nu het initiatief moet nemen bij de verdediging van de Overeenkomst van Parijs, zodat de toekomst van ons milieu en onze bedrijfstakken kan worden veiliggesteld; is verheugd dat de EU bestaande partnerschappen zal versterken en nieuwe partnerschappen zal aangaan;

11.

wijst op de snelle vooruitgang die tot nu toe werd geboekt bij de omzetting van de internationale toezeggingen van de EU in EU-wetgeving, waardoor een stevig beleidskader voor energie en klimaat voor 2030 tot stand wordt gebracht, en benadrukt zijn intentie om dat wetgevingsproces tegen eind 2017 af te ronden;

12.

benadrukt dat het belangrijk is — met name na de mededeling van president Trump — om passende maatregelen voorhanden te hebben tegen koolstoflekkage en ervoor te zorgen dat bedrijven die qua prestaties tot de beste behoren en een hoge koolstofintensiteit en hoge handelsintensiteit hebben gratis de nodige rechten krijgen; verzoekt de Commissie de doeltreffendheid en wettelijkheid te onderzoeken van bijkomende maatregelen die bedrijfstakken beschermen tegen het risico op koolstoflekkage, zoals koolstofbelastingaanpassingen aan de grens en heffingen op koolstofverbruik, met name voor producten die komen uit landen die hun verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs niet nakomen;

13.

benadrukt dat de toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur te beperken tot ruim onder 2 oC ten opzichte van de pre-industriële niveaus en ernaar te streven om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 oC, alsook het doel om in de tweede helft van deze eeuw een evenwicht te bereiken tussen antropogene emissies door bronnen en verwijdering van broeikasgassen door putten („CO2-neutraliteit”), op basis van billijkheid, een beslissende doorbraak vormen in de collectieve wereldwijde inspanningen met het oog op een overgang naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale wereldeconomie;

14.

herinnert eraan dat de beperking van de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur tot ruim onder 2 oC geen garantie biedt dat aanzienlijke negatieve gevolgen voor het klimaat zullen worden voorkomen; is zich ervan bewust dat de huidige toezeggingen onvoldoende zijn om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken; benadrukt in dit verband dat de wereldwijde broeikasgasemissies zo snel mogelijk hun hoogste niveau moeten bereiken en dat alle partijen, en vooral alle G20-landen, hun inspanningen moeten opvoeren en hun NDC's tegen 2020 moeten bijwerken, na de faciliterende dialoog van 2018; herinnert eraan dat de wereldwijde CO2-emissies tegen 2050 geleidelijk moeten worden afgebouwd; is van mening dat de invoering van beleid en maatregelen om de NDC's te verwezenlijken en uiteindelijk te overschrijden voor alle landen een centrale nationale prioriteit moet zijn en dat de NDC's om de vijf jaar opnieuw moeten worden beoordeeld overeenkomstig het ambitiemechanisme van de Overeenkomst van Parijs; erkent echter dat de striktheid en het ambitieniveau van nationale strategieën voor emissiereductie niet afhangen van de indiening van een bijgewerkte NDC;

15.

roept alle partijen op ervoor te zorgen dat hun eigen NDC's aansluiten op de langetermijndoelen inzake temperatuur in het kader van de Overeenkomst van Parijs; benadrukt dat werkzaamheden in de context van het speciale IPCC-verslag betreffende het effect van en het traject naar de doelstelling van 1,5 oC en de conclusies van de faciliterende dialoog van 2018 in aanmerking moeten worden genomen; herinnert tegen deze achtergrond aan de verbintenis van de G7 om ruim voor de overeengekomen uiterste termijn van 2020 ontwikkelingsstrategieën voor lage broeikasgasemissies voor het midden van deze eeuw te presenteren; toont zich bereid ten volle mee te werken aan de ontwikkeling van de EU-strategie op basis van de analyse van de Commissie als aangekondigd in de mededeling „Wat na Parijs?” van 2 maart 2016 (COM(2016)0110);

16.

benadrukt de bijzondere verantwoordelijkheid van alle grote economieën, die samen goed zijn voor driekwart van de wereldwijde emissies, en meent dat klimaatactie hoog op de agenda van de G7 en de G20 moet blijven staan, vooral op gebieden zoals de tenuitvoerlegging van NDC's, strategieën voor het midden van deze eeuw, de hervorming van subsidies voor fossiele brandstoffen, openbaarmaking van koolstofgegevens, schone energie, en andere; benadrukt dat de ministers van grote economieën zich moeten blijven inzetten in fora zoals het ministerieel overleg over schone energie;

17.

dringt er bij de EU op aan om zich na de faciliterende dialoog in 2018 in haar NDC voor 2030 tot verdere emissiereducties te verbinden;

18.

benadrukt dat het belangrijk is dat de EU toont dat zij zich aan de Overeenkomst van Parijs houdt, onder meer door de overeenkomst via EU-wetgeving ten uitvoer te leggen, met inbegrip van een snelle goedkeuring door de medewetgevers van de EU-verordening inzake klimaatactie en de herziening van de EU-ETS-richtlijn, en door de doelstellingen en beleidsinstrumenten van de EU tijdig aan te scherpen; herinnert eraan dat alle partijen wordt verzocht uiterlijk in 2020 hun langetermijnontwikkelingsstrategieën voor lage broeikasgasemissies voor het midden van deze eeuw mee te delen aan het secretariaat van het UNFCCC; dringt er daarom bij de Commissie op aan zich te houden aan de verplichting uit hoofde van de overeenkomst om tegen de COP24 voor de EU een op CO2-neutraliteit gerichte strategie voor het midden van de eeuw op te stellen, met een kostenefficiënt traject voor het behalen van de doelstelling inzake CO2-neutraliteit als vastgesteld in de Overeenkomst van Parijs, met als doel de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur tot ruim onder 2 oC te houden en ernaar te streven deze tot 1,5 oC te beperken; is van mening dat dit proces zo snel mogelijk moet worden opgestart om een uitgebreid debat mogelijk te maken waarin het Europees Parlement een cruciale rol moet krijgen, samen met vertegenwoordigers van nationale, regionale en lokale autoriteiten, alsook het maatschappelijk middenveld en de bedrijfswereld; wijst erop dat maatregelen in de EU alleen echter niet zullen volstaan, en verzoekt de Commissie en de Raad daarom hun activiteiten te intensiveren om andere partners ertoe aan te sporen hetzelfde te doen;

19.

toont zich verheugd over het engagement in het kader van de Overeenkomst van Parijs om de wereldwijde broeikasgasemissies tot nul te reduceren in de tweede helft van de eeuw; ziet in dat dit betekent dat de meeste sectoren in de EU aanzienlijk vroeger hun emissies tot nul zullen moeten herleiden;

20.

is van mening dat er in de onderhandelingen vooruitgang moet worden geboekt op de centrale punten van de Overeenkomst van Parijs, waaronder een verbeterd transparantiekader, bijzonderheden van de algemene inventarisatie, nadere richtsnoeren inzake INDC's, een interpretatie van differentiëring, verlies en schade, klimaatfinanciering en capaciteitsondersteuning, inclusieve multi-level governance, alsook een mechanisme om de uitvoering te faciliteren en de naleving te bevorderen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de verplichtingen na te komen die werden vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs, en dan met name de verplichtingen inzake de bijdrage van de EU aan de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering en inzake de steun van de EU op het gebied van financiering, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw;

21.

beklemtoont dat de tijd dringt om de klimaatverandering met vereende krachten te bestrijden en de Overeenkomst van Parijs na te komen; onderstreept dat de EU zowel de capaciteit als de verantwoordelijkheid heeft om hierin het voortouw te nemen en onmiddellijk moet beginnen haar streefdoelen inzake klimaat en energie af te stemmen op de internationaal overeengekomen doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot minder dan 2 oC, met het streven om deze stijging tot 1,5 oC te beperken;

22.

wijst erop dat snel moet worden begonnen met decarbonisatie als we dit streefdoel voor de wereldwijde gemiddelde temperatuur willen halen, en dat de wereldwijde broeikasgasemissies zo snel mogelijk hun hoogste niveau moeten bereiken; herinnert eraan dat de wereldwijde CO2-emissies tegen 2050 of kort daarna moeten worden afgebouwd, zodat wereldwijd een kosteneffectief emissietraject kan worden aangehouden dat strookt met de temperatuurstreefdoelen die zijn vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs; vraagt alle partijen die in de gelegenheid zijn dit te doen alles in het werk te stellen om hun nationale streefdoelen en strategieën inzake decarbonisatie te verwezenlijken door prioriteit te geven aan het afbouwen van emissies van steenkool als meest vervuilende energiebron en vraagt de EU daartoe met haar internationale partners samen te werken en voorbeelden van goede praktijken te verstrekken;

23.

is verheugd over de inclusiviteit van het UNFCCC-proces; meent dat de kwestie van gevestigde of conflicterende belangen moet worden aangepakt om een effectieve en transparante deelname te verzekeren; roept tegen die achtergrond alle deelnemers aan het proces op richtsnoeren of procedures vast te stellen die voor meer openheid, transparantie en inclusiviteit zorgen zonder de bedoelingen en doelstellingen van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs in het gedrang te brengen;

24.

roept alle lidstaten ertoe op de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto te ratificeren;

De COP23 in Bonn

25.

is verheugd dat in Marrakesh is toegezegd dat het werkprogramma voor de opstelling van gedetailleerde uitvoeringsregels voor de Overeenkomst van Parijs tegen 2018 zal worden afgerond; is van mening dat de COP23 een belangrijke mijlpaal is in deze technische werkzaamheden;

26.

hoopt dat er tijdens de COP23 duidelijkheid zal worden verschaft omtrent de structuur van de faciliterende dialoog in 2018, die een belangrijke gelegenheid vormt om de vorderingen met de in de overeenkomst opgenomen mitigatiedoelstelling te inventariseren en deze resultaten mee te nemen bij de opstelling en actualisering van de NDC's voor 2030 die de partijen tegen 2020 moeten indienen, om zo de doelstellingen van de overeenkomst te verwezenlijken; is van mening dat de EU een proactieve rol moet spelen in deze eerste faciliterende dialoog om een stand van zaken op te maken van de gezamenlijke ambitie en de vooruitgang bij het nakomen van de toezeggingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ruim voor aanvang van de faciliterende dialoog bijkomende broeikasgasemissiereducties voor te leggen die verder gaan dan de huidige toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs en die op adequate wijze bijdragen aan het dichten van de mitigatiekloof in overeenstemming met de capaciteiten van de EU;

27.

herinnert eraan dat het intensiveren van mitigatiemaatregelen in de periode voor 2020 een absolute voorwaarde is voor de verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en roept de EU op ervoor te zorgen dat maatregelen op korte termijn op de agenda van de COP23 blijven staan;

Klimaatfinanciering en andere uitvoeringsmiddelen

28.

is ingenomen met het „stappenplan voor 100 miljard USD”, dat tot doel heeft tegen 2020 100 miljard USD bijeen te brengen voor klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden; onderstreept dat op de COP21 is besloten de doelstelling voor het bijeenbrengen van middelen is verlengd tot 2025;

29.

is ingenomen met de verbintenis van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs om alle geldstromen consistent te houden met een traject naar lage broeikasgasemissies en klimaatbestendige ontwikkeling; is daarom van mening dat de EU geldstromen naar fossiele brandstoffen en koolstofrijke infrastructuur hoogdringend moet aanpakken;

30.

beseft dat het van belang is aandacht te besteden aan de regeling voor schade en verlies die is opgenomen in de Overeenkomst van Parijs en pleit er sterk voor de regeling te bespreken tijdens de COP23 in Bonn;

31.

benadrukt dat het belangrijk is erover te waken dat de mensenrechten centraal blijven staan in klimaatactie, en vraagt de Commissie en de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat in de onderhandelingen over aanpassingsmaatregelen expliciet wordt gesteld dat de mensenrechten moeten worden geëerbiedigd, beschermd en bevorderd, onder andere op het gebied van gendergelijkheid, volledige en gelijke deelname van vrouwen en de actieve bevordering van een rechtvaardige transitie voor arbeidskrachten, met fatsoenlijk werk en hoogwaardige banen voor iedereen;

32.

is verheugd dat de klimaatfinanciering van de EU gestaag toeneemt, maar benadrukt dat er verdere inspanningen moeten worden gedaan; benadrukt hoe belangrijk het is dat ook andere ontwikkelde partijen hun bijdrage leveren aan de doelstelling van 100 miljard USD; vraagt om concrete toezeggingen op internationaal en EU-niveau om in aanvullende financieringsbronnen te voorzien;

33.

vraagt om een ambitieuze toezegging van regeringen en openbare en particuliere financiële instellingen, zoals banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, om hun leningen en investeringen op de „ruim onder 2 oC”-doelstelling af te stemmen, overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs, en niet langer te investeren in fossiele brandstoffen, onder meer door uitvoerkredieten voor investeringen in fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen; dringt aan op specifieke overheidsgaranties om groene investeringen en groene keurmerken te bevorderen en fiscale voordelen te bieden voor groene investeringsfondsen en de uitgifte van groene obligaties;

34.

erkent dat veranderingen in nationale en internationale belastingstelsels, zoals een verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar kapitaal, toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt, het niet langer investeren in fossiele brandstoffen en de instelling van een juiste koolstofprijs, van cruciaal belang zijn om een economisch klimaat te scheppen dat gunstig is voor het aantrekken van openbare en particuliere investeringen, aan de hand waarvan de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling kunnen worden verwezenlijkt in het kader van industrieel beleid;

35.

pleit voor nauwere samenwerking tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden, onder meer in het kader van het NDC-partnerschap, zodat landen betere toegang krijgen tot de nodige technische kennis en financiële ondersteuning om een beleid uit te stippelen waarmee ze kunnen voldoen aan hun NDC's en deze kunnen overschrijden;

36.

verzoekt de Commissie een volledige evaluatie te maken van de mogelijke gevolgen van de Overeenkomst van Parijs voor de EU-begroting en een specifiek, automatisch EU-financieringsmechanisme te ontwikkelen dat aanvullende en voldoende middelen moet bieden om ervoor te zorgen dat de EU haar duit in het zakje doet wat de beoogde internationale klimaatfinanciering van 100 miljard USD betreft;

37.

dringt aan op concrete toezeggingen om bijkomende bronnen van klimaatfinanciering ter beschikking te stellen, onder meer door het invoeren van een belasting op financiële transacties, het reserveren van bepaalde EU-ETS-emissierechten in de periode 2021-2030 en het toewijzen van opbrengsten uit EU- en internationale maatregelen inzake luchtvaart- en scheepvaartemissies aan internationale klimaatfinanciering en het Groen Klimaatfonds;

De rol van niet-overheidsactoren

38.

wijst op de inspanningen die door een steeds bredere waaier aan niet-overheidsactoren worden gedaan om koolstofvrij te worden en beter bestand te zijn tegen klimaatverandering; benadrukt dan ook het belang van een structurele en constructieve dialoog tussen overheden, het bedrijfsleven, steden, regio's, internationale organisaties, het maatschappelijk middenveld en academische instellingen, en van hun betrokkenheid bij de planning en uitvoering van schaalbare klimaatacties met het oog op de bevordering van krachtige, wereldwijde maatregelen om samenlevingen koolstofarm en veerkrachtig te maken en te tonen dat er vooruitgang wordt geboekt met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

39.

dringt er bij de EU, haar lidstaten en andere partijen bij het UNFCCC op aan ervoor te ijveren niet-overheidsactoren actief te betrekken bij onderhandelingen over de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs, hen te steunen in hun inspanningen om bij te dragen aan de verwezenlijking van de NDC van een land ondanks veranderingen in de nationale politiek, en hen in staat te stellen op zoek te gaan naar nieuwe vormen van deelname en samenwerking in het kader van het UNFCCC;

40.

benadrukt de belangrijke rol van het platform van niet-overheidsactoren voor klimaatactie (Non-State Actors Zone for Climate Action, NAZCA) bij het bevorderen en opvolgen van acties door niet-overheidsactoren, zoals het wereldwijde Convenant van burgemeesters, de initiatieven „Mission Innovation”, „InsuResilience” en „Duurzame energie voor iedereen” en het NDC-partnerschap;

41.

is verheugd over de inspanningen van de „Climate Champions” in het kader van het partnerschap van Marrakesh voor klimaatactie;

42.

dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan samen te werken met alle actoren van het maatschappelijk middenveld (instellingen, de particuliere sector, ngo's en lokale gemeenschappen) om reductie-initiatieven te ontwikkelen in belangrijke sectoren (energie, technologie, steden, vervoer), alsook initiatieven op te starten met betrekking tot aanpassing en veerkracht om in te spelen op problemen op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering, met name wat betreft toegang tot water, voedselzekerheid en risicopreventie; verzoekt alle overheden en alle actoren van het maatschappelijk middenveld om deze actieagenda te ondersteunen en te versterken;

43.

herinnert de partijen bij het UNFCCC en de VN zelf eraan dat individuele maatregelen even belangrijk zijn als maatregelen van overheden en instellingen; dringt er daarom op aan meer bewustmakings- en informatiecampagnes en -activiteiten te organiseren voor de bevolking over de kleine en grote handelingen die kunnen bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering in ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden;

Een alomvattende inspanning van alle sectoren

44.

is verheugd dat er wereldwijd regelingen worden uitgewerkt voor de handel in emissierechten, met 18 emissiehandelssystemen die operationeel zijn in vier continenten, samen goed voor 40 % van het mondiale bnp; spoort de Commissie ertoe aan koppelingen tussen de EU-ETS en andere emissiehandelssystemen te bevorderen om internationale koolstofmarktmechanismen tot stand te brengen, met als doel de klimaatambities te vergroten en tegelijk het risico van koolstoflekkage te helpen beperken door een gelijk speelveld te creëren; verzoekt de Commissie waarborgen in te bouwen om ervoor te zorgen dat de koppeling van de EU-ETS aan andere regelingen permanente mitigatiebijdragen oplevert en de interne EU-doelstelling inzake broeikasgasemissies niet ondermijnt;

45.

benadrukt dat er meer ambitie en meer maatregelen nodig zijn om voldoende stimulansen te behouden voor de reductie van broeikasgasemissies die vereist is om de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU voor 2050 te halen; onderstreept dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt inzake het verminderen van de broeikasgasemissies in de vervoers- en landbouwsector wat de doelstellingen voor 2020 betreft en dat er extra inspanningen moeten worden geleverd om deze sectoren te laten voldoen aan hun bijdrage op het gebied van emissiereducties tegen 2030;

46.

benadrukt hoe belangrijk het is de milieu-integriteit van elke toekomstige marktbenadering te waarborgen, zowel binnen als buiten het kader van de Overeenkomst van Parijs, door na te denken over risico's zoals achterdeurtjes die tot dubbele telling kunnen leiden, problemen met betrekking tot de continuïteit en additionaliteit van emissiereducties, potentiële negatieve effecten voor duurzame ontwikkeling en averechtse prikkels om de ambitie van NDC's af te zwakken;

47.

benadrukt dat de 20-20-20-streefcijfers voor broeikasgasemissies, hernieuwbare energie en energiebesparingen drijvende krachten zijn gebleken voor deze vooruitgang en voor de instandhouding van de werkgelegenheid voor meer dan 4,2 miljoen mensen in diverse bedrijfstakken van de eco-industrie, waarvoor een gestage groei werd opgetekend tijdens de economische crisis;

48.

neemt kennis van het besluit van de Algemene Vergadering van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) van 2016 betreffende de instelling van een koolstofcompensatie- en -verminderingsregeling voor de internationale luchtvaart (Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation — Corsia);

49.

uit echter zijn teleurstelling over het feit dat de ICAO bij de invoering van Corsia geen overeenstemming heeft bereikt over emissiereducties en zich voornamelijk op compensaties heeft gericht; betreurt dat de kwaliteit van de compensaties helemaal niet gegarandeerd is, dat de toepassing van Corsia pas vanaf 2027 wettelijk bindend wordt en dat een aantal belangrijke leden van de ICAO hun deelname aan de vrijwillige fase nog niet hebben toegezegd, terwijl andere grote uitstoters zich nog niet hebben verbonden tot koolstofneutrale groei, hetgeen veel vragen doet rijzen over de werkelijke effecten op het klimaat, aangezien het resultaat niet beantwoordt aan de verwachtingen van de EU toen zij besloot met betrekking tot de EU-ETS „de klok stil te zetten”; vraagt dat spoedig de laatste hand wordt gelegd aan een degelijke set regels voor de operationalisering van Corsia, de tijdige toepassing ervan op nationaal en regionaal niveau en een behoorlijke handhaving door alle partijen; dringt er bovendien op aan dat er werk wordt gemaakt van alle technologische innovaties die verband houden met motorprestaties en brandstofkwaliteit;

50.

herinnert eraan dat vluchten binnen Europa ondertussen onder de EU-ETS blijven vallen en dat wijzigingen van de bestaande wetgeving en het tijdschema voor de operationalisering van Corsia slechts kunnen worden overwogen in het licht van het ambitieniveau van het systeem en de uitvoeringsmaatregelen die nog moeten worden ontwikkeld;

51.

neemt kennis van de routekaart voor de ontwikkeling van een „alomvattende IMO-strategie ter vermindering van de broeikasgasemissies van schepen” die tijdens de 70e zitting van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) is goedgekeurd; dringt er bij de IMO op aan een wereldwijde regeling te ontwikkelen die overeenstemt met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs door een ambitieus streefdoel inzake emissiereducties en een concreet tijdschema vast te stellen in het kader van de initiële broeikasgasstrategie van de IMO die in het voorjaar van 2018 zal worden goedgekeurd;

52.

is ingenomen met de wijziging van Kigali betreffende een wereldwijde stapsgewijze verlaging van de productie en het gebruik van fluorkoolwaterstoffen (HFK's) met een klimaatopwarmend effect; beschouwt dit als een concrete stap in de verwezenlijking van de Overeenkomst van Parijs, waardoor tegen 2050 emissies van ruim 70 miljard ton CO2-equivalent kunnen worden vermeden, wat overeenkomt met elfmaal de jaarlijkse emissies van de VS, en moedigt alle partijen bij het Protocol van Montreal dan ook aan om al het nodige te doen met het oog op een spoedige ratificatie; herinnert eraan dat de EU ambitieuze wetgeving heeft vastgesteld om het gebruik van HFK's tegen 2030 met 79 % af te bouwen, aangezien klimaatvriendelijke alternatieven op grote schaal beschikbaar zijn en het potentieel daarvan volledig moet worden benut;

Klimaatbestendigheid door aanpassing

53.

stelt vast dat de prioriteiten van het voorzitterschap van Fiji voor de COP23 gebieden omvatten waar maatregelen inzake aanpassing en klimaatbestendigheid een prominente plaats innemen; wijst erop dat aanpassingsmaatregelen voor alle landen een onvermijdelijke noodzaak zijn als zij de negatieve gevolgen tot een minimum willen beperken en ten volle gebruik willen maken van de mogelijkheden voor klimaatbestendige groei en duurzame ontwikkeling;

54.

dringt er dan ook op aan dat er langetermijndoelstellingen inzake aanpassing worden vastgesteld; herinnert eraan dat ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde landen en kleine insulaire ontwikkelingslanden, het minst tot de klimaatverandering hebben bijgedragen, maar wel het kwetsbaarst zijn voor de nadelige gevolgen ervan en het minst in staat zijn zich eraan aan te passen;

55.

benadrukt dat aanpassing aan de klimaatverandering daarom echt moet worden geïntegreerd in nationale ontwikkelingsstrategieën, met inbegrip van financiële planning, en dat de coördinatiekanalen tussen verschillende bestuursniveaus en belanghebbenden moeten worden verbeterd; is van mening dat samenhang met strategieën en plannen voor rampenrisicovermindering eveneens belangrijk is;

56.

benadrukt dat het belangrijk is een beoordeling te maken van de effecten van de klimaatverandering op steden en hun unieke uitdagingen en kansen op het gebied van aanpassing en mitigatie; meent dat het versterken van het vermogen van steden en lokale autoriteiten om te beginnen werken aan de veerkracht van hun gemeenschap van cruciaal belang is om de lokale dimensie van de effecten van de klimaatverandering aan te pakken;

57.

meent dat klimaatbeleid een voldoende groot draagvlak kan krijgen, op voorwaarde dat het beleid gepaard gaat met sociale maatregelen, zoals een fonds voor een rechtvaardige transitie, zodat de huidige uitdagingen op het gebied van de strijd tegen de klimaatverandering worden gekoppeld aan inspanningen in de strijd tegen werkloosheid en onzeker werk;

58.

vraagt de Commissie de aanpassingsstrategie van de EU van 2013 opnieuw te beoordelen, met als doel de aanpassingswerkzaamheden op het niveau van de hele EU gerichter te maken en een grotere meerwaarde te geven door de banden met de Overeenkomst van Parijs te versterken en de verdere ontwikkeling van een doeltreffende uitwisseling van goede praktijken, voorbeelden en informatie inzake aanpassingswerkzaamheden te ondersteunen; benadrukt dat er structuren en instrumenten moeten worden ontwikkeld om op de hoogte te blijven van de voortgang en de doeltreffendheid van de nationale plannen en maatregelen;

59.

herinnert eraan dat landbouwgronden, waterrijke gebieden en bossen, die meer dan 90 % van de landoppervlakte van de EU beslaan, hard zullen worden getroffen door de klimaatverandering; benadrukt dat deze sector — bekend als landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) — zowel een emissieput als een emissiebron vormt en essentieel is voor mitigatie en een betere klimaatbestendigheid;

60.

herinnert eraan dat de Overeenkomst van Parijs van 4 november 2016 luidens zijn artikel 2 onder meer tot doel heeft het vermogen te vergroten om zich aan de negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te passen en klimaatbestendigheid en ontwikkeling met geringe broeikasgasemissies te bevorderen op een wijze die de voedselproductie niet in gevaar brengt, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de geldstromen te doen sporen met dat doel;

61.

onderstreept dat niets doen ernstige negatieve en vaak onomkeerbare gevolgen heeft, omdat de klimaatverandering alle regio's van de wereld op een andere manier treft maar altijd zware schade aanricht, met migratiestromen, verlies van mensenlevens en economische, ecologische en maatschappelijke schade als gevolg; onderstreept dat een gezamenlijke wereldwijde politieke en financiële stimulans voor innovatie op het gebied van schone en hernieuwbare energie van cruciaal belang is om onze klimaatdoelstellingen te bereiken en groei te bevorderen;

62.

erkent dat het bijzonder moeilijk is een universeel aanvaarde definitie van het begrip „klimaatvluchteling” vast te stellen, maar vraagt dat klimaatgedreven ontheemding en migratie ten gevolge van rampen veroorzaakt door de opwarming van de aarde ernstig worden genomen; merkt met bezorgdheid op dat tussen 2008 en 2013 zo'n 166 miljoen mensen hun huis hebben moeten verlaten als gevolg van natuurrampen, de stijging van de zeespiegel, extreme meteorologische verschijnselen, woestijnvorming, watertekort en de verspreiding van tropische aandoeningen en vectorziekten; wijst er met name op dat klimaatgerelateerde ontwikkelingen in delen van Afrika en het Midden-Oosten politieke instabiliteit, economische tegenspoed en een escalatie van de vluchtelingencrisis in het Middellandse Zeegebied in de hand kunnen werken;

63.

merkt op dat ontbossing en bosdegradatie verantwoordelijk zijn voor 20 % van de mondiale broeikasgasemissies, en benadrukt het belang van bossen en actief duurzaam bosbeheer voor de mitigatie van klimaatverandering en de noodzaak om het aanpassingsvermogen en de veerkracht van bossen ten aanzien van klimaatverandering te verbeteren; benadrukt dat er mitigatie-inspanningen moeten worden geleverd gericht op de tropische bosbouwsector (REDD+); onderstreept dat het verwezenlijken van de doelstelling om de opwarming van de aarde onder de 2 oC te houden zonder deze mitigatie-inspanningen wellicht onmogelijk zal blijken; vraagt de EU voorts om de internationale financiering voor het tegengaan van ontbossing in ontwikkelingslanden te verhogen;

Steun voor ontwikkelingslanden

64.

benadrukt dat ook de ontwikkelingslanden een belangrijke rol spelen om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en dat deze landen geholpen moeten worden om hun klimaatplannen uit te voeren door ten volle gebruik te maken van de synergieën met de desbetreffende duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de uitgevoerde klimaatmaatregelen, het actieprogramma van Addis Abeba en de Agenda 2030;

65.

onderstreept dat de universele toegang tot duurzame energie in ontwikkelingslanden, met name in Afrika, moet worden bevorderd door op grotere schaal hernieuwbare energie in te zetten; merkt op dat Afrika over enorme hoeveelheden natuurlijke hulpbronnen beschikt die de energiezekerheid van het continent kunnen waarborgen; onderstreept dat Europa, indien men erin slaagt interconnecties voor elektriciteit tot stand te brengen, op termijn een deel van haar energie uit Afrika zou kunnen halen;

66.

benadrukt dat de EU de ervaring, de capaciteit en de mondiale reikwijdte heeft om het voortouw te nemen bij het aanleggen van de slimmere, schonere en meer klimaatbestendige infrastructuur die nodig is om de mondiale transitie die in gang is gezet door de Overeenkomst van Parijs waar te maken; verzoekt de EU met klem steun te verlenen aan de inspanningen van ontwikkelingslanden om over te schakelen naar koolstofarme samenlevingen die inclusiever, sociaal en ecologisch duurzamer, welvarender en veiliger zijn;

Industrie en concurrentievermogen

67.

is ingenomen met de aanhoudende inspanningen van de Europese industrie en met de vooruitgang die deze boekt met betrekking tot het nakomen van haar verplichtingen en het ten volle benutten van de kansen die de Overeenkomst van Parijs met zich meebrengt, hetgeen kan leiden tot geslaagde en kosteneffectieve klimaatactie;

68.

onderstreept dat de strijd tegen de klimaatverandering een wereldwijde prioriteit vormt en moet worden nagestreefd als een werkelijk mondiale inspanning, met waarborging van energiezekerheid en een duurzame economie;

69.

benadrukt dat een stabiel en voorspelbaar juridisch kader en duidelijke beleidssignalen op mondiaal en EU-niveau een bevorderend en gunstig effect zouden hebben op klimaatgerelateerde investeringen;

70.

onderstreept dat aanhoudende inzet, met name van de kant van 's werelds grootste uitstoters, van cruciaal belang is voor klimaatactie en de Overeenkomst van Parijs; betreurt de aankondiging van de Amerikaanse regering betreffende haar standpunt ten aanzien van de Overeenkomst van Parijs ten zeerste; is echter bijzonder blij met de voortgezette steun van belangrijke Amerikaanse sectoren die duidelijk inzien welke risico's de klimaatverandering met zich meebrengt en welke kansen klimaatactie biedt;

71.

is van mening dat het bij een eventueel verzuim van andere grote economieën om op het vlak van de vermindering van broeikasgasemissies toezeggingen te doen die vergelijkbaar zijn met die van de EU noodzakelijk zal zijn om de bepalingen inzake koolstoflekkage in stand te houden, met name de bepalingen die gericht zijn op sectoren die gekenmerkt worden door zowel een hoge handelsintensiteit als een groot aandeel koolstofkosten bij de productie, zodat het mondiale concurrentievermogen van de Europese industrie gegarandeerd blijft;

72.

is verheugd dat China en andere grote concurrenten van de energie-intensieve sectoren van de EU een emissiehandelssysteem of andere prijsstellingsmechanismen invoeren; meent dat de EU in afwachting van de totstandbrenging van gelijke concurrentievoorwaarden passende en evenredige maatregelen moet handhaven om het concurrentievermogen van haar industrie te garanderen en, waar nodig, koolstoflekkage te voorkomen, vanuit de overweging dat energie-, industrie- en klimaatbeleid hand in hand gaan;

73.

onderstreept hoe belangrijk het is het aantal geschoolde werknemers in de industrie te verhogen en inzake het stimuleren van kwaliteitsvolle werkgelegenheid kennis en beste praktijken uit te wisselen, terwijl waar nodig steun wordt verleend aan een rechtvaardige transitie van de werknemers;

Energiebeleid

74.

dringt er bij de EU op aan de internationale gemeenschap aan te sporen onverwijld concrete maatregelen te nemen, met inbegrip van een tijdschema, voor het geleidelijk afbouwen van voor het milieu schadelijke subsidies, onder meer voor fossiele brandstoffen, aangezien deze concurrentieverstorend werken, een belemmering vormen voor internationale samenwerking en innovatie in de weg staan;

75.

benadrukt het belang van energiebesparingen, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie voor de beperking van emissies, alsook voor financiële besparingen, energiezekerheid en het voorkomen en verminderen van energiearmoede, zodat kwetsbare en arme huishoudens worden beschermd en geholpen; dringt aan op een wereldwijde bevordering van maatregelen voor energie-efficiëntie en energiebesparingen en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen (bijvoorbeeld via stimulansen voor het zelf opwekken van hernieuwbare energie voor eigen gebruik) en voor de doeltreffende invoering hiervan; wijst erop dat de prioritaire behandeling van energie-efficiëntie en wereldwijd leiderschap op het gebied van hernieuwbare energiebronnen tot de belangrijkste doelstellingen van de energie-unie van de EU behoren;

76.

onderstreept hoe belangrijk het is technologie voor energieopslag, slimme energienetten en vraagsturing te ontwikkelen om er mee voor te zorgen dat hernieuwbare energiebronnen daadwerkelijk worden ingezet bij de opwekking van elektriciteit en in de sector van verwarming en koeling voor particuliere huishoudens;

Onderzoek, innovatie en digitale technologieën

77.

onderstreept dat de voortzetting en intensivering van onderzoek en innovatie op het gebied van klimaatmitigatie, aanpassingsmaatregelen, hulpbronnenefficiëntie, emissiearme technologie en een duurzaam gebruik van secundaire grondstoffen („circulaire economie”) van cruciaal belang zijn om de klimaatverandering op kostenefficiënte wijze te bestrijden en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen; dringt daarom aan op wereldwijde toezeggingen om investeringen op dit gebied te bevorderen en hierop toe te spitsen;

78.

benadrukt dat voor de vereiste technologische vooruitgang met het oog op decarbonisatie duidelijke beleidssignalen nodig zijn, waaronder de beperking van markt- en regelgevingsbelemmeringen voor nieuwe technologieën en bedrijfsmodellen, alsook doelgerichte overheidsuitgaven;

79.

herinnert eraan dat onderzoek, innovatie en concurrentievermogen tot de vijf pijlers van de EU-strategie voor de energie-unie behoren; stelt vast dat de EU vastbesloten is een wereldleider te blijven op deze domeinen en tegelijk nauwe wetenschappelijke samenwerking met internationale partners ontwikkelt; wijst erop hoe belangrijk het is dat zowel in de ontwikkelde als in de opkomende landen een sterke innovatiecapaciteit voor het inzetten van technologieën voor schone en duurzame energie wordt opgebouwd en gehandhaafd;

80.

wijst op de fundamentele rol van digitale technologieën bij het faciliteren van de energietransitie, aangezien deze zorgen voor nieuwe duurzame bedrijfsmodellen, een grotere energie-efficiëntie en meer energiebesparingen; benadrukt de milieuvoordelen die de digitalisering van de Europese industrie kan opleveren via een efficiënt gebruik van hulpbronnen en een lagere materiaalintensiteit;

81.

onderstreept hoe belangrijk het is ten volle gebruik te maken van de bestaande EU-programma's en -instrumenten zoals Horizon 2020, die openstaan voor deelname van derde landen, met name op het gebied van energie, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling;

82.

pleit voor een beter gebruik van technologieën zoals ruimtesatellieten voor het accuraat verzamelen van gegevens over emissies, temperatuur en klimaatverandering; wijst met name op de bijdrage van het Copernicusprogramma; dringt tevens aan op transparante samenwerking en uitwisseling van informatie tussen landen en op de openstelling van gegevens voor de wetenschappelijke wereld;

Klimaatdiplomatie

83.

is er een sterke voorstander van dat de EU aandacht blijft besteden aan klimaatdiplomatie, wat van essentieel belang is om klimaatactie in partnerlanden en in de publieke opinie overal ter wereld meer zichtbaarheid te geven; benadrukt dat de klimaatverandering in het diplomatiek overleg een strategische prioriteit moet blijven, rekening houdend met de recentste ontwikkelingen en het veranderende geopolitieke landschap; onderstreept dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten een enorme capaciteit op het vlak van buitenlands beleid hebben en in klimaatfora het voortouw moeten nemen; benadrukt dat ambitieuze en dringende klimaatmaatregelen en de uitvoering van de toezeggingen in het kader van de COP21 een van de prioriteiten van de EU moeten blijven in bilaterale en biregionale dialogen op hoog niveau met partnerlanden, de G7, de G20, de VN en andere internationale fora;

84.

herhaalt dat klimaatbeleidsdoelstellingen centraal moeten staan bij het buitenlands beleid van de EU en op de mondiale agenda; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan leiderschap aan de dag te leggen op het vlak van wereldwijde klimaatactie door zich voortdurend in te zetten voor de Overeenkomst van Parijs en door actief op zoek te gaan naar strategische partners, zowel op nationaal als op subnationaal niveau, om klimaatallianties te vormen of te versterken, teneinde het momentum te behouden om de weg in te slaan naar een ambitieuze regeling ter bescherming van het klimaat;

85.

vraagt de EU en de lidstaten werk te maken van een betere bewustmaking, analyse en beheersing van klimaatrisico's en de partners van de EU in de wereld te helpen om een beter inzicht te krijgen in de effecten van de klimaatverandering op de binnenlandse stabiliteit, de internationale veiligheid en ontheemding, en deze als geheel te bekijken, erop te anticiperen en ermee om te gaan;

86.

belooft zijn internationale rol en zijn lidmaatschap van internationale parlementaire netwerken te gebruiken om consequent te streven naar vooruitgang in de richting van een snelle tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs;

Rol van het Europees Parlement

87.

merkt op dat het Parlement zijn goedkeuring moet geven aan internationale overeenkomsten en als medewetgever een centrale rol speelt bij de nationale tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs, en is van mening dat het Parlement daarom goed in de EU-delegatie moet worden geïntegreerd; rekent er dan ook op dat het de coördinatievergaderingen van de EU in Bonn mag bijwonen en dat het vanaf het begin van de onderhandelingen gewaarborgde toegang krijgt tot alle voorbereidende documenten;

o

o o

88.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek de resolutie ook toe te zenden aan alle partijen die geen lid zijn van de EU.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0383.


Donderdag 5 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/82


P8_TA(2017)0381

De situatie van mensen met albinisme in Malawi en andere Afrikaanse landen

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over de situatie van mensen met albinisme in Malawi en andere Afrikaanse landen (2017/2868(RSP))

(2018/C 346/11)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over albinisme in Afrika, met name die van 7 juli 2016 over de situatie van personen met albinisme in Afrika, met name in Malawi (1), en die van 4 september 2008 over het vermoorden van albino's in Tanzania (2),

gezien de verslagen van 24 maart 2017 en 18 januari 2016 van de onafhankelijke deskundige van de VN voor de uitoefening van de mensenrechten door personen met albinisme,

gezien de verklaring van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 13 juni 2017 over Wereld Albinismedag,

gezien het perscommuniqué van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) van 19 september 2017 getiteld „Ground-breaking step to tackle impunity for witchcraft related human rights violations” (Een baanbrekende stap om de straffeloosheid inzake mensenrechtenschendingen die verband houden met hekserij aan te pakken), en dat van 28 juli 2017 getiteld „Tanzania: 'Reported attacks against persons with albinism decline, but root causes still rife in rural areas' — UN expert” (Tanzania: 'Meldingen van aanvallen op mensen met albinisme nemen af, maar de grondoorzaken zijn nog steeds wijdverspreid in plattelandsgebieden' — VN-deskundige),

gezien resolutie 69/170 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) van 18 december 2014 over Wereld Albinismedag,

gezien AVVN-resolutie 70/229 van 23 december 2015 over personen met albinisme,

gezien resolutie 263 van 5 november 2013 van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van mensen en volkeren (ACHPR) over het verhinderen van aanvallen en discriminatie gericht tegen personen met albinisme,

gezien het regionale actieplan voor de periode 2017-2021 om een eind te maken aan aanvallen op personen met albinisme in Afrika en ACHPR-resolutie 373 van 22 mei 2017 hierover,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

gezien het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie,

gezien de VN-verklaring van 18 december 1992 over de rechten van personen die behoren tot nationale, etnische, godsdienstige en taalkundige minderheden,

gezien het Afrikaanse Handvest inzake de rechten van mensen en volkeren,

gezien de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat albinisme een erfelijke genetische aandoening is waaraan wereldwijd ongeveer 20 000 mensen lijden en dat de aandoening opmerkelijk vaker voorkomt in landen ten zuiden van de Sahara, met name in Tanzania, Malawi en Burundi, waar de hoogste concentratie van personen met albinisme aanwezig is;

B.

overwegende dat de allergrootste bedreiging van personen met albinisme in de meeste Afrikaanse landen wordt gevormd door misleidende overtuigingen en bijgeloof in verband met de aandoening; overwegende dat albinisme onterecht in verband wordt gebracht met magische krachten en dat dit een uiterst ernstige bedreiging inhoudt voor personen met albinisme; overwegende dat dergelijke mythen worden aangegrepen om geweld tegen hen te plegen en hun lichaamsdelen te verhandelen als voorwerpen die geluk, gezondheid en fortuin brengen; overwegende dat vrouwen met albinisme te lijden hebben onder verkrachtingen, wegens de misvatting dat het hebben van seksuele betrekkingen met hen een remedie vormt tegen HIV/AIDS;

C.

overwegende dat er volgens mensenrechtenorganisaties in Afrika de laatste tien jaar aangifte is gedaan van meer dan 600 aanvallen op personen met albinisme en dat de werkelijke aantallen waarschijnlijk nog veel hoger liggen; overwegende dat deze aanvallen de voorbije jaren sterk in aantal zijn toegenomen, met name in Malawi, Tanzania en Mozambique;

D.

overwegende dat er in 2016 verspreid over 25 Afrikaanse landen 172 personen met albinisme zijn vermoord en er 276 op een andere manier zijn aangevallen; overwegende dat er behalve in Malawi dit jaar ook melding is gedaan van aanvallen tegen personen met albinisme in Burundi, Mozambique, Zambia en Tanzania, waarbij de slachtoffers in de meeste gevallen kinderen zouden zijn;

E.

overwegende dat een nieuwe golf van moorden en aanvallen op personen met albinisme sinds het begin van 2017 is aangewakkerd door systeemfalen in het strafrechtstelsel van Malawi, waardoor deze kwetsbare mensen zijn overgeleverd aan criminele bendes; overwegende dat er sinds januari 2017 ten minste twee personen met albinisme zijn vermoord en dat zeven anderen aangifte hebben gedaan van misdrijven als poging tot moord of ontvoering;

F.

overwegende dat er in Malawi in 2016 weliswaar strengere wetgeving is ingevoerd, waaronder hervormingen in het strafwetboek en de wet anatomie, maar dat dit niet heeft kunnen verhinderen dat de moorden en aanvallen op deze kwetsbare bevolkingsgroep opnieuw aan een opmars bezig zijn, voornamelijk wegens een povere rechtshandhaving en een geringe gerechtelijke capaciteit, onderliggende oorzaken en het sociaal en cultureel klimaat; overwegende dat daders zelden worden geïdentificeerd, voor het gerecht worden gebracht of worden veroordeeld;

G.

overwegende dat personen met albinisme te maken krijgen met extreme mensenrechtenschendingen, gaande van pesterijen, vervolging, maatschappelijke discriminatie en uitsluiting tot ontvoering, verkrachting en moord;

H.

overwegende dat vrouwen en kinderen met albinisme bijzonder kwetsbaar zijn voor maatschappelijke uitsluiting; overwegende dat baby's in de steek worden gelaten als gevolg van hun aandoening; overwegende dat de opvoeding van kinderen te lijden heeft onder pesterijen, stigmatisering en de algemene vrees aangevallen te worden;

I.

overwegende dat de regering van Tanzania ernstige en concrete maatregelen heeft ingevoerd om hekserij in het land tegen te gaan, waaronder de schorsing van de licenties van traditionele genezers en verschillende arrestaties van medicijnmannen; overwegende dat de president van Tanzania in 2008 het eerste parlementslid met albinisme heeft benoemd, en in december 2015 de eerste viceminister met albinisme;

J.

overwegende dat Mozambique, Nigeria en Kenia een actieplan hebben vastgesteld om te reageren op aanvallen, in de eerste plaats gericht op een betere scholing van de bevolking met betrekking tot albinisme en een groter bewustzijn van deze problematiek bij gezinnen en gemeenschappen, op een gewaarborgde bescherming van personen met albinisme en sociale bijstand voor deze groep, op het verzekeren van juridische bijstand, snelle procedures en de preventie van aanvallen, op het verspreiden en bekendmaken van rechterlijke beslissingen als afschrikkingsmiddel en op het voeren van bijkomend onderzoek ter verbetering van de in het plan opgenomen maatregelen en ter ondersteuning van wetenschappelijk onderbouwde beleidsvorming;

K.

overwegende dat de ACHPR in juni 2017 een regionaal actieplan heeft vastgesteld voor de periode 2017-2021 om een eind te maken aan aanvallen op personen met albinisme in Afrika, dat wordt gesteund door de VN en tal van regionale en internationale belanghebbende partijen; overwegende dat dit actieplan tot doel heeft gezamenlijke inspanningen en maatregelen te stimuleren om geweld jegens personen met albinisme te bestrijden en om hun rechten en die van hun gezinnen te beschermen;

L.

overwegende dat de problematiek weliswaar steeds meer internationale zichtbaarheid krijgt en er in de getroffen landen nieuwe wetgeving wordt ingevoerd, maar dat het aantal vervolgingen en veroordelingen zeer laag blijft en de misdaden en folteringen in vele Afrikaanse landen totaal ongestraft kunnen blijven doorgaan;

M.

overwegende dat moord, verminking, discriminatie, pesterijen en stigmatisering honderden personen met albinisme hebben weggerukt uit hun vertrouwde omgeving naar gebieden waar ze tijdelijk kunnen schuilen; overwegende dat personen met albinisme zich hierdoor in een nog meer precaire en onzekere situatie bevinden, waarbij hun toegang tot basisdiensten zoals gezondheidszorg en onderwijs, hun kansen op een baan, en hun deelname aan de samenleving worden beperkt; overwegende dat passende medische zorg, waaronder geneesmiddelen ter preventie van huidkanker, wordt belemmerd door de problemen waaraan personen met albinisme het hoofd moeten bieden, hetgeen kan worden opgelost door de ontwikkeling van medische voorzieningen en kennis in de regio;

N.

overwegende dat langdurige en zelfs permanente psychosociale schade wordt aangericht door een leven in angst te leiden en steeds met discriminatie te worden geconfronteerd;

O.

overwegende dat de VN in maart 2015 Ikponwosa Ero heeft benoemd tot eerste onafhankelijke VN-deskundige voor de uitoefening van de mensenrechten van personen met albinisme en 13 juni officieel heeft uitgeroepen tot Wereld Albinismedag;

P.

overwegende dat de EU campagnes heeft gevoerd om bij de bevolking te pleiten voor een groter bewustzijn over de problematiek, en voor ondersteuning heeft gezorgd bij het betrekken van organisaties uit het maatschappelijk middenveld en bij de inspanningen van plaatselijke autoriteiten om capaciteit op te bouwen in de strijd tegen de moorden op personen met albinisme;

Q.

overwegende dat personen met albinisme onevenredig vaak worden getroffen door armoede wegens het geweld, de discriminatie en de marginalisering waarmee zij worden geconfronteerd;

1.

uit zijn grote bezorgdheid over de aanhoudende en wijdverspreide discriminatie en vervolging van personen met albinisme in Afrika, met name naar aanleiding van het recent oplaaiende geweld in Malawi; veroordeelt met klem alle moorden, ontvoeringen, verminkingen en andere onmenselijke en vernederende behandelingen die personen met albinisme worden aangedaan, en betuigt zijn medeleven en solidariteit aan de families van de slachtoffers; veroordeelt bovendien alle vormen van speculatieve handel in lichaamsdelen van personen met albinisme;

2.

blijft zich ernstig zorgen maken, omdat de invoering van strengere wetgeving in Malawi niet heeft kunnen verhinderen dat het aantal aanvallen op personen met albinisme de laatste tijd weer toeneemt; is verheugd over de hervormingen van het strafwetboek en de wet anatomie; verzoekt de autoriteiten in Malawi echter een grondig onderzoek in te stellen naar de recente vloedgolf aan misdrijven jegens personen met albinisme en de daders van misdrijven die verband houden met albinisme voor het gerecht te brengen;

3.

wijst erop dat een staat in de eerste plaats verantwoordelijk is voor de bescherming van zijn burgers, met inbegrip van kwetsbare groepen, en verzoekt de regering van Malawi daadwerkelijke bescherming te bieden aan personen met albinisme, zodat hun recht op een leven en op persoonlijke veiligheid wordt gehandhaafd, overeenkomstig de internationale verplichtingen en verbintenissen inzake de mensenrechten van Malawi;

4.

dringt er bij de autoriteiten van Malawi op aan om proactief op te treden tegen alle criminele organisaties die zich bezighouden met hekserij en mensenhandel, om de politie naar behoren op te leiden en passende middelen te geven, om misdrijven die verband houden met albinisme grondig te onderzoeken, om een einde te maken aan straffeloosheid en om hoogdringend op zoek te gaan naar internationale hulp bij het voeren van onpartijdig en doeltreffend onderzoek naar alle gemelde aanvallen op personen met albinisme, zodat de verantwoordelijken voor het gerecht worden gebracht en ter verantwoording worden geroepen;

5.

verzoekt de getroffen Afrikaanse landen waar nodig uitgebreidere wetgeving vast te stellen, zodat het bezit en het verhandelen van lichaamsdelen strafbaar worden gesteld;

6.

roept de regering van Malawi op om beter te voorzien in de medische, psychosociale en sociale behoeften van personen met albinisme door gelijke toegang tot gezondheidszorg en onderwijs te waarborgen, als onderdeel van een beleid gericht op inclusie; wijst erop dat toegang tot gezondheidszorg en onderwijs nog steeds erg problematisch is voor personen met albinisme, en dat hier iets aan moet worden gedaan; dringt erop aan meer te investeren in de totstandbrenging van passende sociale, zorg- en counselingstructuren voor slachtoffers, met name voor vrouwen en kinderen, en beter in te spelen op hun medische en psychosociale behoeften; benadrukt dat er maatregelen moeten worden ingevoerd om te bevorderen dat zij opnieuw worden opgenomen in hun gemeenschap;

7.

onderstreept dat het algemene gebrek aan inzicht in albinisme en aan gezondheidsinformatie over albinisme de gezondheid van personen met albinisme nog dreigt te verslechteren; wijst erop dat hun toegang tot gezondheidszorg verzekerd moet zijn, met name in landelijke en afgelegen gebieden; meent dat gezondheidswerkers sensitiviteitstraining over albinisme moeten krijgen; dringt aan op betere opleidingen voor leerkrachten en schoolbesturen over albinisme, en vraagt de autoriteiten in Malawi ervoor te zorgen dat personen met albinisme toegang tot onderwijs krijgen en scholing kunnen genieten;

8.

is ingenomen met de inspanningen die de regering van Tanzania heeft geleverd in de strijd tegen discriminatie ten aanzien van personen met albinisme en met haar beslissing om de praktijken van medicijnmannen te verbieden in een poging om de moorden op personen met albinisme te stoppen, maar wijst erop dat al te weinig zaken voor het gerecht worden gebracht; is daarnaast ook verheugd over de inspanningen die worden geleverd door Mozambique, Kenia en Nigeria;

9.

herhaalt dat er meer inspanningen nodig zijn om de grondoorzaken van discriminatie en geweld jegens personen met albinisme te bestrijden door middel van bewustmakingscampagnes; wijst nadrukkelijk op de cruciale rol van lokale autoriteiten en organisaties uit het maatschappelijk middenveld bij het bevorderen van de rechten van personen met albinisme, het informeren en opleiden van de bevolking en het komaf maken met mythen en vooroordelen over albinisme;

10.

uit zijn bezorgdheid over de specifieke problemen waarmee vrouwen en kinderen worden geconfronteerd, waardoor zij meer met armoede, onzekerheid en isolement te kampen hebben; dringt erop aan dat alle slachtoffers toegang krijgen tot behoorlijke medische en psychologische zorg, en dat er passende maatregelen worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat zij opnieuw worden opgenomen in hun gemeenschap;

11.

verzoekt de autoriteiten van de betrokken landen om zich samen met hun internationale en regionale partners in te zetten voor het bestrijden van het schadelijke bijgeloof waardoor personen met albinisme een mikpunt blijven, voor het treffen van alle nodige maatregelen om de illegale handel in lichaamsdelen van personen met albinisme te verhinderen en aan te pakken en om gevallen van vermoedelijke grafroof opnieuw te onderzoeken, de bron van de vraag naar deze lichaamsdelen op te sporen en vast te stellen, en al wie op personen met albinisme jaagt voor het gerecht te brengen;

12.

wijst erop dat geweld jegens personen met albinisme vaak een grensoverschrijdend karakter heeft en benadrukt dat er op dit gebied een betere regionale samenwerking tot stand moet komen; is daarom verheugd over alle initiatieven die op regionaal en internationaal niveau worden genomen in de strijd tegen geweld jegens personen met albinisme, en met name over de recente vaststelling van het regionaal actieplan inzake albinisme voor de periode 2017-2021 door de Afrikaanse Unie en de VN, hetgeen een positief en concreet signaal vormt dat Afrikaanse leiders zich hiervoor willen inzetten; dringt aan op een onmiddellijke en doeltreffende tenuitvoerlegging van het actieplan;

13.

roept de EU en haar lidstaten op om de dialoog met de getroffen landen gaande te houden, teneinde deze landen effectief ondersteuning te bieden bij hun inspanningen om beleidsmaatregelen te formuleren die afgestemd zijn op de specifieke behoeften en rechten van personen met albinisme, op basis van het beginsel van non-discriminatie en sociale inclusie, door de nodige financiële en technische ondersteuning te verstrekken;

14.

roept de EU op om nauw toezicht te blijven houden op de mensenrechtensituatie van personen met albinisme in Afrika, met name via regelmatige rapportering en opvolging door de EU-delegaties, en om aanzienlijke verbeteringen in de bescherming en maatschappelijke integratie van deze personen te blijven stimuleren;

15.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van Malawi en Tanzania, de Afrikaanse Unie en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0314.

(2)  PB C 295 E van 4.12.2009, blz. 94.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/86


P8_TA(2017)0382

De zaken van de leiders van de Krim-Tataren, Akhtem Chiygoz en Ilmi Umerov, en journalist Mykola Semena

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over de gevallen van de leiders van de Krim-Tataren Akhtem Chiygoz en Ilmi Umerov en journalist Mykola Semena (2017/2869(RSP))

(2018/C 346/12)

Het Europees Parlement,

gezien de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne, met zijn diepe en brede vrijhandelsruimte,

gezien zijn eerdere resoluties over Oekraïne en de Krim, het Europees nabuurschapsbeleid en het Oostelijk partnerschap, met name zijn resolutie van 21 januari 2016 over de associatieovereenkomsten / diepe en brede vrijhandelsruimten met Georgië, Moldavië en Oekraïne (1), zijn resolutie van 4 februari 2016 over de mensenrechtensituatie op de Krim, en met name over de situatie van de Krim-Tataren (2), zijn resolutie van 12 mei 2016 over de Krim-Tataren (3) en zijn resolutie van 16 maart 2017 over de Oekraïense gevangenen in Rusland en de situatie op de Krim (4),

gezien het verslag van het bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten van 25 september 2017 over de mensenrechtensituatie in de tijdelijk bezette Autonome Republiek van de Krim en de stad Sebastopol (Oekraïne),

gezien resolutie 68/262 van de Algemene Vergadering van de VN van 27 maart 2014 getiteld „Territoriale integriteit van Oekraïne” en resolutie 71/205 van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 2016 getiteld „Mensenrechtensituatie in de Autonome Republiek de Krim en de stad Sebastopol (Oekraïne)”,

gezien de besluiten van de Raad betreffende de handhaving van de sancties die aan de Russische Federatie zijn opgelegd in verband met de illegale annexatie van het Krimse schiereiland,

gezien het internationaal humanitair recht, met name de bepalingen hiervan die betrekking hebben op bezette gebieden en de behandeling en bescherming van burgers,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat in een groot aantal geloofwaardige verslagen, inclusief het meest recente van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, bewijzen worden geleverd van de toenemende schending van de mensenrechten op de Krim ten aanzien van vertegenwoordigers van de Krim-Tataren, journalisten, mediawerknemers, bloggers en gewone mensen die opkomen tegen de Russische bezetting of gewoonweg proberen de wreedheden van de de-factoautoriteiten te documenteren;

B.

overwegende dat het verslag van het Bureau van de VN voor de mensenrechten van 25 september 2017 over de mensenrechtensituatie in de tijdelijk bezette Autonome Republiek van de Krim en de stad Sebastopol (Oekraïne) wordt gesteld dat „ernstige schendingen van de mensenrechten, zoals willekeurige arrestaties en opsluiting, gedwongen verdwijningen, mishandeling en foltering en ten minste één buitengerechtelijke executie, zijn gedocumenteerd”;

C.

overwegende Ilmi Umerov, leider van de Krim-Tataren en ondervoorzitter van de Mejlis, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens het uiten van protest tegen de illegale annexatie van het Krimse schiereiland op grond van artikel 280, lid 1, van het Russische strafwetboek, dat betrekking heeft op „openbare oproepen tot actie die gericht is tegen op het schenden van de territoriale integriteit van Rusland”;

D.

overwegende dat Akhtem Chiygoz, ondervoorzitter van de Mejlis, is veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf voor „het organiseren van massale onlusten” op 26 februari 2014";

E.

overwegende dat journaliste Mykola Semena een voorwaardelijke gevangenisstraf heeft gekregen van tweeënhalf jaar en verbod van drie jaar op het uitvoeren van journalistieke werkzaamheden op grond van artikel 280, lid 1, van het Russische strafwetboek, dat betrekking heeft op „openbare oproepen tot actie die gericht is tegen op het schenden van de territoriale integriteit van Rusland”;

F.

overwegende dat de recente rechterlijke uitspraken aantonen dat het justitiële stelsel wordt gebruikt als politiek instrument voor de repressie van tegenstanders van de Russische annexatie van het Krimse schiereiland;

G.

overwegende dat in diverse gevallen melding is gemaakt van ontvoeringen, gedwongen verdwijningen en het gebruik van foltering en wrede en onterende behandeling in gevangenisinstellingen; overwegende dat foltering is gebruikt voor het verkrijgen van onjuiste aanwijzingen van schuld; overwegende dat deze beschuldigingen tot nu toe niet goed zijn onderzocht;

H.

overwegende dat op de Krim op grote schaal publieke en particuliere eigendom is onteigend zonder vergoeding of eerbiediging van de bepalingen van het internationaal humanitair recht ter bescherming van eigendom tegen inbeslagneming of vernietiging;

I.

overwegende dat de ruimte waarin het maatschappelijke middenveld op de Krim actief kan zijn, aanzienlijk is verminderd, doordat de mediakanalen gesloten zijn, met onevenredige gevolgen voor de Krim-Tataarse gemeenschap, haar recht op informatie en haar recht op behoud van haar cultuur en identiteit;

J.

overwegende dat de annexatie van het Krimse schiereiland door de Russische Federatie illegaal is en een schending vormt van het internationaal recht en van de Europese overeenkomsten die door zowel de Russische Federatie, als Oekraïne ondertekend zijn, in het bijzonder het VN-Handvest, de Slotakte van Helsinki, het Memorandum van Boedapest van 1994 en het vriendschaps-, samenwerkings- en partnerschapsverdrag van 1997 tussen Oekraïne en de Russische Federatie;

K.

overwegende dat de Russische Federatie zolang de annexatie duurt verantwoordelijk moet worden gehouden voor de bescherming — door de de-factoautoriteiten in het gebied — van de bevolking en de burgers van de Krim;

1.

veroordeelt het feit dat Ilmi Umerov, leider van de Krim-Tataren en ondervoorzitter van de Mejlis, Akhtem Chiygoz, ondervoorzitter van de Mejlis, en journalist Mykola Semena zijn veroordeeld; eist dat deze veroordelingen worden teruggedraaid en dat de heer Umerov en de heer Chiygoz onmiddellijk en onvoorwaardelijk worden vrijgelaten en dat alle aanklachten tegen de heer Semena onmiddellijk en onvoorwaardelijk worden ingetrokken;

2.

veroordeelt krachtig de strenge straffen die zijn opgelegd aan leiders van de Krim-Tataarse gemeenschap en anderen die zich verzetten tegen de Russische annexatie, zoals Uzair Abdullaev, Teymur Abdullaev, Zevri Abseutov, Rustem Abiltarov, Muslim Aliyev, Refat Alimov, Ali Asanov, Volodymyr Balukh, Enver Bekirov, Oleksiy Bessarabov, Hlib Shabliy, Oleksiy Chirniy, Mustafa Degermenji, Emil Dzhemadenov, Arsen Dzheparov, Volodymyr Dudka, Pavlo Gryb, Rustem Ismailov, Mykola Karpyuk, Stanislav Klykh, Andriy Kolomiyets, Oleksandr Kolchenko, Oleksandr Kostenko, Emir-Usein Kuku, Sergey Litvinov, Enver Mamutov, Remzi Memethov, Yevhen Panov, Yuri Primov, Volodymyr Prisich, Ferat Sayfullayev, Eider Saledinov, Oleg Sentsov, Vadym Siruk, Oleksiy Stogniy, Redvan Suleymanov, Roman Sushchenko, Mykola Shiptur, Dmytro Shtyblikov, Viktor Shchur, Rustem Vaitov, Valentyn Vygovsky, Andriy Zakhtey en Ruslan Zeytullaev, na afloop van absurde gerechtelijke procedures en dubieuze beschuldigingen; eist de intrekking van de rechterlijke beslissingen die tegen hen zijn uitgesproken en de onmiddellijke vrijlating van al wie wordt vastgehouden;

3.

veroordeelt de discriminerende beleidsmaatregelen die de zogenaamde autoriteiten met name aan de autochtone Krim-Tataarse gemeenschap opleggen, het plegen van inbreuk op de eigendomsrechten van deze gemeenschap en de toenemende intimidatie in het politieke, sociale en economische leven van de gemeenschap en van al wie zich verzet tegen de Russische annexatie;

4.

is van mening dat de rechten van de Krim-Tataren ernstig geschonden zijn door het verbod op de activiteiten van de Mejlis en het feit dat deze instantie op 26 april 2016 tot extremistische organisatie is verklaard, en door het verbod voor Krim-Tataarse leiders om naar het schiereiland terug te keren; herhaalt krachtig zijn oproep om de desbetreffende beslissingen en de gevolgen hiervan onmiddellijk terug te draaien en de beschikking na te leven van het Internationale Hof van Justitie met voorlopige maatregelen in het kader van een procedure die Oekraïne heeft ingesteld tegen de Russische Federatie, die op 19 april 2017 is gepubliceerd, waarin wordt geconcludeerd dat de Russische Federatie „zich ervan moet onthouden beperkingen te handhaven of op te leggen met betrekking tot de mogelijkheid van de Krim-Tataarse gemeenschap om haar vertegenwoordigende instellingen te behouden, inclusief de Mejlis”;

5.

herinnert eraan dat de realiteit van repressie en de toepassing van wetgeving op het gebied van extremisme, terrorisme en separatisme heeft geleid tot een ernstige verslechtering van de mensenrechtensituatie op het Krimse schiereiland en tot wijdverbreide schendingen van de vrijheid van meningsuiting en vereniging, dat de gedwongen oplegging van het Russische staatsburgerschap een systematisch karakter heeft gekregen en dat de fundamentele vrijheden op het Krimse schiereiland niet gegarandeerd zijn; eist dat discriminerende wetgeving wordt ingetrokken en benadrukt het feit dat dringend rekenschap over de mensenrechtensituatie en de schendingen van de mensenrechten op het schiereiland moet worden afgelegd;

6.

veroordeelt krachtig de wijdverbreide praktijk om gedetineerden te verplaatsten naar afgelegen regio's in Rusland, omdat dit een ernstige belemmering is voor hun communicatie met familie en vrienden en de mogelijkheid van mensenrechtenorganisaties om hun welzijn te controleren; beklemtoont dat deze praktijk schending inhoudt van de geldende Russische wetgeving, met name artikel 73 van het strafwetboek, dat bepaalt dat straffen moeten worden uitgezeten in de regio waar de veroordeelde woont of waar de rechterlijke uitspraak is gedaan;

7.

verzoekt de EDEO en de EU-delegatie in Rusland nauwlettend de lopende processen te volgen en aandacht te besteden aan de behandeling van gevangenen; is met name bezorgd door verslagen over het bij wijze van straf inzetten van psychiatrische behandelingen; verwacht dat de EU-delegatie, de EDEO en de ambassades van de lidstaten de processen in kwestie van nabij volgen en proberen toegang te verkrijgen tot de gedetineerden voor, tijdens en na hun proces;

8.

verzoekt het Europees Hof voor de rechten van de mens om alle verzoeken inzake het opstarten van een verhaalprocedure die worden ingediend door de Krim, met de hoogste prioriteit te behandelen, aangezien het Russische binnenlandse rechtsstelsel niet kan voorzien in en niet voorziet in rechtsmiddelen in deze zaken;

9.

veroordeelt de repressie van onafhankelijke mediakanalen die minderheden vertegenwoordigen en dringt er bij de Russische autoriteiten op aan geen juridische en administratieve belemmeringen voor hun werking te creëren;

10.

vraagt dat internationale waarnemers op het gebied van de mensenrechten, inclusief de gespecialiseerde structuren van de VN, de OVSE en de Raad van Europa, vrije toegang krijgen tot het Krimse schiereiland om de situatie op het schiereiland te onderzoeken en dat onafhankelijke toezichtsmechanismen worden ingesteld; steunt het initiatief van Oekraïne om deze kwesties te laten behandelen door de Mensenrechtenraad en de Algemene Vergadering; verzoekt de EDEO en de speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten voortdurend aandacht besteden aan de mensenrechtensituatie op het Krimse schiereiland en het Parlement op de hoogte te houden;

11.

verzoekt de Commissie steun te verlenen aan projecten en uitwisselingen ter verbetering van de interpersoonlijke contacten, alsmede aan projecten en uitwisselingen ter bevordering van vredesopbouw, geschillenbeslechting, verzoening en interculturele dialoog, ook binnen de Krim; vraagt dat geen bureaucratische belemmeringen worden gecreëerd en moedigt flexibelere benaderingen aan om de toegang van internationale waarnemers tot het schiereiland te vergemakkelijken, inclusief de toegang van parlementsleden, met instemming van Kiev, zonder dat dit wordt beschouwd als erkenning van de annexatie;

12.

onderstreept het feit dat beperkende maatregelen moeten worden opgelegd aan alle personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten, inclusief de functionarissen van de Krim en van Rusland die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het aanklagen en veroordelen van Akhtem Chiygoz, Mykola Semena en Ilmi Umerov, inclusief de bevriezing van tegoeden in EU-banken en een reisverbod; spreekt opnieuw zijn steun uit voor het besluit van de EU om import uit de Krim en de export van bepaalde goederen en technologieën, investeringen, handel en diensten naar de Krim te verbieden;

13.

betreurt de benarde situatie van de kinderen op de Krim die opgroeien zonder hun vaders, die op illegale wijze zijn beroofd van hun vrijheid als politiek gevangene de facto, inclusief degene die zijn overgebracht naar afgelegen gebieden in de Russische Federatie; beschouwt dit als een flagrante schending van de internationale mensenrechten, de rechten van het kind en de internationale verplichtingen van de Russische Federatie, bijvoorbeeld op grond van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind; verzoekt de Russische autoriteiten en de de-factoautoriteiten van de Krim om bovengenoemde personen regelmatig contact toe te staan met familieleden, met name wat jongeren betreft;

14.

herinnert de Russische autoriteiten eraan dat zij in hun de-factohoedanigheid van bezettingsmacht die effectieve controle over de Krim uitoefent, volledig verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de burgers van de Krim tegen arbitraire rechterlijke of administratieve maatregelen en dat zij in deze hoedanigheid op grond van het internationaal humanitair recht verplicht zijn de bescherming van de mensenrechten op het schiereiland te garanderen;

15.

steunt de soevereiniteit, onafhankelijkheid, eenheid en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen en veroordeelt nogmaals de illegale annexatie van de Autonome Republiek de Krim en de stad Sebastopol door de Russische Federatie; steunt het beleid van de EU en haar lidstaten om de illegale annexatie van de Krim niet te erkennen en de beperkende maatregelen die in verband hiermee zijn genomen, op te leggen; spreekt zijn ernstige verontrusting uit over de aanhoudende grootschalige militarisering van de Krim door Rusland, die een bedreiging vormt voor de regionale en pan-Europese veiligheid;

16.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten, de president van Oekraïne, de regeringen en parlementen van Oekraïne n de Russische Federatie, de parlementaire vergaderingen van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de Mejlis van het Krim-Tataarse volk en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0018.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0043.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0218.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0087.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/90


P8_TA(2017)0383

De situatie op de Maldiven

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over de situatie op de Maldiven (2017/2870(RSP))

(2018/C 346/13)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over de Maldiven, met name die van 16 september 2004 (1), 30 april 2015 (2) en 17 december 2015 (3),

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij de Maldiven partij zijn,

gezien de Verklaring van de Verenigde Naties over de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging van 1981,

gezien de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf,

gezien de Universele Verklaring van de rechten van de Mens, met name de artikelen 2, 7 en 19,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989,

gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

gezien de verklaring van António Guterres, secretaris-generaal van de VN, van 27 juli 2017,

gezien het verslag van de vijfde interparlementaire vergadering EU-Maldiven van 8 en 9 februari 2016,

gezien de verklaring over de situatie op de Maldiven die op 25 juli 2017 is afgelegd door de EU-delegatie op de Maldiven, samen met de ambassades van de EU-lidstaten en de bij de Maldiven geaccrediteerde ambassades van Canada, Noorwegen, Zwitserland en de Verenigde Staten,

gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 14 maart 2016 over de veroordeling van Mohamed Nasheed, voormalig president van de Maldiven,

gezien de verklaring van Agnès Callamard, speciaal VN-rapporteur voor buitengerechtelijke, summiere of willekeurige executies, van 3 augustus 2017 over de „op handen zijnde” hervatting van terechtstellingen op de Maldiven,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de EU al lang betrekkingen met de Maldiven onderhoudt en dat elk jaar honderdduizenden Europese toeristen naar de Maldiven reizen;

B.

overwegende dat de mensenrechtensituatie op de Maldiven dramatisch is verslechterd sinds daar in 2008 de eerste democratische verkiezingen zijn gehouden en sinds in 2012 de eerste democratisch verkozen president, Mohamed Nasheed, is afgezet;

C.

overwegende dat de politieke en burgerlijke vrijheden zijn uitgehold, dat oppositieleiders willekeurig zijn gearresteerd, dat de media zijn aangevallen en dat het toenemende religieuze conservatisme verantwoordelijk wordt gesteld voor een afname van de godsdienstvrijheid en de tolerantie nu president Abdulla Yameen, voormalig leider van de progressieve partij van de Maldiven, en zijn regering hun greep op de macht proberen te versterken;

D.

overwegende dat veiligheidstroepen op 22 augustus 2017 het parlement (Majlis) met harde hand hebben gesloten, volgens parlementsleden van de oppositie in een poging om een motie om de voorzitter van het parlement aan te klagen, tegen te houden;

E.

overwegende dat leden van oppositiepartijen, onafhankelijke journalisten en mensenrechtenactivisten melding maken van toegenomen bedreigingen en aanvallen van de kant van de autoriteiten, de politie en extremistische groeperingen;

F.

overwegende dat Mohamed Nasheed, de eerste democratisch gekozen president van de Maldiven, in maart 2015 tot dertien jaar gevangenisstraf is veroordeeld wegens terroristische misdrijven; overwegende dat van de 85 parlementsleden twaalf oppositieleden worden berecht, dat de paspoorten van ten minste drie van hen in beslag zijn genomen en dat ten minste één van hen willekeurig wordt vastgehouden; overwegende dat er in juli 2018 parlementsverkiezingen gepland zijn;

G.

overwegende dat er bezorgdheid is geuit over de sterk gepolitiseerde rechterlijke macht van de Maldiven, die in de loop der jaren misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden en de heersende partij heeft bevoordeeld en politici van de oppositie heeft tegengewerkt; overwegende dat het recht op een eerlijk proces nog steeds niet gewaarborgd is en dat de betreffende beginselen fundamentele elementen van de rechtsstaat vormen;

H.

overwegende dat het Maldivische parlement op 9 augustus 2016 het „wetsvoorstel betreffende de bescherming van reputatie en goede naam en de vrijheid van meningsuiting” heeft aangenomen, dat een aantal beperkingen van de vrijheid van meningsuiting oplegt en de Maldivische regering de bevoegdheid geeft om de vergunningen van omroepen, publicaties, websites en andere mediabronnen in te trekken of op te schorten;

I.

overwegende dat de president van de Maldiven in augustus 2016 een aantal wijzigingen in de wet op de vrijheid van vergadering heeft bekrachtigd, waardoor de aangewezen plaatsen voor legale betogingen werden beperkt;

J.

overwegende dat de Maldiven door het Comité over de mensenrechten van parlementsleden van de Interparlementaire Unie als een van de ergste landen ter wereld zijn aangemerkt wegens aanvallen op parlementsleden van de oppositie waarbij politici van de oppositie routinematig worden geïntimideerd, aangehouden en gevangengezet; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting, de mediavrijheid, de vrijheid van vergadering en het democratische pluralisme steeds meer in gevaar zijn nadat honderden mensen die tegen de regering betoogden, zijn aangehouden en in beschuldiging zijn gesteld; overwegende dat er steeds meer aanwijzingen zijn dat de aanklachten tegen politieke tegenstanders van president Yameen wellicht politiek gemotiveerd waren;

K.

overwegende dat president Yameen herhaaldelijk heeft verklaard voornemens te zijn om de uitvoering van door de staat goedgekeurde executies te hervatten en daarmee een einde te maken aan een moratorium van 60 jaar; overwegende dat in de regio Azië-Stille Oceaan twintig landen de doodstraf hebben afgeschaft en zeven andere de doodstraf in de praktijk hebben afgeschaft;

L.

overwegende dat op de Maldiven momenteel ten minste twintig mensen ter dood zijn veroordeeld, waarvan er ten minste vijf jonger dan 18 jaar waren op het moment van hun aanhouding; overwegende dat het Maldivische recht, in strijd met het internationale recht, toestaat dat minderjarigen worden veroordeeld tot een uitgestelde doodstraf die wordt uitgevoerd wanneer zij 18 worden; overwegende dat de speciale VN-rapporteur voor buitengerechtelijke, summiere of willekeurige executies er bij de regering van de Maldiven op heeft aangedrongen de terechtstellingen niet te hervatten;

M.

overwegende dat het Hooggerechtshof van de Maldiven in ten minste drie zaken, namelijk die van Hussein Humaam Ahmed Ahmed, Ahmed Murrath en Mohamed Nabeel, doodvonnissen heeft bevestigd na rechtszaken waarbij internationaal erkende normen niet in acht zijn genomen; overwegende dat deze drie nu het risico lopen binnenkort te worden terechtgesteld;

N.

overwegende dat de Internationale Commissie van Juristen onlangs de schorsing heeft veroordeeld van 56 Maldivische advocaten — een derde van de advocaten die in het land werkzaam zijn — die allen betrokken zijn geweest bij oproepen tot justitiële hervormingen om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te waarborgen;

O.

overwegende dat er ook bezorgdheid bestaat over de toenemende radicale islamistische strijdbaarheid en over het aantal geradicaliseerde jonge mannen en vrouwen die zich zouden hebben aangesloten bij IS/Da'esh;

P.

overwegende dat de blogger Yameen Rasheed, die onomwonden kritiek gaf op de regering, op 23 april 2017 is vermoord; overwegende dat de journalist Ahmen Rilwan sinds augustus 2014 wordt vermist en dat er wordt gevreesd dat hij dood is; overwegende dat de blogger Ismail Rasheed in 2012 is neergestoken en verwond;

1.

betreurt ten zeerste de verslechterende politieke en mensenrechtensituatie op de Maldiven en het steeds autoritairder wordende bewind van president Abdulla Yameen en zijn regering, dat een klimaat van angst heeft gecreëerd en de in de afgelopen jaren in het land geboekte vooruitgang op het gebied van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat in gevaar heeft gebracht, met name in het licht van de komende verkiezingen in 2018;

2.

veroordeelt de aanneming van de wet inzake smaad en vrijheid van meningsuiting van 2016, die tot doel heeft de vrijheid van meningsuiting te beknotten, en de wijzigingen die in 2016 in de wet op de vrijheid van vergadering zijn aangebracht, waarmee het recht van vergadering wordt beperkt; vraagt de regering van de Maldiven alle nationale wetten in overeenstemming te brengen met de internationale mensenrechtenwetgeving en bovengenoemde wetten in te trekken of te hervormen;

3.

betreurt het harde optreden tegen politieke tegenstanders op de Maldiven en vraagt de regering van de Maldiven alle aanklachten tegen voormalig president Mohamed Nasheed in te trekken en alle personen die om politieke redenen worden vastgehouden, onder wie de partijleider van de Jumhoory-partij, Qasim Ibrahim, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; herinnert de regering van de Maldiven aan haar internationale verplichtingen inzake de eerbiediging van de fundamentele vrijheden en rechten in het kader van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die minimumwaarborgen voor een eerlijk proces omvatten;

4.

vraagt het Hooggerechtshof van de Maldiven de schorsing van de 56 in september 2017 geschorste advocaten op wie de maatregel nog steeds van toepassing is, onmiddellijk in te trekken; herhaalt zijn oproep aan de regering om de volledige onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht te garanderen en alle burgers het recht op een eerlijke en transparante rechtspraak zonder politieke beïnvloeding te waarborgen;

5.

herhaalt dat de EU sterk gekant is tegen de doodstraf, in alle gevallen en zonder uitzondering; roept op tot wereldwijde afschaffing van de doodstraf; veroordeelt met klem de aankondiging van de herinvoering van de doodstraf op de Maldiven, en dringt er bij de regering en het parlement van de Maldiven op aan om het moratorium op de doodstraf, dat al meer dan 60 jaar van kracht is, te eerbiedigen;

6.

vraagt de Commissie en de lidstaten er publiekelijk bij de president Yameen en de regering van de Maldiven op aan te dringen alle zaken van terdoodveroordeelden opnieuw te onderzoeken om ervoor te zorgen dat het internationaal erkende en grondwettelijk gewaarborgde recht op een eerlijk proces wordt geëerbiedigd; vraagt de regering alle terdoodveroordelingen van minderjarigen onmiddellijk in te trekken en de terechtstelling van minderjarige delinquenten te verbieden;

7.

is van mening dat de achteruitgang van de democratie, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in de Maldiven alleen kan worden verholpen door een echte dialoog met alle politieke partijen en andere leiders van burgerbewegingen;

8.

vraagt de regering van de Maldiven het recht om te betogen, de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering, de vrijheid van geweten en de vrijheid van godsdienst en overtuiging te eerbiedigen en volledig te steunen, ongeacht welke godsdienst de meerderheid uitmaakt;

9.

vraagt de regering van de Maldiven een einde te maken aan de straffeloosheid waarmee burgerwachten geweld hebben gebruikt tegen mensen die voor religieuze verdraagzaamheid opkomen, vreedzame demonstranten, kritische media en het maatschappelijk middenveld;

10.

veroordeelt de gedwongen sluiting van het Maldivische parlement en de intimidatie en aanhouding van verkozen parlementsleden;

11.

veroordeelt de voortdurende intimidatie en bedreiging van journalisten, bloggers en mensenrechtenactivisten op de Maldiven, de aanhouding van verslaggevers en de invallen in en gedwongen sluitingen van nieuwsorganisaties;

12.

vraagt de regering een onpartijdig en onafhankelijk onderzoek naar de dood van Yameen Rasheed en de ontvoering van Ahmed Rilwan te garanderen teneinde alle verantwoordelijken te identificeren en voor de rechter te brengen;

13.

vraagt de Maldivische autoriteiten ervoor te zorgen dat de Mensenrechtencommissie van de Maldiven, de Nationale Integriteitscommissie en de kiescommissies onafhankelijk en zonder inmenging van de regering kunnen functioneren; vraagt de regering van de Maldiven volledig samen te werken met de mensenrechtenmechanismen van de VN, waaronder de speciale procedures en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten;

14.

vraagt de EU alle instrumenten waarover zij beschikt, ten volle te gebruiken om de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen op de Maldiven te bevorderen, onder meer door te overwegen tijdelijke individuele gerichte sancties op te leggen tegen personen die de mensenrechten ondermijnen;

15.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de OVSE/ODHIR, de Raad van Europa en de regering van de Maldiven.

(1)  PB C 140 E van 9.6.2005, blz. 165.

(2)  PB C 346 van 21.9.2016, blz. 60.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0464.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/94


P8_TA(2017)0385

Penitentiaire systemen en de omstandigheden in de gevangenis

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over penitentiaire systemen en de omstandigheden in de gevangenis (2015/2062(INI))

(2018/C 346/14)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 2, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 4, 19, 47, 48 en 49,

gezien artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (artikel 3, artikel 8), de protocollen bij het EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, het Europees Verdrag van 1987 ter voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, en de rapporten van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen (CPT),

gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens (artikelen 3 en 5), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 7) en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind dat op 20 november 1989 te New York werd aangenomen,

gezien de volgende algemene opmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van het kind: nr. 10 (2007) over de rechten van het kind in het jeugdstrafrecht, nr. 13 (2011) over het recht van het kind op vrijwaring van alle vormen van geweld en nr. 17 (2013) over het recht van het kind op rust, vrije tijd, spel, ontspanningsactiviteiten, cultureel leven en de kunsten (artikel 31),

gezien de minimumregels van de VN voor de behandeling van gevangenen en de verklaringen en beginselen die zijn aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN; gezien de standaardminimumregels van de VN voor de toepassing van het recht op jongeren (Beijingregels) die door de Algemene Vergadering zijn aangenomen; gezien de richtsnoeren van het Comité van Ministers van de Raad van Europa voor kindvriendelijke justitie; gezien de aanbevelingen van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, met name Aanbeveling CM/Rec (2006)2 inzake Europese penitentiaire voorschriften, Aanbeveling CM/Rec (2006)13 inzake het gebruik van voorlopige hechtenis, de omstandigheden waarin deze plaatsvindt en het verstrekken van waarborgen tegen misbruik, Aanbeveling CM/Rec (2008)11 inzake de Europese regels voor jeugdige delinquenten aan wie sancties of maatregelen worden opgelegd, Aanbeveling CM/Rec (2010)1 inzake de reclasseringsregels van de Raad van Europa en Aanbeveling CM/Rec (2017)3 inzake de Europese regels voor de in de gemeenschap toegepaste sancties en maatregelen; tevens gezien de aanbevelingen van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa,

gezien zijn resoluties van 18 januari 1996 over de slechte omstandigheden in gevangenissen in de Europese Unie (1), van 17 december 1998 over de detentieomstandigheden in de Europese Unie: verbeteringen en vervangende straffen (2), van van 25 november 2009 over het meerjarig programma 2010-2014 voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (programma van Stockholm) (3) en van 15 december 2011 over de detentieomstandigheden in de Europese Unie (4),

gezien Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (5),

gezien Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (6) („overbrenging van gevangenen”),

gezien Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (7) („proeftijd en alternatieve straffen”),

gezien Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (8) („toezichtsmaatregelen”),

gezien Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (9),

gezien het rapport van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) over gevangenisstraf en de alternatieven daarvoor: De grondrechten bij overdrachten tussen lidstaten,

gezien het Groenboek van de Commissie van 14 juni 2011 getiteld „Versterking van het wederzijds vertrouwen in de Europese rechtsruimte — Een groenboek over de toepassing van EU-strafwetgeving op het gebied van detentie”(COM(2011)0327),

gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in gevoegde zaken C–404/15 en C–659/15 PPU, Pál Aranyosi en Robert Căldăraru,

gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het voorkomen van de radicalisering en werving van Europese burgers door terroristische organisaties (10), en gezien het handboek van UNODC over de behandeling van gewelddadige extremistische gevangenen en de preventie van gewelddadige radicalisering in gevangenissen (11),

gezien de schriftelijke verklaring 0006/2011 van 14 februari 2011 over inbreuk op de grondrechten van gedetineerden in de Europese Unie,

gezien de overeenkomsten, aanbevelingen en resoluties van de Raad van Europa betreffende penitentiaire kwesties,

gezien het witboek van de Raad van Europa van 28 september 2016 betreffende overbevolking in gevangenissen,

gezien Aanbeveling CM/Rec (2012)12 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over buitenlandse gevangenen, aangenomen door het Comité van Ministers op 10 oktober 2012,

gezien Aanbeveling CM/Rec (2012)5 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over de Europese ethische code voor gevangenispersoneel, aangenomen door het Comité van Ministers op 12 april 2012,

gezien het handboek van de Raad van Europa betreffende gevangenis- en reclasseringsdiensten met betrekking tot radicalisering en gewelddadig extremisme,

gezien de studies van het European Prison Observatory (EPO) „From national practices to European guidelines: interesting initiatives in prisons management” (2013) en „National monitoring bodies of prison conditions and the European standards” (2015),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0251/2017),

A.

overwegende dat in 2014 meer dan een half miljoen mensen in de EU in de gevangenis zaten, waaronder zowel definitief veroordeelden die hun straf uitzaten als verdachten van een misdrijf in voorlopige hechtenis;

B.

overwegende dat detentieomstandigheden en het beheer van gevangenissen onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen maar dat de EU desondanks een noodzakelijke rol toekomt bij het waarborgen van de grondrechten van gedetineerden en bij het tot stand brengen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht; overwegende dat de EU de taak heeft de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen tussen lidstaten die met gemeenschappelijke problemen geconfronteerd worden waardoor de veiligheid in heel Europa onder druk komt te staan;

C.

overwegende dat de toestand in de gevangenissen en de soms onwaardige en onmenselijke detentieomstandigheden in sommige lidstaten reden geven tot grote bezorgdheid, zoals blijkt uit onder meer het rapport van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen van de Raad van Europa;

D.

overwegende dat er in de EU nog altijd sprake is van overbevolking in gevangenissen en dat meer dan een derde van de lidstaten erkent dit probleem te hebben, en dat dit blijkt uit diverse rapporten, waaronder de laatste editie van de jaarlijkse statistieken voor strafinrichtingen van de Raad van Europa (SPACE), gepubliceerd op 14 maart 2017; overwegende dat overbevolking in gevangenissen door het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) wordt aangemerkt als schending van artikel 3 EVRM;

E.

overwegende dat overbevolking de uitlevering en overbrenging van veroordeelden belemmert als er zorgen bestaan over de slechte omstandigheden in de gevangenissen in het ontvangende land; overwegende dat de situatie in bepaalde lidstaten blijft verslechteren en dat in sommige gevangenissen de situatie zelfs onhoudbaar wordt;

F.

overwegende dat overbevolking in gevangenissen de detentieomstandigheden enorm verslechtert, radicalisering in de hand werkt, nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en het welzijn van gedetineerden, in de weg staat aan sociale rehabilitatie, en de werkomgeving van het gevangenispersoneel onveiliger, gecompliceerder en ongezonder maakt;

G.

overwegende dat het EHRM in zijn arrest van 6 oktober 2005 in de zaak Hirst tegen het Verenigd Koninkrijk heeft bevestigd dat een algemeen en automatisch stemverbod voor gedetineerden niet strookt met de democratie; overwegende dat 58,7 % van de gedetineerden die in 2011 in Polen mochten stemmen ook daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de parlementsverkiezingen;

H.

overwegende dat er geen correlatie bestaat tussen de zwaarte van straffen en dalende misdaadcijfers;

I.

overwegende dat detentie een bijzonder ongeschikte situatie is voor bepaalde kwetsbare personen zoals minderjarigen, bejaarden, zwangere vrouwen en mensen met ernstige geestelijke of psychiatrische ziekten of belemmeringen; overwegende dat er voor zulke personen een aangepaste oplossing op maat moet worden gevonden;

J.

overwegende dat volgens artikel 37 van het VN-verdrag inzake de rechten van het kind de vrijheidsbeneming van kinderen slechts een uiterste maatregel mag zijn en voor de kortst mogelijke duur, en dat kinderen gescheiden worden van volwassenen, tenzij het in het belang van het kind wordt geacht dit niet te doen;

K.

overwegende dat, volgens gegevens van Eurostat, meer dan 20 % van de totale gevangenisbevolking in 2014 bestond uit mensen in voorlopige hechtenis;

L.

overwegende dat voorlopige hechtenis alleen mag worden gebruikt als uiterste maatregel; overwegende dat kinderen nooit in een omgeving vastgehouden mogen worden waar zij blootstaan aan negatieve invloeden; overwegende dat altijd gekeken moet worden naar de behoeften van het kind in diens fase van ontwikkeling;

M.

overwegende dat gevangenisstraf, waaronder voorlopige hechtenis, alleen mag worden toegepast in rechtens gerechtvaardigde gevallen en dat bij gedetineerden die geen ernstig gevaar vormen voor de samenleving de voorkeur moet worden gegeven aan alternatieve straffen, in die zin dat zij deel blijven uitmaken van de maatschappij en in hun eigen familiaire kring kunnen verblijven, waar de toegang tot sociale dienstverlening, zorg en mogelijkheden tot herintegratie beter is;

N.

overwegende dat jeugdige delinquenten in principe altijd het recht moeten hebben op toegang tot alternatieven voor detentie, ongeacht het misdrijf dat zij hebben gepleegd;

O.

overwegende dat uit gegevens van de Raad van Europa over 2015 blijkt dat gemiddeld 10,8 % van de gedetineerden in Europese gevangenissen buitenlanders zijn (dit percentage lag in 2014 op 13,7 %), en overwegende dat buitenlanders vaker in voorlopige hechtenis worden gehouden, omdat het vluchtgevaar bij deze groep groter zou zijn;

P.

overwegende dat penitentiair inrichtingswerkers namens de gemeenschap een zeer belangrijke taak vervullen en moeten kunnen werken in arbeidsomstandigheden die passen bij hun kwalificaties, waarbij rekening wordt gehouden met het veeleisende karakter van hun werk; overwegende dat het bieden van een betere basisopleiding en bijscholing van gevangenispersoneel, het verhogen van de beschikbare financiële middelen, het uitwisselen van goede praktijken, het waarborgen van goede en veilige arbeidsomstandigheden en het aanstellen van meer personeel essentiële maatregelen zijn om goede detentieomstandigheden te waarborgen; overwegende dat permanente training van gevangenispersoneel ertoe kan bijdragen dat gevangenispersoneel beter in staat is om te gaan met nieuwe uitdagingen in gevangenissen, zoals radicalisering;

Q.

overwegende dat gemotiveerd, toegewijd en gerespecteerd gevangenispersoneel een voorwaarde is voor menselijke detentieomstandigheden en dus voor het succes van vormen van detentie die ontwikkeld zijn om het beheer van gevangenissen te verbeteren, de succesvolle herintegratie van gevangenen in de maatschappij te realiseren en het gevaar van radicalisering en recidive te verminderen;

R.

overwegende dat zelfverminking en gewelddadig gedrag bij gedetineerden vaak veroorzaakt wordt door overbevolking in gevangenissen en slechte detentieomstandigheden; overwegende dat onvoldoende geschoold of gekwalificeerd personeel in dit kader eveneens een negatieve invloed heeft; overwegende dat de opgelopen spanningen in veel gevangenissen leiden tot zeer moeilijke arbeidsomstandigheden voor het personeel en in sommige lidstaten hebben geleid tot vakbondsacties;

S.

overwegende dat het gevangeniswezen alleen in staat is om zijn taken op het gebied van veiligheid en rehabilitatie op doeltreffende wijze uit te voeren als daarvoor voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn;

T.

overwegende dat het verbod op foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing een universele norm is, die van toepassing is op zowel volwassenen als kinderen, en dat elke schending van de grondrechten van gedetineerden die niet voortvloeit uit een beperking die onlosmakelijk met de vrijheidsbeneming samenhangt, de menselijke waardigheid aantast;

U.

overwegende dat de zelfmoordcijfers in de gevangenissen in de EU alarmerend zijn;

V.

overwegende dat de radicalisering in veel gevangenissen in de EU een zorgwekkend probleem is dat bijzondere aandacht verdient en op de juiste wijze moet worden aangepakt, waarbij de mensenrechten moeten worden geëerbiedigd en de internationale verplichtingen moeten worden nageleefd; overwegende dat de onmenselijke detentieomstandigheden en overbevolking in gevangenissen wellicht bijdragen aan radicalisering, omdat ronselaars die gevangenen aanzetten tot gewelddadig extremisme gemakkelijker voet aan de grond krijgen;

W.

overwegende dat de Unie in het kader van de Europese Veiligheidsagenda financiering ter beschikking heeft gesteld om radicalisering in gevangenissen aan te pakken; overwegende dat elke lidstaat gezien de Europese veiligheidscontext dringend maatregelen moet treffen om radicalisering in gevangenissen te voorkomen; overwegende dat een uitwisseling van goede praktijken op Europees niveau daarbij van cruciaal belang is;

X.

overwegende dat enkele van de huidige gevangenisstelsels en -faciliteiten en veel van de gebouwen die in een aantal Europese landen in bedrijf zijn als gevangenis, dateren uit de 19e eeuw; overwegende dat diverse van deze gebouwen niet meer geschikt zijn om in de 21e eeuw te worden gebruikt, omdat de omstandigheden daar uiterst slecht zijn en de mensenrechten er niet worden nageleefd;

Y.

overwegende dat uit onderzoek is gebleken dat het opzetten van democratische structuren en een constructieve dialoog binnen gevangenissen gunstig is voor gevangen, personeel en de samenleving als geheel, en de relatie tussen personeel en gevangenen verbetert;

1.

maakt zich sterk ongerust over de detentieomstandigheden in sommige lidstaten en de toestand in verschillende Europese gevangenissen; spoort de lidstaten aan de regels inzake detentie die hun bron vinden in het internationale recht en de normen van de Raad van Europa te eerbiedigen; herinnert eraan dat vrijheidsbeneming niet gelijkstaat aan het afnemen van de waardigheid; verzoekt de lidstaten onafhankelijke mechanismen voor penitentiair toezicht goed te keuren, zoals voorzien in het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering;

2.

verzoekt de lidstaten hun rechtsstelsels te versterken en te investeren in opleiding voor rechters;

3.

stelt nogmaals dat de detentieomstandigheden een bepalend element zijn voor toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht van de Europese Unie, zoals het Hof van Justitie in het arrest in gevoegde zaken Aranyosi en Căldăraru heeft beslist; herinnert eraan dat het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen, dat is neergelegd in het Verdrag betreffende de Europese Unie, van fundamenteel belang is;

4.

betreurt dat het probleem van overbevolkte gevangenissen in Europa erg wijdverbreid is; maakt zich sterk ongerust over het feit dat de overbevolking in bepaalde lidstaten is opgelopen tot recordhoogte; wijst erop dat volgens de laatste editie van de jaarlijkse gevangenisstatistieken van de Raad van Europa van 14 maart 2017 in een derde van de Europese penitentiaire instellingen het aantal gedetineerden nog steeds het aantal beschikbare plaatsen overschrijdt; verzoekt de lidstaten de aanbevelingen van het Witboek van de Raad van Europa van 28 september 2016 over de overbevolking van gevangenissen op te volgen, alsook Aanbeveling R(99) 22 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 30 september 1999 over de overbevolking in gevangenissen en de inflatie van de gevangenispopulatie;

5.

herinnert eraan dat de lidstaten de gevangeniscapaciteit, en bijgevolg de overbevolkingsgraad ervan, berekenen volgens heel uiteenlopende ruimtelijke parameters, zodat het moeilijk, zo niet onmogelijk is, om de situatie in de verschillende lidstaten van de Europese Unie met elkaar te vergelijken;

6.

betreurt voorts dat de overbevolking in gevangenissen vaak dramatische consequenties heeft voor de veiligheid van gevangenispersoneel en gedetineerden, een negatieve invloed heeft op de levensomstandigheden en gezondheid in gevangenissen, de geboden activiteiten, de medische en psychologische zorg en de rehabilitatie van en het toezicht op gedetineerden; spoort de lidstaten aan om systemen en databanken op te zetten om de detentieomstandigheden in real time te monitoren en ervoor te zorgen dat de verdeling van gevangenen over gevangenissen zo goed mogelijk is;

7.

is van oordeel dat capaciteitsuitbreiding van gevangenissen als enige oplossing voor overbevolking niet volstaat; vraagt de lidstaten niettemin om voldoende middelen uit te trekken voor herinrichting en modernisering van gevangenissen en daarbij de voorkeur te geven aan kleine instellingen met een beperkt aantal gedetineerden, om waardige detentieomstandigheden te garanderen, gemeenschappelijke ruimten in te richten die geschikt zijn voor activiteiten en socialisatie, om rehabilitatie en herintegratie van gevangenen te bevorderen, onderwijsvoorzieningen te bieden en te zorgen voor een veiliger omgeving voor zowel gevangenen als personeel;

8.

is van mening dat het hanteren van uiteenlopende bewaringsregels, afhankelijk van de gedetineerde en het risico dat deze vormt, een goede methode is om recidive te voorkomen en de herintegratie in de maatschappij te bevorderen; herhaalt dat de reclasseringsmaatregelen moeten worden geïnternaliseerd en reeds van start moeten gaan tijdens de detentie; roept de lidstaten op om bij het nemen van besluiten over de verdeling van gevangenen over gevangenissen rekening te houden met het type strafbaar feit dat is begaan en te voorkomen dat gedetineerden met een korte gevangenisstraf en gedetineerden die zijn veroordeeld voor lichte strafbare feiten in contact komen met gedetineerden die een lange straf uitzitten;

9.

spoort de lidstaten aan om alle gedetineerden een evenwichtig activiteitenprogramma te bieden en hen zoveel uur per dag buiten hun cellen te laten doorbrengen als nodig is voor een adequaat niveau van menselijke en sociale interactie en om frustratie en geweld te voorkomen; benadrukt dat gedetineerden gehuisvest moeten worden en met name de nacht moeten kunnen doorbrengen op een manier waarbij de menselijke waardigheid en privacy worden geëerbiedigd, gezondheids- en hygiënevoorschriften worden nageleefd, rekening wordt gehouden met klimatologische omstandigheden en er met name voor wordt gezorgd dat elke gevangene beschikt over voldoende vloeroppervlakte, kubieke meters lucht, verlichting, verwarming en ventilatie en dat een teveel aan geluid wordt voorkomen; dringt er bij de lidstaten op aan tot een gemeenschappelijke definitie te komen van de minimale ruimte waarover elke gevangene moet kunnen beschikken; herinnert eraan dat de Commissie onlangs de mogelijkheid heeft geopperd om de EU-structuurfondsen aan te spreken;

10.

verzoekt de lidstaten om te overwegen in het kader van de tenuitvoerlegging van straffen vrijwilligers in te schakelen voor de ondersteuning van beroepspersoneel, zodat gevangenen contacten kunnen leggen die gunstig zijn voor hun herintegratie in de maatschappij; is van oordeel dat de taken van vrijwilligers strikt gescheiden moeten zijn van de taken die worden uitgevoerd door het beroepspersoneel en binnen de grenzen van hun bevoegdheden moeten blijven;

11.

beveelt de lidstaten aan een controlerende instantie in het leven te roepen voor gevangenissen (zoals sommige landen al hebben), zodat bij de beoordeling van de situatie in gevangenissen gebruik kan worden gemaakt van de onderzoeksresultaten van een onafhankelijke instantie;

12.

maakt zich zorgen over de toenemende privatisering van het gevangeniswezen in de EU en wijst erop dat privatisering geen garanties biedt voor goede detentieomstandigheden of eerbiediging van de mensenrechten; betreurt dat er slechts zeer weinig vergelijkende studies zijn gedaan naar de kosten en kwaliteit van het beheer van openbare en particuliere gevangenissen; benadrukt dat begeleiding, controle en gerechtelijke administratie belangrijke taken zijn die in handen van de overheid moeten blijven;

13.

herinnert eraan dat voorlopige hechtenis een uiterste maatregel is die alleen mag worden toegepast als dat absoluut noodzakelijk is en voor de kortst mogelijke duur, in overeenstemming met het toepasselijke nationale wetboek van strafvordering; betreurt dat in diverse lidstaten voorlopige hechtenis stelselmatig wordt toegepast, hetgeen, bijvoorbeeld in combinatie met slechte detentieomstandigheden, een schending van de grondrechten van gedetineerden kan opleveren; is van oordeel dat het probleem van de te ruime toepassing van voorlopige hechtenis alleen kan worden opgelost door middel van innovatieve maatregelen, zoals modernisering van de strafrechtelijke procedures en het versterken van het gerechtelijk apparaat;

14.

herinnert eraan dat de Europese Gevangenisregels die door het Comité van Ministers van de Raad van Europa zijn goedgekeurd bepalen dat gedetineerden moeten kunnen deelnemen aan verkiezingen, referenda en andere aspecten van het openbare leven, voor zover hun recht daartoe niet beperkt wordt door nationale wetgeving; herinnert eraan dat het deelnemen aan verkiezingsactiviteiten gedetineerden in staat stelt om weer maatschappelijk actief te zijn, hetgeen bijdraagt aan hun herintegratie; dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat gedetineerden hun kiesrecht daadwerkelijk kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld door op verkiezingsdagen stembussen te plaatsen in gevangenissen;

15.

dringt aan op een doeltreffend langetermijnbeheer met betrekking tot penitentiaire inrichtingen, in het kader waarvan de aantallen gevangenen zullen afnemen doordat vaker gebruik wordt gemaakt van niet-vrijheidsbenemende straffen, zoals taakstraffen of elektronisch toezicht, en minder vaak voorlopige hechtenis wordt opgelegd;

16.

verzoekt de lidstaten om niet alleen aandacht te besteden aan het bestraffingselement van detentie, maar ook aan de ontwikkeling van praktische vaardigheden en rehabilitatie van gedetineerden, om de uitvoering van de straf doeltreffender te laten zijn, sociale herintegratie te laten slagen en de kans op recidive te verminderen; wijst erop dat bij veroordelingen tot een korte straf gevangenisstraf tot meer recidive leidt dan alternatieve straf;

17.

spoort de lidstaten aan om de strafoplegging aan te passen, met name als het gaat om oplegging van straffen van korte duur, bijvoorbeeld door gedetineerden toe te staan overdag de gevangenis te verlaten, veroordeelden toe te staan hun straf uit te zitten tijdens hun vakantie, zodat zij hun baan niet verliezen, taakstraffen op te leggen en meer gebruik te maken van huisarrest en elektronisch toezicht; is voorts van mening dat straffen meer aan de persoon moeten worden aangepast, zodat de uitvoering ervan beter verloopt;

18.

is van mening dat invoering van nieuwe, niet-vrijheidsbenemende maatregelen alleen succesvol kan zijn als dergelijke maatregelen vergezeld gaan van andere maatregelen, waaronder hervorming van het strafrecht- en het onderwijsstelsel en sociale hervormingen die erop gericht zijn om herintegratie en het contact van gedetineerden met de maatschappij en economische actoren te bevorderen; is in dit kader van oordeel dat strafrechtelijke instanties nauw in contact moeten staan met de lokale gemeenschap en informatie moeten verstrekken en statistisch bewijs moeten aanleveren om de publieke opinie ervan te overtuigen dat niet-vrijheidsbenemende maatregelen nodig zijn om recidive te voorkomen en de veiligheid in onze maatschappij op de lange termijn te waarborgen; wijst in dit verband op de goede praktijken in de Scandinavische landen op dit gebied;

19.

verzoekt de Commissie een vergelijkende studie uit te voeren in het kader waarvan de alternatieve maatregelen van de lidstaten worden geanalyseerd, en de uitwisseling van nationale goede praktijken te bevorderen;

20.

verzoekt alle lidstaten krachtiger maatregelen te nemen om gedetineerden die een gevangenisstraf hebben uitgezeten omdat zij een ernstig strafbaar feit hebben begaan na hun vrijlating uit de gevangenis te monitoren; pleit voor follow-upmaatregelen na vrijlating, in de vorm van een hoorzitting met reclasseringsambtenaren, voorgezeten door een rechter, om de herintegratie van de ex-gedetineerde in de samenleving te bespreken en het risico van recidive te beoordelen;

21.

onderstreept dat het kaderbesluit „proeftijd en alternatieve straffen” de wederzijdse erkenning regelt van door de lidstaten gehanteerde maatregelen, zoals reisbeperkingen, taakstraffen en contact- en straatverboden, en dat het kaderbesluit „toezichtmaatregelen” eenzelfde regeling bevat voor voorlopige hechtenis;

22.

dringt er bij de lidstaten op aan uitvoering te geven aan de specifieke aanbevelingen omtrent de detentieomstandigheden voor kwetsbare gevangenen; betreurt dat personen met psychische problemen soms gevangen worden genomen en in gevangenschap blijven, omdat er simpelweg geen andere voorzieningen zijn en herinnert eraan dat een inadequate behandeling van mensen met psychische problemen volgens het EHRM schending van artikel 3 EVRM inhoudt, en in het geval van suïcidale gedetineerden schending van artikel 2 EVRM (recht op leven);

23.

betreurt dat er in sommige lidstaten niet volledig rekening wordt gehouden met de kwetsbare situatie van oudere of gehandicapte gedetineerden; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat oudere gedetineerden die invalide raken worden vrijgelaten en dat gedetineerden met een handicap kunnen beschikken over de hulpmiddelen die zij nodig hebben;

24.

vraagt de lidstaten maatregelen te nemen tegen elke vorm van discriminatie op grond van seksuele geaardheid of genderidentiteit bij de omgang met gevangenen en ervoor te zorgen dat de seksuele rechten van gedetineerden geëerbiedigd worden;

25.

benadrukt dat vrouwelijke gedetineerden specifieke behoeften hebben en dat zij toegang moeten krijgen tot passende medische zorg en medisch onderzoek en passende sanitaire maatregelen; vraagt de lidstaten uitvoering te geven aan de aanbevelingen inzake de behandeling van vrouwelijke gedetineerden, en elke vorm van genderdiscriminatie te voorkomen;

26.

is van mening dat speciale aandacht moet worden besteed aan de behoeften van vrouwen in de gevangenis, niet alleen tijdens de zwangerschap, maar ook na de bevalling, door in geschikte ruimtes voor het geven van borstvoeding en gespecialiseerde zorg te voorzien; is van mening dat over alternatieve modellen moet worden nagedacht die rekening houden met het welzijn van kinderen in de gevangenis; is van mening dat de automatische scheiding van moeder en kind ernstige emotionele problemen veroorzaakt bij het kind en in feite een extra straf is die gevolgen heeft voor moeder en kind;

27.

maakt zich zorgen over het grote aantal zelfmoorden in gevangenissen; roept elke lidstaat ertoe op een nationaal actieprogramma op te stellen ter voorkoming van zelfmoorden in gevangenissen;

28.

spoort de lidstaten aan om ervoor te zorgen dat gedetineerden regelmatig contact kunnen hebben met familie en vrienden en hen hun straf te laten uitzitten in gevangenissen dicht bij huis, en door bezoek, telefoongesprekken en het gebruik van elektronische communicatiemiddelen te stimuleren, zodat de familiebanden blijven bestaan, een en ander onder toezicht van de gevangenisdirectie en mits de rechter daarvoor toestemming heeft gegeven; herinnert eraan dat het begrip familie ruim moet worden uitgelegd en dat dus ook niet-geformaliseerde relaties onder het begrip kunnen vallen; vindt het belangrijk dat er op passende wijze voor wordt gezorgd dat dergelijke contacten in stand kunnen worden gehouden;

29.

veroordeelt het beleid van sommige lidstaten om gedetineerden te spreiden, omdat dit in feite een extra straf is met gevolgen voor de familieleden van de gedetineerden; pleit voor maatregelen om ervoor te zorgen dat gedetineerden die ver van hun woonplaats gevangen zitten, overgeplaatst worden naar gevangenissen dichterbij, tenzij een gerechtelijke instantie om gegronde redenen anders besluit; wijst erop dat volgens het EHRM het vasthouden van een persoon in een gevangenis die zo ver van zijn familie is dat familiebezoeken zeer moeilijk of zelfs onmogelijk worden, een inbreuk vormt op artikel 8 EVRM (het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven);

30.

wijst er nogmaals op dat ervoor moet worden gezorgd dat bij kinderen in gevangenissen rekening gehouden wordt met de belangen van het kind, bijvoorbeeld door kinderen te allen tijde, ook als zij van de ene naar de andere gevangenis worden overgebracht, gescheiden te houden van volwassenen en kinderen in staat te stellen contact met hun familieleden te onderhouden, tenzij de rechter anders heeft beslist; betreurt dat in sommige lidstaten minderjarige delinquenten samen met volwassenen gevangen worden gehouden, waardoor deze kinderen gevaar lopen te worden misbruikt of het slachtoffer te worden van geweld en niet de zorg krijgen die zo’n kwetsbare groep nodig heeft; herinnert eraan dat in Richtlijn (EU) 2016/800 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen is bepaald dat alternatieve maatregelen de voorkeur verdienen; roept de lidstaten op speciale voorzieningen voor adolescenten in het leven te roepen;

31.

merkt op dat gedetineerde kinderen zorg, bescherming en alle noodzakelijke individuele bijstand — op sociaal, onderwijs-, beroeps-, psychologisch, medisch en fysiek gebied — moeten krijgen die zij gezien hun leeftijd, geslacht en persoonlijkheid nodig hebben; spoort de lidstaten aan kinderen met zeer ernstige problemen niet in gevangenissen te plaatsen maar onder te brengen in gesloten onderwijsinstellingen met voorzieningen op het gebied van kinderpsychiatrie; roept de lidstaten op gedetineerde kinderen specifieke zorg en bijzondere bescherming te bieden;

32.

verzoekt de lidstaten passende onderwijsfaciliteiten te bieden voor jongeren in de gevangenis; merkt op dat gedetineerde kinderen toegang moeten hebben tot programma's die hen voorbereiden op hun terugkeer in de maatschappij, waarbij volledige aandacht moet worden besteed aan hun emotionele en fysieke behoeften, de verhoudingen binnen hun familie, huisvesting, mogelijkheden wat betreft onderwijs en werk en hun sociaaleconomische positie;

33.

spoort de Commissie aan specifieke werkgroepen in te stellen, bestaande uit vertegenwoordigers van de ministeries van Justitie en nationale autoriteiten van de lidstaten en van ngo's die actief zijn op dit gebied, om de uitwisseling van goede praktijken te faciliteren;

34.

benadrukt dat gedetineerde kinderen regelmatig en zinvol contact met hun ouders, familie en vrienden moeten hebben in de vorm van bezoeken en correspondentie, behalve in gevallen waarin beperkingen noodzakelijk zijn in het belang van een goede rechtsbedeling en van het kind; herinnert eraan dat beperkingen op dit recht nooit als straf mogen worden ingezet;

35.

verzoekt de Commissie beleid te bevorderen om discriminatie van kinderen van gedetineerde ouders te voorkomen, om sociale integratie te versterken en een inclusieve en eerlijke samenleving op te bouwen;

36.

erkent het recht van kinderen om rechtstreeks contact te onderhouden met hun gedetineerde ouder en wijst tevens op het recht van gedetineerden om hun kinderen op te voeden; stelt met dit doel voor ogen dat gevangenissen moeten worden uitgerust met ruimten die geschikt zijn voor kinderen en waar op kinderen wordt gepast door gekwalificeerd gevangenispersoneel, sociaal werkers en vrijwilligers van ngo's, die de kinderen en hun familieleden kunnen bijstaan tijdens de bezoeken aan de gevangenis;

37.

verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om een memorandum van overeenstemming op EU-niveau op te stellen om ervoor te zorgen dat de band van kinderen met hun gedetineerde ouders behouden blijft en dat ouders aanwezig kunnen zijn tijdens belangrijke momenten in de opvoeding van hun kinderen, waardoor de belangen van minderjarigen worden gewaarborgd;

38.

benadrukt dat het voor personen die gevangen zitten in een andere lidstaat dan hun woonlidstaat, moeilijker is om contact te onderhouden met hun familieleden;

39.

vraagt de lidstaten uitvoering te geven aan de aanbevelingen voor behandeling van buitenlandse gevangenen, die gebaseerd zijn op het recht niet te worden gediscrimineerd, en met name het optreden van culturele bemiddelaars te bevorderen;

40.

dringt er bij de lidstaten op aan eenzame opsluiting uitsluitend toe te passen als laatste middel en alleen als de gevangene een gevaar vormt voor andere gevangenen of voor zichzelf, en er alles aan te doen om misbruik van dit middel voorkomen; dringt er bij de lidstaten op aan het middel van eenzame opsluiting niet meer toe te passen op minderjarigen;

41.

verzoekt de lidstaten om de handel in illegale stoffen en drugs in gevangenissen doeltreffender te bestrijden;

42.

herinnert aan het universele recht op gezondheid en verzoekt de lidstaten om in gevangenissen de toegang tot goede gezondheidszorg en passende medische voorzieningen te waarborgen en ervoor te zorgen dat gevangenen indien nodig toegang hebben tot gezondheidszorg en dat elke gevangenis beschikt over voldoende medisch personeel; is bezorgd over het feit dat het in een aantal lidstaten voor gedetineerden moeilijk is om toegang te krijgen tot een arts of tot psychologische ondersteuning;

43.

dringt er bij de lidstaten op aan dat zij garanderen dat gedetineerden met ernstige of chronische aandoeningen, zoals kanker, de specifieke behandeling krijgen die zij nodig hebben;

44.

verzoekt de lidstaten die dat nog niet doen te overwegen de straffen van ernstig zieke gevangenen om humanitaire redenen te verminderen, mits de rechter daarvoor toestemming geeft en rekening houdend met het risico dat de gevangenen vormen en met het advies van een deskundigencomité;

45.

vraagt de lidstaten op te treden tegen de toenemende radicalisering in gevangenissen maar daarbij de godsdienstvrijheid te eerbiedigen en discriminatie op grond van een specifiek geloof te voorkomen; benadrukt dat in alle specifieke programma's die zich richten op een bepaalde groep, bijvoorbeeld op gedetineerden die geacht worden „geradicaliseerd” te zijn, de mensenrechten en internationale verplichtingen op dezelfde wijze in acht moeten worden genomen als bij andere gedetineerden; pleit ervoor dat directies van gevangenissen de bevoegde autoriteiten informeren over radicalisering van personen;

46.

benadrukt dat onmenselijke detentieomstandigheden, slechte behandeling van gevangenen en overbevolking in gevangenissen factoren zijn die het risico van radicalisering doen toenemen;

47.

is van oordeel dat radicalisering op doeltreffende wijze kan worden voorkomen door onder meer snellere herkenning van de eerste signalen van radicalisering (bijvoorbeeld door het personeel daarop te trainen en de penitentiaire inlichtingendiensten te verbeteren), verbetering van de mechanismen voor de omgang met personen met extremistisch gedrag, de ontwikkeling van scholingsmaatregelen en de bevordering van een dialoog en communicatie tussen personen met verschillende geloven; is van mening dat betere begeleiding, betere psychologische zorg en uitwisselingen met gederadicaliseerde personen essentieel zijn in de strijd tegen radicalisering; herinnert eraan dat jongeren bijzonder kwetsbaar zijn voor propaganda van terreurorganisaties; spoort de lidstaten aan om deradicaliseringsprogramma's op te zetten;

48.

is van oordeel dat de lidstaten in het kader van hun monitoringactiviteiten de namen van de gevaarlijkste geradicaliseerde gedetineerden moeten doorgeven aan justitie en/of de nationale autoriteiten die belast zijn met terrorismebestrijding;

49.

spoort de lidstaten aan goede praktijken uit te wisselen, teneinde de radicalisering in gevangenissen en in penitentiaire inrichtingen voor minderjarigen te voorkomen en te bestrijden; herinnert eraan dat de EU in het kader van de Europese veiligheidsagenda financiering beschikbaar heeft gesteld voor de ondersteuning van beroepsopleiding voor gevangenispersoneel om radicalisering in gevangenissen tegen te gaan; verzoekt de lidstaten om volledig gebruik te maken van het kenniscentrum van het EU-netwerk voor voorlichting over radicalisering (RAN), en specifiek om deskundigheid te delen via de werkgroep gevangenisstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen van het RAN (RAN P&P);

50.

wijst erop dat het hanteren van gedifferentieerde detentieregels voor gedetineerden die als geradicaliseerd worden beschouwd of die door terroristische organisaties zijn gerecruteerd een mogelijke maatregel kan zijn om radicalisering in gevangenissen tegen te gaan; wijst er evenwel op dat dergelijke maatregelen uitsluitend per geval en op basis van een gerechtelijk besluit moeten worden opgelegd en getoetst moeten worden door de bevoegde gerechtelijke autoriteiten;

51.

benadrukt dat penitentiair inrichtingswerkers namens de gemeenschap uiterst veeleisend werk verrichten en daarom naar behoren moeten worden beloond en in goede arbeidsomstandigheden moeten kunnen werken en een beroep moeten kunnen doen op gratis psychologische hulp en speciale hulplijnen ter ondersteuning van personeelsleden die problemen hebben die hun werkzaamheden negatief zouden kunnen beïnvloeden;

52.

wijst erop dat erkenning door de samenleving en systematische scholing van gevangenispersoneel essentieel zijn voor goede omstandigheden in gevangenissen; spoort de lidstaten aan informatie uit te wisselen, goede praktijken toe te passen en uit te wisselen en een gedrags- en ethische code voor het gevangenispersoneel vast te stellen; pleit in dit kader voor een algemene vergadering van gevangenisdirecties, waarin ook vertegenwoordigers van het gevangenispersoneel zitting moeten hebben;

53.

wijst op de belangrijke rol van een sociale dialoog met gevangenispersoneel en op het belang van het informeren en raadplegen van het personeel, met name bij het ontwikkelen van nieuwe concepten op het gebied van detentie die bedoeld zijn om detentiestelsels en de omstandigheden in detentie te verbeteren, zoals plannen ter bestrijding van radicalisering;

54.

verzoekt de lidstaten te zorgen voor een regelmatige dialoog tussen gedetineerden en gevangenispersoneel, omdat een goede werkrelatie tussen personeel en gedetineerden uiterst belangrijk is voor de veiligheid en voor het de-escaleren van potentiële incidenten of het herstel van de orde door middel van dialoog;

55.

verzoekt de lidstaten gevangenisdirecteuren ertoe aan te zetten zich in te zetten voor de instelling van gevangenisraden in alle penitentiaire inrichtingen;

56.

verzoekt de Commissie een Europees forum inzake detentieomstandigheden op te zetten, om de uitwisseling van goede praktijken tussen deskundigen en beroepsbeoefenaars in alle lidstaten te bevorderen;

57.

vraagt de Commissie en de instellingen van de EU binnen hun respectieve bevoegdheidssfeer de nodige maatregelen te nemen om de grondrechten van gedetineerden te waarborgen en beschermen, met name die van kwetsbare personen, kinderen, personen met een geestelijke aandoening, personen met een handicap en vrouwen, en gemeenschappelijke Europese normen en voorschriften voor detentie in de lidstaten in te voeren;

58.

verzoekt de Commissie informatie en statistieken te verzamelen over de detentieomstandigheden in de verschillende lidstaten en mogelijke schendingen van de grondrechten van gedetineerden, en deze informatie en statistieken te analyseren en hierbij het subsidiariteitsbeginsel te eerbiedigen; verzoekt de lidstaten om de leden van het Europees Parlement ongehinderde toegang tot gevangenissen en detentiecentra te verlenen;

59.

verzoekt de lidstaten een Europees handvest voor het gevangeniswezen goed te keuren, conform aanbeveling 1656/2004 van 27 april 2004 van de Raad van Europa;

60.

verzoekt te lidstaten beleid te bevorderen dat gericht is op de herintegratie van gevangenen in de burgermaatschappij, met name beleid dat zich richt op het wegnemen van structurele belemmeringen die de herintegratie van ex-gedetineerden in de samenleving in de weg staan, en maatregelen in te voeren voor het monitoren en aanpassen van straffen; herinnert eraan dat er minder kans op recidive is als gedetineerden de overstap van het leven in de gevangenis naar het leven daarbuiten geleidelijk kunnen maken;

61.

is van mening dat een op herstel en bescherming gerichte benadering van strafrechtelijke systemen ten goede zal komen aan de eerbiediging van de menselijke waardigheid, omdat daarbij de bescherming van de maatschappij en de rehabilitatie van personen voorop staat, en het dus gemakkelijker is om een opvoedend effect te bereiken, de sociale integratie van ex-gevangenen tot een succes te maken en recidive te voorkomen; betreurt dat in de meeste lidstaten in het kader van tuchtprocedures niets wordt gedaan aan de ontwikkeling van bemiddeling of herstelrecht; spoort de lidstaten aan om beleidsmaatregelen en wetgeving die zich richten op herstelrecht en bemiddeling, in het kader waarvan geen straffen worden opgelegd, maar gebruik wordt gemaakt van sociale, economische en culturele instrumenten, tot prioriteit te maken;

62.

benadrukt hoe belangrijk het is gedetineerden toegang te bieden tot onderwijs en beroepskwalificaties; spoort de lidstaten aan om, in overeenstemming met de internationale normen, alle gedetineerden zinvolle activiteiten te bieden zoals opleiding of werk, met als doel de gedetineerden opnieuw te socialiseren en hulpmiddelen aan te reiken voor een misdaadvrij leven na de periode van detentie; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat gedetineerden tijdens de periode van detentie werken, studeren om een diploma te halen of scholing volgen, zodat zij hun tijd nuttig gebruiken en beter voorbereid zijn op herintegratie in de maatschappij; vindt het belangrijk dat minderjarigen toegang hebben tot onderwijs en beroepsopleiding;

63.

spoort de lidstaten aan instrumenten te ontwikkelen ter ondersteuning van de terugkeer van gedetineerden naar het beroepsleven, in kaart te brengen aan welke arbeidskrachten de plaatselijke arbeidsmarkt behoefte heeft, programma's voor scholing en werk op te zetten en te monitoren en daarbij zoveel mogelijk te zoeken naar oplossingen op maat en voortdurend in dialoog te blijven met de werkgeversorganisaties; spoort lidstaten aan om scholingsprogramma's op te zetten, bedoeld om werkgevers en particuliere ondernemingen ertoe te bewegen gevangenen scholing te bieden, met als doel deze gevangenen aan het einde van hun detentie een baan aan te bieden; spoort de lidstaten aan om stimulerende maatregelen te nemen (bijvoorbeeld in de vorm van het bieden van financiële prikkels of fiscale voordelen) om werkgevers ertoe te bewegen gevangenen aan te nemen en om voormalige gevangenen te stimuleren om een eigen bedrijf op te zetten; spoort de lidstaten tevens aan om contactpunten voor ex-gedetineerden op te zetten, die informatie kunnen verstrekken en ondersteuning kunnen bieden bij het zoeken van een baan en die onderwijs op afstand verzorgen, dat verplicht en onder nauw toezicht moet worden gevolgd;

64.

herinnert eraan dat het Europees Sociaal Fonds een financieringsinstrument van de Unie is dat bedoeld is om de kansen op werk voor miljoenen Europeanen, en dan met name de kansen van personen voor wie het moeilijk is om werk te vinden, zoals gevangenen en ex-delinquenten, te verbeteren; is verheugd over de oprichting van projecten ter ondersteuning van gedetineerden bij hun herintegratie in de maatschappij en op de arbeidsmarkt na een periode van detentie;

65.

benadrukt dat het verrichten van werk door een gevangene geen vorm van straf mag zijn en dat misbruik moet worden bestreden; is van mening dat het werk dat gedetineerden aangeboden krijgen naar de huidige arbeidsnormen en -technieken relevant moet zijn en zodanig georganiseerd moet zijn dat het uitgevoerd kan worden in het kader van moderne managementsystemen en productieprocessen; vraagt de lidstaten om werk dat verricht wordt in gevangenissen beter te betalen dan momenteel het geval is; verzoekt de Commissie een vergelijkende studie uit te voeren naar de lonen van gedetineerden in de lidstaten, om te bepalen wat een rechtvaardig en duurzaam beloningsniveau is dat elke gevangene in staat stelt te werken;

66.

spoort de lidstaten aan om goede praktijken met betrekking tot opleidings-, rehabilitatie- en herintegratieprogramma's te delen, met als belangrijkste doel de herintegratie aan het einde van een periode van detentie te verbeteren en recidive en radicalisering te helpen voorkomen;

67.

verzoekt de EU-instellingen om de verbetering van gevangenisstelsels en detentieomstandigheden technisch en financieel te ondersteunen, in het bijzonder in lidstaten die kampen met grote financiële moeilijkheden;

68.

verzoekt de Commissie om elke vijf jaar na de aanneming van deze resolutie een gedetailleerd verslag over de situatie in de gevangenissen in Europa te publiceren, met een uitgebreide analyse van de kwaliteit van het onderwijs en de opleidingen die aan gedetineerden worden aangeboden en een beoordeling van de resultaten (inclusief recidivepercentages) van alternatieve maatregelen voor detentie;

69.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa en het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen.

(1)  PB C 32 van 5.2.1996, blz. 102.

(2)  PB C 98 van 9.4.1999, blz. 299.

(3)  PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 12.

(4)  PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 82.

(5)  PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.

(6)  PB L 327 van 5.12.2008, blz. 27.

(7)  PB L 337 van 16.12.2008, blz. 102.

(8)  PB L 294 van 11.11.2009, blz. 20.

(9)  PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1.

(10)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0410.

(11)  www.unodc.org/documents/brussels/News/2016.10_Handbook_on_VEPs.pdf


Dinsdag 24 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/105


P8_TA(2017)0390

Controle van de uitgaven en het toezicht op de kosteneffectiviteit van de EU-garantieregeling voor jongeren

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over de controle van de uitgaven en het toezicht op de kosteneffectiviteit van de EU-garantieregelingen voor jongeren (2016/2242(INI))

(2018/C 346/15)

Het Europees Parlement

gezien de artikelen 145, 147, 165 en 166 en artikel 310, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie (1),

gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (2), en Verordening (EU) 2015/779 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1304/2013, inzake een aanvullend initieel voorfinancieringsbedrag dat wordt uitgekeerd aan door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma's (3),

gezien de speciale verslagen van de Europese Rekenkamer nr. 3/2015 getiteld „De EU-jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico's in het verschiet”, nr. 17/2015 getiteld „Steun van de Commissie voor jongerenactieteams: heroriëntatie van ESF-middelen verwezenlijkt, maar onvoldoende aandacht voor resultaten”, en nr. 5/2017 getiteld „Jeugdwerkloosheid — heeft het EU-beleid een verschil gemaakt?”,

gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld „Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief”, (COM(2016)0646 en SWD(2016)0324),

gezien het Witboek van de Europese Commissie over de toekomst van Europa,

gelet op artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0296/2017),

A.

overwegende dat de jeugdwerkloosheid in een aantal lidstaten nog steeds een ernstig probleem is en dat in 2016 meer dan 4 miljoen jongeren tussen 15 en 24 jaar in de EU werkloos waren; overwegende dat de omstandigheden in de Unie sterk uiteenlopen;

B.

overwegende dat de bestrijding van de werkloosheid onder jongeren een politieke prioriteit is die wordt gedeeld door het Parlement, de Commissie en de lidstaten, en die bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie inzake groei en werkgelegenheid;

C.

overwegende dat een hoog jeugdwerkloosheidscijfer — 18,8 % in de EU in 2016 — schadelijk is voor de samenleving en de betrokkenen, met blijvende negatieve gevolgen voor de inzetbaarheid, de inkomensstabiliteit en de loopbaanontwikkeling; overwegende dat de economische crisis de jongeren onevenredig hard heeft getroffen en dat in sommige lidstaten meer dan een kwart van de jongeren werkloos zijn;

D.

overwegende dat er veel actieve werkgelegenheidsmaatregelen zijn getroffen om de hoge jeugdwerkloosheid aan te pakken, met wisselend resultaat;

E.

overwegende dat een andere groep jongeren, waarvan de omvang en samenstelling van lidstaat tot lidstaat sterk uiteenlopen, noch aan de arbeidsmarkt deelneemt noch onderwijs of een opleiding volgt (NEET's) en dat deze groep in twee subcategorieën kan worden verdeeld: werkloze NEET's die beschikbaar zijn voor werk en actief werk zoeken en inactieve NEET's, jongeren die niet studeren, geen opleiding volgen en niet actief op zoek zijn naar werk;

F.

overwegende dat in de hele EU gemiddeld slechts 41,9 % van de NEET’s toegang heeft tot de jongerengarantie (YG);

G.

overwegende dat de Commissie sinds de introductie van de Europese werkgelegenheidsstrategie in 1997 een reeks maatregelen heeft ondersteund om de arbeids- en onderwijsmogelijkheden van jongeren te verbeteren (4), en dat de inspanningen van de EU zich sinds de crisis met name richten op de jongerengarantie, die in april 2013 door de Raad werd vastgesteld, en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), dat eind 2013 werd gelanceerd;

H.

overwegende dat de jongerengarantieregeling en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief de meest doeltreffende en zichtbare maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid zijn op het niveau van de Unie;

I.

overwegende dat de YG en het YEI aanzienlijk hebben bijgedragen tot een daling van de werkloosheid onder jongeren in de EU door opleiding en de vraag naar jongeren op de arbeidsmarkt te stimuleren en maatregelen voor het scheppen van banen te ondersteunen; overwegende dat in de EU-28 nog steeds 17,2 % van de jongeren werkloos is, wat onaanvaardbaar hoog is (5);

J.

overwegende dat de jongerengarantie bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat alle jongeren onder de 25 jaar (of van 30 jaar en jonger in bepaalde lidstaten) binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten een deugdelijk aanbod krijgen voor een baan, voortgezette scholing, een plaats in het leerlingstelsel of een stage;

K.

overwegende dat externe factoren, zoals de specifieke economische situatie of het productiemodel van de betreffende regio, van invloed zijn op de verwezenlijking van de in het kader van de jongerengarantie gestelde doelen;

L.

overwegende dat het YEI een initiatief is dat bedoeld is ter ondersteuning van NEET's, jongeren die langdurig werkloos zijn en jongeren die niet als werkzoekende staan ingeschreven en die wonen in regio's waar het jeugdwerkloosheidspercentage in 2012 hoger lag dan 25 %;

M.

overwegende dat de totale goedgekeurde begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de programmeringsperiode 2014-2020 6,4 miljard EUR bedraagt, waaronder 3,2 miljard EUR uit een nieuwe specifieke EU-begrotingslijn die aangevuld moet worden met ten minste 3,2 miljard EUR uit de nationale toewijzingen in het kader van het bestaande Europees Sociaal Fonds (ESF); overwegende dat dit bedrag zal worden aangevuld met 1 miljard EUR voor de specifieke begrotingstoewijzing van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de periode 2017-2020, een bedrag dat gepaard zal gaan met 1 miljard EUR uit het ESF om de jeugdwerkgelegenheid in de sterkst getroffen regio's te stimuleren; overwegende dat 500 miljoen EUR van dit aanvullend bedrag in de begroting 2017 moet worden opgenomen via het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017; overwegende dat het uiteindelijke bedrag voor het programma zal worden bepaald in de loop van de volgende jaarlijkse begrotingsprocedures;

N.

overwegende dat de jaarlijkse investering die nodig is voor de uitvoering van de jongerengarantie in Europa wordt geschat op 50,4 miljard EUR (6), wat aanzienlijk minder is dan het jaarlijkse economische verlies ten gevolge van het niet-actief zijn van jongeren op de Europese arbeidsmarkt, dat kan oplopen tot minstens 153 miljard EUR (7);

O.

overwegende dat in 2015 is besloten om het bedrag van de voorfinanciering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief met een miljard euro te verhogen, waarmee de voorfinanciering voor lidstaten die daarvoor in aanmerking komen werd verhoogd van 1-1,5 % tot 30 %, een en ander om de uitvoering van maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te bevorderen;

P.

overwegende dat het bedrag dat oorspronkelijk aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief was toegekend, volledig werd benut in de periode 2014-2015, en dat hiervoor in de begroting 2016 geen nieuwe kredieten werden opgenomen; overwegende dat onderbrekingen in de financiering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief het welslagen van het programma hebben ondermijnd;

Q.

overwegende dat de huidige financiering, zowel uit de EU-begroting als door de lidstaten, ontoereikend is om de behoeften te dekken;

R.

overwegende dat de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief verschillende maatregelen omvatten, waarbij de jongerengarantie bedoeld is om structurele onderwijshervormingen te stimuleren en een kortetermijnmaatregel is om de jeugdwerkloosheid te bestrijden, terwijl het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een financieringsinstrument is; overwegende dat de jongerengarantie wordt gefinancierd uit het ESF, de nationale begrotingen en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief het directe aanbod van banen, leerling- en stageplaatsen of vervolgonderwijs voor de doelgroep van het initiatief in de in aanmerking komende regio's kan financieren; overwegende dat de jongerengarantie van toepassing is in alle 28 lidstaten, maar dat slechts 20 lidstaten in aanmerking komen voor steun uit het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; overwegende ten slotte dat maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief geen vooraf bepaalde duur hebben, terwijl in het kader van de jongerengarantie binnen vier maanden een aanbieding moet worden gedaan;

S.

overwegende dat het gebruik van de jongerengarantie vanuit kwantitatief oogpunt ongelijk is en aanzienlijk verschilt van lidstaat tot lidstaat;

T.

overwegende dat de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie tot nu toe nog niet tot uniforme resultaten heeft geleid, en dat het soms moeilijk is om te bepalen en te beoordelen wat het effect ervan precies is geweest;

U.

overwegende dat er aanzienlijke verschillen zijn tussen de regio's van Europa; overwegende dat in sommige gevallen gebieden met een hoge werkloosheid niet in aanmerking zullen komen voor financiering op NUTS-niveau;

V.

overwegende dat de op integratie gerichte diensten die in het kader van de jongerengarantie worden aangeboden vaak slechts gedeeltelijk worden uitgevoerd, te beperkend zijn wat betreft de in aanmerking komende deelnemers, afhankelijk zijn van de bestaande capaciteit en efficiëntie van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en van de snelheid van de Europese procedures; overwegende dat de lidstaten hun inspanningen om hun openbare diensten voor arbeidsvoorziening te versterken en te hervormen, moeten voortzetten;

W.

overwegende dat de mogelijke rol van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, met name voor de lidstaten die sinds 2007 het zwaarst zijn getroffen door de economische, financiële en sociale crisis, moet worden benadrukt; overwegende dat de behoefte aan versterking van dit programma en aan de ontwikkeling van verdere aanvullende maatregelen, zowel op nationaal als op EU-niveau, omdat dit de integratie en de cohesie zal stimuleren en tegelijkertijd de gendergelijkheid zal bevorderen en toegang zal bieden tot opleidingsprogramma's met als doel een antwoord te bieden op de nieuwe technologische uitdagingen van de arbeidsmarkt, moet worden benadrukt;

X.

overwegende dat de jongerengarantie, die een investering in jongeren vormt, een voorbeeld is van resultaatgericht begroten;

Y.

overwegende dat in het Witboek over de toekomst van Europa erkend wordt dat de verwachtingen niet in verhouding staan tot de capaciteit van de EU om daaraan te voldoen (8);

Z.

overwegende dat de Unie haar op de doelgroep gerichte sociale beleidsmaatregelen beter aan de man moet brengen en moet promoten om haar maatregelen zichtbaarder te maken voor de bevolking van de EU;

AA.

overwegende dat de audit die door de Europese Rekenkamer werd uitgevoerd voortijdig was, aangezien de periode waarop het onderzoek betrekking had te dicht bij de opstart van de nationale garantiemaatregelen was, en dat de audit beperkt was tot bepaalde lidstaten; overwegende dat het in dit verband nuttiger was geweest een initiële beoordeling van hun uitvoering te verrichten vooraleer de audit uit te voeren;

Algemene opmerkingen

1.

wijst erop dat de jeugdwerkloosheid in de EU in de vier jaar dat de jongerengarantie wordt uitgevoerd (2013-2017) met meer dan 7 % is gedaald, van 23,8 % in april 2013 tot 16,6 % in april 2017, hetgeen betekent dat er 2 miljoen minder jongeren werkloos zijn; merkt op dat er sinds de start van de jongerengarantieregelingen meer dan 14 miljoen jongeren gebruik hebben gemaakt van enige vorm van jongerengarantie; betreurt het dat in veel gevallen een te groot deel van deze daling te danken is aan het feit dat veel jongeren zich genoodzaakt zagen om werk te zoeken buiten de EU en wijst erop dat dit verlies in de komende decennia zeker gevoeld zal worden; betreurt het voorts dat medio 2016 nog steeds 4,2 miljoen jongeren onder de 25 jaar in de EU werkloos waren (18,8 % van deze leeftijdsgroep); dringt er bij de lidstaten op aan de beschikbare EU-steun te gebruiken om dit langdurige probleem aan te pakken; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan strategieën ten uitvoer te leggen waarmee tegemoet wordt gekomen aan de wensen en behoeften van de arbeidsmarkten van de verschillende lidstaten, om kwalitatief hoogwaardig onderwijs en duurzame werkgelegenheid te realiseren;

2.

onderstreept dat de jongerengarantie een belangrijke rol vervult bij de ondersteuning van maatregelen om werkeloze jongeren de vaardigheden, ervaring en kennis te verschaffen die nodig zijn om werk voor de lange termijn te vinden en ondernemers te worden, en dat deze regeling tevens de gelegenheid biedt om discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden aan te pakken;

3.

benadrukt de belangrijke rol van onderwijs en loopbaanadvies bij het voorbereiden van jongeren op de arbeidsethiek en vaardigheden die op de arbeidsmarkt nodig zijn; wijst er echter op dat onderwijs niet alleen vaardigheden en competenties moet bieden die relevant zijn voor de behoeften van de arbeidsmarkt, maar ook moet bijdragen tot de persoonlijke ontwikkeling en groei van jongeren, zodat zij zich tot actieve en verantwoordelijke burgers kunnen ontwikkelen; benadrukt derhalve de noodzaak van burgerschapsvorming in het hele onderwijssysteem, met inbegrip van zowel de formele als niet-formele onderwijsmethoden;

4.

constateert dat hoe lager de leeftijd is en hoe lager het opleidingsniveau, des te hoger het werkloosheidspercentage ligt en merkt op dat deze trend door de crisis is versterkt en dat ook jonge niet-gekwalificeerde volwassenen boven de 25 jaar door de crisis zijn getroffen en dat deze groep in een economisch zeer slechte situatie terecht kan komen als er niet in hun opleiding wordt geïnvesteerd;

5.

merkt op dat de toegang van de kwetsbaarste werkloze jongeren tot openbare diensten voor arbeidsvoorziening, ondanks de vooruitgang die er op dit gebied is geboekt, nog altijd ontoereikend is en dat deze groep, samen met pas afgestudeerden, zich het minst inschrijft als werkzoekende;

6.

is ernstig bezorgd over de afstand van NEET's (in de meeste gevallen buiten hun schuld) tot het onderwijssysteem en de arbeidsmarkt; beseft dat deze groep het moeilijkst te bereiken is door middel van de bestaande operationele programma's die de financiële regelingen voor jeugdwerkloosheid uitvoeren en die te vaak niet voorzien in een behoorlijke vergoeding of goede werkomstandigheden; vindt dat in de periode 2017-2020 bijzondere aandacht aan deze groep moet worden besteed, om ervoor te zorgen dat de hoofddoelen van de jongerengarantie worden gehaald;

7.

stelt vast dat door de jongerengarantie ondersteunde maatregelen tevens de structurele uitdagingen moeten aanpakken waarmeeNEET's worden geconfronteerd, om ervoor te zorgen dat deze maatregelen een langetermijneffect hebben; is bezorgd dat de jongerengarantieregelingen nog niet alle jongeren hebben bereikt die de school hebben verlaten of werkloos zijn geworden; moedigt de lidstaten aan gerichte financiële verplichtingen in de nationale begrotingen aan te gaan om deze structurele veranderingen door te voeren; spoort dan ook de regio's die niet in aanmerking komen voor medefinanciering van de EU aan om deel te nemen aan de jongerengarantie;

8.

benadrukt dat voor integratie van NEET's verbetering van de doeltreffendheid van de beschikbare middelen, beschikbaarstelling van meer middelen en een grotere betrokkenheid en inzet van de lidstaten vereist zijn;

9.

dringt aan op diversifiëring van de financieringskanalen op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau, zodat alle jongeren beter kunnen worden bereikt; merkt voorts op dat de plaatselijke en regionale autoriteiten reeds zeer actief zijn en in hun maatregelen ten behoeve van jongeren moeten worden ondersteund door de verschillende beleidslijnen samen te voegen;

10.

beklemtoont dat de jongerengarantie sinds 2012 een positieve bijdrage levert aan het bestrijden van de jeugdwerkloosheid, maar dat de jeugdwerkloosheid nog steeds onaanvaardbaar hoog is; is derhalve ingenomen met de overeenstemming die de medewetgevers hebben bereikt over de verlenging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief tot 2020; merkt evenwel op dat het probleem van de jeugdwerkloosheid zich mogelijk nog niet laat oplossen en daarom ook in aanmerking moet worden genomen in het volgende meerjarig financieel kader, om continuïteit en kosteneffectiviteit te waarborgen;

11.

benadrukt dat het YEI niet alleen bedoeld is om werkgelegenheid voor jongeren te scheppen, maar ook om de lidstaten te steunen bij het ontwikkelen van goede methoden om de behoeften van jongeren in kaart te brengen en het opzetten van ondersteunende structuren om aan die behoeften tegemoet te komen; benadrukt daarom dat bij de evaluatie van de YG en het YEI in de toekomst de doeltreffendheid gemeten moet worden op basis van hetgeen er bereikt is of verbeterd is als het gaat om de structuren van de lidstaten voor de ondersteuning van jongeren;

12.

herinnert eraan dat de jongerengarantie financiële steun van de EU krijgt via het ESF en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, bovenop de nationale bijdragen; steunt verder de programmawerkzaamheden die worden uitgevoerd als onderdeel van het gemeenschappelijk strategisch kader van de Unie via intercollegiaal leren, netwerkactiviteiten en technische bijstand;

13.

is ingenomen met het feit dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in 2014 en 2015 werd voorgefinancierd en dat de initiële voorfinanciering werd verhoogd om te zorgen voor een snelle mobilisatie van middelen;

14.

is verheugd dat op grond van de YEI-maatregelen steun is verleend aan meer dan 1,4 miljoen jongeren en dat de lidstaten in dit kader activiteiten hebben gesteund ter waarde van meer dan 4 miljard EUR;

15.

herinnert eraan dat het succes van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief afhankelijk is van goede economische governance in de lidstaten, omdat het zonder een gunstig klimaat voor bedrijven, stimulansen voor kleine en middelgrote ondernemingen en een wetenschappelijk en onderwijssysteem dat aangepast is aan de vereisten van de economie onmogelijk is om banen te scheppen of een duurzame oplossing te vinden voor het probleem van de hoge werkloosheid onder jongeren;

16.

neemt kennis van het speciaal verslag van de Rekenkamer over de impact van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief op de jeugdwerkloosheid en stelt vast dat de jongerengarantie, drie jaar nadat de Raad de aanbeveling heeft aangenomen, de verwachtingen nog niet heeft ingelost; neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat het niet mogelijk is alle NEET's te bereiken met alleen maar middelen uit de EU-begroting; stelt vast dat de huidige situatie niet overeenkomt met de verwachtingen die werden gecreëerd door de invoering van de jongerengarantie, namelijk dat alle NEET's binnen vier maanden een deugdelijk aanbod voor een opleiding of baan krijgen;

17.

herinnert aan de uitdagingen en mogelijkheden die er zijn als het gaat om de integratie van NEET's op de arbeidsmarkt; pleit ervoor dat de Commissie, de lidstaten en de nationale openbare diensten voor arbeidsvoorziening zich meer inspannen om meer inactieve jongeren gebruik te laten maken van de jongerengarantieregelingen en ervoor te zorgen dat ze na beëindiging van de desbetreffende ondersteunende maatregelen actief blijven op de arbeidsmarkt;

18.

merkt op dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is bedoeld ter ondersteuning van NEET's jonger dan 25 jaar die normaal geen steun op het gebied van werkgelegenheid of onderwijs ontvangen; betreurt het dat de vaststelling van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gevolgen heeft voor de toewijzing van ESF-vastleggingen voor andere programma's en benadrukt dat de middelen van de specifieke toewijzing voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ten minste met hetzelfde bedrag aan ESF-middelen aangevuld moeten worden;

19.

vraagt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de beschikbare YEI-/ESF-middelen niet in de plaats komen van de openbare uitgaven van de lidstaten overeenkomstig artikel 95 en overweging 87 van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (Verordening (EU) nr. 1303/2013) en in overeenstemming met het additionaliteitsbeginsel; benadrukt dat programma's zoals de jongerengarantie niet in de plaats mogen komen van de eigen inspanningen van de lidstaten om de jeugdwerkloosheid te bestrijden en te zorgen voor duurzame integratie in de arbeidsmarkt;

20.

wijst op het belang van versterkte samenwerking tussen alle belanghebbenden, ook op regionaal en lokaal niveau, zoals openbare en, indien relevant, particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, onderwijs- en opleidingsinstellingen, werkgevers, jongerenorganisaties en ngo's die met jongeren werken, om de volledige groep NEET's te bereiken; spoort aan tot een sterkere integratie van belanghebbenden bij de opstelling, de uitvoering en de beoordeling van de jongerengarantie, door middel van een aanpak met partnerschappen; dringt aan op versterkte samenwerking tussen onderwijsinstellingen en ondernemers om de mismatch in vaardigheden aan te pakken; herhaalt het idee dat de partnerschapsbenadering bedoeld is om de doelgroep beter te bereiken en kwaliteitsaanbiedingen te verzekeren;

21.

herinnert eraan dat voor een efficiënte jongerengarantie volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) jaarlijks ongeveer 45 miljard EUR nodig is voor de EU-28; is van oordeel dat deze financiering als een investering moet worden beschouwd, gezien de aanzienlijke besparing waar een efficiënt werkende garantie toe zal leiden op het gebied van jongerenwerkgelegenheid;

22.

roept de Commissie op tot het specificeren van de nationale bijdragen aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief die elke lidstaat moet leveren om de jongerengarantie doeltreffend te kunnen uitvoeren, waarbij rekening gehouden wordt met de raming van de IAO;

23.

merkt op dat de uitvoering van het YEI vertraging heeft opgelopen door de late benoeming van de betreffende beheersautoriteiten en acht dit een tekortkoming in de rechtsgrondslag van het YEI, die het streven naar een vlotte tenuitvoerlegging door middel van voorfinanciering heeft ondermijnd;

24.

is van mening dat de diversiteit en de toegankelijkheid van financiering moeten worden bevorderd en dat de nadruk moet worden gelegd op de effectieve besteding van de middelen, terwijl verdere hervormingen van het beleid en de diensten worden doorgevoerd;

25.

benadrukt dat de maatregelen, om de doeltreffendheid ervan te vergroten, afgestemd moeten worden op de lokale behoeften, bijvoorbeeld door de betrokkenheid van plaatselijke werkgeversorganisaties, plaatselijke aanbieders van opleidingen en lokale overheden te vergroten; dringt aan op diversificatie van de financieringskanalen met betrokkenheid van het plaatselijk, regionaal en nationaal niveau, zodat alle NEET's beter kunnen worden bereikt;

26.

wijst erop dat in het kader van het huidige MFK het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gefinancierd moet worden met nieuwe kredieten, en niet door middel van herschikkingen van bestaande begrotingskredieten; verwacht een ambitieuze politieke verbintenis voor het volgende MFK;

27.

is van oordeel dat voor een goede werking van de jongerengarantie lokale openbare diensten voor arbeidsvoorziening ook doeltreffend moeten functioneren;

28.

roept nadrukkelijk op tot de ontwikkeling van specifieke expertise en capaciteit in de openbare diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten om mensen te ondersteunen die binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten, geen baan kunnen vinden; pleit voor meer betrokkenheid van ondernemingen en bedrijfsorganisaties bij de tenuitvoerlegging van het programma;

29.

betreurt het dat de meerderheid van de NEET's in de EU nog geen toegang heeft tot een jongerengarantieregeling, onder meer omdat deze personen zich niet hebben ingeschreven bij openbare diensten voor arbeidsvoorziening; vraagt de Raad te overwegen om een leeruitwisseling binnen het huidige netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening voort te zetten teneinde strategieën te ontwikkelen op basis van de beste praktijken om NEET's te bereiken en te ondersteunen;

30.

is ingenomen met speciaal verslag nr. 5/2017 van de Rekenkamer en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om volledig uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer, om de dekking en doeltreffendheid van de jongerengarantiemaatregelen te vergroten;

31.

onderstreept dat de ontwikkeling van éénloketsystemen moeten worden gesteund om de positieve weerslag van de jongerengarantie te bevorderen door ervoor te zorgen dat jongeren alle diensten en begeleiding op één plek kunnen vinden;

32.

wijst erop dat een gebrek aan zichtbaarheid van de regeling het moeilijk kan maken om alle jongeren te bereiken; beveelt aan de mogelijkheden te vergroten om plaatselijke campagnes te financieren die worden georganiseerd met alle plaatselijke partners, waaronder jongerenorganisaties, en de ontwikkeling van platforms te steunen waarop jongeren zich in het kader van de regeling kunnen aanmelden; beveelt aan dat met de jongerengarantie verband houdende informatie voor iedereen toegankelijk en begrijpelijk is;

33.

beveelt de lidstaten aan om ervoor te zorgen dat hetgeen zij aanbieden van goede kwaliteit is, wijst er bijvoorbeeld op dat hun aanbod moet aansluiten op het profiel van de deelnemers en de behoeften van de arbeidsmarkt, om een duurzame en mogelijk langdurige integratie op de arbeidsmarkt mogelijk te maken;

34.

betreurt dat de meeste lidstaten nog geen definitie hebben vastgesteld van „deugdelijk aanbod”; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan, in het kader van het Comité voor de werkgelegenheid (EMCO), via de huidige netwerken overeenstemming te bereiken over de gemeenschappelijke kenmerken van dit concept en daarbij rekening te houden met het Europees kwaliteitskader voor stages en de gezamenlijke verklaring van de Europese sociale partners „Towards a Shared Vision of Apprenticeships” en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over onzekere vormen van arbeid; dringt er bij de lidstaten en de Commissie voorts op aan ervoor te zorgen dat die kenmerken zijn gebaseerd op een aanbod dat aansluit op het kwalificatieniveau en profiel van de deelnemer en de behoeften van de arbeidsmarkt, met mogelijkheden voor werk waarmee de deelnemer in zijn levensonderhoud kan voorzien, met sociale bescherming alsmede vooruitzichten op verdere ontwikkeling, leidend tot duurzame en passende integratie van de deelnemer in de arbeidsmarkt; is ingenomen met de aanbeveling die de Rekenkamer in speciaal verslag nr. 5/2017 doet om meer aandacht te besteden aan het verbeteren van de kwaliteit van het aanbod;

35.

verzoekt de Commissie om in samenwerking met EMCO voorstellen te doen voor kwaliteitsnormen voor toekomstige aanbiedingen in het kader van de jongerengarantie; onderstreept dat een kwaliteitskader met kwaliteitsnormen voor dergelijke aanbiedingen moet worden afgebakend;

36.

merkt op dat er om het doel van kwaliteitsaanbiedingen en ononderbroken werkgelegenheid voor alle jongeren van 24 jaar en jonger te verwezenlijken aanzienlijk meer personele, technische en financiële middelen nodig zijn; is ingenomen met het feit dat een aantal lidstaten de maximumleeftijd voor steun in het kader van de jongerengarantie heeft verhoogd naar 30 jaar;

37.

pleit ervoor dat jongeren die onder de jongerengarantie vallen, blijven bijdragen aan en toegang hebben tot de stelsels voor sociale bescherming en arbeidsbescherming in hun lidstaat, waardoor de gedeelde verantwoordelijkheid van alle betrokkenen wordt versterkt, in het bijzonder de jongeren en werkgevers;

38.

onderstreept dat maatregelen in het kader van de jongerengarantie waarschijnlijk meer effect sorteren en kosteneffectiever zijn, wanneer jongeren bij het toetreden tot de arbeidsmarkt worden bijgestaan op een wijze die hun kansen op duurzame arbeid en salarisverhoging biedt;

39.

onderstreept dat de NEET's een heterogene en diverse groep vormen en dat regelingen doeltreffender en kosteneffectiever zijn, wanneer zij zijn afgestemd op afgebakende uitdagingen; benadrukt in dit verband dat allesomvattende strategieën met duidelijke doelstellingen moeten worden opgezet die op alle categorieën NEET's gericht zijn; onderstreept de behoefte aan op maat gesneden oplossingen, door rekening te houden met de plaatselijke en regionale context, bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat plaatselijke vertegenwoordigers van werkgevers, plaatselijke aanbieders van opleidingen en plaatselijke autoriteiten hierbij nauwer worden betrokken; verzoekt de lidstaten het individuele parcours voor elke kandidaat uit te stippelen en tegelijk de nationale openbare diensten voor arbeidsvoorziening de flexibiliteit te geven die ze nodig hebben om profielbepalingsmodellen aan te passen;

40.

roept de lidstaten op om gepaste bereikstrategieën op te stellen en om extra inspanningen te leveren voor de identificatie van de NEET-groep, met name inactieve NEET's die buiten de bestaande systemen vallen, met het doel ze te registreren en op peildata (na 6, 12 en 18 maanden) de situatie van jongeren te verifiëren die de jongerengarantieregelingen verlaten, teneinde een duurzame integratie in de arbeidsmarkt te bevorderen; benadrukt dat het noodzakelijk is om oplossingen op maat aan te bieden aan een diverse groep van jongeren, en om niet-geregistreerde jongeren een belangrijke doelgroep te maken; vraagt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de beschikbare ESF-middelen niet in de plaats komen van hun overheidsuitgaven en stelt vast dat voldoende economische groei een noodzakelijke voorwaarde is voor de doeltreffende integratie op de arbeidsmarkt van NEET's;

41.

roept de lidstaten en de Commissie op om eerst de tekortkomingen te beoordelen en marktanalyses uit te voeren alvorens de in het kader van de jongerengarantie beoogde regelingen in te voeren, om zo nutteloze opleidingen en uitbuiting van stagiairs door middel van stages die nergens toe leiden te voorkomen;

42.

verzoekt de Commissie en de Raad om proactieve overgangsinitiatieven te overwegen, zoals beroepsoriëntatie, loopbaanbegeleiding en voorlichting over de arbeidsmarkt, alsook ondersteunende dienstverlening op school en loopbaanadviesdiensten op universiteiten, om de overgang van jongeren naar werk te vereenvoudigen door hun vaardigheden bij te brengen op het gebied van die overgang en loopbaanbeheer;

43.

wijst erop dat het gebrek aan zichtbaarheid van de regeling het moeilijk kan maken om alle jongeren te bereiken; beveelt aan maatregelen te nemen om de mogelijkheid te vergroten plaatselijke campagnes te financieren die worden georganiseerd met alle betrokken plaatselijke partners, met inbegrip van jongerenorganisaties, en om de ontwikkeling van platforms te steunen waarop jongeren zich voor de regeling kunnen inschrijven; beveelt aan dat met de jongerengarantie verband houdende informatie voor iedereen toegankelijk en begrijpelijk is;

44.

wijst op de aanhoudende uitdaging van discrepanties tussen de op de arbeidsmarkt gevraagde en aangeboden vaardigheden; vraagt de Commissie om in het kader van het Comité voor de werkgelegenheid de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten en relevante belanghebbenden in de lidstaten te bevorderen om deze kwestie aan te pakken;

45.

meent dat problemen met betrekking tot de mismatch in vaardigheden kunnen worden opgelost door de vaardigheden van de werkzoekenden beter te identificeren en door de tekortkomingen van de nationale opleidingssystemen te corrigeren; benadrukt dat een verhoogde mobiliteit van jongeren kan zorgen voor het verbeteren van hun vaardigheden en, samen met de erkenning van kwalificaties, kan helpen om de bestaande geografische mismatch in vaardigheden aan te pakken; spoort de lidstaten aan in dit verband meer gebruik te maken van Eures;

46.

onderstreept dat ICT-vaardigheden een potentieel kunnen bieden voor het creëren van duurzame banen en doet derhalve een beroep op de lidstaten om doeltreffende maatregelen voor het vergroten van digitale/ICT-vaardigheden op te nemen in hun plannen voor de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie;

47.

stelt vast dat voor de verschillende groepen jongeren een meer gediversifieerde en op hen toegesneden benadering bij de verlening van diensten vereist is om te voorkomen dat de „krenten uit de pap” worden gehaald of een discriminerende keuze wordt gemaakt; dringt erop aan dat meer en gerichter werk wordt gemaakt van de voorlichting aan jongeren die meerdere obstakels moeten overwinnen en de jongeren die zich het verst van de arbeidsmarkt bevinden; wijst in dit verband op het belang de jongerengarantie effectief te coördineren met ander beleid, zoals antidiscriminatiebeleid, en de reikwijdte te vergroten van de in de jongerengarantieaanbiedingen voorgestelde interventies;

48.

meent dat in toekomstige operationele programma's van het Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) jeugdwerkloosheid vanaf het begin als een prioriteit moet worden beschouwd;

Uitvoering en controle

49.

merkt op dat de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie wordt gemonitord via het Europees semester, de evaluaties van EMCO en een speciaal kader van indicatoren dat door dit comité is ontwikkeld in samenspraak met de Commissie; verzoekt de Raad om de lidstaten te ondersteunen bij het verbeteren van de gegevensrapportage;

50.

wijst erop dat gebrek aan informatie over de potentiële kosten van de invoering van een regeling in een lidstaat kan leiden tot ontoereikende financiële middelen voor de uitvoering van de regeling en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan; doet een beroep op de lidstaten om een overzicht op te stellen van de kosten voor de uitvoering van de jongerengarantie, zoals aanbevolen door de Europese Rekenkamer in speciaal verslag nr. 5/2017;

51.

benadrukt dat de toewijzing van de nodige middelen en de beoordeling van de algemene financiering een belangrijk deel uitmaken van de succesvolle uitvoering van jongerengarantiemaatregelen, rekening houdend met het feit dat die beoordeling kan worden gehinderd door de moeilijkheden om onderscheid te maken tussen de verschillende soorten maatregelen die op het nationale niveau ten behoeve van jongeren worden genomen;

52.

verzoekt de Commissie preciezere informatie te verschaffen over de kosteneffectiviteit van de jongerengarantie en over de wijze waarop de uitvoering van het programma in de lidstaten wordt gecontroleerd, alsmede te zorgen voor uitgebreide jaarlijkse verslaglegging hierover;

53.

benadrukt dat er behoefte is aan doeltreffende mechanismen om de problemen bij de uitvoering van jongerengarantiemaatregelen te bespreken en op te lossen; wijst op de behoefte aan een sterk, maar toch realistisch en haalbaar, politiek en financieel engagement van de lidstaten om de jongerengarantie volledig uit te voeren, onder meer door te zorgen voor mechanismen voor vroegtijdig ingrijpen, kwalitatieve aanbiedingen voor werk, vervolgonderwijs en opleidingen, duidelijke subsidiabiliteitscriteria en het opzetten van partnerschappen met de belanghebbenden; benadrukt dat dit moet gebeuren door te zorgen voor een doeltreffend bereik, de administratieve capaciteit waar nodig te versterken, rekening te houden met de plaatselijke omstandigheden, de versterking van vaardigheden te faciliteren en passende controle- en evaluatiestructuren op te zetten tijdens en na de uitvoering van de eerder genoemde maatregelen;

54.

pleit voor een effectief multilateraal toezicht op de naleving van de aanbeveling van de Raad tot invoering van een jongerengarantie in het kader van het Europees Semester en voor het aanpakken van specifieke landenaanbevelingen waar nodig;

55.

onderstreept nogmaals dat het voornemens is nauwlettend toe te zien op de activiteiten van alle lidstaten teneinde de jongerengarantie te verwezenlijken, en vraagt jongerenorganisaties het Parlement op de hoogte te houden van hun beoordelingen van het optreden van de lidstaten; verlangt dat de lidstaten en de Commissie jonge belanghebbenden betrekken bij het ontwikkelen van beleid; herinnert eraan dat de betrokkenheid van jongerenorganisaties bij de communicatie over en de uitvoering en beoordeling van de jongerengarantie cruciaal is voor het succes ervan;

56.

merkt op dat er bij de tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief sprake is van enige achterstand, met name om procedurele en structurele redenen; maakt zich zorgen over de gebruikmaking in de lidstaten van de voorfinanciering die is toegewezen voor de tenuitvoerlegging van het YEI; dringt er daarom op aan dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten dringend maatregelen treffen om de middelen die beschikbaar zijn voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid volledig en tijdig te benutten; is van mening dat de lidstaten gerichte aanvullende financiële verplichtingen in de nationale begrotingen moeten aangaan om deze structurele veranderingen door te voeren;

57.

verwelkomt de samenwerking van de Commissie met de lidstaten bij het vaststellen en verspreiden van goede praktijken op het gebied van monitoring en verslaglegging op basis van bestaande systemen in de verschillende lidstaten; herinnert de Commissie eraan dat de vergelijkbaarheid van gegevens van wezenlijk belang blijft in dit verband;

58.

beveelt de Commissie aan goede praktijken op het gebied van toezicht en verslaglegging in kaart te blijven brengen en te blijven verspreiden, zodat de resultaten van de lidstaten op consistente en betrouwbare wijze gerapporteerd kunnen worden en op efficiënte wijze beoordeeld kunnen worden, onder meer als het gaat om de kwaliteit; pleit er met name voor dat stelselmatig gegevens van goede kwaliteit worden aangeleverd, op basis waarvan de lidstaten een beter gefundeerd en doeltreffender jeugdbeleid kunnen realiseren, onder meer door jongeren te monitoren die stoppen met de jongerengarantieregeling, om het aantal deelnemers dat uitvalt en niet van het programma profiteert tot een minimum te beperken;

59.

doet een beroep op de Commissie om de wijze te versterken waarop de lidstaten in het kader van de jongerengarantie vastgestelde regelingen uitvoeren, en een transparant, allesomvattend en open datasysteem in te voeren waarmee toezicht wordt gehouden op de kosteneffectiviteit, structurele hervormingen en maatregelen voor individuele personen;

60.

is voorstander van analyses vooraf in elke lidstaat, waarbij concrete doelstellingen, doelen en tijdschema's worden vastgesteld met betrekking tot de te verwachten resultaten van de jongerengarantieregelingen, en stelt voor dubbele financiering te vermijden;

61.

spoort aan tot het delen van beste praktijken via het Comité voor de werkgelegenheid en het programma voor wederzijds leren uit hoofde van de Europese werkgelegenheidsstrategie; wijst in dit verband op het belang van wederzijds leren om de meest kwetsbare groepen te activeren;

62.

is bezorgd dat er maar weinig gegevens beschikbaar zijn over de begunstigden, de effecten en de resultaten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en dat die gegevens vaak onsamenhangend zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om administratief minder belastende en actuelere monitoringsystemen op te zetten voor de resterende financiering in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

63.

pleit ervoor dat bij het YEI-programma de focus wordt gelegd op de resultaten, door concrete indicatoren vast te stellen voor de hervormingen die in de lidstaten zijn doorgevoerd, de kennis en vaardigheden die met behulp van het programma worden verworven en het aantal vaste contracten dat is aangeboden; stelt bovendien voor dat de ervaring van de mentoren in de gekozen beroepsgroep aansluit op de vaardigheden die de respectieve aanvragers nodig hebben;

64.

roept de lidstaten op hun controle- en verslagleggingssystemen efficiënter te maken om de doelstellingen van de jongerengarantie kwantificeerbaarder te maken en de ontwikkeling van een meer empirisch onderbouwd jongerenbeleid te vergemakkelijken, en om in het bijzonder te zorgen voor een verbeterde capaciteit voor de opvolging van de deelnemers die de jongerengarantie verlaten, zodat het aantal onbekende verlaters tot een minimum kan worden beperkt en er gegevens beschikbaar zijn over de actuele situatie van alle deelnemers; vraagt dat de Commissie haar richtsnoeren over het verzamelen van gegevens herziet en dat de lidstaten hun referentiepunten en streefdoelen herzien om het risico te verminderen dat de resultaten te rooskleurig worden voorgesteld;

65.

erkent dat voor een aantal lidstaten de jongerengarantie een stimulans is geworden voor beleidshervormingen en een betere coördinatie op het gebied van werkgelegenheid en onderwijs; wijst op het belang van het stellen van realistische en meetbare streefdoelen bij het bevorderen van beleidsmaatregelen en kaders zoals de jongerengarantie, het vaststellen wat de belangrijkste uitdagingen zijn en wat de passende maatregelen zijn die moeten worden genomen om deze uitdagingen aan te pakken en het beoordelen van deze uitdagingen waarbij terdege rekening wordt gehouden met het verbeteren van de inzetbaarheid; stelt vast dat het in bepaalde omstandigheden moeilijk is geweest vast te stellen of te beoordelen wat de jongerengarantie tot nu toe heeft bijgedragen en dat deugdelijke statistische gegevens de lidstaten moeten helpen om een meer realistisch en efficiënt jeugdbeleid uit te stippelen zonder valse verwachtingen te wekken;

66.

erkent de grote inspanningen die de lidstaten leveren om de jongerengarantie ten uitvoer te leggen; merkt evenwel op dat de meeste hervormingen nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd, met name bij het opzetten van partnerschappen met sociale partners en jongeren in samenhang met het ontwerpen, de uitvoering en beoordeling van maatregelen in het kader van de jongerengarantie en bij het ondersteunen van diegenen die op meerdere belemmeringen stuiten; concludeert dat er op de lange termijn aanzienlijke inspanningen en financiële middelen nodig zijn om de doelen van de jongerengarantie te halen;

67.

is van mening dat herhaald gebruik van de jongerengarantie niet mag ingaan tegen het idee van arbeidsmarktactivering en tegen het doel van een overgang naar vast werk; verzoekt de Raad te profiteren van de herziening van het meerjarig financieel kader om de jongerengarantie van passende middelen te voorzien; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat jongeren, ook tot de leeftijd van 30 jaar, deugdelijke werkaanbiedingen krijgen die passen bij hun profiel en kwalificatieniveau, alsook bij de vraag op de arbeidsmarkt, teneinde duurzame werkgelegenheid te creëren en een herhaald gebruik van de jongerengarantie te voorkomen;

68.

is van mening dat in het kader van de beoordeling van de doeltreffendheid van de regeling alle aspecten geëvalueerd moeten worden, waaronder de kosten-batenverhouding; neemt nota van de eerdere ramingen van de IAO en Eurofound en vraagt de Commissie deze ramingen te bevestigen of te actualiseren;

69.

verzoekt om in elke deelnemende lidstaat een beoordeling van de doeltreffendheid van de jongerengarantie uit te voeren om te voorkomen dat jongeren worden uitgebuit door bepaalde ondernemingen die gebruikmaken van valse opleidingsprogramma's om te profiteren van door de staat gefinancierde arbeid; stelt daarom voor toezicht te houden op de arbeidsvooruitzichten van jongeren die begunstigden van het programma zijn geweest, en mechanismen in te stellen waarbij deelnemende werkgevers, openbare zowel als private, een minimumpercentage van stages moeten omzetten in een arbeidscontract als voorwaarde om profijt te kunnen blijven trekken van het programma;

70.

wijst erop dat de Commissie tegen eind 2017 het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief moet evalueren, en verwacht dat de noodzakelijke aanpassingen om een succesvolle tenuitvoerlegging te verzekeren snel zullen worden ingevoerd; beklemtoont dat het belangrijk is dat de betrokken partijen, met inbegrip van jongerenorganisaties, de prestaties van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief permanent blijven beoordelen;

71.

wijst op de noodzaak om een systeem van indicatoren en maatregelen op te zetten om de doeltreffendheid van zowel openbare diensten voor arbeidsvoorziening als de jongerengarantie te evalueren en monitoren, omdat er weliswaar van begin af aan in een dergelijk systeem is voorzien, maar er nog altijd veel tekortkomingen zijn;

72.

verlangt dat deelnemers aan het programma naar behoren worden voorgelicht over de procedures die gevolgd kunnen worden als het instrument misbruikt wordt en dat maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat zij, zoals voorzien, de nodige bescherming genieten;

73.

pleit voor een efficiënte en transparante controle, rapportage en monitoring van de manier waarop de toegewezen fondsen op Europees en nationaal niveau worden gebruikt om misbruik en verspilling van middelen te voorkomen;

Door te voeren verbeteringen

74.

benadrukt dat een toezegging op de lange termijn moet worden gewaarborgd via een ambitieuze programmering en stabiele financiering uit zowel de EU-begroting als de nationale begrotingen, teneinde alle jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen in de EU te bereiken;

75.

wijst op het belang van samenwerking tussen alle bestuursniveaus (de EU, de lidstaten en lokale entiteiten) en de technische bijstand van de Commissie bij het doeltreffend uitvoeren van de jongerengarantie;

76.

onderstreept de noodzaak van het opzetten en ontwikkelen van levenslange loopbaanbegeleiding van hoge kwaliteit met actieve betrokkenheid van familieleden teneinde jongeren te helpen betere keuzes inzake hun onderwijs en loopbaan te maken;

77.

merkt op dat de Commissie in haar mededeling van oktober 2016 concludeert dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief doeltreffender moet worden gemaakt; meent dat dit moet worden gedaan door NEET's duurzaam te laten integreren op de arbeidsmarkt en door doelen vast te stellen die recht doen aan de diverse samenstelling van de NEET's, met specifieke, logische maatregelen voor elke subdoelgroep; merkt op dat aanvullend gebruik van andere programma's van het ESF om de duurzaamheid van de integratie van NEET's te waarborgen de doeltreffendheid kan vergroten;

78.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de verwachtingen in goede banen te leiden door realistische en haalbare doelstellingen en streefcijfers vast te stellen, verschillen te beoordelen, de markt te analyseren alvorens regelingen ten uitvoer te leggen, de procedures voor toezicht en kennisgeving te verbeteren en de kwaliteit van statistische gegevens te verbeteren zodat de resultaten goed kunnen worden gemeten;

79.

roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen dat voldoende financiering beschikbaar is om de geslaagde integratie te verzekeren van alle jonge arbeidskrachten die werkloos zijn of geen toegang hebben tot een gepaste opleiding of gepast onderwijsaanbod; benadrukt dat om duurzame resultaten te verkrijgen, de jongerengarantie moet voortbouwen op de bestaande ervaringen en moet worden voortgezet op lange termijn; benadrukt dat daarvoor een verhoging nodig is van de overheidsmiddelen die beschikbaar zijn voor het actieve arbeidsmarktbeleid op EU- en lidstaatniveau;

80.

verzoekt de lidstaten om de kosten van hun jongerengarantieregelingen adequaat te beoordelen, de verwachtingen bij te stellen aan de hand van realistische en haalbare doelstellingen, aanvullende middelen beschikbaar te stellen uit hun nationale begrotingen en te zorgen voor meer financiering voor hun openbare diensten voor arbeidsvoorziening om hen in staat te stellen aanvullende taken te verrichten die verband houden met de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

81.

vraagt de lidstaten dat zij zorgen voor het verzamelen van follow-upgegevens om te evalueren of de resultaten duurzaam zijn op de lange termijn vanuit kwalitatief en kwantitatief oogpunt, en dat zij de ontwikkeling van meer empirisch onderbouwd jeugdbeleid bevorderen; dringt aan op meer transparantie en consistentie in het verzamelen van gegevens, onder meer het verzamelen van naar gender uitgesplitste gegevens, in alle lidstaten; stelt bezorgd vast dat de duurzaamheid van „positieve exits” uit de jongerengarantie is verslechterd (9);

82.

verzoekt de Commissie een gedetailleerd onderzoek te verrichten naar de effecten van de maatregelen in de lidstaten, zodat de meest efficiënte oplossingen kunnen worden aangewezen, en op basis daarvan aanbevelingen voor de lidstaten op te stellen over hoe zij betere en efficiëntere resultaten kunnen behalen;

o

o o

83.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

(1)  PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.

(3)  PB L 126 van 21.5.2015, blz. 1.

(4)  Andere maatregelen zijn onder meer het in september 2010 gelanceerde initiatief „Jeugd in beweging”, het in december 2011 gelanceerde initiatief „Kansen voor jongeren” en de in januari 2012 gestarte jongerenactieteams;

(5)  In maart 2017: http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/8002525/3-02052017-AP-EN.pdf/94b69232-83a9-4011-8c85-1d4311215619

(6)  Social inclusion of young people (Eurofound 2015).

(7)  NEETs — young people not in employment, education or training: Characteristics, costs and policy responses in Europe", (Eurofound 2012).

(8)  Witboek over de toekomst van Europa, blz. 13.

(9)  Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer, paragraaf 164.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/117


P8_TA(2017)0395

Verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot hernieuwde goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 (D053565-01 — 2017/2904(RSP))

(2018/C 346/16)

Het Europees Parlement,

gezien de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot hernieuwde goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 (D053565-01),

gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 20, lid 1,

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (2),

gezien artikel 7 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (3),

gezien de conclusie van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) over de collegiale toetsing van de pesticide-risicobeoordeling van de werkzame stof glyfosaat (4),

gezien het advies van het Comité risicobeoordeling van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) met het voorstel tot geharmoniseerde indeling en etikettering van glyfosaat op EU-niveau (5),

gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot hernieuwde goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 (6),

gezien het Europees burgerinitiatief „Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige gewasbeschermingsmiddelen” (7),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 tot doel heeft „een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen en de werking van de interne markt te verbeteren door de regels voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, te harmoniseren en tegelijkertijd de landbouwproductie te verbeteren”; overwegende dat de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1107/2009 worden geschraagd door het voorzorgsbeginsel;

B.

overwegende dat de systemische onkruidverdelger glyfosaat op dit moment wereldwijd het hoogste productievolume van alle onkruidverdelgers haalt; overwegende dat glyfosaat wereldwijd voor 76 % in de landbouw wordt gebruikt; overwegende dat het daarnaast op grote schaal wordt gebruikt in de bosbouw en bij het onderhoud van stadsparken en tuinen; overwegende dat 72 % van de totale hoeveelheid glyfosaat die tussen 1974 en 2014 is gebruikt, in de laatste tien jaar is gesproeid;

C.

overwegende dat de bevolking vooral met de stof in contact komt door wonen in de buurt van besproeide gebieden, door eigen gebruik thuis en door voeding; overwegende dat blootstelling aan glyfosaat steeds veelvuldiger voorkomt door de toename van de totale hoeveelheid glyfosaat die wordt gebruikt; overwegende dat het effect van glyfosaat en de meest voorkomende coformulanten daarvan op de menselijke gezondheid regelmatig moet worden gecontroleerd; overwegende dat glyfosaat en/of residuen daarvan zijn aangetroffen in water, bodem, voedsel en dranken en niet-eetbare producten, maar ook in het menselijk lichaam (bijv. in urine);

D.

overwegende dat de EFSA in zijn op 26 oktober 2016 gepubliceerde Verslag aan de Europese Unie over residuen van pesticiden in levensmiddelen over 2014 constateerde dat de lidstaten slechts een beperkt aantal monsters van oliehoudende zaden en soja hadden genomen, terwijl deze gewassen waarschijnlijk met glyfosaat worden behandeld en er dus naar verwachting residuen kunnen worden aangetroffen; overwegende dat er volgens de EFSA geen informatie beschikbaar is over residuen van glyfosaat in dierlijke producten; overwegende dat de EFSA van mening is dat de resultaten statistisch niet erg betrouwbaar zijn;

E.

overwegende dat de EFSA in 2015 de aanbeveling deed dat de lidstaten het aantal analyses van glyfosaat en daarmee verband houdende residuen (bijv. trimethyl-sulfonium) moesten opschroeven in producten waarvoor het gebruik van glyfosaat geoorloofd is en waar meetbare residuen te verwachten zijn; overwegende dat er vooral meer monsters moeten worden genomen van soja, mais en koolzaad; overwegende dat de lidstaten tevens worden aangespoord om de bestaande analytische methoden verder te ontwikkelen en/of toe te passen om de metabolieten die als gevolg van glyfosaat worden gevormd te beheersen en vervolgens de resultaten aan de EFSA mee te delen;

F.

overwegende dat glyfosaat een niet-selectieve onkruidverdelger is die alle vegetatie vernietigt; overwegende dat de werking ervan berust op blokkering van de zogenoemde shikiminezuurroute, een stofwisselingsroute die ook voorkomt bij algen, bacteriën en schimmels; overwegende dat is vastgesteld dat subletale blootstelling van Escherichia coli en Salmonella enterica serovar Typhimurium aan commerciële toepassingen van glyfosaat kan leiden tot een verandering in de reactie op antibiotica;

G.

overwegende dat een werkzame stof overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 alleen mag worden toegelaten als die niet is of niet mag worden ingedeeld als kankerverwekkende stof van categorie 1A of 1B uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1272/2008, tenzij er sprake is van een geringe en te verwaarlozen blootstelling aan die werkzame stof of van een op geen enkele andere manier te beheersen ernstig fytosanitair gevaar;

H.

overwegende dat het International Agency for Research on Cancer (IARC) glyfosaat in maart 2015 heeft ingedeeld onder de stoffen die „waarschijnlijk kankerverwekkend zijn bij mensen” (groep 2A), aan de hand van „beperkte aantoonbaarheid” van kanker bij mensen (in gevallen van reële blootstelling), „voldoende aantoonbaarheid” van kanker bij proefdieren in het laboratorium (uit studies naar „zuivere” glyfosaat), en „sterke aantoonbaarheid” van mechanistische informatie rond kankerverwekkende eigenschappen (genotoxiciteit en oxidatiestress) van zowel „zuivere” glyfosaat als glyfosaatformuleringen; overwegende dat de criteria die het IARC hanteert voor groep 2A vergelijkbaar zijn met die voor categorie 1B in Verordening (EG) nr. 1272/2008;

I.

overwegende dat de EFSA in november 2015 een collegiale toetsing over glyfosaat heeft afgerond en tot de slotsom kwam dat „het onwaarschijnlijk is dat glyfosaat kankerverwekkend is voor mensen en dat het bewijsmateriaal geen steun biedt voor indeling als potentieel kankerverwekkende stof in de zin van Verordening (EG) nr. 1272/2008”; overwegende dat het Comité risicobeoordeling van het ECHA in maart 2017 bij consensus vaststelde dat glyfosaat op basis van de beschikbare informatie niet in verband kan worden gebracht met kanker bij mensen en dat glyfosaat niet mag worden ingedeeld bij stoffen die genetische schade veroorzaken (mutagenen) of de voortplanting verstoren;

J.

overwegende dat tijdens een gezamenlijke vergadering over residuen van pesticiden van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in mei 2016 het deskundigenpanel van de FAO inzake residuen van pesticiden in levensmiddelen en het milieu en de kernevaluatiegroep inzake residuen van pesticiden concludeerden dat „glyfosaat waarschijnlijk niet genotoxisch is bij verwachte dagelijkse blootstelling” en „waarschijnlijk niet kankerverwekkend is voor mensen bij blootstelling via hun voeding”;

K.

overwegende dat vanwege de rechtszaak in de VS die was aangespannen door personen die beweren dat ze een non-hodgkinlymfoom hebben ontwikkeld als gevolg van blootstelling aan glyfosaat, de rechtbank interne documenten van Monsanto, de eigenaar en producent van Roundup, een product met glyfosaat als werkzame stof, openbaar heeft gemaakt; overwegende dat de vrijgegeven correspondentie de geloofwaardigheid van een aantal studies aantast, zowel door Monsanto gesponsorde als vermoedelijk onafhankelijke studies, terwijl deze door de EFSA en het ECHA werden aangevoerd als bewijsmateriaal bij hun beoordeling van de veiligheid van glyfosaat; overwegende dat transparantie en openbaarheid van wetenschappelijke studies alsook van de ruwe gegevens waarop die studies gebaseerd zijn daarom van het grootste belang zijn;

L.

overwegende dat het ECHA naast zijn conclusie over de kankerverwekkende werking van glyfosaat vaststelt dat glyfosaat ernstig oogletsel veroorzaakt en giftig is voor in het water levende organismen, met effecten op de lange termijn;

M.

overwegende dat, voordat er op 29 juni 2016 een technische verlenging van 18- maanden werd toegekend voor glyfosaat, het Parlement op 13 april 2016 een resolutie aannam waarin de Commissie werd verzocht de goedkeuring voor glyfosaat te verlengen met zeven jaar, maar waarin tevens werd benadrukt dat de Commissie geen goedkeuring moest geven voor niet-professioneel gebruik, voor gebruik in of in de buurt van openbare parken, openbare speeltuinen of openbare tuinen, of voor gebruik in de landbouw wanneer systemen voor geïntegreerde plaagbestrijding volstaan voor de noodzakelijke bestrijding van onkruid; overwegende dat de Commissie in dezelfde resolutie werd verzocht opleidingen en gebruiksvergunningen voor professionele gebruikers te verzorgen, betere informatie te verstrekken over het gebruik van glyfosaat en het gebruik van producten met de actieve stof glyfosaat voorafgaand aan de oogst aan strenge beperkingen te onderwerpen, om het incorrecte gebruik van deze stof te voorkomen en de mogelijke risico's in verband daarmee te beperken;

N.

overwegende dat het Parlement er in zijn resolutie van 13 april 2016 tevens bij de Commissie en EFSA op aandrong onverwijld alle wetenschappelijke materiaal openbaar te maken waarop de positieve indeling van glyfosaat en de voorgestelde verlenging van de goedkeuring waren gebaseerd, gezien het hoger openbaar belang dat hiermee gemoeid is; overwegende dat dit tot nu toe nog niet is gebeurd;

O.

overwegende dat het Europees burgerinitiatief, waarnaar in overweging 13 van de ontwerpuitvoeringsmaatregel wordt verwezen en in het kader waarvan binnen een jaar meer dan een miljoen handtekeningen van Europese burgers zijn verzameld, niet alleen in een van de drie geformuleerde doelstellingen specifiek naar glyfosaat verwijst, maar zelfs al in de titel expliciet oproept tot een verbod op glyfosaat en de bescherming van mens en milieu tegen giftige gewasbeschermingsmiddelen; overwegende dat de Commissie dit document op 6 oktober 2017 heeft ontvangen en dat zij uiterlijk op 8 januari 2018 moet reageren;

P.

overwegende dat elk besluit voor de goedkeuring van een werkzame stof overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 gebaseerd moet zijn op het evaluatieverslag van de EFSA, andere voor het desbetreffende geval legitieme factoren en het voorzorgsbeginsel;

Q.

overwegende dat in de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie, die is gebaseerd op een wetenschappelijke evaluatie van het Duitse federale instituut voor risicobeoordeling (BfR), de EFSA en het ECHA, wordt voorgesteld glyfosaat toe te staan tot 15 december 2027, d.w.z. voor tien jaar; overwegende dat deze toestemming in zou gaan op 16 december 2017;

R.

overwegende dat de specifieke bepalingen in bijlage I bij de ontwerpuitvoeringsverordening tot hernieuwde goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat niet bindend zijn op het niveau van de Unie, maar dat de verantwoordelijkheid daarvoor bij de lidstaten wordt gelegd;

S.

overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico (8) benadrukte dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet worden herzien om de ontwikkeling, de toelating en het op de EU-markt brengen van biologische pesticiden met een laag risico te bevorderen, en de Commissie vraagt om voor eind 2018 een specifiek wetsvoorstel voor te leggen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009, los van de algemene herziening in het kader van het REFIT-initiatief, met het oog op de invoering van een versnelde procedure voor de beoordeling, toelating en registratie van biologische pesticiden met een laag risico;

T.

overwegende dat er een mededeling van de Commissie over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is aangekondigd voor publicatie voor het eind van 2017 en de begrotingsvoorstellen daarbij voor mei 2018;

1.

is van mening dat de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie geen waarborg biedt voor een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu, het voorzorgsbeginsel niet hanteert, en de uitvoeringsbevoegdheden uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 te buiten gaat;

2.

verzoekt de Commissie de ontwerpuitvoeringsverordening in te trekken en een nieuwe ontwerpuitvoeringsverordening in te dienen in overeenstemming met de eisen die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1107/2009, d.w.z. daarin niet alleen het advies van de EFSA op te nemen maar ook andere voor het desbetreffende geval legitieme factoren en het voorzorgsbeginsel;

3.

verzoekt de Commissie en de lidstaten geen goedkeuring te geven voor niet-professioneel gebruik van glyfosaat, noch voor gebruik van glyfosaat in of in de buurt van openbare parken, openbare speeltuinen of openbare tuinen na 15 december 2017;

4.

verzoekt de Commissie en de lidstaten met name geen goedkeuring te verlenen voor het gebruik van glyfosaat in de landbouw na 15 december 2017 wanneer systemen voor geïntegreerde plaagbestrijding volstaan voor de noodzakelijke bestrijding van onkruid;

5.

verzoekt de Commissie en de lidstaten geen goedkeuring te verlenen voor het gebruik van glyfosaat voor uitdroging voorafgaand aan de oogst met ingang van 16 december 2017;

6.

verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen om de werkzame stof glyfosaat uiterlijk 15 december 2022 geleidelijk af te schaffen in de Europese Unie, en te waarborgen dat geen enkel gebruik van glyfosaat wordt toegestaan na die datum, met inbegrip van een eventuele verlengingsperiode of in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 genoemde periode;

7.

is verheugd over het voorstel om POE-tallowamine niet langer in gewasbeschermingsmiddelen met glyfosaat te gebruiken; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun werkzaamheden voor de opstelling van een lijst van coformulanten die niet in gewasbeschermingsmiddelen worden toegelaten, te versnellen;

8.

verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de wetenschappelijke beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen met het oog op goedkeuring van regelgeving door de EU uitsluitend wordt gebaseerd op gepubliceerde collegiaal getoetste en onafhankelijke studies waartoe opdracht is gegeven door bevoegde overheidsinstanties; is van mening dat de REFIT-procedure uit Verordening (EG) nr. 1107/2009 eventueel kan worden gebruikt voor dat doel; is daarnaast van mening dat de EFSA en het ECHA de beschikking moeten krijgen over voldoende middelen om hun capaciteit uit te breiden, opdracht te kunnen geven tot onafhankelijke wetenschappelijke studies en ook in de toekomst te kunnen waarborgen dat de hoogste wetenschappelijke normen in acht worden genomen en de gezondheid en veiligheid van de EU-burgers worden beschermd;

9.

verzoekt de Commissie en de lidstaten toe te zien op toereikende tests van en controles op glyfosaatresiduen in voeder, levensmiddelen en dranken die worden geproduceerd en ingevoerd in de Unie, om het huidige gebrek aan informatie waarop werd gewezen door de EFSA aan te pakken;

10.

verzoekt de Commissie en de lidstaten financiering ter beschikking te stellen voor onderzoek en innovatie op het gebied van duurzame en kostenefficiënte oplossingen voor plaagbestrijdingsmiddelen, om een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen;

11.

verzoekt de Commissie en de lidstaten passende overgangsmaatregelen voor te stellen voor de landbouwsector en richtsnoeren uit te brengen met daarin alle mogelijke veiligere alternatieven met een lager risico om de landbouwsector bij te staan in de periode van geleidelijke afschaffing van de werkzame stof glyfosaat en met alle middelen die de landbouwsector al ter beschikking staan in het kader van het huidige GLB;

12.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(3)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(4)  http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4302

(5)  https://echa.europa.eu/documents/10162/2d3a87cc-5ca1-31d6-8967-9f124f1ab7ae

(6)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0119.

(7)  ECI(2017)000002.

(8)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0042.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/122


P8_TA(2017)0396

Genetisch gemodificeerde mais 1507

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D052754 — 2017/2905(RSP))

(2018/C 346/17)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 1507 (DAS-Ø15Ø7-1), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D052754),

gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), en met name artikel 11, lid 3, en artikel 23, lid 3,

gezien de stemming van 14 september 2017 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (2),

gezien het advies dat op 19 januari 2005 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 3 maart 2005 werd gepubliceerd (3),

gezien het advies dat op 30 november 2016 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 12 januari 2017 werd gepubliceerd (4),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemanipuleerde organismen (5), met name zijn eerdere resolutie over het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais 1507 van 6 oktober 2016,

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Pioneer Overseas Corporation en Dow AgroSciences Ltd. op 27 februari 2015 overeenkomstig de artikelen 11 en 23 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bij de Commissie gezamenlijk een aanvraag hebben ingediend voor een verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais 1507; overwegende dat het toepassingsgebied van de verlenging ook betrekking heeft op andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die bestaan uit of zijn geproduceerd met mais 1507;

B.

overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 30 november 2016 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 12 januari 2017 is gepubliceerd;

C.

overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en wordt vereist dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

D.

overwegende dat de genetisch gemodificeerde mais 1507 het Cry1F-eiwit tot expressie brengt, een Bt-eiwit (afkomstig van Bacillus thuringiensis subsp. Kurstaki) dat resistentie geeft tegen de Europese maisboorder (Ostrinia nubilalis) en bepaalde andere schadelijke schubvleugelige insecten zoals de paarsrode boorder (Sesamia spp.), de legerrups (Spodoptera frugiperda), de aardrups van de grote worteluil (Agrotis ipsilon) en de Mexicaanse maisboorder (Diatraea grandiosella), alsook het PAT-eiwit dat tolerantie geeft voor het herbicide glufosinaat-ammonium;

E.

overwegende dat genetisch gemodificeerde Bt-gewassen het insecticidetoxine tot expressie brengen in elke cel gedurende de gehele levensduur, ook in de delen die door mensen en dieren worden geconsumeerd; overwegende dat uit experimenten met het voederen van dieren blijkt dat genetisch gemodificeerde Bt-gewassen mogelijk toxische effecten hebben (6); overwegende dat is aangetoond dat het Bt-toxine in genetisch gemodificeerde gewassen aanzienlijk verschilt van het Bt-toxine dat in de natuur voorkomt (7);

F.

overwegende dat de verlening van een vergunning voor de teelt van mais 1507 in de Unie momenteel in behandeling is; overwegende dat het Parlement bezwaar heeft gemaakt tegen een dergelijke verlening van een vergunning, onder meer uit bezorgdheid over het eventuele ontstaan van resistentie tegen het Cry1F-eiwit bij schadelijke schubvleugelige insecten, hetgeen gewijzigde praktijken voor de bestrijding van schadelijke organismen tot gevolg kan hebben (8);

G.

overwegende dat de lidstaten gedurende de overlegperiode van drie maanden waarin is voorzien voor de risicobeoordeling van de EFSA met betrekking tot de initiële vergunning, tal van kritische opmerkingen hebben ingediend; overwegende dat in de meest kritische commentaren wordt opgemerkt dat er onvoldoende documentatie is verstrekt om een risicobeoordeling te kunnen verrichten, dat het controleplan niet strookt met de bepalingen van bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG, en dat de gegevens en risicobeoordelingen die door de aanvrager zijn verstrekt niet voldoen (9);

H.

overwegende dat de lidstaten ook gedurende de overlegperiode van drie maanden waarin is voorzien voor de risicobeoordeling van de EFSA met betrekking tot de verlenging van de vergunning, tal van kritische opmerkingen hebben ingediend (10); overwegende dat in de meest kritische commentaren wordt opgemerkt dat het voorgestelde controleplan niet geschikt is om een aantal problemen met betrekking tot milieumonitoring na het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde mais 1057 aan te pakken en niet kan worden beschouwd als voldoende uitgewerkt om toe te zien op de potentiële milieublootstelling van genetisch gemodificeerde mais 1507, dat de controle als verricht door de kennisgever geen betrouwbare gegevens heeft opgeleverd ter bevestiging van de conclusie van de risicobeoordeling dat de effecten op de menselijke en dierlijke gezondheid verwaarloosbaar zouden zijn, en dat het bewijsmateriaal dat moet aantonen dat het gebruik van het Pat-eiwit in het verleden veilig is gebleken, zoals vereist uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 503/2013 van de Commissie, door de kennisgever niet naar behoren is gedocumenteerd;

I.

overwegende dat er geen controle is verricht over de persistentie van Cry-eiwitten die in het milieu terechtkomen door het gebruik van genetisch gemodificeerde mais 1507 in diervoeder, hoewel Cry-eiwitten maandenlang in de bodem aanwezig kunnen blijven met behoud van hun werking als insecticide, zoals is aangetoond voor het toxine Cry1Ab (11);

J.

overwegende dat glufosinaat is ingedeeld bij de stoffen die toxisch zijn ten aanzien van de voortplanting en dus onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen; overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat op 31 juli 2018 afloopt;

K.

overwegende dat de toepassing van complementaire herbiciden tot de gangbare landbouwpraktijken behoort bij de teelt van herbicideresistente gewassen en dat daarom te verwachten valt dat de oogst steeds residuen van besproeiing zal bevatten en dat deze er een onvermijdelijk bestanddeel van uitmaken; overwegende dat is aangetoond dat voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen meer van dit soort complementaire herbiciden worden gebruikt dan voor hun conventionele tegenhangers (12);

L.

overwegende dat de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met glufosinaat niet zijn opgenomen in de beoordeling; overwegende dat dus niet kan worden geconcludeerd dat deze genetisch gemanipuleerde mais 1507 veilig is voor gebruik in levensmiddelen en diervoeders;

M.

overwegende dat voor mais 1507 een vergunning voor teeltdoeleinden is verleend in Argentinië, Brazilië, Canada, Colombia, Honduras, Japan, Panama, Paraguay, de Filipijnen, Zuid-Afrika, de VS en Uruguay; overwegende dat uit een recente collegiaal getoetste studie blijkt dat de ontwikkeling van resistentie tegen Cry-eiwitten bij de beoogde insecten een ernstig gevaar vormt voor de duurzaamheid van de Bt-technologie (13); overwegende dat glufosinaatresistent onkruid sinds 2009 wordt waargenomen;

N.

overwegende dat de stemming op 14 september 2017 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft opgeleverd; overwegende dat twaalf lidstaten tegen stemden en twaalf lidstaten, die nauwelijks 38,75 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl vier lidstaten zich van stemming onthielden;

O.

overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit — bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel — de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook Commissievoorzitter Juncker deze praktijk heeft afgekeurd en als ondemocratisch heeft bestempeld (14);

P.

overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing heeft verworpen (15) en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

Q.

overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

R.

overwegende dat het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 niet volstaat om het gebrek aan democratie in de vergunningsprocedure voor ggo's aan te pakken;

S.

overwegende dat democratische legitimiteit alleen kan worden gegarandeerd als er op zijn minst in wordt voorzien dat het Commissievoorstel wordt ingetrokken wanneer het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt; overwegende dat deze procedure al bestaat voor sommige andere permanente comités;

1.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (16) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.

verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor genetisch gemodificeerde organismen op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.

verzoekt de bevoegde wetgevers dringend vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 en er onder andere voor te zorgen dat de Commissie het voorstel intrekt als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt over de toelating van een ggo, hetzij voor teelt, hetzij voor levensmiddelen en diervoeders;

6.

verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

7.

verzoekt de Commissie strategieën uit te werken voor de beoordeling van gezondheidsrisico's en voor toxicologie, alsook voor toezicht na het in de handel brengen, gericht op de volledige levensmiddelen- en diervoederketen;

8.

verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van de complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicidetolerante genetisch gemodificeerde gewassen, ongeacht of het genetisch gemodificeerde gewas bestemd is voor teelt in de Unie of voor invoer als levensmiddelen en diervoeders;

9.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(3)  http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/182

(4)  https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4659

(5)  

Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).

Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (P8_TA(2015)0456).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0040).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0039).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0038).

Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de „events” Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271).

Resolutie van het Europees Parlement van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0272).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).

Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).

Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).

Resolutie 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0377).

Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0378).

(6)  Zie bijvoorbeeld El-Shamei ZS, Gab-Alla AA, Shatta AA, Moussa EA, Rayan AM, Histopathological Changes in Some Organs of Male Rats Fed on Genetically Modified Corn (Ajeeb YG). Journal of American Science 2012, 8(9):1127-1123. https://www.researchgate.net/publication/235256452_Histopathological_Changes_in_Some_Organs_of_Male_Rats_Fed_on_Genetically_Modified_Corn_Ajeeb_YG

(7)  Székács A, Darvas B. Comparative aspects of Cry toxin usage in insect control. In: Ishaaya I, Palli SR, Horowitz AR, eds. Advanced Technologies for Managing Insect Pests. Dordrecht, Nederland: Springer; 2012:195-230. https://link.springer.com/chapter/10.1007/978-94-007-4497-4_10

(8)  Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).

(9)  http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2004-08

(10)  Bijlage F — Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2015-00342

(11)  Bijlage F — Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2015-00342, blz. 7.

(12)  https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00267-015-0589-7

(13)  https://drive.google.com/file/d/0B7H5dHXeodSCc2RjYmwzaUIyZWs/view

(14)  Hij deed dit onder meer in zijn Openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).

(15)  PB C 355 van 20.10.2017, blz. 165.

(16)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/127


P8_TA(2017)0397

Genetisch gemodificeerde soja 305423 x 40-3-2

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja 305423 x 40-3-2 (DP-3Ø5423-1 × MON-Ø4Ø32-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D052752 — 2017/2906(RSP))

(2018/C 346/18)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja 305423 x 40-3-2 (DP-3Ø5423-1 × MON-Ø4Ø32-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D052752),

gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

gezien de stemming van 14 september 2017 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (2),

gezien het advies dat op 14 juli 2016 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 18 augustus 2016 werd gepubliceerd (3),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemanipuleerde organismen (4),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Pioneer Overseas Corporation op 20 september 2007 bij de nationale bevoegde instantie van Nederland een aanvraag heeft ingediend om levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja 305423 x 40-3-2 in de handel te brengen, overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat deze aanvraag ook betrekking had op het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde soja 305423 x 40-3-2 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan en bestemd zijn voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere sojasoorten zijn toegelaten, met uitzondering van de teelt;

B.

overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 14 juli 2016 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 18 augustus 2016 is gepubliceerd;

C.

overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en wordt vereist dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

D.

overwegende dat een van de ouderplanten, soja 305423, genetisch gemanipuleerd is om de oliesamenstelling van de planten te wijzigen en ze resistent te maken tegen acetolactaatsynthase-remmende herbiciden, waaronder herbiciden van de chemische families imidazolinon, sulfonylureum, triazolopyrimidine, pyrimidinyl(thio)benzoaat en sulfonylaminocarbonyltriazolinon; overwegende dat de andere ouderplant, soja 40-3-2, het epsps-gen bevat om ze resistent te maken tegen herbiciden op basis van glyfosaat; overwegende dat deze genetisch gemodificeerde sojabonen zijn gecombineerd om een boon met meerdere transformatiestappen te creëren die resistent is tegen twee herbiciden en een andere oliesamenstelling heeft;

E.

overwegende dat de lidstaten gedurende de overlegperiode van drie maanden talrijke kritische opmerkingen hebben ingediend (5); overwegende dat in de meest kritische commentaren wordt opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van de voeding voor mens of dier niet mogelijk is een gunstig oordeel te vellen over het veiligheidsprofiel van producten die zijn afgeleid van sojavariëteiten met transformatiestappen 305423 en 40-3-2, dat het niet mogelijk is conclusies te trekken over de allergene werking van deze soja met meerdere transformatiestappen, dat „het ontbreekt aan voldoende gegevens en geschikt vergelijkingsmateriaal om potentiële wisselwerkingen tussen de ouderlijnen te beoordelen en ongewenste effecten in de transformatiestappen in vergelijking met de ouderlijnen op te sporen” en dat „de risicobeoordeling van soja 305423 x 40-3-2 niet kan worden afgesloten op basis van de verstrekte gegevens”;

F.

overwegende dat de aanvrager een toxicologische vervoederingsstudie over 90 dagen heeft ingediend, die wegens onvoldoende kwaliteit door de EFSA werd verworpen; overwegende dat de risicobeoordeling bijgevolg geen dergelijke studie omvat, wat door de bevoegde autoriteiten van een aantal lidstaten werd bekritiseerd; overwegende dat deze gegevenshiaat onaanvaardbaar is, met name omdat een dergelijke studie volgens de EFSA-richtsnoeren van 2006 vereist is (6);

G.

overwegende dat in een onafhankelijke studie, op basis van een aantal ontbrekende gegevens (waaronder het ontbreken van een beoordeling van ongewenste effecten als gevolg van de bewuste genetische modificatie, het ontbreken van een beoordeling van de toxische effecten en het ontbreken van een beoordeling van residuen die afkomstig zijn van besproeiing met complementaire herbiciden), wordt geconcludeerd dat de risicobeoordeling niet kan worden afgesloten en dat de aanvraag daarom moet worden afgewezen (7);

H.

overwegende dat de toepassing van complementaire herbiciden tot de gangbare landbouwpraktijken behoort bij de teelt van herbicideresistente gewassen en dat daarom te verwachten valt dat de oogst steeds residuen van besproeiing zal bevatten en dat deze er een onvermijdelijk bestanddeel van uitmaken; overwegende dat is aangetoond dat voor herbicideresistente ggo's meer van dit soort complementaire herbiciden worden gebruikt dan voor hun conventionele tegenhangers (8);

I.

overwegende dat de huidige vergunning van glyfosaat uiterlijk op 31 december 2017 afloopt; overwegende dat de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat nog steeds vragen doen rijzen; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend zou zijn en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in maart 2017 heeft besloten dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek (IARC) van de WHO daarentegen glyfosaat in 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen;

J.

overwegende dat er volgens het pesticidenpanel van de EFSA op basis van de tot dusver verstrekte gegevens geen conclusies kunnen worden getrokken over de veiligheid van residuen die afkomstig zijn van het besproeien van genetisch gemodificeerde gewassen met glyfosaatpreparaten (9); overwegende dat toevoegingsmiddelen en mengsels die in commerciële glyfosaatsproeistoffen worden gebruikt, giftiger kunnen zijn dan de werkzame stof afzonderlijk (10); overwegende dat uit een aantal studies blijkt dat glyfosaatformuleringen hormoonontregelend kunnen werken (11);

K.

overwegende dat ingevoerde genetisch gemodificeerde soja op grote schaal voor diervoeder wordt gebruikt in de EU; overwegende dat er volgens een collegiaal getoetste wetenschappelijke studie een verband kan bestaan tussen glyfosaat in voeder voor drachtige zeugen en een toename van het aantal gevallen van ernstige aangeboren afwijkingen bij hun biggen (12);

L.

overwegende dat er geen uitgebreide risicobeoordeling bestaat van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing van genetisch gemodificeerde soja met acetolactaatsynthase-remmers (ALS-remmers) als complementaire herbiciden; overwegende dat het pesticidenpanel van de EFSA daarentegen belangrijke gegevenshiaten heeft vastgesteld in het geval van thifensulfuron, een van de werkzame stoffen die als ALS-remmer fungeren (13);

M.

overwegende dat de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden niet zijn opgenomen in de beoordeling; overwegende dat dus niet kan worden geconcludeerd dat genetisch gemanipuleerde soja 305423 x 40-3-2 die wordt besproeid met glyfosaat en ALS-remmende herbiciden, veilig is voor gebruik in levensmiddelen en diervoeders;

N.

overwegende dat een vergunning voor het invoeren van soja 305423 x 40-3-2 in de Unie ongetwijfeld zal leiden tot een toename van de teelt van dit gewas in derde landen, en als gevolg daarvan tot een toename van het gebruik van de complementaire herbiciden;

O.

overwegende dat soja 305423 x 40-3-2 wordt geteeld in Argentinië, Canada en Japan; overwegende dat de desastreuze gevolgen van het gebruik van glyfosaat voor de gezondheid in Argentinië uitgebreid gedocumenteerd is;

P.

overwegende dat de Unie de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's) heeft onderschreven, die onder meer een engagement inhouden om het aantal overlijdens en ziekten als gevolg van gevaarlijke chemische stoffen en lucht-, water- en bodemverontreiniging en -vervuiling tegen 2030 aanzienlijk terug te dringen (SDG 3, doelstelling 3.9) (14); overwegende dat de Unie vasthoudt aan het concept van beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat erop gericht is tegenstrijdigheden in het Uniebeleid tot een minimum te beperken en synergieën te creëren tussen de verschillende beleidsdomeinen van de Unie, onder meer op het gebied van handel, milieu en landbouw, zodat het beleid ten goede komt aan ontwikkelingslanden en de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking vergroot;

Q.

overwegende dat de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerantie geven voor verschillende selectieve herbiciden vooral te wijten is aan de snelle ontwikkeling van onkruidresistentie tegen glyfosaat in landen die sterk hebben ingezet op genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat in wetenschappelijke publicaties meer dan 20 verschillende varianten van glyfosaatresistent onkruid zijn gedocumenteerd (15);

R.

overwegende dat de stemming op 14 september 2017 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 „geen advies” heeft opgeleverd; overwegende dat 14 lidstaten tegen stemden en slechts 10 lidstaten, die nauwelijks 38,43 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl vier lidstaten zich van stemming onthielden;

S.

overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit — bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel — de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook Commissievoorzitter Juncker deze praktijk heeft afgekeurd en als ondemocratisch heeft bestempeld (16);

T.

overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing (17) heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

U.

overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

V.

overwegende dat het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 niet volstaat om het gebrek aan democratie in de toelatingsprocedure voor ggo's aan te pakken;

W.

overwegende dat democratische legitimiteit alleen kan worden gegarandeerd als er op zijn minst in wordt voorzien dat, wanneer het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt, het Commissievoorstel wordt ingetrokken; overwegende dat deze procedure al bestaat voor sommige andere permanente comités;

1.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (18) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.

verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor genetisch gemodificeerde organismen op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.

verzoekt de bevoegde wetgevers dringend vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 en er onder andere voor te zorgen dat, als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies over de toelating van een ggo, hetzij voor teelt, hetzij voor levensmiddelen en diervoeders, uitbrengt, de Commissie het voorstel intrekt;

6.

verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de specifieke cumulatieve effecten van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de combinatie van complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

7.

verzoekt de Commissie ervoor te pleiten dat er veel nauwkeuriger wordt getest welke gezondheidsrisico's modificaties met meerdere transformatiestappen zoals soja 305423 x 40-3-2 met zich meebrengen;

8.

verzoekt de Commissie strategieën uit te werken voor de beoordeling van gezondheidsrisico's en voor toxicologie, alsook voor toezicht na het in de handel brengen, gericht op de volledige levensmiddelen- en diervoederketen;

9.

verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van de complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten, ongeacht of de genetisch gemodificeerde plant bestemd is voor teelt in de Unie of voor invoer als levensmiddelen en diervoeders;

10.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(3)  https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4566

(4)  

Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).

Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (P8_TA(2015)0456).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0040).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0039).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0038).

Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de „events” Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271).

Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0272).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).

Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maïssoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).

Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).

Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0377).

Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0378).

(5)  Bijlage G — Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2007-175

(6)  Idem.

(7)  . https://www.testbiotech.org/sites/default/files/TBT%20Background%20 Soybean%20305423%20x%2040-3-2.pdf

(8)  https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00267-015-0589-7

(9)  Conclusie van de EFSA over de intercollegiale toetsing van de pesticide-risicobeoordeling van de werkzame stof glyfosaat. EFSA journal 2015, 13 (11):4302: http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2015.4302/epdf

(10)  https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3955666

(11)  https://www.testbiotech.org/sites/default/files/TBT%20Background%20Soybean %20305423%20x%2040-3-2.pdf

(12)  https://www.omicsonline.org/open-access/detection-of-glyphosate-in-malformed-piglets-2161-0525.1000230.php?aid=27562

(13)  „De mogelijke hormoonontregelende werking van thifensufron-methyl werd aangemerkt als een kwestie die niet kon worden afgesloten, en als een kritiek aandachtspunt”. Conclusie over de intercollegiale toetsing van de werkzame stof thifensulfuron-methyl. EFSA journal 13(7):4201, blz. 2: http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2015.4201/epdf

(14)  https://sustainabledevelopment.un.org/sdg3

(15)  . https://link.springer.com/chapter/10.1007/978-94-007-7796-5_12

(16)  Hij deed dit onder meer in zijn Openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).

(17)  PB C 355 van 20.10.2017, blz. 165.

(18)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/133


P8_TA(2017)0398

Genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8 × ACS-BNØØ3-6), MON 88302 × Ms8 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8) en MON 88302 × Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACS-BNØØ3-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D052753 — 2017/2907(RSP))

(2018/C 346/19)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 x Ms8 x Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8 × ACS-BNØØ3-6), MON 88302 x Ms8 (MON-883Ø2-9 × ACSBNØØ5-8) en MON 88302 x Rf3 (MON-883Ø2-9 × ACS-BNØØ3-6), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D052753),

gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

gezien de stemming van 14 september 2017 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (2),

gezien het advies dat op 1 maart 2017 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 10 april 2017 werd gepubliceerd (3),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemanipuleerde organismen (4),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Monsanto Europe S.A. en Bayer CropScience N.V. op 3 december 2013 bij de nationale bevoegde instantie van Nederland een aanvraag hebben ingediend om levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 in de handel te brengen, overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat deze aanvraag ook betrekking heeft op het in de handel brengen van genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan, voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere koolzaadsoorten zijn toegelaten, met uitzondering van de teelt; overwegende dat de aanvraag voor dit gebruik betrekking had op alle subcombinaties van de afzonderlijke transformatiestappen van koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3;

B.

overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 1 maart 2017 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 10 april 2017 is gepubliceerd;

C.

overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en wordt vereist dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

D.

overwegende dat het met drie events gemodificeerde koolzaad geproduceerd is door conventionele kruising om drie afzonderlijke koolzaadevents te combineren: MON 88302, dat het eiwit 5-enolpyruvylshikimaat-3-fosfaatsynthase (CP4 EPSPS) tot expressie brengt voor tolerantie voor glyfosaat bevattende herbiciden, MS8, dat de eiwitten barnase en fosfinotricineacetyltransferase (PAT) tot expressie brengt, en RF3, dat de eiwitten barstar en PAT tot expressie brengt, voor tolerantie voor glufosinaat-ammonium bevattende herbiciden en voor het verkrijgen van heterosis (bastaardluxuratie);

E.

overwegende dat de lidstaten gedurende de overlegperiode van drie maanden talrijke kritische opmerkingen hebben ingediend; overwegende dat de meest kritische opmerkingen zijn dat de overgelegde gegevens geen alomvattende en grondige beoordeling ondersteunen van een mogelijke wisselwerking tussen de afzonderlijke events die samenkomen in genetisch gemodificeerd koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3, hetgeen overeenkomstig de EFSA-richtsnoeren vereist is, dat gezien het studiemateriaal en de studie-opzet geen definitief bewijs kan worden geleverd met betrekking tot de effecten op lange termijn (met name ten aanzien van levensmiddelen), voortplantingseffecten of ontwikkelingseffecten, dat de informatie (gegevens en analyses) die worden verstrekt over de fenotypische evaluatie, samenstelling en toxicologie ontoereikend is en dat nadere studies moeten worden uitgevoerd om de veiligheid van MON 88302 × Ms8 × Rf3 te bewijzen (5);

F.

overwegende dat essentiële specifieke elementen die bezorgdheid wekken, betrekking hebben op het ontbreken van een 90-daagse voederstudie van ratten, het ontbreken van een beoordeling van de residuen van de complementaire herbiciden op ingevoerde levensmiddelen en diervoeders, de mogelijke negatieve gevolgen voor de gezondheid hiervan en de ontoereikendheid van het plan inzake de monitoring van de milieueffecten;

G.

overwegende dat het Franse agentschap voor voedsel, milieu en veiligheid en gezondheid op het werk wegens het ontbreken van een verslag van een onderzoek van 90 dagen naar subchronische toxiciteit bij ratten terecht de aanvraag om MON 88302 × Ms8 × Rf3 in de handel te brengen, heeft afgewezen (6);

H.

overwegende dat in een onafhankelijke studie wordt geconcludeerd dat het EFSA-advies moet worden verworpen wegens grote fouten en aanzienlijke leemten en dat daarom de invoer van levensvatbare pitten van het in meerdere transformatiestappen gecreëerde event MON 88302 × Ms8 × Rf3 in de Unie niet mag worden toegestaan (7);

I.

overwegende dat de toepassing van complementaire herbiciden tot de gangbare landbouwpraktijken behoort bij de teelt van herbicideresistente gewassen en dat daarom te verwachten valt dat de oogst steeds residuen van besproeiing zal bevatten en dat deze er een onvermijdelijk bestanddeel van uitmaken; overwegende dat is aangetoond dat voor herbicideresistente ggo's meer van dit soort complementaire herbiciden worden gebruikt dan voor hun conventionele tegenhangers (8);

J.

overwegende dat de huidige vergunning van glyfosaat uiterlijk op 31 december 2017 afloopt; overwegende dat de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat nog steeds vragen doen rijzen; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend zou zijn en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in maart 2017 heeft besloten dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek (IARC) van de WHO daarentegen glyfosaat in 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen;

K.

overwegende dat er volgens het pesticidenpanel van de EFSA op basis van de tot dusver verstrekte gegevens geen conclusies kunnen worden getrokken over de veiligheid van residuen die afkomstig zijn van het besproeien van genetisch gemodificeerde gewassen met glyfosaatmengsels (9); overwegende dat toevoegingsmiddelen en mengsels die in commerciële glyfosaatsproeistoffen worden gebruikt, giftiger kunnen zijn dan de werkzame stof afzonderlijk (10); overwegende dat uit een aantal studies blijkt dat glyfosaatformuleringen hormoonontregelend kunnen werken (11);

L.

overwegende dat ingevoerde genetisch gemodificeerde koolzaad op grote schaal voor diervoeder wordt gebruikt in de EU; overwegende dat er volgens een collegiaal getoetste wetenschappelijke studie een verband kan bestaan tussen glyfosaat in voeder voor drachtige zeugen en een toename van het aantal gevallen van ernstige aangeboren afwijkingen bij hun biggen (12);

M.

overwegende dat glufosinaat is ingedeeld bij de stoffen die toxisch zijn ten aanzien van de voortplanting en dus onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (13); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat op 31 juli 2018 afloopt (14);

N.

overwegende dat de bevoegde instantie van een lidstaat erop heeft gewezen dat toelating verlenen voor de invoer van dit glufosinaattolerante genetisch gemodificeerde koolzaad inconsistent is, aangezien het onwaarschijnlijk is dat de vergunning voor het gebruik van glufosinaat in de Unie zal worden verlengd, gezien de voortplantingstoxiciteit ervan (15);

O.

overwegende dat de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden niet zijn opgenomen in de beoordeling; overwegende dat dus niet kan worden geconcludeerd dat dit genetisch gemodificeerde koolzaad dat wordt besproeid met glyfosaat en glufosinaat, veilig is voor gebruik in levensmiddelen en diervoeders;

P.

overwegende dat bovendien vele bevoegde instanties van de lidstaten bezorgdheid hebben geuit over het potentieel van dit genetisch gemodificeerde koolzaad om een wilde gewassenpopulatie in de Unie te worden, met name langs importtransportroutes, en erop hebben gewezen dat het monitoringplan ontoereikend is op dit gebied;

Q.

overwegende dat één lidstaat heeft opgemerkt dat glyfosaat algemeen wordt gebruikt voor onkruidbestrijding langs spoorwegen en langs wegen in de Unie; dat de hoge glyfosaattolerantie van MON 88302 × Ms8 × Rf3 in deze omstandigheden kan leiden tot een selectief voordeel; dat met de gevolgen van dit selectieve voordeel voor de persistentie en invasiviteit rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de waarschijnlijkheid dat de lijn in Europa permanente populaties vormt, met name gezien het vermogen van koolzaad om te overleven in de zaadbank;

R.

overwegende dat volgens een Oostenrijkse studie uit 2011 diverse internationale studies wijzen op het morsen van zaai- of pootgoed tijdens het vervoer als een belangrijk element voor de totstandkoming van wilde koolzaadpopulaties in habitats die gesitueerd zijn aan wegen, dat het een bekend probleem is dat wilde koolzaadpopulaties alomtegenwoordig zijn in landen waar koolzaad wordt geteeld, maar ook in landen waar koolzaad slechts wordt ingevoerd en vervolgens vervoerd naar olieverwerkingsbedrijven en dat bovendien de invoer van verschillende soorten herbicidetolerante koolzaadlijnen kan resulteren in multiresistente wilde populaties („genstapeling”), zodat problemen worden veroorzaakt met betrekking tot het herbicidebeheer van habitats aan wegen of deze problemen worden verergerd (16);

S.

overwegende dat de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerantie geven voor verschillende selectieve herbiciden vooral te wijten is aan de snelle ontwikkeling van onkruidresistentie tegen glyfosaat in landen die sterk hebben ingezet op genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat in wetenschappelijke publicaties meer dan 20 verschillende varianten van glyfosaatresistent onkruid zijn gedocumenteerd (17); overwegende dat glufosinaatresistent onkruid sinds 2009 wordt waargenomen;

T.

overwegende dat de stemming op 14 september 2017 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 „geen advies” heeft opgeleverd; overwegende dat veertien lidstaten tegen het ontwerp van uitvoeringshandeling stemden en slechts negen lidstaten, die slechts 36,48 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl vijf lidstaten zich onthielden;

U.

overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft vastgesteld die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit — bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel — de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook Commissievoorzitter Juncker deze praktijk heeft afgekeurd en als ondemocratisch heeft bestempeld (18);

V.

overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing (19) heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

W.

overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

X.

overwegende dat het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 niet volstaat om het gebrek aan democratie in de toelatingsprocedure voor ggo's aan te pakken;

Y.

overwegende dat democratische legitimiteit alleen kan worden gegarandeerd als er op zijn minst in wordt voorzien dat, wanneer het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies uitbrengt, het Commissievoorstel wordt ingetrokken; overwegende dat deze procedure al bestaat voor sommige andere permanente comités;

1.

is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.

is van mening dat het uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, doordat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (20) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.

verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.

verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor genetisch gemodificeerde organismen op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.

verzoekt de bevoegde wetgevers dringend vooruitgang te boeken met betrekking tot het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 en er onder andere voor te zorgen dat, als het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid geen advies over de toelating van een ggo, hetzij voor teelt, hetzij voor levensmiddelen en diervoeders, uitbrengt, de Commissie het voorstel intrekt;

6.

verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten die resistent zijn gemaakt tegen een combinatie van herbiciden, zoals in het geval van koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3, zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de specifieke cumulatieve effecten van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de combinatie van complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

7.

verzoekt de Commissie ervoor te pleiten dat er veel nauwkeuriger wordt getest welke gezondheidsrisico's modificaties met meerdere transformatiestappen zoals koolzaad MON 88302 × Ms8 × Rf3 met zich meebrengen;

8.

verzoekt de Commissie strategieën uit te werken voor de beoordeling van gezondheidsrisico's, voor toxicologie en voor toezicht na het in de handel brengen, gericht op de volledige levensmiddelen- en diervoederketen;

9.

verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van de complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten, ongeacht of de genetisch gemodificeerde plant bestemd is voor teelt in de Unie of voor invoer als levensmiddelen en diervoeders;

10.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(3)  https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4767

(4)  

Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).

Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (P8_TA(2015)0456).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0040).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0039).

Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0038).

Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maïssoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de „events” Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271).

Resolutie van het Europees Parlement van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0272).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde maïs MON 810 (P8_TA(2016)0388).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).

Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).

Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maïssoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).

Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).

Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).

Resolutie 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0377).

Resolutie van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0378).

(5)  Bijlage G — Member States’ comments and GMO Panel responses: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2013-01002

(6)  Idem.

(7)  https://www.testbiotech.org/sites/default/files/TBT%20comment%20 MON80332%20x%20MS8%20x%20RF3_v2.pdf

(8)  https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00267-015-0589-7

(9)  Conclusie van de EFSA over de intercollegiale toetsing van de pesticide-risicobeoordeling van de werkzame stof glyfosaat. EFSA journal 2015, 13 (11):4302. http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.2903/j.efsa.2015.4302/epdf

(10)  https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3955666

(11)  https://www.testbiotech.org/sites/default/files/TBT%20Background%20 Soybean%20305423%20x%2040-3-2.pdf

(12)  https://www.omicsonline.org/open-access/detection-of-glyphosate-in-malformed-piglets-2161-0525.1000230.php?aid=27562

(13)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(14)  PB L 67 van 12.3.2015, blz. 6.

(15)  Bijlage G — Member States’ comments and GMO Panel responses: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2013-01002

(16)  https://www.bmgf.gv.at/cms/home/attachments/3/0/9/CH1060/CMS1215778250501/osrimportban_gt73,ms8xrf3_2011_(nicht_zu_versenden_).pdf, p. 4.

(17)  https://link.springer.com/chapter/10.1007/978-94-007-7796-5_12

(18)  Hij deed dit onder meer in zijn Openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).

(19)  PB C 355 van 20.10.2017, blz. 165.

(20)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/139


P8_TA(2017)0401

Discussienota over de toekomst van de EU-financiën

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën (2017/2742(RSP))

(2018/C 346/20)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (1), en met name artikel 2,

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (2),

gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over „De voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel” (3),

gezien de discussienota van de Commissie over de toekomst van de EU-financiën van 28 juni 2017,

gezien de verklaring van de Commissie van 4 juli 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën,

gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone (4),

gezien de ontwerpresolutie van de Begrotingscommissie,

gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

1.

is ervan overtuigd dat een debat over de toekomstige financiering van de Europese Unie niet mogelijk is zonder rekening te houden met de ervaring die is opgedaan bij vorige meerjarige financiële kaders (MFK) en met name het MFK 2014-2020; wijst op de ernstige tekortkomingen van het huidige MFK, dat tot het uiterste is benut om de Unie de noodzakelijke middelen te leveren en zo in te spelen op een aantal zware crises en nieuwe uitdagingen en haar nieuwe politieke prioriteiten te financieren; benadrukt zijn overtuiging dat het lage bedrag van het huidige MFK niet volstaat om aan de werkelijke behoeften en politieke ambities van de Unie te beantwoorden;

2.

is ingenomen met de presentatie van de Commissie over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën; stelt vast dat de Commissie daarin de gevolgen voor de begroting beschrijft van de vijf toekomstscenario's voor de Europese Unie, zoals die in het witboek over de toekomst van Europa van maart 2017 werden gepresenteerd, en een aantal basiskenmerken en -beginselen van de EU-begroting behandelt; is het eens met de voorgestelde methodiek en staat positief tegenover de verklaring van de Commissie dat het toekomstige MFK moet berusten op een duidelijke visie op de prioriteiten van Europa; vertrouwt erop dat deze nota een heldere structuur biedt voor de besprekingen en een broodnodig politiek debat op gang brengt over de oriëntatie, het doel en de omvang van de EU-begroting, tegen de achtergrond van de wezenlijke doelstellingen en toekomstige uitdagingen van de Unie; verzoekt de lidstaten burgers te raadplegen en een actieve en constructieve rol op zich te nemen door hun visie op de toekomst van de EU-begroting uit de doeken te doen;

3.

betreurt het evenwel dat vier van de vijf voorgestelde scenario's („Op dezelfde voet doorgaan”, „Minder samen doen”, „Sommige doen meer” en „Radicale hervorming”) de ambities van de Unie temperen en twee gevestigde en in de Verdragen verankerde EU-beleidsterreinen en hoekstenen van het Europese project willen terugdringen, namelijk het gemeenschappelijke landbouwbeleid en het cohesiebeleid; benadrukt zijn vaste standpunt dat extra politieke prioriteiten gepaard moeten gaan met extra financiële middelen en dat de financiering ervan niet ten koste mag gaan van het bestaande EU-beleid; beschouwt het vijfde scenario („Veel meer samen doen”) als een positief en constructief uitgangspunt voor de lopende discussie over de toekomst van de EU-financiën en dientengevolge over het toekomstmodel van de Europese Unie; spoort de Commissie aan een scenario uit te werken waarin rekening wordt gehouden met de aanbevelingen van het Parlement om in te spelen op huidige en toekomstige uitdagingen en de nieuwe reeks prioriteiten vast te stellen;

4.

wijst erop dat de Unie uit hoofde van artikel 311, VWEU zichzelf de nodige middelen moet toekennen om haar doelstellingen te behalen; is van mening dat de tekortkomingen van het huidige MFK, de schaal van de nieuwe prioriteiten en de gevolgen van de uittreding van het Verenigd Koninkrijk alle tot dezelfde conclusie leiden: de noodzaak om te breken met het uitgavenmaximum van 1 % van het bruto nationaal inkomen (bni) van de EU en de begroting van de Unie bijgevolg aanzienlijk te verhogen om het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen die in het verschiet liggen; verzet zich in dit verband tegen elke nominale verlaging van de EU-begroting in het volgende MFK en is dan ook van mening dat het volgende MFK moet worden vastgesteld op een niveau van ten minste 1,23 % van het bni van de EU; pleit voor een discussie tussen de lidstaten over dit onderwerp;

5.

betreurt het dat de EU-begroting voornamelijk wordt gefinancierd uit nationale bijdragen op basis van het bni, in plaats van met echte eigen middelen, zoals in de EU-Verdragen is bepaald; schaart zich nogmaals achter een volledige hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU, waarbij gestreefd moet worden naar eenvoud, billijkheid en transparantie, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen; benadrukt dat een dergelijk stelsel een evenwichtige reeks nieuwe eigen middelen van de EU moet omvatten, die zijn ontworpen ter ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de EU en die de EU-financiën billijker en stabieler moeten maken; beklemtoont bovendien dat de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie de gelegenheid biedt om een einde te maken aan alle kortingen; gaat ervan uit dat de Commissie hiertoe ambitieuze wetgevingsvoorstellen zal indienen en wijst erop dat de ontvangsten en de uitgaven van het volgende MFK als één pakket zullen worden behandeld tijdens de komende onderhandelingen;

6.

is ervan overtuigd dat de invoering van nieuwe eigen middelen van de EU de enige mogelijkheid blijft om het volgende MFK op passende wijze te financieren om aan de werkelijke behoeften en politieke ambities van de Unie te voldoen, tenzij de Raad ermee instemt om de nationale bijdragen aan de EU-begroting aanzienlijk te verhogen; gaat er daarom van uit dat de Raad een politiek standpunt over deze kwestie inneemt, vanuit de overweging dat een feitelijke blokkering van een hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU geen optie meer is; wijst er in dit verband op dat het verslag van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen unaniem is goedgekeurd door alle leden, ook door de leden die door de Raad waren benoemd;

7.

is ingenomen met het voornemen van de Commissie om bij de opzet van de toekomstige EU-begroting uit te gaan van de beginselen EU-meerwaarde, de nadruk op prestaties, verantwoordingsplicht, grotere flexibiliteit binnen een stabiel kader en eenvoudigere regels, zoals in de discussienota wordt voorgesteld;

8.

benadrukt in dit verband het belang van een grondige evaluatie van de efficiëntie en doeltreffendheid van de huidige beleidsmaatregelen, programma's en instrumenten van de EU; kijkt dan ook uit naar de resultaten van de herziening van de uitgaven die nu gaande is, en verwacht dat die worden meegenomen bij de invulling van het MFK na 2020; onderstreept met name dat enerzijds het slagingspercentage van EU-programma's waarvoor te veel aanmeldingen zijn moet worden gegarandeerd, en anderzijds de oorzaken van onderbenutting moeten worden vastgesteld; vindt het belangrijk om synergie tot stand te brengen tussen de EU-begroting en de nationale begrotingen, en om de middelen beschikbaar te stellen waarmee de omvang en de resultaten van uitgaven op nationaal en EU-niveau kunnen worden bijgehouden;

9.

onderkent dat het streven naar Europese meerwaarde een fundamentele kwestie is die ter tafel moet komen, en is het ermee eens dat de begroting van de Unie onder meer moet fungeren als instrument om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken en Europese collectieve goederen te leveren; vestigt evenwel de aandacht op het grote aantal facetten en de uiteenlopende interpretaties van het concept Europese meerwaarde, en waarschuwt voor pogingen om met de definitie daarvan afbreuk te doen aan de relevantie van het beleid en de programma's van de EU op basis van louter kwantitatieve of op de korte termijn gerichte economische overwegingen; is van mening dat er sprake is van duidelijke meerwaarde als een maatregel op Europees niveau:

verder gaat dan nationale, regionale of lokale inspanningen (overloopeffect),

een impuls geeft aan maatregelen op nationaal, regionaal en lokaal niveau om doelstellingen uit de EU-Verdragen na te komen die anders niet zouden worden verwezenlijkt,

maatregelen ondersteunt die alleen kunnen worden gefinancierd door middelen op EU-niveau te bundelen vanwege de zeer hoge financieringseisen die daarmee gepaard gaan, of

bijdraagt aan de totstandbrenging en ondersteuning van vrede en stabiliteit in het nabuurschap van de EU en daarbuiten;

spoort de Commissie aan het concept van Europese meerwaarde verder uit te werken en daarbij rekening te houden met territoriale kenmerken; verzoekt de Commissie met voorstellen te komen voor de juiste prestatie-indicatoren voor dit doel;

10.

is van oordeel dat de structuur van het volgende MFK de EU-begroting leesbaarder en begrijpelijker moet maken voor de EU-burgers en de EU-uitgaven op alle gebieden duidelijker moet kunnen weergeven; wijst er tegelijkertijd op dat zowel de continuïteit van de planning als de flexibiliteit binnen de begrotingslijnen moet worden bevorderd; is van mening dat de globale structuur van het MFK een afspiegeling moet vormen van het politieke debat over de hoofdpijlers en de oriëntatie van de EU-uitgaven, met inbegrip van duurzame ontwikkeling, groei en innovatie, klimaatverandering, solidariteit, veiligheid en defensie; is er daarom van overtuigd dat de huidige MFK-begrotingslijnen moeten worden aangepast;

11.

is van mening dat de EU-begroting transparant en democratisch moet zijn; herhaalt dat het een groot voorstander is van de eenheid van de EU-begroting en zet vraagtekens bij de behoefte aan en de meerwaarde van nieuwe aanvullende instrumenten buiten het MFK; herinnert eens te meer aan zijn vaste standpunt dat het Europees Ontwikkelingsfonds samen met andere instrumenten buiten het MFK moet worden geïntegreerd in de Uniebegroting; benadrukt dat een dergelijke integratie moet inhouden dat de financiële middelen bovenop de huidige MFK-maxima komen om de financiering van andere EU-beleidsmaatregelen en -programma's niet in gevaar te brengen;

12.

wijst erop dat de begrotingsautoriteit heeft ingestemd met de grootschalige inzet van de flexibiliteitsbepalingen en de speciale instrumenten in de MFK-verordening om de aanvullende kredieten zeker te stellen die nodig zijn om op crises in te spelen of om nieuwe politieke prioriteiten te financieren in het huidige MFK, nadat alle beschikbare marges benut zijn; wijst erop dat bij de tussentijdse herziening van het MFK verscheidene belemmeringen voor de flexibiliteitsmechanismen van het MFK zijn weggenomen om in het huidig financieel kader meer flexibiliteit mogelijk te maken;

13.

wijst er in dit verband op dat het volgende MFK rechtstreeks moet zorgen voor voldoende flexibiliteit zodat de Unie op onvoorziene omstandigheden kan inspelen en haar veranderende politieke prioriteiten kan financieren; is daarom van mening dat met de flexibiliteitsbepalingen van het MFK alle niet-toegewezen marges en geannuleerde kredieten in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure zonder enige beperking naar toekomstige begrotingsjaren kunnen worden overgedragen en door de begrotingsautoriteit kunnen worden ingezet voor elk noodzakelijk geacht doel; bepleit bovendien een significante verhoging van de speciale instrumenten van het MFK, die boven op de maxima van het MFK moeten worden berekend voor zowel vastleggingen als betalingen, en dringt aan op de oprichting van een afzonderlijke crisisreserve, waardoor middelen in een noodsituatie meteen kunnen worden vrijgemaakt;

14.

pleit voor een werkelijke en tastbare vereenvoudiging van de uitvoeringsregels voor begunstigden, en voor minder administratieve rompslomp; spoort de Commissie in dit verband aan overlappingen tussen instrumenten die worden aangeboden uit de EU-begroting en waarmee vergelijkbare doelen worden nagestreefd en soortgelijke maatregelen worden ondersteund, in kaart te brengen en op te heffen; is echter van mening dat een dergelijke vereenvoudiging niet mag resulteren in de vervanging van subsidies door financieringsinstrumenten en niet mag leiden tot de opsplitsing van EU-programma's en beleidsmaatregelen naar sector, maar een overkoepelende aanpak moet garanderen met complementariteit als voornaamste kenmerk; pleit voor een verregaande harmonisatie van regels met het doel om één pakket regels op te stellen voor alle EU-instrumenten;

15.

onderkent het potentieel van financieringsinstrumenten als aanvullende vorm van steunverlening, naast subsidies en toelagen; waarschuwt er evenwel voor dat deze instrumenten niet voor alle soorten acties en beleidsgebieden geschikt zijn, aangezien niet elk beleid volledig de wetten van de markt volgt; doet een beroep op de Commissie om de regels voor het gebruik van financieringsinstrumenten te vereenvoudigen en de mogelijkheid aan te wakkeren om verschillende EU-middelen te combineren volgens geharmoniseerde voorschriften door synergie te creëren en elke vorm van concurrentie tussen verschillende vormen van steunverlening te vermijden; spreekt zijn bezorgdheid uit over de optie om de EU-financieringsinstrumenten in één fonds te integreren en daaruit op verschillende beleidsterreinen leningen, garanties en instrumenten voor risicodeling te verstrekken, zoals in dit verband in de discussienota wordt voorgesteld, en zal dit voorstel diepgaand onderzoeken;

16.

herhaalt zijn standpunt dat de duur van het MFK gelijk moet worden getrokken met de politieke cyclus van zowel het Parlement als de Commissie, en programmering voor de lange termijn moet waarborgen; benadrukt in dit verband dat er bij de looptijd van het MFK terdege rekening moet worden gehouden met de noodzaak van voorspelbaarheid op de langere termijn bij de tenuitvoerlegging van de programma's in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) onder gedeeld beheer, die niet kunnen functioneren zonder de stabiliteit van een verbintenis van ten minste zeven jaar; stelt dan ook voor om het volgende MFK af te stemmen voor een periode van 5+5 jaar met een verplichte tussentijdse herziening;

17.

wijst op de aankondiging van de voorzitter van de Commissie in zijn toespraak over de Staat van de Unie over een op stapel staand voorstel voor een eigen begrotingslijn voor de eurozone; verzoekt de Commissie hier extra en meer gedetailleerde informatie over te verschaffen; wijst erop dat in de resolutie van het Parlement van 16 februari 2017 werd opgeroepen tot een specifieke begrotingscapaciteit voor de eurozone, die deel moet uitmaken van de EU-begroting boven op de huidige maxima van het MFK en wordt bekostigd door landen uit de eurozone en andere deelnemende leden via een bron van inkomsten waarover de deelnemende lidstaten overeenstemming moeten bereiken en die geacht wordt te bestaan uit bestemmingsontvangsten en garanties;

18.

verwacht dat de Commissie haar voorstellen over zowel het toekomstige MFK als over de eigen middelen uiterlijk in mei 2018 zal presenteren; uit zijn voornemen om op het gepaste moment zijn eigen standpunt te presenteren over alle bijbehorende aspecten, en verwacht dat de standpunten van het Parlement ten volle in de nieuwe voorstellen van de Commissie worden opgenomen;

19.

toont zich bereid om een gestructureerde dialoog te voeren met de Commissie en de Raad, om voor het einde van de huidige zittingsperiode een definitieve overeenkomst over het volgende MFK te bereiken; is ervan overtuigd dat een spoedige vaststelling van de MFK-verordening vervolgens de tijdige vaststelling van alle sectorale wetgevingshandelingen mogelijk zal maken, zodat de nieuwe programma's aan het begin van de volgende periode operationeel zullen zijn; benadrukt de nadelige gevolgen van de late start van de programma's in het huidige MFK; dringt er in dit verband bij de Europese Raad op aan de „overbruggingsclausule” van artikel 312, lid 2, VWEU te gebruiken op grond waarvan er in de Raad met een gekwalificeerde meerderheid gestemd kan worden over het MFK;

20.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige betrokken instellingen en organen, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(2)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0050.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/143


P8_TA(2017)0402

Legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang bij het onthullen van vertrouwelijke informatie van bedrijven en overheidsinstanties (2016/2224(INI))

(2018/C 346/21)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 2,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 11,

gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en met name artikel 10 daarvan,

gezien Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan,

gezien Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG,

gezien Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie,

gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie,

gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (1),

gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (TAXE 2) (2),

gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven (3),

gezien resolutie 1729 (2010) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de bescherming van klokkenluiders,

gezien resolutie 2060 (2015) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over een betere bescherming van klokkenluiders,

gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie (4),

gezien de mededeling van de Commissie van 6 juni 2011 getiteld „Corruptiebestrijding in de EU” (COM(2011)0308),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 juli 2016 over verdere maatregelen om de transparantie te verhogen en belastingontduiking en -ontwijking te bestrijden (COM(2016)0451),

gezien het actieplan van de G20 om corruptie tegen te gaan en met name hun richtlijn om tot wetgeving te komen ter bescherming van klokkenluiders,

gezien het rapport van de OESO van maart 2016 over een doeltreffende bescherming van klokkenluiders („Committing to effective whistleblower protection”),

gezien het besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het initiatiefonderzoek OI/1/2014/PMC inzake klokkenluiders,

gezien aanbeveling CM/Rec(2014)7 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 30 april 2014 inzake de bescherming van klokkenluiders, alsook zijn beknopte gids voor de tenuitvoerlegging van een nationaal kader van januari 2015,

gezien resolutie 2171 (2017) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 27 juni 2017 waarin de nationale parlementen verzocht wordt een rapportagerecht te erkennen,

gezien beginsel nr. 4 van de OESO-aanbeveling inzake ethisch gedrag in de publieke sector,

gezien het verdrag inzake de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties,

gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU (5),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken (A8-0295/2017),

A.

overwegende dat de Europese Unie zich ten doel stelt de democratie en de rechtsstaat te eerbiedigen en zodoende de vrijheid van meningsuiting van haar burgers waarborgt; overwegende dat klokkenluiden een fundamenteel aspect is van de vrijheid van meningsuiting en van informatie, die beide verankerd zijn in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarvan de naleving en de toepassing gewaarborgd worden door de EU; overwegende dat de EU de bescherming van werknemers en de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bevordert;

B.

overwegende dat de Europese Unie bijdraagt tot het versterken van de internationale samenwerking in de strijd tegen corruptie, met volledige eerbiediging van de beginselen van internationaal recht, de mensenrechten en de rechtsstaat, alsook de soevereiniteit van elk land;

C.

overwegende dat de Europese Unie krachtens artikel 67, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bevoegd is op het gebied van het gemeenschappelijk Europees asielbeleid;

D.

overwegende dat transparantie en de participatie van de burgers deel uitmaken van de ontwikkelingen en uitdagingen van de democratieën in de XXIe eeuw;

E.

overwegende dat we sinds de economische, financiële en schuldencrisis een golf van acties tegen internationale belastingontwijking en -ontduiking hebben gezien; overwegende dat meer transparantie noodzakelijk is in de financiële dienstverlening om wanpraktijken te ontmoedigen en dat een aantal lidstaten al ervaringen heeft opgedaan met centrale meldpunten voor feitelijke of mogelijke schendingen van prudentiële regels op financieel gebied; overwegende dat de Verenigde Naties in 2003 het Verdrag tegen corruptie (6) heeft aangenomen; overwegende dat het Parlement naar aanleiding van deze onthullingen twee bijzondere commissies en één enquêtecommissie heeft ingesteld; overwegende dat het reeds in verschillende resoluties heeft aangedrongen op de bescherming van klokkenluiders (7); overwegende dat de al genomen initiatieven om de internationale informatie-uitwisseling inzake fiscale aangelegenheden te versterken nuttig zijn geweest en dat de diverse lekken omtrent belastingen een massa aan belangrijke informatie over wanpraktijken onthuld hebben die anders niet aan het licht zouden zijn gekomen;

F.

overwegende dat klokkenluiders een belangrijke rol spelen bij het signaleren van illegale of laakbare praktijken die het algemeen belang en de werking van onze samenlevingen schaden, en dat zij met het oog hierop aan hun werkgever, overheidsinstanties of rechtstreeks aan het publiek informatie bekend maken over dergelijke praktijken die het openbaar belang ondermijnen;

G.

overwegende dat zij zodoende de lidstaten en de instellingen, alsook de organen van de Unie aanzienlijk helpen bij het voorkomen en aanpakken van elke inbreuk op het beginsel van integriteit en elke vorm van machtsmisbruik die een bedreiging of aantasting vormt van de volksgezondheid en openbare veiligheid, de financiële integriteit, de economie, de mensenrechten, het milieu of de rechtsstaat op Europees en nationaal niveau, of die tot een toename van de werkloosheid leidt, eerlijke concurrentie beperkt of verstoort en het vertrouwen van burgers in democratische instellingen en procedures op de helling zet;

H.

overwegende dat corruptie momenteel een ernstig probleem is in de Europese Unie, aangezien deze ertoe kan leiden dat regeringen geen bescherming bieden aan de bevolking, de werknemers, de rechtstaat of de economie en kan resulteren in een afbrokkeling van de openbare instellingen en diensten, economische groei en concurrentievermogen in diverse gebieden en in een verlies aan vertrouwen in de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht van openbare en particuliere instellingen en bedrijven; overwegende dat corruptie de economie van de Unie naar schatting jaarlijks 120 miljard EUR kost, zijnde 1 % van het bbp van de Unie;

I.

overwegende dat, hoewel de wereldwijde maatregelen ter bestrijding van corruptie tot nu toe vooral zijn toegespitst op wanpraktijken in de openbare sector, recente lekken de aandacht hebben gevestigd op de rol van financiële instellingen, adviseurs en andere particuliere ondernemingen in het faciliteren van corruptie;

J.

overwegende dat uit diverse gevallen van klokkenluiders waarover in de media is bericht, is gebleken dat door de actie van klokkenluiders informatie van publiek belang, zoals informatie over illegale of laakbare praktijken of andere ernstige misstanden in de particuliere en openbare sector, ter kennis van het publiek en van de politieke autoriteiten wordt gebracht; overwegende dat daardoor maatregelen konden worden genomen om deze praktijken te corrigeren;

K.

overwegende dat het garanderen van de vertrouwelijkheid bijdraagt tot het creëren van efficiëntere kanalen voor het melden van fraude, corruptie of andere inbreuken en overwegende dat, gezien de gevoeligheid van de informatie, een slecht beheer van de vertrouwelijkheid kan leiden tot ongewenste informatielekken en een schending van het algemeen belang van de Unie en de lidstaten;

L.

overwegende dat de invoering van openbare registers van uiteindelijke begunstigden voor beleggingsmaatschappijen en soortgelijke wettelijke regelingen, alsmede andere transparantiemaatregelen voor investeringsconstructies een afschrikkingsmiddel kunnen zijn voor de wanpraktijken die klokkenluiders doorgaans aan de kaak stellen;

M.

overwegende dat het garanderen van de vertrouwelijkheid van de identiteit van klokkenluiders en de informatie die zij aan het licht brengen, bijdragen tot het creëren van efficiëntere kanalen voor het melden van fraude, corruptie, wanpraktijken, tekortkomingen of andere ernstige inbreuken en overwegende dat, gezien de gevoeligheid van de informatie, een slecht beheer van de vertrouwelijkheid kan leiden tot ongewenste informatielekken en een schending van het algemeen belang binnen de Unie; overwegende dat de bescherming van klokkenluiders in de publieke sector kan bijdragen tot het opsporen van misbruik van openbare middelen, fraude en andere vormen van grensoverschrijdende corruptie die afbreuk doen aan de belangen van lidstaten of de EU;

N.

overwegende dat de bestaande kanalen voor het indienen van formele klachten over wangedrag van multinationale ondernemingen jammer genoeg zelden resulteren in concrete bestraffingen wegens wanpraktijken;

O.

overwegende dat de actie van de klokkenluiders nuttig is gebleken op talrijke gebieden, zowel in de openbare als in de particuliere sector, zoals de volksgezondheid, de belastingen, het milieu, de consumentenbescherming, de bestrijding van corruptie en discriminatie en de eerbiediging van de sociale rechten;

P.

overwegende dat deze gevallen goed gedefinieerd moeten zijn in het licht van de aard van de uitgeoefende functies, de ernst van de feiten of de vastgestelde risico's;

Q.

overwegende dat het cruciaal is de grens tussen het melden en het klokkenluiden niet te overschrijden; dat het er niet om gaat alles te weten over iedereen, maar om een juist oordeel te vellen over wat het niet verlenen van steun aan een democratie in gevaar inhoudt;

R.

overwegende dat klokkenluiders vaak het slachtoffer worden van repressieve maatregelen, intimidatie of druk teneinde hen ervan te weerhouden of ervan af te brengen om een probleem aan de kaak te stellen of daarvoor te straffen; dat dergelijke druk des te meer wordt uitgeoefend op de werkplek, omdat klokkenluiders die in het openbaar belang informatie hebben onthuld, zich in het kader van hun dienstverband in een zwakke positie bevinden ten aanzien van de werkgevers;

S.

overwegende dat herhaaldelijk ernstige bezorgdheid is geuit over het feit dat klokkenluiders die in het openbaar belang handelen, geconfronteerd kunnen worden met vijandigheid, pesterijen, intimidatie en uitsluiting op hun werkplek, belemmeringen voor toekomstig werk, verlies van bestaansmiddelen en vaak ook ernstige bedreigingen aan het adres van hun familieleden en collega's; overwegende dat angst voor represailles een afschrikkend effect kan hebben op klokkenluiders en dat zo het algemeen belang in het gedrang wordt gebracht;

T.

overwegende dat de bescherming van klokkenluiders bij wet moet worden gewaarborgd en gehandhaafd in de hele EU, zowel in de openbare als in de particuliere sector, op voorwaarde dat zij handelen op redelijke gronden; overwegende dat deze beschermingsmechanismen evenwichtig moeten zijn en garanties moeten bieden voor de volledige eerbiediging van de grondrechten en juridische rechten van de personen tegen wie de meldingen gericht zijn; overwegende dat deze beschermingsmechanismen van toepassing moeten zijn op onderzoeksjournalisten, die kwetsbaar blijven waar het gaat om de openbaarmaking van gevoelige informatie, en dat zij de klokkenluiders moeten beschermen in naam van de vertrouwelijkheid van hun bronnen;

U.

overwegende dat de bescherming van klokkenluiders in een aantal lidstaten niet voldoende gewaarborgd is, terwijl veel andere lidstaten geavanceerde programma’s hebben ingevoerd om hen te beschermen, maar dat deze programma's vaak incoherent zijn en dus onvoldoende bescherming bieden; overwegende dat een en ander leidt tot een gefragmenteerde bescherming van klokkenluiders in Europa, hetgeen het moeilijk maakt voor hen om te achterhalen wat hun rechten en de modaliteiten bij het klokkenluiden zijn en rechtsonzekerheid in de hand werkt, vooral in grensoverschrijdende situaties;

V.

overwegende dat het bureau van de Europese Ombudsman een duidelijke bevoegdheid heeft voor het onderzoeken van klachten van EU-burgers over wanbeheer bij de EU-instellingen, maar zelf geen rol vervult bij de bescherming van klokkenluiders;

W.

overwegende dat klokkenluiden zeer vaak niet alleen beperkt is tot economische en financiële aangelegenheden; overwegende dat het gebrek aan bescherming potentiële klokkenluiders ervan kan weerhouden melding te maken van wangedrag, om het risico van represailles en/of vergelding te voorkomen; overwegende dat de OESO heeft gemeld dat in 2015 86 % van de bedrijven een meldingsmechanisme had voor vermoedelijke gevallen van ernstig wangedrag, maar dat meer dan een derde daarvan geen schriftelijk vastgelegd beleid had voor de bescherming van klokkenluiders tegen represailles, of geen weet had van een dergelijk beleid; overwegende dat verschillende klokkenluiders die melding maken van economische en financiële wanpraktijken, strafbare feiten of illegale activiteiten zijn vervolgd; overwegende dat vaak represailles worden genomen tegen personen die in het algemeen belang informatie meedelen of onthullen, alsook tegen hun familieleden en collega's, wat bijvoorbeeld kan leiden tot het einde van hun loopbaan; overwegende dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vaste rechtspraak over klokkenluiders heeft, maar dat de bescherming van klokkenluiders wettelijk moet worden vastgelegd; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en het recht op goed bestuur zijn gewaarborgd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

X.

overwegende dat de bescherming van klokkenluiders in de Europese Unie zich niet mag beperken tot Europese gevallen, maar zich ook moet uitstrekken tot internationale gevallen;

Y.

overwegende dat op de werkplek een werkomgeving moeten worden geschapen waarin mensen niet bang zijn om hun bezorgdheid te uiten over mogelijke wanpraktijken zoals tekortkomingen, wangedrag, wanbeheer of illegale handelingen; overwegende dat het uiterst belangrijk is te zorgen voor het juiste klimaat waarin mensen voelen dat zij problemen aan de orde kunnen stellen zonder vrees voor represailles die gevolgen kunnen hebben voor hun huidige en toekomstige werksituatie;

Z.

overwegende dat werknemers in vele jurisdicties, en met name in de particuliere sector, een geheimhoudingsplicht hebben met betrekking tot bepaalde informatie, met het gevolg dat klokkenluiders gestraft kunnen worden voor rapportering buiten het kader van hun dienstverband;

AA.

overwegende dat volgens een studie van de OESO meer dan een derde van de organisaties met een meldingsmechanisme geen schriftelijk vastgelegd beleid hebben voor de bescherming van klokkenluiders tegen represailles, of geen weet hebben van een dergelijk beleid;

AB.

overwegende dat de EU-wetgeving al een aantal regels bevat die klokkenluiders beschermen tegen bepaalde vormen van vergelding in diverse gebieden, maar dat de Commissie nog geen afdoende wetgevingsmaatregelen heeft voorgesteld voor de doeltreffende en uniforme bescherming van klokkenluiders en hun rechten in de EU;

AC.

overwegende dat alle EU-instellingen sedert 1 januari 2014 verplicht zijn interne regels in te voeren ter bescherming van klokkenluiders die als functionaris bij een EU-instelling werken, overeenkomstig de artikelen 22 bis, 22 ter en 22 quater, van het statuut van de ambtenaren;

AD.

overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft opgeroepen tot horizontale maatregelen ter bescherming van klokkenluiders in de Unie;

AE.

overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven, zijn resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingsbeleid in de Unie en zijn resolutie van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU, de Commissie verzoekt een wetgevingsvoorstel in te dienen voor een doeltreffend en breed opgezet Europees programma ter bescherming van klokkenluiders teneinde personen te beschermen die melding maken van vermeende gevallen van fraude of illegale praktijken die het openbaar belang of de financiële belangen van de Europese Unie schaden;

AF.

overwegende dat alle personen uit derde landen die door de Europese Unie of een van haar lidstaten erkend zijn in hun hoedanigheid van klokkenluider, moeten kunnen profiteren van alle toepasselijke beschermingsmaatregelen indien zij, al dan niet in het kader van hun functie, kennis hebben gekregen van informatie — en deze hebben onthuld — betreffende illegale praktijken of spionage door een derde land of een nationale of multinationale onderneming die schade toebrengen aan een staat, een natie of burgers van de Unie en die zonder hun medeweten de integriteit van een regering, de nationale veiligheid of de collectieve of individuele rechten in gevaar brengen;

AG.

overwegende dat sedert 1 juli 2014 nagenoeg alle Europese instellingen en organen aan de op hen rustende verplichting hebben voldaan en in hun reglement van orde maatregelen hebben opgenomen ter bescherming van klokkenluiders, in overeenstemming met de artikelen 22 ter en 22 quater van het Statuut van de ambtenaren;

AH.

overwegende dat internationale organisaties zoals de Raad van Europa en de OESO al beginselen hebben vastgesteld die inmiddels vaststaan en er vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bestaat op dit gebied;

AI.

overwegende dat het belang van de bescherming van klokkenluiders is erkend door alle belangrijke internationale instrumenten inzake corruptie en dat klokkenluidersstandaarden zijn vastgesteld in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC), de aanbeveling CM/Rec/(2014)7 van de Raad van Europa en de OESO-aanbeveling inzake de bestrijding van omkoperij van 2009;

AJ.

overwegende dat het van het allergrootste belang is dat er snel een algemeen horizontaal kader tot stand wordt gebracht, waarin rechten en plichten worden vastgesteld, teneinde klokkenluiders in de lidstaten van de Unie alsook in de instellingen, instanties en organen van de Unie, doeltreffend te beschermen;

Rol van klokkenluiders en noodzaak klokkenluiders te beschermen

1.

vraagt de Commissie dat zij nagaat wat de passende rechtsgrond is om een verder EU-optreden mogelijk te maken en vervolgens, voor het eind van dit jaar, een horizontaal wetgevingsvoorstel indient voor de instelling van een omvattend gemeenschappelijk regelgevend kader dat een hoog niveau van bescherming waarborgt voor klokkenluiders in de EU, zowel in de openbare als in de particuliere sector en eveneens in de nationale en Europese instellingen, met inbegrip van de relevante nationale en Europese organen, instanties en agentschappen, rekening houdend met de nationale context en zonder beperking van de mogelijkheid voor de lidstaten om verdere maatregelen te nemen; onderstreept dat er momenteel meerdere mogelijkheden zijn voor wat betreft de rechtsgrondslag voor optreden van de Unie op dit gebied; verzoekt de Commissie deze mogelijkheden in overweging te nemen om een breed, coherent en doeltreffend instrument voor te stellen; herinnert de Commissie aan de doctrine die het Hof van Justitie door middel van vaste rechtspraak heeft ontwikkeld inzake het concept van de „impliciete bevoegdheden” van de Unie, waardoor het gebruik van verscheidene rechtsgrondslagen mogelijk wordt;

2.

wijst op het onredelijke en verontrustende feit dat burgers en journalisten vervolgd worden in plaats van juridische bescherming te krijgen wanneer zij in het algemeen belang informatie onthullen, onder meer vermoedelijke vergrijpen, strafbare feiten, fraude of illegale activiteiten, met name wanneer het gaat om gedrag dat de fundamentele beginselen van de EU schendt, zoals belastingontwijking, belastingontduiking en witwassen van geld;

3.

stelt voor dat elke internationale overeenkomst op het gebied van financiële diensten, belasting en mededinging bepalingen betreffende de bescherming van klokkenluiders zou bevatten;

4.

benadrukt dat de rechtszekerheid met betrekking tot de bepalingen ter bescherming van klokkenluiders gewaarborgd moet worden, omdat een aanhoudend gebrek aan duidelijkheid en de huidige gefragmenteerde aanpak potentiële klokkenluiders ervan weerhouden zich te melden; wijst er daarom op dat in de desbetreffende EU-wetgeving een duidelijke procedure moet worden vastgesteld voor een correcte omgang met onthullingen en een daadwerkelijke bescherming van klokkenluiders;

5.

brengt in herinnering dat bij een toekomstig normatief kader rekening moet worden gehouden met de regels, plichten en verplichtingen die gelden voor arbeid of er gevolgen voor hebben; onderstreept ook dat dit gedaan moet worden in overleg met de sociale partners en met inachtneming van de collectieve arbeidsovereenkomsten;

6.

meent dat in deze wetgeving moet worden vastgelegd dat bedrijven waarvan definitief vaststaat dat zij represailles nemen tegen klokkenluiders, geen ontvanger kunnen zijn van Europees geld en geen contract kunnen sluiten met de overheid;

7.

moedigt de lidstaten aan om benchmarks en indicatoren te ontwikkelen met betrekking tot het klokkenluidersbeleid in zowel de publieke als de particuliere sector;

8.

verzoekt de lidstaten rekening te houden met artikel 33 van het VN-Verdrag tegen corruptie en onderstreept de rol van klokkenluiders in het voorkomen en bestrijden van corruptie;

9.

betreurt dat slechts enkele lidstaten voldoende geavanceerde beschermingsstelsels voor klokkenluiders hebben ingevoerd; verzoekt de lidstaten die deze stelsels of de daarmee samenhangende beginselen nog niet in hun nationale wetgeving hebben opgenomen, dit zo snel mogelijk te doen;

10.

wijst erop dat meer aandacht moet worden besteed aan bedrijfsethiek in de onderwijscurricula van bedrijfswetenschappen en aanverwante vakgebieden;

11.

moedigt de lidstaten en de EU-instellingen ertoe aan een cultuur te stimuleren waarin de belangrijke rol van klokkenluiders in de samenleving wordt erkend, mede door middel van bewustmakingscampagnes; doet met name een beroep op de Commissie met een uitvoerig actieplan voor deze kwestie te komen; acht het noodzakelijk in de overheidssector en op de werkplek een ethisch klimaat te bevorderen om te benadrukken dat het belangrijk is werknemers bewust te maken van bestaande rechtskaders met betrekking tot klokkenluiden, in samenwerking met vakbondsorganisaties;

12.

dringt er bij de Commissie op aan de bepalingen inzake klokkenluiders van de lidstaten te inventariseren om de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen, waardoor de bescherming van klokkenluiders op nationaal niveau kan worden verbeterd;

13.

vraagt de Commissie te zorgen voor een allesomvattend plan ter ontmoediging van overdrachten van activa naar landen buiten de EU die de anonimiteit van corrupte personen beschermen;

14.

verstaat onder klokkenluider een werknemer die in het openbaar belang, met inbegrip van het Europees openbaar belang, informatie naar buiten brengt dan wel onthult, bijvoorbeeld informatie over een onwettige of onrechtmatige handeling of een handeling die een bedreiging vormt of schade berokkent die het algemeen belang ondermijnt of in gevaar brengt, gewoonlijk, maar niet alleen in het kader van zijn dienstverband, hetzij in de publieke hetzij in de private sector, in het kader van een contractuele verbintenis of in het kader van zijn werkzaamheden voor een vakbond of vereniging; benadrukt dat dit ook personen omvat die buiten de traditionele relatie werkgever/werknemer vallen, zoals consultants, contractanten, stagiaires, vrijwilligers, studenten, tijdelijke werknemers en voormalige werknemers die bewijzen hebben van deze handelingen en die redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de gemelde informatie juist is;

15.

meent dat personen die buiten de traditionele relatie werkgever/werknemer vallen, zoals consultants, contractanten, stagiaires, vrijwilligers, studenten, tijdelijke werknemers, voormalige werknemers alsook burgers eveneens toegang moeten hebben tot meldingskanalen en moeten kunnen profiteren van een adequate bescherming wanneer zij informatie onthullen over illegale activiteiten of onregelmatigheden of over een handeling die het algemeen belang schaadt;

16.

is van mening dat er een duidelijke oplossing moet komen voor klokkenluiders die bij in de EU geregistreerde, maar buiten de EU gevestigde ondernemingen werken;

17.

meent dat een inbreuk op het algemeen belang bestaat uit, maar niet beperkt is tot corruptie, strafbare feiten, schendingen van wettelijke verplichtingen, gerechtelijke dwalingen, machtsmisbruik, belangenverstrengeling, onrechtmatig gebruik van overheidsgelden, misbruik van bevoegdheid, illegale geldstromen, risico’s voor het milieu, de gezondheid, de openbare veiligheid, de nationale en mondiale veiligheid, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van persoonsgegevens, alsmede belastingontwijking, schendingen van consumentenrechten, schendingen van de rechten van werknemers en andere sociale rechten alsook schendingen van de mensenrechten, en handelingen om deze schendingen te verheimelijken;

18.

meent dat het algemeen openbaar belang voorrang moet krijgen op de particuliere of economische waarde van de onthulde informatie en dat het mogelijk moet zijn informatie bekend te maken over ernstige bedreigingen van het openbaar belang, zelfs wanneer deze wettelijk beschermd is; is evenwel van mening dat er speciale procedures van toepassing moeten zijn voor informatie waarbij het respecteren van beroepsethiek aan de orde is alsmede voor beveiligde informatie die betrekking heeft op nationale veiligheid en defensie; meent dat de informatie in dergelijke gevallen moet worden gemeld aan een bevoegde overheid;

19.

onderstreept dat te allen tijde moet worden gezorgd voor een doeltreffende bescherming van klokkenluiders, zelfs indien hun onthullingen geen betrekking hebben op onwettige handelingen, voor zover de onthullingen tot doel hebben te voorkomen dat het algemeen belang wordt geschaad;

20.

benadrukt dat de lidstaten de aanbevelingen van de Raad van Europa betreffende de bescherming van klokkenluiders moeten opvolgen;

21.

onderstreept dat het belang van de rol van klokkenluiders bij de onthulling van ernstige inbreuken op het algemeen belang in de afgelopen jaren maar al te vaak is bewezen en dat klokkenluiders bijdragen tot democratie, transparantie van de politiek en de economie en openbare informatie, en dat moet worden erkend dat zij noodzakelijk zijn om onrechtmatige handelingen te voorkomen; onderstreept dat klokkenluiders een bron van cruciaal belang zijn gebleken, zowel voor de onderzoeksjournalistiek als voor de onafhankelijke pers; merkt op dat het waarborgen van de vertrouwelijkheid van bronnen fundamenteel is voor de persvrijheid; dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat het recht van journalisten om de identiteit van hun bronnen niet te onthullen, doeltreffend wordt beschermd; is van oordeel dat journalisten ook kwetsbaar zijn en daarom wettelijke bescherming moeten genieten;

22.

stelt vast dat een aantal lidstaten in de afgelopen jaren stappen hebben ondernomen om de rechten van klokkenluiders te beschermen; betreurt evenwel dat klokkenluiders in een aantal lidstaten nog steeds civielrechtelijk of strafrechtelijk worden vervolgd, met name waar er weinig of geen doeltreffende middelen zijn voor hun verdediging, ondersteuning en bescherming; wijst er voorts op dat de verschillen tussen de lidstaten leiden tot rechtsonzekerheid, forumshopping en mogelijke ongelijke behandeling;

23.

is van mening dat het feit dat de bescherming van klokkenluiders niet afdoende geregeld is, een negatief effect heeft op de bescherming van de financiële belangen van de EU;

24.

is van mening dat de tenuitvoerlegging van alomvattende wettelijke regelingen ter bescherming van klokkenluiders, vrijuit spreken aanmoedigt en dat klokkenluiden moet worden bevorderd als een uiting van burgerzin; dringt er daarom bij de lidstaten en de EU-instellingen op aan de positieve rol die klokkenluiders spelen, te bevorderen en aandacht te schenken aan hun vaak kwetsbare en weerloze positie, met name via bewustmakings- en beschermingscampagnes en communicatie- en opleidingsactiviteiten; raadt met name de Commissie aan met een uitvoerig actieplan voor dit onderwerp te komen; pleit in dit verband voor het opzetten van een website waarop nuttige informatie over de bescherming van klokkenluiders moet worden verstrekt en waar klachten kunnen worden ingediend; benadrukt dat deze website gemakkelijk toegankelijk moet zijn voor het publiek en dat gegevens anoniem dienen te blijven;

25.

roept op tot actie om de publieke perceptie van klokkenluiders te veranderen, met name vanuit de politiek, de werkgevers en de media, door de aandacht te vestigen op de positieve rol die zij vervullen als mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing en als afschrikkingsmiddel om misstanden en corruptie op te sporen en te voorkomen en als een verantwoordingsmechanisme om publieke controle op overheidsmaatregelen mogelijk te maken;

26.

moedigt de lidstaten aan proactief bij te dragen tot de bevordering van een open cultuur op de werkplek, zowel in de particuliere als in de private sector, zodat organisaties strikte ethische normen kunnen toepassen en werknemers met een gerust hart vrijuit kunnen spreken, waardoor er stappen kunnen worden ondernomen om bedreigingen of schade te voorkomen of tegen te gaan;

27.

spoort de lidstaten aan de maatregelen die ze uitvoeren regelmatig te evalueren, daarbij rekening houdend met de publieke opinie inzake de attitude ten aanzien van klokkenluiden en klokkenluiders, sectoroverschrijdende onderzoeken naar hooggeplaatste leidinggevenden die verantwoordelijk zijn voor de ontvangst en behandeling van meldingen, en onafhankelijke studies naar klokkenluiden op de werkplek;

28.

spoort de lidstaten die nog geen wetgeving inzake klokkenluiden hebben aangenomen, aan dit binnen afzienbare tijd te doen en roept de Commissie op de oprichting te overwegen van een platform waar de lidstaten beste praktijken op dit gebied kunnen uitwisselen, niet alleen met elkaar, maar ook met derde landen;

29.

onderstreept het belang van onderzoek en uitwisseling van goede praktijken om een betere bescherming van klokkenluiders op Europees niveau aan te moedigen;

30.

dringt er bij de Europese Rekenkamer en de Europese Ombudsman op aan dat zij uiterlijk eind 2017 het volgende publiceren: 1) speciale verslagen met statistieken over en een duidelijke beschrijving van het verloop van klokkenluiderszaken die bij de Europese instellingen en bij bedrijven, verenigingen, organisaties en andere in de Unie geregistreerde organen zijn geconstateerd; 2) de follow-up van de betrokken instellingen met betrekking tot de onthulde zaken, op basis van de richtsnoeren en regels van de Commissie; 3) de uitkomst van elk onderzoek dat is ingesteld naar aanleiding van informatie die van een klokkenluider is ontvangen; 4) de maatregelen die per geval ter bescherming van de klokkenluiders zijn genomen;

Meldingsmechanisme

31.

stelt vast dat het gebrek aan duidelijk gedefinieerde middelen van bescherming en veilig rapporteren alsook het mogelijk gebrek aan opvolging een belemmering vormen voor de activiteiten van klokkenluiders, hen van het klokkenluiden kunnen weerhouden en ervoor kunnen zorgen dat een aantal klokkenluiders blijven zwijgen; spreekt zijn bezorgdheid uit over de represailles en de druk waaraan klokkenluiders worden blootgesteld wanneer zij de zaak bij de verkeerde persoon of partij in hun organisatie aankaarten;

32.

meent is van oordeel dat een coherent, geloofwaardig en betrouwbaar systeem moet worden ingevoerd voor meldingen binnen de organisatie, aan bevoegde autoriteiten, alsook buiten de organisatie; meent dat een dergelijk systeem het gemakkelijker zou maken om de geloofwaardigheid en de geldigheid van een melding die binnen dit kader is gedaan, te beoordelen;

33.

verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar een systeem dat meldingen van misstanden binnen en buiten de organisatie mogelijk maakt; beklemtoont dat hiertoe duidelijke, eerlijke en billijke procedures moeten worden vastgesteld met waarborgen voor de volledige eerbiediging van de grondrechten en de juridische rechten van zowel de klokkenluider als de vermeende pleger van de onrechtmatige handeling; is van oordeel dat werkgevers ertoe moeten worden aangespoord interne meldingsprocedures te introduceren en dat binnen elke organisatie een onafhankelijke en onpartijdige persoon of eenheid moet worden belast met het in ontvangst nemen van meldingen; is van oordeel dat de vertegenwoordigers van de werknemers moeten worden betrokken bij de aanwijzing van die persoon of eenheid; onderstreept dat de ontvanger van de melding een passende opvolging moet geven aan elke ontvangen melding en de klokkenluider op de hoogte moet houden van deze opvolging binnen een redelijke termijn;

34.

meent dat elke organisatie moet zorgen voor duidelijke meldingskanalen waarmee klokkenluiders de klok kunnen luiden binnen hun organisatie; onderstreept dat elke werknemer op de hoogte moet worden gesteld van de desbetreffende meldingsprocedure, waarbij garanties moeten worden geboden voor vertrouwelijkheid en voor een behandeling van de melding binnen een redelijke termijn; onderstreept dat de klokkenluider zich moet blijven kunnen wenden tot de bevoegde overheidsinstanties, niet-gouvernementele organisaties of de media, met name bij het uitblijven van een positieve reactie binnen de organisatie, wanneer een melding intern of bij de bevoegde overheidsinstanties de doeltreffendheid van deze melding duidelijk zou ondermijnen, wanneer de klokkenluider gevaar loopt of hoogdringend informatie naar buiten moet brengen;

35.

herinnert eraan dat het publiek het recht heeft in kennis te worden gesteld van gedragingen die het openbaar belang kunnen schaden en onderstreept in dit verband dat een klokkenluider altijd informatie bekend moet kunnen maken over een onwettige of ongeoorloofde handeling of over een handeling die het openbaar belang schaadt;

36.

herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie tevens verzoekt om in samenwerking met alle bevoegde nationale autoriteiten alle maatregelen te treffen en in te voeren die noodzakelijk zijn om de vertrouwelijkheid van informatiebronnen te beschermen en tevens pleit voor de lancering van een gecontroleerde website waar klachten kunnen worden ingediend en volledig vertrouwelijk worden behandeld;

37.

is van oordeel dat melding van een misstand buiten de organisatie, onder meer rechtstreeks aan het publiek, zonder de zaak intern te hebben aangekaart geen reden mag zijn om de melding ongeldig te verklaren, de klokkenluider te vervolgen of hem het recht op bescherming te ontzeggen; meent dat deze bescherming moet worden verleend ongeacht het gekozen meldingskanaal en op grond van de gemelde informatie en het feit dat de klokkenluider redelijke gronden had om te geloven dat de informatie juist was;

Bescherming bij melding van een misstand

38.

spreekt zijn bezorgdheid uit over de risico`s die klokkenluiders op hun werkplek lopen en met name over de mogelijke directe of indirecte represailles van de zijde van de werkgever en personen die voor laatstgenoemde werken of namens hem optreden; onderstreept dat deze represailles meestal neerkomen op uitsluiting, vertraging of stopzetting van loopbaanontwikkeling, of zelfs ontslag, alsook op situaties van psychologische intimidatie; wijst erop dat deze represailles klokkenluiders ervan weerhouden actie te ondernemen; acht het dan ook noodzakelijk dat beschermende maatregelen worden genomen tegen represailles; is van oordeel dat represailles met doeltreffende sancties moeten worden bestraft; benadrukt dat, zodra iemand als klokkenluider is erkend, maatregelen moeten worden genomen om hem te beschermen en een eind moet worden gemaakt aan de tegen hem genomen represailles en dat de klokkenluider volledig moet worden vergoed voor de nadelen en opgelopen schade; is van mening dat deze bepalingen moeten worden opgenomen in het voorstel van de Commissie voor een horizontale richtlijn inzake de bescherming van klokkenluiders;

39.

vindt dat klokkenluiders een verzoek in kort geding moeten kunnen indienen ter voorkoming van represailles, zoals ontslag, en dit tot na de beëindiging van eventuele administratieve, gerechtelijke of andere procedures;

40.

beklemtoont dat het recht van eenieder op vrije meningsuiting niet door een arbeidsovereenkomst mag worden beperkt en dat niemand vanwege de uitoefening van dat recht mag worden gediscrimineerd;

41.

brengt in herinnering dat bij een toekomstig normatief kader rekening moet worden gehouden met de regels, plichten en verplichtingen die voor arbeid gelden of er gevolgen voor hebben; onderstreept ook dat dit gedaan moet worden met de betrokkenheid van de sociale partners en met inachtneming van de collectieve arbeidsovereenkomsten;

42.

benadrukt dat klokkenluiders en hun familieleden alsook iedereen die hen helpt en van wie het leven of de veiligheid in gevaar zijn, recht moeten hebben op degelijke en doeltreffende bescherming van hun fysieke, morele en sociale integriteit en hun bestaansmiddelen, door hen het hoogst mogelijke niveau van vertrouwelijkheid te garanderen;

43.

onderstreept dat deze beschermende maatregelen ook van toepassing zijn wanneer de klokkenluider melding maakt van gedragingen waarbij lidstaten betrokken zijn;

44.

merkt op dat onderzoeksjournalisten en onafhankelijke journalisten een vaak eenzaam beroep uitoefenen gezien de veelvuldige druk waaraan zij bloot staan en dat het dus onontbeerlijk is om hen te beschermingen tegen alle vormen van intimidatiepogingen;

45.

stelt voor dat een verzoek in kort geding in afwachting van de beëindiging van civielrechtelijke procedures kan worden ingediend door personen die het slachtoffer zijn geworden van represailles omdat zij informatie hebben gemeld of onthuld in het openbaar belang, met name in geval van jobverlies;

46.

veroordeelt de SLAPP-praktijk die erin bestaat rechtsvervolging in te stellen tegen de klokkenluider of daarmee te dreigen, niet met de bedoeling gerechtigheid te eisen, maar om hem het zwijgen op te leggen of hem financieel, moreel en geestelijk uit te putten; meent dat strafrechtelijke sancties en straffen moeten worden opgelegd voor een dergelijk misbruik van procedure;

47.

wijst erop dat klokkenluiders het risico lopen civielrechtelijk of strafrechtelijk te worden vervolgd; onderstreept dat klokkenluiders bij processen vaak de zwakkere partij zijn; meent daarom dat in het geval van vermeende represailles tegen de klokkenluider, de werknemer moet aantonen dat deze maatregelen geen verband houden met de melding van de klokkenluider; meent dat de bescherming van de klokkenluider moet worden verleend op basis van de bekendgemaakte informatie en niet de intentie van de klokkenluider; benadrukt evenwel dat de klokkenluider informatie moet hebben bekendgemaakt die volgens hem op waarheid berustte; is van mening dat de vertrouwelijkheid gedurende de hele procedure moet worden gewaarborgd en dat de identiteit van de klokkenluider niet mag worden bekendgemaakt zonder zijn toestemming; onderstreept dat strafrechtelijke sancties en straffen moeten worden opgelegd voor een schending van de vertrouwelijkheid van de identiteit zonder de toestemming van de klokkenluider;

48.

vindt dat klokkenluiders niet aan strafrechtelijke of civielrechtelijke vervolging noch aan administratieve of disciplinaire sancties mogen worden onderworpen wegens de onthullingen die zij hebben gedaan;

49.

is van oordeel dat wanneer een klokkenluider anoniem melding zou kunnen maken van misstanden, zaken naar buiten kunnen worden gebracht die anders niet aan het licht zouden zijn gekomen; onderstreept in dit verband dat duidelijk omschreven middelen moeten worden ingevoerd voor anonieme melding aan de nationale of Europese onafhankelijke instantie die bevoegd is om meldingen in ontvangst te nemen, de geloofwaardigheid ervan te controleren, het antwoord op te volgen en klokkenluiders bij te staan ook in de digitale omgeving, en dat daarbij precies moet worden omschreven in welke gevallen gebruik kan worden gemaakt van de middelen voor anonieme melding; benadrukt dat noch de identiteit van de klokkenluider noch gegevens die het mogelijk maken zijn identiteit vast te stellen, mogen worden bekendgemaakt zonder zijn toestemming; meent dat elke schending van de anonimiteit met sancties moet worden bestraft;

50.

onderstreept dat een persoon het recht op bescherming niet mag verliezen louter en alleen omdat hij een beoordelingsfout heeft gemaakt of het gevaar voor het algemeen belang zich uiteindelijk niet heeft geconcretiseerd, op voorwaarde dat hij op het moment van de melding redelijke gronden had om aan te nemen dat de feiten op waarheid berustten; brengt in herinnering dat in het geval van valse beschuldigingen de verantwoordelijken hiervoor rekenschap moeten afleggen en dat zij niet de bescherming mogen genieten die aan klokkenluiders wordt verleend; benadrukt dat alle personen die rechtstreeks of onrechtstreeks benadeeld zijn door het melden of onthullen van onjuiste of misleidende informatie, het recht moeten krijgen op daadwerkelijke voorziening in rechte tegen kwaadwillige of onjuiste meldingen;

51.

herinnert aan het belang van het ontwikkelen van instrumenten ter uitbanning van elke vorm van vergelding, of deze nu uit passief ontslag bestaat dan wel uit passieve maatregelen; verzoekt de lidstaten met klem om de handelingen van klokkenluiders in verband met het bekend maken van informatie over onrechtmatige of illegale handelingen of over handelingen die het openbaar belang ondermijnen of in gevaar brengen, niet strafbaar te stellen;

52.

herinnert eraan dat in de tussentijd het vigerende EU-recht door de instellingen van de Unie en de lidstaten naar behoren moet worden toegepast en dat het zo moet worden geïnterpreteerd dat aan klokkenluiders die handelen in het algemeen belang, optimale bescherming wordt geboden; benadrukt dat de bescherming van klokkenluiders reeds erkenning geniet als een belangrijk instrument om de doeltreffende toepassing van de EU-wetgeving te waarborgen; doet derhalve een beroep op de lidstaten zich te onthouden van het strafbaar stellen van het handelen van klokkenluiders wanneer deze in het algemeen belang informatie onthullen;

Ondersteuning van klokkenluiders

53.

wijst op de rol van de overheidsinstanties, vakbonden en maatschappelijke organisaties in het ondersteunen en assisteren van klokkenluiders bij hun activiteiten binnen hun organisatie;

54.

onderstreept dat klokkenluiders alsook de mensen die hen helpen, naast beroepsrisico’s ook persoonlijke, psychologische, sociale en financiële risico’s lopen; is van oordeel dat in voorkomend geval voor psychologische steun moet worden gezorgd, dat juridische bijstand moet worden verleend aan klokkenluiders die hierom vragen en die over onvoldoende middelen beschikken, dat sociale en financiële steun moet worden verleend aan klokkenluiders die een naar behoren gemotiveerd verzoek daartoe indienen en als beschermende maatregel indien een civiele of gerechtelijke procedure tegen de klokkenluider wordt ingesteld, overeenkomstig de nationale wetten en praktijken; voegt daaraan toe dat compensatie moet worden verleend, ongeacht de aard van de schade die de klokkenluider heeft geleden omdat hij een melding heeft gemaakt;

55.

wijst er in dit kader op dat de Europese Ombudsman in het Parlement heeft verklaard dat zij bereid is om te onderzoeken of het mogelijk is om binnen het bureau van de ombudsman een dergelijk orgaan op te richten, en verzoekt de Commissie om te onderzoeken of het haalbaar is om de Europese Ombudsman, die reeds de bevoegdheid heeft om klachten inzake wanbestuur binnen de EU-instellingen te onderzoeken, met deze taken te belasten;

56.

verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen, in samenwerking met alle relevante instanties, alle noodzakelijke maatregelen in te voeren en te treffen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van de informatiebronnen ter voorkoming van discriminatie of dreigementen, en transparante methoden voor de melding van onregelmatigheden af te bakenen en onafhankelijke nationale instanties in te stellen voor de bescherming van klokkenluiders, alsmede te overwegen speciale middelen ter ondersteuning van klokkenluiders uit te trekken; roept bovendien op tot de instelling van een gecentraliseerde Europese autoriteit voor de doeltreffende bescherming van klokkenluiders en van personen die hen helpen bij hun actie, op het reeds bestaande model van het systeem van gegevensbeschermingsautoriteiten;

57.

verzoekt de Commissie om, met het oog op de doeltreffendheid van deze maatregelen, instrumenten te ontwikkelen die met name zorgen voor bescherming tegen ongerechtvaardigde gerechtelijke vervolging, economische sancties en discriminatie;

58.

verzoekt de lidstaten onafhankelijke instanties op te richten met voldoende begrotingsmiddelen, toereikende deskundigheid en passende specialisten, die bevoegd zijn om meldingen in ontvangst te nemen, de geloofwaardigheid ervan te controleren, het antwoord op te volgen en klokkenluiders bij te staan, met name wanneer een positieve reactie binnen de organisatie uitblijft, alsook hen de weg te wijzen naar passende financiële hulp, met name in grensoverschrijdende situaties of in gevallen waarbij lidstaten of de EU-instellingen rechtstreeks betrokken zijn; stelt voor dat de EU-instellingen een jaarverslag publiceren over de ontvangen meldingen en hun behandeling, met eerbiediging van de vertrouwelijkheidsvereisten van mogelijk lopende onderzoeken;

59.

onderstreept dat toegang moet worden verleend tot de informatie en dat gratis vertrouwelijk advies moet worden verstrekt aan personen die een melding in het algemeen belang overwegen of een onthulling van onrechtmatige of illegale handelingen die het openbaar belang ondermijnen of bedreigen; merkt op dat moet worden nagegaan welke instellingen voor deze informatie en dit advies kunnen instaan en dat de desbetreffende contactgegevens toegankelijk moeten worden gemaakt voor het publiek;

60.

onderstreept dat bovenop het geheel van beschermingsmaatregelen waarvan klokkenluiders kunnen genieten, ook specifieke garanties aan deze klokkenluiders moeten worden geboden inzake hun onthaal, huisvesting en veiligheid in een lidstaat die geen uitleveringsverdrag heeft met het land dat deze daden heeft gepleegd; verzoekt de Commissie om in gevallen waarin uitleveringsverdragen bestaan tussen de Europese Unie en het betreffende derde land en in toepassing van artikel 67, lid 2, van het VWEU inzake het Europees asielbeleid, op te treden in het kader van haar bevoegdheden en alle nodige veiligheidsmaatregelen te nemen ten aanzien van deze klokkenluiders die bijzonder kwetsbaar zijn voor strenge represailles in de landen waar zij de illegale of frauduleuze praktijken hebben bekendgemaakt;

61.

verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor de oprichting van een soortgelijk orgaan op Europees niveau met voldoende begrotingsmiddelen, toereikende deskundigheid en passende specialisten, voor de coördinatie van de acties van de lidstaten, met name in grensoverschrijdende situaties; is van oordeel dat dit Europese orgaan ook meldingen in ontvangst moet kunnen nemen, de geloofwaardigheid ervan moet kunnen controleren, bindende aanbevelingen moet kunnen doen en de klokkenluiders moet kunnen bijstaan, wanneer de lidstaat of de nationale instanties duidelijk niet adequaat reageren; stelt voor dat de EU-instellingen een jaarverslag publiceren over de ontvangen meldingen en hun behandeling, met eerbiediging van de vertrouwelijkheidsvereisten van mogelijk lopende onderzoeken; is van oordeel dat het mandaat van de Europese Ombudsman met het oog hierop zou kunnen worden uitgebreid;

62.

meent dat een melding, zodra deze als ernstig is erkend, moet leiden tot een passend onderzoek en moet worden gevolgd door passende maatregelen; onderstreept dat de klokkenluider tijdens het onderzoek, de gelegenheid moet krijgen om zijn klacht toe te lichten en bijkomende informatie of bewijzen te verstrekken;

63.

moedigt de lidstaten aan om gegevens, benchmarks en indicatoren met betrekking tot het klokkenluidersbeleid in de publieke en de particuliere sector te ontwikkelen;

64.

roept alle EU-instellingen op zich te buigen over het initiatiefverslag van de Ombudsman van 24 juli 2014, opgesteld overeenkomstig artikel 22 quater van het nieuwe statuut van de ambtenaren, waarin alle EU-instanties wordt verzocht ethisch bewuste mechanismen en rechtskaders met betrekking tot klokkenluiders vast te stellen die rechtstreeks zijn gebaseerd op de interne regels van de diensten van de Ombudsman; herhaalt zijn vaste voornemen om dit te doen;

65.

meent dat klokkenluiders ook het recht zouden moeten hebben om de resultaten van het onderzoek dat op basis van hun onthullingen is verricht, te bestuderen en daarover opmerkingen te maken;

66.

verzoekt de EU-instellingen en andere EU-organen om het goede voorbeeld te geven door onverwijld de richtsnoeren van de Europese Ombudsman toe te passen; verzoekt de Commissie zowel binnen de eigen instelling als in de EU-agentschappen volledig uitvoering te geven aan haar eigen richtsnoeren ter bescherming van klokkenluiders overeenkomstig de amendementen op haar ambtenarenstatuut van 2012; verzoekt de Commissie effectief en op gecoördineerde wijze samen te werken met andere instellingen, onder meer het Europees Openbaar Ministerie, voor de bescherming van klokkenluiders;

67.

wijst erop dat een beter werkend systeem nodig is voor het melden van wanpraktijken in bedrijven, waarmee de efficiëntie van de huidige nationale contactpunten voor de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen wordt aangevuld en verbeterd;

68.

benadrukt dat het onderzoek naar de door klokkenluiders aangekaarte kwesties onafhankelijk en binnen een zo kort mogelijk tijdsbestek moet worden uitgevoerd, waarbij ook de rechten van de bij het onderzoek betrokken personen moeten worden beschermd; onderstreept dat zowel de klokkenluider als de bij het onderzoek betrokken personen gedurende het gehele onderzoek in de gelegenheid moeten worden gesteld om aanvullende argumenten en bewijzen aan te dragen en dat zij op de hoogte moeten worden gehouden van de behandeling van de openbaarmaking;

69.

verwelkomt het feit dat de Commissie eindelijk een meldpunt voor klokkenluiders in het leven heeft geroepen voor personen die informatie over mededinging en kartelovereenkomsten willen doorgeven, maar is van oordeel dat de procedures vereenvoudigd moeten worden en vindt het belangrijk dat er niet te veel klokkenluidersloketten komen;

o

o o

70.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0408.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0310.

(3)  PB C 208 van 10.6.2016, blz. 89.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0457.

(5)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0022.

(6)  https://www.unodc.org/documents/treaties/UNCAC/Publications/Convention/08-50027_F.pdf

(7)  Zie bijv. zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect en zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie over meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/156


P8_TA(2017)0403

Een minimuminkomen als instrument om de armoede te bestrijden

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over beleid ter garantie van een minimuminkomen als instrument om de armoede te bestrijden (2016/2270(INI))

(2018/C 346/22)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 4, 9, 14, 19, 151 en 153 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948, opnieuw bevestigd op de Wereldconferentie over de mensenrechten van 1993, met name de artikelen 3, 23 en 25 ervan,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de bepalingen inzake de sociale rechten en meer in het bijzonder de artikelen 34, 35 en 36 waarin specifiek het recht op sociale bijstand en bijstand voor huisvesting, het recht op een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het recht op toegang tot diensten van algemeen economisch belang zijn vastgelegd,

gezien het Europees Sociaal Handvest en met name de artikelen 1, 4, 6, 12, 14, 17, 19, 30 en 31 daarvan,

gezien de verdragen nr. 29 en nr. 105 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake het afschaffen van gedwongen arbeid, en IAO-verdrag nr. 102 inzake sociale zekerheid, en aanbeveling 202 van de IAO inzake socialebeschermingsminima,

gezien de agenda van de IAO voor waardig werk en het mondiale banenpact van de IAO die op 19 juni 2009 tijdens de Internationale Arbeidsconferentie bij mondiale consensus zijn goedgekeurd,

gezien de conclusies van de EPSCO-Raad uit juni 2013 getiteld „Towards social investment for growth and cohesion”,

gezien Aanbeveling 92/441/EEG van de Raad van 24 juni 1992 inzake gemeenschappelijke criteria met betrekking tot toereikende inkomsten en prestaties in de stelsels van sociale bescherming (1) (aanbeveling inzake het minimuminkomen),

gezien Aanbeveling 92/442/EEG van de Raad van 27 juli 1992 betreffende de convergentie van de doelstellingen en het beleid op het gebied van de sociale bescherming (2),

gezien Aanbeveling 2013/112/EU van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld „Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken” (3),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld „Naar sociale investering voor groei en cohesie — inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020” (COM(2013)0083) en het begeleidende document SWD(2013)0038,

gezien Aanbeveling 2008/867/EG van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (4),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „EUROPA 2020 — Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

gezien het voorstel van de Commissie van maandag 2 maart 2015 voor een beschikking van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2015)0098),

gezien zijn resolutie van 6 mei 2009 over de vernieuwde sociale agenda (5),

gezien zijn resolutie van 20 oktober 2010 over de rol van het minimuminkomen bij de bestrijding van armoede en de bevordering van een inclusieve samenleving in Europa (6),

gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over het sociale investeringspact — een reactie op de crisis (7),

gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over vermindering van de ongelijkheid, met bijzondere focus op kinderarmoede (8),

gezien zijn resolutie van 14 april 2016 over het halen van het armoedebestrijdingsdoel in het licht van stijgende huishoudelijke kosten (9),

gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief (10),

gezien zijn resolutie van 15 september 2016 over het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (11),

gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten (12),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 juni 2011 getiteld „Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang”,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2013 getiteld „Het Europees minimuminkomen en armoede-indicatoren”,

gezien de studie getiteld „Towards adequate and accessible minimum income schemes in Europe”, die in 2015 werd gepubliceerd door het Europees netwerk voor het minimumloon (EMIN),

gezien het verslag van Eurofound van 2015, getiteld „Toegang tot sociale uitkeringen: vermindering van het niet-claimen”,

gezien het verslag van Eurofound van 2017, getiteld „Inkomensongelijkheid en arbeidspatronen in Europa voor en na de grote recessie”,

gezien de studie van beleidsondersteunende afdeling A van het Europees Parlement over minimuminkomensbeleid in de EU-lidstaten, die in april 2017 in definitieve vorm werd gepubliceerd,

gezien het verslag getiteld „Minimum Income Schemes in Europe — A study of national policies 2015” dat in 2016 door het Europees netwerk inzake sociaal beleid (ESPN) voor de Commissie werd opgesteld,

gezien de vraag met verzoek om mondeling antwoord O-000087/2016 — B8-0710/2016 van 15 juni 2016 ingediend door de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

gezien de vraag met verzoek om schriftelijk antwoord P-001004/2016 van 2 februari 2016,

gezien zijn aanbeveling van 7 juli 2016 aan de Raad over de 71e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (13),

gezien de Verklaring van Schuman van 9 mei 1950, waarin werd opgeroepen tot „het gelijkstellen en verbeteren van de levensomstandigheden van werknemers”,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0292/2017),

A.

overwegende dat armoede en sociale uitsluiting, waarvan de oorzaken en duur niet afhankelijk zijn van de inzet van degenen die erdoor worden getroffen, schendingen van de menselijke waardigheid en de fundamentele mensenrechten vormen; overwegende dat de EU en haar lidstaten in 2010 hebben toegezegd om het aantal personen dat het risico loopt slachtoffer te worden van armoede en sociale uitsluiting tegen 2020 met 20 miljoen te verminderen; overwegende dat armoede en sociale uitsluiting niet alleen kwesties van individuele verantwoordelijkheid zijn, maar op een collectieve manier moeten worden aangepakt;

B.

overwegende dat Europa een van de meest welvarende regio's in de wereld is, ook al zijn uit recente gegevens over inkomensarmoede de toename van armoede en ernstige materiële ontberingen in Europa en groeiende ongelijkheden tussen de lidstaten naar voren gekomen;

C.

overwegende dat een bloeiende economie met een lage werkloosheid nog altijd het doeltreffendste instrument is om armoede te bestrijden;

D.

overwegende dat inkomensarmoede slechts één aspect is van het gehele concept van armoede en dat armoede derhalve niet alleen betrekking heeft op materiële middelen, maar ook op sociale middelen, in het bijzonder onderwijs, gezondheidszorg en toegang tot diensten;

E.

overwegende dat de term „relatieve armoede” niets zegt over de werkelijke behoeftigheid, maar slechts iets over de relatieve inkomenspositie ten opzichte van anderen;

F.

overwegende dat de armoederisicogrens volgens de methodologie van Eurostat is vastgesteld op 60 % van het nationaal mediaan equivalent besteedbaar inkomen (per huishouden, na sociale afdrachten); overwegende dat dit percentage, gezien de bestaande verschillen tussen de lidstaten en de verschillende nationale socialebeleidsmaatregelen, moet worden gezien in samenhang met andere indicatoren zoals referentiebudgetten; overwegende dat het inkomen een indirecte indicator van de levensstandaard is, terwijl referentiebudgetten de diversiteit aan consumptiepatronen en kosten van levensonderhoud in de verschillende lidstaten weerspiegelen;

G.

overwegende dat de begrippen „inkomensverschillen” en „armoede” niet met elkaar mogen worden verward;

H.

overwegende dat, volgens de Commissie (14), 119 miljoen mensen in de EU — ongeveer 25 % van de totale bevolking — na ontvangst van sociale uitkeringen het risico op armoede en sociale uitsluiting lopen; overwegende dat hierbij nog eens aanhoudende hoge werkloosheidspercentages komen en dat deze toestand vooral geldt voor jongeren, voor wie deze cijfers nog alarmerender zijn; overwegende dat, hoewel de cijfers dalen, er nog steeds meer mensen het risico op armoede lopen dan in 2008; overwegende dat de EU en de lidstaten nog ver zijn verwijderd van het Europa 2020-streefcijfer voor armoede en uitsluiting, aangezien het niveau nog steeds boven dat streefcijfer ligt;

I.

overwegende dat de beschikbare gegevens erop wijzen dat bepaalde groepen mensen, zoals kinderen, vrouwen, werklozen, eenoudergezinnen en personen met een handicap, met name kwetsbaar zijn voor armoede, ontbering en sociale uitsluiting;

J.

overwegende dat gezinnen met kinderen zwaar door armoede worden getroffen;

K.

overwegende dat de combinatie van werk en gezin vooral voor alleenstaande ouders essentieel is om uit de armoede te kunnen komen;

L.

overwegende dat rekening moet worden gehouden met de noodzaak om maatregelen ter voorkoming en bestrijding van armoede en sociale uitsluiting in alle beleidsterreinen te integreren, waarbij de universele toegang wordt gewaarborgd tot openbare diensten, tot behoorlijk werk en tot een inkomen waarvan op een waardige manier kan worden geleefd;

M.

overwegende dat hoge werkloosheid, armoede en ongelijkheid in sommige lidstaten volgens de Commissie belangrijke problemen blijven; overwegende dat een brede inkomensongelijkheid niet alleen schadelijk is voor de sociale cohesie, maar ook de duurzame economische groei belemmert, zoals is opgemerkt door commissaris Thijssen; overwegende dat volgens Eurofound de impact van de crisis in het algemeen groter is geweest voor personen met een lager inkomen, waardoor de inkomensongelijkheid in de Europese samenlevingen is toegenomen (15);

N.

overwegende dat daklozen in de meest extreme vorm van armoede en ontbering leven en hun aantal in de afgelopen jaren in praktisch alle lidstaten is gestegen, met name in de landen die het meest te lijden hebben gehad onder de economische en financiële crisis; overwegende dat volgens de Europese federatie dak- en thuislozenorganisaties (FEANTSA) in de hele EU jaarlijks circa 4 miljoen mensen dakloos zijn, meer dan 10,5 miljoen huishoudens te maken krijgen met ernstige woningnood en 22,3 miljoen huishoudens te maken hebben met een bovenmatige uitgave aan huisvesting, wat betekent dat zij meer dan 40 % van hun beschikbare inkomen aan huisvesting uitgeven;

O.

overwegende dat de huidige situatie maatregelen vergt om nationale regelingen inzake een minimuminkomen te bevorderen, opdat alle personen die niet over een toereikend inkomen beschikken en die voldoen aan de specifieke criteria om voor de regeling in aanmerking te komen de garantie krijgen dat zij in waardige omstandigheden kunnen leven, en om tegelijkertijd de sociale integratie en de integratie op de arbeidsmarkt te verbeteren en te waarborgen dat alle personen dezelfde kansen krijgen om hun grondrechten uit te oefenen; overwegende dat onderwijs, herverdelende sociale overdrachten en uitkeringen, een rechtvaardig belastingbeleid en een deugdelijk werkgelegenheidsbeleid belangrijke factoren zijn om inkomensongelijkheden te verkleinen, de werkloosheid terug te dringen en armoede te bestrijden; overwegende dat een baan iemand zou beschermen tegen het risico op armoede en kan worden beschouwd als een belangrijke, onontbeerlijke vorm van sociale integratie;

P.

overwegende dat veel mensen in de EU volgens een door Eurofound opgesteld overzicht niet de uitkeringen ontvangen waar zij recht op hebben, met inbegrip van arbeidsgebonden uitkeringen, bijvoorbeeld als gevolg van de complexiteit van uitkeringsstelsels en aanvraagprocedures, of omdat ze er zich niet bewust van zijn dat ze er recht op hebben;

Q.

overwegende dat het concept minimuminkomen niet mag worden verward met het concept minimumloon, dat op nationaal niveau wordt vastgesteld in een collectieve overeenkomst of in de wet;

R.

overwegende dat de vaststelling van lonen onder de bevoegdheid van de lidstaten valt;

S.

overwegende dat de invoering en versterking van adequate minimuminkomensregelingen in alle lidstaten, met toereikende begrotings-, personele en materiële middelen, in combinatie met een actief arbeidsmarktbeleid voor mensen die in staat zijn om te werken, een belangrijke en doeltreffende maatregel is om armoede en ongelijkheid te bestrijden, de economische en territoriale cohesie te helpen waarborgen, de grondrechten van personen te beschermen, een evenwicht te garanderen tussen economische en sociale doelstellingen en sociale integratie en toegang tot de arbeidsmarkt te bevorderen;

T.

overwegende dat de instelling en het beheer van socialezekerheidsstelsels onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen en dat de Unie hier coördinerend, maar niet harmoniserend optreedt;

U.

overwegende dat volgens het Europees Sociaal Waarnemingscentrum in 26 lidstaten reeds vormen van inkomenssteun bestaan (16);

V.

overwegende dat er veel verschillen bestaan tussen de lidstaten wat betreft de behandeling van minimuminkomensbeleid, aangezien het recht op een waardig leven niet in alle lidstaten als een universeel en subjectief recht wordt beschouwd; overwegende dat veel regelingen niet worden benut en er vaak geen coördinatie is tussen beleid op het gebied van inkomenssteun, actief arbeidsmarktbeleid en sociale diensten; overwegende dat minimuminkomensregelingen slechts in een paar gevallen in staat zijn mensen van armoede te bevrijden;

W.

overwegende dat sommige van de meest kwetsbare personen, zoals daklozen, moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot minimuminkomensregelingen;

X.

overwegende dat het garanderen van uitkeringen voor een toereikend minimuminkomen voor personen die niet over voldoende middelen beschikken om een waardig leven te leiden, gekoppeld aan de deelname aan maatregelen voor (re-)integratie op de arbeidsmarkt en de toegang tot werk en de motivatie om werk te zoeken, bepalingen zijn die deel uitmaken van de Europese pijler van sociale rechten (17); overwegende dat Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Europese Commissie, gedurende de conferentie op hoog niveau in Brussel op 23 januari 2017 ter afsluiting van de openbare raadpleging over dit thema, andermaal heeft verklaard dat dergelijke maatregelen door alle lidstaten moeten worden ingevoerd;

Y.

overwegende dat de werkgelegenheidsgraad voor EU-burgers in de leeftijdscategorie van 20 tot 64 jaar volgens Eurostat in 2015 70,1 % bedroeg, een stuk lager dan de streefwaarde van 75 % die in het kader van de EU 2020-strategie is vastgesteld;

Z.

overwegende dat in het voorstel van de Commissie van 2 maart 2015 over de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten nogmaals wordt gewezen op het belang van inkomenssteun bij de bestrijding van de armoede (richtsnoer 8);

AA.

overwegende dat goed ontworpen, toereikende en goed toegankelijke stelsels voor inkomenssteun terugkeer naar de arbeidsmarkt niet beletten of ontmoedigen en de interne vraag helpen bevorderen;

AB.

overwegende dat in de aanbeveling van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie terecht wordt gesteld dat beleid ter bevordering van actieve inclusie, naast maatregelen om toegang tot kwalitatief hoogwaardig werk te faciliteren voor mensen die kunnen werken, aan degenen die niet kunnen werken een voor het leiden van een menswaardig bestaan toereikend inkomen en ondersteuning voor hun sociale participatie moet verstrekken;

AC.

overwegende dat de Raad op 5 oktober 2015 conclusies heeft aangenomen over de toereikendheid van de pensioenen en het essentieel acht dat overheidspensioenen en andere sociale beschermingsregelingen voldoende waarborgen bevatten voor mensen die tijdens hun loopbaan niet in staat zijn of zijn geweest om voldoende pensioenrechten op te bouwen en dat dergelijke waarborgen met name minimale pensioenen en andere minimale inkomensvoorzieningen voor ouderen moeten omvatten;

AD.

overwegende dat de Raad in Aanbeveling 92/441/EEG de lidstaten oproept te erkennen dat alle personen het fundamentele recht hebben om sociale bijstand te ontvangen en over voldoende middelen te beschikken om een waardig bestaan te leiden; overwegende dat in Aanbeveling 92/442/EEG van de Raad van 27 juli 1992 de lidstaten ertoe worden aangespoord hun eigen stelsels van sociale bescherming op deze beginselen te baseren;

AE.

overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 17 december 1999 het bevorderen van de sociale integratie heeft opgenomen als een van de doelstellingen met het oog op het moderniseren en verbeteren van de sociale bescherming,

AF.

overwegende dat adequate inkomenssteun in de aanbeveling over de actieve inclusie wordt aangemerkt als een van de drie even belangrijke pijlers van een actieve-inclusiestrategie en in de aanbeveling ook wordt onderstreept dat adequate inkomenssteun vergezeld moet gaan van de toegang tot hoogwaardige diensten en van inclusieve arbeidsmarkten die de integratie bevorderen; overwegende dat er voor het bevorderen van sociale inclusie eveneens gecoördineerde maatregelen nodig zijn die rekening houden met de persoon en degenen die van hem of haar afhankelijk zijn, evenals acties om stabiel werk te bevorderen;

AG.

overwegende dat er in veel landen belangrijke barrières bestaan die het ontwikkelen van effectieve koppelingen tussen de verschillende pijlers van actieve inclusie belemmeren, zoals een gebrek aan capaciteit, vaardigheden en middelen bij openbare diensten voor arbeidsvoorziening en instellingen voor sociale bijstand, een gebrek aan coördinatie en samenwerking tussen diensten, en een neiging om voorrang te geven aan verschillende groepen die ondersteuning nodig hebben en die wellicht gemakkelijker geïntegreerd kunnen worden op de arbeidsmarkt (18);

AH.

overwegende dat in het pakket voor sociale investeringen van de Commissie uit 2013 wederom werd benadrukt hoe belangrijk een actieve benadering van inclusie is en werd onderstreept dat toereikende minimale inkomenssteun hierbij een belangrijke rol speelt; overwegende dat werd gesteld dat de toereikendheid van de bestaande nationale minimuminkomensregelingen zou kunnen worden verbeterd om te garanderen dat zij hoog genoeg zijn om een fatsoenlijk leven van te kunnen leiden; overwegende dat werd aangegeven dat de Commissie in het kader van het Europese semester de adequaatheid van inkomenssteun zal monitoren en daartoe gebruik zal maken van referentiebegrotingen zodra deze in samenwerking met de lidstaten zijn ontwikkeld;

AI.

overwegende dat in aanbeveling nr. 202 van de IAO inzake socialebeschermingsminima wordt gesteld dat landen zo snel mogelijk hun socialebeschermingsminima moeten vaststellen en handhaven en dat deze elementaire socialezekerheidsgaranties moeten bieden, en dat de garanties er minimaal voor moeten zorgen dat iedereen die daaraan behoefte heeft gedurende de gehele levenscyclus toegang heeft tot essentiële gezondheidszorg en elementaire inkomenszekerheid, hetgeen samen zorgt voor een effectieve toegang tot goederen en diensten;

AJ.

overwegende dat de Raad de noodzaak heeft erkend van actieve inclusie met toereikende inkomenssteun evenals het belang van een integrale levenscyclusbenadering om armoede te bestrijden (19);

AK.

overwegende dat langdurig werklozen, die eind 2015 48,1 % van het totaal aantal werklozen in de EU uitmaakten, hetgeen overeenkomt met 10,9 miljoen personen, veel meer moeite hebben om weer toegang tot de arbeidsmarkt te krijgen;

AL.

overwegende dat de opvoeding van kinderen en de tijd die daaraan wordt besteed vaak gepaard gaan met een aanzienlijk inkomensverlies en met langdurige financiële nadelen („family pay gap”);

AM.

overwegende dat moeders en vaders die kinderen opvoeden daarmee echte arbeid verrichten en dat dit als dusdanig moet worden erkend;

AN.

overwegende dat eind 2015 5,1 % van de werklozen in de EU bestond uit ontmoedigde mensen die wel hadden willen werken, maar die het werk zoeken hadden opgegeven, en overwegende dat deze mensen niet stelselmatig in de werkloosheidsstatistieken worden opgenomen;

AO.

overwegende dat werkloosheid leidt tot een snelle en voortdurende verslechtering van de leefomstandigheden van werknemers en hun mentale en emotionele toestand, hetgeen een negatieve invloed heeft op de mogelijkheden om hun vaardigheden te verbeteren en, uiteindelijk, hun kansen om opnieuw tot de arbeidsmarkt toe te treden;

AP.

overwegende dat bepaalde werkgelegenheidsprogramma's van de overheid een doeltreffend middel kunnen zijn om, in combinatie met minimuminkomensregelingen, de sociale en beroepsintegratie van specifieke categorieën, zoals werkloze jongeren, langdurig werklozen en kwetsbare groepen, te bevorderen; overwegende dat dergelijke programma's doeltreffend zouden kunnen zijn in contexten en achtergebleven geografische gebieden waar omscholing noodzakelijk is; overwegende dat een persoon die werk heeft in het kader van een openbaar werkgelegenheidsprogramma ook veel gemakkelijker nieuw werk kan vinden; overwegende dat deze programma's een fatsoenlijk loon moeten bieden, een persoonlijk traject moeten bevatten en moeten leiden tot behoorlijk werk;

AQ.

overwegende dat de lidstaten zowel in de conclusies van de Raad inzake de jaarlijkse groeianalyse als in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid voor 2017 dat op 3 maart 2017 door de EPSCO-raad is goedgekeurd (20), worden opgeroepen te garanderen dat stelsels voor sociale bescherming toereikende inkomenssteun bieden en dat hervormingen zich, onder andere, moeten blijven richten op het bieden van toereikende inkomenssteun en hoogwaardige activerings- en ondersteunende diensten;

AR.

overwegende dat beroepsopleiding, met name via arbeidsgerelateerde opleidingsprogramma's, ervoor kan zorgen dat mensen de nodige vaardigheden verwerven om een beroepsactiviteit uit te oefenen en een professioneel netwerk uit te bouwen, hetgeen bijdraagt tot een duurzame deelname aan de arbeidsmarkt en het armoederisico vermindert;

AS.

overwegende dat minimuminkomensregelingen een zeer klein percentage vertegenwoordigen van de sociale uitgaven van de overheid en een enorm rendement opleveren, terwijl de kosten van het niet-investeren enorme onmiddellijke gevolgen hebben voor de personen in kwestie en op de lange termijn voor de samenleving;

AT.

overwegende dat minimuminkomensregelingen goed zijn voor de samenleving als geheel, aangezien ze onontbeerlijk zijn om samenlevingen te creëren die gelijkwaardiger zijn en gelijkwaardigere samenlevingen beter presteren op veel sociale en economische indicatoren;

AU.

overwegende dat minimuminkomensregelingen doeltreffende vorm van pakketten voor economische stimulering zijn, aangezien het geld wordt gebruikt om in dringende behoeften te voorzien en onmiddellijk weer in de reële economie terecht komt;

AV.

overwegende dat het recht op een toereikende levensstandaard wordt erkend in artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN en verwijst naar de mate waarin de hoogte van de uitkering mensen voldoende middelen verschaft voor een levensstandaard die toereikend is voor hun gezondheid en welzijn; overwegende dat „dekking” verwijst naar de mate waarin alle personen die steun nodig hebben voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor een minimuminkomensregeling; overwegende dat „benutting” verwijst naar de mate waarin de personen die in aanmerking komen voor een minimuminkomen, dit inkomen ook daadwerkelijk ontvangen;

AW.

overwegende dat het gebrek aan toereikende betalingen gekoppeld aan een beperkte dekking en slechte benutting, onder andere als gevolg van slechte administratie, ontoereikende toegang tot informatie, overmatige bureaucratie en stigmatisering, betekent dat deze regelingen nauwelijks in staat zijn de meest kwetsbare personen in de samenleving een fatsoenlijk leven te garanderen (21);

AX.

overwegende dat een aantal lidstaten te maken hebben met een ernstig begrotingstekort en een verhoogde schuldenlast en bijgevolg op sociale uitgaven hebben bezuinigd, en dat dit de openbare stelsels voor gezondheidszorg, onderwijs, sociale zekerheid en bescherming, en huisvesting heeft aangetast, en met name de toegang tot en de geschiktheid, beschikbaarheid en kwaliteit van de daarmee verband houdende diensten, met negatieve gevolgen voor met name de meest behoeftige leden van de samenleving in die lidstaten;

AY.

overwegende dat minimuminkomensregelingen als automatische macro-economische stabilisatoren kunnen fungeren bij economische schokken;

AZ.

overwegende dat de doeltreffendheid van minimuminkomensregelingen om armoede te bestrijden, arbeidsmarktintegratie te bevorderen, met name voor jongeren, en als automatische stabilisatoren te fungeren, sterk tussen de lidstaten verschilt;

BA.

overwegende dat het minimuminkomensbeleid werkt als een automatische stabilisator; overwegende dat de recessie minder hevig was in landen die over solide stelsels voor inkomenssteun voor huishoudens beschikken;

BB.

overwegende dat belastingontwijking en belastingontduiking een ongelijk speelveld creëren in de EU, waardoor de lidstaten op grote schaal inkomsten mislopen die anders zouden bijdragen tot voldoende financiering voor een robuust socialezekerheidsbeleid, en waardoor de overheidsinkomsten afnemen die anders konden worden besteed aan betere voorwaarden voor economische groei, hogere inkomens en sociaal beleid; overwegende dat dit in de EU een ernstig probleem vormt;

BC.

overwegende dat uit een aantal studies is gebleken hoe armoede de economische groei negatief beïnvloedt (22);

BD.

overwegende dat sommige lidstaten proefprojecten lanceren voor het uittesten van een basisinkomenbeleid, waaronder Finland, waar een willekeurig gekozen groep van 2 000 werklozen een onvoorwaardelijk bedrag van 560 euro per maand zullen ontvangen, wat voldoende stimulans zou moeten bieden om tijdelijk of deeltijdwerk te accepteren;

BE.

overwegende dat in verschillende lidstaten beraadslagingen aan de gang zijn over de invoering van een basisinkomensregeling;

Minimuminkomensregelingen

1.

dringt er bij alle lidstaten op aan adequate minimuminkomensregelingen in te voeren, in combinatie met maatregelen om de terugkeer op de arbeidsmarkt van degenen die kunnen werken te bevorderen en onderwijs- en opleidingsprogramma's die zijn aangepast aan de persoonlijke en gezinssituatie van de begunstigde, teneinde huishoudens met onvoldoende inkomsten te ondersteunen en in staat te stellen een behoorlijke levensstandaard te verwezenlijken. benadrukt dat dit minimuminkomen het laatste vangnet van sociale bescherming moet zijn en moet bestaan uit adequate financiële steun in aanvulling op een gegarandeerde toegang tot kwalitatief hoogwaardige diensten en actief arbeidsbeleid, als een effectieve manier om armoede te bestrijden en een behoorlijk bestaan te waarborgen voor iedereen die niet over toereikende middelen beschikt; benadrukt in dit verband dat het recht op sociale bijstand een grondrecht is en dat adequate inkomensregelingen mensen in staat stellen een waardig leven te leiden, volledig deel te nemen aan de samenleving en gedurende de gehele levenscyclus onafhankelijk te zijn;

2.

is van mening dat het bevorderen van inclusieve samenlevingen zonder armoede moet gebeuren door de status van werk te verhogen door middel van arbeidsrechten die voortkomen uit collectieve onderhandelingen door kwalitatieve diensten op het gebied van gezondheidszorg, sociale zekerheid en onderwijs in het leven te roepen die de cycli van uitsluiting doorbreken en ontwikkeling stimuleren;

3.

onderstreept het belang van toereikende overheidsfinanciering voor minimuminkomensregelingen; dringt er bij de Commissie op aan specifiek toe te zien op het gebruik van de 20 % van de totale begroting van het ESF die is bedoeld voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, en wijst erop dat zij in de herziening van de gemeenschappelijke bepalingen voor de structuurfondsen (Verordening (EU) nr. 1303/2013) en in het bijzonder in het kader van het Europees Sociaal Fonds en het EU-programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), de financieringsmogelijkheden moet bekijken om iedere lidstaat te helpen een minimuminkomensregeling in te voeren wanneer deze nog niet bestaat of de werking en doeltreffendheid van bestaande regelingen te verbeteren;

4.

erkent dat het moeilijk is voor lidstaten om de stap te maken van geen minimuminkomensregelingen of minimuminkomensregelingen van lage kwaliteit naar hoogwaardige regelingen; vraagt de lidstaten daarom progressief toe te werken naar toereikende minimuminkomensregelingen, en hierbij aandacht te besteden aan de kwesties van toereikendheid, dekking en benutting;

5.

benadrukt dat de invoering van minimuminkomensregelingen zowel de ongelijkheid als de sociale effecten van de crisis kan verzachten en een anticyclisch effect kan hebben door middelen te verschaffen die de vraag op de interne markt stimuleren;

6.

onderstreept dat het voor alle behoeftigen van essentieel belang is over toereikende minimuminkomensregelingen te beschikken om aan de basisbehoeften te kunnen voldoen, ook voor de meest uitgesloten groepen, zoals daklozen; is van mening dat een toereikend minimuminkomen een inkomen is dat behoeftigen in staat stelt een waardig bestaan te leiden, en dat het derhalve moet worden gezien in samenhang met het recht op universele publieke en sociale diensten; is van mening dat minimuminkomensregelingen moeten garanderen dat personen niet afhankelijk blijven van sociale bijstand en de integratie in de samenleving moeten bevorderen; herinnert eraan dat in de aanbeveling inzake actieve inclusie wordt erkend dat er een integrale strategie nodig is voor de tenuitvoerlegging van de drie pijlers van sociale inclusie (toereikende inkomenssteun, inclusieve arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten);

7.

benadrukt het belang van de automatische stabiliserende werking van welvaartsstelsels voor het opvangen van sociale schokken die worden veroorzaakt door externe effecten als recessies; verzoekt de lidstaten daarom in het licht van IAO-aanbeveling nr. 202, waarin socialebeschermingsminima zijn vastgesteld, hun investeringen in socialebeschermingsstelsels te garanderen en te verhogen, zodat ze hun prestaties op het gebied van de bestrijding en voorkoming van armoede en ongelijkheid kunnen garanderen en de duurzaamheid van die prestaties kunnen waarborgen;

8.

wijst in verband met het debat over het minimuminkomen op de bijzondere positie van gezinnen met kinderen en alleenstaande ouders, die hiervan de grootste gevolgen ondervinden;

9.

benadrukt dat mensen in staat moeten worden gesteld volledig deel te nemen aan de samenleving en aan de economie en dat dit recht volledig moet worden erkend en zichtbaar moet worden gemaakt in de beleidsvorming van de Unie door hoogwaardige universele stelsels van sociale bescherming te garanderen waarvan doeltreffende en toereikende minimuminkomensregelingen deel uitmaken;

10.

is van mening dat sociale bescherming, met inbegrip van pensioenen en diensten als gezondheidszorg, kinderopvang en langdurige zorg, essentieel blijven voor evenwichtige en inclusieve groei, en eveneens bijdragen aan een langer werkend leven, werkgelegenheid creëren en de ongelijkheid terugdringen; roept de Commissie en de lidstaten daarom op beleid te bevorderen dat toereikende, adequate, doeltreffende en kwalitatieve socialebeschermingsstelsels garandeert, die zorgen voor een waardig bestaan, ongelijkheden bestrijden en inclusie bevorderen, tijdens alle levensfasen van een persoon, teneinde zo armoede uit te roeien, voornamelijk bij personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten en de meest kwetsbare groepen;

11.

benadrukt dat een toereikend minimuminkomen gedurende de gehele levenscyclus van cruciaal belang is om personen met een ontoereikend inkomensniveau te helpen een waardig bestaan te leiden;

12.

benadrukt dat toereikende minimuminkomensregelingen als instrumenten van actieve inclusie de sociale deelname en inclusie bevorderen;

13.

herinnert eraan dat een van de belangrijkste doelen van de Europa 2020-strategie is om het aantal personen dat lijdt onder armoede en sociale uitsluiting met ten minste 20 miljoen terug te dringen en dat er nog meer inspanningen nodig zijn om dat doel te bereiken; is van mening dat minimuminkomensregelingen een nuttige manier kunnen zijn om deze doelstelling te realiseren;

14.

benadrukt dat fatsoenlijke banen de beste manier zijn om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden; herinnert er in dit kader aan hoe belangrijk het is groei, investeringen en werkgelegenheid te stimuleren;

15.

betreurt het feit dat sommige lidstaten blijkbaar geen rekening houden met Aanbeveling 92/441/EEG van de Raad, waarin „het fundamentele recht van personen op inkomsten en prestaties die toereikend zijn om een menswaardig bestaan te leiden” wordt erkend;

16.

onderstreept dat, hoewel de meeste lidstaten minimuminkomensregelingen hebben, een aantal van deze regelingen geen toereikende inkomenssteun bieden voor alle personen die dat nodig hebben (23); verzoekt alle lidstaten te zorgen voor de invoering en, indien nodig, de verbetering van de regelingen voor een gegarandeerd minimuminkomen ter voorkoming van armoede en ter bevordering van de sociale inclusie;

17.

benadrukt dat de invoering van een nationale minimuminkomensregeling niet mag leiden tot een verlaging van de bescherming die mogelijk wordt gemaakt door middel van regionale minimuminkomensregelingen;

18.

benadrukt hoe belangrijk het is dat in het kader van het Europees semester de lidstaten die nog geen minimuminkomensregelingen hebben, worden aangemoedigd stelsels van toereikende inkomenssteun in te voeren;

19.

merkt op dat het recht op een minimuminkomen in sommige lidstaten afhankelijk wordt gesteld van deelname aan actieve arbeidsmarktmaatregelen; benadrukt in dit opzicht de belangrijke rol die de EU kan spelen als medium dat de lidstaten in staat stelt beste werkwijzen uit te wisselen;

20.

herhaalt zijn standpunt, zoals dat tot uiting kwam in zijn resolutie van 20 oktober 2010 over de rol van het minimuminkomen bij de bestrijding van armoede en de bevordering van een inclusieve samenleving in Europa;

21.

neemt terdege kennis van het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een richtlijn inzake een toereikend minimuminkomen in de Europese Unie waarin gemeenschappelijke normen en indicatoren worden vastgelegd, methoden voor het toezicht op de toepassing worden aangereikt en de dialoog tussen de belanghebbenden, de lidstaten en de instellingen van de Unie wordt verbeterd; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband de middelen en instrumenten voor het garanderen van een toereikend minimuminkomen in alle lidstaten te evalueren;

22.

is verheugd over de verklaring van de Commissie dat in het Europees semester nu sterker de nadruk wordt gelegd op werkgelegenheid en sociale prestaties, maar is van mening dat er meer inspanningen nodig zijn om deze doelstelling te behalen en globale samenhang te garanderen, met door sociale investeringen te bevorderen; roept de Commissie op in de landenspecifieke aanbevelingen regelmatig de vorderingen te volgen en evalueren die de lidstaten maken met het leveren van toegankelijke, betaalbare en hoogwaardige diensten, evenals met de tenuitvoerlegging van toereikende en efficiënte minimuminkomensregelingen;

23.

benadruk hoe belangrijk het Europees semester is om de toereikendheid van bestaande minimuminkomensregeling en hun effect op de vermindering van armoede te volgen, met name door middel van de landenspecifieke aanbevelingen, maar onderstreept eveneens het belang van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid en de jaarlijkse groeianalyse;

24.

onderstreept dat minimuminkomensregelingen een inkomen moeten waarborgen dat boven de armoedegrens ligt, situaties van ernstige materiële ontberingen moeten voorkomen en huishoudens uit dergelijke situaties moeten verlossen, en daarnaast toegang moeten bieden tot publieke diensten als gezondheidszorg, onderwijs en kinderopvang;

25.

is van mening dat de minimuminkomensregelingen deel moeten uitmaken van een strategische aanpak van sociale inclusie en integratie die zowel algemene als beleidsmaatregelen inzake huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, opleiding en sociale diensten en andere diensten van algemeen belang omvat, teneinde personen te helpen uit de armoede te komen, en daarbij steun op maat te bieden en bijstand te verlenen om degenen die kunnen werken te helpen toegang tot de arbeidsmarkt te krijgen; is van mening dat de minimuminkomensregelingen niet louter en alleen tot doel hebben de betrokkenen te steunen, maar ook, en vooral, hen te begeleiden, zodat zij zich uit hun situatie van sociale uitsluiting kunnen bevrijden en een actief leven kunnen leiden, zodat langdurige afhankelijkheid wordt vermeden;

26.

roept de lidstaten op de coördinatie en geïntegreerde planning tussen overheden en diensten die zijn betrokken bij de verschillende pijlers van actieve inclusie te verbeteren, één contactpunt voor cliënten aan te wijzen en de capaciteit en beschikbare middelen van diensten te vergroten zodat de toegang tot en de kwaliteit van de diensten in kwestie kan worden verbeterd;

27.

is van mening dat het cruciaal is een toereikend inkomen te garanderen, ook voor mensen in een kwetsbare situatie voor wie een terugkeer op de arbeidsmarkt onmogelijk of niet langer een optie is, hetgeen ook wordt erkend in de aanbeveling inzake actieve inclusie;

28.

verlangt dat aanzienlijke en aantoonbare vooruitgang wordt geboekt ten aanzien van de toereikendheid van de minimuminkomensregelingen, zodat de armoede en sociale uitsluiting, met name van de meest kwetsbaren, kunnen worden verminderd en hun recht op een waardig bestaan kan worden gewaarborgd;

29.

merkt met bezorgdheid op dat de kosten van bijvoorbeeld langdurige zorg in veel lidstaten zelfs hoger zijn dan het gemiddelde pensioeninkomen; benadrukt dat het belangrijk is rekening te houden met de specifieke behoeften en kosten van levensonderhoud van verschillende leeftijdsgroepen;

30.

benadrukt dat het van belang is passende criteria vast te stellen die zijn afgestemd op de sociaaleconomische situatie in de lidstaten om in aanmerking te kunnen komen voor een toereikende minimuminkomensregeling; is van mening dat deze criteria onder meer zouden moeten inhouden dat de begunstigde geen werkloosheidsuitkering ontvangt of het feit dat deze uitkering onvoldoende is om armoede en sociale uitsluiting te voorkomen, waarbij rekening moet worden gehouden met het aantal kinderen en andere zorgbehoevenden; benadrukt niettemin dat deze criteria niet moeten leiden tot administratieve barrières die de toegang tot minimuminkomensregelingen belemmeren voor mensen die zich al in een zeer kwetsbare positie bevinden (bv. voor daklozen zou het niet verplicht moeten zijn een vast adres te hebben);

31.

herhaalt het belang van gelijke toegang tot minimuminkomensregelingen zonder discriminatie op grond van etniciteit, geslacht, opleidingsniveau, nationaliteit, seksuele geaardheid, religie, handicap, leeftijd, politieke opvattingen of sociaaleconomische achtergrond;

32.

maakt zich zorgen om het feit dat veel mensen die recht hebben op een minimuminkomen dit niet benutten; is van mening dat het feit dat mensen deze regelingen niet benutten, een van de belangrijkste barrières vormt voor de sociale inclusie van de personen in kwestie; verzoekt de Commissie en het Comité voor de sociale bescherming het probleem van onbenutte regelingen verder te onderzoeken en aanbevelingen en richtsnoeren op te stellen om dit probleem aan te pakken; roept de lidstaten op te voorkomen dat regelingen niet worden benut, onder meer door het bewustzijn omtrent het bestaan van minimuminkomensregelingen onder het publiek te vergroten, gepaste begeleiding te bieden over hoe van deze regelingen gebruik kan worden gemaakt en de administratieve organisatie te verbeteren;

33.

onderstreept dat de lidstaten concreet specifieke maatregelen moeten nemen om een drempel voor het minimuminkomen vast te leggen op basis van relevante indicatoren, inclusief referentiebudgetten, waarmee de economische en sociale samenhang wordt gewaarborgd en het risico op armoede in alle lidstaten wordt teruggedrongen; is van mening dat deze informatie jaarlijks moet worden gepresenteerd tijdens de Internationale Dag ter uitbanning van armoede (17 oktober);

34.

merkt op dat veel lidstaten reeds gebruikmaken van de indicatoren voor de bescherming van het minimuminkomen (MIPI); roept alle lidstaten op MIPI-gegevens te gebruiken, zodat de nationale systemen ook beter onderling kunnen worden vergeleken;

35.

is ervan overtuigd dat een minimuminkomen tijdelijk van aard moet zijn en altijd vergezeld moet gaan van actief beleid voor inclusie op de arbeidsmarkt;

36.

is van mening dat minimuminkomensregelingen overgangsinstrumenten zijn om armoede, sociale uitsluiting en ongelijkheid terug te dringen en te bestrijden, en dat zij als een sociale investering gezien moeten worden; wijst op het anticyclische effect van minimuminkomensregelingen;

37.

beklemtoont dat het noodzakelijk is bij de vaststelling van de minimuminkomensdrempels terdege rekening te houden met het aantal personen ten laste, met name kinderen en zorgbehoevenden, teneinde de vicieuze cirkel van armoede, in het bijzonder kinderarmoede, te doorbreken; roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor een spoedige tenuitvoerlegging van de aanbeveling uit 2013 getiteld „Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken”, is bovendien van mening dat de Commissie jaarlijks een verslag zou moeten voorleggen over de vooruitgang die in de strijd tegen kinderarmoede is geboekt en de tenuitvoerlegging van de aanbeveling met behulp van de indicatoren die erin zijn opgenomen;

38.

wijst erop dat referentiebudgetten kunnen helpen de hoogte van het minimuminkomen te bepalen dat noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de fundamentele behoeften van personen, met inbegrip van niet-monetaire aspecten als toegang tot onderwijs en een leven lang leren, fatsoenlijke huisvesting, hoogwaardige gezondheidszorg, sociale activiteiten en maatschappelijke participatie, en dat hierbij rekening moeten worden gehouden met de samenstelling van het huishouden en de leeftijden van de gezinsleden, alsook met de economische en sociale context van iedere lidstaat; herinnert eraan dat de Commissie, in haar in haar mededeling inzake het pakket voor sociale investeringen, de lidstaten aanspoort referentiebudgetten op te stellen om doeltreffende en toereikende inkomenssteun op te zetten waarbij rekening wordt gehouden met de sociale behoeften die op lokaal, regionaal en nationaal niveau zijn vastgesteld, teneinde territoriale cohesie te bevorderen; roept voorts op tot het gebruik van referentiebudgetten als een instrument om de toereikendheid van de minimuminkomensregelingen van de lidstaten te beoordelen;

39.

vindt dat lidstaten bij het vaststellen van adequate minimuminkomensregelingen rekening moeten houden met de door Eurostat gehanteerde armoederisicogrens, die is vastgesteld op 60 % van het nationaal mediaan equivalent besteedbaar inkomen (na sociale afdrachten), alsook met andere indicatoren zoals referentiebudgetten; vindt dat referentiebudgetten kunnen worden gebruikt om armoede beter te bestrijden en de robuustheid van de hoogte van het minimuminkomen en van bovengenoemde drempel te testen, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel;

40.

is ervan overtuigd dat het gebrek aan actuele cijfers over inkomen en leefomstandigheden een obstakel vormt voor de tenuitvoerlegging en vergelijking van referentiebudgetten en een minimuminkomen waarbij rekening wordt gehouden met nationale specifieke kenmerken;

41.

roept de Commissie en de lidstaten op beste werkwijzen uit te wisselen op het gebied van minimuminkomensregelingen;

42.

roept de Commissie en het Comité voor de sociale bescherming op voorbeelden van geslaagde strategieën te documenteren en verspreiden, en intercollegiale toetsingen en andere methodes te bevorderen om goede werkwijzen op het gebied van minimuminkomensregelingen uit te wisselen; beveelt aan deze inspanningen te concentreren op belangrijke kwesties zoals het garanderen dat de uitkeringen regelmatig worden opgewaardeerd, het verbeteren van de dekking en benutting, het wegnemen van belemmeringen en het verbeteren van de koppelingen tussen de verschillende pijlers van actieve inclusie;

43.

is van mening dat het, gezien de vele vragen die minimuminkomensregelingen oproepen met betrekking tot bijvoorbeeld de toegankelijkheid, dekking, financiering, voorwaarden voor toegang en duur van deze regelingen, nuttig zou zijn voor nationale minimuminkomensregelingen, om zo gelijke voorwaarden te creëren voor alle lidstaten; verzoekt de Commissie in dit verband een effectbeoordeling uit te voeren van de minimuminkomensregelingen in de EU, aan te dringen op geregeld toezicht en verslaglegging, en om verdere stappen te overwegen en hierbij rekening te houden met de economische en sociale omstandigheden van elke lidstaat en de behoeften van de desbetreffende groepen, en tevens te beoordelen of de regelingen huishoudens in staat stellen te voorzien in hun persoonlijke basisbehoeften;

44.

spreekt zijn bezorgdheid uit over de bezuinigingen op het bedrag en de inkorting van de duur van werkloosheidsuitkeringen en de aanscherping van criteria voor begunstigden in veel lidstaten in de afgelopen jaren, hetgeen ertoe heeft geleid dat meer mensen afhankelijk zijn van minimuminkomensregelingen en zorgt voor extra druk op deze regelingen (24);

45.

benadrukt dat de ongelijkheid toeneemt, zowel binnen elke lidstaat als in de EU;

46.

spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de hoogte van de uitkeringen en de dekking van minimuminkomensregelingen in veel lidstaten in de laatste jaren lijken te zijn verminderd; is van mening dat lidstaten de dekking van minimuminkomensregelingen voor mensen die hulp nodig hebben moeten uitbreiden, in overeenstemming met de aanbevelingen van het Europees netwerk inzake sociaal beleid (25):

(a)

roept de lidstaten met zeer complexe en versplinterde stelsels op deze te vereenvoudigen en meer alomvattende stelsels te ontwikkelen;

(b)

roept lidstaten die momenteel een lage dekking hebben op hun voorwaarden te evalueren om te waarborgen dat personen in nood zijn gedekt;

(c)

roept de lidstaten waarvan de minimuminkomensregelingen momenteel aanzienlijke groepen die in armoede leven uitsluiten, om hun regelingen aan te passen zodat deze personen beter zijn gedekt;

(d)

roept de lidstaten die een hoge mate van administratieve beoordelingsvrijheid toestaan in hun kernstelsels voor het minimuminkomen op deze vrijheid te beperken en te garanderen dat er duidelijke en consequente criteria zijn voor het nemen van besluiten, gekoppeld aan een doeltreffende beroepsprocedure;

47.

benadrukt dat het van groot belang is dat er meer werknemers, werklozen en kwetsbare sociale groepen deelnemen aan programma's van levenslang leren en dat het nodig is hun beroepskwalificaties te verbeteren en het opdoen van nieuwe vaardigheden te stimuleren, hetgeen fundamenteel is om hun integratie op de arbeidsmarkt te versnellen, hun productiviteit te verhogen en hen te helpen een baan te vinden;

48.

benadrukt het belang van de demografische ontwikkeling in verband met de armoedebestrijding in Europa;

49.

dringt erop aan dat er concrete maatregelen worden getroffen om armoede en sociale uitsluiting uit te bannen, een doeltreffend sociaal vangnet te bevorderen en ongelijkheid te verminderen, om zo de economische en territoriale cohesie te helpen waarborgen; dringt erop aan dat deze stappen op het juiste niveau worden ondernomen, met acties op nationaal en Europees niveau volgens de bevoegdheidsverdeling voor het relevante beleid;

50.

steunt de sociale investeringsaanpak van de Commissie, waarbij goed ontworpen sociaal beleid wordt beschouwd als een bijdrage aan economische groei, terwijl het mensen tegen armoede beschermt en als economische stabilisator fungeert (26);

51.

verwelkomt beschouwingen en studies over manieren om tot een eerlijker verdeling van inkomen en rijkdom binnen onze samenlevingen te komen;

52.

benadrukt dat de gevolgen van de economische crisis belangrijke factoren vormen die de ontwikkeling van een sociale investeringsaanpak door de lidstaten belemmeren (27);

53.

vraagt om bij het uitstippelen van macro-economisch beleid voortaan de nodige aandacht te besteden aan de noodzaak om sociale ongelijkheid terug te dringen en alle sociale groepen toegang te waarborgen tot naar behoren gefinancierde openbare maatschappelijke dienstverlening, om zo armoede en sociale uitsluiting te bestrijden;

54.

roept op tot maatregelen om de sociale ongelijkheid terug te dringen door mensen in staat te stellen hun talenten en capaciteiten optimaal te benutten; vraagt tevens om sociale steun te richten op mensen die arm zijn en niet in staat zijn om met eigen inspanningen voldoende inkomen te verdienen;

55.

wijst erop dat de recente ervaringen met hervormingen op basis van belastingvrijstellingen aantonen dat het beter is het minimuminkomensbeleid te financieren via begrotingssteun dan via fiscale prikkels;

56.

benadrukt dat onderwijs, sociale overdrachten en progressieve, eerlijke en herverdelende belastingstelsels, samen met concrete maatregelen ter versterking van het concurrentievermogen en bestrijding van belastingontwijking en belastingontduiking, alle de potentie hebben om bij te dragen aan economische, sociale en territoriale samenhang;

57.

onderstreept dat bestaande minimuminkomensregelingen moeten worden aangepast om de uitdaging van jeugdwerkloosheid beter aan te pakken;

Publieke werkgelegenheidsprogramma's

58.

wijst op bepaalde publieke werkgelegenheidsprogramma's die, voor degenen die willen en kunnen werken, voorzien in de optie van overgangswerk in de publieke sector of bij private non-profitentiteiten of sociale ondernemingen; benadrukt echter dat het belangrijk is dat deze programma's arbeid met rechten bevorderen, op basis van collectieve onderhandelingen en arbeidswetten;

59.

is van oordeel dat publieke werkgelegenheidsprogramma's de inzetbaarheid van werknemers zouden moeten verbeteren en hun toegang tot de arbeidsmarkt zouden moeten bevorderen; herinnert eraan dat deze programma's een persoonlijk traject moeten bevatten, een fatsoenlijk loon moeten bieden en moeten leiden tot behoorlijk werk;

60.

is van oordeel dat het scheppen van behoorlijke banen een prioriteit voor de EU moet zijn als een eerste belangrijke stap op weg naar het terugdringen van de armoede en sociale uitsluiting;

61.

roept de Commissie en de lidstaten op de volledige betrokkenheid te waarborgen van alle belanghebbenden, in het bijzonder sociale partners en organisaties van het maatschappelijk middenveld, bij het ontwerp en de uitvoering van en het houden van toezicht op het beleid en de programma's met betrekking tot het minimuminkomen;

o

o o

62.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 245 van 26.8.1992, blz. 46.

(2)  PB L 245 van 26.8.1992, blz. 49.

(3)  PB L 59 van 2.3.2013, blz. 5.

(4)  PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11.

(5)  PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 11.

(6)  PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 8.

(7)  PB C 419 van 16.12.2015, blz. 5.

(8)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0401.

(9)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0136.

(10)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0235.

(11)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0355.

(12)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.

(13)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0317.

(14)  „Europees Semester 2017: beoordeling van structurele hervormingen, preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden, en resultaten van diepgaande evaluaties ingevolge Verordening (EU) nr. 1176/2011” (COM(2017)0090).

(15)  https://www.eurofound.europa.eu/publications/report/2017/income-inequalities-and-employment-patterns-in-europe-before-and-after-the-great-recession

(16)  „Towards a European minimum income”, November 2013: http://www.eesc.europa.eu/resources/docs/revenu-minimum_-etude-ose_-vfinale_en--2.pdf

(17)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: Lancering van een raadpleging over een Europese pijler van sociale rechten, COM(2016)0127 — Bijlage 1.

(18)  European Social Policy Network (ESPN), „Minimum Income Schemes in Europe: A study of national policies 2015”, januari 2016.

(19)  Conclusies van de Raad over bestrijding van armoede en sociale uitsluiting: een geïntegreerde aanpak, 16 juni 2016.

(20)  Raadsdocument 6885/17: „De jaarlijkse groeianalyse en het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid voor 2017: politieke sturing inzake werkgelegenheidsbeleid en sociaal beleid — conclusies van de Raad” (3 maart 2017); en Raadsdocument 6887/17: „Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad bij de mededeling van de Commissie over de jaarlijkse groeianalyse 2017” (3 maart 2017).

(21)  ESPN, „Minimum Income Schemes in Europe: A study of national policies 2015”.

(22)  Zie: Wereldbank, „Poverty Reduction and Growth: The Virtuous and Vicious Circle’, 2006; OESO, "Trends in Income Inequality and its Impact on Economic Growth”, 2014.

(23)  ESPN, „Minimum Income Schemes in Europe: A study of national policies — 2015”.

(24)  ESPN, „Social investment in Europe: A study of national policies 2015”, 2015.

(25)  ESPN, Minimum Income Schemes in Europe: A study of national policies 2015".

(26)  Europese Commissie: mededeling „Naar sociale investering voor groei en cohesie — inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020”, (COM(2013)0083), 20 februari 2013, en: ESPN, „Social Investment in Europe: A study of national policies 2015”.

(27)  ESPN, „Social Investment in Europe: A study of national policies 2015”.


Woensdag 25 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/171


P8_TA(2017)0413

Grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat (2017/2038(INI))

(2018/C 346/23)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de preambule bij het VEU, in het bijzonder streepje 2 en streepje 4 tot en met 7,

gezien onder meer artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en artikel 6 van het VEU,

gezien onder meer artikel 10 en artikel 19, lid 1, van het VWEU,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna „het Handvest”), dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in 1948 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind dat op 20 november 1989 te New York werd aangenomen, met name artikel 3,

gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering aangenomen VN-resolutie A/70/L.1 getiteld „Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development”,

gezien de op 1 november 2005 door de Algemene Vergadering aangenomen VN-resolutie A/RES/60/7 over de herdenking van de Holocaust,

gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

gezien de Kaderovereenkomst van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden,

gezien de op 1 februari 2012 aangenomen verklaring van het Comité van Ministers van de Raad van Europa over de toename van zigeunerhaat en racistisch geweld tegenover Roma in Europa,

gezien algemene beleidsaanbeveling nr. 13 van de Europese Commissie tegen racisme en intolerantie (ECRI) over de bestrijding van zigeunerhaat en discriminatie van Roma,

gezien het Handvest van de politieke partijen voor een maatschappij zonder racisme, goedgekeurd door het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa tijdens zijn 32e zitting in maart 2017,

gezien resolutie 1985 (2014) over de situatie en rechten van nationale minderheden in Europa en resolutie 2153 (2017) over de bevordering van de inclusie van Roma en Travellers van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa,

gezien de verklaring van Thorbjørn Jagland, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, van 11 april 2017 over tien doelstellingen voor de komende tien jaar,

gezien het IAO-verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep, 1958 (nr. 111),

gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (1),

gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (2),

gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad (3),

gezien Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (4),

gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (5),

gezien de aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten en de conclusies van de Raad van 8 december 2016 over de versnelling van het proces van de integratie van de Roma en van 13 oktober 2016 over speciaal verslag nr. 14/2016 van de Europese Rekenkamer,

gezien de conclusies van de Raad van 15 juni 2011 over opvang en onderwijs voor jonge kinderen,

gezien de mededelingen van de Commissie over de integratie van Roma (COM(2010)0133, COM(2012)0226, COM(2013)0454, COM(2015)0299, COM(2016)0424), met inbegrip van de mededeling over een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020 (COM(2011)0173),

gezien de mededeling van de Commissie over drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (COM(2016)0646),

gezien Aanbeveling 2013/112/EU van de Commissie van 20 februari 2013 over „Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken”,

gezien zijn eerdere resoluties over Roma (6),

gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de Internationale Dag van de Roma — zigeunerhaat en de erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II (7),

gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2015 (8), met name de leden 117-122 over de rechten van de Roma,

gezien het verslag 2016 over de grondrechten, opgesteld door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,

gezien de EU-MIDIS-enquêtes I en II van het Bureau voor de grondrechten en diverse andere enquêtes en verslagen over Roma,

gezien speciaal verslag nr. 14/2016 van de Rekenkamer over EU-beleidsinitiatieven en financiële steun voor de integratie van de Roma: het afgelopen decennium is er aanzienlijke vooruitgang geboekt, maar ter plaatse zijn extra inspanningen nodig,

gezien de Eurobarometerenquête „Discriminatie in de EU in 2015”,

gezien de verslagen en aanbevelingen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), waaronder het actieplan ter verbetering van de situatie van de Roma en Sinti in het OVSE-gebied,

gezien de verslagen en aanbevelingen van organisaties die als waakhond fungeren en maatschappelijke organisaties, met name die van het Europees Centrum voor de rechten van Roma, Fundación Secretariado Gitano, OSF, ERGO en Amnesty International,

gezien het referentiedocument over zigeunerhaat van de Alliantie tegen zigeunerhaat (Alliance against Antigypsyism),

gezien het verslag van het Centrum voor Europese Beleidsstudies over de bestrijding van institutionele zigeunerhaat: reacties en veelbelovende praktijken in de EU en een aantal lidstaten,

gezien het onlangs opgerichte Europese Roma-instituut voor kunst en cultuur (Eriac) in Berlijn, dat de vaststelling van de artistieke en culturele aanwezigheid van de 12 miljoen Roma in Europa ten doel heeft, hun zelfexpressie mogelijk maakt en hiermee bijdraagt aan de bestrijding van zigeunerhaat,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0294/2017),

A.

overwegende dat de Roma in Europa nog steeds hun mensenrechten worden ontzegd;

B.

overwegende dat de Roma deel uitmaken van de Europese cultuur en waarden en dat zij een bijdrage hebben geleverd aan de culturele rijkdom, verscheidenheid, economie en gemeenschappelijke geschiedenis van de EU;

C.

overwegende dat zigeunerhaat een specifieke vorm van racisme is, een ideologie die stoelt op rassuperioriteit, een vorm van ontmenselijking en op historische discriminatie gebaseerd institutioneel racisme, die onder meer tot uiting komt in geweld, haatpropaganda, uitbuiting, stigmatisering en schaamteloze discriminatie (9);

D.

overwegende dat ondanks inspanningen op nationaal, Europees en internationaal niveau dagelijks hardnekkige en structurele zigeunerhaat (10) kan worden waargenomen op alle niveaus van de Europese samenleving, die bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in individuele en institutionele veronachtzaming, discriminatie, ongelijkheid, kleinering, othering, stigmatisering, haatpropaganda en doordat Roma monddood, tot zondebok of tot slachtoffer van geweld, extreme armoede en verregaande sociale uitsluiting worden gemaakt; overwegende dat de zigeunerhaat toeneemt en politieke partijen zich populairder maken met flagrante stemmingmakerij tegen Roma;

E.

overwegende dat verschillende vormen van zigeunerhaat kunnen worden waargenomen in de werkzaamheden en het functioneren van overheidsinstanties en -instellingen op bijna alle terreinen en op alle niveaus in de lidstaten, aangezien Roma meestal geen (gelijke) toegang tot overheidsvoorzieningen en -diensten hebben, hun gelijke rechten en gelijke behandeling wordt onthouden, zij niet participeren in besluitvormings- en kennisontwikkelingsprocessen, zij ondervertegenwoordigd zijn in officiële organen op alle niveaus van de samenleving, er discriminerende programma's worden opgezet en financieringsmogelijkheden ter verbetering van het leven van Roma worden misbruikt;

F.

overwegende dat er zelfs onopzettelijke zigeunerhaat kan worden waargenomen in het functioneren van EU-instellingen, aangezien talrijke EU-programma's en -fondsen die de leefomstandigheden en vooruitzichten van Roma positief zouden kunnen beïnvloeden hen niet bereiken of de Roma symbolisch aanwijzen als begunstigden, zonder rekening te houden met hun omstandigheden en de discriminatie waarmee ze te maken hebben;

G.

overwegende dat er, hoewel onbewust, zigeunerhaat te vinden is in het EU-acquis, aangezien hierin vaak geen rekening wordt gehouden met de omstandigheden en problemen van de Roma die, omdat ze al eeuwenlang met meervoudige discriminatie te maken hebben, niet dezelfde rechten en kansen hebben en niet hetzelfde beschermingsniveau genieten als andere EU-burgers;

H.

overwegende dat de paternalistische behandeling van de Roma, die tot uitdrukking komt in zowel de taal als daden in onze samenleving, blijft voortduren en dat alleen de nadruk wordt gelegd op „inclusie” en „integratie” van de Roma, terwijl er eigenlijk een fundamenteel andere aanpak nodig is; overwegende dat hun toegang tot en volledige uitoefening van hun grondrechten en burgerschap in onze samenleving moeten worden gewaarborgd;

I.

overwegende dat de Roma voortdurend worden aangeduid als een kwetsbaar volk, terwijl het feit dat de Roma hun onvervreemdbare mensenrechten, een gelijke behandeling en toegang tot sociale zekerheid, diensten, informatie, rechtspraak, onderwijs, gezondheidszorg, werkgelegenheid enz. worden ontzegd in feite doet vermoeden dat de door de politieke leiders opgezette en in stand gehouden discriminerende structuren de Roma kwetsbaar maken; overwegende dat dit aantoont dat de betrokken autoriteiten hun verantwoordelijkheid op het gebied van mensenrechten hebben veronachtzaamd;

Verbondenheid en participatie

1.

benadrukt dat het van essentieel belang is reguliere samenlevingen voor te lichten over de verscheidenheid binnen de Romabevolking, hun geschiedenis, cultuur en de vormen, mate en ernst van zigeunerhaat waar ze in hun dagelijks leven mee te maken hebben, teneinde de onbewuste maatschappelijke consensus om Roma uit te sluiten tegen te gaan, discriminatie en sociale uitsluiting van Roma te bestrijden en stereotypen weg te werken die in de loop der eeuwen via volksliteratuur, de media, kunst en taal zijn ontstaan en versterkt; roept de lidstaten in dit verband op volledige verantwoordelijkheid te nemen voor hun Romaburgers en langetermijncampagnes voor bewustmaking en intersectionele sensibilisering op te starten;

2.

is van mening dat actieve en zinvolle sociale, economische, politieke en culturele participatie van Roma van essentieel belang is voor een effectieve bestrijding van zigeunerhaat en de totstandbrenging van het hoognodige wederzijdse vertrouwen dat de hele samenleving ten goede komt; wijst in dit verband op de gedeelde verantwoordelijkheid van de Commissie en de lidstaten; roept de Commissie en de lidstaten daarom op strategieën uit te werken waarin zowel proactieve als reactieve maatregelen worden opgenomen op grond van reële, systematische raadpleging van Romavertegenwoordigers en ngo's, en ze te betrekken bij het leiden, controleren en evalueren van reguliere programma's en projecten op alle niveaus, ook op lokaal niveau; roept de Commissie en de lidstaten op de oprichting van onafhankelijke maatschappelijke organisaties en overheidsinstellingen voor Roma en een versterking van de positie van een jonge progressieve Romaleiding te bevorderen;

Verzoening en opbouw van vertrouwen

3.

dringt er, met het oog op de totstandbrenging van essentieel wederzijds vertrouwen, bij de Commissie op aan een waarheids- en verzoeningscommissie op EU-niveau in te stellen (binnen de bestaande structuren dan wel als een afzonderlijke instantie) om de vervolging, uitsluiting en verstoting van Roma door de eeuwen heen te erkennen, dit in een officieel witboek te documenteren en met het Europees Parlement en Romadeskundigen samen te werken bij de uitvoering van deze taken;

4.

verzoekt de lidstaten nationale waarheids- en verzoeningscommissies in te stellen (binnen de bestaande structuren dan wel als afzonderlijke instanties), in overleg parlementsleden, regeringsambtenaren, advocaten, Romavertegenwoordigers, ngo's en basisorganisaties, om de vervolging, uitsluiting en verstoting van Roma door de eeuwen heen te erkennen en dit in een officieel witboek te documenteren, en moedigt de lidstaten aan de geschiedenis van de Roma op te nemen in de onderwijsprogramma's van scholen;

5.

verzoekt de lidstaten de slachtoffers van de holocaust van de Roma te herdenken, 2 augustus aan te wijzen als herdenkingsdag van de holocaust van de Roma en levende overlevenden van de holocaust onmiddellijk een passende restitutie toe te kennen via een vereenvoudigde procedure die vergezeld gaat van een bewustmakingscampagne; roept de Commissie en de lidstaten op de Romaslachtoffers op te nemen in hun herdenkingen van de Holocaust op 27 januari van elk jaar, en cursussen over de holocaust van de Roma te organiseren waaraan ambtenaren vrijwillig kunnen deelnemen;

Uitvoering van prestatiecontroles

6.

uit zijn bezorgdheid over het feit dat, ondanks de uitvoering van verschillende doelgerichte programma's in de lidstaten, de meeste reguliere programma's — onder meer de door de structuurfondsen gefinancierde programma's — niet openstaan voor de meest benadeelde groepen, met name de Roma; verzoekt de Rekenkamer daarom de prestaties van EU-programma's, bijvoorbeeld de EU-programma's voor werkgelegenheid en onderwijs zoals Erasmus+ en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, grondiger en regelmatig te controleren;

7.

verzoekt de Commissie:

te beoordelen of de EU-programma's en -financieringsmogelijkheden voldoen aan de eis van non-discriminatie en participatie en zo nodig onverwijld corrigerende maatregelen te nemen,

een solide, op kwaliteit gerichte langetermijnregeling voor toezicht en financiële boekhouding toe te passen om de prestaties van de lidstaten wat betreft het gebruik van EU-programma's te controleren,

de Roma op wie de projecten gericht zijn op doeltreffende, transparante wijze actief te betrekken bij het toezicht op en de evaluatie van de projecten,

ervoor te zorgen dat het bestaande klachtenmechanisme toegankelijker en transparanter wordt voor inwoners, ngo's en autoriteiten, zodat zij melding kunnen maken van discriminerende EU-fondsen en -programma's;

financiering op te schorten in geval van misbruik van EU-middelen;

de ESI-fondsen zodanig te hervormen dat zij op proactievere wijze financiële ondersteuning kunnen bieden aan de bestrijding van zigeunerhaat, en

de financieringsprogramma's „Europa voor de burger” en „Rechten, gelijkheid en burgerschap” uit te breiden en aldus de belangrijke rol van maatschappelijke organisaties die als waakhond fungeren en andere relevante belanghebbenden bij het toezicht op zigeunerhaat te erkennen en de inachtneming van de grondrechten te waarborgen;

8.

verzoekt de Commissie en de lidstaten:

ervoor te zorgen dat de relevante door de EU gefinancierde maatregelen met mogelijke gevolgen voor de Romagemeenschap inclusief zijn en dat hiermee segregatie wordt tegengegaan,

te waarborgen dat segregatiepraktijken duidelijk worden omschreven en expliciet van financiering worden uitgesloten,

financieringsmogelijkheden te verbeteren om ervoor te zorgen dat de gecreëerde onderwijs- en werkgelegenheidskansen een daadwerkelijke en duurzame ontsnapping uit langdurige werkloosheid mogelijk maken, wat een vereiste is voor een waardig leven,

ervoor te zorgen dat alle beschikbare middelen effectief worden gebruikt, en

de absorptiegraad van EU-middelen te verhogen, overeenkomstig de in de nationale strategieën voor integratie van de Roma uiteengezette prioriteiten;

9.

verzoekt de lidstaten de coördinatie tussen lokale en nationale autoriteiten te versterken om administratieve en politieke belemmeringen weg te nemen en effectief gebruik te maken van de EU-fondsen, met het oog op het verbeteren van de situatie van de Romabevolking, in het bijzonder de kinderen;

10.

herinnert aan de aanbeveling van de Raad van 2013 waarin wordt gesteld dat het bevorderen van sociale integratie en het bestrijden van armoede en discriminatie, met inbegrip van onder meer de sociaal-economische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen als de Roma, moeten worden vergemakkelijkt door ten minste 20 % van de totale ESF-middelen in elke lidstaat toe te wijzen voor investeringen in mensen;

Waarborging van gelijke rechten en bestrijding van zigeunerhaat door middel van opleiding

11.

wijst erop dat minderheidsrechten en het verbod op discriminatie integraal deel uitmaken van de grondrechten en als zodanig binnen het bereik van de overeenkomstig artikel 2 VEU in acht te nemen EU-waarden vallen; herinnert eraan dat de EU in overeenstemming met artikel 7 VEU maatregelen kan nemen in het geval van een duidelijk risico op een ernstige schending van die waarden door een lidstaat;

12.

verzoekt de lidstaten op grond van de alarmerende rapporten van ngo's en organisaties die als waakhond fungeren:

Richtlijn 2000/43/EG ten uitvoer te leggen en te handhaven, teneinde alle vormen van discriminatie van Roma effectief te voorkomen en uit te bannen en ervoor te zorgen dat nationale, regionale en lokale bestuursrechtelijke bepalingen niet-discriminerend zijn en niet leiden tot segregatiepraktijken,

Kaderbesluit 2008/913/JBZ ten uitvoer te leggen en te handhaven, aangezien dit de middelen biedt voor een succesvolle bestrijding van uitingen van zigeunerhaat en geweld tegen Roma;

13.

verzoekt de Commissie de lidstaten steun te verlenen bij de omzetting en tenuitvoerlegging van de richtlijnen inzake gelijke behandeling en inbreukprocedures te blijven inleiden tegen alle lidstaten, geen enkele uitgezonderd, die richtlijnen inzake gelijke behandeling schenden, niet omzetten of niet ten uitvoer leggen, zoals de richtlijn inzake rassengelijkheid (2000/43/EG), de richtlijn betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf (2004/38/EG) (11), de richtlijn voor de rechten van slachtoffers (2012/29/EU), het kaderbesluit inzake racisme en vreemdelingenhaat (2008/913/JBZ), de richtlijn audiovisuele mediadiensten (2010/13/EU) (12) en de richtlijnen van de Raad over gelijke behandeling van mannen en vrouwen (2004/113/EG) (13) en gelijke behandeling in arbeid en beroep (2000/78/EG);

14.

verzoekt de Commissie en de Raad de impasse te doorbreken en opnieuw onderhandelingen te starten over de antidiscriminatierichtlijn;

15.

veroordeelt het feit dat bepaalde lidstaten ontkennen dat hun Romaburgers ongelijk worden behandeld, niet de politieke wil tonen om een oplossing te zoeken voor het feit dat zij er niet in slagen de toegang van Roma tot en de uitoefening door Roma van hun grondrechten te waarborgen, en de schuld voor de door structureel racisme veroorzaakte sociale uitsluiting van de Roma bij de Roma zelf leggen;

16.

verzoekt de lidstaten:

verzoekt de lidstaten de ontkenning van de holocaust van de Roma, haatpropaganda en het tot zondebok maken van Roma door politici en overheidsfunctionarissen op alle niveaus en in alle soorten media duidelijk te veroordelen en te bestraffen, omdat hierdoor de zigeunerhaat in de samenleving wordt aangewakkerd,

verdere maatregelen te treffen om haatpropaganda tegen Roma te voorkomen, te veroordelen en tegen te gaan, ook door de culturele dialoog toe te passen;

17.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan intensiever samen te werken met ngo's om scholing te bieden op het gebied van beste praktijken voor de bestrijding van vooroordelen en voor effectieve campagnes om haatpropaganda tegen te gaan, door de specifieke behoeften en eisen in dit verband van de ngo-partners in kaart te brengen; verzoekt de Commissie het maatschappelijk middenveld op te roepen toe te zien op haatpropaganda, haatmisdrijven en ontkenning van de holocaust in de lidstaten en hiervan melding te maken;

18.

verzoekt zijn Voorzitter de EP-leden die in het Parlement beledigende, racistische of xenofobe taal bezigen of dergelijk gedrag vertonen te veroordelen en te bestraffen;

19.

betreurt de schending van het recht van Roma op vrij verkeer; verzoekt de lidstaten te erkennen dat de grondbeginselen van de EU van toepassing moeten zijn op alle burgers en dat de richtlijn inzake vrij verkeer geen collectieve uitwijzing noch enige vorm van raciale profilering toestaat; verzoekt de lidstaten van herkomst om hun verantwoordelijkheid te nemen voor de bestrijding van armoede en uitsluiting onder al hun burgers en de lidstaten van aankomst om nauwer grensoverschrijdend samen te werken bij de bestrijding van discriminatie en uitbuiting en te voorkomen dat uitsluiting in het land van aankomst blijft voortbestaan;

20.

verzoekt de lidstaten de vooroordelen ten aanzien van Romavluchtelingen en -asielzoekers in de context van migratie te bestrijden; wijst erop dat de lidstaten asielzoekers uit de landen van de Westelijke Balkan ontvangen onder wie zich veel Roma uit Servië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië bevinden, en dat dit in verband kan worden gebracht met de bijzondere factoren die van invloed zijn op de Romagemeenschap aldaar; verzoekt om de opneming van een specifiek hoofdstuk over vervolging als gevolg van zigeunerhaat in de relevante informatie betreffende de landen van herkomst;

21.

is ernstig bezorgd over het aantal staatloze Roma in Europa, aangezien hun de toegang tot sociale, onderwijs- en gezondheidszorgdiensten volledig wordt ontzegd en zij naar de uiterste rand van de samenleving worden gedrongen; verzoekt de lidstaten een einde te maken aan staatloosheid en ervoor te zorgen dat iedereen de fundamentele mensenrechten kan uitoefenen;

22.

verzoekt de lidstaten niet-discriminerend geboorteregistratiebeleid te voeren en erop toe te zien dat al hun burgers worden geïdentificeerd om te voorkomen dat Roma de toegang tot essentiële basisvoorzieningen wordt ontzegd; verzoekt de lidstaten onmiddellijk corrigerende maatregelen te treffen om discriminerende geboorteregistratie een halt toe te roepen en via hun lokale autoriteiten actieve stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat elk kind wordt geregistreerd; verzoekt de Commissie de situatie in de lidstaten te beoordelen en te controleren, beste praktijken uit te wisselen met betrekking tot de identificatie en bescherming van personen wier nationaliteit niet is erkend en die geen toegang tot identiteitsdocumenten hebben, en bewustmakingscampagnes over het belang van geboorteregistratie te lanceren;

23.

is zeer verontrust over de ongelijke toegang van Roma tot gezondheidsinformatie, -diensten en -zorg, het ernstige gebrek aan zorgverzekeringen onder hen en het racistische geweld jegens Roma; verzoekt de lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen om alle obstakels voor de toegang tot het gezondheidszorgstelsel weg te nemen; verzoekt de lidstaten waar nodig te zorgen voor middelen voor zorgbemiddelingsprogramma's voor Roma, een beter besef van de gezondheidszorg en betere toegang tot vaccinaties en preventieve gezondheidszorg in Romagemeenschappen;

24.

maakt zich ernstige zorgen over de discriminatie van Romavrouwen, die vaak op afgescheiden kraamafdelingen van inferieure kwaliteit worden geplaatst en bij hun pogingen om toegang te krijgen tot seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten worden geconfronteerd met lichamelijk geweld, verwaarlozing en ontoereikende en slechte behandeling door medisch personeel en vaak geen toegang hebben tot mobiele gezondheidsonderzoeken; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan onmiddellijk een controlerend en corrigerend mechanisme in te stellen en ervoor te zorgen dat medisch personeel dat ethische normen schendt aansprakelijk wordt gesteld; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om duurzame en omvattende capaciteitsopbouw voor Romavrouwen te bevorderen, gespecialiseerde structuren in het leven te roepen zoals informatieposten om toegesneden gezondheidsinformatiemateriaal te verstrekken, en te voorzien in de nodige steun voor gemeenschapsinitiatieven op het gebied van de gezondheidszorg;

25.

verzoekt de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale Romastrategieën prioriteit te verlenen aan kinderen, vooral waar het gaat om toegang tot gezondheidszorg, waardige leefomstandigheden en toegang tot onderwijs voor Romakinderen; benadrukt dat bestrijding van analfabetisme onder Romakinderen van essentieel belang is voor een betere integratie en inclusie van de Roma, en dat de toegang van de volgende generaties tot werkgelegenheid hierdoor kan verbeteren;

26.

dringt er bij de lidstaten op aan gedwongen sterilisatie te veroordelen en Romavrouwen te compenseren die zijn onderworpen aan stelselmatige en door de staat gesteunde sterilisatie, en in het openbaar verontschuldigingen aan te bieden aan de slachtoffers van deze misdaad tegen de menselijkheid;

27.

is ernstig bezorgd over het verschijnsel dat Romakinderen onrechtmatig worden weggehaald bij hun ouders; verzoekt de lidstaten onverwijld een onderzoek in te stellen naar dergelijke gevallen en de nodige maatregelen te nemen om ze te voorkomen;

28.

veroordeelt het feit dat de lidstaten de gelijke toegang van Roma tot justitie en hun gelijkheid voor de wet niet waarborgen, wat blijkt uit:

het falen bij of de onaanvaardbaar trage procedures voor het garanderen van gerechtigheid voor de slachtoffers van haatmisdrijven, vooral als die zijn gepleegd door politieagenten,

de onevenredige criminalisering van Roma,

te vergaand politieoptreden (etnische profilering, buitensporige arrestatie- en zoekprocedures, ongegronde invallen in Romaverblijfplaatsen, willekeurige inbeslagneming en vernieling van eigendommen, buitensporig gebruik van geweld bij arrestaties, mishandeling, bedreiging, vernederende behandeling, lichamelijk geweld en ontzegging van rechten tijdens politieverhoren en hechtenis),

en te zwak politieoptreden bij misdrijven tegen Roma, aangezien bij door Roma gemelde misdrijven weinig tot geen bijstand en bescherming wordt verleend (zoals in geval van mensenhandel of huiselijk geweld) of onderzoek wordt verricht;

29.

verzoekt de lidstaten:

te garanderen dat alle burgers voor de wet gelijk zijn en ervoor te zorgen dat iedereen gelijke toegang tot justitie en procedurele rechten heeft,

te voorzien in verplichte, op mensenrechten gebaseerde en op dienstverlening gerichte opleidingen tijdens het werk voor rechtshandhavingsambtenaren en ambtenaren in het justitiële stelsel op alle niveaus,

haatmisdrijven te onderzoeken en te vervolgen en beste praktijken aan te reiken voor het opsporen en onderzoeken van haatmisdrijven, ook die welke specifiek voortkomen uit zigeunerhaat,

eenheden voor de bestrijding van haatmisdrijven met kennis over zigeunerhaat in te stellen bij de politie,

gepast politieoptreden aan te moedigen en sancties toe te passen in geval van wangedrag van de politie,

professionals op het gebied van geschillenbeslechting aan te werven bij de politie,

de actieve aanwerving van Roma als leden van het politiekorps aan te moedigen,

ervoor te zorgen dat de programma's voor slachtofferhulp beantwoorden aan de specifieke behoeften van Roma en dat zij hulp krijgen bij het melden van misdrijven en het indienen van klachten,

het programma Justrom — een gezamenlijk programma van de Commissie en de Raad van Europa betreffende de toegang van Romavrouwen tot justitie — voort te zetten en de geografische reikwijdte ervan uit te breiden,

de EU-richtlijn voor de bestrijding van mensenhandel volledig ten uitvoer te leggen en hun politiële en justitiële samenwerking bij de bestrijding van mensenhandel te intensiveren, en

Richtlijn 2011/93/EU (14) volledig ten uitvoer te leggen om seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen te voorkomen en te bestrijden en slachtoffers te beschermen;

30.

verzoekt de Europese Politieacademie (Cepol) om opleidingscursussen te blijven aanbieden op het gebied van de grondrechten en de daaraan gekoppelde intersectionele bewustmaking van de politie;

31.

is zeer bezorgd over de wijdverspreide discriminatie van Roma op het gebied van huisvesting die wordt gekenmerkt door een discriminerende huur- en onroerendgoedmarkt en sociale huisvesting, gedwongen uitzettingen en afbraak van woningen van Roma zonder dat in behoorlijke alternatieve huisvesting wordt voorzien, de plaatsing van Roma in afgezonderde kampen en noodopvangkampen zonder basisvoorzieningen, de plaatsing van muren rond Romanederzettingen en de nalatigheid van de overheid wat betreft het bieden van volledige toegang van Roma tot dagelijks drinkbaar kraanwater en rioolstelsels;

32.

roept de lidstaten op doeltreffende maatregelen te nemen om te zorgen voor gelijke behandeling van Roma bij de toegang tot huisvesting en ten volle gebruik te maken van de EU-middelen voor de verbetering van de huisvestingssituatie van Roma, met name door bevordering van desegregatie, uitbanning van ruimtelijke segregatie, stimulering van door de gemeenschap geleide lokale ontwikkelingen en geïntegreerde territoriale investeringen die door de ESI-fondsen worden ondersteund, alsook door middel van een consequent beleid voor volkshuisvesting; dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor toegang tot openbare voorzieningen, zoals water, elektriciteit en gas, en infrastructuur voor huisvesting overeenkomstig nationale wettelijke voorschriften;

33.

verzoekt de Commissie haar bevoegdheid bij door rassenhaat ingegeven gedwongen uitzettingen te erkennen; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat gedwongen uitzettingen volledig stroken met het recht van de Unie en andere internationale verplichtingen op het vlak van de mensenrechten, zoals die welke voortvloeien uit het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; roept voorts op tot een verhoging van het aantal en de beschikbaarheid van desegregatiedeskundigen in de lidstaten die het meest met deze problematiek te maken hebben, teneinde de autoriteiten te ondersteunen bij het waarborgen van een doeltreffende bevordering van desegregatie door de Europese structuur- en investeringsfondsen, en roept ertoe op het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (ESF-EFRO) te reserveren voor ruimtelijke desegregatiemaatregelen;

34.

verwelkomt proactieve initiatieven waarmee wordt beoogd de huisvestingssituatie van Roma in steden te verbeteren; is ingenomen met het initiatief van Eurocities in het kader waarvan bewijs wordt verzameld door de kenmerken van stedelijke Romagemeenschappen, de uitdagingen waarmee ze worden geconfronteerd en de reacties hierop van de steden in kaart te brengen;

35.

betreurt de voortdurende segregatie in het onderwijs, waaronder de oververtegenwoordiging van Romakinderen op „speciale scholen”, scholen alleen voor Roma, afzonderlijke klassen, „containerscholen” enz.; verzoekt de lidstaten specifieke schooldesegregatiemaatregelen en andere effectieve maatregelen op te stellen en toe te passen, teneinde gelijke behandeling en de volledige toegang van Romakinderen tot regulier onderwijs van hoge kwaliteit te waarborgen en ervoor te zorgen dat alle Romakinderen ten minste het verplichte onderwijs afmaken; benadrukt in dit verband dat er een onderzoek moet worden ingesteld naar de redenen voor vroegtijdig schoolverlaten, waarbij vooral moet worden bestudeerd welke rol zigeunerhaat hierbij speelt; moedigt de lidstaten bovendien aan onderzoek te doen naar nieuwe manieren om de bestaande onderwijskloof dichten door middel van volwasseneneducatie, beroepsonderwijs en -opleiding en informeel en niet-formeel leren; dringt erop aan hierbij ook aandacht te besteden aan intersectionele discriminatie, in samenwerking met Romadeskundigen en schoolbemiddelaars, en te zorgen voor voldoende middelen voor dergelijke maatregelen;

36.

acht de discriminatie van Roma op het gebied van werkgelegenheid, meestal gekenmerkt door langdurige werkloosheid, nulurencontracten, onzekere arbeidsomstandigheden zonder ziektekosten- en sociale verzekering of pensioenvoorziening, arbeidsmarktbelemmeringen (die zelfs bestaan voor Roma die hoger onderwijs hebben genoten) en het gebrek aan omscholingsmogelijkheden verontrustend en onaanvaardbaar; dringt er daarom bij de lidstaten op aan doeltreffende maatregelen te nemen om de gelijke behandeling van Roma wat betreft toegang tot de arbeidsmarkt en werkgelegenheidskansen te waarborgen en directe en indirecte belemmeringen weg te nemen, met inbegrip van discriminatie;

37.

roept de lidstaten op samen te werken met de private sector om opleidings-, werkgelegenheids- en zakelijke mogelijkheden voor Roma te ondersteunen, met name in de groeiende technologiesectoren; verzoekt de lidstaten grondig te onderzoeken op welke manier nieuwe technologieën kunnen helpen bij en bijdragen aan de sociale en economische inclusie van Roma en de bestrijding van zigeunerhaat; benadrukt het belang van regionale ontwikkeling voor het scheppen van duurzame werkgelegenheid in de minst ontwikkelde gebieden;

38.

roept de lidstaten op beleidsmaatregelen te bevorderen waarvan is bewezen dat zij een aanzienlijk positief effect hebben, zoals beroeps- en praktijkopleidingen, diensten voor persoonlijk advies, activiteiten als zelfstandige, sociaal ondernemerschap en programma's voor eerste werkervaringen, met het oog op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van Roma en het voorkomen van de intergenerationele overdracht van armoede in Romagemeenschappen;

39.

veroordeelt de meervoudige en intersectionele vormen van discriminatie van Roma, die vaak verkapt of verborgen zijn; benadrukt dat bij beleid ter bestrijding van één discriminatiegrond rekening moet worden gehouden met de situatie van specifieke groepen die het slachtoffer zouden kunnen zijn van meervoudige discriminatie; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan bijzondere aandacht te besteden aan de verbetering van het opleidingsniveau, de participatie, de toegang tot werkgelegenheid, de huisvesting, de gezondheidszorg en de preventie van discriminatie van Roma die te maken hebben met meervoudige en intersectionele discriminatie en ongelijkheid, en speciale programma's voor hen op te nemen in het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma na 2020;

40.

stelt met bezorgdheid vast dat Romavrouwen worden blootgesteld aan meervoudige en intersectionele discriminatie omdat ze vrouw zijn en tot de etnische minderheidsgroep van de Roma behoren, en dat zij daarom in een ongunstige positie verkeren als het gaat om de participatie in de samenleving op alle niveaus en de toegang tot elementaire diensten en hulpbronnen; benadrukt dat discriminatie nog schrijnender is voor Romavrouwen en -meisjes zonder identiteitsdocumenten; benadrukt dat voor de verbetering van de situatie van Romavrouwen en -meisjes een specifiek en gericht antidiscriminatiebeleid vereist is, dat zorgt voor gelijke toegang tot werk en onderwijs, met inbegrip van een leven lang leren, alsook voor hoogwaardige huisvesting, wat een belangrijke factor is voor de verbetering van hun leefomstandigheden en de bestrijding van armoede en uitsluiting;

41.

verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat in hun nationale strategieën voor integratie van de Roma een specifiek hoofdstuk over vrouwenrechten en gendergelijkheid wordt opgenomen en dat in elke sectie daarvan gendermainstreamingmaatregelen worden toegepast die gericht zijn op het bevorderen van vrouwenrechten en het gendergelijkheidsperspectief, met name voor wat de toewijzing van middelen betreft, in overeenstemming met de conclusies van de Raad met betrekking tot een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma, waarin erop wordt aangedrongen dat in alle beleidsmaatregelen en acties ter bevordering van de integratie van Roma een genderperspectief wordt opgenomen; verzoekt de regeringen en lokale autoriteiten van de lidstaten Romavrouwen te betrekken bij de voorbereiding, tenuitvoerlegging, evaluatie en monitoring van de nationale strategieën voor integratie van de Roma; benadrukt dat er systematisch naar geslacht uitgesplitste gegevens moeten worden verzameld en dat deze regelmatig moeten worden geanalyseerd, en verzoekt de Commissie en de lidstaten te beoordelen of beleidsmaatregelen leiden tot de gewenste verbeteringen voor Romavrouwen en -meisjes en actie te ondernemen indien er te weinig vooruitgang wordt geboekt; verzoekt de Commissie de bevordering van gendergelijkheid bij de tenuitvoerlegging van alle aspecten van de Europa 2020-strategie te ondersteunen, in overeenstemming met de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015;

42.

verzoekt de lidstaten aandacht te besteden aan de specifieke problemen van Romavrouwen en -meisjes in verband met kindhuwelijken en gedwongen huwelijken en aanvallen op hun fysieke integriteit, en spoort de lidstaten aan tot bevordering en ondersteuning van het verzamelen en verspreiden van gegevens over juridische en andere maatregelen op nationaal niveau ter preventie en bestrijding van geweld tegen Romavrouwen en -meisjes;

43.

moedigt bedrijven en lokale autoriteiten aan opleidingsregelingen en arbeidskansen voor Romavrouwen te creëren;

44.

verzoekt regeringen de daadwerkelijke participatie van Romavrouwen in het openbare en politieke leven aan te moedigen en te ondersteunen;

45.

acht instanties voor de bevordering van gelijkheid van essentieel belang om Roma voor te lichten over hun rechten, hen bij te staan bij de uitoefening van hun rechten en discriminatie te melden; verzoekt de Commissie en de lidstaten normen vast te stellen om te waarborgen dat instanties voor de bevordering van gelijkheid over voldoende bevoegdheden en middelen beschikken om toezicht te houden op gevallen van zigeunerhaat en in voorkomend geval actie te ondernemen; verzoekt de lidstaten het werk en de institutionele capaciteit van instanties die ijveren voor gelijke behandeling te ondersteunen door hen passende middelen toe te kennen, zodat zij effectieve rechtsbijstand kunnen verlenen en juridisch advies kunnen geven, en hun samenwerking met juridische adviseurs van Roma te versterken om het melden van misbruik te vergemakkelijken;

46.

is bezorgd over de geringe participatie van de Romabevolking als gesprekspartners of zittende vertegenwoordigers van lokale, regionale en nationale overheden, en over het feit dat overheden er niet voor zorgen dat zij het volledige burgerschap kunnen uitoefenen; erkent de cruciale rol van het maatschappelijk middenveld in dit verband; verzoekt om bredere samenwerking tussen de betrokken nationale en lokale autoriteiten, de EU, de Raad van Europa en ngo's; moedigt de instellingen en politieke partijen van de EU en de lidstaten aan de politieke participatie en versterking van de positie van Roma en de aanwerving van Roma voor overheidsdiensten actief te bevorderen; verzoekt om empowermentprogramma's voor Roma, met inbegrip van programma's gericht op het verbeteren en waarborgen van de langdurige participatie van Roma vanuit een intersectioneel perspectief als vertegenwoordigers van lokale, regionale en nationale overheden; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de participatie van Romavrouwen in beleids- en besluitvorming wordt versterkt;

47.

verzoekt de lidstaten te voorzien in verplichte, praktische en intersectionele opleidingen op het gebied van de grondrechten en non-discriminatie voor alle overheidsfunctionarissen, die garant moeten staan voor de mensenrechten en van essentieel belang zijn voor de juiste tenuitvoerlegging van EU- en nationale wetgeving, teneinde hen uit te rusten met de vereiste kennis en vaardigheden om alle burgers te kunnen dienen vanuit een op mensenrechten gebaseerde benadering;

48.

verzoekt de lidstaten, gezien de invloed die de media kan uitoefenen op de publieke perceptie van etnische minderheden:

te voorzien in verplichte opleidingen voor werknemers van de publieke omroep en openbare media om ze bewust te maken van de moeilijkheden en discriminatie waarmee Roma te kampen hebben en van schadelijke stereotypen,

de aanwerving van Roma in de openbare media te bevorderen, en

de vertegenwoordiging van Roma in de bestuurslichamen van openbare media te bevorderen;

49.

moedigt de lidstaten aan verplichte opleidingen op het gebied van mensenrechten, democratisch burgerschap en politiek bewustzijn op te nemen in hun schoolprogramma's op alle niveaus, teneinde zigeunerhaat eens en voor altijd een halt toe te roepen en zo een einde te maken aan de onzekerheid over de identiteit van Roma, hun zelfvertrouwen te versterken en hun mogelijkheden om hun gelijke rechten uit te oefenen en op te eisen te vergroten;

50.

is zeer bezorgd over de bezuinigingen in de publieke sector, die dramatische effecten hebben gehad op de activiteiten van de staat en door de staat gefinancierde ngo's ter bevordering van de gelijkheid van de Roma en die het bereik van deze projecten hebben verkleind; benadrukt dat de staat en zijn instellingen een fundamentele rol moeten spelen in de bevordering van gelijkheid en dat deze rol door niemand anders kan worden vervuld;

Nationale strategieën voor integratie van de Roma

51.

merkt bezorgd op dat de inspanningen en geïnvesteerde financiële middelen, alsook de talrijke op de Romagemeenschap gerichte Europese en nationale programma's en fondsen, niet aanzienlijk hebben bijgedragen tot de verbetering van hun leefomstandigheden en evenmin de integratie van de Roma, met name op lokaal niveau, hebben bevorderd; verzoekt de lidstaten daarom, met het oog op de strijd tegen de marginalisatie, discriminatie en uitsluiting van Roma en de bevordering van het integratieproces van Roma en de bestrijding van zigeunerhaat:

ambitieuze doelen na te streven bij de vaststelling van hun nationale strategieën voor integratie van de Roma, meer onderzoek te doen naar succesvolle lokale praktijken en programma's met actieve betrokkenheid van Roma teneinde hun situatie, omstandigheden en problemen aan het licht te brengen, en bijzondere aandacht te besteden aan zigeunerhaat en de gevolgen daarvan om een verbeterde, omvattende en holistische aanpak te ontwikkelen waarbij niet alleen de sociale en economische aspecten aan bod komen, maar ook de strijd tegen racisme en de opbouw van wederzijds vertrouwen;

hun nationale strategieën voor integratie van de Roma volledig ten uitvoer te leggen,

de doeltreffendheid ervan te beoordelen en ze regelmatig bij te werken, duidelijke acties en op maat gemaakte maatregelen te formuleren en meetbare doelen en mijlpalen vast te stellen,

nauw samen te werken met alle belanghebbenden, onder meer regionale en lokale entiteiten, de academische wereld, de private sector, basisorganisaties en ngo's, en Roma er actief bij te betrekken,

de gegevensverzameling, het op veldwerk gebaseerde, financiële en kwaliteitsgerichte toezicht en de verslagleggingsmethoden verder te ontwikkelen, aangezien die de basis vormen voor doeltreffend, wetenschappelijk onderbouwd beleid en kunnen bijdragen tot het verbeteren van de doeltreffendheid van strategieën, acties en maatregelen en het bepalen waarom de programma's en strategieën niet tot de langverwachte resultaten leiden,

de positie van hun nationale Romacontactpunten te versterken door hun een passend mandaat, de nodige middelen en geschikte arbeidsomstandigheden te bieden voor de uitoefening van hun coördinatietaken;

Prioritering van zigeunerhaat in een verbeterde strategie voor de periode na 2020

52.

is ingenomen met de geleverde inspanningen en het brede scala aan door de Commissie ontwikkelde nuttige mechanismen en fondsen ter bevordering van de sociale en economische inclusie van Roma en het feit dat zij een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020 in het leven heeft geroepen, waarin de lidstaten worden verzocht nationale strategieën vast te stellen;

53.

verzoekt de Commissie:

het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma na 2020 op te waarderen, voortbouwend op de resultaten en aanbevelingen van de Rekenkamer, het Bureau voor de grondrechten (FRA), ngo's, organisaties die als waakhond fungeren en alle relevante betrokkenen, teneinde te beschikken over een verbeterde, bijgewerkte en nog bredere aanpak,

in het EU-kader voor de periode na 2020 niet alleen bijzondere aandacht te besteden aan sociale inclusie, maar ook aan zigeunerhaat, en indicatoren ter bestrijding van discriminatie in te voeren op de gebieden onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting, gezondheid, enz., aangezien zigeunerhaat de tenuitvoerlegging van de nationale strategieën voor integratie van de Roma ondermijnt,

zigeunerhaat als een horizontale kwestie te beschouwen en een inventaris van praktische stappen voor de lidstaten ter bestrijding van zigeunerhaat te ontwikkelen — samen met de lidstaten, het FRA en ngo's,

de taskforce voor de Roma van de desbetreffende diensten van de Commissie aan te vullen door een projectteam op het niveau van commissarissen inzake Romavraagstukken op te richten, waarin alle betrokken commissarissen die werkzaam zijn op het gebied van gelijke rechten en non-discriminatie, burgerschap, sociale rechten, werkgelegenheid, onderwijs en cultuur, gezondheid, huisvesting en de externe dimensie daarvan worden bijeengebracht, teneinde de opzet van niet-discriminerende en aanvullende EU-fondsen en -programma's te waarborgen,

het werk van de coördinatie-eenheid voor non-discriminatie en de Roma van de Commissie te intensiveren en aan te vullen door het team te versterken, voldoende middelen beschikbaar te stellen en meer personeel in dienst te nemen, teneinde over voldoende capaciteit te beschikken om zigeunerhaat te bestrijden, bewustzijn te creëren omtrent de holocaust van de Roma en de herdenking van de holocaust te bevorderen;

54.

roept de EU-instellingen op de rechten van de Roma te integreren in het kader van de externe betrekkingen; wijst er met klem op dat in de (potentiële) kandidaat-lidstaten zigeunerhaat moet worden bestreden en de rechten van de Roma moeten worden bevorderd;

55.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de door de ECRI vastgestelde werkdefinitie van zigeunerhaat toe te passen en actief te verspreiden om de autoriteiten van de lidstaten duidelijke richtsnoeren te verstrekken;

56.

verzoekt alle fracties in het Parlement en de politieke partijen in de lidstaten het herziene handvest van de politieke partijen voor een maatschappij zonder racisme te eerbiedigen, en vraagt ze hun engagement regelmatig te hernieuwen en haatpropaganda te veroordelen en te bestraffen;

57.

verzoekt het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten een studie te verrichten naar zigeunerhaat in de EU en de kandidaat-lidstaten, bij zijn werkzaamheden op het gebied van Romavraagstukken aandacht te besteden aan zigeunerhaat en er op alle relevante terreinen toezicht op te houden;

o

o o

58.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

(1)  PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.

(2)  PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(3)  PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

(4)  PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.

(5)  PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.

(6)  PB C 4 E van 7.1.2011, blz. 7; PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 73; PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 112; PB C 468 van 15.12.2016, blz. 36; PB C 468 van 15.12.2016, blz. 157.

(7)  PB C 328 van 6.9.2016, blz. 4.

(8)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0485.

(9)  Algemene beleidsaanbeveling nr. 13 van de ECRI over de bestrijding van zigeunerhaat en discriminatie van Roma.

(10)  Voor het woord „zigeunerhaat” worden in de verschillende lidstaten soms enigszins verschillende termen gebruikt.

(11)  PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.

(12)  PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.

(13)  PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.

(14)  PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.


Donderdag 26 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/184


P8_TA(2017)0414

Tenuitvoerlegging van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over de toepassing van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (2016/2251(INI))

(2018/C 346/24)

Het Europees Parlement,

gezien Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (1) (de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn),

gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Richtlijn 2004/35/EG betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (COM(2016)0204),

gezien de artikelen 4 en 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (2),

gezien de wijziging van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn bij Richtlijn 2006/21/EG (3) betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën, Richtlijn 2009/31/EG (4) betreffende de geologische opslag van kooldioxide en Richtlijn 2013/30/EU (5) betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de Refit-evaluatie van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn (SWD(2016)0121), gevoegd bij het verslag van de Commissie (COM(2016)0204),

gezien de nota van de onderzoeksdienst van het Europees Parlement van 6 juni 2016 getiteld: „The implementation of the Environmental Liability Directive: a survey of the assessment process carried out by the Commission” (6),

gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0297/2017),

A.

overwegende dat het milieubeleid van de Unie volgens artikel 191, lid 1, van het VWEU moet bijdragen tot het nastreven van doelstellingen zoals de bescherming van de gezondheid van haar burgers, de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, de bevordering van een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen;

B.

overwegende dat in artikel 191, lid 2, van het VWEU is bepaald dat het milieubeleid van de Unie gericht moet zijn op een hoog beschermingsniveau en gebaseerd op het voorzorgsbeginsel en op de beginselen dat preventief moet worden opgetreden, dat milieuaantasting bij voorrang aan de bron dient te worden bestreden en dat de vervuiler betaalt;

C.

overwegende dat in artikel 11 van het VWEU wordt bepaald dat de eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en de werkzaamheden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling;

D.

overwegende dat het Europees Parlement en de Raad krachtens artikel 192 van het VWEU de taak hebben om vast te stellen welke maatregelen moeten worden genomen om de algemene doelstellingen van de Unie op milieugebied te verwezenlijken (7);

E.

overwegende dat in het Handvest van de grondrechten bepaald wordt dat een hoog niveau van milieubescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu deel moeten uitmaken van het beleid van de Unie en gewaarborgd moeten worden overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling;

F.

overwegende dat een gecoördineerde milieustrategie voor de hele Unie een middel is om samenwerking aan te moedigen en ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen van de Unie onderlinge coherentie vertonen;

G.

overwegende dat het huidige toepassingsgebied van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn zich uitsluitend uitstrekt tot milieuschade die door exploitanten wordt toegebracht aan de biodiversiteit (beschermde soorten en natuurlijke habitats), aan het water en aan de bodem;

H.

overwegende dat er voor het dekken van aansprakelijkheid voor milieuschade spontaan een financiëlezekerheidsmarkt is gegroeid, die echter wellicht niet volstaat om specifieke gevallen te dekken, zoals kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) of bepaalde soorten activiteiten (offshore platforms, kerncentrales, enz.);

I.

overwegende dat het feit dat het moeilijk vast te stellen is of schade aan een natuurlijke rijkdom de vastgestelde drempel overschrijdt en dat veel lidstaten geen procedure kennen voor de behandeling van opmerkingen of kritiek van milieu-ngo's en andere organisaties van stakeholders, tot de hoofdoorzaken van de verschillen in toepassing van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn behoren;

J.

overwegende dat in veel lidstaten talrijke belanghebbenden (milieu-ngo's, verzekeringsmaatschappijen, exploitanten en vooral ook de betrokken autoriteiten) weinig of niets weten van de details van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn, wat niet in de laatste plaats te wijten is aan het ontbreken van richtsnoeren voor de omzetting in wetgeving;

K.

overwegende dat veel lidstaten vorderingen hebben geboekt bij de daadwerkelijke verwezenlijking van de belangrijkste doelstellingen, te weten het voorkomen en herstellen van milieuschade; overwegende dat de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn echter in sommige lidstaten nog onvoldoende gehandhaafd wordt;

L.

overwegende dat uit nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen blijkt dat de verontreiniging door industriële activiteiten onvermoede gevolgen kan hebben voor mens en milieu en dat de menselijke gezondheid, de duurzaamheid en het evenwicht van biologische en bio-evolutieve processen erdoor in gevaar worden gebracht;

1.

erkent het belang van de studies en verslagen van de Commissie over de beoordeling van de toepassing van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn en de impact ervan op de lidstaten, evenals van haar aanbevelingen met het oog op een doeltreffende en samenhangende toepassing van de richtlijn door prioriteit toe te kennen aan de harmonisatie van nationale oplossingen en praktijken in een breder kader voor wettelijke aansprakelijkheid; verwelkomt in dat verband de ontwikkeling van het meerjarig werkprogramma (MAWP) betreffende de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn voor de periode 2017 — 2020;

2.

constateert met bezorgdheid dat de bevindingen in die verslagen een alarmerend beeld opleveren van de werkelijke tenuitvoerlegging van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn en wijst erop dat die richtlijn in veel lidstaten fragmentarisch en oppervlakkig is omgezet;

Stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn

3.

constateert dat diverse lidstaten zich niet hebben gehouden aan de uiterste termijn voor de omzetting van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn en dat deze pas sinds de tweede helft van 2010 door alle 27 lidstaten was omgezet;

4.

is van mening dat de omzetting van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn in nationale aansprakelijkheidsstelsels niet geleid heeft tot een gelijk speelveld als gevolg van de discretionaire bevoegdheden die in die richtlijn worden toegekend en van het aperte gebrek aan duidelijkheid omtrent en uniforme toepassing van kernbegrippen ervan, alsook van onderontwikkelde capaciteiten en deskundigheid, en dat die omzetting, zoals in het verslag van de Commissie wordt bevestigd, momenteel zowel juridisch als in de praktijk van lidstaat tot lidstaat totaal verschilt, tussen wat betreft het aantal zaken; is daarom van oordeel dat er verdere stappen moeten worden ondernomen om te zorgen dat de wetgeving op Europees niveau gelijk wordt getrokken;

5.

constateert dat dit gebrek aan eenvormigheid mede te wijten is aan de generieke aard van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn, die is opgesteld naar het model van een kaderrichtlijn;

6.

wijst erop dat er, ondanks de door de Commissie genomen maatregelen wegens verlate omzetting en non-conformiteitskwesties, en ondanks de extreme flexibiliteit van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn, zeven lidstaten zijn die nog bepaalde conformiteitsproblemen moeten oplossen;

7.

merkt op dat de inconsistenties in de wijzen waarop de lidstaten hun gevallen van milieuschade rapporteren waarin de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn werd toegepast (8), toegeschreven kunnen worden aan het feit dat ze hun nationale wetgeving toepasten in plaats van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn;

Beperkte doeltreffendheid van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn

8.

constateert dat de doeltreffendheid van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk verschilt;

9.

wijst erop dat de verschillen in interpretatie en toepassing van de „materialiteitsdrempel” voor milieuschade tot de belangrijkste obstakels voor een doeltreffende en uniforme toepassing van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn behoren en dat de gegevens over administratieve kosten voor overheden, zoals gegevens over de toepassing van aanvullende en compenserende herstelmaatregelen, schaars en weinig homogeen zijn en voor het bedrijfsleven zelfs volledig ontbreken;

10.

betreurt het dat incidenten in de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn pas als „ernstig” worden aangemerkt als ze tot dodelijke slachtoffers of ernstig gewonden leiden, zonder dat er verwezen wordt naar de gevolgen voor het milieu; benadrukt daarom dat een incident, zelfs als er geen doden of ernstig gewonden bij vallen, ernstige gevolgen kan hebben voor het milieu vanwege de omvang ervan of omdat het bijvoorbeeld beschermde gebieden of soorten of bijzonder kwetsbare habitats treft;

11.

betreurt dat er voor activiteiten die mogelijk negatieve effecten kunnen hebben op biodiversiteit en milieu, zoals transport van gevaarlijke stoffen via pijpleidingen, mijnbouw en de invoering van invasieve uitheemse soorten, momenteel geen verplichte risicoaansprakelijkheid geldt; wijst erop dat met name voor aantasting van de biodiversiteit geldt dat de in bijlage III genoemde activiteiten in onvoldoende mate de sectoren bestrijken die mogelijk schade teweeg kunnen brengen;

12.

is van mening dat het in artikel 1 van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn bedoelde kader voor milieuaansprakelijkheid moet worden verruimd zodat het ook ecologische rehabilitatie en terugbrenging van het milieu tot zijn referentietoestand na beëindiging van de beroepsactiviteiten omvat, ook als de milieuschade is veroorzaakt door activiteiten of emissies die door de bevoegde autoriteiten uitdrukkelijk werden toegestaan;

13.

benadrukt dat alle belanghebbenden als probleem gesignaleerd hebben dat het moeilijk is risicoaansprakelijkheid voor in bijlage III bij de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn genoemde gevaarlijke activiteiten te doen gelden ten aanzien van derde-rechthebbenden van de aansprakelijke partij (9);

14.

wijst op de ervaringen met de tenuitvoerlegging van de huidige financiële zekerheden, waarbij tekortkomingen aan het licht zijn gekomen in verband met het waarborgen dat exploitanten werkelijk dekking hebben voor financiële verplichtingen als gevolg van hun aansprakelijkheid voor milieuschade, en wijst met bezorgdheid op de gevallen waarin exploitanten niet in staat waren om de kosten voor herstel van milieuschade te dragen;

15.

benadrukt dat er nog steeds problemen zijn met de toepassing van de richtlijn op grootschalige incidenten, vooral wanneer het niet mogelijk is vast te stellen wie de aansprakelijke vervuiler is en/of wanneer de vervuiler insolvent wordt of failliet gaat;

16.

merkt op dat de kosten van milieuschade voor de aansprakelijke exploitanten kunnen worden verminderd door gebruik te maken van financiëlezekerheidsinstrumenten (verzekeringsdekking en alternatieve instrumenten zoals bankgaranties, obligaties, fondsen of effecten); meent dat de vraag op de financiëlezekerhedenmarkt in verband met de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn laag is vanwege het geringe aantal gevallen dat zich in veel lidstaten voordoet, het gebrek aan duidelijkheid omtrent bepaalde begrippen in de richtlijn en het feit dat verzekeringsmodellen in veel lidstaten, afhankelijk van de mate van maturiteit van de markt voor dergelijke instrumenten, in het algemeen langzaam op blijken te komen;

17.

wijst erop dat de mogelijkheid om het aanbod aan financiële zekerheden te verbeteren wordt afgeremd door het feit dat de EU slechts over weinig gegevens beschikt over gevallen die onder de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn vallen en dat die gegevens tegenstrijdig zijn;

18.

moedigt de lidstaten aan maatregelen te nemen ter bespoediging van de ontwikkeling van financiëlezekerheidsinstrumenten en -markten door daarvoor geschikte economische en financiële actoren, met inbegrip van financiële mechanismen voor gevallen van insolventie, zodat de exploitanten over financiële garanties kunnen beschikken om hun aansprakelijkheid te dekken;

19.

wijst op de haalbaarheidsstudie van de Commissie over het concept van een risicodelingsfaciliteit op EU-niveau voor industriële rampen (10) en benadrukt de noodzaak van nader onderzoek en een grondiger haalbaarheidsstudie naar de belangrijkste juridische en financiële aspecten hiervan;

20.

merkt met voldoening op dat de helft van de lidstaten de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn ruim toepassen wanneer het gaat om beschermde soorten en natuurlijke habitats (België, Cyprus, Tsjechische Republiek, Estland, Griekenland, Hongarije, Letland, Litouwen, Luxemburg, Polen, Portugal, Slovenië, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk);

21.

is van mening dat een van de oorzaken van de ontoereikende harmonisatie van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn is dat er geen administratieve standaardprocedure bestaat om aan de bevoegde autoriteiten te melden dat er milieuschade dreigt te ontstaan of is ontstaan; betreurt het daarom dat er geen verplichting is tot bekendmaking van dergelijke kennisgevingen of van informatie over hoe met die gevallen is omgegaan; merkt op dat sommige lidstaten in hun wetgeving al rekening houden met deze beperking en databanken hebben opgezet voor de kennisgevingen/incidenten/gevallen; wijst er echter op dat er op dit gebied grote verschillen bestaan tussen de lidstaten en dat deze praktijk vrij beperkt is;

22.

benadrukt dat compensatieregelingen van dien aard moeten zijn dat grensoverschrijdende vorderingen doeltreffend, snel, binnen een redelijke termijn en zonder discriminatie van eisers uit verschillende landen van de Europese Economische Ruimte kunnen worden afgehandeld; is van oordeel dat deze regelingen zowel de primaire als de secundaire schade in alle getroffen gebieden moeten omvatten, aangezien dergelijke incidenten een groot gebied kunnen beslaan en langdurige gevolgen kunnen hebben; benadrukt dat het speciaal voor buurlanden die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte noodzakelijk is dat zij zich aan het internationaal recht op het gebied van milieubescherming en milieuaansprakelijkheid houden;

23.

herhaalt dat volgens artikel 4, lid 5, van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn, de richtlijn alleen van toepassing op milieuschade of op een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade als gevolg van diffuse verontreiniging wanneer een oorzakelijk verband kan worden gelegd tussen de schade en de activiteiten van individuele exploitanten; wijst er tevens op dat de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) in zijn verslag van 2013 al een strikt oorzakelijk verband tussen uitstoot en schade in verband met klimaatverandering en milieu had vastgesteld (11);

Voorstellen voor een meer geharmoniseerde milieuaansprakelijkheidsrichtlijn

24.

dringt erop aan dat de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn zo spoedig mogelijk wordt herzien en dat de definitie van „milieuschade” in artikel 2, lid 1, van die richtlijn wordt verduidelijkt, met name wat betreft de criteria voor vaststelling van negatieve effecten op beschermde soorten en habitats (bijlage I) en het risico van schade aan wateren en bodemschade, opdat dat artikel voldoende doeltreffend, consistent en coherent wordt om gelijke tred te houden met de snelle evolutie van verontreinigende stoffen uit industriële activiteiten;

25.

verzoekt de Commissie het begrip „materialiteitsdrempel” te verduidelijken, te definiëren en gedetailleerd in te vullen en gedifferentieerde maximale aansprakelijkheidsdrempels voor activiteiten te verkennen, teneinde de toepassing van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn te standaardiseren en in alle lidstaten eenvormig te maken;

26.

verzoekt de Commissie te zorgen voor een duidelijke en coherente uitlegging van het geografische toepassingsgebied van de „gunstige staat van instandhouding” van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn (EU, nationaal grondgebied, het natuurlijke landschap); is in dit verband van mening dat een locatiespecifieke benadering noodzakelijk is voor een correcte en doeltreffende tenuitvoerlegging;

27.

verzoekt de Commissie vast te stellen welke regels nodig zijn om een duidelijk en onaanvechtbaar onderscheid te maken tussen gevallen waarin de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn van toepassing is en gevallen waarin de nationale wetgeving moet worden toegepast, wanneer die strenger is;

28.

merkt op dat luchtvervuiling schadelijk is voor de menselijke gezondheid en het milieu en dat stikstofdioxide- en fijnstofvervuiling ernstige gezondheidsrisico's inhouden; verzoekt de Commissie in dat verband om „ecosystemen” op te nemen in de definities van „milieuschade” en „natuurlijke rijkdommen” in artikel 2; verzoekt de Commissie voorts te overwegen of het toepassingsgebied van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn kan worden uitgebreid en of aansprakelijkheid kan worden vastgesteld voor schade aan de menselijke gezondheid en het milieu, onder meer in de vorm van luchtvervuiling (12);

29.

verzoekt de Commissie om een verplichte financiële-zekerheidstelling in te voeren, bijvoorbeeld een verplichte milieuaansprakelijkheidsverzekering voor exploitanten, en een geharmoniseerde EU-methodologie uit te werken voor de berekening van de maximale aansprakelijkheidsgrenzen aan de hand van de kenmerken van elke activiteit en de omgeving waarin deze plaatsvindt; verzoekt de Commissie voorts de mogelijkheid te overwegen om een Europees fonds op te richten voor de bescherming van het milieu tegen schade die veroorzaakt wordt door onder de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn vallende industriële activiteiten (13), onverminderd het beginsel dat de vervuiler betaalt, voor insolventierisico's en alleen in gevallen waarin de financiële-zekerheidsmarkten tekortschieten; is van mening dat dit ook zou moeten gelden voor grootschalige incidenten, wanneer het mogelijk is vast te stellen welke exploitant verantwoordelijk is voor de schade;

30.

pleit ervoor dat iedere exploitant die voordeel heeft van de uitvoering van activiteiten ook aansprakelijk is voor eventuele milieuschade of -vervuiling als gevolg van die activiteiten;

31.

is van mening dat er gezien de relevantie en de potentiële effecten van industriële rampen en de risico's daarvan voor de menselijke gezondheid, het natuurlijk milieu en eigendommen, meer waarborgen nodig zijn om de Europese burger te verzekeren van een veilig en deugdelijk rampenpreventie- en -beheersingssysteem op basis van risicodeling, meer verantwoordelijkheid bij industriële ondernemers en het beginsel dat de vervuiler betaalt; wenst dat er wordt beoordeeld of er in de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn een stelsel moet worden opgenomen voor aansprakelijkheid van derden voor het toebrengen van schade aan de menselijke gezondheid en het milieu (14);

32.

verzoekt om invoering van een stelsel van secundaire aansprakelijkheid van derde-rechthebbenden van de aansprakelijke partij;

33.

beveelt aan subsidiaire aansprakelijkheid van de staat verplicht te stellen, teneinde een doeltreffende en proactieve tenuitvoerlegging van de wetgeving te waarborgen;

34.

dringt voorts aan op schrapping van de mogelijkheid voor exploitanten om zich te beroepen op een vergunning of op de stand van de kennis, zodat er voor een gelijk speelveld wordt gezorgd en het beginsel dat de vervuiler betaalt kracht wordt bijgezet, wat ook de werkzaamheid van de wetgeving ten goede komt;

35.

verzoekt de Commissie om onverwijld met een voorstel te komen voor milieu-inspecties op Europees niveau.

36.

acht het van prioritair belang om in het kader van een herziening van de richtlijn milieuaansprakelijkheid een risicoaansprakelijkheid te laten gelden voor alle milieuschade in verband met niet in bijlage III opgenomen activiteiten, om de doeltreffendheid van de wetgeving ter invoering van het vervuiler-betaaltbeginsel te vergroten, en exploitanten ertoe aan te zetten hun risicobeheer te verbeteren; verzoekt de Commissie in dat verband een register in te voeren van exploitanten die gevaarlijke activiteiten verrichten, alsook een systeem voor financieel toezicht ter waarborging van de solvabiliteit van die exploitanten;

37.

vraagt de Commissie om ervoor te zorgen dat de richtlijn toepassing vindt bij milieuschade als gevolg van enige beroepsactiviteit, en risicoaansprakelijkheid van producenten te waarborgen;

38.

dringt aan op de instelling van een publiek toegankelijke Europese databank van onder de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn vallende gevallen van milieuschade, geënt op voorbeelden als het Ierse systeem waarmee gevallen van milieuschade online kunnen worden gemeld, teneinde het vertrouwen in het systeem van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn te versterken en betere tenuitvoerlegging te waarborgen; is van mening dat zo'n databank belanghebbenden, exploitanten en burgers in staat zou stellen zich meer bewust te worden van het bestaan van het systeem van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn en daardoor zou bijdragen aan het voorkomen en herstellen van milieuschade;

39.

beveelt aan de openbare databanken voor onder de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn vallende gevallen gemakkelijk toegankelijk en doeltreffend te maken door bij het opzetten ervan de volgende criteria in acht te nemen:

ze moeten online toegankelijk zijn en aanvullende informatie over de gevallen moet op verzoek worden verstrekt;

elk land moet beschikken over een gecentraliseerde databank in plaats van afzonderlijke databanken voor elke regio;

meldingen van nieuwe incidenten moeten onmiddellijk online bekend worden gemaakt;

elk in de databank opgenomen geval moet vergezeld gaan van informatie over de naam van de vervuiler, de aard en de omvang van de veroorzaakte schade, de genomen of te nemen preventie- of herstelmaatregelen en door of met de autoriteiten gevolgde procedures;

40.

verzoekt om uitbreiding van de categorieën van de in bijlage III bedoelde gevaarlijke activiteiten tot alle activiteiten die potentieel schadelijk zijn voor het milieu en de menselijke gezondheid;

41.

benadrukt dat het belang van een cultuur van preventie van milieuschade tot uiting moet komen in een systematische voorlichtingscampagne, in het kader waarvan de lidstaten moeten garanderen dat potentiële vervuilers en potentiële slachtoffers worden geïnformeerd over de risico's die zij lopen, over de beschikbaarheid van verzekeringen of andere financiële zekerheden die hen tegen die risico's kunnen beschermen en over de voordelen die deze kunnen opleveren;

42.

is van mening dat alle gevallen van bewezen aansprakelijkheid, alsmede gedetailleerde gegevens over opgelegde sancties, openbaar moeten worden gemaakt om de werkelijke kosten van milieuschade voor iedereen zichtbaar te maken;

43.

stelt voor dat er een kanaal wordt gecreëerd om milieu-ngo's en andere belanghebbenden ertoe aan te moedigen om hun opmerkingen en kritiek kenbaar te maken;

44.

beveelt aan om belastingverlaging of andere financiële voordelen toe te kennen aan bedrijven die zich met succes inzetten voor het voorkomen van milieuschade;

45.

beveelt aan dat er aparte onafhankelijke autoriteiten worden aangewezen die bevoegd zijn voor het beheer en de controle en voor het opleggen van sancties uit hoofde van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn, en onder meer de mogelijkheid hebben financiële zekerheden te verlangen van potentieel aansprakelijke partijen, rekening houdend met de specifieke situatie van elke potentiële vervuiler, bijvoorbeeld in het kader van milieuvergunningen;

46.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te waarborgen dat de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn afdoende ondersteuning biedt aan inspanningen die erop gericht zijn om de doelstellingen van de vogel- en de habitatrichtlijn van de EU te verwezenlijken; dringt erop aan dat de autoriteiten die belast zijn met milieu-inspecties ook betrokken worden bij de tenuitvoerlegging en handhaving van milieuaansprakelijkheidswetgeving;

47.

verzoekt de Commissie haar scholingsprogramma voor de toepassing van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn in de lidstaten op te schalen en helpdesks op te zetten voor vaklieden om informatie en bijstand te verstrekken en te helpen bij het beoordelen van risico's en schade; beveelt verder aan dat er richtsnoeren worden gegeven om de lidstaten te helpen bij het correct omzetten van de wetgeving;

48.

herinnert eraan dat personen die nadeel ondervinden van milieuschade overeenkomstig de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn het recht hebben de bevoegde autoriteiten te vragen om actie te ondernemen; wijst er ook op dat Europese burgers volgens het Unierecht effectieve en snelle toegang tot de rechter moeten genieten (artikel 9, lid 3, van het Verdrag van Aarhus, artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de toepasselijke bepalingen van het Europees Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens) en dat de kosten van milieuschade moeten worden gedragen door de vervuiler (artikel 191 van het VWEU); verzoekt de Commissie derhalve met een wetgevingsvoorstel te komen voor minimumnormen voor de uitvoering van de regels van het verdrag van Aarhus inzake toegang tot de rechter; verzoekt de Commissie om de mogelijkheid van invoering van collectieve verhaalmechanismen te verkennen voor inbreuken op het milieurecht van de Unie;

49.

dringt er bij de Commissie op aan om in het kader van een herziening van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn te overwegen om de lidstaten de verplichting op te leggen dat zij elke twee jaar een verslag indienen over de toepassing van de richtlijn;

50.

beschouwt strafrechtelijke sancties als een ander belangrijk afschrikkend instrument om milieuschade te voorkomen en stelt met teleurstelling vast dat Richtlijn 2008/99/EG van 19 november 2008 inzake bescherming van het milieu door middel van het strafrecht niet actueel is; verzoekt de Commissie om de werkingssfeer van de richtlijn op zo kort mogelijke termijn te herzien en ervoor te zorgen dat alle milieuwetgeving van de Unie daaronder valt;

o

o o

51.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

(2)  PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.

(3)  PB L 102 van 11.4.2006, blz. 15.

(4)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114.

(5)  PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66.

(6)  PE 556.943.

(7)  Arrest van het Hof van Justitie van 9 maart 2010, ERG e.a., C-378/08, ECLI:EU:C:2010:126, punt 45. Arrest van het Hof van Justitie van 9 maart 2010, ERG e.a., C-379/08 en C-380/08, ECLI:EU:C:2010:127, punt 38. Arrest van het Hof van Justitie van 9 maart 2010, Buzzi Unicem SpA e.a., C-478/08 en C-479/08, ECLI:EU:C:2010:129, punt 35.

(8)  Volgens het verslag van de Commissie (COM(2016)0204) rapporteerden de lidstaten tussen april 2007 en april 2013 circa 1 245 bevestigde gevallen van milieuschade waarin de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn werd toegepast. Bovendien verschilt het aantal gevallen volgens datzelfde verslag aanzienlijk van lidstaat tot lidstaat. Twee lidstaten waren goed voor 86 % van alle gerapporteerde gevallen (563 gevallen in Hongarije, 506 in Polen), terwijl het merendeel van de resterende gevallen door zes lidstaten werd gerapporteerd (60 door Duitsland, 40 door Griekenland, 17 door Italië en 8 door Letland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk). Elf lidstaten meldden geen enkel incident in 2007, mogelijkerwijs omdat zij die uitsluitend krachtens hun nationale stelsel behandelen.

(9)  Arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2015, Ministero dell’Ambiente e della Tutela del Territorio e del Mare e.a. tegen Fipa Group Srl e.a., zaak C-534/13, ECLI:EU:C:2015:140.

(10)  Study to explore the feasibility of creating a fund to cover environmental liability and losses occurring from industrial accidents, Final Report, Europese Commissie, DG ENV, 17 april 2013.

(11)  IPCC, 2013: Climate Change 2013: The Physical Science Basis. Contribution of Working Group I to the Fifth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change (Stocker, T.F. et al. Cambridge University Press, Cambridge, United Kingdom and New York, NY, USA, 1535 pp, doi:10.1017/CBO9781107415324).

(12)  Op deze mogelijkheid werd ingegaan in het document van de Commissie van 19 februari 2014: „Study on ELD Effectiveness: Scope and Exceptions”, blz. 84.

(13)  Zie in dit verband het document dat de Commissie op 17 april 2013 gepubliceerd heeft met als titel „Study to explore the feasibility of creating a fund to cover environmental liability and losses occurring from industrial accidents”.

(14)  Een dergelijk stelsel bestaat al in Portugal en wordt beoordeeld in de studie van de Commissie van 16 mei 2013 met als titel „Implementation challenges and obstacles of the Environmental Liability Directive (ELD)”, blz. 75.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/192


P8_TA(2017)0417

De strijd tegen seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU (2017/2897(RSP))

(2018/C 346/25)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag van de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 10, 19 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU),

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden, en met name de artikelen 20, 21, 23 en 31,

gezien het verslag van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie (FRA) van 2014 over „Geweld tegen vrouwen” (1),

gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (2),

gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (3), waarin intimidatie en seksuele intimidatie omschreven en veroordeeld worden,

gezien het Gender Equality Index Report van het Europees Instituut voor gendergelijkheid,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015, getiteld „Strategic engagement for gender equality 2016-2019” (SWD(2015)0278),

gezien de verklaring van het EU-voorzitterschapstrio in juli 2017 door Estland, Bulgarije en Oostenrijk, over de gelijkheid tussen vrouwen en mannen,

gezien de VN-Verklaring van 1993 inzake de uitbanning van geweld tegen vrouwen,

gezien de Verklaring en het Actieprogramma van Peking die op 15 september 1995 werden goedgekeurd tijdens de vierde Wereldvrouwenconferentie, en de latere slotdocumenten die werden aangenomen tijdens de speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties Peking + 5 (2000), Peking + 10 (2005), Peking + 15 (2010) en Peking + 20 (2015), het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) en het daarbij behorende facultatieve protocol,

gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (4) van de Raad (de richtlijn rechten van slachtoffers),

gezien de kaderovereenkomst over intimidatie en geweld op het werk (2007) van de EVV, BUSINESSEUROPE, de UEAPME en het CEEP,

gezien het verslag van het Europees netwerk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling (Equinet), getiteld „The Persistence of Discrimination, Harassment and Inequality for Women. The Work of Equality Bodies informing a new European Commission Strategy for Gender Equality” (Het voortbestaan van discriminatie, intimidatie en ongelijkheid van vrouwen. De activiteiten van organen voor de bevordering van gelijke behandeling ten behoeve van een nieuwe strategie van de Commissie voor gendergelijkheid), gepubliceerd in 2015,

gezien het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (5), en met name de artikelen 2 en 40, en gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (6),

gezien zijn resoluties van 20 september 2001 over seksuele intimidatie op de werkplek (7), van 26 november 2009 over de uitbanning van geweld tegen vrouwen (8), van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen (9), van 15 december 2011 over de tussentijdse evaluatie van de Europese strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk (10), van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie over de bestrijding van geweld tegen vrouwen (11) en de bijbehorende beoordeling van de Europese meerwaarde van november 2013, van 24 november 2016 over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen (12),

gezien zijn resoluties van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015 (13), van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013 (14), en van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang bij het onthullen van vertrouwelijke informatie van bedrijven en overheidsinstanties (15),

gezien artikel 12 bis van het Statuut van de ambtenaren en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie,

gezien de handleiding voor de leden van het Europees Parlement, getiteld „Nultolerantie voor intimidatie op de werkplek”, die in september 2017 is verschenen, en het actieplan van de administratieve diensten van het Parlement over deze cruciale kwestie,

gezien artikel 123, lid 2 en lid 4 van zijn Reglement,

A.

overwegende dat gendergelijkheid een fundamentele waarde van de EU is, die in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten is opgenomen, en dat de EU heeft toegezegd deze waarde te integreren in al haar activiteiten;

B.

overwegende dat de EU als gemeenschap van waarden berust op democratie, de rechtsstaat en grondrechten, die besloten liggen in de kernbeginselen en doelstellingen in de eerste artikelen van het VEU en in de criteria voor EU-lidmaatschap;

C.

overwegende dat seksuele intimidatie in het EU-recht als volgt gedefinieerd wordt: „wanneer zich enige vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie voordoet met als doel of gevolg dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd” (16);

D.

overwegende dat seksuele intimidatie een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes is, en dat dit een zeer extreme, maar uiterst hardnekkige vorm van discriminatie op basis van geslacht is; overwegende dat ongeveer 90 % van de slachtoffers van seksuele intimidatie vrouw en ongeveer 10 % man is; overwegende dat uit de EU-brede studie van het FRA uit 2014 over „Geweld tegen vrouwen” blijkt dat een op de drie vrouwen als volwassene geconfronteerd is met fysiek of seksueel geweld; overwegende dat 55 % van de vrouwen in de EU al te maken heeft gehad met seksuele intimidatie; overwegende dat 32 % van alle slachtoffers in de EU heeft verklaard dat de dader een leidinggevende, collega of cliënt was; overwegende dat 75 % van de vrouwen met een gekwalificeerd beroep of in het hogere management slachtoffer geweest is van seksuele intimidatie; overwegende dat 61 % van de vrouwen in de dienstensector te maken heeft gehad met seksuele intimidatie; overwegende dat 20 % van jonge vrouwen (van 18 tot 29 jaar oud) in de EU-28 geconfronteerd is met cyberintimidatie; overwegende dat een op de tien vrouwen werd blootgesteld aan seksuele intimidatie of stalking via nieuwe technologieën;

E.

overwegende dat een aanzienlijk aantal gevallen van seksuele intimidatie en pesten niet gemeld wordt aan de autoriteiten omdat het maatschappelijk bewustzijn met betrekking tot dit probleem nog altijd gering is, slachtofferhulp op dit gebied ontoereikend is en het onderwerp maatschappelijk gevoelig ligt, hoewel er formele procedures bestaan voor de aanpak van dit probleem op de werkplek en op andere plaatsen;

F.

overwegende dat seksueel geweld en seksuele intimidatie op de werkplek een kwestie van gezondheid en veiligheid zijn, en als zodanig moeten worden behandeld en voorkomen;

G.

overwegende dat discriminatie op basis van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid krachtens het EU-recht verboden is;

H.

overwegende dat seksueel geweld en intimidatie strijdig zijn met de beginselen van gendergelijkheid en gelijke behandeling, aangemerkt moeten worden als een vorm van discriminatie op grond van geslacht, en bijgevolg verboden zijn in arbeid, met inbegrip van toegang tot de arbeidsmarkt, beroepsopleidingen en promoties;

I.

overwegende dat hardnekkige genderstereotypes, seksisme, seksuele intimidatie en misbruik overal in Europa en in de hele wereld een structureel en wijdverbreid probleem zijn, en dat dit verschijnsel los staat van de leeftijd, opleiding, inkomen of maatschappelijke positie van de slachtoffers of de daders; overwegende dat slachtoffers fysieke, seksuele, emotionele en psychologische gevolgen ondervinden; overwegende dat de ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, genderstereotypes en seksisme, met inbegrip van seksistische haatzaaiende uitlatingen, zowel online als offline, grondoorzaken van alle vormen van geweld tegen vrouwen zijn, en ertoe hebben geleid dat mannen vrouwen domineren en discrimineren en dat vrouwen een volledige ontplooiing onmogelijk wordt gemaakt;

J.

overwegende dat geweld tegen vrouwen, volgens de definitie van het Actieprogramma van Peking, kan bestaan uit, maar niet beperkt is tot, lichamelijk, seksueel en psychologisch geweld dat plaatsvindt binnen de gemeenschap, waaronder verkrachting, seksueel misbruik en seksuele intimidatie op het werk, in onderwijsinstellingen en elders (17);

K.

overwegende dat gendergerelateerd geweld in de richtlijn voor de rechten van slachtoffers is gedefinieerd als een vorm van discriminatie en als een schending van de fundamentele vrijheden van het slachtoffer, en geweld in hechte relaties, seksueel geweld (onder meer verkrachting, aanranding en seksuele intimidatie), mensenhandel en slavernij omvat, alsmede verschillende vormen van schadelijke praktijken zoals gedwongen huwelijken, genitale verminking van vrouwen en zogenaamde „eergerelateerde misdrijven”; overwegende dat vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld, en hun kinderen, vaak behoefte hebben aan bijzondere ondersteuning en bescherming, in verband met het hoge risico van secundaire en herhaalde slachtoffervorming, van intimidatie en van vergelding in verband met dergelijk geweld (18);

L.

overwegende dat de lidstaten uit hoofde van het EU-recht een orgaan voor gelijke behandeling moeten instellen om onafhankelijke bijstand aan slachtoffers van discriminatie en seksuele intimidatie te verlenen, onafhankelijke onderzoeken te verrichten, en onafhankelijke verslagen te publiceren en aanbevelingen te doen, met name wat betreft arbeid en beroepsopleidingen, toegang tot en aanbod van goederen en diensten, en zelfstandige arbeid;

M.

overwegende dat seksuele intimidatie en misbruik, voornamelijk van mannen jegens vrouwen, overal in Europa en in de hele wereld een structureel en wijdverbreid probleem is en dat dit verschijnsel los staat van de leeftijd, opleiding, inkomen of maatschappelijke positie van de slachtoffers of de geweldplegers, en te maken heeft met een ongelijke machtsverdeling tussen mannen en vrouwen in onze samenleving;

N.

overwegende dat gendergelijkheid de verantwoordelijkheid is van alle individuen in de samenleving en dat zowel mannen als vrouwen hieraan een actieve bijdrage moeten leveren; overwegende dat de autoriteiten zich zouden moeten inzetten voor de ontwikkeling van voorlichtings- en bewustmakingscampagnes gericht op mannen en jongere generaties, met het doel de betrokkenheid van mannen en jongens als partners te verbeteren, alle vormen van gendergerelateerd geweld geleidelijk te voorkomen en uit te bannen en vrouwen te ondersteunen en mondig te maken;

O.

overwegende dat vrouwen in de Europese Unie niet op gelijkwaardige wijze beschermd zijn tegen gendergerelateerd geweld, seksuele intimidatie en misbruik, vanwege verschillen in beleid en wetgeving in de lidstaten; overwegende dat de rechtssystemen vrouwen niet voldoende ondersteunen; overwegende dat de dader bij gendergerelateerd geweld vaak een bekende van het slachtoffer is en dat het slachtoffer vaak afhankelijk is van die persoon, wat de angst kan vergroten om het geweld te melden;

P.

overwegende dat alle lidstaten het Verdrag van Istanbul hebben ondertekend, maar dat slechts 15 het hebben geratificeerd; overwegende dat de toetreding van de EU tot het Verdrag de lidstaten niet vrijstelt van de ratificatie ervan op nationaal niveau; overwegende dat in artikel 40 van het Verdrag van Istanbul wordt bepaald dat „de partijen de wetgevende of andere maatregelen [nemen] die nodig zijn om te waarborgen dat elke vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek seksueel getint gedrag met het doel of gevolg de waardigheid van een persoon te schenden, in het bijzonder door het creëren van een intimiderende, vijandige, onterende, vernederende of beledigende omgeving, onderworpen is aan strafrechtelijke of andere juridische sancties”;

Q.

overwegende dat geweld en intimidatie in de politiek onevenredig vaak vrouwen treft; overwegende dat dergelijk geweld een schending van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden vormt, die onder meer bestaan uit de verplichting ervoor te zorgen dat vrouwen vrijelijk kunnen deelnemen aan politieke vertegenwoordiging;

R.

overwegende dat seksuele intimidatie wordt gedefinieerd in artikel 12 bis van het Statuut van de ambtenaren en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie;

S.

overwegende dat seksuele intimidatie en seksistisch gedrag niet ongevaarlijk zijn, en dat het trivialiseren van seksuele intimidatie en seksueel geweld door het gebruik van minimaliserende taal een teken is van een seksistische attitude jegens vrouwen, en een bepaalde boodschap meegeeft over controle en machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, met gevolgen voor de waardigheid, autonomie en vrijheid van vrouwen;

T.

overwegende dat het Parlement specifieke structuren en interne regels heeft vastgesteld om seksuele intimidatie in de eigen gelederen aan te pakken, namelijk enerzijds het adviescomité dat klachten over intimidatie tussen geaccrediteerde parlementaire medewerkers (APA's) en leden van het Europees Parlement behandelt, en anderzijds het adviescomité inzake intimidatie en voorkoming ervan op de werkplek, dat zich bezighoudt met de overige formele procedures die verband houden met personeelsleden van de administratieve diensten en politieke fracties van het Parlement, teneinde mogelijke gevallen te beoordelen en seksuele intimidatie en misbruik te voorkomen;

U.

overwegende dat politici, als verkozen vertegenwoordigers van burgers, een cruciale verantwoordelijkheid dragen en positieve rolmodellen moeten zijn bij de preventie en bestrijding van seksuele intimidatie in de maatschappij;

Nultolerantie voor en bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU

1.

veroordeelt krachtig elke vorm van seksueel geweld en fysieke of psychologische intimidatie, en betreurt dat deze te gemakkelijk worden getolereerd, terwijl zij in feite een systemische schending van de grondrechten vormen, en een ernstig strafbaar feit, dat als zodanig moet worden bestraft; benadrukt dat de straffeloosheid een halt moet worden toegeroepen door ervoor te zorgen dat daders worden vervolgd;

2.

dringt erop aan dat er op doeltreffende wijze uitvoering wordt gegeven aan het bestaande rechtskader voor de aanpak van seksuele intimidatie en misbruik, en spoort de EU-lidstaten en openbare en particuliere ondernemingen tegelijkertijd aan om verdere maatregelen te nemen om seksuele intimidatie op het werk en elders daadwerkelijk te beëindigen en voorkomen; benadrukt dat de juridische procedures die speciaal in het leven zijn geroepen voor de behandeling van gevallen van seksuele intimidatie op het werk gevolgd moeten worden;

3.

verwelkomt initiatieven als de #MeToo-beweging, die ten doel hebben gevallen van seksuele intimidatie en geweld tegen vrouwen aan het licht te brengen; schaart zich volledig achter alle vrouwen en meisjes die hebben deelgenomen aan de #MeToo-campagne, met inbegrip van degenen die de daders bij naam noemden;

4.

roept de Commissie en de lidstaten op om voldoende toezicht te houden op de correcte tenuitvoerlegging van de EU-richtlijnen die intimidatie op basis van geslacht en seksuele intimidatie verbieden, en te verzekeren dat de EU-lidstaten voorzien in meer personeelscapaciteit in de organen voor de bevordering van gelijke behandeling die discriminerende praktijken onderzoeken, alsook in een duidelijk mandaat voor deze organen en de nodige middelen voor de drie gebieden, namelijk arbeid, zelfstandige arbeid, en toegang tot goederen en diensten;

5.

verzoekt de Commissie de bestaande beste praktijken bij het bestrijden van seksuele intimidatie op het werk te beoordelen, uit te wisselen en te vergelijken, en de resultaten van deze beoordeling te verspreiden, met name de effectieve maatregelen die de lidstaten kunnen treffen om bedrijven, sociale partners en bij beroepsopleidingen betrokken organisaties aan te moedigen om alle vormen van discriminatie op basis van geslacht, en vooral intimidatie en seksuele intimidatie op het werk, te voorkomen;

6.

wijst op de centrale rol van alle mannen bij het zich inzetten voor veranderingen en de beëindiging van alle vormen van intimidatie en seksueel geweld door tegen de omstandigheden en structuren te strijden die, al is het maar passief, het gedrag mogelijk maken dat hiertoe leidt, en door expliciet in te gaan tegen foutief of ongepast gedrag; roept de lidstaten op om mannen actief te betrekken bij bewustmakings- en preventiecampagnes;

7.

is van mening dat het aanpakken van onderrapportage en het maatschappelijke stigma, het vaststellen van procedures inzake verantwoordingsplicht op de werkvloer, de actieve betrokkenheid van mannen en jongens bij het voorkomen van geweld, en maatregelen tegen nieuwe vormen van geweld, bijvoorbeeld in de cyberruimte, belangrijke maatregelen ter bestrijding van seksuele intimidatie zijn;

8.

vindt het zorgwekkend dat de intimidatie van vrouwen online, vooral op sociale media, gaande van ongewenst contact, trolling en cyberpesten, tot seksuele intimidatie en bedreigingen met verkrachting en dood, in onze digitale maatschappij steeds meer ingang vindt, en dat de digitale maatschappij nieuwe vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes met zich meebrengt, zoals cyberpesten, cyberintimidatie, het gebruik van vernederende beelden online en de verspreiding van privéfoto's en video's op sociale media zonder toestemming van de betrokkenen;

9.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat financieringsmechanismen voor programma's ter bestrijding van geweld tegen vrouwen gebruikt kunnen worden voor bewustmakingscampagnes en voor de ondersteuning van maatschappelijke organisaties die geweld tegen vrouwen, met inbegrip van seksuele intimidatie, bestrijden;

10.

vraagt de Commissie en de lidstaten om de ratificering van het Verdrag van Istanbul te versnellen; verzoekt de lidstaten dit verdrag volledig uit te voeren, en ook een systeem van verzameling van uitgesplitste gegevens op te zetten met gegevens over leeftijd en geslacht van de daders en de relatie tussen de dader en het slachtoffer en met inbegrip van seksuele intimidatie;

11.

verzoekt de Commissie een voorstel voor een richtlijn in te dienen tegen alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes en gendergerelateerd geweld; herhaalt zijn verzoek aan de Europese Commissie om met een alomvattende EU-strategie te komen tegen alle vormen van gendergerelateerd geweld, inclusief seksuele intimidatie en seksueel misbruik van vrouwen en meisjes;

12.

verzoekt de Raad de overbruggingsclausule toe te passen, door een unaniem besluit aan te nemen waarmee geweld tegen vrouwen en meisjes (evenals andere vormen van gendergerelateerd geweld) wordt aangemerkt als een vorm van criminaliteit uit hoofde van artikel 83, lid 1, VWEU;

13.

roept op tot de verdere integrering van vrouwen in besluitvormingsprocedures, in vakbonden en in hogere functies binnen organisaties in de openbare en particuliere sector; roept de Commissie en de lidstaten op om, samen met ngo's, sociale partners en organen voor de bevordering van gelijke behandeling, meer substantiële maatregelen te nemen die het bewustzijn rond de rechten van slachtoffers van seksuele intimidatie en gendergerelateerde discriminatie moeten vergroten; benadrukt dat de lidstaten, ondernemersorganisaties en vakbonden dringend meer aandacht moeten vestigen op seksuele intimidatie, en dat zij vrouwen moeten aanmoedigen en ondersteunen om incidenten onmiddellijk te melden;

14.

wijst erop dat het belangrijk is te zorgen voor gerichte training en voorlichtingscampagnes over de bestaande formele procedures voor het melden van seksuele intimidatie op het werk en over de rechten van slachtoffers, teneinde toepassing te geven aan het beginsel van waardigheid op het werk en ertoe bij te dragen dat een nultolerantiebeleid de norm wordt;

Seksuele intimidatie in parlementen, zo ook het Europees Parlement

15.

veroordeelt met klem de gevallen van seksuele intimidatie die in de media aan het licht zijn gebracht en spreekt zijn krachtige steun uit voor de slachtoffers van seksuele intimidatie en seksueel misbruik; benadrukt dat, om serieus te worden genomen, het van essentieel belang is dat de Europese instellingen krachtig stelling nemen tegen elke vorm van discriminatie op grond van geslacht en elke actie die de gendergelijkheid in de weg staat;

16.

erkent het feit dat het Europees Parlement bij besluit van het Bureau van 14 april 2014 nieuwe regels heeft vastgesteld, onder meer ter oprichting van speciale organen, zoals het adviescomité dat zich bezighoudt met klachten wegens intimidatie tussen geaccrediteerde parlementaire medewerkers en leden van het Europees Parlement, en met de voorkoming van intimidatie op het werk, en het eerder opgerichte adviescomité dat zich bezighoudt met klachten van personeelsleden van het EP wegens intimidatie en de voorkoming van intimidatie op het werk; stelt met tevredenheid vast dat het nu mogelijk is om intimidatie vertrouwelijk te melden en dat er een bewustmakingscampagne is opgezet met als doel seksuele intimidatie binnen het Parlement te bestrijden; merkt op dat andere EU-instellingen gelijksoortige organen in het leven hebben geroepen;

17.

roept de voorzitter en de administratieve diensten van het Parlement op om:

de recente mediaberichten over seksuele intimidatie en misbruik in het Europees Parlement snel en grondig te onderzoeken, met respect voor de privacy van de slachtoffers, en de bevindingen van dit onderzoek met de leden te delen, alsook toereikende maatregelen voor de preventie van nieuwe gevallen voor te stellen;

de samenstelling van de bevoegde organen te beoordelen en indien nodig te herzien, teneinde hun onafhankelijkheid en genderevenwicht te waarborgen, en te zorgen voor een verdere versterking van de werking van het adviescomité dat klachten over intimidatie tussen APA's en EP-leden behandelt, en van het adviescomité voor personeel van het Parlement inzake intimidatie en de voorkoming ervan, waarbij hun belangrijke werk erkend moet worden;

de regels te herzien, zodat ook stagiairs bij alle adviescomités inzake intimidatie en de voorkoming ervan terechtkunnen, de belangstelling in de versterking van hun positieve maatregelen te vergroten, en belangenconflicten van leden van deze belangrijke comités te voorkomen; vastgestelde gevallen te onderzoeken, hierover een vertrouwelijk register in de loop der tijd bij te houden, en de beste manieren vast te stellen om nultolerantie op alle niveaus van de instelling te verzekeren;

een taskforce met onafhankelijke experts op te zetten, die een mandaat moet krijgen om de situatie met betrekking tot seksuele intimidatie en misbruik in het Parlement te onderzoeken, en die een beoordeling moet uitvoeren van het bestaande adviescomité van het Parlement dat klachten over intimidatie tussen APA's en EP-leden behandelt, alsook een beoordeling van het adviescomité voor EP-personeelsleden inzake intimidatie en de voorkoming ervan, met als doel passende wijzigingen voor te stellen;

de slachtoffers in procedures binnen het Parlement en/of bij de lokale politie ten volle te ondersteunen; indien nodig urgente bescherming of vrijwaringsmaatregelen te bieden en artikel 12 bis van het Statuut volledig ten uitvoer te leggen, hetgeen ervoor moet zorgen dat zaken volledig onderzocht en disciplinaire maatregelen toegepast worden;

toe te zien op de uitvoering van een krachtig en doeltreffend actieplan tegen seksuele intimidatie met het oog op preventie, ondersteuning en verplichte trainingen voor alle medewerkers en leden over respect en waardigheid op het werk zodat de nultolerantieaanpak de norm wordt; zich ten volle in te zetten voor bewustmakingscampagnes met alle leden en diensten van de administratie, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbare groepen, zoals stagiairs, APA's en arbeidscontractanten;

een institutioneel netwerk van vertrouwenspersonen op te zetten, dat afgestemd is op de structuur van het Parlement en dat slachtoffers bijstaat, , adviseert, en waar nodig namens hen spreekt, zoals voor het personeel van de Commissie het geval is;

18.

roept alle collega's op om de slachtoffers te ondersteunen en aan te moedigen om het woord te nemen en gevallen van seksuele intimidatie via verbeterde formele procedures binnen de administratie van het EP en/of bij de politie te melden;

19.

is voornemens interne regels inzake klokkenluiden vast te stellen om de rechten en belangen van klokkenluiders te beschermen, en te voorzien in adequate maatregelen voor het geval dat deze personen naar aanleiding van het klokkenluiden niet correct of onrechtvaardig behandeld worden;

20.

is zeer bezorgd over het feit dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers (APA's) al te vaak het woord niet durven nemen in gevallen van seksuele intimidatie, aangezien de clausule over vertrouwensbreuk in het statuut voor geaccrediteerde parlementaire medewerkers inhoudt dat zij met een zeer korte opzegtermijn ontslagen kunnen worden; roept op om onafhankelijke deskundigen te betrekken bij ontslagprocedures, naast de vertegenwoordigers van de administratieve diensten, zodat een onbevooroordeeld besluit kan worden genomen;

21.

beveelt aan dat de Europese Ombudsman de Groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit van het Parlement elk jaar informeert over klachten van wanbeheer die betrekking hebben op gendergelijkheid in het Parlement, met inachtneming van het Besluit van het Europees Parlement inzake het Statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt;

22.

dringt er bij de lidstaten op aan de situatie met betrekking tot seksuele intimidatie en seksueel misbruik in hun nationale parlementen te onderzoeken, actieve bestrijdingsmaatregelen te treffen, en op adequate wijze een beleid van respect en waardigheid op de werkplek in te voeren en te handhaven voor verkozen leden en hun personeel; dringt erop aan dat er wordt toegezien op de tenuitvoerlegging van dat beleid;

23.

dringt er bij de lidstaten op aan beschermende ondersteuning te bieden aan parlementariërs in hun contact met het publiek, met name degenen die seksueel misbruik en bedreigingen met gendergerelateerd geweld ervaren, inclusief online;

24.

dringt erop aan om op alle niveaus beste praktijken uit te wisselen met andere instellingen en organisaties, zoals VN Vrouwen, de Raad van Europa, de EU-instellingen en belanghebbenden die betrokken zijn bij de bevordering van gendergelijkheid;

25.

roept alle politici op om als verantwoordelijke rolmodellen te handelen bij de preventie en bestrijding van seksuele intimidatie in parlementen en daarbuiten;

o

o o

26.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede aan de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1)  http://fra.europa.eu/en/publication/2014/violence-against-women-eu-wide-survey-main-results-report

(2)  PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(3)  PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.

(4)  PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

(5)  https://rm.coe.int/168008482e

(6)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0329.

(7)  PB C 77 E van 28.3.2002, blz. 138.

(8)  PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 53.

(9)  PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 26.

(10)  PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 102.

(11)  PB C 285 van 29.8.2017, blz. 2.

(12)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0451.

(13)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0073.

(14)  PB C 316 van 30.8.2016, blz. 2.

(15)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0402.

(16)  http://ec.europa.eu/justice/gender-equality/files/your_rights/final_harassement_en.pdf

(17)  http://www.un.org/womenwatch/daw/beijing/platform/violence.htm

(18)  Zie overweging 17 van de richtlijn voor de rechten van slachtoffers.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/200


P8_TA(2017)0418

Het economisch beleid van de eurozone

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over het economisch beleid van de eurozone 2017/2114(INI))

(2018/C 346/26)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name artikel 121, lid 2, artikel 136 en de protocollen nr. 1 en 2,

gezien de mededeling van de Commissie van 22 mei 2017 over het „Europees semester 2017: landspecifieke aanbevelingen” (COM(2017)0500),

gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: jaarlijkse groeianalyse 2017 (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 22 februari 2017 getiteld „Europees semester 2017: beoordeling van structurele hervormingen, preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden, en resultaten van diepgaande evaluaties ingevolge Verordening (EU) nr. 1176/2011” (COM(2017)0090),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Jaarlijkse groeianalyse 2017” (COM(2016)0725), de verslagen getiteld „Waarschuwingsmechanismeverslag 2017” (COM(2016)0728 en „Ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2017 van de Commissie en de Raad” (COM(2016)0729) en de aanbeveling van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2015)0692),

gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 getiteld „Naar een positieve begrotingskoers voor de eurozone” (COM(2016)0727),

gezien het verslag van het Europees Begrotingscomité van 20 juni 2017 getiteld „Assessment of the prospective fiscal stance appropriate for the euro area”,

gezien Occasional Paper nr. 182 van de Europese Centrale Bank van januari 2017 over een begrotingskoers van de eurozone,

gezien de aanbeveling van de Raad van 21 maart 2017 over het economisch beleid van de eurozone (2),

gezien de conclusies van de Raad van 23 mei 2017 over de diepgaande evaluaties en de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen voor 2016,

gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2017 over het afsluiten van de buitensporigtekortprocedures ten aanzien van twee lidstaten en over het economisch en begrotingsbeleid,

gezien de Europese economische voorjaarsprognose 2017 van de Commissie van mei 2017,

gezien de details in de Eurostat-dataset van 31 mei 2017 over het reële bbp per hoofd van de bevolking, het groeipercentage en de totalen,

gezien de OESO-statistieken van 30 november 2016 over totale belastinginkomsten,

gezien het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie,

gezien de overeenkomst die op 12 december 2015 tijdens de COP21-klimaatconferentie in Parijs is gesloten,

gezien Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (3),

gezien Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten (4),

gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied (5),

gezien Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (6),

gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (7),

gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied (8),

gezien Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone (9),

gezien Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit (10),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0310/2017),

A.

overwegende dat de groei van het bbp in de eurozone volgens de voorspellingen van de Commissie in 2016 1,8 % bedroeg en in 2017 naar verwachting stabiel zal blijven op 1,7 % en op 1,9 % in de hele EU, wat hoger is dan vóór de crisis, maar dat dit nog steeds onvoldoende is en dat er grote verschillen zijn tussen de EU-landen; overwegende dat de particuliere consumptie de afgelopen jaren de belangrijkste groeiaanjager is geweest en dit jaar mogelijk wat zal afzwakken door de stijging van de consumptieprijzen, maar dat de binnenlandse vraag naar verwachting de groeivooruitzichten op middellange termijn zal bevorderen; overwegende dat de groei in de EU nog steeds te laag is om nieuwe banen in de lidstaten te creëren en veel lager ligt dan de voorspelde wereldwijde groei;

B.

overwegende dat het werkloosheidspercentage in de eurozone en in de EU-28 in april 2017 respectievelijk 9,3 % en 7,8 % bedroeg, de laagste percentages sinds maart 2009 en december 2008, maar nog steeds hoger dan vóór de crisis; overwegende dat de werkloosheidspercentages in de EU-landen nog steeds sterk uiteenlopen, van 3,2 % tot 23,2 %; overwegende dat het jeugdwerkloosheidspercentage in de eurozone en in de EU-28 in april 2017 nog steeds hoog was, namelijk 18,7 %, respectievelijk 16,7 %;

C.

overwegende dat het overheidstekort in de eurozone naar verwachting 1,4 % zal bedragen in 2017 en 1,3 % in 2018, en dat de prestaties van de afzonderlijke lidstaten heterogeen zullen zijn; overwegende dat de staatsschuld in de eurozone naar verwachting 90,3 % van het bbp zal bedragen in 2017 en 89,0 % in 2018;

D.

overwegende dat de wereldwijde economische groei nog broos is en dat de economie van de eurozone wordt geconfronteerd met toegenomen onzekerheid en grote interne en externe politieke uitdagingen;

E.

overwegende dat de te lage productiviteit en het te lage wereldwijde concurrentievermogen van de EU vragen om sociaal evenwichtige structurele hervormingen, aanhoudende begrotingsinspanningen en investeringen in de lidstaten om voor duurzame en inclusieve groei en werkgelegenheid te zorgen en opwaartse convergentie met andere wereldeconomieën en binnen de EU te bewerkstelligen;

F.

overwegende dat de arbeidsparticipatie in de eurozone in 2016 met 1,4 % is toegenomen; overwegende dat het werkloosheidspercentage in maart 2017 9,5 % bedroeg, terwijl het in maart 2016 nog 10,2 % was; overwegende dat de werkloosheidscijfers ondanks recente verbeteringen nog niet terug zijn op het niveau van vóór de crisis;

G.

overwegende dat de arbeidsparticipatie in de EU-28 in 2016 met 1,2 % is toegenomen en dat 234,2 miljoen mensen in het eerste kwartaal van 2017 een baan hadden, het hoogste niveau ooit (11); overwegende dat achter het aanzienlijke aantal gecreëerde banen in samenhang met de economische groei evenwel problemen schuil gaan, zoals een onvolledig herstel van het aantal gewerkte uren en een bescheiden productiviteitsgroei; overwegende dat deze factoren, indien ze blijvend zijn, op de lange termijn de economische groei en de sociale cohesie in de Unie nog meer onder druk kunnen zetten (12);

H.

overwegende dat de arbeidsparticipatie in het algemeen lager is bij vrouwen: in 2015 bedroeg de arbeidsparticipatie in de leeftijdscategorie 20-64 in de EU-28 75,9 % bij mannen tegen 64,3 % bij vrouwen;

I.

overwegende dat het jeugdwerkloosheidspercentage in de eurozone in maart 2017 19,4 % bedroeg, tegen 21,3 % in maart 2016; overwegende dat de jeugdwerkloosheid onaanvaardbaar hoog blijft; overwegende dat het NEET-percentage in 2015 nog steeds hoog was en 14,8 % van de jongeren tussen 15 en 29 jaar bedroeg, d.w.z. 14 miljoen jongeren; overwegende dat NEET's de Unie jaarlijks naar schatting 153 miljard EUR (1,21 % van het bbp) aan uitkeringen en gederfde inkomsten en belastingen kosten (13), terwijl de totale kostprijs voor het inrichten van jongerengarantiestelsels in de eurozone wordt geraamd op 21 miljard EUR, d.w.z. 0,22 % van het bbp; overwegende dat thans 1 miljard EUR is uitgetrokken voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, een bedrag dat moet worden aangevuld met 1 miljard EUR uit het Europees Sociaal Fonds voor de periode 2017-2020;

J.

overwegende dat de langdurige werkloosheid in de EU-28 wel is gedaald van 5 % in 2014 tot 4 % in 2016, maar niettemin een punt van zorg blijft en bijna de helft van de totale werkloosheid uitmaakt; merkt bezorgd op dat het percentage zeer langdurige werkloosheid van 2,5 % in 2016 nog altijd 1 % hoger is dan het percentage van 2008; overwegende dat er nog steeds sprake is van grote verschillen tussen de lidstaten;

K.

overwegende dat de omvang van de bevolking in de werkende leeftijd en de beroepsbevolking in vele lidstaten blijft afnemen, met name als gevolg van de lage geboortecijfers; overwegende dat de inzetbaarheid van vrouwen, evenals de niet-aflatende toestroom van migranten, vluchtelingen en asielzoekers de lidstaten kansen biedt om deze kwestie het hoofd te bieden en de beroepsbevolking in de EU te versterken;

L.

overwegende dat een van de vijf doelstellingen van Europa 2020 erin bestaat het aantal mensen dat zich in een situatie van armoede of sociale uitsluiting bevindt of daarin dreigt terecht te komen, met ten minste 20 miljoen te verminderen; overwegende dat de armoede afneemt, aangezien in 2015 4,8 miljoen minder mensen met armoede of sociale uitsluiting werden bedreigd dan in 2012; overwegende dat het in 2015 nog steeds om 1,6 miljoen meer mensen ging dan in 2008; overwegende dat in 2012 in de EU 32,2 miljoen mensen met een handicap met armoede of sociale uitsluiting werden bedreigd; overwegende dat in 2013 26,5 miljoen kinderen in de EU-28 met armoede of sociale uitsluiting werden bedreigd; overwegende dat het percentage mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, met 23,7 % nog steeds onaanvaardbaar hoog is, en dat de cijfers in sommige lidstaten erg hoog blijven; overwegende dat de energiearmoede bovendien nog steeds zo hoog is dat zij voor de betrokken 11 % van de EU-bevolking leidt tot een vicieuze cirkel van economische achterstand;

M.

overwegende dat er wat de arbeidsmarktomstandigheden en -prestaties betreft, sprake is van aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten, maar dat deze verschillen afnemen;

N.

overwegende dat nieuwe vormen van werkgelegenheid en arbeid steeds vaker voorkomen als gevolg van de digitale revolutie op de arbeidsmarkt;

1.

is verheugd over de verbeterde prestaties van de Europese economie, die steeds breder gedragen worden, ondersteund door een matige groei van het bbp, die nu boven het niveau van vóór de crisis ligt, en afnemende, zij het nog steeds hoge, werkloosheidspercentages; is van mening dat deze positieve tendens het gevolg is van het beleid van de afgelopen jaren; merkt evenwel op dat het bescheiden herstel broos blijft en ongelijk verdeeld is over de samenleving en de regio's, terwijl de ontwikkeling van het bbp per hoofd van de bevolking vrijwel stagneert; betreurt dat de economische ontwikkelingen last blijven ondervinden van de nasleep van de crisis; merkt op dat de schuldenniveaus in veel lidstaten, hoewel er veel vooruitgang is geboekt, nog steeds hoger zijn dan de in het stabiliteits- en groeipact vermelde maxima;

2.

stelt met bezorgdheid vast dat de groei van het bbp en de productiviteit achterblijft bij het volledige potentieel en onderstreept dat we dus niet zelfgenoegzaam mogen worden en dat dit bescheiden herstel betekent dat we onze inspanningen onverminderd moeten voortzetten om door middel van meer groei en banen voor grotere veerkracht en duurzaamheid op de middellange tot lange termijn te zorgen;

3.

merkt op dat Europa onaangeboord economisch potentieel herbergt, maar dat de groei en de werkgelegenheid zich in ongelijke mate ontwikkelen; onderstreept dat dit het gevolg is van de heterogene prestaties van de economieën van de lidstaten; benadrukt dat de uitvoering van sociaal evenwichtige structurele hervormingen en meer openbare en particuliere investeringen in de lidstaten en op EU-niveau kunnen zorgen voor ten minste 1 % meer groei; herinnert eraan dat de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid met het oog op convergentie en stabiliteit in de EU een topprioriteit van het Europees semester moet blijven;

4.

is van mening dat er ook een grotere mate van opwaartse convergentie en algemeen concurrentievermogen nodig zou zijn om het economisch herstel in de EU en in de eurozone op langere termijn vol te houden; is van mening dat de bestaande economische en werkgelegenheidsindicatoren van cruciaal belang zijn om voor duurzame en inclusieve groei te zorgen;

5.

is van mening dat daartoe de structurele omstandigheden voor groei moeten worden verbeterd; is van mening dat de potentiële groei van alle lidstaten op lange termijn moet toenemen tot ten minste 3 %; daartoe moet er meer aandacht worden besteed aan economische convergentie, waarbij de vaststelling van duidelijke benchmarks voor hoe de potentiële groei van de lidstaten kan worden verbeterd, de nodige leidraad kan bieden voor beleidsmaatregelen; wijst erop dat bij een dergelijke regelmatige benchmarking voldoende rekening moet worden gehouden met de afzonderlijke structurele sterke en zwakke punten van de lidstaten, en moet worden gestreefd naar inclusieve en duurzame groei; de benchmarking moet gebieden als de digitale economie, de dienstensector en de energiemarkt omvatten, maar ook de kwaliteit van de openbare diensten, de investeringsvoorwaarden en de inclusiviteit en vooruitziendheid van de onderwijsstelsels;

6.

benadrukt dat dit een aanvulling zou vormen op de huidige inspanningen om de kwaliteit en het beheer van de nationale begrotingen te verbeteren door groeibevorderende factoren aan te pakken overeenkomstig de begrotingsregels van de EU en met volledige inachtneming van de bestaande flexibiliteitsbepalingen;

Structuurbeleid

7.

is van mening dat de ongelijke groei en werkgelegenheidssituatie in de eurozone een betere coördinatie van economische beleidsmaatregelen vereisen, met name door beter en consistent nationaal ownership en een degelijke uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen, ook met het oog op de bevordering van opwaartse convergentie, onder meer door een betere toepassing en naleving van het EU-recht; benadrukt dat bij hervormingen naar behoren rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie en uitdagingen in elke lidstaat; vraagt de Commissie te zorgen voor samenhang tussen de structurele hervormingen en de EU-uitgaven; herinnert aan het belang van technische bijstand om de lidstaten te helpen capaciteit op te bouwen en te convergeren, en is van mening dat een op partnerschap gebaseerde aanpak kan zorgen voor meer verantwoording en ownership van de resultaten van de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen;

8.

merkt op dat de jeugdwerkloosheid in de landen van de eurozone nog steeds te hoog is, en wijst erop dat een hoge en aanhoudende jeugdwerkloosheid een structureel risico op lange termijn vormt; is het ermee eens dat de aanpak van de nasleep van de crisis, zoals langdurige werkloosheid, werkgelegenheid waarbij niet ten volle gebruik wordt gemaakt van vaardigheden en bekwaamheden, vergrijzende samenlevingen en hoge particuliere en overheidsschulden, een urgente prioriteit blijft, die noopt tot duurzame en inclusieve hervormingen;

9.

is van mening dat de nasleep van de crisis, zoals hoge schulden en werkloosheid in een aantal sectoren van de economie, nog steeds in de weg staat van duurzame groei en potentiële systemische risico's inhoudt; dringt er bij de lidstaten op aan buitensporige schuldenniveaus te verminderen; vreest in dit verband dat het aanhoudend hoge niveau van oninbare leningen in sommige lidstaten aanzienlijke spill-overeffecten kan hebben van de ene lidstaat naar de andere en tussen banken en overheden, waardoor dit een risico vormt voor de financiële stabiliteit in Europa; merkt op dat de kapitaalbuffers in de financiële sector zijn versterkt, maar dat er uitdagingen ontstaan als gevolg van een lage winstgevendheid in combinatie met een hoog niveau van oninbare leningen; is ervan overtuigd dat een strategie op EU-niveau voor het omgaan met oninbare leningen een meer omvattende oplossing zou bieden, met een mix van complementaire beleidsmaatregelen, in voorkomend geval op nationaal en op Europees niveau;

10.

is van mening dat hervormingen en initiatieven ter verbetering van het ondernemingsklimaat noodzakelijk zijn om de productiviteit, het prijsgebonden en niet-prijsgebonden concurrentievermogen, de investeringen en de werkgelegenheid in de eurozone te stimuleren; is van mening dat er extra inspanningen nodig zijn om de toegang van kmo's tot financiering te bevorderen, wat voor ondernemingen een cruciale factor is om te innoveren en uit te breiden; benadrukt in dit verband het belang van toekomstgerichte hervormingen die aan de aanbod- en vraagzijde aangepast zijn;

11.

is van mening dat goed functionerende en productieve arbeidsmarkten, in combinatie met een adequaat niveau van sociale bescherming en dialoog, bijdragen tot meer werkgelegenheid en duurzame groei; onderstreept dat het van belang is de hoge arbeidsparticipatie te handhaven waar die al is bereikt; merkt op dat ook een tekort aan vaardigheden, de vergrijzende samenleving en een aantal andere uitdagingen een verdere groei van de werkgelegenheid en een verlaging van het werkloosheidspercentage in de lidstaten bemoeilijken;

12.

benadrukt het belang van een verantwoorde loonontwikkeling die bevorderlijk is voor groei en in een fatsoenlijke levensstandaard voorziet, in overeenstemming met de productiviteit en rekening houdend met het concurrentievermogen; neemt er nota van dat de loonstijging naar verwachting relatief laag zal zijn; is van mening dat een hogere productiviteit een primaire doelstelling van de structurele hervormingen moet zijn; is het met de Commissie eens dat er ruimte is voor loonsverhogingen die positieve gevolgen voor de totale consumptie kunnen hebben;

13.

benadrukt dat de belastingniveaus ook het concurrentievermogen, investeringen en banencreatie moeten ondersteunen; dringt aan op belastinghervormingen teneinde de belastinginning te verbeteren, belastingontwijking en -ontduiking en agressieve belastingplanning te voorkomen en de hoge belastingdruk op arbeid in Europa aan te pakken, met waarborging van de houdbaarheid van socialezekerheidsstelsels; is van mening dat het verlagen van de belastingdruk op arbeid de werkgelegenheid zou doen toenemen en groei zou bevorderen; benadrukt dat belastingstimulansen, indien mogelijk, onder meer door lagere belastingen, de binnenlandse vraag, de sociale zekerheid, investeringen en werkgelegenheid kunnen ondersteunen;

Investeringen

14.

is het ermee eens dat de economische opleving moet worden ondersteund door openbare en particuliere investeringen, met name in innovatie, en merkt op dat er in de eurozone nog steeds sprake is van een investeringskloof; is verheugd dat de investeringen in sommige lidstaten al het niveau van vóór de crisis overstijgen, en betreurt dat in andere lidstaten de investeringen achterblijven of niet genoeg op snelheid komen; benadrukt dat er verdere inspanningen nodig zijn om iets te doen aan het tekort aan investeringen dat sinds het begin van de crisis is opgelopen;

15.

is van mening dat hervormingen die knelpunten voor openbare en particuliere investeringen uit de weg ruimen, onmiddellijke steun voor economische activiteiten mogelijk maken en tegelijk de voorwaarden helpen scheppen voor duurzame groei op lange termijn; wijst erop dat investeringen in onderwijs, innovatie en onderzoek en ontwikkeling een betere aanpassing aan de kenniseconomie mogelijk zouden maken; benadrukt voorts dat de voltooiing van de kapitaalmarktenunie een cruciale factor is om investeringen aan te trekken en te verhogen en om de financiering van groei en banen te verbeteren;

16.

is van mening dat onderzoek, technologie en onderwijs van vitaal belang zijn voor de economische ontwikkeling van de eurozone op de lange termijn; wijst op de verschillen tussen de lidstaten wat investeringen op die gebieden betreft, en wijst erop dat investeringen aan de ontwikkeling van innovatie zouden bijdragen en een betere aanpassing aan de kenniseconomie mogelijk zouden maken, overeenkomstig de Europa 2020-strategie;

17.

is verheugd dat het tijdige akkoord over het herziene Europese Fonds voor strategische investeringen (EFSI) zal helpen om de doeltreffendheid van dit instrument te verbeteren en de tekortkomingen die tot nu toe bij de uitvoering ervan zijn vastgesteld, te verhelpen door de financiering van meer projecten met een groot potentieel te vergemakkelijken, voor een strikte handhaving van de additionaliteit te zorgen en de geografische dekking en benutting te vergroten, en zo investeringen ondersteunt die anders niet zouden zijn gerealiseerd;

18.

merkt op dat de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) andere doelstellingen hebben dan het EFSI en dat zij dus nog steeds van belang zijn, onder meer voor de ondersteuning van duurzame structurele hervormingen;

19.

benadrukt dat een volledig functionerende kapitaalmarktenunie op langere termijn nieuwe financiering kan verstrekken aan kmo's, in aanvulling op de bankensector; benadrukt dat kmo's de ruggengraat van de Europese economie vormen en is daarom van mening dat een van de grootste prioriteiten erin moet bestaan hen meer toegang tot financiering te bieden en iets te doen aan de bedrijfsonzekerheid met hun activiteiten die gepaard gaat, teneinde het concurrentievermogen in de eurozone te verbeteren; benadrukt dat de administratieve rompslomp moet worden verminderd en dat overheidsdiensten moeten worden gestroomlijnd en efficiënter moeten werken;

Begrotingsbeleid

20.

is van mening dat een prudent en vooruitziend begrotingsbeleid een fundamentele rol speelt voor de stabiliteit van de eurozone en de EU als geheel; benadrukt dat een sterke coördinatie van het begrotingsbeleid en een correcte uitvoering en naleving van de EU-regels ter zake, waaronder de volledige inachtneming van de bestaande flexibiliteitsbepalingen, een wettelijk vereiste zijn en van groot belang zijn voor de goede werking van de economische en monetaire unie (EMU);

21.

is in dit verband verheugd dat de overheidsfinanciën zich lijken te verbeteren en dat de overheidstekorten in de eurozone naar verwachting zullen afnemen; de inspanningen om de schuldenlast te verminderen, moeten echter worden voortgezet en tegelijkertijd moet economische groei worden bevorderd om te voorkomen dat de lidstaten kwetsbaar zijn voor externe schokken;

22.

is het met de Commissie eens dat de staatsschuld in sommige lidstaten hoog blijft en dat de overheidsfinanciën houdbaar moeten worden gemaakt, terwijl ook economische groei en werkgelegenheid moeten worden bevorderd; wijst er in dit verband op dat lage rentebetalingen, soepel monetair beleid, eenmalige maatregelen en andere factoren die de huidige schuldenlast verlagen, slechts tijdelijk zijn, en benadrukt daarom dat de overheidsfinanciën houdbaar moeten worden gemaakt, dat er ook rekening moet worden gehouden met toekomstige verplichtingen en dat er naar groei op lange termijn moet worden gestreefd; wijst erop dat de kosten van schuldaflossing misschien zullen stijgen; onderstreept dat het belangrijk is om het totale schuldenniveau te verminderen;

23.

benadrukt dat het begrotingsbeleid op nationaal niveau en op het niveau van de eurozone een evenwicht moet vinden tussen enerzijds de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn, in volledige overeenstemming met het stabiliteits- en groeipact en met inachtneming van de daarin vervatte flexibiliteitsbepalingen, en anderzijds met macro-economische stabilisatie op korte termijn;

24.

wijst erop dat de huidige samengestelde begrotingskoers voor de euro in 2016 over het algemeen neutraal is en in 2017 naar verwachting ook neutraal zal blijven; herinnert eraan dat de Commissie in haar mededeling van 2016 om een positieve begrotingskoers vroeg, terwijl de Eurogroep, na te hebben geconcludeerd dat in 2017 met de over het algemeen neutrale begrotingskoers een passend evenwicht is gevonden, is overeengekomen om het belang te onderstrepen van een passend evenwicht tussen de noodzaak om houdbaarheid te waarborgen en de noodzaak om investeringen te ondersteunen teneinde het herstel te versterken en zo bij te dragen tot een evenwichtiger beleidsmix; neemt in dit verband nota van de eerste beoordeling van de prospectieve begrotingskoers die passend is voor de eurozone door het Europees Begrotingscomité (EFB) van 20 juni 2017; vraagt de Commissie en de lidstaten een begrotingskoers te overwegen die op de respectieve omstandigheden is afgestemd;

25.

benadrukt evenwel dat in het geaggregeerde beeld ook rekening moet worden gehouden met de heterogene situatie in de verschillende lidstaten en met de noodzaak om onderscheid te maken in het begrotingsbeleid waaraan elke lidstaat behoefte heeft; benadrukt dat het concept van een geaggregeerde begrotingskoers niet inhoudt dat overschotten en tekorten in verschillende lidstaten tegen elkaar kunnen worden weggestreept;

Landspecifieke aanbevelingen

26.

stelt vast dat de lidstaten in de loop der tijd ten minste „enige vooruitgang” hebben geboekt met twee derde van de aanbevelingen van 2016; is echter van oordeel dat de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen nog steeds te traag verloopt, hetgeen het convergentieproces in de eurozone belemmert; is van mening dat de lidstaten de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van het niet uitvoeren van de landspecifieke aanbevelingen dragen, en verwacht dan ook meer inzet van de lidstaten om de noodzakelijke beleidsmaatregelen te nemen op basis van de overeengekomen landspecifieke aanbevelingen;

27.

erkent dat de lidstaten vooruitgang hebben geboekt met de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen op het gebied van het begrotingsbeleid en actief arbeidsmarktbeleid, maar stelt vast dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt op gebieden als de mededinging in de dienstensector en het ondernemingsklimaat; verwacht een grotere inzet van de lidstaten om de noodzakelijke beleidsmaatregelen te nemen op basis van de landspecifieke aanbevelingen, waarvan de uitvoering van cruciaal belang is om de onevenwichtigheden in de eurozone aan te pakken;

28.

is ingenomen met de aanbeveling van de Commissie om de buitensporigtekortprocedures ten aanzien van verscheidene lidstaten af te sluiten; is ingenomen met de eerdere en lopende begrotings- en hervormingsinspanningen waardoor die lidstaten uit de buitensporigtekortprocedure zijn geraakt, maar benadrukt dat deze inspanningen moeten worden voortgezet om ervoor te zorgen dat de overheidsfinanciën ook op lange termijn houdbaar blijven, terwijl groei en banencreatie worden bevorderd; verzoekt de Commissie toe te zien op de correcte uitvoering van het stabiliteits- en groeipact door de regels ervan op consistente wijze toe te passen;

29.

merkt op dat twaalf lidstaten te maken hebben met macro-economische onevenwichtigheden van verschillende aard en ernst, terwijl er in zes lidstaten buitensporige onevenwichtigheden bestaan; neemt nota van de conclusie van de Commissie dat er momenteel geen gronden zijn om verdere stappen te ondernemen in de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden voor een lidstaat;

30.

benadrukt dat de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden tot doel heeft onevenwichtigheden binnen de lidstaten te voorkomen teneinde negatieve spill-overeffecten naar andere lidstaten te vermijden;

31.

acht het daarom essentieel dat alle lidstaten de nodige beleidsmaatregelen nemen om macro-economische onevenwichtigheden, met name hoge schuldenniveaus en overschotten op de lopende rekening en onevenwichtigheden op het gebied van concurrentievermogen, aan te pakken en zich te verbinden tot sociaal evenwichtige en inclusieve structurele hervormingen die de economische duurzaamheid van elke afzonderlijke lidstaat waarborgen, zodat het totale concurrentievermogen en de veerkracht van de Europese economie worden gewaarborgd;

Sectorale bijdragen aan het verslag over het economisch beleid van de eurozone

Werkgelegenheids- en sociaal beleid

32.

is van mening dat er permanent inspanningen moeten worden geleverd om een evenwicht tussen de economische en de sociale dimensie van het Europees semester te vinden en sociaal en economisch evenwichtige structurele hervormingen te bevorderen die de ongelijkheid verminderen en leiden tot behoorlijke banen, in het kader van hoogwaardige werkgelegenheid, duurzame groei en sociale investeringen; is het ermee eens dat het sociale scorebord wordt gebruikt in het kader van het Europees semester; pleit ervoor dat er in de landspecifieke aanbevelingen meer aandacht wordt besteed aan structurele onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt;

33.

herhaalt de oproep om de drie nieuwe kernindicatoren inzake werkgelegenheid op een gelijk niveau met bestaande economische indicatoren te brengen, teneinde ervoor te zorgen dat interne onevenwichtigheden beter worden beoordeeld en structurele hervormingen doeltreffender worden; stelt voor om een niet-punitieve procedure voor sociale onevenwichtigheden in de landspecifieke aanbevelingen op te nemen om een neerwaartse spiraal op het gebied van sociale normen te voorkomen, uitgaande van een doeltreffend gebruik van de sociale en werkgelegenheidsindicatoren in het macro-economische toezicht; wijst erop dat de ongelijkheid in circa tien lidstaten is toegenomen en een van de grootste sociaal-economische problemen in de EU is (14);

34.

wijst erop dat sociaal verantwoorde hervormingen gebaseerd moeten zijn op solidariteit, integratie en sociale rechtvaardigheid; benadrukt dat bij de hervormingen ook rekening moet worden gehouden met aanhoudende steun voor sociaal en economisch herstel, het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid, stimulering van sociale en territoriale cohesie, bescherming van kwetsbare groepen en het verbeteren van de levensomstandigheden van alle burgers;

35.

is van mening dat het Europees semester niet alleen moet bijdragen aan de aanpak van bestaande, maar ook opkomende maatschappelijke uitdagingen, teneinde te zorgen voor meer economische efficiëntie en meer sociale cohesie in de EU; erkent in dit verband de noodzaak van een beoordeling van de sociale gevolgen van het EU-beleid;

36.

verzoekt de Commissie voor adequate financiering te zorgen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, die in de EU nog steeds onaanvaardbaar hoog is, en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voort te zetten na het einde van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) en tegelijkertijd de werking en uitvoering ervan te verbeteren, een en ander met inachtneming van de laatste bevindingen in het speciaal verslag van de Rekenkamer over jeugdwerkloosheid en het gebruik van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; verzoekt de lidstaten de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer ten uitvoer te leggen en ervoor te zorgen dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief volledig toegankelijk is; betreurt de verschuiving van begrotingsmiddelen uit de begroting van het Europees Sociaal Fonds (ESF), met inbegrip van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, naar het Europees solidariteitskorps, dat in plaats hiervan gefinancierd moet worden met alle financiële middelen die beschikbaar zijn in het kader van de huidige MFK-verordening; benadrukt dat er een kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling van de gecreëerde banen moet plaatsvinden; benadrukt dat EU-financiering niet mag worden gebruikt om nationale socialezekerheidsuitkeringen te vervangen;

37.

benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie moet worden versterkt op nationaal, regionaal en lokaal niveau en wijst op het belang ervan voor de overgang van school naar werk; benadrukt dat er bijzondere aandacht moet uitgaan naar jonge vrouwen en meisjes, die mogelijk worden geconfronteerd met gendergerelateerde belemmeringen en daardoor geen degelijk aanbod voor werk, voortgezette opleiding, leerlingplaats of stage krijgen; benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat de jongerengarantie jongeren bereikt die met meervoudige uitsluiting en extreme armoede te kampen hebben;

38.

verzoekt de lidstaten de voorstellen in de aanbeveling van de Raad van 15 februari 2016 betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt (15) ten uitvoer te leggen;

39.

is van oordeel dat de reikwijdte, efficiëntie en doeltreffendheid van een actief en duurzaam arbeidsmarktbeleid moeten worden vergroot door middel van behoorlijke en adequate financiering, waarbij de nadruk ligt op bescherming van het milieu, werkgevers, werknemers, de gezondheid en consumenten; is van mening dat het verschijnsel armoede onder werkenden moet worden aangepakt;

40.

betreurt dat de Commissie in haar pakket beoordelingen/aanbevelingen geen aandacht heeft besteed aan de sociale economie; wijst erop dat deze sector 2 miljoen bedrijven telt die meer dan 14 miljoen mensen in dienst hebben en bijdragen tot de verwezenlijking van de 2020-doelstellingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de ondernemingen van de sociale economie meer zichtbaarheid en erkenning te geven middels een Europees actieplan voor de sociale economie; is van mening dat dit gebrek aan erkenning hun toegang tot financiering negatief beïnvloedt; verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor een Europees statuut voor verenigingen, stichtingen en onderlinge maatschappijen;

41.

herinnert eraan dat de sociale dialoog, collectieve onderhandelingen en de positie van werknemers in loonvormingssystemen moeten worden ondersteund en verbeterd, omdat zij een cruciale rol spelen bij de totstandbrenging van hoogwaardige arbeidsomstandigheden; benadrukt dat het arbeidsrecht en hoge sociale normen een essentiële rol spelen in de sociale markteconomie, door het ondersteunen van het inkomensniveau en het aanmoedigen van investeringen in capaciteit; benadrukt dat in het EU-recht de rechten en vrijheden van vakbonden moeten worden geëerbiedigd, collectieve overeenkomsten moeten worden nageleefd overeenkomstig de praktijken in de lidstaten en gelijke behandeling in arbeid en beroep moet worden gegarandeerd;

42.

verzoekt de Commissie voort te bouwen op de resolutie van het Europees Parlement door ambitieuze voorstellen in te dienen voor een sterke Europese pijler van sociale rechten en door de sociale doelstellingen van de Verdragen ten volle na te streven, om ieders levens- en arbeidsomstandigheden te verbeteren en iedereen goede kansen te bieden;

43.

waarschuwt voor het slinkend loonaandeel in de EU, de steeds grotere loon- en inkomensongelijkheden en de toenemende armoede onder werkenden; herinnert eraan dat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN van 1948 en in het Statuut van de IAO van 1919 wordt erkend dat werkenden een fatsoenlijk loon moeten krijgen, en dat alle mensenrechtenverklaringen het erover eens zijn dat een loon toereikend moet zijn om een gezin te onderhouden;

44.

benadrukt dat een loon werkenden in staat moet stellen te voldoen aan hun behoeften en die van hun gezin, en dat alle werkenden in de Europese Unie over een fatsoenlijk loon moeten beschikken dat niet alleen voorziet in de basisbehoeften van voeding, onderdak en kleding, maar ook toereikend is om gezondheidszorg, onderwijs, vervoer en recreatie te dekken en wat te kunnen sparen om onvoorziene gebeurtenissen zoals ziekte en ongevallen te kunnen opvangen; benadrukt dat dit de fatsoenlijke levensstandaard is waarin een fatsoenlijk loon voor werkenden en hun gezin in de EU moet voorzien;

45.

verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe moet worden bepaald wat een fatsoenlijk loon zou kunnen omvatten en hoe dit moet worden gemeten, om een referentie-instrument te bepalen voor de sociale partners, en een bijdrage te leveren aan de uitwisseling van goede praktijken op dit gebied;

46.

herinnert eraan dat fatsoenlijke lonen niet alleen van belang zijn voor de sociale cohesie, maar ook om te zorgen voor een sterke economie en een productieve werkende bevolking; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen in te voeren om de kwaliteit van banen te verbeteren en de loonverschillen terug te dringen;

47.

wijst erop dat de socialezekerheidsstelsels, waarvoor de lidstaten verantwoordelijk zijn, op Europees niveau voortdurend beter moeten worden gecoördineerd; benadrukt dat het van prioritair belang is de houdbaarheid en de billijkheid van de socialezekerheidsstelsels te waarborgen, aangezien dit centrale pijlers zijn van het Europees sociaal model; wijst erop dat adequate, houdbare pensioenen een universeel recht zijn; verzoekt de lidstaten te zorgen voor toereikende en duurzame pensioenen met het oog op de voortdurende demografische veranderingen; benadrukt dat pensioenregelingen moeten voorzien in een adequaat pensioeninkomen dat boven de armoedegrens ligt en waarmee gepensioneerden een behoorlijke levensstandaard kunnen handhaven; is van mening dat de beste manier om duurzame, zekere en toereikende pensioenen voor vrouwen en mannen te garanderen, erin bestaat te zorgen voor een verhoging van de totale arbeidsparticipatie en van het beschikbare aantal behoorlijke banen voor alle leeftijdsgroepen en voor een verbetering van de arbeids- en werkgelegenheidsvoorwaarden; wijst erop dat de verschillen in pensioen tussen mannen en vrouwen aanzienlijk blijven en negatieve sociale en economische gevolgen hebben; wijst er in verband hiermee op dat de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt en andere adequate maatregelen ter bestrijding van het loonverschil tussen mannen en vrouwen en armoede onder ouderen belangrijk zijn; is van mening dat hervormingen van pensioenstelsels en met name de pensioenleeftijd ook moeten aan sluiten bij de trends op de arbeidsmarkt, de geboortecijfers, de gezondheids- en welvaartsituatie, de arbeidsomstandigheden en de economische afhankelijkheidsratio;

48.

is van mening dat bij deze hervormingen ook rekening moet worden gehouden met de situatie van miljoenen werkenden in Europa, met name van vrouwen, jongeren en zelfstandigen, die worden geconfronteerd met onzeker werk, perioden van onvrijwillige werkloosheid en verminderde arbeidsduur;

49.

verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te blijven besteden aan de verbetering van kinderopvangdiensten en flexibele werktijdregelingen, en aan de behoeften van oudere mannen en vrouwen en andere afhankelijke personen op het gebied van langdurige zorg;

50.

benadrukt het feit dat ontoereikende en niet naar behoren afgestemde investeringen in de ontwikkeling van vaardigheden en een leven lang leren, met name op het gebied van digitale vaardigheden en programmering en andere vaardigheden die nodig zijn in groeisectoren, bijvoorbeeld de groene economie, de concurrentiepositie van de Unie kunnen ondermijnen; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een betere uitwisseling van kennis, beste praktijken en samenwerking op het niveau van de EU, om de ontwikkeling van vaardigheden te helpen stimuleren door het actualiseren van kwalificaties en het corresponderende onderwijs, opleidingsprogramma’s en curricula; wijst op het belang van vaardigheden en competenties die zijn verworven in niet-formele en informele leeromgevingen; benadrukt daarom dat het belangrijk is een valideringssysteem in te stellen voor niet-formele en informele vormen van kennis, in het bijzonder kennis die door vrijwilligersactiviteiten is verworven;

51.

is van mening dat een betere afstemming van vaardigheden en een betere wederzijdse erkenning van kwalificaties noodzakelijk zijn om tekorten aan vaardigheden en discrepanties tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden aan te pakken; wijst op de rol die beroepsonderwijs en -opleiding en leerlingplaatsen hierin kunnen spelen; verzoekt de Commissie een pan-Europees prognose-instrument voor de behoeften op het gebied van vaardigheden te ontwikkelen, inclusief de vaardigheden die nodig zijn in groeiende sectoren; is van mening dat alle belanghebbenden op de arbeidsmarkt daarbij op alle niveaus nauw moeten worden betrokken teneinde te kunnen anticiperen op toekomstige behoeften aan vaardigheden;

52.

dringt er bij de Commissie op aan alle passende mechanismen ter bevordering van de mobiliteit van jongeren, met inbegrip van leerlingplaatsen, in te voeren; verzoekt de lidstaten het leerlingwezen te ondersteunen en de beschikbare Erasmus+-middelen voor studenten ten volle te benutten om de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van dit soort scholing te waarborgen; vraagt een betere tenuitvoerlegging van de EURES-verordening; benadrukt dat de programma's een groter bereik en effect zouden hebben door betere samenwerking tussen overheidsdiensten en belanghebbenden op lokale niveaus en door betere synergieën tussen de overheidsniveaus;

53.

is van mening dat de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs moeten worden verbeterd; herinnert eraan dat het de taak van de lidstaten is om een betaalbare toegang tot onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit te waarborgen, ongeacht de behoeften van de arbeidsmarkt in de hele EU; stelt vast dat er in vele lidstaten grotere inspanningen nodig zijn om de beroepsbevolking op te leiden, onder meer via mogelijkheden voor volwassenenonderwijs en beroepsopleiding; legt bijzondere nadruk op een leven lang leren, ook voor vrouwen, aangezien dit een kans op bijscholing biedt op een continu veranderende arbeidsmarkt; pleit ervoor STEM-vakken („science, technology, engineering and mathematics”; wetenschap, technologie, techniek en wiskunde) gericht te blijven aanprijzen bij meisjes om bestaande onderwijsstereotypen aan te pakken en de reeds lang bestaande kloven op het gebied van arbeidsparticipatie, loon en pensioen te bestrijden;

54.

benadrukt dat er zo vroeg mogelijk in de levenscyclus in mensen moet worden geïnvesteerd, om zo ongelijkheid te verminderen en sociale inclusie reeds op jonge leeftijd te bevorderen; wenst daarom dat alle kinderen in alle lidstaten toegang krijgen tot hoogwaardige, inclusieve en betaalbare voor- en vroegschoolse educatie en opvang; beklemtoont eveneens dat stereotypen van jongs af aan op school moeten worden bestreden door de gelijkheid van vrouwen en mannen op alle onderwijsniveaus te bevorderen; moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan de aanbeveling inzake investeren in kinderen volledig ten uitvoer te leggen en de voortgang ervan nauwlettend te volgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten initiatieven te ontwikkelen en in te voeren, zoals een kindergarantie, waarbij kinderen een centrale plaats krijgen in het bestaande armoedebestrijdingsbeleid;

55.

benadrukt dat er ingrijpende veranderingen zullen plaatsvinden op de arbeidsmarkt als gevolg van de opkomst van kunstmatige intelligentie; roept de lidstaten en de Commissie op in samenwerking met de sociale partners instrumenten en samenwerkingsinitiatieven te ontwikkelen om de vaardigheden in deze sector te versterken door middel van voorbereidende, initiële en permanente opleiding;

56.

verzoekt, met het oog hierop en om een evenwicht te realiseren tussen werk en privéleven, om aandacht te besteden aan flexizekerheidsregelingen, met inbegrip van telewerken en flexibele werktijden, in overleg met de sociale partners;

57.

benadrukt het belang van investeringen in menselijk kapitaal, een drijvende kracht achter ontwikkeling, concurrentievermogen en groei;

58.

benadrukt dat een beter evenwicht tussen werk en privéleven en meer gendergelijkheid van essentieel belang zijn om de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te ondersteunen; benadrukt het feit dat het voor de economische positie van vrouwen belangrijk is dat de arbeidsmarkt en de socialezekerheidsstelsels worden hervormd en aangepast aan de levensloop van vrouwen;

59.

is ingenomen met het voorstel voor de richtlijn betreffende evenwicht tussen werk en privéleven en beschouwt dit als een positieve eerste stap in de richting van het waarborgen van het evenwicht tussen werk en privéleven van mannen en vrouwen die voor hun kinderen en andere hulpbehoevenden zorgen en het vergroten van de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt; benadrukt het feit dat het waarborgen van een passende vergoeding en een solide sociale zekerheid en bescherming van essentieel belang is voor de verwezenlijking van deze doelstellingen;

60.

verzoekt de Commissie en de lidstaten hervormingsmaatregelen te ontwikkelen en te investeren in bewustmakingscampagnes om genderstereotypen uit te bannen en een gelijkere verdeling van huishoudelijke en zorgtaken te bevorderen, waarbij tevens wordt erkend dat mannen zorgverantwoordelijkheden op zich moeten kunnen nemen zonder te worden gestigmatiseerd of gestraft;

61.

vraagt de lidstaten om proactief beleid en passende investeringen in te voeren die bedoeld en ontworpen zijn om vrouwen en mannen die na een periode in gezins- en zorggerelateerde verlofstelsels toetreden tot de arbeidsmarkt, ernaar terugkeren en aan het werk blijven te ondersteunen met duurzame en kwaliteitsvolle werkgelegenheid, in overeenstemming met artikel 27 van het Europees Sociaal Handvest;

62.

roept de lidstaten ertoe op om betere bescherming te bieden tegen discriminatie en onrechtmatig ontslag in verband met de combinatie van werk en privéleven; roept in dit verband de Commissie en de lidstaten op om beleid voor te stellen voor betere handhaving van antidiscriminatiemaatregelen op het werk, onder andere door de wettelijke rechten inzake gelijke behandeling beter bekend te maken door informatiecampagnes te houden, de bewijslast om te keren en de nationale gelijkheidsorganen de mogelijkheid te bieden op eigen initiatief formele onderzoeken met betrekking tot gelijkheidskwesties uit te voeren en mogelijke slachtoffers van discriminatie te helpen;

63.

benadrukt het feit dat de integratie van langdurig werklozen met behulp van persoonsgerichte maatregelen essentieel is om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden en uiteindelijk zal bijdragen tot de houdbaarheid van de nationale socialezekerheidsstelsels; acht deze integratie nodig, gezien de sociale omstandigheden waarin deze burgers leven en hun behoeften inzake een toereikend inkomen, adequate huisvesting, openbaar vervoer, gezondheidszorg en kinderopvang; benadrukt dat er een betere monitoring op Europees niveau nodig is van de beleidsmaatregelen die op nationaal niveau ten uitvoer worden gelegd;

64.

benadrukt dat het belangrijk is nieuwe vormen van werk en werkgelegenheid te begrijpen en er vergelijkbare gegevens over te verzamelen, om de arbeidsmarktwetgeving efficiënter te maken en uiteindelijk de werkgelegenheid en duurzame groei te vergroten;

65.

verzoekt om een geïntegreerde anti-armoedestrategie om de armoededoelstelling van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken; benadrukt de rol van de minimuminkomensregelingen van de lidstaten bij het terugdringen van armoede, met name wanneer zij vergezeld gaan van maatregelen voor sociale inclusie, waaraan de begunstigden deelnemen; verzoekt de lidstaten te werken aan de geleidelijke verwezenlijking van minimuminkomensregelingen die niet alleen toereikend zijn, maar waarbij ook voldoende dekking en benutting wordt gegarandeerd; verstaat onder een toereikend minmuminkomen een inkomen dat onontbeerlijk is om gedurende het hele leven waardig te leven en volledig aan de samenleving deel te nemen; wijst erop dat een minimuminkomen, om toereikend te zijn, boven de armoedegrens moet liggen om tegemoet te komen aan de fundamentele behoeften van personen, met inbegrip van niet-monetaire aspecten zoals toegang tot onderwijs en een leven lang leren, fatsoenlijke huisvesting, hoogwaardige gezondheidszorg, sociale activiteiten en maatschappelijke participatie;

66.

verzoekt om een efficiënter, gerichter en zorgvuldiger gecontroleerd gebruik van de ESI-fondsen door nationale, regionale en lokale autoriteiten om investeringen in hoogwaardige sociale, gezondheids- en onderwijsdiensten en diensten voor arbeidsvoorziening te bevorderen en energiearmoede, toenemende kosten van levensonderhoud, sociale uitsluiting, woningnood en de ontoereikende kwaliteit van het woningbestand te bestrijden;

67.

verzoekt de Commissie de lidstaten te helpen bij het vaststellen van specifieke investeringsprogramma's voor hun regio's waar de werkloosheid, jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid hoger zijn dan 30 %;

68.

verzoekt de Commissie de volgende voorjaarsbijeenkomst van de Raad te wijden aan sociale investeringen in de sectoren waarvoor er sterke aanwijzingen zijn dat zij bevorderlijk zijn voor sociale en economische winst (bijv. opvang en onderwijs voor jonge kinderen, lager en middelbaar onderwijs, opleiding en actief arbeidsmarktbeleid, betaalbare en sociale huisvesting en gezondheidszorg);

69.

pleit voor een agenda waarin meer aandacht wordt gegeven aan het standpunt van het Parlement en waarin met dit standpunt rekening wordt gehouden alvorens een besluit wordt genomen; vraagt dat de rol van de EPSCO-Raad binnen het Europees semester wordt versterkt;

70.

roept op tot extra gemeenschappelijke inspanningen om de integratie van migranten en mensen met een migrantenachtergrond op de arbeidsmarkt te verbeteren;

Regionaal beleid

71.

is verheugd dat de financiering in het kader van het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020 goed is voor 454 miljard EUR in lopende prijzen; benadrukt echter dat het cohesiebeleid van de EU niet louter een instrument is, maar een structuurbeleid voor de lange termijn dat gericht is op het wegwerken van regionale ongelijkheden op het vlak van ontwikkeling en de bevordering van investeringen, werkgelegenheid, concurrentievermogen, duurzame ontwikkeling en groei, en dat het cohesiebeleid het voornaamste en meest omvattende beleid vormt om grotere economische, sociale en territoriale cohesie tot stand te brengen in alle lidstaten, zonder onderscheid tussen eurolanden en niet-eurolanden; herinnert eraan dat de EU-begroting vijftigmaal zo klein is als de totale overheidsuitgaven van de EU-28 en ongeveer 1 % van het bbp van de EU-28 bedraagt; benadrukt daarom dat er synergieën tot stand moeten komen tussen de begrotingen van de EU en de lidstaten, beleidsprioriteiten en acties en projecten ter verwezenlijking van EU-streefdoelen, weliswaar met behoud van een evenwicht tussen de economische en sociale aspecten van het EU-beleidskader; wijst erop dat de medefinancieringsvereisten in het kader van de ESI-fondsen een belangrijk mechanisme zijn voor het creëren van synergieën; is van mening dat de eenheid van de EU-begroting in stand moet worden gehouden; is ingenomen met de maatregelen die in de lopende programmeringsperiode zijn ingevoerd om het cohesiebeleid beter af te stemmen op de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

o

o o

72.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en nationale parlementen van de lidstaten en de Europese Centrale Bank.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0038.

(2)  PB C 92 van 24.3.2017, blz. 1.

(3)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 12.

(4)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.

(5)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 8.

(6)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 33.

(7)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(8)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.

(9)  PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11.

(10)  PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1.

(11)  Werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen in Europa, jaarverslag 2017, blz. 11.

(12)  Ibid., blz. 46.

(13)  Verslag van Eurofound over jeugdwerkloosheid.

(14)  Werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen in Europa, jaarverslag 2017, blz. 47.

(15)  PB C 67 van 20.2.2016, blz. 1.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/212


P8_TA(2017)0419

Onderhandelingsmandaat voor de handelsbesprekingen tussen de EU en Australië

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 met de aanbeveling van het Parlement aan de Raad betreffende het voorgestelde onderhandelingsmandaat voor de handelsbesprekingen met Australië (2017/2192(INI))

(2018/C 346/27)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld „Handel voor iedereen — Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid” (COM(2015)0497),

gezien de gezamenlijke verklaring van 15 november 2015 van de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Europese Raad, Donald Tusk, en de eerste minister van Australië, Malcolm Turnbull,

gezien het partnerschapskader EU-Australië van 29 oktober 2008 en de op 5 maart 2015 gesloten kaderovereenkomst EU-Australië,

gezien andere bilaterale overeenkomsten tussen de EU en Australië, met name de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling, certificaten en markeringen en de overeenkomst inzake de handel in wijn,

gezien het op 14 september 2017 gepubliceerde handelspakket van de Commissie waarin de Commissie toezegde alle toekomstige onderhandelingsmandaten voor handelsovereenkomsten openbaar te maken,

gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 25 februari 2016 over de opening van onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met Australië en Nieuw-Zeeland (1) en zijn wetgevingsresolutie van 12 september 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad tot sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Australië tot wijziging van de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning (2),

gezien het communiqué naar aanleiding van de G20-vergadering van de staatshoofden of regeringsleiders in Brisbane van 15 en 16 november 2014,

gezien de gemeenschappelijke verklaring van 22 april 2015 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de minister van Buitenlandse Zaken van Australië getiteld „Towards a closer EU-Australia Partnership”,

gezien Advies 2/15 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 16 mei 2017 over de bevoegdheid van de Unie om de vrijhandelsovereenkomst met Singapore te ondertekenen en te sluiten (3),

gezien de studie van de Commissie van 15 november 2016 over de cumulatieve effecten van toekomstige handelsakkoorden op de EU-landbouw,

gezien artikel 207, lid 3, en artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien artikel 108, lid 3, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0311/2017),

A.

overwegende dat de EU en Australië de handen ineenslaan bij het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen op zeer uiteenlopende gebieden, en samenwerken binnen een aantal internationale fora, onder meer wat betreft beleidskwesties op multilateraal niveau;

B.

overwegende dat de EU de op twee na grootste handelspartner van Australië is en dat de handel tussen de EU en Australië in 2015 meer dan 45,5 miljard EUR bedroeg, met een positieve handelsbalans van ruim 19 miljard EUR voor de EU;

C.

overwegende dat de directe buitenlandse investeringen van de EU in Australië in 2015 145,8 miljard EUR bedroegen;

D.

overwegende dat Australië zich in het toetredingsproces bevindt voor de overeenkomst inzake overheidsopdrachten;

E.

overwegende dat de EU de onderhandelingen over de kaderovereenkomst EU-Australië op 22 april 2015 heeft afgesloten;

F.

overwegende dat de Europese landbouwsector en bepaalde landbouwproducten, zoals rund- en lamsvlees, zuivelproducten, granen en suiker — met inbegrip van bijzondere suikers — zeer gevoelig liggen in het kader van deze onderhandelingen;

G.

overwegende dat Australië wereldwijd de op twee na grootste exporteur van rundvlees en suiker is en een belangrijke rol speelt op de wereldmarkt wat betreft de uitvoer van zuivelproducten en granen;

H.

overwegende dat de EU en Australië plurilaterale onderhandelingen voeren om de handel in groene goederen (overeenkomst inzake milieugoederen) en de handel in diensten (overeenkomst betreffende de handel in diensten) verder te liberaliseren;

I.

overwegende dat Australië partij is bij de afgesloten onderhandelingen over een trans-Pacifische partnerschapsovereenkomst (TTP), waarvan de toekomst voorlopig onzeker blijft, en bij de lopende onderhandelingen over een regionaal alomvattend economisch partnerschap (RCEP) in de regio Azië/Stille Oceaan, waaraan ook de belangrijkste handelspartners van Australië deelnemen; overwegende dat Australië sinds 2015 over een vrijhandelsovereenkomst met China beschikt;

J.

overwegende dat Australië in het kader van het TPP belangrijke toezeggingen heeft gedaan om de instandhouding van bepaalde soorten op lange termijn te bevorderen en de illegale handel in in het wild levende dieren en plantensoorten aan te pakken door middel van aangescherpte instandhoudingsmaatregelen, en overwegende dat het ook vereisten heeft vastgesteld om toe te zien op de doeltreffende handhaving van milieubeschermingsmaatregelen en om nauwere regionale samenwerkingsverbanden aan te gaan; overwegende dat deze verbintenissen als ijkpunt moeten dienen voor de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Australië;

K.

overwegende dat Australië tot de oudste en meest naaste partners van de EU behoort, gemeenschappelijke waarden deelt en zich ook toelegt op de bevordering van welvaart en veiligheid binnen een mondiaal, op regels gebaseerd systeem;

L.

overwegende dat Australië de belangrijkste internationale verdragen over mensenrechten, sociale en arbeidsrechten, en milieubescherming heeft geratificeerd en ten uitvoer gelegd en de rechtsstaat ten volle eerbiedigt;

M.

overwegende dat Australië een van slechts zes WTO-landen is die nog geen preferentiële toegang hebben tot de EU-markt en daarover ook niet in onderhandeling zijn;

N.

overwegende dat er na de gezamenlijke verklaring van 15 november 2015 een verkennend onderzoek is opgezet naar de haalbaarheid en de gedeelde ambitie om onderhandelingen op te starten over een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Australië; overwegende dat dit verkennende onderzoek is afgerond;

O.

overwegende dat het Parlement moet beslissen of het zijn goedkeuring hecht aan de mogelijke vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Australië;

De strategische, politieke en economische context

1.

onderstreept dat de verdieping van de betrekkingen tussen de EU en de regio Azië/Stille Oceaan een van de belangrijke manieren is om economische groei binnen Europa te bevorderen, en benadrukt dat dit tot uiting moet komen in het handelsbeleid van de EU; stelt dat Australië een essentiële rol speelt in deze strategie en dat het uitbreiden en verdiepen van de handelsbetrekkingen met Australië kan bijdragen aan dit doel;

2.

looft Australië voor zijn overtuigde en aanhoudende engagement met betrekking tot de multilaterale handelsagenda;

3.

is van oordeel dat het volledige potentieel van de bilaterale en regionale samenwerkingsstrategieën van de Unie enkel kan worden benut door handel te drijven op basis van regels en waarden en dat de sluiting van een kwalitatief hoogwaardige, ambitieuze, evenwichtige en billijke vrijhandelsovereenkomst met Australië, in een geest van wederkerigheid en wederzijdse voordelen en zonder daarbij afbreuk te doen aan de wens om op multilateraal niveau vooruitgang te boeken of aan de toepassing van reeds gesloten multi- en bilaterale overeenkomsten, een essentieel onderdeel van die strategieën vormt; is van mening dat nauwere bilaterale samenwerking een opstapje kan zijn voor verdere multi- en plurilaterale samenwerking;

4.

is van mening dat onderhandelingen over een moderne, diepe, ambitieuze, evenwichtige, billijke en uitgebreide vrijhandelsovereenkomst een geschikte manier vormen om de bilaterale partnerschappen te verdiepen en de nu al goede bilaterale handels- en investeringsbetrekkingen verder te versterken; is van mening dat deze onderhandelingen als voorbeeld kunnen dienen voor een nieuwe generatie van vrijhandelsovereenkomsten, en onderstreept het belang om de lat steeds hoger te leggen, en daarbij de inhoudelijke grenzen van een moderne vrijhandelsovereenkomst te verleggen, rekening houdend met de sterk ontwikkelde economie en het geavanceerde regelgevingskader van Australië;

Het verkennend onderzoek

5.

stelt vast dat het verkennend onderzoek betreffende een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Australië op 6 april 2017 tot wederzijdse tevredenheid van de Commissie en de regering van Australië is afgesloten;

6.

is ingenomen met de tijdige conclusie en de publicatie van de effectbeoordeling van de Commissie, zodat er een uitvoerige evaluatie kan plaatsvinden van de mogelijke voor- en nadelen van intensievere handels- en investeringsbetrekkingen tussen de EU en Australië, in het belang van de bevolking en bedrijven in beide territoria, inclusief de ultraperifere regio's en de overzeese landen en gebieden, met bijzondere aandacht voor de sociale en ecologische gevolgen, zo ook voor de arbeidsmarkt van de EU, en zodat er kan worden ingespeeld op en rekening kan worden gehouden met het effect dat de brexit zou kunnen hebben op de handels- en investeringsstromen uit Australië naar de EU, vooral wat de voorbereiding van de onderhandelingen en de berekening van contingenten betreft;

Een onderhandelingsmandaat

7.

verzoekt de Raad de Commissie de volmacht te geven om op basis van de bevindingen van het verkennend onderzoek, de in deze resolutie genoemde aanbevelingen, de effectbeoordeling en duidelijke doelstellingen onderhandelingen aan te gaan voor een handels- en investeringsovereenkomst met Australië;

8.

is ingenomen met het besluit van de Commissie om te benadrukken dat groenedoosbetalingen de handel niet verstoren en niet getroffen mogen worden door antidumping- en antisubsidiemaatregelen;

9.

verzoekt de Raad om de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar lidstaten in zijn besluit over de vaststelling van de onderhandelingsrichtsnoeren ten volle te eerbiedigen, conform Advies 2/15 van het HvJ-EU van 16 mei 2017;

10.

verzoekt de Commissie en de Raad zo spoedig mogelijk een voorstel in te dienen over de algemene toekomstige vorm van handelsovereenkomsten, rekening houdend met Advies 2/15 van het HvJ-EU over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore, en een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen een handelsovereenkomst voor de liberalisering van directe buitenlandse investeringen, waarin het uitsluitend om zaken gaat die onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen, en een tweede overeenkomst over onderwerpen waarover de bevoegdheden worden gedeeld met de lidstaten; benadrukt dat een dergelijk onderscheid gevolgen zou hebben voor het ratificatieproces in het Parlement en dat het niet bedoeld is om de nationale democratische processen te omzeilen, maar een kwestie is van democratische delegatie van verantwoordelijkheden op basis van de Europese verdragen; pleit ervoor dat het Parlement nauw wordt betrokken bij alle lopende en toekomstige onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten in alle stadia van het proces;

11.

doet een beroep op de Commissie om bij het voorleggen van de definitieve overeenkomsten ter ondertekening en sluiting, en op de Raad om bij het nemen van een beslissing over de ondertekening en sluiting, ten volle rekening te houden met de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar lidstaten;

12.

verzoekt de Commissie zo transparant mogelijk te onderhandelen zonder daarbij de onderhandelingspositie van de Unie te ondermijnen, en ten minste evenveel transparantie en openbare raadpleging te garanderen als bij de onderhandelingen met de VS over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) via een constante dialoog met de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, en de optimale werkwijzen die tijdens andere onderhandelingen zijn vastgesteld, volledig in acht te nemen; is verheugd met het initiatief van de Commissie om al haar aanbevelingen voor onderhandelingsrichtsnoeren met het oog op handelsovereenkomsten te publiceren, en beschouwt dit als een positief precedent; dringt er bij de Raad op aan dit voorbeeld te volgen en de onderhandelingsrichtsnoeren meteen te publiceren zodra deze zijn aangenomen;

13.

benadrukt dat een vrijhandelsovereenkomst moet leiden tot een betere markttoegang en betere handelsmogelijkheden ter plaatse, het scheppen van fatsoenlijke banen, gegarandeerde gendergelijkheid ten behoeve van de burgers aan beide zijden, de bevordering van duurzame ontwikkeling, handhaving van de EU-normen, bescherming van diensten van algemeen belang, eerbiediging van de democratische procedures en stimulering van de exportmogelijkheden van de EU;

14.

onderstreept dat in een ambitieuze overeenkomst op zinvolle wijze moet worden ingegaan op investeringen, handel in goederen en diensten (voortbordurend op de recente aanbevelingen van het Europees Parlement betreffende het behoud van beleidsruimte en kwetsbare sectoren), douane- en handelsfacilitering, digitalisatie, e-handel en gegevensbescherming, technologisch onderzoek en ondersteuning van innovatie, openbare aanbestedingen, energie, overheidsbedrijven, concurrentie, duurzame ontwikkeling, regelgevende kwesties zoals hoogwaardige sanitaire en fytosanitaire normen en andere normen voor landbouwproducten en levensmiddelen, zonder de strenge EU-normen af te zwakken, stevige en afdwingbare toezeggingen op het gebied van arbeids- en milieunormen, en de bestrijding van belastingontwijking en corruptie, maar wel binnen het toepassingsgebied van de exclusieve bevoegdheden van de Unie, en door vooral stil te staan bij de behoeften van micro-ondernemingen en kmo's;

15.

verzoekt de Raad de verplichtingen van de andere partij jegens inheemse volkeren uitdrukkelijk te erkennen in de onderhandelingsrichtsnoeren en in dit verband voorbehouden toe te staan voor binnenlandse preferentiestelsels; benadrukt dat in de overeenkomst opnieuw moet worden bevestigd dat beide partijen zich zullen houden aan IAO-Verdrag 169 inzake de rechten van inheemse volkeren;

16.

benadrukt dat een gebrekkig visserijbeheer en illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO) visserij aanzienlijke negatieve gevolgen kunnen hebben voor de handel, de ontwikkeling en het milieu, en dat de partijen zinvolle verbintenissen moeten aangaan om haaien, roggen, schildpadden en zeezoogdieren te beschermen en overbevissing, overcapaciteit en IOO-visserij te voorkomen;

17.

onderstreept dat het beginsel van de 3 V's om het gebruik van dieren voor wetenschappelijke doeleinden te vervangen, te verminderen en te verfijnen, stevig verankerd is in de EU-wetgeving; benadrukt dat het van essentieel belang is dat de bestaande EU-maatregelen inzake dierproeven niet worden afgeschaft of afgezwakt, dat toekomstige regelgeving inzake het gebruik van dieren niet wordt ingeperkt en dat onderzoeksinstellingen in de EU geen concurrentienadeel ondervinden; betoogt dat de partijen hun regelgeving moeten aanpassen aan de optimale werkmethoden op het gebied van de 3 V's teneinde de proeven efficiënter te maken, de kosten te verlagen en het gebruik van dieren minder noodzakelijk te maken;

18.

benadrukt dat het noodzakelijk is maatregelen op te nemen ter bestrijding van namaak van agrovoedingsproducten;

19.

beklemtoont dat de volgende aspecten in de onderhandelingsrichtsnoeren moeten worden opgenomen opdat een vrijhandelsovereenkomst werkelijk gunstig kan zijn voor de economie van de EU:

a)

liberalisering van de handel in goederen en diensten en reële mogelijkheden voor beide partijen om toegang te hebben tot elkaars goederen- en dienstenmarkt door onnodige regelgevingsbelemmeringen op te heffen, maar wel zonder dat de overeenkomst een van de partijen belet om op evenredige wijze regelgeving vast te stellen teneinde legitieme beleidsdoelstellingen te verwezenlijken; deze overeenkomst mag (i) geen belemmering vormen voor de partijen om diensten van algemeen belang te definiëren, te reguleren, te verlenen en te ondersteunen en moet daarover expliciete bepalingen omvatten; (ii) regeringen er niet toe verplichten diensten te privatiseren en hen niet beletten het scala van diensten dat zij aan het publiek aanbieden, te verruimen; (iii) regeringen niet beletten voorheen geprivatiseerde diensten opnieuw onder overheidsbeheer te plaatsen, zoals water, onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten, of over te gaan tot een verlaging van de hoge Europese normen op het vlak van gezondheid, levensmiddelen, consumentenzaken, milieu, werk en veiligheid, noch tot een verlaging van de overheidssubsidies voor kunst en cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten, zoals het geval was bij eerdere handelsovereenkomsten; verbintenissen moeten worden aangegaan op basis van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS); wijst er in dit verband op dat moet worden vastgehouden aan de normen waaraan Europese producenten moeten voldoen;

b)

voor zover de overeenkomst een hoofdstuk over binnenlandse regelgeving kan bevatten, mogen de onderhandelaars geen noodzakelijkheidstoetsing opnemen;

c)

verbintenissen betreffende antidumping- en compenserende maatregelen die verder gaan dan de WTO-regels op dit gebied, die niet hoeven te worden toegepast als er sprake is van toereikende gemeenschappelijke concurrentienormen en samenwerking;

d)

beperking van onnodige niet-tarifaire belemmeringen en intensivering en uitbreiding van de dialoog over samenwerking op regelgevingsgebied op vrijwillige basis, als dat uitvoerbaar is en tot wederzijds nut strekt, zonder de mogelijkheid van beide partijen te beknotten om eigen regelgevings-, wetgevings- en beleidsmaatregelen uit te voeren, aangezien samenwerking op regelgevingsgebied erop gericht moet zijn om de governance van de wereldeconomie ten goede te komen door sterkere convergentie en samenwerking op het vlak van internationale normen en harmonisatie van regelgeving, bijvoorbeeld door het overnemen en toepassen van de normen van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN-ECE), waarbij het hoogste niveau van consumentenbescherming (bijv. voedselveiligheid), milieubescherming (bijv. diergezondheid en dierenwelzijn, gezondheid van planten), sociale bescherming en arbeidsbescherming wordt gegarandeerd;

e)

aanzienlijke concessies inzake openbare aanbestedingen op alle overheidsniveaus, waaronder overheidsbedrijven en ondernemingen met bijzondere of exclusieve rechten waarmee markttoegang voor Europese bedrijven tot strategische sectoren wordt gegarandeerd, en dezelfde mate van openheid als bij openbare aanbestedingen in de EU het geval is, aangezien vereenvoudigde procedures en transparantie voor inschrijvers, ook voor inschrijvers uit andere landen, eveneens doeltreffende instrumenten kunnen zijn om corruptie te bestrijden en de integriteit van het openbaar bestuur te bevorderen, terwijl zij er eveneens voor zorgen dat belastingbetalers waar voor hun geld krijgen wat betreft de kwaliteit van leveringen, efficiëntie, doeltreffendheid en verantwoordingsplicht; waarborgen dat ecologische en sociale criteria worden gehanteerd bij de gunning van overheidsopdrachten;

f)

een apart hoofdstuk waarin rekening wordt gehouden met de behoeften en belangen van micro-ondernemingen en kmo's wat markttoegangskwesties betreft, met inbegrip van maar niet beperkt tot, compatibelere technische normen, en gestroomlijnde douaneprocedures teneinde concrete kansen voor bedrijven te creëren en hun internationalisering te bevorderen;

g)

gezien Advies 2/15 van het HvJ-EU over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore op grond waarvan handel en duurzame ontwikkeling onder de exclusieve bevoegdheden van de EU vallen en duurzame ontwikkeling een integrerend bestanddeel van het gemeenschappelijk handelsbeleid van de EU is, vormt een robuust en ambitieus hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling een onmisbaar onderdeel van iedere potentiële handelsovereenkomst; bepalingen over doeltreffende instrumenten voor dialoog, monitoring en samenwerking, inclusief bindende en afdwingbare bepalingen die onder passende en doeltreffende mechanismen voor geschillenbeslechting vallen, in het kader waarvan, naast diverse andere handhavingsmethoden, een op sancties gebaseerd mechanisme wordt overwogen, en die de sociale partners en het maatschappelijk middenveld op een adequate manier in staat stellen deel te nemen, waarbij nauw samengewerkt wordt met de deskundigen van relevante multilaterale organisaties; bepalingen in het hoofdstuk over arbeids- en milieuaspecten van handel en het belang van duurzame ontwikkeling in een context van handel en investeringen, waaronder bepalingen ter bevordering van de inachtneming en de doeltreffende toepassing van internationaal overeengekomen beginselen en regels, zoals fundamentele arbeidsnormen, de vier prioritaire ILO-verdragen inzake governance en multilaterale milieuovereenkomsten, onder andere met betrekking tot de klimaatverandering;

h)

de eis dat de partijen maatschappelijk verantwoord ondernemerschap bevorderen, onder meer ten aanzien van internationaal erkende instrumenten, en de overname van de sectorale OESO-richtsnoeren en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

i)

alomvattende bepalingen inzake de liberalisering van investeringen binnen de bevoegdheden van de Unie, rekening houdend met recente beleidsontwikkelingen, bijvoorbeeld Advies 2/15 van het HvJ-EU over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore van 16 mei 2017;

j)

krachtige en afdwingbare maatregelen betreffende de erkenning en bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, inclusief geografische aanduidingen voor wijn en gedistilleerde dranken en andere landbouwproducten en levensmiddelen, waarbij de bepalingen van de overeenkomst tussen de EU en Australië over de wijnsector als ijkpunt worden genomen en de doelstelling wordt nagestreefd om het bestaande rechtskader te verbeteren en een hoog beschermingsniveau voor alle geografische aanduidingen te bereiken; vereenvoudigde douaneprocedures en eenvoudige en flexibele oorsprongsregels die geschikt zijn voor een complexe wereld van mondiale waardeketens, ook met het oog op meer transparantie en verantwoordingsplicht binnen de ketens, waarbij waar mogelijk multilaterale oorsprongsregels en in andere gevallen niet al te omslachtige oorsprongsregels zoals „verandering van tariefpostonderverdeling” worden toegepast;

k)

evenwichtig en ambitieus opgestelde landbouw- en visserijhoofdstukken die alleen dan het concurrentievermogen kunnen aanwakkeren en voor zowel consumenten als producenten van voordeel kunnen zijn als er naar behoren rekening wordt gehouden met de belangen van alle Europese producenten en consumenten, waarbij wordt ingezien dat een aantal gevoelige landbouwproducten een passende behandeling moet krijgen, bijvoorbeeld door tariefcontingenten of adequate overgangsperioden, en er voldoende rekening wordt gehouden met de cumulatieve impact van handelsovereenkomsten op het gebied van landbouw en de meest gevoelige sectoren mogelijk buiten beschouwing worden gelaten bij de onderhandelingen; de opname van een werkbare, doeltreffende, passende en snelle bilaterale vrijwaringsclausule in de overeenkomst, die tijdelijke opschorting van preferenties mogelijk maakt indien, als gevolg van de inwerkingtreding van de handelsovereenkomst, een toename van de invoer ernstige schade berokkent of dreigt te berokkenen aan gevoelige sectoren;

l)

ambitieuze bepalingen die het digitale ecosysteem volledig laten functioneren en grensoverschrijdende gegevensstromen bevorderen, met inbegrip van beginselen zoals eerlijke mededinging en ambitieuze regels voor grensoverschrijdende gegevensoverdracht, overeenkomstig en behoudens de huidige en toekomstige EU-regels inzake gegevensbescherming en privacy, aangezien gegevensstromen cruciale aanjagers van de diensteneconomie en een essentieel element van de mondiale waardeketen van traditioneel producerende ondernemingen zijn, als gevolg waarvan de vereisten van ongerechtvaardigde lokalisering zoveel mogelijk moeten worden beperkt; gegevensbescherming en privacy zijn geen handelsbelemmeringen maar grondrechten die zijn vastgelegd in artikel 39 VEU en in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

m)

specifieke en eenduidige bepalingen over de behandeling van overzeese landen en gebieden en ultraperifere regio's, zodat er bij de onderhandelingen voldoende aandacht wordt geschonken aan hun speciale behoeften;

De rol van het Parlement

20.

benadrukt dat op grond van Advies 2/15 van het HvJ-EU inzake de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore de rol van het Parlement in elk stadium van de onderhandelingen moet worden versterkt, van de vaststelling van het mandaat tot de definitieve sluiting van de overeenkomst; ziet uit naar de opening van de onderhandelingen met Australië en wenst deze nauwgezet te volgen en een bijdrage te leveren aan het welslagen ervan; herinnert de Commissie aan haar verplichting om het Parlement gedurende alle stadia van de onderhandelingen (voorafgaand aan en na afloop van de onderhandelingsronden) onverwijld en volledig op de hoogte te houden; verplicht zich ertoe om de wet- en regelgevende kwesties te onderzoeken die mogelijk aan de orde komen in het kader van de onderhandelingen en de toekomstige overeenkomst, onverminderd zijn prerogatieven als medewetgever; wijst nogmaals op zijn fundamentele verantwoordelijkheid om de burgers van de EU te vertegenwoordigen, en ziet ernaar uit om gedurende het onderhandelingsproces inclusieve en open discussies te bevorderen;

21.

wijst erop dat het Parlement uit hoofde van het VWEU verzocht zal worden zijn goedkeuring te hechten aan de toekomstige overeenkomst, en dat derhalve in alle stadia terdege rekening moet worden gehouden met zijn standpunten; roept de Commissie en de Raad op het Parlement om goedkeuring van de overeenkomst te verzoeken alvorens deze toe te passen, en deze praktijk ook deel te laten uitmaken van de interinstitutionele overeenkomst;

22.

wijst erop dat het Parlement zal toezien op de uitvoering van de toekomstige overeenkomst;

o

o o

23.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Australië.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0064.

(2)  PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 210.

(3)  ECLI:EU:C:2017:376.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/219


P8_TA(2017)0420

Onderhandelingsmandaat voor de handelsbesprekingen tussen de EU en Nieuw-Zeeland

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 met de aanbeveling van het Parlement aan de Raad over het voorgestelde onderhandelingsmandaat voor handelsonderhandelingen met Nieuw-Zeeland (2017/2193(INI))

(2018/C 346/28)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld „Handel voor iedereen — Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid” (COM(2015)0497),

gezien de gezamenlijke verklaring van 29 oktober 2015 van de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Europese Raad, Donald Tusk, en de eerste minister van Nieuw-Zeeland, John Key,

gezien de gezamenlijke verklaring van de EU en Nieuw-Zeeland over betrekkingen en samenwerking van 21 september 2007, en de op 5 oktober 2016 ondertekende partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland op het gebied van betrekkingen en samenwerking (PARC),

gezien het op 14 september 2017 gepubliceerde handelspakket van de Commissie waarin de Commissie toezegde alle toekomstige onderhandelingsmandaten voor handelsovereenkomsten openbaar te maken,

gezien de op 3 juli 2017 ondertekende overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken tussen de EU en Nieuw-Zeeland,

gezien andere bilaterale overeenkomsten tussen de EU en Nieuw-Zeeland, met name de overeenkomst inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten en de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling,

gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 25 februari 2016 over de opening van onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met Australië en Nieuw-Zeeland (1) en zijn wetgevingsresolutie van 12 september 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad tot sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland tot wijziging van de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning (2),

gezien het communiqué naar aanleiding van de G20-vergadering van de staatshoofden en regeringsleiders in Brisbane van 15 en 16 november 2014,

gezien de gezamenlijke verklaring van 25 maart 2014 van de voorzitters Van Rompuy en Barroso en premier Key over het verdiepen van het partnerschap tussen Nieuw-Zeeland en de Europese Unie,

gezien Advies 2/15 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 16 mei 2017 over de bevoegdheid van de Unie om de vrijhandelsovereenkomst met Singapore te ondertekenen en te sluiten (3),

gezien de studie van de Commissie over de cumulatieve effecten van toekomstige handelsakkoorden op de EU-landbouw die de Commissie op 15 november 2016 heeft gepubliceerd,

gezien het ontwerpverslag van zijn Commissie internationale handel over een digitale handelsstrategie (2017/2065(INI)),

gezien artikel 207, lid 3, en artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 108, lid 3, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0312/2017),

A.

overwegende dat de EU en Nieuw-Zeeland de handen ineenslaan bij het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen op zeer uiteenlopende gebieden, en samenwerken binnen een aantal internationale fora, onder meer wat betreft beleidskwesties op multilateraal niveau;

B.

overwegende dat de EU in 2015 de op een na grootste handelspartner van Nieuw-Zeeland was (na Australië), en dat de handel in goederen tussen de EU en Nieuw-Zeeland in 2015 8,1 miljard EUR bedroeg en de handel in diensten 4,3 miljard EUR;

C.

overwegende dat de directe buitenlandse investeringen van de EU in Nieuw-Zeeland in 2015 bijna 10 miljard EUR bedroegen;

D.

overwegende dat Nieuw-Zeeland partij is bij de overeenkomst inzake overheidsopdrachten;

E.

overwegende dat de EU de onderhandelingen over een partnerschapsovereenkomst inzake betrekkingen en samenwerking tussen de EU en Nieuw-Zeeland (PARC) op 30 juli 2014 heeft afgerond;

F.

overwegende dat de Europese landbouwsector en bepaalde landbouwproducten, zoals rund- en schapenvlees, zuivelproducten, suiker — met inbegrip van bijzondere suikers — bijzonder gevoelig liggen in het kader van deze onderhandelingen;

G.

overwegende dat Nieuw-Zeeland wereldwijd de grootste exporteur van boter en de op een na grootste exporteur van melkpoeder is, en een belangrijke rol speelt op de wereldmarkt wat betreft de uitvoer van andere zuivelproducten en van rund-, kalfs- en schapenvlees;

H.

overwegende dat de EU en Nieuw-Zeeland plurilaterale onderhandelingen voeren om de handel in groene goederen (overeenkomst inzake milieugoederen) en de handel in diensten (overeenkomst betreffende de handel in diensten) verder te liberaliseren;

I.

overwegende dat de EU de bescherming van persoonsgegevens in Nieuw-Zeeland adequaat acht;

J.

overwegende dat Nieuw-Zeeland partij is bij de afgesloten onderhandelingen over een trans-Pacifisch partnerschap (TTP), waarvan de toekomst voorlopig onzeker is, en bij de lopende onderhandelingen over een regionaal alomvattend economisch partnerschap (RCEP) in Oost-Azië, waaraan ook de belangrijkste handelspartners van Nieuw-Zeeland deelnemen; overwegende dat Nieuw-Zeeland sinds 2008 over een vrijhandelsovereenkomst met China beschikt;

K.

overwegende dat Nieuw-Zeeland in het kader van het TPP belangrijke toezeggingen heeft gedaan om de instandhouding van bepaalde soorten op lange termijn te bevorderen en de illegale handel in in het wild levende dieren en plantensoorten aan te pakken door middel van aangescherpte instandhoudingsmaatregelen, en overwegende dat het ook vereisten heeft vastgesteld om toe te zien op de doeltreffende handhaving van milieubeschermingsmaatregelen en om nauwere regionale samenwerkingsverbanden aan te gaan; overwegende dat deze toezeggingen als ijkpunt moeten dienen voor de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland;

L.

overwegende dat Nieuw-Zeeland tot de oudste en meest naaste partners van de EU behoort, gemeenschappelijke waarden deelt en zich ook toelegt op de bevordering van welvaart en veiligheid binnen een mondiaal, op regels gebaseerd systeem;

M.

overwegende dat Nieuw-Zeeland de belangrijkste internationale verdragen over mensenrechten, sociale en arbeidsrechten, en milieubescherming heeft geratificeerd en ten uitvoer heeft gelegd en de rechtsstaat ten volle eerbiedigt;

N.

overwegende dat Nieuw-Zeeland een van slechts zes WTO-landen is die nog geen preferentiële toegang hebben tot de EU-markt en daarover ook niet in onderhandeling zijn;

O.

overwegende dat er na de gezamenlijke verklaring van 29 oktober 2015 verkennende onderzoeken zijn opgezet naar de haalbaarheid en de gedeelde ambitie om onderhandelingen op te starten over een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland; overwegende dat dit verkennende onderzoek is afgerond;

P.

overwegende dat het Parlement moet beslissen of het zijn goedkeuring hecht aan de mogelijke vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland;

De strategische, politieke en economische context

1.

onderstreept dat de verdieping van de betrekkingen tussen de EU en de regio Azië/Stille Oceaan een van de belangrijke manieren is om economische groei binnen Europa te bevorderen, en benadrukt dat dit tot uiting moet komen in het handelsbeleid van de EU; stelt dat Nieuw-Zeeland een essentiële rol speelt in deze strategie en dat het uitbreiden en verdiepen van de handelsbetrekkingen met Nieuw-Zeeland kan bijdragen aan dit doel;

2.

looft Nieuw-Zeeland voor zijn overtuigde en aanhoudende engagement met betrekking tot de multilaterale handelsagenda;

3.

is van oordeel dat het volledige potentieel van de bilaterale en regionale samenwerkingsstrategieën van de Unie enkel kan worden benut door handel te drijven op basis van regels en waarden en dat de sluiting van een kwalitatief hoogwaardige, ambitieuze, evenwichtige en billijke vrijhandelsovereenkomst met Nieuw-Zeeland, in een geest van wederkerigheid en wederzijdse voordelen en zonder daarbij afbreuk te doen aan de wens om op multilateraal niveau vooruitgang te boeken of aan de toepassing van reeds gesloten multi- en bilaterale overeenkomsten, een essentieel onderdeel van die strategieën vormt; is van mening dat nauwere bilaterale samenwerking een opstapje kan zijn voor verdere multi- en plurilaterale samenwerking;

4.

is van mening dat onderhandelingen over een moderne, diepe, ambitieuze, evenwichtige, billijke en uitgebreide vrijhandelsovereenkomst een geschikte manier vormen om de bilaterale partnerschappen te verdiepen en de nu al goede bilaterale handels- en investeringsbetrekkingen verder te versterken; is van mening dat deze onderhandelingen als voorbeeld kunnen dienen voor een nieuwe generatie van vrijhandelsovereenkomsten, en onderstreept het belang om de lat steeds hoger te leggen, en daarbij de inhoudelijke grenzen van een moderne vrijhandelsovereenkomst te verleggen, rekening houdend met de sterk ontwikkelde economie en het geavanceerde regelgevingskader van Nieuw-Zeeland;

5.

benadrukt dat de EU en Nieuw-Zeeland een voortrekkersrol spelen in het internationale beleid inzake ecologische duurzaamheid en in dit verband de kans hebben om te onderhandelen over en uitvoering te geven aan een zeer ambitieus hoofdstuk over duurzame ontwikkeling;

6.

waarschuwt voor het risico dat de landbouwbepalingen in de overeenkomst zeer onevenwichtig zijn in het nadeel van de EU en voor de verleiding om de landbouw te gebruiken als pasmunt voor een betere toegang tot de markt van Nieuw-Zeeland voor industriële goederen en diensten;

Het verkennend onderzoek

7.

stelt vast dat het verkennend onderzoek betreffende een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland op 7 maart 2017 tot wederzijdse tevredenheid van de Commissie en de regering van Nieuw-Zeeland is afgesloten;

8.

is ingenomen met de tijdige conclusie en de publicatie van de effectbeoordeling van de Commissie, zodat er een uitvoerige evaluatie kan plaatsvinden van de mogelijke voor- en nadelen van intensievere handels- en investeringsbetrekkingen tussen de EU en Nieuw-Zeeland, in het belang van de bevolking en bedrijven in beide territoria, inclusief de ultraperifere regio's en de overzeese landen en gebieden, met bijzondere aandacht voor de sociale en ecologische gevolgen, zo ook voor de arbeidsmarkt van de EU, en zodat er kan worden ingespeeld op en rekening kan worden gehouden met het effect dat de brexit zou kunnen hebben op de handels- en investeringsstromen uit Nieuw-Zeeland naar de EU, vooral wat de voorbereiding van de onderhandelingen en de berekening van contingenten betreft;

Een onderhandelingsmandaat

9.

verzoekt de Raad de Commissie de volmacht te geven om op basis van de bevindingen van het verkennend onderzoek, de in deze resolutie genoemde aanbevelingen, de effectbeoordeling en duidelijke doelstellingen onderhandelingen aan te gaan voor een handels- en investeringsovereenkomst met Nieuw-Zeeland;

10.

verzoekt de Raad om de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar lidstaten in zijn besluit over de vaststelling van de onderhandelingsrichtsnoeren ten volle te eerbiedigen, conform Advies 2/15 van het HvJ-EU van 16 mei 2017;

11.

verzoekt de Commissie en de Raad zo spoedig mogelijk een voorstel in te dienen over de algemene toekomstige vorm van handelsovereenkomsten, rekening houdend met Advies 2/15 van het HvJ-EU over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore, en een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen een handelsovereenkomst voor de liberalisering van directe buitenlandse investeringen, waarin het uitsluitend om zaken gaat die onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen, en een tweede overeenkomst over onderwerpen waarover de bevoegdheden worden gedeeld met de lidstaten; benadrukt dat een dergelijk onderscheid gevolgen zou hebben voor het ratificatieproces in het Parlement en dat het niet bedoeld is om de nationale democratische processen te omzeilen, maar een kwestie is van democratische delegatie van verantwoordelijkheden op basis van de Europese verdragen; pleit ervoor dat het Parlement nauw wordt betrokken bij alle lopende en toekomstige onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten in alle stadia van het proces;

12.

doet een beroep op de Commissie om bij het voorleggen van de definitieve overeenkomsten ter ondertekening en sluiting, en op de Raad om bij het nemen van een beslissing over de ondertekening en sluiting van deze overeenkomsten, terdege rekening te houden met de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar lidstaten;

13.

verzoekt de Commissie zo transparant mogelijk te onderhandelen zonder daarbij de onderhandelingspositie van de Unie te ondermijnen, en ten minste evenveel transparantie en openbare raadpleging te garanderen als bij de onderhandelingen met de VS over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen via een constante dialoog met de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, en de optimale werkwijzen die tijdens andere onderhandelingen zijn vastgesteld, volledig in acht te nemen; is verheugd met het initiatief van de Commissie om al haar aanbevelingen voor onderhandelingsrichtsnoeren met het oog op handelsovereenkomsten te publiceren, en beschouwt dit als een positief precedent; dringt er bij de Raad op aan dit voorbeeld te volgen en de onderhandelingsrichtsnoeren meteen te publiceren zodra deze zijn aangenomen;

14.

benadrukt dat een vrijhandelsovereenkomst moet leiden tot een betere markttoegang en betere handelsmogelijkheden ter plaatse, het scheppen van fatsoenlijke banen, gegarandeerde gendergelijkheid ten behoeve van de burgers aan beide zijden, de bevordering van duurzame ontwikkeling, handhaving van de EU-normen, bescherming van diensten van algemeen belang, eerbiediging van de democratische procedures en stimulering van de exportmogelijkheden van de EU;

15.

onderstreept dat in een ambitieuze overeenkomst op zinvolle wijze moet worden ingegaan op investeringen, handel in goederen en diensten (voortbordurend op de recente aanbevelingen van het Europees Parlement betreffende het behoud van beleidsruimte en kwetsbare sectoren), douane- en handelsfacilitering, digitalisatie, e-handel en gegevensbescherming, technologisch onderzoek en ondersteuning van innovatie, openbare aanbestedingen, energie, overheidsbedrijven, concurrentie, duurzame ontwikkeling, regelgevende kwesties zoals hoogwaardige sanitaire en fytosanitaire normen en andere normen voor landbouwproducten en levensmiddelen, zonder de strenge EU-normen af te zwakken, stevige en afdwingbare toezeggingen op het gebied van arbeids- en milieunormen, en de bestrijding van belastingontwijking en corruptie, maar wel binnen het toepassingsgebied van de exclusieve bevoegdheden van de Unie, en door vooral stil te staan bij de behoeften van micro-ondernemingen en kmo's;

16.

verzoekt de Raad de verplichtingen van de andere partij jegens inheemse volkeren uitdrukkelijk te erkennen;

17.

onderstreept dat de EU wereldleider is op het gebied van de bevordering van dierenwelzijnsbeleid en dat, aangezien de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland gevolgen zal hebben voor miljoenen landbouwhuisdieren, de Commissie ervoor moet zorgen dat de partijen ferme toezeggingen doen om het welzijn en de bescherming van landbouwhuisdieren te verbeteren;

18.

benadrukt dat de illegale handel in wilde dieren en planten ernstige ecologische, economische en sociale gevolgen heeft en dat een ambitieuze overeenkomst het behoud van alle in het wild levende dier- en plantensoorten en hun habitats moet bevorderen en de illegale vangst van, handel in en overlading van wilde dieren en planten krachtig moet bestrijden;

19.

benadrukt dat een gebrekkig visserijbeheer en illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO) visserij aanzienlijke negatieve gevolgen kunnen hebben voor de handel, de ontwikkeling en het milieu, en dat de partijen zinvolle verbintenissen moeten aangaan om haaien, roggen, schildpadden en zeezoogdieren te beschermen en overbevissing, overcapaciteit en IOO-visserij te voorkomen;

20.

beklemtoont dat de volgende aspecten in de onderhandelingsrichtsnoeren moeten worden opgenomen opdat een vrijhandelsovereenkomst werkelijk gunstig kan zijn voor de economie van de EU:

(a)

liberalisering van de handel in goederen en diensten en reële mogelijkheden voor beide partijen om toegang te hebben tot elkaars goederen- en dienstenmarkt door onnodige regelgevingsbelemmeringen op te heffen, maar wel zonder dat de overeenkomst een van de partijen belet om op evenredige wijze regelgeving vast te stellen teneinde legitieme beleidsdoelstellingen te verwezenlijken; deze overeenkomst mag (i) geen belemmering vormen voor de partijen om diensten van algemeen belang te definiëren, te reguleren, te verlenen en te ondersteunen en moet daarover expliciete bepalingen omvatten; (ii) regeringen er niet toe verplichten diensten te privatiseren en hen niet beletten het scala van diensten dat zij aan het publiek aanbieden, te verruimen; (iii) regeringen niet beletten voorheen geprivatiseerde diensten opnieuw onder overheidsbeheer te plaatsen, zoals water, onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten, of over te gaan tot een verlaging van de hoge Europese normen op het vlak van gezondheid, levensmiddelen, consumentenzaken, milieu, werk en veiligheid, noch tot een verlaging van de overheidssubsidies voor kunst en cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten, zoals het geval was bij eerdere handelsovereenkomsten; verbintenissen moeten worden aangegaan op basis van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS); wijst er in dit verband op dat moet worden vastgehouden aan de normen waaraan Europese producenten moeten voldoen;

(b)

voor zover de overeenkomst een hoofdstuk over binnenlandse regelgeving kan bevatten, mogen de onderhandelaars geen noodzakelijkheidstoetsing opnemen;

(c)

verbintenissen betreffende antidumping- en compenserende maatregelen die verder gaan dan de WTO-regels op dit gebied, die niet hoeven te worden toegepast als er sprake is van toereikende gemeenschappelijke concurrentienormen en samenwerking;

(d)

beperking van onnodige niet-tarifaire belemmeringen en intensivering en uitbreiding van de dialoog over samenwerking op regelgevingsgebied op vrijwillige basis, als dat uitvoerbaar is en tot wederzijds nut strekt, zonder de mogelijkheid van beide partijen te beknotten om eigen regelgevings-, wetgevings- en beleidsmaatregelen uit te voeren, aangezien samenwerking op regelgevingsgebied erop gericht moet zijn om de governance van de wereldeconomie ten goede te komen door sterkere convergentie en samenwerking op het vlak van internationale normen en harmonisatie van regelgeving, bijvoorbeeld door de overname en toepassing van de normen van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN-ECE), waarbij het hoogste niveau van consumentenbescherming (bijv. voedselveiligheid), milieubescherming (bijv. diergezondheid en dierenwelzijn, gezondheid van planten), sociale bescherming en arbeidsbescherming wordt gegarandeerd;

(e)

aanzienlijke concessies inzake openbare aanbestedingen op alle overheidsniveaus, waaronder overheidsbedrijven en ondernemingen met bijzondere of exclusieve rechten waarmee markttoegang voor Europese bedrijven tot strategische sectoren wordt gegarandeerd, en dezelfde mate van openheid als bij openbare aanbestedingen in de EU het geval is, aangezien vereenvoudigde procedures en transparantie voor inschrijvers, ook voor inschrijvers uit andere landen, eveneens doeltreffende instrumenten kunnen zijn om corruptie te bestrijden en de integriteit van het openbaar bestuur te bevorderen, terwijl zij er eveneens voor zorgen dat belastingbetalers waar voor hun geld krijgen wat betreft de kwaliteit van leveringen, efficiëntie, doeltreffendheid en verantwoordingsplicht; waarborgen dat ecologische en sociale criteria worden gehanteerd bij de gunning van overheidsopdrachten;

(f)

een apart hoofdstuk waarin rekening wordt gehouden met de behoeften en belangen van micro-ondernemingen en kmo's wat markttoegangskwesties betreft, met inbegrip van maar niet beperkt tot, compatibelere technische normen, en gestroomlijnde douaneprocedures teneinde concrete kansen voor bedrijven te creëren en hun internationalisering te bevorderen;

(g)

gezien Advies 2/15 van het HvJ-EU over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore op grond waarvan handel en duurzame ontwikkeling onder de exclusieve bevoegdheden van de EU vallen en duurzame ontwikkeling een integrerend bestanddeel van het gemeenschappelijk handelsbeleid van de EU is, vormt een robuust en ambitieus hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling een onmisbaar onderdeel van iedere potentiële handelsovereenkomst; bepalingen over doeltreffende instrumenten voor dialoog, monitoring en samenwerking, inclusief bindende en afdwingbare bepalingen die onder passende en doeltreffende mechanismen voor geschillenbeslechting vallen, in het kader waarvan, naast diverse andere handhavingsmethoden, een op sancties gebaseerd mechanisme wordt overwogen, en die de sociale partners en het maatschappelijk middenveld op een adequate manier in staat stellen deel te nemen, waarbij nauw samengewerkt wordt met de deskundigen van relevante multilaterale organisaties; bepalingen in het hoofdstuk over arbeids- en milieuaspecten van handel en het belang van duurzame ontwikkeling in een context van handel en investeringen, waaronder bepalingen ter bevordering van de inachtneming en de doeltreffende toepassing van internationaal overeengekomen beginselen en regels, zoals fundamentele arbeidsnormen, de vier prioritaire ILO-verdragen inzake governance en multilaterale milieuovereenkomsten, onder andere met betrekking tot de klimaatverandering;

(h)

de eis dat de partijen maatschappelijk verantwoord ondernemerschap bevorderen, onder meer ten aanzien van internationaal erkende instrumenten, en de overname van de sectorale OESO-richtsnoeren en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

(i)

alomvattende bepalingen inzake de liberalisering van investeringen binnen de bevoegdheden van de Unie, rekening houdend met recente beleidsontwikkelingen, bijvoorbeeld Advies 2/15 van het HvJ-EU over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore van 16 mei 2017;

(j)

sterke en afdwingbare maatregelen betreffende de erkenning en bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, inclusief geografische aanduidingen voor wijn en gedistilleerde dranken en andere landbouwproducten en levensmiddelen; vereenvoudigde douaneprocedures en eenvoudige en flexibele oorsprongsregels die geschikt zijn in een complexe wereld van mondiale waardeketens, ook met het oog op meer transparantie en verantwoordingsplicht binnen de ketens, waarbij waar mogelijk multilaterale oorsprongsregels en in andere gevallen niet al te omslachtige oorsprongsregels zoals „verandering van tariefpostonderverdeling” worden toegepast;

(k)

evenwichtig en ambitieus opgestelde landbouw- en visserijhoofdstukken die alleen dan het concurrentievermogen kunnen aanwakkeren en voor zowel consumenten als producenten van voordeel kunnen zijn als er naar behoren rekening wordt gehouden met de belangen van alle Europese producenten en consumenten, waarbij wordt ingezien dat een aantal gevoelige landbouwproducten een passende behandeling moet krijgen, bijvoorbeeld door tariefcontingenten of adequate overgangsperioden, en er voldoende rekening wordt gehouden met de cumulatieve impact van handelsovereenkomsten op het gebied van landbouw en de meest gevoelige sectoren mogelijk buiten beschouwing worden gelaten bij de onderhandelingen; de opname van een werkbare, doeltreffende, passende en snelle bilaterale vrijwaringsclausule in de overeenkomst, die tijdelijke opschorting van preferenties mogelijk maakt indien, als gevolg van de inwerkingtreding van de handelsovereenkomst, een toename van de invoer ernstige schade berokkent of dreigt te berokkenen aan gevoelige sectoren;

(l)

ambitieuze bepalingen die het digitale ecosysteem volledig laten functioneren en grensoverschrijdende gegevensstromen bevorderen, met inbegrip van beginselen zoals eerlijke mededinging en ambitieuze regels voor grensoverschrijdende gegevensoverdracht, overeenkomstig en behoudens de huidige en toekomstige EU-regels inzake gegevensbescherming en privacy, aangezien gegevensstromen cruciale aanjagers van de diensteneconomie en een essentieel element van de mondiale waardeketen van traditioneel producerende ondernemingen zijn, als gevolg waarvan de vereisten van ongerechtvaardigde lokalisering zoveel mogelijk moeten worden beperkt; gegevensbescherming en privacy zijn geen handelsbelemmeringen maar grondrechten die zijn vastgelegd in artikel 39 VEU en in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

(m)

specifieke en eenduidige bepalingen over de behandeling van overzeese landen en gebieden en ultraperifere regio's, zodat er bij de onderhandelingen voldoende aandacht wordt geschonken aan hun speciale behoeften;

21.

verzoekt de Commissie, als wezenlijk onderdeel van een evenwichtige overeenkomst, bescherming te bieden bij de etikettering, traceerbaarheid en werkelijke oorsprong van landbouwproducten om te voorkomen dat de consument een onjuist of misleidend beeld krijgt;

22.

benadrukt het verschil in omvang tussen de Europese interne markt en de Nieuw-Zeelandse markt, waarmee rekening moet worden gehouden in het geval van een vrijhandelsovereenkomst tussen beide partijen;

De rol van het Parlement

23.

benadrukt dat op grond van Advies 2/15 van het HvJ-EU inzake de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore de rol van het Parlement in elk stadium van de onderhandelingen moet worden versterkt, van de vaststelling van het mandaat tot de definitieve sluiting van de overeenkomst; ziet uit naar de opening van de onderhandelingen met Nieuw-Zeeland, wenst deze nauwgezet te volgen en een bijdrage te leveren aan het welslagen ervan; herinnert de Commissie aan haar verplichting om het Parlement gedurende alle stadia van de onderhandelingen (zowel voorafgaand aan als na afloop van de onderhandelingsrondes) onverwijld en volledig op de hoogte te houden; verplicht zich ertoe om de wet- en regelgevende kwesties te onderzoeken die mogelijk aan de orde komen in het kader van de onderhandelingen en de toekomstige overeenkomst, onverminderd zijn prerogatieven als medewetgever; wijst nogmaals op zijn fundamentele verantwoordelijkheid om de burgers van de EU te vertegenwoordigen, en ziet ernaar uit om gedurende het onderhandelingsproces inclusieve en open discussies te bevorderen;

24.

wijst erop dat het Parlement uit hoofde van het VWEU verzocht zal worden zijn goedkeuring te hechten aan de toekomstige overeenkomst, en dat derhalve in alle stadia terdege rekening moet worden gehouden met zijn standpunten; roept de Commissie en de Raad op het Parlement om goedkeuring van de overeenkomst te verzoeken alvorens deze toe te passen, en deze praktijk ook deel te laten uitmaken van de interinstitutionele overeenkomst;

25.

wijst erop dat het Parlement zal toezien op de uitvoering van de toekomstige overeenkomst;

o

o o

26.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede de regering en het parlement van Nieuw-Zeeland.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0064.

(2)  PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 210.

(3)  ECLI:EU:C:2017:376.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/226


P8_TA(2017)0421

De controle op de toepassing van het EU-recht 2015

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over de controle op de toepassing van het EU-recht (2015) (2017/2011(INI))

(2018/C 346/29)

Het Europees Parlement,

gezien het 32e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2014) (COM(2015)0329),

gezien het 33e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2015) (COM(2016)0463),

gezien het verslag van de Commissie getiteld „Evaluatieverslag EU-Pilot” (COM(2010)0070),

gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 over de controle op de toepassing van het Unierecht: jaarverslag 2014 (1),

gezien het verslag van de Commissie getiteld „Tweede evaluatieverslag over EU-Pilot” (COM(2011)0930),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2002 betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het Gemeenschapsrecht (COM(2002)0141),

gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2012 getiteld „Tot modernisering van het beheer van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie” (COM(2012)0154),

gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 getiteld „Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat” (COM(2014)0158),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 mei 2015 getiteld „Betere regelgeving voor betere resultaten — Een EU-agenda” (COM(2015)0215),

gezien de mededeling van de Commissie van 13 december 2016 getiteld „EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing” (2),

gezien het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie (3),

gezien Beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken (4),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (5),

gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over het 30e en 31e jaarverslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012-2013) (6),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (7),

gezien zijn resolutie van 9 juni 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat (8),

gezien de artikelen 267 en 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie constitutionele zaken en de Commissie verzoekschriften (A8-0265/2017),

A.

overwegende dat artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) de Commissie de essentiële rol van „hoedster van de Verdragen” toebedeelt;

B.

overwegende dat volgens artikel 4, lid 3, VEU en de artikelen 288, lid 3, en artikel 291, lid 1, VWEU de lidstaten de primaire bevoegdheid hebben om het EU-recht correct om te zetten, toe te passen en te implementeren binnen de vastgestelde termijnen, en om in de nodige rechtsmiddelen te voorzien teneinde daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het EU-recht vallende gebieden te verzekeren;

C.

overwegende dat de lidstaten op grond van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) aan de Commissie duidelijke en nauwkeurige informatie moeten verstrekken over de wijze waarop zij de EU-richtlijnen in nationale wetgeving omzetten (9),

D.

overwegende dat de lidstaten, overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (10) en de gezamenlijke politieke verklaring van 27 oktober 2011 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over toelichtende stukken (11), wanneer zij de Commissie in kennis stellen van nationale omzettingsmaatregelen, in sommige gerechtvaardigde gevallen verplicht kunnen zijn ondersteunende informatie te leveren in de vorm van „toelichtende stukken” waarin de wijze wordt uiteengezet waarop zij de richtlijnen in hun nationale wetgeving hebben omgezet (12);

E.

overwegende dat, overeenkomstig artikel 6, lid 1, VEU, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het EU-Handvest) dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen, en gericht is tot de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie, alsmede de lidstaten wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen (artikel 51, lid 1, EU-handvest);

F.

overwegende dat de Unie over een aantal instrumenten en processen beschikt om te zorgen voor de volledige en correcte toepassing van de in de Verdragen verankerde beginselen en waarden, maar dat deze instrumenten in de praktijk van een beperkte reikwijdte, ontoereikend en inefficiënt lijken;

G.

overwegende dat het derhalve noodzakelijk is een nieuw mechanisme in te voeren dat voorziet in één enkel samenhangend kader op basis van bestaande instrumenten en mechanismen, dat op een uniforme manier op alle EU-instellingen en lidstaten moet worden toegepast;

H.

overwegende dat, overeenkomstig artikel 258, leden 1 en 2, VWEU, de Commissie een met redenen omkleed advies moet uitbrengen indien zij van oordeel is dat een lidstaat een krachtens de Verdragen op hem rustende verplichting niet is nagekomen en dat zij de zaak aanhangig kan maken bij het HvJ-EU, indien de betrokken lidstaat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt;

I.

overwegende dat het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie voorziet in de informatie-uitwisseling over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling, maar dat de informele EU-Pilot-procedure die voorafgaat aan de inleiding van de formele inbreukprocedure buiten dat kader valt;

J.

overwegende dat de EU Pilot-procedures bedoeld zijn voor nauwere en meer coherente samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten waardoor inbreuken op het EU-recht zich in een vroeg stadium via een bilaterale dialoog tot een oplossing laten brengen, zodat een formele inbreukprocedure zo mogelijk achterwege blijft;

K.

overwegende dat de Commissie in 2015 3 450 klachten over mogelijke inbreuken op het EU-recht heeft ontvangen, en dat Italië (637), Spanje (342) en Duitsland (274) de lidstaten waren waartegen de meeste klachten werden ingediend;

L.

overwegende dat artikel 41 van het EU-Handvest het recht op behoorlijk bestuur omschrijft als het recht van eenieder dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen worden behandeld, en dat artikel 298 VWEU bepaalt dat de instellingen, organen en instanties van de Unie bij de vervulling van hun taken steunen op een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat;

1.

is ingenomen met het jaarlijkse verslag 2015 van de Commissie over de toepassing van het EU-recht waarin de nadruk wordt gelegd op de naleving van het acquis van de EU, en constateert dat volgens dit verslag de drie gebieden waarop de lidstaten in 2015 het meest met inbreukprocedures vanwege omzettingen te maken hadden, mobiliteit en vervoer, energie en milieu waren; wijst erop dat in 2015 op deze gebieden eveneens de meeste onderzoeken zijn geopend in het kader van het EU-Pilot-systeem met als voornaamste betrokken lidstaten Italië, Portugal en Duitsland; doet een beroep op de Commissie om de specifieke redenen hiervan gedetailleerder uiteen te zetten;

2.

merkt met name op dat de Commissie het probleem van de slechte luchtkwaliteit in Europa heeft aangepakt door een aantal inbreukprocedures in te leiden wegens schending van Richtlijn 2008/50/EG in verband met de voortdurende overschrijding van de grenswaarden voor NO2; betreurt evenwel dat de Commissie in 2015 niet dezelfde controlebevoegdheden heeft uitgeoefend om te voorkomen dat er vervuilende dieselauto's op de markt werden gebracht die in belangrijke mate ertoe bijdragen dat deze grenswaarden voor de uitstoot van NO2 in de atmosfeer worden overschreden, en die niet voldoen aan de EU-voorschriften inzake typegoedkeuring en de emissies van personenvoertuigen en lichte bedrijfsvoertuigen;

3.

is van oordeel dat uit het grote aantal inbreukprocedures in 2015 blijkt dat de tijdige en correcte toepassing van EU-wetgeving in de lidstaten een grote uitdaging en prioriteit in de EU blijft; is van oordeel dat EU-burgers meer vertrouwen hebben in het EU-recht als dat in de lidstaten op doeltreffende wijze ten uitvoer wordt gelegd; verzoekt de lidstaten meer inspanningen te verrichten om het EU-recht doeltreffend en tijdig om te zetten en uit te voeren;

4.

constateert dat eind 2015 1 368 inbreukprocedure nog in behandeling waren hetgeen een lichte stijging met het voorgaande jaar is, maar nog steeds beneden het niveau van 2011 blijft;

5.

erkent dat de primaire verantwoordelijkheid voor de correcte tenuitvoerlegging en toepassing van EU-recht bij de lidstaten ligt, maar wijst erop dat dit de EU-instellingen niet ontslaat van hun verplichting om het primaire EU-recht in acht te nemen bij het uitvaardigen van afgeleid EU-recht; onderstreept echter dat de Commissie aan de lidstaten een reeks instrumenten ter beschikking stelt om hen te helpen gezamenlijke oplossingen te vinden, zoals handboeken, groepen deskundigen en speciale internetpagina's, van de dialoog over omzettingsplannen tot documenten waarin wordt uitgelegd hoe omzettingsproblemen in een vroeg stadium kunnen worden herkend en aangepakt; verzoekt de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen te nemen om hun toezeggingen gestand te doen, zoals overeengekomen in de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken, onder meer door concordantietabellen over te leggen die duidelijke en precieze informatie bevatten over de nationale maatregelen tot omzetting van richtlijnen in hun nationale rechtsorde;

6.

verzoekt de Commissie andermaal alle portalen, toegangspunten en informatiewebsites samen te brengen in één enkele toegangspoort waar burgers op eenvoudige wijze toegang hebben tot online-klachtenformulieren en gebruikersvriendelijke informatie over inbreukprocedures;

7.

constateert dat de Commissie erop aandringt dat de lidstaten haar ervan in kennis stellen als zij bij de omzetting van richtlijnen in nationale wetgeving besluiten elementen toe te voegen die aan het publiek duidelijk maken welke bepalingen onder de bevoegdheid van de EU en welke onder die van de lidstaat vallen; wijst er tegelijkertijd op dat dit het recht van de lidstaten onverlet laat om bijvoorbeeld strengere sociale en milieunormen op nationaal niveau vast te leggen;

8.

benadrukt dat het Parlement in staat moet zijn om ook de handhaving door de Commissie van verordeningen te controleren, net zoals het Parlement dat doet bij richtlijnen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de gegevens met betrekking tot de tenuitvoerlegging van verordeningen worden opgenomen in haar toekomstige jaarverslagen over de controle op de toepassing van het EU-recht; verzoekt de lidstaten hun nationale wetgeving ter omzetting en uitvoering van EU-recht aan de Commissie voor te leggen om te waarborgen dat deze in overeenstemming is met het EU-recht, en daarbij nauwkeurig aan te geven welke onderdelen dienen ter uitvoering van EU-wetgeving en welke delen nationale toevoegingen betreffen;

9.

onderstreept dat de termijnen voor de omzetting moeten worden nageleefd; dringt er bij de EU-instellingen op aan realistische termijnen voor de naleving vast te stellen;

10.

benadrukt dat de EU is opgericht als een Unie die gegrondvest is op het beginsel van de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten (artikel 2 VEU); onderstreept dat de in artikel 2 VEU verankerde waarden de hoeksteen van de Unie vormen en dat de naleving van deze waarden door de lidstaten derhalve voortdurend moet worden beoordeeld; herhaalt dat de nauwkeurige controle van de handelingen en nalatigheden van de lidstaten en de EU-instellingen van het grootste belang is, en is verontrust over het aantal verzoekschriften dat bij het Parlement en het aantal klachten dat bij de Commissie worden ingediend;

11.

wijst erop dat klokkenluiders de EU en nationale instellingen eveneens kunnen voorzien van nuttige informatie over gevallen van incorrecte toepassing van het Unierecht; herhaalt dat zij veeleer moeten worden aangemoedigd dan tegengewerkt;

12.

onderkent dat verzoekschriften een belangrijke bron van informatie uit de eerste hand zijn, niet alleen over schendingen en lacunes bij de toepassing van het EU-recht in de lidstaten, maar ook over mogelijke mazen in de EU-wetgeving en suggesties van burgers voor nieuw aan te nemen wetgeving of voor mogelijke verbeteringen in vigerende wetteksten; bevestigt dat het vermogen van de Commissie en het Parlement om te reageren op problemen in verband met toepassing en omzetting, en deze op te lossen, door de effectieve behandeling van verzoekschriften op de proef wordt gesteld en uiteindelijk wordt versterkt; merkt op dat de Commissie overweegt om de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving als prioriteit te beschouwen, zodat burgers ervan kunnen profiteren in hun dagelijks leven; onderstreept dat moet worden toegezien op volledige transparantie, onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de besluitvormingsprocessen en het ambtenarenapparaat;

13.

betreurt het feit dat er geen gedetailleerde statistieken beschikbaar zijn over het aantal verzoekschriften dat heeft geleid tot het starten van een EU-Pilot- of inbreukprocedure; wenst derhalve dat de Commissie regelmatig verslag uitbrengt over zaken in verband met lopende gerechtelijke en/of andere procedures, teneinde een gestructureerde dialoog te faciliteren en de tijd die nodig is voor geschillenbeslechting te beperken; verzoekt de Commissie deze verslagen te bespreken met de Commissie verzoekschriften en op proactieve wijze de vicevoorzitter die verantwoordelijk is voor vereenvoudiging en de toepassing van wetgeving hierbij te betrekken; vraagt de Commissie om de indieners van verzoekschriften te betrekken bij EU-Pilot-procedures die naar aanleiding van hun verzoekschriften worden ingeleid, onder meer ter bevordering van de dialoog tussen de indieners en de betrokken nationale autoriteiten;

14.

betreurt de oplopende vertragingen bij de uitvoering van de EU-strategie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015, waardoor de lancering van een nieuwe EU-brede strategie, die nodig is om de volledige en doeltreffende bescherming van het welzijn van dieren te waarborgen door middel van een bijgewerkt, uitgebreid en duidelijk wetgevingskader dat volledig in overeenstemming is met de vereisten van artikel 13 VWEU, effectief wordt voorkomen;

15.

merkt op dat de Commissie verzoekschriften tal van verzoekschriften heeft ontvangen over gevallen in verband met kinderwelzijn en hoopt dat de huidige herziening van verordening Brussel II bis ertoe zal bijdragen dat de tekortkomingen van de verordening worden verholpen en dat nalatigheden bij de tenuitvoerlegging ervan worden aangepakt;

16.

merkt op dat in de afgelopen jaren tekortkomingen zijn vastgesteld bij de toepassing van maatregelen ter bestrijding van fraude en witwassen; dringt bij de Commissie aan op een verdubbeling van haar inspanningen om de strikte toepassing van de desbetreffende EU-wetgeving te waarborgen;

17.

merkt op dat een tijdige en correcte omzetting en tenuitvoerlegging van het EU-recht in nationale wetgeving, alsmede een duidelijk nationaal wetgevingskader met volledige eerbiediging van de fundamentele waarden, beginselen en rechten die zijn verankerd in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de EU, een prioriteit voor de lidstaten moeten zijn, zodat inbreuken op het EU-recht worden voorkomen en alle beoogde voordelen worden geboden die mogelijk worden gemaakt door een efficiënte en effectieve toepassing van het EU-recht; onderstreept in dit verband dat de handelingen en nalatigheden van alle EU-instellingen gebonden zijn aan de Verdragen en het EU-Handvest (13);

18.

verzoekt de Commissie erop aan te dringen dat de lidstaten toezien op een strikte handhaving van de EU-regelgeving inzake het vrij verkeer van personen, in het bijzonder door de volledige bescherming van de daarmee verband houdende economische, sociale en culturele rechten te waarborgen; herinnert eraan dat het vrij verkeer van personen, in een context waarin de grondrechten volledig worden gewaarborgd, niet alleen één van de fundamentele vrijheden van de EU en een integraal onderdeel van het EU-burgerschap vormt, maar tevens van groot belang is voor EU-burgers en hun gezinnen, met name in termen van toegang tot sociale zekerheid, en voor het beeld dat zij hebben van de EU, en tevens een frequent onderwerp van verzoekschriften is;

19.

verwijst andermaal naar zijn resolutie van 25 oktober 2016 en doet een beroep op de Commissie volgens de aanbevelingen in deze resolutie te handelen;

20.

onderkent dat het Parlement ook een essentiële rol heeft te vervullen bij het uitoefenen van politiek toezicht op de handhavingsactiviteiten van de Commissie door de toetsing van de jaarverslagen over de controle op de uitvoering van het EU-recht en door het aannemen van desbetreffende resoluties; is van oordeel dat het EP nog meer aan de tijdige en correcte omzetting van EU-wetgeving kan bijdragen door zijn knowhow over het besluitvormings- en wetgevingsproces via van tevoren ontwikkelde links te delen met de nationale parlementen;

21.

onderstreept de belangrijke rol die de sociale partners, maatschappelijke organisaties, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en andere belanghebbenden spelen bij het uitvaardigen van wetgeving en bij het vaststellen en melden van tekortkomingen in de omzetting en toepassing van de EU-wetgeving door de lidstaten; onderstreept in dit verband het transparantiebeginsel dat is neergelegd in de Verdragen en het recht van EU-burgers op toegang tot de rechter en behoorlijk bestuur, zoals neergelegd in de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU; herinnert eraan dat onder andere deze rechten en beginselen ook voor de lidstaten van cruciaal belang moeten zijn als zij wetgeving voorstellen ter uitvoering van EU-recht;

22.

is verheugd over de daling met rond 30 % vanaf 2014 van het aantal nieuwe EU-Pilot-dossiers die in 2015 zijn geopend (881 tegen 1 208 in 2014); constateert echter dat het gemiddelde oplossingspercentage in 2015 stabiel blijft en precies gelijk is aan dat van 2014 (75 %);

23.

is ingenomen met het feit dat het aantal nieuwe klachten voor het eerst sinds 2011 met rond 9 % is afgenomen in vergelijking met 2014, met een totaal van 3 450 nieuwe klachten; is echter bezorgd over het feit dat op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie het hoogste aantal nieuwe klachten zijn binnengekomen; constateert dat in 2015 de werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie, de interne markt, de industrie, het ondernemerschap en de kmo's, justitie en consumenten, belastingheffing en de douane-unie, en het milieu samen 72 % van alle klachten tegen de lidstaten voor hun rekening namen;

24.

betreurt het feit dat de lidstaten in 2015 niet in alle gevallen hun toezegging zijn nagekomen om de nationale maatregelen ter omzetting van richtlijnen in hun nationale rechtsorde vergezeld te doen gaan van toelichtende stukken; is van oordeel dat de Commissie aan de lidstaten meer steun moet bieden bij het opstellen van deze toelichtende stukken en concordantietabellen; moedigt de Commissie ertoe aan het Parlement en de Raad verslag te blijven uitbrengen over toelichtende stukken in de jaarlijkse verslagen over de toepassing van het EU-recht;

25.

vindt dat de financiële sancties voor de niet-naleving van het EU-recht doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn, waarbij herhaalde verzuimen op hetzelfde gebied extra moeten worden aangerekend, maar dat de wettelijke rechten van de lidstaten gewaarborgd moeten blijven;

26.

onderstreept dat alle EU-instellingen, gebonden zijn aan de Verdragen en het EU-Handvest (14);

27.

brengt andermaal in herinnering dat de aan de Commissie en andere EU-instellingen door het ESM-Verdrag (of andere relevante verdragen) toebedeelde taken hen ertoe verplichten, overeenkomstig artikel 13, lid 3 en 4, ervan, ervoor te zorgen dat de memoranda van overeenstemming die uit hoofde van de voornoemde verdragen zijn gesloten, stroken met het EU-recht; onderstreept dat de EU-instellingen zich dientengevolge moeten onthouden van het ondertekenen van een memorandum van overeenstemming waarvan zij de consistentie met het EU-recht betwijfelen (15);

28.

onderstreept het belang van de binnenlandse omzetting en praktische uitvoering van de asielnormen op EU-niveau (bijvoorbeeld ten aanzien van de uitvoering door de lidstaten van de richtlijn opvangvoorzieningen (Richtlijn 2013/33/EU (16))) (17); betreurt de ontoereikende uitvoering en gebruikmaking van het herplaatsingsmechanisme dat de Commissie heeft voorgesteld voor de aanpak van de vluchtelingencrisis door de lidstaten; doet derhalve een beroep op de Commissie vooral te letten op de uitvoering van de op asiel- en migratiegebied vastgestelde maatregelen teneinde ervoor te zorgen dat zij stroken met de in het EU-Handvest verankerde beginselen, en om de nodige inbreukprocedure op gang te brengen, indien nodig;

29.

merkt bezorgd op dat bepaalde lidstaten hun verplichtingen inzake asiel en migratie veronachtzamen; is ingenomen met het duidelijke standpunt dat de Commissie tegenover de lidstaten inneemt over de toepassing van EU-wetgeving inzake asiel en migratie; herinnert eraan dat de EU vanwege de migratiestromen naar Europa voor een juridische, politieke en humanitaire uitdaging staat die haar weerga niet kent; vraagt de lidstaten om bij de ontvangst en verdeling van vluchtelingen ook rekening te houden met internationale mensenrechtenverdragen; geeft uitdrukking aan zijn hoop dat de Commissie de toepassing van de Europese migratieagenda door de lidstaten systematisch in het oog houdt; herinnert eraan dat een doeltreffend EU-migratiebeleid gebaseerd moet zijn op een evenwicht tussen de onderlinge solidariteit en de verantwoordelijkheid van de lidstaten;

30.

betreurt het feit dat in een aantal lidstaten aanzienlijke tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving van de EU blijven bestaan; constateert dat dit met name het geval is bij de afvalverwerking, de afvalwaterzuiveringsinfrastructuur en de naleving van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit; is in dit verband van oordeel dat de Commissie moet trachten de oorzaken van deze situatie in de lidstaten te achterhalen;

31.

spoort de EU-instellingen aan altijd hun verplichting na te komen om het primaire EU-recht in acht te nemen wanneer zij regels van afgeleid EU-recht in het leven roepen, beleidsbeslissingen nemen en overeenkomsten en verdragen met instellingen buiten de EU ondertekenen, alsook aan hun plicht te voldoen, met alle mogelijke middelen, EU-lidstaten bij te staan in hun inspanningen om de EU-wetgeving op alle gebieden om te zetten en de waarden en beginselen van de Unie te respecteren met name in het licht van de recente ontwikkeling in de lidstaten;

32.

betreurt het feit dat het Europees Parlement nog geen transparante en tijdige informatie krijgt over de uitvoering van EU-wetgeving; herinnert eraan dat de Commissie zich in het herziene Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie ertoe heeft verbonden „het Parlement beknopte gegevens ter beschikking [te stellen] over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling, waaronder, zo het Parlement hierom verzoekt, […] de kwesties waarop de inbreukprocedure betrekking heeft”, en verwacht dat deze clausule ook daadwerkelijk te goeder trouw wordt toegepast;

33.

dringt er bij de Commissie op aan de naleving van het EU-recht tot een werkelijke politieke prioriteit te maken waarnaar wordt gestreefd in nauwe samenwerking met het Parlement, dat immers tot taak heeft de Commissie verantwoording te laten afleggen en als medewetgever zichzelf steeds volledig geïnformeerd te houden, met het oog op voortdurende verbetering van zijn wetgevingswerkzaamheden; vraagt dat de Commissie derhalve voor een follow-up zorgt voor elke resolutie van het Europees Parlement over de controle op de uitvoering van het EU-recht;

34.

herinnert eraan dat het Parlement in zijn resoluties van 15 januari 2013 (18) en 9 juni 2016 heeft aangedrongen op de goedkeuring van een verordening inzake een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat van de Europese Unie uit hoofde van artikel 298 VWEU, en verzoekt de Commissie het voorstel voor een verordening dat bij laatstgenoemde resolutie is gevoegd, in overweging te nemen;

35.

onderstreept dat het ontbreken van een samenhangende en uitgebreide reeks gecodificeerde regels inzake goed bestuur in de gehele Unie het voor de burgers moeilijk maakt om hun administratieve rechten uit hoofde van het Unierecht gemakkelijk en volledig te begrijpen, en dat dit tevens bijdraagt tot een verslechtering van hun rechtsbescherming; onderstreept derhalve dat het codificeren van regels van goed bestuur in de vorm van een verordening waarin de verschillende aspecten van de administratieve procedure worden vastgelegd, waaronder kennisgevingen, bindende termijnen, het recht om te worden gehoord en het recht van eenieder op toegang tot haar/zijn dossier, onontbeerlijk is om de rechten van de burgers en de transparantie te versterken; verduidelijkt dat deze regels een aanvulling zouden vormen op het bestaande Unierecht, wanneer sprake is van juridische leemten of interpretatieproblemen, en de toegankelijkheid zouden verbeteren; dringt derhalve andermaal bij de Commissie aan op een veelomvattend voorstel voor een Europese wet inzake bestuursrechtelijke procedures waarbij rekening wordt gehouden met de reeds door het Parlement genomen stappen op dit gebied, alsmede met de huidige ontwikkelingen in de Unie en haar lidstaten;

36.

brengt in herinnering dat prejudiciële beslissingen ertoe bijdragen te verduidelijken op welke wijze het recht van de Europese Unie moet worden toegepast; is van oordeel dat een beroep op deze procedure een uniforme interpretatie en uitvoering van de Europese wetgeving mogelijk maakt; moedigt derhalve de nationale rechtbanken ertoe aan kwesties aan het HvJ-EU voor te leggen, wanneer twijfel bestaat, en aldus inbreukprocedures te voorkomen;

37.

is van oordeel dat de juiste toepassing van het EU-acquis belangrijk is om ervoor te zorgen dat zowel burgers als ondernemingen de voordelen van het EU-beleid genieten; doet derhalve een beroep op de Commissie om de handhaving van het EU-recht te versterken door de omzetting in en de conformiteit van nationale wetgeving structureel en systematisch te controleren in volledige overeenstemming met de EU-Verdragen en het EU-Handvest; wijst erop dat de EU-wetgeving het resultaat is van een vrij en democratisch proces; is verheugd dat de Commissie bij haar controle op de toepassing van het EU-recht in de lidstaten naar behoren rekening houdt met de beginselen van beter wetgeven;

38.

wijst op het belang van transparantie bij de opstelling en toepassing van het recht door de EU-instellingen en de lidstaten; benadrukt dat EU-wetgeving duidelijk, begrijpelijk, consistent en nauwkeurig moet zijn, enerzijds om de tenuitvoerlegging ervan door de lidstaten te vergemakkelijken en anderzijds om de EU-wetgeving voor burgers toegankelijk te maken, en dat daarbij ook rekening moet worden gehouden met de jurisprudentie van het HvJ-EU, dat heeft bepaald dat EU-normen voorzienbaar en voorspelbaar moeten zijn (19);

39.

verwacht dat betrokkenheid van nationale parlementen bij de totstandkoming van de inhoud van wetsvoorstellen, in voorkomend geval, een gunstige uitwerking zal hebben op de doeltreffende toepassing van het EU-recht; wijst erop dat nauwer toezicht door nationale parlementen op hun respectieve regeringen, wanneer die betrokken zijn bij het wetgevingsproces, zal leiden tot een doeltreffender toepassing van het EU-recht, zoals neergelegd in de Verdragen; wijst er daarom op dat de nationale parlementen in de eerste fasen van Europese wetgevingsprocedures hun mening moeten kunnen geven en dringt er bij de Europese instellingen en de lidstaten op aan een debat op gang te brengen over Protocol Nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie en Protocol Nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, en bijvoorbeeld de mogelijkheden voor herziening van het zogeheten mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing te onderzoeken om op die manier te zorgen voor betere toepassing van de gelekaartprocedure;

40.

pleit voor nauwere samenwerking en voor het versterken van de banden tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen; herinnert aan de controlerende taak van nationale parlementen wat betreft de betrokkenheid van hun regeringen bij het besluitvormingsproces in de Raad van de Europese Unie en wijst op het belang van raadplegingen en een regelmatige uitwisseling van standpunten tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen, met name in de eerste fasen van het wetgevingsproces;

41.

herinnert eraan dat de nationale parlementen de essentiële taak hebben om te controleren of het EU-recht door de lidstaten correct ten uitvoer wordt gelegd; dringt er bij de nationale parlementen op aan zich op proactieve wijze van deze taak te kwijten; wijst op de rol die nationale parlementen spelen bij het voorkomen van „gold plating” bij de omzetting van EU-wetgeving in nationale wetgeving, en dus bij het voorkomen van overregulering en onnodige administratieve lasten; verwacht van de lidstaten dat zij, als zij bij de uitvoering van EU-wetgeving op nationaal niveau verplichtingen aan de EU-wetgeving toevoegen, deze duidelijk vermelden en documenteren; is verontrust over het feit dat de buitensporige toevoeging van nationale regels of voorwaarden aan EU-wetgeving de euroscepsis onnodig in de hand werkt;

42.

merkt op dat het systeem van informatie-uitwisseling en samenwerking tussen commissies van nationale parlementen die samenwerken met de EU ertoe kan bijdragen dat er doeltreffende wetgeving tot stand wordt gebracht en dat dit systeem ook moet worden benut om de toepassing van he EU-recht door de lidstaten te verbeteren; pleit ervoor dat het IPEX-platform wordt gebruikt als instrument voor de onderlinge uitwisseling van informatie tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement; spoort de nationale parlementen ertoe aan actief deel te nemen aan de interparlementaire commissievergaderingen die door het Europees Parlement worden georganiseerd;

43.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0385.

(2)  PB C 18 van 19.1.2017, blz. 10.

(3)  PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.

(4)  PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.

(5)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(6)  PB C 316 van 22.9.2017, blz. 246.

(7)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.

(8)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0279.

(9)  Zaak C-427/07, CommissieIerland, punt 107.

(10)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(11)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 15.

(12)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht.

(13)  Zie onder meer: Arrest van het HvJ-EU van 20 september 2016 — Ledra Advertising Ltd (C-8/15 P), Andreas Eleftheriou (C-9/15 P), Eleni Eleftheriou (C-9/15 P), Lilia Papachristofi (C-9/15 P), Christos Theophilou (C-10/15 P), Eleni Theophilou (C-10/15 P) v Europese Commissie en Europese Centrale Bank (gevoegde zaken C-8/15 P tot en met C-10/15 P), ECLI:EU:C:2016:701, punten 67 e.v.

(14)  Arrest van het HvJ-EU van 20 september 2016, gevoegde zaken C-8/15 P tot en met C-10/15 P, punten 67 e.v..

(15)  Ibid, punten 58 e.v.; zie hiervoor het arrest van 27 november 2012Pringle, C-370/12, punt 164.

(16)  Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).

(17)  Zie onder meer: S. Carrera, S. Blockmans, D. Gros, E. Guild, „The EU’s Response to the Refugee Crisis — Taking Stock and Setting Policy Priorities”, Centre for European Policy Studies (CEPS), essay nr. 20, 16 december 2015 — https://www.ceps.eu/system/files/EU%20Response%20to%20the%202015%20Refugee%20Crisis_0.pdf

(18)  Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie (PB C 440 van 30.12.2015, blz. 17).

(19)  Arrest van het Hof van Justitie van 10 september 2009, Plantanol GmbH & Co. KG/Hauptzollamt Darmstadt, C-201/08, ECLI:EU:C:2009:539, punt 46.


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES PARLEMENT

Dinsdag 3 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/234


P8_TA(2017)0362

Beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/65/EU betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (COM(2017)0038 — C8-0021/2017 — 2017/0013(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/30)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0038),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0021/2017),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 5 juli 2017 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 28 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0205/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  Nog niet in het Publicatieblad verschenen.


P8_TC1-COD(2017)0013

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/65/EU betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/2102.)


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/236


P8_TA(2017)0363

In het verdragsgebied van de ICCAT geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van in het verdragsgebied van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad (COM(2016)0401 — C8-0224/2016 — 2016/0187(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/31)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0401),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0224/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016 (1),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0173/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

hecht zijn goedkeuring aan de verklaring die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie haar voorstel door een nieuwe tekst vervangt, ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aanbrengt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 142.


P8_TC1-COD(2016)0187

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van in het verdragsgebied van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2107.)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Het Europees Parlement toont zich uiterst bezorgd over het voorstel van de Commissie om in 2017 aanbevelingen van het ICCAT op te volgen die dateren van 2008. Dit betekent dat de Unie al bijna tien jaar niet voldoet aan haar internationale verplichtingen.

Afgezien van het feit dat dit kan worden aangevochten voor het Hof van Justitie en schadelijk is voor de reputatie van de Unie als voortrekker op het gebied van duurzaamheid op het internationale toneel, is er nog een probleem dat leidt tot rechtsonzekerheid voor exploitanten en legitieme kritiek van belanghebbenden: de instellingen staan op het punt aanbevelingen van het ICCAT over te nemen — met name de aanbeveling over mediterrane zwaardvis, een iconische soort waarvoor het ICCAT vorig jaar een meerjarig herstelplan heeft aangenomen — die achterhaald en verouderd zijn.

Dit zou leiden tot de paradoxale situatie dat de Unie door middel van een verordening maatregelen voor zwaardvis vaststelt die in de tussentijd zijn vervangen door een nieuw herstelplan dat al vanaf april 2017 van toepassing is op exploitanten. Dit is juridisch en — belangrijker nog — politiek gezien onaanvaardbaar.

De situatie is des te onacceptabeler aangezien de Commissie bijna zes maanden nadat het ICCAT Aanbeveling 16-05 over mediterrane zwaardvis heeft vastgesteld, nog geen voorstel heeft gedaan voor de omzetting van die aanbeveling, ofschoon algemeen wordt erkend dat de toestand van de bestanden kritiek is en dat het herstelplan hoe dan ook al van toepassing is op exploitanten. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze omzettingsprocedure niet ingewikkeld is, aangezien de bepalingen al zijn overgenomen en er slechts kleine wijzigingen hoeven te worden aangebracht in de tekst.

Het Europees Parlement dringt er bij de Commissie op aan toekomstige voorstellen voor de omzetting van aanbevelingen van regionale organisaties voor visserijbeheer uiterlijk zes maanden na de datum van de vaststelling van die aanbevelingen in te dienen.

Over de inhoud van het herstelplan:

Het Europees Parlement is ingenomen met Aanbeveling 16-05 van het ICCAT over het opstellen van een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis.

Het Europees Parlement is zich bewust van de sociaal-economische dimensie van de kleinschalige mediterrane visserij en van de noodzaak van een stapsgewijze aanpak en flexibiliteit bij het beheer van die visserijsector.

Hierbij wordt benadrukt dat voor het welslagen van het herstelplan ook aangrenzende derde landen zich moeten inzetten om deze soort efficiënt te beheren.

Ten slotte wordt onderstreept dat quota eerlijk moeten worden verdeeld onder exploitanten, waarbij rekening wordt gehouden met productiewaarden en omzet. Quota van bestanden waarop illegaal is gevist met drijfnetten mogen niet meetellen bij de berekening van historische vangsten en rechten."


Woensdag 4 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/238


P8_TA(2017)0368

Overeenkomst tot oprichting van de internationale EU-LAC-Stichting ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de overeenkomst tot oprichting van de internationale EU-LAC-Stichting (11342/2016 — C8-0458/2016 — 2016/0217(NLE))

(Goedkeuring)

(2018/C 346/32)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerpbesluit van de Raad (11342/2016),

gezien de ontwerpovereenkomst tot oprichting van de internationale EU-LAC-Stichting (11356/2016),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend in overeenstemming met artikel 209, lid 2, artikel 212, lid 1, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0458/2016),

gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0279/2017),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de landen van de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten (CELAC).

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/239


P8_TA(2017)0369

Bepalingen van het Schengenacquis inzake het Visuminformatiesysteem in Bulgarije en Roemenië *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de inwerkingstelling van bepaalde bepalingen van het Schengenaquis inzake het Visuminformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en in Roemenië (10161/2017 — C8-0224/2017 — 2017/0808(CNS))

(Raadpleging)

(2018/C 346/33)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van de Raad (10161/2017),

gelet op artikel 4, lid 2, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0224/2017),

gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0286/2017),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/240


P8_TA(2017)0370

Geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens in de Tsjechische Republiek *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens met de Tsjechische Republiek (09893/2017 — C8-0197/2017 — 2017/0806(CNS))

(Raadpleging)

(2018/C 346/34)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van de Raad (09893/2017),

gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0197/2017),

gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (1), en met name artikel 33,

gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0288/2017),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/241


P8_TA(2017)0371

Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Portugal *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Portugal (09898/2017 — C8-0213/2017 — 2017/0807(CNS))

(Raadpleging)

(2018/C 346/35)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van de Raad (09898/2017),

gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0213/2017),

gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (1), en met name artikel 33,

gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0289/2017),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/242


P8_TA(2017)0372

Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Griekenland *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Griekenland (10476/2017 — C8-0230/2017 — 2017/0809(CNS))

(Raadpleging)

(2018/C 346/36)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van de Raad (10476/2017),

gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0230/2017),

gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (1), en met name artikel 33,

gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0287/2017),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/243


P8_TA(2017)0373

Veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/45/EG inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (COM(2016)0369 — C8-0208/2016 — 2016/0170(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/37)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0369),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0208/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 21 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0167/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie haar voorstel door een nieuwe tekst vervangt, ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aanbrengt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 167.


P8_TC1-COD(2016)0170

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/45/EG inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/2108.)


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/244


P8_TA(2017)0374

Registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten varen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/41/EG van de Raad inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen en tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten (COM(2016)0370 — C8-0209/2016 — 2016/0171(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/38)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0370),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0209/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016 (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 21 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0168/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 172.


P8_TC1-COD(2016)0171

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/41/EG van de Raad inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen en Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/2109.)


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/245


P8_TA(2017)0375

Inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende havenstaatcontrole en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad (COM(2016)0371 — C8-0210/2016 — 2016/0172(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/39)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0371),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0210/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 21 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0165/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie haar voorstel door een nieuwe tekst vervangt, ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aanbrengt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 176.


P8_TC1-COD(2016)0172

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/2110.)


Donderdag 5 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/246


P8_TA(2017)0384

Nauwere samenwerking: Europees Openbaar Ministerie ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over het ontwerp van verordening van de Raad betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (09941/2017 — C8-0229/2017 — 2013/0255(APP))

(Bijzondere wetgevingsprocedure — goedkeuring)

(2018/C 346/40)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van verordening van de Raad (09941/2017,

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 86 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0229/2017),

gezien artikel 99, leden 1 en 4, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0290/2017),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van verordening van de Raad;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Dinsdag 24 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/247


P8_TA(2017)0386

Euro-mediterrane luchtvaartovereenkomst EG/Marokko ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de Euro-mediterrane luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (15653/2016 — C8-0094/2017 — 2006/0048(NLE))

(Goedkeuring)

(2018/C 346/41)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerpbesluit van de Raad (15653/2016),

gezien de Euro-mediterrane luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (1),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 100, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0094/2017),

gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0303/2017),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Koninkrijk Marokko.

(1)  PB L 386 van 29.12.2006, blz. 57.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/248


P8_TA(2017)0387

Machtiging van Frankrijk om een verlaagd tarief van bepaalde indirecte belastingen toe te passen op in Guadeloupe, Frans-Guyana, Martinique en Réunion vervaardigde „traditionele” rum *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot wijziging van Besluit nr. 189/2014/EU van de Raad waarbij Frankrijk wordt gemachtigd een verlaagd tarief van bepaalde indirecte belastingen toe te passen op in Guadeloupe, Frans-Guyana, Martinique en Réunion vervaardigde „traditionele” rum en tot intrekking van Beschikking 2007/659/EG (COM(2017)0297 — C8-0212/2017 — 2017/0127(CNS))

(Bijzondere wetgevingsprocedure — raadpleging)

(2018/C 346/42)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2017)0297),

gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0212/2017),

gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

gezien het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0304/2017),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/249


P8_TA(2017)0388

Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën: financiële bijdragen *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 560/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (COM(2017)0068 — C8-0118/2017 — 2017/0024(NLE))

(Raadpleging)

(2018/C 346/43)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2017)0068),

gezien artikel 187 en artikel 188, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0118/2017),

gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie begrotingscontrole en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0293/2017),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Amendement 1

Voorstel voor een verordening

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 560/2014 (37) van de Raad is de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën („Gemeenschappelijke Onderneming BBI”) opgericht.

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 560/2014 van de Raad (37) is de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën („Gemeenschappelijke Onderneming BBI”) opgericht met als doel bij te dragen tot de uitvoering van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) („Horizon 2020”) door middel van meer investeringen in de ontwikkeling van een duurzame biogebaseerde industrie in de Unie .

Amendement 2

Voorstel voor een verordening

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)

In artikel 12, lid 4, van de in bijlage bij Verordening (EU) nr. 560/2014 vastgestelde statuten van de Gemeenschappelijke Onderneming BBI („de statuten”) is bepaald dat de financiële bijdrage van de andere leden van de Gemeenschappelijke Onderneming BBI dan de Unie aan de operationele kosten ten minste 182 500 000 EUR bedraagt voor de in artikel 1 van die verordening bepaalde periode, namelijk vanaf de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming BBI tot en met 31 december 2024.

(2)

In artikel 12, lid 4, van de in bijlage bij Verordening (EU) nr. 560/2014 vastgestelde statuten van de Gemeenschappelijke Onderneming BBI („de statuten”) is bepaald dat de financiële bijdrage van de andere leden van de Gemeenschappelijke Onderneming BBI dan de Unie aan de operationele kosten ten minste 182 500 000  EUR bedraagt voor de in artikel 1 van die verordening bepaalde periode van tien jaar , namelijk vanaf de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming BBI tot en met 31 december 2024.

Amendement 3

Voorstel voor een verordening

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis)

Deze verordening is een reactie op een voorstel van de ivzw Bio-based Industries Consortium (BIC) en weerspiegelt de goede praktijken van andere gemeenschappelijke ondernemingen. Betere samenwerking en overleg met alle belanghebbenden, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in de biogebaseerde keten, moeten blijven zorgen voor een doeltreffende uitvoering van het programma door de Gemeenschappelijke Onderneming BBI en betere regelgeving in het algemeen.

Amendement 4

Voorstel voor een verordening

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)

De ivzw Bio-based Industries Consortium („BIC”), die een ander lid van de Gemeenschappelijke Onderneming BBI is dan de Unie, blijft bereid de operationele kosten van de Gemeenschappelijke Onderneming BBI te dragen voor het in artikel 12, lid 4, van de statuten vastgestelde bedrag. Zij heeft echter een alternatieve financieringswijze voorgesteld, waarbij haar samenstellende entiteiten financiële bijdragen leveren op het niveau van de acties onder contract.

(3)

De ivzw Bio-based Industries Consortium („BIC”), die een ander lid van de Gemeenschappelijke Onderneming BBI is dan de Unie, blijft verplicht en bereid de operationele kosten van de Gemeenschappelijke Onderneming BBI te dragen voor het in artikel 12, lid 4, van de statuten vastgestelde bedrag. Zij heeft echter een alternatieve financieringswijze voorgesteld, waarbij haar samenstellende entiteiten financiële bijdragen leveren op het niveau van de acties onder contract.

Amendement 5

Voorstel voor een verordening

Overweging 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis)

De alternatieve financieringsmethode die wordt voorgesteld door het BIC ligt ten grondslag aan deze verordening, met inachtneming van de unieke kenmerken van de Gemeenschappelijke Onderneming BBI. De Commissie zal onderzoeken hoe die alternatieve financieringsmethode kan worden toegepast op andere gemeenschappelijke ondernemingen, met name de Gemeenschappelijke Onderneming voor het initiatief innovatieve geneesmiddelen.

Amendement 6

Voorstel voor een verordening

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)

De doelstelling van het BBI-initiatief om activiteiten uit te voeren door middel van samenwerking tussen belanghebbenden in alle schakels van de biogebaseerde waardeketens, met inbegrip van kmo's, centra voor onderzoek en technologie en universiteiten, kan enkel worden bereikt door het BIC en zijn samenstellende entiteiten de mogelijkheid te bieden om de financiële bijdrage niet enkel als betaling aan de Gemeenschappelijke Onderneming BBI , maar ook als financiële bijdrage aan door de Gemeenschappelijke Onderneming BBI gefinancierde acties onder contract te leveren.

(4)

De doelstelling van het BBI-initiatief om , in overeenstemming met de prioriteiten van Horizon 2020, activiteiten uit te voeren door middel van samenwerking tussen belanghebbenden in alle schakels van de biogebaseerde waardeketens, met inbegrip van kmo's, centra voor onderzoek en technologie en universiteiten, en om van de Unie een van de belangrijkste aanjagers van onderzoek, demonstratie en introductie op de markt van biogebaseerde producten en biobrandstoffen te maken, kan enkel worden bereikt door het BIC en zijn samenstellende entiteiten de mogelijkheid te bieden om de financiële bijdrage niet enkel als betaling aan de Gemeenschappelijke Onderneming BBI te leveren. Die nieuwe wijze voor het leveren van de bijdrage zorgt ervoor dat de financiële bijdragen commercieel rendabeler worden voor het BIC en zijn samenstellende entiteiten, hetgeen op zijn beurt de naleving van hun financiële verplichtingen binnen de vastgestelde termijn makkelijker moet maken .

Amendement 7

Voorstel voor een verordening

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)

In haar gemeenschappelijke-ondernemingsproces heeft de Commissie het effect en de doelmatigheid van, en de lering die getrokken is uit, de voorgestelde amendementen verwerkt. De Commissie moet bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen waarin de doelmatigheid van deze verordening wordt beoordeeld, in het licht van de verplichting van het BIC om zijn financiële bijdrage tegen 31 december 2024 te leveren.

Amendement 8

Voorstel voor een verordening

Overweging 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis)

In de toekomst moet de Commissie altijd een openbare raadpleging houden om te garanderen dat de voorgestelde wijzigingen worden aanvaard door alle belanghebbende partijen en op de meest transparante en open manier worden uitgewerkt. Daarnaast moet de Commissie effectbeoordelingen van de voorgestelde maatregelen uitvoeren, tenzij in de richtsnoeren voor betere regelgeving duidelijk anders is bepaald.


(37)  Verordening (EU) nr. 560/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (PB L 169 van 7.6.2014, blz. 130).

(37)  Verordening (EU) nr. 560/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (PB L 169 van 7.6.2014, blz. 130).


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/253


P8_TA(2017)0389

Het onderwerpen van furanylfentanyl aan controlemaatregelen *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende het onderwerpen van N-fenyl-N-[1-(2-fenylethyl)piperidine-4-yl]furaan-2-carboxamide (furanylfentanyl) aan controlemaatregelen (11212/2017 — C8-0242/2017 — 2017/0152(NLE))

(Raadpleging)

(2018/C 346/44)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van de Raad (11212/2017),

gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0242/2017),

gezien Besluit 2005/387/JBZ van de Raad van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen (1), en met name artikel 8, lid 3,

gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0309/2017),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 127 van 20.5.2005, blz. 32.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/254


P8_TA(2017)0391

Strafbare feiten en straffen op het gebied van de illegale drugshandel ***II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad teneinde nieuwe psychoactieve stoffen in de definitie van „drug” op te nemen en tot intrekking van Besluit 2005/387/JBZ van de Raad (10537/1/2017 — C8-0325/2017 — 2013/0304(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

(2018/C 346/45)

Het Europees Parlement,

gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (10537/1/2017 — C8-0325/2017),

gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Lagerhuis van het Verenigd Koninkrijk en het Hogerhuis van het Verenigd Koninkrijk, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 januari 2014 (1),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0618),

gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord,

gezien artikel 67 bis van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0317/2017),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.

constateert dat de handeling is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.

verzoekt zijn Voorzitter de handeling samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.

verzoekt zijn secretaris-generaal de handeling te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 177 van 11.6.2014, blz. 52.

(2)  Aangenomen teksten van 17.4.2014, P7_TA(2014)0454.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/255


P8_TA(2017)0392

Bemestingsproducten met CE-markering ***I

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 24 oktober 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van bemestingsproducten met CE-markering en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 (COM(2016)0157 — C8-0123/2016 — 2016/0084(COD)) (1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/46)

Amendement 1

Voorstel voor een verordening

Titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van bemestingsproducten met CE-markering en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van plantenvoedingsproducten met CE-markering en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009

(Deze wijziging van „bemestingsproducten” in „plantenvoedingsproducten” is van toepassing op de gehele tekst. Indien de medewetgevers dit overeenkomen, zijn deze wijzigingen van toepassing op de gehele tekst, met inbegrip van die delen die tot uiting komen in onderstaande amendementen.)

Amendement 2

Voorstel voor een verordening

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)

De voorwaarden voor het aanbieden van meststoffen op de interne markt werden gedeeltelijk geharmoniseerd door Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad (15), die vrijwel uitsluitend betrekking heeft op meststoffen bestaande uit gedolven of chemisch vervaardigde, anorganische materialen. Er bestaat ook een noodzaak om voor bemesting gebruik te maken van gerecycleerde of organische materialen. Om een krachtige stimulans te bieden voor het verdere gebruik van meststoffen vervaardigd uit gerecycleerde of organische materialen, moeten geharmoniseerde voorwaarden worden vastgesteld voor het op de gehele interne markt aanbieden ervan. De reikwijdte van de harmonisatie moet daarom worden uitgebreid tot gerecycleerde en organische materialen.

(1)

De voorwaarden voor het aanbieden van meststoffen op de interne markt werden gedeeltelijk geharmoniseerd door Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad (15), die vrijwel uitsluitend betrekking heeft op meststoffen bestaande uit gedolven of chemisch vervaardigde, minerale materialen. Er bestaat ook een noodzaak om voor bemesting gebruik te maken van gerecycleerde of organische materialen. Om een krachtige stimulans te bieden voor het verdere gebruik van meststoffen vervaardigd uit gerecycleerde of organische materialen, moeten geharmoniseerde voorwaarden worden vastgesteld voor het op de gehele interne markt aanbieden ervan. De bevordering van het gebruik van gerecycleerde nutriënten draagt verder bij aan de ontwikkeling van de circulaire economie, maakt een hulpbronnenefficiënter gebruik van nutriënten mogelijk, en zorgt er tevens voor dat de Unie minder afhankelijk wordt van nutriënten uit derde landen . De reikwijdte van de harmonisatie moet daarom worden uitgebreid tot gerecycleerde en organische materialen.

 

(Dit amendement heeft tevens betrekking op een horizontale technische wijziging betreffende de term „anorganisch”, die gewijzigd wordt in „mineraal”. Indien de medewetgevers dit overeenkomen, zijn deze wijzigingen van toepassing op de gehele tekst, met inbegrip van die delen die tot uiting komen in onderstaande amendementen.)

Amendement 3

Voorstel voor een verordening

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis)

De nutriënten in voedingsmiddelen zijn afkomstig uit de bodem; een gezonde en voedingrijke bodem resulteert in gezonde en voedingrijke gewassen en voedingsmiddelen. Landbouwers moeten over een uitgebreid gamma aan meststoffen van zowel organische als synthetische aard kunnen beschikken om hun bodem te kunnen verbeteren. Wanneer de bodem een gebrek aan bepaalde nutriënten vertoont of deze zijn uitgeput, zijn de gewassen gekenmerkt door een tekort aan nutriënten, waardoor zij mogelijk niet meer groeien of geen voedingswaarde hebben voor de mens.

Amendement 4

Voorstel voor een verordening

Overweging 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis)

Om een doeltreffend gebruik van dierlijke mest en op het eigen landbouwbedrijf verkregen compost te waarborgen, dienen landbouwers producten te gebruiken die het concept van „verantwoorde landbouw” in acht nemen, waarbij de voorkeur uitgaat naar lokale distributiekanalen en goede agronomische en milieupraktijken, en die in overeenstemming zijn met de milieuwetgeving van de Unie, zoals de nitratenrichtlijn of de kaderrichtlijn water. Het preferentiële gebruik van meststoffen die op het eigen of op naburige landbouwbedrijven zijn geproduceerd, moet worden aangemoedigd.

Amendement 5

Voorstel voor een verordening

Overweging 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis)

Een bemestingsproduct met CE-markering kan meer dan een van de functies hebben die zijn beschreven in de productfunctiecategorieën van deze verordening. Indien een bewering wordt gedaan over slechts één van deze functies, moet het volstaan dat het product voldoet aan de eisen van de productfunctiecategorie waarin de aangegeven functie wordt beschreven. Wordt daarentegen een bewering gedaan over meer dan een van deze functies, dan moet het desbetreffende bemestingsproduct met CE-markering worden beschouwd als een combinatie van twee of meer samenstellende bemestingsproducten, en moet worden vereist dat elk samenstellend bemestingsproduct voldoet aan de functievereisten. Er dient dan ook een specifieke productfunctiecategorie te worden ingevoerd voor dergelijke combinaties.

Amendement 6

Voorstel voor een verordening

Overweging 6 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 ter)

Een fabrikant die gebruikmaakt van een of meer bemestingsproducten met CE-markering die reeds zijn onderworpen aan een door die fabrikant of een andere fabrikant uitgevoerde conformiteitsbeoordeling, mag zich baseren op die conformiteitsbeoordeling. Teneinde de administratieve lasten tot een minimum te beperken, moet het resulterende bemestingsproduct met CE-markering tevens worden beschouwd als een combinatie van twee of meer samenstellende bemestingsproducten, en moeten de aanvullende conformiteitseisen voor de combinatie worden beperkt tot de aspecten naar aanleiding van het mengen.

Amendement 7

Voorstel voor een verordening

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)

Contaminanten in bemestingsproducten met CE-markering, zoals cadmium, zijn mogelijk een risico voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu, aangezien zij zich opstapelen in het milieu en in de voedselketen terechtkomen. Het gehalte aan contaminanten in dergelijke producten moet derhalve worden beperkt. Verder moeten onzuiverheden in van bioafval afgeleide bemestingsproducten met CE-markering, in het bijzonder polymeren, maar ook metaal en glas, worden voorkomen of beperkt voor zover dat technisch mogelijk is door middel van opsporing van dergelijke onzuiverheden in gescheiden ingezameld bioafval voor het wordt verwerkt.

(8)

Contaminanten in bemestingsproducten met CE-markering, indien deze laatste niet correct worden gebruikt, zoals cadmium, zijn mogelijk een risico voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu, aangezien zij zich opstapelen in het milieu en in de voedselketen terechtkomen. Het gehalte aan contaminanten in dergelijke producten moet derhalve worden beperkt. Verder moeten onzuiverheden in van bioafval afgeleide bemestingsproducten met CE-markering, in het bijzonder polymeren, maar ook metaal en glas, worden voorkomen of beperkt voor zover dat technisch mogelijk is door middel van opsporing van dergelijke onzuiverheden in gescheiden ingezameld bioafval voor het wordt verwerkt.

Amendement 8

Voorstel voor een verordening

Overweging 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 bis)

Lidstaten die reeds strengere nationale grenswaarden voor cadmium in meststoffen hebben ingevoerd, moeten de mogelijkheid krijgen die grenswaarden te behouden totdat de rest van de Unie een gelijkwaardig ambitieniveau bereikt.

Amendement 9

Voorstel voor een verordening

Overweging 8 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 ter)

Om te bevorderen dat de fosfaatbemestingsproducten in overeenstemming zijn met de eisen van deze verordening en innovatie te stimuleren, moeten er voldoende stimulansen worden geboden voor de ontwikkeling van desbetreffende technologie, in het bijzonder technologie om cadmium te verwijderen, alsook voor het beheer van gevaarlijk afval met een hoog cadmiumgehalte, met behulp van de financiële middelen die beschikbaar zijn in het kader van Horizon 2020, LIFE-programma's, het ondersteuningsplatform voor financiering op het gebied van de circulaire economie, via de Europese Investeringsbank (EIB) en in voorkomend geval andere financieringsinstrumenten. De Commissie moet jaarlijks verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad over de stimulansen en de Uniefinanciering die zijn geboden voor het verwijderen van cadmium.

Amendement 395

Voorstel voor een verordening

Overweging 8 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 quater)

Vanaf …[datum van toepassing van deze verordening] moet de Commissie een mechanisme opzetten om de toegang te bevorderen tot financiering van onderzoek en innovatie op het gebied van technieken voor cadmiumreductie en de toepassing ervan in het productieproces in de Unie van alle fosfaatmeststoffen, en op het gebied van mogelijke alternatieven voor cadmiumreductie die economisch uitvoerbaar zijn op industriële schaal en die bovendien de verwerking van de aldus ontstane afvalstoffen mogelijk maken.

Amendement 10

Voorstel voor een verordening

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)

Producten die aan alle eisen van deze verordening voldoen, moeten worden toegelaten tot het vrije verkeer op de interne markt. Wanneer een of meer bestanddelen van een bemestingsproduct met CE-markering onder Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (18) vallen , maar een punt in de productieketen bereiken waarna zij niet langer een significant risico voor de volksgezondheid of de diergezondheid inhouden (het „eindpunt in de productieketen”), zou het een onnodige administratieve last zijn om de bepalingen van die verordening op het product te blijven toepassen. Dergelijke bemestingsproducten moeten derhalve van de verplichtingen van die verordening worden vrijgesteld. Verordening (EG) nr. 1069/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

Bemestingsproducten met CE-markering die aan alle eisen van deze verordening voldoen, moeten worden toegelaten tot het vrije verkeer op de interne markt. Wanneer een of meer bestanddelen een afgeleid product vormen dat onder Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (18) valt , maar een punt in de productieketen hebben bereikt waarna zij niet langer een risico voor de volksgezondheid of de diergezondheid inhouden (het „eindpunt in de productieketen”), zou het een onnodige administratieve last zijn om de bepalingen van die verordening op het product te blijven toepassen. Dergelijke bemestingsproducten moeten derhalve van de verplichtingen van die verordening worden vrijgesteld. Verordening (EG) nr. 1069/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

Amendement 11

Voorstel voor een verordening

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)

Voor elk relevant bestanddeel dat dierlijke bijproducten bevat, moet het eindpunt in de productieketen worden vastgesteld overeenkomstig de procedures van Verordening (EG) nr. 1069/2009 . Wanneer een door deze verordening gereguleerd productieproces begint voor dat eindpunt is bereikt, moeten de procesvoorschriften van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en die van deze verordening cumulatief van toepassing zijn op bemestingsproducten met CE-markering. Dit betekent dat wanneer beide verordeningen dezelfde parameter reguleren, de strengste voorschriften worden toegepast.

(10)

Voor iedere bestanddelencategorie die afgeleide producten in de zin van Verordening (EG) nr. 1069/2009 omvat, moet voor elk relevant bestanddeel dat dierlijke bijproducten bevat het eindpunt in de productieketen worden vastgesteld overeenkomstig de procedures van die verordening . Om voordeel te halen uit technische ontwikkelingen, meer kansen voor producenten en bedrijven te creëren en het potentieel aan te boren van een sterker gebruik van nutriënten uit dierlijke bijproducten, zoals dierlijke mest, dienen onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze verordening verwerkingsmethoden en voorschriften inzake nuttige toepassing te worden vastgesteld voor dierlijke bijproducten waarvoor een eindpunt in de productieketen is bepaald. Wanneer het bemestingsproducten betreft die verwerkte dierlijke mest bevatten of daaruit bestaan, moeten er einde-dierlijkemestcriteria worden vastgesteld. Met het oog op de uitbreiding of toevoeging van bestanddelencategorieën, teneinde meer dierlijke bijproducten in de verordening op te nemen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen. Wanneer een dergelijk eindpunt is bereikt voordat het bemestingsproduct met CE-markering in de handel is gebracht, maar nadat het door deze verordening gereguleerde productieproces is begonnen , moeten de procesvoorschriften van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en die van deze verordening cumulatief van toepassing zijn op bemestingsproducten met CE-markering. Dit betekent dat wanneer beide verordeningen dezelfde parameter reguleren, de strengste voorschriften worden toegepast.

Amendement 12

Voorstel voor een verordening

Overweging 10 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 bis)

Voor dierlijke bijproducten die reeds op grote schaal in de lidstaten worden gebruikt voor de productie van meststoffen dient het eindpunt onverwijld en uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening te worden vastgesteld.

Amendement 13

Voorstel voor een verordening

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)

Wanneer een of meer bestanddelen van een bemestingsproduct met CE-markering onder Verordening (EG) nr. 1069/2009 vallen en het eindpunt in de productieketen nog niet hebben bereikt , zou het misleidend zijn als deze verordening in de CE-markering van dat product zou voorzien , aangezien het op de markt aanbieden van dat product onderworpen is aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1069/2009. Dergelijke producten moeten derhalve van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(12)

Het op de markt aanbieden van een dierlijk bijproduct of een afgeleid product waarvoor geen eindpunt in de productieketen is vastgesteld, of waarvoor het vastgestelde eindpunt nog niet is bereikt op het moment dat het product op de markt wordt aangeboden, is onderworpen aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1069/2009. Het zou derhalve misleidend zijn als deze verordening in de CE-markering van het product zou voorzien . Producten die dergelijke dierlijke bijproducten of afgeleide producten bevatten of eruit bestaan, moeten derhalve van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

Amendement 14

Voorstel voor een verordening

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)

Er is vastgesteld dat er op de markt een vraag bestaat om bepaalde afvalstoffen die nuttig zijn toegepast in de zin van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (20) als bemestingsproduct te gebruiken. Om ervoor te zorgen dat het gebruik van die producten niet leidt tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid, zijn bovendien bepaalde eisen noodzakelijk voor de afvalstoffen die als input worden gebruikt in de nuttige toepassing, voor de verwerkingsprocessen en -technieken, en voor de bemestingsproducten die het resultaat zijn van de nuttige toepassing. Wat bemestingsproducten met CE-markering betreft, moeten die eisen in deze verordening worden vastgesteld. Vanaf het moment waarop aan alle eisen van deze verordening wordt voldaan, mogen die producten dus niet meer als afvalstoffen in de zin van Richtlijn 2008/98/EG worden beschouwd.

(13)

Er is vastgesteld dat er op de markt een vraag bestaat om bepaalde afvalstoffen , zoals struviet, biochar en uit as verkregen producten, die nuttig zijn toegepast in de zin van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (20) als bemestingsproduct te gebruiken. Om ervoor te zorgen dat het gebruik van die producten niet leidt tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid, zijn bovendien bepaalde eisen noodzakelijk voor de afvalstoffen die als input worden gebruikt in de nuttige toepassing, voor de verwerkingsprocessen en -technieken, en voor de bemestingsproducten die het resultaat zijn van de nuttige toepassing. Wat bemestingsproducten met CE-markering betreft, moeten die eisen in deze verordening worden vastgesteld. Vanaf het moment waarop aan alle eisen van deze verordening wordt voldaan, mogen die producten dus niet meer als afvalstoffen in de zin van Richtlijn 2008/98/EG worden beschouwd , en derhalve moeten producten die dergelijke nuttig toegepaste afvalstoffen bevatten of daaruit bestaan op de interne markt kunnen worden gebracht . Onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze verordening moet op het niveau van de Unie een aanvang worden gemaakt met de wetenschappelijke analyses en de vaststelling van vereisten inzake nuttige toepassing voor dergelijke producten, teneinde juridische duidelijkheid te garanderen, voordeel te halen uit technische ontwikkelingen en de motivatie onder producenten om meer gebruik te maken van waardevolle afvalstromen verder te stimuleren. Dienovereenkomstig moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om zonder onnodige vertraging uitgebreidere of aanvullende bestanddelencategorieën te bepalen die in aanmerking komen voor gebruik in de productie van bemestingsproducten met CE-markering.

Amendement 15

Voorstel voor een verordening

Overweging 13 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(13 bis)

Bepaalde industriële bijproducten, nevenproducten of gerecycleerde producten afkomstig van specifieke industriële processen worden momenteel door fabrikanten gebruikt als bestanddeel van bemestingsproducten met CE-markering. Voor bestanddelen van bemestingsproducten met CE-markering moeten de eisen in verband met bestanddelencategorieën worden vastgelegd in deze verordening. Vanaf het moment waarop aan alle eisen van deze verordening wordt voldaan, mogen die producten, in voorkomend geval, niet meer als afvalstoffen in de zin van Richtlijn 2008/98/EG worden beschouwd.

Amendement 16

Voorstel voor een verordening

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)

Bepaalde stoffen en mengsels, gewoonlijk aangeduid als agronomische toevoegingsmiddelen, verbeteren het afgiftepatroon van een nutriënt in een meststof. Stoffen en mengsels die op de markt worden aangeboden met de bedoeling om ze om die reden aan bemestingsproducten met CE-markering toe te voegen, moeten op verantwoordelijkheid van de fabrikant van die stoffen en mengsels voldoen aan bepaalde werkzaamheidscriteria en moeten derhalve op grond van deze verordening als bemestingsproducten met CE-markering worden beschouwd. Bovendien moeten voor bemestingsproducten met CE-markering die dergelijke stoffen of mengsels bevatten bepaalde werkzaamheids- en veiligheidscriteria gelden. Dergelijke stoffen en mengsels moeten derhalve ook als bestanddelen voor bemestingsproducten met CE-markering worden gereguleerd.

(14)

Bepaalde stoffen en mengsels, aangeduid als agronomische toevoegingsmiddelen, verbeteren het afgiftepatroon van een nutriënt in een meststof. Stoffen en mengsels die op de markt worden aangeboden met de bedoeling om ze om die reden aan bemestingsproducten met CE-markering toe te voegen, moeten op verantwoordelijkheid van de fabrikant van die stoffen en mengsels voldoen aan bepaalde werkzaamheids-, veiligheids- en milieucriteria en moeten derhalve op grond van deze verordening als bemestingsproducten met CE-markering worden beschouwd. Bovendien moeten voor bemestingsproducten met CE-markering die dergelijke stoffen of mengsels bevatten bepaalde werkzaamheids-, veiligheids- en milieucriteria gelden. Dergelijke stoffen en mengsels moeten derhalve ook als bestanddelen voor bemestingsproducten met CE-markering worden gereguleerd.

Amendement 17

Voorstel voor een verordening

Overweging 14 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(14 bis)

Indien producten die behalve uit bemestingsbestanddelen bestaan uit andere stoffen en mengsels bedoeld zijn om aan de bodem te worden toegevoegd en vrijkomen in het milieu, dienen de conformiteitscriteria van toepassing te zijn op alle materialen waaruit het product is samengesteld, in het bijzonder wanneer zij klein zijn of uiteenvallen in kleine fragmenten die in de bodem en in watersystemen verspreid worden en in de ruimere omgeving kunnen terechtkomen. Daarom moeten criteria inzake biologische afbreekbaarheid en conformiteitstests gelden in realistische in vivo omstandigheden waarin rekening wordt gehouden met verschillende afbraaksnelheden onder anaerobe omstandigheden, in aquatische habitats of onder water, in met water verzadigde omstandigheden of in bevroren grond.

Amendement 18

Voorstel voor een verordening

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)

Bepaalde stoffen, mengsels en micro-organismen, gewoonlijk aangeduid als biostimulanten voor planten, zijn geen nutriënten als zodanig, maar stimuleren wel de voedingsprocessen van planten. Wanneer dergelijke producten als enige doel hebben het gebruik van nutriënten door de plant efficiënter te maken of de tolerantie voor abiotische stress of de kenmerken in verband met de kwaliteit van het gewas te verbeteren, hebben zij in wezen meer gemeen met bemestingsproducten dan met de meeste categorieën gewasbeschermingsmiddelen. Die producten moeten derhalve in aanmerking komen voor CE-markering op grond van deze verordening en uitgesloten worden van het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (21). Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(15)

Bepaalde stoffen, mengsels en micro-organismen, aangeduid als biostimulanten voor planten, voegen geen nutriënten als zodanig toe , maar stimuleren wel de natuurlijke voedingsprocessen van planten. Wanneer dergelijke producten als enige doel hebben het gebruik van nutriënten door de plant efficiënter te maken of de tolerantie voor abiotische stress, de kenmerken in verband met de kwaliteit van het gewas of de afbraak van organische bodembestanddelen te verbeteren, of de beschikbaarheid van nutriënten in de rizosfeer te vergroten, hebben zij in wezen meer gemeen met bemestingsproducten dan met de meeste categorieën gewasbeschermingsmiddelen. Hun werking vormt dus een aanvulling op die van meststoffen en is bedoeld om de efficiëntie van meststoffen vergroten zodat er minder nutriënten moeten worden gebruikt. Die producten moeten derhalve in aanmerking komen voor CE-markering op grond van deze verordening en uitgesloten worden van het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (21). Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

Amendement 19

Voorstel voor een verordening

Overweging 15 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 bis)

Voor micro-organismen moeten de bestanddelencategorieën worden uitgebreid of aangevuld om het innovatieve potentieel van de ontwikkeling en ontdekking van nieuwe microbiële biostimulanten voor planten te garanderen en te vergroten. Om innovatie te stimuleren en rechtszekerheid te scheppen voor producenten over de eisen waaraan moet worden voldaan om micro-organismen te gebruiken als bestanddelen van bemestingsproducten met CE-markering, moeten er duidelijke geharmoniseerde methoden voor de veiligheidsbeoordeling van micro-organismen worden vastgesteld. Meteen na de inwerkingtreding van deze verordening moet worden aangevangen met de voorbereidende werkzaamheden voor het bepalen van deze veiligheidsbeoordelingsmethoden. De bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen, moet aan de Commissie worden overgedragen om zonder onnodige vertraging te bepalen aan welke eisen producenten moeten voldoen bij het aantonen van de veiligheid van micro-organismen met het oog op gebruik in bemestingsproducten met CE-markering.

Amendement 20

Voorstel voor een verordening

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)

Op producten met een of meer functies, waarvan er een onder Verordening (EG) nr. 1107/2009 valt, moet de controle van toepassing blijven die op die producten is afgestemd en waarin die verordening voorziet. Wanneer dergelijke producten ook de functie van bemestingsproduct hebben, zou het misleidend zijn als deze verordening in de CE-markering van die producten zou voorzien, aangezien het op de markt aanbieden van een gewasbeschermingsmiddel afhangt van een producttoelating die geldig is in de betrokken lidstaat. Dergelijke producten moeten derhalve van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(16)

Producten met een of meer functies, waarvan er een onder Verordening (EG) nr. 1107/2009 valt, zijn gewasbeschermingsmiddelen die onder het toepassingsgebied van die verordening vallen. Op die producten moet de controle van toepassing blijven die op die producten is afgestemd en waarin die verordening voorziet. Wanneer dergelijke producten ook de functie of werking van bemestingsproduct hebben, zou het misleidend zijn als deze verordening in de CE-markering van die producten zou voorzien, aangezien het op de markt aanbieden van een gewasbeschermingsmiddel afhangt van een producttoelating die geldig is in de betrokken lidstaat. Dergelijke producten moeten derhalve van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

Amendement 21

Voorstel voor een verordening

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17)

Deze verordening mag geen beletsel vormen voor de toepassing van bestaande wetgeving van de Unie betreffende aspecten van de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het milieu waarop deze verordening geen betrekking heeft. Deze verordening moet derhalve van toepassing zijn behoudens Richtlijn 86/278/EEG van de Raad (22), Richtlijn 89/391/EEG van de Raad (23), Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (24), Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (25), Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie (26), Richtlijn 2000/29/EG van de Raad (27), Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad (28) en Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (29).

(17)

Ongeacht het type van het plantenvoedingsproduct met CE-markering mag deze verordening geen beletsel vormen voor de toepassing van bestaande wetgeving van de Unie betreffende aspecten van de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het milieu waarop deze verordening geen betrekking heeft. Deze verordening moet derhalve van toepassing zijn behoudens Richtlijn 86/278/EEG van de Raad (22), Richtlijn 89/391/EEG van de Raad (23), Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (24), Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (25), Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie (26), Richtlijn 2000/29/EG van de Raad (27), Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad (28), Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (29) , Richtlijn 91/676/EEG van de Raad  (29 bis) en Richtlijn 2000/60/EG  (29 ter).

 

Amendement 22

Voorstel voor een verordening

Overweging 17 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(17 bis)

De traceerbaarheid van producten tot aan de bron van het organische materiaal waarbij het risico bestaat van organische verontreiniging door stoffen die afkomstig zijn uit bepaalde potentieel problematische (of als zodanig beschouwde) bronnen, moet worden gewaarborgd. Dit is noodzakelijk om het vertrouwen van de consument zeker te stellen en de schade te beperken indien zich lokaal verontreiniging voordoet. Op die manier kunnen de bedrijven in kaart worden gebracht die bemestingsproducten gebruiken met uit die bronnen afkomstig organisch materiaal. Dit moet verplicht worden gesteld voor producten die materiaal bevatten dat afkomstig is van afvalstoffen of bijproducten die niet zijn onderworpen aan een procedé om organische verontreinigende stoffen, ziekteverwekkers en genetisch materiaal te vernietigen. Doel is om niet alleen de gezondheids- en milieurisico's te beperken, maar ook om het publiek gerust te stellen en de bedenkingen van landbouwers met betrekking tot ziekteverwekkers, organische verontreinigende stoffen en genetisch materiaal weg te nemen. Om grondeigenaren te beschermen tegen onopzettelijke verontreinigingen worden de lidstaten verzocht passende aansprakelijkheidsregelingen in te stellen.

Amendement 23

Voorstel voor een verordening

Overweging 17 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(17 ter)

Onbehandelde bijproducten van de veeteelt dienen niet onder deze verordening te vallen.

Amendement 24

Voorstel voor een verordening

Overweging 19 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 bis)

In het kader van de circulaire economie worden bepaalde industriële bij- of nevenproducten die bij specifieke industriële processen ontstaan door fabrikanten reeds gebruikt als bestanddeel van bemestingsproducten met CE-markering. De toepasselijke eisen voor dergelijke bestanddelencategorieën dienen te worden vastgesteld in bijlage II.

Amendement 25

Voorstel voor een verordening

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)

Een blend van verschillende bemestingsproducten met CE-markering , die elk met succes een beoordeling van hun conformiteit met de voor dat materiaal toepasselijke eisen hebben ondergaan, kan worden beschouwd als zijnde geschikt voor gebruik als bemestingsproduct met CE-markering, waarbij slechts aan bepaalde bijkomende eisen naar aanleiding van het mengen moet worden voldaan. Om onnodige administratieve lasten te voorkomen, moeten dergelijke blends in een afzonderlijke categorie worden ingedeeld, waarvoor de conformiteitsbeoordeling moet worden beperkt tot de bijkomende eisen naar aanleiding van het mengen.

(20)

Een combinatie van producten uit verschillende productfunctiecategorieën , die elk met succes een beoordeling van hun conformiteit met de voor dat materiaal toepasselijke eisen hebben ondergaan, kan worden beschouwd als zijnde geschikt voor gebruik als bemestingsproduct met CE-markering, waarbij slechts aan bepaalde bijkomende eisen naar aanleiding van het mengen moet worden voldaan. Om onnodige administratieve lasten te voorkomen, moeten dergelijke combinaties in een afzonderlijke categorie worden ingedeeld, waarvoor de conformiteitsbeoordeling moet worden beperkt tot de bijkomende eisen naar aanleiding van het mengen.

 

(Dit amendement heeft tevens betrekking op een horizontale wijziging betreffende de term „blend” (in het enkelvoud of meervoud), die gewijzigd wordt in „combinatie” (in het enkelvoud of meervoud). Indien de medewetgevers dit overeenkomen, zijn deze wijzigingen van toepassing op de gehele tekst, met inbegrip van die delen die tot uiting komen in onderstaande amendementen.)

Amendement 26

Voorstel voor een verordening

Overweging 25

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(25)

Om het markttoezicht mogelijk te maken, moet een importeur die een bemestingsproduct met CE-markering in de handel brengt zijn of haar naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde merknaam en het postadres waarop contact met hem of haar kan worden opgenomen op de verpakking van het bemestingsproduct vermelden.

(25)

Om het markttoezicht mogelijk te maken, moet een importeur die een product met CE-markering in de handel brengt zijn of haar naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde merknaam en het postadres waarop contact met hem of haar kan worden opgenomen , alsook de naam van de fabrikant uit een derde land op de verpakking van het product vermelden.

Amendement 27

Voorstel voor een verordening

Overweging 31

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(31)

Wanneer er geen geharmoniseerde normen zijn vastgesteld of wanneer de geharmoniseerde normen niet voldoende gegevens bevatten betreffende alle elementen van de kwaliteits- en veiligheidseisen van deze verordening, kunnen uniforme voorwaarden voor de implementatie van die eisen nodig zijn. De Commissie moet derhalve de bevoegdheid krijgen om uitvoeringshandelingen vast te stellen waarin die voorwaarden in gemeenschappelijke specificaties worden vastgesteld. Omwille van de rechtszekerheid moet worden verduidelijkt dat bemestingsproducten met CE-markering aan die specificaties moeten voldoen, ook al worden zij beschouwd te voldoen aan geharmoniseerde normen.

(31)

Wanneer er geen geharmoniseerde normen zijn vastgesteld of wanneer de geharmoniseerde normen niet voldoende gegevens bevatten betreffende alle elementen van de kwaliteits- en veiligheidseisen van deze verordening en wanneer er sprake is van onnodige vertraging bij de vaststelling of bijwerking van op die eisen gebaseerde normen , kunnen voorlopige maatregelen tot vaststelling van uniforme voorwaarden voor de implementatie van die eisen nodig zijn. De Commissie moet derhalve de bevoegdheid krijgen om uitvoeringshandelingen vast te stellen waarin die voorwaarden in gemeenschappelijke specificaties worden vastgesteld. Omwille van de rechtszekerheid moet worden verduidelijkt dat bemestingsproducten met CE-markering aan die specificaties moeten voldoen, ook al worden zij beschouwd te voldoen aan geharmoniseerde normen.

Amendement 28

Voorstel voor een verordening

Overweging 47

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(47)

Bemestingsproducten met CE-markering mogen slechts in de handel worden gebracht indien zij voldoende doeltreffend zijn en geen onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid of voor het milieu inhouden wanneer zij naar behoren worden opgeslagen en worden gebruikt waarvoor zij bestemd zijn alsook in gebruiksomstandigheden die redelijkerwijs kunnen worden voorzien, d.w.z. een gebruik dat het gevolg zou kunnen zijn van rechtmatig en gemakkelijk voorspelbaar menselijk gedrag. Derhalve moeten veiligheids- en kwaliteitseisen worden vastgesteld alsook passende controlemechanismen. Bovendien mag het beoogde gebruik van bemestingsproducten met CE-markering er niet toe leiden dat levensmiddelen of diervoeders onveilig worden.

(47)

Bemestingsproducten met CE-markering mogen slechts in de handel worden gebracht indien zij voldoende doeltreffend zijn en geen risico voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid of voor het milieu inhouden wanneer zij naar behoren worden opgeslagen en worden gebruikt waarvoor zij bestemd zijn alsook in gebruiksomstandigheden die redelijkerwijs kunnen worden voorzien, d.w.z. een gebruik dat het gevolg zou kunnen zijn van rechtmatig en gemakkelijk voorspelbaar menselijk gedrag. Derhalve moeten veiligheids- en kwaliteitseisen worden vastgesteld alsook passende controlemechanismen. Bovendien mag het beoogde gebruik van bemestingsproducten met CE-markering er niet toe leiden dat levensmiddelen of diervoeders onveilig worden.

Amendement 29

Voorstel voor een verordening

Overweging 49

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(49)

Het bestaande systeem moet worden aangevuld met een procedure om belanghebbenden te informeren over voorgenomen maatregelen tegen bemestingsproducten met CE-markering die een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, de veiligheid of het milieu inhouden. Deze procedure moet markttoezichtautoriteiten ook in staat stellen samen met de betrokken marktdeelnemers vroegtijdig tegen dergelijke bemestingsproducten op te treden.

(49)

Het bestaande systeem moet worden aangevuld met een procedure om alle belanghebbenden , onder meer op het gebied van gezondheid en consumentenzaken, te informeren over voorgenomen maatregelen tegen bemestingsproducten met CE-markering die een risico voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, de veiligheid of het milieu inhouden. Deze procedure moet markttoezichtautoriteiten ook in staat stellen samen met de betrokken marktdeelnemers vroegtijdig tegen dergelijke bemestingsproducten op te treden.

Amendement 30

Voorstel voor een verordening

Overweging 55

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(55)

Op het gebied van recycling van afvalstoffen wordt veelbelovende technische vooruitgang geboekt, bijvoorbeeld recycling van fosfor uit zuiveringsslib en de productie van bemestingsproducten op basis van dierlijke bijproducten, zoals biochar. Wanneer de productieprocessen wetenschappelijk zijn geanalyseerd en er op Unie-niveau procesvoorschriften zijn vastgesteld, moeten producten die dergelijke materialen bevatten of eruit bestaan zonder onnodige vertraging toegang krijgen tot de interne markt. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ter bepaling van bredere of bijkomende categorieën bemestingsproducten met CE-markering of bestanddelen die in aanmerking komen om voor de productie van die producten te worden gebruikt. Voor dierlijke bijproducten mogen de bestanddelencategorieën slechts worden uitgebreid of mogen er slechts bestanddelencategorieën worden toegevoegd indien een eindpunt in de productieketen is vastgesteld overeenkomstig de procedures van Verordening (EG) nr. 1069/2009 , aangezien dierlijke bijproducten waarvoor geen eindpunt is vastgesteld in alle gevallen van het toepassingsgebied van deze verordening zijn uitgesloten .

(55)

Op het gebied van recycling van afvalstoffen wordt veelbelovende technische vooruitgang geboekt, bijvoorbeeld recycling van fosfor uit zuiveringsslib , zoals struviet, de productie van bemestingsproducten op basis van dierlijke bijproducten, zoals biochar , en de nuttige toepassing van fosfor na verbranding, zoals uit as verkregen producten . Wanneer de productieprocessen wetenschappelijk zijn geanalyseerd en er op Unie-niveau procesvoorschriften zijn vastgesteld, moeten producten die dergelijke materialen bevatten of eruit bestaan zonder onnodige vertraging toegang krijgen tot de interne markt. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om te bepalen of dergelijke materialen in aanmerking komen voor gebruik in de productie . Voor producten die zijn afgeleid van dierlijke bijproducten mogen de bestanddelencategorieën slechts worden uitgebreid of mogen er slechts bestanddelencategorieën worden toegevoegd indien een eindpunt in de productieketen is vastgesteld overeenkomstig de procedures van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

Amendement 31

Voorstel voor een verordening

Overweging 55 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(55 bis)

Een bemestingsproduct met CE-markering mag naast nutriëntenpolymeren ook andere polymeren bevatten, hoewel dit beperkt moet blijven tot gevallen waarin de polymeer tot doel heeft de afgifte van nutriënten te reguleren of de vochtopnamecapaciteit van het bemestingsproduct met CE-markering te verhogen. Het moet mogelijk zijn innovatieve producten die dergelijke polymeren bevatten toe te laten op de interne markt. Om de risico's voor de menselijke gezondheid, de veiligheid en het milieu van andere polymeren dan nutriëntenpolymeren tot een minimum te beperken, dienen de criteria te worden vastgelegd voor hun biologische afbreekbaarheid zodat ze langs fysische en biologische weg kunnen worden afgebroken. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de criteria voor de omzetting van koolstofpolymeren in koolstofdioxide (CO2) en een testmethode inzake biologische afbreekbaarheid te bepalen.

Amendement 32

Voorstel voor een verordening

Overweging 56

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(56)

Bovendien moet het mogelijk zijn om onmiddellijk te reageren op nieuwe bevindingen betreffende de voorwaarden waaronder bemestingsproducten met CE-markering voldoende doeltreffend zijn en op nieuwe risicobeoordelingen betreffende de gezondheid van mensen, dieren of planten, de veiligheid of het milieu. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen om de eisen voor de verschillende categorieën bemestingsproducten met CE-markering te wijzigen.

(56)

Bovendien moet het mogelijk zijn om onmiddellijk te reageren op nieuwe bevindingen betreffende de voorwaarden waaronder bemestingsproducten met CE-markering voldoende doeltreffend zijn en op nieuwe risicobeoordelingen betreffende de gezondheid van mensen, dieren of planten, de veiligheid of het milieu , met inachtneming van beoordelingen die zijn gemaakt door of in samenwerking met autoriteiten in de lidstaten . Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen om de eisen voor de verschillende categorieën bemestingsproducten met CE-markering te wijzigen.

Amendement 33

Voorstel voor een verordening

Overweging 57

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(57)

Bij de uitoefening van die bevoegdheden is het van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad .

(57)

Wanneer zij gedelegeerde handelingen vaststelt zoals bepaald in deze verordening, is het van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau , en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen .

Amendement 34

Voorstel voor een verordening

Overweging 59 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(59 bis)

Aangezien de Unie sterk afhankelijk is van de invoer van natuurfosfaat, heeft de Commissie dit materiaal als kritieke grondstof geclassificeerd. Derhalve moet toezicht worden gehouden op de gevolgen van deze verordening voor de toegang tot de grondstofvoorraden in het algemeen, de beschikbaarheid van natuurfosfaat in het bijzonder, en in beide gevallen voor de prijzen. Na een dergelijke beoordeling en in geval van negatieve gevolgen moet de Commissie alle maatregelen nemen die zij passend acht om deze handelsverstoringen te verhelpen.

Amendement 35

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — lid 1 — alinea 2 — letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)

dierlijke bijproducten waarop de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van toepassing zijn ,

a)

dierlijke bijproducten of afgeleide producten die overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1069/2009 op de markt worden aangeboden ,

Amendement 36

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — lid 2 — letter b bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

b bis)

Richtlijn 91/676/EEG;

Amendement 37

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — lid 2 — letter b ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

b ter)

Richtlijn 2000/60/EG;

Amendement 38

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 — lid 1 — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1)

bemestingsproduct ”: een stof die of een mengsel, micro-organisme of elk ander materiaal dat, als zodanig of gemend met een ander materiaal, wordt aangebracht of bestemd is om te worden aangebracht op planten of hun rizosfeer om de planten nutriënten te verschaffen of hun voedingsefficiëntie te verbeteren;

1)

plantenvoedingsproduct ”: een stof die of een mengsel, micro-organisme of elk ander materiaal dat, als zodanig of gemengd met een ander materiaal, wordt aangebracht of bestemd is om te worden aangebracht op schimmels of hun mycosfeer of op planten in elke groeifase, met inbegrip van zaden, en/ of hun rizosfeer , met het doel planten of schimmels nutriënten te verschaffen of hun fysieke of biologische groeiomstandigheden of hun algemene groeikracht, opbrengst en kwaliteit te verbeteren , onder meer door het vermogen van de plant om nutriënten op te nemen te vergroten (met uitzondering van gewasbeschermingsmiddelen die onder Verordening (EG) nr. 1107/2009 vallen) ;

Amendement 39

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 — alinea 1 — punt 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3)

„stof”: een stof in de zin van artikel 3, punt 1 , van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ;

3)

„stof”: een chemisch element en de verbindingen ervan, zoals zij voorkomen in natuurlijke toestand of bij de vervaardiging ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit ervan en alle onzuiverheden ten gevolge van het toegepaste procedé , doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt gewijzigd ;

Amendement 40

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 — alinea 1 — punt 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

13)

„technische specificatie”: een document dat de technische eisen voorschrijft waaraan een bemestingsproduct met CE-markering moet voldoen;

13)

„technische specificatie”: een document dat de technische eisen voorschrijft waaraan een bemestingsproduct met CE-markering of het productieproces ervan moet voldoen;

Amendement 41

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten mogen het op de markt aanbieden van bemestingsproducten met CE-markering die voldoen aan deze verordening niet belemmeren.

De lidstaten mogen het op de markt aanbieden van bemestingsproducten met CE-markering die voldoen aan deze verordening niet belemmeren met betrekking tot de aspecten en risico's die onder deze verordening vallen .

Amendement 42

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 — alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Deze verordening belet de lidstaten niet om betreffende het gebruik van bemestingsproducten met CE-markering voorschriften te handhaven of vast te stellen die in overeenstemming zijn met de Verdragen, met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, mits deze bepalingen geen modificatie vereisen van bemestingsproducten met CE-markering die in overeenstemming zijn met deze verordening en op voorwaarde dat zij geen invloed hebben op de voorwaarden voor het op de markt aanbieden van die producten.

Amendement 44

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 — lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.     De Commissie publiceert gelijktijdig met de publicatie van deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie een document met richtsnoeren waarin zij fabrikanten en markttoezichtautoriteiten duidelijke informatie geeft over hoe het etiket eruit dient te zien, geïllustreerd met voorbeelden. In deze richtsnoeren wordt ook andere relevante informatie in de zin van deel I, punt 2, onder d), van bijlage III gespecificeerd.

Amendement 45

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   Fabrikanten bewaren de technische documentatie en de EU-conformiteitsverklaring gedurende tien jaar nadat het bemestingsproduct met CE-markering waarop die documenten betrekking hebben in de handel is gebracht.

3.   Fabrikanten bewaren de technische documentatie en de EU-conformiteitsverklaring gedurende vijf jaar nadat het bemestingsproduct met CE-markering waarop die documenten betrekking hebben in de handel is gebracht.

 

(Dit is een horizontaal amendement met betrekking tot de termijn voor het bewaren van alle technische documentatie. Indien de medewetgevers dit overeenkomen, zijn deze wijzigingen van toepassing op de gehele tekst, met inbegrip van die delen die tot uiting komen in onderstaande amendementen.)

Amendement 46

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 4 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Fabrikanten zorgen ervoor dat zij beschikken over procedures om de conformiteit met deze verordening van bemestingsproducten met CE-markering die in serie worden geproduceerd, te blijven waarborgen. Er wordt terdege rekening gehouden met veranderingen in de productiemethode of in de kenmerken van die bemestingsproducten en met veranderingen in de geharmoniseerde normen, in de in artikel 13 bedoelde gemeenschappelijke specificaties of in andere technische specificaties waarnaar in de conformiteitsverklaring van een bemestingsproduct met CE-markering is verwezen.

Fabrikanten zorgen ervoor dat zij beschikken over procedures om de conformiteit met deze verordening van bemestingsproducten met CE-markering die in serie worden geproduceerd, te blijven waarborgen. Er wordt terdege rekening gehouden met veranderingen in de kenmerken van die bemestingsproducten en met veranderingen in de geharmoniseerde normen, in de in artikel 13 bedoelde gemeenschappelijke specificaties of in andere technische specificaties waarnaar in de conformiteitsverklaring van een bemestingsproduct met CE-markering is verwezen.

Amendement 47

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 4 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Indien dit rekening houdend met de prestaties of de risico's van een bemestingsproduct met CE-markering passend wordt geacht, voeren fabrikanten steekproeven uit op dergelijke op de markt aangeboden bemestingsproducten, onderzoeken zij klachten, niet-conforme bemestingsproducten met CE-markering en terugroepingen van dergelijke producten en houden zij daarvan zo nodig een register bij, en houden zij de distributeurs op de hoogte van dergelijk toezicht.

Indien dit rekening houdend met de prestaties of de risico's van een bemestingsproduct met CE-markering passend wordt geacht, voeren fabrikanten ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van de consumenten en het milieu steekproeven uit op dergelijke op de markt aangeboden bemestingsproducten, onderzoeken zij klachten, niet-conforme bemestingsproducten met CE-markering en terugroepingen van dergelijke producten en houden zij daarvan een register bij, en houden zij de distributeurs en de markttoezichtautoriteiten op de hoogte van dergelijk toezicht.

Amendement 48

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.   Fabrikanten vermelden hun naam, hun geregistreerde handelsnaam of hun geregistreerde merknaam en het postadres waarop contact met hen kan worden opgenomen op de verpakking van het bemestingsproduct met CE-markering, of wanneer het bemestingsproduct onverpakt wordt geleverd, in een bij het bemestingsproduct gevoegd document. Het postadres geeft één enkele plaats aan waar de fabrikant kan worden gecontacteerd. De contactgegevens worden gesteld in een voor eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk te begrijpen taal.

6.   Fabrikanten vermelden hun naam, hun geregistreerde handelsnaam of hun geregistreerde merknaam en het postadres waarop contact met hen kan worden opgenomen op de verpakking van het bemestingsproduct met CE-markering, of wanneer het bemestingsproduct onverpakt wordt geleverd, in een bij het bemestingsproduct gevoegd document. Het postadres geeft één enkele plaats aan waar de fabrikant kan worden gecontacteerd. Dergelijke informatie wordt gesteld in een voor eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk te begrijpen taal , als bepaald door de betrokken lidstaat, en is duidelijk, begrijpelijk en leesbaar .

Amendement 49

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7.   Fabrikanten zorgen ervoor dat bemestingsproducten met CE-markering overeenkomstig bijlage III zijn voorzien van een etiket, of wanneer een bemestingsproduct onverpakt wordt geleverd, dat de vermeldingen op het etiket zijn opgenomen in een bij het bemestingsproduct gevoegd document dat kan worden geraadpleegd voor inspectie wanneer het product in de handel wordt gebracht . De vermeldingen op het etiket worden gesteld in een voor eindgebruikers gemakkelijk te begrijpen taal, zoals bepaald door de betrokken lidstaat, en zijn duidelijk en begrijpelijk .

7.   Fabrikanten zorgen ervoor dat het bemestingsproduct met CE-markering overeenkomstig bijlage III is voorzien van een etiket, of, wanneer de verpakking te klein is om alle gegevens op het etiket te vermelden of het bemestingsproduct met CE-markering onverpakt wordt geleverd, dat de vereiste informatie wordt verstrekt in een bij het bemestingsproduct met CE-markering gevoegd document . De uit hoofde van bijlage III vereiste informatie wordt gesteld in een voor eindgebruikers gemakkelijk te begrijpen taal, zoals bepaald door de betrokken lidstaat, en is duidelijk , begrijpelijk en verstaanbaar .

Amendement 50

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 10 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

10.   De fabrikant dient bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming voor de volgende bemestingsproducten met CE-markering een verslag in van de in bijlage IV voorgeschreven detonatieproef:

10.   De fabrikant dient bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming een verslag in van de in bijlage IV voorgeschreven detonatieproef en waarborgt dat de volgende bemestingsproducten met CE-markering in staat zijn die test te doorstaan :

Amendement 51

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 10 — alinea 1 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)

bemestingsproductenblends , zoals in bijlage I beschreven in productfunctiecategorie 7, die een onder a) bedoelde meststof bevatten.

b)

combinaties van producten uit verschillende productfunctiecategorieën , zoals in bijlage I beschreven in productfunctiecategorie 7, die een onder a) bedoelde meststof bevatten.

Amendement 52

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 10 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Het verslag wordt ten minste vijf dagen voor die producten in de handel worden gebracht, ingediend.

Het verslag wordt ten minste vijf werkdagen voor die producten in de handel worden gebracht, ingediend. De lijst van bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt door de Commissie beschikbaar gemaakt op haar website.

Amendement 53

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.    Importeurs brengen alleen bemestingsproducten met CE-markering in de handel die aan de gestelde eisen voldoen.

1.    Er kunnen alleen bemestingsproducten met CE-markering die aan de gestelde eisen voldoen in de Unie worden ingevoerd en in de Unie in de handel worden gebracht .

Amendement 54

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   Alvorens een bemestingsproduct met CE-markering in de handel te brengen, zien importeurs erop toe dat de fabrikant de juiste conformiteitsbeoordelingsprocedure zoals bedoeld in artikel 14 heeft uitgevoerd. Zij zorgen ervoor dat de fabrikant de technische documentatie heeft opgesteld, dat het bemestingsproduct met CE-markering vergezeld gaat van de EU-conformiteitsverklaring en de vereiste documenten, en dat de fabrikant aan de eisen van artikel 6, leden 5 en 6, heeft voldaan. Wanneer een importeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een bemestingsproduct met CE-markering niet in overeenstemming is met de toepasselijke eisen van bijlage I, II of III , brengt hij of zij het bemestingsproduct niet in de handel alvorens het conform is gemaakt. Wanneer het bemestingsproduct met CE-markering een onaanvaardbaar risico inhoudt voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid of voor het milieu, brengt de importeur de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte.

2.   Alvorens een bemestingsproduct met CE-markering in de handel te brengen, zien importeurs erop toe dat de fabrikant de juiste conformiteitsbeoordelingsprocedure zoals bedoeld in artikel 14 heeft uitgevoerd. Zij zorgen ervoor dat de fabrikant de technische documentatie heeft opgesteld, dat het bemestingsproduct met CE-markering vergezeld gaat van de EU-conformiteitsverklaring en de vereiste documenten, en dat de fabrikant aan de eisen van artikel 6, leden 5 en 6, heeft voldaan. Wanneer een importeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een bemestingsproduct met CE-markering niet in overeenstemming is met de toepasselijke eisen van deze verordening , brengt hij of zij het bemestingsproduct niet in de handel alvorens het conform is gemaakt. Wanneer het bemestingsproduct met CE-markering een onaanvaardbaar risico inhoudt voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid of voor het milieu, brengt de importeur de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte.

Amendement 55

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   Importeurs vermelden hun naam, hun geregistreerde handelsnaam of hun geregistreerde merknaam en het postadres waarop contact met hen kan worden opgenomen op de verpakking van het bemestingsproduct met CE-markering, of wanneer het bemestingsproduct met CE-markering onverpakt wordt geleverd, in een bij het bemestingsproduct gevoegd document. De contactgegevens worden gesteld in een voor eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk te begrijpen taal.

3.   Importeurs vermelden hun naam, hun geregistreerde handelsnaam of hun geregistreerde merknaam, het postadres waarop contact met hen kan worden opgenomen en de fabrikanten uit derde landen op de verpakking van het bemestingsproduct met CE-markering, of wanneer het bemestingsproduct met CE-markering onverpakt wordt geleverd, in een bij het bemestingsproduct gevoegd document. De contactgegevens worden gesteld in een voor eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk te begrijpen taal.

Amendement 56

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.   Importeurs zorgen ervoor dat het bemestingsproduct met CE-markering overeenkomstig bijlage III is voorzien van een etiket in een voor eindgebruikers gemakkelijk te begrijpen taal, zoals bepaald door de betrokken lidstaat.

4.   Importeurs zorgen ervoor dat het bemestingsproduct met CE-markering overeenkomstig bijlage III is voorzien van een etiket , of, wanneer de verpakking te klein is om alle gegevens op het etiket te vermelden of het bemestingsproduct met CE-markering onverpakt wordt geleverd, dat de vereiste informatie wordt verstrekt in een bij het bemestingsproduct met CE-markering gevoegd document. De uit hoofde van bijlage III vereiste informatie wordt gesteld in een voor eindgebruikers gemakkelijk te begrijpen taal, zoals bepaald door de betrokken lidstaat.

Amendement 57

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 — lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.   Indien dit rekening houdend met de prestaties of de risico's van een bemestingsproduct met CE-markering passend wordt geacht, voeren importeurs steekproeven uit op dergelijke op de markt aangeboden bemestingsproducten, onderzoeken zij klachten, niet-conforme bemestingsproducten met CE-markering en terugroepingen van dergelijke producten en houden zij daarvan zo nodig een register bij, en houden zij de distributeurs op de hoogte van dergelijk toezicht.

6.   Indien dit rekening houdend met de prestaties of de risico's van een bemestingsproduct met CE-markering passend wordt geacht, voeren importeurs ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van de consumenten en het milieu steekproeven uit op dergelijke op de markt aangeboden bemestingsproducten, onderzoeken zij klachten, niet-conforme bemestingsproducten met CE-markering en terugroepingen van dergelijke producten en houden zij daarvan een register bij, en houden zij de distributeurs op de hoogte van dergelijk toezicht.

Amendement 58

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 — lid 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

8.   Importeurs houden gedurende tien jaar nadat het bemestingsproduct met CE-markering in de handel is gebracht, een kopie van de EU-conformiteitsverklaring ter beschikking van de markttoezichtautoriteiten en zorgen ervoor dat de technische documentatie op verzoek aan die autoriteiten kan worden verstrekt.

8.   Importeurs houden gedurende vijf jaar nadat het bemestingsproduct met CE-markering in de handel is gebracht, een kopie van de EU-conformiteitsverklaring ter beschikking van de markttoezichtautoriteiten en zorgen ervoor dat de technische documentatie op verzoek aan die autoriteiten kan worden verstrekt. Op verzoek stellen importeurs een kopie van de EU-conformiteitsverklaring ter beschikking van andere betrokken marktdeelnemers.

Amendement 59

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 — lid 2 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Alvorens een bemestingsproduct met CE-markering op de markt aan te bieden, controleren distributeurs of het vergezeld gaat van de EU-conformiteitsverklaring en de vereiste documenten, of het overeenkomstig bijlage III van een etiket is voorzien in een taal die de eindgebruikers in de lidstaat waar het bemestingsproduct met CE-markering op de markt wordt aangeboden, gemakkelijk kunnen begrijpen, en of de fabrikant en de importeur aan de eisen van respectievelijk artikel 6, leden 5 en 6, en artikel 8, lid 3, hebben voldaan.

Alvorens een bemestingsproduct met CE-markering op de markt aan te bieden, controleren distributeurs of het vergezeld gaat van de vereiste documenten, of het overeenkomstig bijlage III van een etiket is voorzien in een taal die de eindgebruikers in de lidstaat waar het bemestingsproduct met CE-markering op de markt wordt aangeboden, gemakkelijk kunnen begrijpen, en of de fabrikant en de importeur aan de eisen van respectievelijk artikel 6, leden 5 en 6, en artikel 8, lid 3, hebben voldaan. Wanneer de verpakking te klein is om alle gegevens op het etiket te vermelden of het bemestingsproduct met CE-markering onverpakt wordt geleverd, controleren distributeurs of de vereiste informatie wordt verstrekt in een bij het bemestingsproduct met CE-markering gevoegd document.

Amendement 60

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 — lid 2 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer een distributeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een bemestingsproduct met CE-markering niet in overeenstemming is met de toepasselijke eisen van bijlage I, II of III , biedt hij of zij het bemestingsproduct niet aan op de markt alvorens het conform is gemaakt. Wanneer het bemestingsproduct met CE-markering een onaanvaardbaar risico inhoudt voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid of voor het milieu, brengt de distributeur de fabrikant of de importeur hiervan op de hoogte, evenals de markttoezichtautoriteiten.

Wanneer een distributeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een bemestingsproduct met CE-markering niet in overeenstemming is met de toepasselijke eisen van deze verordening , biedt hij of zij het bemestingsproduct niet aan op de markt alvorens het conform is gemaakt. Wanneer het bemestingsproduct met CE-markering een onaanvaardbaar risico inhoudt voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid of voor het milieu, brengt de distributeur de fabrikant of de importeur hiervan op de hoogte, evenals de markttoezichtautoriteiten.

Amendement 61

Voorstel voor een verordening

Artikel 12 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Onverminderd de in artikel 13 bedoelde gemeenschappelijke specificaties, worden bemestingsproducten met CE-markering die conform zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, geacht in overeenstemming te zijn met de in de bijlagen I, II en III beschreven eisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.

Bemestingsproducten met CE-markering die conform zijn met of getest zijn overeenkomstig geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht in overeenstemming te zijn met de respectieve in de bijlagen I, II en III beschreven eisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.

Amendement 62

Voorstel voor een verordening

Artikel 13 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van gemeenschappelijke specificaties waaraan moet worden voldaan om conform te zijn met de in de bijlagen I, II en III beschreven eisen die door die specificaties of delen daarvan worden bestreken . Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 41, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Indien een eis in bijlage I, II of III niet wordt bestreken door geharmoniseerde normen of delen daarvan, waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, en de Commissie na een tot een of meer Europese normalisatieorganisaties gericht verzoek om de opstelling van geharmoniseerde normen voor die eis constateert dat er sprake is van onnodige vertraging bij de vaststelling van die norm, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van gemeenschappelijke specificaties betreffende die eis . Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 41, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Amendement 63

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar aangebracht op de bijgevoegde documenten en , wanneer het bemestingsproduct met CE-markering verpakt wordt geleverd, op de verpakking .

1.   De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar aangebracht op de verpakking van het bemestingsproduct met CE-markering of , wanneer het bemestingsproduct met CE-markering onverpakt wordt geleverd, op de bij het bemestingsproduct met CE-markering gevoegde documenten .

Amendement 64

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 — lid 3 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De CE-markering wordt gevolgd door het identificatienummer van de aangemelde instantie die betrokken is bij de conformiteitsbeoordeling die in bijlage IV , module D1, wordt beschreven .

De CE-markering wordt gevolgd door het identificatienummer van de aangemelde instantie , indien dat overeenkomstig bijlage IV vereist is .

Amendement 65

Voorstel voor een verordening

Artikel 18 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Een bemestingsproduct met CE-markering dat een handeling van nuttige toepassing heeft ondergaan en dat voldoet aan de eisen van deze verordening , wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG en wordt derhalve geacht niet langer afval te zijn.

Wanneer een materiaal dat voordien afval was een handeling van nuttige toepassing heeft ondergaan, en een bemestingsproduct met CE-markering dat aan de in deze verordening gestelde eisen voldoet dit materiaal bevat of eruit bestaat , wordt dat materiaal geacht te voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG en wordt het derhalve geacht niet langer afval te zijn vanaf het moment waarop de EU-conformiteitsverklaring wordt opgesteld .

Amendement 66

Voorstel voor een verordening

Artikel 30 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   De aanmeldende lidstaat verstrekt de Commissie op verzoek alle informatie over de grondslag van de aanmelding of het op peil houden van de bekwaamheid van de betrokken aangemelde instantie.

2.   De aanmeldende autoriteiten verstrekken de Commissie op verzoek alle informatie over de grondslag van de aanmelding of het op peil houden van de bekwaamheid van de betrokken aangemelde instantie.

Amendement 67

Voorstel voor een verordening

Artikel 31 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   Wanneer een aangemelde instantie vaststelt dat een fabrikant niet heeft voldaan aan de eisen van bijlage I, II of III of aan de overeenkomstige geharmoniseerde normen, de in artikel 13 bedoelde gemeenschappelijke specificaties of andere technische specificaties , verlangt zij van die fabrikant dat hij of zij passende corrigerende maatregelen neemt en verleent zij geen certificaat .

3.   Wanneer een aangemelde instantie vaststelt dat een fabrikant niet heeft voldaan aan de eisen van bijlage I, II of III of aan de overeenkomstige geharmoniseerde normen of de in artikel 13 bedoelde gemeenschappelijke specificaties, verlangt zij van die fabrikant dat hij of zij passende corrigerende maatregelen neemt en verleent zij geen conformiteitscertificaat of goedkeuringsbesluit .

Amendement 68

Voorstel voor een verordening

Artikel 31 — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.   Wanneer een aangemelde instantie bij het toezicht op de conformiteit na verlening van een certificaat vaststelt dat een bemestingsproduct met CE-markering niet meer conform is, verlangt zij van de fabrikant dat hij of zij passende corrigerende maatregelen neemt; zo nodig schorst zij het certificaat of trekt zij dit in.

4.   Wanneer een aangemelde instantie bij het toezicht op de conformiteit na verlening van een certificaat of goedkeuringsbesluit vaststelt dat een bemestingsproduct met CE-markering niet meer conform is, verlangt zij van de fabrikant dat hij of zij passende corrigerende maatregelen neemt; zo nodig schorst zij het certificaat of goedkeuringsbesluit, of trekt zij dit in.

Amendement 69

Voorstel voor een verordening

Artikel 31 — lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.   Wanneer geen corrigerende maatregelen worden genomen of de genomen maatregelen niet het vereiste effect hebben, worden de certificaten door de aangemelde instantie naargelang het geval beperkt, geschorst of ingetrokken.

5.   Wanneer geen corrigerende maatregelen worden genomen of de genomen maatregelen niet het vereiste effect hebben en een bemestingsproduct met CE-markering bijgevolg nog steeds niet voldoet aan de voorschriften van deze verordening , worden de certificaten of goedkeuringsbesluiten door de aangemelde instantie naargelang het geval beperkt, geschorst of ingetrokken.

Amendement 70

Voorstel voor een verordening

Artikel 33 — lid 1 — letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)

elke weigering, beperking, schorsing of intrekking van certificaten;

a)

elke weigering, beperking, schorsing of intrekking van certificaten of goedkeuringsbesluiten ;

Amendement 71

Voorstel voor een verordening

Artikel 37 — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Procedure voor bemestingsproducten met CE-markering die op nationaal niveau een risico vertonen

Procedure op nationaal niveau voor bemestingsproducten met CE-markering die een risico vertonen

Amendement 72

Voorstel voor een verordening

Artikel 37 — lid 1 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een bemestingsproduct met CE-markering een onaanvaardbaar risico inhoudt voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid of voor het milieu , voeren zij een beoordeling van het betrokken bemestingsproduct uit in het licht van de in deze verordening vastgestelde eisen. De desbetreffende marktdeelnemers werken hiertoe op elke vereiste wijze met de markttoezichtautoriteiten samen.

Wanneer de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een bemestingsproduct met CE-markering een risico inhoudt voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid , het milieu of andere onder deze verordening vallende aspecten inzake de bescherming van algemene belangen , voeren zij een beoordeling van het betrokken bemestingsproduct uit in het licht van alle in deze verordening vastgestelde eisen. De desbetreffende marktdeelnemers werken hiertoe op elke vereiste wijze met de markttoezichtautoriteiten samen.

 

(Dit amendement heeft tevens betrekking op een horizontale wijziging betreffende de term „onaanvaardbaar risico” (in het enkelvoud of meervoud), die gewijzigd wordt in „risico” (in het enkelvoud). Indien de medewetgevers dit overeenkomen, zijn deze wijzigingen van toepassing op de gehele tekst, met inbegrip van die delen die tot uiting komen in onderstaande amendementen.)

Amendement 73

Voorstel voor een verordening

Artikel 37 — lid 1 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer de markttoezichtautoriteiten bij de beoordeling vaststellen dat het bemestingsproduct met CE-markering niet aan de eisen van deze verordening voldoet, verlangen zij onverwijld van de marktdeelnemer dat hij of zij binnen een redelijke termijn alle passende corrigerende maatregelen neemt om het bemestingsproduct met deze eisen in overeenstemming te maken , het uit de handel te nemen , het terug te roepen, of om de CE-markering te verwijderen.

Wanneer de markttoezichtautoriteiten bij de beoordeling vaststellen dat het bemestingsproduct met CE-markering niet aan de eisen van deze verordening voldoet, verlangen zij onverwijld van de marktdeelnemer dat hij of zij alle passende corrigerende maatregelen neemt om het bemestingsproduct binnen een door die autoriteiten vast te stellen redelijke termijn die evenredig is met de aard van het risico, met deze eisen in overeenstemming te brengen , uit de handel te nemen of terug te roepen, en om de CE-markering te verwijderen.

Amendement 74

Voorstel voor een verordening

Artikel 37 — lid 4 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer de desbetreffende marktdeelnemer niet binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt, nemen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markt aanbieden van het bemestingsproduct met CE-markering te verbieden of te beperken, dan wel het bemestingsproduct in de betrokken lidstaat uit de handel te nemen of terug te roepen.

Wanneer de desbetreffende marktdeelnemer niet binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt, nemen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markt aanbieden van het bemestingsproduct met CE-markering te verbieden of te beperken, dan wel het bemestingsproduct in de betrokken lidstaat uit de handel te nemen of terug te roepen. De verplichtingen van de markttoezichtautoriteiten in dit verband beletten de lidstaten niet om regelgeving vast te stellen voor bemestingsproducten zonder CE-markering die op de markt worden aangeboden.

Amendement 75

Voorstel voor een verordening

Artikel 37 — lid 5 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)

tekortkomingen in de geharmoniseerde normen waarnaar in artikel 12 wordt verwezen als normen die een vermoeden van conformiteit vestigen.

b)

tekortkomingen in de geharmoniseerde normen waarnaar in artikel 12 wordt verwezen;

Amendement 76

Voorstel voor een verordening

Artikel 37 — lid 5 — letter b bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

b bis)

tekortkomingen in de gemeenschappelijke specificaties waarnaar in artikel 13 wordt verwezen.

Amendement 77

Voorstel voor een verordening

Artikel 38 — lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.     Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en de niet-conformiteit van het bemestingsproduct met CE-markering wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de gemeenschappelijke specificaties zoals bedoeld in artikel 37, lid 5, onder b bis), stelt de Commissie onverwijld uitvoeringshandelingen vast tot wijziging of intrekking van de betrokken gemeenschappelijke specificatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 41, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Amendement 78

Voorstel voor een verordening

Artikel 39 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Wanneer een lidstaat na uitvoering van een beoordeling overeenkomstig artikel 37, lid 1, vaststelt dat een bemestingsproduct met CE-markering dat conform is met deze verordening toch een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid of voor het milieu inhoudt , verlangt deze lidstaat van de desbetreffende marktdeelnemer dat hij of zij binnen een redelijke termijn alle passende maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het betrokken bemestingsproduct dat risico niet meer inhoudt wanneer het in de handel wordt gebracht , om het uit de handel te nemen of om het terug te roepen.

1.   Wanneer een lidstaat na uitvoering van een beoordeling overeenkomstig artikel 37, lid 1, vaststelt dat een bemestingsproduct met CE-markering dat conform is met deze verordening toch een risico inhoudt voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid of voor het milieu of andere onder deze verordening vallende aspecten inzake de bescherming van algemene belangen , verlangt deze lidstaat van de desbetreffende marktdeelnemer dat hij of zij binnen een door de markttoezichtautoriteit vast te stellen redelijke termijn die evenredig is met de aard van het risico alle passende maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het betrokken bemestingsproduct dat risico niet meer inhoudt wanneer het op de markt wordt aangeboden , om het uit de handel te nemen of om het terug te roepen.

Amendement 79

Voorstel voor een verordening

Artikel 40 — lid 1 — letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)

het bemestingsproduct met CE-markering gaat niet vergezeld van de EU-conformiteitsverklaring;

c)

er is geen EU-conformiteitsverklaring opgesteld ;

Amendement 80

Voorstel voor een verordening

Artikel 42 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlagen I tot en met IV te wijzigen om deze aan de technische vooruitgang aan te passen en de toegang tot de interne markt en het vrije verkeer te vergemakkelijken voor nieuwe bemestingsproducten met CE-markering

1.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlagen I tot en met IV te wijzigen om deze aan de technische vooruitgang aan te passen , rekening houdend met producten en materialen die reeds zijn toegelaten in de lidstaten en in het bijzonder wat de productie van meststoffen uit dierlijke bijproducten en producten die zijn verkregen uit de nuttige toepassing van afval betreft, en met als doel de toegang tot de interne markt en het vrije verkeer te vergemakkelijken voor nieuwe bemestingsproducten met CE-markering

a)

waarin waarschijnlijk aanzienlijk zal worden gehandeld op de interne markt, en

a)

waarin mogelijk aanzienlijk zal worden gehandeld op de interne markt, en

b)

waarvoor wetenschappelijk bewijs bestaat dat zij geen onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, de veiligheid of het milieu inhouden en dat zij voldoende doeltreffend zijn.

b)

waarvoor wetenschappelijk bewijs bestaat dat zij geen risico voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, de veiligheid of het milieu inhouden en dat zij voldoende doeltreffend zijn.

Amendement 81

Voorstel voor een verordening

Artikel 42 — lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.     Onverwijld na … [datum van de inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie overeenkomstig lid 1 gedelegeerde handelingen vast om de in bijlage II vermelde bestanddelencategorieën te wijzigen, teneinde met name dierlijke bijproducten waarvoor het eindpunt is bepaald, struviet, biochar en uit as verkregen producten toe te voegen aan die bestanddelencategorieën, en om de vereisten vast te stellen voor het opnemen van deze producten in die categorieën. Bij de vaststelling van die gedelegeerde handelingen houdt de Commissie specifiek rekening met de technologische vooruitgang op het gebied van de nuttige toepassing van nutriënten.

Amendement 345

Voorstel voor een verordening

Artikel 42 — lid 1 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 ter.     De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de datum van inwerkingtreding uit te stellen van de grenswaarde van 20 mg/kg, als bedoeld in bijlage I, deel II, Productfunctiecategorie 1 B), punt 3, onder a), 2), en bijlage I, deel II, Productfunctiecategorie 1 C) I), punt 2, onder a), 2), indien zij op basis van een grondige effectbeoordeling over aanwijzingen beschikt dat de invoering van een striktere grenswaarde de voorziening van bemestingsproducten in de Unie ernstig in het gedrang zou brengen.

Amendement 82

Voorstel voor een verordening

Artikel 42 — lid 2 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   Wanneer de Commissie ingevolge lid 1 bijlage II wijzigt om nieuwe micro-organismen toe te voegen aan de bestanddelencategorie voor die organismen, doet zij dat op basis van de volgende gegevens:

2.   Wanneer de Commissie bijlage II wijzigt om nieuwe stammen van micro-organismen toe te voegen aan de bestanddelencategorie voor die organismen , na te hebben gecontroleerd dat alle betrokken stammen van de bijkomende micro-organismen voldoen aan de voorwaarden van lid 1, onder b), van dit artikel , doet zij dat op basis van de volgende gegevens:

Amendement 83

Voorstel voor een verordening

Artikel 42 — lid 2 — letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)

de naam van het micro-organisme;

a)

de naam van het micro-organisme op stamniveau ;

Amendement 84

Voorstel voor een verordening

Artikel 42 — lid 2 — letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)

historische gegevens over de veilige productie en het veilige gebruik van het micro-organisme;

c)

wetenschappelijke literatuur waarin de veilige productie en het veilige gebruik van het micro-organisme wordt beschreven ;

Amendement 85

Voorstel voor een verordening

Artikel 42 — lid 2 — letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)

het taxonomische verband met soorten micro-organismen die voldoen aan de vereisten voor een gekwalificeerd vermoeden van veiligheid (Qualified Presumption of Safety) zoals bepaald door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid;

d)

het taxonomische verband met soorten micro-organismen die voldoen aan de vereisten voor een gekwalificeerd vermoeden van veiligheid (Qualified Presumption of Safety) zoals bepaald door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid , of een verwijzing naar de verklaring van overeenstemming met de relevante geharmoniseerde normen voor de veiligheid van de gebruikte micro-organismen die in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, of de verklaring van overeenstemming met de vereisten voor de veiligheidsbeoordeling van micro-organismen, als aangenomen door de Commissie indien er geen dergelijke geharmoniseerde normen voorhanden zijn ;

Amendement 86

Voorstel voor een verordening

Artikel 42 — lid 2 — alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Om rekening te houden met de snelle technologische vooruitgang op dat gebied stelt de Commissie uiterlijk op … [één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast tot bepaling van de criteria voor de beoordeling van micro-organismen die in plantenvoedingsproducten kunnen worden gebruikt zonder dat zij met naam in een positieve lijst worden vermeld.

Amendement 87

Voorstel voor een verordening

Artikel 42 — lid 3 — alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Uiterlijk op … [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie, overeenkomstig artikel 43, gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van bijlage II om de eindpunten in de productieketen op te nemen die zijn bepaald overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 met betrekking tot de in bestanddelencategorie 11 van bijlage II genoemde dierlijke bijproducten.

Amendement 88

Voorstel voor een verordening

Artikel 42 — lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.     Bij de vaststelling van gedelegeerde handelingen bedoeld in lid 1 wijzigt de Commissie de bestanddelencategorie tot bepaling van de vereiste voor andere polymeren dan de in bijlage II vermelde nutriëntenpolymeren, teneinde rekening te houden met de meest recente wetenschappelijke bewijzen en technologische ontwikkelingen, en bepaalt zij uiterlijk op … [drie jaar na de datum van toepassing van deze verordening] de criteria voor de omzetting van koolstofpolymeren die moeten worden omgezet in koolstofdioxide (CO2) en een respectieve testmethode inzake biologische afbreekbaarheid.

Amendement 89

Voorstel voor een verordening

Artikel 42 — lid 3 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 ter.     Bij de vaststelling van gedelegeerde handelingen bedoeld in lid 1 wijzigt de Commissie de bestanddelencategorie tot bepaling van de criteria voor de in bijlage II vermelde andere bijproducten van de industrie, teneinde rekening te houden met de bestaande productiemethoden, technologische ontwikkelingen en de meest recente wetenschappelijke bewijzen, en bepaalt zij uiterlijk op … [één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] de criteria voor bijproducten van de industrie om te worden opgenomen in de bestanddelencategorie.

Amendement 91

Voorstel voor een verordening

Artikel 43 — lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.     Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

Amendement 92

Voorstel voor een verordening

Artikel 44 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten leggen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening, en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat zij worden toegepast. De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld van deze regels en deze maatregelen in kennis en doen dit eveneens bij alle eventuele latere wijzigingen ervan.

De lidstaten leggen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening, en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat zij worden toegepast. De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld van deze regels en deze maatregelen in kennis en doen dit eveneens bij alle eventuele latere wijzigingen ervan. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun regels inzake sancties worden gehandhaafd.

Amendement 93

Voorstel voor een verordening

Artikel 45 — alinea 1 — punt 1 bis (nieuw)

Verordening (EG) nr. 1069/2009

Artikel 5 — lid 2 — alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis)

in lid 2 wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd:

„Voor afgeleide producten die onder het toepassingsgebied van artikel 32 vallen en reeds op grote schaal in de lidstaten worden gebruikt voor de productie van meststoffen stelt de Commissie uiterlijk op … [zes maanden na de inwerkingtreding van de meststoffenverordening] een dergelijk eindpunt vast.”

Amendement 94

Voorstel voor een verordening

Artikel 46 — alinea 1 — punt 2

Verordening (EG) nr. 1107/2009

Artikel 3 — punt 34 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3) "34.

„biostimulant voor planten”: een product dat de voedingsprocessen van een plant stimuleert onafhankelijk van het gehalte aan nutriënten van het product , met als enige doel een of meer van de volgende eigenschappen van de plant te verbeteren:

"34.

„biostimulant voor planten”: een product dat een stof of micro-organisme bevat die c.q. dat de voedingsprocessen van een plant stimuleert onafhankelijk van zijn gehalte aan nutriënten , dan wel een combinatie van deze stoffen en/of micro-organismen , met als enige doel een of meer van de volgende eigenschappen van de plant of de rizosfeer van de plant te verbeteren:

Amendement 95

Voorstel voor een verordening

Artikel 46 — alinea 1 — punt 2

Verordening (EG) nr. 1107/2009

Artikel 3 — punt 34 — letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)

de kenmerken in verband met de kwaliteit van het gewas.

c)

de kwaliteit van het gewas.

Amendement 96

Voorstel voor een verordening

Artikel 46 — alinea 1 — punt 2

Verordening (EG) nr. 1107/2009

Artikel 3 — punt 34 — letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c bis)

de beschikbaarheid van in de bodem of de rizosfeer vastgehouden nutriënten;

Amendement 97

Voorstel voor een verordening

Artikel 46 — alinea 1 — punt 2

Verordening (EG) nr. 1107/2009

Artikel 3 — punt 34 — letter c ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c ter)

de afbraak van organische verbindingen in de bodem;

Amendement 98

Voorstel voor een verordening

Artikel 46 — alinea 1 — punt 2

Verordening (EG) nr. 1107/2009

Artikel 3 — punt 34 — letter c quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c quater)

humificatie;

Amendement 99

Voorstel voor een verordening

Artikel 48 — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Overgangsbepalingen

Overgangsbepalingen , rapportage en evaluatie

Amendement 100

Voorstel voor een verordening

Artikel 48 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten belemmeren niet dat producten die vóór [Publications office, please insert the date of application of this Regulation] overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2003/2003 in de handel zijn gebracht als meststoffen met de aanduiding „EG-meststof”, op de markt worden aangeboden. Hoofdstuk 5 is echter mutatis mutandis op die producten van toepassing.

De lidstaten belemmeren niet dat producten die vóór … [twaalf maanden na de datum van toepassing van deze verordening] overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2003/2003 in de handel zijn gebracht als meststoffen met de aanduiding „EG-meststof”, op de markt worden aangeboden. Hoofdstuk 5 is echter mutatis mutandis op die producten van toepassing.

Amendement 101

Voorstel voor een verordening

Artikel 48 — lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis. Lidstaten die reeds een lagere grenswaarde hebben ingevoerd voor het gehalte aan cadmium (Cd) in organisch-minerale meststoffen en anorganische meststoffen, zoals vastgesteld in bijlage I, deel II, productfunctiecategorie 1 B), punt 3, onder a), en productfunctiecategorie 1 C) I), punt 2, onder a), mogen deze strengere grenswaarde behouden totdat de grenswaarde die overeenkomstig deze verordening wordt vastgesteld gelijk of lager is. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op … [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in kennis van het bestaan van dergelijke nationale maatregelen.

Amendement 102

Voorstel voor een verordening

Artikel 48 — lid 1 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 ter. Uiterlijk op … [42 maanden na de datum van toepassing van deze verordening] dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van de toepassing van deze verordening en van het algemene effect ervan wat de verwezenlijking van de doelstellingen betreft, met inbegrip van het effect op kmo's. Dat verslag omvat met name:

 

a)

een beoordeling van de werking van de interne markt voor bemestingsproducten, met inbegrip van de conformiteitsbeoordeling en de doeltreffendheid van het markttoezicht, een analyse van de effecten van gedeeltelijke harmonisering met betrekking tot productie, gebruikspatronen en handelsstromen van bemestingsproducten met CE-markering en bemestingsproducten die volgens de nationale regels in de handel worden gebracht;

 

b)

een beoordeling van de toepassing van beperkingen op de gehalten aan contaminanten als vastgelegd in bijlage I bij deze verordening, eventuele beschikbare nieuwe wetenschappelijke informatie met betrekking tot de toxiciteit en carcinogeniteit van contaminanten, met inbegrip van de risico's van uraniumcontaminatie in bemestingsproducten;

 

c)

een beoordeling van de ontwikkelingen op het gebied van cadmiumverwijderingstechnologieën en de effecten, schaal en kosten daarvan doorheen de waardeketen, alsook het afvalbeheer met betrekking tot cadmium dat hiermee verband houdt; en

 

d)

een beoordeling van de effecten op de handel in het betrekken van grondstoffen, met inbegrip van de beschikbaarheid van natuurfosfaat.

 

In het verslag wordt terdege rekening gehouden met technologische vooruitgang en innovatie, alsook met normalisatieprocessen die van invloed zijn op de productie en het gebruik van bemestingsproducten. In voorkomend geval gaat het uiterlijk op … [vijf jaar na de datum van toepassing van deze verordening] vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

 

Uiterlijk op … [twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] legt de Commissie een evaluatie voor van de wetenschappelijke gegevens voor de vaststelling van de agronomische en milieucriteria ter bepaling van einde-dierlijkemestcriteria om de prestaties te kunnen beschrijven van producten die verwerkte dierlijke mest bevatten of hieruit bestaan.

Amendement 103

Voorstel voor een verordening

Artikel 48 — lid 1 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 quater. Uiterlijk op … [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de verordening] voert de Commissie een evaluatie uit van de conformiteitsbeoordelingsprocedure voor micro-organismen.

Amendement 104

Voorstel voor een verordening

Artikel 49 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2018 .

Zij is van toepassing met ingang van … [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening], met uitzondering van de artikelen 19 tot en met 35, die van toepassing zijn met ingang van … [één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening], en de artikelen 13, 41, 42, 43 en 45, die van toepassing zijn met ingang van … [de dag van de inwerkingtreding van deze verordening] .

Amendement 105

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel I — punt 1 — letter C bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

C bis.

Meststof met laag koolstofgehalte

Amendement 106

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel I — punt 5 — letter A — punt I bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

I bis.

Denitrificatieremmer

Amendement 107

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — punt 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.

Indien het bemestingsproduct met CE-markering een stof bevat waarvoor maximumresidugehalten voor levensmiddelen en diervoeders zijn vastgesteld overeenkomstig

Schrappen

(a)

Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad  (1) ,

 

(b)

Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad  (2) ,

 

(c)

Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad  (3) , of

 

(d)

Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad  (4) ,

 

mag het gebruik van het bemestingsproduct met CE-markering zoals gespecificeerd in de gebruiksaanwijzing niet leiden tot een overschrijding van die maximumresidugehalten in levensmiddelen of diervoeders.

 

 

Amendement 108

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — punt 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis.

Ingrediënten waarvoor een aanvraag voor goedkeuring of hernieuwde goedkeuring is ingediend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009, maar die niet zijn opgenomen in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, worden niet gebruikt in bemestingsproducten indien zij daarin niet zijn opgenomen op grond van artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

Amendement 109

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een organische meststof bevat

1.

Een organische meststof bevat

koolstof ( C ) en

organische koolstof ( Corg ) en

nutriënten

nutriënten

van uitsluitend biologische oorsprong, met uitzondering van materiaal dat is gefossiliseerd of ingebed in geologische formaties.

van uitsluitend biologische oorsprong, zoals turf, met inbegrip van leonardiet, ligniet en uit deze materialen verkregen stoffen, maar met uitzondering van andere materialen die zijn gefossiliseerd of ingebed in geologische formaties.

Amendement 110

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) — punt 2 — bolletje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

cadmium (Cd) 1,5 mg/kg vaste stof,

cadmium (Cd) 1,0 mg/kg vaste stof,

Amendement 112

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) — punt 2 — bolletje 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

biureet (C2H5N3O2) 12 g/kg vaste stof .

biureet (C2H5N3O2) onder de detectiegrens .

Amendement 113

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) — punt 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

3.

Salmonella spp. mag niet voorkomen in een monster van 25 g van het bemestingsproduct met CE-markering.

Amendement

3.

Pathogenen mogen in de organische meststof niet voorkomen in een concentratie die hoger ligt dan de respectieve grenswaarden in onderstaande tabel:

Te testen micro-organisme

Steekproefplannen

Grenswaarde

 

n

c

m

M

Salmonella spp.

5

0

0

Afwezig in 25 g of 25 ml

Escherichia coli of Enterococcaceae

5

5

0

1 000 in 1 g of 1 ml

n = aantal te testen monsters,

c = aantal monsters waarbij het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve, mag liggen tussen m en M,

m = drempelwaarde voor het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve, dat als bevredigend wordt beschouwd,

M = maximale waarde voor het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve.

De parasieten Ascaris spp. en Toxocara spp. in alle fasen van hun ontwikkeling mogen niet voorkomen in 100 g of 100 ml organische meststof.

Amendement 114

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) I) — punt 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat ten minste één van de volgende aangegeven nutriënten: stikstof (N), fosforpentoxide (P2O5) of kaliumoxide (K2O).

Amendement 115

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 — punt 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.

Indien het bemestingsproduct met CE-markering meer dan één nutriënt bevat, bevat het de aangegeven primaire nutriënten in hoeveelheden die ten minste gelijk zijn aan de hieronder vermelde minimumwaarden:

2,5  massaprocent totaal stikstof (N), of 2 massaprocent totaal fosforpentoxide (P2O5), of 2 massaprocent totaal kaliumoxide (K2O), en

6,5  massaprocent totale som nutriënten.

Amendement 116

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) II) — punt 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat ten minste één van de volgende aangegeven nutriënten: stikstof (N), fosforpentoxide (P2O5) of kaliumoxide (K2O).

Amendement 117

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) II) — punt 2 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat ten minste één van de volgende aangegeven nutriënten in hoeveelheden die ten minste gelijk zijn aan de vermelde minimumwaarden:

2.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat ten minste één van de volgende aangegeven primaire nutriënten in hoeveelheden die ten minste gelijk zijn aan de vermelde minimumwaarden:

Amendement 118

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) II) — punt 2 — bolletje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2 massaprocent totaal stikstof (N),

1 massaprocent totaal stikstof (N), en/of

Amendement 119

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) II) — punt 2 — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1 massaprocent totaal fosforpentoxide (P2O5), of

2 massaprocent totaal fosforpentoxide (P2O5), of

Amendement 120

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) II) — punt 2 — bolletje 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2 massaprocent totaal kaliumoxide (K2O).

1 (één) massaprocent totaal kaliumoxide (K2O) en

Amendement 121

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) II) — punt 2 — bolletje 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

6,5 massaprocent totale som nutriënten.

Amendement 122

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 A) II) — punt 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.

Indien het bemestingsproduct met CE-markering meer dan één nutriënt bevat, bevat het de aangegeven primaire nutriënten in hoeveelheden die ten minste gelijk zijn aan de hieronder vermelde minimumwaarden:

2 massaprocent totaal stikstof (N), of 1 massaprocent totaal fosforpentoxide (P2O5), of 2 massaprocent totaal kaliumoxide (K2O), en

5 massaprocent totale som primaire nutriënten.

Amendement 123

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 B) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een organisch-minerale meststof is een gecombineerde formulering van

1.

Een organisch-minerale meststof is een gecombineerde formulering van

een of meer anorganische meststoffen, zoals gespecificeerd in productfunctiecategorie 1 C), en

een of meer minerale meststoffen, zoals gespecificeerd in productfunctiecategorie 1 C), en

een materiaal dat — organische koolstof ( C ) en

een of meer materialen die — organische koolstof ( Corg ) en

nutriënten bevat van uitsluitend biologische oorsprong, met uitzondering van materiaal dat is gefossiliseerd of ingebed in geologische formaties.

nutriënten bevatten van uitsluitend biologische oorsprong, zoals turf, met inbegrip van leonardiet, ligniet en uit deze materialen verkregen stoffen, maar met uitzondering van andere materialen die zijn gefossiliseerd of ingebed in geologische formaties.

Amendement 343

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 B) — punt 3 — letter a — punt 2 — bolletjes 2 en 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

met ingang van [Publications Office, please insert the date occurring three years after the date of application of this Regulation]: 40 mg/kg fosforpentoxide (P2O5), en

met ingang van [Publications Office, please insert the date occurring six years after the date of application of this Regulation]: 40 mg/kg fosforpentoxide (P2O5), en

met ingang van [Publications Office, please insert the date occurring twelve years after the date of application of this Regulation]: 20 mg/kg fosforpentoxide (P2O5),

met ingang van [Publications Office, please insert the date occurring sixteen years after the date of application of this Regulation]: 20 mg/kg fosforpentoxide (P2O5),

Amendement 126

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 B) — punt 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

4.

Salmonella spp. mag niet voorkomen in een monster van 25 g van het bemestingsproduct met CE-markering.

Amendement

4.

Pathogenen mogen in de organisch-minerale meststof niet voorkomen in een concentratie die hoger ligt dan de respectieve grenswaarden in onderstaande tabel:

Te testen micro-organisme

Steekproefplannen

Grenswaarde

 

n

c

m

M

Salmonella spp.

5

0

0

Afwezig in 25 g of 25 ml

Escherichia coli of Enterococcaceae

5

5

0

1 000 in 1 g of 1 ml

n = aantal te testen monsters,

c = aantal monsters waarbij het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve, mag liggen tussen m en M,

m = drempelwaarde voor het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve, dat als bevredigend wordt beschouwd,

M = maximale waarde voor het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve.

De parasieten Ascaris spp. en Toxocara spp. in alle fasen van hun ontwikkeling mogen niet voorkomen in 100 g of 100 ml organisch-minerale meststof.

Amendement 127

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 B) I) — punt 2 — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2 massaprocent totaal fosforpentoxide (P2O5), of

1 massaprocent in neutraal ammoniumcitraat en water oplosbaar fosforpentoxide (P2O5), of

Amendement 128

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1B)I) — punt 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.

Indien het bemestingsproduct met CE-markering meer dan één nutriënt bevat, bevat het de aangegeven primaire nutriënten in hoeveelheden die ten minste gelijk zijn aan de hieronder vermelde minimumwaarden:

2,5 massaprocent totaal stikstof (N), waarvan 1 massaprocent van het bemestingsproduct met CE-markering organische stikstof (N) is, of 2 massaprocent totaal fosforpentoxide (P2O5), of 2 massaprocent totaal kaliumoxide (K2O), en

6,5 massaprocent totale som primaire nutriënten.

Amendement 129

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 B) I) — punt 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.

Elke eenheid van het bemestingsproduct met CE-markering bevat het organisch materiaal en de nutriënten in de aangegeven gehaltes.

4.

Elke eenheid van het bemestingsproduct met CE-markering bevat organisch koolstof en alle nutriënten in de aangegeven gehaltes. Onder „eenheid” wordt verstaan: een onderdeel van het product, zoals korrels, pellets enz.

Amendement 130

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 B) II) — punt 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.

Wanneer het product meer dan één nutriënt bevat, zijn de volgende minimumhoeveelheden aanwezig:

1 massaprocent totaal stikstof (N), of

1 massaprocent totaal fosforpentoxide (P2O5), of

1 massaprocent totaal kaliumoxide (K2O).

waarbij de som van de nutriënten ten minste 4 % is.

Amendement 131

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 B) II) — punt 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.

Het gehalte organische koolstof (C) in het bemestingsproduct met CE-markering is ten minste 3 massaprocent.

3.

Het gehalte organische koolstof (C) in het bemestingsproduct met CE-markering is ten minste 1 massaprocent.

Amendement 132

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een anorganische meststof is een meststof anders dan een organische of organisch-minerale meststof.

1.

Een minerale meststof is een meststof die nutriënten in minerale vorm of tot minerale vorm verwerkte nutriënten van dierlijke of plantaardige oorsprong bevat. Het gehalte organische koolstof (Corg) in het bemestingsproduct met CE-markering mag niet meer dan 1 massaprocent bedragen. Dit sluit koolstof uit die afkomstig is van bedekkingsmiddelen die voldoen aan de eisen van bestanddelencategorie 9 en 10 en agronomische toevoegingsmiddelen die voldoen aan de eisen van productfunctiecategorie 5 en bestanddelencategorie 8.

Amendement 133

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) — punt 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.

Fosforhoudende meststoffen moeten aan ten minste één van de volgende minimale oplosbaarheidsniveaus voldoen om beschikbaar te zijn voor de planten (zo niet kunnen zij niet als fosforhoudende meststof worden aangemerkt):

oplosbaarheid in water: minimaal 40 % van het totale gehalte P, of

oplosbaarheid in neutraal ammoniumcitraat: minimaal 75 % van het totale gehalte P, of

oplosbaarheid in mierenzuur (alleen voor zacht natuurfosfaat): minimaal 55 % van het totale gehalte P.

Amendement 134

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) — punt 1 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 ter.

Het totale aan te geven stikstofgehalte is de som van ammoniumstikstof, nitraatstikstof, ureumstikstof, stikstof uit methyleenureum, isobutylideendiureumstikstof en crotonylideendiureumstikstof. Het aan te geven fosforgehalte komt overeen met het fosfor in fosfaatvorm. Hieraan kunnen overeenkomstig artikel 42, lid 1, na een wetenschappelijk onderzoek nieuwe vormen worden toegevoegd.

Amendement 135

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een anorganische macronutriëntenmeststof is bedoeld om planten van een of meer van de volgende macronutriënten te voorzien: stikstof (N), fosfor (P), kalium (K), magnesium (Mg), calcium (Ca), zwavel (S) of natrium (Na).

1.

Een minerale macronutriëntenmeststof is bedoeld om planten van een of meer van de volgende macronutriënten te voorzien:

(a)

primair: stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K);

(b)

secundair: magnesium (Mg), calcium (Ca), zwavel (S) of natrium (Na).

Amendement 344

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) — punt 2 — letter a — punt 2 — bolletjes 2 en 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

met ingang van [Publications Office, please insert the date occurring three years after the date of application of this Regulation]: 40 mg/kg fosforpentoxide (P2O5), en

met ingang van [ zes jaar na de datum van toepassing van deze verordening]: 40 mg/kg fosforpentoxide (P2O5), en

met ingang van [Publications Office, please insert the date occurring twelve years after the date of application of this Regulation]: 20 mg/kg fosforpentoxide (P2O5),

met ingang van [ zestien jaar na de datum van toepassing van deze verordening]: 20 mg/kg fosforpentoxide (P2O5),

Amendement 139

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) i) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een enkelvoudige vaste anorganische macronutriëntenmeststof heeft een aangegeven gehalte van niet meer dan één nutriënt.

1.

Een enkelvoudige vaste minerale macronutriëntenmeststof heeft een aangegeven gehalte van:

(a)

niet meer dan één primaire nutriënt (stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K)), of

Amendement 140

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) i) — punt 1 — letter b (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(b)

niet meer dan één secundaire nutriënt (magnesium (Mg), calcium (Ca), zwavel (S) en natrium (Na)).

Amendement 141

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) i) — punt 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.

Een enkelvoudige vaste minerale macronutriëntenmeststof met een aangegeven gehalte van niet meer dan één primaire nutriënt kan één of meer secundaire nutriënten bevatten.

Amendement 142

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) i) — punt 2 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat één van de volgende aangegeven nutriënten in een hoeveelheid die ten minste gelijk is aan de vermelde minimumwaarde:

2.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat primaire en/of secundaire aangegeven nutriënten in een hoeveelheid die ten minste gelijk is aan de vermelde minimumwaarde:

Amendement 143

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) i) — punt 2 — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

12 massaprocent totaal fosforpentoxide (P2O5),

12 massaprocent in neutraal ammoniumcitraat en water oplosbare fosforpentoxide (P2O5),

Amendement 144

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) i) — punt 2 — bolletje 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1 massaprocent totaal natriumoxide (Na2O).

3 massaprocent totaal natriumoxide (Na2O).

Amendement 145

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) ii) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een samengestelde vaste anorganische macronutriëntenmeststof heeft een aangegeven gehalte van meer dan één nutriënt.

1.

Een samengestelde vaste minerale macronutriëntenmeststof heeft een aangegeven gehalte van meer dan één primaire en/of secundaire nutriënt.

Amendement 146

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) i) — punt 2 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat meer dan één van de volgende aangegeven nutriënten in hoeveelheden die ten minste gelijk zijn aan de vermelde minimumwaarden:

2.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat meer dan één van de aangegeven primaire en/of secundaire nutriënten in hoeveelheden die ten minste gelijk zijn aan de vermelde minimumwaarden:

Amendement 147

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) ii) — punt 2 — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3 massaprocent totaal fosforpentoxide (P2O5),

5 massaprocent totaal in neutraal ammoniumcitraat en water oplosbaar fosforpentoxide (P2O5),

Amendement 148

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) ii) — punt 2 — bolletje 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3 massaprocent totaal kaliumoxide (K2O),

5 massaprocent totaal kaliumoxide (K2O),

Amendement 149

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) ii) — punt 2 — bolletje 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1,5 massaprocent totaal magnesiumoxide (MgO),

2  massaprocent totaal magnesiumoxide (MgO),

Amendement 150

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) ii) — punt 2 — bolletje 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1,5 massaprocent totaal calciumoxide (CaO),

2 massaprocent totaal calciumoxide (CaO),

Amendement 151

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) ii) — punt 2 — bolletje 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1,5 massaprocent totaal zwaveltrioxide (SO3), of

5 massaprocent totaal zwaveltrioxide (SO3),

Amendement 152

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) a) ii) — punt 2 — bolletje 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1 massaprocent totaal natriumoxide (Na2O).

3 massaprocent totaal natriumoxide (Na2O).

Amendement 153

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1C)I)a)i-ii)A) — punt 5 — bolletje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

na vijf temperatuurcycli zoals beschreven in rubriek 4.2 van module A1 in bijlage IV,

na vijf temperatuurcycli zoals beschreven in rubriek 4.2 van module A1 in bijlage IV, in het kader van proeven vóór het in de handel brengen,

Amendement 154

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) i) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een enkelvoudige vloeibare anorganische macronutriëntenmeststof heeft een aangegeven gehalte van niet meer dan één nutriënt.

1.

Een enkelvoudige vloeibare minerale macronutriëntenmeststof heeft een aangegeven gehalte van:

(a)

niet meer dan één primaire nutriënt

Amendement 155

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) i) — punt 1 — letter b (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(b)

niet meer dan één secundaire nutriënt.

Amendement 156

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) i) — punt 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.

Een enkelvoudige vloeibare minerale macronutriëntenmeststof met een aangegeven gehalte van niet meer dan één primaire nutriënt kan één of meer secundaire nutriënten bevatten.

Amendement 157

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) i) — punt 2 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat één van de volgende aangegeven nutriënten in een hoeveelheid die ten minste gelijk is aan de vermelde minimumwaarde:

2.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat aangegeven primaire en/of secundaire nutriënten in een hoeveelheid die ten minste gelijk is aan de vermelde minimumwaarde:

Amendement 158

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) i) — punt 2 — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5 massaprocent totaal fosforpentoxide (P2O5),

5 massaprocent totaal in neutraal ammoniumcitraat en water oplosbaar fosforpentoxide (P2O5),

Amendement 159

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) i) — punt 2 — bolletje 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5 massaprocent totaal zwaveltrioxide (SO3), of

5 massaprocent totaal zwaveltrioxide (SO3),

Amendement 160

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) i) — punt 2 — bolletje 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1 massaprocent totaal natriumoxide (Na2O).

tussen de 0,5 en 5 massaprocent totaal natriumoxide (Na2O).

Amendement 161

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) ii) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een samengestelde vloeibare anorganische macronutriëntenmeststof heeft een aangegeven gehalte van meer dan één nutriënt.

1.

Een samengestelde vloeibare minerale macronutriëntenmeststof heeft een aangegeven gehalte van meer dan één primaire en/of secundaire nutriënt.

Amendement 162

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) ii) — punt 2 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat meer dan één van de volgende aangegeven nutriënten in hoeveelheden die ten minste gelijk zijn aan de vermelde minimumwaarden:

2.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat meer dan één van de aangegeven primaire en/of secundaire nutriënten in hoeveelheden die ten minste gelijk zijn aan de vermelde minimumwaarden:

Amendement 163

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) ii) — punt 2 — bolletje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1,5 massaprocent totaal stikstof (N),

3 massaprocent totaal stikstof (N), of

Amendement 164

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) ii) — punt 2 — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1,5 massaprocent totaal fosforpentoxide (P2O5),

1,5 massaprocent totaal in neutraal ammoniumcitraat en water oplosbaar fosforpentoxide (P2O5),

Amendement 165

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) ii) — punt 2 — bolletje 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1,5 massaprocent totaal kaliumoxide (K2O),

3 massaprocent totaal kaliumoxide (K2O), of

Amendement 166

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) ii) — punt 2 — bolletje 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

0,75 massaprocent totaal magnesiumoxide (MgO),

1,5 massaprocent totaal magnesiumoxide (MgO), of

Amendement 167

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) ii) — punt 2 — bolletje 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

0,75 massaprocent totaal calciumoxide (CaO),

1,5  massaprocent totaal calciumoxide (CaO), of

Amendement 168

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) I) b) ii) — punt 2 — bolletje 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

0,75 massaprocent totaal zwaveltrioxide (SO3), of

1,5 massaprocent totaal zwaveltrioxide (SO3),

Amendement 169

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) II) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een anorganische micronutriëntenmeststof is een anorganische meststof, anders dan een macronutriëntenmeststof, bedoeld om planten van een of meer van de volgende nutriënten te voorzien: boor (B), kobalt (Co), koper (Cu), ijzer (Fe), mangaan (Mn), molybdeen (Mo) of zink (Zn).

1.

Een anorganische micronutriëntenmeststof is een anorganische meststof, anders dan een macronutriëntenmeststof, bedoeld om planten van een of meer van de volgende nutriënten te voorzien: boor (B), kobalt (Co), koper (Cu), ijzer (Fe), mangaan (Mn), molybdeen (Mo) , seleen (Se), silicium (Si) of zink (Zn).

Amendement 170

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 1 C bis) (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Productfunctiecategorie 1 C bis): MESTSTOF MET LAAG KOOLSTOFGEHALTE

 

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering wordt aangeduid met de term meststof met laag koolstofgehalte als het meer dan 1 % organische koolstof (Corg) bevat en maximaal 15 % organische koolstof (Corg).

 

2.

Koolstof in calciumcyaanamide en in ureum en in condensatie- en associatieproducten daarvan vallen niet onder organische koolstof ten behoeve van die definitie.

 

3.

De specificaties vast/vloeibaar, enkelvoudig/samengesteld en macronutriënt/micronutriënt voor meststoffen uit productfunctiecategorie 1 C) gelden voor de doeleinden van deze categorie.

 

4.

Producten die worden verkocht in het kader van productfunctiecategorie 1 C bis) voldoen aan de in bijlage I beschreven contaminantenwaarden die zijn vastgesteld voor organische of organisch-minerale meststoffen in alle gevallen waarin productfunctiecategorie 1 C) geen grenswaarden bevat voor die contaminanten.

Amendement 171

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 2 — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een kalkmeststof is een bemestingsproduct met CE-markering dat is bedoeld om de zuurtegraad van de bodem te corrigeren en oxiden, hydroxiden, carbonaten of silicaten van de nutriënten calcium (Ca) of magnesium (Mg) bevat.

1.

Een kalkmeststof is een bemestingsproduct met CE-markering dat is bedoeld om de zuurtegraad van de bodem te corrigeren en oxiden, hydroxiden, carbonaten of /en silicaten van de nutriënten calcium (Ca) of magnesium (Mg) bevat.

Amendement 398

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 2 — punt 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.

Er moet worden voldaan aan de volgende parameters, zoals vastgesteld voor de droge stof:

3.

Er moet worden voldaan aan de volgende parameters, zoals vastgesteld voor de droge stof:

minimale neutraliserende waarde: 15 (equivalent CaO) of 9 (equivalent HO-), en

minimale neutraliserende waarde: 15 (equivalent CaO) of 9 (equivalent HO-), en

minimale reactiviteit: 10 % of 50 % na 6 maanden (incubatietest).

minimale reactiviteit: 10 % of 50 % na 6 maanden (incubatietest) , en

 

minimale korrelgrootte: 70 % < 1 mm, uitgezonderd ongebluste kalk, gegranuleerde kalkmeststof en kalk (=70 % van de korrelgrootte mag door een zeef met een maaswijdte van 1 mm gaan).

Amendement 175

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 3 — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Een bodemverbeteraar is een bemestingsproduct met CE-markering dat is bedoeld om aan de bodem te worden toegevoegd teneinde de fysische of chemische eigenschappen , de structuur of de biologische activiteit daarvan in stand te houden, te verbeteren of te beschermen .

Een bodemverbeteraar is een materiaal, met inbegrip van mulch, dat in situ aan de bodem wordt toegevoegd , in eerste instantie om de fysische eigenschappen ervan in stand te houden of te verbeteren , en dat de chemische en/ of biologische eigenschappen of activiteit van die bodem kan verbeteren.

Amendement 176

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 3 — punt 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.

Het bemestingsproduct met CE-markering bevat ten minste 15 % materiaal van biologische oorsprong.

Amendement 177

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 3 A) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een organische bodemverbeteraar bestaat geheel uit materiaal van uitsluitend biologische oorsprong, met uitzondering van materiaal dat is gefossiliseerd of ingebed in geologische formaties.

1.

Een organische bodemverbeteraar bestaat geheel uit materiaal van uitsluitend biologische oorsprong, met inbegrip van turf, leonardiet, ligniet en daaruit verkregen humusstoffen, maar met uitzondering van andere materialen die zijn gefossiliseerd of ingebed in geologische formaties.

Amendement 179

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 3 A) — punt 2 — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

zeswaardig chroom (Cr(VI)) 2 mg/kg vaste stof,

zeswaardig chroom (Cr(VI)) 1 mg/kg vaste stof,

Amendement 181

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 3 A) — punt 3 — letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

(a)

mag Salmonella spp. niet voorkomen in een monster van 25 g van het bemestingsproduct met CE-markering;

Amendement

(a)

mogen pathogenen in de organische bodemverbeteraar niet voorkomen in een concentratie die hoger ligt dan de respectieve grenswaarden in onderstaande tabel:

Te testen micro-organisme

Steekproefplannen

Grenswaarde

 

n

c

m

M

Salmonella spp.

5

0

0

Afwezig in 25 g of 25 ml

Escherichia coli of Enterococcaceae

5

5

0

1 000 in 1 g of 1 ml

n = aantal te testen monsters, c = aantal monsters waarbij het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve, mag liggen tussen m en M, m = drempelwaarde voor het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve, dat als bevredigend wordt beschouwd, M = maximale waarde voor het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve. De parasieten Ascaris spp. en Toxocara spp. in alle fasen van hun ontwikkeling mogen niet voorkomen in 100 g of 100 ml organische bodemverbeteraar.

Amendement 182

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 3 B) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een anorganische bodemverbeteraar is een bodemverbeteraar anders dan een organische bodemverbeteraar.

1.

Een anorganische bodemverbeteraar is een bodemverbeteraar anders dan een organische bodemverbeteraar , en omvat ook mulchfolies. Een biologisch afbreekbare mulchfolie is een biologisch afbreekbare polymeerfolie die met name voldoet aan de eisen van de punten 2 bis en 3 van bestanddelencategorie 10 in bijlage II en is bedoeld om in situ op de bodem te worden aangebracht om de structuur ervan te beschermen, de groei van onkruid tegen te gaan, het vochtverlies in de bodem te beperken of erosie te voorkomen.

Amendement 184

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 4 — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een groeimedium is een materiaal, anders dan bodem , bedoeld om als substraat voor wortelvorming te dienen .

1.

Een groeimedium is een materiaal, anders dan bodem in situ, waarin planten en paddenstoelen worden geteeld .

Amendement 187

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 4 — punt 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

3.

Salmonella spp. mag niet voorkomen in een monster van 25 g van het bemestingsproduct met CE-markering.

Amendement

3 .

Pathogenen mogen in het groeimedium niet voorkomen in een concentratie die hoger ligt dan de respectieve grenswaarden in onderstaande tabel:

Te testen micro-organisme

Steekproefplannen

Grenswaarde

 

n

c

m

M

Salmonella spp.

5

0

0

Afwezig in 25 g of 25 ml

Escherichia coli of Enterococcaceae

5

5

0

1 000 in 1 g of 1 ml

n = aantal te testen monsters,

c = aantal monsters waarbij het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve, mag liggen tussen m en M,

m = drempelwaarde voor het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve, dat als bevredigend wordt beschouwd,

M = maximale waarde voor het aantal bacteriën, uitgedrukt in kve.

De parasieten Ascaris spp. en Toxocara spp. in alle fasen van hun ontwikkeling mogen niet voorkomen in 100 g of 100 ml groeimedium.

Amendement 188

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 5 — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Een agronomisch toevoegingsmiddel is een bemestingsproduct met CE-markering dat is bedoeld om aan een product dat planten van nutriënten voorziet te worden toegevoegd , teneinde de afgiftepatronen van de nutriënten in dat product te verbeteren.

Een agronomisch toevoegingsmiddel is een bemestingsproduct met CE-markering dat is bedoeld om te worden toegevoegd aan een product , hetgeen een bewezen effect heeft op de omzetting of de beschikbaarheid voor planten van verschillende vormen minerale of gemineraliseerde nutriënten , of beide, of dat moet worden toegevoegd aan de bodem teneinde de opname van nutriënten door planten te verbeteren of het verlies van nutriënten te beperken .

Amendement 193

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 5 A) I bis) (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Productfunctiecategorie 5 A) I bis): denitrificatieremmer

 

1.

Een denitrificatieremmer is een remmer die de vorming van distikstofoxide (N2O) beperkt door de omzetting van nitraat (NO3-) in distikstof (N2) te vertragen of te blokkeren, zonder invloed uit te oefenen op het nitrificatieproces als beschreven in productfunctiecategorie 5 A) I). Dit draagt ertoe bij dat er meer nitraat beschikbaar wordt voor de plant en de N2O-emissies worden beperkt.

 

2.

De doeltreffendheid van deze methode kan worden beoordeeld door de distikstofoxide-emissies te meten in gasmonsters die zijn verzameld in een geschikt meettoestel en door de hoeveelheid N2O in dat monster te meten in een gaschromatograaf. Bij de beoordeling wordt tevens het watergehalte van de bodem genoteerd.

Amendement 202

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 — punt 1 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een biostimulant voor planten is een bemestingsproduct met CE-markering dat de voedingsprocessen van een plant stimuleert onafhankelijk van het gehalte aan nutriënten van het product, met als enige doel een of meer van de volgende eigenschappen van de plant te verbeteren:

1.

Een biostimulant voor planten is een bemestingsproduct met CE-markering dat de voedingsprocessen van een plant stimuleert onafhankelijk van het gehalte aan nutriënten van het product, met als enige doel een of meer van de volgende eigenschappen van de plant en de rizosfeer of de fyllosfeer van de plant te verbeteren:

Amendement 203

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 — punt 1 — letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(c bis)

de beschikbaarheid van in de bodem en de rizosfeer vastgehouden nutriënten,

Amendement 204

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 — punt 1 — letter c ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(c ter)

humificatie,

Amendement 205

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 — punt 1 — letter c quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(c quater)

de afbraak van organische verbindingen in de bodem.

Amendement 206

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 — punt 2 — bolletje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

cadmium (Cd) 3 mg/kg vaste stof,

cadmium (Cd) 1,5 mg/kg vaste stof,

Amendement 208

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 A) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een microbiële biostimulant voor planten bestaat uitsluitend uit een micro-organisme of een consortium van micro-organismen zoals bedoeld in bestanddelencategorie 7 in bijlage II.

1.

Een microbiële biostimulant voor planten bestaat uit:

 

(a)

een micro-organisme of een consortium van micro-organismen zoals bedoeld in bestanddelencategorie 7 in bijlage II;

 

(b)

andere micro-organismen of een ander consortium van micro-organismen dan die bedoeld onder a) van dit punt. Ze kunnen als bestanddelencategorieën worden gebruikt voor zover zij aan de in bestanddelencategorie 7 van bijlage II vastgestelde vereisten voldoen .

Amendement 209

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 A) — punt 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

3.

Salmonella spp. mag niet voorkomen in een monster van 25 g of 25 ml van het bemestingsproduct met CE-markering.

Amendement

3.

Pathogenen mogen in de microbiële biostimulant voor planten niet voorkomen in een concentratie die hoger ligt dan de respectieve grenswaarden in onderstaande tabel:

Micro-organismen/toxinen en metabolieten daarvan

Steekproefplannen

Grenswaarde

 

n

c

 

Salmonella spp.

5

0

Afwezig in 25 g of 25 ml

Escherichia coli

5

0

Afwezig in 1 g of 1 ml

Listeria monocytogenes

5

0

Afwezig in 25 g of 25 ml

Vibrio spp.

5

0

Afwezig in 25 g of 25 ml

Shigella spp.

5

0

Afwezig in 25 g of 25 ml

Staphylococcus aureus

5

0

Afwezig in 25 g of 25 ml

Enterococcaceae

5

2

10 kve/g

Anaeroob kiemgetal, tenzij de microbiële biostimulant een aerobe bacterie is

5

2

105 kve/g of ml

Telling van gisten en schimmels, tenzij de microbiële biostimulant een schimmel is

5

2

1 000 kve/g of ml

waarbij n = aantal eenheden van de steekproef; c = aantal steekproefeenheden met waarden boven de gedefinieerde grenswaarde.

Amendement 210

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 A) — punt 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.

Escherichia coli mag niet voorkomen in een monster van 1 g of 1 ml van het bemestingsproduct met CE-markering.

Schrappen

Amendement 211

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 A) — punt 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.

Enterococcaceae mogen niet in het bemestingsproduct met CE-markering voorkomen in grotere hoeveelheden dan 10 kve/g verse massa.

Schrappen

Amendement 212

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 A) — punt 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.

Listeria monocytogenes mag niet voorkomen in een monster van 25 g of 25 ml van het bemestingsproduct met CE-markering.

Schrappen

Amendement 213

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 A) — punt 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7.

Vibrio spp. mag niet voorkomen in een monster van 25 g of 25 ml van het bemestingsproduct met CE-markering.

Schrappen

Amendement 214

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 A) — punt 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

8.

Shigella spp. mag niet voorkomen in een monster van 25 g of 25 ml van het bemestingsproduct met CE-markering.

Schrappen

Amendement 215

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 A) — punt 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

9.

Staphylococcus aureus mag niet voorkomen in een monster van 1 g of 1 ml van het bemestingsproduct met CE-markering.

Schrappen

Amendement 216

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 A) — punt 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

10.

Het aeroob kiemgetal bedraagt ten hoogste 105 kve/g of ml monster van het bemestingsproduct met CE-markering, tenzij de microbiële biostimulant een aerobe bacterie is.

Schrappen

Amendement 217

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 A) — punt 12 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

moet de biostimulant voor planten een pH van 4 of hoger hebben.

Schrappen

Amendement 218

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 6 A) — punt 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

13.

De houdbaarheidstermijn van de microbiële biostimulant voor planten bedraagt ten minste 6 maanden onder de op het etiket vermelde opslagomstandigheden.

Schrappen

Amendement 219

Voorstel voor een verordening

Bijlage I — deel II — Productfunctiecategorie 7– punt 3 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.

Door het blenden mag de aard van elk samenstellend bemestingsproduct niet worden gewijzigd

3.

Door het blenden mag de functie van elk samenstellend bemestingsproduct niet worden gewijzigd

Amendement 220

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel I — Bestanddelencategorie 11 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Bestanddelencategorie 11 bis: andere bijproducten van de industrie

Amendement 221

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 1 — punt 1 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag stoffen en mengsels bevatten anders dan (8)

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag stoffen en mengsels , met inbegrip van technische toevoegingsmiddelen, bevatten anders dan (8)

Amendement 222

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 1 — punt 1 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)

bijproducten in de zin van Richtlijn 2008/98/EG,

(b)

bijproducten in de zin van Richtlijn 2008/98/EG, met uitzondering van bijproducten die geregistreerd zijn overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1907/2006, anders dan de bijproducten die vallen onder de in punt 5 van bijlage V bij die verordening vastgelegde vrijstellingen van de registratieplicht,

Amendement 223

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 1 — punt 1 — letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(e)

polymeren, of

(e)

polymeren, met uitzondering van de polymeren die worden gebruikt in groeimedia die niet in aanraking komen met de bodem, of

Amendement 228

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 2 — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag planten, delen van planten of plantenextracten bevatten die geen andere bewerking hebben ondergaan dan snijden, fijnmaken, centrifugeren, persen, drogen, vriesdrogen of extraheren met water.

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag planten, delen van planten of plantenextracten bevatten die geen andere bewerking hebben ondergaan dan snijden, fijnmaken, centrifugeren, zeven, malen, persen, drogen, vriesdrogen , bufferen, extruderen, bestralen, behandelen door bevriezing, zuiveren door verhitting, extraheren met water of een andere bereiding/bewerking die niet tot gevolg heeft dat de uiteindelijke stof moet worden geregistreerd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 .

Amendement 229

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 2 — punt 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.

Voor de toepassing van punt 1 hierboven worden algen geacht tot de planten te behoren, maar blauwwieren niet .

2.

Voor de toepassing van punt 1 hierboven worden algen geacht tot de planten te behoren, met uitzondering van blauwwieren die cyanotoxinen produceren die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als gevaarlijk zijn aangemerkt .

Amendement 230

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 3 — punt 1 — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag compost bevatten die is verkregen uit aerobe compostering van uitsluitend een of meer van de volgende uitgangsmaterialen:

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag compost , een vloeibaar of niet-vloeibaar microbieel of niet-microbieel extract van compost bevatten die is verkregen uit aerobe compostering en de mogelijke daaropvolgende vermenigvuldiging van de van nature erin voorkomende microben van uitsluitend een of meer van de volgende uitgangsmaterialen:

Amendement 231

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 3 — punt 1 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)

dierlijke bijproducten van de categorieën 2 en 3 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009;

(b)

van dierlijke bijproducten afgeleide producten als bedoeld in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 waarvoor het eindpunt in de productieketen is vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van die verordening ;

Amendement 232

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 3 — punt 1 — letter c — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)

levende of dode organismen of delen daarvan, onbewerkt of enkel bewerkt met de hand, met mechanische hulpmiddelen of met behulp van de zwaartekracht, door oplossing in water, door flotatie, door extractie met water, door stoomdistillatie, of door verhitting uitsluitend om water te onttrekken, of die met enig hulpmiddel aan de lucht zijn onttrokken, met uitzondering van

c)

levende of dode organismen of delen daarvan, onbewerkt of enkel bewerkt met de hand, met mechanische hulpmiddelen of met behulp van de zwaartekracht, door oplossing in water, door flotatie, door extractie met water, met uitzondering van

Amendement 233

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 3 — punt 1 — letter c — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

zuiveringsslib, industrieel slib, of baggerslib, en

zuiveringsslib, industrieel slib (met uitzondering van niet-consumeerbare voedselresten, voeder en planten die verband houden met agrobrandstoffen) , of baggerslib, en

Amendement 238

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 3 — punt 1 — letter e bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(e bis)

onbewerkte en mechanisch bewerkte residuen van de levensmiddelenindustrie, met uitzondering van residuen van industrieën die dierlijke bijproducten gebruiken overeenkomstig Richtlijn (EG) nr. 1069/2009.

Amendement 239

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 3 — punt 1 — letter e ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(e ter)

materialen die voldoen aan bestanddelencategorieën 2, 3, 4, 5, 6 en 11.

Amendement 240

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 3 — punt 2 — bolletje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

waar alleen de in punt 1 hierboven bedoelde uitgangsmaterialen worden verwerkt , en

waar productlijnen voor de verwerking van de in punt 1 hierboven bedoelde uitgangsmaterialen duidelijk worden gescheiden van productlijnen voor de verwerking van andere dan de in punt 1 bedoelde uitgangsmaterialen , en

Amendement 241

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 3 — punt 6 — letter a — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

criterium: maximaal 25 mmol O2/kg organisch materiaal/h; of

criterium: maximaal 50 mmol O2/kg organisch materiaal/h; of

Amendement 242

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 4 — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Bestanddelencategorie 4: digestaat van energiegewassen

Bestanddelencategorie 4: digestaat van energiegewassen en plantaardig bioafval

Amendement 247

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 4 — punt 1 — letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(c)

een onder a) of b) bedoeld materiaal dat in een eerder stadium is vergist.

(c)

een onder a) of b) bedoeld materiaal dat in een eerder stadium is vergist zonder sporen van aflatoxinen .

Amendement 248

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 4 — punt 2 — bolletje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

waar alleen de in punt 1 hierboven bedoelde uitgangsmaterialen worden verwerkt , en

waar productlijnen voor de verwerking van de in punt 1 hierboven bedoelde uitgangsmaterialen duidelijk worden gescheiden van productlijnen voor de verwerking van andere dan de in punt 1 bedoelde uitgangsmaterialen , en

Amendement 249

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 4 — punt 3 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)

thermofiele anaerobe vergisting bij 55 oC met een verwerkingsproces waarin een pasteurisatiestap is opgenomen (70 oC — 1 uur) ;

(b)

thermofiele anaerobe vergisting bij 55 oC met een verwerkingsproces dat pasteurisatie omvat als omschreven in bijlage V, hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 1, bij Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie  (1 bis);

Amendement 250

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 4 — punt 3 — letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)

mesofiele anaerobe vergisting bij 37-40 oC met een verwerkingsproces waarin een pasteurisatiestap is opgenomen (70 oC — 1 uur) ; of

d)

mesofiele anaerobe vergisting bij 37-40 oC met een verwerkingsproces dat pasteurisatie omvat als omschreven in bijlage V, hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 1, bij Verordening (EU) nr. 142/2011 ; of

Amendement 251

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 5 — punt 1 — letter c — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

zuiveringsslib, industrieel slib, of baggerslib,

zuiveringsslib, industrieel slib anders dan vermeld onder e bis) , of baggerslib, en

Amendement 255

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 5 — punt 1 — letter e — inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(e)

een onder a) tot en met d) vermeld materiaal dat

(e)

een onder a) tot en met d) vermeld materiaal zonder aflatoxinen dat

Amendement 256

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 5 — punt 1 — letter e bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(e bis)

onbewerkte en mechanisch bewerkte residuen van de levensmiddelenindustrie, met uitzondering van residuen van industrieën die dierlijke bijproducten gebruiken overeenkomstig Richtlijn (EG) nr. 1069/2009.

Amendement 257

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 5 — punt 1 — letter e ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(e ter)

materialen die voldoen aan bestanddelencategorieën 2, 3, 4, 5, 6 en 11.

Amendement 258

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 5 — punt 2 — bolletje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

waar alleen de in punt 1 hierboven bedoelde uitgangsmaterialen worden verwerkt , en

waar productlijnen voor de verwerking van de in punt 1 hierboven bedoelde uitgangsmaterialen duidelijk worden gescheiden van productlijnen voor de verwerking van andere dan de in punt 1 bedoelde uitgangsmaterialen , en

Amendement 259

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 5 — punt 3 — letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a)

thermofiele anaerobe vergisting bij 55 oC gedurende minstens 24 uur en een hydraulische verblijftijd van ten minste 20 dagen;

(a)

thermofiele anaerobe vergisting bij 55 oC gedurende minstens 24 uur en een hydraulische verblijftijd van ten minste 20 dagen , gevolgd door een analyse om te controleren of de ziekteverwekkers bij het vergistingsproces daadwerkelijk zijn vernietigd ;

Amendement 260

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 5 — punt 3 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)

thermofiele anaerobe vergisting bij 55 oC met een verwerkingsproces waarin een pasteurisatiestap is opgenomen (70 oC — 1 uur) ;

(b)

thermofiele anaerobe vergisting bij 55 oC met een verwerkingsproces dat pasteurisatie omvat als omschreven in bijlage V, hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 1, bij Verordening (EU) nr. 142/2011 ;

Amendement 261

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 5 — punt 3 — letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)

mesofiele anaerobe vergisting bij 37-40 oC met een verwerkingsproces waarin een pasteurisatiestap is opgenomen (70 oC — 1 uur) ; of

d)

mesofiele anaerobe vergisting bij 37-40 oC met een verwerkingsproces dat pasteurisatie omvat als omschreven in bijlage V, hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 1, bij Verordening (EU) nr. 142/2011 ; of

Amendement 262

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 6 — punt 1 — letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(c bis)

perskoeken van olijven, d.w.z. een stroperig bijproduct dat afkomstig is uit het persen van olijven en dat wordt verkregen door een behandeling van de vochtige olijfdroesem met organische oplosmiddelen in twee (alperujo) of drie (orujo) fasen.

Amendement 263

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 6 — punt 1 — letter c ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(c ter)

bijproducten van de diervoederindustrie die zijn opgenomen in de catalogus van afzonderlijke voedermiddelen van Verordening (EU) nr. 68/2013,

Amendement 264

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 6 — punt 1 — letter c quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(c quater)

elk ander materiaal of elke andere stof dat c.q. die is goedgekeurd voor verwerking in levensmiddelen of diervoeder.

Amendement 269

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 6 — punt 2 — alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Het gehalte aan aflatoxinen moet in alle stoffen onder de detectiegrens liggen.

Amendement 270

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 7 — punt 1 — bolletje 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

geen andere bewerking dan drogen of vriesdrogen hebben ondergaan en

Schrappen

Amendement 271

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 8 — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag een stof of een mengsel bevatten, bedoeld ter verbetering van de afgiftepatronen van de nutriënten in het bemestingsproduct, maar uitsluitend indien is aangetoond dat die stof of dat mengsel aan de eisen van deze verordening voor een product van productfunctiecategorie 5 van bijlage I voldoet, overeenkomstig de conformiteitsbeoordelingsprocedure die op een dergelijk agronomisch toevoegingsmiddel van toepassing is.

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag een stof of een mengsel bevatten (met inbegrip van technische toevoegingsmiddelen zoals antiklontermiddelen, schumwerende middelen, stofwerende middelen, kleurstoffen en reologische middelen) , bedoeld ter verbetering van de afgiftepatronen van de nutriënten in het bemestingsproduct, maar uitsluitend indien is aangetoond dat die stof of dat mengsel aan de eisen van deze verordening voor een product van productfunctiecategorie 5 van bijlage I voldoet, overeenkomstig de conformiteitsbeoordelingsprocedure die op een dergelijk agronomisch toevoegingsmiddel van toepassing is.

Amendement 272

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 8 — punt 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag een conforme denitrificatieremmer bevatten, zoals bedoeld in productfunctiecategorie 5 A) I bis) van bijlage I, maar uitsluitend indien het stikstof bevat, in welke vorm dan ook.

Amendement 273

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 8 — punt 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag een conforme ureaseremmer bevatten, zoals bedoeld in productfunctiecategorie 5 A) II) van bijlage I, maar uitsluitend indien ten minste 50 % van het totale gehalte stikstof (N) van het bemestingsproduct bestaat uit stikstof (N) in de vorm van ureum (CH4N2O).

4.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag een conforme ureaseremmer bevatten, zoals bedoeld in productfunctiecategorie 5 A) II) van bijlage I, maar uitsluitend indien ten minste 50 % van het totale gehalte stikstof (N) van het bemestingsproduct bestaat uit stikstof (N) in de vorm van ammonium (NH4+) of ammonium (NH4+) en ureum (CH4N2O).

Amendement 274

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 9 — punt 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.

De polymeren mogen geen formaldehyde bevatten .

3.

De polymeren bevatten een concentratie vrij formaldehyde van maximaal 600 ppm .

Amendement 275

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 10 — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag andere polymeren dan nutriëntenpolymeren bevatten, maar uitsluitend in gevallen waarin het polymeer tot doel heeft om

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag andere polymeren dan nutriëntenpolymeren bevatten, maar uitsluitend in gevallen waarin het polymeer tot doel heeft om

(a)

het doordringen van water in de nutriëntendeeltjes, en daarmee de afgifte van nutriënten, te reguleren (in welk geval het polymeer doorgaans als „bedekkingsmiddel” wordt aangeduid), of

(a)

het doordringen van water in de nutriëntendeeltjes, en daarmee de afgifte van nutriënten, te reguleren (in welk geval het polymeer doorgaans als „bedekkingsmiddel” wordt aangeduid), of

(b)

de vochtopnamecapaciteit van het bemestingsproduct met CE-markering te verhogen.

(b)

de vochtopnamecapaciteit van het bemestingsproduct met CE-markering te verhogen , of

 

(b bis)

de bodem te verbeteren als biologisch afbreekbare mulchfolie die met name voldoet aan de eisen van de punten 2 bis en 3 van bestanddelencategorie 10, of

 

(b ter)

onderdelen van het bemestingsproduct te binden, zonder in contact te komen met de bodem, of

 

(b quater)

de stabiliteit van de bemestingsproducten met CE-markering te verbeteren, of

 

(b quinquies)

water beter te doen doordringen in de bodem.

Amendement 276

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 10 — punt 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.

Met ingang van [Publications office, please insert the date occurring three years after the date of application of this Regulation] moet aan het volgende criterium worden voldaan: het polymeer moet langs fysische, biologische weg afgebroken kunnen worden, zodat het uiteindelijk grotendeels uiteenvalt in koolstofdioxide (CO2), biomassa en water. Ten minstens 90 % van de organische koolstof in het polymeer moet in maximaal 24 maanden worden omgezet in CO2 bij een test van de biologische afbreekbaarheid zoals beschreven onder a) — c) hieronder .

2.

Met ingang van … [vijf jaar na de datum van toepassing van deze verordening] moet aan het volgende criterium worden voldaan: het polymeer moet langs fysische, biologische weg afgebroken kunnen worden, zodat het uiteindelijk grotendeels uiteenvalt in koolstofdioxide (CO2), biomassa en water. Ten minstens 90 % van de organische koolstof in het polymeer moet in maximaal 48 maanden worden omgezet in CO2 na afloop van de op het etiket aangegeven beweerde werkingsperiode van het bemestingsproduct en vergeleken met een passende norm in de test van de biologische afbreekbaarheid . De criteria inzake biologische afbreekbaarheid en de ontwikkeling van een passende testmethode voor biologische afbreekbaarheid wordt geëvalueerd aan de hand van het meest recente wetenschappelijke bewijs en vastgelegd in gedelegeerde handelingen bedoeld in artikel 42 van deze verordening .

(a)

De test wordt uitgevoerd bij 25 ± 2 oC.

 

(b)

De test wordt uitgevoerd volgens een methode voor de bepaling van de totale aerobe biologische afbreekbaarheid van kunststoffen in de bodem door meting van het zuurstofverbruik of de hoeveelheid ontwikkelde koolstofdioxide.

 

(c)

Een microkristallijn cellulosepoeder met dezelfde afmetingen als het testmateriaal wordt bij de test als referentiemateriaal gebruikt.

 

(d)

Het testmateriaal mag vóór de test niet worden blootgesteld aan omstandigheden of procedés die zijn bedoeld om de afbraak van de film te versnellen, zoals blootstelling aan warmte of licht.

 

Amendement 277

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 10 — punt 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.

De biologisch afbreekbare mulchfolie als bedoeld in productfunctiecategorie 3 B) voldoet aan het volgende criterium:

het polymeer kan langs fysische, biologische weg afgebroken worden, zodat het uiteindelijk uiteenvalt in koolstofdioxide (CO2), biomassa en water, en ten minste 90 % van de organische koolstof in het polymeer — hetzij in absolute cijfers, hetzij ten opzichte van het referentiemateriaal — moet in maximaal 24 maanden worden omgezet in CO2 bij een test van de biologische afbreekbaarheid volgens normen van de Unie voor de biologische afbraak van polymeren in de bodem.

Amendement 278

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 10 — punt 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.

Aangezien het product bedoeld is om te worden toegevoegd aan de bodem en in het milieu terechtkomt, zijn deze criteria van toepassing op alle materialen in het product.

Amendement 279

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 10 — punt 3 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 ter.

Een product met CE-markering dat andere polymeren bevat dan nutriëntpolymeren wordt vrijgesteld van de in de leden 1, 2 en 3 gestelde eisen, mits de polymeren uitsluitend worden gebruikt als bindmiddel voor het bemestingsproduct en ze niet in aanraking komen met de bodem.

Amendement 280

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Een bemestingsproduct met CE-markering mag dierlijke bijproducten in de zin van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bevatten die het eindpunt in de productieketen hebben bereikt, zoals overeenkomstig die verordening bepaald, en die in de onderstaande tabel zijn opgenomen en gespecificeerd:

Amendement

Onder voorbehoud van de goedkeuring door de Commissie van de gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 42 mag een bemestingsproduct met CE-markering dierlijke bijproducten in de zin van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bevatten die het eindpunt in de productieketen hebben bereikt, zoals overeenkomstig die verordening bepaald, en die in de onderstaande tabel zijn opgenomen en gespecificeerd:

 

Afgeleid product

Verwerkingsnormen voor het bereiken van het eindpunt in de productieketen

1

Vleesmeel

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

2

Beendermeel

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

3

Vleesbeendermeel

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

4

Dierlijk bloed

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

5

Gehydrolyseerde eiwitten van categorie III — overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

6

Verwerkte mest

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

7

Compost (2)

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

8

Gistingsresiduen van biogas (2)

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

9

Verenmeel

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

10

Huiden en vellen

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

11

Hoeven en hoorns

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

12

Vleermuisguano

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

13

Wol en haar

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

14

Veren en dons

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

15

Varkenshaar

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

16

Glycerine en andere producten van materialen uit categorie 2 en 3, afkomstig van de productie van biodiesel en hernieuwbare brandstoffen

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

17

Voeder voor gezelschapsdieren en hondenkluiven die om commerciële redenen of wegens technische tekortkomingen zijn geweigerd

Vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009

Amendement 281

Voorstel voor een verordening

Bijlage II — deel II — Bestanddelencategorie 11 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

BESTANDDELENCATEGORIE 11 BIS: andere bijproducten van de industrie

 

1.

Een bemestingsproduct met CE-markering mag andere bijproducten van de industrie bevatten, zoals uit de productie van caprolactam verkregen ammoniumsulfaat, uit de raffinage van aardgas en olie verkregen zwavelzuur en andere van specifieke industriële processen afkomstige materialen, die uitgesloten zijn van bestanddelencategorie 1 en die in de onderstaande tabel zijn opgenomen, onder de voorwaarden die daarin worden gespecificeerd:

 

2.

Met ingang van … [één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] worden aan de hand van het meest recente wetenschappelijke bewijs de criteria vastgesteld voor bijproducten van de industrie die in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 2003/2003 zijn gebruikt als bestanddelen van meststoffen met CE-markering met het oog op hun opname in de bestanddelencategorie, en worden deze vastgelegd in gedelegeerde handelingen die overeenkomstig artikel 42 van deze verordening worden vastgesteld.

Amendement 282

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel I — punt 2 — letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(e)

een beschrijving van alle bestanddelen die meer dan 5 gewichtsprocent van het product uitmaken, in aflopende volgorde van grootte drooggewicht, met inbegrip van een aanduiding van de desbetreffende bestanddelencategorieën zoals bedoeld in bijlage II.

(e)

een beschrijving van alle bestanddelen die meer dan 1  gewichtsprocent van het product uitmaken, in aflopende volgorde van grootte drooggewicht, met inbegrip van een aanduiding van de desbetreffende bestanddelencategorieën zoals bedoeld in bijlage II en met inbegrip van het gehalte als percentage droge stof;

Amendement 283

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel I — punt 2 — letter e bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(e bis)

in het geval van producten die materiaal bevatten dat afkomstig is van organische afvalstoffen of bijproducten en die geen proces hebben ondergaan waarbij alle organische materialen zijn vernietigd, moet op het etiket worden vermeld welke afvalstoffen en bijproducten zijn gebruikt, samen met een partijnummer of een nummer van de productietijdreeks. Dat nummer moet verwijzen naar de traceerbaarheidsgegevens die door de producent worden bijgehouden en die de individuele bronnen (landbouwbedrijven, fabrieken enz.) identificeren van alle in de partij/tijdreeks gebruikte organische afvalstoffen/bijproducten. Na een openbare raadpleging en uiterlijk op … [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] publiceert de Commissie specificaties voor de tenuitvoerlegging van deze bepaling, die uiterlijk op … [drie jaar na de publicatie van de specificaties] van kracht wordt. Om de administratieve lasten voor de marktdeelnemers en de markttoezichtautoriteiten tot een minimum te beperken, moet in de specificaties van de Commissie rekening worden gehouden met de eisen van artikel 6, leden 5 t/m 7, en artikel 11, en met de bestaande traceerbaarheidssystemen (bijvoorbeeld voor dierlijke bijproducten of industriële systemen) alsook met de EU-codes voor de indeling van afvalstoffen.

Amendement 284

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel I — punt 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.

De fabrikanten stellen beknopte instructies ter beschikking met betrekking tot het beoogde gebruik, met inbegrip van de beoogde dosering en duur, de beoogde doelplanten en opslag.

Amendement 285

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel I — punt 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

7 bis.

Betreffende producten kunnen uitsluitend beweringen worden gedaan in verband met een andere productfunctiecategorie indien zij volledig voldoen aan de vereisten van de productfunctiecategorie in kwestie, en er mogen geen rechtstreekse of impliciete beweringen worden gedaan over de gewasbeschermende werking ervan.

Amendement 286

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1 — punt 2 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)

het gehalte aan nitrificatieremmer wordt uitgedrukt als massapercentage van de totale stikstof (N) in de vorm van ammoniumstikstof (NH4+) en ureumstikstof (CH4N2O);

(b)

het gehalte aan nitrificatieremmer wordt uitgedrukt als massapercentage van de totale stikstof (N) in de vorm van ammoniumstikstof (NH4+) of ammoniumstikstof (NH4+) en ureumstikstof (CH4N2O);

Amendement 287

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1A) — punt 1 — letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a)

de aangegeven nutriënten stikstof (N), fosfor (P), of kalium (K), in de volgorde van hun chemische symbolen N-P-K;

(a)

de aangegeven nutriënten stikstof (N), fosfor (P), of kalium (K), in de volgorde van hun chemische symbolen N-P-K; het aangegeven stikstofgehalte is de som van ammoniumstikstof, nitraatstikstof, ureumstikstof, ureumformaldehydestikstof, isobutylideendiureumstikstof, crotonylideendiureumstikstof en cyanamidestikstof.

 

Fosforhoudende meststoffen moeten aan de volgende minimale oplosbaarheidsniveaus voldoen om beschikbaar te zijn voor de planten, zo niet kunnen zij niet als fosforhoudende meststoffen worden aangemerkt:

 

oplosbaarheid in water: minimaal 25 % van het totale gehalte P,

 

oplosbaarheid in neutraal ammoniumcitraat: minimaal 30 % van het totale gehalte P,

 

oplosbaarheid in mierenzuur (enkel voor zacht natuurfosfaat): minimaal 35 % van het totale gehalte P.

Amendement 288

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1A) — punt 1 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)

de aangegeven nutriënten magnesium ( Mg ), calcium ( Ca ), zwavel ( S ), of natrium ( Na ), in de volgorde van hun chemische symbolen Mg-Ca-S-Na ;

(b)

de aangegeven nutriënten calcium ( Ca ), magnesium ( Mg ), natrium ( Na ) of zwavel ( S ) in de volgorde van hun chemische symbolen Ca-Mg-Na-S ;

 

(Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst. Indien de medewetgevers dit overeenkomen, zijn deze wijzigingen van toepassing op de gehele tekst, met inbegrip van die delen die tot uiting komen in onderstaande amendementen.)

Amendement 289

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1A) — punt 1 — letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(c)

een getalsmatige aanduiding van het totale gehalte aan de aangegeven nutriënten stikstof (N), fosfor (P), of kalium (K), gevolgd door een getalsmatige aanduiding tussen haakjes van het totale gehalte aan magnesium (Mg), calcium (Ca), zwavel (S), of natrium (Na),

(c)

een getalsmatige aanduiding van het gemiddelde gehalte aan de aangegeven nutriënten stikstof (N), fosfor (P), of kalium (K), gevolgd door een getalsmatige aanduiding tussen haakjes van het totale gehalte aan magnesium (Mg), calcium (Ca), zwavel (S), of natrium (Na),

Amendement 290

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1A) — punt 1 — letter d — bolletje 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

organische koolstof (C); en

organische koolstof (C) en de C/N-verhouding;

Amendement 291

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1A) — punt 1 — letter d — bolletje 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

in een bepaalde vorm zoals poeder of korrels.

Amendement 292

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1B) — punt 1 — letter d — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

totaal fosforpentoxide (P2O5);

in neutraal ammoniumcitraat en water oplosbaar fosforpentoxide (P2O5);

Amendement 293

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1B) — punt 1 — letter d — bolletje 2 — streepje 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

indien zachte natuurfosfaat aanwezig is, in mierenzuur oplosbaar fosforpentoxide (P2O5);

alleen in anorganische zuren oplosbaar fosforpentoxide (P2O5);

Amendement 294

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel 2 — Productfunctiecategorie 1B) — punt 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.

Het totaal aangegeven stikstofgehalte is de som van ammoniumstikstof, nitraatstikstof, ureumstikstof, stikstof uit methyleenureum, stikstof uit isobutylideendiureum, stikstof uit crotonylideendiureum en stikstof uit cyanamide.

Amendement 295

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1C)I) — punt 1 — letter d — bolletje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

totaal fosforpentoxide (P2O5);

in neutraal ammoniumcitraat en water oplosbaar fosforpentoxide (P2O5);

Amendement 296

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1C)I) — punt 1 — letter d — bolletje 2 — streepje 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

indien zachte natuurfosfaat aanwezig is, in mierenzuur oplosbaar fosforpentoxide (P2O5);

alleen in anorganische zuren oplosbaar fosforpentoxide (P2O5);

Amendement 297

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1C)I) — punt 1 — letter d — bolletje 4 — streepje 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

in een bepaalde vorm zoals poeder of korrels;

Amendement 298

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1C)I) — punt 1 — letter d bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

d bis)

pH

Amendement 299

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel 2 — Productfunctiecategorie 1C)I) — punt 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.

Bemestingsproducten die minder dan respectievelijk 5 ppm cadmium, arseen, lood, chroom VI en kwik bevatten, mogen op de verpakking en het etiket een zichtbaar „milieukeurmerk” gebruiken. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met de vaststelling van technische normen voor een dergelijk keurmerk.

Amendement 300

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1C)I)a) — punt 3 — letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(c)

poeder, indien ten minste 90 % van het product door een zeef met een maaswijdte van 10  mm kan gaan, of

(c)

poeder, indien ten minste 90 % van het product door een zeef met een maaswijdte van 1  mm kan gaan, of

Amendement 301

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel 2 — Productfunctiecategorie 1C)I)a) — punt 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis.

Voor bemestingsproducten met CE-markering als bedoeld in bijlage II, bestanddelencategorie 10, punt 1, onder b bis), waarin polymeren uitsluitend worden gebruikt als bindmiddel, wordt de volgende vermelding aangebracht: „Het bemestingsproduct is niet bedoeld om in aanraking te komen met de bodem.”

Amendement 302

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1 C) II) — punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

De aangegeven micronutriënten in het bemestingsproduct met CE-markering worden in de onderstaande volgorde vermeld met hun benamingen en chemische symbolen: boor (B), kobalt (Co), koper (Cu), ijzer (Fe), mangaan (Mn), molybdeen (Mo) en zink (Zn), gevolgd door de benaming(en) van hun tegenion(en).

1.

De aangegeven micronutriënten in het bemestingsproduct met CE-markering worden in de onderstaande volgorde vermeld met hun benamingen en chemische symbolen: boor (B), kobalt (Co), koper (Cu), ijzer (Fe), mangaan (Mn), molybdeen (Mo) , selenium (Se), silicium (Si) en zink (Zn), gevolgd door de benaming(en) van hun tegenion(en).

Amendement 303

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 1 C bis) (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Productfunctiecategorie 1 C bis): Meststof met laag koolstofgehalte

 

1.

De volgende gegevenselementen met betrekking tot macronutriënten moeten aanwezig zijn:

 

 

(a)

de aangegeven nutriënten stikstof (N), fosfor (P), of kalium (K), in de volgorde van hun chemische symbolen N-P-K;

 

 

(b)

de aangegeven nutriënten magnesium (Mg), calcium (Ca), zwavel (S), of natrium (Na), in de volgorde van hun chemische symbolen Mg-Ca-S-Na;

 

 

(c)

een getalsmatige aanduiding van het totale gehalte aan de aangegeven nutriënten stikstof (N), fosfor (P), of kalium (K), gevolgd door een getalsmatige aanduiding tussen haakjes van het totale gehalte aan magnesium (Mg), calcium (Ca), zwavel (S), of natrium (Na);

 

 

(d)

het gehalte aan de volgende aangegeven nutriënten, in de onderstaande volgorde en als massapercentage van de meststof:

 

 

 

totaal stikstof (N);

minimumhoeveelheid organische stikstof (N), gevolgd door een beschrijving van de herkomst van het gebruikte organische materiaal;

stikstof (N) in de vorm van nitraatstikstof;

stikstof (N) in de vorm van ammoniumstikstof;

stikstof (N) in de vorm van ureumstikstof;

 

 

 

totaal fosforpentoxide (P2O5);

in water oplosbaar fosforpentoxide (P2O5);

in neutraal ammoniumcitraat oplosbaar fosforpentoxide (P2O5);

indien zachte natuurfosfaat aanwezig is, in mierenzuur oplosbaar fosforpentoxide (P2O5);

 

 

 

totaal kaliumoxide (K2O);

in water oplosbaar kaliumoxide (K2O);

 

 

 

magnesiumoxide (MgO), calciumoxide (CaO), zwaveltrioxide (SO3) en natriumoxide (Na2O), uitgedrukt

 

 

 

alleen als het in water oplosbare gehalte, indien die nutriënten volledig oplosbaar zijn in water;

 

 

 

als het totale gehalte en het in water oplosbare gehalte, indien het oplosbare gehalte van die nutriënten ten minste een kwart bedraagt van het totale gehalte aan die nutriënten;

 

 

 

als het totale gehalte, in andere gevallen.

 

 

(e)

indien ureum (CH4N2O) aanwezig is, informatie over de mogelijke effecten op de luchtkwaliteit van de uitstoot van ammoniak als gevolg van het gebruik van de meststof, en een verzoek aan de gebruikers om geschikte saneringsmaatregelen te treffen.

 

2.

De volgende andere gegevenselementen worden vermeld als massapercentage van het bemestingsproduct met CE-markering:

 

 

gehalte organische koolstof (C); en

 

 

gehalte droge stof.

 

3.

Indien een of meer van de micronutriënten boor (B), kobalt (Co), koper (Cu), ijzer (Fe), mangaan (Mn), molybdeen (Mo) en zink (Zn) aanwezig zijn in het minimumgehalte zoals in onderstaande tabel als massapercentage vermeld,

 

 

moeten zij worden aangegeven indien zij doelbewust aan het bemestingsproduct met CE-markering zijn toegevoegd, en

 

 

mogen zij worden aangegeven in andere gevallen:

Micronutriënt

Massapercentage

Boor (B)

0,01

Kobalt (Co)

0,002

Koper (Cu)

0,002

Mangaan (Mn)

0,01

Molybdeen (Mo)

0,001

Zink

0,002

 

 

Zij worden aangegeven na de gegevens over macronutriënten. De volgende gegevenselementen moeten aanwezig zijn:

 

 

(a)

vermelding van de benamingen en chemische symbolen van de aangegeven micronutriënten, in deze volgorde: boor (B), kobalt (Co), koper (Cu), ijzer (Fe), mangaan (Mn), molybdeen (Mo) en zink (Zn), gevolgd door de benaming(en) van hun tegenion(en).

 

 

(b)

het totale gehalte micronutriënten, uitgedrukt als massapercentage van de meststof

 

 

 

alleen als het in water oplosbare gehalte, indien die nutriënten volledig oplosbaar zijn in water;

 

 

 

als het totale gehalte en het in water oplosbare gehalte; indien het oplosbare gehalte van die nutriënten ten minste een kwart bedraagt van het totale gehalte aan die nutriënten; en

 

 

 

als het totale gehalte, in andere gevallen;

 

 

(c)

indien de aangegeven micronutriënt(en) zijn gecheleerd door middel van (een) chelaatvormer(s), de volgende kwalificatie na de benaming en de chemische aanduiding van de micronutriënt:

„chelaatvormer: …” benaming of afkorting van de chelaatvormer, en de hoeveelheid micronutriënt in chelaatvorm als massapercentage van het bemestingsproduct met CE-markering;

 

 

(d)

indien het bemestingsproduct met CE-markering micronutriënt(en) bevat die door middel van (een) complexvormer(s) zijn gecomplexeerd:

de volgende kwalificatie na de benaming en de chemische aanduiding van de micronutriënt: „complexvormer: …” en de hoeveelheid micronutriënt in complexvorm als massapercentage van het bemestingsproduct met CE-markering; en de benaming van de complexvormer of de afkorting daarvan;

 

 

(e)

de volgende vermelding: „Alleen te gebruiken in geval van duidelijke behoefte. De juiste dosering niet overschrijden.”.

Amendement 399

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 2 — streepje 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

korrelgrootteverdeling, uitgedrukt als een percentage van het product dat door een zeef met een bepaalde maaswijdte gaat;

korrelgrootteverdeling, uitgedrukt als het percentage van het product dat door zeven met een maaswijdte van 1,0  mm en 3,15  mm gaat;

Amendement 304

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 3 — punt 1 — streepje 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

totaal gehalte stikstof (N);

Schrappen

Amendement 305

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 3 — punt 1 — streepje 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Totaal gehalte fosforpentoxide (P2O5);

Schrappen

Amendement 306

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 3 — punt 1 — streepje 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

totaal gehalte kaliumoxide (K2O);

Schrappen

Amendement 307

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 6 — letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(e)

dosis, tijdschema (ontwikkelingsstadium plant) en frequentie van de toepassing;

(e)

dosis, tijdschema (ontwikkelingsstadium plant) , plaatsing en frequentie van de toepassing (in overeenstemming met het empirisch bewijsmateriaal ter staving van de bewering(en) over de biostimulanten) ;

Amendement 308

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel II — Productfunctiecategorie 6 — letter f bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(f bis)

vermelding dat het product geen gewasbeschermingsmiddel is;

Amendement 309

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel III — Productfunctiecategorie 1 A)

Door de Commissie voorgestelde tekst

 

Amendement

 

Toegestane toleranties voor het aangegeven gehalte nutriënten en andere aangegeven parameters

 

 

Toegestane toleranties voor het aangegeven gehalte nutriënten en andere aangegeven parameters

Organische koolstof (C)

± 20 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,0 procentpunten in absolute termen

 

Organische koolstof (C)

± 15 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,0  procentpunten in absolute termen

Gehalte droge stof

± 5,0 procentpunten in absolute termen

 

Gehalte droge stof

± 5,0 procentpunten in absolute termen

Totaal stikstof (N)

± 50 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

 

Totaal stikstof (N)

± 15 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Organische stikstof (N)

± 50 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

 

Organische stikstof (N)

± 15 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Totaal fosforpentoxide (P2O5)

± 50 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

 

Totaal fosforpentoxide (P2O5)

± 15 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Totaal kaliumoxide (K2O)

± 50 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

 

Totaal kaliumoxide (K2O)

± 15 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Totaal en in water oplosbare magnesiumoxide, calciumoxide, zwaveltrioxide of natriumoxide

± 25 % van het aangegeven gehalte aan die nutriënten tot maximaal 1,5 procentpunten in absolute termen

 

Totaal en in water oplosbare magnesiumoxide, calciumoxide, zwaveltrioxide of natriumoxide

± 25 % van het aangegeven gehalte aan die nutriënten tot maximaal 1,5 procentpunten in absolute termen

Totaal koper (Cu)

± 50 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,5 procentpunten in absolute termen

 

Totaal koper (Cu)

± 50 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,5 procentpunten in absolute termen

Totaal zink (Zn)

± 50 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,0 procentpunten in absolute termen

 

Totaal zink (Zn)

± 50 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,0 procentpunten in absolute termen

Hoeveelheid

- 5 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde

 

Hoeveelheid

- 5 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde

 

 

 

Aangegeven vormen van stikstof, fosfor en kalium

Meststoffen met twee nutriënten: maximale tolerantie in absolute termen van 1,1  N en 0,5  organische N, 1,1  P2O5, 1,1  K2O en 1,5 voor het totaal van twee nutriënten.

 

 

 

 

Meststoffen met drie nutriënten: maximale tolerantie in absolute termen van 1,1  N en 0,5  organische N, 1,1  P2O5, 1,1  K2O en 1,9 voor het totaal van drie nutriënten.

 

 

 

 

± 10 % van het totaal aangegeven gehalte van elke nutriënt tot maximaal 2 procentpunten in absolute termen.

Amendement 310

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel III — Productfunctiecategorie 1B) — tabel 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Toegestane toleranties voor het aangegeven gehalte aan vormen van anorganische macronutriënt

N

P2O5

K2O

MgO

CaO

SO3

Na2O

± 25 % van het aangegeven gehalte aan de aanwezige vormen van de nutriënten tot maximaal 2 procentpunten in absolute termen

± 25 % van het aangegeven gehalte aan die nutriënten tot maximaal 1,5 procentpunten in absolute termen

± 25 % van het aangegeven gehalte tot maximaal 0,9 procentpunten in absolute termen

Amendement

Toegestane toleranties voor het aangegeven gehalte aan vormen van anorganische macronutriënt

N

P2O5

K2O

MgO

CaO

SO3

Na2O

± 25 % van het aangegeven gehalte aan de aanwezige vormen van de nutriënten tot maximaal 2 procentpunten in absolute termen voor elke nutriënt afzonderlijk en voor alle nutriënten samen

- 50 % en + 100 % van het aangegeven gehalte aan die nutriënten tot maximaal -2 en + 4  procentpunten in absolute termen

± 25 % van het aangegeven gehalte tot maximaal 0,9  procentpunten in absolute termen

De tolerantieniveaus voor P2O5 verwijzen naar fosforpentoxide (P2O5) dat oplosbaar is in neutraal ammoniumcitraat en water.

 

 

Amendement 311

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel III — Productfunctiecategorie 1 B)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Organische koolstof: ± 20 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,0 procentpunten in absolute termen

Organische koolstof: ± 15  % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,0  procentpunten in absolute termen

Organische stikstof: ± 50 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Organische stikstof: ± 15 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Totaal koper (Cu) ± 50 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,5 procentpunten in absolute termen

Totaal koper (Cu) ± 15 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,5 procentpunten in absolute termen

Totaal zink (Zn) ± 50 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,0 procentpunten in absolute termen

Totaal zink (Zn) ± 15 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,0 procentpunten in absolute termen

Amendement 312

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel III — Productfunctiecategorie 1 C) I)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Toegestane toleranties voor het aangegeven gehalte aan vormen van anorganische macronutriënt

N

P2O5

K2O

MgO

CaO

SO3

Na2O

± 25 % van het aangegeven gehalte aan de aanwezige vormen van de nutriënten tot maximaal 2 procentpunten in absolute termen

± 25 % van het aangegeven gehalte aan die nutriënten tot maximaal 1,5 procentpunten in absolute termen

± 25 % van het aangegeven gehalte tot maximaal 0,9 procentpunten in absolute termen

Korrelgrootteverdeling: ± 10 % relatieve afwijking, toe te passen op het aangegeven percentage materiaal dat door een zeef met een bepaalde maaswijdte gaat.

Hoeveelheid: ± 5 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde

Amendement

Toegestane toleranties voor het aangegeven gehalte aan vormen van anorganische macronutriënt

N

P2O5

K2O

MgO

CaO

SO3

Na2O

± 25 % van het aangegeven gehalte aan de aanwezige vormen van de nutriënten tot maximaal 2 procentpunten in absolute termen voor elke nutriënt afzonderlijk en voor alle nutriënten samen

- 50 % en + 100 % van het aangegeven gehalte aan die nutriënten tot maximaal -2 en + 4  procentpunten in absolute termen

- 50 % en + 100 % van het aangegeven gehalte tot maximaal -2 en + 4  procentpunten in absolute termen

De bovenstaande tolerantiewaarden gelden ook voor de stikstofvormen en voor de oplosbaarheid.

Korrelgrootteverdeling: ± 20 % relatieve afwijking, toe te passen op het aangegeven percentage materiaal dat door een zeef met een bepaalde maaswijdte gaat

Hoeveelheid: ± 3 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde

Amendement 313

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel III — Productfunctiecategorie 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Vormen van de aangegeven nutriënt en andere aangegeven kwaliteitscriteria

Toegestane toleranties voor de aangegeven parameter

pH

± 0,7 ten tijde van de vervaardiging

± 1,0 op enig moment in de distributieketen

Organische koolstof (C)

± 10 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Totaal stikstof (N)

± 20 % relatieve afwijking tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Totaal fosforpentoxide (P2O5)

± 20 % relatieve afwijking tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Totaal kaliumoxide (K2O)

± 20 % relatieve afwijking tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Droge stof

± 10 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde

Hoeveelheid

- 5 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde, ten tijde van de vervaardiging

- 25 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde, op enig moment in de distributieketen

Organische koolstof (C) / organische stikstof (N)

± 20 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,0 procentpunten in absolute termen

Korrelgrootteverdeling

± 10 % relatieve afwijking, toe te passen op het aangegeven percentage materiaal dat door een zeef met een bepaalde maaswijdte gaat.

Amendement

Vormen van de aangegeven nutriënt en andere aangegeven kwaliteitscriteria

Toegestane toleranties voor de aangegeven parameter

pH

± 0,7 ten tijde van de vervaardiging

± 0,9 op enig moment in de distributieketen

Organische koolstof (C)

± 10 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Totaal stikstof (N)

± 20 % relatieve afwijking tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Totaal fosforpentoxide (P2O5)

± 20 % relatieve afwijking tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Totaal kaliumoxide (K2O)

± 20 % relatieve afwijking tot maximaal 1,0 procentpunten in absolute termen

Droge stof

± 10 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde

Hoeveelheid

- 5 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde, ten tijde van de vervaardiging

- 15 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde, op enig moment in de distributieketen

Organische koolstof (C) / organische stikstof (N)

± 20 % relatieve afwijking van de aangegeven waarde tot maximaal 2,0 procentpunten in absolute termen

Korrelgrootteverdeling

± 10 % relatieve afwijking, toe te passen op het aangegeven percentage materiaal dat door een zeef met een bepaalde maaswijdte gaat.

Amendement 314

Voorstel voor een verordening

Bijlage III — deel III — Productfunctiecategorie 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Vormen van de aangegeven nutriënt en andere aangegeven kwaliteitscriteria

Toegestane toleranties voor de aangegeven parameter

elektrische geleidbaarheid

± 50 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

± 75 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

pH

± 0,7 ten tijde van de vervaardiging

± 1,0 op enig moment in de distributieketen

hoeveelheid, uitgedrukt als volume (liter of m3)

- 5 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

- 25 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

Bepaling van hoeveelheid (volume) van materialen met een deeltjesgrootte van meer dan 60 mm

- 5 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

- 25 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

Bepaling van hoeveelheid (volume) van voorgevormde groeimedia

- 5 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

- 25 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

In water oplosbare stikstof (N)

± 50 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

± 75 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

In water oplosbaar fosforpentoxide (P2O5),

± 50 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

± 75 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

In water oplosbaar kaliumoxide (K2O)

± 50 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

± 75 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

Amendement

Vormen van de aangegeven nutriënt en andere aangegeven kwaliteitscriteria

Toegestane toleranties voor de aangegeven parameter

elektrische geleidbaarheid

± 50 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

± 60 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

pH

±0,7 ten tijde van de vervaardiging

±0,9 op enig moment in de distributieketen

hoeveelheid, uitgedrukt als volume (liter of m3)

- 5 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

- 15 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

Bepaling van hoeveelheid (volume) van materialen met een deeltjesgrootte van meer dan 60 mm

- 5 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

- 15 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

Bepaling van hoeveelheid (volume) van voorgevormde groeimedia

- 5 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

- 15 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

In water oplosbare stikstof (N)

± 50 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

± 60 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

In water oplosbaar fosforpentoxide (P2O5)

± 50 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

± 60 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

In water oplosbaar kaliumoxide (K2O)

± 50 % relatieve afwijking ten tijde van de vervaardiging

± 60 % relatieve afwijking op enig moment in de distributieketen

Amendement 315

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — deel 1 — punt 1 — punt 1 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)

digestaten van energiegewassen zoals beschreven in bestanddelencategorie 4,

(b)

digestaten van energiegewassen en plantaardig bioafval zoals beschreven in bestanddelencategorie 4,

Amendement 316

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — deel 1 — punt 1 — punt 1 — letter f bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(f bis)

niet-bewerkte of mechanisch bewerkte planten, delen van planten of plantenextracten zoals beschreven in bestanddelencategorie 2.

Amendement 317

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — deel 1 — punt 1 — punt 3 — letter b bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(b bis)

een denitrificatieremmer zoals beschreven in productfunctiecategorie 5 A) I bis),

Amendement 318

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — deel 1 — punt 3 — punt 2 — letter a bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(a bis)

een denitrificatieremmer zoals beschreven in productfunctiecategorie A) I bis),

Amendement 319

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — deel 2 — module A — punt 2.2 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)

ontwerp- en fabricagetekeningen alsmede schema's,

Schrappen

Amendement 320

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — deel 2 — module A — punt 2.2 — letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(c)

beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van die tekeningen en schema's en van het gebruik van het bemestingsproduct met CE-markering.

Schrappen

Amendement 321

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — deel 2 — module A1 — punt 4 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De in de rubrieken 4.1 tot en met 4.3 hieronder bedoelde cycli en proef worden ten minste om de 3 maanden namens de fabrikant uitgevoerd op een representatief monster van het product, om te controleren of is voldaan aan

De in de rubrieken 4.1 tot en met 4.3 hieronder bedoelde cycli en proef worden ten minste om de zes maanden indien de fabriek voortdurend in bedrijf is, of om het jaar in het geval van periodieke productie, namens de fabrikant uitgevoerd op een representatief monster van het product, om te controleren of is voldaan aan

Amendement 322

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — deel 2 — module A1 — punt 4.3.5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4.3.5bis.

De fabrikant houdt de testverslagen samen met de technische documentatie bij.

Amendement 323

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — deel 2 — module B — punt 3.2 — letter c — bolletje 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

testverslagen, en

testverslagen, met inbegrip van studies over de agronomische efficiëntie, en

Amendement 324

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV — deel 2 — module D1 — punt 2 — letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)

ontwerp- en fabricagetekeningen alsmede schema's, met inbegrip van een schriftelijke beschrijving en een diagram van het productieproces, waarin alle behandelingen, opslagvaten en ruimtes duidelijk worden aangeduid ,

(b)

een schriftelijke beschrijving en een diagram van het productieproces,


(1)  De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0270/2017).

(15)  Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 inzake meststoffen (PB L 304 van 21.11.2003, blz. 1).

(15)  Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 inzake meststoffen (PB L 304 van 21.11.2003, blz. 1).

(18)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).

(18)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).

(20)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(20)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(21)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(21)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(22)  Richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PB L 181 van 4.7.1986, blz. 6).

(23)  Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1).

(24)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(25)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(26)  Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5).

(27)  Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1).

(28)  Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven (PB L 39 van 9.2.2013, blz. 1).

(29)  Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35).

(22)  Richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PB L 181 van 4.7.1986, blz. 6).

(23)  Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1).

(24)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(25)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(26)  Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5).

(27)  Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1).

(28)  Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven (PB L 39 van 9.2.2013, blz. 1).

(29)  Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35).

(29 bis)  Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1).

(29 ter)   Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(1)   Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1).

(2)   Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).

(3)   Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11).

(4)   Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10).

(8)  De uitsluiting van een materiaal uit bestanddelencategorie 1 verhindert niet dat het als bestanddeel in aanmerking kan komen krachtens een andere bestanddelencategorie waarvoor andere eisen gelden. Zie bijvoorbeeld bestanddelencategorie 11 betreffende dierlijke bijproducten, de bestanddelencategorieën 9 en 10 betreffende polymeren en bestanddelencategorie 8 betreffende agronomische toevoegingsmiddelen.

(8)  De uitsluiting van een materiaal uit bestanddelencategorie 1 verhindert niet dat het als bestanddeel in aanmerking kan komen krachtens een andere bestanddelencategorie waarvoor andere eisen gelden. Zie bijvoorbeeld bestanddelencategorie 11 betreffende dierlijke bijproducten, de bestanddelencategorieën 9 en 10 betreffende polymeren en bestanddelencategorie 8 betreffende agronomische toevoegingsmiddelen.

(1 bis)   Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1).

(2)   afgeleid van materialen van categorie 2 en 3 anders dan vleesbeendermeel en verwerkte dierlijke eiwitten


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/362


P8_TA(2017)0393

De uitwisseling van informatie over, het systeem voor vroegtijdige waarschuwing voor en de risicobeoordelingsprocedure inzake nieuwe psychoactieve stoffen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1920/2006, wat betreft de uitwisseling van informatie, het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en de risicobeoordelingsprocedure inzake nieuwe psychoactieve stoffen (COM(2016)0547 — C8-0351/2016 — 2016/0261(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/47)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0547),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 168, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0351/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 31 mei 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0359/2016),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 182.


P8_TC1-COD(2016)0261

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1920/2006, wat betreft de uitwisseling van informatie over, het systeem voor vroegtijdige waarschuwing voor en de risicobeoordelingsprocedure inzake nieuwe psychoactieve stoffen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2101.)


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/363


P8_TA(2017)0394

Gemeenschappelijk visserijbeleid: implementatie van de aanlandingsverplichting ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1380/2013 betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2017)0424 — C8-0239/2017 — 2017/0190(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/48)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0424),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0239/2017),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het standpunt van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2017,

gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 september 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0285/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

P8_TC1-COD(2017)0190

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1380/2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2092.)


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/364


P8_TA(2017)0399

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017: financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling en verhoging van de reserve voor noodhulp

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 tot financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO) en tot verhoging van de reserve voor noodhulp naar aanleiding van de herziening van de verordening inzake het nieuwe meerjarig financieel kader (12441/2017 — C8-0351/2017 — 2017/2135(BUD))

(2018/C 346/49)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (1), met name artikel 41,

gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, definitief vastgesteld op 1 december 2016 (2),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (3) (MFK-verordening),

gezien Verordening (EU, Euratom) 2017/1123 van de Raad van 20 juni 2017 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (4),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (5),

gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (6),

gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017, goedgekeurd door de Commissie op 28 juli 2017 (COM(2017)0485),

gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017, vastgesteld door de Raad op 10 oktober 2017 en toegezonden aan het Europees Parlement op 11 oktober 2017 (12441/2017 — C8-0351/2017),

gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0301/2017),

A.

overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017 bedoeld is om te voorzien in de financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO) naar aanleiding van de goedkeuring van de desbetreffende rechtsgrond, en· om in de algemene begroting 2017 rekening te houden met de tussentijdse herziening van de MFK-verordening met betrekking tot de verhoging van het jaarlijkse bedrag van de reserve voor noodhulp (EAR) van 280 miljoen EUR tot 300 miljoen EUR in prijzen van 2011;

B.

overwegende dat in het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017 een bedrag van 275 miljoen EUR aan vastleggings- en betalingskredieten voor het EFDO is vastgesteld, dat volledig gedekt dient te worden met middelen uit het flexibiliteitsinstrument, aangezien er onder het maximum voor vastleggingen van rubriek 4 (Europa als wereldspeler) geen marge aanwezig is;

C.

overwegende dat in het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017 onder rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap) tegelijkertijd is bepaald dat de betalingskredieten voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) worden verminderd met een bedrag van 275 miljoen EUR vanwege een verwachte onderbesteding die veroorzaakt wordt door een late goedkeuring van de rechtsgrondslagen en een vertraging in de programmering;

D.

overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017 ook voorziet in een aanvullend bedrag van 22,8 miljoen EUR (in lopende prijzen) aan vastleggingskredieten voor de reserve voor noodhulp, als resultaat van de tussentijdse herziening van de MFK-verordening;

E.

overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017 onder rubriek 4 vergezeld gaat van een voorstel betreffende de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter financiering van het EFDO (COM(2017)0480) voor een bedrag van 275 miljoen EUR aan vastleggings- en betalingskredieten;

F.

overwegende dat de Raad en het Europees Parlement de Commissie binnen de begrotingsprocedure van 2017 hebben verzocht om de benodigde kredieten voor de financiering van het EFDO in een gewijzigde begroting aan te vragen zodra de rechtsgrond wordt goedgekeurd, en hebben toegezegd het ontwerp van de gewijzigde begroting voor 2017 zoals voorgelegd door de Commissie snel te zullen behandelen;

1.

neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017, zoals ingediend door de Commissie;

2.

is ingenomen met de tijdige goedkeuring en inwerkingtreding van de EFDO-Verordening (EU) 2017/1601 (7) en verzoekt om een spoedige tenuitvoerlegging ervan, in volledige naleving van de door de wetgever vastgestelde voorschriften en prioriteiten en met bijzondere aandacht voor de bepalingen inzake verantwoordingsplicht;

3.

is ingenomen met het feit dat het EFDO ingevolge de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader kan worden gefinancierd door het bedrag voor het flexibiliteitsinstrument te verhogen, terwijl ook de reserve voor noodhulp wordt verhoogd;

4.

betreurt de lage uitvoering van het Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid door de lidstaten; herinnert eraan dat in rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap) de betalingskredieten al met 284 miljoen EUR worden verminderd door een kredietoverschrijving (DEC 18/2017), waarbij het Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid gebruikt worden om lijnen van een andere rubriek aan te vullen; verzoekt de lidstaten hun politieke overeenkomsten te eerbiedigen en binnen het kader van hun bevoegdheden al het mogelijke te doen om het belang van deze prioriteit van de Unie tot uiting te brengen;

5.

keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2017 goed;

6.

verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 5/2017 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de nationale parlementen.

(1)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(2)  PB L 51 van 28.2.2017.

(3)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(4)  PB L 163 van 24.6.2017, blz. 1.

(5)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(6)  PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.

(7)  PB L 249 van 27.9.2017, blz. 1.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/366


P8_TA(2017)0400

Terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (COM(2017)0480 — C8-0235/2017 — 2017/2134(BUD))

(2018/C 346/50)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0480 — C8-0235/2017),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (1) (MFK-verordening), en met name artikel 11 hiervan,

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (2), en met name punt 12,

gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, definitief vastgesteld op 1 december 2016 (3),

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0298/2017),

A.

overwegende dat na de herziening van de MFK-verordening een jaarlijks bedrag van 676 miljoen EUR in lopende prijzen beschikbaar is in het kader van het flexibiliteitsinstrument, verhoogd met vervallen bedragen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, te weten 646 miljoen EUR eind 2016; overwegende dat een bedrag van 530 miljoen EUR reeds ter beschikking is gesteld in het kader van het flexibiliteitsinstrument in de begroting 2017, zodat nog 792 miljoen EUR resteert voor verdere besteding;

B.

overwegende dat Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad (4) op 28 september 2017 in werking is getreden;

C.

overwegende dat de Commissie, na alle mogelijkheden tot herschikking van kredieten binnen rubriek 4 (Europa als wereldspeler) te hebben onderzocht, heeft voorgesteld het flexibiliteitsinstrument te mobiliseren voor een bedrag van 275 miljoen EUR boven het maximum van rubriek 4, teneinde te voorzien in financiering voor het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO);

1.

wijst erop dat het maximum voor 2017 van rubriek 4 geen ruimte biedt voor een adequate financiering van het EFDO; herhaalt het standpunt dat het van oudsher verdedigt dat de financiële middelen voor externe actie van de Unie niet toereikend zijn om in de behoeften van een proactief en duurzaam extern beleid te voorzien;

2.

stemt er daarom mee in middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter beschikking te stellen voor een bedrag van 275 miljoen EUR aan vastleggings- en betalingskredieten;

3.

herhaalt dat het gebruik van dit instrument, waar artikel 11 van de MFK-verordening in voorziet, eens te meer aantoont dat de begroting van de Unie absoluut flexibeler moet zijn;

4.

herhaalt zijn standpunt dat het van oudsher verdedigt, namelijk dat de betalingen die voortvloeien uit eerder via het flexibiliteitsinstrument beschikbaar gestelde vastleggingen alleen bovenop de MFK-maxima kunnen worden geboekt;

5.

hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

6.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(2)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(3)  PB L 51 van 28.2.2017.

(4)  Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 betreffende het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO) en tot instelling van de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds (PB L 249 van 27.9.2017, blz. 1).


BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter financiering van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/51.)


Woensdag 25 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/369


P8_TA(2017)0404

Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: toezicht op producten en governancevereisten voor verzekeringsondernemingen en verzekeringsdistributeurs

Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 21 september 2017 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad wat toezicht op producten en governancevereisten voor verzekeringsondernemingen en verzekeringsdistributeurs betreft (C(2017)06218 — 2017/2854(DEA))

(2018/C 346/51)

Het Europees Parlement,

gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)06218),

gezien de brief van de Commissie economische en monetaire zaken van 16 oktober 2017 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (1), en met name artikel 25, lid 2, en artikel 39, lid 5,

gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepje, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 24 oktober 2017 verstreek,

A.

overwegende dat de gedelegeerde verordening met ingang van 23 februari 2018, de datum van inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2016/97, van toepassing moet zijn en dat de sector, indien het Parlement de toetsingsperiode van drie maanden waarover het beschikt volledig zou benutten, niet voldoende tijd zou hebben om de noodzakelijke technische en organisatorische wijzigingen door te voeren;

B.

overwegende dat een snelle bekendmaking van de gedelegeerde verordening in het Publicatieblad een tijdige tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake toezicht op producten en governancevereisten mogelijk maakt en de rechtszekerheid op dit gebied ten goede komt;

C.

overwegende dat het Parlement van mening is dat 23 februari 2018 de uiterste datum voor de omzetting van Richtlijn (EU) 2016/97 moet blijven, maar de Commissie verzoekt haar goedkeuring te hechten aan een wetgevingsvoorstel om de toepassingsdatum vast te stellen op 1 oktober 2018;

1.

verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/370


P8_TA(2017)0405

Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: informatievereisten en gedragsregels die van toepassing zijn op de distributie van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten

Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 21 september 2017 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van informatievereisten en gedragsregels die van toepassing zijn op de distributie van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (C(2017)06229 — (2017/2855(DEA))

(2018/C 346/52)

Het Europees Parlement,

gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)06229),

gezien de brief van de Commissie economische en monetaire zaken van 16 oktober 2017 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (1), en met name artikel 28, lid 4, artikel 29, lid 4, artikel 30, lid 6, en artikel 39, lid 5,

gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepje, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 24 oktober 2017 verstreek,

A.

overwegende dat de gedelegeerde verordening met ingang van 23 februari 2018, de datum van inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2016/97, van toepassing moet zijn en dat de sector, indien het Parlement de toetsingsperiode van drie maanden waarover het beschikt volledig zou benutten, niet voldoende tijd zou hebben om de noodzakelijke technische en organisatorische wijzigingen door te voeren;

B.

overwegende dat een spoedige publicatie van de gedelegeerde verordening in het Publicatieblad een tijdige tenuitvoerlegging van en rechtszekerheid betreffende de bepalingen die van toepassing zijn op verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten mogelijk zou maken;

C.

overwegende dat het Parlement van mening is dat 23 februari 2018 de uiterste datum voor de omzetting van Richtlijn (EU) 2016/97 moet blijven, maar verzoekt de Commissie haar goedkeuring te hechten aan een wetgevingsvoorstel waarin de toepassingsdatum wordt vastgelegd op 1 oktober 2018;

1.

verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/371


P8_TA(2017)0406

Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: technische reguleringsnormen inzake indirecte clearingregelingen (aanvulling van Verordening (EU) nr. 600/2014)

Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 22 september 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen inzake indirecte clearingregelingen (C(2017)06268 — (2017/2860(DEA))

(2018/C 346/53)

Het Europees Parlement,

gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)06268),

gezien het schrijven van de Commissie van 28 september 2017, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

gezien de brief van de Commissie economische en monetaire zaken van 16 oktober 2017 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name en artikel 30, lid 2,

gezien artikel 13 en artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (2),

gezien de ontwerpen van technische reguleringsnormen voor „indirecte clearingregelingen in het kader van EMIR en MiFIR”, door de ESMA ingediend op 26 mei 2016 overeenkomstig artikel 30, lid 2, van Verordening (EU) nr. 600/2014,

gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 24 oktober 2017 verstreek,

A.

overwegende dat de Commissie het ontwerp van technische reguleringsnorm pas heeft bevestigd 16 maanden na het te hebben ontvangen van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) op 26 mei 2016; overwegende dat de Commissie de ESMA in de loop van deze periode niet formeel geraadpleegd heeft over haar wijzigingen van dit ontwerp van technische reguleringsnorm, en de medewetgevers of het bedrijfsleven niet op de hoogte heeft gebracht van de redenen voor de vertraging, die de in Verordening (EU) nr. 1095/2010 bepaalde termijn van drie maanden overschrijdt; overwegende dat het onaanvaardbaar is dat de Commissie de termijn voor de bevestiging van het ontwerp van technische reguleringsnorm met meer dan een jaar heeft overschreden zonder de medewetgevers hierover te informeren;

B.

overwegende dat het Parlement van oordeel is dat de vastgestelde technische reguleringsnorm wegens de wijzigingen van de Commissie „niet hetzelfde” is als het ontwerp van technische reguleringsnorm dat door de ESMA is ingediend, en dat het Parlement van mening is dat het over een termijn van drie maanden beschikt om bezwaar aan te tekenen tegen de technische reguleringsnorm („toetsingstermijn”); overwegende dat de Commissie in haar brief van 28 september 2017 deze toetsingstermijn van drie maanden heeft bevestigd;

C.

overwegende dat de gedelegeerde verordening met ingang van 3 januari 2018, de datum van inwerkingtreding van Richtlijn 2014/65/EU („MiFID II”) en Verordening (EU) nr. 600/2014 („MiFIR”), van toepassing moet zijn en dat de sector, indien het Parlement de toetsingstermijn van drie maanden waarover het beschikt volledig zou benutten, niet voldoende tijd zou hebben om de wijzigingen door te voeren;

D.

overwegende dat een spoedige publicatie van de gedelegeerde verordening in het Publicatieblad een tijdige tenuitvoerlegging van en rechtszekerheid betreffende de bepalingen met betrekking tot indirecte clearing mogelijk zou maken;

1.

verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84.

(2)  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/373


P8_TA(2017)0407

Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: technische reguleringsnormen betreffende indirecte clearingregelingen (wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 149/2013)

Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 22 september 2017 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 149/2013 van de Commissie met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende indirecte clearingregelingen (C(2017)06270 — (2017/2859(DEA))

(2018/C 346/54)

Het Europees Parlement,

gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)06270),

gezien het schrijven van de Commissie van 28 september 2017, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters, van 16 oktober 2017,

gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (1), en met name artikel 4, lid 4,

gezien artikel 13 en artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (2),

gezien de ontwerpen van technische reguleringsnormen betreffende „indirecte clearingregelingen in het kader van EMIR en MiFIR”, ingediend op 26 mei 2016 door de ESMA uit hoofde van artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) nr. 648/2012,

gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepje, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 24 oktober 2017 verstreek,

A.

overwegende dat de Commissie het ontwerp van technische reguleringsnorm pas 16 maanden nadat zij dit op 26 mei 2016 van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) had ontvangen, heeft bevestigd; overwegende dat zij de ESMA in de loop van deze periode niet formeel geraadpleegd heeft over haar wijzigingen van dit ontwerp van technische reguleringsnorm, en de medewetgevers of het bedrijfsleven niet op de hoogte heeft gebracht van de redenen voor de vertraging bij de bevestiging, die de in Verordening (EU) nr. 1095/2010 bepaalde termijn van drie maanden overschrijdt; overwegende dat het onaanvaardbaar is dat de Commissie de termijn voor de vaststelling van het ontwerp van technische reguleringsnorm met meer dan een jaar heeft overschreden zonder de medewetgevers daarvan op de hoogte te brengen;

B.

overwegende dat het Parlement van oordeel is dat de vastgestelde technische reguleringsnorm als gevolg van de wijzigingen van de Commissie niet „identiek” is aan het door de ESMA ingediende ontwerp van technische reguleringsnorm, en dat het Parlement van mening is dat het over een termijn van drie maanden beschikt om bezwaar aan te tekenen tegen de technische reguleringsnorm („toetsingstermijn”); overwegende dat de Commissie in haar brief van 28 september 2017 deze toetsingstermijn van drie maanden heeft bevestigd;

C.

overwegende dat de gedelegeerde verordening met ingang van 3 januari 2018, de datum van inwerkingtreding van Richtlijn 2014/65/EU („MiFID II”) en Verordening (EU) nr. 600/2014 („MiFIR”), van toepassing moet zijn en dat het bedrijfsleven niet meer voldoende tijd zou hebben om de wijzigingen door te voeren indien het Parlement de toetsingstermijn van drie maanden waarover het beschikt volledig zou benutten;

D.

overwegende dat een spoedige publicatie van de gedelegeerde verordening in het Publicatieblad een tijdige tenuitvoerlegging van en rechtszekerheid betreffende de bepalingen met betrekking tot indirecte clearing mogelijk zou maken;

1.

verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.

(2)  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/375


P8_TA(2017)0408

Algemene begroting van de Europese Unie voor 2018 — alle afdelingen

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (11815/2017 — C8-0313/2017 — 2017/2044(BUD))

(2018/C 346/55)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (1),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (2),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (3) (MFK-verordening),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (4) (IIA van 2 december 2013),

gezien zijn resolutie van 15 maart 2017 over de algemene richtsnoeren voor het opstellen van de begroting (5),

gezien zijn resolutie van 5 april 2017 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2018 (6),

gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, goedgekeurd door de Commissie op 29 juni 2017 (COM(2017)0400),

gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, vastgesteld door de Raad op 4 september 2017 en toegezonden aan het Europees Parlement op 13 september 2017 (11815/2017 — C8-0313/2017),

gezien zijn resolutie van 5 juli 2017 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018 (7),

gezien artikel 88 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0299/2017),

Afdeling III

Algemeen overzicht

1.

benadrukt dat de lezing van de begroting 2018 door het Parlement volledig recht doet aan de politieke prioriteiten die met een overweldigende meerderheid zijn vastgesteld in zijn bovengenoemde resoluties van 15 maart 2017 en van 5 juli 2017; herinnert eraan dat duurzame groei, werkgelegenheid, in het bijzonder werkgelegenheid voor jongeren, veiligheid en klimaatverandering de kern vormen van deze prioriteiten;

2.

benadrukt dat de Unie nog steeds wordt geconfronteerd met tal van uitdagingen en is ervan overtuigd dat de begroting van de Unie, met inachtneming van de begrotingsdiscipline, de nodige financiële middelen moet aanreiken om tegemoet te komen aan de politieke prioriteiten en de Unie in staat te stellen concrete oplossingen te vinden voor en een doeltreffend antwoord te bieden op deze uitdagingen; benadrukt dat de uitgaven van de Unie gebaseerd moeten zijn op het beginsel van Europese meerwaarde en het subsidiariteitsbeginsel moeten eerbiedigen;

3.

herhaalt zijn toezegging om Uniebeleid ter bevordering van banen en groei in alle regio's te financieren via investeringen in onderzoek, onderwijs, infrastructuur, kmo's en werkgelegenheid, met name jeugdwerkloosheid; begrijpt niet hoe de Unie, gezien de door de Raad voorgestelde bezuinigingen in rubriek 1a, op deze gebieden vorderingen kan maken; besluit daarentegen extra middelen uit te trekken voor onderzoeks- en innovatieprogramma's met een zeer hoog uitvoeringspercentage die, als gevolg van te veel inschrijvingen, een bijzonder laag slaagpercentage kennen wat de aanvragen betreft;

4.

blijft vasthouden aan de toezeggingen die het Parlement tijdens de onderhandelingen over het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) heeft gedaan, namelijk om de impact van de EFSI-gerelateerde bezuinigingen op Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure tot een minimum te beperken; stelt daarom voor deze bezuinigingen te compenseren door het oorspronkelijke jaarlijkse profiel van deze twee programma's te herstellen, opdat zij de doelstellingen die bij de vaststelling van de desbetreffende wetgeving zijn overeengekomen volledig kunnen verwezenlijken;

5.

spreekt zijn politieke steun uit voor de oprichting van het Europees Solidariteitskorps (ESC) en is ingenomen met het wetgevingsvoorstel van de Commissie op dit gebied; is evenwel van mening dat, in afwachting van een besluit over de financiering van het Europees Solidariteitskorps en de aanneming van de desbetreffende verordening overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure, er hiervoor geen financiering mag worden opgenomen in de begroting 2018; besluit daarom dat de desbetreffende kredieten en herschikkingen, die de Commissie in de ontwerpbegroting (OB) 2018 heeft opgenomen, momenteel moeten worden teruggedraaid omdat het besluit over de begroting 2018 geenszins mag vooruitlopen op het resultaat van de wetgevingsonderhandelingen; blijft erbij het besluit betreffende de financiering van het Europees Solidariteitskorps onmiddellijk via een gewijzigde begroting in de begroting van volgend jaar te integreren indien de onderhandelingen over de desbetreffende verordening niet zijn afgerond vóór het einde van de begrotingsprocedure 2018;

6.

is bezorgd over het feit dat de werkloosheid onder jongeren ongezien hoog blijft en is ervan overtuigd dat aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de toekomst van een hele generatie jonge Europeanen niet op het spel te zetten; besluit daarom de kredieten voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) op te trekken tot boven het niveau dat de Commissie voor 2018 voorstelt; benadrukt dat deze verhoging moet worden gezien als een aanvulling op de algemene toewijzing voor het YEI die politieke steun heeft gekregen in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK, en niet louter als het vervroegd ter beschikking stellen van deze middelen in de begroting 2018;

7.

herinnert eraan dat het cohesiebeleid een belangrijke rol speelt bij de totstandbrenging van economische en sociale convergentie in de Unie en dus bij het zorgen voor ontwikkeling en groei; benadrukt dat de cohesiebeleidsprogramma's in 2018 naar verwachting een inhaalslag zullen maken en op kruissnelheid zullen komen; benadrukt dat het Parlement vastbesloten is om te zorgen voor gepaste kredieten voor deze programma's die deel uitmaken van het kernbeleid van de Unie; maakt zich evenwel zorgen over de onaanvaardbare vertraging bij de tenuitvoerlegging van operationele programma's op nationaal niveau; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat de aanwijzing van autoriteiten voor beheer, controle en certificering wordt afgerond en dat de tenuitvoerlegging wordt versneld; verzoekt de Commissie voorts door te gaan met de vereenvoudiging van de desbetreffende procedures;

8.

is uiterst bezorgd over de toename van de instabiliteit en de onzekerheid, zowel binnen als buiten de Unie; benadrukt dat er een volkomen nieuwe aanpak nodig is, waarbij de Unie zich opnieuw richt op samenhang, integratie, vrede, duurzame ontwikkeling en mensenrechten; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen te bundelen en op te drijven om de vrede te bewaren en conflicten te voorkomen; herinnert aan de wereldwijde inspiratie waarvoor het Goede-Vrijdagakkoord heeft gezorgd, maar is zich bewust van de ongekende uitdagingen en druk als gevolg van het Britse referendum in 2016; roept de Commissie en de lidstaten op hun steun voor verzoening te vergroten om te zorgen voor vrede en stabiliteit in Ierland;

9.

is van mening dat, hoewel de piek van de migratie- en vluchtelingencrisis momenteel afgezwakt lijkt, de Unie paraat moet zijn om in de toekomst te reageren op onvoorziene gebeurtenissen op dit gebied en een meer proactieve aanpak op het gebied van migratie aan de dag moet leggen; dringt er daarom bij de Commissie op aan permanent toezicht te houden op de geschiktheid van de toewijzingen in rubriek 3 en ten volle gebruik te maken van alle instrumenten die in het kader van het huidige MFK beschikbaar zijn om tijdig te reageren op onvoorziene gebeurtenissen die bijkomende financiering kunnen vergen; herinnert eraan dat, hoewel de Unie erin is geslaagd een aantal mechanismen in te voeren die helpen het hoofd te bieden aan deze situatie, er volgens de UNHCR in 2017 tot nu toe toch nog meer dan honderdduizend vluchtelingen en migranten over zee naar Europa zijn gekomen; besluit daarom tot een beperkte verhoging van de kredieten voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid, alsook voor de agentschappen met bevoegdheden op het gebied van asiel, zoals het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), die moeten worden voorzien van passende financiële en personele middelen; wijst er eens te meer op dat het maximum van rubriek 3 bij lange na niet toereikend is om te zorgen voor afdoende financiering voor de interne dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis, en evenmin voor andere prioritaire programma's, bijvoorbeeld op het gebied van cultuur en burgerschap;

10.

benadrukt dat de afgelopen jaren in ruime mate gebruik is gemaakt van rubriek 3 om de migratie- en vluchtelingencrisis aan te pakken en dat dergelijke acties moeten worden voortgezet zolang dit nodig is; merkt evenwel op dat de tot dusver verstrekte financiering ontoereikend is; besluit daarom de kredieten te verhogen voor de agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, die als gevolg van de toegenomen werklast en bijkomende taken de afgelopen jaren te kampen hadden met een tekort aan personeel en financiële middelen;

11.

benadrukt dat, gezien de recente bezorgdheid over de veiligheid in de hele Unie, de financiering uit rubriek 3 tevens oog moet hebben voor maatregelen die leiden tot meer veiligheid voor de burgers in de Unie;

12.

herhaalt dat een groot deel van de oplossing voor de migratie- en vluchtelingencrisis en voor het onveiligheidsgevoel van de burgers in de Unie ligt bij het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie en bij de toewijzing van voldoende financiële middelen voor de externe instrumenten die gericht zijn op het aanpakken van problemen zoals armoede, gebrek aan werkgelegenheid, onderwijs en economische kansen, instabiliteit, conflicten en klimaatverandering, die een van de onderliggende oorzaken is van de toenemende migratiestromen; is van mening dat de Unie optimaal gebruik moet maken van de financiële middelen in rubriek 4, die ontoereikend zijn gebleken om in dezelfde mate aandacht te besteden aan alle externe uitdagingen omdat de middelen duidelijk ontoereikend zijn en van nature moeten worden verhoogd;

13.

betreurt dat het Parlement bij het vaststellen van zijn standpunt onvoldoende is ingelicht over de budgettaire gevolgen van een eventueel politiek besluit om de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (FRT) uit te breiden; herhaalt zijn traditionele standpunt dat nieuwe initiatieven niet mogen worden gefinancierd ten koste van bestaande externe projecten van de EU; dringt er bijgevolg bij de Commissie op aan om, indien de FRT wordt verlengd, de financiering ervan via nieuwe middelen voor te stellen en meer lokale ngo's bij de uitvoering ervan te betrekken; wijst erop dat het maximum van rubriek 4 bij lange na niet toereikend is om een duurzaam en doeltreffend antwoord te bieden op de huidige externe uitdagingen, onder meer op het gebied van migratie en vluchtelingen;

14.

herinnert eraan dat de begroting van de Unie de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de klimaatdoelstellingen voor de lange termijn van de Unie zelf moet ondersteunen door te voldoen aan de doelstelling van 20 % uitgaven aan het klimaat in het MFK 2014-2020; betreurt dat de Commissie geen concrete en realistische voorstellen heeft gedaan om deze doelstellingen te bereiken; stelt daarom voor de kredieten voor aan het klimaat gerelateerde acties te verhogen boven het niveau van de OB; merkt evenwel op dat deze verhogingen niet toereikend zijn en roept de Commissie op alle nodige voorstellen in te dienen om de doelstellingen in de komende ontwerpbegrotingen te halen; merkt in dit verband op dat 8,2 % van de totale voorgestelde vastleggingskredieten in de OB verband houden met de bescherming van de biodiversiteit; wijst erop dat een jaarlijkse stijging van 0,1 % in schril contrast staat met de onrustwekkende en steeds snellere afname van soorten en habitats;

15.

waardeert het dat de nieuwe benadering van een resultaatgerichte begroting voor het eerst is opgenomen in de interne voorbereiding van de begroting van de Commissie om de uitgaven te toetsen op basis van de ervaringen die tot dusver zijn opgedaan en om mogelijke aanpassingen te identificeren;

16.

maakt de door de Raad voorgestelde verlagingen van de OB ongedaan; begrijpt de logica achter de voorgestelde verlagingen niet, bijvoorbeeld die bij Horizon 2020 en CEF, twee programma's die reeds zijn getroffen door herschikkingen ten behoeve van het EFSI, evenals die bij het extern beleid; betwist hoe dan ook het uitgesproken voornemen van de Raad om begrotingsonderdelen met een laag uitvoeringspercentage of een laag opnamevermogen te viseren, aangezien dit niet wordt gestaafd door de feitelijke uitvoeringscijfers en voorbijgaat aan de verschillende bestedingspatronen van bepaalde programma's;

17.

concludeert dat, met het oog op een adequate financiering van alle dringende behoeften en gezien de zeer krappe marges in het MFK in 2018, alle middelen die in de MFK-verordening voor flexibiliteit beschikbaar zijn zullen moeten worden ingezet; verwacht dat de Raad deze visie zal delen en dat tijdens het begrotingsoverleg vlot overeenstemming zal worden bereikt, waardoor de Unie tegen de situatie opgewassen moet zijn en doeltreffend moet kunnen reageren op de uitdagingen die zich zullen aandienen; benadrukt dat de elk begrotingsjaar terugkerende afwijking van de oorspronkelijke programmering in het kader van het huidige MFK pleit voor een opwaartse aanpassing van de maxima in het MFK voor de periode na 2020;

18.

stelt het totale bedrag van de kredieten voor 2018 vast op 162 597 930 901 EUR aan vastleggingskredieten en 146 712 004 932 EUR aan betalingskredieten;

Rubriek 1a — Concurrentievermogen voor groei en banen

19.

verwerpt de onterechte verlaging door de Raad van 750 miljoen EUR in rubriek 1a, die op zich bijna twee derde uitmaakt van de totale bezuinigingen van de Raad op vastleggingskredieten in MFK-rubrieken; merkt op dat deze verlaging indruist tegen de door de Raad zelf aangekondigde politieke prioriteiten;

20.

benadrukt dat het met het oog op duurzame groei en het scheppen van banen in de Unie van cruciaal belang is investeringen in onderzoek, innovatie, onderwijs, infrastructuur en mkmo's te stimuleren; waarschuwt dat deze bezuinigingen die de Raad voorstelt een bedreiging vormen voor programma's met een echte Europese meerwaarde en met een rechtstreeks effect op het creëren van groei en banen, zoals Horizon 2020 of de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen; wijst er met name op dat voldoende financiering voor Horizon 2020 van essentieel belang is voor de ontwikkeling van onderzoek en innovatie, leiderschap op het gebied van digitalisering en de ondersteuning van kmo's in Europa; herinnert eraan dat uit dit programma een grote Europese meerwaarde is gebleken, waarbij 83 % van de door Horizon 2020 gefinancierde projecten niet zou zijn doorgegaan zonder steun van de Unie; wijst eens te meer op het belang van de CEF voor de voltooiing van het TEN-V-netwerk en voor de totstandbrenging van een interne Europese vervoersruimte; besluit daarom alle verlagingen van de Raad ongedaan te maken en bovendien het oorspronkelijke profiel van de begrotingsonderdelen voor Horizon 2020 en de CEF, die werden verlaagd om het EFSI-garantiefonds te financieren, volledig te herstellen;

21.

benadrukt verder dat de kredieten voor zowel het onderdeel onderwijs en opleiding als het onderdeel jeugd van Erasmus+ moeten worden verhoogd in het kader van strategische investeringen in Europese jongeren;

22.

benadrukt dat voldoende financiële steun voor micro-ondernemingen, ondernemers en kmo's een topprioriteit voor de Unie moet zijn, aangezien deze de voornaamste bron van nieuwe werkgelegenheid in heel Europa zijn; benadrukt dat het waarborgen van goede toegang tot financiering van cruciaal belang is om kmo's concurrentieel te houden en hen te helpen uitdagingen aan te pakken op het gebied van toegang tot de interne markt en de wereldmarkt;

23.

besluit daarom tot een verhoging van de kredieten boven het niveau van de ontwerpbegroting en van het pre-EFSI- en pre-ESC-profiel voor de programma's die van cruciaal belang zijn ter bevordering van groei en banen en een afspiegeling vormen van de algemeen overeengekomen EU-prioriteiten, met name Erasmus+, Horizon 2020 (Marie Curie, Europese Onderzoeksraad, kmo-instrument), Cosme en EaSI (Progress en Eures); dringt er bij de Commissie op aan te voorzien in toereikende financiering voor de begrotingsonderdelen met betrekking tot WiFi4EU en haar toezegging inzake investeringen tussen 2017 en 2020 na te komen;

24.

is ingenomen met de invoering van het begrotingsonderdeel voor specifieke jaarlijkse evenementen in de begroting 2018, wat ervoor moet zorgen dat burgers zich meer een deel van Europa voelen; merkt op dat deze evenementen duidelijk moeten zorgen voor een meerwaarde voor de Europese burgers in alle lidstaten;

25.

benadrukt het feit dat het belangrijk is coöperatief defensieonderzoek in Europa te stimuleren om essentiële capaciteitstekorten aan te pakken, nu de internationale ontwikkelingen en onzekerheden het steeds meer nodig maken dat Europa haar defensie-inspanningen opvoert; steunt de verhoging van de kredieten voor de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek; pleit voor een programma voor defensieonderzoek met een eigen begroting binnen het volgende meerjarig financieel kader; herhaalt evenwel zijn traditionele standpunt dat nieuwe initiatieven moeten worden gefinancierd met nieuwe middelen en niet ten koste van bestaande programma's van de Unie; benadrukt voorts dat het concurrentie- en innovatievermogen van de Europese defensie-industrie moet worden vergroot;

26.

is van mening dat in het kader van de begroting 2018 in meer middelen moet worden voorzien om een uitvoerige en objectieve beoordeling te verrichten van het risico dat derde landen vanwege hun strategische tekortkomingen veroorzaken op het gebied van de bestrijding van witwaspraktijken en terrorismefinanciering, aan de hand van de criteria die zijn vastgesteld in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849 (8), en om een lijst van rechtsgebieden met een „hoog risico” aan te leggen;

27.

verzoekt de Commissie een adequaat niveau van toewijzingen te waarborgen om het referentielaboratorium voor alternatieven voor dierproeven van de Europese Unie (EURL ECVAM) in staat te stellen zijn opdracht en taken uit te voeren zoals opgesomd in bijlage VII bij Richtlijn 2010/63/EU (9), met bijzondere aandacht voor de coördinatie en bevordering van de ontwikkeling en toepassing van alternatieven voor dierproeven, met inbegrip van fundamenteel en toegepast onderzoek en voorgeschreven proeven;

28.

verhoogt bijgevolg de vastleggingskredieten voor rubriek 1a ten opzichte van de OB met 143,9 miljoen EUR (pre-EFSI- en pre-ESC-herstel, proefprojecten en voorbereidende acties niet meegerekend), wat moet worden gefinancierd binnen de beschikbare marge en door een verdere beschikbaarstelling van de overkoepelende marge voor vastleggingen;

Rubriek 1b — Economische, sociale en territoriale samenhang

29.

is het niet eens met de door de Raad voorgestelde verlaging van de betalingskredieten met 240 miljoen EUR voor rubriek 1b, onder meer op ondersteunende begrotingsonderdelen, en maakt deze ongedaan, in afwachting van geactualiseerde ramingen van de Commissie;

30.

merkt met toenemende bezorgdheid op dat de onaanvaardbare vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de Europese structuur- en investeringsfondsen de doeltreffendheid ervan hebben ondermijnd en de druk op de beheersautoriteiten en begunstigden hebben vergroot; wijst er eens te meer op dat de huidige vertragingen kunnen leiden tot de accumulatie van onbetaalde rekeningen in de tweede helft van het huidige MFK en aan het begin van het volgende MFK; herhaalt met klem zijn oproep aan de lidstaten om advies en hulp te vragen aan de Commissie om de vertragingen bij de aanwijzing van beheers-, certificerings- en controleautoriteiten aan te pakken; is tevens verontrust over de neerwaartse trend en het gebrek aan nauwkeurigheid van de ramingen van de lidstaten;

31.

herinnert eraan dat de jeugdwerkloosheid in de Unie onaanvaardbaar hoog blijft; benadrukt dat het voor de aanpak van dit probleem van belang is te zorgen voor de passende financiering van de jongerengarantie in het kader van het YEI en het ESF; is ingenomen met de overeenkomst over de vereiste nieuwe financiering voor het YEI, en met de opname van de overeenkomstige kredieten in de OB 2018; is evenwel van mening dat, gezien de uitdagingen en risico's van de werkloosheid onder jongeren, het YEI over meer kredieten moet beschikken en besluit bijgevolg de vastleggingskredieten voor het YEI in 2018 te verhogen tot 600 miljoen EUR; is verder van mening dat op jongeren gerichte beroepsopleidingsacties, en met name het leerlingstelsel, in aanmerking moeten komen voor financiering uit hoofde van het cohesiebeleid;

32.

is ingenomen met de 142,8 miljoen EUR aan nieuwe financiële middelen die werden vrijgemaakt om de tenuitvoerlegging van het steunprogramma voor structurele hervormingen in de periode 2017-2020 te vergemakkelijken;

Rubriek 2 — Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

33.

herinnert eraan dat de door de Commissie voorgestelde kredietverhoging ter financiering van de behoeften van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) vooral het gevolg is van een aanzienlijk lager bedrag aan bestemmingsontvangsten dat naar verwachting in 2018 beschikbaar zal zijn; neemt kennis van de verlaging door de Raad met 275 miljoen EUR, maar is van mening dat de nota van wijzigingen van de Commissie de basis moet blijven voor een betrouwbare herziening van de ELGF-kredieten en voert bijgevolg de bedragen van de OB opnieuw op, in afwachting van de behandeling van deze nota van wijzigingen tijdens het begrotingsoverleg;

34.

benadrukt dat opslagprogramma's in tijden van crisis een nuttig instrument zijn gebleken en dat een beperking van de voorziene financiële middelen in het planningsproces contraproductief zou zijn;

35.

benadrukt dat een deel van de oplossing voor het probleem van de jeugdwerkloosheid ligt in het verlenen van passende steun aan jongeren in plattelandsgebieden; stelt daarom voor de betalingskredieten voor jonge landbouwers te verhogen met 50 miljoen EUR boven het niveau van de OB; wijst erop dat het noodzakelijk is de toegang van jongeren tot beroepen in de visserij te bevorderen met steun uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en andere financiering van de Unie;

36.

besluit, overeenkomstig zijn Europa 2020-doelstellingen en zijn internationale toezeggingen om de klimaatverandering aan te pakken, de kredieten voor klimaatgerelateerde acties te verhogen met 21,2 miljoen EUR boven het niveau van de OB; herhaalt dat zowel de Europese Rekenkamer (ERK) als Ecofin hebben vastgesteld dat de begroting van de Unie niet aansluit bij haar klimaatdoelstellingen;

37.

herinnert eraan dat het geld van de belastingbetalers niet moet worden gebruikt ter ondersteuning van het fokken van stieren die worden gebruikt voor stierengevechten; is van mening dat het fokken voor deze doeleinden niet voor basisbetalingen in aanmerking mag komen en verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen tot wijziging van de huidige wetgeving op dit gebied;

38.

verhoogt daarom de vastleggingskredieten met 78,1 miljoen EUR, waarbij er een marge blijft van 619,7 miljoen EUR onder het maximum voor de vastleggingen in rubriek 2 na aftrek van de proefprojecten en voorbereidende acties;

39.

merkt met spijt op dat rampen doorgaans diegenen treffen die zichzelf minder goed kunnen beschermen, ongeacht of het gaat om personen of landen; is van mening dat zo snel mogelijk moet worden gereageerd op natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen zodat de schade minimaal blijft en mensen en goederen kunnen worden gered; vestigt de aandacht op de noodzakelijke extra verhoging van de kredieten, met name voor de begrotingsonderdelen die verband houden met de preventie van en paraatheid voor rampen binnen de Unie, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de bosbranden in Spanje en Portugal (met het tragische verlies van mensenlevens tot gevolg), die dramatische en enorme gevolgen hebben voor de bevolking;

40.

vestigt de aandacht op de factoren die een bedreiging vormen voor tal van bosecosystemen, zoals onder meer bosbranden en de verspreiding van invasieve uitheemse soorten, plagen en ziekten (zoals het dennenaaltje); is van mening dat er via communautaire steunprogramma's en -maatregelen voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken voor de beoordeling van de ecologische en fytosanitaire gezondheid van de bossen en het herstel hiervan, inclusief herbebossing; wijst erop dat deze middelen bijzonder belangrijk en urgent zijn voor een aantal lidstaten, met name Portugal en Spanje vanwege de eerdere opeenvolgende branden op hun gehele grondgebied;

Rubriek 3 — Veiligheid en burgerschap

41.

benadrukt dat het aanpakken van migratie en veiligheid voor het Parlement bovenaan de prioriteitenlijst van de Unie moet staan, en herhaalt zijn overtuiging dat het maximum van rubriek 3 absoluut onvoldoende is gebleken om de interne dimensie van deze uitdagingen te financieren;

42.

merkt op dat, waar het aantal migranten dat via de route door het centrale en oostelijke Middellandse Zeegebied de Unie binnenkomt in de eerste negen maanden van 2017 is gedaald, de druk op de route door het westelijke Middellandse Zeegebied blijft bestaan; merkt op dat meer dan honderdduizend migranten en vluchtelingen in de eerste negen maanden van 2017 over zee Europa zijn binnengekomen, waarvan ruim 75 % in Italië aankomt en de rest verspreid over Griekenland, Cyprus en Spanje; is van mening dat er meer middelen nodig zijn om de behoeften van de Unie op het gebied van migratie volledig te dekken, met name via het Fonds voor asiel, migratie en integratie, om de lidstaten te helpen de integratiemaatregelen en -praktijken te verbeteren voor personen die internationale bescherming nodig hebben, in het bijzonder niet-begeleide minderjarigen, en, indien nodig, om terugkeeroperaties uit te voeren voor personen die geen recht hebben op bescherming, met volledige inachtneming van het beginsel van non-refoulement; benadrukt in dit verband ook dat het EASO over passende financiële en personele middelen moet beschikken opdat het agentschap zijn opgedragen taken kan uitvoeren;

43.

is voorstander van de invoering van een nieuw begrotingsonderdeel voor een opsporings- en reddingsfonds om de lidstaten te ondersteunen bij hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal zeerecht; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen voor de oprichting van zo'n opsporings- en reddingsfonds van de EU;

44.

is ervan overtuigd dat, met het oog op een doeltreffende aanpak van het onveiligheidsgevoel van de burgers van de Unie, de begroting van het Fonds voor interne veiligheid moet worden opgetrokken om de lidstaten beter uit te rusten voor de strijd tegen terrorisme, grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, radicalisering en cybercriminaliteit; benadrukt met name dat er voldoende middelen moeten worden vrijgemaakt om de beveiligingsinfrastructuur te versterken en de uitwisseling van informatie tussen rechtshandhavingsinstanties en nationale autoriteiten te bevorderen, onder meer via een betere interoperabiliteit van de informatiesystemen, waarbij de individuele rechten en vrijheden altijd moeten worden geëerbiedigd;

45.

benadrukt de cruciale rol van de agentschappen van de Unie op het gebied van justitie en binnenlandse zaken bij het aanpakken van belangrijke zorgpunten van burgers van de Unie; besluit daarom de kredieten en het personeelsbestand te verhogen voor het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol), met inbegrip van 7 nieuwe posten voor de nieuwe operationele afdeling onder de naam „Operationele afdeling van Europol voor vermiste kinderen”, alsook voor de Europese Eenheid voor justitiële samenwerking (Eurojust), het EASO en het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol); wijst nogmaals op de bijdrage van deze organen aan de versterking van de samenwerking tussen de lidstaten op dit gebied;

46.

verzoekt de Commissie, in het licht van de werkelijke vooruitgang die is geboekt bij de lopende interinstitutionele onderhandelingen, geactualiseerde informatie te verstrekken over de financiële gevolgen in 2018 van hangende wetgevingsvoorstellen in het kader van de Europese migratieagenda, met name de hervorming van het Dublinsysteem, het inreis-uitreissysteem, het EU-Systeem voor reisinformatie en -autorisatie en het EASO, zodat hiermee tijdens het begrotingsoverleg rekening kan worden gehouden;

47.

betreurt de willekeurige bezuinigingen van de Raad van meer dan 30 miljoen EUR aan vastleggingskredieten bij tal van programma's op het gebied van cultuur, burgerschap, justitie, volksgezondheid, consumentenrechten en civiele bescherming, niettegenstaande de uitstekende uitvoeringspercentages van deze programma's en ondanks een reeds ontoereikend financieringsniveau waardoor veel projecten van hoge kwaliteit niet kunnen worden gefinancierd; voert voor alle begrotingsonderdelen opnieuw de bedragen van de OB op en stelt voor een aantal onderdelen bijkomende kredieten voor;

48.

herhaalt zijn overtuiging dat het tijd is om te zorgen voor een betere financiering voor belangrijke programma's van de Unie op het gebied van cultuur en burgerschap, met name Creatief Europa en Europa voor de burger, die van fundamenteel belang zijn voor het ondersteunen van de culturele en creatieve sector, alsook voor actief burgerschap, met name in het licht van de Europese verkiezingen in 2019; wijst er nogmaals op dat alle instellingen zich moeten houden aan het politieke akkoord over de financiering in 2018 voor het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed door hiervoor te voorzien in voldoende kredieten via het subprogramma Cultuur van Creatief Europa, bij gebrek aan een afzonderlijk begrotingsonderdeel voor het Jaar; verzoekt de Commissie initiatieven in het kader van het begrotingsonderdeel „multimedia-acties” aan een beoordeling te onderwerpen om ervoor te zorgen dat de begroting daadwerkelijk een kwalitatief hoogwaardige en onafhankelijke berichtgeving over de Unie ten goede komt;

49.

is voorstander van meer transparantie en een grotere zichtbaarheid van de Daphne-doelstelling van het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap, omdat dit een belangrijk instrument van de Unie is bij de bestrijding van alle vormen van geweld tegen kinderen, jongeren, vrouwen, LGBTI en andere risicogroepen; steunt de oprichting van een Europees waarnemingscentrum voor gendergerelateerd geweld binnen het Europees Instituut voor gendergelijkheid;

50.

verhoogt de vastleggingskredieten voor rubriek 3 met 108,8 miljoen EUR boven de OB (proefprojecten en voorbereidende acties niet meegerekend), en stelt voor deze verhoging te financieren door een verdere beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument;

Rubriek 4 — Europa als wereldspeler

51.

benadrukt eens te meer dat het extern optreden van de Unie wordt geconfronteerd met steeds grotere financieringsbehoeften die aanzienlijk hoger liggen dan de huidige omvang van rubriek 4; is van mening dat het vrijmaken van middelen uit de begroting van de Unie om de migratie-uitdaging het hoofd te bieden de komende jaren dynamische antwoorden zal blijven vergen; benadrukt het feit dat een ad-hocverhoging voor één jaar, zoals in 2017, niet als voldoende kan worden beschouwd gezien de complexe uitdagingen waaraan de Unie het hoofd moet bieden en de dringende behoefte aan een sterkere externe aanwezigheid van de Unie in de huidige geglobaliseerde wereld;

52.

is van mening dat prioriteit moet worden gegeven aan de onmiddellijke buurlanden van de Unie en aan maatregelen die de belangrijkste problemen aanpakken waarmee zij worden geconfronteerd, namelijk de migratie- en vluchtelingencrisis en de daarmee samenhangende humanitaire uitdagingen in de buurlanden in het zuiden, en de Russische agressie in de buurlanden in het oosten; is van mening dat stabiliteit en welvaart in de buurlanden van de Unie bevorderlijk zijn voor zowel de betrokken regio's als voor de Unie in haar geheel; herhaalt zijn oproep voor meer steun aan het vredesproces in het Midden-Oosten, de Palestijnse Autoriteit en de UNRWA om het hoofd te kunnen bieden aan de toenemende behoeften en de uitdrukkelijke doelstelling van de Unie te verwezenlijken, namelijk de ontwikkeling en de stabiliteit in de regio bevorderen en de veerkracht van de Palestijnen ondersteunen; herhaalt dat het steunen van landen die associatieovereenkomsten met de Unie uitvoeren van cruciaal belang is voor het bevorderen van politieke en economische hervormingen, maar benadrukt dat deze steun enkel mag worden verleend zolang deze landen voldoen aan de daarvoor geldende criteria, met name op het gebied van de rechtsstaat en het tot stand brengen van democratische instellingen; besluit bijgevolg de middelen voor het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) en voor macrofinanciële bijstand (MFA) te verhogen;

53.

benadrukt het belang van de rol die Europa op wereldniveau speelt bij de uitbanning van armoede en bij de ontwikkeling van de meest achtergestelde regio's, in overeenstemming met de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; wijst daarom extra financiële middelen toe aan het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en humanitaire hulpverlening; herinnert eraan dat een aanzienlijk deel van de migranten die de Middellandse Zee oversteken uit Sub-Saharaans Afrika komen en dat de steun van de Unie in deze regio bijgevolg van cruciaal belang is om de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken;

54.

is gekant tegen de drastische verlaging van de financiële bijdragen uit de financieringsinstrumenten voor het externe optreden (ENI, IPA, PI en DCI) aan Erasmus+, niettegenstaande het feit dat uitwisselingsprogramma's voor jongeren een van de meest succesvolle langetermijninvesteringen in culturele diplomatie en wederzijds begrip zijn, en besluit daarom deze bijdragen te verhogen;

55.

besluit, gezien de zorgwekkende verslechtering van de situatie op het gebied van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, de steun voor politieke hervormingen in Turkije te verlagen; besluit een deel van de resterende kredieten in de reserve te plaatsen en wijst erop dat deze middelen kunnen worden vrijgemaakt wanneer Turkije zorgt voor meetbare verbeteringen wat betreft de rechtsstaat, de democratie, de mensenrechten en de persvrijheid, met als doel dat deze middelen ten goede komen aan actoren in het maatschappelijk middenveld voor de tenuitvoerlegging van maatregelen om deze doelen te ondersteunen;

56.

is van mening dat er bijkomende financiële middelen nodig zijn om desinformatiecampagnes adequaat aan te pakken en om een objectief beeld van de Unie buiten haar grenzen te bevorderen; dringt daarom aan op meer financiering om desinformatiecampagnes en cyberaanvallen tegen te gaan; besluit daarom meer middelen uit te trekken voor strategische communicatieacties in de buurlanden en in de Westelijke Balkan; herinnert eraan dat het belangrijk is te investeren in de zichtbaarheid van het extern optreden van de Unie om de impact van de financiering op dit gebied te vergroten en de publieke diplomatie te intensiveren overeenkomstig de ambities in het kader van de integrale Uniestrategie;

57.

acht het noodzakelijk de kredieten op het begrotingsonderdeel voor de Turks-Cypriotische gemeenschap te verhogen om een beslissende bijdrage te leveren aan de voortzetting en intensivering van de missie van het Comité inzake vermiste personen op Cyprus, aan het welzijn van de Maronieten die willen terugkeren alsook aan het welzijn van alle personen in de enclave, zoals overeengekomen in de Derde Overeenkomst van Wenen, en om het door de twee gemeenschappen opgezette technische comité voor cultureel erfgoed te ondersteunen, en zo het vertrouwen en de verzoening tussen de twee gemeenschappen te bevorderen;

58.

benadrukt dat de tendens van de Commissie om haar toevlucht te zoeken tot satellietmechanismen op het gebied van begroting, zoals trustfondsen en andere soortgelijke instrumenten, niet altijd een succes is gebleken; is bezorgd dat de vaststelling van financiële instrumenten buiten de begroting van de Unie een bedreiging kan vormen voor de eenheid ervan en de begrotingsprocedure kan omzeilen, en tegelijkertijd het transparante beheer van de begroting ondermijnt en het recht van het Parlement belemmert om de uitgaven doeltreffend te kunnen controleren; is daarom van mening dat de externe instrumenten die de afgelopen jaren in het leven zijn geroepen, in de begroting van de Unie moeten worden opgenomen, en dat het Parlement de tenuitvoerlegging van deze instrumenten volledig moet kunnen toetsen; merkt op dat eind september 2017 in totaal 795,4 miljoen EUR in de begroting 2017 was vastgelegd voor de trustfondsen van de EU; verzoekt de Commissie de het Europees Parlement en de Raad mee te delen welk bedrag zij in 2018 voor de trustfondsen denkt vast te leggen; herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat de bijdragen van de lidstaten aan deze trustfondsen neigen achter te blijven op hun toezeggingen; neemt kennis van Speciaal verslag nr. 11/2017 van de Europese Rekenkamer over het EU-Trustfonds Bêkou voor de Centraal-Afrikaanse Republiek; is bezorgd over de door de Rekenkamer geconstateerde tekortkomingen, zoals het ontbreken van een omvattende behoeftenanalyse en de slecht functionerende mechanismen voor coördinatie met andere donoren; spreekt zijn voornemen uit om na te gaan welke meerwaarde trustfondsen van de EU bieden als instrument van het extern beleid van de Unie;

59.

herinnert eraan dat alle uitgaven en ontvangsten van de Unie en Euratom krachtens artikel 24 van de MFK-verordening moeten worden opgenomen in de algemene begroting van de Unie overeenkomstig artikel 7 van het Financieel Reglement; vraagt de Commissie de eenheid van de begroting te waarborgen en dit beginsel als leidend te beschouwen wanneer zij nieuwe initiatieven voorstelt;

60.

benadrukt het belang van verkiezingswaarnemingsmissies om de democratische instellingen te versterken en het vertrouwen van de bevolking in verkiezingsprocessen te vergroten, wat op zijn beurt vrede en stabiliteit bevordert; benadrukt dat voor dit doel in voldoende financiële middelen moet worden voorzien;

61.

wijst erop dat de kredieten van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) niet mogen worden herschikt om het nieuwe initiatief inzake capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling (CBSD) in het kader van het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) te financieren; betreurt dat in het voorstel van OB wordt voorgesteld 7,5 miljoen EUR over te hevelen van het DCI naar de CBSD, en benadrukt dat er dringend alternatieve oplossingen moeten worden gevonden om deze leemte op te vullen;

62.

herhaalt zijn verzoek om het begrotingsonderdeel voor de speciale vertegenwoordigers van de EU op een begrotingsneutrale manier over te hevelen van de GBVB-begroting naar de administratieve begroting van de EDEO om de diplomatieke activiteiten van de Unie verder te consolideren;

63.

besluit daarom bijna alle verlagingen van de Raad ongedaan te maken en de vastleggingskredieten voor rubriek 4 te verhogen met 299,7 miljoen EUR boven de OB (proefprojecten en voorbereidende acties, de overheveling van de speciale vertegenwoordigers van de EU en de goedgekeurde verlagingen niet meegerekend);

Rubriek 5 — Administratie; Overige rubrieken — administratieve uitgaven en ondersteunende uitgaven voor onderzoek

64.

is van mening dat de verlagingen van de Raad niet overeenstemmen met de reële behoeften en bijgevolg de reeds aanzienlijk gerationaliseerde administratieve uitgaven in het gedrang brengen; voert daarom de bedragen van de OB opnieuw op voor alle administratieve uitgaven van de Commissie, met inbegrip van de administratieve uitgaven en ondersteunende uitgaven voor onderzoek in de rubrieken 1 tot en met 4;

65.

besluit, overeenkomstig de conclusie van het gezamenlijk advies van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie inzake de drie aspecten van de betrekkingen tussen het OLAF en het comité van toezicht van 12 september 2016, om 10 % van de kredieten van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in te houden totdat het comité van toezicht toegang wordt verleend tot de dossiers van het OLAF, terwijl zijn begroting lichtjes wordt verhoogd, in overeenstemming met de toegenomen taken;

66.

neemt kennis van het feit dat het OLAF begin 2017 een onderzoek heeft ingesteld naar een ernstig geval van douanefraude in het Verenigd Koninkrijk waarbij ingevoerde producten te laag werden getaxeerd, wat heeft geleid tot een inkomstenderving voor de begroting van de Unie van bijna 2 miljard EUR in de periode 2013-2016; vreest dat er nog steeds geen einde is gemaakt aan deze fraude en dat de verliezen voor de begroting van de Unie blijven oplopen; verzoekt de Commissie bij de onderhandelingen over de brexit rekening te houden met de trage reactie van de Britse overheid op haar aanbevelingen ter zake; verzoekt de lidstaten die bezwaar hebben gemaakt tegen het rechtskader van de Unie voor douaneovertredingen en -sancties hun standpunt te herzien om dit probleem spoedig te kunnen oplossen;

Gedecentraliseerde agentschappen

67.

steunt in beginsel de ramingen van de Commissie voor de budgettaire behoeften van de agentschappen; is daarom van mening dat de bijkomende verlagingen die de Raad voorstelt de goede werking van de agentschappen in gevaar zouden brengen en hen zouden beletten de taken uit te voeren die hun zijn toegewezen; is van mening dat de nieuwe posten die het in zijn standpunt heeft goedgekeurd, noodzakelijk zijn om bijkomende taken te verrichten die voortvloeien uit nieuwe beleidsontwikkelingen en nieuwe regelgeving; herhaalt zijn toezegging om de nodige middelen te vrijwaren en indien nodig in extra middelen te voorzien om de goede werking van de agentschappen te waarborgen;

68.

besluit, gezien de uitdagingen die de Unie nog steeds het hoofd moet bieden op het vlak van migratie en veiligheid, en rekening houdend met het feit dat een gecoördineerde Europese respons vereist is, de kredieten te verhogen voor Europol, Eurojust, Cepol, het EASO en het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa);

69.

herinnert eraan dat het belangrijk is dat de Unie zich met name richt op concurrentievermogen voor groei en banen; herinnert aan de strategische prioriteit van de Unie om haar projecten inzake Galileo en Egnos, waarvoor het Europees GNSS-Agentschap (GSA) gedeeltelijk verantwoordelijk is, volledig te ontwikkelen en uit te voeren; herinnert eraan dat het GSA op het gebied van cyberbeveiliging en de publiek gereguleerde dienst over te weinig middelen beschikt en besluit daarom zijn kredieten te verhogen;

70.

is van mening dat het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) extra kredieten en personeel nodig heeft voor zijn uitgebreide taken inzake de tenuitvoerlegging van de netcodes en richtsnoeren voor elektriciteit en gas en het toezicht daarop;

71.

brengt met name in herinnering dat het Europees Milieuagentschap (EMA) de Unie bijstaat bij het nemen van geïnformeerde beslissingen met betrekking tot de verbetering van het milieu, waarbij milieuoverwegingen in economisch beleid worden geïntegreerd en wordt toegewerkt naar duurzaamheid, en dat de Commissie in het licht van het klimaat- en energiebeleid van de Unie voor 2030 heeft voorgesteld de werkzaamheden van het EMA uit te breiden met nieuwe taken in verband met het beheer van de energie-unie, zonder het personeelsbestand dienovereenkomstig uit te breiden;

72.

benadrukt dat de begrotingsmiddelen en het aantal posten waarover de Europese grens- en kustwacht beschikt momenteel weliswaar toereikend lijken, maar dat zorgvuldig in de gaten moet worden gehouden hoe de behoeften van het agentschap inzake operationele middelen en personeel zich ontwikkelen;

73.

is ingenomen met het feit dat in de begroting 2018 passende middelen zijn opgenomen ter ondersteuning van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's); benadrukt dat de rol van de ETA's van essentieel belang is voor het bevorderen van de consistente toepassing van het recht van de Unie en een betere coördinatie tussen de nationale instanties, en voor het waarborgen van financiële stabiliteit, beter geïntegreerde financiële markten, consumentenbescherming en toezichtsconvergentie; benadrukt dat de ETA's zich in het belang van het zorgvuldig gebruik van hun begroting strikt moeten houden aan de hun door de Uniewetgever toegekende taken;

74.

herhaalt dat, zoals in het IIA van 2 december 2013 is overeengekomen, 2018 het laatste jaar is waarin de personeelsinkrimping met 5 % en de herindelingspool op het personeelsbestand van de agentschappen worden toegepast; herhaalt dat het gekant is tegen elke voortzetting van een globale benadering voor de middelen van de agentschappen na 2018; bevestigt dat het wil komen tot meer efficiëntie, dit via meer administratieve samenwerking tussen agentschappen of in voorkomend geval zelfs via fusies, alsook via het delen van bepaalde functies met de Commissie of een ander agentschap; is in dit verband ingenomen met het initiatief om de activiteiten van de agentschappen verder te coördineren via de oprichting van een vast secretariaat van het netwerk van EU-agentschappen (momenteel Shared Support Office genoemd), en steunt de toekenning van een extra post aan het organigram van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, waarvan de kosten gezamenlijk zullen worden gedragen door de begrotingen van de agentschappen van de Unie onder de vorm van detachering naar dat agentschap;

Proefprojecten en voorbereidende acties (PP's en VA's)

75.

besluit na een grondige analyse van de ingediende PP's en VA's, tegen de achtergrond van de mate van succes van de lopende projecten en acties, de initiatieven die al gedekt zijn door bestaande rechtsgronden buiten beschouwing latend en ten volle rekening houdend met de beoordeling door de Commissie van de uitvoerbaarheid van de projecten, een compromispakket goed te keuren met een beperkt aantal PP's en VA's, mede gelet op de beperkte marges die beschikbaar zijn en de maxima voor PP's en VA's;

76.

vestigt daarom de aandacht op de inspanningen die het Parlement in dit verband heeft gedaan en verzoekt de Commissie bij de uitvoering van de PP's en VA's die aan het eind van de begrotingsprocedure worden goedgekeurd, ongeacht haar uitvoerbaarheidsbeoordeling haar goede wil te tonen ten aanzien van alle besluiten van het Europees Parlement en de Raad;

Speciale instrumenten

77.

herinnert aan het nut van speciale instrumenten die voorzien in flexibiliteit die verder gaat dan de zeer krappe maxima van het huidige MFK en is ingenomen met de verbeteringen die tot stand zijn gekomen dankzij de tussentijdse herziening van de MFK-verordening; pleit voor een uitgebreid gebruik van het flexibiliteitsinstrument, de overkoepelende marge voor vastleggingen en de marge voor onvoorziene uitgaven ter financiering van het brede scala aan nieuwe uitdagingen en bijkomende verantwoordelijkheden waarmee de begroting van de Unie wordt geconfronteerd;

78.

dringt aan op een verhoging van de kredieten voor de reserve voor noodhulp (EAR) en het Solidariteitsfonds van de EU (SFEU) naar aanleiding van de recentste tragische rampen, met name de bosbranden en de extreme droogte in Portugal en Spanje;

79.

herinnert tevens aan het belang van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), de EAR en het SFEU; steunt het voornemen van de Commissie om te zorgen voor een snellere beschikbaarstelling van middelen uit het SFEU door het grootste deel van zijn jaarlijkse bedrag in een reserve in de begroting van de Unie te plaatsen, bovenop het reeds in de begroting opgenomen bedrag voor voorschotten; betreurt de verlaging ter zake door de Raad en voert de bedragen van de OB gedeeltelijk opnieuw op, met uitzondering van het bedrag dat is vooruitgeschoven naar 2017 via gewijzigde begroting nr. 4/2017 en de beschikbaarstelling van middelen uit het SFEU voor Italië; dringt aan op de uitbreiding van het toepassingsgebied van het SFEU om bijstand te verlenen aan slachtoffers van terroristische daden en hun familie;

Betalingen

80.

is bezorgd over de huidige trend van weinig betalingen in de gehele begroting van de Unie, niet alleen in rubriek 1b maar ook in de rubrieken 3 en 4, ondanks het feit dat de Unie het hoofd moet bieden aan tal van nieuwe uitdagingen en flexibele financieringsmechanismen moet invoeren; herinnert eraan dat de betalingen in het kader van de begroting van de Unie de afgelopen twee jaar aanzienlijk zijn gedaald, in combinatie met een groot begrotingsoverschot; spreekt dan ook zijn bezorgdheid uit over het feit dat er in de OB sprake is van een ongekende marge van 10 miljard EUR onder het maximum voor de betalingskredieten, wat wijst op een lage uitvoeringstrend die kan leiden tot een acute druk op de betalingskredieten aan het eind van het huidige MFK;

81.

benadrukt dat het noodzakelijk is de betalingskredieten van de OB opnieuw op te voeren voor alle begrotingsonderdelen die de Raad heeft verlaagd, en de betalingskredieten op gerichte wijze te verhogen, vooral voor de begrotingsonderdelen waarvan de vastleggingskredieten zijn gewijzigd;

Overige afdelingen

82.

betreurt de terugkerende praktijk van de Raad om de forfaitaire verlaging voor de instellingen van de Unie te vergroten; is van mening dat dit een zeer verstorend effect heeft op de begroting van instellingen met een historisch correcte forfaitaire verlaging; is van mening dat er bij deze aanpak geen sprake is van een gerichte verlaging en evenmin van goed financieel beheer; voert daarom de forfaitaire verlaging van de OB opnieuw op;

Afdeling I — Europees Parlement

83.

behoudt zijn totale begroting voor 2018, zoals goedgekeurd in zijn bovengenoemde resolutie van 5 april 2017, op 1 953 483 373 EUR; neemt begrotingsneutrale technische aanpassingen op die rekening houden met geactualiseerde informatie die eerder dit jaar niet beschikbaar was;

84.

wijst erop dat de raming voor 2018 neerkomt op 18,88 %, wat lager is dan het in 2017 verwezenlijkte niveau (19,25 %) en het laagste aandeel van rubriek 5 vormt in de afgelopen vijftien jaar; benadrukt evenwel dat het streven naar zo laag mogelijke uitgaven voor het Europees Parlement niet ten koste mag gaan van een beperking van het vermogen van het Parlement om zijn gewone wetgevingswerkzaamheden te verrichten;

85.

herhaalt de prioriteiten van het Parlement voor het komende begrotingsjaar, namelijk de reeds genomen veiligheidsmaatregelen consolideren en de weerbaarheid tegen cyberaanvallen verbeteren, de eigen interne begrotingsprocedure transparanter maken, en de begroting van het Parlement richten op zijn kerntaken die bestaan uit wetgeven, optreden als één tak van de begrotingsautoriteit, de burgers vertegenwoordigen en toezicht uitoefenen op de werkzaamheden van de andere instellingen;

86.

is ingenomen met de oprichting van de werkgroep van het Bureau inzake de algemene kostenvergoeding; herinnert eraan dat er meer transparantie wordt verwacht ten aanzien van de algemene kostenvergoeding en dat werk moet worden gemaakt van de vaststelling van preciezere regels inzake verantwoording van de uitgaven die met deze vergoeding kunnen worden gedaan, zonder dat hierdoor voor het Parlement extra kosten ontstaan;

87.

vraagt het Bureau om de volgende concrete wijzigingen betreffende de vergoeding voor algemene uitgaven door te voeren:

de vergoeding voor algemene uitgaven moet in elk geval worden behandeld op een afzonderlijke bankrekening;

alle ontvangstbewijzen in verband met de vergoeding voor algemene uitgaven moeten door de leden bewaard worden;

het niet-bestede deel van de vergoeding voor algemene uitgaven moet aan het eind van het mandaat worden teruggegeven;

88.

vermindert de personeelsformatie van zijn secretariaat-generaal voor 2018 met 60 posten (doelstelling tot vermindering met 1 %), overeenkomstig het akkoord van 14 november 2015 met de Raad over de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016; herinnert aan de 35 posten die het Parlement in 2016 heeft gekregen in verband met nieuwe activiteiten om de veiligheid te vergroten en die als zodanig buiten de doelstelling tot vermindering van het personeelsbestand vallen, zoals bevestigd bij de vaststelling van de gewijzigde begroting nr. 3/2016 en de algemene begroting 2017 (10); verzoekt de Commissie haar monitoringtabellen dienovereenkomstig aan te passen om ervoor te zorgen dat het Europees Parlement en de Raad in alle fasen van de procedure over nauwkeurige informatie beschikt;

89.

is ingenomen met de gedachtewisseling over het gebouwenbeleid van het Parlement die op 11 juli 2017 heeft plaatsgevonden tussen de Begrotingscommissie, de secretaris-generaal en de vicevoorzitters die bevoegd zijn voor het gebouwenbeleid van het Parlement; is van mening dat deze dialoog een continu proces moet zijn, met name in het licht van het komende debat in het Bureau over de renovatie van het Paul Henri Spaakgebouw;

90.

herhaalt zijn standpunt zoals verwoord in zijn bovengenoemde resolutie van 5 april 2017 dat er nog ruimte is voor verbetering van de controlemechanismen met betrekking tot de Europese politieke partijen en politieke stichtingen; wijst in dit verband op het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 (11) en juicht alle inspanningen toe ter verbetering van de verantwoording en de transparantie van de uitgaven;

91.

herinnert aan de analyse die de Europese Rekenkamer in 2014 heeft verricht, waarin de kosten van de geografische spreiding van het Parlement worden geraamd op 114 miljoen EUR per jaar; wijst tevens op de bevinding in zijn resolutie van 20 november 2013 over de plaats van de zetels van de instellingen van de Europese Unie (12), dat 78 % van alle dienstreizen van statutair personeel van het Parlement een direct gevolg zijn van zijn geografische spreiding; beklemtoont verder dat de milieugevolgen van de geografische spreiding in het verslag worden geraamd op tussen de 11 000 en 19 000 ton aan CO2-emissies; benadrukt het negatieve beeld dat deze spreiding bij het publiek opwekt en roept daarom op tot de vaststelling van een stappenplan om te komen tot één enkele vestigingsplaats en een verlaging van de desbetreffende begrotingsonderdelen;

Afdeling IV — Hof van Justitie

92.

neemt de bedragen van de OB opnieuw op voor alle begrotingsonderdelen die de Raad heeft verlaagd en die essentieel zijn voor de werking van het Hof, en herstelt de raming voor twee begrotingsonderdelen die het Hof in staat moeten stellen beter het hoofd te bieden aan de almaar toenemende vraag naar vertaling;

93.

uit zijn ongeloof over de unilaterale verklaring van de Raad en de bijbehorende bijlage inzake de vermindering van het personeelsbestand met 5 % in het standpunt van de Raad over de OB 2018, met name dat het Hof zijn personeelsformatie met nog eens 19 posten moet inkrimpen; benadrukt dat het bij deze 19 posten gaat om de 12 en 7 posten die het Parlement en de Raad tijdens de begrotingsprocedures van respectievelijk 2015 en 2016 hebben toegekend met het oog op bijkomende behoeften, en dringt er daarom op aan dat deze 19 posten niet moeten worden teruggegeven, te meer omdat het Hof de vermindering van het personeel met 5 % reeds heeft verwezenlijkt door 98 posten in te leveren in de periode 2013-2017;

Afdeling V — Rekenkamer

94.

neemt de bedragen van de OB opnieuw op voor alle begrotingsonderdelen die de Raad heeft verlaagd, opdat de Rekenkamer haar werkprogramma kan uitvoeren en de geplande auditverslagen kan opstellen;

95.

plaatst de kredieten voor het onderdeel „beperkte studies, enquêtes en adviezen” in de reserve in afwachting van de uitkomst van de lopende onderhandelingen over de herziening van het Financieel Reglement en de inwerkingtreding ervan in 2018;

Afdeling VI — Europees Economisch en Sociaal Comité

96.

neemt de bedragen van de OB opnieuw op voor alle begrotingsonderdelen die de Raad heeft verlaagd;

97.

verhoogt de kredieten op twee begrotingsonderdelen boven het bedrag van de OB met betrekking tot de werkzaamheden van interne adviesgroepen voor handelsovereenkomsten;

Afdeling VII — Comité van de Regio's

98.

neemt de bedragen van de OB opnieuw op voor alle begrotingsonderdelen die de Raad heeft verlaagd;

99.

verhoogt de kredieten op een aantal begrotingsonderdelen boven het bedrag van de OB overeenkomstig de eigen raming van het Comité van de Regio's;

Afdeling VIII — Europese Ombudsman

100.

is ingenomen met het werk van de Ombudsman om in de eigen begroting efficiëntieverbeteringen ten opzichte van het voorgaande jaar te vinden;

Afdeling IX — Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

101.

vraagt zich af waarom de Raad de begroting van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming wil verlagen, gezien de bijkomende taken die het Parlement en de Raad aan de instelling hebben toegekend; maakt daarom alle verlagingen van de Raad ongedaan om de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling X — Europese Dienst voor extern optreden

102.

maakt alle verlagingen van de Raad ongedaan;

103.

voert een begrotingsonderdeel voor een strategische communicatiecapaciteit in, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van maart 2015, om de EDEO te voorzien van afdoende personeel en instrumenten om het hoofd te bieden aan de uitdaging van desinformatie van derde landen en niet-statelijke actoren;

104.

besluit verder het begrotingsonderdeel voor speciale vertegenwoordigers van de EU over te hevelen van de GBVB-begroting naar de EDEO-begroting om het externe optreden van de Unie coherenter te maken;

105.

voorziet in een extra bedrag boven de raming van de EDEO voor stagiairs in delegaties van de Unie, als reactie op de bevindingen van het onderzoek van de Europese Ombudsman inzake onbetaalde stages (13);

o

o o

106.

neemt kennis van de unilaterale verklaring van Frankrijk en Luxemburg, gehecht aan het op 4 september 2017 door de Raad vastgestelde standpunt betreffende het ontwerp van algemene begroting voor het begrotingsjaar 2018; herinnert eraan dat de vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie tijdens de voorjaarsbegrotingstrialoog van 27 maart 2017 overeenstemming hebben bereikt over het pragmatisch tijdschema voor het verloop van de begrotingsprocedure, met inbegrip van de data voor de bemiddelingsperiode; herinnert eraan dat de Raad Algemene Zaken dit pragmatisch tijdschema heeft goedgekeurd op zijn vergadering van 25 april 2017, en daarbij volledig op de hoogte was van het vergaderrooster van het Parlement voor 2017; wijst er bijgevolg op dat de begrotingsprocedure verder verloopt volgens het pragmatisch tijdschema dat door de drie instellingen is overeengekomen;

107.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen op het ontwerp van algemene begroting, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.

(2)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(3)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(4)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(5)  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0085.

(6)  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0114.

(7)  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0302.

(8)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

(9)  Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33).

(10)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0401 / P8_TA(2016)0411.

(11)  COM(2017)0481.

(12)  PB C 436 van 24.11.2016, blz. 2.

(13)  Europese Ombudsman, 454.2014/PMC.


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/389


P8_TA(2017)0410

Bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (COM(2016)0248 — C8-0181/2016 — 2016/0130(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/56)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0248),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 153, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0181/2016),

gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2016 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 11 juli 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0064/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 487 van 28.12.2016, blz. 113.


P8_TC1-COD(2016)0130

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/2398.)


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/390


P8_TA(2017)0411

Instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de EU overschrijden ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de Europese Unie overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 767/2008 en Verordening (EU) nr. 1077/2011 (COM(2016)0194 — C8-0135/2016 — 2016/0106(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/57)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2016)0194),

gezien artikel 294, lid 2, artikel 77, lid 2, onder b) en d), artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0135/2016),

gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

gezien artikel 294, lid 3, artikel 77, lid 2, onder b) en d), artikel 87, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2016 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 12 juli 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0057/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 487 van 28.12.2016, blz. 66.


P8_TC1-COD(2016)0106

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de Overeenkomst ter Uitvoering van het te Schengen gesloten Akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2226.)


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/391


P8_TA(2017)0412

Wijziging van de Schengengrenscode wat betreft het gebruik van het inreis-uitreissysteem ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 in verband met het gebruik van het inreis-uitreissysteem (EES) (COM(2016)0196 — C8-0134/2016 — 2016/0105(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/58)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0196),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0134/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2016 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 12 juli 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0059/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 487 van 28.12.2016, blz. 66.


P8_TC1-COD(2016)0105

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 in verband met het gebruik van het inreis-uitreissysteem (EES)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2225.)


Donderdag 26 oktober 2017

27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/392


P8_TA(2017)0415

Een kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende securitisatie en tot instelling van een Europees kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (COM(2015)0472 — C8-0288/2015 — 2015/0226(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/59)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0472),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0288/2015),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 11 maart 2016 (1),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 januari 2016 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 28 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0387/2016),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 219 van 17.6.2016, blz. 2.

(2)  PB C 82 van 3.3.2016, blz. 1.


P8_TC1-COD(2015)0226

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2402.)


27.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 346/393


P8_TA(2017)0416

Prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) Nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (COM(2015)0473 — C8-0289/2015 — 2015/0225(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 346/60)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0473),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0289/2015),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 11 maart 2016 (1),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 januari 2016 (2),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 28 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0388/2016),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 219 van 17.6.2016, blz. 2.

(2)  PB C 82 van 3.3.2016, blz. 1.


P8_TC1-COD(2015)0225

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2401.)