ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 331

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

61e jaargang
18 september 2018


Inhoud

Bladzijde

 

 

EUROPEES PARLEMENT
ZITTING 2017-2018
Vergaderingen van 12 t/m 15 juni 2017
De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 68 van 22.2.2018 .
AANGENOMEN TEKSTEN

1


 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 13 juni 2017

2018/C 331/01

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het vergroten van de betrokkenheid van de partners en de zichtbaarheid van de resultaten van de Europese structuur- en investeringsfondsen (2016/2304(INI))

2

2018/C 331/02

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de kosteneffectiviteit van het zevende onderzoeksprogramma (2015/2318(INI))

10

2018/C 331/03

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië (2016/2220(INI))

17

2018/C 331/04

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende fusies en splitsingen (2016/2065(INI))

25

2018/C 331/05

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 met het oog op de tussentijdse beoordeling en het voorstel voor het negende kaderprogramma (2016/2147(INI))

30

2018/C 331/06

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020 (2016/2326(INI))

41

2018/C 331/07

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de toestand van de visbestanden en de sociaal-economische situatie van de visserijsector in de Middellandse Zee (2016/2079(INI))

50

 

Woensdag 14 juni 2017

2018/C 331/08

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof (2016/2061(INI))

60

2018/C 331/09

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verslag van de Commissie 2016 over Servië (2016/2311(INI))

71

2018/C 331/10

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verslag 2016 van de Commissie over Kosovo (2016/2314(INI))

80

2018/C 331/11

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verslag van de Commissie 2016 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (2016/2310(INI))

88

2018/C 331/12

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de situatie in de Democratische Republiek Congo (2017/2703(RSP))

97

2018/C 331/13

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de stand van de tenuitvoerlegging van het duurzaamheidspact in Bangladesh (2017/2636(RSP))

100

 

Donderdag 15 juni 2017

2018/C 331/14

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over de zaak van de Azerbeidzjaanse journalist Afgan Mukhtarli (2017/2722(RSP))

105

2018/C 331/15

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over Pakistan, met name over de situatie van mensenrechtenactivisten en de doodstraf (2017/2723(RSP))

109

2018/C 331/16

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over de mensenrechtensituatie in Indonesië (2017/2724(RSP))

113

2018/C 331/17

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen (2016/2064(INI))

116

2018/C 331/18

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over een Europese agenda voor de deeleconomie (2017/2003(INI))

125

2018/C 331/19

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over onlineplatforms en de digitale eengemaakte markt (2016/2276(INI))

135

2018/C 331/20

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over de humanitaire situatie in Jemen (2017/2727(RSP))

146

2018/C 331/21

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over de financiering van politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau (2017/2733(RSP))

150


 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europees Parlement

 

Woensdag 14 juni 2017

2018/C 331/22

Besluit van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas (2016/2070(IMM))

151

2018/C 331/23

Besluit van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski (2017/2019(IMM))

153

2018/C 331/24

Besluit van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen (2017/2020(IMM))

155

 

Donderdag 15 juni 2017

2018/C 331/25

Besluit van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Marine Le Pen (2017/2021(IMM))

157


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES PARLEMENT

 

Dinsdag 13 juni 2017

2018/C 331/26

P8_TA(2017)0249
Participatie van de Unie in het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de deelname van de Unie aan een door verscheidene lidstaten gezamenlijk opgezet partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) (COM(2016)0662 — C8-0421/2016 — 2016/0325(COD))
P8_TC1-COD(2016)0325
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de deelname van de Unie aan een door verscheidene lidstaten gezamenlijk opgezet partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief)

159

2018/C 331/27

P8_TA(2017)0250
Specifieke maatregelen voor het bieden van aanvullende steun aan lidstaten die zijn getroffen door natuurrampen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft specifieke maatregelen voor het verlenen van aanvullende steun aan lidstaten die zijn getroffen door natuurrampen (COM(2016)0778 — C8-0489/2016 — 2016/0384(COD))
P8_TC1-COD(2016)0384
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft specifieke maatregelen voor het bieden van aanvullende steun aan lidstaten die zijn getroffen door natuurrampen

162

2018/C 331/28

P8_TA(2017)0251
Energie-efficiëntie-etikettering ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor energie-efficiëntie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (COM(2015)0341 — C8-0189/2015 — 2015/0149(COD))
P8_TC1-COD(2015)0149
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU

163

2018/C 331/29

P8_TA(2017)0252
Culturele hoofdsteden van Europa voor de periode 2020 tot 2033 ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 445/2014/EU tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement Culturele hoofdsteden van Europa voor de periode 2020 tot 2033 (COM(2016)0400 — C8-0223/2016 — 2016/0186(COD))
P8_TC1-COD(2016)0186
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 445/2014/EU tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement Culturele hoofdsteden van Europa voor de periode 2020 tot 2033

165

 

Woensdag 14 juni 2017

2018/C 331/30

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 juni 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering (COM(2016)0482 — C8-0331/2016 — 2016/0231(COD))

166


Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

***

Goedkeuringsprocedure

***I

Gewone wetgevingsprocedure, eerste lezing

***II

Gewone wetgevingsprocedure, tweede lezing

***III

Gewone wetgevingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de in de ontwerptekst voorgestelde rechtsgrond)

Amendementen van het Parlement:

Nieuwe tekstdelen worden in vet cursief aangegeven. Geschrapte tekstdelen worden aangegeven met het symbool ▌of worden doorgestreept. Waar tekstdelen worden vervangen, wordt de nieuwe tekst in vet cursief aangegeven, terwijl de vervangen tekst wordt geschrapt of doorgestreept.

NL

 


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/1


EUROPEES PARLEMENT

ZITTING 2017-2018

Vergaderingen van 12 t/m 15 juni 2017

De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 68 van 22.2.2018 .

AANGENOMEN TEKSTEN

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement

Dinsdag 13 juni 2017

18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/2


P8_TA(2017)0245

De betrokkenheid van de partners en de zichtbaarheid van de resultaten van de Europese structuur- en investeringsfondsen vergroten

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het vergroten van de betrokkenheid van de partners en de zichtbaarheid van de resultaten van de Europese structuur- en investeringsfondsen (2016/2304(INI))

(2018/C 331/01)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 174, 175 en 177 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (1) („Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen”),

gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (2),

gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei — naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening (3),

gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de vertraging bij de tenuitvoerlegging van de operationele programma’s van de ESI-fondsen — gevolgen voor het cohesiebeleid en verdere actie (4),

gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) (5),

gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over „Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020” (6),

gezien de conclusies van de Raad van 16 november 2016 over de resultaten en nieuwe elementen van het cohesiebeleid en de Europese structuur- en investeringsfondsen (7),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Waarborgen van de zichtbaarheid van het cohesiebeleid: voorlichtings- en communicatievoorschriften 2014-2020” (8),

gezien de in opdracht van de Commissie uitgevoerde Flash Eurobarometer van september 2015 getiteld „Citizens' awareness and perceptions of EU: Regional Policy” (9),

gezien het verslag-Van den Brande van oktober 2014 getiteld „Multilevel governance en partnerschap”, voorbereid in opdracht van de commissaris voor regionaal beleid en stadsontwikkeling, Johannes Hahn (10),

gezien het communicatieplan 2016 van het Europees Comité van de Regio's getiteld „Regio's en steden verbinden voor een sterker Europa” (11),

gezien de door de Commissie bestelde studie getiteld „Implementation of the partnership principle and multi-level governance in the 2014-2020 ESI Funds” van juli 2016 (12),

gezien de presentatie van het secretariaat van Interreg Europe getiteld „Designing a project communication strategy” (13),

gezien het verslag in opdracht van het Pools ministerie voor Economische Ontwikkeling, in het kader van de evaluatie ex-post en de prognose van de voordelen voor EU-15-landen door de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in Visegradlanden, getiteld „How do EU-15 Member States benefit from the Cohesion Policy in the V4?” (14),

gezien het handboek 2014 van het Europees Netwerk voor armoedebestrijding (EAPN) getiteld „Giving a voice to citizens: Building stakeholder engagement for effective decision-making — Guidelines for Decision-Makers at EU and national levels” (15),

gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van november 2014 getiteld „Communicating Europe to its Citizens: State of Affairs and Prospects”,

gezien de briefing van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van april 2016 getiteld „Research for REGI Committee: Mid-term review of the MFF and Cohesion Policy”,

gezien het werkdocument van de Commissie van 19 september 2016 over de ex-post-evaluatie van het EFRO en het Cohesiefonds 2007-13 (SWD(2016)0318 final),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0201/2017),

A.

overwegende dat het cohesiebeleid aanzienlijk heeft bijgedragen aan de bevordering van de groei en de werkgelegenheid en de vermindering van ongelijkheden tussen EU-regio's;

B.

overwegende dat de financiering in het kader van het EU-cohesiebeleid een positieve invloed heeft op zowel de economie als het leven van burgers, hetgeen aangetoond wordt in verschillende rapporten en onafhankelijke evaluaties, maar dat de resultaten niet altijd goed gecommuniceerd werden en dat de bekendheid van het positieve effect eerder beperkt is; overwegende dat de toegevoegde waarde van het cohesiebeleid van de EU verder gaat dan de aangetoonde positieve economische, sociale en territoriale impact, in de zin dat het beleid ook impliceert dat de lidstaten en de regio's toegewijd zijn aan de versterking van Europese integratie;

C.

overwegende dat de bekendheid van door de EU gefinancierde plaatselijke programma's onder eindgebruikers en in het maatschappelijk middenveld cruciaal is, ongeacht het financieringsniveau in een bepaalde regio;

D.

overwegende dat het partnerschapsbeginsel en het model van meerlagig bestuur, die gestoeld zijn op een versterkte coördinatie tussen publieke overheden, economische en sociale partners en maatschappelijke organisaties, effectief kunnen bijdragen tot een betere communicatie over de doelstellingen en resultaten van EU-beleid;

E.

overwegende dat een permanente dialoog en de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties essentieel zijn om verantwoordingsplicht en legitimiteit van het overheidsbeleid te verzekeren en een gevoel van gedeelde verantwoordelijkheid en transparantie in het besluitvormingsproces te creëren;

F.

overwegende dat een verhoogde zichtbaarheid van de ESI-fondsen kan helpen om de perceptie van de doeltreffendheid van het cohesiebeleid te verbeteren en het vertrouwen en de interesse van burgers in het Europees project terug te winnen;

G.

overwegende dat een samenhangende communicatielijn van essentieel belang is, niet alleen stroomafwaarts over de concrete resultaten van de ESI-fondsen, maar ook stroomopwaarts om de initiatiefnemers van projecten bewust te maken van financieringsmogelijkheden, teneinde de betrokkenheid van burgers in de tenuitvoerleggingsprocedure te vergroten;

H.

overwegende dat er meer methoden moeten komen om informatie te verstrekken en om de communicatiekanalen te diversifiëren en dat deze methoden moeten worden verbeterd;

Algemene overwegingen

1.

onderstreept dat het cohesiebeleid behoort tot de belangrijkste overheidsinstrumenten voor groei en dat het, via de vijf ESI-fondsen, investeringen in alle EU-regio's verzekert en bijdraagt aan de vermindering van ongelijkheden, de ondersteuning van het concurrentievermogen en slimme, duurzame en inclusieve groei en een verbeterde levenskwaliteit voor Europese burgers;

2.

merkt met bezorgdheid op dat het algemene publieke bewustzijn over en de perceptie van de doeltreffendheid van het regionaal beleid van de EU de afgelopen jaren achteruit zijn gegaan; verwijst naar Eurobarometer 423 van september 2015, waarin iets meer dan een derde van de Europeanen (34 %) beweert reeds gehoord te hebben over door de EU medegefinancierde projecten ter verbetering van de levenskwaliteit in hun regio; merkt op dat het merendeel van de ondervraagden onderwijs, gezondheid, sociale infrastructuur en milieubeleid als belangrijke domeinen noemde; is van oordeel dat niet alleen de kwantiteit maar vooral de kwaliteit van de in het kader van de ESI-fondsen gefinancierde projecten en hun toegevoegde waarde op het vlak van concrete resultaten een voorwaarde zijn voor positieve communicatie; onderstreept daarom dat de beoordeling, selectie, uitvoering en voltooiing van de projecten gericht moeten zijn op het behalen van de verwachte resultaten en het aldus vermijden van ondoeltreffende uitgaven, die kunnen leiden tot negatieve publiciteit voor het cohesiebeleid; benadrukt dat bij de selectie van de communicatiemaatregelen bijzondere aandacht moet worden besteed aan hun inhoud en reikwijdte, en herhaalt dat de beste reclame het belang en het nut van de uitgevoerde projecten illustreert;

3.

merkt op dat het verzekeren van de zichtbaarheid van investeringen in het kader van het cohesiebeleid een gedeelde bevoegdheid van de Commissie en de lidstaten moet blijven, teneinde effectieve Europese communicatiestrategieën te ontwikkelen die gericht zijn op het waarborgen van de zichtbaarheid van de investeringen in het kader van het cohesiebeleid; wijst in dit verband op de rol van de beheersautoriteiten en van de bevoegde lokale en regionale autoriteiten in het bijzonder, via institutionele communicatie en via begunstigden, aangezien zij het meest effectief met burgers kunnen communiceren, in de zin dat zij plaatselijke informatie verstrekken en Europa dichter bij de burger brengen; herhaalt bovendien dat deze autoriteiten het best de lokale en regionale situaties en behoeften kennen, en dat meer inspanningen voor betere voorlichting en transparantie op lokaal niveau vereist zijn om de zichtbaarheid te verbeteren;

4.

benadrukt dat het verzekeren van de zichtbaarheid van het beleid een dubbelzijdig proces van communicatie en interactie met partners is; benadrukt bovendien dat overheden, in de context van complexe uitdagingen en met het oog op legitimiteit en doeltreffende oplossingen op lange termijn, de relevante belanghebbenden moeten betrekken in alle fases van de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst en de operationele programma's, in overeenstemming met het partnerschapsbeginsel; benadrukt bovendien de behoefte aan versterking van de institutionele capaciteit van publieke autoriteiten en partners en wijst nogmaals op de mogelijke rol van het Europees Sociaal Fonds (ESF) in dit verband;

5.

wijst in dit verband op de ongelijke vooruitgang tussen de lidstaten bij het stroomlijnen van de administratieve procedures met betrekking tot de bredere mobilisering en betrokkenheid van regionale en lokale partners, waaronder economische en sociale partners en organen uit het maatschappelijk middenveld; herinnert in deze context aan het belang van sociale dialoog;

Uitdagingen

6.

wijst op de toename van euroscepsis en anti-Europese populistische propaganda, waarin een verkeerd beeld wordt gegeven van het beleid van de Unie, en roept de Commissie en de Raad op om de onderliggende oorzaken hiervan te onderzoeken en aan te pakken; onderstreept daarom de dringende behoefte aan de ontwikkeling van meer doeltreffende communicatiestrategieën, die in burgervriendelijke taal zijn opgesteld en die gericht zijn op het dichten van de kloof tussen de EU en haar burgers, met inbegrip van werklozen en personen die risico lopen op sociale uitsluiting, via verschillende mediaplatforms op lokaal, regionaal en nationaal niveau die een correcte en samenhangende boodschap over de toegevoegde waarde van het Europees project voor levenskwaliteit en welvaart aan burgers kunnen overbrengen;

7.

verzoekt de Commissie en de Raad om zowel voor het huidige kader als voor de hervorming van het cohesiebeleid na 2020 te analyseren welke impact de maatregelen om de samenhang met het Europees semester te versterken en om structurele hervormingen uit te voeren via in het kader van de ESI-fondsen gefinancierde programma's hebben op de perceptie van EU-beleidsmaatregelen;

8.

erkent de beperkingen van het rechtskader wat het verzekeren van voldoende zichtbaarheid van het cohesiebeleid betreft; benadrukt dat daardoor communicatie over de concrete verwezenlijkingen niet altijd een prioriteit is geweest voor de verschillende betrokken partijen; is van oordeel dat de aangeraden communicatieactiviteiten over tastbare resultaten voortdurend moeten worden bijgewerkt; herinnert er in dit verband aan dat de technische ondersteuning van de ESI-fondsen niet voorziet in een specifieke financiële enveloppe voor communicatie, noch op EU- noch op lidstaatniveau; benadrukt evenwel de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteiten en de begunstigden om regelmatig toezicht uit te oefenen op de naleving van de voorlichtings- en communicatieactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 115 en bijlage XII van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen;

9.

herhaalt dat een juist evenwicht gevonden moet worden tussen de behoefte aan vereenvoudiging van de regels voor de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid en de noodzaak om een gedegen en transparant financieel beheer te behouden, fraude te bestrijden en tegelijkertijd een goede communicatie met het publiek te verzekeren; herinnert in dit verband aan de noodzaak van een duidelijk onderscheid tussen onregelmatigheden en fraude, zodat geen publiek wantrouwen in de beheersautoriteiten en de lokale overheden wordt gecreëerd; benadrukt bovendien de behoefte aan vereenvoudiging en verlichting van de administratieve last voor begunstigden, zonder dat daarbij de noodzakelijke controles en audits worden aangetast;

10.

onderstreept dat meer betrokkenheid op het terrein, zowel lokaal als regionaal, essentieel is om een efficiënte verspreiding en communicatie van de resultaten te verzekeren; begrijpt dat het partnerschapsbeginsel zorgt voor toegevoegde waarde bij de tenuitvoerlegging van Europese beleidsmaatregelen, zoals in een recente studie van de Commissie werd bevestigd; wijst er echter op dat het mobiliseren van partners in bepaalde gevallen eerder moeilijk blijft, omdat het partnerschapsbeginsel wel formeel ingevoerd is maar daadwerkelijke deelname aan de governanceprocedure niet mogelijk is; herhaalt dat meer inspanningen en middelen geïnvesteerd moeten worden in het betrekken van partners en het uitwisselen van ervaringen via dialoogplatforms voor partners, zodat zij ook de EU-financieringsmogelijkheden en -successen kunnen verspreiden;

11.

wijst er bovendien op dat de strategische en langdurige aard van cohesiebeleidsinvesteringen impliceert dat er niet altijd onmiddellijk resultaat is, wat nadelig is voor de zichtbaarheid van de cohesiebeleidsinstrumenten, vooral in vergelijking met andere instrumenten van de Unie zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); dringt er derhalve op aan dat de communicatieactiviteiten, in voorkomend geval, tot vier jaar na de voltooiing van het project voortgezet worden; benadrukt dat de resultaten van bepaalde investeringen (met name in menselijk kapitaal) minder zichtbaar en moeilijker kwantificeerbaar zijn dan „fysieke” investeringen en roept op tot een meer gedetailleerde en gedifferentieerde beoordeling van de langetermijnimpact van het cohesiebeleid op het leven van burgers; is bovendien van oordeel dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan evaluatie achteraf en aan communicatie over de bijdrage van de ESI-fondsen aan de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, als de Europese ontwikkelingsstrategie op lange termijn;

12.

wijst op de belangrijke rol van de media bij het informeren van de burgers over allerlei EU-beleid en EU-aangelegenheden in het algemeen; betreurt echter de beperkte verslaggeving over EU-cohesiebeleidsinstrumenten in de media; benadrukt de behoefte aan de ontwikkeling van informatiecampagnes en communicatiestrategieën die op de media gericht zijn, die aangepast zijn aan de huidige uitdagingen met betrekking tot informatie en die de informatie in een toegankelijke en aantrekkelijke vorm verstrekken; benadrukt de dat de toenemende invloed van sociale media benut moet worden, evenals de voordelen van de digitale vooruitgang en de mix van de verschillende beschikbare communicatiekanalen, zodat deze beter gebruikt kunnen worden voor de promotie van de mogelijkheden en verwezenlijkingen dankzij de ESI-fondsen;

Verbetering van de communicatie en de betrokkenheid van partners in de tweede helft van de periode 2014-2020

13.

roept de Commissie en de lidstaten op om de coördinatie en de toegankelijkheid van bestaande kanalen en instrumenten voor communicatie op EU-niveau te verbeteren, teneinde onderwerpen met een impact op de EU-agenda aan te pakken; benadrukt in dit verband het belang van het verstrekken van richtsnoeren waarin technieken en methoden worden bepaald met het oog op effectieve communicatie over hoe het cohesiebeleid concrete resultaten in het dagelijkse leven van EU-burgers oplevert; roept de beheersautoriteiten en de begunstigden op om op actieve en systematische wijze de resultaten, voordelen en langetermijngevolgen van het beleid te communiceren, met inachtneming van de verschillende ontwikkelingsfasen van de projecten;

14.

onderstreept dat het, gelet op de kwantiteit en de kwaliteit van de informatie die circuleert via de traditionele en de moderne media, niet langer volstaat om enkel het logo van de Commissie op de borden met projectbeschrijvingen te tonen; verzoekt de Commissie om doeltreffender instrumenten voor de identificatie van de projecten te creëren;

15.

verwelkomt de huidige specifieke communicatie-activiteiten, zoals de campagne „Europa in mijn regio”, de onlinetoepassing „EU budget for results” van de Commissie, de samenwerking met CIRCOM Regional (16), het programma „Europa voor de burger” en de mogelijkheden dankzij het recent gecreëerde Europese solidariteitskorps; onderstreept voorts de cruciale rol van de informatiecentra van Europe Direct voor gedecentraliseerde communicatie, om meer bekendheid te geven aan de impact van het cohesiebeleid ter plaatse, zowel lokaal als regionaal; benadrukt bovendien dat de inspanningen gericht moeten worden op het bereiken van studenten en journalisten als potentiële communicatievectoren, en op het verzekeren van een geografisch evenwicht in de communicatiecampagnes;

16.

onderstreept de noodzaak van aanpassing van de communicatieregelingen zoals vastgelegd in de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen; verzoekt de Commissie na te denken over de toegevoegde waarde van het creëren van een specifieke financiële enveloppe voor communicatie binnen de technische bijstand, alsook, waar passend, van een verhoging van het aantal bindende publiciteits- en voorlichtingsvereisten voor projecten in het kader van het cohesiebeleid; dringt er bij de Commissie op aan in 2017 duidelijke richtsnoeren te verstrekken over hoe de technische bijstand precies kan worden gebruikt voor communicatie in de huidige financieringsperiode, met het oog op het verzekeren van de rechtszekerheid voor lokale en regionale autoriteiten en andere begunstigden; herhaalt daarnaast dat de normale communicatie- en bekendmakingsnormen weliswaar weldoordacht zijn in het geval van structurele en technologische investeringen maar minder doeltreffend zijn voor immateriële investeringen in menselijk kapitaal;

17.

benadrukt dat er behoefte is aan verdere prioritering van communicatie in de hiërarchie van de prioriteiten van het EU-cohesiebeleid, met name in het kader van de activiteiten van managementmedewerkers die niet direct verantwoordelijk zijn voor communicatie, en dat communicatie opgenomen moet worden in de normale procedure van de ESI-fondsen; verzoekt om verdere professionalisering op het gebied van communicatie, met name op lokaal gebied en door het vermijden van EU-jargon;

18.

verwelkomt de evaluatie achteraf van programma's in het kader van het cohesiebeleid in de periode 2007-2013 door de Commissie, en is van oordeel dat dit een uitstekende bron vormt voor communicatie over de behaalde resultaten en de gerealiseerde impact; neemt nota van het initiatief van de Visegradlanden over de externe effecten van het cohesiebeleid in de EU-15 (17) en roept de Commissie op om een bredere studie op niveau van de EU-28 voor te bereiden; roept de Commissie bovendien op om te differentiëren in haar communicatiestrategieën tussen lidstaten die nettobetalers en lidstaten die nettobegunstigden zijn, en daarbij te benadrukken welke specifieke voordelen het cohesiebeleid heeft voor de versterking van de reële economie, de bevordering van ondernemerschap en innovatie, het creëren van groei en werkgelegenheid in alle EU-regio's en het verbeteren van de gemeenschaps- en economische infrastructuur, zowel via directe investeringen als via directe en indirecte export (externe effecten);

19.

roept de Commissie en de beheersautoriteiten op om op zoek te gaan naar manieren om de toegang tot informatie te vergemakkelijken en te standaardiseren en de uitwisseling van kennis en goede praktijken met betrekking tot communicatiestrategieën te bevorderen, teneinde de aanwezige ervaring beter te benutten en de transparantie en zichtbaarheid van financieringsmogelijkheden te verbeteren;

20.

verwelkomt de invoering van e-cohesie in de huidige programmeringsperiode, met het oog op de vereenvoudiging en stroomlijning van de tenuitvoerlegging van de ESI-fondsen; benadrukt dat e-cohesie potentieel heeft om effectief bij te dragen aan het verstrekken van toegang tot informatie, het houden van toezicht op de programma-ontwikkeling en het creëren van interessante verbindingen tussen betrokken partijen;

21.

is van oordeel dat er behoefte is aan een versterkte communicatie via nieuwe mediakanalen, en bijgevolg aan een strategie voor digitale en socialemediaplatforms die tot doel hebben burgers te informeren en hun de gelegenheid te geven hun behoeften te uiten, die gericht zijn op het bereiken van de eindgebruikers aan de hand van verschillende soorten instrumenten, onder meer interactieve onlinemiddelen, die beter toegankelijke en op mobiele apparaten gebaseerde inhoud en toepassingen aanbieden, en die aan verschillende leeftijdsgroepen aangepaste en, waar passend, in verschillende talen beschikbare informatie verzekeren; verzoekt de beheersautoriteiten om de betrokken DG’s actuele informatie over de financiële gegevens en resultaten en investeringen te bezorgen, zodat zij makkelijk leesbare gegevens en grafieken op het open dataplatform van de ESI-fondsen kunnen zetten ten behoeve van journalisten; roept op tot het opzetten van regionale prijzen voor de beste projecten, in navolging van de RegioStars;

22.

raadt daarnaast aan om het toezicht op en de evaluatie van de huidige communicatieactiviteiten te verbeteren en raadt aan regionale taskforces voor communicatie op te zetten en daarbij actoren uit verschillende lagen te betrekken;

23.

benadrukt het belang van de Europese gedragscode inzake partnerschap en de rol van het partnerschapsbeginsel voor het versterken van de collectieve inspanningen voor en het vergroten van de betrokkenheid bij het cohesiebeleid; roept op om de band tussen de overheden, mogelijke begunstigden, de particuliere sector, het maatschappelijk middenveld en de burgers te versterken via een open dialoog, waarbij de samenstelling van de partnerschappen indien nodig tijdens de tenuitvoerlegging aangepast wordt om de juiste mix van partners te verzekeren en de belangen van de gemeenschap in elke fase van het proces te vertegenwoordigen;

24.

is ingenomen met het innovatieve model van meerlagige samenwerking met meerdere belanghebbende partijen dat in de stedelijke agenda van de EU wordt voorgesteld, en raadt aan dit model waar mogelijk toe te passen bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid;

25.

onderstreept de behoefte aan versterking van de communicatiedimensie van grensoverschrijdende en interregionale samenwerking, ook op het niveau van de huidige macroregionale strategieën, die zichtbaarder voor EU-burgers gemaakt moeten worden door middel van de verspreiding van goede praktijken alsook succesverhalen en mogelijkheden met betrekking tot investeringen;

Bevordering van de communicatie over het cohesiebeleid in de periode na 2020

26.

roept de Commissie en de lidstaten op om de aantrekkelijkheid van financiering in het kader van het EU-cohesiebeleid te vergroten via verdere vereenvoudiging en terugdringing van overregulering, en om te overwegen de complexiteit van verordeningen en richtsnoeren te verminderen en, waar passend, hun aantal terug te dringen, in het licht van de recente aanbeveling van de Groep op hoog niveau van onafhankelijke deskundigen die belast is met het monitoren van vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van de ESI-fondsen;

27.

verzoekt de Commissie om, gezien de mate waarin het cohesiebeleid bijdraagt tot een positieve identificatie met het Europese integratieproject, na te denken over een verplicht veld over communicatie in de formulieren voor projectaanvragen, in het kader van een verhoogde gebruikmaking van technische bijstand via een enveloppe specifiek voor communicatie, op programmaniveau, evenwel zonder daarbij het aantal beperkingen te verhogen en met waarborging van de nodige flexibiliteit; verzoekt de beheers- en lokale en regionale autoriteiten voorts om de kwaliteit van hun communicatie over de eindresultaten van projecten te verbeteren;

28.

benadrukt dat een versterking van de dialoog van de Unie met de burger noodzakelijk is, alsook een herziening van de communicatiekanalen en -strategieën en een aanpassing van boodschappen aan de lokale en regionale context in het licht van de mogelijkheden die sociale media en nieuwe digitale technologieën bieden; onderstreept bovendien de potentiële rol van betrokkenen uit het maatschappelijk middenveld als communicatievectoren; herhaalt evenwel dat educatieve inhoud even belangrijk is als mediastrategieën en promotie via verschillende platforms;

29.

benadrukt in het kader van communicatie en zichtbaarheid de noodzaak van verdere vereenvoudiging van het beleid na 2020, onder andere met betrekking tot de systemen voor gedeeld beheer en controles, om zo de juiste balans te vinden tussen de resultaatgerichtheid van het beleid, het aantal controles, en vereenvoudiging van de procedures;

30.

pleit ervoor het partnerschapsbeginsel verder te versterken in het kader van de programmeringsperiode na 2020; is ervan overtuigd dat de actieve betrokkenheid van de belanghebbenden, waaronder organisaties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, bij de procedure van onderhandelingen over en tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst en operationele programma's kan bijdragen tot een grotere eigen inbreng en meer transparantie bij de tenuitvoerlegging van het beleid en ook de tenuitvoerlegging van het begrotingsbeleid van de EU kan verbeteren; roept daarom de lidstaten op om te overwegen bestaande modellen van participatief beheer in te voeren, waardoor alle relevante maatschappelijke partners samengebracht worden en de belanghebbende partijen betrokken worden bij een participatieve begrotingsprocedure om middelen voor de nationale, regionale en lokale medefinanciering, waar mogelijk, vast te stellen, teneinde het wederzijdse vertrouwen en de betrokkenheid van burgers bij beslissingen over overheidsuitgaven te vergroten; dringt voorts aan op gezamenlijke beoordelingen van de resultaten met de begunstigden en de verschillende betrokkenen, om relevante gegevens te verzamelen die kunnen helpen om de actieve deelname en de zichtbaarheid van toekomstige maatregelen te vergroten;

31.

dringt daarnaast aan op een versterking van de samenwerking tussen stad en platteland, teneinde territoriale partnerschappen tussen stedelijke en plattelandsgebieden te ontwikkelen aan de hand van een volledige benutting van de mogelijke synergieën op het vlak van EU-financiering en aan de hand van het voortbouwen op de deskundigheid van stedelijke gebieden en hun grotere capaciteit om fondsen te beheren;

32.

spoort de Commissie en de lidstaten aan om in hun respectieve actieplannen voor communicatie aandacht te besteden aan het versterken van de samenwerking tussen de verschillende directoraten-generaal, ministeries en communicatoren op verschillende niveaus, en aan het maken van een overzicht van doelgroepen, teneinde boodschappen die op specifieke doelgroepen zijn toegesneden te ontwikkelen en over te brengen, zodat de burgers ter plaatse rechtstreeks bereikt en beter geïnformeerd worden;

33.

benadrukt in dit verband het belang van een mentaliteitswijziging, in die zin dat communicatie een verantwoordelijkheid is van alle betrokken partijen, en dat de begunstigden zelf de belangrijkste communicatoren worden;

34.

vraagt de Commissie en de lidstaten bovendien om de rol en positie van reeds bestaande nationale communicatie- en informatienetwerken te versterken en om het interactieve e-communicatieplatform van de EU over de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid te gebruiken, zodat alle relevante gegevens over projecten in het kader van de ESI-fondsen worden verzameld en eindgebruikers feedback kunnen geven op het tenuitvoerleggingsproces en de geleverde resultaten zonder zich te moeten beperken tot een summiere beschrijving van het project en de gemaakte kosten; is van oordeel dat dit platform ook de evaluatie van de doeltreffendheid van de communicatie met betrekking tot het cohesiebeleid kan faciliteren;

o

o o

35.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's en de nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)  PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0055.

(5)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0211.

(6)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.

(7)  http://www.consilium.europa.eu/press-releases-pdf/2016/11/47244650399_nl.pdf

(8)  http://ec.europa.eu/regional_policy/nl/information/publications/brochures/2014/ensuring-the-visibility-of-cohesion-policy-information-and-communication-rules-2014-2020

(9)  http://ec.europa.eu/COMMFrontOffice/publicopinion/index.cfm/ResultDoc/download/DocumentKy/67400

(10)  http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/informing/dialog/2014/5_vandenbrande_report.pdf

(11)  http://cor.europa.eu/en/about/Documents/CoR-communication-plan-2016.pdf

(12)  http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/policy/how/studies_integration/impl_partner_report_en.pdf.

(13)  http://www.interregeurope.eu/fileadmin/user_upload/events/Rotterdam/pdf/Designing_communication_strategy.pdf

(14)  https://www.strukturalni-fondy.cz/getmedia/fdc8a04e-590d-47ac-9213-760d4ac76f75/V4_EU15_manazerske-shrnuti.pdf?ext=.pdf

(15)  http://www.eapn.eu/images/stories/docs/EAPN-position-papers-and-reports/2014-eapn-handbook-Give-a-voice-to-citizens-Guidelines-for-Stakeholder-Engagement.pdf

(16)  Professionele vereniging voor regionale publieke omroepen in Europa.

(17)  Verslag in opdracht van het Pools ministerie voor Economische Ontwikkeling, in het kader van de evaluatie ex-post en de prognose van de voordelen voor EU-15-landen door de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in Visegradlanden, getiteld „How do EU-15 Member States benefit from the Cohesion Policy in the V4”.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/10


P8_TA(2017)0246

Kosteneffectiviteit van het zevende onderzoeksprogramma

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de kosteneffectiviteit van het zevende onderzoeksprogramma (2015/2318(INI))

(2018/C 331/02)

Het Europees Parlement,

gezien titel XIX van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (1),

gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) (2),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (3) („Financieel Reglement”),

gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014, vergezeld van de antwoorden van de instellingen (4),

gezien speciaal verslag nr. 2/2013 van de Rekenkamer getiteld „Heeft de Commissie gezorgd voor een doelmatige uitvoering van het zevende kaderprogramma voor onderzoek?”,

gezien het verslag van de Commissie wetenschap en technologie van het Britse Lagerhuis van 16 november 2016 getiteld „Leaving the EU: implications and opportunities for science and research” (5),

gezien zijn besluit van 28 april 2016 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III — Commissie (6),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0194/2017),

A.

overwegende dat het meerjarig financieel kader (MFK) 2007-2013 is afgelopen, maar dat het zevende kaderprogramma (KP7) voor onderzoek en innovatie nog doorloopt;

B.

overwegende dat onderzoeks- en innovatieprojecten tijdens het MFK 2014-2020 onder de Horizon 2020-verordening vallen;

C.

overwegende dat er, voor zover bekend, geen uitgebreide analyse van de kosteneffectiviteit van het KP7 bestaat;

D.

overwegende dat er — idealiter — vóór de inwerkingtreding van Horizon 2020 een uitgebreide evaluatie van het KP7 had moeten plaatsvinden;

E.

overwegende dat foutenpercentages en een evaluatie ex post van het programma geen volledig beeld geven van de kosteneffectiviteit;

Het zevende kaderprogramma (KP7)

1.

wijst erop dat voor het KP7 in totaal een begroting van 55 miljard EUR is goedgekeurd, ofwel naar schatting 3 % van de totale uitgaven voor onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO) in Europa of 25 % van de competitieve financiering; in de zevenjarige looptijd van het KP7 zijn meer dan 139 000 onderzoeksprojecten ingediend, waaruit 25 000 projecten van de hoogste kwaliteit zijn geselecteerd en gesubsidieerd; onder de 29 000 deelnemende organisaties zijn de meeste subsidies gegaan naar, onder andere, universiteiten (44 % van de KP7-middelen), onderzoeks- en technologieorganisaties (27 %), grote particuliere bedrijven (11 %) en kmo's (13 %), terwijl de overheidssector (3 %) en maatschappelijke organisaties (2 %) slechts een ondergeschikte rol speelden;

2.

is zich ervan bewust dat het KP7 is bedoeld voor begunstigden uit alle lidstaten van de EU en partner- en toetredingslanden als Zwitserland, Israël, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein, Turkije, Kroatië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Servië, Albanië, Montenegro, Bosnië en Herzegovina, de Faeröer-eilanden en Moldavië, evenals de partnerlanden op het gebied van internationale samenwerking;

3.

wijst erop dat de deskundigengroep op hoog niveau die het KP7 ex post heeft geëvalueerd (7), het KP7 als een succes heeft omschreven; de deskundigengroep onderstreepte met name dat het KP7:

op individueel en institutioneel niveau uitmuntend wetenschappelijk werk heeft gestimuleerd,

via het nieuwe programma FP7-Ideas (Europese Onderzoeksraad) grensverleggend onderzoek heeft bevorderd,

het bedrijfsleven en kmo's een plaats in de strategie heeft gegeven,

een nieuwe wijze van samenwerking en een open innovatiekader tot stand heeft gebracht,

de Europese onderzoeksruimte heeft versterkt door het bevorderen van een samenwerkingscultuur en het opbouwen van uitgebreide netwerken waarin thematische vraagstukken kunnen worden behandeld,

een aantal maatschappelijke kwesties door middel van onderzoek, technologie en innovatie onder de loep heeft genomen — FP7-Cooperation,

de harmonisatie van de nationale systemen en beleidsmaatregelen op het gebied van onderzoek en innovatie heeft bevorderd,

de mobiliteit van onderzoekers in heel Europa heeft gestimuleerd — met FP7-People zijn de nodige voorwaarden geschapen voor een open arbeidsmarkt voor onderzoekers,

de investeringen in de Europese onderzoeksinfrastructuur heeft versterkt,

een kritische massa aan onderzoek in Europa en wereldwijd heeft bereikt;

4.

merkt op dat tijdens de openbare raadpleging van belanghebbenden in het kader van de KP7-evaluatie van februari tot mei 2015 op de volgende tekortkomingen is gewezen:

hoge administratieve lasten en een logge juridische en financiële regelgeving,

veel te veel inschrijvingen,

onvoldoende aandacht voor maatschappelijke effecten,

onvoldoende breedte in onderwerpen en oproepen,

onvoldoende aandacht voor deelname van het bedrijfsleven,

hoge drempel voor nieuwkomers en een laag gemiddeld slaagpercentage voor voorstellen en aanvragers (19 % respectievelijk 22 %,

zwakke communicatie;

5.

is bezorgd over het feit dat het KP7 volgens de commissaris niet volledig zal worden uitgevoerd en geëvalueerd vóór 2020, hetgeen tot vertragingen zou kunnen leiden in toekomstige vervolgprogramma's; dringt er bij de Commissie op aan het evaluatieverslag zo snel mogelijk te publiceren en ten laatste voordat zij het onderzoeksprogramma voor de periode na Horizon - 2020 voorstelt;

De opmerkingen van de Europese Rekenkamer („Rekenkamer”)

6.

benadrukt bezorgd dat de Rekenkamer de systemen voor toezicht en controle op onderzoek en andere interne beleidsmaatregelen als „ten dele doeltreffend” aanmerkt;

7.

verzoekt de Commissie zijn bevoegde commissie in detail te informeren over de tien verrichtingen die goed waren voor 77 % van de fouten in 2015 en over de genomen corrigerende maatregelen;

8.

merkt bezorgd op dat het foutenpercentage voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (OOI) in de laatste kwijtingsprocedures telkens boven de 5 % lag;

9.

wijst erop dat van de 150 verrichtingen die de Rekenkamer in 2015 heeft gecontroleerd, er 72 (48 %), fouten vertoonden; op basis van de 38 door de Rekenkamer gekwantificeerde fouten schatte zij het foutenpercentage op 4,4 %; verder beschikten de Commissie, de nationale autoriteiten of onafhankelijke controleurs in 16 gevallen van kwantificeerbare fouten over voldoende informatie om de fouten te kunnen voorkomen of opsporen en corrigeren, voordat zij de uitgaven accepteerden; indien al deze informatie gebruikt was om fouten te corrigeren, zou het geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk 0,6 % lager zijn geweest;

10.

betreurt het dat de Rekenkamer voor 10 van de 38 verrichtingen die kwantificeerbare fouten vertonen, fouten meldde waarmee meer dan 20 % van de onderzochte onderdelen gemoeid was; deze 10 gevallen (9 uit het zevende kaderprogramma voor onderzoek en één uit het programma voor concurrentievermogen en innovatie voor 2007-2013) waren in 2015 goed voor 77 % van het totale geschatte foutenpercentage voor „Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid”;

11.

betreurt het dat het merendeel van de door de Rekenkamer geconstateerde gekwantificeerde fouten (33 van de 38) betrekking had op de vergoeding van niet-subsidiabele personeels- en indirecte kosten die door de begunstigden waren gedeclareerd, en dat bijna alle fouten die de Rekenkamer aantrof in kostenstaten het gevolg waren van het door de begunstigden onjuist interpreteren van de complexe subsidiabiliteitsregels, of het onjuist berekenen van de subsidiabele kosten, wat tot de evidente conclusie leidt dat deze regels moeten worden vereenvoudigd;

12.

neemt er kennis van dat de Commissie (aan het einde van het programma en na correctie) een restfoutenpercentage van 3 % voor 2014 heeft berekend (2,88 % in 2015);

13.

herinnert aan zijn standpunt bij de verlening van kwijting aan de Commissie in 2012 en 2014: „Blijft ervan overtuigd dat de Commissie moet blijven streven naar een aanvaardbaar evenwicht tussen de aantrekkelijkheid van programma's voor deelnemers en de legitieme noodzaak van verantwoording en financiële controle; herinnert in dit verband aan de verklaring van de directeur-generaal uit 2012 dat een procedure met als doel een restfoutenpercentage van 2 % onder alle omstandigheden geen realistische optie is”;

14.

betreurt het dat de fouten primair voortvloeiden uit onjuist berekende personeelskosten en niet-subsidiabele directe en indirecte kosten;

15.

wijst bezorgd op de bevindingen in speciaal verslag nr. 2/2013, die de Rekenkamer tot de slotsom brengen dat de procedures van de Commissie erop gericht zijn dat de middelen in kwalitatief hoogwaardig onderzoek worden geïnvesteerd, maar dat er minder aandacht is besteed aan efficiëntie;

met de bestaande IT-instrumenten was een efficiënte uitvoering van de projecten niet mogelijk, en in de acht diensten van de Commissie werken meer dan 2 500 personeelsleden aan de uitvoering van het KP7, van wie er 1 500 (60 %) rechtstreeks belast zijn met de uitvoering van het specifieke samenwerkingsprogramma;

de wachttijd voorafgaande aan de subsidieverlening dient verder te worden teruggebracht, en

in het model voor de financiële controle op het KP7 wordt onvoldoende rekening gehouden met het risico van fouten;

16.

neemt kennis van de antwoorden van de Commissie op de conclusies van de Rekenkamer, waarin zij erop wees dat er niettemin 4 324 subsidieovereenkomsten met bijna 20 000 deelnemers waren getekend, dat de wachttijd tot de subsidieverlening al was ingekort en dat de controlestructuur zodanig was opgezet dat het meeste gewicht werd toegekend aan de controle achteraf;

Kosteneffectiviteit in het kader van het KP7

17.

onderstreept dat de kosteneffectiviteit moet worden gemeten aan de hand van de zuinigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid (goed financieel beheer) (8) bij de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen;

18.

neemt er nota van dat de uitvoering van de kaderprogramma's voor onderzoek een gezamenlijke verantwoordelijkheid was van diverse directoraten-generaal, uitvoerende agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen, zogeheten artikel 185-organen, de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT);

19.

wijst erop dat het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie (DG RTD) in 2015 betalingen van 3,8 miljard EUR heeft goedgekeurd, waarvan 67,4 % onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van het directoraat-generaal is gedaan, 12,6 % door gemeenschappelijke ondernemingen (GO's), 10,7 % door de EIB en het Europees Investeringsfonds (EIF) en 2,4 % door uitvoerende agentschappen;

20.

constateert dat de Europese Unie volgens het jaarlijkse activiteitenverslag van DG RTD voor 2015 44,56 miljard EUR aan het KP7 heeft bijgedragen, waarvan 58 % naar Duitsland (16 %), het Verenigd Koninkrijk (16 %), Frankrijk (11 %), Italië (8 %) en Spanje (7 %) is gegaan;

21.

stelt vast dat DG RTD een controlestelsel heeft opgezet dat de inherente risico's moet beperken in de verschillende fasen van het beheer van directe en indirecte subsidies; daarnaast heeft DG RTD een strategie ontwikkeld voor het toezicht op de financieringsinstrumenten van de EIB en het EIF;

22.

neemt er nota van dat DG RTD eind 2015 in het kader van het KP7 2007-2013 3 035 van de 4 950 subsidieovereenkomsten en 1 915 projecten had voltooid en afgesloten, waarna nog 1,6 miljard EUR moest worden uitbetaald; DG RTD heeft in 2015 826 slotbetalingen verricht; moedigt het DG aan deze statistieken in latere begrotingsjaren verder te ontwikkelen;

23.

onderstreept met name dat indicatoren als de subsidietoekenningstermijn, de informatietermijn en de betalingstermijn een positieve trend lieten zien en als bevredigend werden aangemerkt (naleving 93-100 %);

24.

neemt er nota van dat DG RTD tijdens de programmeringsperiode van het KP7 1 550 audits heeft verricht, die betrekking hadden op 1 404 begunstigden en 58,7 % van de begroting;

25.

merkt op dat volgens DG RTD 9,4 voltijdsequivalenten zich bezighielden met het toezicht op en de coördinatie van de activiteiten in verband met de uitvoerende agentschappen; hiermee was 1,26 miljoen EUR of 1,35 % van de totale administratiekosten gemoeid; daarnaast hebben het Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) en het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (ERCEA) in 2015 een operationele begroting van 1,94 miljard EUR besteed en hebben het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (EASME) en het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) 480,5 miljoen EUR aan betalingskredieten uitgegeven;

26.

stelt vast dat DG RTD voor het toezicht op de activiteiten van de gemeenschappelijke ondernemingen onkosten ten bedrage van 1,67 miljoen EUR heeft gemaakt, zijnde 0,35 % van de aan deze ondernemingen betaalde 479,9 miljoen EUR; stelt voorts vast dat DG RTD voor het toezicht op de activiteiten van de artikel 185-organen onkosten ten bedrage van 0,7 miljoen EUR heeft gemaakt, zijnde 0,78 % van de betalingen die aan deze organen zijn gedaan;

27.

benadrukt dat gemeenschappelijke ondernemingen en artikel 185-organen verantwoordelijk zijn voor hun eigen audits en de resultaten daarvan aan DG RTD moeten doorgeven;

28.

merkt bezorgd op dat DG RTD het totale percentage opgespoorde fouten op 4,35 % heeft geraamd; tegelijkertijd meende het DG dat het restfoutenpercentage (aan het einde van het programma en na correctie) op 2,88 % lag;

29.

constateert dat eind 2016 een bedrag van 68 miljoen EUR moest worden teruggevorderd, waarvan 49,7 miljoen EUR daadwerkelijk is geïnd;

30.

merkt evenwel op dat de voorschriften van het KP7 niet voldoende aansloten bij de algemene zakelijke praktijk, dat risico en controle in het controlesysteem beter in evenwicht hadden moeten zijn, dat begunstigden beter hadden moeten worden begeleid in de omgang met de complexe regeling en dat de terugbetalingsmethoden efficiënter hadden moeten zijn;

31.

is bezorgd over het feit dat uit het jaarlijkse activiteitenverslag van DG RTD blijkt dat 1 915 projecten in het kader van het KP7 ter waarde van 1,63 miljard EUR eind 2015 nog steeds niet waren voltooid, waardoor de uitvoering van Horizon 2020 vertraging zou kunnen oplopen;

32.

merkt op dat de Europese Unie belang heeft bij synergieën tussen de onderzoeks- en innovatiesector enerzijds en de structuurfondsen anderzijds;

33.

merkt op dat de Commissie erop moet toezien dat de financiering van onderzoek via het KP7 en langs nationale weg in overeenstemming is met de EU-regels inzake staatssteun, om tegenstrijdigheden in en doublures van financiering te voorkomen; onderstreept dat er rekening moet worden gehouden met specifieke nationale kenmerken;

34.

benadrukt het belang van financieringsinstrumenten op het gebied van onderzoek en innovatie; benadrukt met het oog op het concurrentievermogen van onderzoek dat het gebruik van financieringsinstrumenten voor projecten op hogere TRL-niveaus (technologische paraatheid) voldoende rendement op overheidsinvesteringen kan opleveren; wijst er in dit verband op dat de Financieringsfaciliteit met risicodeling (RSFF 2007-2013) leningen en hybride of mezzaninefinanciering aanbiedt om de toegang tot risicokapitaal voor O&I-projecten te vergemakkelijken; merkt op dat met de bijdrage van de Unie van 961 miljoen EUR aan de RSFF in de periode 2007-2015 activiteiten voor een bedrag van 10,22 miljard EUR zijn ondersteund (uitgegaan was van 11,31 miljard EUR); stelt vast dat uit het Instrument voor risicodeling (RSI) ten behoeve van kmo's meer dan 2,3 miljard EUR aan middelen beschikbaar is gesteld, waaraan de Unie 270 miljoen EUR heeft bijgedragen (9); is van mening dat deze cijfers de grote belangstelling van bedrijven en andere begunstigden aan risicofinanciering aantonen;

35.

merkt op dat de financiële instrumenten van het KP7 gerichter moeten worden gebruikt om ervoor te zorgen dat nieuwkomers met beperkte toegang tot financiering op het gebied van onderzoek en innovatie worden ondersteund;

36.

merkt op dat bepaalde maatregelen die door de externe controleur en/of de interne auditdienst waren aanbevolen, niet zijn afgerond; het gaat hierbij in het bijzonder om twee maatregelen in verband met de controlesystemen voor het toezicht op externe organen, en drie maatregelen voor het deelnemersgarantiefonds;

37.

stelt voor beter te communiceren over de resultaten in de lidstaten en informatiecampagnes voor het programma te organiseren;

Toekomstperspectieven binnen Horizon 2020

38.

wijst erop dat eind 2015 198 oproepen voor Horizon 2020 waren gepubliceerd voor die indieningstermijn; naar aanleiding van deze oproepen zijn in totaal 78 268 voorstellen binnengekomen, waarvan er 10 658 op de hoofd- of reservelijst zijn geplaatst; daarmee ligt het succespercentage rond 14 %, als alleen de voor steun in aanmerking komende voorstellen worden meegenomen; in dezelfde periode zijn er 8 832 subsidieovereenkomsten met begunstigden getekend, waarvan er 528 door DG RTD zijn getekend;

39.

erkent dat er in het KP7 ten opzichte van het KP6 551 miljoen EUR is bespaard en dat de Commissie heeft getracht de uitvoering van Horizon 2020 ten opzichte van het KP7 nog verder te vereenvoudigen; onderstreept hoe belangrijk het is dat alle beleidsgebieden, dus ook de structuurfondsen, van vereenvoudiging profiteren, zodat er sprake blijft van een gelijke behandeling van de ontvangers van Europese financiële steun;

40.

neemt er met tevredenheid nota van dat DG RTD de overheadkosten verder tracht terug te dringen door het projectbeheer uit te besteden aan uitvoeringsagentschappen en andere organen; onderstreept in dit verband dat in het kader van Horizon 2020 55 % van de begroting door uitvoeringsagentschappen zal worden beheerd;

41.

onderstreept dat het grote aantal politieke actoren, waaronder directoraten-generaal van de Commissie, uitvoeringsagentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen en artikel 185-organen, een aanzienlijke coördinatie vereist en dat het van het grootste belang is dat deze coördinatie doeltreffend is;

42.

stelt vast dat er tussen het EIT en de Commissie enerzijds en de Rekenkamer anderzijds een verschil van mening bestaat over de rechtmatigheid van betalingen; is van mening dat het bijleggen van dit geschil niet ten koste mag gaan van de begunstigden die te goeder trouw hebben gehandeld;

43.

vindt het verheugend dat in het kader van Horizon 2020:

de programmastructuur minder complex is en in interoperabiliteit tussen verschillende onderdelen voorziet;

nu één geheel van regels geldt;

nu één financieringspercentage per project bestaat;

voor indirecte kosten een forfaitair percentage geldt (25 %);

alleen de financiële draagkracht van de projectcoördinatoren wordt gecontroleerd;

een benadering is ingevoerd waarmee prestaties beter kunnen worden gemeten;

voor de O&I-familie één auditstrategie geldt;

één deelnemersportaal is opgezet voor het beheer van subsidies en deskundigen;

subsidies, deskundigencontracten en de archivering elektronisch worden beheerd;

44.

juicht het toe dat er een gemeenschappelijk ondersteuningscentrum (CSC) is opgezet, dat zal bijdragen aan een efficiënte coördinatie tussen en een geharmoniseerde uitvoering door zeven directoraten-generaal van de Commissie, vier uitvoeringsagentschappen en zes gemeenschappelijke ondernemingen; merkt op dat sinds 1 januari 2014 het CSC gemeenschappelijke diensten aanbiedt op het gebied van juridische ondersteuning, financiële controles ex post, IT-systemen en -operaties, bedrijfsprocessen en programma-informatie en -gegevens ten behoeve van alle onderzoeks-DG's, uitvoeringsagentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die bij de uitvoering van Horizon 2020 betrokken zijn;

45.

stelt voor de rol van de nationale contactpunten uit te breiden, zodat zij technische ondersteuning van goede kwaliteit ter plaatse kunnen bieden; is van mening dat een jaarlijkse beoordeling van de resultaten, opleidingen en het belonen van nationale contactpunten die doeltreffend werken, het succespercentage van het Horizon 2020-programma zullen doen toenemen;

46.

is ingenomen met het feit dat het aandeel van de middelen van Horizon 2020 dat werd toegewezen aan kleine en middelgrote ondernemingen toenam van 19,4 % in 2014 tot 23,4 % in 2015, en beveelt aan dat deze tendens proactief wordt aangemoedigd;

47.

acht het onaanvaardbaar dat DG RTD niet heeft voldoen aan het verzoek van het Parlement aan de directoraten-generaal van de Commissie om al hun landspecifieke aanbevelingen te publiceren in hun jaarlijkse activiteitenverslagen;

48.

verzoekt de Commissie maatregelen te nemen die een gelijk loon verzekeren voor onderzoekers die binnen hetzelfde project hetzelfde werk uitvoeren, en een lijst te verstrekken met daarop, ingedeeld naar nationaliteit, alle beursgenoteerde ondernemingen en/of ondernemingen die in hun jaarrekeningen winst hebben aangegeven en die middelen ontvangen uit Horizon 2020;

49.

wijst erop dat de nieuwe onderdelen die in Horizon 2020 zijn opgenomen, ook een antwoord zijn op de opmerkingen van de Rekenkamer;

50.

herinnert eraan dat momenteel een negende kaderprogramma voor onderzoek wordt voorbereid; onderstreept dat de beste werkwijzen van Horizon 2020 moeten worden gevolgd bij de opstelling van het programma; stelt voor meer financiering beschikbaar te stellen voor innovatie, omdat dit een economisch efficiënte werking heeft voor het bedrijfsleven, en meer flexibiliteit toe te staan tussen de begrotingen van de verschillende subprogramma's om te vermijden dat er onvoldoende middelen zijn om projecten te financieren die worden aangemerkt als „uitstekend”;

Vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie: gevolgen voor het KP7

51.

neemt met respect kennis van de uitslag van het referendum waarin de burgers van het Verenigd Koninkrijk op 23 juni 2016 de politieke wil kenbaar hebben gemaakt om de Europese Unie te verlaten;

52.

is verheugd over het werk dat het Britse Lagerhuis heeft verricht om de gevolgen van deze uitslag op het gebied van wetenschap en onderzoek te evalueren (10) en te trachten het negatieve effect op het Europese concurrentievermogen tot een minimum te beperken;

53.

wijst erop dat in het VK gevestigde organisaties in 2014 1,27 miljard EUR aan subsidies, ofwel 15 % van het totale bedrag, hebben ontvangen en in 2015 1,18 miljard EUR, ofwel 15,9 % van het totale bedrag — het grootste aandeel van alle lidstaten dat jaar (11);

Conclusies

54.

komt tot de conclusie dat de Commissie het KP7 — over het geheel genomen — op kostenefficiënte wijze heeft beheerd; neemt er nota van dat het programma ondanks de vertragingen en het aanhoudende foutenpercentage in de uitvoering ook doelmatiger is geworden;

55.

is ingenomen met het feit dat de door de Rekenkamer geuite punten van zorg in aanmerking zijn genomen;

56.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat moderniseringen die in het kader van Horizon 2020 zijn doorgevoerd, zoals forfaitaire percentages voor indirecte kosten, één auditstrategie en één deelnemersportaal, op soortgelijke wijze op andere beleidsterreinen worden toegepast, bijvoorbeeld bij de structuurfondsen; benadrukt dat alle subsidieontvangers billijk en gelijk moeten worden behandeld;

57.

verzoekt de lidstaten meer inspanningen te leveren om de doelstelling van het investeren van 3 % van het bbp in onderzoek te halen; is van mening dat dit excellentie en innovatie zou bevorderen; verzoekt de Commissie daarom de mogelijkheid te bekijken om een convenant voor de wetenschap voor te stellen op lokaal, regionaal en nationaal niveau, en daarmee voort te bouwen op de dynamiek die al is ontstaan dankzij het Burgemeestersconvenant;

58.

stelt met zorg vast dat zowel het REA als het ERCEA er in hun evaluatierapporten op wijzen dat de informatiekanalen en de communicatie tussen de Commissie en de uitvoeringsagentschappen voor verdere verbetering vatbaar zijn;

o

o o

59.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Europese Rekenkamer en de Commissie.

(1)  PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.

(3)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(4)  PB C 373 van 10.11.2015, blz. 1.

(5)  http://www.parliament.uk/business/committees/committees-a-z/commons-select/science-and-technology-committee/inquiries/parliament-2015/leaving-the-eu-inquiry-16-17/publications/

(6)  PB L 246 van 14.9.2016, blz. 25.

(7)  Commitment and Coherence, evaluatie ex post van het zevende kaderprogramma van de EU, november 2015 https://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/fp7_final_evaluation_expert_group_report.pdf

(8)  

(9)  COM(2016)0675, blz. 18 en 19.

(10)  Zie het verslag van de Commissie wetenschap en technologie van het Britse Lagerhuis van 16 november 2016.

(11)  Horizon 2020 Monitoring Report 2015, blz. 21 e.v.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/17


P8_TA(2017)0247

Staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië (2016/2220(INI))

(2018/C 331/03)

Het Europees Parlement,

gezien de bepalingen van de mensenrechteninstrumenten van de VN, met name op het gebied van het recht op een nationaliteit, zoals het VN-Handvest, de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag inzake de rechten van het kind, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954, het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 1961, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het facultatieve protocol hierbij, het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het Internationale Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden,

gezien andere VN-instrumenten inzake staatloosheid en het recht op een nationaliteit, zoals Conclusie nr. 106 van het uitvoerend comité van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) over de identificatie, preventie en beperking van staatloosheid, en de bescherming van staatlozen (1), zoals bekrachtigd bij resolutie nr. A/RES/61/137 van de Algemene Vergadering van de VN van 2006,

gezien de campagne van de UNHCR om tegen 2024 een einde te maken aan de staatloosheid (2) en de mondiale campagne voor gelijke nationaliteitsrechten, die wordt gesteund door de UNHCR, UN Women en andere, en die wordt onderschreven door de VN-Mensenrechtenraad,

gezien de resolutie van de Raad voor de mensenrechten van de VN van 15 juli 2016 over de mensenrechten en de willekeurige ontneming van de nationaliteit (A/HRC/RES/32/5),

gezien de Verklaring en het actieprogramma van Wenen (3), aangenomen door de Wereldmensenrechtenconferentie van de VN op vrijdag 25 juni 1993,

gezien algemene aanbeveling nr. 32 van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW) over de gendergerelateerde aspecten van de vluchtelingenstatus, asiel, nationaliteit en staatloosheid van vrouwen (4),

gezien de verklaring inzake mensenrechten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN) (5),

gezien artikel 3, lid 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie waarin staat dat de Europese Unie „in de betrekkingen met de rest van de wereld […] [bijdraagt] tot […] de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties”,

gezien de conclusies van de Raad van 20 juli 2015 over het actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019 (6),

gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie van 25 juni 2012 (7),

gezien de conclusies van de Raad van 4 december 2015 over staatloosheid (8),

gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over een strategie van de EU ten aanzien van Myanmar/Birma (9),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over mensenrechten en migratie in derde landen (10),

gezien zijn resolutie van 7 juli 2016 over Myanmar, en met name de situatie van de Rohingya (11),

gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake (12),

gezien de studie „Addressing the Human Rights impact of statelessness in the EU's external action” van het directoraat-generaal Extern beleid van november 2014,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0182/2017),

A.

overwegende dat de regio's Zuid-Azië en Zuidoost-Azië uit de volgende landen bestaan — Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, Brunei, Cambodja, de Filipijnen, India, Indonesië, Laos, Maleisië, de Maldiven, Myanmar, Nepal, Oost-Timor, Pakistan, Singapore, Sri Lanka, Thailand en Vietnam — die allemaal lid of waarnemer zijn hetzij van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN) hetzij van de Zuid-Aziatische Associatie voor Regionale Samenwerking (SAARC);

B.

overwegende dat de Universele Verklaring van de rechten van de mens (UVRM) bevestigt dat eenieder bij geboorte dezelfde waardigheid en rechten heeft; overwegende dat het recht op een nationaliteit en het recht dat iemands nationaliteit hem niet willekeurig mag worden ontnomen zijn neergelegd in artikel 15 van de UVRM en in andere internationale mensenrechteninstrumenten en -verdragen; overwegende dat het primaire doel van de internationale rechtsinstrumenten — bescherming van eenieders recht op een nationaliteit — nog moet worden verwezenlijkt;

C.

overwegende dat de rechten van de mens universeel, ondeelbaar en onderling afhankelijk en met elkaar verbonden zijn; overwegende dat de mensenrechten en de fundamentele vrijheden geboorterechten zijn van ieder mens en dat de bescherming en bevordering ervan de belangrijkste taak van regeringen is;

D.

overwegende dat het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dat door alle Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen is geratificeerd, bepaalt dat alle kinderen onmiddellijk na de geboorte worden geregistreerd en het recht hebben om een nationaliteit te verwerven; overwegende dat naar schatting de helft van de staatlozen in de wereld kind is en dat velen van hen staatloos zijn vanaf hun geboorte;

E.

overwegende dat in de verklaring over de mensenrechten van ASEAN wordt bekrachtigd dat eenieder het recht op een nationaliteit heeft zoals vastgelegd bij wet en dat niemand op willekeurige wijze zijn nationaliteit mag worden ontnomen noch het recht mag worden ontzegd van nationaliteit te veranderen;

F.

overwegende dat in het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954 een staatloze wordt gedefinieerd als een persoon „die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd”; overwegende dat de oorzaken van staatloosheid kunnen uiteenlopen en onder meer kunnen omvatten: statenopvolging en ontbinding van staten, in sommige gevallen gebeurtenissen in verband met gedwongen vlucht, migratie, en mensenhandel, alsook: veranderingen en lacunes in nationaliteitswetten, het verlopen van de nationaliteit door een lang verblijf buiten het eigen land, willekeurige ontneming van de nationaliteit, discriminatie op basis van gender, ras, etniciteit of andere gronden, administratieve en bureaucratische belemmeringen, onder meer bij het verkrijgen van geboortebewijzen; overwegende dat de meeste van deze oorzaken, zo niet alle, aangetroffen kunnen worden in Zuid- en Zuidoost-Azië;

G.

overwegende dat het belangrijk is erop te wijzen dat de status van staatloze iets anders is dan de status van vluchteling; overwegende dat de meeste staatlozen nooit hun geboorteplaats hebben verlaten of nooit een internationale grens zijn overgestoken;

H.

overwegende dat staatloosheid een probleem met vele facetten is en tot een breed scala aan ernstige mensenrechtenschendingen leidt, met onder meer problemen inzake geboortebewijzen en andere documenten met betrekking tot de burgerlijke staat, alsmede andere problemen in verband met eigendomsrechten, uitsluiting van kindergezondheidsprogramma's en openbare schoolsystemen, zeggenschap over bedrijven, politieke vertegenwoordiging en deelname aan verkiezingen, toegang tot sociale zekerheid en overheidsdiensten; overwegende dat staatloosheid kan bijdragen tot mensenhandel, willekeurige detentie, schending van de vrijheid van verkeer, uitbuiting en mishandeling van kinderen en discriminatie van vrouwen;

I.

overwegende dat er nog steeds weinig internationale aandacht is voor staatloosheid, ondanks de zeer zorgwekkende mondiale en regionale gevolgen voor de mensenrechten, en dat staatloosheid nog steeds wordt gezien als een binnenlandse aangelegenheid; overwegende dat het verminderen en uiteindelijk afschaffen van staatloosheid een internationale prioriteit op het gebied van de mensenrechten moet worden;

J.

overwegende dat wettelijke genderdiscriminatie, bijvoorbeeld bij het verwerven van een nationaliteit of het doorgeven van een nationaliteit aan een kind of echtgenoot, nog steeds bestaat in Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen zoals Nepal, Maleisië en Brunei;

K.

overwegende dat volgens de UNHCR naar schatting 135 miljoen kinderen jonger dan vijf jaar in de regio niet zijn geregistreerd bij hun geboorte en staatloos dreigen te worden;

L.

overwegende dat het beëindigen van staatloosheid ook zal leiden tot meer democratie, aangezien voormalig staatlozen dan zullen worden opgenomen in en kunnen bijdragen aan het democratische proces;

M.

overwegende dat het complexe probleem van staatloosheid zich nog steeds in de uiterste kantlijn van het internationale recht en beleid bevindt, terwijl het geen ondergeschikte kwestie is;

N.

overwegende dat de ontwikkelingsperspectieven van de betrokken volkeren en de effectieve uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling door staatloosheid worden ondermijnd;

O.

overwegende dat het mondiaal actieplan 2014-2024 van de UNHRC om een einde te maken aan staatloosheid erop is gericht regeringen te ondersteunen om de bestaande belangrijkste situaties van staatloosheid tot een oplossing te brengen, nieuwe gevallen te voorkomen en staatloze bevolkingsgroepen beter te identificeren en te beschermen; overwegende dat in actie 10 van het actieplan wordt ook gewezen op de behoefte aan betere kwalitatieve en kwantitatieve gegevens over staatloosheid; overwegende dat de EU zich ertoe heeft verplicht het actieplan actief te ondersteunen;

P.

overwegende dat in de conclusies van de Raad over het EU-actieplan voor mensenrechten en democratie 2015--2019 wordt gewezen op het belang van het aanpakken van de problematiek van staatlozen in de betrekkingen met de prioritaire landen, en het richten van de inspanningen op het voorkomen dat bevolkingsgroepen staatloos worden ten gevolge van conflicten, ontheemding of het uiteenvallen van staten;

Q.

overwegende dat in het thematische gedeelte van het EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld van 20 september 2016 het streven van de EU wordt bekrachtigd om de samenhang, effectiviteit en zichtbaarheid van het aspect mensenrechten in het buitenlands beleid van de EU te vergroten en meer aandacht te besteden aan de betrokkenheid van de EU bij de VN en bij regionale mensenrechtenmechanismen om de regionale inbreng te bevorderen en het universele karakter van de mensenrechten te bepleiten, vooral met inbegrip van het lanceren van een eerste beleidsdialoog over mensenrechten met de mensenrechtenmechanismen van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN);

R.

overwegende dat de EU heeft besloten de mensenrechten een centrale plaats toe te kennen in haar betrekkingen met derde landen;

S.

overwegende dat staatloosheid volksverhuizingen, emigratie, en mensenhandel bevordert en daardoor hele subregio's destabiliseert;

T.

overwegende dat van de 10 miljoen staatlozen in de wereld velen in Zuid- en Zuidoost-Azië wonen, waarbij de Rohingya van Myanmar de grootste staatloze bevolkingsgroep ter wereld vormen met meer dan 1 miljoen personen die vallen onder het mandaat van de UNHCR om staatlozen te helpen; overwegende dat er echter ook grote gemeenschappen van staatlozen te vinden zijn in Thailand, Maleisië, Brunei, Vietnam, de Filipijnen en elders; overwegende dat staatloze Tibetanen wonen in landen zoals India en Nepal; overwegende dat sommige van deze groepen onder het staatloosheidsmandaat van de UNHCR vallen, maar andere groepen niet; overwegende dat de statistische dekking en de verslaglegging over staatloze populaties wereldwijd onvolledig is omdat niet alle landen statistieken hierover bijhouden; overwegende dat Zuid-Azië en Zuidoost-Azië beide lang aanslepende en onopgeloste gevallen hebben, alsmede gevallen waarin vooruitgang is geboekt;

U.

overwegende dat in de afgelopen jaren in Zuid- en Zuidoost-Azië enige vooruitgang is geboekt met wijzigingen van de wetten inzake nationaliteit waarin adequate bepalingen zijn opgenomen om staatloosheid te voorkomen en staatlozen toe te staan een nationaliteit aan te nemen; overwegende dat deze inspanningen moeten worden versterkt en dat de aangenomen wetten ook in de praktijk nageleefd moeten worden;

V.

overwegende dat de Rohingya een van 's werelds meest vervolgde minderheden en een van 's werelds grootste staatloze bevolkingsgroep vormen, en dat zij sinds de Birmese wet op het burgerschap van 1982 officieel staatloos zijn; overwegende dat de Rohingya bij de autoriteiten van Myanmar en in de buurlanden ongewenst zijn, hoewel sommige van die landen grote gemeenschappen vluchtelingen opvangen; overwegende dat zich in de staat Rakhine voortdurend botsingen voordoen; overwegende dat duizenden vluchtelingen die erin geslaagd zijn de grens met Bangladesh over te steken dringend behoefte hebben aan humanitaire hulp en gedwongen worden teruggestuurd, hetgeen een flagrante schending van het internationale recht inhoudt; overwegende dat de Rohingya op de vlucht zijn voor een beleid van collectieve bestraffing in Rakhine, waar de veiligheidstroepen volgens de berichten willekeurige vergeldingsaanvallen plegen, vanuit gevechtshelikopters op dorpsbewoners schieten, huizen in brand steken, willekeurige arrestaties verrichten en vrouwen en meisjes verkrachten; overwegende dat de binnenlandse en internationale respons op de verslechtering van de mensenrechten en de humanitaire crisis van de Rohingya verre van toereikend is en dat veel instrumenten om deze kwestie op te lossen nog niet zijn verkend;

W.

overwegende dat honderdduizenden zogenoemde „Bihari” niet werden behandeld als staatsburgers van Bangladesh, toen Pakistan na de onafhankelijkheidsoorlog van Bangladesh weigerde hen te repatriëren; overwegende echter dat sinds 2003 in een aantal rechterlijke beslissingen is bevestigd dat de Bihari staatsburgers van Bangladesh zijn; overwegende dat een groot aantal Bihari nog steeds niet volledig geïntegreerd is in de Bengaalse samenleving en ontwikkelingsprogramma's en dat velen niet in staat zijn geweest hun herstelde rechten ten volle uit te oefenen;

X.

overwegende dat er vele andere staatloze bevolkingsgroepen in Zuid- en Zuidoost-Azië leven; overwegende echter dat zich de laatste jaren positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan, zoals in Indonesië, dat genderdiscriminatie heeft afgeschaft in de procedure voor het verkrijgen van de nationaliteit en zijn wet op de nationaliteit in 2006 heeft herzien, zodat Indonesische migranten die meer dan vijf jaar in het buitenland hebben gewoond, niet langer hun burgerschap verliezen indien dat leidt tot staatloosheid, of zoals in Cambodja waar de geboorteregistratie in de eerste 30 dagen na de geboorte gratis is geworden; in Vietnam waar sinds 2008 de naturalisatie wordt vereenvoudigd voor eenieder die meer dan 20 jaar als staatloze in Vietnam heeft gewoond, en in Thailand waar na de herziening van de wetgeving inzake de nationaliteit en het bevolkingsregister 23 000 staatlozen sinds 2011 de nationaliteit hebben gekregen;

Y.

overwegende dat het van het grootste belang is dat de regeringen en de betreffende autoriteiten van alle landen in de regio zich volledig houden aan het beginsel van non-refoulement en de vluchtelingen beschermen, overeenkomstig hun internationale verplichtingen en de internationale normen inzake mensenrechten;

Z.

overwegende dat staatloze groepen toegang moeten hebben tot humanitaire programma's voor bijstand op het gebied van gezondheid, voedsel, onderwijs en voeding;

1.

is bezorgd over de miljoenen staatlozen in de gehele wereld, met name in Zuid- en Zuidoost-Azië, en betuigt zijn solidariteit met alle staatlozen;

2.

is zeer bezorgd over de situatie van de Rohingya-minderheid in Myanmar; spreekt zijn afschuw uit over de meldingen van grootschalige mensenrechtenschendingen en aanhoudende onderdrukking en discriminatie van de Rohingya en het feit dat zij niet erkend worden als deel van de Birmese samenleving, in wat lijkt op een gecoördineerde etnische zuiveringscampagne; benadrukt dat de Rohingya sinds vele generaties op Birmees grondgebied wonen en het volste recht hebben op het Birmese staatsburgerschap, waarover zij in het verleden beschikten, en op alle rechten en verplichtingen die daaraan verbonden zijn; dringt er bij de Birmese regering en autoriteiten op aan het Birmese staatsburgerschap van de Rohingya-minderheid in ere te herstellen; dringt er voorts op aan onmiddellijk humanitaire organisaties, internationale waarnemers, ngo's en journalisten toe te laten in Rakhine; is van oordeel dat er onpartijdige onderzoeken moeten worden ingesteld, opdat verantwoordelijken voor schendingen van de mensenrechten ter verantwoording worden geroepen; is voorts van mening dat er dringende maatregelen nodig zijn om nieuwe vormen van discriminatie, vijandigheden of geweld ten aanzien van minderheden en het aanzetten tot dergelijke daden te voorkomen; verwacht dat Suu Kyi, winnares van de Nobelprijs voor de vrede en de Sacharov-prijs, haar verschillende functies in de regering van Myanmar gebruikt om een oplossing dichterbij te brengen;

3.

betreurt dat de status van staatloosheid soms wordt aangegrepen om bepaalde gemeenschappen te marginaliseren en hun hun rechten te ontnemen; is van mening dat de juridische, politieke en sociale inclusie van minderheden een sleutelelement van een democratische transitie is en dat het oplossen van staatloosheid bijdraagt aan meer sociale cohesie en politieke stabiliteit;

4.

wijst op het feit dat staatloosheid kan leiden tot ernstige humanitaire crises en brengt in herinnering dat staatlozen toegang moeten hebben tot humanitaire programma's; onderstreept dat staatloosheid vaak neerkomt op een gebrekkige toegang tot onderwijs, gezondheidsdiensten, werk, vrijheid van verkeer en veiligheid;

5.

is bezorgd over het gebrek aan gegevens over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië en over het feit dat er weinig of geen gegevens beschikbaar zijn landen als Bhutan, India, Nepal en Oost-Timor; is voorts bezorgd over het feit dat het, zelfs wanneer er algemene cijfers beschikbaar zijn, ontbreekt aan uitgesplitste gegevens over bijvoorbeeld vrouwen, kinderen en andere kwetsbare groepen; wijst erop dat dit gebrek aan informatie het moeilijker maakt om gerichte acties uit te stippelen, onder meer in het kader van het UNHCR-campagne om tegen 2024 een einde te maken aan staatloosheid; spoort de landen in Zuid- en Zuidoost-Azië krachtig aan om betrouwbare en openbare uitgesplitste gegevens over staatloosheid te produceren;

6.

wijst erop dat er ook positieve voorbeelden zijn, zoals het initiatief dat de Filipijnen in mei 2016 hebben genomen om te voorzien in de behoefte aan gegevens over het aantal staatloze kinderen in de regio en over hun situatie; verzoekt de EU om samenwerking en steun aan te bieden voor het volledig in kaart brengen van staatloosheid en om projecten te bedenken om een einde te maken aan staatloosheid in de regio;

7.

is zeer bezorgd over het feit dat de wetgeving van Brunei, Maleisië en Nepal discrimineert op basis van geslacht; benadrukt dat de bepalingen inzake het nationaliteitsrecht moeten worden geëvalueerd, met name die in het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW);

8.

is ingenomen met de positieve ontwikkelingen in de regio en met de inspanningen die de Filipijnen, Vietnam en Thailand leveren, en moedigt de landen in de regio aan om samen te werken en goede voorbeelden en acties te delen om in de hele regio een einde te maken aan staatloosheid;

9.

herinnert aan de situatie in de regio na beëindiging van de staatloosheid en aan het mensenrechtenbeginsel van participatie; pleit voor de opneming van met staatloosheid kampende gemeenschappen en voormalig staatlozen in ontwikkelingsprojecten en -planning; spoort regeringen en ontwikkelingsprojecten aan om discriminatie na beëindiging van staatloosheid aan te pakken overeenkomstig artikel 4, lid 1, van het CEDAW, dat gericht is op het bespoedigen van de feitelijke gelijkheid;

10.

erkent in kwesties zoals het burgerschap onder de nationale soevereiniteit vallen, maar dringt er toch bij de landen met staatloze bevolkingsgroepen op aan concrete stappen voor de oplossing van deze kwestie te nemen overeenkomstig de in internationale verdragen, met name het door al deze landen geratificeerde Verdrag inzake de rechten van het kind, verankerde beginselen; wijst op de positieve ontwikkelingen die zich in de regio voordoen;

11.

dringt er bij de regering van Bangladesh op aan zich te verbinden aan een duidelijke routekaart voor de volledige tenuitvoerlegging van het vredesakkoord voor het Chittagong-heuvelgebied van 1997, zodat de ontheemde Jumma's, die momenteel als staatlozen leven in India, kunnen worden gerehabiliteerd;

12.

beveelt staten sterk aan om uitvoering te geven aan de in het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 1961 neergelegde waarborg dat een in de staat geboren persoon de nationaliteit van die staat krijgt indien hij anders staatloos zou zijn;

13.

benadrukt het verband tussen staatloosheid en sociale en economische kwetsbaarheid; dringt er bij de regeringen van ontwikkelingslanden op aan de ontzegging, het verlies of de ontneming van nationaliteit op discriminerende gronden te voorkomen, billijke nationaliteitswetgeving aan te nemen en toegankelijke, betaalbare en niet-discriminerende procedures voor het krijgen van nationaliteitsdocumenten in te voeren;

14.

is verheugd over de toezegging van de Raad in zijn conclusies over het Actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) om in de betrekkingen met de prioritaire landen de kwestie van de staatloosheid aan de orde te stellen en is voorts ingenomen met de toezegging van de Raad om zijn relatie met de ASEAN te versterken; beveelt aan de inspanningen verder te laten reiken dan de noodsituatie van bevolkingsgroepen die staatloos worden ten gevolge van conflicten, ontheemding of het uiteenvallen van staten, en ook te richten op andere relevante aspecten, zoals staatloosheid ten gevolge van discriminatie en van het ontbreken van een geboorteregistratie of inschrijving in het bevolkingsregister;

15.

herinnert aan de in het EU-Actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) beloofde ontwikkeling van een gezamenlijk kader van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om staatloosheid aan de orde te stellen bij derde landen; benadrukt dat het uitwerken en verspreiden van een formeel kader nuttig zou zijn bij de ondersteuning die de Europese Unie biedt ter verwezenlijking van de UNHCR-doelstelling om staatloosheid tegen 2024 de wereld uit te helpen;

16.

verzoekt de EU om het ontwikkelen van mondiale oplossingen voor staatloosheid in combinatie met specifieke regionale en lokale strategieën te bevorderen, aangezien staatloosheid niet doeltreffend genoeg kan worden bestreden met één oplossing voor iedereen;

17.

meent dat de EU meer nadruk moet leggen op de grote impact van staatloosheid op mondiale kwesties, zoals de uitroeiing van armoede, de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, de bevordering van de rechten van het kind en de noodzaak van bestrijding van illegale migratie en mensenhandel;

18.

is ingenomen met de goedkeuring van duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 16.9, die bepaalt dat aan iedereen een wettelijke identiteit en geboorteregistratie moet worden verstrekt; betreurt echter dat staatloosheid in de Agenda 2030 niet uitdrukkelijk wordt genoemd als discriminatiegrond dan wel als armoedebestrijdingsdoelstelling; verzoekt de EU en haar lidstaten te overwegen indicatoren voor stateloosheid op te nemen in hun monitorings- en verslaggevingsmechanismen bij de tenuitvoerlegging van de SDG's;

19.

benadrukt het belang van een doeltreffende communicatiestrategie inzake staatloosheid om de bewustwording rond dit onderwerp te vergroten; verzoekt de EU om meer en beter te communiceren over staatloosheid, in samenwerking met de UNHCR en via haar delegaties in de betreffende derde landen, en om zich te richten op de mensenrechtenschendingen die hebben plaatsgevonden als gevolg van staatloosheid;

20.

verzoekt de EU om een alomvattende strategie inzake staatloosheid te ontwikkelen op basis van twee maatregelenpakketten, waarbij het eerste pakket moet inspelen op noodsituaties en het tweede pakket langetermijnmaatregelen moet vaststellen om een einde te maken aan staatloosheid; is van mening dat de strategie gericht moet zijn op een beperkt aantal prioriteiten en dat de EU in noodsituaties het voortouw moet nemen om de bewustwording rond staatloosheid op internationaal niveau te vergroten;

21.

is van mening dat de alomvattende EU-strategie inzake staatloosheid moet kunnen worden aangepast aan de specifieke situaties waar staatlozen mee te maken krijgen; benadrukt dat er om passende maatregelen te definiëren een onderscheid moet worden gemaakt tussen staatloosheid die het gevolg is van een administratief capaciteitstekort en staatloosheid die het gevolg is van discriminerend overheidsbeleid tegen bepaalde gemeenschappen of minderheden;

22.

beveelt aan dat de lidstaten voorrang verlenen aan de ondersteuning van de positieve ontwikkelingen bij de aanpak van de staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië, en stelt een nieuwe allesomvattende beleidsbenadering voor met inbegrip van:

het aanmoedigen van staten om toe te treden tot de verdragen inzake staatloosheid door de voordelen onder de aandacht te brengen in de bilaterale contacten tussen de parlementen en ministeries en op andere niveaus;

het bijstaan van de sectorale organen van ASEAN en SAARC bij het ondersteunen van hun respectieve lidstaten om het recht op een nationaliteit verder te verwezenlijken en een einde te maken aan staatloosheid;

het benadrukken van de waarde van het Verdrag inzake staatloosheid in multilaterale fora;

het werken met staten om te pleiten voor de voordelen van het verzamelen van nationale gegevens over staatlozen en personen met een onbepaalde nationaliteit, aangezien de identificatie van staatlozen de eerste noodzakelijke stap voor de betreffende landen is om een einde te maken aan staatloosheid; de verzamelde gegevens zullen vervolgens worden gebruikt voor registratie, documentatie, verlening van overheidsdiensten, rechtshandhaving en ontwikkelingsplanning;

het voortdurend onderstrepen dat geboorteregistratie gratis en eenvoudig toegankelijk moet zijn en op niet-discriminatoire basis moet geschieden;

het constant benadrukken dat regelingen voor het beheer van nationale identiteiten identiteitsdocumenten moeten omvatten, evenals de verstrekking van dergelijke documenten aan alle personen op het grondgebied, met inbegrip van moeilijk bereikbare en gemarginaliseerde groepen die risico lopen op staatloosheid of die geen nationaliteit hebben;

het ondersteunen van de Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen bij het verlenen van toegang tot onderwijs aan iedereen, met inbegrip van staatloze kinderen, omdat staatloosheid een groot obstakel vormt voor kinderen bij het verkrijgen van toegang tot gelijke onderwijskansen;

het stimuleren van de belangrijke rol van innovatieve technologie door digitale geboorteregistratieprogramma's te gebruiken om de registratie en de archivering van dossiers te verbeteren;

het aanpakken van de problematiek rond de inhoud en toepassing van nationaliteitswetten en de willekeurige ontneming of weigering van het recht op een nationaliteit op grond van etniciteit, die een belangrijke oorzaak van staatloosheid in de regio is;

het aanmoedigen van de landen in de regio om te voorzien in de behoeften van vrouwen en om problemen op het gebied van seksueel en gendergeweld aan te pakken middels op mensenrechten steunende en gemeenschapsgerichte benaderingen, met name voor slachtoffers van mensenhandel;

het aanpakken van de kwestie van de wetgeving inzake nationaliteit en genderdiscriminatie, aangezien sommige landen het moeders moeilijk en zelfs onmogelijk maken hun burgerschap aan hun kinderen door te geven;

het garanderen dat alle ontwikkelingsprojecten en humanitaire hulp waaraan de EU financiële steun verleent, zo worden opgezet dat staatloosheid, telkens wanneer dat relevant is, aan de orde wordt gesteld;

het opbouwen van de capaciteit van de betrokken EU-instellingen en -actoren om kwesties van staatloosheid te begrijpen, te evalueren, te programmeren en hierover verslag uit te brengen door middel van regelmatige verslaglegging over de prestaties van de EU bij de bestrijding van staatloosheid, onder meer door een hoofdstuk over staatloosheid op te nemen in het EU- jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld;

het waarborgen dat staatloosheid, nationaliteit en burgerschap naar behoren aan bod komen in landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie, en dat die strategieën zijn gebaseerd op het beginsel dat iedereen, ongeacht zijn geslacht, ras, huidskleur, geloofsovertuiging of religie, nationale afkomst of het behoren tot een nationale of etnische minderheid, recht heeft op een nationaliteit; het aanpakken van het probleem van staatloosheid tijdens alle dialogen met de betreffende landen over politiek en mensenrechten;

het opstellen van EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake staatloosheid om concrete meetbare doelstellingen te formuleren voor de EU-inspanningen om wereldwijd een einde te maken aan staatloosheid;

het intensiveren van de dialoog over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië met relevante regionale en internationale organisaties, met de buurlanden van de Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen en met andere actieve landen in de regio;

het garanderen dat deelnemers aan verkiezingsobservatiemissies zich, waar nodig, bewust zijn van kwesties inzake staatloosheid;

het belichten van de noodzaak om de positie van regionale mensenrechtenorganen te versterken zodat die een actievere rol kunnen spelen in de identificatie en beëindiging van staatloosheid;

het uittrekken van toereikende middelen in de begrotingen van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, van het Europees Ontwikkelingsfonds en van het financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld voor ngo's en andere organisaties die zich inzetten voor staatloze gemeenschappen; het bevorderen van partnerschappen tussen organisaties van het maatschappelijk middenveld en staatloze gemeenschappen om die gemeenschappen te emanciperen zodat zij voor hun rechten kunnen opkomen;

het aanmoedigen van coördinatie tussen de landen voor het aanpakken van staatloosheid, met name wanneer deze grensoverschrijdende gevolgen heeft, met inbegrip van de uitwisseling van beste praktijken bij de tenuitvoerlegging van de internationale normen betreffende de bestrijding van staatloosheid;

het zorgen voor de follow-up, zoals bewustmaking en technische ondersteuning van overheidsdiensten met het oog op capaciteitsopbouw, ook op plaatselijk niveau, wanneer zich positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan die in de praktijk moeten worden gebracht, zoals in Thailand, de Filipijnen, Vietnam en Bangladesh, waar het burgerschap van de Bihari, met inbegrip van hun stemrecht, werd hersteld;

23.

vraagt de regeringen van Brunei Darussalam, Maleisië en Nepal de vormen van genderdiscriminatie in hun nationaliteitswetgeving weg te werken en het recht van kinderen op een nationaliteit te bevorderen;

24.

wijst op het verband tussen staatloosheid en gedwongen verplaatsing, met name in door conflicten getroffen regio's; herinnert eraan dat minstens 1,5 miljoen staatlozen vluchtelingen of voormalige vluchtelingen zijn, waaronder veel jonge vrouwen en meisjes;

25.

herinnert eraan dat er weinig documentatie bestaat en weinig wordt gerapporteerd over de staatloosheid in de wereld en dat de bestaande gegevens op verschillende definities zijn gebaseerd; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan een uniforme definitie aan te nemen en de lacunes aan te pakken in de gegevensverzameling met het oog op het in kaart brengen van stateloosheid in ontwikkelingslanden, met name door de plaatselijke autoriteiten te helpen bij de invoering van passende methoden om staatlozen te kwantificeren, te identificeren en te registreren, en hun statistische capaciteiten te vergroten;

26.

verzoekt de Commissie te starten met het uitwisselen van goede praktijken tussen de lidstaten, pleit voor actieve coördinatie van nationale contactpunten voor staatloosheid en is ingenomen met de #IBelong-campagne;

27.

onderstreept de sleutelrol van het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954 en het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 1961 waarin de instelling van wettelijke kaders is vereist voor de identificatie en bescherming van staatlozen en voor het voorkomen van staatloosheid, en die als een belangrijke eerste stap kunnen dienen voor staten die vooruitgang willen boeken bij het aanpakken van het probleem van de staatloosheid;

28.

is ingenomen met de EU-steun voor staatlozen in Zuid- en Zuidoost-Azië via diverse instrumenten en spoort de Unie aan haar inspanningen voort te zetten om de gevolgen van staatloosheid voor ontwikkeling, vrede en stabiliteit als een integraal onderdeel van haar programma's op het vlak van ontwikkelingssamenwerking en, ruimer, van haar extern optreden aan te pakken.

29.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1)  http://www.unhcr.org/excom/exconc/453497302/conclusion-identification-prevention-reduction-statelessness-protection.html

(2)  http://www.unhcr.org/protection/statelessness/54621bf49/global-action-plan-end-statelessness-2014-2024.html

(3)  http://www.ohchr.org/Documents/ProfessionalInterest/vienna.pdf

(4)  http://www.refworld.org/docid/54620fb54.html

(5)  http://www.asean.org/wp-content/uploads/images/ASEAN_RTK_2014/6_AHRD_Booklet.pdf

(6)  https://ec.europa.eu/anti-trafficking/sites/antitrafficking/files/council_conclusions_on_the_action_plan_on_human_rights_and_democracy_2015_-_2019.pdf

(7)  https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/131181.pdf

(8)  http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2015/12/04-council-adopts-conclusions-on-statelessness/

(9)  http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2016/06/20-fac-conclusions-myanmar-burma/

(10)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0404.

(11)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0316

(12)  PB C 316 van 30.8.2016, blz. 141.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/25


P8_TA(2017)0248

Grensoverschrijdende fusies en splitsingen

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende fusies en splitsingen (2016/2065(INI))

(2018/C 331/04)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 49, 54 en 153 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de Zesde Richtlijn 82/891/EEG van de Raad van 17 december 1982 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen (1),

gezien Richtlijn 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen (2),

gezien Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (3),

gezien Richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (4),

gezien Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (5),

gezien de mededeling van de Commissie van 12 december 2012 getiteld „Actieplan: Europees vennootschapsrecht en corporate governance — een modern rechtskader voor meer betrokken aandeelhouders en duurzamere ondernemingen” (COM(2012)0740),

gezien zijn resolutie van 14 juni 2012 over de toekomst van het Europese vennootschapsrecht (6),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2009 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende grensoverschrijdende overplaatsingen van zetels van vennootschappen (7),

gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2016 getiteld „Bouwen aan een rechtvaardig, concurrerend en stabiel vennootschapbelastingsysteem voor de EU” (COM(2016)0682),

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) inzake de vrijheid van vestiging, met name in de zaken SEVIC Systems AG (8), Cadbury Schweppes plc & Cadbury Schweppes Overseas Ltd v Commissioners of Inland Revenue (9), CARTESIO Oktató és Szolgáltató bt. (10), VALE Építési kft. (11), KA Finanz AG v Sparkassen Versicherung AG Vienna Insurance Group (12), Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam v Inspire Art Ltd. (13), Überseering BV v Nordic Construction Company Baumanagement GmbH (NCC) (14), Centros Ltd v Erhvervs- og Selskabsstyrelsen (15), en The Queen v H. M. Treasury and Commissioners of Inland Revenue, ex parte Daily Mail and General Trust plc (16),

gezien het feedbackdocument van de Commissie van oktober 2015 met een samenvatting van de respons op de tussen 8 september 2014 en 2 februari 2015 gehouden openbare raadpleging inzake grensoverschrijdende fusies en splitsingen (17),

gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken (beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement) van juni 2016, getiteld „Cross-border mergers and divisions, transfers of seat: is there a need to legislate?” (18),

gezien de studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement van december 2016, getiteld „Ex-post analysis of the EU framework in the area of Cross-border mergers and divisions” (19),

gezien het werkprogramma van de Commissie voor 2017 „Naar een Europa dat ons beschermt, sterker maakt en verdedigt” (COM(2016)0710), en hoofdstuk II, punt 4, daarvan,

gezien artikel 52 van zijn Reglement evenals artikel 1, lid 1, onder e), van bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0190/2017),

A.

overwegende dat een grondige hervorming van het vennootschapsrecht aanzienlijke gevolgen heeft voor het Europese concurrentievermogen en voor de belemmeringen die de volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende grensoverschrijdende fusies in de weg staan;

B.

overwegende dat er nog geen Europese wetgeving inzake grensoverschrijdende bedrijfssplitsingen bestaat; overwegende dat de huidige situatie duidelijke procedurele, administratieve en financiële problemen met zich meebrengt voor de betreffende bedrijven, en het risico op misbruik en dumping in de hand werkt;

C.

overwegende dat het Parlement herhaaldelijk en met klem heeft opgeroepen tot de invoering van een Europese wet inzake de grensoverschrijdende verplaatsing van bedrijfszetels; overwegende dat het merendeel van de belanghebbenden overwegend positief tegenover de oproepen van het Parlement staat;

D.

overwegende dat een gemeenschappelijk rechtskader inzake fusies, splitsingen en zetelverplaatsingen van belang is voor de verbetering van de bedrijfsmobiliteit binnen de EU;

E.

overwegende dat niet alle lidstaten waar grensoverschrijdende fusies of splitsingen of zetelverplaatsingen hebben plaatsgevonden, over regels beschikken die de werknemers rechten verlenen op het gebied van raadpleging, voorlichting en medezeggenschap;

F.

overwegende dat bij een verplaatsing van de statutaire zetel de wettelijke, sociale en fiscale vereisten uit hoofde van het recht van de Unie en van de lidstaten van herkomst niet mogen worden omzeild, en dat het doel daarentegen moet zijn een uniform rechtskader tot stand te brengen waarmee voor maximale transparantie en vereenvoudiging van de procedures wordt gezorgd en waarmee belastingfraude wordt bestreden;

G.

overwegende dat het relevante EU-acquis voorziet in een grote verscheidenheid aan werknemersrechten op het gebied van voorlichting, raadpleging en participatie; overwegende dat Richtlijn 2009/38/EG (20) en Richtlijn 2005/56/EG de participatie van grensarbeiders verzekeren en voorzien in het beginsel van reeds bestaande rechten; overwegende dat deze werknemersrechten ook in het geval van een zetelverplaatsing dienen te worden beschermd;

H.

overwegende dat alle nieuwe initiatieven op het gebied van Europees vennootschapsrecht moeten worden gebaseerd op een grondige evaluatie en beoordeling van bestaande vormen van vennootschapsrecht, op de relevante arresten van het HvJ-EU inzake grensoverschrijdende bedrijfsmobiliteit, en op effectbeoordelingen die de belangen van alle actoren weerspiegelen, met inbegrip van belanghebbenden, crediteuren, investeerders en werknemers, een en ander met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

Horizontale kwesties

1.

wijst andermaal op het belang van een alomvattend rechtskader voor bedrijfsmobiliteit op Europees niveau, om zodoende de procedures en vereisten voor verplaatsingen, splitsingen en fusies te vereenvoudigen en misbruik en schijnverplaatsingen in het kader van sociale of fiscale dumping te vermijden;

2.

verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan de resultaten van de openbare raadpleging die tussen 8 september 2014 en 2 februari 2015 werd gehouden over de mogelijke herziening van Richtlijn 2005/56/EG en over de mogelijke invoering van een rechtskader voor grensoverschrijdende splitsingen; herinnert eraan dat de uitkomst van de raadpleging een convergentie van de wetgevingsprioriteiten op het gebied van grensoverschrijdende fusies en splitsingen aan het licht heeft gebracht voor wat betreft de doelstellingen om de interne markt een impuls te geven en de rechten van werknemers te bevorderen;

3.

acht het van belang dat toekomstige wetgevingsvoorstellen inzake bedrijfsmobiliteit bepalingen bevatten die gericht zijn op maximale harmonisering — met name wat betreft de procedurele normen, de rechten van de actoren van het bedrijfsbestuur en met name de minderheidsaandeelhouders, en de uitbreiding van het toepassingsgebied naar alle entiteiten die zijn aangemerkt als vennootschap in de zin van artikel 54 VWEU — en dat er andere sectorale regels op volgen, bijvoorbeeld op het gebied van werknemersrechten;

4.

is van mening dat nieuwe voorschriften inzake fusies, splitsingen en zetelverplaatsingen moeten bijdragen tot de bevordering van de bedrijfsmobiliteit binnen de Unie en rekening moeten houden met bedrijfsbehoeften op het vlak van herstructurering, teneinde de mogelijkheden van de interne markt beter te benutten en de organisatievrijheid van ondernemingen te bevorderen, daarbij terdege rekening houdend met de vertegenwoordigingsrechten van werknemers; onderstreept in dit verband het belang van het wegnemen van de belemmeringen die voortvloeien uit wetsconflicten bij de vaststelling van het toepasselijk nationaal recht; is van mening dat middels diverse EU-rechtshandelingen werk zou kunnen worden gemaakt van de bescherming van de arbeidsrechten, in het bijzonder middels een voorstel voor een richtlijn betreffende minimumnormen voor werknemers en betreffende de participatie van werknemers in Europese vormen van vennootschapsrecht en in raden van toezicht die krachtens het Europees recht zijn ingesteld;

Grensoverschrijdende fusies

5.

wijst op de doeltreffende werking van Richtlijn 2005/56/EG betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen, die grensoverschrijdende fusies van vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid in de Europese Unie heeft vereenvoudigd — zoals blijkt uit de officiële cijfers, die laten zien dat het aantal grensoverschrijdende fusies de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen — en de kosten en de administratieve lasten ervan heeft verminderd;

6.

acht het noodzakelijk om Richtlijn 2005/56/EG te herzien, teneinde de tenuitvoerlegging ervan te verbeteren en tegemoet te komen aan de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie van het HvJ-EU inzake de vrijheid van vestiging van vennootschappen en in de regels inzake het Europees vennootschapsrecht; is van mening dat in het toekomstig wetgevingsvoorstel tot wijziging van Richtlijn 2005/56/EG ook een nieuwe reeks regels voor bedrijfssplitsingen moet worden opgenomen, evenals richtsnoeren voor nadere wetgeving op het gebied van bedrijfsmobiliteit;

7.

verzoekt de Commissie rekening te houden met de resultaten van de raadpleging van oktober 2015, die met name wijzen op de noodzaak van maximale harmonisering van de criteria inzake de effecten van fusies op de verschillende belanghebbenden binnen een bedrijf;

8.

acht het van prioritair belang dat voor een reeks belanghebbenden en categorieën in het bedrijfsbestuur een pakket met geavanceerdere regels wordt vastgesteld en dat deze regels worden opgenomen in de toekomstige gemeenschappelijke modellen voor grensoverschrijdende splitsingen en zetelverplaatsingen; acht het van essentieel belang dat de procedures voor grensoverschrijdende fusies worden vereenvoudigd, niet alleen door duidelijkere normen vast te stellen voor juridische documentatie — te beginnen bij de voorlichting van belanghebbenden en de verzameling van documenten inzake fusies — maar ook aan de hand van nieuwe digitaliseringspraktijken, op voorwaarde dat de procedurele basisnormen en -vereisten, zoals neergelegd in Richtlijn 2005/56/EG (waaronder de afgifte van een pre-fusie attest en het toezicht op de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende fusie overeenkomstig de artikelen 10 en 11 van deze richtlijn), worden gehandhaafd en op voorwaarde dat zaken van openbaar belang, zoals rechtszekerheid en de betrouwbaarheid van commerciële registers, worden gewaarborgd;

9.

verwacht dat de voorschriften inzake werknemersrechten zo worden gedefinieerd dat het voor bedrijven niet mogelijk is de richtlijn betreffende grensoverschrijdende fusies te gebruiken om hun statutaire zetel of hoofdkantoor louter om verkeerde fiscale, sociale of juridische redenen te verplaatsen; onderstreept het belang van het vermijden van dubbelzinnigheden bij het opleggen van nationale sancties wegens niet-naleving van de wetgeving inzake de rechten van werknemers;

10.

acht het van belang om verbeteringen aan te brengen voor wat betreft een aantal essentiële aspecten:

het beheer van activa en passiva,

de methode voor de waardering van activa,

de voorschriften inzake crediteurenbescherming,

de ingangsdatum en de duur van de beschermingsprocedure voor crediteuren overeenkomstig het beginsel van de toekenning van verantwoordelijkheid aan de algemene vergadering,

de overdracht van bedrijfsinformatie door middel van onderling gekoppelde en gestandaardiseerde registers,

de rechten van minderheidsaandeelhouders,

de vaststelling van minimumnormen voor voorlichting, raadpleging en medezeggenschap van werknemers,

bepaalde specifieke vrijstellingen van procedurevereisten;

11.

hecht veel belang aan de bescherming van bepaalde rechten van minderheidsaandeelhouders, zoals het recht op een onderzoek naar een fusie, het recht op schadeloosstelling in geval van uittreding uit de vennootschap wegens tegenstand tegen de fusie en het recht om de billijkheid van de ruilverhouding te betwisten;

12.

staat achter de mogelijkheid om versnelde grensoverschrijdende procedures in te voeren wanneer alle aandeelhouders daarmee instemmen, er geen werknemers zijn of er geen gevolgen zijn voor crediteuren;

Grensoverschrijdende splitsingen

13.

herinnert eraan dat Richtlijn 82/891/EEG alleen bedrijfssplitsingen reguleert die binnen een lidstaat plaatsvinden; merkt op dat de cijfers met betrekking tot binnenlandse splitsingen een duidelijke noodzaak tot vaststelling van een specifiek EU-kader voor grensoverschrijdende splitsingen laten zien, hoewel bedrijfssplitsingen over meerdere lidstaten zeldzamer zijn, zoals aangegeven in de raadpleging van de Commissie van 2015; benadrukt dat geen enkele nieuwe richtlijn mag worden gebruikt als een formeel instrument voor op „forum-shopping” gerichte bedrijfssplitsingen die bedoeld zijn om wettelijke verplichtingen uit hoofde van het nationaal recht te omzeilen;

14.

verzoekt de Commissie na te gaan in hoeverre er grote economische gevolgen uit de regulering van grensoverschrijdende splitsingen zouden kunnen voortkomen, zoals een vereenvoudiging van de organisatiestructuur, een beter aanpassingsvermogen en nieuwe mogelijkheden voor de interne markt;

15.

wijst op de langdurige en complexe procedures die momenteel moeten worden doorlopen in het geval van grensoverschrijdende splitsingen, en die doorgaans in twee stadia ten uitvoer worden gelegd: eerst een binnenlandse splitsing en vervolgens een grensoverschrijdende fusie; is van mening dat de invoering van geharmoniseerde EU-normen op het gebied van grensoverschrijdende splitsingen zou leiden tot een vereenvoudiging van de verrichtingen en tot een vermindering van de kosten en de duur van de procedures;

16.

onderstreept het belang van het wegnemen van de belemmeringen die voortvloeien uit wetsconflicten bij de vaststelling van het toepasselijk nationaal recht;

17.

herinnert eraan dat sommige lidstaten niet beschikken over nationale ad-hocregels inzake de uitvoering van grensoverschrijdende splitsingen;

18.

is van mening dat een toekomstig wetgevingsinitiatief inzake grensoverschrijdende splitsingen moet aansluiten bij de beginselen en vereisten in het kader van de richtlijn betreffende grensoverschrijdende fusies:

vraagstukken op het gebied van procedures en vereenvoudiging, met inbegrip van de belangrijkste vormen van bedrijfssplitsingen die momenteel worden toegepast (splitsingen, spin-offs, overdrachten naar nieuwe dochterondernemingen),

de rechten van crediteuren en minderheidsaandeelhouders, met inachtneming van de beginselen van bescherming en doeltreffendheid,

naleving van de normen inzake participatie en bescherming van en vertegenwoordiging door werknemers, dit met het oog op de verbetering van de bescherming van werknemers, en dan met name de bescherming tegen sociale dumping,

boekhoudkundige vraagstukken,

activa en passiva,

harmonisering van regels en procedures, zoals de rechten in verband met aandelen, de vereisten inzake registratie bij en communicatie tussen de handelsregisters, de datum van voltooiing van de overdracht, de minimale inhoud van de splitsingsvoorwaarden, de meerderheidsregels en de instantie die bevoegd is voor het toezicht op de regelmatigheid en de wettigheid van de transactie;

o

o o

19.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan het Europees Economisch en Sociaal Comité.

(1)  PB L 378 van 31.12.1982, blz. 47.

(2)  PB L 310 van 25.11.2005, blz. 1.

(3)  PB L 294 van 10.11.2001, blz. 1.

(4)  PB L 294 van 10.11.2001, blz. 22.

(5)  PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29.

(6)  PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 78.

(7)  PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 5.

(8)  Zaak C-411/03, SEVIC Systems AG, 13.12.2005, ECLI:EU:C:2005:762.

(9)  Zaak C-196/04, Cadbury Schweppes Overseas Ltd v Commissioners of Inland Revenue, 12.9.2006, ECLI:EU:C:2006:544.

(10)  Zaak C-210/06, CARTESIO Oktató és Szolgáltató bt., 16.12.2008, ECLI:EU:C:2008:723.

(11)  Zaak C-378/10, VALE Építési kft., 12.7.2012, ECLI:EU:C:2012:440.

(12)  Zaak C-483/14, KA Finanz AG v Sparkassen Versicherung AG Vienna Insurance Group, 7.4.2016, ECLI:EU:C:2016:205.

(13)  Zaak C-167/01, Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam v Inspire Art Ltd., 30.9.2003, ECLI:EU:C:2003:512.

(14)  Zaak C-208/00, Überseering BV v Nordic Construction Company Baumanagement GmbH (NCC), 5.11.2002, ECLI:EU:C:2002:632.

(15)  Zaak C-212/97, Centros Ltd v Erhvervs- og Selskabsstyrelsen, 9.3.1999, ECLI:EU:C:1999:126.

(16)  Zaak C81/87, The Queen v H. M. Treasury and Commissioners of Inland Revenue, ex parte Daily Mail and General Trust plc., 27.09.1988, ECLI:EU:C:1988:456.

(17)  http://ec.europa.eu/internal_market/consultations/2014/cross-border-mergers-divisions/docs/summary-of-responses_en.pdf

(18)  PE 556.960, http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2016/556960/IPOL_STU(2016)556960_EN.pdf

(19)  PE 593.796.

(20)  Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28).


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/30


P8_TA(2017)0253

Beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 met het oog op de tussentijdse beoordeling en het voorstel voor het negende kaderprogramma (2016/2147(INI))

(2018/C 331/05)

Het Europees Parlement,

gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) (1),

gezien Verordening (Euratom) nr. 1314/2013 van de Raad van 16 december 2013 tot vaststelling van een programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2014-2018) ter aanvulling van het „Horizon 2020”-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2),

gezien Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) (3),

gezien Besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van „Horizon 2020” — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) (4),

gezien Verordening (EU) nr. 1292/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 294/2008 tot oprichting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (5),

gezien Besluit nr. 1312/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de strategische innovatieagenda van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT): de bijdrage van het EIT aan een meer innoverend Europa (6),

gezien Verordeningen (EU) nrs. 557/2014, 558/2014, 559/2014, 560/2014 en 561/2014 van de Raad van 6 mei 2014 (7) en Verordening (EU) nr. 642/2014 (8) van de Raad en 721/2014 (9) van de Raad van 16 juni 2014 tot vaststelling van de gemeenschappelijke ondernemingen die in het kader van Horizon 2020 gefinancierd worden,

gezien Besluiten nrs. 553/2014/EU, 554/2014/EU, 555/2014/EU en 556/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (10) tot vaststelling van de P2P's krachtens artikel 185 die in het kader van Horizon 2020 gefinancierd worden,

gezien de discussienota van 3 februari 2017 voor de groep op hoog niveau over het maximaliseren van de impact van onderzoeks- en innovatieprogramma's van de EU (11),

gezien de monitoringverslagen van de Commissie met betrekking tot Horizon 2020 voor de jaren 2014 en 2015,

gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld „De Europese Onderzoeksruimte: tijd voor realisatie en voor monitoring van de voortgang” (COM(2017)0035),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake het actieplan voor Europese defensie (COM(2016)0950),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld „Uitvoering van de strategie voor internationale samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie” (COM(2016)0657),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld „Europees cloudinitiatief — Bouwen aan een concurrentiële data- en kenniseconomie in Europa” (COM(2016)0178) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0106),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende het antwoord op het verslag van de deskundigengroep op hoog niveau over de ex-postevaluatie van het zevende kaderprogramma (COM(2016)0005),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld „Jaarverslag over de activiteiten van de Europese Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling in 2014” (COM(2015)0401),

gezien de verslagen van de Commissie 2014 en 2015 getiteld „Integration of Social Sciences and the Humanities in Horizon 2020: participants, budgets and disciplines”,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Betere EU-regelingen voor innovatie-investeringen” (SWD(2015)0298),

gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld „De Europese Onderzoeksruimte: voortgangsverslag 2014” (COM(2014)0575),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld „Onderzoek en innovatie: de bronnen van toekomstige groei” (COM(2014)0339),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Tweede situatierapport betreffende onderwijs en opleiding op het gebied van kernenergie in Europa” (SWD(2014)0299),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „FET-vlaggenschipinitiatieven: Een nieuw partnerschapsconcept om grote wetenschappelijke uitdagingen aan te pakken en innovatie in Europa te stimuleren” (SWD(2014)0283),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld „Tweede tussentijdse evaluatie van de Gemeenschappelijke Ondernemingen voor de uitvoering van de gezamenlijke technologie-initiatieven Clean Sky, brandstofcellen en waterstof en initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen” (COM(2014)0252),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité getiteld „Rol en effecten van GTI's en PPP's in de uitvoering van Horizon 2020 voor een duurzame industriële reconversie” (12),

gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over het Europees cloudinitiatief (13),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over EU-middelen voor gendergelijkheid (14),

gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's (15),

gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over cohesiebeleid en onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3) (16),

gezien artikel 52 van zijn Reglement evenals artikel 1, lid 1, onder e), van Bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0209/2017),

A.

overwegende dat Horizon 2020 het grootste centraal beheerde O&I-programma van de EU en 's werelds grootste met overheidsgeld gefinancierde O&I-programma is;

B.

overwegende dat het Parlement bij de onderhandelingen over Horizon 2020 en over het huidige meerjarig financieel kader (MFK) om 100 miljard EUR heeft gevraagd, en niet om de 77 miljard EUR die oorspronkelijk werd overeengekomen; overwegende dat het budget erg beperkt lijkt als Horizon 2020 het excellentiepotentieel grondig moet onderzoeken en op gepaste wijze moet reageren op de maatschappelijke uitdagingen waar Europa en de wereld momenteel mee worden geconfronteerd;

C.

overwegende dat het verslag van de groep op hoog niveau over het maximaliseren van de impact van onderzoeks- en innovatieprogramma's van de EU en de voor het derde kwartaal van 2017 geplande tussentijdse evaluatie het fundament zullen vormen voor de structuur en de inhoud van het KP9, waarover een voorstel gepubliceerd zal worden in de eerste helft van 2018;

D.

overwegende dat de economische crisis en de financiële crisis bepalende factoren waren voor het ontwerp van Horizon 2020; overwegende dat het volgende kaderprogramma (KP) waarschijnlijk zal worden beïnvloed door nieuwe uitdagingen, nieuwe politieke en economische paradigmata, alsook zich voortzettende globale trends;

E.

overwegende dat het KP gebaseerd moet zijn op Europese waarden, wetenschappelijke onafhankelijkheid, neutraliteit, diversiteit, hoge Europese ethische normen, sociale cohesie en gelijke toegang voor burgers tot de oplossingen en antwoorden waarin het voorziet;

F.

overwegende dat investeringen in O&O van essentieel belang zijn voor de Europese economische en sociale ontwikkeling, en voor het mondiale concurrentievermogen; overwegende dat het belang van uitstekende wetenschap voor het stimuleren van innovatie en concurrentievoordelen op de lange termijn moeten worden weerspiegeld in de financiering van het KP9;

Structuur, filosofie en tenuitvoerlegging van Horizon 2020

1.

is van oordeel dat het — meer dan drie jaar na de lancering van Horizon 2020 — tijd is dat het Parlement zijn standpunt voor de tussentijdse evaluatie ervan en zijn visie over het toekomstige KP9 ontwikkelt;

2.

wijst erop dat Horizon 2020 tot doel heeft bij te dragen aan het opbouwen van een samenleving en een economie gebaseerd op kennis en innovatie, en de wetenschappelijke en technologische basis, en uiteindelijk de concurrentiepositie van Europa, te versterken door bijkomende nationale publieke en private financiering voor O&O aan te trekken, en door te helpen om tegen 2020 de doelstelling van 3 % van het bbp voor O&O te halen; betreurt dat de EU in 2015 slechts 2,03 % van het bbp in O&O geïnvesteerd heeft, met verschillen tussen de landen van 0,46 % tot 3,26 % (17), terwijl grote mondiale concurrenten het beter doen dan de EU op het gebied van uitgaven voor O&O;

3.

herinnert eraan dat de Europese Onderzoeksruimte (EOR) rechtstreekse concurrentie ondervindt van 's werelds best presterende onderzoeksregio's en dat de versterking van de EOR dan ook een collectieve taak van Europa is; moedigt de desbetreffende lidstaten zich ervoor in te zetten de doelstelling van 3 % van het bbp van de EU voor O&O te halen; merkt op dat een algemene toename tot 3 % meer dan 100 miljard EUR extra per jaar zou opleveren voor onderzoek en innovatie in Europa;

4.

benadrukt dat uit de evaluatie van het KP7 en uit het toezicht op Horizon 2020 blijkt dat het KP van de EU voor onderzoek en innovatie een succes is en een duidelijke toegevoegde waarde voor de EU heeft (18); onderkent dat het KP en de toekomstige programma's nog verder kunnen worden verbeterd;

5.

is van oordeel dat de multidisciplinaire setting, de aanpak gebaseerd op samenwerking en de vereisten qua deskundigheid en effect de redenen zijn voor dit succes;

6.

begrijpt dat het KP de participatie van de industrie zal stimuleren met als doel de uitgaven voor O&O door de industrie te verhogen (19); merkt op dat de participatie door de industrie, met inbegrip van kmo's, aanzienlijk hoger is dan bij het KP7; wijst er overigens op dat — over de hele linie — de industrie haar participatie in de uitgaven voor O&O minder heeft verhoogd dan overeengekomen in de conclusies van de Raad van Barcelona (20); vraagt de Commissie te beoordelen wat de Europese toegevoegde waarde en de relevantie voor het publiek is van de financiering voor door de industrie gestuurde instrumenten, zoals de gemeenschappelijke technologie-initiatieven (GTI's) (21), alsook in kaart te brengen wat de coherentie, openheid en transparantie van alle gemeenschappelijke initiatieven is (22);

7.

merkt op dat het programmabudget, het programmabeheer en de tenuitvoerlegging ervan verspreid zijn over 20 verschillende EU-organen; vraagt zich af of dit niet leidt tot buitensporige coördinatie-inspanningen, administratieve complexiteit en dubbel werk; roept de Commissie op hier naar stroomlijning en vereenvoudiging te streven;

8.

merkt op dat pijlers 2 en 3 vooral gericht zijn op hogere niveaus van technologische paraatheid (TRL's), wat zou kunnen verhinderen dat in de toekomst baanbrekende innovaties geabsorbeerd worden van momenteel geplande onderzoeksprojecten met lagere TRL's; dringt aan op een zorgvuldig evenwicht van TRL's, teneinde de volledige waardeketen te bevorderen; is van oordeel dat TRL's niet-technologische vormen van innovatie uit fundamenteel of toegepast onderzoek, vooral op het vlak van sociale en geesteswetenschappen, zouden kunnen uitsluiten;

9.

roept de Commissie op om te streven naar een evenwichtige verdeling tussen kleine, middelgrote en grote projecten; neemt er nota van dat het gemiddelde budget voor projecten onder Horizon 2020 is gestegen en dat grotere projecten meer voorbereiding en een beter projectbeheer vereisen dan kleinere, hetgeen gunstig is voor deelnemers met meer ervaring met KP's, afschrikwekkend werkt voor nieuwkomers en resulteert in een concentratie van de financiering in de handen van een beperkt aantal instellingen;

Begroting

10.

benadrukt dat het huidige alarmerend lage succespercentage van minder dan 14 % (23) een neerwaartse trend is in vergelijking met het KP7; onderstreept dat het overaanbod aan projecten het onmogelijk maakt een groot aantal kwalitatief zeer hoogwaardige projecten te financieren, en betreurt het dat de bezuinigingen die het gevolg zijn van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) dit probleem verder hebben vergroot; vraagt de Commissie het budget van Horizon 2020 niet verder te verlagen;

11.

benadrukt de begrotingsdruk waarmee het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie van de Unie wordt geconfronteerd; betreurt het negatieve effect dat de betalingscrisis in de EU-begroting had op de tenuitvoerlegging van het programma tijdens de eerste jaren van het huidige MFK; wijst onder meer op de kunstmatige vertraging die voor oproepen in 2014 oploopt tot 1 miljard EUR en de aanzienlijke daling van het niveau van voorfinanciering voor de nieuwe programma's; benadrukt in dit verband dat in overeenstemming met artikel 15 van de MFK-verordening in 2014-2015 een „frontloading”-operatie van financiële middelen voor Horizon 2020 werd uitgevoerd; benadrukt dat deze „frontloading”-operatie volledig werd geabsorbeerd door het programma, waaruit de sterke prestatie ervan en de capaciteit om nog meer te absorberen blijken; wijst erop dat deze „frontloading”-operatie niet tot een wijziging van het totaalpakket aan financiële middelen voor deze programma's heeft geleid, maar wel tot minder kredieten gedurende de tweede helft van het MFK; vraagt de twee armen van de begrotingsautoriteit en de Commissie te zorgen voor een gepast niveau van betalingskredieten in de komende jaren en elke inspanning te leveren om een nieuwe betalingscrisis tegen de laatste jaren van het huidige MFK te voorkomen;

12.

beklemtoont dat Horizon 2020 hoofdzakelijk met subsidies moet werken en gericht moet zij op het financieren van met name fundamenteel en collaboratief onderzoek; onderstreept dat onderzoek een risicovolle investering voor investeerders kan zijn en dat de financiering van onderzoek via subsidies een noodzaak is; onderstreept in dit verband dat het veel overheidsinstanties hoe dan ook wettelijk niet toegestaan is leningen aan te gaan; betreurt dat in sommige gevallen steeds meer de voorkeur gegeven wordt aan het gebruik van leningen in plaats van subsidies; erkent dat financieringsinstrumenten beschikbaar zouden moeten zijn voor activiteiten met hoge TRL's die zich dichtbij de implementatiefase bevinden, als onderdeel van InnovFin-financieringsinstrumenten, en buiten het KP om (bijvoorbeeld EIB- en EIF-regelingen);

13.

benadrukt het feit dat verschillende lidstaten hun beloften met betrekking tot nationale investeringen in O&O niet nakomen; beklemtoont dat de doelstelling van 3 % van het bbp moet worden gehaald, en hoopt dat deze doelstelling in de nabije toekomst kan worden opgetrokken tot het niveau van de grootste mondiale concurrenten van de EU; roept de Commissie en de lidstaten derhalve op tot het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van nationale strategieën die bijdragen aan het halen van die doelstelling, en dringt erop aan een deel van de middelen van de Structuurfondsen te gebruiken voor O&O-activiteiten en -programma's, met name investeringen in capaciteitsopbouw, infrastructuur en salarissen, alsook ondersteuning te geven aan activiteiten voor het voorbereiden van KP-voorstellen en projectbeheer;

Evaluatie

14.

bevestigt dat „excellentie” het belangrijkste criterium voor alle drie de pijlers van het KP moet blijven, maar verwijst ook naar de bestaande criteria „effect” en „kwaliteit en doeltreffendheid van de uitvoering”, hetgeen van nut kan zijn bij het bepalen van de meerwaarde van een project voor de EU; vraagt de Commissie dan ook te onderzoeken hoe onder de criteria „effect” en „kwaliteit en doeltreffendheid van de uitvoering” rekening zou kunnen worden gehouden met het gebrek aan betrokkenheid van de ondervertegenwoordigde EU-regio's, de opname van ondervertegenwoordigde wetenschappelijke disciplines, zoals sociale en geesteswetenschappen, en het gebruik van onderzoeksinfrastructuur die met middelen van de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESIF) is gefinancierd, hetgeen belangrijk lijkt voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de EOR en voor het tot stand brengen van synergieën tussen KP's en de ESIF;

15.

dringt erop aan de evaluaties te verbeteren en transparanter te maken, en verzoekt om kwaliteitsborging door de beoordelaars; benadrukt dat deelnemers gedurende het hele beoordelingsproces betere feedback moeten krijgen, en vindt dat rekening moet worden gehouden met de vaak gehoorde klacht van niet-succesvolle aanvragers dat de samenvattende beoordelingsverslagen diepgang missen en niet duidelijk zijn over wat anders moet om succesvol te kunnen zijn; vraagt de Commissie dan ook tegelijkertijd met de oproep voor het indienen van voorstellen gedetailleerde beoordelingscriteria te publiceren, deelnemers gedetailleerdere en informatievere samenvattende beoordelingsverslagen te doen toekomen, en de oproepen voor het indienen van voorstellen zo te organiseren dat een overaanbod van projecten wordt vermeden, hetgeen slecht is voor de motivatie van onderzoekers en de reputatie van het programma;

16.

vraagt de Commissie een bredere definitie van „effect” te ontwikkelen, die rekening houdt met zowel economische, als sociale aspecten; benadrukt dat de beoordeling van het effect van fundamentele onderzoeksprojecten flexibel moet blijven; vraagt de Commissie om bij blijken van belangstelling het evenwicht tussen bottom-up en top-down te behouden en te onderzoeken welke beoordelingsprocedure (één of twee fasen) nuttiger is om overinschrijving te vermijden en tot kwaliteitsonderzoek te komen;

17.

roept de Commissie op te evalueren in hoeverre een grotere thematische doelgerichtheid zinvol is in het licht van duurzaamheid;

18.

verzoekt de Commissie om het deelnemersportaal gebruikersvriendelijker te maken en om het netwerk van nationale contactpunten uit te breiden en te voorzien van meer middelen om ervoor te zorgen dat, met name de micro-ondernemingen en de kleine ondernemingen, over een efficiënte bijstandsdienst beschikken bij de indiening en beoordeling van projectvoorstellen;

19.

is van mening dat de Europese Onderzoeksraad zich moet bezighouden met meer samenwerkingsprojecten in heel Europa, en daarbij in het bijzonder regio's en instellingen met weinig capaciteiten te betrekken om het beleid en de knowhow inzake O&I in de hele EU te verspreiden;

Horizontale kwesties

20.

stelt vast dat de belanghebbenden erg verheugd zijn over de Horizon 2020-structuur in het algemeen en de aanpak op basis van maatschappelijke uitdagingen in het bijzonder; roept de Commissie op om de aanpak op basis van maatschappelijke uitdagingen te blijven versterken en benadrukt het belang van onderzoek in samenwerkingsverband tussen universiteiten, onderzoeksinstellingen, bedrijven, met name kmo's, en overige actoren; vraagt de Commissie te overwegen de geschiktheid en de individuele begrotingen van de maatschappelijke uitdagingen te beoordelen op basis van de huidige economische, sociale en politieke context gedurende de tenuitvoerlegging van het KP, waaronder in nauwe samenwerking met het Europees Parlement;

21.

erkent de inspanning van de Commissie om de administratie te stroomlijnen en de tijd tussen de bekendmaking van een oproep en de toewijzing van een subsidie te verkorten; roept de Commissie op haar inspanningen om administratieve rompslomp weg te werken en de zaken te vereenvoudigen, voort te zetten; is verheugd over het voorstel van de Commissie om de betaling van vaste bedragen in te voeren om administratie en controle te vereenvoudigen;

22.

dringt er bij de Commissie op aan te evalueren of de voor Horizon 2020 nieuw ingevoerde, vereenvoudigde financieringsregeling zoals gepland tot een hogere deelname van de industrie heeft geleid; is van oordeel dat de doelmatigheid van de financieringsregeling in deze context moet worden onderzocht;

23.

vraagt de Commissie te onderzoeken in hoeverre het gebruik van nationale dan wel eigen afwikkelingssystemen in plaats van de in de regels voor deelneming vastgelegde systemen tot een duidelijk vereenvoudigde onderzoeksprocedure kan leiden en derhalve tot een vermindering van het foutenpercentage bij de afwikkeling van Europese steunprojecten; pleit in dit verband voor een hechtere samenwerking met de Europese Rekenkamer en voor een mogelijke „one stop audit”;

24.

merkt op dat synergieën tussen fondsen cruciaal zijn om investeringen doeltreffender te maken; benadrukt dat RIS3 een belangrijk instrument is om synergieën op gang te brengen door nationale en regionale kaders voor investeringen in O&O&I op te zetten en daarom moet worden bevorderd en versterkt; betreurt dat er aanzienlijke belemmeringen zijn voor de volledige operationalisering van synergieën (24); dringt derhalve aan op een nauwere onderlinge afstemming van de regels en procedures voor O&O&I-projecten onder ESIF en het KP, en is van oordeel dat een doeltreffend gebruik van het 'Seal of Excellence' alleen mogelijk is indien aan de bovenvermelde voorwaarden wordt voldaan; roept de Commissie op een deel van het ESIF te oormerken voor RIS3-synergieën met Horizon 2020; roept de Commissie op om de staatssteunregels te herzien en te voorzien in de mogelijkheid van structuurfondsprojecten voor O&O in het reglement van het KP, terwijl tegelijkertijd moet worden gewaarborgd dat ze transparant zijn; vraagt de Commissie en de lidstaten toe te zien op de correcte toepassing van het additionaliteitsbeginsel, hetgeen in de praktijk inhoudt dat de bijdragen van Europese fondsen geen vervanging mogen zijn van de nationale, of overeenstemmende uitgaven van een lidstaat in de regio's waar dit beginsel wordt toegepast;

25.

merkt op dat de succesvolle tenuitvoerlegging van de EOR de volle inzet vereist van het O&O&I-potentieel van alle lidstaten; erkent het bestaan van een problematische participatiekloof in Horizon 2020, die zowel op EU- als op nationaal niveau, waaronder middels ESIF, moet worden aangepakt; vraagt de Commissie en de lidstaten de bestaande instrumenten aan te passen of nieuwe maatregelen te treffen om deze kloof te dichten door bijvoorbeeld de ontwikkeling van instrumenten voor networking voor onderzoekers; verwelkomt het beleid „Topkwaliteit verspreiden en deelname verbreden”; verzoekt de Commissie te beoordelen of de drie verbredingsinstrumenten hun specifieke doelstellingen hebben gehaald, en een passende begroting en een evenwichtig geheel van instrumenten te verstrekken dat beantwoordt aan de bestaande ongelijkheden op het gebied van onderzoek en innovatie binnen de EU; roept de Commissie en de lidstaten op om duidelijke regels op te stellen om de 'Seal of Excellence'-regeling volledig uit te voeren, en te bekijken waar financieringssynergieën tot stand kunnen worden gebracht; vraagt de Commissie te zorgen voor mechanismen die het mogelijk maken in het KP projecten voor onderzoeksinfrastructuur op te nemen die met ESIF-middelen worden gefinancierd; vindt dat de gebruikte indicatoren een definitie moeten omvatten van ondervertegenwoordigde landen en regio's, en dat de lijst van desbetreffende landen regio's tijdens de implementatie van het KP regelmatig tegen het licht moet worden gehouden;

26.

merkt op dat volgens de jaarverslagen van de Commissie over de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 in 2014 en 2015 de EU-15 samen 88,6 % van de financiering kregen, terwijl de totale EU-financiering voor de EU-13 slechts 4,5 % bedroeg, wat zelfs minder is dan de financiering voor geassocieerde landen (6,4 %);

27.

is verheugd over de inspanningen om te zorgen voor betere banden tussen de EOR en de Europese ruimte voor hoger onderwijs, wat het gemakkelijker maakt om de volgende generatie onderzoekers op te leiden; erkent het belang van het in een zo vroeg mogelijk stadium integreren van STEM, onderzoeks- en ondernemerschapsvaardigheden in de opleidingsstelsels van de lidstaten, teneinde jonge mensen aan te moedigen deze vaardigheden te verwerven, aangezien O&O vanuit structureel oogpunt benaderd moet worden, eerder dan als een cyclisch of in tijd begrensd gegeven; roept de lidstaten en de Commissie op om te zorgen voor stabielere en meer aantrekkelijke banen voor jonge onderzoekers;

28.

onderstreept het belang van nauwere samenwerking tussen producenten en universitaire en wetenschappelijke instellingen om binnen universiteiten en wetenschappelijke centra de creatie van structuren te bevorderen om de band met het productiesysteem te versterken;

29.

benadrukt dat wereldwijde samenwerking een belangrijk middel is om Europees onderzoek te versterken; bevestigt dat de internationale deelname gedaald is van 5 % in het KP7 naar 2,8 % in Horizon 2020; wijst erop dat het KP er mee voor moet zorgen dat Europa een belangrijke mondiale speler blijft, en herinnert aan het belang van wetenschappelijke diplomatie; roept de Commissie op de voorwaarden voor internationale samenwerking in het KP tegen het licht te houden, en concrete, onmiddellijke maatregelen en een strategische visie en structuur op de lange termijn ter ondersteuning van deze doelstelling te ontwikkelen; verwelkomt in dit verband initiatieven zoals BONUS en PRIMA;

30.

onderstreept het belang om de internationale samenwerking binnen het KP9 te versterken en de wetenschappelijke diplomatie te verspreiden;

31.

herinnert eraan dat de integratie van de sociale en geesteswetenschappen refereert aan onderzoek op het domein van sociale en geesteswetenschappen in het kader van interdisciplinaire projecten, en niet betekent dat dit onderzoek achteraf toegevoegd wordt aan overigens technologische projecten, en wijst erop dat voor de meest dringende problemen van de EU methodologisch onderzoek vereist is dat conceptueel aansluit op de sociale en geesteswetenschappen; merkt op dat de sociale en geesteswetenschappen ondervertegenwoordigd zijn in het huidige kaderprogramma; roept de Commissie op om de mogelijkheden voor onderzoekers op het gebied van sociale en geesteswetenschappen om deel te nemen aan het interdisciplinaire KP te vergroten en voldoende financiële middelen voor projecten met betrekking tot sociale en geesteswetenschappen ter beschikking te stellen;

32.

beklemtoont het evenwicht tussen onderzoek en innovatie in Horizon 2020 en pleit ervoor dat hetzelfde gebeurt in het volgende KP; verwelkomt de oprichting van een Europese Innovatieraad (25), maar benadrukt dat dit niet opnieuw mag leiden tot de scheiding van onderzoek en innovatie, of tot verdere fragmentering van de financiering; onderstreept dat Horizon 2020 onvoldoende gericht is op het overbruggen van de „vallei des doods”, die de grootste barrière is voor het omzetten van prototypes in massaproductie;

33.

roept de Commissie op om de doelstellingen, de instrumenten en de werking van de Europese Innovatieraad te verklaren, en benadrukt dat het belangrijk is de resultaten van de test met de Europese Innovatieraad te evalueren; roept de Commissie op te streven naar een evenwichtige mix van instrumenten voor de portefeuille van de Europese Innovatieraad; benadrukt dat de Europese Innovatieraad in geen geval de tweede pijler moet vervangen en dat pijler 2 niet moet uitgroeien tot een instrument voor individuele steun, maar dat de nadruk moet blijven liggen op onderzoek in samenwerkingsverband; benadrukt de behoefte aan behoud en versterking van het kmo-instrument en het sneltraject voor innovatie; vraagt de Commissie mechanismen te ontwikkelen die ertoe leiden dat kmo's beter in grotere interdisciplinaire KP9-projecten worden geïntegreerd, teneinde hun volledige potentieel te benutten; vraagt de Commissie KIG's binnen de bestaande EIT-structuur te houden, en benadrukt het belang van transparantie en vergaande betrokkenheid van de belanghebbende partijen, alsmede te bekijken hoe binnen de Europese Innovatieraad tot interactie tussen het EIT en KIG's zou kunnen worden gekomen; vraagt de Commissie een kader te ontwikkelen voor investeringen met particulier durfkapitaal samen met de Europese Innovatieraad, ter stimulering van dergelijke durfkapitaalinvesteringen in Europa;

34.

verwelkomt initiatieven die de private en publieke sector samenbrengen om onderzoek en innovatie te stimuleren; benadrukt dat er behoefte is aan versterkt EU-leiderschap om de prioriteiten met betrekking tot publiek onderzoek vast te stellen, alsook aan voldoende transparantie, traceerbaarheid en een behoorlijk publiek rendement op investeringen in het kader van Horizon 2020 in de zin van betaalbaarheid, beschikbaarheid en geschiktheid van de eindproducten, met name op gevoelige terreinen als gezondheid, vrijwaring van het openbaar belang en een eerlijke sociale impact; roept de Commissie op nader onderzoek te doen naar mechanismen voor duurzame exploitatie van alle projecten waaraan in het kader van het KP overheidsgeld is gespendeerd, uitgaande van een combinatie van een behoorlijke mate aan rendement op publiek geld en prikkels voor het bedrijfsleven om aan deze projecten deel te nemen;

35.

verneemt met instemming dat „open toegang” nu als algemeen beginsel in Horizon 2020 is opgenomen; benadrukt dat uit het grote aantal publicaties gekoppeld aan projecten van Horizon 2020 tot december 2016 (26) blijkt dat nieuwe beleidsmaatregelen met het oog op het delen van gegevens en ideeën nodig zijn om de onderzoeksresultaten te maximaliseren en te verzekeren dat een maximum aan wetenschappelijke gegevens openbaar wordt gemaakt; vraagt de Commissie de flexibiliteitscriteria tegen het licht te houden omdat deze de verwezenlijking van deze doelstelling zouden kunnen belemmeren, en kennis en ontwikkeling te bevorderen;

36.

verwelkomt de financiering voor het proefproject over open onderzoeksgegevens als een eerste stap naar een openwetenschapscloud; erkent het belang en potentieel van e-infrastructuur en supercomputers, de noodzaak van het betrekken van belanghebbenden uit de publieke en de privésector en het maatschappelijk middenveld, en de rol van burgerwetenschap om te verzekeren dat de samenleving een actievere rol speelt bij het definiëren en aanpakken van problemen en het gezamenlijk bijdragen aan mogelijke oplossingen; roept de Commissie en de publieke en particuliere onderzoeksgemeenschap op om nieuwe modellen te onderzoeken die particuliere cloud- en netwerkmiddelen en publieke e-infrastructuur integreren, en om burgeragenda's voor wetenschap en innovatie te lanceren;

37.

is verheugd over het door de Commissie nieuw ingevoerde concept van innovatiehubs, die het Europese innovatielandschap verder ondersteunen omdat ze ondernemingen, met name kmo's, ondersteunen bij het verbeteren van hun bedrijfsmodellen en productieprocessen;

38.

moedigt de NCP's aan meer betrokken te zijn bij het bevorderen van projecten waaraan een 'Seal of Excellence' wordt toegekend, en te assisteren bij het zoeken naar overige nationale of internationale publieke of private financieringsbronnen voor voornoemde projecten door de samenwerking op dit gebied binnen het netwerk van NCP's te intensiveren;

KP9-aanbevelingen

39.

gelooft dat de EU de potentie heeft om een in de wereld toonaangevend centrum voor onderzoek en wetenschap te worden; is er verder van overtuigd dat het KP9 hiertoe een topprioriteit voor Europa moet worden, teneinde groei, werkgelegenheid en innovatie te bevorderen;

40.

verwelkomt het succes van Horizon 2020 en de hefboomfactor 1:11; roept de Commissie op de begroting van het KP9 te verhogen tot 120 miljard EUR; is van oordeel dat behalve een verhoging van de begroting ook een innovatief kader voor innovatie nodig is en roept derhalve de Commissie op innovatie en de verschillende vormen daarvan duidelijk te definiëren;

41.

merkt op dat de EU voor tal van significante en dynamische uitdagingen staat, en roept de Commissie op — samen met het Europees Parlement — in pijler 3 te zorgen voor een evenwichtige reeks instrumenten in antwoord op de dynamische aard van de opkomende problemen; wijst er met klem op dat er voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken voor de specifieke uitdagingen in pijler 3, en dat de adequaatheid van die uitdagingen regelmatig opnieuw moet worden bekeken;

42.

roept de Commissie op binnen het KP9 een juist evenwicht aan te houden tussen fundamenteel onderzoek en innovatie; geeft aan onderzoek op basis van een samenwerkingsmodel moet worden versterkt; geeft aan dat het belangrijk is kmo's nauwer bij collaboratieve projecten en innovatie te betrekken;

43.

spoort de Commissie aan voor meer synergieën te zorgen tussen het KP9 en andere Europese fondsen voor onderzoek en innovatie, en voor die fondsen geharmoniseerde instrumenten en op elkaar afgestemde regels te ontwikkelen, zowel op Europees, als nationaal niveau, alsook in nauwe samenwerking met de lidstaten; vraagt de Commissie om ook in toekomstige KP's rekening te houden met de belangrijke rol van normalisatie in samenhang met innovatie;

44.

merkt op dat binnen het KP9 de problemen van overinschrijving en van lage succespercentages waar Horizon 2020 mogelijk mee wordt geconfronteerd, moeten worden ondervangen; stelt voor om herintroductie te overwegen van de evaluatieprocedure in twee fasen, met een gebundelde eerste fase en de specifieke tweede fase gericht op de geselecteerde inschrijvers; roept de Commissie op te zorgen voor voldoende uitgebreide essentiële veiligheidseisen over hoe het voorstel kan worden verbeterd;

45.

benadrukt eens te meer dat „Europese meerwaarde” een onomstreden kern van het kaderprogramma voor onderzoek moet blijven;

46.

roept de Commissie op om in het volgende MFK defensieonderzoek te scheiden van civiel onderzoek, door te voorzien in twee verschillende programma's met twee verschillende begrotingen, zonder dat de begrotingsambities van civiel onderzoek in het kader van het KP9 hieronder te lijden hebben; roept de Commissie derhalve op het Parlement aan te geven hoe in de toekomst financiering kan worden toegekend voor een programma voor defensieonderzoek overeenkomstig de Verdragen, met een gerichte begroting met nieuwe middelen en specifieke regels; beklemtoont dat het belangrijk is hierbij voor parlementair toezicht te zorgen;

47.

is van oordeel dat het programma inzake toekomstige en opkomende technologieën een enorme potentie heeft voor de toekomst en een goed middel vormt voor het verspreiden van innovatieve ideeën en kennis op nationaal en regionaal niveau;

48.

onderstreept de noodzaak dat in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de EU-doelstellingen voor klimaat prioriteit moet worden gegeven aan onderzoek naar klimaatverandering en een infrastructuur voor het verzamelen van klimaatgegevens, met name omdat de VS overweegt fors te bezuinigen op de begroting voor Amerikaanse instellingen voor milieuonderzoek;

49.

benadrukt dat het KP9 voor O&I moet bijdragen aan maatschappelijke vooruitgang en versterking van het concurrentievermogen van de EU, het creëren van banen en groei, en het ontwikkelen van nieuwe kennis en innovaties, wil de EU de cruciale uitdagingen waar zij voor staat het hoofd kunnen bieden en tot een duurzaame EOR kunnen komen; verwelkomt in dit opzicht de huidige pijlerstructuur van het KP en roept de Commissie op deze structuur aan te houden ten behoeve van de continuïteit en voorspelbaarheid; verzoekt de Commissie daarom om te blijven werken aan de coherentie, vereenvoudiging, transparantie en duidelijkheid van het programma, aan de verbetering van de evaluatieprocedure, de vermindering van de fragmentering en de verdubbeling, en de vermijding van onnodige administratieve belasting;

50.

erkent dat administratieve taken en onderzoek ernstig ten koste van elkaar kunnen gaan; benadrukt daarom het belang om de rapportageverplichtingen tot een minimum te beperken, zodat administratieve rompslomp die de innovatie in de weg staat, wordt vermeden, gezorgd wordt voor effectief gebruik van de KP9-financiering en tegelijk de onafhankelijkheid van het onderzoek wordt beschermd; moedigt de Commissie daarom aan haar inspanningen ten behoeve van vereenvoudiging op te schroeven;

51.

stelt vast dat de Commissie steeds vaker van resultaatgeoriënteerde ondersteuning spreekt; verzoekt de Commissie om het concept van „resultaat” preciezer te definiëren;

52.

roept de Commissie en de lidstaten op om de synergieën tussen het KP en overige fondsen te vergroten, en het probleem van tekortkomingen inzake onderzoek in convergentieregio's in sommige lidstaten aan te pakken, met inachtneming van het beginsel van additionaliteit; betreurt het dat de toekenning van middelen uit de Structuur- en investeringsfonds kan leiden tot een vermindering van de nationale uitgaven voor O&O in de betreffende regio's, en benadrukt dat de middelen een aanvulling moeten zijn op nationale overheidsuitgaven; roept de Commissie en de lidstaten ook op om ervoor te zorgen dat overheidsinvesteringen in O&O aangemerkt worden als investeringen en niet als een kostenpost;

53.

constateert dat effectieve investeringen in onderzoek en innovatie uit hoofde van de Structuurfondsen slechts kunnen plaatsvinden wanneer in de lidstaten hiervoor passende kadervoorwaarden bestaan; pleit daarom voor een sterkere koppeling tussen landspecifieke aanbevelingen op het gebied van structurele hervormingen en investeringen in O&I;

54.

benadrukt de behoefte aan nieuwe topcentra en topregio's alsook het belang van de verdere ontwikkeling van de EOR; beklemtoont dat voor meer synergie-effecten moet worden gezorgd tussen het KP, EFSI en ESIF om deze doelstelling te halen; dringt aan op maatregelen voor het elimineren van obstakels, zoals lage lonen, in oostelijke en zuidelijke landen, om een brain drain te voorkomen; vindt dat prioriteit moet worden toegekend aan excellente projecten, en niet aan projecten van excellente instituten;

55.

is van mening dat er sterkere stimulansen moeten worden ingebouwd om ESI-middelen in te zetten voor investeringen in O&I indien zulks wordt genoemd in de landenspecifieke aanbevelingen of als er zwakke plekken worden geconstateerd; concludeert dat de ESI-middelen voor investeringen in O&I goed zijn voor 65 miljard EUR in de periode 2014-2020; stelt daarom voor om de vaste prestatiereserve van de ESI-fondsen in de lidstaten te gebruiken om een substantieel deel van de ontvangsten uit de structuurfondsen investeren in O&I te investeren;

56.

verwelkomt het principe en de potentie van het Seal of Excellence als kwaliteitskeurmerk voor synergie tussen ESI-fondsen en Horizon 2020, maar constateert dat dit in de praktijk onvoldoende wordt toegepast, door het gebrek aan financiering in de lidstaten; is van mening dat projecten die zijn ingediend voor financiering in het kader van Horizon 2020 en die strenge selectie- en toekenningscriteria met positief gevolg zijn gepasseerd, maar niet konden worden gefinancierd door budgettaire beperkingen, gefinancierd moeten worden met middelen uit de ESI-fondsen, als deze middelen voor dit doel beschikbaar zijn; wijst erop dat een soortgelijk mechanisme ook moet worden gedefinieerd voor gezamenlijke onderzoeksprojecten;

57.

roept de Commissie op om in het KP9 het niveau van ondersteuning voor jonge onderzoekers te verhogen, onder meer in de vorm van pan-Europese netwerkinstrumenten voor jonge onderzoekers en een nieuw financieringsschema in te voeren voor jonge onderzoekers met minder dan drie jaar ervaring na het behalen van hun PhD;

58.

merkt op dat de Marie Skłodowska-Curie-acties een bij onderzoekers goed bekend financieringsbron zijn, die de mobiliteit van onderzoekers en de ontwikkeling van jonge onderzoekers bevorderen; is van mening dat het, met het oog op continuïteit, wenselijk is dat de Marie Skłodowska-Curie-acties ook nog onder het KP9 worden gefinancierd;

59.

vraagt de Commissie en de lidstaten door te gaan met het stimuleren van private investeringen in O&O&I, welke moeten dienen als aanvulling op en niet ter vervanging van de dienovereenkomstige publieke investeringen; herinnert eraan dat twee derde van de doelstelling van 3 % van het bbp voor O&O van de industrie moet komen (27); waardeert de inspanningen die het bedrijfsleven zich tot nu toe heeft getroost en vraagt de privésector, gezien de over het algemeen beperkte middelen voor overheidsinvesteringen in O&O, meer middelen beschikbaar te maken voor O&O en zich meer in te zetten voor open toegang en wetenschap op basis van open gegevens; vraagt de Commissie de mate van participatie van grote bedrijven (middels leningen, subsidies of met eigen middelen) te bepalen, afhankelijk van de Europese meerwaarde van een project en het potentieel ervan om voor kmo's een stuwende kracht te zijn, met inachtneming van de specifieke kenmerken en behoeften van elke sector; roept de Commissie op de bijdragen in natura bij te houden, teneinde ervoor te zorgen dat investeringen 'echt' en nieuw zijn;

60.

roept de Commissie op de transparantie en helderheid van de regels voor publiek-private samenwerking binnen KP9-projecten te vergroten naar aanleiding van de resultaten en aanbevelingen op basis van de evaluatie; vraagt de Commissie de bestaande instrumenten voor publiek-private partnerschappen te verifiëren en te beoordelen;

61.

wijst erop dat ongeacht de instrumenten voor kmo's, de deelname van de industrie verder moet worden bevorderd omdat de industrie op tal van vlakken over de nodige expertise beschikt en tevens een belangrijke financiële bijdrage levert;

62.

betreurt de gemengde resultaten van de gendergelijkheidsfocus in Horizon 2020, aangezien de enige gehaalde doelstelling het percentage vrouwen in adviesgroepen is, terwijl het percentage vrouwen in projectbeoordelingspanels en in de functie van projectcoördinator niet beantwoordt aan de streefdoelen en de genderdimensie niet geïntegreerd is in de onderzoeks- en innovatieonderwerpen; beklemtoont de noodzaak van verbetering van de participatie en gendermainstreaming in het KP9, en van het halen van de doelstellingen in de Horizon 2020-verordening, vraagt de Commissie een studie te verrichten naar de barrières of moeilijkheden die bepalend kunnen zijn voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het programma; moedigt de lidstaten aan om — in aansluiting op de doelstellingen van de EOR — een genderevenwichtig juridisch en politiek kader te creëren en stimulansen voor veranderingen te bieden; is verheugd over de richtsnoeren van de Commissie betreffende genderevenwicht in horizon 2020 (28); herinnert eraan dat in de richtsnoeren staat dat genderevenwicht een criterium is voor het toekennen van prioriteit aan projecten boven de drempel met dezelfde score;

63.

merkt op dat in het volgende het KP rekening zal moeten worden gehouden met het vertrek van het VK uit de EU en de gevolgen daarvan; merkt op dat O&O baat heeft bij duidelijke en stabiele langetermijnkaders en dat het VK een koploper is inzake wetenschap; spreekt de hoop uit dat de netwerken en de samenwerking tussen het VK en de EU op het gebied van onderzoek kunnen voortbestaan en dat, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, op korte termijn een stabiele en bevredigende oplossing kan worden gevonden zodat de EU de vruchten kan blijven plukken van de wetenschappelijke resultaten die in het kader van Horizon 2020 en het KP9 zijn bereikt;

o

o o

64.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 948.

(3)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81.

(4)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 965.

(5)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 174.

(6)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 892.

(7)  PB L 169 van 7.6.2014, blz. 54-178.

(8)  PB L 177 van 17.6.2014, blz. 9.

(9)  PB L 192 van 1.7.2014, blz. 1.

(10)  PB L 169 van 7.6.2014, blz. 1-53.

(11)  http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/hlg_issue_papers.pdf.

(12)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 24.

(13)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0052.

(14)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0075.

(15)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0311.

(16)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0320.

(17)  Studie van de studiedienst van het Europees Parlement van februari 2017 getiteld „Horizon 2020, het Kaderprogramma van de EU voor Onderzoek en Innovatie. Europese uitvoeringsbeoordeling”.

(18)  Met meer dan 130 000 ontvangen voorstellen, 9 000 toegekende subsidies, 50 000 deelnames en 15,9 miljard EUR EU-financiering.

(19)  Twee derde van de 3 % van het bbp voor O&O moet van de industrie komen. Zie Eurostat, private uitgaven voor O&O: http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tsc00031&plugin=1

(20)  http://ec.europa.eu/invest-in-research/pdf/download_en/barcelona_european_council.pdf

(21)  In totaal zijn de 7 GTI's goed voor meer dan 7 miljard EUR van de Horizon 2020-fondsen, ongeveer 10 % van het volledige Horizon 2020-budget en meer dan 13 % van de daadwerkelijk beschikbare financiering voor Horizon 2020-aanbestedingen (ongeveer 8 miljard EUR per jaar over zeven jaar).

(22)  Zie de conclusies van de Raad van 29 mei 2015.

(23)  Studie van de studiedienst van het Europees Parlement van februari 2017 getiteld „Horizon 2020, het Kaderprogramma van de EU voor Onderzoek en Innovatie — Europese uitvoeringsbeoordeling”.

(24)  Grote onderzoeksinfrastructuur past in het toepassingsgebied en de doelstellingen van het EFRO, maar de EFRO-fondsen die nationaal toegekend worden kunnen niet gebruikt worden voor cofinanciering; kosten voor het bouwen van nieuwe onderzoeksinfrastuctruur komen in aanmerking voor het EFRO, maar werkings- en personeelskosten niet.

(25)  Mededeling van de Commissie getiteld „De toekomstige leiders van Europa: het starters- en opschalingsinitiatief” (COM(2016)0733).

(26)  OpenAIRE-verslag: In Horizon 2020 zijn 2 017 projecten op een totaal van 10 684 projecten (d.w.z. 19 %) afgerond, en zijn 8 667 projecten nog lopende. OpenAIRE heeft 6 133 publicaties in verband met 1 375 projecten van Horizon 2020 in kaart gebracht.

(27)  Zie de conclusies van de Raad van 29 mei 2015.

(28)  Zie de richtsnoeren van de Commissie betreffende genderevenwicht in het programma Horizon 2020. http://eige.europa.eu/sites/default/files/h2020-hi-guide-gender_en.pdf


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/41


P8_TA(2017)0254

Bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020 (2016/2326(INI))

(2018/C 331/06)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name artikel 3, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 4, 162, 174 tot en met 178 en 349,

gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (1) („de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen”),

gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling „Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (2),

gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (3),

gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (4),

gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft (5),

gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad (6),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (7),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (8),

gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld „Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014-2020 — Een resultaatgerichte EU-begroting” (COM(2016)0603),

gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld „Investeren in banen en groei — naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen” (COM(2015)0639),

gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei — naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening (9),

gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over Europese territoriale samenwerking — beste praktijken en innovatieve maatregelen (10),

gezien zijn resolutie van 11 mei 2016 over een versnelde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid (11),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2010 over een Europese strategie voor het Donaugebied (12), zijn resolutie van 6 juli 2010 over de strategie van de Europese Unie voor het Oostzeegebied en de rol van macroregio's in het kader van het toekomstige cohesiebeleid (13), zijn resolutie van 28 oktober 2015 over een strategie van de EU voor de Adriatische en Ionische regio (14), en zijn resolutie van 13 september 2016 over een EU-strategie voor het Alpengebied (15),

gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's (16),

gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) (17),

gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over „Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020” (18),

gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie (19),

gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU-beleid (20),

gezien mededelingen van de Commissie en resoluties van het Parlement over de ultraperifere gebieden, met name zijn resolutie van 18 april 2012 over de rol van het cohesiebeleid voor de ultraperifere regio's van de Europese Unie in de context van „Europa 2020” (21) en die van 26 februari 2014 over de optimalisering van het potentieel van ultraperifere gebieden door middel van het scheppen van synergieën tussen de EU-structuurfondsen en andere EU-programma's (22),

gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het cohesiebeleid en de evaluatie van de Europa 2020-strategie (23),

gezien de conclusies en aanbevelingen van de „groep op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van ESI-fondsen”,

gezien de op 21 maart 2017 goedgekeurde conclusies van de Raad over speciaal verslag nr. 31/2016 van de Europese Rekenkamer getiteld „Minimaal elke vijfde euro uit de EU-begroting aan klimaatactie besteden: er wordt ambitieus aan gewerkt, maar het risico dat het doel niet wordt gehaald, blijft groot”,

gezien het arrest van het Hof van Justitie van 15 december 2015 (24) betreffende de interpretatie van artikel 349 VWEU,

gezien speciaal verslag nr. 19/2016 van de Europese Rekenkamer getiteld „Uitvoering van de EU-begroting via financieringsinstrumenten — lessen die uit de programmeringsperiode 2007-2013 moeten worden getrokken”,

gezien het verslag van de Commissie van 22 februari 2016 getiteld „European Structural and Investment Funds and European Fund for Strategic Investments complementarities — ensuring coordination, synergies and complementarity” (Complementariteit tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen — zorgen voor coördinatie, synergieën en complementariteit),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0202/2017),

A.

overwegende dat het cohesiebeleid van de EU voortvloeit uit het VEU en het VWEU en de belichaming vormt van solidariteit in de EU als een van de grondbeginselen van de Unie via het streven naar de in het Verdrag verankerde doelstelling om regionale verschillen weg te werken en economische, sociale en territoriale samenhang tussen alle regio's in de hele EU te bevorderen;

B.

overwegende dat de werking van de EU als „instrument voor convergentie” na 2008 tot stilstand is gekomen, waardoor de bestaande verschillen tussen en binnen de lidstaten steeds verder uiteenlopen en sociale en economische ongelijkheden in de hele EU toenemen; overwegende dat het cohesiebeleid op Europees niveau erg doeltreffend is, met name voor de bevordering van diverse vormen van territoriale samenwerking, en dat het daarom — wat de economische, sociale en territoriale dimensie betreft — een dringend noodzakelijk beleid blijft dat de specifieke behoeften van een grondgebied koppelt aan EU-prioriteiten en dat voor alle burgers tastbare resultaten op het terrein oplevert;

C.

overwegende dat het cohesiebeleid na 2020 het voornaamste, uiterst succesvolle en gewaardeerde investerings- en ontwikkelingsbeleid voor de hele EU blijft inzake het scheppen van duurzame werkgelegenheid en het genereren van groei en concurrentievermogen van slimme, duurzame en inclusieve aard, vooral in de context van een drastische daling van openbare en particuliere investeringen in tal van lidstaten en de gevolgen van de mondialisering; overwegende dat het cohesiebeleid van cruciaal belang is geweest bij macro-economische beperkingen en hierop sterk heeft ingespeeld;

D.

overwegende dat de meest recente hervorming van het cohesiebeleid in 2013 uitgebreid en substantieel was, doordat de focus van het beleid werd verlegd naar een resultaatgerichte aanpak, thematische concentratie, doeltreffendheid en efficiëntie enerzijds, en beginselen als het partnerschapsbeginsel, meerlagig bestuur, slimme specialisatie en plaatsgebonden benaderingen anderzijds;

E.

overwegende dat het vernieuwde cohesiebeleid heeft geleid tot een geleidelijke verschuiving van grote infrastructuurprojecten naar stimulering van de kenniseconomie en innovatie;

F.

overwegende dat deze beginselen in stand moeten worden gehouden en moeten worden geconsolideerd na 2020 om met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het beleid continuïteit, zichtbaarheid, rechtszekerheid, toegankelijkheid en transparantie te kunnen waarborgen;

G.

overwegende dat het cohesiebeleid na 2020 alleen een succes kan worden als de administratieve lasten voor de begunstigden en administratieve instanties worden beperkt, als met het oog op evenredigheid het juiste evenwicht wordt gevonden tussen de resultaatgerichtheid van het beleid en het niveau van toetsing en controle, als er mag worden gedifferentieerd bij de tenuitvoerlegging van programma's en als de regels en procedures worden vereenvoudigd, aangezien deze momenteel te complex worden bevonden;

H.

overwegende dat deze elementen — in combinatie met de geïntegreerde beleidsaanpak en het partnerschapsbeginsel — een illustratie vormen van de toegevoegde waarde van het cohesiebeleid;

I.

overwegende dat de toenemende beperkingen op de begroting van zowel de EU als de lidstaten en de gevolgen van de brexit niet mogen leiden tot een verzwakking van het EU-cohesiebeleid; overwegende dat in dit verband een oproep wordt gedaan aan de onderhandelaars van de EU en het VK om stil te staan bij de positieve en negatieve consequenties van een blijvende deelname van het VK aan programma's voor Europese territoriale samenwerking;

J.

overwegende dat in het cohesiebeleid al wordt ingespeeld op een erg uitgebreide reeks uitdagingen die verband houden met de doelstellingen als verankerd in de Verdragen en dat niet kan worden verwacht dat alle nieuwe uitdagingen waar de EU mogelijk mee zal worden geconfronteerd na 2020 hieraan kunnen worden toegevoegd met dezelfde — of zelfs een kleinere — begroting, hoewel de effecten groter zouden kunnen zijn wanneer aan de lidstaten, regio's en steden meer soepelheid wordt toegekend om nieuwe politieke uitdagingen aan te gaan;

Toegevoegde waarde van het EU-cohesiebeleid

1.

is sterk gekant tegen een eventueel scenario voor de EU-27 tegen 2025, zoals vermeld in het Witboek over de toekomst van Europa, aangezien dit zou betekenen dat de inspanningen van de EU met betrekking tot het cohesiebeleid worden teruggeschroefd; verzoekt de Commissie daarentegen te komen met een uitgebreid wetgevingsvoorstel voor een sterk en doeltreffend cohesiebeleid na 2020;

2.

benadrukt dat groei en regionale, economische en sociale convergentie niet kunnen worden verwezenlijkt zonder goed bestuur, samenwerking en wederzijds vertrouwen bij alle belanghebbende partijen en de daadwerkelijke betrokkenheid van partners op nationaal, regionaal en lokaal niveau, zoals is verankerd in het partnerschapsbeginsel (artikel 5 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening)); wijst er nogmaals op dat de regeling inzake gedeeld beheer van het EU-cohesiebeleid een uniek instrument vormt voor de EU om rechtstreeks in te spelen op wat burgers bezighoudt met betrekking tot interne en externe problemen; is van mening dat gedeeld beheer, een concept dat stoelt op het partnerschapsbeginsel, meerlagig bestuur en coördinatie tussen verschillende bestuursniveaus, van grote waarde is om alle belanghebbende partijen het gevoel te geven iets te kunnen inbrengen in de tenuitvoerlegging van het beleid en zich er verantwoordelijk voor te voelen;

3.

benadrukt dat het cohesiebeleid als katalysator werkt en dat besturen, begunstigden en belanghebbende partijen er lessen uit kunnen trekken; wijst op de horizontale en transversale benadering van het cohesiebeleid, dat een slim, duurzaam en inclusief beleid vormt met een kader om nationale en subnationale actoren te mobiliseren en te coördineren en om deze actoren rechtstreeks aan te spreken om samen te werken aan de verwezenlijking van EU-prioriteiten via medegefinancierde projecten; dringt in dit verband aan op een optimale coördinatie en samenwerking tussen het DG van de Commissie dat bevoegd is voor het cohesiebeleid en andere DG's, alsook met nationale, regionale en lokale autoriteiten;

4.

betreurt dat tijdens de huidige programmeringsperiode tal van operationele programma's laattijdig zijn goedgekeurd en dat de beheersautoriteiten in een aantal lidstaten laattijdig zijn aangewezen; is verheugd dat in 2016 de eerste tekenen zichtbaar werden van de versnelde tenuitvoerlegging van de operationele programma's; dringt er bij de Commissie op aan om de taskforce voor een betere tenuitvoerlegging in stand te houden, teneinde ondersteuning te bieden bij de tenuitvoerlegging en de oorzaken voor de vertragingen aan te wijzen, en vraagt om met praktische voorstellen en maatregelen te komen om dit soort problemen bij het begin van de volgende programmeringsperiode te voorkomen; spoort alle betrokken partijen ten stelligste aan de tenuitvoerlegging verder te blijven verbeteren en versnellen zonder knelpunten te veroorzaken;

5.

merkt op dat de tekortkomingen van het systeem voor financiële planning en tenuitvoerlegging hebben geleid tot een ophoping van onbetaalde rekeningen en de opstapeling van een ongekende achterstand die uit het vorige meerjarig financieel kader (MFK) is meegenomen naar het huidige; verzoekt de Commissie een gestructureerde oplossing voor te stellen om dergelijke problemen vóór het einde van het huidige MFK op te lossen en te voorkomen dat deze in het volgende MFK terechtkomen; benadrukt dat het niveau van betalingskredieten voldoende hoog moet zijn om tegemoet te komen aan toezeggingen die in het verleden zijn gedaan, in het bijzonder tegen het einde van de periode, wanneer de hoeveelheid betalingsaanvragen van de lidstaten gewoonlijk sterk toeneemt;

6.

is zich ervan bewust dat het partnerschapsbeginsel in een aantal lidstaten heeft geleid tot nauwere samenwerking met regionale en lokale autoriteiten, maar dat er nog steeds ruimte voor verbetering is wat betreft het waarborgen van echte betrokkenheid van alle belanghebbende partijen in een vroeg stadium, met inbegrip van belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld, zodat wordt gezorgd voor een grotere verantwoordingsplicht en zichtbaarheid bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid zonder bijkomende administratieve lasten of vertragingen te creëren; onderstreept dat de benadering inzake meerlagig bestuur inhoudt dat belanghebbende partijen steeds betrokken moeten blijven; is van mening dat het partnerschapsbeginsel en de gedragscode in de toekomst verder uitgewerkt moeten worden, bijvoorbeeld door duidelijke minimumvereisten voor de betrokkenheid van partners in te voeren;

7.

benadrukt dat het cohesiebeleid de gevolgen van de recente economische en financiële crisis in de EU en van de bezuinigingen weliswaar heeft beperkt, maar dat regionale ongelijkheden, verschillen wat concurrentievermogen betreft en sociale ongelijkheden niettemin hoog blijven; dringt aan op een krachtiger optreden om deze ongelijkheden weg te werken en te voorkomen dat er nieuwe ongelijkheden ontstaan in alle soorten regio's, alsook op het behoud en de consolidering van steun voor de regio's, om in elk type regio het gevoel te bevorderen een eigen inbreng te hebben in het beleid en de EU-doelstellingen te behalen in de hele EU; is in dit verband van mening dat er meer aandacht moet gaan naar het weerbaarder maken van regio's tegen plotse schokken;

8.

wijst erop dat alle vormen van territoriale samenwerking, met inbegrip van macroregionale strategieën — waarvan het potentieel nog niet ten volle is aangeboord — een vertaling vormen van het concept politieke samenwerking en coördinatie van regio's en burgers over de interne EU-grenzen heen; onderstreept de waarde van het cohesiebeleid als antwoord op de uitdagingen die eigen zijn aan insulaire, grensoverschrijdende en de meest noordelijke dunbevolkte gebieden, zoals bepaald in artikel 174 VWEU, aan de ultraperifere gebieden als gedefinieerd in de artikelen 349 en 355 VWEU, die een speciale status genieten en waarvoor specifieke instrumenten en middelen moeten worden in stand gehouden na 2020, en aan perifere gebieden;

9.

merkt op dat Europese territoriale samenwerking (ETC) tot de doelstellingen van het cohesiebeleid 2014-2020 behoort die van belang zijn om substantiële toegevoegde waarde te creëren voor EU-doelstellingen, om solidariteit tussen EU-regio's en met buurlanden aan te wakkeren en om de uitwisseling van ervaringen en een overdracht van goede praktijken te bevorderen, bijvoorbeeld via gestandaardiseerde documenten; wijst uitdrukkelijk op de noodzaak om te blijven ijveren voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking in het kader van het streven om de in artikel 174 VWEU bedoelde territoriale samenhang te versterken; is van oordeel dat dit ook na 2020 een belangrijk instrument moet blijven; onderstreept echter dat de huidige begroting voor Europese territoriale samenwerking niet volstaat om de grote uitdagingen waarmee de Interreg-programma's worden geconfronteerd het hoofd te kunnen bieden en geen doeltreffende ondersteuning vormt voor grensoverschrijdende samenwerking; dringt daarom aan op een forse verhoging van de begroting voor Europese territoriale samenwerking in de volgende programmeringsperiode;

10.

onderstreept het belang van het huidige Interreg Europe-samenwerkingsprogramma voor Europese overheden dat de uitwisseling van ervaringen en de overdracht van goede praktijken bevordert; stelt voor dat de financieringsmogelijkheden voor het volgende Interreg Europe-programma na 2020 worden uitgebreid om investeringen mogelijk te maken in concrete proefprojecten en demonstratieprojecten, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de deelname van belanghebbende partijen uit heel Europa;

Structuur van het cohesiebeleid na 2020 — continuïteit en werkpunten

11.

onderstreept dat de waarde van het cohesiebeleid is aangetoond door de huidige indeling van regio's, de doorgevoerde hervormingen — zoals thematische concentratie — en het prestatiekader; vraagt de Commissie met ideeën te komen voor een grotere flexibiliteit in de tenuitvoerlegging van de EU-begroting in haar geheel; beschouwt de instelling van een reserve in dit verband als een interessante optie om in te spelen op ingrijpende onvoorziene gebeurtenissen tijdens de programmeringsperiode en om de herprogrammering van operationele programma's mogelijk te maken, zodat ESIF-investeringen kunnen worden aangepast aan de evoluerende behoeften van iedere regio, alsook om in te spelen op de gevolgen van mondialisering op regionaal en lokaal niveau, zonder daarbij echter een nadelige uitwerking te hebben op investeringen in het kader van het cohesiebeleid of van invloed te zijn op de strategische oriëntatie, de langetermijndoelstellingen, de planningszekerheid en de stabiliteit van meerjarenprogramma's voor regionale en lokale overheden;

12.

is zich bewust van de waarde van ex-antevoorwaarden, met name de voorwaarde inzake onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3), die een ondersteuning blijven voor de strategische programmering van de ESI-fondsen en die voor een sterkere prestatiegerichtheid hebben gezorgd; merkt op dat ex-antevoorwaarden ervoor zorgen dat de ESIF een doeltreffende ondersteuning kan vormen voor de doelstellingen voor Europa na 2020 zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen van het cohesiebeleid als uiteengezet in het Verdrag;

13.

verzet zich tegen macro-economische voorwaarden en wijst erop dat het verband tussen het cohesiebeleid en economische beleidsprocessen in het Europees semester evenwichtig moet zijn, in twee richtingen moet gelden en een niet-punitief karakter moet hebben ten aanzien van alle belanghebbenden; pleit voor verdere erkenning van de territoriale dimensie, omdat dat het Europees semester ten goede kan komen, namelijk economisch beleid en de doelstellingen van het cohesiebeleid inzake economische, sociale en territoriale samenhang, alsook inzake duurzame groei, werkgelegenheid en milieubescherming op evenwichtige wijze aan de orde komen;

14.

is van mening dat de Commissie, gelet op het feit dat financiering uit hoofde van het cohesiebeleid bedoeld is om in de hele EU investeringen, groei en werkgelegenheid te stimuleren, in haar zevende cohesieverslag en in nauwe samenwerking met de regeringen van de lidstaten, moet onderzoeken hoe de gevolgen van deze investeringen voor de begrotingstekorten van deze regeringen kunnen worden opgevangen;

15.

wijst erop dat het voor tijdige en succesvolle prestaties van het cohesiebeleid en met het oog op convergentie naar hogere normen van cruciaal belang is in de lidstaten en regio's te zorgen voor een versterking van de bestuurlijke en institutionele capaciteit — en dus voor een versterking van nationale en regionale instanties ter ondersteuning van investeringen — op het gebied van programmering, tenuitvoerlegging en evaluatie van operationele programma's, alsook wat de kwaliteit van beroepsopleiding betreft; beklemtoont in dit verband het belang van het initiatief „Taiex regio peer 2 peer” dat bedoeld is om de bestuurlijke en institutionele capaciteit te verbeteren en ervoor zorgt dat EU-investeringen betere resultaten opleveren;

16.

beklemtoont dat het algemene beheersysteem van het cohesiebeleid moet worden vereenvoudigd op alle bestuursniveaus door programmering, beheer en evaluatie van de operationele programma's te vergemakkelijken, teneinde het toegankelijker, flexibeler en doeltreffender te maken; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is de strijd aan te gaan met overregulering in de lidstaten; vraagt de Commissie om de mogelijkheden uit te breiden voor e-cohesie en specifieke soorten uitgaven, zoals standaardschalen van eenheidskosten en forfaitaire bedragen in het kader van de GB-verordening, en om voor aanvragers en begunstigden een digitaal platform of één enkel informatieloket op te richten; schaart zich achter de conclusies en aanbevelingen die tot nu toe zijn aangenomen door de „groep op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van ESI-fondsen” en spoort de lidstaten ertoe aan deze aanbevelingen ten uitvoer te leggen;

17.

vraagt de Commissie na te denken over oplossingen die berusten op proportionaliteit en differentiatie bij de tenuitvoerlegging van programma's, gebaseerd op risico, objectieve criteria en positieve stimuli voor programma's, hun omvang en bestuurlijke capaciteit, met name wat betreft de meerdere lagen voor audits — die moeten worden toegespitst op de bestrijding van onregelmatigheden, meer bepaald fraude en corruptie — en het aantal controles, om een grotere harmonisatie tot stand te brengen tussen het cohesiebeleid, het mededingingsbeleid en ander Uniebeleid, met name de regels inzake overheidssteun, die van toepassing zijn op de ESI-fondsen maar niet op het EFSI of op Horizon 2020, alsook wat betreft de mogelijkheid om voor alle ESI-fondsen één enkele set regels te hanteren om financiering efficiënter te maken en tegelijkertijd rekening te houden met de specifieke kenmerken van elk fonds;

18.

verzoekt de Commissie, met het oog op daadwerkelijke vereenvoudiging en in overleg met de beheersautoriteiten van nationale en regionale programma's, om een haalbaar plan op te stellen voor de uitbreiding van de regeling inzake vereenvoudigde kosten tot het EFRO, daarbij rekening houdend met de bepalingen van het voorstel voor een verordening tot wijziging van de financiële regels die van toepassing zijn op de begroting, de zogeheten „omnibusverordening”;

19.

is van mening dat subsidies de basis moeten blijven vormen van de financiering in het kader van het cohesiebeleid; wijst echter op het toenemende belang van financieringsinstrumenten; wijst erop dat leningen, effecten of garanties een aanvullende rol kunnen vervullen, maar dat zij voorzichtig moeten worden gebruikt op basis van een geschikte ex-antebeoordeling, en dat subsidies alleen mogen worden aangevuld indien deze financieringsinstrumenten een toegevoegde waarde blijken te hebben en een hefboomeffect kunnen teweegbrengen door bijkomende financiële steun aan te trekken, met inachtneming van regionale verschillen en de diversiteit van praktijken en ervaringen;

20.

benadrukt dat het belangrijk is dat de Commissie, de EIB en de lidstaten lokale en regionale instanties begeleiding bieden met betrekking tot de innovatieve financieringsinstrumenten via platformen als fi-compass of door te voorzien in stimuli voor begunstigden; wijst erop dat deze instrumenten niet voor alle vormen van interventies in het kader van het cohesiebeleid in aanmerking komen; is van mening dat alle regio's op vrijwillige basis de mogelijkheid moeten krijgen om naargelang van hun behoeften te beslissen over de toepassing van financieringsinstrumenten; verzet zich echter tegen bindende kwantitatieve streefcijfers voor het gebruik van financieringsinstrumenten en onderstreept dat het toenemende gebruik van financieringsinstrumenten niet mag leiden tot een daling van de algemene EU-begroting;

21.

verzoekt de Commissie te zorgen voor betere synergieën en communicatie met betrekking tot de ESI-fondsen en andere fondsen en programma's van de Unie, waaronder het EFSI, en vraagt om de toepassing van meerfondsenverrichtingen te vergemakkelijken; beklemtoont dat het EFSI de strategische samenhang, de territoriale concentratie en het langetermijnperspectief van de programmering van het cohesiebeleid niet op de helling mag zetten en de subsidies niet mag vervangen of verdringen, en dat het EFSI evenmin tot doel mag hebben de begroting van de ESIF te vervangen of te beperken; benadrukt de daadwerkelijke additionaliteit van de middelen van het fonds; dringt aan op een duidelijke afbakening tussen het EFSI en het cohesiebeleid, samen met mogelijkheden om beide te combineren en hun gebruik te vergemakkelijken zonder dat ze gemengd worden, zodat de financieringsstructuur aan aantrekkingskracht kan winnen en de schaarse EU-middelen goed worden besteed; is van mening dat regels voor meerfondsenverrichtingen moeten worden geharmoniseerd en dat er een duidelijke communicatiestrategie moet komen over bestaande financieringsmogelijkheden; verzoekt de Commissie in dit verband een set instrumenten voor begunstigden uit te werken;

22.

verzoekt de Commissie na te denken over de ontwikkeling van een bijkomende reeks indicatoren ter aanvulling van de bbp-indicator, die de belangrijkste wettige en betrouwbare methode blijft voor een eerlijke toewijzing van ESI-fondsen; is van mening dat de index voor sociale vooruitgang of een demografische indicator in dit verband moet worden beoordeeld en in overweging moet worden genomen, zodat een volledig beeld kan worden gevormd van regionale ontwikkeling; is van mening dat dergelijke indicatoren een beter antwoord kunnen bieden op de nieuwe vormen van ongelijkheid die ontstaan tussen EU-regio's; benadrukt bovendien dat resultaatindicatoren geschikt zijn om de resultaat- en prestatiegerichtheid van het beleid te versterken;

23.

verzoekt de Commissie na te denken over maatregelen om het probleem van nationale financiering van cohesiebeleidsprojecten op te lossen in het geval van lokale en regionale overheden in sterk gecentraliseerde lidstaten die onvoldoende begrotings- en financieringscapaciteit hebben en die grote moeilijkheden ondervinden bij het medefinancieren van projecten, en vaak zelfs bij het opstellen van projectdocumentatie, wegens een gebrek aan beschikbare financiële middelen, hetgeen leidt tot een lagere benutting van het cohesiebeleid;

24.

spoort de Commissie aan voor bepaalde geselecteerde prioriteiten de mogelijkheid te overwegen het NUTS 3-niveau te gebruiken voor de indeling van regio's in het cohesiebeleid;

Centrale beleidsdomeinen voor een moderner cohesiebeleid na 2020

25.

benadrukt het belang van het ESF, de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, met name in de strijd tegen langdurige werkloosheid en jeugdwerkloosheid in de Unie, die zich op een historisch hoog niveau bevinden, vooral in minder ontwikkelde regio's, in de ultraperifere gebieden en in regio's die het hardst zijn getroffen door de crisis; beklemtoont de centrale rol die wordt vervuld door kmo's bij het creëren van banen — goed voor 80 % van de werkgelegenheid in de Unie — en bij het bevorderen van innovatieve sectoren zoals de digitale economie en de koolstofarme economie;

26.

is van mening dat het cohesiebeleid na 2020 zorg moet blijven dragen voor kwetsbare en gemarginaliseerde personen, moet inspelen op toenemende ongelijkheid en moet werken aan solidariteit; stelt vast dat er bij investeringen in onderwijs, opleiding en cultuur sprake is van een positief effect in termen van toegevoegde waarde op maatschappelijk vlak en wat werkgelegenheid betreft; wijst er bovendien op dat sociale inclusie moet worden behouden, met inbegrip van ESF-uitgaven, aangevuld door EFRO-investeringen op dat gebied;

27.

stelt voor ESI-fondsen beter te benutten om in te spelen op demografische verandering en iets te doen aan de regionale en lokale gevolgen ervan; is van oordeel dat ESI-fondsen in regio's die met problemen als ontvolking kampen ten volle moeten worden afgestemd op het scheppen van werkgelegenheid en groei;

28.

wijst op het toenemende belang van de Territoriale Agenda en van succesvolle partnerschappen tussen stedelijke en landelijke gebieden, alsook op de voorbeeldfunctie van slimme steden als microkosmos en katalysator voor innovatieve oplossingen voor regionale en lokale problemen;

29.

is verheugd over het Pact van Amsterdam en de grotere erkenning die wordt gegeven aan de functie van steden en stedelijke gebieden in de Europese beleidsvorming, en vraagt een doeltreffende tenuitvoerlegging van de coöperatieve werkmethode via de partnerschappen die in het pact vervat zitten; rekent erop dat de resultaten worden opgenomen in toekomstige EU-beleidsmaatregelen na 2020;

30.

wijst uitdrukkelijk op de sterkere stedelijke dimensie van het cohesiebeleid in de vorm van specifieke voorzieningen voor duurzame stedelijke ontwikkeling en stedelijke innovatieve maatregelen; en is van mening dat dit na 2020 verder moet worden ontwikkeld en gepaard moet gaan met bijkomende financiering en dat er meer bevoegdheden moeten worden gedelegeerd naar lagere niveaus; spoort de Commissie aan om voor een betere coördinatie tussen diverse maatregelen te zorgen, zodat de rechtstreekse steun aan lokale overheden in het kader van het cohesiebeleid wordt versterkt door te voorzien in financiering en door instrumenten voor territoriale ontwikkeling op maat aan te bieden; benadrukt de toekomstige rol van instrumenten voor territoriale ontwikkeling, zoals vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling en geïntegreerde territoriale investeringen;

31.

schaart zich achter de toezeggingen van de EU in het kader van de klimaatovereenkomst van Parijs; wijst in dit verband op de doelstelling die door alle EU-instellingen wordt onderschreven om ten minste 20 % van de EU-begroting te besteden aan maatregelen in verband met klimaatverandering en onderstreept dat de ESI-fondsen hierin een sleutelrol spelen en zo doeltreffend mogelijk verder moeten worden gebruikt voor de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering, alsook voor groene economieën en hernieuwbare energie; meent dat het toezicht- en volgsysteem voor klimaatuitgaven moet worden verbeterd; wijst op het potentieel van Europese territoriale samenwerking in dit opzicht en op de functie van steden en regio's in het kader van de stedenagenda;

32.

merkt op dat RIS3 een versterking vormt voor de regionale ecosystemen voor innovatie; beklemtoont dat onderzoek, innovatie en technologische ontwikkeling op het voorplan moeten blijven staan zodat de EU op mondiaal niveau kan concurreren; is van mening dat het model van slimme specialisatie een van de hoofdbenaderingen moet worden in het cohesiebeleid na 2020 via het stimuleren van samenwerking tussen verschillende regio's, stedelijke en landelijke gebieden en via de ondersteuning van de economische ontwikkeling in de EU, door synergieën tot stand te brengen tussen transnationale RIS3-strategieën en clusters van wereldklasse; herinnert aan het bestaande proefproject „de trap naar topkwaliteit” (Stairway to Excellence — S2E), dat regio's ondersteuning blijft bieden bij het ontwikkelen en benutten van synergieën tussen de ESI-fondsen, Horizon 2020 en andere EU-financieringsprogramma's; is dan ook van mening dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om tot het uiterste gebruik te maken van synergieën, zodat slimme specialisatie en innovatie na 2020 verder worden versterkt;

33.

onderstreept dat de verhoogde zichtbaarheid van het cohesiebeleid van cruciaal belang is om euroscepticisme tegen te gaan en kan helpen om het vertrouwen van burgers terug te winnen; wijst erop dat de zichtbaarheid van de ESI-fondsen enkel kan worden verbeterd als er meer aandacht wordt besteed aan de inhoud en de resultaten van de bijbehorende programma's, via een top-down- en bottom-upbenadering met mogelijkheid tot participatie van belanghebbende partijen en begunstigden die kunnen fungeren als een doeltreffend kanaal voor de verspreiding van de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid; dringt er bovendien bij de Commissie, de lidstaten, regio's en steden op aan efficiënter te communiceren over de meetbare resultaten van het cohesiebeleid die een meerwaarde vormen in het dagelijks leven van de EU-burger; dringt erop aan dat communicatieactiviteiten in het kader van een specifieke begroting binnen technische ondersteuning in voorkomend geval moeten worden voortgezet nadat een project is afgesloten, tot op het moment dat de resultaten duidelijk zichtbaar worden;

Vooruitzichten

34.

dringt erop aan dat de bevordering van economische, sociale en territoriale samenhang en solidariteit in de hele EU en het afstemmen van EU-fondsen op groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen bovenaan de EU-agenda worden geplaatst; doet tevens een oproep om de strijd tegen regionale verschillen, de terugdringing van armoede en sociale uitsluiting, alsook de strijd tegen discriminatie voort te zetten; is van mening dat het cohesiebeleid, als aanvulling op de doelstellingen die in de Verdragen zijn verankerd, verder moet blijven dienen als instrument om politieke doelstellingen van de EU te behalen, hetgeen ook helpt om het bewustzijn van de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid aan te wakkeren en het belangrijkste investeringsbeleid van de Unie te blijven dat beschikbaar is voor alle regio's;

35.

wijst er nogmaals op dat het hoog tijd is voorbereidingen te treffen voor het EU-cohesiebeleid na 2020, zodat het vanaf de eerste dag van de nieuwe programmeringsperiode op doeltreffende wijze kan worden ingezet; dringt er daarom op aan dat de Commissie tijdig start met de voorbereiding van het nieuwe wetgevingskader, meer bepaald kort nadat het voorstel van de Commissie voor het volgende MFK wordt voorgesteld en vertaald in de officiële talen; dringt er bovendien op aan dat alle wetgevingsvoorstellen voor een toekomstig cohesiebeleid tijdig worden aangenomen en dat er wordt gezorgd voor begeleiding inzake beheer en controle alvorens de nieuwe programmeringsperiode van start gaat, zonder terugwerkende kracht; onderstreept dat de vertraagde tenuitvoerlegging van operationele programma's gevolgen heeft voor de doeltreffendheid van het cohesiebeleid;

36.

merkt op dat de kern van het huidige wetgevingskader van het cohesiebeleid moet worden behouden na 2020, met een beleid dat verfijnd, versterkt, vlot toegankelijk en resultaatgericht is en waarbij de toegevoegde waarde van het beleid beter wordt gecommuniceerd aan de burgers;

37.

benadrukt in het licht van het Commissievoorstel 2016/0282(COD) dat er voor het opvangen van migranten en vluchtelingen die internationale bescherming genieten en voor hun sociale en economische integratie een samenhangende transnationale benadering vereist is, hetgeen ook moet worden aangepakt via het huidige en toekomstige EU-cohesiebeleid;

38.

wijst op het belang van stabiele regels; verzoekt de Commissie om bij de vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor het cohesiebeleid in het kader van het volgende MFK wijzigingen tot een minimum te beperken; is ervan overtuigd dat het aandeel van de EU-begroting dat wordt gereserveerd voor het cohesiebeleid na 2020 voldoende groot moet blijven of zelfs moet stijgen, gezien de complexe interne en externe problemen die in het beleid overeenkomstig de doelstellingen ervan aan bod zullen moeten komen; is van mening dat er geen sprake van kan zijn dat het beleid door omstandigheden, met inbegrip van de brexit, wordt afgezwakt, en dat er niet mag worden beknibbeld op het aandeel van dit beleid in de totale EU-begroting door overheveling van middelen om nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden; onderstreept bovendien dat het cohesiebeleid over meerdere jaren loopt en dringt erop aan dat de zevenjarige programmeringsperiode wordt behouden of dat er een programmeringsperiode van vijf + vijf jaar met een verplichte tussentijdse herziening wordt ingevoerd;

39.

dringt aan op een snelle toewijzing van de prestatiereserve; merkt op dat er te veel tijd verstrijkt tussen de prestatie en het vrijgeven van de reserve en dat dit de doeltreffendheid van de reserve aantast; dringt er daarom bij de Commissie op aan de lidstaten toe te staan het gebruik van de prestatiereserve operationeel te maken zodra de evaluatie is afgerond;

40.

wijst er in dit verband op dat de digitale agenda, met inbegrip van het beschikbaar stellen van de nodige infrastructuur en geavanceerde technologische oplossingen, een prioriteit moet vormen in het kader van het cohesiebeleid, met name in de volgende financieringsperiode; merkt op dat ontwikkelingen in de telecommunicatiesector in elk geval gepaard moeten gaan met geschikte opleiding, hetgeen tevens via het cohesiebeleid moet worden ondersteund;

o

o o

41.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de lidstaten en hun parlementen en het Comité van de Regio's.

(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.

(3)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.

(4)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.

(5)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.

(6)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.

(7)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(8)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(9)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.

(10)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0321.

(11)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0217.

(12)  PB C 305 E van 11.11.2010, blz. 14.

(13)  PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 1.

(14)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0383.

(15)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0336.

(16)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0311.

(17)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0211.

(18)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.

(19)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0308.

(20)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0307.

(21)  PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 1.

(22)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0133.

(23)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0384.

(24)  ECLI:EU:C:2015:813.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/50


P8_TA(2017)0255

Toestand van de visbestanden en sociaal-economische situatie van de visserijsector in de Middellandse Zee

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de toestand van de visbestanden en de sociaal-economische situatie van de visserijsector in de Middellandse Zee (2016/2079(INI))

(2018/C 331/07)

Het Europees Parlement,

gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (1) (GVB-verordening),

gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (2),

gezien Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (3),

gezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (4),

gezien de middellangetermijnstrategie van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) voor de periode 2017-2020, gericht op de duurzaamheid van de visserij in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee,

gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot uitvoering van de door het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (Cogeca), de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) en de Vereniging van de nationale organisaties van visserijondernemingen in de EU (Europêche) gesloten overeenkomst van 21 mei 2012, zoals gewijzigd op 8 mei 2013, betreffende de uitvoering van het Verdrag inzake arbeid in de visserij van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2007 (5),

gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen resolutie „Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development”,

gezien de regionale conferentie over „Building a future for sustainable small-scale fisheries in the Mediterranean and the Black Sea” (Algiers, Algerije 7-9 maart 2016),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0179/2017),

A.

overwegende dat de Middellandse Zee, met 17 000 mariene soorten, een van de gebieden met de grootste biodiversiteit ter wereld is; overwegende dat daarom een meersoortige aanpak nodig is bij de besluitvorming over het beheer ervan;

B.

overwegende dat de Commissie in haar mededeling „Raadpleging over de vangstmogelijkheden voor 2017 in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid” (COM(2016)0396) van oordeel is dat de Middellandse Zee nog steeds zwaar overbevist wordt, en aandringt op maatregelen om deze toestand te verbeteren; overwegende dat de Commissie in dit document haar bezorgdheid uit over het feit dat een groot aantal van de beoordeelde soorten fors boven de geraamde MSY-streefwaarde (maximale duurzame opbrengst) worden bevist;

C.

overwegende dat het Middellandse Zeegebied voor de grote uitdaging staat om uiterlijk in 2020 voor alle bestanden het doel te verwezenlijken van een geleidelijk herstel en behoud van populaties van visbestanden boven een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren; overwegende dat deze uitdaging vereist dat ook niet-EU-landen deelnemen en zich engageren; overwegende dat het totale niveau van overbevissing in het bekken over het algemeen 2 à 3 keer zo hoog ligt als de FMSY; overwegende dat, hoewel er zowel binnen als buiten de Europese Unie aanzienlijke inspanningen geleverd zijn om ervoor te zorgen dat de wetgeving ten uitvoer wordt gelegd en in acht wordt genomen door de visserijsector, meer dan 93 % van de beoordeelde soorten in de Middellandse Zee nog steeds overbevist wordt;

D.

overwegende dat visserij in deze regio een groot sociaal-economisch belang heeft voor de bevolking in de kustgebieden; overwegende dat in de sector, met inbegrip van de secundaire verwerkingsindustrie, honderdduizenden mensen actief zijn en dat met name een aanzienlijk aantal vrouwen van de visserij afhankelijk is voor werkgelegenheid; overwegende dat de Middellandse Zee een belangrijke bijdrage levert aan het waarborgen van voedselzekerheid, met name voor de kwetsbaarste bevolkingsgroepen in de regio; overwegende dat de visserij voor aanvullende inkomsten en voedselvoorraden zorgt en de regionale stabiliteit ten goede komt;

E.

overwegende dat de Middellandse Zee te maken heeft met de aanwezigheid van verschillende factoren — zoals verontreiniging als gevolg van de scheepvaart — die, samen met de visserij, de gezondheid van de visbestanden beïnvloeden;

F.

overwegende dat kleinschalige visserij 80 % van de vloot en 60 % van de banen in het Middellandse Zeegebied vertegenwoordigt; overwegende dat het te betreuren valt dat er geen gemeenschappelijke definitie van „kleinschalige visserij” op Europees niveau bestaat, al is dit een lastige klus gezien de uiteenlopende specifieke kenmerken van het mariene ecosysteem en de visserijsector; overwegende dat „kleinschalige kustvisserij” uitsluitend formeel omschreven wordt voor de toepassing van het Europees Visserijfonds (Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad) als „visserij door vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die geen gebruikmaken van gesleept vistuig” (zoals trawlers); overwegende dat bij de omschrijving van kleinschalige visserij de uiteenlopende nationale en regionale kenmerken in acht moeten worden genomen;

G.

overwegende dat tijdens de in februari 2016 in Catania gehouden vergadering op hoog niveau over de status van de mediterrane soorten overeenstemming werd bereikt over het feit dat deze negatieve ontwikkelingen dringend moeten worden gekeerd, en werd erkend dat de Unie voor de grote uitdaging staat om uiterlijk 2020 voor alle bestanden het herstel en behoud te verzekeren van populaties van visbestanden boven een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, en te voldoen aan de in het kader van het GVB aangegane verplichting om de MSY-doelstelling te bereiken;

H.

overwegende dat de Middellandse Zee niet alleen te maken heeft met overbevissing, maar ook met tal van andere uitdagingen, waarvan de meeste kunnen worden toegeschreven aan de dichtbevolkte kust (overschot aan voedingsstoffen, verontreinigende stoffen, veranderingen in habitats en kusten), maar ook aan het zeevervoer en de buitensporige exploitatie van hulpbronnen, zoals olie- en gaswinning; overwegende dat het Middellandse Zeegebied bovendien erg gevoelig is voor klimaatverandering, wat, naast het intensieve scheepvaartverkeer, de introductie en vestiging van nieuwe invasieve soorten in de hand werkt;

I.

overwegende dat de onmogelijkheid om gebruik te maken van specifieke technieken en tuig, die aanvaardbaarder zijn en minder gevolgen hebben voor de status van bedreigde bestanden, een ernstig effect heeft op de levensvatbaarheid van toch al gemarginaliseerde kust- en eilandgemeenschappen, ontwikkeling belemmert en ontvolking in de hand werkt;

J.

overwegende dat kustgemeenschappen in de lidstaten rond de Middellandse Zee sterk afhankelijk zijn van visserij en kleinschalige visserij in het bijzonder, en dus worden bedreigd door de gebrekkige duurzaamheid van visbestanden;

K.

overwegende dat tal van kustgemeenschappen in de EU sterk afhankelijk zijn van traditionele, ambachtelijke en kleinschalige visserijactiviteiten in het Middellandse Zeebekken;

L.

overwegende dat recreatieve visserij in veel regio's rondom de Middellandse Zee van sociaal-economische waarde is, alsook directe en indirecte effecten heeft op de werkgelegenheid;

M.

overwegende dat rekening moet worden gehouden met de rol van de recreatieve visserij met betrekking tot de toestand van de visbestanden in de Middellandse Zee;

1.

benadrukt dat het belangrijk is de doelstellingen van en acties met betrekking tot het GVB op korte termijn volledig te realiseren, en wijst op het belang van een tijdige opstelling en doeltreffende tenuitvoerlegging van de meerjarige beheersplannen, aan de hand van een op regionalisering en soortenrijkdom gebaseerde aanpak; onderstreept met name dat het nodig is een goede milieutoestand te bereiken, zoals vastgesteld in de Kaderrichtlijn mariene strategie van de EU (Richtlijn 2008/56/EG), ermee rekening houdend dat maatregelen inzake visserijbeheer in het kader van het GVB moeten worden genomen;

2.

is van mening dat er voor de Middellandse Zee een andere regeling moet blijven gelden dan voor de andere zeebekkens waarop het GVB van toepassing is, aangezien een groot deel van de Middellandse Zee tot de internationale wateren behoort en derde landen dus een doorslaggevende rol spelen in de toestand van de visbestanden;

3.

acht een collectieve reactie, gebaseerd op samenwerking en op verschillende niveaus, namelijk op internationaal, Europees, nationaal en regionaal niveau, dringend noodzakelijk; is van mening dat alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van beroeps- en sportvissers, de visserijsector, traditionele en ambachtelijke kleinschalige vissers, wetenschappers, regionale organisaties, beheerders van beschermde mariene zones, vakbonden en ngo's, betrokken moeten worden bij een inclusief bottom-upproces; benadrukt de strategische rol van de adviesraad voor de Middellandse Zee in deze context;

4.

benadrukt dat, indien de kustgemeenschappen, die moeten worden ingelicht over de gevaren van uitgeputte bestanden en soorten voor hun sociaal-economische toekomst, zich niet bewust worden van het probleem, geen volledige steun geven en niet worden betrokken, de beheersmaatregelen en -voorschriften niet volledig tot hun recht zullen komen;

5.

wijst erop dat er geen gemeenschappelijke, gedetailleerde definities zijn van kleinschalige en ambachtelijke visserij; benadrukt dat met het oog op verdere beleidsmaatregelen zo spoedig mogelijk dergelijke definities op EU-niveau moeten worden vastgesteld;

6.

benadrukt dat het visserijbeleid zo moet worden uitgestippeld dat de vissers en hun verenigingen, producentenorganisaties, vakbonden, kustactiegroepen en plaatselijke gemeenschappen in overeenstemming met het regionaliseringsbeginsel van het GVB worden betrokken bij en deel kunnen nemen aan de besluitvorming, en dat op dit gebied dient te worden samengewerkt met derde landen aan de oost- en zuidkust van de Middellandse Zee; beklemtoont dat er eerlijke, evenwichtige en gelijke voorwaarden voor alle betrokken landen en visserij-ondernemingen rond de Middellandse Zee moeten worden geschapen om gezonde visbestanden en de duurzaamheid en rentabiliteit van de visserij te waarborgen en er zodoende voor te zorgen dat het huidige werkgelegenheidsniveau in de visserij in stand wordt gehouden en idealiter zelfs wordt verhoogd; wijst met nadruk op de belangrijke rol van sterke en onafhankelijke sociale partners in de visserijsector, van een geïnstitutionaliseerde sociale dialoog en van medezeggenschap van de werknemers in bedrijfsaangelegenheden;

7.

wijst erop dat in het GVB stimulansen, met inbegrip van vismogelijkheden, zijn opgenomen voor selectief vissen met een beperkte impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden; benadrukt in dit verband dat de lidstaten transparante en objectieve criteria van onder meer ecologische, sociale en economische aard moeten hanteren (artikel 17 van de GVB-verordening); dringt erop aan dat er inspanningen worden geleverd om ervoor te zorgen dat kleinschalige (ambachtelijke en traditionele) vloten meer stimulansen en preferentiële toegang tot de visgronden in kustwateren krijgen als zij selectief vissen op een wijze die een beperkte impact heeft; benadrukt dat het belangrijk is om de betrokken kustgemeenschappen te raadplegen;

8.

constateert dat het effect van de recreatieve visserij op de visbestanden in de Middellandse Zee en het sociaal-economische potentieel ervan onvoldoende zijn onderzocht; meent dat in de toekomst gegevens moeten worden verzameld over het aantal sportvissers, de door hen gevangen hoeveelheden vis en de door hen gecreëerde waarde in de kustgemeenschappen;

9.

merkt op dat de plaatselijke gemeenschappen heel wat economische inkomsten halen uit de recreatieve visserij, via bijvoorbeeld toerisme, en dat de recreatieve visserij een geringe impact op het milieu heeft en dus moet worden aangemoedigd;

10.

vindt het uiterst belangrijk om kustvisserij, kleinschalige kustvisserij en traditionele visserij te omschrijven in overeenstemming met de sociaal-economische kenmerken en door middel van een regionale benadering;

11.

benadrukt dat voor kustvisserij gebruik wordt gemaakt van traditionele technieken en vistuig die, wegens hun specifieke kenmerken, de identiteit en de levenswijze van de kustgemeenschappen bepalen, en dat het bijgevolg cruciaal is het gebruik ervan in stand te houden en ze te beschermen als een element van cultureel, historisch en traditioneel erfgoed;

12.

is van mening dat, in het kader van regionalisering, en met inachtneming van de specifieke kenmerken van elk soort visserij, in bepaalde gerechtvaardigde gevallen van het gebruik van specifieke vistuigen en -technieken moet kunnen worden afgeweken;

13.

benadrukt dat volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) de voorzorgsbenadering moet worden toegepast met betrekking tot de instandhouding, het beheer en de exploitatie van de levende mariene rijkdommen, waarbij rekening wordt gehouden met sociaal-economische overwegingen, zodat een duurzame visserij tot stand komt die het mariene milieu in zijn geheel beschermt en in stand houdt; benadrukt dat het gebrek aan wetenschappelijke gegevens geen reden mag zijn om instandhoudings- en beheersmaatregelen niet ten uitvoer te leggen; acht het cruciaal dat snel iets wordt gedaan aan het gebrek aan gegevens en tastbare wetenschappelijke informatie over de toestand van visbestanden; onderstreept dat alle belanghebbenden geraadpleegd en bij dit proces betrokken moeten worden;

14.

is van mening dat het beleid inzake het visserijbeheer, teneinde de visserij en de milieurijkdommen in de Middellandse Zee te beschermen en in stand te houden, doeltreffend moet zijn en gecombineerd moet worden met krachtige, brede en urgente beleidsinitiatieven en maatregelen ter bestrijding van factoren die een negatief effect hebben op deze rijkdommen, zoals: klimaatverandering (opwarming van de aarde, verzuring, veranderingen in neerslag), verontreinigingen (zowel chemisch als organisch en op macro- en microscopisch niveau), ongebreidelde exploratie en productie van gas en olie, zeevervoer, invasieve soorten en de vernietiging of wijziging van natuurlijke habitats, in het bijzonder in kustgebieden; onderstreept daarom dat het belangrijk is het effect van deze factoren op visbestanden beter te begrijpen; dringt erop aan dat de bestaande Europese instrumenten om de Middellandse Zee te observeren en gade te slaan, zoals EMODnet, en het Copernicus-programma en zijn mariene onderdeel, in dit verband worden versterkt;

15.

is van mening dat de visbestanden en de mariene rijkdommen in het mediterrane bekken niet uitsluitend met maatregelen betreffende de visserijsector mogen worden beschermd en gewaarborgd, maar dat ook andere activiteitensectoren met een effect op het mariene milieu moeten worden betrokken;

16.

is van mening dat meer inspanningen moeten worden geleverd om de kennis over het mariene milieu te vergroten, met name over de commercieel geëxploiteerde bestanden, en dat, op basis van deze kennis, een planning voor de duurzame exploitatie ervan moet worden opgesteld;

17.

benadrukt dat er in het Middellandse Zeebekken nog steeds veel illegale, onaangemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) plaatsvindt, ook in EU-lidstaten; is van mening dat maatregelen ter bescherming van de rijkdommen, maar in het bijzonder ook van de kleinschalige visserij, slechts doel kunnen treffen als IOO-visserij resoluut en vastberaden wordt bestreden; is van mening dat de EU zich in de strijd tegen IOO-visserij ook moet verzekeren van de steun van derde landen rond de Middellandse Zee; meent voorts dat de controles in het hele Middellandse Zeegebied derhalve moeten worden geharmoniseerd, gezien de erg uiteenlopende toepassing van controles en sancties;

18.

herhaalt dat kustgemeenschappen een grote invloed hebben op de doeltreffendheid van maatregelen die IOO-visserij moeten voorkomen, opsporen en vaststellen;

19.

is van mening dat de controle, zowel te land — over de gehele distributieketen (markten en restaurants) — als ter zee, snel versterkt moet worden, met name in gebieden waar bepaalde visserijactiviteiten tijdelijk stilgelegd of verboden zijn;

20.

is van mening dat er, om sociale ongelijkheid te voorkomen, bij de toewijzing van vangstmogelijkheden gebruik dient te worden gemaakt van transparante en objectieve criteria, waaronder criteria van ecologische, sociale en economische aard, waarbij methoden met een lage impact naar behoren in acht worden genomen; meent dat vangstmogelijkheden ook eerlijk moeten worden verdeeld over de verschillende takken van de visserij, met inbegrip van de traditionele en ambachtelijke visserij; is voorts van mening dat het gebruik van selectiever vistuig en vistechnieken met een kleiner effect op het mariene milieu moet worden aangemoedigd, in overeenstemming met artikel 17 van de GVB-verordening;

21.

is van mening dat het uitsterven van visbestanden in de Middellandse Zee moet worden tegengegaan door middel van visserijbeheers- en instandhoudingsmaatregelen voor de commerciële en de recreatievisserij, waaronder vooral beperkingen in ruimte en tijd en maximale dag- en weekvangsten, alsook, waar passend, quota; is van mening dat dit voor gedeelde bestanden een gelijk speelveld met derde landen zou waarborgen; is van mening dat deze maatregelen in nauwe samenwerking met de betrokken sector moeten worden ontwikkeld, zodat een doeltreffende tenuitvoerlegging verzekerd is;

22.

is ingenomen met het toegenomen aantal inspecties door het Europees Bureau voor visserijcontrole en benadrukt dat meer inspanningen moeten worden geleverd om de twee belangrijkste problemen van 2016 op het gebied van naleving aan te pakken, namelijk: de valse aangifte van documenten (logboeken, aanlandingsaangiften, verklaringen van overbrenging, verkoopdocumenten enz.) en het gebruik van verboden of niet-conform vistuig;

23.

benadrukt dat de verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de aanlandingsverplichting als vastgesteld in het herziene GVB in geen enkel geval mogen worden doorgeschoven naar de vissers;

24.

verzoekt de gevolgen te onderzoeken van de stopzetting van de teruggooi van vissen op de voedselbevoorrading van mariene organismen en andere soorten, zoals zeemeeuwen;

25.

merkt op dat het netwerk van beschermde gebieden in het Middellandse Zeegebied ontoereikend is en dat er sprake is van ongelijke verhoudingen tussen de verschillende zeebekkens; stipt aan dat er een algemeen tekort aan economische middelen is; acht het van cruciaal belang de rol die de beschermde mariene gebieden reeds vervullen als geavanceerde laboratoria voor wetenschappelijk onderzoek, voor de uitvoering van concrete acties, en voor de samenwerking en het participatief beheer met de vissers, te erkennen en te versterken, en het gebruik ervan te optimaliseren, in het licht van wetenschappelijk advies en instandhoudingsdoelstellingen; acht het in dit verband belangrijk op duurzame wijze meer economische middelen voor het systeem beschikbaar te stellen; acht het van cruciaal belang nauwer met de GFCM en derde landen samen te werken om de gebieden aan te wijzen die aan beschermende maatregelen onderworpen moeten worden, en een doeltreffend toezicht- en controlesysteem in te voeren om de doeltreffendheid van deze gebieden na te gaan;

26.

benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat tegen 2020 minstens 10 % van de Middellandse Zee uit beschermde mariene gebieden bestaat, in overeenstemming met duurzameontwikkelingsdoelstelling 14.5 van de VN; verzoekt de GFCM om tijdens de jaarzitting van 2018 een progressieve kalender overeen te komen met gekwalificeerde doelstellingen om dit doel te behalen; benadrukt dat de bestaande beschermde mariene gebieden vaak niet naar behoren worden beheerd; is derhalve van mening dat, naast de invoering van een effectief toezicht- en controlesysteem, op de ecosysteembenadering berustende beheersmaatregelen uitgewerkt en ten uitvoer gelegd moeten worden om de doeltreffendheid van de beschermingsmaatregelen te kunnen toetsen;

27.

benadrukt met name dat de samenwerking moet worden beschermd op het gebied van het beheer van gevoelige zones die belangrijke kweekgronden voor de economisch meest belangrijke soorten zijn (bijv. het Jabuka-bekken in de Adriatische Zee);

28.

benadrukt dat de Middellandse Zee wordt gekenmerkt door biologisch unieke populaties die worden bevist door verschillende landen, en dat het bijgevolg fundamenteel is dat alle belanghebbenden op alle niveaus nauw samenwerken en hun maatregelen om visserij te regelen coördineren;

29.

verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om het probleem van zwerfvuil en plastic in het mariene milieu aan te pakken, aangezien ze ernstige ecologische, economische en gezondheidsschade veroorzaken;

30.

acht een gevarieerde en genuanceerde aanpak ten aanzien van de beheersplannen, met verschillende criteria en op basis van de biologische kenmerken van de betrokken soorten en de visserijtechnieken, van fundamenteel belang; is tevens van oordeel dat alle meerjarenplannen moeten voorzien in een adequate planning met betrekking tot ruimte (zones waar bij toerbeurt niet gevist mag worden, volledige of gedeeltelijke sluiting van visgebieden) en tijd (biologische rustperiodes), alsook moeten ingaan op de bevordering van technische maatregelen voor zo selectief mogelijk vistuig; benadrukt dat hiervoor toereikende financiële compensatie moet worden vrijgemaakt;

31.

juicht de belofte van de Commissie toe om een meerjarig beheersplan voor de Middellandse Zee voor te stellen; benadrukt het belang van de regionalisering van het GVB voor het beheer van visserij in het mediterrane bekken; vraagt dat de adviesraad voor de Middellandse Zee (Medac) wordt betrokken bij de ontwikkeling en invoering van het meerjarig beheersplan en de geregionaliseerde maatregelen;

32.

benadrukt dat tijdens biologische rustperioden aan de vissers een toereikend inkomen moet worden verzekerd;

33.

beklemtoont dat er voor alle commerciële en recreatieve doelsoorten in de Middellandse Zee een minimummaat moet worden vastgesteld op grond van geslachtsrijpheid, gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis; wijst erop dat een striktere naleving van deze minimummaten moet worden gewaarborgd;

34.

acht het noodzakelijk gecoördineerde acties op te zetten met de landen in het Middellandse Zeegebied die niet tot de EU behoren, met name door een betere politieke en technische samenwerking tussen de verschillende partijen via internationale organen die in deze zone actief zijn; is verheugd over het recent door de Commissie opgestarte MedFish4Ever-programma, waarmee ze oproept tot actie om de teloorgang van de visbestanden in de Middellandse Zee een halt toe te roepen; benadrukt dat in het kader van dit initiatief alles in het werk moet worden gesteld om duurzame visserij in de mediterrane landen te bevorderen;

35.

merkt op dat een protocol voor sluitingen in bepaalde gebieden of perioden moet worden ingesteld en bevorderd om de visserij-inspanning te beperken en over het jaar te spreiden, zodat de visserij tijdelijk kan worden beperkt in de paaigebieden van bepaalde soorten; wijst erop dat deze spreiding en specialisatie van de inspanning zal leiden tot een grotere productiviteit en moet worden overlegd met de vissersgemeenschappen en wetenschappelijke adviseurs;

Acties ten opzichte van derde landen

36.

dringt er bij de Commissie op aan via de GFCM maatregelen te bevorderen om de toestand van de met derde landen gedeelde visbestanden te verbeteren, en ook gebruik te maken van de reeds tot stand gebrachte samenwerking tussen de belangenorganisaties van de reders en de bedrijven die actief zijn in de visserijsector, en de desbetreffende autoriteiten of instanties van de betrokken derde landen;

37.

merkt op dat het ontbreken van een gemeenschappelijk regelgevingskader voor de vloten van de EU en van derde landen die in het Middellandse Zeegebied vissen, tot oneerlijke concurrentie tussen de vissers leidt en tegelijkertijd de duurzaamheid van de vangsten van gedeelde soorten op de lange termijn in gevaar brengt;

38.

benadrukt dat samenwerking belangrijk is, dat naleving en een gelijk speelveld in de visserijcontrole met derde landen en regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) moeten worden bevorderd, en dat de horizontale coördinatie voor het beheer van mariene gebieden en visbestanden buiten de nationale jurisdicties moet worden versterkt;

39.

verzoekt de Commissie de mediterrane landen die niet tot de EU behoren, bij te staan om tot duurzame visserij te komen, door kleinschalige en kustvisserij te steunen, goede praktijken uit te wisselen, een open communicatiehouding aan te nemen en de nodige dialoog tot stand te brengen tussen de verschillende betrokken nationale overheden, zodat ze voldoende worden ondersteund bij de tenuitvoerlegging van de middellangetermijnstrategie van de GFCM voor de periode 2017-2020 en de alarmerende tendens inzake de mediterrane visbestanden kan worden omgebogen; dringt er bij de Commissie op aan een doeltreffende informatie-uitwisseling met de mediterrane derde landen tot stand te brengen met betrekking tot de visserijactiviteiten van andere derde landen die in de Middellandse Zee actief zijn;

40.

dringt aan op de invoering van een regionaal plan in het kader van de GFCM, om te waarborgen dat alle vaartuigen in het Middellandse Zeegebied onder gelijke voorwaarden vissen en dat een evenwicht tot stand wordt gebracht tussen de visbestanden en de vlootcapaciteit van alle oeverstaten; dringt voorts aan op de oprichting van een regionaal centrum voor het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen (VMS) en gezamenlijke inspectieactiviteiten;

41.

beveelt de Commissie aan niet langer in te voeren vanuit derde landen die niet de nodige maatregelen nemen om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, waartoe zij krachtens het internationaal recht verplicht zijn als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaten;

42.

verzoekt de lidstaten en de Commissie derde landen te steunen, hen alle mogelijke bijstand te geven en met hen samen te werken om IOO-visserij in de gehele Middellandse Zee beter te bestrijden;

43.

dringt bij de oeverstaten aan op samenwerking om voor de visserij beperkte gebieden en beschermde mariene gebieden vast te stellen, ook in internationale wateren;

44.

benadrukt dat er basisnormen voor het beheer van de recreatieve visserij in het gehele Middellandse Zeegebied moeten worden vastgesteld;

Sociaal-economische aspecten

45.

benadrukt dat 250 000 personen rechtstreeks werkzaam zijn op schepen en dat het aantal personen dat voor hun levensonderhoud afhankelijk is van de visserij, exponentieel groter is als rekening wordt gehouden met de gezinnen die kunnen overleven dankzij de ondersteuning van de regionale visserij en die hun brood verdienen met visserijgerelateerde activiteiten, zoals het onderhoud van schepen en het toerisme, met inbegrip van toerisme gerelateerd aan recreatieve visserij; merkt op dat 60 % van de visserijgerelateerde activiteiten plaatsvindt in ontwikkelingslanden in het zuiden en oosten van het Middellandse Zeegebied, waaruit blijkt hoe belangrijk de kleinschalige (ambachtelijke en traditionele) visserij en de recreatieve visserij zijn voor de duurzame ontwikkeling van deze regio's en in het bijzonder voor de meest kwetsbare kustgemeenschappen;

46.

acht het van essentieel belang dat de arbeidsomstandigheden van de vissers middels behoorlijke beloning en eerlijke concurrentie worden verbeterd, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar het grote aantal ongevallen in de sector en het hoge risico op beroepsziekten; stelt voor dat de lidstaten, met inachtneming van hun wetgeving en gebruiken, instrumenten invoeren waarmee inkomenssteun kan worden verleend; beveelt ten slotte aan dat de lidstaten een solide fonds voor inkomenscompensatie opzetten voor de periodes waarin visserij onmogelijk is vanwege slechte weersomstandigheden, gesloten visseizoenen (biologische rustperiodes) ter bescherming van de levenscyclus van de beviste soorten, milieurampen, langdurige milieuverontreiniging of vervuiling door mariene biotoxines;

47.

merkt op dat de visserijsector van de EU de laatste jaren moeilijke tijden doormaakt als gevolg van stijgende productiekosten, teruglopende visbestanden en vangsten, en voortdurende inkomensverliezen;

48.

constateert dat de sociaal-economische situatie in de sector om verschillende redenen verslechterd is, onder andere vanwege de afname van de visstand, de waardevermindering van vis bij eerste verkoop (die niet wordt doorberekend in de consumentenprijzen als gevolg van een oneerlijke verdeling van de toegevoegde waarde tussen de verschillende schakels van de waardeketen in de sector en distributiemonopolies in sommige regio's) en stijgende brandstofprijzen; wijst erop dat deze moeilijkheden hebben bijgedragen tot de toename van de visserij-inspanningen, wat voor de kleinschalige visserij bijzonder zorgwekkend is en de toekomst van deze traditionele levenswijze en het voortbestaan van sterk van de visserij afhankelijke plaatselijke gemeenschappen zelfs in gevaar zou kunnen brengen;

49.

onderstreept dat initiatieven moeten worden ontplooid die een positieve impact op de werkgelegenheid kunnen hebben en aansluiten bij een verkleining van de visserij-inspanningen, zoals visserijtoerisme of onderzoeksactiviteiten;

50.

roept de Commissie en de lidstaten op voor alle werknemers in de visserijsector een betere toegang tot fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en gepaste sociale bescherming te waarborgen, ongeacht de grootte en de aard van het bedrijf waar zij in dienst zijn, de standplaats of het afgesloten contract, onder meer door de overeenkomsten inzake duurzame visserij die in de regio worden gesloten als middel te gebruiken om sociale dumping te bestrijden en voor betere toegang tot markten en financiering, betere samenwerking met overheden en publieke instellingen en diversificatie van middelen van bestaan te zorgen; onderstreept het belang van doeltreffende arbeidsinspecties en -controles;

51.

onderstreept dat de arbeidsomstandigheden van vissers moeten worden verbeterd, gezien het grote aantal ongevallen in de sector en het onevenredig hoge risico van zowel lichamelijke, als geestelijke beroepsziekten; benadrukt het belang van een goed evenwicht tussen werk en privéleven voor vissers; wijst op het belang van adequate sanitaire voorzieningen aan boord van vissersvaartuigen en aan land, alsook van fatsoenlijke accommodatie en ontspanningsmogelijkheden; benadrukt dat de bedrijfsveiligheid en bevaarbaarheid van havens en waterwegen moeten worden gewaarborgd;

52.

onderstreept dat moet worden gegarandeerd dat elke vis en alle visserijproducten die in de EU worden geïmporteerd, onder omstandigheden zijn gevangen en geproduceerd die in overeenstemming zijn met de internationale milieu-, arbeids- en mensenrechtennormen; vraagt de Commissie en de lidstaten eerlijke concurrentie en duurzaamheid in de visserijsector te garanderen, teneinde banen en groei te beschermen; benadrukt dat dit van essentieel belang is, niet alleen voor wat concurrentie in de Unie betreft, maar met name met betrekking tot in derde landen gevestigde concurrenten;

53.

is van mening dat de Commissie en de lidstaten een volledige benutting van de beschikbare middelen van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en het Europees nabuurschapsinstrument moeten bevorderen; is van mening dat de Commissie haar best moet doen om zowel de lidstaten als de niet-EU-staten bij te staan om alle beschikbare fondsen zo doeltreffend mogelijk te gebruiken, met name teneinde:

de arbeidsomstandigheden en de veiligheid aan boord te verbeteren;

het vak en de beroepsopleiding in de schijnwerpers te zetten en het starten en ontwikkelen van nieuwe economische activiteiten in de sector te steunen door middel van de werving, scholing en multidisciplinaire opleiding van jongeren;

de rol van vrouwen in de visserij en bijbehorende productiesectoren meer te waarderen, gelet op het feit dat vrouwen 12 % van de arbeidskrachten in de sector vertegenwoordigen;

54.

wijst erop dat het EFMZV kleine vissers moet helpen hun uitrusting te vernieuwen teneinde met name te voldoen aan de strenge verplichtingen die aan de aanlandingsplicht verbonden zijn;

55.

verzoekt de Commissie de oprichting en de activiteiten aan te moedigen van de plaatselijke actiegroepen voor de visserij (FLAG's), die een duurzaam visserijmodel bevorderen;

56.

acht het van fundamenteel belang de samenwerking tussen vissers, met name kleinschalige vissers die werkzaam zijn in hetzelfde gebied of dezelfde regio, te bevorderen om gezamenlijk de plaatselijke visbestanden te beschermen en te beheren, met het oog op een daadwerkelijke en concrete regionalisering met inachtneming van de doelstellingen van het GVB; is van mening dat de enorme versnippering en differentiatie van beroepen, targets, technische kenmerken en werknemers een onderscheidend kenmerk van de visserij in de Middellandse Zee is en dat een horizontale en eenvormige benadering bijgevolg geen recht zou doen aan deze specifieke plaatselijke omstandigheden;

57.

merkt op dat, ondanks recente verbeteringen, het aantal bestanden zonder een betrouwbare statusbeoordeling hoog blijft, en dat het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) zich beklaagt over het afnemende aantal beoordelingen, van 44 in 2012 tot slechts 15 in 2014; benadrukt dat het belangrijk is voor een snelle en goede gegevensverzameling te zorgen en een toename van het aantal studies en bestudeerde soorten aan te moedigen en te ondersteunen om zo de kennis over de bestanden en het effect van recreatieve visserij en externe factoren zoals verontreiniging te verbeteren teneinde een duurzaam bestandsbeheer tot stand te brengen;

58.

is van mening dat een verantwoord en rationeel beheer van de bestanden niet los kan worden gezien van de hoeveelheid verzamelde gegevens en van het wetenschappelijk gebruik ervan, over factoren als de vangstcapaciteit, de huidige visserij-activiteiten en de huidige sociaal-economische situatie ervan, en de biologische situatie van de geëxploiteerde bestanden;

59.

merkt op dat slechts 40 % van de aangelande vis in het GFCM-verdragsgebied afkomstig is van bestanden die door de Commissie wetenschappelijk beoordeeld zijn en dat dit percentage zelfs lager is voor bestanden die onder een beheersplan vallen; wijst erop dat het noodzakelijk is de reikwijdte van de wetenschappelijke beoordelingen van de toestand van visbestanden te vergroten, en het aandeel van aangevoerde vis dat afkomstig is van visserij die onder een meerjarig beheersplan valt, te verhogen;

60.

acht de evaluatie van de visserij-inspanning van de recreatieve visserij en het verzamelen van vangstgegevens op zeebekkenniveau en voor de hele Middellandse Zee van belang;

61.

benadrukt het belang van geïntegreerde benaderingen, waarbij rekening wordt gehouden met de heterogeniteit van het mariene milieu, de complexiteit van de verschillende (commerciële en niet-commerciële) soorten in de zee, de verschillende kenmerken en de effecten van de visserij-activiteiten, de waardevermindering van vis bij eerste verkoop en distributiemonopolies in sommige regio's, alsook alle andere factoren die de gezondheid van de visbestanden beïnvloeden;

62.

merkt op dat beschikbare gegevens ter bepaling van de omvang en de impact van kleinschalige visserijactiviteiten schaars zijn en per land kunnen verschillen; erkent dat vanwege dit gebrek aan informatie de ambachtelijke visserij onderschat kan worden;

63.

benadrukt dat een beter begrip van de economische en sociale effecten van de verschillende soorten visserij, in het bijzonder kleinschalige en recreatieve visserij, zou helpen bij het vaststellen van de beste beheersmaatregelen;

64.

ondersteunt uitdrukkelijk het voorstel van de GFCM om een catalogus van visserij-activiteiten op te stellen, met daarin informatie over het vistuig en de visserijmethoden, een beschrijving van de visserijgebieden, de doelsoorten en de bijvangsten, alsook een gedetailleerde beschrijving van de visserijactiviteiten in het betreffende gebied en de interactie met andere sectoren zoals de recreatieve visserij;

65.

is van mening dat er nieuwe regels voor de recreatieve visserij moeten gelden en dat een catalogus van recreatievisserijactiviteiten moet worden opgesteld, met daarin informatie over het vistuig en de visserijmethoden, en een beschrijving van de visserijgebieden, de doelsoorten en de bijvangsten;

66.

verzoekt de Commissie intensieve wetenschappelijke samenwerking te bevorderen en te streven naar de verbetering van de verzameling van gegevens met betrekking tot de belangrijkste visbestanden, door de tijd tussen de gegevensverzameling en de uiteindelijke beoordeling te beperken en het WTECV te verzoeken nieuwe bestanden te beoordelen; betreurt ten zeerste dat de meeste uit de Middellandse Zee aangevoerde vis afkomstig is van soorten waarover weinig gegevens beschikbaar zijn („data deficient fisheries”);

67.

benadrukt dat het van cruciaal belang is het delen van gegevens te bevorderen en de ontoegankelijkheid en de versnippering van deze gegevens tegen te gaan middels de ontwikkeling van een gemeenschappelijke gegevensbank met gedetailleerde, betrouwbare visserijgegevens en de oprichting van een netwerk van deskundigen en onderzoeksinstellingen op verschillende domeinen van de visserijwetenschap; beklemtoont dat deze gegevensbank door de EU moet worden gefinancierd en alle gegevens over visserij en visserijactiviteiten per geografisch subgebied, met inbegrip van gegevens over de recreatievisserij, moet omvatten zodat hoogwaardige, onafhankelijke en gedetailleerde gegevens gemakkelijker kunnen worden gecontroleerd en de visbestanden bijgevolg beter worden beoordeeld;

68.

wijst erop dat de gevolgen, de kenmerken en de omvang van IOO-visserij momenteel onvoldoende worden onderzocht, dat ze door de landen in het Middellandse Zeegebied op verschillende manieren worden beoordeeld en dat deze landen bijgevolg niet correct zijn weergegeven in de informatie die beschikbaar is met betrekking tot de huidige toestand van de visserij en de trends in de loop der tijd; benadrukt dat deze landen naar behoren in aanmerking moeten worden genomen bij de ontwikkeling van wetenschappelijke beoordelingen ten behoeve van visserijbeheer;

69.

roept de lidstaten op fraude met visserijproducten tegen te gaan door middel van productetikettering en -traceerbaarheid en hun inspanningen ter bestrijding van illegale visserij op te voeren; betreurt dat er over de meeste bestanden slechts weinig gegevens beschikbaar zijn („data-poor stocks”), dat circa 50 % van de vangsten niet officieel wordt gemeld en dat 80 % van de aan land gebrachte vis afkomstig is van „data-poor stocks”;

70.

verzoekt de lidstaten alle desbetreffende IAO-verdragen voor werknemers in de visserijsectoren te bekrachtigen en volledig ten uitvoer te leggen, zodat goede arbeidsomstandigheden verzekerd zijn, en instellingen voor collectieve onderhandeling te versterken, zodat maritieme werknemers, met inbegrip van zelfstandigen, hun arbeidsrechten kunnen uitoefenen;

71.

verzoekt de Commissie om investeringen in diversificatie en innovatie in de visserijsector aan te moedigen en te ondersteunen via de ontwikkeling van aanvullende activiteiten;

Bewustmaking

72.

benadrukt dat concrete resultaten behaald kunnen worden wanneer de ondernemers in de sector zich meer bewust zijn van hun verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld door alle vissers (professionele en recreatieve) te ondersteunen, betere voorlichting te geven en te betrekken in het besluitvormingsproces, en via specifieke acties om de verspreiding van de beste praktijken op dit gebied te vergemakkelijken;

73.

vindt het belangrijk dat de consument voldoende wordt geïnformeerd zodat hij exact weet wat de herkomst van het aangeboden product is, alsook de eigenschappen van de vismethode, door te verplichten om deze elementen, alsook de vangstdatum, op te nemen in de aan de consument verstrekte informatie; is van mening dat ook moet worden geanalyseerd en geëvalueerd of de maatregelen in de nieuwe gemeenschappelijke marktordening ertoe hebben geleid dat de consument beter wordt geïnformeerd;

74.

acht het voorts van belang consumenten bewuster te maken en voor te lichten over het consumeren van verantwoorde visproducten, door te kiezen voor lokale soorten die met duurzame vistechnieken zijn gevangen en afkomstig zijn van niet-overbeviste en amper in de handel verkrijgbare bestanden; acht het daarom noodzakelijk, in samenwerking met de desbetreffende belanghebbenden, een doeltreffend en betrouwbaar tracerings- en etiketteringssysteem te bevorderen, onder meer om de consument te informeren en voedselfraude te bestrijden;

75.

is van mening dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen eerlijke concurrentie, de behoeften van de consument, duurzaamheid van de visserijsector en behoud van de werkgelegenheid; onderstreept dat een alomvattende benadering en een sterke politieke wil bij alle landen in het Middellandse Zeegebied noodzakelijk zijn om de uitdagingen aan te kunnen en de situatie in de Middellandse Zee te verbeteren;

76.

juicht de MedFish4Ever-campagne toe, waarmee de Commissie het publiek bewust wil maken van de toestand van de Middellandse Zee;

77.

is van mening dat scholen en ziekenhuizen, alsook andere openbare centra, moeten worden bevoorraad met plaatselijke vis;

78.

benadrukt dat dit nieuwe scenario en al deze nieuwe, met elkaar verband houdende factoren met betrekking tot de Middellandse Zee moeten leiden tot een herziening van Verordening (EG) nr. 1967/2006 inzake de Middellandse Zee, om deze aan de huidige situatie aan te passen;

79.

benadrukt dat Verordening (EG) nr. 1967/2006 moet worden herzien, met name het deel over het verbod op het gebruik van bepaalde traditionele vistuigen (bijv. het verbod op het gebruik van kieuwnetten voor de niet-commerciële visserij) en de bepalingen over de specifieke kenmerken van vistuig, zoals hoogte en maaswijdte van visnetten, en de diepte en afstand vanaf de kust voor het gebruik van vistuigen;

o

o o

80.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(2)  PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

(3)  PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9.

(4)  PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.

(5)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0343.


Woensdag 14 juni 2017

18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/60


P8_TA(2017)0260

De noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof (2016/2061(INI))

(2018/C 331/08)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien de artikelen 8, 151, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de bepalingen ervan met betrekking tot sociale rechten en gelijkheid van mannen en vrouwen,

gezien de artikelen 22 en 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

gezien algemene opmerking nr. 16 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties over de gelijke rechten van mannen en vrouwen wat betreft de uitoefening van de economische, sociale en culturele rechten (artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESR)) (1), en algemene opmerking nr. 19 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties over het recht op sociale zekerheid (artikel 9 van het ICESR) (2),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

gezien artikel 4, lid 2, artikel 4, lid 3, en de artikelen 12, 20 en 23 van het Europees Sociaal Handvest,

gezien de conclusies van het Europees Comité voor Sociale Rechten van 5 december 2014 (3),

gezien Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (4),

gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (5),

gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (6),

gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (7),

gezien het Stappenplan van de Commissie van augustus 2015 voor een nieuwe aanpak van de uitdagingen waarmee werkende gezinnen worden geconfronteerd bij het combineren van beroep, privéleven en gezinsleven,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld „Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019” (SWD(2015)0278), en met name doelstelling 3.2 daarvan,

gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over de situatie van vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen (8),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over de situatie van alleenstaande moeders (9),

gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid (10),

gezien zijn resolutie van 12 maart 2013 over de gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw (11),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013 (12),

gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015 (13),

gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (14),

gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven (15),

gezien de conclusies van de Raad van 18 juni 2015 over gelijke kansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten,

gezien de verklaring van het EU-voorzitterschapstrio bestaande uit Nederland, Slowakije en Malta van 7 december 2015 over gendergelijkheid,

gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) van de Raad van 7 maart 2011,

gezien de studie in opdracht van zijn beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken getiteld „De genderpensioenkloof: verschillen tussen moeders en vrouwen zonder kinderen” (2016), en de studie van de Commissie getiteld„De genderkloof inzake pensioenen in de EU” (2013),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0197/2017),

A.

overwegende dat de genderpensioenkloof (die kan worden gedefinieerd als het verschil tussen het gemiddelde bedrag (vóór aftrek van belastingen en heffingen) dat vrouwen ontvangen voor hun pensioen en het bedrag dat mannen gemiddeld krijgen) in de EU in 2015 gelijk was aan 38,3 % voor de leeftijdscategorie van 65 jaar en ouder, en de afgelopen vijf jaar in de helft van de lidstaten is toegenomen; overwegende dat de financiële crisis van de laatste jaren een negatief effect heeft gehad op het inkomen van vele vrouwen; overwegende dat in sommige lidstaten 11 tot 36 % van de vrouwen geen aanspraak op een pensioen kan maken;

B.

overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen behoort tot de gemeenschappelijke en fundamentele beginselen die zijn vervat in de artikelen 2 en 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 8 van het VWEU en artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat het thema gendergelijkheid in alle beleidsterreinen, initiatieven, programma's en maatregelen van de Unie moet worden verwerkt;

C.

overwegende dat vrouwen in de meeste EU-lidstaten minder goed gedekt zijn op het gebied van pensioenen dan mannen en tegelijkertijd oververtegenwoordigd zijn onder de armste gepensioneerden en ondervertegenwoordigd onder de rijkste;

D.

overwegende dat deze ongelijkheden onaanvaardbaar zijn en teruggedrongen moeten worden, en dat in de EU, waar gendergelijkheid een grondbeginsel is en waar het recht op een waardig leven voor iedereen tot de grondrechten behoort zoals vervat in het Handvest van de grondrechten van de EU, alle pensioenpremies op een genderneutrale manier moeten worden berekend en geheven;

E.

overwegende dat in de EU-28 één persoon op vier afhankelijk is van zijn pensioen als belangrijkste bron van inkomsten en dat het aantal mensen in deze groep tegen 2060 zal verdubbelen vanwege de aanzienlijke toename van het aantal pensioengerechtigden, als gevolg van de langere levensverwachting en de vergrijzing van de bevolking;

F.

overwegende dat de demografische ontwikkeling er in de toekomst toe leidt dat steeds minder werkenden steeds meer gepensioneerden moeten onderhouden en dat tegen deze achtergrond particuliere oudedagvoorzieningen en bedrijfspensioenen belangrijker worden;

G.

overwegende dat het pensioenbeleid tot doel heeft economische onafhankelijkheid te verzekeren, wat essentieel is voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, en dat de socialezekerheidsstelsels in de lidstaten moeten zorgen voor een behoorlijk en toereikend pensioeninkomen, een aanvaardbare levensstandaard en bescherming tegen het risico van armoede ten gevolge van diverse factoren of tegen sociale uitsluiting voor alle EU-burgers, teneinde hun actieve sociale, culturele en politieke deelname en waardig leven op latere leeftijd te waarborgen, zodat zij deel kunnen blijven uitmaken van de maatschappij;

H.

overwegende dat de toenemende individuele verantwoordelijkheid voor spaarbeslissingen, die uiteenlopende risico's met zich meebrengen, ook betekent dat individuen duidelijk moeten worden geïnformeerd over de beschikbare opties en de daaraan verbonden risico's; overwegende dat zowel vrouwen als mannen, maar vooral vrouwen, moeten worden ondersteund om hun financiële geletterdheid te verbeteren, zodat zij gefundeerde beslissingen kunnen nemen over dit almaar complexer wordende vraagstuk;

I.

overwegende dat de pensioenkloof de situatie van vrouwen, met name hun kwetsbare economische positie, doorgaans erger maakt, waardoor zij blootgesteld worden aan sociale uitsluiting, permanente armoede en economische afhankelijkheid, met name van hun echtgenoot of andere familieleden; overwegende dat de loonkloof en pensioenkloof nog groter zijn voor vrouwen die op meerdere vlakken benadeeld zijn of die behoren tot een raciale, etnische, religieuze of taalkundige minderheidsgroep, aangezien zij vaak een baan hebben waarvoor minder vaardigheden vereist zijn, met minder verantwoordelijkheden;

J.

overwegende dat aan individuele rechten, in plaats van aan afgeleide rechten, gekoppelde pensioenen ieders economische onafhankelijkheid zouden kunnen helpen waarborgen, negatieve prikkels om niet aan de formele arbeidsmarkt deel te nemen zouden kunnen helpen verminderen en genderstereotypen zouden kunnen helpen tegengegaan;

K.

overwegende dat vrouwen vanwege hun langere levensverwachting gemiddeld meer inkomen nodig hebben gedurende hun pensioen dan mannen; overwegende dat overlevingspensioenen kunnen zorgen voor dit aanvullende inkomen;

L.

overwegende dat het vanwege een gebrek aan vergelijkbare, volledige, betrouwbare en actuele gegevens over de omvang van de pensioenkloof en de factoren die ertoe bijdragen moeilijk is om te bepalen hoe deze kloof het meest doeltreffend kan worden aangepakt;

M.

overwegende dat deze kloof in de leeftijdscategorie van 65 tot 74 jaar groter is (meer dan 40 %) dan gemiddeld voor alle 65-plussers, vooral vanwege de manier waarop de overdracht van rechten in bepaalde lidstaten is geregeld, bijvoorbeeld in verband met weduwschap;

N.

overwegende dat de verlagingen en bevriezingen van de pensioenen tot een hoger risico op armoede onder ouderen leiden, met name voor vrouwen; overwegende dat het percentage oudere vrouwen dat risico loopt op armoede of sociale uitsluiting in 2014 20,2 % bedroeg, in vergelijking met 14,6 % voor mannen, en dat in 2050 het aantal mensen ouder dan 75 jaar dat risico loopt op armoede in de meeste lidstaten zou kunnen oplopen tot 30 %;

O.

overwegende dat het inkomen van ouderen boven de 65 jaar 94 % bedraagt van het gemiddelde inkomen van de algehele bevolking; overwegende dat daarentegen ongeveer 22 % van de vrouwen boven de 65 jaar onder de armoederisicodrempel leeft;

P.

overwegende dat achter de gemiddelde pensioenkloof in de EU in 2014 grote verschillen tussen de lidstaten schuilgingen; overwegende dat de kleinste genderpensioenkloof bij 3,7 % en de grootste bij 48,8 % ligt, en dat de kloof in 14 lidstaten meer dan 30 % bedraagt;

Q.

overwegende dat er tussen de lidstaten grote verschillen bestaan wat het percentage van de bevolking betreft dat een pensioen ontvangt — in 2013 in Cyprus 15,1 %, tegenover 31,8 % in Litouwen — en dat de meeste ontvangers van een pensioen in de meeste EU-landen in 2013 vrouwen waren;

R.

overwegende dat de pensioenkloof, die door verschillende factoren wordt veroorzaakt, de onevenwichtigheden in de situatie van mannen en vrouwen weerspiegelt, bijvoorbeeld in verband met hun werk en gezinsleven, hun mogelijkheden om premies af te dragen, hun respectieve plek binnen het gezin en de manier waarop het loon wordt berekend in het kader van het pensioenstelsel; overwegende dat de pensioenkloof ook voortvloeit uit de segregatie van de arbeidsmarkt en uit het feit dat vrouwen vaker deeltijds werken, lagere uurlonen ontvangen, meer loopbaanonderbrekingen inlassen en minder arbeidsjaren tellen, doordat vrouwen en moeders onbetaald werk verrichten als zorgverleners in hun gezinnen; overwegende dat de pensioenkloof bijgevolg beschouwd moet worden als een belangrijke indicator van genderongelijkheid op de arbeidsmarkt, des te meer omdat de genderpensioenkloof momenteel bijna even groot is als de totale inkomstenkloof (39,7 % in 2015);

S.

overwegende dat de volledige omvang van de pensioenkloof, die de som is van alle genderonevenwichtigheden en -ongelijkheden (in de zin van, onder andere, toegang tot macht en financiële middelen) waarmee mannen en vrouwen gedurende hun beroepsleven te maken krijgen en die weerspiegeld worden in de eerste en tweede pensioenpijler, mogelijk verhuld wordt door correctiemechanismen;

T.

overwegende dat de pensioenkloof op een specifiek moment een beeld geeft van de omstandigheden in de samenleving en op de arbeidsmarkt gedurende een periode die meerdere decennia omspant; overwegende dat deze omstandigheden (soms sterk) kunnen evolueren, wat gevolgen heeft voor de behoeften van meerdere generaties gepensioneerde vrouwen;

U.

overwegende dat de pensioenkloof verschilt naargelang de persoonlijke situatie, de sociale status, de burgerlijke staat en/of de gezinssituatie van de betrokken gepensioneerden; overwegende dat een uniforme aanpak in die zin niet noodzakelijkerwijs tot betere resultaten leidt;

V.

overwegende dat met name éénoudergezinnen, die 10 % uitmaken van alle huishoudens met ten laste komende kinderen, erg kwetsbaar zijn, en dat 50 % van hen risico loopt op armoede of sociale uitsluiting, hetgeen twee keer zo veel is als het percentage voor de algehele bevolking; overwegende dat de pensioenkloof rechtstreeks in verband staat met het aantal kinderen dat de betrokkene heeft grootgebracht, en dat de genderpensioenkloof bij getrouwde vrouwen en mannen duidelijk groter is dan bij alleenstaande vrouwen zonder kinderen; overwegende dat de ongelijkheid waarmee moeders, en vooral alleenstaande moeders, worden geconfronteerd uit dat oogpunt verder kan toenemen wanneer zij met pensioen gaan;

W.

overwegende dat zwangerschap en ouderschapsverlof doorgaans moeders — die 79,76 % uitmaken van de personen die minder uren gaan werken om voor kinderen jonger dan acht jaar te zorgen — dwingen tot laagbetaalde of deeltijdse banen of ongewilde loopbaanonderbrekingen om voor hun kinderen te zorgen; overwegende dat moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof noodzakelijke en essentiële instrumenten zijn om de zorgtaken beter te verdelen, het evenwicht tussen werk en privéleven te verbeteren en de loopbaanonderbrekingen bij vrouwen te beperken;

X.

overwegende dat het aantal kinderen geen of zelfs een positief effect heeft op het salaris en dus ook op de pensioenrechten van vaders;

Y.

overwegende dat de werkloosheid bij vrouwen onderschat wordt, aangezien veel vrouwen niet als werkloze zijn ingeschreven, met name vrouwen die in landelijke of afgezonderde gebieden wonen en zich vaak enkel bezighouden met het huishouden en de zorg voor de kinderen; overwegende dat dit leidt tot verschillen in hun pensioen;

Z.

overwegende dat de „traditionele” werkorganisatie het moeilijk maakt voor ouderparen die voltijds willen werken om hun werk op een harmonieuze manier te combineren met hun gezin;

AA.

overwegende dat pensioenkredieten — voor zowel mannen als vrouwen — in de vorm van een uitkering voor zorgtaken ten behoeve van kinderen of familielieden ertoe zouden kunnen bijdragen dat loopbaanonderbrekingen vanwege zorgtaken geen negatieve gevolgen hebben voor het pensioen, en dat het wenselijk is deze kredieten uit te breiden tot alle lidstaten en, daar waar ze reeds bestaan, te versterken;

AB.

overwegende dat pensioenkredieten voor diverse vormen van werk kunnen helpen om alle werknemers een pensioeninkomen te bezorgen;

AC.

overwegende dat de participatiegraad van vrouwen op de arbeidsmarkt, ondanks een aantal inspanningen om de situatie recht te trekken, nog steeds niet voldoet aan het streefdoel van de Europa 2020-strategie en veel lager ligt dan de participatiegraad van mannen; overwegende dat een hogere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen bijdraagt aan de inspanningen om de genderpensioenkloof in de EU te verkleinen, aangezien er een rechtstreeks verband bestaat tussen arbeidsmarktparticipatie en de hoogte van het pensioen; overwegende dat de participatiegraad echter geen informatie inhoudt over de duur van een dienstverband en het soort werk en dus slechts in beperkte mate iets zegt over het loon- en pensioenniveau;

AD.

overwegende dat de duur van de loopbaan van rechtstreekse invloed is op het pensioeninkomen; overwegende dat de loopbaan van vrouwen gemiddeld 10 jaar korter is dan die van mannen en dat de pensioenkloof voor vrouwen met een loopbaan van minder dan 14 jaar twee keer groter is (64 %) dan voor vrouwen met een langere loopbaan (32 %);

AE.

overwegende dat vrouwen doorgaans vaker dan mannen loopbaanonderbreking nemen, niet-standaardvormen van werk verrichten, een deeltijdse baan hebben (32 % van de vrouwen in vergelijking met 8,2 % van de mannen) of op niet-betaalde basis werken, vooral wanneer zij zorgen voor kinderen en familieleden en zij bijna alleen de verantwoordelijkheid dragen voor huishoudelijke en zorgtaken, ten gevolge van blijvende genderongelijkheden, wat nefast is voor hun pensioen;

AF.

overwegende dat investeringen in scholen, voorschools onderwijs, universiteiten en ouderenzorg kunnen bijdragen tot een beter evenwicht tussen werk en privéleven en er op lange termijn toe kunnen leiden dat er niet alleen banen worden gecreëerd, maar ook vrouwen in hoogwaardige functies benoemd worden, wat op lange termijn een positief effect op het pensioen van deze vrouwen zal hebben;

AG.

overwegende dat mantelzorg een fundamentele pijler is van onze maatschappij en voor een groot deel door vrouwen verricht wordt, en dat dit onevenwicht in de genderpensioenkloof weerspiegeld wordt; overwegende dat deze vorm van onzichtbaar werk onvoldoende erkend wordt, vooral met betrekking tot pensioenrechten;

AH.

overwegende dat er in de EU nog steeds een aanzienlijke loonkloof tussen mannen en vrouwen bestaat, die in 2014 gelijk was aan 16,3 %, voornamelijk vanwege discriminatie en segregatie, waardoor vrouwen oververtegenwoordigd zijn in sectoren waar de lonen lager zijn dan in andere, grotendeels door mannen gedomineerde sectoren; overwegende dat andere factoren zoals loopbaanonderbrekingen of onvrijwillig deeltijdwerk om werk en gezinstaken te kunnen combineren, stereotypen, onderwaardering van het werk van vrouwen en verschillen in opleidingsniveau en beroepservaring ook bijdragen tot de genderloonkloof;

AI.

overwegende dat in artikel 151 VWEU is vastgelegd dat de EU ten doel heeft een adequate sociale bescherming te waarborgen; overwegende dat de EU de lidstaten in dit verband moet ondersteunen met aanbevelingen voor de bescherming van ouderen die op grond van hun leeftijd of persoonlijke situatie recht hebben op een pensioen;

AJ.

overwegende dat de versterking van het verband tussen bijdrage en pensioen, in combinatie met de verhoging van de tweede en de derde pijler van de pensioenstelsels, de risico's van genderspecifieke factoren in de pensioenkloof verlegt naar de privésector;

AK.

overwegende dat er noch vooraf, noch achteraf gendereffectbeoordelingen zijn uitgevoerd van de pensioenhervormingen in het Witboek over pensioenen van de Commissie van 2012;

AL.

overwegende dat alleen de lidstaten bevoegd zijn voor het ontwerp en de organisatie van de openbare socialezekerheidsstelsels en pensioenstelsels; overwegende dat de EU op het gebied van pensioenen vooral een ondersteunende bevoegdheid heeft, met name op grond van artikel 153 VWEU;

Algemene opmerkingen

1.

vraagt de Commissie om in nauwe samenwerking met de lidstaten een strategie uit te werken om de genderpensioenkloof in de Europese Unie te dichten (hierna „de strategie” genoemd) en ze te helpen hiervoor richtsnoeren op te stellen;

2.

schaart zich achter en steunt het verzoek van de Raad aan de Commissie om te komen met een nieuw initiatief waarin een strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen voor de periode 2016-2020 wordt uiteengezet, om dit zoals voor eerdere strategieën te doen in de vorm van een mededeling, en om de strategische inzet van de EU voor gendergelijkheid, die aan de Europa 2020-strategie moet worden gekoppeld, te versterken;

3.

is van mening dat deze strategie er niet alleen toe moet bijdragen dat de gevolgen van de pensioenkloof, met name voor de meest kwetsbare groepen, op het niveau van de lidstaten worden gecorrigeerd, maar ook in de toekomst worden voorkomen door de achterliggende oorzaken aan te pakken, zoals de ongelijke positie van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt wat betreft salaris, loopbaanontwikkeling, mogelijkheden om voltijds te werken, evenals de arbeidsmarktsegregatie; moedigt in dit verband intergouvernementele dialoog en het delen van beste praktijken tussen de lidstaten aan;

4.

benadrukt dat een veelzijdige aanpak, bestaande uit maatregelen op verschillende beleidsterreinen die gericht zijn op verbetering van de gendergelijkheid, vereist is voor het welslagen van de strategie, die een levensloopbenadering van pensioenen moet omvatten, waarbij de volledige loopbaan van de persoon in aanmerking wordt genomen en de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op het niveau van arbeidsparticipatie, loopbaan en mogelijkheden om pensioenpremies te betalen, alsook de ongelijkheden die voortvloeien uit de manier waarop de pensioenstelsels georganiseerd zijn, worden aangepakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten om gevolg te geven aan de conclusies van de Raad van 18 juni 2015 over gelijke kansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten;

5.

herinnert aan de belangrijke rol van de sociale partners bij de discussies over vraagstukken betreffende het minimumloon, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; benadrukt dat vakbonden en collectieve onderhandelingen een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van de toegang van ouderen tot overheidspensioenen, in overeenstemming met de beginselen van solidariteit tussen de generaties en gendergelijkheid; onderstreept dat het belangrijk is de sociale partners te betrekken bij politieke besluiten die een wijziging inhouden van significante wettelijke aspecten van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pensioen; verzoekt de EU en de lidstaten om, in samenwerking met de sociale partners en gendergelijkheidsorganisaties, beleidsmaatregelen te ontwikkelen en toe te passen om de salariskloof tussen mannen en vrouwen te dichten; verzoekt de lidstaten te overwegen om in aanvulling hierop periodiek de salarissen in kaart te brengen;

6.

verzoekt de lidstaten respectvolle maatregelen ter voorkoming van armoede in te voeren voor werknemers wier gezondheid het niet toelaat om tot de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd door te werken; is van oordeel dat de regelingen voor vervroegd pensioen voor werknemers die aan zware of risicovolle arbeidsomstandigheden worden blootgesteld, moeten worden gehandhaafd; is van mening dat het verhogen van de arbeidsparticipatie door middel van hoogwaardige banen ertoe kan bijdragen dat de toekomstige toename van het aantal mensen dat niet tot de pensioenleeftijd kan doorwerken aanzienlijk wordt beperkt, ter verlichting van de financiële belasting als gevolg van de vergrijzing;

7.

is zeer bezorgd over het effect van de door bezuinigingen ingegeven landenspecifieke aanbevelingen inzake pensioenregelingen en hun houdbaarheid, en inzake de toegang tot op bijdragen gebaseerde pensioenen in een toenemend aantal lidstaten, alsook over de negatieve effecten van de landenspecifieke aanbevelingen op de inkomensniveaus en sociale overdrachten die nodig zijn om armoede en sociale uitsluiting uit te bannen;

8.

onderstreept dat het subsidiariteitsbeginsel ook bij pensioenkwesties strikt moet worden toegepast;

Meten en bewustmaken om de pensioenkloof beter te kunnen aanpakken

9.

roept de lidstaten en de Commissie op om de genderpensioenkloof te blijven onderzoeken en samen te werken met Eurostat en het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) om formele en betrouwbare indicatoren voor de genderpensioenkloof te ontwikkelen, de verschillende achterliggende oorzaken te identificeren zodat toezicht mogelijk wordt, en duidelijke reductiedoelstellingen te bepalen, en hierover bij het Europees Parlement verslag uit te brengen; verzoekt de lidstaten Eurostat jaarlijks statistieken over de genderloonkloof en de genderpensioenkloof te verstrekken zodat een beoordeling kan worden gemaakt van de ontwikkelingen in de hele EU en de manieren om de kwestie aan te pakken;

10.

vraagt de Commissie gedetailleerd in kaart te brengen welke effecten het Witboek van 2012 inzake pensioenen, gericht op het aanpakken van de oorzaken van genderpensioenkloof, hebben op de meest kwetsbare groepen, en op vrouwen in het bijzonder, alsook een formele indicator voor de genderpensioenkloof te ontwikkelen en voor stelselmatig toezicht te zorgen; dringt aan op passende evaluaties en gendereffectbeoordelingen van de tot op heden gedane aanbevelingen c.q. genomen maatregelen; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van naar gender uitgesplitste statistieken en onderzoek te ondersteunen, teneinde het toezicht op en de evaluatie van de effecten van pensioenhervormingen op de welvaart en het welzijn van vrouwen te versterken;

11.

roept de lidstaten op om de strijd tegen de genderpensioenkloof te bevorderen in hun sociale beleid, door de bevoegde besluitvormers bewust te maken van het fenomeen en door programma's op te zetten om vrouwen beter te informeren over de gevolgen ervan en om instrumenten aan te reiken waarmee vrouwen een duurzame, aan hun specifieke behoeften aangepaste langetermijnstrategie kunnen uitwerken om hun pensioen te financieren en om hun toegang tot pensioenen van de tweede en derde pijler te bevorderen, vooral in door vrouwen beheerste sectoren waar er mogelijk weinig gebruik van wordt gemaakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten de mensen meer bewust te maken met betrekking tot gelijke beloning en de pensioenkloof alsook directe en indirecte discriminatie van vrouwen op het werk;

12.

wijst nogmaals op de behoefte aan duidelijke, geharmoniseerde definities, om op EU-niveau de vergelijking van begrippen als „genderloonkloof” en „genderpensioenkloof” mogelijk te maken;

13.

verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen onderzoek te bevorderen naar de gevolgen van de genderpensioenkloof en de economische onafhankelijkheid van vrouwen, rekening houdend met de vergrijzing, de genderverschillen in gezondheid en levensverwachting, veranderende gezinsstructuren en de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens, en verschillen in de persoonlijke situatie van vrouwen; verzoekt hen ook mogelijke strategieën uit te stippelen om de genderpensioenkloof te dichten;

De ongelijkheid bij de mogelijkheden tot premieafdracht beperken

14.

vraagt de Europese Commissie en de lidstaten om toe te zien op de correcte tenuitvoerlegging van en de stelselmatige monitoring van de vooruitgang inzake de Europese regelgeving ter bestrijding van indirecte en directe genderdiscriminatie, waarbij in geval van niet-naleving inbreukprocedures moeten worden ingeleid, en eventueel wijzigingen doorgevoerd moeten worden om te verzekeren dat mannen en vrouwen in gelijke mate kunnen bijdragen aan het pensioenstelsel;

15.

veroordeelt met klem loonverschillen tussen mannen en vrouwen en hun „onverklaarbare” component ten gevolge van discriminatie op het werk, en herhaalt zijn oproep om Richtlijn 2006/54/EG, die in slechts twee lidstaten duidelijk en voldoende werd omgezet, te herzien om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van werk en beloning te optimaliseren, in navolging van het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk voor vrouwen en mannen, dat door het Verdrag gewaarborgd wordt sinds het ontstaan van de EEG;

16.

verzoekt de lidstaten en de Commissie de toepassing van de beginselen van non discriminatie en gelijkheid op de arbeidsmarkt en bij de toegang tot arbeid te waarborgen, en — in het bijzonder — socialebeschermingsmaatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat het salaris en de socialezekerheidsrechten van vrouwen, met inbegrip van pensioenen, gelijk zijn aan die van mannen met dezelfde of een gelijkwaardige baan; verzoekt de lidstaten passende maatregelen vast te stellen om de schending van het beginsel van gelijke beloning van vrouwen en mannen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid tegen te gaan;

17.

dringt er bij de lidstaten, werkgevers en vakverenigingen op aan om bruikbare en concrete jobevaluatie-instrumenten te ontwikkelen en toe te passen die mee kunnen bepalen wat gelijkwaardig werk is en zodoende kunnen helpen te verzekeren dat vrouwen en mannen een gelijk loon en bijgevolg in de toekomst een gelijk pensioen ontvangen; spoort de bedrijven ertoe aan jaarlijkse controles naar gelijke beloning te verrichten, transparante gegevens te publiceren en de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten;

18.

roept de Commissie en de lidstaten op om actie te ondernemen tegen horizontale en verticale segregatie op de arbeidsmarkt door genderongelijkheden en discriminatie inzake werkgelegenheid uit te bannen en vrouwen aan te moedigen, met name via onderwijs en via bewustmaking van meisjes en vrouwen, om te kiezen voor studies, beroepen en loopbanen in sectoren die voor innovatie en groei zorgen en die vandaag vanwege hardnekkige stereotypes door mannen worden gedomineerd;

19.

verzoekt de Commissie en de lidstaten intensiever te werken aan nieuwe maatregelen die vrouwen moeten stimuleren om langer en met kortere onderbrekingen aan de arbeidsmarkt deel te nemen en zo hun economische onafhankelijkheid nu en op hogere leeftijd te verbeteren;

20.

herinnert eraan dat, nu de verantwoordelijkheid steeds meer verschuift van de pensioenstelsels naar persoonlijke financieringsregelingen, non-discriminatie bij de toegang tot de financiële diensten die onder Richtlijn 2004/113/EG vallen moet worden verzekerd op basis van gelijke actuariële criteria; merkt op dat de toepassing van de regel van sekseneutraliteit zal helpen om de genderpensioenkloof te dichten; verzoekt de lidstaten en de Commissie de transparantie, de toegang tot informatie en de zekerheid voor deelnemers aan en gerechtigden van bedrijfspensioenregelingen te vergroten, met inachtneming van de EU-beginselen van non-discriminatie en gendergelijkheid;

21.

beklemtoont dat het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk heeft gemaakt dat bedrijfspensioenregelingen als salaris moeten worden beschouwd en dat het beginsel van gelijke behandeling derhalve ook op deze regelingen van toepassing is;

22.

verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan vrouwen, die vaak geen pensioenrechten hebben opgebouwd en daardoor niet economisch onafhankelijk zijn, met name in geval van scheiding;

De ongelijkheden in het beroepsleven van mannen en vrouwen beperken

23.

verwelkomt het feit dat de Commissie op het verzoek van het Europees Parlement is ingegaan om het evenwicht tussen privé- en beroepsleven te verbeteren, door middel van niet-wetgevingsvoorstellen en een wetsvoorstel waarin verschillende soorten verlofregelingen zijn opgenomen met het doel het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de 21e eeuw; benadrukt dat de voorstellen van de Commissie een goede basis vormen om aan de verwachtingen van de Europese burgers te voldoen; verzoekt alle instellingen om dit pakket zo spoedig mogelijk te realiseren;

24.

verlangt dat de lidstaten de wetgeving op het gebied van moederschapsrechten naleven en handhaven om te voorkomen dat vrouwen de rekening voor hun moederschap gepresenteerd krijgen in de vorm van een lager pensioen;

25.

verzoekt de lidstaten te overwegen om werknemers de mogelijkheid te bieden om te onderhandelen over vrijwillige flexibele werkregelingen, met inbegrip van „slim werken”, volgens de nationale praktijk en ongeacht de leeftijd van de kinderen of de gezinssituatie, waardoor vrouwen en mannen werk en gezin beter kunnen combineren, zodat het ene niet langer gedwongen moet voorgaan op het andere als zij zorgtaken op zich nemen;

26.

neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor zorgverlof in de richtlijn betreffende evenwicht tussen werk en privéleven van ouders en verzorgers en herinnert aan zijn verzoek om passende beloning en sociale bescherming; verzoekt de lidstaten om op basis van een uitwisseling van beste praktijken „zorgkredieten” in het leven te roepen, ten voordele van zowel vrouwen als mannen, om loopbaanonderbrekingen met het oog op de informele zorg voor een familielid en periodes van formeel zorgverlof, zoals moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof, eerlijk te compenseren en mee te nemen in de berekening van de pensioenrechten; is van oordeel dat deze kredieten gedurende een bepaalde, korte periode moeten worden toegekend, om te voorkomen dat stereotypen nog worden versterkt en de ongelijkheid verder toeneemt;

27.

verzoekt de lidstaten strategieën te ontwerpen ter erkenning van het belang van informele zorg voor familieleden en andere afhankelijke gezinsleden, en de eerlijke verdeling ervan tussen vrouwen en mannen, want het ontbreken hiervan is een potentiële bron van loopbaanonderbrekingen en onzekere arbeidsomstandigheden voor vrouwen, waardoor hun pensioenrechten in gevaar komen; benadrukt in dit verband het belang van stimulansen voor mannen om hun ouderschaps- en vaderschapsverlof op te nemen;

28.

verzoekt de lidstaten werknemers in staat te stellen om na zwangerschaps- of ouderschapsverlof weer naar een vergelijkbare arbeidsregeling terug te keren;

29.

wijst erop dat een goed evenwicht tussen werk en privéleven voor mannen en vrouwen pas behaald kan worden als er kwalitatief hoogstaande, betaalbare en toegankelijke zorgvoorzieningen voor kinderen, ouderen en zorgbehoevenden zijn en als de gelijke verdeling van verantwoordelijkheden, kosten en zorg aangemoedigd wordt; roept de lidstaten op meer te investeren in diensten voor kinderen, onderstreept dat op het platteland kinderopvang moet worden aangeboden, en dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te ondersteunen, onder meer door EU-financiering beschikbaar te stellen, om dergelijke voorzieningen aan te bieden die voor allen toegankelijk zijn; verzoekt de lidstaten om niet alleen de doelstellingen van Barcelona zo snel mogelijk na te komen, en dit uiterlijk tegen 2020, maar ook soortgelijke doelstellingen te bepalen voor langdurige zorgdiensten en tegelijkertijd gezinnen die de voorkeur geven aan een ander opvoedingsmodel, keuzevrijheid te bieden; prijst de lidstaten die beide soorten doelstellingen reeds hebben bereikt;

Invloed van de pensioenstelsels op de pensioenkloof

30.

roept de lidstaten op om, op basis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens, de invloed van hun pensioenstelsels op de pensioenkloof en de factoren die eraan ten grondslag liggen te evalueren, teneinde discriminatie te bestrijden en te zorgen voor transparantie in de pensioenstelsels van de lidstaten;

31.

onderstreept dat in het kader van de houdbaarheid van pensioenstelsels rekening moet worden gehouden met de uitdagingen van demografische ontwikkelingen, vergrijzing, geboortecijfers en de verhouding tussen economisch actieven en personen met de pensioengerechtigde leeftijd; herinnert eraan dat de situatie van deze laatste groep nauw samenhangt met het aantal arbeidsjaren en de betaalde premies;

32.

verzoekt de lidstaten, teneinde de sociale zekerheid met het oog op de toenemende levensverwachting in de EU houdbaar te houden, met spoed de nodige structurele wijzigingen in de pensioenstelsels door te voeren;

33.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om grondiger te bestuderen welke gevolgen een overschakeling van wettelijke overheidspensioenen naar een systeem met flexibelere mechanismen voor pensioenbijdragen in particuliere en bedrijfspensioenregelingen kan hebben voor de pensioenkloof, bijvoorbeeld met betrekking tot de berekening van de periode waarin werd bijgedragen aan het pensioenstelsel of tot de geleidelijke uittreding uit de arbeidsmarkt;

34.

waarschuwt voor de risico's voor gendergelijkheid van de verschuiving van socialezekerheidspensioenen naar particuliere, kapitaalgedekte pensioenen, aangezien particuliere pensioenen gebaseerd zijn op individuele bijdragen en geen regelingen omvatten voor de vergoeding voor tijd die wordt besteed aan de zorg voor kinderen en andere hulpbehoevende familieleden, of voor perioden van werkloosheid, ziekteverlof of invaliditeit; wijst erop dat hervormingen van de pensioenstelsels die sociale uitkeringen aan groei en aan de situatie op de arbeidsmarkt en de financiële markten koppelen, de nadruk uitsluitend op macro-economische aspecten leggen maar niet op het sociale doel van pensioenen;

35.

verzoekt de lidstaten hun pensioenstelsels en de reeds geïmplementeerde hervormingen te ontdoen van die elementen die tot meer onevenwichtigheden (en met name gendergerelateerde onevenwichtigheden, zoals de bestaande genderpensioenkloof) bij pensioenen leiden, rekening te houden met de gendereffecten van eventuele verdere pensioenhervormingen en maatregelen te nemen voor het elimineren van de discriminatie in kwestie; benadrukt dat beleidswijzigingen op het vlak van pensioenen altijd moeten worden beoordeeld aan de hand van het effect ervan op de genderkloof, door middel van specifieke analyses waarbij de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen voor vrouwen en mannen tegen elkaar worden afgezet, hetgeen een essentieel onderdeel moet vormen van de planning, het ontwerp, de tenuitvoerlegging en de evaluatie van overheidsbeleid;

36.

verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken aan te moedigen om zo na te gaan welke correctiemechanismen het meest doeltreffend zijn en met welke mechanismen de factoren die de pensioenkloof vergroten, kunnen worden aangepakt;

37.

verzoekt de Commissie en de lidstaten voor mannen en vrouwen identieke levenslange tarieven in te voeren voor pensioenregelingen en zorgkredieten, alsook voor afgeleide uitkeringen, zodat vrouwen voor gelijke bijdragen gelijke pensioenannuïteiten kunnen krijgen, ook al hebben zij een langere levensverwachting dan mannen, en teneinde ervoor te zorgen dat de levensverwachting van vrouwen niet als voorwendsel wordt gebruikt voor discriminatie, in het bijzonder bij de berekening van pensioenen;

38.

verlangt dat alle prikkels die de belasting- en pensioenstelsels bieden, en de gevolgen die zij hebben voor de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, tegen het licht worden gehouden, met bijzondere nadruk op huishoudens van alleenstaande moeders; verlangt ook dat onjuiste prikkels worden afgeschaft en dat rechten worden geïndividualiseerd;

39.

benadrukt de belangrijke rol die overlevingspensioenen vervullen bij het beschermen van vele oudere vrouwen tegen armoede en sociale uitsluiting, waarop zij een hoger risico lopen dan oudere mannen; verzoekt de lidstaten hun overlevingspensioenstelsels, met inbegrip van weduwenpensioenen, waar nodig te hervormen zodat ongetrouwde vrouwen niet worden benadeeld; verzoekt de lidstaten, met steun van de Commissie, onderzoek te doen naar de effecten van de verschillende stelsels voor overlevingspensioenen in het licht van de hoge percentages echtscheidingen, de armoedegraad bij ongehuwde stellen en sociale uitsluiting onder oudere vrouwen, en na te denken over wettelijke regelingen die bij scheidingen gedeelde pensioenrechten waarborgen;

40.

beklemtoont dat iedereen recht heeft op een overheidspensioen, en herinnert aan artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het recht van ouderen op een waardig en onafhankelijk bestaan is vastgelegd, en aan artikel 34 van het Handvest betreffende het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming waarborgen in geval van moederschap, ziekte, arbeidsongevallen, invaliditeit, afhankelijkheid van langdurige zorg, ouderdom of ontslag; wijst op het belang van de openbare, via een omslagsysteem gefinancierde socialezekerheidsstelsels als belangrijke bouwsteen voor een toereikende ouderdomsvoorziening;

41.

verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat zowel mannen als vrouwen de mogelijkheid hebben volledige tijdvakken van bijdragebetaling te vervullen en recht op een pensioen hebben, om de pensioenkloof te dichten door genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden, onderwijs en loopbaanplanning aan te passen, voor een beter evenwicht tussen werk en privé te zorgen, en meer te investeren in kinder- en ouderenzorg; vindt het ook belangrijk goede regelgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk vast te stellen die rekening houdt met gendergerelateerde beroeps- en psychosociale risico's, investeringen te doen in openbare diensten voor arbeidsvoorziening die vrouwen van alle leeftijden kunnen begeleiden bij het zoeken naar een baan, en flexibele regels in te voeren voor de overgang van werk naar pensioen;

42.

wijst erop dat het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties in zijn algemene opmerking nr. 16 (2005) over de gelijke rechten van mannen en vrouwen wat betreft de uitoefening van de economische, sociale en culturele rechten de vereisten van artikel 3 heeft vastgesteld in conjunctie met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met inbegrip van de vereiste dat de verplichte pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen gelijk moet worden getrokken, en dat moet worden gewaarborgd dat vrouwen dezelfde uitkeringen krijgen van pensioenstelsels, of deze nu openbaar of particulier zijn;

o

o o

43.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  11 augustus 2005, E/C.12/2005/4.

(2)  4 februari 2008, E/C.12/GC/19.

(3)  XX-3/def/GRC/4/1/EN.

(4)  PB L 6 van 10.1.1979, blz. 24.

(5)  PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(6)  PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.

(7)  PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(8)  PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 9.

(9)  PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 60.

(10)  PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 75.

(11)  PB C 36 van 29.1.2016, blz. 6.

(12)  PB C 316 van 30.8.2016, blz. 2.

(13)  PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.

(14)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0351.

(15)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/71


P8_TA(2017)0261

Verslag 2016 over Servië

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verslag van de Commissie 2016 over Servië (2016/2311(INI))

(2018/C 331/09)

Het Europees Parlement,

gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 in Thessaloniki over het vooruitzicht van de landen van de Westelijke Balkan op toetreding tot de Europese Unie,

gezien Besluit 2008/213/EG van de Raad van 18 februari 2008 over de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het Europese partnerschap met Servië en tot intrekking van Besluit 2006/56/EG (1),

gezien het advies van de Commissie van 12 oktober 2011 over het verzoek van Servië om toetreding tot de Europese Unie (SEC(2011)1208), het besluit van de Europese Raad van 2 maart 2012 om Servië de status van kandidaat-lidstaat te verlenen en het besluit van de Europese Raad van 27-28 juni 2013 om onderhandelingen met Servië te openen,

gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Servië, anderzijds, die op 1 september 2013 in werking is getreden,

gezien resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad, het advies van het Internationaal Gerechtshof van 22 juli 2010 over de vraag of de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming is met het internationaal recht, en resolutie 64/298 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 september 2010, waarin nota werd genomen van het advies van het Internationaal Gerechtshof en de bereidheid van de EU tot medewerking aan een dialoog tussen Servië en Kosovo werd verwelkomd,

gezien de verklaring en aanbevelingen van de vijfde bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité EU-Servië van 22-23 september 2016,

gezien het verslag over het beleid inzake ondernemingen en industrie, dat op 7 oktober 2016 is goedgekeurd door het gemengd raadgevend comité EU-Servië voor het maatschappelijk middenveld,

gezien het eindverslag van de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/het ODIHR over de vervroegde parlementsverkiezingen in Servië van 29 juli 2016,

gezien het verslag over Servië voor 2016 (SWD(2016)0361), dat de Commissie op 9 november 2016 heeft gepubliceerd,

gezien de beoordeling van de Commissie over het economisch hervormingsprogramma van Servië (2016-2018) (SWD(2016)0137),

gezien de gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de EU en de Westelijke Balkan en Turkije van 26 mei 2016 (9500/2016),

gezien de conclusies van het voorzitterschap van 13 december 2016,

gezien de derde zitting van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-Servië, die op 13 december 2016 heeft plaatsgehad,

gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over het verslag 2015 over Servië (2),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0063/2017),

A.

overwegende dat Servië, net als alle landen die het EU-lidmaatschap nastreven, op zijn eigen merites beoordeeld moet worden wat betreft het voldoen aan, en de uitvoering en naleving van dezelfde criteria en overwegende dat de kwaliteit van en de toewijding aan de nodige hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepaalt;

B.

overwegende dat de vooruitgang van Servië met betrekking tot de hoofdstukken 23 en 24 inzake de rechtsstaat en het proces van normalisering van de betrekkingen met Kosovo onder hoofdstuk 35 van wezenlijk belang blijft voor het algehele tempo van het onderhandelingsproces, in overeenstemming met het onderhandelingskader;

C.

overwegende dat Servië belangrijke stappen heeft ondernomen ter normalisering van de betrekkingen met Kosovo, wat heeft geleid tot het eerste akkoord over de beginselen van de normalisering van 19 april 2013 en de overeenkomsten van augustus 2015, maar dat er op dit gebied nog veel gedaan moet worden; overwegende dat er met spoed verdere stappen moeten worden ondernomen om alle hangende kwesties tussen beide landen aan te pakken, te bespoedigen en op te lossen;

D.

overwegende dat Servië zich blijft inzetten voor de totstandbrenging van een functionerende markteconomie en uitvoering blijft geven aan de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO);

E.

overwegende dat de tenuitvoerlegging van het rechtskader voor de bescherming van minderheden volledig gewaarborgd moet worden, met name op gebieden als onderwijs, toegang tot de media en tot religieuze diensten in minderheidstalen, alsook met betrekking tot een passende politieke vertegenwoordiging van nationale minderheden op lokaal, regionaal en nationaal niveau;

1.

is ingenomen met de opening van de onderhandelingen over hoofdstukken 23 (rechterlijke macht en grondrechten) en 24 (justitie, vrijheid en veiligheid), die de cruciale hoofdstukken zijn in de EU-benadering van de uitbreiding, gebaseerd op de rechtstaat, aangezien vooruitgang met betrekking tot deze hoofdstukken essentieel blijft voor het algemene tempo van het onderhandelingsproces; verwelkomt de opening van hoofdstukken 32 (Financiële controle) en 35 (Andere vraagstukken), de opening van de onderhandelingen over hoofdstuk 5 (Overheidsopdrachten) en de opening en voorlopige sluiting van hoofdstuk 25 (Wetenschap en onderzoek), de opening van onderhandelingen over hoofdstuk 20 (Ondernemings- en industriebeleid) en de opening en voorlopige sluiting van hoofdstuk 26 (Onderwijs en cultuur); ziet uit naar de opening van bijkomende hoofdstukken die technisch zijn voorbereid;

2.

verwelkomt de blijvende inzet van Servië op de weg naar integratie in de EU en zijn constructieve en terdege voorbereide aanpak van de onderhandelingen, wat een duidelijk teken is van vastberadenheid en politieke wil; vraagt dat Servië deze strategische beslissing actief blijft bevorderen en verspreiden onder de Servische bevolking, onder meer door ervoor te zorgen dat de Servische burgers beter op de hoogte zijn van middelen uit de EU-begroting die naar Servië gaan; verzoekt de Servische autoriteiten zich te onthouden van tegen de EU gerichte retoriek en boodschappen aan het publiek; benadrukt de noodzaak van geïnformeerde, transparante en constructieve debatten over de EU, haar instellingen en de gevolgen van het EU-lidmaatschap; constateert verbeteringen in de dialoog met en de publieke raadpleging van alle belanghebbenden en maatschappelijke organisaties en hun betrokkenheid bij het integratieproces in de EU;

3.

benadrukt dat de nauwkeurige tenuitvoerlegging van hervormingen en beleidsmaatregelen een belangrijke aanwijzing voor een succesrijk integratieproces blijft; is ingenomen met de goedkeuring van het herziene nationale programma voor de overname van het acquis (NPPA); vraagt Servië de tenuitvoerlegging van nieuwe wetgeving en beleidsmaatregelen beter te plannen, te coördineren en te monitoren door een adequate en efficiënte administratieve capaciteit op te zetten, en zich verder in te spannen voor het waarborgen van de stelselmatige inspraak van het maatschappelijk middenveld in de beleidsdialoog, onder meer in het toetredingsproces, als een instrument om de normen inzake democratisch bestuur te verbeteren; verwelkomt de voortdurende initiatieven van het regeringsbureau voor de samenwerking met het maatschappelijk middenveld om de samenwerking tussen de staat en de civiele sector te verbeteren;

4.

stelt vast dat er vertragingen zijn in de opname van pretoetredingssteun, die mede te wijten zijn aan het ontoereikende institutionele kader; dringt er bij de autoriteiten op aan dat zij positieve voorbeelden en goede praktijken zoeken bij de lidstaten; benadrukt dat er een meer doeltreffend en alomvattend institutioneel stelsel moet worden opgezet op nationaal, regionaal en lokaal niveau, opdat de IPA-steun (instrument voor pretoetredingssteun) en andere beschikbare fondsen benut worden;

5.

verwelkomt de vorderingen die Servië heeft gemaakt bij de ontwikkeling van een functionerende markteconomie en de verbetering van de algemene economische toestand in het land; benadrukt dat Servië goede vooruitgang heeft geboekt bij de aanpak van een aantal tekortkomingen in zijn beleid, met name met betrekking tot het begrotingstekort, dat nu onder het in de criteria van Maastricht vastgestelde niveau ligt; onderstreept dat de groeiperspectieven verbeterd zijn en dat de binnenlandse en externe onevenwichtigheden in de economie verminderd zijn; is verheugd dat er vorderingen zijn gemaakt met de herstructurering van overheidsbedrijven, met name op het gebied van energie en spoorwegvervoer, en benadrukt dat het van belang is dat die sectoren professioneel worden geleid zodat ze doeltreffender, concurrerender en economisch belangrijker kunnen worden; onderstreept de betekenis van werkgelegenheid in de publieke sector in Servië en het belang van de eerbiediging van de rechten van werknemers;

6.

neemt kennis van de uitslag van de presidentsverkiezingen van 2 april 2017; uit ernstige kritiek op de retoriek die tijdens de verkiezingscampagne door regeringsfunctionarissen en regeringsgezinde media werd gehanteerd ten aanzien van de overige presidentskandidaten; betreurt de ongelijke toegang van kandidaten tot de media gedurende de verkiezingscampagne en het parlementaire reces tijdens de campagne, waardoor oppositieleden een publiek forum werd onthouden; verzoekt de autoriteiten een deugdelijk onderzoek in te stellen naar allerlei soorten onregelmatigheden en gevallen van geweld en intimidatie tijdens de verkiezingen; is zich bewust van de protesten die op dat moment plaatsvonden in verschillende Servische steden en spoort de autoriteiten aan rekening te houden met hun eisen in overeenstemming met democratische normen en de geest van democratie;

7.

onderstreept de cruciale rol van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) voor de Servische economie en verzoekt Servië het ondernemingsklimaat voor de particuliere sector verder te verbeteren; verzoekt Servië en de EU-instellingen hun financieringsmogelijkheden voor kmo's uit te breiden, met name op het gebied van IT en de digitale economie; prijst de Servische inspanningen op het gebied van duaal onderwijs en beroepsopleiding om de jeugdwerkloosheid aan te pakken en onderstreept dat het belangrijk is opleidingen te organiseren die beter aansluiten op de vraag van de arbeidsmarkt; moedigt het land aan ondernemerschap te promoten, met name onder de jongeren; wijst op de ongunstige demografische ontwikkelingen en het verschijnsel van hersenvlucht en vraagt dat Servië nationale programma’s introduceert ter bevordering van de werkgelegenheid voor jongeren;

8.

is tevreden over het verloop van de parlementsverkiezingen van 24 april 2016, die door internationale waarnemers positief werden beoordeeld; verzoekt de autoriteiten ten volle uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/het ODIHR, in het bijzonder met betrekking tot tendentieuze berichtgeving in de media, oneerlijke voordelen voor gevestigde partijen en de vervaging van de grens tussen statelijke en partijgebonden activiteiten, het registratieproces en het gebrek aan transparantie in de financiering van politieke partijen en verkiezingscampagnes; benadrukt dat de financiering van politieke partijen moet stroken met de hoogste internationale normen; verzoekt de autoriteiten een deugdelijk onderzoek in te stellen naar klachten inzake onregelmatigheden, geweld en intimidatie tijdens het verkiezingsproces; verzoekt Servië te zorgen voor eerlijke en vrije verkiezingen in april 2017;

9.

merkt op dat eerste minister Aleksandar Vučić tijdens de presidentsverkiezingen van 2 april 201755,08 % van de stemmen heeft gekregen; benadrukt dat een meerpartijendelegatie van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa de verkiezingen heeft waargenomen en dat de OVSE/het ODIHR een verkiezingswaarnemingsmissie heeft afgevaardigd;

10.

herhaalt zijn verzoek aan Servië om, in lijn met de vereisten van zijn status als kandidaat-lidstaat, zijn buitenlands en veiligheidsbeleid geleidelijk in overeenstemming te brengen met het EU-beleid, ook zijn beleid ten aanzien van Rusland; vindt het betreurenswaardig dat Servië en Rusland gezamenlijke militaire oefeningen houden; is bezorgd over de aanwezigheid van Russische luchtvaartfaciliteiten in Niš; betreurt dat Servië in december 2016 een van de 26 landen was die in de Verenigde Naties de resolutie over de Krim, waarin werd opgeroepen tot een internationale missie voor de waarneming van de mensenrechtensituatie op het schiereiland, niet gesteund hebben; is ingenomen met de aanzienlijke bijdrage van Servië aan verscheidene missies en operaties van de EU uit hoofde van het GVDB (EUTM Mali, EUTM Somalië, EUNAVFOR Atalanta, EUTM RCA), alsmede met de aanhoudende deelname aan de internationale vredeshandhavingsoperaties; moedigt Servië krachtig aan tot onderhandelen over WTO-toetreding en steunt het land daarbij;

11.

spreekt zijn lof uit voor de constructieve en humanitaire benadering die Servië volgt bij de aanpak van de migratiecrisis; nodigt Servië uit ook met de buurlanden deze constructieve benadering te volgen; neemt met tevredenheid kennis van de grote inspanningen die Servië heeft geleverd om met steun van de EU en de internationale gemeenschap ingezetenen van derde landen onderdak en humanitaire hulp te bieden; benadrukt dat Servië de nieuwe asielwetgeving moet goedkeuren en uitvoeren; vraagt de Servische autoriteiten dat zij er blijven voor zorgen dat alle vluchtelingen en migranten basisdiensten aangeboden krijgen zoals passende huisvesting, voedsel, sanitaire voorzieningen en gezondheidszorg; vraagt de Commissie en de Raad dat zij steun blijven verlenen aan Servië voor het aanpakken van migratieproblemen en nauwgezet toe te zien op het gebruik van subsidies voor de organisatie en afhandeling van migratiestromen; spoort Servië aan ervoor te zorgen dat het aantal asielzoekers dat uit Servië de EU binnenkomt, blijft dalen; doet een beroep op Servië om de rechten van asielzoekers ten volle te respecteren en ervoor te zorgen dat onbegeleide en van hun familie gescheiden minderjarigen worden opgespoord en beschermd; verzoekt de Commissie op het gebied van migratie te blijven samenwerken met alle landen van de Westelijke Balkan om ervoor te zorgen dat Europese en internationale normen worden nageleefd;

Rechtsstaat

12.

stelt vast dat er weliswaar enige vooruitgang is geboekt op het gebied van de rechterlijke macht, met name doordat er stappen zijn ondernomen voor de harmonisering van de rechtspraak en de verdere bevordering van een op verdienste gebaseerd aanwervingssysteem, maar dat in de praktijk de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet gewaarborgd is, waardoor rechters en openbare aanklagers de aangenomen wetgeving niet ten uitvoer kunnen leggen; vraagt de autoriteiten dat zij het grondwettelijk en wetgevend kader in overeenstemming brengen met de Europese normen, teneinde de politieke invloed op de aanwerving en benoeming van rechters en openbare aanklagers te verminderen; benadrukt dat de kwaliteit en de efficiëntie van het rechtswezen en de toegang tot de rechtspleging blijvend problemen ondervinden als gevolg van een ongelijke verdeling van de werklast, een aanzienlijke gerechtelijke achterstand en het gebrek aan een systeem voor gratis rechtshulp, dat moet worden ingesteld; wenst dat uitvoering wordt gegeven aan de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

13.

is bezorgd over het gebrek aan vorderingen in de strijd tegen corruptie en dringt er bij Servië op aan dat het blijk geeft van duidelijke politieke wil en inzet om dit probleem aan te pakken, mede door het juridisch kader te versterken en volledig te handhaven; verzoekt Servië vaart te zetten achter de uitvoering van de nationale strategie en het nationaal actieplan voor corruptiebestrijding, en dringt erop aan dat Servië een aantoonbaar begin maakt met onderzoeken, vervolgingen en veroordelingen in zaken over corruptie op hoog niveau; is ingenomen met de vorderingen bij de afronding van de ontwerpwet inzake het agentschap voor corruptiebestrijding en met de uitvoering van de activiteiten op het gebied van corruptiepreventie en -bestrijding die zijn gepland in het onlangs vastgestelde EU-twinningsproject; dringt er bij Servië op aan dat het de bepalingen in het hoofdstuk economische delicten en corruptie in het wetboek van strafrecht wijzigt en ten uitvoer legt, zodat er een geloofwaardig en voorspelbaar strafrechtelijk kader wordt gecreëerd; is bezorgd over het feit dat er herhaaldelijk informatie over lopende onderzoeken gelekt wordt naar de media; verzoekt de Servische autoriteiten een grondig onderzoek in te stellen naar diverse opvallende gevallen waarbij bewijs van vermeend wangedrag door journalisten is geleverd; verzoekt nogmaals om een deugdelijke hervorming van de regels inzake ambtsmisbruik en misbruik van verantwoordelijke positie, teneinde mogelijk misbruik of willekeurige interpretatie te voorkomen; benadrukt dat al te frequent gebruik van de bepalingen inzake ambtsmisbruik in de particuliere sector schadelijk is voor het bedrijfsklimaat en de rechtszekerheid in het gedrang brengt; verzoekt Servië de neutraliteit en de continuïteit van het openbaar bestuur te garanderen;

14.

is verheugd over de actieve rol van Servië in de internationale en regionale politiële en justitiële samenwerking, alsook over de vooruitgang die geboekt is in de strijd tegen de georganiseerde misdaad en over de goedkeuring van de eerste dreigingsevaluatie van de zware en georganiseerde criminaliteit (SOCTA) van Servië; vraagt dat Servië extra inspanningen levert om onderzoek in te stellen naar grotere criminele netwerken en zorgt voor een betere financiële recherche en beter inlichtingengestuurd politiewerk, alsook voor een degelijk register van definitieve veroordelingen; vraagt dat Servië volledige uitvoering geeft aan de wet van februari 2016 betreffende de politie, deze in overeenstemming brengt met de EU-rechtsregels inzake inbeslagname van crimineel vermogen en een veilig platform opzet voor het uitwisselen van inlichtingen tussen wetshandhavingsinstanties; is ingenomen met de recente wijziging van de wet op openbaar eigendom en benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat deze wet op transparante en niet-discriminerende wijze ten uitvoer wordt gelegd en dat er verdere maatregelen worden getroffen om volledige juridische duidelijkheid te scheppen over eigendomsrechten; dringt aan op extra inspanningen bij de aanpak van het probleem van de werkingssfeer, uitvoering en gevolgen van de wet inzake de organisatie en bevoegdheden van staatsinstanties in processen wegens oorlogsmisdrijven; verzoekt de autoriteiten op te treden tegen gevallen van gebruik van buitensporig geweld van de politie tegen burgers; heeft met bezorgdheid kennis genomen van de controversiële gebeurtenissen in de wijk Savamala in Belgrado, met name met betrekking tot de vernieling van particulier eigendom; uit zijn bezorgdheid over het feit dat er een heel jaar is verstreken zonder enige vordering in het onderzoek, en dringt aan op een snelle oplossing en op volledige samenwerking met de gerechtelijke instanties in de onderzoeken om de daders voor de rechter te brengen; dringt er bij het Servische ministerie van Binnenlandse Zaken en de autoriteiten van de stad Belgrado op aan de openbare aanklager in deze zaak hun volledige medewerking te verlenen; verzoekt de autoriteiten af te zien van beschuldigingen, druk en aanvallen tegen leden van de burgerbeweging „Laat Belgrado niet verzuipen”;

15.

is ingenomen met de actieve rol van Servië in de strijd tegen terrorisme en herinnert eraan dat Servië al in 2014 de activiteiten van buitenlandse strijders strafbaar heeft gesteld, overeenkomstig Resolutie 2178(2014) van de VN-Veiligheidsraad; dringt aan op de goedkeuring van de in maart 2016 opgestelde nationale strategie voor de bestrijding van terrorisme; verzoekt Servië volledige uitvoering te geven aan de aanbevelingen van het evaluatieverslag van het Comité van deskundigen inzake de evaluatie van maatregelen ter bestrijding van het witwassen van geld (MONEYVAL) van de Raad van Europa, en met name de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) inzake financiering van het terrorisme en witwassen van geld; is ingenomen met de voortdurende internationale en regionale medewerking van Servië op het gebied van de drugsbestrijding, maar wijst erop dat er verdere inspanningen nodig zijn voor de opsporing en vervolging van criminele netwerken die betrokken zijn bij mensenhandel; is van mening dat een regionale strategie en nauwere samenwerking in de regio van essentieel belang zijn om corruptie en georganiseerde misdaad aan te pakken;

Democratie

16.

verwelkomt de maatregelen om de transparantie en het raadplegingsproces in het parlement te verbeteren, onder meer de openbare hoorzittingen en de regelmatige bijeenkomsten met en raadplegingen van de Nationale conventie inzake Europese integratie, vooral omdat deze belangrijke delen van de onderhandelingsprocedure vormen; blijft bezorgd over de ruime mate waarin gebruik wordt gemaakt van urgentieprocedures bij het aannemen van wetgeving; benadrukt dat het veelvuldige gebruik van spoedprocedures en wijzigingen van de parlementaire agenda op het laatste moment de efficiëntie van het parlement en de kwaliteit en transparantie van het wetgevingsproces ondermijnen, en tot gevolg hebben dat er niet voldoende tijd is voor een adequate raadpleging van de belanghebbenden en het ruime publiek; benadrukt dat het parlement meer toezicht moet gaan uitoefenen op de uitvoerende macht; dringt aan op betere coördinatie op alle niveaus en onmiddellijke goedkeuring van de gedragscode van het parlement; vindt het jammer dat het hoofd van de EU-delegatie naar Servië ten gevolge van verstoringen het verslag van de Commissie niet heeft kunnen presenteren in de commissie voor Europese integratie van het Servische parlement; benadrukt dat het hoofd van de EU-delegatie dit verslag zonder onnodige belemmeringen moet kunnen presenteren en dat dit er ook voor zal zorgen dat het Servische parlement naar behoren toezicht kan houden op het toetredingsproces;

17.

merkt op dat de grondwet moet worden herzien om volledig tegemoet te komen aan de aanbevelingen van de Commissie van Venetië, met name wat betreft de rol van het parlement in de benoeming van rechters, de controle van de politieke partijen op het mandaat van de parlementsleden, de onafhankelijkheid van de belangrijkste instellingen en de bescherming van de fundamentele rechten;

18.

verwelkomt de goedkeuring van het hervormingsprogramma voor het beheer van de overheidsfinanciën, de strategie inzake e-overheid, een strategie inzake regelgevende hervormingen en beleidsvorming, nieuwe wetten inzake algemene administratieve procedures, overheidssalarissen en overheidsambtenaren op provinciaal en plaatselijk bestuursniveau; stelt vast dat de uitvoering van het actieplan voor de hervorming van het openbaar bestuur op sommige punten vertraging heeft opgelopen en dat er geen vooruitgang is geboekt in de wijziging van het juridisch kader voor overheidsambtenaren van de centrale regering; onderstreept dat er meer inspanningen nodig zijn om het bestuur verder te professionaliseren en te depolitiseren en wervings- en ontslagprocedures transparanter te maken;

19.

benadrukt nogmaals het belang van onafhankelijke regelgevende instanties zoals de ombudsman, de commissaris voor informatie van openbaar belang en bescherming van persoonsgegevens, de nationale controle-instantie, het agentschap voor de bestrijding van corruptie en de raad voor de bestrijding van corruptie, om het toezicht op en de verantwoordingsplicht van de uitvoerende macht te waarborgen; benadrukt de noodzaak van transparantie en verantwoordingsplicht bij staatsinstellingen; verzoekt de autoriteiten de onafhankelijkheid van deze regelgevende instanties volledig te beschermen en te zorgen voor volledige politieke en administratieve ondersteuning van hun werkzaamheden alsook voor de correcte follow-up van hun aanbevelingen; verzoekt de autoriteiten zich te onthouden van beschuldigingen en ongegronde politieke aanvallen aan het adres van de ombudsman;

20.

benadrukt dat moet worden gezorgd voor een toegankelijk onderwijsstelsel met een volledig en evenwichtig lesprogramma, waarin onder meer aandacht wordt geschonken aan het belang van mensenrechten en non-discriminatie, arbeids- en opleidingskansen voor jongeren en het bevorderen van Europese studieprogramma's zoals het Erasmus-programma;

Mensenrechten

21.

onderstreept dat er een wetgevend en institutioneel kader is voor de naleving van het internationaal recht inzake de mensenrechten; benadrukt dat een consistente implementatie in het hele land vereist is; merkt op dat verdere gestage inspanningen noodzakelijk zijn voor het verbeteren van de situatie van personen die tot kwetsbare groepen behoren, waaronder personen met een handicap, personen met HIV/AIDS, LGBTI-personen, migranten en asielzoekers en etnische minderheden; onderstreept dat de Servische autoriteiten, alle politieke partijen en publieke figuren een klimaat van tolerantie en inclusie in Servië moeten bevorderen; verzoekt de autoriteiten toe te zien op de passende tenuitvoerlegging van de aangenomen anti-discriminatiewetgeving, vooral de wetten in verband met haatmisdrijven; uit zijn bezorgdheid over de wet inzake de rechten van burgeroorlogsslachtoffers waardoor een aantal groepen worden uitgesloten die tijdens de conflicten slachtoffer waren van gewelddaden en verzoekt de autoriteiten deze wet te herzien;

22.

geeft nogmaals uitdrukking aan zijn zorgen over het feit dat de situatie omtrent de vrijheid van meningsuiting en de zelfcensuur van de media nog altijd niet verbeterd is en zelfs slechter wordt; benadrukt dat politieke inmenging, bedreigingen en geweld tegen en intimidatie van journalisten, waaronder fysiek geweld, mondelinge en schriftelijke dreigementen en aanvallen op eigendommen een punt van zorg blijven; verzoekt de autoriteiten alle aanvallen openlijke en ondubbelzinnig te veroordelen, te zorgen voor voldoende middelen om meer proactief onderzoek in te stellen naar alle gevallen van aanvallen tegen journalisten en mediakanalen en de daders snel voor de rechter te brengen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat civielrechtelijke procedures wegens smaad en lastercampagnes in onevenredige mate gericht zijn tegen kritische media en journalisten alsook over de mogelijke gevolgen van gerechtelijke beslissingen in smaadprocessen voor de vrijheid van de media; uit zijn bezorgdheid over een negatieve campagne tegen onderzoeksjournalisten die verslag doen van corruptie, en dringt er bij regeringsfunctionarissen op aan af te zien van dergelijke campagnes; dringt aan op de volledige tenuitvoerlegging van de mediawetten; is verheugd over de ondertekening van de overeenkomst inzake de samenwerking tussen en de bescherming van journalisten die is gesloten tussen de aanklagers, de politie en de journalisten- en mediaverenigingen en kijkt uit naar de tenuitvoerlegging ervan; benadrukt dat volledige transparantie over de eigendomsstructuur en financiering van de media noodzakelijk is; spoort de regering aan waarborgen te bieden voor de onafhankelijkheid en de financiële duurzaamheid van beide publieke mediaorganisaties en voor de financiële levensvatbaarheid van media-inhoud in minderheidstalen, en de rol van de publieke omroepen op dit gebied te versterken;

23.

vindt het zorgelijk dat de wet inzake reclame in 2015 is aangenomen zonder behoorlijke openbare raadpleging, en dat belangrijke bepalingen, onder andere over het verbod op reclame voor overheidsinstanties en op politieke reclame buiten de verkiezingscampagne, zijn geschrapt;

24.

betreurt de vereiste voor het gebruik van IPA-fondsen op grond waarvan maatschappelijke organisaties partners moeten worden met de staat om een succesvolle aanvraag te kunnen doen;

25.

veroordeelt de negatieve campagne van de regering en de door de regering beheerde media tegen maatschappelijke organisaties; tekent bezwaar aan tegen door de regering opgerichte fictieve maatschappelijke organisaties als tegenhanger van onafhankelijke maatschappelijke organisaties; vindt het onaanvaardbaar dat er een partnerschap met de regering nodig is voor maatschappelijke organisaties om een succesvolle aanvraag voor IPA-fondsen in te kunnen dienen;

Eerbiediging en bescherming van minderheden

26.

herhaalt dat de bevordering en bescherming van de mensenrechten, waaronder ook de rechten van nationale minderheden, een basisvoorwaarde is voor toetreding tot de EU; verwelkomt de goedkeuring van een actieplan ter verwezenlijking van de rechten van nationale minderheden en de goedkeuring van een decreet inzake de oprichting van een fonds voor nationale minderheden dat nu operationeel moet worden; dringt erop aan dat het actieplan en de bijlage daarbij volledig wordt uitgevoerd op alomvattende en transparante wijze, met de constructieve inzet van alle partijen; herhaalt zijn oproep aan Servië ervoor te zorgen dat de wetgeving inzake de bescherming van minderheden consequent wordt toegepast en bijzondere aandacht te besteden aan de niet-discriminerende behandeling van nationale minderheden in het hele land, onder meer met betrekking tot onderwijs, taalgebruik, adequate vertegenwoordiging in het gerechtelijk apparaat, het openbaar bestuur, het nationaal parlement en plaatselijke en regionale instanties, en toegang tot de media en religieuze diensten in minderheidstalen; verwelkomt de goedkeuring van nieuwe onderwijsnormen voor het onderwijs van Servisch als tweede taal en de vorderingen die zijn geboekt bij het vertalen van schoolboeken in minderheidstalen en spoort de Servische autoriteiten ertoe aan ervoor te zorgen dat deze ontwikkelingen duurzaam zijn; vraagt dat Servië volledige uitvoering geeft aan alle internationale verdragen inzake rechten van minderheden;

27.

merkt op dat de multi-etnische, multiculturele en multiconfessionele diversiteit van de provincie Vojvodina ook bijdraagt aan de Servische identiteit; onderstreept dat Vojvodina een hoge mate van bescherming voor de minderheden heeft gehandhaafd en dat de interetnische situatie goed is gebleven; benadrukt dat niet mag worden getornd aan de autonomie van Vojvodina en dat de wet inzake de middelen van Vojvodina onverwijld moet worden aangenomen, zoals de grondwet bepaalt; is verheugd over de prestatie van de Servische stad Novi Sad om geselecteerd te worden als Culturele Hoofdstad van Europa in 2021;

28.

neemt kennis van de goedkeuring van de nieuwe strategie voor sociale inclusie van de Roma 2016-2025, die betrekking heeft op onderwijs, gezondheid, huisvesting, arbeid, sociale bescherming, anti-discriminatie en gendergelijkheid; vraagt dat de nieuwe strategie voor sociale inclusie van de Roma volledig en snel wordt uitgevoerd, aangezien dit de zwakste, meest gemarginaliseerde en meest gediscrimineerde groep in Servië is, en pleit voor de dringende vaststelling van het actieplan en voor de oprichting van een orgaan om de uitvoering van het actieplan te coördineren; veroordeelt het slopen van onofficiële Roma-nederzettingen door de autoriteiten, zonder waarschuwing vooraf te geven of alternatieve accommodatie aan te bieden; vindt het bijzonder zorgelijk dat er geen persoonsdocumenten worden afgegeven aan Roma omdat hun grondrechten daardoor beknot worden; is van mening dat al de hoger genoemde problemen tot gevolg hebben dat een groot aantal Roma uit Servië asiel aanvraagt in de EU;

Regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap

29.

is erover verheugd dat Servië zich constructief blijft inzetten voor bilaterale betrekkingen met andere uitbreidingslanden en aangrenzende EU-lidstaten; spoort Servië aan zijn proactieve en positieve betrokkenheid met zijn buren en de ruimere omgeving te versterken, goede nabuurschapsbetrekkingen te bevorderen en extra inspanningen te leveren om bilaterale problemen met buurlanden op te lossen in overeenstemming met het internationaal recht; herhaalt zijn verzoek aan de autoriteiten om de toegang tot de archieven van de voormalige republieken van Joegoslavië te faciliteren; vraagt dat Servië volledige uitvoering geeft aan bilaterale overeenkomsten met buurlanden; onderstreept dat onopgeloste bilaterale geschillen geen schadelijke gevolgen mogen hebben voor het toetredingsproces; spoort Servië aan de samenwerking met de aangrenzende EU-lidstaten te versterken, met name inzake grensgebieden, teneinde de economische ontwikkeling te bevorderen;

30.

neemt er met tevredenheid nota van dat Servië zich steeds constructiever inzet voor initiatieven voor regionale samenwerking, zoals de Donaustrategie, het Zuidoost-Europees Samenwerkingsproces, de Raad voor regionale samenwerking, de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst, het Adriatisch-Ionische initiatief, het proces van Brdo-Brijuni, het initiatief „de Zes van de Westelijke Balkan” en de bijbehorende agenda voor connectiviteit, en het proces van Berlijn; is ingenomen met de vergadering over samenwerking voor energie- en vervoersinfrastructuur van de eerste ministers van Bulgarije, Roemenië en Servië, en schaart zich achter het idee om dergelijke vergaderingen van de „Craiova-groep” een permanent karakter te geven; benadrukt het belang van het Regionaal Bureau voor samenwerking in jongerenzaken van de Westelijke Balkan voor het bevorderen van de verzoening; vraagt dat Servië uitvoering geeft aan de hervormingsmaatregelen voor connectiviteit die met de agenda voor connectiviteit verbonden zijn en aan de conclusies van de conferentie van Parijs over de Westelijke Balkan in 2016 en de TEN-T-verordening; prijst de rol van de Servische Kamer van Koophandel en Industrie bij de bevordering van regionale samenwerking en zijn bijdrage tot de oprichting van het investeerdersforum van de Kamers van Koophandel in de Westelijke Balkan;

31.

is ingenomen met de goedkeuring van een nationale strategie voor onderzoek naar en vervolging van oorlogsmisdaden; roept Servië op een klimaat van respect en verdraagzaamheid te bevorderen en alle vormen van haat zaaiende taal, de openlijke goedkeuring en ontkenning van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te veroordelen; stelt vast dat het mandaat van de voormalige openbare aanklager voor oorlogsmisdaden in december 2015 is afgelopen; benadrukt dat de benoeming van zijn opvolger een punt van grote zorg is; verzoekt om uitvoering van de nationale strategie en de goedkeuring van een vervolgingsstrategie in overeenstemming met de beginselen en regels van internationaal recht en de internationale normen; roept op tot versterkte regionale samenwerking bij de behandeling van oorlogsmisdaden en het oplossen van alle hangende kwesties in dit verband, onder meer via samenwerking tussen de openbaar ministeries voor oorlogsmisdaden in de regio bij kwesties van wederzijds belang; pleit voor volledige samenwerking met het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY), wat van essentieel belang blijft; vraagt dat oorlogsmisdaden behandeld worden zonder enige discriminatie, dat straffeloosheid wordt aangepakt en dat verantwoordingsplicht geldt; dringt er bij de autoriteiten op aan zich te blijven inzetten voor de opheldering van het lot van vermiste personen, het opsporen van massagraven en het garanderen van de rechten van de slachtoffers en hun families; betuigt nogmaals zijn steun voor het initiatief tot oprichting van de regionale commissie voor de vaststelling van feiten over oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan in het voormalige Joegoslavië en dringt er bij de Servische regering op aan het voortouw te nemen bij de oprichting ervan;

32.

vindt het bezwaarlijk dat een aantal Servische hoogwaardigheidsbekleders aanwezig waren bij de viering van de dag van de Republika Srpska op 9 januari 2017, die is gehouden in weerwil van de besluiten van het constitutioneel hof van Bosnië en Herzegovina; benadrukt dat Servië, als een kandidaat-lidstaat, en Bosnië en Herzegovina, als een potentiële kandidaat-lidstaat, de rechtsstaat met hun daden moeten verdedigen en bevorderen; roept de Servische autoriteiten op constitutionele hervormingen in Bosnië en Herzegovina te steunen zodat het land meer capaciteit krijgt om beter te functioneren en deel te nemen aan EU-toetredingsonderhandelingen;

33.

ziet de openstelling van drie nieuwe grensovergangen tussen Servië en Roemenië als een positieve ontwikkeling en beveelt de openstelling aan van de drie grensovergangen met Bulgarije bij Salash-Novo korito, Bankya-Petachinci en Treklyano-Bosilegrad waarvan de opening was uitgesteld;

34.

looft zowel Albanië als Servië voor hun blijvend engagement ter verbetering van de bilaterale betrekkingen en ter versterking van de regionale samenwerking op politiek en maatschappelijk niveau, bijvoorbeeld via het in Tirana gevestigde Regionaal Bureau voor samenwerking in jongerenzaken (Regional Youth Cooperation Office, RYCO); moedigt beide landen aan hun goede samenwerking voort te zetten teneinde verzoening in de regio te bevorderen;

35.

is verheugd dat Servië zich blijft engageren in het normalisatieproces met Kosovo en dat het zich inzet voor de uitvoering van de overeenkomsten die bereikt zijn in de door de EU gefaciliteerde dialoog; herhaalt dat de vorderingen in de dialoog moeten worden afgemeten aan de toepassing ervan in de praktijk; verzoekt beide partijen dan ook ernaar te blijven toewerken dat alle reeds bereikte overeenkomsten onverkort, te goeder trouw en tijdig worden uitgevoerd, en om vastbesloten door te gaan met het normaliseringsproces, met inbegrip van de kwestie van de gemeenschap van Servische gemeenten; benadrukt dat Servië en Kosovo nieuwe discussieonderwerpen voor de dialoog moeten aandragen om het leven van de mensen te verbeteren en de betrekkingen volledig te normaliseren; herhaalt zijn verzoek aan de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om de prestaties van de partijen bij de naleving van hun verplichtingen te evalueren;

36.

betreurt niettemin dat de Servische autoriteiten hebben beslist de voormalige president van Kosovo, Atifete Jahjaga, geen toestemming te verlenen het festival „Mirëdita, Dobar Dan” in Belgrado bij te wonen, waarop ze was uitgenodigd om een toespraak te geven over slachtoffers van seksueel geweld tijdens de oorlog in Kosovo; betreurt tevens dat de Kosovaarse autoriteiten als reactie hierop hebben beslist de Servische minister van Arbeid, Aleksandar Vulin, toegang tot Kosovo te weigeren; benadrukt dat dergelijke beslissingen in strijd zijn met de overeenkomst van Brussel inzake vrijheid van verkeer die door Servië en Kosovo is gesloten in het kader van de normalisering van de betrekkingen tussen beide landen;

37.

toont zich ernstig bezorgd over de recente spanningen tussen Servië en Kosovo omtrent de eerste treinrit van Belgrado naar Noord-Mitrovica, waarbij oorlogszuchtige uitspraken en tegen de EU gerichte retoriek te horen vielen; benadrukt dat zowel Belgrado als Pristina zich moeten onthouden van handelingen die de tot nu toe geboekte vorderingen in het gedrang kunnen brengen, alsook van provocerende maatregelen en niet-bevorderlijke retoriek die het normalisatieproces kunnen belemmeren;

38.

is ingenomen met de steun van de Servische autoriteiten aan Montenegro bij het onderzoek naar de mislukte aanslagen die gepland waren op de dag van de verkiezingen in Montenegro in 2016; merkt op dat de Servische autoriteiten twee verdachten hebben gearresteerd na de uitvaardiging van een arrestatiebevel door Montenegro; spoort de Servische autoriteiten aan te blijven samenwerken met Montenegro zodat de verdachten kunnen worden uitgeleverd aan Montenegro in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgelegd in de tussen de twee landen gesloten bilaterale overeenkomst inzake uitlevering;

39.

dringt aan op verdere inspanningen van de Commissie tot ondersteuning van een werkelijk verzoeningsproces in de regio, met name door steun voor culturele projecten die het recente verleden aan de orde stellen en door bevordering van een gemeenschappelijk en gedeeld inzicht in de geschiedenis, en van een algemene en politieke cultuur van tolerantie, inclusie en verzoening;

Energie

40.

vraagt dat Servië volledige uitvoering geeft aan de hervormingsmaatregelen voor connectiviteit in de energiesector; moedigt Servië aan de concurrentie op de gasmarkt te ontwikkelen en maatregelen te nemen ter verbetering van de aanpassing aan het acquis op het gebied van energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en de strijd tegen klimaatverandering, onder meer door een omvattend klimaatbeleid goed te keuren; roept op tot ratificatie van de Klimaatovereenkomst van Parijs; roept op tot de ontwikkeling van een waterkrachtstrategie voor de gehele Westelijke Balkan die aansluit op de EU-milieuwetgeving en verzoekt de autoriteiten de bijkomende EU-financiering van 50 miljoen EUR te gebruiken om het waterkrachtpotentieel van de regio te ontwikkelen; prijst Servië voor het opzetten van een financieringssysteem voor het milieu via het Groen Klimaatfonds; wijst op de noodzaak tot ontwikkeling van gas- en elektriciteitsverbindingen met zijn buurlanden; spoort Servië aan vaart te zetten achter de technische en budgettaire voorbereidingen van de gasinterconnector Bulgarije-Servië;

41.

wijst erop dat Servië de strategie voor waterbeheer nog moet goedkeuren en de wet inzake water en het nationale beheersplan voor het Donaubekken nog niet heeft herzien; benadrukt dat deze wetten van fundamenteel belang zijn voor een verdere afstemming op het EU-acquis en voor een betere tenuitvoerlegging van de EU-richtlijnen in de watersector;

o

o o

42.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering en het parlement van Servië.

(1)  PB L 80 van 19.3.2008, blz. 46.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0046.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/80


P8_TA(2017)0262

Verslag 2016 over Kosovo

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verslag 2016 van de Commissie over Kosovo (2016/2314(INI))

(2018/C 331/10)

Het Europees Parlement,

gezien de conclusies van het voorzitterschap van de bijeenkomst van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 in Thessaloniki over het vooruitzicht van de landen van de Westelijke Balkan op toetreding tot de Europese Unie,

gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Kosovo, die op 1 april 2016 in werking is getreden,

gezien de ondertekening van een kaderovereenkomst met Kosovo inzake de deelname aan programma's van de Unie,

gezien de eerste overeenkomst met beginselen voor de normalisatie van de betrekkingen tussen Kosovo en Servië, die op 19 april 2013 door de premiers Hashim Thaçi en Ivica Dačić is ondertekend, en gezien het actieplan ter uitvoering daarvan van 22 mei 2013,

gezien Besluit (GBVB) 2016/947 van de Raad van 14 juni 2016 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo (Eulex Kosovo),

gezien de verslagen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties over de lopende activiteiten van de VN-missie voor interim-bestuur in Kosovo (UNMIK) en de daarmee verband houdende ontwikkelingen, met inbegrip van het meest recente verslag van 26 oktober 2016, en gezien het debat dat de Veiligheidsraad op 16 november 2016 over UNMIK heeft gehouden,

gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2016 over het EU-uitbreidingsbeleid 2016 (COM(2016)0715),

gezien het verslag van de Commissie van 9 november 2016 over Kosovo voor 2016 (SWD(2016)0363),

gezien de beoordeling van het economische hervormingsprogramma van Kosovo voor de periode 2016-2018, die de Commissie op 18 april 2016 heeft gepubliceerd (SWD(2016)0134),

gezien de gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de EU en de Westelijke Balkan en Turkije van 26 mei 2016 (9500/2016),

gezien de Europese hervormingsagenda, die op 11 november 2016 in Pristina is gelanceerd,

gezien de conclusies van het Raadsvoorzitterschap van 13 december 2016 over het uitbreidingsproces en het stabilisatie- en associatieproces,

gezien de conclusies van de bijeenkomsten van de Raad Algemene Zaken van 7 december 2009, 14 december 2010 en 5 december 2011, waarin werd benadrukt, respectievelijk bevestigd dat ook Kosovo, onder voorbehoud van het standpunt van de lidstaten over de status van het land, op termijn in aanmerking moet komen voor visumliberalisering zodra aan alle voorwaarden is voldaan,

gezien het voorstel van de Commissie van 1 juni 2016 voor een verordening tot visumliberalisering voor burgers uit Kosovo (COM(2016)0277) en gezien het vierde verslag van de Commissie van 4 mei 2016 over de vooruitgang van Kosovo met de uitvoering van de vereisten van het stappenplan voor visumliberalisering (COM(2016)0276),

gezien resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad, het advies van het Internationaal Gerechtshof van 22 juli 2010 over de vraag of de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming is met het internationaal recht, en resolutie 64/298 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 september 2010, waarin nota werd genomen van het advies van het Internationaal Gerechtshof en de bereidheid van de EU tot medewerking aan een dialoog tussen Servië en Kosovo werd verwelkomd,

gezien de gezamenlijke verklaringen van de interparlementaire bijeenkomsten EP-Kosovo van 28-29 mei 2008, 6-7 april 2009, 22-23 juni 2010, 20 mei 2011, 14-15 maart 2012, 30-31 oktober 2013 en 29-30 april 2015, de verklaringen en aanbevelingen die zijn aangenomen tijdens de eerste en tweede bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité EU-Kosovo van respectievelijk 16-17 mei 2016 en 23-24 november 2016, en de eerste vergadering van de Stabilisatie- en Associatieraad van 25 november 2016,

gezien zijn eerdere resoluties,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0062/2017),

A.

overwegende dat 114 van de 193 lidstaten van de VN, waaronder 23 van de 28 lidstaten van de EU, de onafhankelijkheid van Kosovo erkennen;

B.

overwegende dat (potentiële) kandidaat-lidstaten worden beoordeeld op hun eigen verdiensten, en dat het tijdschema voor toetreding wordt bepaald door de snelheid en kwaliteit van de vereiste hervormingen;

C.

overwegende dat de EU meermaals heeft verklaard bereid te zijn de economische en politieke ontwikkeling van Kosovo via een duidelijk Europees perspectief te steunen, in overeenstemming met het Europese perspectief van de regio, en dat Kosovo laat zien Europese integratie na te streven;

D.

overwegende dat de rechtsstaat, de grondrechten, de versterking van de democratische instellingen, met inbegrip van de hervorming van de overheidsdiensten, alsmede betrekkingen van goed nabuurschap, economische ontwikkeling en mededinging, door de EU tot speerpunten van haar uitbreidingsbeleid zijn gemaakt;

E.

overwegende dat meer dan 90 % van de Kosovaren voor werkloosheid vreest en dat meer dan 30 % van de Kosovaarse bevolking tussen 0 en 120 EUR per maand verdient;

1.

is verheugd over de inwerkingtreding van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Kosovo op 1 april 2016, als eerste contractuele verbintenis en een essentiële stap ter voortzetting van het proces voor de integratie van Kosovo in de EU; is ingenomen met de Europese hervormingsagenda, waarmee op 11 november 2016 een begin is gemaakt, en met de vaststelling van de nationale strategie voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst, als platform om de uitvoering ervan te bevorderen, en roept Kosovo op duidelijke politieke wil en vastberadenheid te blijven tonen om het overeengekomen stappenplan uit te voeren, met inbegrip van het opzetten van het coördinatiemechanisme voor de uitvoering van de stabilisatie- en associatieovereenkomst, en de door deze overeenkomst op gang gebrachte positieve dynamiek te benutten om hervormingen uit te voeren en te institutionaliseren, de sociaal-economische ontwikkeling van Kosovo te verbeteren, op diverse gebieden samenwerking met de EU tot stand te brengen, waardoor tevens de integratie van de handel en de investeringen van Kosovo zou worden bevorderd, de betrekkingen met de buurlanden aan te halen en bij te dragen aan de stabiliteit in de regio; verzoekt de regering van Kosovo zich te concentreren op de uitvoering van de brede hervormingen zonder welke het land zijn verplichtingen krachtens de stabilisatie- en associatieovereenkomst niet zal kunnen nakomen; is verheugd dat op 23-24 november 2016 de tweede bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité is gehouden en dat op 25 november 2016 de eerste bijeenkomst van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-Kosovo is gehouden; merkt op dat het van essentieel belang is voor de democratische toekomst van Kosovo en voor de toekomst van het proces voor de integratie van Kosovo in de EU dat er in de tweede helft van 2017 vrije, eerlijke en transparante vervroegde algemene verkiezingen en gemeenteraadsverkiezingen worden gehouden;

2.

is ingenomen met het feit dat de vervroegde parlementsverkiezingen in Kosovo van 11 juni 2017 over het algemeen vreedzaam en ordelijk zijn verlopen; betreurt niettemin dat, mede vanwege tijdgebrek, enkele van de aanbevelingen van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) uit 2014 niet ten uitvoer werden gelegd; spreekt zijn bezorgdheid uit over de door EU-waarnemers gemelde problemen tijdens de verkiezingscampagne, in het bijzonder de ontwrichtende inmenging door sommige politieke partijen in de onafhankelijkheid van zowel private als publieke media, en de bedreigingen en de intimidatie jegens leden en kandidaten van de Servische gemeenschap van Kosovo die met de Srpska Lista aan de verkiezingen deelnamen; dringt er bij de partijen op aan snel een regering te vormen om voort te gaan op de weg van Kosovo in de richting van de EU, en zich in te zetten voor de ratificatie van de grensovereenkomst met Montenegro en goede resultaten te blijven boeken op het gebied van veroordelingen op hoog niveau wegens corruptie en georganiseerde criminaliteit, om zo de weg vrij te maken voor visumvrij reizen voor de inwoners van Kosovo;

3.

spreekt zijn bezorgdheid uit over de aanhoudende extreme polarisatie van het politieke landschap; roept alle partijen ertoe op verantwoordelijkheid en eigen inbreng te tonen en de voorwaarden voor een vruchtbare, oplossings- en resultaatgerichte dialoog tot stand te brengen om de spanningen te doen afnemen en een duurzaam compromis te bereiken om het land vooruitgang te helpen boeken op zijn Europese traject;

4.

dringt er bij de leiders van de Servische gemeenschap in Kosovo op aan hun plaats en rol in de instellingen van het land volledig zelf in handen te nemen en constructief en onafhankelijk van Belgrado op te treden, in het belang van alle inwoners van Kosovo, en roept Kosovo daarnaast op de toegang van Kosovaarse Serviërs tot de Kosovaarse instellingen te blijven ondersteunen; is in dit verband verheugd dat het Servische justitiële, politie- en burgerbeschermingspersoneel van Kosovo in het Kosovaarse systeem is geïntegreerd; roept de Kosovaarse autoriteiten op het wederzijds vertrouwen tussen gemeenschappen te blijven opbouwen en tegelijkertijd hun economische integratie te bevorderen;

5.

veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de gewelddadige verstoring van de activiteiten in het Kosovaarse parlement door een aantal oppositieleden in de eerste helft van 2016, is verheugd dat de oppositie weer deelneemt aan de parlementaire procedures over de meeste aangelegenheden, en is tevens ingenomen met de constructieve inzet van alle leden van de gemengde parlementaire delegatie van het Europees Parlement en het parlement van Kosovo aan het einde van de huidige legislatuur; benadrukt het belang van politieke dialoog, de actieve en constructieve deelname van alle politieke partijen aan de besluitvormingsprocessen en onbelemmerde parlementaire werkzaamheden als essentiële voorwaarden voor vooruitgang in het proces van integratie in de EU;

6.

beklemtoont dat op weg naar integratie in de EU een strategische langetermijnvisie en aanhoudende inzet voor de goedkeuring en uitvoering van de noodzakelijke hervormingen vereist zijn;

7.

constateert dat vijf lidstaten Kosovo niet hebben erkend; onderstreept dat erkenning de normalisering van de betrekkingen tussen Kosovo en Servië ten goede zou komen en de geloofwaardigheid van de EU in haar eigen buitenlands beleid zou vergroten; is ingenomen met de constructieve benadering van alle lidstaten wat betreft de bevordering en de versterking van de betrekkingen tussen de EU en Kosovo teneinde de sociaal-economische ontwikkeling, de rechtsstatelijkheid en de consolidering van de democratie in de hand te werken, ten voordele van de Kosovaarse bevolking; pleit voor een positieve benadering inzake de deelname van Kosovo aan internationale organisaties;

8.

is ingenomen met de door de Commissie voorgestelde visumliberalisering, wat voor Kosovo een zeer positieve stap op weg naar Europese integratie zou zijn; stelt verheugd vast dat zowel in de EU-lidstaten als in de Schengenlanden minder asielaanvragen worden ingediend door Kosovaarse burgers en is ingenomen met de invoering van het re-integratiefonds en de re-integratieprogramma's voor teruggekeerde Kosovaarse burgers; uit zijn bezorgdheid over de impasse in het uittredende parlement met betrekking tot de ratificatie van de grensovereenkomst met Montenegro, en benadrukt dat visumliberalisering slechts kan worden verleend wanneer Kosovo aan alle criteria voldoet, onder meer door goede resultaten te boeken op het gebied van veroordelingen op hoog niveau wegens corruptie en georganiseerde criminaliteit, daarbij aanzienlijk geholpen door het IT-volgsysteem voor prominente zaken, dat Kosovo inzet in het geval van zware criminaliteit en dat ook moet worden uitgebreid naar andere strafzaken; verzoekt de autoriteiten derhalve de inspanningen ter bestrijding van het witwassen van geld, illegaal wapenbezit en de drugs-, mensen- en wapenhandel op te voeren;

9.

acht het cruciaal dat het buitenlands en veiligheidsbeleid van Kosovo aansluit bij het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU;

10.

is verheugd over de geboekte voortgang bij de uitvoering van de verschillende overeenkomsten die sinds augustus 2016 zijn gesloten in het kader van de normalisering van de betrekkingen met Servië, na maanden van weinig of geen vooruitgang; benadrukt dat het voor de verdere succesvolle ontwikkeling van de dialoog tussen Pristina en Belgrado van essentieel belang is dat de overeenkomsten volledig worden uitgevoerd; verzoekt zowel Kosovo als Servië meer inzet en volgehouden politieke wil aan de dag te leggen inzake de normalisering van hun betrekkingen, en zich verre te houden van acties waardoor de tot dusver geboekte vooruitgang op het spel zou worden gezet; wijst erop dat dit een voorwaarde is voor toetreding tot de EU; neemt nota van enige vooruitgang in verband met andere technische kwesties, zoals kadasters, universitaire diploma's en nummerplaten, en in verband met de uitvoering van de overeenkomst over de brug van Mitrovica; heeft de ontwikkelingen in verband met de brug van Mitrovica met bezorgdheid gevolgd en staat achter de recente overeenkomst; is verheugd over de toekenning van een eigen internationale telefooncode aan Kosovo; herhaalt zijn verzoek aan de Europese Dienst voor extern optreden om de prestaties van de partijen bij de naleving van hun verplichtingen regelmatig te evalueren en aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over zijn bevindingen; wijst erop dat de gesloten overeenkomsten ten goede moeten komen aan het dagelijks leven van de gewone burger; merkt op dat de dialoog geen duidelijke voordelen oplevert voor de bevolking van Kosovo en Servië en benadrukt dat, in het bijzonder in Noord-Kosovo, maximale transparantie aan de dag moeten worden gelegd ten aanzien van de resultaten van de dialoog; benadrukt het belang van goede nabuurschapsbetrekkingen met alle landen van de Westelijke Balkan;

11.

veroordeelt het sturen van een Servische nationalistische trein van Belgrado naar Noord-Kosovo ten zeerste; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over oorlogszuchtige uitspraken en tegen de EU gerichte retoriek; constateert dat de rechtbank van Colmar (Frankrijk) onder afwijzing van een uitleveringsverzoek van Servië, de invrijheidsstelling heeft gelast van Ramush Haradinaj, die in 2008 en in 2012 door het Joegoslavië-tribunaal was vrijgesproken maar op 4 januari 2017 in Frankrijk werd aangehouden op grond van een internationaal arrestatiebevel dat in 2004 door Servië werd uitgevaardigd krachtens zijn Wet inzake de organisatie en bevoegdheden van overheidsinstanties in rechtszaken in verband met oorlogsmisdaden; betreurt dat tot dusver misbruik is gemaakt van deze wet om burgers uit landen die tot voormalig Joegoslavië behoorden te vervolgen, zoals blijkt uit deze recente zaak; dringt er bij beide partijen op aan zich te onthouden van provocatieve maatregelen en niet-bevorderlijke retoriek die het normalisatieproces in de weg kunnen staan; verzoekt de EU, Kosovo en Servië deze kwesties constructief te bespreken in het kader van de onderhandelingen over hun toetreding tot de EU;

12.

wijst erop dat de vereniging van Servische gemeenten nog niet is opgericht, dat de statuten ervan nog moeten worden opgesteld, en dat de regering van Kosovo verantwoordelijk is voor de oprichting van de vereniging; roept Kosovo op de vereniging onverwijld op te richten in overeenstemming met de overeenkomst die in het kader van de door de EU gefaciliteerde dialoog is bereikt, en met de uitspraak van het Grondwettelijk Hof van Kosovo; moedigt de Kosovaarse autoriteiten in dit verband aan een werkgroep op hoog niveau in te stellen, met een duidelijk en termijngebonden mandaat om een voorstel in te dienen voor een statuut inzake parlementaire controle en inbreng van het publiek; uit zijn bezorgdheid over het feit dat er nog steeds parallelle structuren van Servië aanwezig zijn, mede vanwege voortdurende financiële steun van dat land, en vraagt om die te ontmantelen; spoort alle belanghebbenden ertoe aan een billijke en wederzijds aanvaardbare langetermijnoplossing voor de situatie van het mijncomplex van Trepca te vinden;

13.

roept de politieke krachten op de eerbiediging van de burgerlijke vrijheden en de veiligheid van de Servische gemeenschap en haar gebedshuizen te waarborgen;

14.

juicht de instelling van gespecialiseerde kamers en het gespecialiseerd openbaar ministerie van Kosovo in Den Haag toe als een essentiële stap om voor gerechtigheid en verzoening te zorgen; benadrukt dat getuigenbescherming van cruciaal belang is voor het welslagen van de bijzondere rechtbank en roept de autoriteiten derhalve op burgers in staat te stellen zonder angst voor vergelding hierop een beroep te doen; verzoekt de EU en de lidstaten de rechtbank te blijven steunen, onder meer door voldoende middelen beschikbaar te stellen; is ingenomen met de bereidheid van Nederland om de rechtbank te huisvesten;

15.

verzoekt Kosovo het probleem van de vermisten aan te pakken, onder meer door eigendomsrechten op doeltreffende wijze te waarborgen, de inbeslagname van eigendommen te verbieden en de terugkeer en re-integratie van ontheemden te waarborgen; roept Kosovo op te garanderen dat de slachtoffers van verkrachting tijdens de oorlog daadwerkelijk worden vergoed, zoals vastgesteld in het nationale actieplan; stelt met bezorgdheid vast dat er slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt bij het onderzoek naar, de vervolging van en de veroordeling voor oorlogsmisdaden, waaronder gevallen van seksueel geweld tijdens de oorlog in Kosovo, in de jaren 1998-1999, en dringt er bij Kosovo op aan zijn inspanningen in dit verband op te voeren;

16.

betreurt dat het maatschappelijk middenveld niet regelmatig wordt geraadpleegd als onderdeel van het besluitvormingsproces; onderstreept de noodzaak om het maatschappelijk middenveld verder te versterken en vraagt de politieke wil te tonen om met het maatschappelijk middenveld samen te werken door de minimumnormen voor de raadpleging van het publiek toe te passen;

17.

roept de politieke krachten ertoe op de rechtsstaat te waarborgen, te eerbiedigen en te ondersteunen, en meer inspanningen te leveren om de rechtsstaat, inclusief de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, te versterken en daarbij een duidelijk onderscheid te maken tussen het legitieme streven van de burgers van Kosovo naar vrijheid en rechtvaardigheid en de daden van personen die oorlogsmisdaden zouden hebben begaan, welke door de bevoegde rechterlijke instanties naar behoren vervolgd moeten worden;

18.

merkt op dat de Ombudsman een begin heeft gemaakt met de tenuitvoerlegging van de wet inzake de Ombudsman van 2015, die voorziet in meer en betere rapportage, en dringt aan op de vaststelling van de desbetreffende afgeleide wetgeving; verzoekt het parlement en de regering van Kosovo om de financiële, functionele en organisatorische onafhankelijkheid van de Ombudsman te verzekeren, in overeenstemming met de internationale normen voor nationale mensenrechteninstellingen; dringt erop aan dat de regering gevolg geeft aan de verslagen en aanbevelingen van het bureau van de hoogste auditinstantie en de Ombudsman;

19.

onderstreept dat het bureau van de Ombudsman naar behoren moet kunnen functioneren, en dat ervoor moet worden gezorgd dat het over de nodige middelen beschikt om zijn taken uit te voeren;

20.

merkt op dat er weliswaar enige vooruitgang is geboekt bij het vaststellen van wetgeving voor de goede werking van de rechterlijke macht, maar dat de rechtsbedeling traag en inefficiënt blijft verlopen en wordt belemmerd door de resterende tekortkomingen van het strafrecht, het politieke en economische opportunisme, politieke inmenging, een gebrek aan verantwoordingsplicht en beperkte financiële en personele middelen, ook binnen het speciale openbaar ministerie; spoort Kosovo ertoe aan deze kwesties prioritair aan te pakken om rechtszekerheid ten aanzien van de eigendomsrechten van buitenlandse investeerders te verzekeren; neemt nota van de inspanningen die de politie en het openbaar ministerie hebben geleverd om de georganiseerde misdaad aan te pakken; waardeert de inspanningen van de bevoegde autoriteiten om de dood van Astrit Dehari in de gevangenis te onderzoeken en dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan het onderzoek af te ronden;

21.

is verheugd over de ondertekening van de kaderovereenkomst inzake de deelname van Kosovo aan EU-programma's en bepleit een zo snel mogelijke inwerkingtreding en correcte tenuitvoerlegging van de overeenkomst nadat deze door het Europees Parlement is goedgekeurd;

22.

uit zijn ernstige bezorgdheid over het gebrek aan vooruitgang inzake de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid, en over de toegenomen politieke inmenging en de druk en intimidatie ten aanzien van de media; is ernstig bezorgd over het toegenomen aantal rechtstreekse bedreigingen van en aanvallen op journalisten en de wijdverbreide zelfcensuur; dringt er bij de Kosovaarse autoriteiten op aan de vrijheid van meningsuiting volledig te erkennen en te beschermen, in overeenstemming met de EU-normen, een einde te maken aan de straffeloosheid voor aanvallen op journalisten en de verantwoordelijken voor de rechter te brengen; dringt er bij de regering op aan de onafhankelijkheid en levensvatbaarheid van de openbare omroep RTK te verzekeren en een passende financieringsregeling in te voeren; vraagt om degelijke wetgeving inzake auteursrecht vast te stellen en te zorgen voor transparantie ten aanzien van de eigendomsstructuur van media;

23.

verzoekt de Kosovaarse regering ervoor te zorgen dat gevallen van fysieke agressie en andere vormen van druk ten aanzien van journalisten onverwijld worden onderzocht en de toewijzing van rechtszaken door de rechterlijke macht te bespoedigen en te versterken, alle aanvallen tegen journalisten en media ondubbelzinnig te blijven veroordelen en transparantie over media-eigendom te verzekeren, om het groeiende risico van ongepaste druk op uitgevers en journalisten tegen te gaan;

24.

is verheugd over de overeenkomst die Kosovo en Servië op 30 november 2016 hebben gesloten over de laatste stappen voor de uitvoering van de in het kader van de dialoog van 9 februari 2015 bereikte overeenkomst inzake justitie, waardoor 's lands gerechtelijke instellingen op het hele grondgebied van Kosovo kunnen gaan optreden;

25.

benadrukt dat systemische corruptie indruist tegen de fundamentele EU-waarden van transparantie en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over de zeer trage vooruitgang inzake de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad en roept op tot hernieuwde inspanningen en een duidelijke politieke wil voor het aanpakken van deze kwesties, die verhinderen dat er in de toekomst beduidende economische vooruitgang wordt geboekt; betreurt dat corruptie en georganiseerde misdaad in bepaalde gebieden van Kosovo, met name in het noorden, onbestraft blijven; maakt zich zorgen over het feit dat de staat van dienst inzake onderzoeken, vervolgingen en definitieve veroordelingen pover blijft en dat zelden wordt overgegaan tot de inbeslagneming en verbeurdverklaring van criminele vermogensbestanddelen, hoewel dit een essentieel instrument is in de strijd tegen corruptie; beveelt daarom aan onverwijld over te gaan tot de bevriezing van tegoeden en het aantal definitieve inbeslagnames op te voeren; moedigt het Kosovaarse Agentschap voor corruptiebestrijding aan om bij onderzoeken een proactievere houding aan te nemen; geeft uiting aan zijn bezorgdheid dat er onvoldoende gereglementeerd toezicht is op de financiering van politieke partijen en campagnes; is van mening dat de wet inzake belangenconflicten in overeenstemming moet worden gebracht met de Europese normen en dat overheidsfunctionarissen die zijn aangeklaagd of veroordeeld wegens ernstige of corruptiegerelateerde misdrijven daadwerkelijk uit hun ambt moeten worden verwijderd; uit zijn bezorgdheid over het ontbreken van doeltreffende coördinatie tussen de instanties die bevoegd zijn voor het opsporen, onderzoeken en vervolgen van corruptiezaken; uit zijn ernstige bezorgdheid over de betrokkenheid van criminele gewapende groeperingen bij grensoverschrijdende criminele activiteiten en dringt aan op rechtstreekse en doeltreffende samenwerking tussen Kosovo en Servië, alsook tussen alle landen in de regio, bij de bestrijding van georganiseerde misdaad; benadrukt dat een Kosovaars lidmaatschap van Interpol en 's lands samenwerking met Europol deze inspanningen zouden vergemakkelijken;

26.

uit zijn bezorgdheid over het feit dat Kosovo een opslag- en doorvoerland voor harddrugs blijft; is bezorgd over het ontbreken van beveiligde opslag voor in beslag genomen drugs alvorens deze worden vernietigd; geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het beperkte aantal veroordelingen in zaken tegen mensenhandel, ondanks het feit dat Kosovo land van herkomst, doorvoer en bestemming is van verhandelde vrouwen en kinderen; uit zijn bezorgdheid over het bestaan van gewapende groeperingen en hun betrokkenheid bij georganiseerde criminele activiteiten zoals wapensmokkel, alsook de straffeloosheid waarmee zij blijkbaar over de grenzen heen kunnen opereren;

27.

roept Kosovo op zich harder in te spannen om een einde te maken aan gendergerelateerd geweld en te garanderen dat vrouwen hun rechten ten volle kunnen genieten; dringt er bij de Kosovaarse instellingen op aan passende middelen toe te wijzen voor de uitvoering van de nationale strategie betreffende huiselijk geweld, welke internationale mechanismen zoals het Verdrag van Istanbul omvat; is ingenomen met de politieke steun op hoog niveau voor de rechten van LGBTI's; is verheugd dat er voor de tweede keer een Pride Parade heeft plaatsgevonden, maar wijst er nogmaals op dat angst in de LGBTI-gemeenschap wijdverbreid blijft;

28.

verzoekt de Kosovaarse autoriteiten gendermainstreaming tot prioriteit te maken en erop toe te zien dat de bestuursorganen en overheidsinstellingen hierin het voortouw nemen; maakt zich zorgen over de structurele uitdagingen die de tenuitvoerlegging van de wet inzake gendergelijkheid belemmeren, en acht het nog altijd verontrustend dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in leidinggevende functies; roept Kosovo op vrouwen steeds aan te moedigen om hooggeplaatste posities na te streven; uit zijn bezorgdheid over het lage aantal vrouwen dat onroerend goed bezit, en verzoekt de autoriteiten er actief op toe te zien dat de eigendomsrechten van vrouwen, met inbegrip van erfenisrechten, worden gewaarborgd; is ingenomen met de vaststelling van een nationale strategie inzake huiselijk geweld en roept op tot de volledige toepassing ervan om vooruitgang te boeken in de strijd tegen huiselijk en gendergerelateerd geweld; wijst nogmaals op het verband tussen seksueel geweld tijdens oorlogen en conflicten en de normalisering en hoge frequentie van gendergerelateerd geweld in landen in een postconflictsituatie, indien hiertegen geen passende maatregelen worden genomen; dringt er bij de autoriteiten op aan openlijk beschermingsmechanismen en opvangmaatregelen aan te moedigen en in te voeren ten behoeve van vrouwen die de stilte verbreken en huiselijk geweld aan de kaak stellen; moedigt het werk van ngo's ter zake aan;

29.

juicht de oprichting van de interministeriële coördinatiegroep voor de rechten van de mens in 2016 toe, maar wijst erop dat er meer moet worden gedaan om de rechten van alle minderheden in Kosovo, met inbegrip van de Roma, Ashkali, Gorani en Balkan-Egyptenaren, te beschermen, door de desbetreffende wetgeving volledig ten uitvoer te leggen en voldoende middelen toe te wijzen; verzoekt de bevoegde nationale en lokale autoriteiten prioritair alle nodige wettelijke en praktische maatregelen te treffen om discriminatie te beperken en de rechten van de diverse etnische minderheden, met inbegrip van hun culturele, taalkundige en eigendomsrechten, te bekrachtigen om bij te dragen tot de ontwikkeling van een multi-etnische samenleving; dringt er bij Kosovo op aan ervoor te zorgen dat terugkerende vluchtelingen, waaronder veel Roma, volledig worden geïntegreerd en dat hun rechten als burgers worden hersteld zodat ze niet langer staatloos zijn; verzoekt Kosovo een nieuwe strategie en een nieuw actieplan voor integratie van de Roma, Ashkali en Balkan-Egyptenaren aan te nemen;

30.

is blij met de toegenomen inspanningen ter bestrijding en preventie van gewelddadig extremisme en radicalisering en erkent dat Kosovo op dit gebied belangrijk werk heeft verricht; merkt op dat er veel buitenlandse strijders naar Kosovo zijn teruggekeerd, en verzoekt de autoriteiten erop toe te zien dat ze in de gaten worden gehouden en vervolgd, alsook een brede strategie uit te werken voor doeltreffend beleid met het oog op preventie, deradicalisering en, in voorkomend geval, re-integratie; dringt erop aan de stroom buitenlandse strijders verder in kaart te brengen, potentiële strijders tegen te houden en een eind te maken aan de ontraceerbare financiering voor radicalisering; onderstreept de noodzaak van doeltreffende gemeenschapsprogramma's om de grieven die gewelddadig extremisme en radicalisering aanwakkeren aan te pakken en betrekkingen op te bouwen die tolerantie en dialoog in de hand werken;

31.

is verheugd over de verbetering van de economische situatie en de toename van de belastinginkomsten, waardoor de regering meer middelen ter beschikking heeft om haar beleid uit te voeren; vraagt zich echter met bezorgdheid af of de Kosovaarse begroting wel duurzaam is, met name gezien de hoogte van de uitkeringen aan oorlogsveteranen, en dringt in dit verband aan op een hervorming van de desbetreffende wet, zoals overeengekomen met het Internationaal Monetair Fonds; herhaalt dat structurele sociaal-economische hervormingen van cruciaal belang zijn om langetermijngroei te ondersteunen; benadrukt dat de plaatselijke industrie dringend moet worden versterkt, terwijl ook aandacht moet worden besteed aan het concurrentievermogen van lokaal vervaardigde producten zodat die aan de invoernormen van de EU kunnen voldoen; maakt zich zorgen over de afhankelijkheid van overmakingen van migranten; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de ad-hocfinancieringsbesluiten die zijn genomen en die de noodzakelijke stabiliteit voor het bedrijfsleven in het gedrang brengen; wijst eens te meer op de noodzaak van een snellere registratieprocedure voor nieuwe ondernemingen, die momenteel gehinderd worden door een onbetrouwbare administratie, onderontwikkelde infrastructuur, een zwakke rechtsstaat en wijdverbreide corruptie; roept Kosovo op om gevolg te geven aan de aanbevelingen naar aanleiding van de evaluatie van de Small Business Act van de EU en regelgevingsimpactbeoordelingen in te voeren om de administratieve lasten voor kmo's te verminderen, en verzoekt de Commissie meer bijstand te verlenen aan kmo's; verzoekt Kosovo om de aanbevelingen van het programma voor economische hervormingen 2016-2018 en de op 11 november 2016 gelanceerde Europese hervormingsagenda volledig ten uitvoer te leggen;

32.

neemt met bezorgdheid kennis van de hoge werkloosheid, met name onder jongeren, en uit zijn bezorgdheid over de discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, met name bij de aanwerving; verzoekt Kosovo meer inspanningen te leveren om het werkgelegenheidspeil te verhogen en de arbeidsmarktomstandigheden te verbeteren; wijst erop dat het noodzakelijk is de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, onder meer door de leerkrachten beter op te leiden, de overgang van school naar werk te ondersteunen en studievaardigheden af te stemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt, hetgeen een essentiële stap is om de torenhoge jeugdwerkloosheid aan te pakken; vraagt dat meer inspanningen worden gedaan om gezamenlijk onderwijs voor alle bevolkingsgroepen in de Kosovaarse samenleving te bevorderen; wijst op de noodzaak om de toezichtmechanismen, met name de arbeidsinspectie en -rechtbanken, te verbeteren en via de Sociaal-Economische Raad van Kosovo de dialoog tussen overheidsinstellingen en sociale partners te versterken; verwelkomt de conclusies van de Top van Parijs in 2016 en de oprichting van het eerste regionale bureau voor jongerensamenwerking;

33.

betreurt dat Kosovo maar traag inspanningen levert om een passende en efficiënte bestuurlijke capaciteit op te bouwen, waardoor het land de aangenomen wetten niet volledig ten uitvoer kan leggen en de EU-middelen niet doeltreffend kan aanwenden; betreurt de endemische corruptie, de politieke inmenging en de politisering van het personeel in overheidsdiensten op alle niveaus, alsook het feit dat bij verschillende onafhankelijke instellingen en agentschappen ambten werden bezet op basis van politieke overtuiging, veeleer dan professionele criteria; pleit voor verdere inspanningen om te komen tot een op verdienste gebaseerd aanwervingssysteem, dat nodig is om doelmatige, doeltreffende en professioneel onafhankelijke overheidsdiensten te verzekeren; vraagt dat een onderzoek wordt ingesteld naar de recente beschuldigingen van politieke inmenging in de aanwervings- en besluitvormingsprocedures van overheidsorganen;

34.

merkt op dat de voorwaarden voor opdrachten in het kader van de pretoetredingssteun zo streng zijn dat Kosovaarse of regionale bedrijven vaak zelfs niet kunnen inschrijven; vraagt daarom bijzondere aandacht te besteden aan het begeleiden en adviseren van belangstellende stakeholders; dringt er bij de autoriteiten op aan de resterende steun die nog niet is geprogrammeerd te bestemmen voor projecten die een directe impact hebben op de economie van Kosovo;

35.

is ingenomen met de verlenging van het mandaat van Eulex Kosovo en verzoekt Kosovo actief te blijven meewerken zodat Eulex zijn mandaat volledig en ongehinderd kan uitvoeren; dringt erop aan dat de EU zich ook na 2018 blijft inspannen voor de verdere versterking van een onafhankelijk justitie-, politie- en douanestelsel zodat Kosovo deze functies volledig zelf kan gaan uitoefenen; dringt aan op een efficiënte en soepele overdracht van door Eulex-aanklagers behandelde rechtszaken aan nationale aanklagers, met de nodige garanties dat wie in het verleden het slachtoffer werd van schendingen recht heeft op waarheid, gerechtigheid en genoegdoening;

36.

stelt vast dat het strafrechtelijk onderzoek naar aantijgingen van corruptie bij de Eulex-missie is afgerond; spreekt zijn tevredenheid uit over het feit dat de betrokken EU-ambtenaren van iedere blaam zijn gezuiverd; dringt bij Eulex aan op meer doeltreffendheid, volledige transparantie en een grotere mate van verantwoordelijkheid bij de missie voor de duur van het mandaat, en op de volledige tenuitvoerlegging van alle aanbevelingen die onafhankelijk deskundige Jean Paul Jacqué in zijn verslag van 2014 heeft gedaan;

37.

constateert dat Kosovo tot dusver geen belangrijke doorgangsroute is geworden voor vluchtelingen en migranten op de Westelijke Balkanroute; verzoekt de Kosovaarse autoriteiten ervoor te zorgen dat vluchtelingen en migranten op doorreis worden behandeld in overeenstemming met het Europees en internationaal recht, inclusief het EU-Handvest van de grondrechten en het Vluchtelingenverdrag van 1951; herhaalt dat financiële steun, onder meer uit hoofde van IPA II, beschikbaar moet zijn en snel en doeltreffend moet kunnen worden gemobiliseerd en ingezet in crisis- en noodsituaties;

38.

juicht toe dat verschillende Servische religieuze en culturele sites die in 2004 helaas waren vernietigd, zoals de orthodoxe kathedraal, met Kosovaars overheidsgeld zijn gerenoveerd; verwelkomt de toezegging van Kosovo om culturele erfgoedsites te beschermen en verzoekt de autoriteiten alle VN-Verdragen inzake cultureel erfgoed op alle niveaus ten uitvoer te leggen, ongeacht de status van Kosovo ten aanzien van Unesco, door het vaststellen van een passende strategie en nationale wetgeving, en een passende bescherming en beheer van culturele erfgoedsites in heel Kosovo te verzekeren; is in dit verband ingenomen met het door de EU gefinancierde programma om kleine erfgoedlocaties te beschermen en weer op te bouwen, teneinde de interculturele en interreligieuze dialoog in alle multi-etnische gemeenten te bevorderen; herhaalt dat de ontwerpwet inzake de godsdienstvrijheid moet worden goedgekeurd en dat hierin gevolg moet worden gegeven aan de desbetreffende aanbevelingen van de Commissie van Venetië;

39.

is zeer ingenomen met het besluit van de Raad van Europa om Kosovo met ingang van januari 2017 de status van waarnemer toe te kennen tijdens zittingen van zijn Parlementaire Vergadering in verband met Kosovo; steunt de inspanningen van Kosovo om zich in de internationale gemeenschap te integreren; dringt in dit verband aan op de deelname van Kosovo aan alle belangrijke regionale en internationale organisaties en verzoekt Servië zich niet langer met dit proces te bemoeien;

40.

verzoekt de Kosovaarse autoriteiten een geloofwaardige energiestrategie voor de lange termijn en een dito wetgevingskader vast te stellen op basis van energie-efficiëntie, de diversificatie van energiebronnen en de ontwikkeling van hernieuwbare energie; onderstreept de noodzaak om verder te werken aan betrouwbare elektriciteitsnetten en de energiesector duurzamer te maken, zowel wat voorzieningszekerheid als wat milieunormen betreft; roept de autoriteiten op om het memorandum van overeenstemming tussen de zes landen van de Westelijke Balkan inzake de ontwikkeling van de regionale elektriciteitsmarkt en de vaststelling van een kader voor toekomstige samenwerking met andere landen te ondertekenen; wijst erop dat Kosovo in 2017 het voorzitterschap van het Energiegemeenschapsverdrag overneemt en herinnert de autoriteiten eraan dat Kosovo krachtens dit verdrag wettelijk verplicht is ervoor te zorgen dat 25 % van alle elektriciteit tegen 2020 afkomstig is van hernieuwbare energiebronnen; roept de regering op de overeenkomst om de energiecentrale Kosovo A te ontmantelen en de energiecentrale Kosovo B te renoveren te eerbiedigen en gebruik te maken van de 60 miljoen EUR die de EU daarvoor heeft toegewezen in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun; dringt aan op een waterkrachtstrategie voor de hele Westelijke Balkan;

41.

uit zijn bezorgdheid over de alarmerende luchtverontreiniging in Kosovo, met name in het stadsgebied van Pristina, en verzoekt de nationale en lokale autoriteiten om dringend passende noodmaatregelen te nemen; wijst erop dat de nationale strategie inzake luchtkwaliteit naar behoren ten uitvoer moet worden gelegd; vreest dat afvalbeheer een van de meest zichtbare problemen in Kosovo blijft, dat in de geldende wetgeving niet afdoende wordt aangepakt;

42.

is ingenomen met het nieuwe project voor spoorwegverbindingen in de corridor Oriënt/Oostelijke Middellandse Zee, dat een nieuwe spoorlijn en stations in Kosovo omvat en de enige verbinding vormt tussen Kosovo en de ruimere regio; verzoekt de regering van Kosovo de tenuitvoerlegging van dit project ten volle te ondersteunen;

43.

verwelkomt de inspanningen van de Commissie om de impasse in de onderlinge koppeling van de elektriciteitsnetten van Albanië en Kosovo, die al maandenlang door Servië wordt geblokkeerd, te doorbreken en dringt aan op constructieve samenwerking tussen de Servische en Kosovaarse elektriciteitsautoriteiten; herinnert Servië er aan dat de door de Energiegemeenschap gestelde uiterste termijn voor opheffing van de blokkade 31 december 2016 was;

44.

verzoekt de Commissie om met alle landen van de Westelijke Balkan te blijven samenwerken aan migratiegerelateerde vraagstukken om ervoor te zorgen dat Europese en internationale normen worden nageleefd; is ingenomen met het in dit verband reeds verrichte werk;

45.

dringt aan op verdere inspanningen van de Commissie tot ondersteuning van een werkelijk verzoeningsproces in de regio, onder meer door steun voor culturele projecten die het recente verleden aan de orde stellen en door bevordering van een gemeenschappelijk en gedeeld inzicht in de geschiedenis, en van een algemene en politieke cultuur van tolerantie, inclusie en verzoening;

46.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de regering en de Nationale Assemblee van Kosovo.

18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/88


P8_TA(2017)0263

Verslag 2016 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verslag van de Commissie 2016 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (2016/2310(INI))

(2018/C 331/11)

Het Europees Parlement,

gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 in Thessaloniki over het vooruitzicht van de toetreding van de landen op de westelijke Balkan tot de Unie,

gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds (1),

gezien de kaderovereenkomst die in Ohrid werd gesloten en op 13 augustus 2001 in Skopje werd ondertekend (kaderovereenkomst van Ohrid),

gezien het besluit van de Europese Raad van 16 december 2005 om het land de status van kandidaat-land voor EU-lidmaatschap toe te kennen, de conclusies van de Europese Raad van juni 2008, en de conclusies van de Raad van december 2008, december 2012, december 2014 en december 2015, en de conclusies van het voorzitterschap van 13 december 2016, die door de overgrote meerderheid van de delegaties werden onderschreven en waarin het ondubbelzinnige engagement voor het EU-toetredingsproces van het land werd herhaald,

gezien de dertiende bijeenkomst van het stabilisatie- en associatiecomité tussen het land en de EU, gehouden te Skopje op 15 juni 2016,

gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2016 getiteld „EU-uitbreidingsbeleid” (COM(2016)0715) en het bijbehorend werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „The former Yugoslav Republic of Macedonia Report 2016” (SWD(2016)0362),

gezien het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van juni 2016 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,

gezien de dringende hervormingsprioriteiten van de Commissie voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van juni 2015,

gezien de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau inzake structurele rechtsstatelijke problemen in verband met de in de lente van 2015 onthulde onderschepping van communicatie,

gezien het politieke akkoord (het zogenoemde „Pržino-akkoord”) dat op 2 juni en 15 juli 2015 in Skopje werd gesloten tussen de vier belangrijkste politieke partijen, evenals het vierpartijenakkoord over de tenuitvoerlegging ervan van 20 juli en 31 augustus 2016,

gezien de slotverklaring van de voorzitter van de Westelijke Balkan-top in Parijs van 4 juli 2016 en de aanbevelingen van maatschappelijke organisaties in aanloop naar de top in Parijs in 2016,

gezien de voorlopige bevindingen en conclusies en het eindverslag van de OVSE/ODIHR, betreffende de vervroegde parlementsverkiezingen van 11 december 2016,

gezien resoluties 817 (1993) en 845 (1993) van de VN-Veiligheidsraad, alsook resolutie 47/225 van de Algemene Vergadering van de VN en het interimakkoord van 13 september 1995,

gezien de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 13 september 1995 over de toepassing van het interimakkoord,

gezien zijn eerdere resoluties over het land,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0055/2017),

A.

overwegende dat, na twee keer te zijn uitgesteld, op 11 december 2016 in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in een ordelijke en kalme sfeer, en in overeenstemming met internationale normen en volgens de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR, vervroegde parlementsverkiezingen zijn gehouden; overwegende dat de verkiezingen zonder grote incidenten verliepen en in het algemeen goed georganiseerd waren, en dat de opkomst hoog was;

B.

overwegende dat politieke polarisatie, een diep wederzijds wantrouwen en een gebrek aan echte dialoog tussen de partijen een belemmering vormen voor hervormingen en toetredingsvoorbereidingen; overwegende dat op sommige belangrijke gebieden voortdurend een terugval is waar te nemen; overwegende dat democratie en de rechtsstaat voortdurend op de proef werden gesteld, vooral als gevolg van politieke corruptie, die de werking van democratische instellingen en belangrijke gebieden van de maatschappij aantast;

C.

overwegende dat Talat Xhaferi op 27 april 2017 tot nieuwe voorzitter van het Macedonische parlement werd gekozen; overwegende dat de president van de Republiek Macedonië op 17 mei 2017 SDSM-leider Zoran Zaev heeft belast met de vorming van een nieuwe regering; overwegende dat het Macedonische parlement op 31 mei 2017 gestemd heeft over de nieuwe, door premier Zoran Zaev geleide regering;

D.

overwegende dat de belangrijkste onderwerpen in het hervormingsproces onder meer de rechterlijke macht, openbaar bestuur en media, jeugdwerkloosheid en een herziening van de tenuitvoerlegging van de kaderovereenkomst van Ohrid betreffen;

E.

overwegende dat betrokkenheid van alle politieke krachten nodig is om het land op het pad van EU-integratie en het Euro-Atlantische pad te houden; overwegende dat de nieuwe regering stevige hervormingen moet goedkeuren en implementeren, en daarbij tastbare resultaten moet boeken, met name op het gebied van de rechtsstaat, justitie, corruptie, grondrechten, binnenlandse zaken en goede betrekkingen met de buurlanden;

F.

overwegende dat de Commissie, de Raad en het Parlement het erover eens zijn dat handhaving van de positieve aanbeveling om toetredingsonderhandelingen met het land te openen afhankelijk blijft van de tenuitvoerlegging van de Pržino-overeenkomst en van wezenlijke vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de dringende hervormingsprioriteiten;

G.

overwegende dat de Raad voortgang heeft tegengehouden vanwege de onopgeloste naamskwestie met Griekenland; overwegende dat bilaterale geschillen niet als voorwendsel mogen worden gebruikt om onderhandelingen met de EU te blokkeren;

H.

overwegende dat bilaterale geschillen niet mogen worden gebruikt om het EU-toetredingsproces of het openen van toetredingsonderhandelingen te blokkeren, maar naar behoren en in een constructieve geest in overeenstemming met de EU- en VN-normen moeten worden beslecht; overwegende dat alle mogelijke inspanningen moeten worden geleverd om goede betrekkingen met de buurlanden en tussen etnische groepen te behouden;

I.

overwegende dat (potentiële) kandidaat-lidstaten zullen worden beoordeeld op hun eigen verdiensten en dat de snelheid en kwaliteit van de noodzakelijke hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepalen; overwegende dat de opening van de toetredingsonderhandelingen moet worden gewaarborgd zodra aan de vereiste voorwaarden is voldaan; overwegende dat het land wat aanpassingen aan het acquis betreft vele jaren als één van de vooroplopende kandidaat-landen voor het EU-lidmaatschap werd beschouwd;

J.

overwegende dat het EU-toetredingsproces een belangrijke stimulans is voor verdere hervormingen, vooral met het oog op de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van justitie, de bestrijding van corruptie en mediavrijheid; overwegende dat regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen wezenlijke onderdelen van het uitbreidingsproces, het stabilisatie- en associatieproces, en het proces van toetreding van het land vormen;

K.

overwegende dat leiders van de vier grootste politieke partijen op 20 juli en 31 augustus 2016 een overeenkomst hebben bereikt over de tenuitvoerlegging van de Pržino-overeenkomst, in het kader waarvan 11 december 2016 als datum voor vervroegde parlementsverkiezingen is vastgelegd en zij hun steun hebben uitgesproken voor het werk van de speciale openbaar aanklager; overwegende dat zij ook hun engagement hebben herhaald voor de tenuitvoerlegging van de ″dringende hervormingsprioriteiten″;

L.

overwegende dat de recente politieke crisis heeft laten zien dat het in de Macedonische instituties ontbreekt aan een doeltreffend systeem van „checks-and-balances”, alsook dat het noodzakelijk is om de transparantie en de publieke verantwoordingsplicht te vergroten;

M.

overwegende dat de bestrijding van de georganiseerde misdaad en corruptie van fundamenteel belang is om criminele infiltratie in politieke, juridische en economische systemen tegen te gaan;

1.

is ingenomen met het feit dat er op 31 mei 2017 een nieuwe regering is gevormd; verzoekt alle politieke partijen met klem te handelen in een geest van verzoening, in het algemeen belang van alle burgers, en met de regering samen te werken om het vertrouwen in het land en zijn instellingen te herstellen, onder meer door middel van de onverkorte tenuitvoerlegging van de overeenkomst van Pržino en de „dringende hervormingsprioriteiten”;

2.

is verheugd over de eerbiediging van de grondrechten bij de vervroegde verkiezingen op 11 december 2016, die goed werden georganiseerd, op open en inclusieve wijze hebben plaatsgevonden, en zonder grote incidenten zijn verlopen; neemt er nota van dat de verkiezingen volgens de OVSE/ODIHR open waren; is er verheugd over dat alle politieke partijen de uitslag van deze verkiezingen hebben geaccepteerd, en wijst er met klem op dat zij een verantwoordelijkheid hebben om het land niet opnieuw te laten afglijden in een politieke crisis; roept alle partijen op de effectieve werking van het parlement geen strobreed in de weg te leggen; verzoekt de nieuwe regering met klem om vaart te zetten achter de noodzakelijke hervormingen, teneinde de Euro-Atlantische integratie van het land te verzekeren en het Europees perspectief te behouden ten gunste van de inwoners; acht samenwerking tussen de partijen en etnische groeperingen van essentieel belang voor de aanpak van dringende binnenlandse en EU-gerelateerde uitdagingen, én om de positieve aanbeveling voor de opening van onderhandelingen over toetreding tot de EU te behouden;

3.

is verheugd dat het verkiezingsproces, inclusief het juridische kader, de kieslijsten en de mediadekking, is verbeterd; juicht het toe dat vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in een grote meerderheid van de stemlokalen toezicht hielden op de verkiezingen; verzoekt de bevoegde autoriteiten de vermeende onregelmatigheden en tekortkomingen, waaronder intimidatie van kiezers, het kopen van stemmen, misbruik van publieke middelen, politieke druk op de media, alsook opruiende taal en verbale aanvallen op journalisten, doeltreffend aan te pakken, mede met het oog op de plaatselijke verkiezingen van mei 2017; roept de bevoegde autoriteiten op gevolg te geven aan de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië, en geloofwaardige resultaten te boeken bij de effectieve toetsing van de financiering van politieke partijen en verkiezingscampagnes; benadrukt dat de verkiezingsorganisatie transparanter moet zijn en verder moet worden gedepolitiseerd, teneinde het vertrouwen van de bevolking in toekomstige verkiezingen te vergroten;

4.

acht het belangrijk een volkstelling te houden (de vorige volkstelling werd in 2002 gehouden), op voorwaarde dat er in het hele land consensus is over de te gebruiken methodologie, om een actueel en realistisch beeld te krijgen van de samenstelling van de bevolking van de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië, teneinde beter aan hun behoeften tegemoet te komen en diensten aan te bieden, en om de kieslijst verder te actualiseren en eventuele onregelmatigheden en tekortkomingen in de toekomst tot een minimum te beperken;

5.

verwacht van de nieuwe regering in de eerste plaats dat zij, in samenwerking met andere partijen, de EU-gerelateerde hervormingen versneld doorvoert; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de opening van toetredingsonderhandelingen, op voorwaarde dat voortgang wordt geboekt bij de tenuitvoerlegging van de Pržino-overeenkomst, teneinde ervoor te zorgen dat deze volledig, concreet en op duurzame wijze wordt geïmplementeerd, en dat significante vooruitgang wordt geboekt bij de implementatie van de dringende hervormingsprioriteiten bij de systeemhervormingen; verzoekt de Raad de kwestie van de toetredingsonderhandelingen bij de eerste de beste gelegenheid op zijn agenda te plaatsen; blijft ervan overtuigd dat onderhandelingen tot broodnodige hervormingen kunnen leiden, een nieuwe dynamiek kunnen creëren, het Europese perspectief nieuw leven kunnen inblazen en een positieve bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van bilaterale geschillen, teneinde het EU-toetredingsproces niet te belemmeren;

6.

benadrukt het strategische belang van verdere vooruitgang in het EU-toetredingsproces, en wijst er nogmaals op dat alle politieke partijen hun politieke wil moeten tonen en zich moeten inzetten voor het volledig ten uitvoer leggen van de dringende hervormingsprioriteiten en de Pržino-overeenkomst; benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de Pržino-overeenkomst van essentieel belang is, ook na de verkiezingen, om politieke stabiliteit en duurzaamheid in de toekomst te verzekeren; dringt er bij de Commissie op aan om zo snel mogelijk en voor het einde van 2017 de vorderingen van het land bij de tenuitvoerlegging te beoordelen en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement en de Raad; herinnert eraan dat achterstallige hervormingen moeten worden vastgesteld en doorgevoerd, en ondersteunt de voortzetting van de dialoog op hoog niveau inzake toetreding teneinde het land stelselmatig bij zijn inspanningen te helpen; betreurt dat er in het kader van de dialoog op hoog niveau geen bijeenkomst werd gehouden en dat er weinig vooruitgang is geboekt met betrekking tot het behalen van eerdere doelstellingen; wijst op de mogelijke negatieve politieke, veiligheids- en sociaal-economische gevolgen van verdere vertragingen bij het Euro-Atlantische integratieproces van het land; roept de Commissie en de EDEO verder op de zichtbaarheid van door de EU gefinancierde projecten in het land te vergroten om de EU dichter bij de burgers van het land te brengen;

7.

wijst op de aanzienlijke vooruitgang die het land in het EU-integratieproces heeft geboekt en benadrukt de negatieve gevolgen van verdere vertraging in het integratieproces, met inbegrip van de dreiging voor de geloofwaardigheid van het EU-uitbreidingsbeleid en het risico op instabiliteit in de regio;

8.

wijst erop dat de uitdagingen waarmee de Europese Unie momenteel wordt geconfronteerd (Brexit, migratie, radicalisme, enz.) het uitbreidingsproces niet mogen belemmeren, maar dat deze uitdagingen veeleer hebben aangetoond dat een volledige integratie van de Westelijke Balkan in de EU-structuren noodzakelijk is om het partnerschap uit te breiden en te verdiepen, en om internationale crises het hoofd te bieden;

9.

is verheugd over het hoge niveau van juridische overeenkomst met het communautaire acquis en erkent de prioriteit die wordt gegeven aan de effectieve tenuitvoerlegging en handhaving van bestaande juridische en beleidskaders, zoals het geval is bij landen waarmee al toetredingsonderhandelingen worden gevoerd;

10.

spreekt er zijn waardering voor uit dat het land zijn verplichtingen in het kader van de stabilisatie- en associatieovereenkomst blijft nakomen; verzoekt de Raad zijn goedkeuring te verlenen aan het voorstel van de Commissie van 2009 om overeenkomstig de desbetreffende bepalingen over te gaan naar het tweede stadium van de stabilisatie- en associatieovereenkomst;

11.

dringt er bij alle partijen op aan de politieke wil en verantwoordelijkheid te tonen om het gepolariseerde politieke klimaat, de polarisering en het gebrek aan overlegcultuur te verbeteren, en opnieuw in dialoog te treden; benadrukt nogmaals de cruciale rol die het nationale parlement vervult bij de democratische ontwikkeling van het land en als een forum voor politieke dialoog en vertegenwoordiging; dringt erop aan de toezichtstaken van het Parlement te versterken en de praktijk van frequente wetswijzigingen en het gebruik van verkorte goedkeuringsprocedures, zonder voldoende raadpleging of effectbeoordeling, in te perken; roept op tot de soepele werking van de parlementaire commissies inzake het onderscheppen van communicatie en inzake veiligheid en counterintelligence, en hun ongehinderde toegang tot de noodzakelijke gegevens en getuigenissen, teneinde te zorgen voor een geloofwaardige parlementaire controle op de desbetreffende diensten; erkent de constructieve rol die het maatschappelijk middenveld speelt bij de ondersteuning en verbetering van democratische processen;

12.

wijst op enige vorderingen bij de hervorming van het openbaar bestuur, inclusief stappen om het nieuwe rechtskader inzake het beheer van personele middelen ten uitvoer te leggen; roept op tot een blijvend engagement om de aanbevelingen van de Commissie ten uitvoer te leggen; blijft bezorgd over het gepolitiseerde openbaar bestuur en over de politieke druk die op ambtenaren wordt uitgeoefend; roept de nieuwe regering op politiek engagement aan de dag te leggen voor het vergroten van de professionaliteit, merite, neutraliteit en onafhankelijkheid op alle niveaus, door te werken met aanwervingen volgens verdienste en beoordelingsprocedures; benadrukt dat de strategie voor de hervorming van het openbaar bestuur 2017-2022 moet worden voltooid, onder meer door voldoende begrotingsmiddelen beschikbaar te stellen voor de tenuitvoerlegging ervan, en dat de desbetreffende administratieve capaciteit moet worden versterkt; roept de nieuwe regering op transparante en doeltreffende verantwoordingslijnen tussen en binnen instellingen op te zetten; beveelt aan voor eerlijke vertegenwoordiging van alle gemeenschappen op alle niveaus van het overheidsbestuur te zorgen;

13.

beveelt de nieuwe regering aan een alomvattende e-governancestrategie uit te werken, in combinatie met de verdere ontwikkeling van e-services voor burgers en bedrijven, teneinde de bureaucratische last voor de staat, de burgers en de bedrijven te verminderen; benadrukt dat e-governance en e-services de economische prestatie van het land zouden verbeteren en de transparantie en efficiëntie van het openbaar bestuur en de openbare diensten zouden vergroten; benadrukt het recht van burgers op toegang tot overheidsinformatie, en roept op tot bijkomende inspanningen om ervoor te zorgen dat dit recht op geen enkele manier wordt belemmerd; moedigt aan te zoeken naar innovatieve e-oplossingen om draagdrempelige toegang tot overheidsinformatie te waarborgen en de hiermee gepaard gaande bureaucratie te verminderen;

14.

betreurt de voortdurende terugval bij de hervorming van rechterlijke macht, die aangemoedigd zou moeten worden om onafhankelijk te werken; betreurt de herhaalde politieke bemoeienissen bij haar werkzaamheden, onder meer bij de benoeming en bevordering van rechters en aanklagers, evenals het gebrek aan verantwoordingsplicht en de gevallen van selectieve rechtspraak; dringt er nogmaals bij de bevoegde overheden op aan om de onopgeloste problemen die in de dringende hervormingsprioriteiten zijn geïdentificeerd doeltreffend aan te pakken en de politieke wil te tonen om de rechterlijke macht te hervormen, onder meer door zowel op papier, als in de praktijk de transparantie bij benoemings- en promotieprocedures te verbeteren en door de duur van gerechtelijke procedures te verkorten; erkent dat er inspanningen zijn geleverd om de transparantie te verbeteren; dringt er daarnaast bij de autoriteiten op aan de professionaliteit van de raad voor de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie te waarborgen, alsook de functionele onafhankelijkheid van het rechtssysteem in zijn geheel te garanderen;

15.

wijst nogmaals op het belang van een grondig en onafhankelijk onderzoek, zonder belemmeringen, naar de beschuldigingen van verkeerd handelen, aan het licht gebracht door de afgeluisterde gesprekken, en de daarmee samenhangende gebreken in het toezicht; herinnert aan het belang van het mandaat en de werkzaamheden van de speciale openbaar aanklager en de parlementaire enquêtecommissie om onderzoek te doen naar de wettelijke aansprakelijkheid en de politieke verantwoordelijkheid; wijst erop dat de speciale openbaar aanklager de eerste strafrechtelijke tenlasteleggingen openbaar heeft gemaakt in verband met wanpraktijken die via de afgeluisterde gesprekken aan het licht zijn gebracht;

16.

is bezorgd over de politieke aanvallen op en de administratieve en juridische belemmering van de werkzaamheden van de speciale openbaar aanklager, en over het gebrek aan medewerking van andere instellingen; herinnert de strafrechtbanken die zich niet aan officiële verzoeken van de speciale openbaar aanklager houden eraan dat zij wettelijk verplicht zijn de speciale openbaar aanklager bij te staan; acht het van essentieel belang voor het democratisch proces dat de speciale openbaar aanklager al zijn taken kan vervullen en volledig autonoom, ongehinderd en met de nodige middelen grondige onderzoeken kan verrichten; vraagt dat de speciale openbaar aanklager de volledige steun, de voorwaarden en de nodige tijd krijgt om zijn belangrijke werkzaamheden te voltooien; vraagt dat de speciale openbaar aanklager niet langer wordt belemmerd bij het presenteren van bewijslast in de rechtbanken, en dringt aan op steun voor wetswijzigingen om zijn autonome autoriteit voor getuigenbescherming veilig te stellen met betrekking tot de zaken waar zijn kabinet verantwoordelijk voor is; is er sterk van overtuigd dat de resultaten van de onderzoeken een belangrijke stap betekenen in het herstel van het vertrouwen in nationale instellingen; benadrukt bovendien de noodzaak om wijzigingen aan de wet op de getuigenbescherming goed te keuren;

17.

blijft bezorgd over het feit dat corruptie onverminderd een groot probleem is en dat corruptiebestrijding door politieke bemoeienissen wordt ondermijnd; benadrukt het feit dat er sterke politieke wil nodig is om corruptie aan te pakken; benadrukt dat het noodzakelijk is de onafhankelijkheid van de politie, het openbaar ministerie en de staatscommissie voor de preventie van corruptie te vergroten; roept op tot maatregelen ter vergroting van transparantie, en voor selecties en benoemingen van leden van de staatscommissie voor de preventie van corruptie op basis van verdienste; hamert op het belang van dringende maatregelen voor de doeltreffende preventie en bestraffing van belangenverstrengeling, alsook op een geloofwaardige registratie van corruptie op hoog niveau, waaronder de invoering van het wettelijk kader voor de bescherming van klokkenluiders in overeenstemming met Europese normen, de dringende hervormingsprioriteiten en de aanbevelingen van de Commissie van Venetië; spoort onafhankelijke maatschappelijke organisaties en de media nogmaals aan corruptie aan het licht te brengen en onafhankelijke en onbevooroordeelde onderzoeken te ondersteunen; roept de overheden op het werk van de Ombudsman te ondersteunen met voldoende personeel en begrotingsmaatregelen;

18.

is bezorgd over de verstrengeling van media-, politieke en regeringsactiviteiten, met name wat betreft overheidsuitgaven; veroordeelt met klem belangenverstrengelingen bij de besteding van publieke financiële middelen op grond van economische, politieke en/of familiebanden; dringt er bij de regering op aan om, als een aanvullende maatregel voor de bestrijding van corruptie, een wetgevingskader vast te stellen om belangenconflicten te reguleren en de vermogens van hooggeplaatste overheidsfunctionarissen openbaar te maken;

19.

is ingenomen met het vastgestelde rechtskader en de bestaande strategieën voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit; is ingenomen met de ontmanteling van criminele netwerken en routes voor de smokkel van mensen en drugs, en roept ertoe op de inspanningen voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad verder op te voeren; roept ertoe op de samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties zowel in het land als met de buurlanden verder te verbeteren en de bevoegdheden en middelen van rechtbanken te vergroten; acht het essentieel om de rechtshandhavingscapaciteit verder te ontwikkelen teneinde financiële criminaliteit te onderzoeken en vermogens in beslag te nemen;

20.

waardeert de voortdurende inspanningen om islamitische radicalisering en buitenlandse terroristische strijders te bestrijden; is verheugd over de vaststelling van de strategie voor de bestrijding van terrorisme 2013-2019, waarin eveneens de concepten van gewelddadig extremisme, radicalisering, preventie en re-integratie worden gedefinieerd; dringt aan op de tenuitvoerlegging ervan middels meer samenwerking tussen veiligheidsinstanties en maatschappelijke organisaties, religieuze leiders, lokale gemeenschappen en andere overheidsorganen in de sectoren onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten bij de aanpak van de verschillende stadia van radicalisering en bij de ontwikkeling van hulpmiddelen voor re-integratie en heraanpassing; dringt voorts aan op de permanente monitoring van terugkerende buitenlandse strijders door de veiligheidsdiensten, hun passende reïntegratie in de samenleving en een constante informatie-uitwisseling met de autoriteiten van de EU en de buurlanden;

21.

maakt zich zorgen over de signalen die maatschappelijke organisaties afgeven over de verslechtering van het klimaat waarin ze werken; blijft bezorgd over de radicale publieke aanvallen op maatschappelijke organisaties en buitenlandse vertegenwoordigers door politici en de media; erkent en stimuleert de belangrijke rol die maatschappelijke organisaties spelen bij de monitoring, ondersteuning en verbetering van democratische processen, waaronder verkiezingsprocessen, en bij het waarborgen van „checks-and-balances”; is bezorgd over de beperkte steun van de regering aan en onvoldoende samenwerking met maatschappelijke organisaties op alle niveaus; benadrukt het belang van een regelmatige en constructieve dialoog en samenwerking met het maatschappelijk middenveld, en verzoekt de bevoegde autoriteiten deze op een geregelde en structurele manier bij de beleidsvorming te betrekken; roept de autoriteiten op organisaties van het maatschappelijk middenveld op geen enkele grond te discrimineren, zoals op grond van politieke gezindheid, religieuze overtuigingen of etnische samenstelling; is van mening dat de vrijheid van vergadering en vereniging aan geen enkele groep mensen mag worden ontzegd zonder een serieuze rechtvaardiging;

22.

spoort de autoriteiten aan de halverwege onderbroken volkstelling alsnog doorgang te laten vinden, teneinde accurate bevolkingsstatistieken te verzamelen, die als basis kunnen fungeren voor ontwikkelingsprogramma's van de regering en een adequate begrotingsplanning;

23.

herinnert de regering en de politieke partijen aan hun verantwoordelijkheid om, zowel in de wetgeving als in de praktijk, een cultuur van inclusie en tolerantie tot stand te brengen; is ingenomen met de vaststelling van de nationale strategie voor gelijkheid en non-discriminatie 2016-2020; maakt zich zorgen in verband met de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de Commissie inzake bescherming tegen discriminatie en roept op tot een transparant selectieproces van haar leden; spreekt nogmaals zijn veroordeling uit over haatzaaiende uitlatingen jegens gediscrimineerde groepen; vindt het zorgwekkend dat er nog steeds sprake is van onverdraagzaamheid, discriminatie en aanvallen op lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI); herinnert aan zijn oproep om de antidiscriminatiewetgeving in overeenstemming te brengen met het acquis wat betreft de discriminatie op grond van seksuele geaardheid; onderstreept eens te meer dat het noodzakelijk is om vooroordelen en discriminatie jegens de Roma te bestrijden en om hun integratie in en toegang tot het onderwijsstelsel en de arbeidsmarkt te bevorderen; is bezorgd over de inhumane fysieke omstandigheden en overbevolking in gevangenissen, ondanks een aanzienlijke verhoging van de begroting voor het gevangeniswezen; roept ertoe op gehoor te geven aan de aanbevelingen van de Ombudsman;

24.

roept op tot extra inspanningen om gendergelijkheid te bevorderen en de participatie van vrouwen in het politieke leven en op de arbeidsmarkt te vergroten, hun sociaaleconomische situatie te verbeteren en vrouwenrechten in het algemeen te versterken; roept de bevoegde autoriteiten op te werken aan verbetering van de implementatie van de wet inzake gelijke kansen, de ondervertegenwoordiging van vrouwen in belangrijke besluitvormingsfuncties op alle niveaus aan te pakken en de doeltreffendheid van de institutionele mechanismen om gendergelijkheid te bevorderen, te vergroten; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan voldoende begrotingsmiddelen uit te trekken voor de tenuitvoerlegging ervan; is bezorgd over de ontoereikende toegang van vrouwen tot een aantal fundamentele gezondheidsdiensten, alsook over de onverminderd hoge kindersterfte;

25.

dringt er bij de regering op aan maatregelen te nemen om de wet op de preventie van en de bescherming tegen huiselijk geweld en andere relevante wetten te herzien, teneinde alle slachtoffers van huiselijk en gendergebaseerd geweld passende bescherming te bieden, alsook betere ondersteunende diensten, inclusief voldoende opvanglocaties; dringt er daarnaast bij de regering op aan ervoor te zorgen dat gevallen van huiselijk geweld grondig worden onderzocht en dat de daders worden vervolgd, en door te gaan met het organiseren van bewustmakingscampagnes over huiselijk geweld;

26.

wijst er nogmaals op dat de interetnische situatie nog steeds fragiel is; dringt er bij alle politieke partijen en maatschappelijke organisaties op aan zich actief in te zetten voor een inclusieve en tolerante multi-etnische, multiculturele en multireligieuze samenleving en de co-existentie en de dialoog te versterken; is van mening dat er specifieke maatregelen nodig zijn om tot sociale cohesie tussen de verschillende etnische, nationale en religieuze gemeenschappen te komen; herinnert de regering en de partijleiders aan hun toezegging om de kaderovereenkomst van Ohrid volledig op een inclusieve en transparante wijze ten uitvoer te leggen, de herziening ervan — die reeds afgerond had moeten zijn — nu zonder verdere vertraging af te ronden, met inbegrip van beleidsaanbevelingen, en voor die tenuitvoerlegging voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen; laakt iedere vorm van irredentisme en iedere poging om de desintegratie van verschillende sociale groepen te bewerkstelligen; benadrukt dat het belangrijk is dat de langverwachte volkstelling zonder verdere vertraging plaatsvindt;

27.

dringt aan op verdere inspanningen van de Commissie tot ondersteuning van een werkelijk verzoeningsproces in de regio, met name door steun voor culturele projecten die het recente verleden aan de orde stellen en door bevordering van een gemeenschappelijke en gedeelde kijk op de geschiedenis, en van een algemene en politieke cultuur van tolerantie, inclusie en verzoening;

28.

herhaalt dat de autoriteiten en het maatschappelijk middenveld passende maatregelen moeten nemen om tot een historische verzoening te komen, teneinde een einde te maken aan de scheidslijn tussen en binnen verschillende etnische en nationale groepen, met inbegrip van burgers met een Bulgaarse identiteit;

29.

dringt er bij de regering op aan duidelijke signalen af te geven aan het publiek en de media dat discriminatie op grond van nationale identiteit niet wordt getolereerd in het land, ook niet in het rechtssysteem, de media, op het werk en in het maatschappelijk leven; onderstreept het belang van deze acties voor de integratie van de diverse etnische gemeenschappen en de stabiliteit en Europese integratie van het land;

30.

spoort de autoriteiten aan om de relevante archieven van de Joegoslavische geheime dienst uit Servië terug te halen; is van mening dat een transparante afhandeling van het totalitaire verleden, met inbegrip van het openstellen van de archieven van de geheime diensten, een stap voorwaarts is op weg naar verdere democratisering, verantwoordingsplicht en institutionele kracht;

31.

herhaalt het belang van de vrijheid en de onafhankelijkheid van de media als een van de kernwaarden van de EU en een hoeksteen voor elke democratie; maakt zich onverminderd zorgen omtrent de vrijheid van meningsuiting en de media, het gebruik van haatzaaiende uitlatingen, de gevallen van intimidatie en zelfcensuur, systemische politieke bemoeienissen met en druk op het redactioneel beleid, het ontbreken van objectieve en accurate onderzoeksjournalistiek, alsook de eenzijdige berichtgeving over het werk van de regering; herhaalt zijn oproep aan de massamedia, en in het bijzonder de publieke omroep, om een brede waaier aan standpunten te presenteren;

32.

dringt er bij de nieuwe regering op aan ervoor te zorgen dat intimidatie of geweld jegens journalisten voorkomen en grondig onderzocht wordt, en dat de verantwoordelijken voor de rechter worden gebracht; onderstreept het belang van de continuïteit en de politieke en financiële autonomie van de publieke omroep, ter waarborging van zijn financiële en redactionele onafhankelijkheid, en van het recht op toegang tot onpartijdige informatie; roept op tot inclusieve instanties die de belangen van de media vertegenwoordigen; roept ertoe op een professionele gedragscode op te stellen die door zowel de publieke, als de particuliere media wordt aanvaard; roept regeringsambtenaren, organisaties van het maatschappelijk middenveld en organisaties van journalisten op samen de mediahervorming uit te werken;

33.

vindt het onverminderd zorgwekkend dat de politieke situatie een ernstig risico vormt voor de economie van het land; blijft bezorgd over de zwakke handhaving van contracten, de omvang van de informele economie en de moeilijkheden die zich voordoen bij het verkrijgen van financiering; benadrukt dat de omvangrijke schaduweconomie een belangrijke belemmering voor het bedrijfsleven vormt; onderstreept de noodzaak maatregelen te nemen die het concurrentievermogen en de jobcreatie in de particuliere sector versterken, en dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan te zorgen voor een efficiënte rechtsgang;

34.

is ingenomen met het behoud van de macro-economische stabiliteit, de vermindering van de werkloosheidsgraad en het feit dat de regering zich onverminderd blijft inzetten voor bevordering van de groei en de werkgelegenheid door middel van een op de markt gebaseerd economisch beleid, maar is bezorgd over de houdbaarheid van de staatsschuld en de nog altijd hoge werkloosheid in combinatie met de zeer lage arbeidsparticipatie, in het bijzonder onder jongeren, vrouwen en mensen met en handicap; dringt er voorts bij de bevoegde autoriteiten op aan de langdurige en structurele werkloosheid aan te pakken, samenwerking ten aanzien van het economisch beleid te bevorderen, onderwijs beter af te stemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt en een gerichte strategie te ontwikkelen voor een betere integratie van jongeren en vrouwen op de arbeidsmarkt; maakt zich zorgen over de braindrain, met name onder hoogopgeleide jongeren, dringt er met klem bij de regering op aan programma's uit te werken om hoogopgeleide jonge professionals de mogelijkheid te bieden terug te keren en aan de politieke en besluitvormingsprocessen deel te nemen; roept op tot maatregelen ter verbetering van de begrotingsdiscipline en -transparantie, en tot een uitbreiding van de begrotingsplanningscapaciteit; moedigt het beginsel van sluitende begrotingen aan; stelt vast dat een betrouwbare en voorspelbare regelgevinsomgeving voor bedrijven leidt tot een grotere macro-economische stabiliteit en groei; roept in dit verband op tot inhoudelijk overleg met alle belanghebbenden;

35.

is ingenomen met de voortgang die is geboekt bij de modernisering van de vervoers-, energie- en telecommunicatienetwerken, en in het bijzonder met de inspanningen om Corridor X (2) te voltooien; is gezien het belang van spoorverbindingen in het kader van een duurzaam vervoerssysteem ingenomen met het plan van de regering om de spoorverbindingen tussen Skopje en de hoofdsteden van de buurlanden te verbeteren of aan te leggen, en dringt aan op grotere vorderingen, vooral bij de voltooiing van de spoor- en wegverbindingen in het kader van Corridor VIII (3);

36.

spreekt zijn waardering uit voor het hoge niveau van voorbereiding op het gebied van elektronische communicatie en de informatiemaatschappij; roept op tot verdere vooruitgang op het gebied van cyberbeveiliging en benadrukt de noodzaak om een nationale cyberbeveiligingsstrategie uit te werken en goed te keuren om de cyberveerkracht te vergroten;

37.

is bezorgd over de aanzienlijke tekortkomingen op het gebied van het milieu, in het bijzonder op het gebied van industriële vervuiling en van water- en luchtvervuiling; stelt vast dat de huidige toestand van de waterleiding algemeen slecht is, wat tot grote waterverliezen en problemen met de waterkwaliteit leidt; beklemtoont de noodzaak van het ontwikkelen en implementeren van een duurzaam afvalbeleid, en dringt aan op de ontwikkeling van een alomvattend beleid en een strategie inzake klimaat in overeenstemming met het EU-kader 2030 voor klimaatbeleid en de ratificatie en tenuitvoerlegging van de Klimaatovereenkomst van Parijs;

38.

is verheugd over de constructieve rol die het land speelt in regionale samenwerking, hoofdzakelijk in de agenda voor initiatief en connectiviteit van de zes landen van de Westelijke Balkan; stelt evenwel vast dat de vervoers- en energie-infrastructuurverbindingen naar de regionale buren en de aansluiting op het netwerk van TEN-V nog steeds beperkt zijn; is verheugd over de vooruitgang die bij de zekerheid van de energievoorziening is geboekt, alsook bij de elektriciteits- en gasverbindingen; neemt kennis van de overeenkomst die met de landen van de Westelijke Balkan is ondertekend over de ontwikkeling van een regionale elektriciteitsmarkt; wijst met nadruk op de noodzaak van vooruitgang op het gebied van de liberalisering van de elektriciteitsmarkt, en van bevordering van concurrentie op de gas- en energiemarkt, teneinde overeenkomstig het derde energiepakket van de EU tot een loskoppeling van nutsvoorzieningen te komen; roept op tot forse verbeteringen op het vlak van de energie-efficiëntie, de productie van hernieuwbare energiebronnen en de strijd tegen de klimaatverandering; roept op tot ratificatie van de Klimaatovereenkomst van Parijs;

39.

dringt er bij de autoriteiten op aan de administratieve en financiële capaciteiten te vergroten ter waarborging van een transparant, efficiënt en doeltreffend regime van overheidsopdrachten, alsook ter voorkoming van onregelmatigheden en een deugdelijk en tijdig gebruik van EU-middelen, en tegelijkertijd op gezette tijden gedetailleerd verslag uit te brengen over de programmering en het gebruik van de EU-middelen; wijst er met bezorgdheid op dat de Commissie de financiële steun in het kader van het IPA opnieuw met ongeveer 27 miljoen euro heeft verminderd als gevolg van een gebrek aan politiek engagement om hervormingen in het beheer van de overheidsfinanciën door te voeren; verzoekt de Commissie om in haar verslagen informatie over de IPA-steun aan het land en de doeltreffendheid van de uitgevoerde maatregelen op te nemen, met name de IPA-steun die voor de uitvoering van de belangrijkste prioriteiten en relevante projecten is toegewezen;

40.

prijst het land voor zijn constructieve opstelling, coöperatie en reusachtige inspanningen bij de aanpak van de migratiecrisis, waardoor het aanzienlijk bijdraagt aan de veiligheid en stabiliteit van de EU; roept de Commissie dan ook op het land alle nodige hulpmiddelen te verstrekken om de crisis te milderen; beveelt nadere maatregelen en acties aan — in overeenstemming met het internationaal humanitair recht — om zijn asielsysteem te verbeteren en te zorgen voor voldoende capaciteit om mensenhandel en het smokkelen van migranten te bestrijden, waaronder samenwerkingsovereenkomsten met de buurlanden inzake misdaadbestrijding, en om voor een doeltreffend grensbewakingssysteem te zorgen;

41.

stelt vast dat het land op de zogenaamde „westelijke Balkanroute” ligt en dat zo'n 600 000 vluchtelingen en migranten, waaronder kwetsbare groepen zoals kinderen en ouderen, tot nu toe deze route hebben gebruikt op weg naar Europa; dringt er bij de autoriteiten van het land op aan te waarborgen dat migranten en vluchtelingen die er asiel aanvragen of over het nationale grondgebied reizen, worden behandeld in overeenstemming met het internationaal recht en het EU-recht, met inbegrip van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen uit 1951 en het EU-Handvest van de grondrechten;

42.

verzoekt de Commissie om te blijven samenwerken met alle landen van de Westelijke Balkan aan migratiegerelateerde vraagstukken om ervoor te zorgen dat Europese en internationale normen worden nageleefd;

43.

benadrukt het belang van regionale samenwerking als instrument om het EU-integratieproces te bevorderen, en prijst het land voor zijn constructieve inspanningen en proactieve bijdragen aan de bevordering van de bilaterale betrekkingen met alle landen in de regio;

44.

is van mening dat regionale samenwerking een essentieel onderdeel van het EU-toetredingsproces vormt dat de regio stabiliteit en welvaart oplevert en een prioriteit voor de regering zou moeten zijn; is ingenomen met de permanente constructieve rol en proactieve bijdragen van het land aan het bevorderen van de bilaterale, regionale en internationale samenwerking, alsook met zijn deelname aan civiele en militaire operaties op het gebied van crisisbeheersing; spreekt zijn waardering uit voor de verbeterde afstemming op het buitenlands beleid van de EU (73 %); roept de autoriteiten van het land op zich op één lijn te stellen met de beperkende maatregelen van de EU tegen Rusland na de illegale annexatie van de Krim; wijst er nogmaals op dat het van belang is de onderhandelingen over een verdrag over vriendschap en goed nabuurschap met Bulgarije af te ronden; roept de autoriteiten op de politieke, sociale en culturele rechten van inwoners van het land die zich Bulgaars noemen, te eerbiedigen;

45.

spoort het land aan om met naburige landen gemengde comités van deskundigen in geschiedenis en onderwijs op te richten, om bij te dragen tot een objectieve, op feiten gebaseerde interpretatie van de geschiedenis, tot nauwere academische samenwerking en tot een positieve houding van jongeren tegenover hun buren;

46.

verwelkomt de tastbare resultaten van het initiatief voor vertrouwenwekkende maatregelen tussen de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië en Griekenland, die kunnen bijdragen tot een beter onderling begrip en sterkere bilaterale betrekkingen, waardoor de weg wordt vrijgemaakt voor een wederzijds aanvaarde oplossing voor de naamskwestie, en neemt kennis van de positieve ontwikkelingen bij de tenuitvoerlegging daarvan; benadrukt het belang van het vermijden van gebaren, controversiële handelingen en verklaringen die de goede nabuurschapsbetrekkingen negatief kunnen beïnvloeden; verzoekt de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger (VV/HV) nogmaals met klem om nieuwe initiatieven te ontwikkelen teneinde de resterende geschillen op te lossen, en om in samenwerking met beide landen en de speciale vertegenwoordiger van de VN tot een wederzijds aanvaardbare oplossing voor de naamskwestie te komen en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement;

47.

is verheugd over de activiteiten die in het kader van het proces van Berlijn hebben plaatsgevonden, die blijk geven van sterke politieke steun voor het Europese perspectief van de Westelijke Balkan; wijst op het belang van dit proces voor de bevordering van de economische ontwikkeling van de landen in de Regio door investeringen in kernnetwerken en bilaterale projecten op het gebied van infrastructuur, de economie en interconnectiviteit; wijst nogmaals op het belang van actieve deelname aan regionale initiatieven voor de jeugd, zoals het Regionaal kantoor voor samenwerking in jeugdzaken van de Westelijke Balkan; is verheugd over de oprichting van het Fonds voor de Westelijke Balkan, en dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met de voorgestelde initiatieven en projecten;

48.

prijst het land voor zijn voorzitterschap van het MEI, waarbij de nadruk in 2015 op economische samenwerking en kansen voor het bedrijfsleven, infrastructuur en algemene economische ontwikkeling lag, met inbegrip van plattelandsontwikkeling en toerisme, en voor het bouwen van bruggen tussen macroregio's;

49.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van het land.

(1)  PB L 84 van 20.3.2004, blz. 13.

(2)  Corridor X is een van de pan-Europese vervoerscorridors en -wegen van Salzburg (Oostenrijk) naar Thessaloniki (Griekenland).

(3)  Corridor VIII is een van de pan-Europese vervoerscorridors en -wegen van Durrës (Albanië) naar Varna (Bulgarije). Deze corridor loopt tevens door Skopje.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/97


P8_TA(2017)0264

Situatie in de Democratische Republiek Congo

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de situatie in de Democratische Republiek Congo (2017/2703(RSP))

(2018/C 331/12)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 23 juni 2016 (1), 1 december 2016 (2) en 2 februari 2017 (3) over de Democratische Republiek Congo (DRC),

gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, en haar woordvoerder over de situatie in de DRC,

gezien de verklaringen van de EU-delegatie naar de DRC over de mensenrechtensituatie in het land,

gezien het politieke akkoord dat in de DRC bereikt is op 31 december 2016,

gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 15 juni 2016 over de situatie aan de vooravond van de verkiezingen en de veiligheidssituatie in de DRC,

gezien de conclusies van de Raad van 17 oktober 2016 en 6 maart 2017 over de DRC,

gezien het verslag van 10 maart 2017 van de secretaris-generaal van de VN over de VN-stabilisatiemissie in de DRC,

gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over de DRC, met name resolutie 2293 (2016) over verlenging van het sanctieregime ten aanzien van de DRC en het mandaat van de groep van deskundigen, en resolutie 2348 (2017) over de verlenging van het mandaat van de stabilisatiemissie van de VN in de DRC (Monusco),

gezien de gezamenlijke persverklaring van 16 februari 2017 van de Afrikaanse Unie, de Verenigde Naties, de Europese Unie en de Internationale Organisatie van de Francofonie over de DRC,

gezien de herziene Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van juni 1981,

gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

gezien de op 18 februari 2006 aangenomen grondwet van de DRC,

gezien artikel 123, lid 2, en lid 4 van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de DRC te lijden heeft onder aanhoudende golven van conflict en brute politieke onderdrukking; overwegende dat de humanitaire en veiligheidscrisis in de DRC verder is verslechterd door de politieke crisis, die is veroorzaakt door het feit dat president Kabila niet het grondwettelijk bepaalde maximum in acht neemt van twee ambtstermijnen;

B.

overwegende dat het conflict plaatsheeft in de context van een politieke crisis in de DRC; overwegende dat in een op 31 december 2016 onder auspiciën van de nationale bisschoppenconferentie van Congo (Conférence Episcopale Nationale du Congo, CENCO) gesloten akkoord is voorzien in een transitie die uitmondt in vrije en eerlijke presidentsverkiezingen die zonder wijziging van de grondwet worden gehouden eind 2017; overwegende dat tot dusver geen vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van het akkoord is geboekt;

C.

overwegende dat er in augustus 2016 gewapende conflicten uitbraken tussen het Congolese leger en lokale milities in de provincie Midden-Kasaï, die zich al snel uitbreidden naar de omliggende provincies Oost-Kasaï, Lomami en Sankuru en zo een humanitaire crisis veroorzaakten en leidden tot de interne ontheemding van ruim een miljoen burgers; overwegende dat in VN-rapporten massale schendingen van de mensenrechten zijn gedocumenteerd, inclusief de afslachting van meer dan 500 burgers en de ontdekking van meer dan 40 massagraven; overwegende dat volgens de VN meer dan 400 000 kinderen aan de rand staan van de hongerdood; overwegende dat 165 Congolese maatschappelijke organisaties en verdedigers van de mensenrechten hebben verzocht om een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de massale schendingen van mensenrechten in de provincies Kasaï en Lomami, en hebben benadrukt dat zowel regeringstroepen als milities zich aan deze misdrijven schuldig maken;

D.

overwegende dat twee leden VN-deskundigen samen met ondersteunend personeel in maart 2017 in de provincie Kasaï zijn ontvoerd en vermoord;

E.

overwegende dat het Bureau van de Verenigde Naties voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) in april 2017 om 64,5 miljoen USD heeft gevraagd om humanitaire hulp naar Kasaï te kunnen sturen;

F.

overwegende dat mensenrechtenorganisaties voortdurend rapporteren over de verslechterende situatie in het land met betrekking tot mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting, vergadering en demonstratie, een toename van het aantal politieke processen en het excessieve geweld dat gebruikt wordt tegen vreedzame demonstranten, journalisten en leden van de oppositie, met name door het leger en milities; overwegende dat vrouwen en kinderen de eerste slachtoffers zijn van het conflict en dat seksueel en gendergerelateerd geweld, dat vaak wordt ingezet als tactisch oorlogswapen, wijdverbreid is;

G.

overwegende dat de stabilisatiemissie van de VN in de DRC (Monusco) uit hoofde van haar mandaat, dat in april 2017 met een jaar verlengd is, geacht wordt bij te dragen aan de bescherming van burgers en de tenuitvoerlegging van het politieke akkoord van 31 december 2016 te ondersteunen, en dat bij de inzet van het Monusco-contingent ook naar behoren rekening moet worden gehouden met nieuwe prioriteiten op het gebied van veiligheid en humanitaire aangelegenheden;

H.

overwegende dat de EU op 12 december 2016 in antwoord op de belemmering van het verkiezingsproces en de schending van de mensenrechten beperkende maatregelen heeft getroffen tegen zeven personen en op 29 mei 2017 tegen negen andere personen die leidinggevende posten bekleden in het landsbestuur en in de commandostructuur van de veiligheidstroepen van de DRC;

1.

is nog steeds zeer bezorgd over de verslechterende politieke, humanitaire en veiligheidssituatie in de DRC; veroordeelt krachtig alle schendingen van de mensenrechten, inclusief de gewelddaden van alle daders, ontvoeringen, moorden, foltering, seksueel geweld en willekeurige arrestaties en wederrechtelijke vrijheidsberoving;

2.

vraagt de oprichting van een onafhankelijke onderzoekscommissie met ruime bevoegdheden, waarin ook VN-experts moeten zetelen, om het geweld in de regio Kasaï te onderzoeken en ervoor te zorgen dat de personen die deze bloedbaden hebben gepleegd, verantwoording voor hun daden moeten afleggen; verzoekt de lidstaten een onderzoekscommissie politiek en financieel te ondersteunen;

3.

herinnert eraan dat de regering van de DRC in de eerste plaats de verantwoordelijkheid heeft om burgers die op haar grondgebied verkeren en/of onder haar jurisdictie vallen te beschermen, onder andere tegen oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid;

4.

is zeer ontstemd over de vertragingen bij de organisatie van de volgende presidents- en parlementsverkiezingen in de DRC, die een schending van de Congolese grondwet vormen; betreurt voorts het gebrek aan vooruitgang met betrekking tot het politieke akkoord van 31 december 2016 over een overgangsregeling; herinnert aan het engagement van de regering van de DRC om vóór het einde van 2017 op geloofwaardige wijze transparante, vrije en eerlijke verkiezingen te houden, met garanties voor de bescherming van de politieke rechten en vrijheden en in overeenstemming met het politieke akkoord, om te komen tot een vreedzame machtsoverdracht; herinnert eraan dat het belangrijk is een gedetailleerde verkiezingsagenda te publiceren en is verheugd over het proces van kiezersregistratie; roept op tot vroegtijdige tenuitvoerlegging van de toezeggingen die in deze overeenkomst zijn vastgelegd, met name de wijziging en aanneming van de vereiste wetten door het Congolese parlement voor het einde van de huidige parlementaire termijn; vraagt dat de kieswet wordt gewijzigd om via passende maatregelen de vertegenwoordiging te garanderen van vrouwen;

5.

onderstreept het feit dat de onafhankelijke nationale kiescommissie de verantwoordelijkheid draagt om op te treden als onpartijdige en inclusieve instantie voor de tenuitvoerlegging van een geloofwaardig en geloofwaardig verkiezingsproces; dringt aan op de onmiddellijke oprichting van een nationale raad voor toezicht op naleving van de overeenkomst en het verkiezingsproces, overeenkomstig het politieke akkoord van 2016;

6.

herinnert aan de taak van de regering om de fundamentele vrijheden als basis voor democratie te eerbiedigen, beschermen en bevorderen; dringt er bij de Congolese autoriteiten op aan een klimaat te herstellen dat bevorderlijk is voor de vrije en vreedzame uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering en voor de bodemvrijheid; eist de onmiddellijke vrijlating van al wie onwettig gevangen zit, zoals journalisten, leden van de oppositie en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld; verzoekt alle politieke betrokkenen de politieke dialoog voort te zetten;

7.

veroordeelt alle schendingen van het internationaal humanitair recht door de nationale overheid en veiligheidsdiensten; is voorts bezorgd door de berichten over ernstige schendingen van de mensenrechten door lokale milities, met inbegrip van het onrechtmatig inlijven en inzetten van kindsoldaten, die krachtens het internationaal recht oorlogsmisdrijven kunnen vormen; is van oordeel dat het voor de autoriteiten en de internationale gemeenschap een prioriteit moet zijn om een einde te maken aan het verschijnsel van kindsoldaten;

8.

herhaalt zijn grote bezorgdheid over de alarmerende humanitaire situatie in de DRC, met onder andere ontheemding, voedselonzekerheid, epidemies en natuurrampen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan via betrouwbare organisaties meer financiële en humanitaire hulp te bieden, om in de dringende behoeften te voorzien van de bevolking, met name in de provincie Kasaï; veroordeelt krachtig alle aanvallen die worden uitgevoerd tegen humanitair personeel en humanitaire voorzieningen en staat erop dat de Congolese autoriteiten ervoor zorgen dat de hulp van humanitaire organisaties de lokale bevolking vlot en tijdig kan bereiken;

9.

is tevreden met het feit dat het mandaat van Monusco is verlengd en met het werk dat wordt verricht door de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor de DRC om in de verkiezingscontext burgers te beschermen en de mensenrechten te handhaven; benadrukt dat het oorspronkelijke en huidige mandaat dat op alle VN-troepen in het land van toepassing is, de „neutralisering van gewapende groepen” betreft; eist dat de gehele Monusco-troepenmacht de bevolking volledige bescherming biedt tegen de gewapende groepen en tussenbeide komt om vrouwen tegen verkrachting en ander seksueel geweld te beschermen en geen enkele beperking aanvaardt op grond van nationale bevelen;

10.

wijst met bezorgdheid op het risico van regionale destabilisatie; herhaalt zijn steun voor de Verenigde Naties, de Internationale Organisatie van de Francofonie (OIF) en de Afrikaanse Unie (AU), die de politieke dialoog faciliteren; vraag een intensivering van het engagement in de regio van de Grote Meren, om verdere destabilisering te voorkomen;

11.

herinnert eraan dat het van cruciaal belang is personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en andere activiteiten die een op consensus gebaseerde, vreedzame oplossing voor de crisis in de DRC in de weg staan, te vervolgen; is voorstander van het gebruik van gerichte EU-sancties tegen personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen; verzoekt om nadere onderzoeken naar en uitbreiding van sancties tegen de verantwoordelijken, op het hoogste regeringsniveau, voor het geweld en de misdrijven die in de DRC zijn begaan en voor de roof van de natuurlijke hulpbronnen van het land, in overeenstemming met de onderzoeken die de groep deskundigen van de VN heeft uitgevoerd; benadrukt dat de sancties de bevriezing van tegoeden en een reisverbod naar de EU moeten omvatten;

12.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, het Pan-Afrikaanse Parlement, de Raad van ministers en Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de secretaris-generaal van de VN en de president, de premier en het parlement van de Democratische Republiek Congo.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0290.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0479.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0017.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/100


P8_TA(2017)0265

Stand van de tenuitvoerlegging van het duurzaamheidspact in Bangladesh

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de stand van de tenuitvoerlegging van het duurzaamheidspact in Bangladesh (2017/2636(RSP))

(2018/C 331/13)

Het Europees Parlement,

gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over vrijheid van meningsuiting in Bangladesh (1),

gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de instorting van het Rana Plaza-gebouw in 2013 en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh (2),

gezien zijn resolutie van 18 september 2014 over mensenrechtenschendingen in Bangladesh (3),

gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over het EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector (4),

gezien zijn eerdere resoluties over Bangladesh, met name die van 16 januari 2014 (5), 21 november 2013 (6) en 14 maart 2013 (7),

gezien zijn resoluties van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten (8) en over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten (9),

gezien zijn resoluties van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei (10), en over maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel (11),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 24 april 2017 getiteld „Sustainable garment value chains through EU development action” (Duurzame waardeketens voor kleding via EU-ontwikkelingsactie) (SWD(2017)0147),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen” (COM(2011)0681) en de resultaten van de openbare raadpleging over de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot de richting van haar beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen na 2014,

gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen (12),

gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld „Handel voor iedereen — Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid” (COM(2015)0497),

gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en ontwikkeling,

gezien het Duurzaamheidspact ter continue verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh,

gezien de technische statusverslagen van de Commissie over het Duurzaamheidspact Bangladesh van juli 2016 en 24 april 2015,

gezien het verslag van het werkbezoek van 23 januari 2017 van zijn Commissie internationale handel naar aanleiding van de ad-hocdelegatie naar Bangladesh (Dhaka) van 15 tot en met 17 november 2016,

gezien het in oktober 2013 van start gegane programma „Better Work Bangladesh” van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

gezien het verslag van de tripartite IAO-missie op hoog niveau en de opmerkingen van 2017 van de IAO-commissie van deskundigen voor de naleving van verdragen en aanbevelingen met betrekking tot verdragen 87 en 98,

gezien de speciale paragraaf in het verslag van de IAO-commissie over de toepassing van de normen van de IAO-Conferentie van 2016,

gezien de in 2017 bij het Comité voor vakbondsvrijheid van de IAO ingediende klacht over het hardhandige optreden van de regering tegen werknemers in de confectiesector in Ashulia in december 2016 en de bij de speciale gezanten van de VN ingediende klacht over het hardhandige optreden in Ashulia,

gezien de VN-Verklaring van Johannesburg over duurzame consumptie en productie ter bevordering van sociale en economische ontwikkeling,

gezien het investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling (2015) van UNCTAD,

gezien de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten, waarin voor zowel regeringen als bedrijven een kader is vastgelegd om mensenrechten te beschermen en te eerbiedigen, die in juni 2011 werden onderschreven door de Mensenrechtenraad,

gezien het Mondiaal Pact van de VN inzake mensenrechten, arbeid, milieu en corruptiebestrijding,

gezien de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen,

gezien het gezamenlijk kwartaalverslag over het Akkoord van 31 oktober 2016 over de vorderingen bij de herstelmaatregelen in kledingfabrieken waarop het Akkoord van toepassing is,

gezien de vraag aan de Commissie over de stand van zaken rond de uitvoering van het Duurzaamheidspact Bangladesh (O-000037/2017 — B8-0217/2017),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie internationale handel,

gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Bangladesh de tweede kledingproducent ter wereld is geworden en dat de textielsector goed is voor bijna 81 % van de totale export van het land; overwegende dat 60 % van de kledingproductie van Bangladesh bestemd is voor de EU, de belangrijkste exportmarkt van het land;

B.

overwegende dat de confectiekledingindustrie in Bangladesh werk biedt aan 4,2 miljoen mensen in 5 000 fabrieken en indirect voorziet in het levensonderhoud van wel 40 miljoen mensen, dat wil zeggen ongeveer een kwart van de bevolking van Bangladesh; overwegende dat de confectie-industrie belangrijk heeft bijgedragen aan armoedevermindering en aan de emancipatie van vrouwen; overwegende dat vrouwen, meestal uit meestal landelijke gebieden, 80 % van het personeel in de confectie-industrie in Bangladesh uitmaken; overwegende dat 80 % van de werkenden echter nog steeds in de informele sector werkzaam is; overwegende dat de complexe toeleveringsketens in de confectiesector en het lage niveau van transparantie mensenrechtenschendingen faciliteren en uitbuiting in de hand werken; overwegende dat het minimumloon in de confectiesector onder de armoedegrens van de Wereldbank is gebleven;

C.

overwegende dat gendergelijkheid een drijvende kracht voor ontwikkeling is; overwegende dat vrouwenrechten deel uitmaken van het mensenrechtenspectrum; overwegende dat artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de Unie er bij elk optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, en dat de EU derhalve de taak heeft gendergelijkheid in al haar beleid te integreren om ervoor te zorgen dat mannen en vrouwen op voet van gelijkheid profiteren van sociale vooruitgang, economische groei en fatsoenlijke banen, een einde te maken aan discriminatie en de eerbiediging van de rechten van vrouwen in de wereld te bevorderen;

D.

overwegende dat ongeveer 10 % van de werknemers in de confectiesector in exportproductiezones (EPZ's) werkzaam is; overwegende dat de arbeidswetgeving in de EPZ's werknemers niet voldoende basisrechten garandeert in vergelijking met werknemers elders in Bangladesh; overwegende dat een grote uitbreiding van de EPZ's is gepland;

E.

overwegende dat de genereuze unilaterale EU-handelspreferenties uit hoofde van het „alles-behalve-wapens”-initiatief ten behoeve van de minst ontwikkelde landen (MOL's), waarin de SAP-verordening voorziet, die tariefvrije toegang biedt voor textiel uit Bangladesh op grond van flexibele oorsprongsregels, een beduidende bijdrage leveren aan dit succesverhaal van de omvangrijke Bengaalse kledingexport en banengroei;

F.

overwegende dat deze handelspreferenties voortspruiten uit het EU-beginsel van eerlijke en vrije handel en daarom de EU de mogelijkheid bieden om SAP-voordelen op te schorten in geval van ernstige mensenrechtenschendingen ingevolge het bepaalde in hoofdstuk V, artikel 19, paragraaf 1, onder a), van de SAP-verordening, waarin staat dat preferentiële behandeling tijdelijk kan worden ingetrokken om een reeks redenen, waaronder ernstige en systematische schending van de beginselen van de in deel A van bijlage VIII genoemde verdragen, waaronder de acht fundamentele IAO-verdragen;

G.

overwegende dat de Commissie en de EDEO begin 2017 krachtens deze bepalingen een versterkte dialoog zijn aangegaan over arbeids- en mensenrechten met het oog op betere naleving van die beginselen;

H.

overwegende dat de IAO in het verslag van de Conferentie van 2016 van haar commissie voor de toepassing van de normen een speciale paragraaf aan Bangladesh wijdde en daarin stelde dat Bangladesh ernstig in gebreke blijft bij de nakoming van zijn verplichtingen op grond van Verdrag 87 (vrijheid van vereniging); overwegende dat de IAO in 2015 meldde dat 78 % van de aanvragen voor registratie van vakbonden werd afgewezen wegens vijandigheid van fabrieksmanagers en bepaalde politici jegens vakbonden en het administratieve onvermogen om hen te registreren;

I.

overwegende dat er volgens meerdere rapporten sinds 2006 honderden textielarbeiders bij branden in verschillende fabrieken in Bangladesh zijn omgekomen, waarvoor de talrijke schuldige fabriekseigenaren en -managers helaas nooit voor de rechter werden gebracht; overwegende dat elk jaar naar schatting 11 700 arbeiders uit alle bedrijfstakken dodelijk verongelukken en 24 500 anderen aan werkgerelateerde ziekten bezwijken;

J.

overwegende dat het huidige minimumloon van 5 300 BDT (67 USD) per maand sinds 2013 niet meer is verhoogd en de raad voor de minimumlonen niet werd bijeengeroepen;

K.

overwegende dat de Bengaalse autoriteiten naar aanleiding van stakingen en demonstraties voor hogere lonen door arbeiders in de confectiesector sinds 21 december 2016 tenminste 35 vakbondsleiders en voorvechters willekeurig hebben gearresteerd en vastgehouden, kantoren van vakbonden en ngo's hebben gesloten of onder politietoezicht hebben geplaatst en 1 600 werknemers hebben geschorst of ontslagen omdat zij protesteerden tegen de lage lonen in de kledingindustrie;

L.

overwegende dat Bangladesh de 145e plaats inneemt van de 177 landen op de Transparantie-index; overwegende dat corruptie in de mondiale textieltoeleveringsketen wijdverspreid is en dat hierbij ook de politiek en lokale overheden betrokken zijn;

M.

overwegende dat veelbelovende initiatieven van de particuliere sector zoals het akkoord inzake brandveiligheid en veiligheid van gebouwen (het akkoord) de afgelopen 20 jaar een bescheiden bijdrage hebben geleverd aan de verbetering van de normen en veiligheid op het werk binnen de toeleveringsketens, met name de versterking van werknemersrechten in de kledingsector;

N.

overwegende dat in de conclusies van de achtereenvolgende evaluaties van het duurzaamheidspact in 2014, 2015 en 2016 geconstateerd wordt dat de autoriteiten van Bangladesh op sommige vlakken aantoonbare vooruitgang boeken, en de bijdrage wordt erkend van het duurzaamheidspact aan een bescheiden verbetering van de gezondheid en veiligheid in fabrieken en de arbeidsomstandigheden in de confectiekledingsector; overwegende dat vooruitgang met betrekking tot de rechten van werkenden een grotere uitdaging vormt en dat er de laatste jaren geen wezenlijke vorderingen op dit gebied zijn waargenomen; overwegende dat het tekortschieten op het gebied van de wijziging en tenuitvoerlegging van de Bengaalse arbeidswet van 2013 volgens de IAO een ernstige belemmering vormt voor de uitoefening van het recht van vrijheid van vereniging en de registratie van vakbonden, vooral in de confectiesector in de EPZ's; overwegende dat werknemers in de EPZ's het recht op lidmaatschap van een vakbond werd ontzegd;

O.

overwegende dat de Europese consumenten na de ramp massaal hebben aangedrongen op meer informatie over de herkomst van producten en de omstandigheden waaronder ze worden vervaardigd; overwegende dat Europese burgers talloze verzoekschriften hebben ingediend en campagnes hebben georganiseerd om kledingmerken ertoe te bewegen meer verantwoording af te leggen en te waarborgen dat hun producten op een ethisch verantwoorde manier vervaardigd worden;

Verantwoord ondernemen in Bangladesh — in de eerste plaats een binnenlandse taak

1.

onderstreept dat Bangladesh, ondanks de indrukwekkende prestaties op het gebied van groei en ontwikkeling in de afgelopen jaren, nog grote inspanningen moet verrichten om tot duurzame en inclusievere economische groei te komen; onderstreept dat structurele hervormingen ter vergroting van de productiviteit, verdere diversificatie van de export, sociale rechtvaardigheid, werknemersrechten, bescherming van het milieu en bestrijding van corruptie in dit opzicht essentieel zijn;

2.

vraagt de regering van Bangladesh om zich meer in te zetten voor meer veiligheid en betere arbeidsomstandigheden en -rechten in de kledingsector als eerste prioriteit, en voor krachtiger uitvoering van de veiligheidswetgeving voor gebouwen en fabrieken, om meer overheidsgeld te besteden aan de arbeidsinspectie, meer fabrieksinspecteurs aan te werven en op te leiden, voor omstandigheden te zorgen die het verloop onder arbeidsinspecteurs verminderen, jaarlijkse werkplannen op te stellen voor vervolginspecties in fabrieken waar corrigerende maatregelen moeten worden genomen, en de gebouwen- en fabrieksinspecties uit te breiden tot andere sectoren;

3.

verzoekt de regering van Bangladesh de arbeidswet van 2013 te wijzigen om de vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen doeltreffend aan te pakken, de sociale dialoog te bevorderen, vlotte en willekeursvrije registratie van vakbonden te waarborgen, te zorgen voor effectieve opsporing en vervolging van verantwoordelijken voor vermeende vakbondsdiscriminatie en oneerlijke arbeidspraktijken, en een wetgevingskader voor arbeidszaken te waarborgen dat volledig conform is aan internationale normen, met name de IAO-conventies 87 en 98 inzake vrijheid van vereniging en collectieve onderhandeling, en dat daadwerkelijk wordt toegepast; verzoekt de regering voorts te zorgen dat de wet op de EPZ's voorziet in volledige vrijheid van vereniging overeenkomstig diezelfde internationale normen, en voortvarend en actief onderzoek te doen naar alle uitingen van discriminatie van vakbondsleden;

4.

dringt er bij de regering van Bangladesh, de sectorale organisaties en de fabriekseigenaren op aan verbeteringswerkzaamheden aan alle exportgerichte kledingfabrieken ter hand te nemen en te zorgen dat reparaties en andere inspectie-aanwijzingen worden uitgevoerd onder transparant toezicht van de betreffende overheidsautoriteiten, en het nut van door donoren opgebrachte gelden en het belang van effectieve financiële steun te erkennen;

5.

vraagt de regering van Bangladesh de raad voor de minimumlonen onmiddellijk opnieuw bijeen te roepen en ervoor te zorgen dat de lonen vaker worden herzien;

Initiatieven van de particuliere sector — een doeltreffende en waardevolle bijdrage

6.

roept de internationale merken en retailbedrijven en de particuliere sector van Bangladesh op zich te blijven inzetten voor de naleving van de arbeidswetgeving en voor de uitvoering van maatregelen op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) en beter te presteren op het gebied van verantwoorde bedrijfspraktijken, waaronder fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor arbeiders in de Bengaalse kledingindustrie, alsook om transparante berichtgeving met betrekking tot de fabrieken waar goederen geproduceerd worden, en coördinatiemechanismen tussen relevante initiatieven te faciliteren; spoort aan tot voortzetting van het werk van de mondiale retailers en merken aan een eenvormige gedragscode voor fabrieksinspecties in Bangladesh;

7.

wijst nadrukkelijk op wat er is bereikt dankzij de inzet van het particuliere bedrijfsleven in samenwerking met de regering van Bangladesh en internationale organisaties in dat land via het akkoord inzake brand- en bouwveiligheid; wijst er evenwel op dat de partijen bij het akkoord zich ondanks de duidelijke vooruitgang op het punt van brand- en bouwveiligheid zorgen maken over het trage tempo waarmee kritieke veiligheidskwesties worden aangepakt; vraagt die partijen hun verbintenis met nog eens vijf jaar te verlengen voordat het huidige akkoord op 12 mei 2018 afloopt; vraagt de regering en het bedrijfsleven van Bangladesh het nut in te zien van de verbintenis die de retailketens in Bangladesh via het akkoord zijn aangegaan en de verlenging van het mandaat dat bij het akkoord aan de partijen is gegeven, te steunen;

8.

vraagt de regering van Bangladesh en de particuliere sector door te gaan met hun initiatieven voor financiële compensatie en rehabilitatie van slachtoffers, een effectieve strategie voor terugkeer op de arbeidsmarkt te ontwikkelen en het aanleren van bekwaamheden op het gebied van ondernemerschap en levensonderhoud te ondersteunen;

Gedeelde verantwoordelijkheid van de EU en de internationale gemeenschap

9.

steunt de activiteiten waarmee vervolg wordt geven aan het Duurzaamheidspact Bangladesh en de versterkte dialoog die de Commissie en de EDEO met Bangladesh zijn aangegaan over arbeids- en mensenrechten met het oog op betere naleving van de beginselen van de in de SAP-verordening genoemde verdragen;

10.

steunt het onderzoek van de Commissie naar een mogelijk EU-breed initiatief in de kledingsector, met vrijwillige initiatieven en strikte gedragscodes als hoofdbeginselen; verwijst naar het EU-werkdocument van 24 april 2017 getiteld „Sustainable garment value chains through EU development action” (Duurzame waardeketens in de kledingsector door EU-ontwikkelingsoptreden) en herhaalt zijn dringende verzoek om zich niet te beperken tot een werkdocument maar de mogelijkheid van bindende wetgeving inzake zorgvuldigheidsverplichtingen te overwegen; onderstreept voorts dat coördinatie, uitwisseling van informatie en beste praktijken en het engagement van regeringen om de gepaste kadervoorwaarden te scheppen kunnen bijdragen tot een grotere doeltreffendheid van particuliere en overheidsinitiatieven met betrekking tot de waardeketen en positieve resultaten kunnen opleveren wat betreft duurzame ontwikkeling; benadrukt dat het bewustzijn van consumenten moet worden verhoogd om de transparantie te vergroten en betere arbeids- en milieunormen, productveiligheid en duurzame consumptie te ondersteunen;

11.

is van mening dat het Duurzaamheidspact Bangladesh, waarvan de EU een van voornaamste actoren is, als voorbeeld kan dienen voor de invoering van soortgelijke partnerschappen met derde landen; spoort de EU ertoe aan om haar internationale samenwerking met organisaties als de IAO, de OESO en de VN op het vlak van duurzame ontwikkeling en mvo voort te zetten en te verdiepen;

12.

steunt de inspanningen van de voor onbepaalde tijd ingestelde werkgroep van de VN om een bindend VN-verdrag inzake bedrijfsleven en mensenrechten op te stellen; roept de Commissie en de lidstaten op actief deel te nemen aan de onderhandelingen daarover;

13.

benadrukt dat als de veiligheidssituatie niet verbetert en de dreigingen door extremisten in Bangladesh niet systematisch worden aangepakt, dit rechtstreekse gevolgen zal hebben voor de investeringen in het land, wat uiteindelijk ten koste zal gaan van de ontwikkeling op de lange termijn en van het leven van de gewone burger;

Conclusies

14.

onderstreept dat een hoogwaardige kledingsector essentieel is voor de economische en sociale ontwikkeling in Bangladesh en dat dankzij de expansie van deze industrie veel arbeiders, met name vrouwen, de overstap van de informele naar de formele economie hebben kunnen maken; waarschuwt voor initiatieven die ertoe leiden dat bedrijven uit de EU en andere landen zich uit Bangladesh terugtrekken, wat schadelijk zou zijn voor de reputatie, maar belangrijker nog, voor de ontwikkelingsperspectieven van het land;

15.

onderstreept dat het de gedeelde verantwoordelijkheid is van de regering van Bangladesh, de plaatselijke particuliere sector, de internationale gemeenschap en zakenpartners om bij te dragen aan het bereiken van verantwoorde bedrijfsvoering als overkoepelend doel;

o

o o

16.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, de regering en het parlement van Bangladesh en de directeur-generaal van de IAO.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0414.

(2)  PB C 346 van 21.9.2016, blz. 39.

(3)  PB C 234 van 28.6.2016, blz. 10.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0196.

(5)  PB C 482 van 23.12.2016, blz. 149.

(6)  PB C 436 van 24.11.2016, blz. 39.

(7)  PB C 36 van 29.1.2016, blz. 145.

(8)  PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.

(9)  PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.

(10)  PB C 24 van 22.1.2016, blz. 28.

(11)  PB C 24 van 22.1.2016, blz. 33.

(12)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0299.


Donderdag 15 juni 2017

18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/105


P8_TA(2017)0267

De zaak van Afgan Mukhtarli en de situatie van de media in Azerbeidzjan

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over de zaak van de Azerbeidzjaanse journalist Afgan Mukhtarli (2017/2722(RSP))

(2018/C 331/14)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Azerbeidzjan, met name die over de mensenrechtensituatie en de rechtsstaat,

gezien de band tussen de EU en Azerbeidzjan, die in 1999 tot stand kwam in de vorm van een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO), de oprichting van het Oostelijk Partnerschap en de deelname van Azerbeidzjan in de Parlementaire Vergadering Euronest,

gezien het besluit van de Milli Majlis van de Republiek Azerbeidzjan van 30 september 2016 tot intrekking van zijn eerdere besluit — van 14 september 2015 — houdende beëindiging van het lidmaatschap en participatie van het land in de Parlementaire Vergadering Euronest,

gezien het op 14 november 2016 aan de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV/VV) gegeven mandaat om namens de EU en haar lidstaten onderhandelingen te voeren over een alomvattende overeenkomst met de Republiek Azerbeidzjan, alsook gezien de start van de onderhandelingen over de hierboven bedoelde overeenkomst op 7 februari 2017,

gezien het bezoek van de president van Azerbeidzjan, Ilham Aliyev, aan Brussel op 6 februari 2017,

gezien het recente bezoek van een delegatie van de Commissie buitenlandse zaken aan Azerbeidzjan op 22 mei 2017,

gezien het Internationaal Verdrag van de VN inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen,

gezien het rapport „Freedom of the World 2017” van Freedom House, waarin de pers en het internet in Azerbeidzjan als „niet vrij”, respectievelijk „gedeeltelijk vrij” worden gekwalificeerd,

gezien de verklaring van de HV/VV over de veroordeling van Mehman Huseynov in Azerbeidzjan op 7 maart 2017,

gezien de associatieovereenkomst/de diepe en brede vrijhandelsruimte (AA/DCFTA) tussen de EU en Georgië, die op 1 juli 2016 in werking is getreden,

gezien de eerdere verklaringen van de commissaris voor mensenrechten van de Raad van Europa, Nils Muiznieks, over de vervolging van journalisten, organisaties van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten en leden van de oppositie in Azerbeidzjan,

gezien de verklaring van de directeur van ODIHR van de OVSE, Michael Georg Link, over de vermeende ontvoering en mishandeling tijdens zijn detentie van de Azerbeidzjaanse journalist en mensenrechtenactivist Afgan Mukhtarli van 8 juni 2017,

gezien de verklaring van de woordvoerder van de HV/VV over de „illegale detentie van Azerbeidzjaanse staatsburgers die in Georgië wonen”,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Afgan Mukhtarli, een Azerbeidzjaanse onderzoeksjournalist in ballingschap, die in 2015 naar Tbilisi verhuisde, daar op 29 mei 2017 verdween en een paar uur later weer boven water kwam in Baku;

B.

overwegende dat Afgan Mukhtarli volgens zijn advocaat opgepakt werd door niet-geïdentificeerde mannen die naar verluidt Georgische politie-uniformen droegen, in een auto geduwd, geslagen en naar de grens met Azerbeidzjan overgebracht werd, waar naar verluidt een bedrag van 10 000 EUR in zijn kleding werd verstopt;

C.

overwegende dat Afgan Mukhtarli nu vervolgd wordt wegens het illegaal oversteken van de grens, smokkel en verzet tegen de politie; overwegende dat hij hiervoor tot een gevangenisstraf van meerdere jaren veroordeeld kan worden, en verder overwegende dat een rechtbank hem op 31 mei 2017 tot drie maanden detentie in afwachting van de behandeling van zijn zaak heeft veroordeeld;

D.

overwegende dat Afgan Mukhtarli voor meerdere onafhankelijke media heeft gewerkt, waaronder Radio Free Europe / Radio Liberty, en bekend is om zijn kritische journalistieke houding ten opzichte van de Azerbeidzjaanse autoriteiten; overwegende dat hij voor ballingschap in Georgië had gekozen om aan vergeldingsmaatregelen van de Azerbeidzjaanse autoriteiten vanwege zijn werk te ontkomen;

E.

overwegende dat Georgië partij is bij het Europees mensenrechtenverdrag en derhalve de plicht heeft de veiligheid van op zijn grondgebied verblijvende Azerbeidzjaanse staatsburgers te waarborgen en de gedwongen terugkeer naar hun land te verhinderen; overwegende dat het land echter steeds vaker weigert de verblijfsvergunning van de personen in kwestie te verlengen;

F.

overwegende dat de president van Georgië, Giorgi Margvelashvili, heeft verklaard dat de ontvoering van Afgan Mukhtarli een „ernstige uitdaging” voor de (Georgische) staat en soevereiniteit vormt;

G.

overwegende dat het Georgische Ministerie van Binnenlandse Zaken uit hoofde van artikel 143 (onwettige detentie) van het wetboek van strafrecht een onderzoek naar het geval-Afgan Mukhtarli is gestart en over dit dossier contact met zijn Azerbeidzjaanse tegenhanger heeft opgenomen;

H.

overwegende dat de mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan in het algemeen de afgelopen jaren aanleiding is geweest tot grote bezorgdheid, in het bijzonder vanwege de voortdurende intimidatie en onderdrukking, de vervolging, foltering, reisverboden en beperkingen van de bewegingsvrijheid van leiders van ngo's, mensenrechtenactivisten, leden van de oppositie, journalisten en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld;

I.

overwegende dat het Hof van Beroep in Baku op 17 mei 2017 om de terugzending naar Azerbeidzjan heeft gevraagd van Leyla en Arif Yunus, die politiek asiel gekregen hebben in Nederland, met het oog op een nieuwe rechtszaak;

J.

overwegende dat de arrondissementsrechtbank in Sabail op 12 mei 2017, naar aanleiding van een verzoek van het Ministerie van Vervoer, Communicatie en Technologieën, het besluit heeft bekrachtigd om vijf media te verbieden, waaronder de Azerbeidzjaanse tak van Radio Free Europe / Radio Liberty, Azadliq.infor, Meydan TV en de satellietzenders Turan TV en Azerbaijani Saadi;

K.

overwegende dat het herstel van de betrekkingen tussen de Milli Majlis van de Republiek Azerbeidzjan en het Europees Parlement, en het herstelde lidmaatschap van en de participatie in de Parlementaire Vergadering Euronest en haar activiteiten, nuttig zijn gebleken;

L.

overwegende dat de EU en Azerbeidzjan op 7 februari 2017 onderhandelingen zijn gestart over een nieuwe overeenkomst die voortbouwt op de beginselen zoals bekrachtigd in de toetsing in 2015 van het Europees Nabuurschapsbeleid, en die een nieuwe grondslag vormt voor politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en Azerbeidzjan;

1.

veroordeelt in krachtige bewoordingen de ontvoering van Afgan Mukhtarli in Tbilisi, alsook zijn willekeurige detentie daarna in Baku; beschouwt dit als een ernstige schending van mensenrechten, en veroordeelt deze grove inbreuk op het recht;

2.

verzoekt de Georgische autoriteiten met klem snel een diepgaand, transparant en doeltreffend onderzoek naar de gedwongen verdwijning van Afgan Mukhtarli in Georgië en zijn illegale overbrenging naar Azerbeidzjan te initiëren, en de daders voor het gerecht te brengen;

3.

acht het van het grootste belang dat de Georgische autoriteiten al het mogelijke ondernemen om voor volledige duidelijkheid te zorgen in verband met het vermoeden van betrokkenheid van Georgische agenten bij de gedwongen verdwijning;

4.

herinnert eraan dat het de verantwoordelijkheid van de Georgische autoriteiten is om alle staatsburgers van derde landen die in Georgië wonen of politiek asiel aanvragen, en/of in hun land van herkomst vervolgd dreigen te worden wegens hun inzet voor mensenrechten of politieke activiteiten, te beschermen; herinnert in dit verband aan artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat door Georgië ondertekend is;

5.

veroordeelt met klem de vervolging van Afgan Mukhtarli op grond van fake beschuldigingen, en herhaalt dat hij geviseerd wordt vanwege zijn werk als onafhankelijke journalist;

6.

vraagt de Azerbeidzjaanse autoriteiten alle beschuldigingen tegen Afgan Mukhtarli onmiddellijk en onvoorwaardelijk te laten vallen en hem, alsook iedereen die vastzit vanwege de uitoefening van hun grondrechten, waaronder het recht van vrije meningsuiting, vrij te laten; vraagt de Georgische autoriteiten in het dossier-Afgan Mukhtarli al het nodige te doen vis-à-vis de autoriteiten van Azerbeidzjan om hem in de gelegenheid te stellen zich weer bij zijn familie te voegen;

7.

vindt het uitermate zorgwekkend dat de zaak-Afgan Mukhtarli een zoveelste voorbeeld is van een situatie waarin de Azerbeidzjaanse autoriteiten critici in ballingschap, alsook hun familieleden in Azerbeidzjan zelf, intimideren en vervolgen; herinnert aan de eerdere gevallen waarin internationale arrestatiebevelen werden uitgevaardigd tegen Azerbeidzjaanse staatsburgers in ballingschap die zich kritisch over de autoriteiten uitlieten;

8.

dringt aan op een onmiddellijk, volledig, transparant, geloofwaardig en onpartijdig onderzoek naar de dood — op 28 april 2017 tijdens zijn detentie door de autoriteiten van Azerbeidzjan — van de Azerbeidzjaanse blogger en activist Mehman Galandarov;

9.

dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating uit de gevangenis van alle politieke gevangenen, waaronder journalisten, mensenrechtenactivisten en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder Afgan Mukhtarli, Ilkin Rustamzadeh, Rashad Ramazanov, Seymur Hazi, Giyas Ibrahimov, Mehman Huseynov, Bayram Mammadov, Ilgar Mammadov, Araz Guliyev, Tofig Hasanli, Ilgiz Qahramanov, Afgan Sadygov en anderen, waaronder, maar niet uitsluitend, diegenen die genoemd worden in de desbetreffende uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens, en dringt erop aan alle aanklachten tegen hen te laten vallen, alsook op het volledige herstel van hun politieke en burgerrechten, en vindt dat dit ook moet gelden voor eerder gevangen genomen en inmiddels vrijgelaten politieke gevangenen zoals Intigam Aliyev, Khadija Ismayilova en anderen;

10.

vraagt de Azerbeidzjaanse autoriteiten de lopende vervolging van Leyla en Arif Yunus te stoppen, en wijst Interpol erop dat deze zaak ingegeven is door politieke overwegingen;

11.

herhaalt zijn dringende oproep aan de Azerbeidzjaanse autoriteiten een eind te maken aan de praktijk van de selectieve strafvervolging en gevangenneming van journalisten, mensenrechtenactivisten en anderen die de regering bekritiseren, en te waarborgen dat alle personen in detentie, met inbegrip van journalisten, politieke activisten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, een eerlijk proces krijgen;

12.

vraagt de Azerbeidzjaanse autoriteiten met klem ervoor te zorgen dat onafhankelijke groeperingen van het maatschappelijk middenveld en activisten ongehinderd en zonder angst voor vervolging kunnen werken, waaronder middels het intrekken van de wetten die het maatschappelijk middenveld ernstig beperken, het deblokkeren van de bankrekeningen van ngo's en hun leiders, en het toestaan van buitenlandse financiering;

13.

dringt er bij de regering van Azerbeidzjan op aan zich volledig aan alle uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens te houden, en ten volle samen te werken met de Commissie van Venetië van de Raad van Europa en zijn commissaris voor mensenrechten, en uitvoering te geven aan hun aanbevelingen, alsook aan de speciale procedures van de VN met betrekking tot mensenrechtenactivisten, het recht op vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering, vrijheid van meningsuiting en willekeurige detentie, met als doel haar wetgeving te herzien en haar werkwijze aan te passen in volledige overeenstemming met de conclusies van de deskundigen;

14.

juicht het toe dat Azerbeidzjan in 2015 en 2016 meerdere bekende mensenrechtenactivisten, journalisten en activisten heeft vrijgelaten;

15.

onderstreept het belang van een goed politiek klimaat tussen de regering, de oppositie en het maatschappelijk middenveld;

16.

onderstreept het belang van de nieuwe partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Azerbeidzjan; beklemtoont dat democratische hervormingen, de rechtsstaat, goed bestuur en eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden bij de nieuwe overeenkomst leidend moeten zijn; wijst erop dat het de situatie gedurende het hele proces van onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst nauw zal volgen alvorens te besluiten er al dan niet mee in te stemmen;

17.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Dienst voor extern optreden, de Europese Raad, de Commissie, de presidenten, regeringen en parlementen van Azerbeidzjan en Georgië, de Raad van Europa, de OVSE en de VN-Mensenrechtenraad.

18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/109


P8_TA(2017)0268

Pakistan, met name de situatie van mensenrechtenverdedigers en de doodstraf

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over Pakistan, met name over de situatie van mensenrechtenactivisten en de doodstraf (2017/2723(RSP))

(2018/C 331/15)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Pakistan,

gezien de conclusies van de Raad van 18 juli 2016 over Pakistan,

gezien het vijfjarig inzetplan EU-Pakistan,

gezien het Pakistaanse actieplan voor de mensenrechten,

gezien het indicatief meerjarenprogramma (MIP) EU-Pakistan 2014-2020,

gezien de aanbevelingen in het verslag van de verkiezingswaarnemingsmissie van de EU bij de verkiezingen in Pakistan,

gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en haar woordvoerder over Pakistan,

gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948, met name artikel 18,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Pakistan partij is,

gezien het Verdrag inzake de rechten van het kind,

gezien de grondwet van Pakistan,

gezien de richtsnoeren van de EU over de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, over mensenrechtenactivisten en over de doodstraf, alsmede het strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie van 2012,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Pakistan tot 2015 een moratorium op de doodstraf kende, maar de doodstraf opnieuw heeft ingevoerd naar aanleiding van het bloedbad op de door het leger gerunde openbare school in Peshawar in december 2014; overwegende dat het moratorium oorspronkelijk alleen opgeheven was om terroristische activiteiten te bestraffen, maar vervolgens is uitgebreid tot alle ernstige strafbare feiten;

B.

overwegende dat Pakistan nu een van de grootste groepen op hun executie wachtende personen in de wereld heeft; overwegende dat er gevallen zijn gerapporteerd van executies die werden uitgevoerd terwijl de beroepsprocedures nog liepen;

C.

overwegende dat de Pakistaanse „blasfemiewet” (afdeling 295-C van het wetboek van strafrecht) voorziet in verplichte terdoodveroordeling; overwegende dat honderden mensen momenteel op hun berechting wachten en dat een aantal personen ter dood is veroordeeld wegens „blasfemie”; overwegende dat de wet naar verluid vage definities bevat die misbruikt kunnen worden om politieke dissidenten aan te pakken of legitieme kritiek op overheidsinstellingen en andere organen tot zwijgen te brengen;

D.

overwegende dat de premier in maart 2017 een verbod heeft uitgevaardigd op alle „godslasterlijk” materiaal op internet, en dat de Pakistaanse autoriteiten sociale-mediabedrijven hebben gevraagd Pakistanis die verdacht worden van „blasfemie” te helpen opsporen; overwegende dat op 14 april 2017 Mashal Khan, een student aan de Abdul Wali Khan-universiteit, door een groep medestudenten gelyncht is nadat hij ervan was beschuldigd „godslasterlijk” materiaal online te hebben gepubliceerd; overwegende dat op 10 juni 2017 een Pakistaanse rechtbank voor terrorismebestrijding Taimoor Raza ter dood heeft veroordeeld wegens veronderstelde „blasfemie” op Facebook; overwegende dat de activist Baba Jan en 12 andere demonstranten tot levenslange gevangenisstraf zijn veroordeeld, de strengste straf die ooit is uitgesproken wegens deelname aan een demonstratie;

E.

overwegende dat de Nationale Assemblee van Pakistan op 18 april 2017 een resolutie heeft aangenomen waarin het lynchen van Mashal Khan door een gewelddadige groep burgers wegens veronderstelde „blasfemie” werd veroordeeld; overwegende dat de Senaat hervormingen heeft besproken om misbruik terug te dringen;

F.

overwegende dat militaire rechtbanken gedurende twee jaar werden toegestaan terwijl de civiele rechterlijke macht in die periode zou worden verbeterd; overwegende dat er weinig vooruitgang is geboekt bij de ontwikkeling van de rechterlijke macht, en dat op 22 maart 2017 het controversiële besluit werd genomen om de militaire rechtbanken opnieuw in te voeren, voor een periode van nog eens twee jaar;

G.

overwegende dat er in Pakistan veel gevallen zijn gemeld van mensenrechtenactivisten, politieke dissidenten en leden van religieuze minderheden of groepen als de Ahmadiyya die te maken krijgen met intimidatie, geweld, gevangenzetting, foltering en molest, en die vermoord worden; overwegende dat uit door de VN-werkgroep inzake gedwongen en onvrijwillige verdwijningen en ngo's verzamelde informatie blijkt dat veiligheids- en wetshandhavingsautoriteiten, waaronder de politie en de geheime diensten, zich aan gedwongen verdwijningen schuldig maken; overwegende dat geen enkele dader met succes berecht is;

H.

overwegende dat de Indiase staatsburger Kulbhushan Jadhav in april 2017 door een militaire rechtbank ter dood veroordeeld is; overwegende dat deze zaak momenteel door het Internationaal Gerechtshof wordt behandeld op grond van het feit dat hem het recht op toegang tot consulaire diensten ontzegd werd; overwegende dat op 4 mei 2017 een 10-jarige jongen werd gedood en vijf andere personen gewond raakten bij een aanval door een menigte op een politiepost in Balochistan, kennelijk ingegeven door aantijgingen van „blasfemie”; overwegende dat op 30 mei 2017 de vermoedelijke verkrachting van een tiener (in de lokale media alleen aangeduid als „Shumaila”) door een familielid in Rajanpur ertoe leidde dat het slachtoffer door een stammenrechtbank ter dood werd veroordeeld; overwegende dat deze gevallen niet op zichzelf staan;

I.

overwegende dat het geval van Aasiya Noreen, beter bekend als Asia Bibi, een kwestie van groot belang voor de mensenrechtensituatie in Pakistan blijft; overwegende dat Asia Bibi, een Pakistaanse christelijke vrouw, door een Pakistaanse rechtbank van blasfemie werd beschuldigd en in 2010 veroordeeld werd tot dood door ophanging; overwegende dat als dit vonnis zou worden uitgevoerd, Asia Bibi de eerste vrouw in Pakistan zou zijn die legaal zou worden geëxecuteerd wegens blasfemie; overwegende dat er in verschillende internationale petities is aangedrongen op haar vrijlating, op grond van het feit dat zij om haar religie is vervolgd; overwegende dat de christelijke minister van minderheden Shahbaz Bhatti en de moslimpoliticus Salmaan Taseer door burgerwachten zijn vermoord omdat zij zich inzetten voor Asia Bibi en de „blasfemiewetten” veroordeelden; overwegende dat Asia Bibi, hoewel de uitvoering van het doodvonnis tegen haar tijdelijk is opgeschort, tot op heden gevangen gehouden wordt en dat haar familie zich nog steeds schuilhoudt;

J.

overwegende dat de repressie tegen ngo's onverminderd voortduurt; overwegende dat talloze ngo's geïntimideerd en lastiggevallen worden en dat bij sommige het kantoor is verzegeld, dit alles onder het mom van tenuitvoerlegging van het nationale plan ter bestrijding van terrorisme;

K.

overwegende dat 12 miljoen vrouwen geen nationaal identiteitsbewijs hebben en daarom niet het recht hebben om zich als kiezer in te schrijven; overwegende dat verschillende verkiezingswaarnemingsmissies van de EU aanbevelingen hebben gedaan ter verbetering van de verkiezingsprocedure voor de komende verkiezingen, die gepland staan voor 2018;

L.

overwegende dat Pakistan op 1 januari 2014 is toegetreden tot de SAP+-regeling; overwegende dat deze regeling moet voorzien in een stevige stimulans om de fundamentele mensen- en arbeidsrechten, het milieu en beginselen van goed bestuur te eerbiedigen;

M.

overwegende dat de EU zich ten volle zal blijven inzetten voor verdere dialoog en samenwerking met Pakistan in het kader van het vijfjarig inzetplan en de vervanging daarvan;

1.

herhaalt dat de EU streng gekant is tegen de doodstraf, in alle gevallen en zonder uitzondering; roept op tot wereldwijde afschaffing van de doodstraf; spreekt zijn ernstige verontrusting uit over het besluit van Pakistan om het moratorium op te heffen en over het feit dat de executies nu in een alarmerend tempo worden voortgezet; roept Pakistan op opnieuw een moratorium in te voeren, met het doel om op de langere termijn de doodstraf volledig af te schaffen;

2.

is ten zeerste verontrust over de berichten inzake toepassing van de doodstraf in Pakistan na twijfelachtige rechtszaken, de terechtstelling van minderjarigen en personen met psychische aandoeningen, en vermoedelijke gevallen van foltering; dringt er bij de regering op aan de bepalingen inzake de doodstraf in de nationale wetgeving aan te passen aan het internationale recht en de internationale normen, met inbegrip de stopzetting van executies wegens andere misdrijven dan moord met voorbedachten rade, een verbod op de terechtstelling van jonge daders en personen met een psychische aandoening, en een moratorium op de uitvoering van executies terwijl er nog een beroepsprocedure loopt;

3.

betreurt de terugval in Pakistan wat betreft de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, en met name de toename van buitengerechtelijke executies en de intimidatie en geweldpleging jegens journalisten, mensenrechtenactivisten, ngo's en critici van de regering; herinnert aan de plicht van de Pakistaanse regering om de eerbiediging van de grondrechten te waarborgen; is ingenomen met de goedkeuring door Pakistan van een actieplan voor de mensenrechten, en hoopt dat dit in tastbare vooruitgang zal worden vertaald; waarschuwt in dit opzicht dat het de EU ten zeerste zal verontrusten als activisten steeds weer het slachtoffer van dergelijke praktijken worden en er geen vooruitgang kan worden vastgesteld;

4.

spreekt zijn verontrusting uit over de grote vrijheid van handelen waarover de veiligheidstroepen beschikken en verzoekt de Pakistaanse regering voor beter toezicht op hun optreden te zorgen; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan onverwijld een onpartijdig onderzoek in te stellen naar sterfgevallen tijdens hechtenis en moorden door de veiligheidstroepen, en naar aantijgingen van foltering, en degenen die zich schuldig maken aan buitengerechtelijke executies en foltering, te vervolgen;

5.

betreurt dat Pakistan militaire rechtbanken inzet die geheime verhoren uitvoeren en civiele jurisdictie hebben; dringt erop aan dat de Pakistaanse autoriteiten internationale waarnemers en mensenrechtenorganisaties toegang verlenen om het inzetten van militaire rechtbanken kunnen te volgen; dringt voorts aan op de onmiddellijke en transparante omzetting naar onafhankelijke civiele rechtbanken, in overeenstemming met de internationale normen betreffende gerechtelijke procedures; onderstreept dat onderdanen van derde landen die voor de rechter worden gedaagd, toegang tot consulaire diensten en bescherming moeten krijgen;

6.

is ernstig bezorgd over het feit dat in Pakistan voortdurend gebruik wordt gemaakt van de „blasfemiewet” en is van mening dat dit het klimaat van religieuze onverdraagzaamheid versterkt; neemt kennis van de vaststelling van het Pakistaanse hooggerechtshof dat personen die beschuldigd worden van „blasfemie” buitensporig en onherstelbaar leed ondergaan als gevolg van het gebrek aan adequate bescherming tegen onjuiste toepassing of misbruik van dergelijke wetten; roept de Pakistaanse regering dan ook op de afdelingen 295-A, 295-B en 295-C van het wetboek van strafrecht in te trekken en te voorzien in doeltreffende procedurele en institutionele bescherming tegen misbruik van de beschuldiging van „blasfemie”; roept de regering tevens op een krachtiger standpunt in te nemen door burgergeweld jegens vermoedelijke „godslasteraars” te veroordelen en verzoekt haar om ook zelf geen „blasfemie”-retoriek te gebruiken;

7.

roept de Pakistaanse regering op dringend maatregelen te nemen om de levens en de rechten van journalisten en bloggers te beschermen; spreekt zijn verontrusting uit over het verzoek van de Pakistaanse autoriteiten aan Twitter en Facebook om informatie te onthullen over hun gebruikers zodat personen die verdacht worden van „blasfemie” kunnen worden geïdentificeerd; verzoekt de regering en het parlement van Pakistan om de wet op het voorkomen van elektronische misdrijven van 2016 te wijzigen en de al te brede bepalingen inzake toezicht op en verzameling van gegevens en het sluiten van websites op grond van vage criteria te verwijderen; dringt erop aan dat alle terdoodveroordelingen op grond van „blasfemie” of afwijkende politieke standpunten, waaronder de tegen Taimoor Raza uitgesproken straf, worden omgezet; verzoekt de president van Pakistan in dit verband gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot gratieverlening;

8.

neemt kennis van de vooruitgang die is geboekt bij de tenuitvoerlegging van het vijfjarig inzetplan EU-Pakistan, maar spreekt de hoop uit dat het nieuwe strategische inzetplan, dat in 2017 zal worden afgerond, ambitieus zal zijn en de banden tussen de EU en Pakistan zal helpen aanhalen;

9.

dringt er bij de regering van Pakistan op aan de lopende zaak van Asia Bibi zo positief en snel mogelijk op te lossen; beveelt aan maatregelen te treffen om de veiligheid van Asia Bibi en haar familie te waarborgen, gezien de behandeling van slachtoffers van beschuldigingen van blasfemie in het verleden door burgerwachten en buitengerechtelijke actoren;

10.

herinnert eraan dat de toekenning van de SAP+-status aan voorwaarden is gebonden en dat de daadwerkelijke toepassing van internationale verdragen een essentieel vereiste is bij deze regeling; dringt er bij de Pakistaanse regering op aan zich krachtig in te spannen om de 27 kernverdragen toe te passen en te laten zien dat er sprake is van vooruitgang;

11.

verzoekt de Commissie en de EDEO om deze vraagstukken met de Pakistaanse autoriteiten aan te kaarten tijdens de regelmatige mensenrechtendialoog;

12.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Pakistan.

18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/113


P8_TA(2017)0269

De mensenrechtensituatie in Indonesië

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over de mensenrechtensituatie in Indonesië (2017/2724(RSP))

(2018/C 331/16)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Indonesië, met name die van 19 januari 2017 (1),

gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Indonesië, die op 1 mei 2014 in werking is getreden, en het gemeenschappelijke persbericht van 29 november 2016 na de eerste gezamenlijke commissievergadering in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst,

gezien de plaatselijke verklaring van de EU van 9 mei 2017 over de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting,

gezien het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten over Indonesië van 17 februari 2017, en de universele periodieke doorlichting (derde ronde) en de samenvatting van de bijdragen van belanghebbenden over Indonesië van 20 februari 2017,

gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 27 juli 2016 over de geplande executies in Indonesië,

gezien de zesde mensenrechtendialoog tussen de Europese Unie en Indonesië van 28 juni 2016,

gezien de verklaring van Bangkok van 14 oktober 2016 over het bevorderen van een mondiaal partnerschap tussen de ASEAN en de EU met betrekking tot gezamenlijke strategische doelstellingen,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), dat Indonesië in 2006 heeft geratificeerd,

gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1987,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Indonesië het op drie na volkrijkste land en de op twee na grootste democratie ter wereld en het land met de grootste moslimbevolking is, en een diverse samenleving heeft van 255 miljoen burgers met verschillende etniciteiten, talen en culturen;

B.

overwegende dat Indonesië een belangrijke partner van de EU is; overwegende dat de EU en Indonesië, een lid van de G20, nauwe betrekkingen onderhouden; overwegende dat de EU en Indonesië dezelfde waarden delen op het gebied van mensenrechten, governance en democratie;

C.

overwegende dat er in 2016 in Indonesië sprake was van een ongekend aantal gewelddadige, discriminerende, intimiderende verbale aanvallen en venijnige verklaringen gericht tegen LGBTI-personen; overwegende dat deze aanvallen naar verluidt direct of indirect zijn aangewakkerd door regeringsfunctionarissen, overheidsinstellingen en extremisten; overwegende dat de aard van dergelijke aanvallen sinds 2017 is verergerd;

D.

overwegende dat in de speciale autonome provincie Atjeh, waar de shariawetgeving geldt, seksuele handelingen en seksuele betrekkingen tussen mensen van hetzelfde geslacht met wederzijdse instemming strafbaar zijn en worden bestraft met straffen die oplopen tot 100 stokslagen en 100 maanden gevangenisstraf; overwegende dat in mei 2017 twee jonge mannen wegens seksuele betrekkingen tussen mensen van hetzelfde geslacht werden veroordeeld tot 85 stokslagen; overwegende dat het recht om niet gefolterd te worden een fundamenteel en onvervreemdbaar recht vormt;

E.

overwegende dat homoseksualiteit in de rest van Indonesië niet illegaal is; overwegende dat de LGBTI-gemeenschap de afgelopen jaren niettemin onder vuur heeft gelegen;

F.

overwegende dat tijdens een politie-inval bij een gayclub in Jakarta op 21 mei 2017 141 mannen werden gearresteerd wegens „schending van de pornografiewetgeving”;

G.

overwegende dat het Constitutioneel Hof van Indonesië sinds januari 2016 een verzoekschrift in behandeling heeft dat tot doel heeft seksuele contacten tussen mensen van hetzelfde geslacht en seks buiten het huwelijk strafbaar te stellen;

H.

overwegende dat er in Indonesië sprake is van groeiende intolerantie jegens religieuze minderheden, hetgeen mogelijk is gemaakt door discriminerende wet- en regelgeving, met inbegrip van een blasfemiewet waarin slechts zes religies officieel erkend worden; overwegende dat sinds juni 2017 diverse mensen zijn veroordeeld en vastgezet op grond van de blasfemiewetgeving;

I.

overwegende dat in januari 2017 de nationale commissie voor de mensenrechten, de Komisi Nasional Hak Asaki Manusia, heeft vastgesteld dat in sommige provincies, zoals West-Java, sprake is van veel meer religieuze intolerantie dan in andere provincies, en dat regionale overheidsfunctionarissen vaak verantwoordelijk zijn voor het tolereren dan wel rechtstreeks aanwakkeren van misbruik;

J.

overwegende dat ernstige bezorgdheid bestaat over intimidatie en geweld jegens journalisten; overwegende dat journalisten vrije toegang zouden moeten krijgen tot het gehele land;

K.

overwegende dat volgens Human Rights Watch tussen 2010 en 2015 49 % van de meisjes van 14 jaar of jonger het slachtoffer was van genitale verminking;

L.

overwegende dat de autoriteiten in juli 2016 vier veroordeelde drugshandelaren hebben geëxecuteerd en hebben aangekondigd dat tien andere terdoodveroordeelde gevangenen in 2017 zullen worden geëxecuteerd;

1.

waardeert de nauwe betrekkingen tussen de EU en Indonesië en wijst nogmaals op het belang van de sterke en langdurige politieke, economische en culturele banden tussen beide landen; benadrukt het belang van de mensenrechtendialoog tussen de EU en Indonesië, die een open uitwisseling mogelijk maakt over mensenrechten en democratie, die eveneens de basis vormen van de de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst;

2.

dringt aan op intensievere parlementaire contacten tussen de EU en Indonesië als een middel om verschillende kwesties van wederzijds belang, met inbegrip van mensenrechten, op constructieve wijze te bespreken; verzoekt het Indonesische parlement dergelijke contacten te versterken;

3.

is ingenomen met de actieve betrokkenheid van Indonesië op regionaal en multilateraal niveau; benadrukt dat Indonesië tijdens de bijeenkomst van de VN-Mensenrechtenraad in mei 2017 is geëvalueerd in het kader van de universele periodieke doorlichting; benadrukt dat Indonesië, net als in de vorige ronden, vrijwillig aan deze doorlichting heeft meegewerkt;

4.

dringt er bij de autoriteiten van de speciale autonome provincie Atjeh op aan om verdere vervolging van homoseksuele te voorkomen en homoseksualiteit niet langer strafbaar te stellen door het islamitisch wetboek van strafrecht te wijzigen; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over het feit dat in Atjeh op 22 mei 2017 twee homoseksuele mannen van 20 en 23 jaar stokslagen toegediend kregen, wat de eerste keer was dat de autoriteiten van Atjeh mensen stokslagen lieten toedienen vanwege homoseksuele praktijken; veroordeelt met klem het feit dat homoseksualiteit illegaal is uit hoofde van het islamitische wetboek van strafrecht van Atjeh, dat gebaseerd is op de shariawetgeving; benadrukt dat de bestraffing van de twee mannen een wrede, inhumane en vernederende behandeling vormt die krachtens het internationaal recht als foltering zou kunnen worden aangemerkt; dringt er voorts bij de autoriteiten op aan onmiddellijk een einde te maken aan openbare geselingen;

5.

is eveneens bezorgd over de groeiende intolerantie jegens de Indonesische LGBTI-gemeenschap buiten de speciale autonome provincie Atjeh; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over het feit dat, hoewel homoseksualiteit niet strafbaar is volgens het wetboek van strafrecht van Indonesië, op 21 mei 2017 tijdens een politie-inval bij een gayclub 141 mannen zijn gearresteerd; dringt er bij de autoriteiten en regeringsfunctionarissen op aan geen publieke uitspraken te doen die discriminerend zijn voor LGBTI-personen of andere minderheden in het land; benadrukt dat de politie de plicht heeft om de wet te handhaven en kwetsbare minderheden te beschermen in plaats van te vervolgen;

6.

verwerpt de bewering van de Indonesische Vereniging voor Psychiatrie dat homoseksualiteit en transseksualiteit psychische aandoeningen zijn; roept de autoriteiten op om de gedwongen detentie van LGBTI-personen te beëindigen en eveneens een einde te maken aan alle vormen van „behandeling” om deze mensen van homoseksualiteit, biseksualiteit of transseksualiteit te „genezen”, en om het verbod hierop strikt te handhaven;

7.

is ingenomen met de verklaring van president Widodo van 19 oktober 2016 waarin hij LGBTI-discriminatie veroordeelt; dringt er bij president Widodo op aan zijn belangrijke positie te gebruiken om intolerantie en misdaden jegens LGBTI-personen, minderheden, vrouwen en organisaties of bijeenkomsten in het land publiekelijk te veroordelen;

8.

dringt aan op de herziening van de blasfemiewet, aangezien deze religieuze minderheden in gevaar brengt; onderschrijft de aanbevelingen van de VN om de artikelen 156 en 156(a) van het wetboek van strafrecht, de wet inzake het voorkomen van misbruik en belastering van religie en de wet inzake elektronische transacties en data in te trekken en de aanklachten jegens en vervolging van degenen die van blasfemie worden beschuldigd stop te zetten;

9.

is bezorgd over de groeiende intolerantie jegens etnische, religieuze en seksuele minderheden in Indonesië; spoort de Indonesische autoriteiten aan om hun inspanningen om religieuze tolerantie en sociale diversiteit te bevorderen, te intensiveren; veroordeelt krachtig alle vormen van geweld, treitering en intimidatie jegens minderheden; dringt erop aan dat eenieder die zich hieraan schuldig maakt, ter verantwoording wordt geroepen;

10.

spreekt zijn bezorgdheid uit over de ernstige schendingen van de vrijheid van media; dringt er bij de Indonesische regering op aan ervoor te zorgen dat overheidsinstanties een zerotolerancebeleid ten aanzien van fysiek geweld jegens journalisten hanteren en buitenlandse media vrijelijk toegang tot het land verstrekken;

11.

roept de Indonesische autoriteiten op alle wettelijke bepalingen in te trekken die een ongeoorloofde beperking van de fundamentele vrijheden en mensenrechten inhouden; dringt er bij de Indonesische autoriteiten op aan al hun wetten te evalueren en te waarborgen dat zij stroken met de internationale verplichtingen van het land, in het bijzonder op het gebied van vrijheid van meningsuiting, gedachte, geweten en godsdienst, gelijkheid voor de wet, het recht om niet gediscrimineerd te worden, en het recht op vrije meningsuiting en openbare vergadering;

12.

is bezorgd over de meldingen van voortdurend geweld tegen vrouwen en over voor vrouwen schadelijke praktijken zoals genitale verminking van vrouwen; dringt er bij de Indonesische autoriteiten op aan de wetten inzake geweld tegen vrouwen te handhaven, alle vormen van seksueel geweld strafbaar te stellen en met wetgeving te komen om een einde te maken aan genderongelijkheid en de positie van vrouwen te versterken;

13.

is verheugd over de opschorting van executies van terdoodveroordeelde gevangen die zijn veroordeeld wegens drugshandel in afwachting van een herbeoordeling van hun zaak; dringt er bij de regering van Indonesië op aan dergelijke executies een halt toe te roepen en de veroordeelden opnieuw te berechten in overeenstemming met internationale normen; dringt erop aan het moratorium op de doodstraf onmiddellijk te herstellen teneinde de doodstraf af te straffen;

14.

dringt er bij de Indonesische regering op aan haar verplichtingen na te komen en de in het ICCPR verankerde rechten en vrijheden te beschermen en te eerbiedigen;

15.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Indonesië, de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), de Intergouvernementele Commissie inzake mensenrechten van de ASEAN en de VN-Mensenrechtenraad.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0002.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/116


P8_TA(2017)0270

De tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen (2016/2064(INI))

(2018/C 331/17)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 14,

gezien Verordening (EU) nr. 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen (1) (de EFSI-Verordening),

gezien het verslag van de Commissie van 31 mei 2016 aan het Europees Parlement, de Raad, en de Europese Rekenkamer over het beheer van het garantiefonds van het Europees Fonds voor strategische investeringen in 2015 (COM(2016)0353),

gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld „Europa investeert weer — Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen” (COM(2016)0359),

gezien het jaarverslag van de Europese Investeringsbank aan het Europees Parlement en de Raad over financierings- en investeringsverrichtingen van de EIB-groep in het kader van het EFSI in 2015 (2),

gezien de evaluatie van het werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0297), de evaluatie van de functionering van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) door de Europese Investeringsbank (3), de ad-hocaudit door Ernst & Young van de toepassing van Verordening (EU) nr. 2015/1017 (4) en het advies van de Europese Rekenkamer (5),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) 2015/1017 wat betreft de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen en wat betreft de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (COM(2016)0597),

gezien de Overeenkomst van Parijs, aangenomen tijdens de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), die in december 2015 in Parijs, Frankrijk, werd gehouden,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (6),

gezien het advies van het Comité van de Regio's (7),

gezien het gezamenlijk overleg van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

gezien artikel 52 van zijn Reglement evenals artikel 1, lid 1, onder e), van Bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0200/2017),

1.

neemt kennis van de grote investeringskloof in Europa, die door de Commissie wordt geraamd op ten minste 200-300 miljard EUR per jaar; wijst tegen deze achtergrond in het bijzonder op de behoefte in Europa aan financiering van projecten met een hoog risico, met name op het gebied van financiering voor kmo's, O&O, ICT en vervoer, communicatie en energie-infrastructuur, die noodzakelijk zijn om een inclusieve economische ontwikkeling te bevorderen; is bezorgd over het feit dat de meest recente gegevens over nationale rekeningen niet duiden op een toename van investeringen sinds de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), hetgeen doet vrezen dat de groei laag en de werkloosheid hoog zal blijven, met name bij de jeugd en de nieuwe generaties; benadrukt dat het dichten van deze investeringskloof door op verschillende strategische gebieden voor een gunstig investeringsklimaat te zorgen, van essentieel belang is voor de opleving van de groei, de bestrijding van de werkloosheid, de bevordering van de ontwikkeling van een sterke, duurzame en concurrerende industrie en de verwezenlijking van de EU-beleidsdoelstellingen voor de lange termijn;

2.

benadrukt de rol van het EFSI bij het oplossen van moeilijkheden en het wegnemen van belemmeringen in verband met financiering, alsook bij de verwezenlijking van strategische, transformerende en productieve investeringen met een grote economische, ecologische en maatschappelijke meerwaarde, bij de hervorming en modernisering van de economieën van de lidstaten, bij het scheppen van groei en banen waarvoor ondanks de economische haalbaarheid ervan geen marktfinanciering kan worden aangetrokken, en bij de bevordering van private investeringen in alle regio's van de EU;

3.

herinnert aan de rol van het Parlement als voorzien in de verordening, in het bijzonder wat betreft het toezicht op de tenuitvoerlegging van het EFSI; erkent niettemin dat het te vroeg is voor een uitgebreide definitieve beoordeling van de werking van het EFSI en de effecten ervan op de economie van de EU, maar is wel van mening dat een voorlopige evaluatie op basis van uitvoerige gegevens over de geselecteerde en verworpen projecten en de desbetreffende besluiten van essentieel belang is om mogelijke verbeterpunten voor EFSI 2.0 en de periode daarna vast te stellen; dringt er bij de Commissie op aan met een uitgebreide evaluatie te komen zodra de desbetreffende informatie beschikbaar is;

Additionaliteit

4.

herinnert eraan dat het EFSI ten doel had additionaliteit te waarborgen door situaties waarin sprake is van marktfalen of suboptimale investeringen aan te pakken, door verrichtingen te ondersteunen die niet, of niet in dezelfde mate, hadden kunnen worden uitgevoerd in het kader van de bestaande financiële instrumenten van de Unie of met private middelen zonder betrokkenheid van het EFSI; merkt evenwel op dat het concept „additionaliteit” verder moet worden verduidelijkt;

5.

herinnert eraan dat door het EFSI ondersteunde projecten, die er overeenkomstig de in artikel 9 van de EFSI-verordening vermelde algemene doelstellingen naar streven werkgelegenheid, duurzame groei en economische, territoriale en sociale cohesie te verwezenlijken, worden geacht additionaliteit te bieden wanneer zij een risico dragen dat overeenkomt met de speciale activiteiten van de EIB, als omschreven in artikel 16 van de EIB-statuten en in de richtsnoeren voor kredietrisicobeleid van de EIB; herinnert eraan dat door het EFSI gesteunde projecten in de regel een hoger risicoprofiel dienen te hebben dan projecten die in het kader van de normale EIB-verrichtingen worden ondersteund; onderstreept dat EIB-projecten met een risico dat lager is dan het minimumrisico in het kader van speciale activiteiten van de EIB eveneens door het EFSI mogen worden ondersteund indien het gebruik van de EU-garantie noodzakelijk is om te zorgen voor additionaliteit;

6.

wijst erop dat terwijl alle in het kader van het EFSI goedgekeurde projecten worden gepresenteerd als „speciale activiteiten”, in een onafhankelijke evaluatie is geconstateerd dat sommige van deze projecten hadden kunnen worden gefinancierd zonder gebruik te maken van de EU-garantie;

7.

dringt er bij de Commissie op aan om, in samenwerking met de EIB en de bestuursstructuren van het EFSI, een inventaris op te maken van alle door de EU ondersteunde EIB-financieringen die onder de additionaliteitscriteria vallen, en duidelijk en uitgebreid te motiveren waarom niet op een andere manier aan deze criteria had kunnen worden voldaan;

8.

merkt op dat zich in zoverre tegenstellingen kunnen voordoen tussen de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen van het EFSI dat de EIB minder risicovolle projecten zou kunnen financieren waarvoor reeds belangstelling bij investeerders bestaat, zodat de doelstelling voor het aantrekken van particuliere investeringen kan worden gehaald; spoort de bestuursstructuren van de EIB en het EFSI aan daadwerkelijke additionaliteit als gedefinieerd in artikel 5 van de EFSI-verordening te realiseren en ervoor te zorgen dat situaties waarin sprake is van marktfalen of suboptimale investeringen, volledig worden aangepakt;

9.

dringt er bij de EIB op aan transparantie te waarborgen in het beheer van het fonds en met betrekking tot de herkomst van elke bijdrage van overheden, particulieren en derden, en tevens concrete gegevens te verstrekken, onder meer over specifieke projecten en over buitenlandse investeerders, en wijst op de verslagleggingsvereisten ten aanzien van het Parlement uit hoofde van de EFSI-verordening; wijst er nogmaals op dat alle derde landen die in de toekomst mogelijk willen bijdragen, moeten voldoen aan alle EU-regels inzake overheidsopdrachten, arbeidsrecht en milieuregelgeving en verwacht dat de sociale en milieucriteria die gelden voor EIB-projecten volledig worden geëerbiedigd in besluiten over de financiering van projecten met EFSI-middelen;

Scorebord en projectselectie

10.

wijst erop dat, overeenkomstig de verordening, alvorens een project kan worden geselecteerd, het moet worden onderworpen aan een zorgvuldig onderzoek en besluitvormingsprocedures binnen de bestuursstructuren van zowel de EIB als het EFSI; stelt vast dat projectontwikkelaars hebben aangedrongen op snelle feedback en meer transparantie wat betreft zowel de selectiecriteria als het bedrag en de soort/tranche mogelijke EFSI-steun; dringt erop aan voor meer duidelijkheid te zorgen teneinde projectontwikkelaars aan te moedigen EFSI-steun aan te vragen, onder andere door het scorebord beschikbaar te maken voor aanvragers van EFSI-financiering; dringt erop aan het besluitvormingsproces transparanter te maken wat betreft de selectiecriteria en de financiële steun, en dit proces te bespoedigen en tegelijkertijd zorg te blijven dragen voor een gedegen zorgvuldigheidsonderzoek teneinde EU-middelen te beschermen; onderstreept dat een gezamenlijke procedure voor zorgvuldig onderzoek van de EIB en de nationale stimuleringsbanken of een delegatie ervan door de EIB aan de nationale stimuleringsbanken dient te worden aangemoedigd teneinde het evaluatieproces te vereenvoudigen, met name voor investeringsplatforms;

11.

is van mening dat de criteria op grond waarvan projecten en in aanmerking komende partners worden beoordeeld, verder moeten worden verduidelijkt; verzoekt de bestuursorganen van het EFSI om nadere informatie te verstrekken over de evaluaties die zijn uitgevoerd met betrekking tot alle in het kader van het EFSI goedgekeurde projecten, in het bijzonder wat betreft de additionaliteit ervan, de mate waarin zij hebben bijgedragen tot duurzame groei, en de capaciteit om banen te scheppen, als gedefinieerd in de verordening; dringt, wat betreft in aanmerking komende partners, aan op strenge corporate governanceregels waar dergelijke entiteiten aan moeten voldoen om als EFSI-partner te worden goedgekeurd, in overeenstemming met de EU-beginselen en de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

12.

herinnert eraan dat het scorebord een instrument is waarmee het investeringscomité het gebruik van de EU-garantie kan prioriteren voor verrichtingen met hogere scores en een hogere meerwaarde, en dat het dienovereenkomstig door het investeringscomité moet worden gebruikt; is voornemens te beoordelen of het scorebord en de bijbehorende indicatoren op deugdelijke wijze worden geraadpleegd, toegepast en gebruikt; dringt erop aan de criteria voor de selectie van projecten correct toe te passen en dit proces transparanter te maken; herinnert eraan dat het investeringscomité overeenkomstig de bijlage bij de huidige verordening bij de prioritering van projecten evenveel belang moet toekennen aan elke pijler van het scorebord ongeacht of de individuele pijler een numerieke score bevat of bestaat uit kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren zonder score; betreurt dat in de huidige scoreborden aan de derde pijler, die betrekking heeft op technische aspecten van de projecten, evenveel belang wordt toegekend als aan de eerste en tweede pijler die betrekking hebben op de belangrijkere gewenste resultaten; uit kritiek op het feit dat de EIB zelf toegeeft dat het investeringscomité uitsluitend gebruik maakt van de 4e pijler voor informatiedoeleinden, niet voor besluitvorming; pleit ervoor dat scoreborden, met uitzondering van commercieel gevoelige informatie, openbaar worden gemaakt nadat een definitief besluit over een project is genomen;

13.

erkent dat het enkele jaren kan duren om nieuwe innovatieve projecten op te zetten, dat de EIB onder druk staat om de doelstelling van 315 miljard EUR te halen en dat zij daarom wel moest besluiten om onmiddellijk met EFSI-activiteiten te starten; is evenwel bezorgd over het feit dat de EIB bij de tenuitvoerlegging van het EFSI tot dusver grotendeels heeft geput uit haar bestaande projectenbestand met projecten waar een lager risico aan is verbonden, waarbij zij haar eigen conventionele financiering heeft verlaagd; vreest dat het EFSI geen aanvullende financiering biedt voor innovatieve projecten met een hoog risico; onderstreept evenwel dat zelfs wanneer een project voldoet aan de criteria van een speciale activiteit, dit niet noodzakelijkerwijs betekent dat het risicovol van aard is; benadrukt echter dat de indeling als een speciale activiteit eveneens kan voortkomen uit het feit dat de financiering van het project kunstmatig op risicovolle wijze is gestructureerd, zodat projecten met een zeer laag risico gemakkelijk in projecten met een hoog risico kunnen transformeren; benadrukt dat de projectcriteria in geen geval mogen worden versoepeld om de beleidsdoelstelling van 315 miljard EUR aan gegenereerde investeringen te halen;

14.

verzoekt de EIB een raming te geven van haar potentiële jaarlijkse kredietverleningscapaciteit op de middellange termijn, en daarbij rekening te houden met het EFSI en mogelijke ontwikkelingen op het gebied van regelgeving; verzoekt de EIB tevens haar eigen kredietverleningsactiviteiten voort te zetten met 70 à 75 miljard EUR per jaar, daarbij gebruikmakend van winsten, terugbetalingen uit de programma's enz., en het EFSI als een aanvullend instrument te gebruiken; wijst erop dat dit zou betekenen dat het volume van de EIB-verrichtingen zou toenemen tot in het totaal ten minste 90 miljard EUR in plaats van 75 miljard EUR;

15.

acht het van belang te bespreken of de beoogde hefboomwerking van 15 voldoet om het EFSI in staat te stellen kwalitatief hoogwaardige projecten met een hoger risico te ondersteunen, en dringt er bij de Commissie op aan een desbetreffende effectbeoordeling uit te voeren; herinnert eraan dat deze hefboomwerking van 15 gebaseerd is op de hele portefeuille en de financieringservaringen van de EIB weerspiegelt, met het oog op het aanpakken van marktfalen; pleit ervoor meer belang te hechten aan de verwezenlijking van openbare doelstellingen door het EFSI, in aanvulling op de volume-eisen; stelt voor eveneens rekening te houden met de doelen van de Unie die op de klimaatconferentie van Parijs (COP21) zijn vastgesteld; verzoekt de EIB de tot dusver gerealiseerde hefboomwerking en de daaraan ten grondslag liggende berekeningsmethoden bekend te maken;

16.

benadrukt dat kleinschalige projecten vaak moeilijk toegang hebben tot de benodigde financiering; merkt bezorgd op dat ontwikkelaars van kleine projecten worden afgeschrikt om EFSI-financiering aan te vragen, of zelfs te horen krijgen dat zij niet in aanmerking komen voor financiering, vanwege hun omvang; wijst op het aanzienlijke effect dat een klein project desalniettemin op nationaal en regionaal niveau kan hebben; benadrukt dat het noodzakelijk is de beschikbare technische bijstand van de Europese investeringsadvieshub (EIAH) uit te breiden, aangezien deze een middel vormt om ontwikkelaars van kleinschalige projecten te adviseren over en te begeleiden bij het structureren en het bundelen van projecten door middel van investeringsplatforms of kaderovereenkomsten; dringt er bij het bestuur op aan deze kwestie te bekijken en met voorstellen te komen om deze situatie te verhelpen;

Sectorale diversificatie

17.

benadrukt dat het EFSI een vraaggestuurd instrument is, dat niettemin geleid moet worden door in de verordening uiteengezette en door het bestuur gedefinieerde politieke doelstellingen; dringt aan op meer voorlichting en informatieverschaffing voor sectoren met een onbeantwoorde vraag naar investeringen die nog niet ten volle gebruik hebben kunnen maken van het EFSI; merkt in dit verband op dat in de EU op macro-economisch niveau meer maatregelen moeten worden genomen om de vraag naar investeringen te stimuleren;

18.

is ingenomen met het feit dat alle in de EFSI-verordening gedefinieerde sectoren EFSI-financiering hebben ontvangen; wijst er evenwel op dat bepaalde sectoren ondervertegenwoordigd zijn, met name in de sector sociale infrastructuur en de sectoren gezondheidszorg en onderwijs, waarvoor slechts 4 % van de in het kader van het EFSI goedgekeurde middelen is aangewend; merkt op dat hieraan verschillende redenen ten grondslag kunnen liggen, bijvoorbeeld het feit dat in sommige sectoren wellicht sprake was van een gebrek aan ervaring en technische kennis over de vraag hoe men toegang tot het EFSI krijgt, of dat deze sectoren reeds betere investeringskansen boden in de zin van direct uitvoerbare, financierbare projecten, toen het EFSI van start ging; dringt er tegen deze achtergrond bij de EIB op aan te bespreken hoe de sectorale diversificatie kan worden verbeterd en deze te koppelen aan de in de verordening uiteengezette doelstellingen, en eveneens te bekijken of EFSI-steun moet worden uitgebreid naar andere sectoren;

19.

herinnert eraan dat de door de EU onderschreven klimaatovereenkomst van de COP21 een omvangrijke verschuiving naar duurzame investeringen vereist en dat het EFSI dit ten volle moet steunen; benadrukt dat EFSI-investeringen in overeenstemming dienen te zijn met deze verbintenis; onderstreept dat de rapportagevereisten met betrekking tot de klimaatverandering moeten worden aangescherpt;

20.

wijst erop dat het noodzakelijk is het percentage middelen te verhogen dat wordt toegekend aan langetermijnprojecten zoals telecommunicatienetwerken of aan projecten met een relatief hoog risico dat kenmerkend is voor geavanceerdere nieuw opkomende technologieën; merkt op dat investeringen in breedbandinfrastructuur en 5G, cyberveiligheid, de digitalisering van de traditionele economie, micro-elektronica en krachtige computersystemen (high-performance computing, HPC) de digitale kloof kunnen helpen verkleinen;

21.

betreurt het ontbreken van grenswaarden met betrekking tot concentratie in de aanvankelijke opstartfase; herinnert eraan dat de vervoersector de grootste bijdrage heeft geleverd aan het EFSI-fonds, ter waarde van 2,2 miljard EUR op een totaal van 8 miljard EUR, hetgeen goed is voor meer dan 25 % van het totale garantiefonds; stelt met bezorgdheid vast dat de vervoersector slechts ongeveer 13 % van alle tot nu toe in het kader van het venster infrastructuur en innovatie van het EFSI ingezette en beschikbaar gemaakte investeringen heeft ontvangen, wat ver onder de grenswaarde van 30 % ligt die is ingesteld voor elke specifieke sector; verzoekt het investeringscomité bijzondere aandacht te besteden aan projecten in de vervoersector, aangezien deze nog steeds erg slecht vertegenwoordigd zijn in de investeringsportefeuille en vervoer een belangrijke rol speelt bij economische groei en consumentveiligheid;

Bestuur

22.

stelt vast dat de bestuursstructuren van het EFSI volledig ten uitvoer zijn gelegd binnen de EIB; is van mening dat er, teneinde de efficiëntie en controleerbaarheid van het EFSI te verbeteren, gesproken moet worden over opties om de bestuursstructuur van het EFSI volledig van die van de EIB te scheiden;

23.

herinnert eraan dat de algemeen directeur verantwoordelijk is voor het dagelijks bestuur van het EFSI, de voorbereiding en het voorzitterschap van de vergaderingen van het investeringscomité en de externe vertegenwoordiging; wijst erop dat de algemeen directeur wordt bijgestaan door de adjunct-algemeen-directeur; betreurt dat deze rollen, met name die van adjunct-algemeen-directeur, in de praktijk niet duidelijk zijn gedefinieerd; verzoekt de EIB na te denken over een duidelijkere definiëring van de taken van de algemeen directeur en de adjunct-algemeen-directeur, teneinde transparantie en verantwoordingsplicht te waarborgen; vindt het belangrijk dat de algemeen directeur, bijgestaan door de adjunct-algemeen-directeur, verantwoordelijk blijft voor de opstelling van de agenda van de vergaderingen van het investeringscomité; suggereert voorts dat de algemeen directeur procedures moet opstellen om mogelijke belangenconflicten binnen het investeringscomité aan te pakken, verslag uit moet brengen aan het bestuur, en sancties moet voorstellen voor schendingen, evenals middelen om deze toe te passen; gelooft dat de uitvoering van deze taken de autoriteit van de algemeen directeur en de adjunct-algemeen-directeur zou versterken, aangezien zij over een grotere autonomie ten aanzien van de EIB zouden beschikken; verzoekt de EIB dienovereenkomstig mogelijkheden na te gaan om de onafhankelijkheid van de directeur en de adjunct-algemeen-directeur te vergroten;

24.

herinnert eraan dat de deskundigen van het investeringscomité verantwoordelijk zijn voor de selectie van de EFSI-projecten, de verlening van de EU-garantie en voor de goedkeuring van verrichtingen met investeringsplatforms en nationale stimuleringsbanken of -instellingen; brengt voorts in herinnering dat zij onafhankelijk zijn; is daarom bezorgd over gedocumenteerde belangenconflicten van leden van het investeringscomité, die in de toekomst onder alle omstandigheden moeten worden vermeden;

25.

is van mening dat de selectie van projecten niet transparant genoeg is; benadrukt dat de EIB de openbaarmaking van informatie over door haar in het kader van het EFSI goedgekeurde projecten moet verbeteren, met een deugdelijke verantwoording van de additionaliteit en het scorebord, alsook van de bijdrage van projecten aan de verwezenlijking van de EFSI-doelstellingen, met bijzondere aandacht voor het verwachte effect van EFSI-verrichtingen op de investeringskloof in de Unie;

26.

verzoekt de EIB na te denken over manieren waarop de samenwerking binnen het investeringscomité, via de algemeen directeur en het bestuur, kan worden verbeterd; acht het belangrijk dat de algemeen directeur blijft deelnemen aan de vergaderingen van het investeringscomité, hetgeen de algemeen directeur de gelegenheid zou bieden het investeringscomité op de hoogte te stellen van toekomstige activiteiten;

27.

stelt voor om manieren te bespreken om de transparantie van het EFSI-bestuur voor het Parlement te vergroten en het bestuur uit te breiden met een volwaardig lid dat door het Parlement wordt aangewezen; dringt er bij de bestuursorganen van het EFSI op aan om op proactieve wijze informatie te delen met het Parlement;

Nationale stimuleringsbanken

28.

herinnert eraan dat nationale stimuleringsbanken vanwege hun knowhow van essentieel belang zijn voor het welslagen van het EFSI, aangezien zij dicht bij de lokale markten staan en deze goed kennen; is van mening dat synergieën tot dusver niet voldoende zijn benut; ziet een risico op verdringing van lokale instellingen door de EIB en dringt er bij de EIB op aan haar vermogen om nationale en sub-nationale partners aan te trekken, te verbeteren; dringt er bij de EIB op aan de versterking van bestaande openbare bankstructuren te ondersteunen, teneinde de uitwisseling van goede praktijken en marktkennis tussen deze instellingen actief te bevorderen; is van mening dat nationale stimuleringsbanken ernaar moeten streven samenwerkingsovereenkomsten met het Europees Investeringsfonds (EIF) te sluiten; erkent dat het EFSI en de EIB in toenemende mate bereid zijn om meer junior/achtergestelde tranches te accepteren van de nationale stimuleringsbanken, en spoort hen aan dit te blijven doen; verzoekt de Commissie en de EIB te bespreken of het nuttig zou zijn om expertise van de nationale stimuleringsbanken in het bestuur te integreren;

Investeringsplatforms

29.

herinnert eraan dat gediversifieerde investeringen met een geografische of thematische focus mogelijk gemaakt moeten worden door te helpen projecten te financieren en projecten en middelen uit verschillende bronnen te bundelen; wijst erop dat het eerste investeringsplatform pas in het derde kwartaal van 2016 werd opgezet en dat de vertraging hierbij zowel de mogelijkheid van kleinschalige projecten om van het EFSI te profiteren als de ontwikkeling van grensoverschrijdende projecten belemmert; wijst met klem op de noodzaak om de regels voor de oprichting van investeringsplatforms te vereenvoudigen; dringt erop aan dat de EIB en de Europese investeringsadvieshub (EIAH) het gebruik van investeringsplatforms stimuleren als een manier om geografische en thematische diversifiëring te bewerkstelligen;

30.

dringt er bij de bestuursorganen van het EFSI op aan meer aandacht te besteden aan investeringsplatforms, teneinde de voordelen die deze kunnen bieden bij het beslechten van investeringsbelemmeringen, met name in de lidstaten met minder ontwikkelde financiële markten, te maximaliseren; verzoekt de EIB belanghebbenden, met inbegrip van nationale, lokale en regionale instanties, meer informatie over de platforms te verstrekken, alsook over de voorwaarden en criteria met betrekking tot de opzet ervan; erkent de rol van lokale en regionale autoriteiten bij het aanwijzen van strategische projecten en het bevorderen van deelname;

31.

stelt voor een debat te voeren over aanvullende manieren om investeringsplatforms te bevorderen, zoals het verlenen van prioriteit aan projecten die via een investeringsplatform worden gepresenteerd, de bundeling van kleinere projecten en groepscontracten, en de invoering van mechanismen om de bundeling van contracten te financieren; is van mening dat met name transnationale platforms moeten worden bevorderd, aangezien veel energie- en digitale projecten een transnationale dimensie hebben;

Financieringsinstrumenten

32.

herinnert eraan dat de EIB ten behoeve van het EFSI nieuwe financieringsinstrumenten heeft ontwikkeld teneinde maatproducten te bieden voor financiering met een hoog risico; dringt er bij de EIB op aan de toegevoegde waarde ervan verder te vergoten door meer aandacht te besteden aan risicovollere financiële producten, zoals achtergestelde financiering en kapitaalmarktinstrumenten; uit zijn bezorgdheid over de kritiek van projectontwikkelaars dat de geboden financieringsinstrumenten niet aansluiten op de behoeften van hun projecten (voor projecten met een hoog risico is vaak een voorfinanciering nodig om investeringen op gang te brengen, en geen op jaarbasis verstrekte kleinere bedragen) alsook over het feit dat investeerders aangeven op dit moment niet aan EFSI-financiering te kunnen deelnemen vanwege een gebrek aan passende private-equity-instrumenten; verzoekt de EIB dit in samenwerking met projectontwikkelaars en investeerders te onderzoeken; verzoekt de EIB voorts om te onderzoeken hoe de ontwikkeling van groene obligaties het potentieel van het EFSI kan maximaliseren bij de financiering van projecten die positieve milieu- en/of klimaateffecten hebben;

Geografische diversificatie

33.

is verheugd over het feit dat eind 2016 alle 28 landen EFSI-financiering hadden ontvangen; stelt niettemin bezorgd vast dat op 30 juni 2016 de EU-15 91 % van de EFSI-steun had ontvangen, terwijl de EU-13 slechts 9 % van deze steun ontving; betreurt dat de EFSI-steun hoofdzakelijk ten goede is gekomen aan een beperkt aantal landen waar de werkloosheid en de investeringstekorten reeds onder het EU-gemiddelde liggen; wijst erop dat binnen de begunstigde landen vaak sprake is van een ongelijke geografische verdeling van door het EFSI gefinancierde projecten; is van mening dat er sprake is van een risico op territoriale concentratie en onderstreept de noodzaak om meer aandacht te besteden aan minder ontwikkelde in alle 28 lidstaten; dringt er bij de EIB op aan meer technische bijstand te verlenen aan de landen die minder van het EFSI hebben geprofiteerd;

34.

erkent dat er een verband bestaat tussen het bbp en het aantal goedgekeurde projecten; stelt vast dat grotere lidstaten kunnen profiteren van beter ontwikkelde kapitaalmarkten en daarom meer kans hebben om te profiteren van een marktgedreven instrument als het EFSI; onderstreept dat de lagere EFSI-steun in de EU-13 te wijten kan zijn aan andere factoren, zoals de geringe omvang van projecten, de perifere geografische ligging van een bepaalde regio en concurrentie van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen); stelt evenwel bezorgd vast dat sommige landen buitenproportioneel hebben geprofiteerd en onderstreept de noodzaak om de geografische verdeling verder te diversifiëren, met name in cruciale sectoren, door modernisering en verbetering van de productiviteit en de duurzaamheid van de economie, met veel aandacht voor technologische ontwikkeling; verzoekt de Commissie nader onderzoek te doen naar de redenen voor de huidige geografische verdeling en deze in kaart te brengen;

Europese investeringsadvieshub (EIAH)

35.

hecht zeer veel belang aan de werking van de EIAH; is van mening dat de taak ervan om te fungeren als één centraal toegangspunt tot advies en technische bijstand gedurende alle fases van de projectcyclus grotendeels beantwoordt aan de groeiende behoefte van autoriteiten en projectontwikkelaars aan technische ondersteuning;

36.

is ingenomen met het feit dat de EIAH sinds september 2015 operationeel is, na een snelle implementatiefase te hebben doorlopen; erkent dat als gevolg van de korte bestaansduur en een gebrek aan personeel in de beginfase, niet alle EIAH-diensten volledig zijn ontwikkeld en dat de werkzaamheden hoofdzakelijk geconcentreerd waren op verlening van steun bij projectontwikkeling en -structurering, beleidsadvies en de screening van projecten; benadrukt dat de EIAH deskundigen uit verschillende sectoren moet aanwerven, teneinde zijn advies, communicatie en steun beter toe te spitsen op de sectoren die het EFSI niet optimaal benutten;

37.

is ervan overtuigd dat de EIAH een instrumentele rol kan vervullen bij de aanpak van de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van het EFSI; is er stellig van overtuigd dat de EIAH zich hiertoe proactiever moet opstellen bij het verlenen van bijstand op gebieden zoals de opzet van investeringsplatforms, mede gezien het belang van deze platforms voor de financiering van kleinere projecten; benadrukt eveneens de rol van de EIAH bij het verlenen van advies over het combineren van andere bronnen van Uniefinanciering met EFSI-financiering;

38.

is evenzo van mening dat de EIAH actief kan bijdragen tot geografische en sectorale diversificatie, niet alleen door bij de verlening van zijn diensten alle regio's en meer sectoren te bestrijken, maar ook door de EIB bij te staan bij het opstarten van verrichtingen; is van mening dat de EIAH een belangrijke bijdrage kan leveren aan de doelstelling van economische, sociale en territoriale cohesie;

39.

herinnert eraan dat de EIAH overeenkomstig de EFSI-verordening een mandaat heeft om lokale kennis te stimuleren teneinde EFSI-steun in de gehele Unie te bevorderen; is van mening dat er op dit gebied aanzienlijke verbeteringen nodig zijn, met name meer samenwerking met de bevoegde nationale instanties; hecht grote waarde aan de verlening van diensten op lokaal niveau, mede om rekening te kunnen houden met specifieke situaties en lokale behoeften, met name in landen die niet over nationale stimuleringsinstellingen of -banken beschikken; is van mening dat banden met andere lokale dienstverleners moeten worden versterkt om hier rekening mee te kunnen houden;

40.

verwacht dat de EIAH zijn aanwervingsprocessen zonder verdere vertraging afrondt en zijn volle personeelssterkte bereikt; betwijfelt evenwel of de voorziene personeelscapaciteit voldoende zal zijn om de EIAH in staat te stellen de vereiste adviesdiensten te verstrekken en te beantwoorden aan de toegenomen werklast en een breder mandaat;

41.

benadrukt dat de EIAH zijn dienstenprofiel moet versterken, de communicatie moet verbeteren en bewustzijn en begrip ten aanzien van zijn activiteiten moet creëren onder de belanghebbenden van de EIAH; is van mening dat alle relevante communicatiekanalen moeten worden benut om dit doel te bereiken, ook op nationaal en lokaal niveau;

Europees investeringsprojectenportaal (EIPP)

42.

betreurt dat het Europees investeringsprojectenportaal (EIPP) pas op 1 juni 2016, bijna een jaar na goedkeuring van de EFSI-verordening, door de Commissie werd gelanceerd; wijst erop dat het portaal inmiddels operationeel is en momenteel 139 projecten bevat, maar is van mening dat het potentieel waarvan werd uitgegaan toen de EFSI-verordening werd aangenomen, nog bij lange na niet behaald is;

43.

is van mening dat het EIPP projectontwikkelaars een gebruiksvriendelijk platform biedt om de zichtbaarheid van hun investeringsprojecten op een transparante manier te vergroten; gelooft niettemin dat om het portaal tot een succes te maken de eigen zichtbaarheid ervan aanzienlijk moet worden vergroot, zodat het breed, onder zowel investeerders als projectontwikkelaars, wordt beschouwd als een nuttig, betrouwbaar en efficiënt instrument; dringt er bij de Commissie op aan hier actief naar te streven door krachtige communicatieactiviteiten te ontplooien;

44.

wijst erop dat de kosten in verband met opzet, ontwikkeling, beheer, ondersteuning en onderhoud en van het hosten van het EIPP momenteel gedekt worden door de EU-begroting, binnen de jaarlijkse toewijzing van 20 miljoen EUR voor de EIAH; herinnert er evenwel aan dat de kosten die bij private projectontwikkelaars in rekening worden gebracht voor de registratie van hun project bij het portaal externe bestemmingsontvangsten voor het EIPP vormen en in de toekomst de voornaamste financieringsbron ervan zullen zijn;

Garantie

45.

herinnert eraan dat de Unie een onherroepelijke en onvoorwaardelijke garantie verleent aan de EIB voor financierings- en investeringsverrichtingen in het kader van het EFSI; is ervan overtuigd dat de EU-garantie de EIB in staat heeft gesteld om hogere risico's aan te gaan voor het infrastructuur- en innovatieloket (IWW) en het mogelijk heeft gemaakt de financiering van kmo's en midcapbedrijven onder de programma's Cosme en InnovFin die worden ondersteund door het kmo-loket te versterken en in een vroeg stadium te realiseren; is van mening dat de drempel van 25 miljoen EUR, die door de EIB lijkt te worden gehanteerd voor haar normale leningsoperaties, niet van toepassing zou moeten zijn op het EFSI, teneinde de financiering van kleinere projecten te bevorderen en de toegang voor kmo's en andere mogelijke begunstigden te vergemakkelijken;

46.

benadrukt dat het kmo-loket vanwege het zeer intensieve gebruik, dat duidt op een hoge vraag op de markt, verder werd versterkt met 500 miljoen EUR uit de IIW-schuldportefeuille onder het huidige wetgevingskader; is verheugd over het feit dat vanwege de flexibiliteit van de EFSI-verordening de aanvullende financiering ten goede is gekomen aan kmo's en kleine midcap-bedrijven; is voornemens de toewijzing van de garantie in het kader van beide loketten nauwlettend te volgen; wijst er voorts op dat sinds 30 juni 2016 het aantal in het kader van het IIW ondertekende verrichtingen slechts 9 % van het totale beoogde volume heeft bereikt;

47.

herinnert eraan dat het EU-Garantiefonds hoofdzakelijk vanuit de EU-begroting wordt gefinancierd; neemt nota van alle relevante evaluaties die suggereren dat het huidige voorzieningspercentage van het Garantiefonds van 50 % voorzichtig en prudent lijkt te zijn wat betreft de dekking van mogelijke verliezen en dat de Uniebegroting reeds zou worden beschermd bij een aangepast percentage van 35 %; is voornemens te onderzoeken of voorstellen voor een lager streefpercentage gevolgen zouden hebben voor de kwaliteit en de aard van de geselecteerde projecten; benadrukt dat er tot op heden geen klachten zijn geweest vanwege niet nagekomen verplichtingen bij EIB- of EIF-verrichtingen;

Toekomstige financiering, capaciteit van het fonds

48.

merkt op dat de Commissie heeft voorgesteld het EFSI uit te breiden, zowel wat de looptijd als wat de financiële capaciteit betreft, hetgeen gevolgen zou hebben voor de EU-begroting; spreekt de intentie uit om met alternatieve financieringsvoorstellen te komen;

49.

herinnert eraan dat de lidstaten was gevraagd een bijdrage aan het EFSI te leveren om de capaciteit ervan te vergoten, zodat het in staat zou worden gesteld om meer investeringen met een hoog risico te ondersteunen; betreurt dat de lidstaten dit initiatief niet hebben genomen, ondanks het feit dat een dergelijke bijdrage als een eenmalige maatregel zou worden beschouwd in de zin van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 betreffende versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (8) en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (9); vraagt de EIB en de Commissie informatie over de vraag of zij intussen actie hebben ondernomen om de lidstaten ertoe te bewegen aan het EFSI bij te dragen en of zij in staat zullen zijn andere investeerders aan te trekken; verzoekt de Commissie en de EIB hun inspanningen op dit terrein te vergroten;

Complementariteit met andere EU-financieringsbronnen

50.

constateert dat het besef bij de Commissie en de EIB van de overlappingen en de concurrentie tussen het EFSI en financieringsinstrumenten van de EU-begroting ertoe heeft geleid dat richtsnoeren zijn vastgesteld waarin het combineren van financiering uit het EFSI en uit de ESI-fondsen wordt aanbevolen; onderstreept dat het combineren van financiering uit het EFSI en uit de ESI-fondsen in geen geval nadelig mag zijn voor het niveau en de oriëntatie van financiering uit de ESI-fondsen; wijst evenwel op de persisterende moeilijkheden in verband met de subsidiabiliteitscriteria, regelgeving, de deadlines voor rapportage en de toepassing van de regels inzake overheidssteun die een gecombineerd gebruik belemmeren; is verheugd over het feit dat de Commissie is begonnen deze moeilijkheden aan te pakken in haar voorstel voor een herziening van het Financieel Reglement en hoopt dat deze herziening tijdig zal worden uitgevoerd zodat het combineren van financiering wordt vereenvoudigd en concurrentie en overlappingen worden vermeden; is van mening dat nadere inspanningen nodig zijn en dat de tweede en derde pijler van het investeringsplan in dit verband van essentieel belang zijn;

51.

stelt voor dat de Commissie in haar periodieke verslagen vermeldt welke projecten gebruikmaken van de combinatie van Connecting Europe Facility (CEF)-subsidies en het EFSI;

52.

wijst erop dat vervoersinfrastructuurprojecten van publiek-private partnerschappen (PPP) in de regel gebaseerd moeten zijn op het „de gebruiker betaalt”-beginsel om de druk op de overheidsbegrotingen en de belastingbetalers voor de aanleg en het onderhoud van infrastructuur te verlichten; merkt op dat het van belang is verschillende soorten EU-financiering op elkaar af te stemmen om ervoor te zorgen dat de EU-beleidsdoelstellingen inzake vervoer in de hele Unie worden bereikt, en geen fondsen van het type PPP te bevorderen ten koste van structuurfondsen;

Belastingheffing

53.

is zeer bezorgd over het feit dat de EIB er in sommige gevallen middels het EFSI op heeft aangestuurd om projecten te ondersteunen die binnen hun structuur gebruikmaken van ondernemingen in belastingparadijzen; dringt er bij de EIB en het EIF op aan geen gebruik te maken van of mee te werken aan belastingontwijkingsstructuren, in het bijzonder agressieve belastingplanningsregelingen, of praktijken die niet in overeenstemming zijn met de EU-beginselen van goed bestuur op het gebied van belastingheffing, zoals uiteengezet in de desbetreffende wetgeving van de Unie, inclusief de aanbevelingen en mededelingen van de Commissie; staat erop dat geen enkel project en geen enkele projectontwikkelaar afhankelijk kan zijn van een persoon of een onderneming die actief is in een land dat op de beoogde Europese lijst van niet-coöperatieve belastingjurisdicties staat;

Communicatie en zichtbaarheid

54.

stelt vast dat veel projectontwikkelaars niet van het bestaan van het EFSI op de hoogte zijn of een onvoldoende duidelijk beeld hebben van wat het EFSI hun te bieden heeft, van de specifieke subsidiabiliteitscriteria en van de concrete stappen die zij moeten zetten om financiering aan te vragen; onderstreept dat in de lidstaten die minder van het EFSI hebben geprofiteerd meer inspanningen nodig zijn, met inbegrip van gerichte technische ondersteuning in de respectievelijke EU-taal, om de kennis over wat het EFSI inhoudt, welke specifieke producten en diensten het te bieden heeft en welke rol investeringsplatforms en nationale stimuleringsbanken vervullen, te vergroten;

55.

dringt erop aan dat al het voorlichtingsmateriaal en materiaal dat deel uitmaakt van de financieringsprocedure in alle talen van de lidstaten wordt vertaald teneinde de informatievoorziening en de toegang op lokaal te niveau te vereenvoudigen;

56.

vreest dat het verstrekken van directe steun aan financiële intermediairs die verantwoordelijk zijn voor de toewijzing van EU-financiering kan leiden tot situaties waarbij de eindbegunstigden zich niet bewust zijn van het feit dat zij EFSI-financiering ontvangen, en dringt aan op oplossingen om de zichtbaarheid van het EFSI te vergoten; dringt er in dit verband bij de EIB op aan om in EFSI-contracten een specifieke clausule op te nemen waarin de projectontwikkelaar erop wordt gewezen dat de ontvangen financiering mogelijk is gemaakt dankzij de EFSI/EU-begroting;

Verlenging

57.

erkent dat het EFSI alleen — en op een beperkte schaal — vermoedelijk niet in staat zal zijn de investeringskloof in Europa te dichten; beschouwt het EFSI niettemin als een centrale pijler van het EU-investeringsplan en constateert dat de EU vastbesloten is om dit probleem aan te pakken; dringt aan op nadere voorstellen met betrekking tot de vraag hoe investeringen in Europa kunnen worden gestimuleerd;

o

o o

58.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Investeringsbank en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1)  PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.

(2)  http://www.eib.org/attachments/strategies/efsi_2015_report_ep_council_en.pdf

(3)  http://www.eib.org/attachments/ev/ev_evaluation_efsi_en.pdf, September 2016.

(4)  Verslag van 14 november 2016, https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/ey-report-on-efsi_en.pdf

(5)  PB C 465 van 13.12.2016, blz. 1.

(6)  PB C 268 van 14.8.2015, blz. 27.

(7)  PB C 195 van 12.6.2015, blz. 41.

(8)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(9)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/125


P8_TA(2017)0271

Europese agenda voor de deeleconomie

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over een Europese agenda voor de deeleconomie (2017/2003(INI))

(2018/C 331/18)

Het Europees Parlement,

gezien zijn resolutie van 19 januari 2016„Naar een akte voor een digitale interne markt” (1),

gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over de strategie voor de interne markt (2),

gezien zijn resolutie van 24 november 2016 over nieuwe opportuniteiten voor kleine vervoersondernemingen, met inbegrip van deeleconomiemodellen (3),

- gezien de bijeenkomst van de Groep op hoog niveau concurrentievermogen en groei van de Raad op 12 september 2016 en de discussienota over de kwestie van het voorzitterschap (4),

gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2016 over een Europese agenda voor de deeleconomie (COM(2016)0356),

gezien de mededeling van de Commissie van 25 mei 2016 getiteld „Online platforms en de digitale eengemaakte markt — Kansen en uitdagingen voor Europa” (COM(2016)0288),

gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld „Verbetering van de interne markt: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen” (COM(2015)0550),

gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld „Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa” (COM(2015)0192),

gezien de bijeenkomst van de Raad over concurrentievermogen op 29 september 2016 en het resultaat ervan,

gezien Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (5) („dienstenrichtlijn”),

gezien Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn elektronische handel”) (6),

gezien Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (7),

gezien Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (8),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 25 mei 2016 over richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken (SWD(2016)0163),

gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG („algemene verordening gegevensbescherming”) (9),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 7 december 2016 getiteld „Deeleconomie en onlineplatforms: een gezamenlijke visie van steden en regio’s” (10),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 december 2016 over de deeleconomie (11),

gezien artikel 52 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0195/2017),

A.

overwegende dat de deeleconomie op het stuk van gebruikers, transacties en inkomsten in de afgelopen jaren een snelle groei heeft doorgemaakt doordat zij opnieuw vorm geeft aan de wijze waarop producten en diensten worden geleverd en doordat zij gevestigde economische modellen op vele gebieden voor uitdagingen heeft gesteld;

B.

overwegende dat de deeleconomie EU-burgers maatschappelijke voordelen oplevert;

C.

overwegende dat de kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) de belangrijkste motor van de Europese economie zijn en dat zij, volgens cijfers uit 2014, 99,8 % van alle ondernemingen buiten de financiële sector vertegenwoordigen en twee van de drie banen voor hun rekening nemen;

D.

overwegende dat slechts 1,7 % van de ondernemingen in de EU volledig gebruikmaakt van de moderne digitale technologieën, terwijl 41 % die in het geheel niet toepast; overwegende dat de digitalisering van alle sectoren cruciaal is om het concurrentievermogen van de EU te handhaven en te verbeteren;

E.

overwegende dat uit een recent onderzoek van de Commissie blijkt dat 17 % van de Europese consumenten gebruik heeft gemaakt van de diensten die worden aangeboden in de deeleconomie, en dat 52 % bekend is met de aangeboden diensten (12);

F.

overwegende dat er geen officiële statistieken bestaan over de omvang van de werkgelegenheid in de deeleconomie;

G.

overwegende dat de deeleconomie mogelijkheden biedt voor jongeren, migranten, deeltijdwerkers en ouderen om tot de arbeidsmarkt toe te treden;

H.

overwegende dat modellen van de deeleconomie kunnen helpen de participatie van vrouwen in de arbeidsmarkt en de economie te bevorderen door mogelijkheden te bieden met betrekking tot flexibele vormen van ondernemerschap en werk;

I.

overwegende dat de recente mededeling van de Commissie over een Europese agenda voor de deeleconomie weliswaar een goed uitgangspunt vormt om deze sector doeltreffend te ondersteunen en te reguleren, maar dat het gendergelijkheidsperspectief moet worden geïntegreerd en dat de bepalingen van de toepasselijke anti-discriminatiewetgeving in aanmerking moeten worden genomen in nadere analyses en aanbevelingen op dit terrein;

J.

overwegende dat de bevordering van sociale rechtvaardigheid en bescherming, zoals gedefinieerd in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, eveneens een doelstelling is van de interne markt van de EU;

Algemene overwegingen

1.

is ingenomen met de mededeling over een Europese agenda voor de deeleconomie en onderstreept dat deze een eerste stap dient te zijn op weg naar een evenwichtige, meer omvattende en ambitieuze EU-strategie inzake de deeleconomie;

2.

is van oordeel dat, indien de deeleconomie op verantwoorde wijze wordt ontwikkeld, zij aanzienlijke kansen voor burgers en consumenten creëert, die profiteren van meer concurrentie, op maat gemaakte diensten, meer keuze en lagere prijzen; onderstreept dat de groei in deze sector door de consumenten wordt bepaald en hen in staat stelt een actievere rol te vervullen;

3.

benadrukt de noodzaak bedrijven in staat te stellen te groeien door hindernissen, verdubbeling en versnippering weg te nemen die de grensoverschrijdende ontwikkeling belemmeren;

4.

spoort de lidstaten ertoe aan juridische duidelijkheid te verschaffen en de deeleconomie niet te zien als een bedreiging voor de traditionele economie; benadrukt dat het belangrijk is de deeleconomie op een faciliterende wijze in plaats van op een beperkende wijze te reguleren;

5.

stemt ermee in dat de deeleconomie nieuwe en interessante ondernemingskansen, banen en groei kan genereren en vaak een belangrijke rol speelt door het economische systeem niet alleen efficiënter, maar ook sociaal en ecologisch duurzaam te maken, zodat een betere allocatie mogelijk is van hulpbronnen en activa die anders onvoldoende benut worden, hetgeen bijdraagt aan de overgang naar een circulaire economie;

6.

erkent tegelijkertijd dat de deeleconomie een aanzienlijke weerslag kan hebben op reeds lang bestaande, gereguleerde bedrijfsmodellen in veel strategische sectoren zoals de vervoerssector, de hotel- en restaurantsector, de dienstensector, de detailhandelsector en de financiële sector; is zich bewust van de uitdagingen die verband houden met uiteenlopende wettelijke normen voor vergelijkbare marktdeelnemers; is van mening dat de deeleconomie de positie van consumenten versterkt, nieuwe werkgelegenheid biedt en het potentieel heeft de belastingnaleving te faciliteren, maar onderstreept niettemin dat het belangrijk is een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, de rechten van werknemers volledig te eerbiedigen en voor belastingnaleving te zorgen; erkent dat de deeleconomie gevolgen heeft voor zowel het stedelijk milieu als voor het plattelandsmilieu;

7.

wijst op het gebruik aan duidelijkheid onder ondernemers, consumenten en instanties over de wijze waarop de huidige regelgeving op een aantal gebieden moet worden toegepast en derhalve op de noodzaak de grijze zones in de regelgeving aan te pakken, en is bezorgd over de versnippering van de interne markt; is zich ervan bewust dat, indien deze veranderingen niet naar behoren worden beheerd, zij kunnen resulteren in rechtsonzekerheid over de toepasselijke regels en beperkingen bij de uitoefening van individuele rechten en bij de consumentenbescherming; is van mening dat regelgeving geschikt moet zijn voor het digitale tijdperk en is zeer verontrust over de negatieve gevolgen van de rechtsonzekerheid en de complexiteit van voorschriften ten aanzien van Europese start-ups en non-profitorganisaties die in de deeleconomie actief zijn;

8.

is van oordeel dat de ontwikkeling van een dynamisch, duidelijk en, waar nodig, geharmoniseerd juridisch kader en gelijke concurrentievoorwaarden een essentiële voorwaarde vormen voor een florerende deeleconomie in de EU;

De deeleconomie in de EU

9.

onderstreept dat het nodig is de deeleconomie niet alleen als een verzameling van nieuwe bedrijfsmodellen voor het aanbieden van goederen en diensten te zien, maar ook als een nieuwe vorm van integratie tussen de economie en de samenleving waarbij de aangeboden diensten zijn gebaseerd op een breed scala van betrekkingen in het kader waarvan de economische betrekkingen in sociale betrekkingen worden ingebouwd en nieuwe vormen van gemeenschapsleven worden gecreëerd;

10.

constateert dat de deeleconomie in Europa een aantal specifieke kenmerken vertoont waarin tevens de Europese bedrijfsstructuur tot uiting komt die voornamelijk uit kmo's en microbedrijven bestaat; onderstreept dat het zaak is voor een bedrijfsklimaat te zorgen waarin deelplatforms in staat zijn op te schalen en zeer goed op de wereldmarkt te concurreren;

11.

constateert dat Europese ondernemers sterk geneigd zijn deelplatforms voor sociale doeleinden in het leven te roepen en erkent dat er een groeiende belangstelling bestaat voor de deeleconomie op basis van coöperatieve bedrijfsmodellen;

12.

onderstreept dat het belangrijk is elke vorm van discriminatie te voorkomen, opdat een doeltreffende en gelijke toegang tot coöperatieve diensten wordt geboden;

13.

is van oordeel dat diensten in de deeleconomie waarvoor openlijk wordt geadverteerd en die met winstoogmerk worden aangeboden, onder het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (13), en derhalve in overeenstemming moeten zijn met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen;

Het EU-regelgevingskader: peers, consumenten, deelplatforms

14.

erkent dat, hoewel bepaalde delen van de deeleconomie onder regelgeving vallen, ook op plaatselijke en nationaal niveau, andere delen in grijze zones in de regelgeving terecht kunnen komen, aangezien niet altijd duidelijk is welke EU-regelgeving van toepassing is, waardoor aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten ontstaan vanwege nationale, regionale en plaatselijke regelgeving, alsmede jurisprudentie, hetgeen een versnippering van de interne markt teweegbrengt;

15.

is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de huidige versnippering aan te pakken, maar betreurt dat in haar mededeling niet voldoende duidelijkheid bestaat over de toepasselijkheid van het bestaande EU-recht op de verschillende modellen van de deeleconomie; benadrukt de noodzaak dat de lidstaten de handhaving van bestaande wetgeving verbeteren en doet een beroep op de Commissie te streven naar een handhavingskader waarmee de lidstaten in hun inspanningen worden gesteund, vooral ten aanzien van de dienstenrichtlijn en het consumentenacquis; doet een beroep op de Commissie gebruik te maken van alle, in dit verband beschikbare instrumenten, met inbegrip van inbreukprocedures, wanneer wordt geconstateerd dat de wetgeving onjuist of ontoereikend wordt uitgevoerd;

16.

onderstreept dat de vereisten inzake markttoegang voor deelplatforms en dienstverleners noodzakelijk, gerechtvaardigd en evenredig moeten zijn, overeenkomstig de Verdragen en het afgeleide recht, alsmede eenvoudig en duidelijk; onderstreept dat bij de beoordeling hiervan rekening moet worden gehouden met de vraag of de diensten worden verleend door professionele of particuliere dienstverleners, opdat peers aan minder strenge wettelijke vereisten onderworpen worden, waarbij kwaliteitsnormen en een hoog niveau van consumentenbescherming worden gewaarborgd en tevens rekening wordt gehouden met sectorale verschillen;

17.

erkent de noodzaak voor zowel gevestigde als nieuwe marktdeelnemers en diensten in verband met digitale platforms en de deeleconomie om zich in een bedrijfsvriendelijk klimaat te ontwikkelen, waarin een gezonde concurrentie en transparantie ten aanzien van wetswijzigingen voorhanden zijn; is het ermee eens dat de lidstaten bij de beoordeling van de vereisten inzake markttoegang in het kader van de dienstenrichtlijn rekening moeten houden met de specifieke kenmerken van de bedrijven in de deeleconomie;

18.

verzoekt de Commissie samen met de lidstaten te werken aan verdere richtsnoeren te geven voor het vastleggen van doeltreffende criteria om een onderscheid te maken tussen peers en professionals, hetgeen van cruciaal belang is voor de rechtvaardige ontwikkeling van de deeleconomie; wijst erop dat deze richtsnoeren moeten zorgen voor duidelijkheid en rechtszekerheid en dat hierin onder andere rekening moet worden gehouden met de uiteenlopende wetgeving in de lidstaten en hun economische omstandigheden, zoals het inkomensniveau, de kenmerken van de sectoren, de situatie van de kleine en microbedrijven en het winstoogmerk van de activiteit; is van oordeel dat een reeks algemene beginselen en criteria op EU-niveau en een reeks drempels op nationaal niveau een stap voorwaarts kunnen vormen, en dringt er bij de Commissie op aan in dit verband een studie te verrichten;

19.

vestigt de aandacht op het feit dat, hoewel het vaststellen van drempels tot passende scheidslijnen tussen peers en ondernemingen kan leiden, dit tegelijkertijd kan resulteren in ongelijkheid tussen kleine en microbedrijven enerzijds en peers anderzijds; is van mening dat gelijke concurrentievoorwaarden tussen vergelijkbare categorieën dienstverleners zeer aan te bevelen is; dringt aan op het afschaffen van onnodige regeldruk en ongerechtvaardigde vereisten inzake markttoegang voor alle ondernemers, met name voor kleine en microbedrijven, aangezien hierdoor tevens innovatie in de kiem wordt gesmoord;

20.

is ingenomen met het initiatief van de Commissie om ervoor te zorgen dat de consumentenwetgeving toereikend is en dat misbruik van de deeleconomie met het oog op het omzeilen van de wetgeving wordt voorkomen; is van oordeel dat consumenten een hoge en doeltreffende mate van bescherming moeten genieten, ongeacht de vraag of diensten door professionele dienstverleners of peers worden verleend, onderstreept vooral dat het belangrijk is consumenten te beschermen in peer-to-peertransacties, en erkent dat enige vorm van bescherming door zelfregulering kan worden geboden;

21.

dringt aan op maatregelen om te zorgen voor de volledige aanwending en aanhoudende naleving van de regels inzake de consumentenbescherming door occasionele dienstverleners op dezelfde of een vergelijkbare basis als de professionele dienstverleners;

22.

constateert dat consumenten er recht op hebben te weten of de beoordelingen van andere afnemers van een dienst mogelijkerwijs door de verstrekker van die dienst zijn beïnvloed, bijvoorbeeld in de vorm van betaalde reclame;

23.

wijst op de noodzaak van meer duidelijkheid ten aanzien van de consumentenbescherming bij geschillen en doet een beroep op de deelplatforms om doeltreffende systemen voor klachtenprocedures en geschillenbeslechting in te voeren waardoor het de consumenten gemakkelijker wordt gemaakt hun rechten uit te oefenen;

24.

onderstreept dat bedrijfsmodellen in de deeleconomie grotendeels gebaseerd zijn op reputatie, en benadrukt dat in dit verband transparantie van essentieel belang is; is van oordeel dat de bedrijfsmodellen in de deeleconomie in vele gevallen de positie van de consumenten versterken en hen in staat stellen een actieve rol te vervullen met ondersteuning van de technologie; onderstreept dat regels voor de consumentenbescherming in de deeleconomie nog steeds nodig zijn, vooral wanneer sprake is van een door bepaalde spelers gedomineerde markt, aanhoudende asymmetrische informatie en een gebrek aan keuze; onderstreept dat het belangrijk is te garanderen dat consumenten adequate informatie krijgen over het toepasselijke juridische kader van iedere transactie en de daaruit voortvloeiende rechten en juridische verplichtingen;

25.

verzoekt de Commissie de aansprakelijkheidsregelingen voor deelplatforms onverwijld verder te verduidelijken ter bevordering van verantwoord gedrag, transparantie en rechtszekerheid en aldus het vertrouwen van de consumenten te versterken; erkent met name het gebrek aan zekerheid, vooral over de vraag of een platform een onderliggende dienst levert of slechts een dienst van de informatiemaatschappij aanbiedt, overeenkomstig de richtlijn elektronische handel; doet derhalve een beroep op de Commissie verdere richtsnoeren over deze aspecten te geven en te overwegen of verdere maatregelen noodzakelijk zijn om het regelgevingskader doeltreffender te maken; spoort de deelplatforms ertoe aan tegelijkertijd vrijwilllige maatregelen in dit verband te treffen;

26.

doet een beroep op de Commissie het EU-recht nader onder de loep te nemen om onzekerheden te verminderen en voor meer rechtszekerheid te zorgen over de regels die van toepassing zijn op bedrijfsmodellen in de deeleconomie en om te evalueren of nieuwe of aangepaste regels passend zijn, met name ten aanzien van actieve tussenpersonen en hun informatie- en transparantievereisten, wanprestatie en aansprakelijkheid;

27.

is van oordeel dat met elk nieuw regelgevingskader de zelfbestuurscapaciteiten en peerreviewmechanismen van platforms moeten worden versterkt, aangezien beide doeltreffend blijken te werken en rekening houden met de tevredenheid van de klanten met coöperatieve diensten; is ervan overtuigd dat deelplatforms bij het creëren van een dergelijk nieuw regelgevingskader zelf een actieve rol kunnen vervullen door asymmetrische informatie te corrigeren, vooral middels digitale reputatiemechanismen om het vertrouwen van de gebruikers te vergroten; merkt tegelijkertijd op dat het zelfregulerend vermogen van deelplatforms de noodzaak van de bestaande regels niet vervangt, zoals de dienstenrichtlijn, de richtlijn elektronische handel, het EU-consumentenrecht en andere mogelijke regels;

28.

is derhalve van oordeel dat de digitale mechanismen voor het opbouwen van vertrouwen een essentieel onderdeel zijn van de deeleconomie; is ingenomen met alle inspanningen en initiatieven van de deelplatforms om vertekeningen te voorkomen, het vertrouwen in en de transparantie van beoordelings- en waarderingsmechanismen te versterken, betrouwbare reputatiecriteria op te stellen, waarborgen of verzekeringen en een identiteitscontrole van peers en prosumenten in te voeren, en veilige en transparante betalingssystemen te ontwikkelen; is van mening dat nieuwe technologische ontwikkelingen, zoals wederzijdsebeoordelingsmechanismen, onafhankelijke controles van beoordelingen en de vrijwillige vaststelling van certificeringsregelingen goede voorbeelden zijn van initiatieven ter voorkoming van misbruik, manipulatie, fraude en nepfeedback; moedigt deelplatforms aan te leren van optimale praktijken en voorlichting te geven over de juridische verplichtingen van hun gebruikers;

29.

wijst op het cruciale belang van het verduidelijken van de methoden waarmee op algoritmen gebaseerde geautomatiseerde besluitvormingssystemen functioneren om te zorgen voor rechtvaardige en transparante algoritmen; verzoekt de Commissie om deze kwestie tevens te onderzoeken vanuit het perspectief van het mededingingsrecht van de EU; doet een beroep op de Commissie met de lidstaten, de particuliere sector en de betrokken regelgevers contact op te nemen om doeltreffende criteria vast te leggen voor het uitwerken van verantwoordingsbeginselen voor algoritmen voor op informatie gebaseerde deelplatforms;

30.

onderstreept dat het zaak is het gebruik van gegevens te evalueren, wanneer dat verschillende gevolgen voor verschillende segmenten van de samenleving heeft, discriminatie te voorkomen en het potentiële gevaar voor de privacy van big data te verifiëren; herinnert eraan dat de EU reeds een allesomvattend kader voor gegevensbescherming heeft ontwikkeld in de vorm van de algemene verordening gegevensbescherming en doet derhalve een beroep op de platforms in de deeleconomie om het vraagstuk van de gegevensbescherming niet te verwaarlozen door aan de dienstverleners en gebruikers transparante informatie te verschaffen over de verzamelde persoonsgegevens en de wijze waarop deze worden verwerkt;

31.

erkent dat vele regels van het acquis van de EU reeds op de deeleconomie van toepassing zijn; verzoekt de Commissie om de noodzaak van een verdere ontwikkeling van een EU-rechtskader te beoordelen om een verdere versnippering van de interne markt te voorkomen, overeenkomstig de beginselen van betere regelgeving en de ervaringen van de lidstaten; is van mening dat dit kader, waar nodig, geharmoniseerd moet worden en flexibel, technologisch neutraal en toekomstbestendig moet zijn, en moet bestaan uit een combinatie van algemene beginselen en specifieke regels, ter aanvulling op eventueel noodzakelijke sectorspecifieke regelgeving;

32.

benadrukt het belang van coherente wetgeving om de goede werking van de interne markt voor eenieder te waarborgen en verzoekt de Commissie de geldende regels en wetgeving inzake werknemers- en consumentenrechten te vrijwaren voordat nieuwe wetgeving wordt ingevoerd die de interne markt kan versnipperen;

Concurrentie en belastingnaleving

33.

is ingenomen met het feit dat de groei van de deeleconomie heeft gezorgd voor meer concurrentie en gevestigde marktdeelnemers ertoe heeft gebracht zich te richten op de reële wensen van de consumenten; moedigt de Commissie ertoe aan gelijke voorwaarden voor de concurrentie op het stuk van vergelijkbare diensten tussen deelplatforms onderling en met traditionele bedrijven te bevorderen; onderstreept het belang van het opsporen en aanpakken van belemmeringen voor de opkomst en opschaling van bedrijven in de deeleconomie, met name van startende bedrijven; onderstreept in dit verband de noodzaak van het vrije verkeer van gegevens, de overdraagbaarheid en interoperabiliteit van gegevens, die het overstappen tussen platforms vergemakkelijken en klantenbinding voorkomen en die allemaal sleutelfactoren vormen voor een open en eerlijke concurrentie en voor een grotere inbreng van gebruikers van deelplatforms, rekening houdend met de legitieme belangen van alle marktdeelnemers en ter bescherming van gebruikersinformatie en persoonsgegevens;

34.

is ingenomen met de toegenomen traceerbaarheid van economische transacties die door online-platforms mogelijk wordt gemaakt teneinde te zorgen voor belastingnaleving en -handhaving, maar is bezorgd over problemen die zich tot dusverre in een aantal sectoren hebben voorgedaan; benadrukt dat de deeleconomie nimmer een manier mag zijn om belastingverplichtingen te ontlopen; onderstreept voorts dat de bevoegde autoriteiten dringend met de deelplatforms moeten samenwerken op het gebied van belastingnaleving en -inning; erkent dat deze problemen in bepaalde lidstaten zijn aangepakt en neemt nota van de succesvolle publiek-private samenwerking op dit gebied; verzoekt de Commissie de uitwisseling van optimale praktijken tussen de lidstaten te vergemakkelijken waarbij de bevoegde autoriteiten en belanghebbenden betrokken moeten zijn, om effectieve en innovatieve oplossingen te ontwikkelen die de belastingnaleving en -handhaving versterken teneinde ook het risico van grensoverschrijdende belastingfraude uit te sluiten; verzoekt de deelplatforms om in dit verband een actieve rol te vervullen; moedigt de lidstaten aan tot verduidelijking en samenwerking inzake de informatie die de verschillende betrokken marktdeelnemers in de deeleconomie in het kader van hun fiscale informatieplicht aan de belastingautoriteiten moeten mededelen;

35.

stemt ermee in dat functioneel vergelijkbare fiscale verplichtingen moeten worden opgelegd aan bedrijven die vergelijkbare diensten verlenen, zowel in de traditionele economie als in de deeleconomie, en is van mening dat belastingen moeten worden betaald daar waar winst wordt geboekt en waar het om meer gaat dan alleen bijdragen in de kosten, waarbij het subsidiariteitsbeginsel en de nationale en plaatselijke belastingwetgeving moeten worden nageleefd;

Gevolgen voor de arbeidsmarkt en de rechten van werknemers

36.

onderstreept dat de digitale revolutie aanzienlijke gevolgen heeft voor de arbeidsmarkt en dat opkomende trends in de deeleconomie deel uitmaken van een huidige trend in het kader van de digitalisering van de samenleving;

37.

merkt tegelijkertijd op dat de deeleconomie nieuwe kansen biedt en nieuwe, flexibele wegen vrijmaakt om te komen tot werk voor alle gebruikers, met name voor zelfstandigen en voor werklozen, die momenteel ver van de arbeidsmarkt afstaan of anders niet in staat zouden zijn hieraan deel te nemen, en aldus als eerste opstapje naar de arbeidsmarkt kan dienen, met name voor jongeren en gemarginaliseerde groeperingen; wijst er evenwel op dat deze ontwikkeling in bepaalde omstandigheden ook kan leiden tot precaire situaties; benadrukt dat er enerzijds behoefte is aan arbeidsmarktflexibiliteit en anderzijds aan economische en sociale zekerheid voor werknemers, overeenkomstig de gebruiken en tradities in de lidstaten;

38.

verzoekt de Commissie te onderzoeken in hoeverre de bestaande voorschriften van de Unie toepasbaar zijn op de digitale arbeidsmarkt en te zorgen voor adequate tenuitvoerlegging en handhaving; verzoekt de lidstaten om, in samenwerking met de sociale partners en andere belanghebbenden, proactief en anticiperend te beoordelen of de bestaande wetgeving, met inbegrip van de socialezekerheidsstelsels, moet worden gemoderniseerd, om gelijke tred te houden met de technologische ontwikkelingen en tegelijkertijd de bescherming van werknemers te waarborgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de socialezekerheidsstelsels te coördineren om de exporteerbaarheid van uitkeringen en de cumulatie van perioden te waarborgen overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgeving; moedigt de sociale partners ertoe aan de collectieve overeenkomsten indien nodig te actualiseren, zodat de bestaande beschermingsnormen behouden kunnen blijven in de digitale arbeidswereld;

39.

onderstreept het grote belang van het waarborgen van de rechten van werknemers in de coöperatieve dienstverlening — eerst en vooral het recht van werknemers zich te organiseren en het recht collectief te onderhandelen en collectieve actie te voeren, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk; herinnert eraan dat alle werkers in de deeleconomie hetzij werknemers, hetzij zelfstandigen zijn, al naargelang de feitelijke situatie, en als zodanig moeten worden geclassificeerd; doet een beroep op de lidstaten en de Commissie op hun respectieve bevoegdheidsterreinen te zorgen voor billijke arbeidsvoorwaarden en toereikende juridische en sociale bescherming voor alle werkers in de deeleconomie, ongeacht hun positie;

40.

verzoekt de Commissie richtsnoeren te publiceren voor de wijze waarop het Unierecht van toepassing is op de diverse soorten platformbedrijfsmodellen, om indien nodig leemten in de regelgeving op het gebied van arbeid en sociale zekerheid op te vullen; is van mening dat het hoge transparantiepotentieel van de platformeconomie een goede traceerbaarheid mogelijk maakt, en daarmee ook de verwezenlijking van de doelstelling inzake handhaving van de bestaande wetgeving; verzoekt de lidstaten voldoende arbeidsinspecties te verrichten met betrekking tot onlineplatforms en sancties op te leggen wanneer er regels worden overtreden, met name op het gebied van de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden, en specifieke vereisten in te voeren voor kwalificaties; verzoekt de Commissie en de lidstaten speciaal te letten op zwartwerk en schijnzelfstandigheid in deze sector en de platformeconomie op de agenda te zetten van het Europees platform tegen zwartwerk; verzoekt de lidstaten voldoende middelen ter beschikking te stellen voor inspecties;

41.

onderstreept dat het belangrijk is de grondrechten en toereikende sociale bescherming van het groeiend aantal zelfstandigen te waarborgen, die belangrijke spelers in de deeleconomie zijn, met inbegrip van het recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie, mede ten aanzien van hun vergoeding;

42.

dringt er bij de lidstaten op aan te erkennen dat de deeleconomie ook ontwrichting met zich zal meebrengen, derhalve absorptiemaatregelen voor te bereiden voor bepaalde sectoren, en opleiding en ontslagbegeleiding te ondersteunen;

43.

onderstreept dat het belangrijk is dat deelplatformwerkers kunnen profiteren van de overdraagbaarheid van beoordelingen en waarderingen, die hun digitale marktwaarde uitmaken, en benadrukt het belang van de overdraagbaarheid en accumulatie van beoordelingen en waarderingen tussen verschillende platforms, met inachtneming van de regels inzake gegevensbescherming en de privacy van alle betrokken partijen; wijst erop dat oneerlijke en arbitraire online-ratingpraktijken de arbeidsomstandigheden en rechten van deelplatformwerkers en hun kansen om werk te krijgen nadelig kunnen beïnvloeden; is van oordeel dat beoordelings- en waarderingsmechanismen op transparante wijze moeten worden ontwikkeld en dat de werkers op passende niveaus moeten worden geïnformeerd en geraadpleegd, overeenkomstig de wetgeving en praktijken van de lidstaat, over de algemene criteria die voor de ontwikkeling van dergelijke mechanismen worden aangewend;

44.

onderstreept het belang van „up-to-date”-vaardigheden in de veranderende wereld van de werkgelegenheid en dat ervoor moeten worden gezorgd dat alle werkers over de adequate vaardigheden beschikken die de digitale samenleving en economie vereisen; spoort de Commissie, de lidstaten en bedrijven in de deeleconomie ertoe aan om een leven lang leren en de ontwikkeling van digitale vaardigheden mogelijk te maken; is van mening dat openbare en particuliere investeringen en financieringsmogelijkheden voor een leven lang leren en opleiding noodzakelijk zijn, met name voor kleine en microbedrijven;

45.

wijst op het belang van telewerken en „slim werken” in het kader van de deeleconomie en pleit er in dit verband voor dat deze vormen van werk gelijkgesteld worden met traditionele arbeidsvormen;

46.

verzoekt de Commissie te onderzoeken in hoeverre de richtlijn betreffende uitzendwerk (2008/104/EG (14)) van toepassing is op specifieke onlineplatforms; is van mening dat vele als bemiddelaar optredende onlineplatforms structureel te vergelijken zijn met uitzendbureaus (triangulaire contractuele verhouding tussen uitzendkracht/platformwerker; uitzendbureau/onlineplatform; inlenende onderneming/klant);

47.

verzoekt de nationale openbare diensten voor arbeidsvoorziening en het EURES-netwerk beter te communiceren over de mogelijkheden die de deeleconomie biedt;

48.

verzoekt de Commissie, de lidstaten en de sociale partners aan de platformwerkers adequate informatie te verstrekken over de arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden en de rechten van werknemers en over hun arbeidsbetrekkingen met zowel platforms als gebruikers; is van mening dat platforms een proactieve rol moeten vervullen bij het verstrekken van informatie aan gebruikers en werkers over het toepasselijke regelgevingskader, opdat de wettelijke voorschriften worden nageleefd;

49.

wijst op het gebrek aan gegevens over de door de deeleconomie teweeggebrachte veranderingen in de wereld van de werkgelegenheid; verzoekt de lidstaten en de Commissie, mede in samenwerking met de sociale partners, meer betrouwbare en volledige gegevens in dit verband te verzamelen en spoort de lidstaten ertoe aan een reeds bestaande, bevoegde nationale entiteit aan te stellen om de opkomende trends op de arbeidsmarkt van de deeleconomie te controleren en te evalueren; benadrukt in dit verband het belang van informatie en de uitwisseling van optimale praktijken tussen de lidstaten; onderstreept het belang van toezicht op de arbeidsmarkt en de arbeidsvoorwaarden in de deeleconomie teneinde illegale praktijken te bestrijden;

Plaatselijke dimensie van de deeleconomie

50.

constateert dat een toenemend aantal plaatselijke autoriteiten en regeringen reeds actief zijn bij het reguleren en ontwikkelen van de deeleconomie en zich richten op coöperatieve praktijken als onderwerp van hun beleid en als beginsel voor het organiseren van nieuwe vormen van coöperatief bestuur en de participerende democratie;

51.

constateert dat de nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten over veel speelruimte beschikken om contextspecifieke maatregelen vast te stellen teneinde duidelijk afgebakende doelstellingen van algemeen belang na te streven middels evenredige maatregelen die volledig stroken met het EU-recht; verzoekt de Commissie derhalve de lidstaten te ondersteunen in hun beleidsvorming en bij het vaststellen van regels overeenkomstig het EU-recht;

52.

stelt vast dat de voortrekkers steden waren waar de omstandigheden, zoals de bevolkingsdichtheid en fysieke nabijheid, het mogelijk maken coöperatieve praktijken toe te passen, dat de focus zich uitbreidt van slimme steden naar delende steden en de overgang naar burgervriendelijke infrastructuur wordt vergemakkelijkt; is tevens ervan overtuigd dat de deeleconomie aanzienlijke kansen biedt aan de randgebieden, plattelandsgebieden en achtergestelde gebieden, tot nieuwe en inclusieve vormen van ontwikkeling kan leiden, een positieve sociaal-economische impact kan hebben en gemarginaliseerde gemeenschappen kan helpen met indirecte voordelen voor de toerismesector;

De bevordering van de deeleconomie

53.

wijst op het belang van passende competenties, vaardigheden en opleiding om zoveel mogelijk mensen in staat te stellen een actieve rol in de deeleconomie te vervullen en het potentieel ervan ten volle te benutten;

54.

benadrukt dat ICT het mogelijk maakt innovatieve ideeën binnen de deeleconomie snel en efficiënt te ontwikkelen, zorgt voor de verbinding tussen en de empowerment van deelnemers, of het nu gaat om gebruikers dan wel dienstverleners, hun toegang tot en deelneming aan de markt vergemakkelijkt en afgelegen en plattelandsgebieden toegankelijker maakt;

55.

verzoekt de Commissie proactief publiek-private partnerschappen te bevorderen, met name met het oog op de toename van het gebruik van e-ID's, om het vertrouwen van consumenten en dienstverleners in onlinetransacties te vergroten, voortbouwend op het EU-kader voor wederzijdse erkenning van e-ID's, en andere bestaande belemmeringen voor de groei van de deeleconomie weg te nemen, zoals hindernissen voor het aanbieden van grensoverschrijdende verzekeringen;

56.

wijst erop hoe de invoering van 5G de logica van onze economieën fundamenteel zal veranderen en voor een ruimer en toegankelijker dienstenaanbod zal zorgen; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is om een concurrerende markt voor innovatieve bedrijven te creëren, omdat hun succes uiteindelijk de kracht van onze economie zal bepalen;

57.

wijst erop dat de deeleconomie steeds belangrijker wordt in de energiesector doordat consumenten, producenten, individuele personen en gemeenschappen op een efficiënte manier met elkaar in verbinding worden gebracht in diverse decentrale fasen van de hernieuwbare-energiecyclus, met inbegrip van zelfproductie en zelfconsumptie, opslag en distributie, overeenkomstig de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie;

58.

wijst erop dat deeleconomieën vooral tot volle ontplooiing komen in gemeenschappen die over sterke modellen voor het delen van kennis en onderwijs beschikken, en aldus een cultuur van open innovatie bevorderen en consolideren; benadrukt het belang van coherent beleid en van de introductie van breedband- en ultrabreedband als een voorwaarde om het volledige potentieel van de deeleconomie te benutten en profijt te trekken van de voordelen van de deeleconomie; wijst derhalve op de noodzaak te zorgen voor adequate netwerktoegang voor alle burgers in de EU, vooral in minder bevolkte, afgelegen en plattelandsgebieden waar connectiviteit nog niet voldoende beschikbaar is;

59.

onderstreept dat de deeleconomie steun voor haar ontwikkeling en opschaling nodig heeft en dat zij open moet blijven voor onderzoek, innovatie en nieuwe technologieën om investeringen aan te trekken; doet een beroep op de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat EU-wetgeving en -beleid toekomstbestendig zijn, met speciale aandacht voor het openen van niet-exclusieve, experimentgerichte ruimten, het bevorderen van digitale connectiviteit en geletterdheid, het ondersteunen van Europese ondernemers en start-ups, het stimuleren van 4.0-innovatiehubs, clusters en incubators waarbij tegelijkertijd cohabitatiesynergieën met traditionele bedrijfsmodellen worden ontwikkeld;

60.

benadrukt de complexe aard van de vervoerssector binnen en buiten de deeleconomie; wijst erop dat de sector een strenge regelgeving kent; wijst erop dat de deeleconomie het potentieel heeft om de efficiëntie en duurzame ontwikkeling van het vervoerssysteem aanzienlijk te verbeteren (mede via de mogelijkheid om binnen één reis gebruik te maken van naadloze multimodale vervoersbewijzen en reismethoden met behulp van apps voor de deeleconomie), alsook de veiligheid en beveiliging ervan, en de capaciteit heeft afgelegen gebieden beter toegankelijk te maken en de ongewenste externe effecten van files in het verkeer terug te dringen;

61.

doet een beroep op de betrokken autoriteiten om de gunstige co-existentie van collaboratieve vervoersdiensten en het traditionele vervoerssysteem te bevorderen; verzoekt de Commissie de deeleconomie te verwerken in haar op de nieuwe vervoerstechnologieën gerichte werkzaamheden (communicerende voertuigen, autonome voertuigen, geïntegreerde digitale vervoersbewijzen en intelligente vervoerssystemen) gezien de krachtige wisselwerking en natuurlijke synergieën van deze technologieën;

62.

onderstreept de noodzaak van rechtszekerheid voor platforms en de gebruikers ervan om de ontwikkeling van de deeleconomie in de vervoerssector van de EU te waarborgen; merkt op dat het in de mobiliteitssector belangrijk is een duidelijk onderscheid te maken tussen enerzijds i) carpooling en het delen van de kosten in de context van een reis die de bestuurder voor eigen doeleinden al gepland heeft, en anderzijds ii) gereguleerde personenvervoersdiensten;

63.

herinnert eraan dat volgens schattingen van de Commissie peer-to-peer-accommodatie vanuit het oogpunt van gegenereerde handel het grootste deel van de deeleconomie vormt, en peer-to-peer-vervoer de meeste inkomsten per platform genereert;

64.

onderstreept dat in de toerismesector het delen van woningen een zeer efficiënt gebruik van hulpmiddelen en onvoldoende benutte ruimte vormt, met name in gebieden die traditiegetrouw niet van het toerisme profiteren;

65.

veroordeelt in dit opzicht het feit dat bepaalde overheidsinstanties voorschriften opleggen met als doel het aanbod van toeristische accommodatie via de deeleconomie aan banden te leggen;

66.

vestigt de aandacht op de problemen waarmee de Europese deelplatforms te kampen hebben bij het verkrijgen van toegang tot risicokapitaal en bij hun opschalingsstrategieën, hetgeen nog eens wordt toegespitst door de geringe grootte en versnippering van de binnenlandse markten, alsmede door een acuut tekort aan grensoverschrijdende investeringen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ten volle gebruik te maken van de bestaande financieringsinstrumenten om te investeren in bedrijven in de deeleconomie en om initiatieven te bevorderen voor een gemakkelijkere toegang tot financiering, met name voor start-ups, kleine en middelgrote ondernemingen en bedrijven;

67.

onderstreept dat stelsels voor coöperatieve financiering — zoals crowdfunding — een belangrijk aanvulling zijn op traditionele financieringskanalen als onderdeel van een doeltreffend financieringsecosysteem;

68.

merkt op dat door kmo's verstrekte diensten in de deeleconomie niet altijd voldoende zijn toegesneden op de behoeften van personen met een beperking en ouderen; verzoekt om instrumenten en programma's die gericht zijn op ondersteuning van deze ondernemers om de behoeften van personen met een beperking in aanmerking te nemen;

69.

verzoekt de Commissie de toegang tot passende financiering te vergemakkelijken en te bevorderen voor Europese ondernemers die in de deeleconomie werkzaam zijn, ook in het kader van het EU-programma voor onderzoek en innovatie, Horizon 2020;

70.

constateert de snelle ontwikkeling en de groeiende verspreiding van innovatieve technologieën en digitale instrumenten, zoals de blockchains en de distributed ledger-technologie, ook in de financiële sector; onderstreept dat het gebruik van deze gedecentraliseerde technologieën effectieve peer-to-peertransacties en -connecties in de deeleconomie mogelijk kunnen maken, hetgeen tot nieuwe onafhankelijke markten of netwerken leidt, welke, in de toekomst, de rol overnemen die tussenpersonen momenteel bij deelplatforms vervullen;

o

o o

71.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0009.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0237.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0455.

(4)  http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-11834-2016-INIT/en/pdf

(5)  PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.

(6)  PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.

(7)  PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.

(8)  PB L 337 van 18.12.2009, blz. 11.

(9)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

(10)  ECON-VI/016.

(11)  PB C 75 van 10.3.2017, blz. 33.

(12)  Flash Eurobarometer 438 (maart 2016) over ‘The use of collaborative platforms’ (het gebruik van deelplatforms).

(13)  PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.

(14)  PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/135


P8_TA(2017)0272

Onlineplatforms en de digitale eengemaakte markt

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over onlineplatforms en de digitale eengemaakte markt (2016/2276(INI))

(2018/C 331/19)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 25 mei 2016 getiteld „Online platforms en de digitale eengemaakte markt — Kansen en uitdagingen voor Europa” (COM(2016)0288) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0172),

gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2016 getiteld „Een Europese agenda voor de deeleconomie” (COM(2016)0356) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0184),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld „EU-actieplan inzake e-overheid 2016-2020 Voor een snellere digitalisering van overheidsdiensten” (COM(2016)0179) en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0108 en SWD(2016)0109),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld „De digitalisering van het Europese bedrijfsleven De voordelen van een digitale eengemaakte markt ten volle benutten” (COM(2016)0180) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0110),

gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld „Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa” (COM(2015)0192) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0100),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld „Het Europese cloudinitiatief — bouwen aan een concurrerende data- en kenniseconomie in Europa” (COM(2016)0178) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0106),

gezien de mededeling van de Commissie van 10 januari 2017 getiteld „Bouwen aan een Europese data-economie” (COM(2017)0009) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0002),

gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over het Europees cloudinitiatief (1),

gezien zijn resolutie van 19 januari 2016„Naar een akte voor een digitale eengemaakte markt” (2),

gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten (3),

gezien Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (4),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 531/2012 wat betreft de voorschriften voor wholesaleroamingmarkten (COM(2016)0399),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility (COM(2016)0590),

gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt (COM(2016)0593),

gezien Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn inzake elektronische handel) (5) („richtlijn elektronische handel”),

gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG („algemene verordening gegevensbescherming”) (6),

gezien Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (7) („richtlijn netwerk- en informatiebeveiliging”),

gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van de veranderende marktsituatie (COM(2016)0287) („richtlijn audiovisuele mediadiensten”),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (COM(2016)0283),

voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud (COM(2015)0634),

gezien het interne werkdocument van de Commissie van 25 mei 2016„Guidance on the implementation/application of Directive 2005/29/EC on unfair commercial practices” (SWD(2016)0163),

gezien de door de Commissie in juni 2013 gepubliceerde Gids voor de ICT-sector betreffende de toepassing van de leidende beginselen van de VN op het gebied van zakendoen en mensenrechten („ICT Sector Guide on Implementing the UN Guiding Principles on Business and Human Rights”),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 15 september 2016 getiteld „Preliminary Report on the E-commerce Sector Inquiry” (SWD(2016)0312),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité inzake de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met als titel „Onlineplatforms en de digitale eengemaakte markt — Kansen en uitdagingen voor Europa” (8),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0204/2017),

A.

overwegende dat de digitale eengemaakte markt zijn bestaansrecht ontleent aan het voorkomen van fragmentatie tussen nationale wetgevingen en het afschaffen van technische, juridische en fiscale belemmeringen om ondernemingen, burgers en consumenten in staat te stellen ten volle te profiteren van digitale instrumenten en diensten;

B.

overwegende dat de digitalisering en nieuwe technologieën de manieren van communiceren, de toegang tot informatie en het gedrag van burgers, consumenten en bedrijven blijven veranderen en dat e vierde industriële revolutie zal leiden tot de digitalisering van alle facetten van de economie en de maatschappij;

C.

overwegende dat het evoluerende gebruik van internet en mobiele apparaten nieuwe zakelijke mogelijkheden biedt voor bedrijven van elke omvang en nieuwe en alternatieve zakelijke modellen genereert, waarbij geprofiteerd wordt van nieuwe technologieën en toegang tot de mondiale markt, maar dat er ook nieuwe uitdagingen ontstaan;

D.

overwegende dat de evoluerende ontwikkeling en het evoluerende gebruik van internetplatforms voor een brede waaier aan activiteiten, inclusief commerciële activiteiten en het delen van goederen en diensten, de manieren hebben veranderd waarop gebruikers en bedrijven in wisselwerking treden met verstrekkers van inhoud, handelaren en andere personen die goederen en diensten aanbieden;

E.

overwegende dat de richtlijn elektronische handel tussenpersonen alleen vrijstelt van aansprakelijkheid voor inhoud, als zij noch kennis hebben van noch controle hebben over de informatie die zij opslaan en/of doorgeven, maar dat, wanneer tussenpersonen daadwerkelijke kennis hebben van een inbreuk of onwettige activiteit of informatie, bij verkrijging van deze kennis een prompte reactie vereist is om de onwettige informatie of activiteit te verwijderen of de toegang hiertoe te blokkeren;

F.

overwegende dat talrijke onlineplatforms en diensten van de informatiemaatschappij een gemakkelijkere toegang verlenen tot goederen, diensten en digitale inhoud en zich bezighouden met een breder spectrum aan activiteiten in de verhouding met consumenten en andere spelers;

G.

overwegende dat de Commissie een aantal beoordelingen uitvoert van de regels inzake consumentenbescherming en van de b2b-activiteiten van onlineplatforms ten opzichte van hun zakelijke gebruikers;

H.

overwegende dat creativiteit en innovatie de motoren van de digitale economie vormen, en het derhalve van essentieel belang is om een hoog niveau van bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen;

Algemene inleiding

1.

is tevreden met de mededeling getiteld „Online platforms en de digitale eengemaakte markt — Kansen en uitdagingen voor Europa”;

2.

is tevreden met de diverse initiatieven die in het kader van de strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa al zijn voorgesteld; benadrukt het feit dat coördinatie en samenhang tussen deze initiatieven belangrijk is; is van mening dat de totstandbrenging van een digitale eengemaakte markt essentieel is voor het bevorderen van het concurrentievermogen van de EU, het creëren van kwalitatief hoogwaardige banen en hooggekwalificeerde banen en het bevorderen van de digitale economie in Europa;

3.

merkt op dat onlineplatforms de digitale economie en maatschappij van vandaag ten goede komen, door ervoor te zorgen dat de consumenten meer keuzemogelijkheden hebben en door het creëren en vormgeven van nieuwe markten; wijst er evenwel op dat onlineplatforms ook zorgen voor nieuwe uitdagingen op het gebied van regelgeving en beleid;

4.

herinnert eraan dat vele beleidsmaatregelen van de EU ook van toepassing zijn op onlineplatforms, maar merkt op dat de wetgeving in sommige gevallen niet behoorlijk wordt gehandhaafd of op uiteenlopende manieren wordt geïnterpreteerd in de lidstaten; benadrukt het feit dat het belangrijk is dat de EU-wetgeving behoorlijk ten uitvoer wordt gelegd en gehandhaafd, alvorens na te gaan of het huidige rechtskader moet worden aangevuld om deze situatie te remediëren;

5.

is tevreden met het werk dat momenteel wordt verricht om het huidige rechtskader te actualiseren en aan te vullen, om ervoor te zorgen dat het geschikt is voor het digitale tijdperk; is van mening dat een doeltreffende en aantrekkelijke omgeving op het gebied van regelgeving in Europa van vitaal belang is voor de ontwikkeling in Europa van online- en digitale bedrijfsactiviteit;

Definitie van platforms

6.

erkent dat het erg moeilijk zou zijn om te komen tot één juridisch relevante en toekomstbestendige definitie van onlineplatforms op het niveau van de EU, door factoren als de grote variëteit aan bestaande onlineplatforms en activiteitenterreinen hiervan, alsmede de snel veranderende omstandigheden van de digitale omgeving; is van mening dat één EU-definitie of één aanpak voor iedereen de EU sowieso niet zou helpen om in de platformeconomie succesvol te zijn;

7.

is zich tegelijk bewust van het feit dat het belangrijk is te voorkomen dat de interne markt van de EU gefragmenteerd raakt, hetgeen kan gebeuren, als er sprake is van een proliferatie aan regionale of nationale regels en definities, en is zich ook bewust van het feit dat zekerheid en een gelijk speelveld moeten worden geboden, zowel aan bedrijven als aan consumenten;

8.

is daarom van mening dat onlineplatforms moeten worden onderscheiden en gedefinieerd in seksespecifieke wetgeving hierover op het niveau van de EU, volgens de kenmerken, classificaties en principes van de platforms, en dat hierbij een probleemgestuurde aanpak moet worden gevolgd;

9.

is tevreden met het lopende werk van de Commissie inzake onlineplatforms, inclusief raadplegingen van belanghebbenden en uitvoering van een effectbeoordeling; acht soort op feiten gebaseerde aanpak essentieel voor het genereren van een algemeen inzicht op dit gebied; verzoekt de Commissie indien nodig regelgeving of andere maatregelen op basis van deze grondige analyse voor te stellen;

10.

merkt op dat b2c- en c2c-platforms actief zijn binnen een zeer diverse reeks activiteiten, bijvoorbeeld e-handel, de media, zoekmachines, communicatie, betaalsystemen, werkverschaffing, besturingssystemen, vervoer, reclame, de distributie van culturele inhoud, de deeleconomie en sociale netwerken; merkt voorts op dat, hoewel bepaalde gemeenschappelijke kenmerken de identificatie van onlineplatforms mogelijk maken, deze entiteiten veel verschillende vormen kunnen aannemen en veel verschillende benaderingen kunnen worden toegepast om een onlineplatform te identificeren;

11.

merkt op dat onlineplatforms in meer of mindere mate worden gekenmerkt door bepaalde gemeenschappelijke elementen, waaronder: opereren in veelzijdige markten; partijen die behoren tot twee of meer verschillende gebruikersgroepen, in staat stellen rechtstreeks met elkaar in contact te treden langs elektronische weg; met elkaar in contact brengen van diverse soorten gebruikers; aanbieden van onlinediensten afgestemd op de voorkeuren van gebruikers, op basis van de door gebruikers verstrekte gegevens; classificeren of referenceren van inhoud, bijvoorbeeld door middel van algoritmen, goederen of diensten die worden voorgesteld of online worden geplaatst door derden; samenbrengen van diverse partijen met het oog op de verkoop van een artikel, de verstrekking van een dienst of de uitwisseling dan wel het delen van inhoud, informatie, goederen of diensten;

12.

wijst erop dat het van cruciaal belang is duidelijkheid te verschaffen over de methoden waarmee op algoritmen gebaseerde besluiten worden genomen en te ijveren voor transparantie in het gebruik van deze algoritmen; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom na te gaan wat de kans is op fouten en vertekeningen bij het gebruik van algoritmen, teneinde iedere vorm van discriminatie, oneerlijke praktijken of inbreuk op de privacy te voorkomen;

13.

is echter van mening dat een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen b2c- en b2b-platforms, gezien de opkomst van online b2b-platforms die cruciaal zijn voor de ontwikkeling van het industriële internet, zoals diensten in de cloud of platforms voor het delen van gegevens die de communicatie tussen producten van het internet der dingen mogelijk maken; verzoekt de Commissie de belemmeringen op de interne markt aan te pakken die de groei van dergelijke platforms tegenhouden;

Facilitering van de duurzame groei van Europese onlineplatforms

14.

merkt op dat onlineplatforms het internet gebruiken als instrument voor interactie en dat zij optreden als faciliteerders tussen de partijen, en dat zij zo voordelen opleveren voor gebruikers, consumenten en bedrijven, door de toegang tot de mondiale markt te faciliteren; merkt op dat onlineplatforms kunnen bijdragen tot aanpassing van de vraag en het aanbod van goederen en diensten, op basis van sentimenten in de gemeenschap, gedeelde toegang, reputatie en vertrouwen;

15.

merkt op dat onlineplatforms en -toepassingen, waarvan er vele zijn ontworpen door Europese ontwikkelaars van toepassingen, de voordelen genieten van het enorme en steeds toenemende aantal mobiele apparaten, pc's, laptops en overige computerapparaten en dat zij steeds meer op deze apparaten beschikbaar zijn;

16.

wijst erop dat topprioriteit moet worden gegeven aan het garanderen van voldoende investeringen voor de uitrol van breedbandnetwerken met hoge snelheid en andere digitale infrastructuur, om de connectiviteitsdoelstellingen te realiseren van de gigabitmaatschappij, omdat deze uitrol van cruciaal belang is om burgers en bedrijven te laten profiteren van de ontwikkeling van de 5G-technologie en, in het algemeen, om te zorgen voor connectiviteit in alle lidstaten;

17.

onderstreept het feit dat het steeds wijder verspreide gebruik van slimme apparaten, waaronder smartphones en tablets, de toegang tot nieuwe diensten, inclusief onlineplatforms nog heeft verruimd en verbeterd, zodat de rol ervan in de economie en de maatschappij is toegenomen, vooral onder jongeren, maar steeds meer onder alle leeftijdsgroepen; merkt op dat de digitalisering nog zal toenemen met de snelle ontwikkeling van het internet der dingen, dat naar verwachting tegen 2020 25 miljard objecten met elkaar zal verbinden;

18.

acht toegang tot onlineplatforms kwalitatief hoogstaande technologie belangrijk voor alle burgers en bedrijven, niet slechts diegene die al online actief zijn; benadrukt het feit dat het belangrijk is het ontstaan te voorkomen van kloven die er kunne komen door een gebrek aan digitale vaardigheden of ongelijke toegang tot technologie; benadrukt het feit dat een toegewijde benadering van de ontwikkeling van digitale vaardigheden vereist is op nationaal en Europees niveau;

19.

vestigt de aandacht op de zich snel ontwikkelende onlineplatformmarkten, die een nieuwe afzetmogelijkheid bieden voor producten en diensten; merkt op dat deze markten een mondiaal en grensoverschrijdend karakter hebben; wijst erop dat mondiale onlineplatformmarkten consumenten een ruime waaier aan keuzemogelijkheden en effectieve prijsconcurrentie bieden; merkt op dat de „roam-like-at-home”-overeenkomst de grensoverschrijdende dimensie van onlineplatforms ondersteunt, door het gebruik van onlinediensten betaalbaarder te maken;

20.

wijst op de toenemende rol van onlineplatforms in het delen van en toegang bieden tot nieuws en overige informatie die waardevol is voor burgers en voor het functioneren van de democratie; is van mening dat onlineplatforms ook kunnen fungeren als faciliteerders van e-governance;

21.

dringt er bij de Commissie op aan de groei van de Europese onlineplatforms en start-ups te blijven bevorderen en de capaciteit hiervan om actief te worden op grotere schaal en mondiaal te concurreren, te versterken; roept de Commissie op om met betrekking tot onlineplatforms een innovatievriendelijk beleid te blijven voeren, om markttoegang te faciliteren; betreurt het lage aandeel van de EU van de marktkapitalisatie op onlineplatforms; benadrukt het feit dat het belangrijk is de belemmeringen te verwijderen die de soepele werking van onlineplatforms over de grenzen heen hinderen en de werking van de Europese digitale eengemaakte markt verstoren; benadrukt het feit dat non-discriminatie belangrijk is en dat omschakelen tussen platforms die met elkaar verenigbare diensten aanbieden, moet worden gefaciliteerd;

22.

benadrukt het feit dat cruciale factoren onder andere een open omgeving, homogene regels, de beschikbaarheid van voldoende connectiviteit, de interoperabiliteit van bestaande toepassingen en de beschikbaarheid van open normen omvatten;

23.

merkt op dat onlineplatforms aanzienlijke voordelen kunnen opleveren voor kmo's en start-ups; merkt op dat onlineplatforms vaak de gemakkelijkste en meest geschikte eerste stap vormen voor kleine ondernemingen die online willen gaan en willen profiteren van online distributiekanalen; merkt op dat onlineplatforms en start-ups kmo's in staat stellen zich op de mondiale markten te begeven zonder dat zij buitensporige investeringen moeten doen in het opbouwen van dure digitale infrastructuur; onderstreept het feit dat transparantie en billijke toegang tot platforms belangrijk zijn en herinnert eraan dat de toenemende dominantie van bepaalde onlineplatforms het vrije ondernemerschap niet mag verminderen;

24.

dringt er bij de Commissie op aan prioriteit te verlenen aan acties die het mogelijk maken dat Europese start-ups en onlineplatforms ontstaan en gaan opereren op grotere schaal; benadrukt het feit dat het faciliteren van de financiering van en investeringen in start-ups, met gebruikmaking van alle bestaande financieringsinstrumenten, van vitaal belang is voor de ontwikkeling van onlineplatforms die hun origine hebben in Europa, met name door toegang tot risicokapitaal en diverse kanalen, zoals bankieren of overheidsmiddelen, of door alternatieve financieringsmogelijkheden, zoals crowdfunding en crowdinvesteringen;

25.

merkt op dat sommige onlineplatforms de deeleconomie faciliteren en bijdragen tot de groei ervan in Europa; is tevreden met de mededeling van de Commissie over de deeleconomie en benadrukt dat deze de eerste stap moet zijn op weg naar een bredere Europese strategie op dit gebied waarmee de ontwikkeling wordt ondersteund van nieuwe zakelijke modellen; benadrukt het feit dat deze nieuwe zakelijke modellen banen creëren, het ondernemerschap bevorderen en nieuwe diensten, een ruimere keuze en betere prijzen bieden voor de consumenten, alsmede flexibiliteit en nieuwe mogelijkheden genereren, maar dat zij ook kunnen leiden tot uitdagingen en risico's voor de werknemers;

26.

wijst erop dat de lidstaten de laatste decennia vooruitgang hebben geboekt op het gebied van arbeids- en sociale normen en van socialebeschermingsstelsels en benadrukt het feit dat de ontwikkeling van de sociale dimensie ook gegarandeerd moet worden in het digitale tijdperk; merkt op dat de toenemende digitalisering een impact heeft op de arbeidsmarkten, het herdefiniëren van banen en de contractuele relaties tussen werknemers en ondernemingen; merkt op dat het belangrijk is naleving te garanderen van de arbeids- en sociale rechten en te zorgen voor een passende handhaving van de bestaande wetgeving, om de socialezekerheidsstelsels en de kwaliteit van banen verder te bevorderen; verzoekt de lidstaten om, in samenwerking met de sociale partners en andere belanghebbenden, te beoordelen of de bestaande wetgeving, met inbegrip van de socialezekerheidsstelsels, moet worden gemoderniseerd, om gelijke tred te houden met de technologische ontwikkelingen en tegelijkertijd de bescherming van werknemers te waarborgen, alsmede behoorlijke arbeidsomstandigheden te garanderen en te zorgen voor algemene voordelen voor de maatschappij als geheel;

27.

verzoekt de lidstaten te zorgen voor voldoende sociale zekerheid voor zelfstandigen, die belangrijke spelers zijn op de digitale arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten ook indien nodig nieuwe beschermingsmechanismen te ontwikkelen, om te zorgen voor een passende dekking van werknemers van onlineplatforms en voor non-discriminatie en gendergelijkheid, en om de beste praktijken op Europees niveau te delen;

28.

merkt op dat online gezondheidsplatforms innovatieve activiteiten kunnen ondersteunen door relevante kennis te creëren en over te dragen van betrokken consumenten van gezondheidsdiensten voor het innoveren van de gezondheidsomgeving; benadrukt dat nieuwe innovatieplatforms de volgende generatie van innovatieve gezondheidsproducten mede zullen ontwerpen en creëren, zodat deze precies aansluiten op behoeften waarin momenteel niet wordt voorzien;

Verduidelijking van de aansprakelijkheid van tussenpersonen

29.

merkt op dat de huidige EU-regeling inzake aansprakelijkheid van tussenpersonen een van de kwesties is die sommige belanghebbenden in het lopende debat over onlineplatforms ter sprake brengen; merkt op dat de raadpleging over het regelgevingskader voor platforms heeft uitgewezen dat er enige steun is voor het bestaande kader dat vervat is in de richtlijn elektronische handel, maar ook dat bepaalde tekortkomingen bij de handhaving ervan moeten worden geremedieerd; is daarom van mening dat de aansprakelijkheidsregeling verder moet worden verduidelijkt, omdat deze een cruciale pijler is voor de digitale economie van de EU; acht richtsnoeren nodig van de Commissie met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het kader inzake de aansprakelijkheid van tussenpersonen, om ervoor te zorgen dat onlineplatforms hun verantwoordelijkheden kunnen opnemen en de aansprakelijkheidsregels kunnen naleven, om de rechtszekerheid te vergroten en om te zorgen voor meer vertrouwen bij de gebruikers; verzoekt de Commissie met het oog hierop bijkomende stappen te ontwikkelen, waarbij het eraan herinnert dat platforms die geen neutrale rol spelen overeenkomstig de definitie in de richtlijn elektronische handel, geen aanspraak kunnen maken op vrijstelling van aansprakelijkheid;

30.

benadrukt dat, hoewel vandaag de dag meer creatieve producten worden verbruikt dan ooit, bijvoorbeeld via platforms waarop gebruikers hun eigen inhoud kunnen uploaden en diensten voor aggregatie van inhoud, de creatieve sector zijn inkomsten niet evenredig heeft zien stijgen; benadrukt dat als een van de belangrijkste redenen hiervoor een overdracht van waarde wordt gezien die is ontstaan als gevolg van een gebrek aan duidelijkheid over de status van deze onlinediensten in het kader van de wetgeving inzake auteursrechten en elektronische handel; benadrukt het feit dat er een oneerlijke markt is gecreëerd, die een bedreiging vormt voor de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt en de belangrijkste actoren hiervan, namelijk de culturele en creatieve sector;

31.

is tevreden met het feit dat de Commissie het op zich heeft genomen om richtsnoeren voor de aansprakelijkheid van tussenpersonen te publiceren, omdat er een gebrek aan duidelijkheid is wat de huidige regels en de tenuitvoerlegging ervan in sommige lidstaten betreft; is van mening dat de richtsnoeren het gebruikersvertrouwen in onlinediensten zal vergroten; dringt er bij de Commissie op aan haar voorstellen in te dienen; verzoekt de Commissie de aandacht te vestigen op de verschillen in regelgeving tussen de online- en de offlinewereld en een gelijk speelveld te creëren voor vergelijkbare diensten online en offline, als dit nodig en realiseerbaar is, rekening houdend met de specifieke kernmerken van elk terrein, de ontwikkeling van de maatschappelijke ontwikkelingen, de behoefte aan meer transparantie en rechtszekerheid en het feit dat de innovatie niet mag worden belemmerd;

32.

is van mening dat digitale platforms een middel zijn om de toegang tot cultureel en creatief werk te vergroten, en dat ze tal van mogelijkheden bieden voor de culturele en creatieve sector om nieuwe zakelijke modellen te ontwikkelen; wijst op het feit dat moet worden nagegaan hoe dit proces kan functioneren met meer rechtszekerheid en respect voor rechthebbenden; onderstreept het belang van transparantie en van het verzekeren van een gelijk speelveld; is in dit opzicht van mening dat de bescherming van rechthebbenden in het kader van copyright en intellectueel eigendom noodzakelijk is om de erkenning van waarde en de bevordering van innovatie, creativiteit, investeringen en productie van inhoud te verzekeren;

33.

dringt er bij onlineplatforms op aan krachtigere maatregelen te nemen om illegale en schadelijke inhoud online aan te pakken; is tevreden met de lopende werkzaamheden aan de richtlijn audiovisuele mediadiensten en de intentie van de Commissie om maatregelen voor te stellen voor videoplatforms om minderjarigen te beschermen inhoud die verband houdt met haattaal, te verwijderen; merkt op dat niet wordt verwezen naar inhoud op het gebied van het aanzetten tot terrorisme; vraagt dat bijzondere aandacht wordt besteed aan het voorkomen van pesten van en geweld tegen kwetsbare personen;

34.

is van mening dat de aansprakelijkheidsregels voor onlineplatforms het mogelijk moeten maken dat kwesties in verband met illegale inhoud en goederen efficiënt worden aangepakt, bijvoorbeeld door zorgvuldigheidsprocedures toe te passen, terwijl een evenwichtige en innovatievriendelijke aanpak behouden blijft; dringt er bij de Commissie op aan de kennisgevings- en verwijderingsprocedures te definiëren en verder te verduidelijken en richtsnoeren te bieden met betrekking tot vrijwillige maatregelen om deze inhoud aan te pakken;

35.

benadrukt het feit dat het belangrijk is actie te ondernemen tegen de verspreiding van nepnieuws; verzoekt onlineplatforms gebruikers van middelen te voorzien om nepnieuws aan de kaak te stellen, zodat andere gebruikers op de hoogte kunnen worden gebracht van het feit dat de juistheid van de inhoud wordt aangevochten; wijst er tegelijkertijd op dat een vrije uitwisseling van standpunten van fundamenteel belang is voor de democratie en dat het recht op een persoonlijke levenssfeer ook geldt in de sfeer van de sociale media; wijst op de waarde van vrije pers met betrekking tot het voorzien van burgers van betrouwbare informatie;

36.

roept de Commissie op de huidige situatie en het juridisch kader met betrekking tot nepnieuws grondig te analyseren en te onderzoeken of het mogelijk is juridisch in te grijpen om de publicatie en verspreiding van valse inhoud tegen te gaan;

37.

benadrukt het feit dat onlineplatforms illegale goederen en inhoud en oneerlijke praktijken (bijvoorbeeld de wederverkoop van tickets voor amusementsevenementen tegen een buitensporig hoge prijs) moeten bestrijden, door middel van regelgeving, aangevuld met effectieve zelfregulerende maatregelen (bijvoorbeeld duidelijke gebruiksvoorwaarden en passende mechanismen voor het identificeren van recidivisten, of de oprichting van gespecialiseerde teams voor het modereren van inhoud en het opsporen van gevaarlijke producten) of hybride maatregelen;

38.

is tevreden met de in 2016 voor de sector overeengekomen en door de Commissie ondersteunde gedragscode voor het bestrijden van illegale haatzaaiende uitlatingen en verzoekt de Commissie passende en redelijke instrumenten te ontwikkelen waarmee onlineplatforms illegale goederen en inhoud kunnen identificeren en verwijderen;

39.

is van mening dat naleving van de algemene verordening inzake gegevensbescherming en de richtlijn netwerk- en informatiebeveiliging van essentieel belang is met betrekking tot eigendom van gegeven; merkt op dat er vaak stimulansen zijn voor gebruikers om hun persoonsgegevens te delen met onlineplatforms; benadrukt het feit dat gebruikers geïnformeerd moeten worden over het precieze karakter van de verzamelde gegevens en de manier waarop deze zullen worden gebruikt; onderstreept het feit dat het een dwingende vereiste is dat gebruikers controle hebben over de verzameling en het gebruik van hun persoonsgegevens; benadrukt het feit dat er ook een optie moet zijn om persoonsgegevens niet te delen; merkt op dat de regel inzake het recht om vergeten te worden, ook van toepassing is op onlineplatforms; verzoekt onlineplatforms ervoor te zorgen dat anonimiteit gegarandeerd is, wanneer persoonsgegevens worden verwerkt door derden;

40.

roept de Commissie op snel te beoordelen of er behoefte is aan formele meldings- en actieprocedures als veelbelovende manier om de aansprakelijkheidsregeling in de hele EU op geharmoniseerde wijze aan te scherpen;

41.

spoort de Commissie aan zo snel mogelijk praktische richtsnoeren te verstrekken ten aanzien van het markttoezicht op online verkochte producten;

Creëren van een gelijk speelveld

42.

dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor een gelijk speelveld voor aanbieders van onlineplatforms en andere diensten waarmee zij concurreren, inclusief b2b en c2c; benadrukt het feit dat rechtszekerheid essentieel is voor het creëren van een bloeiende digitale economie; merkt op dat de concurrentiedruk verschilt tussen sectoren en verschillende actoren binnen sectoren; herinnert er daarom aan dat oplossingen met één remedie voor alle situaties daarom zelden geschikt zijn; is van mening dat bij alle op maat gemaakte oplossingen of regelgeving die worden voorgesteld, rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van platforms, om te zorgen voor eerlijke mededinging op gelijke voet;

43.

vestigt de aandacht op het feit dat de omvang van onlineplatforms varieert van multinationals tot micro-ondernemingen; benadrukt het feit dat eerlijke en effectieve concurrentie tussen onlineplatforms belangrijk is om een ruimere keuze voor de consumenten te creëren en de totstandkoming te voorkomen van monopolies of dominante posities die door machtsmisbruik de markt verstoren; benadrukt het feit dat facilitering van het overschakelen tussen onlineplatforms of onlinediensten een essentiële maatregel is om marktfalen te voorkomen en lock-insituaties te vermijden;

44.

merkt op dat onlineplatforms de sterk gereguleerde traditionele zakelijke modellen veranderen; onderstreept het feit dat bij eventuele hervormingen van het bestaande regelgevingskader moet worden gefocust op het harmoniseren van de regels en het verminderen van het gefragmenteerde karakter van de regelgeving teneinde een open en concurrerende markt voor onlineplatforms tot stand te brengen en tegelijk strenge normen te garanderen op het gebied van consumentenbescherming; benadrukt het feit dat overregulering moet worden voorkomen en dat het REFIT-proces en de toepassing van het beginsel van betere regelgeving moeten worden voortgezet; benadrukt het feit dat het belangrijk is dat er sprake is van technologieneutraliteit en dat er samenhang bestaat tussen de regels die in gelijkwaardige situaties online en offline worden toegepast, in zoverre dit nodig en realiseerbaar is; benadrukt het feit dat rechtszekerheid het concurrentievermogen, investering en innovatie bevordert;

45.

onderstreept het feit dat investering in infrastructuur belangrijk is in zowel stedelijke als plattelandsgebieden; benadrukt het feit dat eerlijke concurrentie garant staat voor investering in hoogwaardige hogesnelheidsbreedbanddiensten; benadrukt het feit dat betaalbare toegang tot en de volledige uitrol van een betrouwbare hogesnelheidsinfrastructuur, zoals supersnelle verbindingen en telecommunicatie, het aanbieden en gebruiken van onlineplatformdiensten bevordert; benadrukt het feit dat netneutraliteit en eerlijke en niet-discriminerende toegang tot onlineplatforms nodig zijn, als voorwaarde voor innovatie en een daadwerkelijk concurrerende markt; dringt er bij de Commissie op aan de financieringsregelingen voor hiermee verband houdende initiatieven ter facilitering van het digitialiseringsproces te stroomlijnen, om gebruik te maken van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en Horizon 2020, alsmede de bijdragen uit de nationale begrotingen van de lidstaten; verzoekt de Commissie het potentieel te beoordelen van publiek-private partnerschappen (PPP's) en gemeenschappelijke technologie-initiatieven (GTI);

46.

verzoekt de Commissie te overwegen een geharmoniseerde benadering tot stand te brengen met betrekking tot het recht op rectificatie, het recht op wederwoord en het recht op respijt voor gebruikers van platforms;

47.

verzoekt de Commissie een gelijk speelveld tot stand te brengen met betrekking tot schadeclaims tegen platforms die het gevolg zijn van het in omloop brengen van feiten om iemand in het diskrediet te brengen, die de gebruiker blijvende schade toebrengen.

Informatie en rechten voor burgers en consumenten

48.

onderstreept het feit dat het internet van de toekomst niet kan slagen zonder vertrouwen van de gebruikers in onlineplatforms, meer transparantie, een gelijk speelveld, bescherming van persoonsgegevens, een betere controle van reclame- en andere geautomatiseerde systemen en eerbiediging door onlineplatforms van alle toepasselijke wetgeving en de legitieme belangen van gebruikers;

49.

benadrukt het feit dat transparantie bij gegevensverzameling en -gebruik belangrijk is en is van mening dat onlineplatforms op adequate wijze tegemoet moeten komen aan de bezorgdheid van de gebruikers door hun naar behoren om toestemming te vragen overeenkomstig de algemene verordening gegevensbescherming en hen effectiever en duidelijker te informeren over de persoonsgegevens die worden verzameld en de manier waarop deze worden gedeeld en gebruikt overeenkomstig het EU-kader inzake gegevensbescherming, waarbij de gebruikers de optie behouden hun toestemming ten aanzien van individuele gegevens in te trekken, zonder de volledige toegang tot een dienst te verliezen;

50.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om de volledige eerbiediging van de rechten van burgers op privacy en op bescherming van hun persoonsgegevens in de digitale omgeving te waarborgen; benadrukt het belang van de deugdelijke tenuitvoerlegging van de algemene verordening gegevensbescherming, waarbij de volledige toepassing van het beginsel van „gegevensbescherming door ontwerp” moet worden gewaarborgd;

51.

wijst erop dat het belangrijk is om duidelijkheid te geven omtrent de kwesties in verband met gegevenstoegang, gegevenseigendom en aansprakelijkheid met betrekking tot gegevens, en dringt er bij de Commissie op aan het huidige regelgevingskader nader te onderzoeken met betrekking tot deze kwesties;

52.

onderstreept het feit dat het grensoverschrijdende karakter van onlineplatforms een groot voordeel is voor de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt, maar ook betere samenwerking vereist tussen de nationale overheidsinstanties; verzoekt de bestaande diensten en mechanismen op het gebied van consumentenbescherming om samen te werken en efficiënte consumentenbescherming te bieden met betrekking tot de activiteiten van onlineplatforms; wijst in dit opzicht bovendien op het belang van grensoverschrijdende handhaving en samenwerking; is verheugd over het voornemen van de Commissie om na te gaan of er eventueel extra behoefte is aan het bijwerken van bestaande regels inzake consumentenbescherming met betrekking tot platforms in het kader van de REFIT-evaluatie van de EU-consumenten- en marketingwetgeving in 2017;

53.

moedigt onlineplatforms ertoe aan om consumenten duidelijke, volledige en billijke voorwaarden te bieden en te zorgen voor gebruiksvriendelijke methoden voor het presenteren van hun voorwaarden, verwerking van gegevens, wettelijke en commerciële garanties en mogelijke kosten, waarbij zij complexe terminologie moeten vermijden, teneinde de consumentenbescherming te verbeteren en het vertrouwen en het begrip van consumentenrechten te bevorderen, omdat dit van vitaal belang is om ervoor te zorgen dat onlineplatforms slagen;

54.

wijst op het feit dat het hoge niveau van consumentenbescherming met betrekking tot onlineplatforms niet alleen van toepassing is op b2b-praktijken, maar ook op c2c-transacties;

55.

vraagt een evaluatie van de bestaande wetgeving en zelfreguleringsmechanismen om na te gaan of deze gebruikers, consumenten en bedrijven adequate bescherming bieden, gezien het toenemende aantal klachten en de onderzoeken die de Commissie naar een aantal platforms heeft gestart;

56.

benadrukt het feit dat het belangrijk is gebruikers duidelijke, onpartijdige en transparante informatie te verstrekken over de criteria die worden gehanteerd om de aan hun gepresenteerde informatie te filteren, rangschikken, sponsoren, personaliseren of evalueren; onderstreept het feit dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen gesponsorde en alle andere inhoud;

57.

verzoekt de Commissie bepaalde kwesties aan te pakken in verband met de beoordelingssystemen van platforms, bijvoorbeeld nepbeoordelingen of de verwijdering van negatieve beoordelingen, om een concurrentievoordeel te realiseren; benadrukt het feit dat beoordelingen betrouwbaarder en nuttiger voor de consumenten moeten worden gemaakt en dat gegarandeerd moet worden dat platforms de bestaande verplichtingen nakomen en in verband hiermee maatregelen nemen tegen praktijken als vrijwillige regelingen; is tevreden met de richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn over oneerlijke handelspraktijken;

58.

verzoekt de Commissie een beoordeling te maken van de behoefte aan criteria en drempels om de voorwaarden te bepalen waaronder onlineplatforms kunnen worden onderworpen aan extra markttoezicht en richtsnoeren op te stellen om onlineplatforms te helpen bij het tijdig nakomen van de bestaande verplichtingen en richtsnoeren, met name op het gebied van consumentenbescherming en de mededingingsregels;

59.

benadrukt het feit dat de rechten van auteurs en makers ook in het digitale tijdperk beschermd moeten worden en herinnert eraan dat de creatieve sector belangrijk is voor de werkgelegenheid en de economie in de EU; verzoekt de Commissie een evaluatie uit te voeren van de bestaande richtlijn handhaving intellectuele-eigendomsrechten (9), om het opzettelijke misbruik van verslagleggingsprocessen te voorkomen en ervoor te zorgen dat alle spelers in de waardeketen, met inbegrip van tussenpersonen als aanbieders van internetdiensten, effectiever kunnen strijden tegen namaak, door het nemen van actieve, proportionele en effectieve maatregelen om de traceerbaarheid te garanderen en het promoten en distribueren van nagemaakte goederen te voorkomen, omdat namaak een risico inhoudt voor de consumenten;

60.

benadrukt dat er bij de waardeverdeling voor intellectuele eigendom een evenwicht moet worden hersteld, met name op platforms waarop beschermde audiovisuele inhoud wordt verspreid;

61.

dringt aan op nauwere samenwerking tussen platforms en rechthebbenden om te zorgen voor een behoorlijke vereffening van auteursrechten en om online de strijd aan te gaan met inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten; herinnert eraan dat dergelijke inbreuken een wezenlijk probleem kunnen vormen, niet alleen voor bedrijven maar ook voor de gezondheid en veiligheid van de consument, die zich bewust moet zijn van het bestaan van illegale handel in namaakproducten; dringt daarom nogmaals aan op de toepassing van de „follow the money”-aanpak voor desbetreffende betalingsdiensten, zodat namakers verstoken blijven van middelen om hun economische activiteiten te verrichten; onderstreept dat een herziening van de richtlijn handhaving intellectuele-eigendomsrechten een geschikte manier zou zijn om tussen platforms, gebruikers en alle andere marktdeelnemers een hoge graad van samenwerking te bekomen, in combinatie met een correcte toepassing van de richtlijn elektronische handel;

62.

verzoekt de Commissie het platform dat in het leven is geroepen voor de beslechting van geschillen in verband met online aankopen beter bekend te maken bij de consument, en vraagt om het gebruiksvriendelijker te maken en erop toe te zien dat handelaars de verplichting naleven om op hun website een link te plaatsen naar dit platform, zodat verder werk kan worden gemaakt van het groeiende aantal klachten tegen verscheidene online platforms;

Vergroten van het onlinevertrouwen en bevorderen van innovatie

63.

onderstreept het feit dat een effectieve handhaving van gegevensbescherming en van de consumentenrechten op onlinemarkten overeenkomstig de algemene verordening gegevensbescherming en de richtlijn netwerk- en informatiebeveiliging prioritaire acties zijn, zowel voor het overheidsbeleid als voor het bedrijfsleven, om het vertrouwen te bevorderen; benadrukt het feit dat consumenten- en gegevensbescherming diverse maatregelen en technische middelen vereisen op het gebied van onlineprivacy en internet- en cyberveiligheid; onderstreept het feit dat transparantie belangrijk is met betrekking tot gegevensverzameling en de veiligheid van betalingen;

64.

merkt op dat onlinebetalingen een hoog niveau van transparantie bieden dat helpt de rechten van consumenten en ondernemers te beschermen en de frauderisico's tot een minimum te beperken; is ook tevreden met de nieuwe, innoverende alternatieve betalingsmethoden, bijvoorbeeld virtuele munteenheden en e-portefeuilles; merkt op dat transparantie de vergelijking van prijzen en transactiekosten vergemakkelijkt en de traceerbaarheid van economische transacties vergroot;

65.

benadrukt het feit dat een eerlijke, voorspelbare en innovatievriendelijke omgeving, alsmede investering in onderzoek en ontwikkeling en het bijscholen van werknemers van vitaal belang zijn voor het genereren van nieuwe ideeën en innovaties; onderstreept het feit dat open data en open normen belangrijk zijn voor de ontwikkeling van nieuwe onlineplatforms en innovatie; herinnert eraan dat de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake het hergebruik van overheidsinformatie (10) gepland is voor 2018; constateert dat open, geavanceerde en gedeelde testnetwerken en open programmeerinterfaces een aanwinst voor Europa kunnen zijn;

66.

benadrukt het feit dat het belangrijk is dat een toegewijde aanpak wordt gevolgd, door de Commissie en met name de lidstaten, met betrekking tot de ontwikkeling van digitale vaardigheden, om een hoogopgeleide beroepsbevolking te vormen, omdat dit een voorwaarde is om te zorgen voor een hoge werkgelegenheidsgraad tegen billijke voorwaarden in de hele EU en tegelijk een einde te maken aan de digitale ongeletterdheid die de digitale kloof en digitale uitsluiting verdiept; onderstreept daarom het feit dat ontwikkeling en verbetering van de digitale vaardigheden plicht is en grootschalige investeringen vereist in onderwijs en een leven lang leren;

67.

is van mening dat platforms waarop een grote hoeveelheid beschermde werken is opgeslagen en beschikbaar is gesteld voor het publiek licentieovereenkomsten moeten sluiten met de desbetreffende rechthebbenden, tenzij ze geen actief karakter hebben en derhalve onder de uitzondering van artikel 14 van de richtlijn elektronische handel vallen, met het oog op een eerlijke winstverdeling met auteurs, makers en de desbetreffende rechthebbenden; onderstreept dat deze licentieovereenkomsten en de uitvoering ervan gebruikers in staat moeten stellen hun grondrechten uit te oefenen;

Eerbiediging van b2b-betrekkingen en het EU-mededingingsrecht

68.

is verheugd over de acties van de Commissie om het mededingingsrecht beter te handhaven in de digitale wereld en onderstreept het feit dat het gezien het snelle tempo van de digitale sector van belang is dat in mededingingszaken snel wordt beslist; merkt evenwel op dat het EU-mededingingsrecht in bepaalde opzichten moet worden aangepast aan de digitale wereld, om ervoor te zorgen dat het zijn doel dient;

69.

maakt zich zorgen over de problematische oneerlijke b2b-handelspraktijken van sommige onlineplatforms, bijvoorbeeld gebrek aan transparantie (bijvoorbeeld in zoekresultaten, datagebruik of prijsstellingen) en unilaterale wijzigingen van de voorwaarden, het promoten in de vorm van reclame of het promoten van gesponsorde resultaten terwijl tegelijkertijd niet-betaalde resultaten minder zichtbaar aangeboden worden, mogelijke onbillijke voorwaarden, bijvoorbeeld wat betalingsoplossingen betreft, en mogelijke gevallen van misbruik van de duale rol van platforms als tussenpersonen en concurrenten; constateert dat deze duale rol economische stimulansen kan creëren voor onlineplatforms op basis waarvan deze platforms onderscheid kunnen maken ten gunste van hun eigen producten en diensten en discriminerende b2b-voorwaarden kunnen opleggen; en verzoekt de Commissie zodoende om adequate maatregelen te treffen;

70.

roept de Commissie op een op groei en consumenten gericht juridisch kader voor b2b-betrekkingen voor te stellen op basis van beginselen die misbruik van marktposities moeten voorkomen en moeten waarborgen dat platforms die als toegangspunt tot een downstreammarkt fungeren niet als poortwachters optreden; is van mening dat dit kader moet dienen om schadelijke effecten op het consumentenwelzijn te voorkomen en het concurrentievermogen en innovatie te bevorderen; raadt daarnaast aan dat dit kader technologisch neutraal moet zijn en bestaande risico's het hoofd moet kunnen bieden, bijvoorbeeld met betrekking tot de markt voor mobiele besturingssystemen, maar ook toekomstige risico's ten aanzien van nieuwe door het internet aangestuurde technologieën, zoals het internet van de dingen of kunstmatige intelligentie, die de positie van platforms nog zal versterken, met een nog stevigere positie tussen onlinebedrijven en consumenten;

71.

is verheugd over het door de Commissie in het voorjaar van 2017 uit te voeren feitenonderzoek inzake b2b-praktijken en dringt aan op het ondernemen van effectieve stappen ter waarborging van eerlijke concurrentie;

72.

onderstreept het feit dat het EU-mededingingsrecht en de EU-autoriteiten indien nodig een gelijk speelveld moeten garanderen, inclusief met betrekking tot consumentenbescherming en belastingkwesties;

73.

neemt kennis van de recente onthullingen onder andere over grote digitale bedrijven en hun praktijken in verband met fiscale planning in de EU; is in verband hiermee tevreden met de inspanningen die de Commissie levert voor het bestrijden van belastingontwijking en verzoekt de lidstaten en de Commissie bijkomende hervormingen voor te stellen om praktijken op het gebied van belastingontwijking in de EU te voorkomen; roept op tot het nemen van maatregelen om ervoor te zorgen dat alle bedrijven, met inbegrip van digitale bedrijven, hun belastingen betalen in de lidstaten waar hun economische activiteiten worden verricht;

74.

wijst op de verschillen in het wettelijke landschap in de 28 lidstaten en op de specifieke kenmerken van de digitale sector, waar de fysieke aanwezigheid van een bedrijf in het land van de markt vaak niet vereist is; verzoekt de lidstaten hun btw-stelsel aan te passen volgens het principe van het land van bestemming (11);

Plaats van de EU in de wereld

75.

wijst erop dat de plaats van de EU op de wereldmarkt teleurstellend laag is, met name door de huidige fragmentatie van de digitale markt, rechtsonzekerheid en het gebrek aan financiering en capaciteit om technologische innovaties op de markt te brengen, hetgeen het moeilijk maakt voor Europese bedrijven om in deze nieuwe, mondiaal concurrerende economie wereldleiders te worden en te concurreren met spelers elders in de wereld; moedigt de ontwikkeling aan van een omgeving voor start-ups en bedrijven die doorgroeien („scale-ups”) die bevorderlijk is voor ontwikkeling en lokale banencreatie;

76.

verzoekt de Europese instellingen te zorgen voor een gelijk speelveld tussen EU- en niet-EU-spelers, bijvoorbeeld met betrekking tot belasting en dergelijke;

77.

is van mening dat de EU een belangrijke speler in de digitale wereld kan worden en dat zij de weg vrij moet maken voor een innovatievriendelijk klimaat in Europa door een waterdicht juridisch kader vast te stellen ter bescherming van alle belanghebbenden;

o

o o

78.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de Europese Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0052.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0009.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.

(4)  PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1.

(5)  PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.

(6)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

(7)  PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1.

(8)  PB C 75 van 10.3.2017, blz. 119.

(9)  Richtlijn 2004/48/EG (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45).

(10)  Richtlijn 2003/98/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 90).

(11)  Zie de resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2016 over wegen naar een definitief btw-stelsel en bestrijding van btw-fraude (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0453).


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/146


P8_TA(2017)0273

De humanitaire situatie in Jemen

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over de humanitaire situatie in Jemen (2017/2727(RSP))

(2018/C 331/20)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Jemen, met name die van 25 februari 2016 (1) over de humanitaire situatie in Jemen en van 9 juli 2015 (2) over de situatie in Jemen,

gezien de conclusies van de Raad van 3 april 2017 over Jemen,

gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 8 oktober 2016 over de aanval in Jemen en van 19 oktober 2016 over het staakt-het-vuren in Jemen,

gezien de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over Jemen, meer bepaald resoluties 2216 (2015), 2201 (2015) en 2140 (2014),

gezien de op 25 april 2017 in Genève gehouden donorconferentie op hoog niveau voor de humanitaire crisis in Jemen,

gezien de oproep die de speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor de mensenrechten en internationale sancties, Idriss Jazairy, op 12 april 2017 heeft gedaan om de zeeblokkade tegen Jemen op te heffen,

gezien de verklaringen van de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens, Zeid Ra'ad Al Hussein, van 10 oktober 2016 over de schandalige aanval op een begrafenis in Jemen, van 10 februari 2017 over burgers in Jemen die ingesloten werden door strijdende partijen, en van 24 maart 2017 over de meer dan honderd burgerdoden in één maand tijd, waaronder vissers en vluchtelingen, terwijl het conflict in Jemen bijna twee jaar aansleept,

gezien de verklaringen van de speciale gezant van de VN voor Jemen, Ismaïl Ould Cheikh Ahmed, van 21 oktober en 19 november 2016 en van 30 januari 2017,

gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de humanitaire situatie in Jemen rampzalig is; overwegende dat de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) de situatie in Jemen in februari 2017 „de ergste noodtoestand op het vlak van voedselzekerheid ter wereld” heeft genoemd; overwegende dat het Bureau van de Verenigde Naties voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) in mei 2017 heeft verklaard dat 17 miljoen mensen in Jemen dringend voedselhulp nodig hebben, en dat bij 7 miljoen onder hen sprake is van een „noodtoestand op het vlak van voedselzekerheid”; overwegende dat 2,2 miljoen kinderen aan ernstige acute ondervoeding lijden en er elke tien minuten een kind sterft door oorzaken die te voorkomen zijn; overwegende dat er 2 miljoen intern ontheemden en 1 miljoen terugkeerders zijn;

B.

overwegende dat het aanhoudende conflict desastreuze gevolgen heeft voor het land en zijn bevolking; overwegende dat de bij het conflict betrokken partijen er ondanks de internationale roep om een politieke oplossing voor de crisis niet in geslaagd zijn om tot een vergelijk te komen en dat de gevechten blijven voortduren; overwegende dat geen enkele partij in het conflict een militaire overwinning heeft behaald en dat het onwaarschijnlijk is dat dit in de toekomst wel gebeurt;

C.

overwegende dat er volgens de VN sinds maart 2015 naar schatting 10 000 doden zijn gevallen en meer dan 40 000 gewonden als gevolg van het geweld; overwegende dat het door de gevechten, zowel op de grond als in de lucht, onmogelijk is geworden voor de toezichthouders ter plaatse van het VN-bureau voor de mensenrechten (OHCHR) om toegang te krijgen tot het gebied om het aantal burgerslachtoffers vast te stellen, wat betekent dat deze cijfers enkel de doden en gewonden omvatten die het OHCHR onomstotelijk heeft kunnen vaststellen en bevestigen; overwegende dat de civiele infrastructuur en de instellingen van Jemen zwaar getroffen zijn door de oorlog en steeds minder in staat zijn basisdiensten te leveren; overwegende dat het gezondheidsstelsel dreigt in te storten en dat essentieel eerstelijns medisch personeel al maandenlang geen loon heeft ontvangen;

D.

overwegende dat Jemen te kampen heeft met een tweede uitbraak van cholera en acute waterige diarree (AWD), hetgeen tussen 27 april en 8 juni 2017 meer dan 100 000 vermoedelijke gevallen van cholera en bijna 800 dodelijke slachtoffers in het hele land tot gevolg heeft gehad;

E.

overwegende dat met name kwetsbare groepen, vrouwen en kinderen worden getroffen door de aanhoudende vijandelijkheden en de humanitaire crisis, en overwegende dat de veiligheid en het welzijn van vrouwen en meisjes bijzondere aandacht verdient; overwegende dat vooral kinderen kwetsbaar zijn voor het toegenomen geweld in Jemen, en dat volgens gegevens van de VN 1 540 kinderen de dood hebben gevonden en 2 450 kinderen gewond zijn geraakt;

F.

overwegende dat meer dan 350 000 kinderen hun schoolloopbaan het afgelopen schooljaar niet hebben kunnen hervatten als gevolg van geweld, waardoor het totale aantal kinderen dat niet naar school gaat in Jemen volgens UNICEF de grens van 2 miljoen heeft overschreden; overwegende dat kinderen die niet naar school gaan het risico lopen te worden ingelijfd om te gaan vechten;

G.

overwegende dat bijna 90 % van de basisvoedingsmiddelen van het land wordt ingevoerd; overwegende dat de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten en internationale sancties heeft benadrukt dat de lucht- en zeeblokkade die de coalitietroepen sedert maart 2015 aan Jemen hebben opgelegd een van de voornaamste oorzaken is van de humanitaire ramp, en dat de interne netwerken voor de distributie van voedsel verstoord zijn geraakt door geweld binnen de landsgrenzen en wijdverspreide brandstoftekorten;

H.

overwegende dat een stabiel en veilig Jemen met een goed functionerende regering van cruciaal belang is voor de internationale inspanningen ter bestrijding van extremisme en geweld in de regio en daarbuiten, alsook voor vrede en stabiliteit binnen Jemen zelf;

I.

overwegende dat de situatie in Jemen ernstige risico's inhoudt voor de stabiliteit in de regio, met name in de Hoorn van Afrika, het gebied rond de Rode Zee en het Midden-Oosten in ruimere zin; overwegende dat Al Qaida op het Arabische Schiereiland (AQAP) heeft kunnen profiteren van de verslechtering van de politieke en veiligheidssituatie in Jemen om zijn aanwezigheid op te voeren en het aantal en de omvang van zijn terroristische aanslagen te vergroten; overwegende dat AQAP en de zogenaamde Islamitische Staat ISIS/Da'esh voet aan de grond hebben gekregen in Jemen en terroristische aanslagen hebben uitgevoerd waarbij honderden mensen zijn omgekomen;

J.

overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 25 februari 2016 heeft aangedrongen op een initiatief voor het opleggen van een EU-wapenembargo tegen Saudi-Arabië, in overeenstemming met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008;

K.

overwegende dat Houthi-troepen en geallieerde strijdkrachten beide zijn beschuldigd van ernstige schendingen van het oorlogsrecht, door verboden antipersoneelsmijnen te plaatsen, gevangenen te mishandelen en lukraak raketten af te vuren op bewoonde gebieden in Jemen en het zuiden van Saudi-Arabië;

L.

overwegende dat het totaalbedrag aan humanitaire middelen van de EU voor Jemen in 2015 en 2016 120 miljoen EUR bedroeg; overwegende dat in 2017 een bedrag van 46 miljoen EUR is toegewezen voor hulp; overwegende dat verschillende landen en organisaties op de donorconferentie op hoog niveau voor de humanitaire crisis in Jemen in Genève in april 2017 weliswaar toezeggingen hebben gedaan voor een totaalbedrag van 1,1 miljard USD, maar dat de middelen die de donoren op 9 mei 2017 hadden gestort goed waren voor amper 28 % van de 2,1 miljard USD aan humanitaire hulp voor Jemen waartoe de VN had opgeroepen voor 2017; overwegende dat er in 2017 naar verwachting een bijkomende 70 miljoen EUR aan ontwikkelingshulp zal worden gemobiliseerd;

1.

is ernstig bezorgd over de alarmerende verslechtering van de humanitaire situatie in Jemen, die gekenmerkt wordt door wijdverbreide voedselonzekerheid en ernstige ondervoeding, willekeurige aanvallen op burgers, medisch personeel en hulpverleners, de vernietiging van civiele en medische infrastructuur, de aanhoudende luchtaanvallen, grondgevechten en beschietingen, ondanks herhaalde oproepen om de vijandelijkheden opnieuw te staken;

2.

betreurt ten zeerste dat het conflict levens heeft geëist en leed berokkent aan al wie bij de gevechten betrokken is geraakt, en betuigt zijn medeleven aan de families van de slachtoffers; bevestigt opnieuw dat het Jemen en de Jemenitische bevolking zal blijven steunen; dringt bij alle partijen aan op een onmiddellijk staakt-het-vuren en op een terugkeer naar de onderhandelingstafel; uit nogmaals zijn steun voor de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Jemen;

3.

is ernstig bezorgd over het feit dat de aanhoudende luchtaanvallen en grondgevechten duizenden burgerdoden hebben veroorzaakt, tot ontheemding en verlies van bestaansmiddelen hebben geleid waardoor nog meer levens worden bedreigd, Jemen verder hebben gedestabiliseerd, de fysieke infrastructuur van het land hebben verwoest, instabiliteit hebben gecreëerd waar terroristische en extremistische organisaties als ISIS/Da'esh en AQAP garen bij hebben kunnen spinnen, en de toch al kritieke humanitaire situatie nog hebben verergerd;

4.

veroordeelt alle terroristische aanslagen op burgers in de meest krachtige bewoordingen, met inbegrip van bombardementen, het gebruik van clustermunitie, aanvallen met raketten, granaten, scherpschuttersvuur en projectielen, het gemelde gebruik van antipersoneelsmijnen, alsmede aanvallen waarbij civiele infrastructuur — waaronder scholen, medische voorzieningen, woonwijken, markten, watersystemen, havens en luchthavens — wordt vernietigd;

5.

dringt er bij de regering van Jemen op aan om haar verantwoordelijkheden op te nemen in de strijd tegen ISIS/Da'esh en AQAP, die profiteren van de huidige instabiliteit; wijst erop dat alle daden van terrorisme misdadig en niet te rechtvaardigen zijn, ongeacht de beweegredenen ervoor of waar, wanneer en door wie zij worden begaan; benadrukt dat alle partijen in het conflict resoluut moeten optreden tegen dergelijke groepen, die met hun acties een ernstige bedreiging vormen voor een via onderhandelingen bereikte oplossing en voor de veiligheid in de regio en daarbuiten;

6.

herhaalt zijn oproep aan alle partijen en hun regionale en internationale medestanders om het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten te eerbiedigen, de bescherming van burgers te waarborgen en zich te onthouden van rechtstreekse aanvallen op civiele infrastructuur, met name medische voorzieningen en watersystemen; herinnert eraan dat het bewust tot doelwit maken van burgers en civiele infrastructuur, met inbegrip van ziekenhuizen en medisch personeel, een zware schending van het internationaal humanitair recht is; spoort de internationale gemeenschap aan om voorzieningen te treffen voor de internationale strafrechtelijke vervolging van al wie verantwoordelijk is voor schendingen van het internationaal recht in Jemen; steunt in dit verband de oproep van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Zeid Ra'ad Al Hussein, om een internationaal onafhankelijk orgaan in het leven te roepen dat een grondig onderzoek moet instellen naar de misdaden die in het conflict in Jemen zijn begaan; wijst erop dat het met het oog op een duurzame oplossing van het conflict van cruciaal belang is ervoor te zorgen dat voor schendingen verantwoording wordt afgelegd;

7.

herinnert eraan dat het conflict in Jemen niet met militaire middelen kan worden opgelost en dat er alleen een uitweg uit de crisis kan worden gevonden via een inclusief, door Jemenieten geleid onderhandelingsproces waarbij alle belanghebbende partijen worden betrokken, met de volledige en betekenisvolle deelname van vrouwen, en dat tot een inclusieve politieke oplossing leidt; herhaalt zijn steun voor de inspanningen van de VN-secretaris-generaal, de speciaal gezant van de VN voor Jemen en de Europese Dienst voor extern optreden om een hervatting van de onderhandelingen te faciliteren en dringt er bij alle partijen bij het conflict op aan op constructieve wijze te reageren, zonder voorafgaande voorwaarden aan deze inspanningen te verbinden; benadrukt dat de uitvoering van vertrouwenwekkende maatregelen, zoals onmiddellijke stappen in de richting van een duurzaam staakt-het-vuren, een mechanisme voor terugtrekking van troepen onder toezicht van de VN, het faciliteren van humanitaire en commerciële toegang en de vrijlating van politieke gevangenen, van essentieel belang is om weer op het spoor van een politieke oplossing te komen;

8.

dringt er bij Saudi-Arabië en Iran op aan zich in te zetten om de bilaterale betrekkingen te verbeteren en te proberen samenwerken om een einde te maken aan de gevechten in Jemen;

9.

steunt de oproep van de EU aan alle partijen in het conflict om al het nodige te doen om in situaties van gewapend conflict alle vormen van geweld, waaronder seksueel en gendergerelateerd geweld, te voorkomen en ertegen op te treden; veroordeelt de schendingen van de kinderrechten in krachtige bewoordingen en is bezorgd over de beperkte toegang van kinderen tot basisgezondheidszorg en onderwijs; veroordeelt het inlijven en inzetten van kindsoldaten bij de vijandelijkheden; dringt er bij de EU en de internationale gemeenschap op aan om de rehabilitatie en herintegratie van gedemobiliseerde kinderen in de gemeenschap te ondersteunen;

10.

verzoekt alle partijen bij het conflict zich in te spannen voor het wegwerken van alle logistieke en financiële obstakels die de invoer en de distributie van voeding en geneesmiddelen aan de noodlijdende burgerbevolking hinderen; dringt er met name bij de partijen op aan dat zij zorgen voor de volledige en doeltreffende werking van de voornaamste commerciële toegangspunten, zoals de havens van Hodeida en Aden; onderstreept het belang van deze havens als een reddingslijn voor humanitaire steun en essentiële bevoorrading; dringt aan op de heropenstelling van de luchthaven van Sanaa voor commerciële vluchten, zodat dringend noodzakelijke geneesmiddelen en goederen kunnen worden ingevlogen en Jemenieten die een medische behandeling nodig hebben per vliegtuig kunnen worden weggebracht;

11.

verzoekt de Raad op doeltreffende wijze te ijveren voor naleving van het internationaal humanitair recht, zoals bepaald in de desbetreffende EU-richtsnoeren; herhaalt met name dat alle EU-lidstaten de regels die zijn neergelegd in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad inzake wapenuitvoer strikt moeten toepassen; wijst in dit verband op zijn resolutie van 25 februari 2016;

12.

benadrukt hoe belangrijk het is plaatselijke autoriteiten te versterken in hun positie en hen in staat te stellen hun vermogen tot het leveren van diensten uit te bouwen, alsook om de Jemenitische diaspora en internationale ngo's te betrekken bij de ondersteuning van essentiële dienstensectoren; onderstreept met name dat het dringend noodzakelijk is dat de EU en andere internationale actoren de cholera-uitbraak aanpakken en het gezondheidssysteem ondersteunen om te voorkomen dat dit instort, onder meer door het faciliteren van de bevoorrading en de uitbetaling van salarissen aan eerstelijns medisch personeel, dat een essentiële rol vervult in de humanitaire hulp;

13.

is ingenomen met het feit dat de EU en haar lidstaten bereid zijn meer humanitaire bijstand aan de bevolking in het hele land te verlenen om aan de toenemende behoeften te voldoen, en hun ontwikkelingssteun in te zetten voor de financiering van projecten in cruciale sectoren; is verheugd over de toezeggingen die zijn gedaan tijdens de donorconferentie op hoog niveau voor de humanitaire crisis in Jemen en benadrukt dat er een gecoördineerd humanitair optreden nodig is onder leiding van de VN om het lijden van de Jemenitische bevolking te verlichten; dringt er bovendien bij alle landen op aan de tijdens de donorconferentie gedane toezeggingen na te komen om in de humanitaire behoeften te helpen voorzien;

14.

roept de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op om dringend een geïntegreerde EU-strategie voor Jemen voor te stellen en om een hernieuwde aanzet te geven tot een initiatief voor vrede in Jemen onder auspiciën van de VN; dringt er in dit verband op aan een speciale vertegenwoordiger van de EU voor Jemen aan te stellen;

15.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Samenwerkingsraad van de Golf, de secretaris-generaal van de Liga van Arabische Staten en de regering van Jemen.

(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0066.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0270.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/150


P8_TA(2017)0274

Het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

Resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over de financiering van politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau (2017/2733(RSP))

(2018/C 331/21)

Het Europees Parlement,

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (1),

gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat transnationale politieke partijen en stichtingen bijdragen tot de vorming van een breder Europees politiek bewustzijn en de wil van de burgers van de Unie kenbaar maken;

B.

overwegende dat de financiering van Europese politieke partijen en stichtingen politieke activiteiten die overeenstemmen met de beginselen van de Unie moet ondersteunen, transparant moet zijn en geen mogelijkheden tot misbruik mag meebrengen;

C.

overwegende dat bij artikel 6 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 een Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen is opgericht die vóór 1 september 2016 ingesteld moet zijn en tot taak heeft te beslissen of de registratie en deregistratie van Europese politieke partijen en politieke stichtingen in overeenstemming zijn met de bij die verordening vastgestelde procedures en voorwaarden;

1.

betreurt de vele tekortkomingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, vooral met betrekking tot de graad van medefinanciering (eigen middelen) en de mogelijkheid voor Europarlementsleden om lid van verschillende partijen te zijn;

2.

moedigt de Commissie aan om alle tekortkomingen grondig te onderzoeken en zo snel mogelijk een herziening van de verordening voor te stellen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1.


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europees Parlement

Woensdag 14 juni 2017

18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/151


P8_TA(2017)0257

Verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas

Besluit van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas (2016/2070(IMM))

(2018/C 331/22)

Het Europees Parlement,

gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas, dat op 31 maart 2016 door de procureur-generaal van de Republiek Litouwen werd ingediend en van de ontvangst waarvan op 13 april 2016 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

na Rolandas Paksas te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

na een gedachtewisseling met de procureur-generaal van Litouwen en de hoofdaanklager van het departement Onderzoek georganiseerde misdaad en corruptie van het Bureau van de procureur-generaal,

gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013 (1),

gezien artikel 62 van de grondwet van Litouwen,

gezien artikel 4 van de wet betreffende de status en de arbeidsvoorwaarden van de Litouwse leden van het Europees Parlement,

gezien artikel 22 van het reglement van orde van de Seimas,

gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0219/2017),

A.

overwegende dat de procureur-generaal van de Republiek Litouwen heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas, lid van het Europees Parlement, in verband met een strafrechtelijk onderzoek;

B.

overwegende dat de procureur-generaal dit verzoek heeft ingediend omdat Rolandas Paksas ervan verdacht wordt op 31 augustus 2015 ermee ingestemd te hebben smeergeld aan te nemen en in ruil daarvoor overheidsinstanties en ambtenaren te beïnvloeden bij de uitoefening van hun bevoegdheden, hetgeen krachtens het Litouwse wetboek van strafrecht een strafbaar feit is;

C.

overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van protocol nr. 7 op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat zijn verleend;

D.

overwegende dat de leden van de Seimas, overeenkomstig artikel 62 van de grondwet van de Republiek Litouwen niet strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, niet in hechtenis kunnen worden genomen en niet anderszins van hun vrijheid kunnen worden beroofd zonder toestemming van de Seimas;

E.

overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 4 van de wet betreffende de status en de arbeidsvoorwaarden van de Litouwse leden van het Europees Parlement, op het grondgebied van de Republiek Litouwen dezelfde persoonlijke immuniteit genieten als de leden van de Seimas van de Republiek Litouwen, tenzij in EU-wetgeving anders is bepaald;

F.

overwegende dat in artikel 22 van het reglement van orde van de Seimas is bepaald dat zonder de instemming van de Seimas tegen leden van de Seimas geen strafvervolging kan worden ingesteld en dat leden van de Seimas zonder de instemming van de Seimas niet kunnen worden aangehouden of onderworpen aan andere beperkingen van hun persoonlijke vrijheid, behalve in gevallen waarin zij op heterdaad worden betrapt (in flagranti), en dat de procureur-generaal de Seimas daarvan onverwijld op de hoogte moet stellen;

G.

overwegende dat volgens artikel 5, lid 2, van zijn Reglement parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, doch een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;

H.

overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;

I.

overwegende dat, indien een dergelijke gerechtelijke procedure geen betrekking heeft op de uitoefening door een lid van zijn ambt, de immuniteit dient te worden opgeheven, tenzij blijkt dat de strafvervolging is ingesteld om schade toe te brengen aan de politieke activiteiten van een lid en dus aan de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis);

J.

overwegende dat uit de uitvoerige en gedetailleerde informatie die in onderhavig geval is verstrekt, blijkt dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat met de gerechtelijke procedure tegen Rolandas Paksas wordt beoogd zijn politieke activiteiten als lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;

K.

overwegende dat het niet aan het Europees Parlement is om zich uit te spreken over de vraag of het lid al dan niet schuldig is, over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de handelingen die hem worden verweten strafrechtelijk te vervolgen, of over de merites van het nationale rechtsstelsel of het gerechtelijk apparaat;

1.

besluit de immuniteit van Rolandas Paksas op te heffen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Republiek Litouwen en aan Rolandas Paksas.

(1)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/153


P8_TA(2017)0258

Verzoek om opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski

Besluit van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski (2017/2019(IMM))

(2018/C 331/23)

Het Europees Parlement,

gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski, dat op 1 december 2016 door de minister van justitie van de Franse Republiek werd ingediend in verband met een gerechtelijk onderzoek van de officier van justitie van Bobigny op grond van publieke smaad en het aanzetten tot haat of geweld jegens een groep personen, of een lid van die groep, vanwege hun afkomst of het al dan niet behoren tot een bepaalde etnische groep, natie of godsdienst, en waarvan op 16 januari 2017 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

na Mylène Troszczynski te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013 (1),

gezien artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek, als gewijzigd bij constitutionele wet nr. 95-880 van 4 augustus 1995,

gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0218/2017),

A.

overwegende dat de officier van justitie van Bobigny heeft verzocht om de opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski, lid van het Europees Parlement en lid van de Regionale Raad van Picardië, in verband met de procedure betreffende het op 23 september 2015 plaatsen van een foto op haar Twitter-account van geheel gesluierde vrouwen die in de rij lijken te staan voor de kantoren van de CAF (Caisse d’allocation familiale — uitvoeringsorganisatie van gezinstoelagen), vergezeld van het commentaar „Rosny-Sous-Bois CAF op 9.12.14. Het dragen van de integrale sluier wordt geacht wettelijk verboden te zijn…”;

B.

overwegende dat de beledigende beeldopname in feite een fotomontage was van een in Londen genomen foto die reeds eerder door een andere houder van een Twitteraccount gebruikt was, en overwegende dat uit het onderzoek is gebleken dat niet mevrouw Troszczynski degene is geweest die het bericht online heeft gezet maar haar medewerker, die dit ook heeft toegegeven;

C.

overwegende dat de officier van justitie erop gewezen heeft dat mevrouw Troszczynski als redacteur van haar eigen Twitteraccount voor de tweet verantwoordelijk kan worden gehouden;

D.

overwegende dat mevrouw Troszczynski, zodra zij besefte dat sprake was van een gemanipuleerde foto, de foto onmiddellijk van haar Twitteraccount verwijderd heeft;

E.

overwegende dat de opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski verband houdt met het vermeende strafbare feit van publieke smaad jegens een groep personen, of een lid van die groep, vanwege hun afkomst of het al dan niet behoren tot een bepaalde etnische groep, natie of godsdienst, zoals omschreven en strafbaar is gesteld in de artikelen 23, 29, eerste alinea, 32(2) en (3), 42, 43 en 48-6 van de wet van 29 juli 1881, en met het begaan van het strafbaar feit van het aanzetten tot discriminatie, haat of raciaal geweld, met betrekking waartoe een onderzoek lopende is en de sancties zijn vastgesteld in artikel 24(8), (10), (11) en (12), artikel 23(1) en artikel 42 van de wet van 29 juli 1881 en artikel 131-26(2) en (3) van het wetboek van strafrecht;

F.

overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

G.

overwegende dat in artikel 26 van de Franse grondwet wordt bepaald dat tegen leden van het Parlement geen strafvervolging of opsporing wordt ingesteld en zij niet kunnen worden gearresteerd, gedetineerd of veroordeeld wegens een mening die zij hebben uitgedrukt of een stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun ambt en een lid van het parlement ter zake van een strafbaar feit niet kan worden gearresteerd of aan andere vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende maatregelen worden onderworpen zonder toestemming van het parlement;

H.

overwegende dat de reikwijdte van de immuniteit die aan leden van het Franse parlement wordt geboden, feitelijk overeenkomt met die van de immuniteit uit hoofde van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voor leden van het Europees Parlement; overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld dat een mening slechts door de immuniteit wordt gedekt indien zij door een Europees afgevaardigde is uitgebracht „in de uitoefening van [zijn/haar] ambt”, zodat een verband wordt vereist tussen de meningsuiting en het parlementaire ambt; overwegende dat dit verband rechtstreeks moet zijn en voor de hand liggend;

I.

overwegende dat de ten laste gelegde feiten niet in verband staan met het lidmaatschap van Mylène Troszczynski van het Europees Parlement maar van regionale aard zijn, gezien het feit dat de gemanipuleerde foto en het commentaar betrekking hadden op vermeende, met het Franse recht in strijd zijnde gebeurtenissen in Rosny-sous-Bois;

J.

overwegende dat de vermeende handelingen geen betrekking hebben op meningen die Mylène Troszczynski in de uitoefening van haar ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die zij in de uitoefening van dat ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

K.

overwegende dat er geen vermoeden bestaat van fumus persecutionis, een klaarblijkelijke poging tot belemmering van de parlementaire werkzaamheden van Mylène Troszczynski. Het gerechtelijk onderzoek is geopend na een klacht van vermeende smaad jegens een overheidsinstantie. De klacht is ingediend door de uitvoeringsorganisatie van gezinstoelagen (CAF) in Seine-Saint-Denis, vertegenwoordigd door de algemeen directeur;

1.

besluit de immuniteit van Mylène Troszczynski op te heffen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de minister van Justitie van de Franse Republiek en aan Mylène Troszczynski.

(1)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/155


P8_TA(2017)0259

Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen

Besluit van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen (2017/2020(IMM))

(2018/C 331/24)

Het Europees Parlement,

gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen, dat op 22 december 2016 werd ingediend door de heer Jean-Jacques Urvoas, minister van Justitie van Frankrijk, in verband met een verzoek van de procureur-generaal van het Hof van Beroep („Cour d'Appel”) van Parijs, waarvan op 16 januari 2017 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

na Jean-Marie Le Pen te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013 (1),

gezien artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek,

gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0217/2017),

A.

overwegende dat de procureur-generaal van het Hof van Beroep („Cour d'Appel”) van Parijs heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen, lid van het Europees Parlement, in verband met een strafrechtelijk onderzoek;

B.

overwegende dat het verzoek van de procureur-generaal verband houdt met de aantijging dat Jean-Marie Le Pen tijdens een radio-uitzending een verklaring heeft afgelegd die neerkomt op aanzetten tot discriminatie, haat of raciaal geweld, wat een strafbaar feit is volgens het Franse strafwetboek;

C.

overwegende dat volgens artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek leden van het Parlement niet kunnen worden vervolgd, aangehouden, in hechtenis genomen of berecht op grond van meningen die zij hebben geuit of een stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun mandaat en overwegende dat leden van het Parlement niet mogen worden gearresteerd of anderszins van hun vrijheid mogen worden beroofd of in hun vrijheid worden beperkt wegens het begaan van een misdrijf of een inbreuk, zonder toestemming van het Parlement;

D.

overwegende dat artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaalt dat tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en dat zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

E.

overwegende dat volgens artikel 5, lid 2, van zijn Reglement parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, doch een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;

F.

overwegende dat de bepalingen inzake parlementaire immuniteit uitgelegd moeten worden in het licht van de waarden, doelstellingen en beginselen van de Europese verdragen;

G.

overwegende dat deze absolute onschendbaarheid van een lid van het Europees Parlement niet alleen geldt voor meningen die in officiële vergaderingen van het Parlement worden geuit, maar ook voor elders, bijvoorbeeld in de media, verkondigde meningen, zolang er maar „een verband tussen de gedane uitlating en de parlementaire taken” bestaat (2);

H.

overwegende dat er geen verband is tussen de litigieuze verklaring en de parlementaire werkzaamheden van Jean-Marie Le Pen en overwegende dat Jean Marie Le Pen derhalve niet handelde in zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement;

I.

overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van Protocol nr. 7 op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat zijn verleend;

J.

overwegende dat alleen de immuniteit die onder artikel 9 valt kan worden opgeheven (3);

K.

overwegende dat deze immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;

L.

overwegende dat, indien een dergelijke gerechtelijke procedure geen betrekking heeft op de uitoefening door een lid van zijn ambt, de immuniteit dient te worden opgeheven, tenzij blijkt dat de strafvervolging is ingesteld om schade toe te brengen aan de politieke activiteiten van een lid en dus aan de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis);

M.

overwegende dat uit de informatie die in onderhavig geval is verstrekt, blijkt dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat met de gerechtelijke procedure tegen Jean-Marie Le Pen wordt beoogd zijn politieke activiteiten als lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;

1.

besluit de immuniteit van Jean-Marie Le Pen op te heffen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Franse Republiek en aan Jean-Marie Le Pen.

(1)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.

(2)  Arrest Patriciello (reeds aangehaald, r.o. 33).

(3)  Arrest Marra (reeds aangehaald, r.o. 45).


Donderdag 15 juni 2017

18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/157


P8_TA(2017)0266

Verzoek om opheffing van de immuniteit van Marine Le Pen

Besluit van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Marine Le Pen (2017/2021(IMM))

(2018/C 331/25)

Het Europees Parlement,

gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Marine Le Pen, dat op 9 december 2016 werd ingediend door Pascal Guinot, procureur-generaal bij het hof van beroep van Aix-en-Provence, en van de ontvangst waarvan op 19 januari 2017 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

na mevrouw Le Pen overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement op 29 mei en 12 juni 2017 te hebben uitgenodigd om te worden gehoord,

gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013 (1),

gezien artikel 23, eerste alinea, artikel 29, eerste alinea, artikel 30 en artikel 31, eerste alinea, van de wet van 29 juli 1881 en de artikelen 93-2 en 93-3, van de wet van 29 juli 1982,

gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0223/2017),

A.

overwegende dat de procureur-generaal bij het hof van beroep van Aix-en-Provence om opheffing van de immuniteit van een lid van het Europees Parlement, Marine Le Pen, heeft verzocht in verband met een rechtsvervolging met betrekking tot een vermoedelijk gepleegd strafbaar gesteld feit;

B.

overwegende dat krachtens artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en dat zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

C.

overwegende dat krachtens artikel 9 van Protocol nr. 7 de leden van het Europees Parlement tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

D.

overwegende dat in artikel 26, tweede alinea, van de Franse grondwet is bepaald dat geen lid van het parlement zonder toestemming van het bureau van de wetgevende kamer waarvan het deel uitmaakt, ter zake van een misdrijf of overtreding kan worden aangehouden of aan andere vrijheid benemende of vrijheid beperkende maatregelen kan worden onderworpen, en dat die toestemming niet vereist is in geval van betrapping op heterdaad of bij een veroordeling in kracht van gewijsde;

E.

overwegende dat Marine Le Pen wordt beschuldigd van openbare laster jegens een gekozen ambtsdrager, een feit dat in de Franse wetgeving strafbaar is gesteld, met name in artikel 23, eerste alinea, artikel 29, eerste alinea, artikel 30 en artikel 31, eerste alinea, van de wet van 29 juli 1881, en in de artikelen 93-2 en 93-3, van de wet van 29 juli 1982;

F.

overwegende dat Christian Estrosi op 28 juli 2015 bij de hoogste onderzoeksrechter in Nice een verzoek heeft ingediend om aan de rechtszaak tegen Marine Le Pen een civiele rechtsvordering toe te voegen wegens openbare laster jegens een gekozen ambtsdrager met een tijdelijk mandaat; overwegende dat hij beweert dat Marine Le Pen op 3 mei 2015, tijdens het programma Le Grand Rendez-vous, dat gelijktijdig op iTÉLÉ en Europe 1 werd uitgezonden, de volgende opmerkingen formuleerde, zijnde beweringen of aantijgingen jegens hem die hem in zijn eer of goede naam aantasten:

„Luister, wat ik weet is het volgende: de heer Estrosi heeft de UOIF (Unie van islamitische organisaties in Frankrijk) gefinancierd; hij is door de administratieve rechtspraak schuldig bevonden aan het toekennen van zulk een lage huur voor een UOIF-moskee dat zelfs de administratieve rechtbank hem op de vingers heeft getikt, wat eigenlijk aantoont hoe deze burgemeesters illegaal moskeeën financieren, in strijd met de wet van 1905; wanneer je betrapt wordt met je vingers in de cliëntelistische honingpot van religieuze gemeenschappen, moet je natuurlijk schokkende dingen vertellen, maar ik hecht weinig belang aan woorden en meer aan daden…”; in antwoord op een vraag van de interviewer, „Dus, Estrosi is een medeplichtige van jihadisten?”, verklaarde mevrouw Le Pen naar verluidt: „Hulp, middelen, bijstand verlenen; wanneer je islamitisch fundamentalisme helpt om voet aan de grond te krijgen, zich te verspreiden en mensen te ronselen, dan ben je moreel gezien enigszins medeplichtig”;

G.

overwegende dat Marine Le Pen overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement tweemaal is uitgenodigd voor een hoorzitting; overwegende dat zij evenwel niet van de gelegenheid gebruikgemaakt heeft om haar opmerkingen kenbaar te maken aan de bevoegde commissie;

H.

overwegende dat het omstreden optreden niet rechtstreeks of duidelijk verband houdt met de uitoefening van Marine Le Pens ambt als lid van het Europees Parlement, en dat haar uitlatingen evenmin meningen of stemmen zijn die zij in de uitoefening van haar ambt als lid van het Europees Parlement heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

I.

overwegende dat de beschuldigingen, gezien artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, kennelijk geen verband houden met de functie van Marine Le Pen als lid van het Europees Parlement maar verband houden met activiteiten van louter nationale of regionale aard, en dat artikel 8 bijgevolg niet van toepassing is;

J.

overwegende dat alleen de immuniteit uit hoofde van artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voor opheffing in aanmerking komt;

K.

overwegende dat er gezien artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, geen reden is om aan te nemen dat het verzoek om opheffing van de immuniteit is ingediend om de parlementaire werkzaamheden van Marine Le Pen te belemmeren of met de bedoeling om haar politiek te schaden (fumus persecutionis);

1.

besluit de immuniteit van Marine Le Pen op te heffen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Franse Republiek en aan Marine Le Pen.

(1)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES PARLEMENT

Dinsdag 13 juni 2017

18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/159


P8_TA(2017)0249

Participatie van de Unie in het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de deelname van de Unie aan een door verscheidene lidstaten gezamenlijk opgezet partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) (COM(2016)0662 — C8-0421/2016 — 2016/0325(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 331/26)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0662),

gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 185 en 188 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0421/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 januari 2017 (1),

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 26 april 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0112/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 125 van 21.4.2017, blz. 80.


P8_TC1-COD(2016)0325

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de deelname van de Unie aan een door verscheidene lidstaten gezamenlijk opgezet partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2017/1324.)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie inzake financiële garanties voor de Prima-uitvoeringsstructuur

1.   

Wat betreft het Prima-initiatief, is in artikel 58, lid 1, onder c), vi), van het Financieel Reglement van de EU bepaald dat de Commissie de uitvoering van de begroting van de Unie aan een privaatrechtelijk orgaan met een openbare dienstverleningstaak (uitvoeringsstructuur) mag toevertrouwen. Dat orgaan moet voldoende financiële garanties bieden.

2.   

Met het oog op een goed financieel beheer van de EU-middelen moeten deze garanties alle schulden van de uitvoeringsstructuur ten aanzien van de Unie in verband met de uitvoeringstaken zoals bepaald in de delegatieovereenkomst dekken, zonder enige beperking van de omvang en de bedragen. Normaal gezien verwacht de Commissie dat de garantiegevers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de uitvoeringsstructuur.

3.   

Op basis van een gedetailleerde risicobeoordeling, met name als de resultaten van de voorafgaande pijlerbeoordeling voor de uitvoeringsstructuur overeenkomstig artikel 61 van het Financieel Reglement voldoende worden geacht, zal de voor het Prima-initiatief verantwoordelijke ordonnateur van de Commissie echter voorzien in het volgende:

rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel kunnen de van de uitvoeringsstructuur verlangde financiële garanties worden beperkt tot het maximumbedrag van de bijdrage van de Unie;

dienovereenkomstig kan de aansprakelijkheid van elke garantiegever evenredig zijn met zijn bijdrage aan het Prima-initiatief.

De garantiegevers mogen in hun respectieve verklaringen betreffende de aansprakelijkheid bepalen hoe zij deze aansprakelijkheid zullen dekken.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/162


P8_TA(2017)0250

Specifieke maatregelen voor het bieden van aanvullende steun aan lidstaten die zijn getroffen door natuurrampen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft specifieke maatregelen voor het verlenen van aanvullende steun aan lidstaten die zijn getroffen door natuurrampen (COM(2016)0778 — C8-0489/2016 — 2016/0384(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 331/27)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0778),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 177 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0489/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2017 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 24 mei 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0070/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 173 van 31.5.2017, blz. 38.


P8_TC1-COD(2016)0384

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft specifieke maatregelen voor het bieden van aanvullende steun aan lidstaten die zijn getroffen door natuurrampen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1199.)


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/163


P8_TA(2017)0251

Energie-efficiëntie-etikettering ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor energie-efficiëntie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (COM(2015)0341 — C8-0189/2015 — 2015/0149(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 331/28)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0341),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0189/2015),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 januari 2016 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 5 april 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0213/2016),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (2);

2.

hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

4.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)  PB C 82 van 3.3.2016, blz. 6.

(2)  Dit standpunt vervangt de amendementen aangenomen op 6 juli 2016 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0304).


P8_TC1-COD(2015)0149

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1369)


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de artikelen 290 en 291 VWEU

Herinnerend aan het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven, en met name punt 26, verklaren het Europees Parlement, de Raad en de Commissie dat de bepalingen van deze verordening geen afbreuk doen aan enig toekomstig standpunt van de instellingen betreffende de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU in andere wetgevingsdossiers.

Verklaring van de Commissie over financiële compensatie voor consumenten

Gelet op de lopende inspanningen om de handhaving van de harmonisatiewetgeving van de Unie voor producten te versterken, dient de Commissie gezien het financiële nadeel dat consumenten kunnen lijden als gevolg van verkeerde etikettering of mindere energie- en milieuprestaties dan aangegeven, te onderzoeken of kan worden voorzien in compensatie voor de consument in geval van overtreding van de etiketteringsregels inzake energieklasse.


18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/165


P8_TA(2017)0252

Culturele hoofdsteden van Europa voor de periode 2020 tot 2033 ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 445/2014/EU tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement „Culturele hoofdsteden van Europa” voor de periode 2020 tot 2033 (COM(2016)0400 — C8-0223/2016 — 2016/0186(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 331/29)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0400),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 167, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0223/2016),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 24 mei 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0061/2017),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

P8_TC1-COD(2016)0186

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 445/2014/EU tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement „Culturele hoofdsteden van Europa” voor de periode 2020 tot 2033

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2017/1545.)


Woensdag 14 juni 2017

18.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 331/166


P8_TA(2017)0256

Bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen ***I

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 juni 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering (COM(2016)0482 — C8-0331/2016 — 2016/0231(COD)) (1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 331/30)

Amendement 1

Voorstel voor een verordening

Titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voorstel voor een

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering

betreffende klimaatmaatregelen om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering („Verordening klimaatmaatregelen tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs”)

Amendement 2

Voorstel voor een verordening

Visum 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Gezien Protocol nr. 1 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

Amendement 3

Voorstel voor een verordening

Visum 1 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Gezien Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

Amendement 4

Voorstel voor een verordening

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)

Op 10 juni 2016 heeft de Commissie het voorstel gepresenteerd voor bekrachtiging van de Overeenkomst van Parijs door de EU. Dit wetgevingsvoorstel is onderdeel van de tenuitvoerlegging van de verbintenis van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs. De verbintenis van de Unie om de emissies voor de gehele economie te verminderen is in de op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het UNFCCC ingediende voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage van de Unie en haar lidstaten bevestigd.

(3)

De Raad heeft de Overeenkomst van Parijs op 5 oktober 2016 bekrachtigd, nadat het Europees Parlement hiermee op 4 oktober 2016 had ingestemd. De Overeenkomst van Parijs is op 4 november 2016 in werking getreden en heeft krachtens artikel 2 tot doel „in de context van duurzame ontwikkeling en inspanningen om armoede uit te bannen, de wereldwijde reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door: a) de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde ruim onder 2 oC te houden ten opzichte van het pre-industriële niveau en ernaar te blijven streven de stijging te beperken tot 1,5  oC ten opzichte van het pre-industriële niveau, daarbij erkennende dat dit de risico's en de gevolgen van klimaatverandering aanzienlijk beperkt; b) het vermogen te vergroten om zich aan de negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te passen en klimaatbestendigheid en emissie-arme ontwikkeling te bevorderen op een wijze die de voedselproductie niet in gevaar brengt; c) geldstromen te doen sporen met een traject naar geringe broeikasgasemissies en klimaatbestendige ontwikkeling.

De Overeenkomst van Parijs vereist ook dat de partijen maatregelen nemen om, indien van toepassing, putten en reservoirs van broeikasgassen, waaronder bossen, in stand te houden en uit te breiden.

Dit wetgevingsvoorstel is onderdeel van de tenuitvoerlegging van de verbintenis van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs. De verbintenis van de Unie om de emissies voor de gehele economie te verminderen is in de op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het UNFCCC ingediende voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage van de Unie en haar lidstaten bevestigd.

Amendement 5

Voorstel voor een verordening

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)

De Overeenkomst van Parijs vervangt de aanpak die in het kader van het Protocol van Kyoto van 1997 is aangenomen en die na 2020 niet zal worden gehandhaafd.

(4)

De Overeenkomst van Parijs vervangt de aanpak die in het kader van het Protocol van Kyoto van 1997 is aangenomen en die na 2020 niet zal worden gehandhaafd. De groene investeringsregelingen in verband met het Protocol van Kyoto, waarbij financiële steun wordt verleend voor projecten voor emissieverlaging in minder welvarende lidstaten, zullen daarom ook worden beëindigd.

Amendement 6

Voorstel voor een verordening

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)

De Raad Milieu sprak op zijn vergadering van 21 oktober 2009 steun uit voor de doelstelling van de Unie om, in het kader van de volgens het Intergouvernementele Panel inzake klimaatverandering (IPPC) noodzakelijk geachte reducties voor de ontwikkelde landen als geheel, de emissies uiterlijk in 2050 met 80 tot 95 % te verminderen in vergelijking met de niveaus van 1990.

Amendement 7

Voorstel voor een verordening

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)

Voor de overschakeling naar schone energie zijn veranderingen in het investeringsgedrag en stimuleringsmaatregelen op alle beleidsgebieden noodzakelijk. Het is een essentiële prioriteit van de Unie om een veerkrachtige energie-unie tot stand te brengen om haar burgers betrouwbare, duurzame , concurrerende en betaalbare energie te leveren. Om dat te bereiken, is voortzetting van een ambitieus klimaatbeleid met deze verordening en vooruitgang betreffende andere aspecten van de energie-unie noodzakelijk, zoals in de kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering (16) is uiteengezet.

(5)

Voor de overschakeling naar schone energie en de bio-economie zijn veranderingen in het investeringsgedrag op alle beleidsgebieden noodzakelijk , alsook stimulansen voor minder kapitaalkrachtige kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en kleine landbouwbedrijven zodat deze hun bedrijfsmodellen kunnen aanpassen . Het is een essentiële prioriteit van de Unie om een veerkrachtige energie-unie tot stand te brengen waarin energie-efficiëntie op de eerste plaats komt en die ernaar streeft haar burgers betrouwbare, duurzame en betaalbare energie te leveren en een streng duurzaamheids- en emissiereductiebeleid te voeren met als doel fossiele hulpbronnen te vervangen door biogrondstoffen . Om dat te bereiken, is voortzetting van een ambitieus klimaatbeleid met deze verordening en vooruitgang betreffende andere aspecten van de energie-unie noodzakelijk, zoals in de kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering (16) is uiteengezet.

Amendement 8

Voorstel voor een verordening

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)

De aanpak van de jaarlijkse bindende nationale doelstellingen die in Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad (19) wordt gehanteerd, moet van 2021 tot en met 2030 worden gehandhaafd, waarbij de trajectberekening begint in 2020 op basis van de gemiddelde broeikasgasemissies tijdens de periode 2016 tot en met 2018, en het eind van het traject voor elke lidstaat de doelstelling voor 2030 is. Voor de lidstaten met een positieve doelstelling volgens Beschikking 406/2009/EG en toenemende jaarlijkse emissieruimten tussen 2017 en 2020 volgens Besluit 2013/162/EU en Besluit 2013/634/EU is voorzien in een aanpassing van de ruimte in 2021, zodat de capaciteit voor toenemende broeikasgasemissies tijdens die jaren wordt weerspiegeld. De Europese Raad concludeerde dat de beschikbaarheid en het gebruik van de bestaande flexibiliteitsinstrumenten binnen de niet-ETS-sectoren aanzienlijk moeten worden verhoogd om ervoor te zorgen dat de collectieve inspanning van de EU kosteneffectief is en dat de emissies per hoofd van de bevolking uiterlijk tegen 2030 convergeren.

(9)

De aanpak van de jaarlijkse bindende nationale doelstellingen die in Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad (19) wordt gehanteerd, moet van 2021 tot en met 2030 worden gehandhaafd, waarbij de trajectberekening begint in 2018 op basis van de gemiddelde broeikasgasemissies tijdens de periode 2016 tot en met 2018 of, als deze waarde lager ligt, op basis van de waarde van de jaarlijkse emissieruimte voor 2020 , en het eind van het traject voor elke lidstaat de doelstelling voor 2030 is. Om vroegtijdig optreden te belonen en lidstaten met minder investeringscapaciteit te ondersteunen, kunnen lidstaten met een bbp per hoofd van de bevolking onder het Uniegemiddelde die tijdens de periode 2013 tot en met 2020 een lagere uitstoot hebben dan hun bij Beschikking nr. 406/2009/EG vastgestelde jaarlijkse emissieruimten voor de periode 2013 tot en met 2020, onder bepaalde voorwaarden om aanvullende ruimten uit een reserve verzoeken. Voor de lidstaten met een positieve doelstelling volgens Beschikking nr. 406/2009/EG en toenemende jaarlijkse emissieruimten tussen 2017 en 2020 volgens Besluit 2013/162/EU en Besluit 2013/634/EU is voorzien in een aanvullende aanpassing van de ruimte in 2021, zodat de capaciteit voor toenemende broeikasgasemissies tijdens die jaren wordt weerspiegeld. De Europese Raad concludeerde dat de beschikbaarheid en het gebruik van de bestaande flexibiliteitsinstrumenten binnen de niet-ETS-sectoren aanzienlijk moeten worden verhoogd om ervoor te zorgen dat de collectieve inspanning van de EU kosteneffectief is en dat de emissies per hoofd van de bevolking uiterlijk tegen 2030 convergeren.

Amendement 9

Voorstel voor een verordening

Overweging 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis)

Om de Unie op weg te zetten naar een koolstofarme economie voorziet deze verordening in een emissiereductietraject voor de lange termijn om de onder deze verordening vallende broeikasgasemissies vanaf 2031 te verminderen. De verordening draagt ook bij aan het doel van de Overeenkomst van Parijs om in de tweede helft van deze eeuw een balans tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen te bereiken.

Amendement 10

Voorstel voor een verordening

Overweging 10 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 bis)

Om te waarborgen dat de bij Besluit (EU) 2015/1814  (1 bis) van het Europees Parlement en de Raad ingestelde marktstabiliteitsreserve volledig doeltreffend blijft, mag bij de vaststelling van het totale aantal in een bepaald jaar in omloop zijnde emissierechten overeenkomstig Besluit (EU) 2015/1814 de annulering van emissierechten als gevolg van het gebruik van de in deze verordening bepaalde flexibiliteit ingevolge de vermindering van EU-ETS-emissierechten niet worden meegerekend als emissierechten die overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG zijn geannuleerd.

Amendement 11

Voorstel voor een verordening

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)

Een reeks maatregelen van de Unie helpt de lidstaten hun klimaatverbintenissen na te komen en is van essentieel belang om de noodzakelijke emissiereducties te verwezenlijken in de sectoren die onder deze verordening vallen. Deze omvatten de wetgeving inzake gefluoreerde broeikasgassen, de reductie van CO2-emissies van wegvoertuigen, de energieprestatie van gebouwen, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en de circulaire economie, alsook de financieringsinstrumenten van de Unie voor klimaatgerelateerde investeringen.

(11)

Een reeks maatregelen van de Unie helpt de lidstaten hun klimaatverbintenissen na te komen en is van essentieel belang om de noodzakelijke emissiereducties te verwezenlijken in de sectoren die onder deze verordening vallen. Deze omvatten de wetgeving inzake gefluoreerde broeikasgassen, de reductie van CO2-emissies van wegvoertuigen, de verbetering van de energieprestaties van gebouwen, de toename van hernieuwbare energie, de vergroting van de energie-efficiëntie en de bevordering van de circulaire economie, alsook de financieringsinstrumenten van de Unie voor klimaatgerelateerde investeringen.

Amendement 12

Voorstel voor een verordening

Overweging 11 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(11 bis)

Om deze emissiereducties te realiseren en de rol van de landbouwsector zo groot mogelijk te maken, is het belangrijk dat de lidstaten innoverende mitigatiemaatregelen met het grootste potentieel bevorderen, waaronder: de conversie van bouwland in blijvend grasland; het beheer van heggen, bufferstroken en bomen op landbouwgrond; nieuwe regelingen inzake agrobosbouw en bosaanplanting; de preventie van het verwijderen van bomen en van ontbossing; weinig of geen grondbewerking en gebruik van bodembedekking/tussenteelt en gewasresten op het land; koolstofaudits en beheersplannen voor bodems/nutriënten; meer stikstofefficiëntie en remming van de nitrificatie; herstel en bescherming van wetland/veengrond; en verbeterde methoden voor het fokken, voederen en beheer van vee met het oog op lagere emissies.

Amendement 13

Voorstel voor een verordening

Overweging 11 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(11 ter)

Deze verordening, met inbegrip van de beschikbare flexibiliteit, zorgt voor een stimulans voor emissiereducties die aansluit bij andere rechtshandelingen van de Unie op het gebied van klimaat en energie voor sectoren die onder deze verordening vallen, waaronder op het gebied van energie-efficiëntie. Aangezien meer dan 75 % van de broeikasgasemissies energiegerelateerd is, zullen een efficiënter energiegebruik en energiebesparingen een belangrijke rol spelen bij het verwezenlijken van dergelijke emissiereducties. Een ambitieus energie-efficiëntiebeleid is daarom van groot belang, niet alleen om te besparen op de invoer van fossiele brandstoffen, wat zorgt voor energiezekerheid en lagere energierekeningen voor de consument, maar ook om meer gebruik te maken van energiebesparende technologieën in gebouwen, de industrie en het vervoer, om het economische concurrentievermogen te versterken, om lokale banen te creëren, om de volksgezondheid te verbeteren en om energiearmoede tegen te gaan. Maatregelen in onder deze verordening vallende sectoren betalen zich in de loop van de tijd terug en zijn een kosteneffectieve manier om de lidstaten te helpen hun doelstellingen krachtens deze verordening te halen. Wanneer de lidstaten deze verordening in nationaal beleid omzetten, is het belangrijk dat zij bijzondere aandacht besteden aan de specifieke en verschillende mogelijkheden om in alle sectoren voor meer energie-efficiëntie en investeringen te zorgen.

Amendement 14

Voorstel voor een verordening

Overweging 11 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(11 quater)

De vervoerssector is niet alleen verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de uitstoot van broeikasgassen, maar is sinds 1990 ook de snelst groeiende sector op het gebied van energieconsumptie. Daarom is het belangrijk dat de Commissie en de lidstaten meer inspanningen leveren om de energie-efficiëntie te verbeteren, een verschuiving naar duurzame vervoerswijzen te bevorderen en de hoge koolstofafhankelijkheid van de sector te verlagen. De bevordering van emissiearme energie in de vervoerssector, bijvoorbeeld door middel van duurzame biobrandstoffen en elektrische voertuigen, zal de energiemix koolstofarm helpen maken en zal bijdragen tot de CO2-emissiereductiedoelstelling, in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Dat kan worden vereenvoudigd door te waarborgen dat de sector over een duidelijk langetermijnkader beschikt dat zekerheid biedt en waarop investeringen kunnen worden gebaseerd.

Amendement 15

Voorstel voor een verordening

Overweging 11 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(11 quinquies)

De impact van energiebeleid en sectorale beleidslijnen op zowel de klimaatverbintenissen van de Unie als nationale klimaatverbintenissen moet worden beoordeeld aan de hand van gemeenschappelijke kwantitatieve methoden, zodat de beleidsimpact transparant en verifieerbaar is.

Amendement 57

Voorstel voor een verordening

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)

Verordening [] [inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030] stelt de boekhoudregels vast met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen die verband houden met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF). Waar het milieuresultaat uit hoofde van deze verordening met betrekking tot de niveaus van de gerealiseerde broeikasgasemissiereductie wordt beïnvloed door het meerekenen van een hoeveelheid die maximaal de som bedraagt van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissie van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland als gedefinieerd in Verordening [], moet er flexibiliteit worden ingebouwd voor een maximale hoeveelheid van 280 miljoen ton CO2-equivalent van deze verwijderingen die overeenkomstig de cijfers in bijlage III tussen de lidstaten zijn verdeeld, als eventuele extra mogelijkheid voor de lidstaten om aan hun verbintenissen te voldoen. Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van artikel 7 teneinde de bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond in het kader van de in dat artikel genoemde flexibiliteit te weerspiegelen. Alvorens een dergelijke gedelegeerde handeling vast te stellen moet de Commissie evalueren hoe solide de boekhouding voor beheerde bosgrond is op basis van de beschikbare gegevens en met name in hoeverre de verwachte en de werkelijke kapcijfers met elkaar overeenstemmen. Daarbij moet in het kader van deze verordening de mogelijkheid worden geboden om vrijwillig jaarlijkse emissieruimte-eenheden te verwijderen zodat met dergelijke hoeveelheden kunnen worden meegerekend bij de beoordeling van de naleving van de verplichtingen uit hoofde van Verordening [] door de lidstaten.

(12)

Verordening [] [inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030] stelt de boekhoudregels vast met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen die verband houden met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF). Waar het milieuresultaat uit hoofde van deze verordening met betrekking tot de niveaus van de gerealiseerde broeikasgasemissiereductie wordt beïnvloed door het meerekenen van een hoeveelheid die maximaal de som bedraagt van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissie van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland, beheerd grasland en , in voorkomend geval, beheerde wetlands als gedefinieerd in Verordening [], moet er flexibiliteit worden ingebouwd voor een maximale hoeveelheid van 280 miljoen ton CO2-equivalent van deze verwijderingen die overeenkomstig de cijfers in bijlage III tussen de lidstaten zijn verdeeld, als eventuele extra mogelijkheid voor de lidstaten om aan hun verbintenissen te voldoen. Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van artikel 7 teneinde een evenwichtige bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond in het kader van de in dat artikel genoemde flexibiliteit van 280 miljoen ton te weerspiegelen. Alvorens een dergelijke gedelegeerde handeling vast te stellen moet de Commissie evalueren hoe solide de boekhouding voor beheerde bosgrond is op basis van de beschikbare gegevens en met name in hoeverre de verwachte en de werkelijke kapcijfers met elkaar overeenstemmen. Daarbij moet in het kader van deze verordening de mogelijkheid worden geboden om vrijwillig jaarlijkse emissieruimte-eenheden te verwijderen zodat met dergelijke hoeveelheden kunnen worden meegerekend bij de beoordeling van de naleving van de verplichtingen uit hoofde van Verordening [] door de lidstaten.

Amendement 17

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 bis)

Om op een wederzijds coherente manier de verschillende Uniedoelstellingen in verband met de landbouw te behalen, waaronder beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, de luchtkwaliteit, het behoud van de biodiversiteit en ecosysteemdiensten en steun voor plattelandseconomieën, zijn andere investeringen en stimulansen nodig, ondersteund door Uniemaatregelen zoals het GLB. Het is van essentieel belang dat deze verordening acht slaat op de doelstelling van de bosbouwstrategie van de Unie om een concurrerende en duurzame toevoer van hout voor de bio-economie van de Unie te bevorderen, alsook aan die van het nationale bosbouwbeleid van de lidstaten, de biodiversiteitsstrategie van de Unie en de strategie van de Unie inzake de circulaire economie.

Amendement 18

Voorstel voor een verordening

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)

Om te zorgen voor efficiënte, transparante en kosteneffectieve rapportage en verificatie van broeikasgasemissies en van andere informatie die noodzakelijk is om de voortgang van de lidstaten met betrekking tot de jaarlijkse emissieruimten te beoordelen, worden de voorschriften voor de jaarlijkse rapportage en evaluatie van deze verordening geïntegreerd in de desbetreffende artikelen van Verordening (EU) nr. 525/2013 die derhalve dienovereenkomstig moet worden gewijzigd. De wijziging van deze verordening moet er tevens voor zorgen dat de jaarlijkse evaluatie van de voortgang van de lidstaten op het gebied van emissiereductie wordt gehandhaafd, rekening houdend met de vorderingen bij de beleidsinitiatieven en maatregelen van de Unie en met informatie die door de lidstaten wordt verstrekt. Om de twee jaar moet de evaluatie betrekking hebben op de verwachte vooruitgang van de Unie bij het nakomen van haar reductieverbintenissen en van de lidstaten bij het voldoen aan hun verplichtingen. De toepassing van de aftrekkingen moet echter slechts om de vijf jaar in acht worden genomen zodat met de mogelijke bijdrage van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland uit hoofde van Verordening [] rekening kan worden gehouden . Dit laat de taak van de Commissie om te verzekeren dat de lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening nakomen, of de bevoegdheid van de Commissie om daartoe een inbreukprocedure in te leiden, onverlet.

(13)

Om te zorgen voor efficiënte, transparante en kosteneffectieve rapportage en verificatie van broeikasgasemissies en van andere informatie die noodzakelijk is om de voortgang van de lidstaten met betrekking tot de jaarlijkse emissieruimten te beoordelen, worden de voorschriften voor de jaarlijkse rapportage en evaluatie van deze verordening geïntegreerd in de desbetreffende artikelen van Verordening (EU) nr. 525/2013 die derhalve dienovereenkomstig moet worden gewijzigd. De wijziging van die verordening moet er tevens voor zorgen dat de jaarlijkse evaluatie van de voortgang van de lidstaten op het gebied van emissiereductie wordt gehandhaafd, rekening houdend met de vorderingen bij de beleidsinitiatieven en maatregelen van de Unie en met informatie die door de lidstaten wordt verstrekt. Om de twee jaar moet de evaluatie betrekking hebben op de verwachte vooruitgang van de Unie bij het nakomen van haar reductieverbintenissen en van de lidstaten bij het voldoen aan hun verplichtingen. Om de twee jaar moet een volledige nalevingscontrole worden uitgevoerd. De toepassing van de mogelijke bijdrage van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland uit hoofde van Verordening [] moet in acht worden genomen overeenkomstig de in die verordening vastgestelde tussenpozen . Dit laat de taak van de Commissie om te verzekeren dat de lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening nakomen, of de bevoegdheid van de Commissie om daartoe een inbreukprocedure in te leiden, onverlet.

Amendement 19

Voorstel voor een verordening

Overweging 13 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(13 bis)

Aangezien meer dan de helft van de broeikasgasemissies van de Unie wordt veroorzaakt door de sectoren die onder deze verordening vallen, is het emissiereductiebeleid van deze sectoren van groot belang om aan de verbintenissen van de Unie uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te kunnen voldoen. De in deze verordening neergelegde procedures voor monitoring, rapportering en follow-up moeten dan ook volledig transparant zijn. De lidstaten en de Commissie moeten alle informatie met betrekking tot de naleving van deze verordening openbaar maken en ervoor zorgen dat de belanghebbenden en de bevolking naar behoren worden betrokken bij de herziening van deze verordening. Voorts wordt de Commissie verzocht een doeltreffend en transparant systeem te ontwikkelen om toezicht te houden op het resultaat van de ingevoerde flexibiliteit.

Amendement 20

Voorstel voor een verordening

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)

Om de algemene kosteneffectiviteit van de totale vermindering te verhogen, moeten de lidstaten een deel van hun jaarlijkse emissieruimte aan andere lidstaten kunnen overdragen. De transparantie van dergelijke overdrachten moet worden verzekerd en zij moeten kunnen worden uitgevoerd op een voor beide partijen aanvaardbare wijze, onder meer door middel van een veiling, de inschakeling van tussenpersonen die als agent optreden of op basis van een bilaterale overeenkomst.

(14)

Om de algemene kosteneffectiviteit van de totale vermindering te verhogen, moeten de lidstaten een deel van hun jaarlijkse emissieruimte in reserve kunnen houden of kunnen lenen. De lidstaten moeten een deel van hun jaarlijkse emissieruimte ook aan andere lidstaten kunnen overdragen. De transparantie van dergelijke overdrachten moet worden verzekerd en zij moeten kunnen worden uitgevoerd op een voor beide partijen aanvaardbare wijze, onder meer door middel van een veiling, de inschakeling van tussenpersonen die als agent optreden of op basis van een bilaterale overeenkomst.

Amendement 21

Voorstel voor een verordening

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)

Het Europees Milieuagentschap heeft ten doel duurzame ontwikkeling te ondersteunen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van het Europese milieu te helpen verwezenlijken door tijdige, gerichte, relevante en betrouwbare informatie te verstrekken aan beleidsmakers, openbare instellingen en het publiek. Het Europees Milieuagentschap moet, overeenkomstig zijn jaarlijkse werkprogramma, de Commissie bijstaan.

(15)

Het Europees Milieuagentschap heeft ten doel duurzame ontwikkeling te ondersteunen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van het Europese milieu te helpen verwezenlijken door tijdige, gerichte, relevante en betrouwbare informatie te verstrekken aan beleidsmakers, openbare instellingen en het publiek. Het Europees Milieuagentschap moet, overeenkomstig zijn jaarlijkse werkprogramma, de Commissie bijstaan en direct en op doeltreffende wijze bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering .

Amendement 22

Voorstel voor een verordening

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van artikel 4, dat bepaalt dat jaarlijkse emissiegrenswaarden voor de lidstaten moeten worden vastgesteld, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad  (21).

(17)

Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door de jaarlijkse emissieruimten voor de lidstaten vast te stellen .

Amendement 23

Voorstel voor een verordening

Overweging 19 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 bis)

Naast de inspanningen die de Unie levert om haar eigen emissies terug te dringen, is het belangrijk dat zij, overeenkomstig de doelstelling om in toenemende mate bij te dragen tot de verkleining van de mondiale koolstofafdruk, samen met derde landen zoekt naar klimaatoplossingen, door met de desbetreffende landen projecten uit te voeren in het kader van het klimaatbeleid voor 2030, daarbij in aanmerking nemend dat in de Overeenkomst van Parijs wordt verwezen naar een nieuw mechanisme voor internationale samenwerking, dat gericht is op de bestrijding van de klimaatverandering.

Amendement 24

Voorstel voor een verordening

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)

Deze verordening moet vanaf 2024 en vervolgens om de vijf jaar worden geëvalueerd om de algemene werking ervan te beoordelen. Bij een dergelijke evaluatie moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de nationale omstandigheden en de resultaten van de algemene inventarisatie van de Overeenkomst van Parijs.

(20)

Deze verordening moet vanaf 2024 en vervolgens om de vijf jaar worden geëvalueerd om de algemene werking ervan te beoordelen. Bij een dergelijke evaluatie moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de nationale omstandigheden en de resultaten van de algemene inventarisatie van de Overeenkomst van Parijs.

Om aan de Overeenkomst van Parijs te voldoen, dient de Unie haar inspanningen op te voeren en om de vijf jaar een bijdrage te leveren die haar grootst mogelijke ambitie weerspiegelt.

Bij de evaluatie moet daarom rekening worden gehouden met de doelstelling van de Unie om de uitstoot van broeikasgassen van de hele economie tegen 2050 met 80 tot 95 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990, en met het doel van de Overeenkomst van Parijs om in de tweede helft van deze eeuw een evenwicht te bereiken tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen. De evaluatie moet gebaseerd zijn op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens en berusten op een voorbereidend verslag van het Europees Milieuagentschap.

Bij de evaluatie van de emissiereducties van de lidstaten voor de periode vanaf 2031 moet rekening worden gehouden met de beginselen van billijkheid en kosteneffectiviteit.

Amendement 25

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Deze verordening stelt verplichtingen vast voor de minimumbijdragen van de lidstaten om aan de verbintenis van de Unie op het gebied van het verminderen van broeikasgassen voor de periode 2021-2030 te voldoen, en stelt regels vast voor de bepaling van de jaarlijks toe te wijzen emissieruimten en voor de evaluatie van de vorderingen van de lidstaten bij het leveren van hun minimumbijdrage.

Deze verordening stelt verplichtingen vast voor de minimumbijdragen van de lidstaten om aan de verbintenis van de Unie op het gebied van het verminderen van broeikasgassen voor de periode 2021-2030 te voldoen, en stelt regels vast voor de bepaling van de jaarlijks toe te wijzen emissieruimten en voor de evaluatie van de vorderingen van de lidstaten bij het leveren van hun minimumbijdrage. Op grond van de verordening moeten de lidstaten de in artikel 2 bedoelde broeikasgasemissies verminderen om het streefcijfer van de Unie te bereiken om de emissies tegen 2030 op billijke en kosteneffectieve wijze met ten minste 30 % te verminderen ten opzichte van 2005.

Amendement 26

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 — alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De algemene doelstelling van deze verordening bestaat erin de Unie op weg te zetten naar een koolstofarme economie door het uitstippelen van een voorspelbare langetermijnkoers om de broeikasgasemissies van de Unie tegen 2050 met 80 tot 95 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990.

Amendement 27

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   Voor de toepassing van deze verordening worden CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie „1.A.3.A burgerluchtvaart” behoren als gelijk aan nul beschouwd.

3.   Voor de toepassing van deze verordening worden CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie „1.A.3.A burgerluchtvaart” behoren en onder Richtlijn 2003/87/EG vallen als gelijk aan nul beschouwd.

Amendement 28

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 — lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.     Deze verordening is van toepassing op CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie „1.A.3.D scheepvaart” behoren en niet onder Richtlijn 2003/87/EG vallen.

Amendement 29

Voorstel voor een verordening

Artikel 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 4

Artikel 4

Jaarlijkse emissieniveaus voor de periode 2021-2030

Jaarlijkse emissieniveaus voor de periode 2021-2030

1.   Iedere lidstaat beperkt in 2030 zijn krachtens lid 3 vastgestelde broeikasgasemissies met ten minste het percentage dat voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is bepaald ten opzichte van de emissies van die lidstaat in 2005.

1.   Iedere lidstaat beperkt uiterlijk in 2030 zijn krachtens lid 3 vastgestelde broeikasgasemissies met ten minste het percentage dat voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is bepaald ten opzichte van de emissies van die lidstaat in 2005.

2.   Met inachtneming van de in de artikelen 5, 6 en 7 genoemde vormen van flexibiliteit, de aanpassing overeenkomstig artikel 10, lid 2, en rekening houdend met de aftrekkingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 van Beschikking nr. 406/2009/EG, zorgt elke lidstaat ervoor dat de emissies in die lidstaat tussen 2021 en 2029 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend in 2020 met zijn gemiddelde broeikasgasemissie gedurende 2016, 2017 en 2018, zoals bepaald op grond van lid 3, en eindigend in 2030 op de doelstelling die voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is vastgelegd.

2.   Met inachtneming van de in de artikelen 5, 6 en 7 genoemde vormen van flexibiliteit, de aanpassing overeenkomstig artikel 10, lid 2, en rekening houdend met de aftrekkingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 van Beschikking nr. 406/2009/EG, zorgt elke lidstaat ervoor dat de emissies in die lidstaat tussen 2021 en 2029 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend in 2018, ofwel met zijn gemiddelde broeikasgasemissie gedurende 2016, 2017 en 2018, zoals bepaald op grond van lid 3 , ofwel met de jaarlijkse emissieruimte voor 2020 zoals bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 10 van Beschikking nr. 406/2009/EG, indien deze lager is , en eindigend in 2030 op de doelstelling die voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is vastgelegd.

3.   De Commissie stelt in een uitvoeringshandeling de jaarlijkse emissieruimten vast voor de jaren 2021 tot en met 2030, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, zoals gespecificeerd in de leden 1 en 2. Voor de toepassing van deze uitvoeringshandeling verricht de Commissie een uitgebreide beoordeling van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingediende recentste nationale inventarisgegevens betreffende het jaar 2005 en de jaren 2016 tot en met 2018.

3.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de jaarlijkse emissieruimten worden vastgesteld voor de jaren 2021 tot en met 2030, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, zoals gespecificeerd in de leden 1 en 2. Voor de toepassing van deze gedelegeerde handelingen verricht de Commissie een uitgebreide beoordeling van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingediende recentste nationale inventarisgegevens betreffende het jaar 2005 en de jaren 2016 tot en met 2018.

4.   In deze uitvoeringshandeling worden, op basis van de percentages die door de lidstaten uit hoofde van artikel 6, lid 2, worden meegedeeld, eveneens de hoeveelheden gespecificeerd die kunnen worden meegerekend om hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 tussen 2021 en 2030 na te komen. Indien de som van de hoeveelheden in alle lidstaten hoger zou liggen dan de collectieve totaalhoeveelheid van 100 miljoen, worden de hoeveelheden voor elke lidstaat verhoudingsgewijs verminderd zodat de collectieve totaalhoeveelheid niet wordt overschreden.

4.   In deze gedelegeerde handeling worden, op basis van de percentages die door de lidstaten uit hoofde van artikel 6, lid 2, worden meegedeeld, eveneens de hoeveelheden gespecificeerd die kunnen worden meegerekend om hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 tussen 2021 en 2030 na te komen. Indien de som van de hoeveelheden in alle lidstaten hoger zou liggen dan de collectieve totaalhoeveelheid van 100 miljoen, worden de hoeveelheden voor elke lidstaat verhoudingsgewijs verminderd zodat de collectieve totaalhoeveelheid niet wordt overschreden.

5.     Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 13 bedoelde onderzoeksprocedure.

 

Amendement 30

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 4 bis

 

Langetermijntraject voor emissiereductie vanaf 2031

 

Tenzij anders wordt besloten tijdens de eerste of een van de daaropvolgende evaluaties als bedoeld in artikel 14, lid 2, zorgt elke lidstaat in elk van de jaren 2031 tot en met 2050 voor verdere broeikasgasemissiereducties overeenkomstig deze verordening. Elke lidstaat ziet erop toe dat zijn broeikasgasemissies tussen 2031 en 2050 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend met zijn jaarlijkse emissieruimte voor 2030 en in 2050 eindigend op een emissieniveau dat 80 % lager is dan het niveau van 2005 voor die lidstaat.

 

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de jaarlijkse emissieruimten worden vastgesteld voor de jaren 2031 tot en met 2050, uitgedrukt in ton CO2-equivalent.

Amendement 31

Voorstel voor een verordening

Artikel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 5

Artikel 5

Flexibiliteitsinstrumenten om de jaarlijkse grenswaarden te bereiken

Flexibiliteitsinstrumenten om de jaarlijkse grenswaarden te bereiken

1.   De lidstaten kunnen gebruikmaken van de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel en in de artikelen 6 en 7 genoemde flexibiliteit.

1.   De lidstaten kunnen gebruikmaken van de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel en in de artikelen 6 en 7 genoemde flexibiliteit.

2.   Gedurende de jaren 2021 tot en met 2029 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen.

2.   Gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen. Gedurende de jaren 2026 tot en met 2029 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen.

3.   Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens dit artikel en artikel 6, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2030.

3.   Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens dit artikel en artikel 6, mag deze lidstaat gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte tot maximaal 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2025. Gedurende de jaren 2026 tot en met 2029 mag een lidstaat het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte tot maximaal 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2030.

4.   Een lidstaat mag maximaal 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar overdragen aan andere lidstaten. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om te voldoen aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor het betrokken jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030.

4.   Een lidstaat mag gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 maximaal 5  % en gedurende de jaren 2026 tot en met 2030 maximaal 10  % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar overdragen aan andere lidstaten. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om te voldoen aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor het betrokken jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030.

5.   Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn emissieruimte voor dat jaar, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens de leden 2 tot en met 4 en artikel 6, aan andere lidstaten overdragen. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor dat jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030 na te komen.

5.   Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn emissieruimte voor dat jaar, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens de leden 2 tot en met 4 en artikel 6, aan andere lidstaten overdragen. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor dat jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030 na te komen.

 

5 bis.     Een lidstaat mag geen deel van zijn jaarlijkse emissieruimte overdragen als de emissies van de betreffende lidstaat op het tijdstip van de overdracht hoger liggen dan zijn jaarlijkse emissieruimte.

6.   De lidstaten kunnen, zonder enige kwantitatieve beperking en zonder ze dubbel te tellen, gebruikmaken van kredieten uit projecten afgegeven overeenkomstig artikel 24 bis, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, om aan hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 te voldoen.

6.   De lidstaten kunnen, zonder enige kwantitatieve beperking en zonder ze dubbel te tellen, gebruikmaken van kredieten uit projecten afgegeven overeenkomstig artikel 24 bis, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, om aan hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 te voldoen. De lidstaten kunnen voor dergelijke projecten de totstandbrenging van particuliere en publiek-private partnerschappen stimuleren.

Amendement 32

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.     De toegang tot de in dit artikel en bijlage II genoemde flexibiliteit wordt alleen verleend wanneer de betreffende lidstaten toezeggen maatregelen te nemen in andere sectoren waar in het verleden onvoldoende resultaten zijn geboekt. Uiterlijk op 31 december 2019 vult de Commissie deze verordening verder aan door overeenkomstig artikel 12 een gedelegeerde handeling met een lijst van dergelijke maatregelen en sectoren vast te stellen.

Amendement 55

Voorstel voor een verordening

Artikel 7 — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Extra gebruik van maximaal 280 miljoen nettoverwijderingen afkomstig van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland

Extra gebruik van maximaal 280 miljoen nettoverwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw

Amendement 34

Voorstel voor een verordening

Artikel 7 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   In zoverre de emissies van een lidstaat hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimten voor die lidstaat voor een bepaald jaar, mag deze lidstaat een hoeveelheid van maximaal de som van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissies afkomstig van de in artikel 2 van Verordening [] [LULUCF] bedoelde boekhoudkundige categorieën ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland samengenomen meerekenen om aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening voor dat jaar te voldoen, op voorwaarde dat:

1.   In zoverre de emissies van een lidstaat hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimten voor die lidstaat voor een bepaald jaar, met inbegrip van eventuele gereserveerde emissieruimten uit hoofde van artikel 5, lid 3, mag deze lidstaat een hoeveelheid van maximaal de som van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissies afkomstig van de in artikel 2 van Verordening [] [LULUCF] bedoelde boekhoudkundige categorieën ontbost land, bebost land, beheerd bouwland, beheerd grasland , indien van toepassing beheerd wetland en, onverminderd de krachtens lid 2 vastgestelde gedelegeerde handeling, beheerde bosgrond samengenomen meerekenen om aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening voor dat jaar te voldoen, op voorwaarde dat:

 

-a)

de lidstaat uiterlijk op 1 januari 2019 bij de Commissie een actieplan indient waarin maatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van het gebruik van Uniefinanciering, voor klimaatefficiënte landbouw en voor de sectoren landgebruik en bosbouw worden uiteengezet en waarin wordt aangetoond hoe deze maatregelen zullen bijdragen aan de vermindering van de broeikasgasemissies uit hoofde van deze verordening en aan het overtreffen van wat overeenkomstig artikel 4 van Verordening [][LULUCF] is vereist voor de periode 2021-2030;

a)

de totale hoeveelheid die voor die lidstaat wordt meegerekend voor alle jaren in de periode 2021-2030 niet hoger ligt dan het in bijlage III voor die lidstaat vastgestelde niveau;

a)

de totale hoeveelheid die voor die lidstaat wordt meegerekend voor alle jaren in de periode 2021-2030 niet hoger ligt dan het in bijlage III voor die lidstaat vastgestelde niveau;

b)

dergelijke hoeveelheid hoger ligt dan wat voor die lidstaat in het kader van artikel 4 van Verordening [] [LULUCF] is vereist;

b)

dergelijke hoeveelheid aantoonbaar hoger ligt dan wat voor die lidstaat in het kader van artikel 4 van Verordening [] [LULUCF] is vereist tijdens de periodes van vijf jaar als bepaald in artikel 12 van Verordening [] [LULUCF] ;

c)

de lidstaat in het kader van Verordening [] [LULUCF] niet meer nettoverwijderingen heeft ontvangen van andere lidstaten dan hij heeft overgedragen; en

c)

de lidstaat in het kader van Verordening [] [LULUCF] niet meer nettoverwijderingen heeft ontvangen van andere lidstaten dan hij heeft overgedragen; en

d)

de lidstaat aan zijn verplichtingen in het kader van Verordening [] [LULUCF] heeft voldaan.

d)

de lidstaat aan zijn verplichtingen in het kader van Verordening [] [LULUCF] heeft voldaan.

 

De Commissie kan advies uitbrengen over de actieplannen die door de lidstaten overeenkomstig punt -a) zijn ingediend.

Amendement 56

Voorstel voor een verordening

Artikel 7 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van lid 1 van dit artikel teneinde de bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond te weerspiegelen.

2.   Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van lid 1 van dit artikel en de boekhoudkundige categorieën in bijlage III teneinde een evenwichtige bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond te weerspiegelen , zonder de krachtens dit artikel beschikbare totale hoeveelheid van 280 miljoen te boven te gaan .

Amendement 36

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Indien de beoordeelde broeikasgasemissies van een lidstaat voor eender welk specifiek jaar binnen de periode, krachtens lid 2 van dit artikel, en de krachtens de artikelen 5 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimte, zijn in 2027 en 2032 de volgende maatregelen van toepassing:

1.    Om de twee jaar gaat de Commissie na of de lidstaten aan deze verordening voldoen. Indien de beoordeelde broeikasgasemissies van een lidstaat voor eender welk specifiek jaar binnen de periode, krachtens lid 2 van dit artikel, en de krachtens de artikelen 5 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimte, zijn de volgende maatregelen van toepassing:

a)

aan het emissiecijfer van de lidstaat voor het volgende jaar wordt een hoeveelheid toegevoegd gelijk aan de omvang in ton CO2-equivalent van de overtollige broeikasgasemissies, vermenigvuldigd met een factor 1,08 , in overeenstemming met de maatregelen die zijn genomen overeenkomstig artikel 11; en

a)

aan het emissiecijfer van de lidstaat voor het volgende jaar wordt een hoeveelheid toegevoegd gelijk aan de omvang in ton CO2-equivalent van de overtollige broeikasgasemissies, vermenigvuldigd met een factor 1,08 , in overeenstemming met de maatregelen die zijn genomen overeenkomstig artikel 11; en

b)

de lidstaat wordt tijdelijk verboden een deel van zijn jaarlijkse emissieruimte aan een andere lidstaat over te dragen tot hij voldoet aan de verplichtingen van deze verordening. De centrale administrateur past dit verbod toe in het in artikel 11 bedoelde register.

b)

de lidstaat wordt tijdelijk verboden een deel van zijn jaarlijkse emissieruimte aan een andere lidstaat over te dragen tot hij voldoet aan de verplichtingen van deze verordening. De centrale administrateur past dit verbod toe in het in artikel 11 bedoelde register.

Amendement 58

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 9 bis

 

Reserve wegens vroegtijdig optreden

 

1.     Om rekening te houden met vroegtijdig optreden vóór 2020 wordt op verzoek van een lidstaat een hoeveelheid van maximaal een totale som van 90 miljoen ton aan jaarlijkse emissieruimte in de periode 2026-2030 voor de naleving door die lidstaat meegerekend bij de laatste nalevingscontrole uit hoofde van artikel 9 van deze verordening, op voorwaarde dat:

 

(a)

de totale jaarlijkse emissieruimten voor die lidstaat voor de periode 2013-2020 zoals bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 10 van Beschikking nr. 406/2009/EG hoger liggen dan de totale geverifieerde jaarlijkse broeikasgasemissies voor die lidstaat voor de periode 2013-2020;

 

(b)

het bbp per hoofd van de bevolking van die lidstaat tegen marktprijzen in 2013 onder het EU-gemiddelde ligt;

 

(c)

die lidstaat de in de artikelen 6 en 7 genoemde vormen van flexibiliteit overeenkomstig de in de bijlagen II en III bepaalde niveaus ten volle heeft benut;

 

(d)

die lidstaat de in artikel 5, leden 2 en 3, genoemde vormen van flexibiliteit ten volle heeft benut en geen emissieruimten aan een andere lidstaat heeft overgedragen op grond van artikel 5, leden 4 en 5; en

 

(e)

de Unie als geheel haar in artikel 1, lid 1, bedoelde streefcijfer haalt.

 

2.     Het maximale aandeel van een lidstaat in de in lid 1 bedoelde totale som dat voor de naleving kan worden meegerekend, wordt vastgesteld aan de hand van de verhouding tussen enerzijds het verschil tussen zijn totale jaarlijkse emissieruimten voor de periode 2013-2020 en zijn totale geverifieerde jaarlijkse broeikasgasemissies voor diezelfde periode, en anderzijds het verschil tussen de totale jaarlijkse emissieruimten voor de periode 2013-2020 van alle lidstaten die aan het criterium van lid 1, onder b), voldoen en de totale geverifieerde jaarlijkse broeikasgasemissies van die lidstaten voor diezelfde periode.

 

De jaarlijkse emissieruimten en de geverifieerde jaarlijkse emissies worden bepaald op grond van lid 3.

 

3.     De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de maximale aandelen voor elke lidstaat, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, overeenkomstig de leden 1 en 2 worden vastgesteld. Ten behoeve van deze gedelegeerde handelingen gebruikt de Commissie de jaarlijkse emissieruimten zoals bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 10 van Beschikking nr. 406/2009/EG en de geëvalueerde inventarisgegevens voor de jaren 2013 tot en met 2020 krachtens Verordening (EU) nr. 525/2013.

Amendement 38

Voorstel voor een verordening

Artikel 10 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   De in bijlage IV bij deze verordening opgenomen hoeveelheid wordt aan de in die bijlage bedoelde ruimte voor elke lidstaat voor het jaar 2021 toegevoegd.

2.   De in bijlage IV bij deze verordening opgenomen hoeveelheid , die voor alle lidstaten samen neerkomt op een totale som van 39,14  miljoen ton CO2-equivalent, wordt aan de in die bijlage bedoelde ruimte voor elke lidstaat voor het jaar 2021 toegevoegd.

Amendement 39

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 — titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Register

Europees register

Amendement 40

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De Commissie zorgt in het kader van deze verordening voor een nauwkeurige boekhouding aan de hand van het krachtens artikel 10 van Verordening (EU) nr. 525/2013 vastgestelde EU-register, met inbegrip van de jaarlijkse emissieruimten, de in het kader van de artikelen 4 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, naleving overeenkomstig artikel 9 en wijzigingen van het toepassingsgebied in het kader van artikel 10. De centrale administrateur voert een geautomatiseerde controle uit op elke transactie uit hoofde van deze verordening en blokkeert, indien nodig, transacties om onregelmatigheden te vermijden. Deze informatie is toegankelijk voor het publiek.

1.   De Commissie zorgt in het kader van deze verordening voor een nauwkeurige boekhouding aan de hand van het krachtens artikel 10 van Verordening (EU) nr. 525/2013 vastgestelde EU-register . Hiertoe stelt de Commissie overeenkomstig artikel 12 een gedelegeerde handeling vast ter aanvulling van deze verordening , in het bijzonder met betrekking tot de jaarlijkse emissieruimten, de in het kader van de artikelen 4 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, naleving overeenkomstig artikel 9 en wijzigingen van het toepassingsgebied in het kader van artikel 10. De centrale administrateur voert een geautomatiseerde controle uit op elke transactie uit hoofde van deze verordening en blokkeert, indien nodig, transacties om onregelmatigheden te vermijden. Het Europees register is transparant en bevat alle relevante informatie met betrekking tot de overdracht van emissierechten tussen de lidstaten. Deze informatie is toegankelijk voor het publiek via een speciale website die door de Commissie wordt beheerd .

Amendement 41

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.     De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om lid 1 uit te voeren.

Schrappen

Amendement 42

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 11 bis

 

Klimaateffecten van de Uniefinanciering

 

De Commissie voert een uitvoerige sectoroverschrijdende studie uit over de gevolgen van middelen die vanuit de Uniebegroting of anderszins overeenkomstig het Unierecht zijn toegewezen voor de beperking van klimaatverandering.

 

Uiterlijk op 1 januari 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de bevindingen van de studie, dat zo nodig vergezeld gaat van wetgevingsvoorstellen met het oog op de stopzetting van Uniefinanciering die niet strookt met de CO2-reductiedoelstellingen of -beleidslijnen van de Unie. Het verslag omvat het voorstel voor een verplichte voorafgaande controle van de verenigbaarheid met het klimaat, die geldt voor elke nieuwe Unie-investering vanaf 1 januari 2020, en de verplichting om de resultaten op transparante en toegankelijke wijze openbaar te maken.

Amendement 43

Voorstel voor een verordening

Artikel 12 — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   De in artikel 7, lid 2, en artikel 11 van deze verordening bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

2.   De in artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel 7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 van deze verordening bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening ]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

Amendement 44

Voorstel voor een verordening

Artikel 12 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   De in artikel 7, lid 2, en artikel 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

3.   De in artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel 7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

Amendement 45

Voorstel voor een verordening

Artikel 12 — lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.   Een overeenkomstig de artikelen  7, lid 2, en artikel 11 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

6.   Een overeenkomstig artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel  7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Amendement 46

Voorstel voor een verordening

Artikel 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 13

Schrappen

Comitéprocedure

 

1.     De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EU) nr. 525/2013 ingestelde Comité klimaatverandering. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

 

2.     Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

 

Amendement 47

Voorstel voor een verordening

Artikel 14 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1.     Binnen zes maanden na de faciliterende dialoog in het kader van het UNFCCC in 2018 publiceert de Commissie een mededeling met daarin een evaluatie van de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie aansluiten bij de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. In de mededeling worden met name de rol en toereikendheid van de in deze verordening vastgelegde verplichtingen voor het bereiken van die doelstellingen belicht, alsook de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie, met inbegrip van de voorschriften inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, en de wetgevingshandelingen op het gebied van landbouw en vervoer aansluiten bij de Unietoezegging inzake vermindering van broeikasgassen.

De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende doelstelling van de EU voor broeikasgasreductie tegen 2030 en haar bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en kan eventueel passende voorstellen indienen .

2.    De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 na de eerste mondiale evaluatie van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs in 2023 en binnen zes maanden na de daaropvolgende wereldwijde evaluaties aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende doelstelling van de EU voor broeikasgasreductie tegen 2030 en de bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs . Dit verslag gaat, indien nodig, vergezeld van wetgevingsvoorstellen om de emissiereducties van de lidstaten te verhogen.

 

Bij de evaluatie van de emissiereducties van de lidstaten voor de periode vanaf 2031 wordt rekening gehouden met de beginselen van billijkheid en kosteneffectiviteit bij de verdeling over de lidstaten.

 

Bij de evaluatie wordt ook rekening gehouden met de vorderingen die de Unie en derde landen hebben gemaakt op weg naar de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en met de voortgang met betrekking tot het aantrekken en in stand houden van particuliere financiering ter ondersteuning van de overgang naar een koolstofarme economie.

Amendement 48

Voorstel voor een verordening

Artikel 15 bis (nieuw)

Besluit (EU) 2015/1814

Artikel 1 — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 15 bis

 

Wijziging van Besluit (EU) 2015/1814

 

Artikel 1, lid 4, van Besluit (EU) 2015/1814 wordt vervangen door:

 

„4.     De Commissie publiceert voor elk jaar, uiterlijk 15 mei van het volgende jaar, het totale aantal emissierechten in omloop. Het totale aantal van de in een bepaald jaar in omloop zijnde emissierechten is de som van het aantal in de periode vanaf 1 januari 2008 toegewezen emissierechten, met inbegrip van het aantal rechten dat in die periode overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG is toegewezen en door installaties uitgeoefende rechten om internationale kredieten te gebruiken uit hoofde van het EU-ETS voor emissies voor 31 december van dat bepaalde jaar, minus het totaal aantal ton geverifieerde emissies van onder de EU-ETS vallende installaties tussen 1 januari 2008 en 31 december van datzelfde bepaalde jaar, de geannuleerde emissierechten overeenkomstig artikel 12, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG behalve de geannuleerde emissierechten overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2017/…  (*1) van het Europees Parlement en de Raad, en het aantal emissierechten in de reserve. Er wordt geen rekening gehouden met de emissies tijdens de driejarige periode 2005-2007 en de ten aanzien van deze emissies toegewezen emissierechten. De eerste bekendmaking vindt uiterlijk 15 mei 2017 plaats.


(1)  De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0208/2017).

(16)  COM(2015)0080

(16)  COM(2015)0080

(19)  Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).

(19)  Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).

(1 bis)   Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG (PB L 264 van 9.10.2015, blz. 1).

(21)   Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).