ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 76

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

61e jaargang
28 februari 2018


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

 

EUROPEES PARLEMENT
ZITTING 2016-2017
Vergaderingen van 9 t/m 12 mei 2016
De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in PB C 211 van 30.6.2017 .
AANGENOMEN TEKSTEN
Vergaderingen van 25 en 26 mei 2016
De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in PB C 217 van 6.7.2017 .
AANGENOMEN TEKSTEN

1


 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 10 mei 2016

2018/C 76/01

Resolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) (2015/2224(INI))

2

2018/C 76/02

Resolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over cohesiebeleid in de berggebieden van de EU (2015/2279(INI))

11

 

Woensdag 11 mei 2016

2018/C 76/03

Resolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2016 over een versnelde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid (2016/2550(RSP))

23

 

Donderdag 12 mei 2016

2018/C 76/04

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de Krim-Tataren (2016/2692(RSP))

27

2018/C 76/05

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over Gambia (2016/2693(RSP))

31

2018/C 76/06

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over Djibouti (2016/2694(RSP))

35

2018/C 76/07

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten in restaurants en de detailhandel (2016/2532(RSP))

40

2018/C 76/08

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de markteconomiestatus van China (2016/2667(RSP))

43

2018/C 76/09

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de follow-up en stand van zaken van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (2016/2696(RSP))

45

2018/C 76/10

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor bepaalde voedingsmiddelen (2016/2583(RSP))

49

2018/C 76/11

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de toepassing van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst over ouderschapsverlof, en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG; (2015/2097(INI))

54

2018/C 76/12

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/36/EU van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan vanuit een genderperspectief (2015/2118(INI))

61

 

Woensdag 26 mei 2016

2018/C 76/13

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over virtuele valuta (2016/2007(INI))

76

2018/C 76/14

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over trans-Atlantische gegevensstromen (2016/2727(RSP))

82

2018/C 76/15

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over een new deal voor energieconsumenten (2015/2323(INI))

86

2018/C 76/16

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief (2015/2228(INI))

93

2018/C 76/17

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over non-tarifaire belemmeringen in de interne markt (2015/2346(INI))

105

2018/C 76/18

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over de strategie voor de interne markt (2015/2354(INI))

112


 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europees Parlement

 

Woensdag 26 mei 2016

2018/C 76/19

Besluit van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Gianluca Buonanno (2016/2003(IMM))

128


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES PARLEMENT

 

Dinsdag 10 mei 2016

2018/C 76/20

Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 8 april 2016 houdende rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (C(2016)2002 — 2016/2656(DEA))

130

2018/C 76/21

P8_TA(2016)0206
Bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de EU ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (gecodificeerde tekst) (COM(2014)0660 — C8-0229/2014 — 2014/0305(COD))
P8_TC1-COD(2014)0305
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 10 mei 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (codificatie)

132

2018/C 76/22

P8_TA(2016)0207
Beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (gecodificeerde tekst) (COM(2014)0667 — C8-0232/2014 — 2014/0309(COD))
P8_TC1-COD(2014)0309
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 10 mei 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (codificatie)

133

2018/C 76/23

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Liberia en van het protocol voor de tenuitvoerlegging daarvan (13015/2015 — C8-0402/2015 — 2015/0224(NLE))

134

2018/C 76/24

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië voor een periode van vier jaar (12773/2015 — C8-0354/2015 — 2015/0229(NLE))

135

2018/C 76/25

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System) (GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (05977/2016 — C8-0116/2016 — 2015/0265(NLE))

136

2018/C 76/26

P8_TA(2016)0212
Statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 184/2005 betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen wat betreft de toekenning van gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie voor het vaststellen van bepaalde maatregelen (COM(2014)0379 — C8-0038/2014 — 2014/0194(COD))
P8_TC1-COD(2014)0194
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 10 mei 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 184/2005 betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen

137

 

Woensdag 11 mei 2016

2018/C 76/27

P8_TA(2016)0214
Vrijstellingen voor grondstoffenhandelaren ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat vrijstellingen voor grondstoffenhandelaren betreft (COM(2015)0648 — C8-0403/2015 — 2015/0295(COD))
P8_TC1-COD(2015)0295
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 mei 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat vrijstellingen voor grondstoffenhandelaren betreft

138

2018/C 76/28

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (14957/2/2015 — C8-0130/2016 — 2013/0091(COD))

139

2018/C 76/29

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) (14958/2/2015 — C8-0131/2016 — 2013/0081(COD))

141

 

Donderdag 12 mei 2016

2018/C 76/30

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (COM(2016)0025 — C8-0030/2016 — 2016/0010(CNS))

143

 

Woensdag 26 mei 2016

2018/C 76/31

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Frankrijk — EGF/2015/010 FR/MoryGlobal) (COM(2016)0185 — C8-0136/2016 — 2016/2043(BUD))

158

2018/C 76/32

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Griekenland — EGF/2015/011 GR/Supermarket Larissa) (COM(2016)0210 — C8-0149/2016 — 2016/2050(BUD))

162

2018/C 76/33

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Zweden overeenkomstig artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad en artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (COM(2015)0677 — C8-0017/2016 — 2015/0314(NLE))

166


Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

***

Goedkeuringsprocedure

***I

Gewone wetgevingsprocedure, eerste lezing

***II

Gewone wetgevingsprocedure, tweede lezing

***III

Gewone wetgevingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de in de ontwerptekst voorgestelde rechtsgrond)

Amendementen van het Parlement:

Nieuwe tekstdelen worden in vet cursief aangegeven. Geschrapte tekstdelen worden aangegeven met het symbool ▌of worden doorgestreept. Waar tekstdelen worden vervangen, wordt de nieuwe tekst in vet cursief aangegeven, terwijl de vervangen tekst wordt geschrapt of doorgestreept.

NL

 


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/1


EUROPEES PARLEMENT

ZITTING 2016-2017

Vergaderingen van 9 t/m 12 mei 2016

De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in PB C 211 van 30.6.2017 .

AANGENOMEN TEKSTEN

Vergaderingen van 25 en 26 mei 2016

De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in PB C 217 van 6.7.2017 .

AANGENOMEN TEKSTEN

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement

Dinsdag 10 mei 2016

28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/2


P8_TA(2016)0211

Nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020

Resolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) (2015/2224(INI))

(2018/C 076/01)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name titel XVIII,

gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (1) (hierna „de GB-verordening”),

gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling „Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (2),

gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 (3) van de Raad,

gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (4),

gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (5),

gezien de Territoriale agenda van de EU 2020 waarover overeenstemming werd bereikt op de informele bijeenkomst van de voor ruimtelijke ordening en territoriale ontwikkeling bevoegde ministers in Gödöllő op 19 mei 2011,

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 29 november 2012 getiteld „Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling” (6),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 9 juli 2015 over het resultaat van de onderhandelingen over de partnerschapsovereenkomsten en de operationele programma's (7),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 december 2014 getiteld „Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) als instrument van het cohesiebeleid 2014-2020 voor de ontwikkeling van plaatselijke gemeenschappen, plattelandsgebieden, stedelijke en voorstedelijke regio's” (verkennend advies op verzoek van het Griekse voorzitterschap) (8),

gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over demografische verandering en de gevolgen daarvan voor het toekomstig cohesiebeleid van de EU (9),

gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 over de optimalisering van de rol van ruimtelijke ordening in het kader van het cohesiebeleid (10),

gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de gereedheid van de EU-lidstaten voor een doeltreffende en tijdige aanvang van de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid (11),

gezien zijn resolutie van 26 november 2015„Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020” (12),

gezien de briefing getiteld „Instrumenten voor de ondersteuning van de territoriale en de stedelijke dimensie in het cohesiebeleid: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD)”, Directoraat-generaal intern beleid, Directoraat B: Structuur- en Cohesiebeleid, Europees Parlement, oktober 2015,

gezien de in juli 2015 door het Parlement gepubliceerde studie getiteld „Territoriaal bestuur en cohesiebeleid” (Directoraat-generaal intern beleid, Directoraat B: Structuur- en Cohesiebeleid, Europees Parlement, juli 2015,

gezien de in februari 2015 door het Parlement gepubliceerde studie getiteld „Strategische samenhang van het cohesiebeleid: vergelijking van de programmeringsperioden 2007-2013 en 2014-2020” (Directoraat-generaal intern beleid, Directoraat B: Structuur- en Cohesiebeleid),

gezien het zesde verslag van de Commissie inzake „Economische, sociale en territoriale cohesie: Investeren in groei en werkgelegenheid — Bevorderen van ontwikkeling en goed bestuur in regio's en steden van de EU”, juli 2014,

gezien de in mei 2015 door de Europese Commissie gepubliceerde studie getiteld „Territorial Agenda 2020 put in practice — Enhancing the efficiency and effectiveness of Cohesion Policy by a place-based approach”, deel II — casestudy's,

gezien het in september 2011 op verzoek van het Poolse voorzitterschap opgestelde rapport getiteld „How to strengthen the territorial dimension of „Europe 2020” and the EU Cohesion Policy based on the Territorial Agenda 2020”,

gezien het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van november 2014 getiteld „Job Creation and Local Economic Development”,

gezien het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 2015 getiteld „Local Economic Leadership”,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0032/2016),

A.

overwegende dat territoriale cohesie een basisdoelstelling van de Europese Unie is, die in het verdrag van Lissabon vervat is;

B.

overwegende dat in het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020 gekozen is voor geïntegreerde en plaatsgerichte benaderingen, en het gebruik ervan wordt aangemoedigd om economische, sociale en territoriale cohesie te bevorderen en tezelfdertijd territoriaal bestuur te stimuleren;

C.

overwegende dat geïntegreerde en plaatsgerichte benaderingen de efficiëntie en effectiviteit van het overheidsoptreden helpen verbeteren omdat ermee wordt ingespeeld op de specifieke behoeften van een gebied en de aantrekkelijkheid ervan kan worden vergroot;

D.

overwegende dat CLLD en ITI innovatieve instrumenten in het cohesiebeleid zijn — voor sommige landen zal het de eerste keer zijn dat ze dergelijke instrumenten in deze vorm zullen invoeren — die aanzienlijk kunnen bijdragen tot het bereiken van economische, sociale en territoriale cohesie, hoogwaardige plaatselijke werkgelegenheid, duurzame ontwikkeling en het behalen van de Europa 2020-doelstellingen;

E.

overwegende dat de nieuwe ITI's en de CLLD-initiatieven een stap voorwaarts zijn ten aanzien van het vermogen van lokale belanghebbenden om financieringsstromen te combineren en goed gerichte lokale initiatieven te plannen;

F.

overwegende dat de versterking van de regionale en lokale structuren van fundamenteel belang is voor de volledige uitvoering van het sociaaleconomische en territoriale cohesiebeleid; overwegende dat innovatieve benaderingen, waarbij prioriteit wordt verleend aan lokale kennis om lokale problemen aan te pakken met lokale oplossingen, steeds belangrijker zijn geworden; overwegende dat in het kader van participatieve governance, bijvoorbeeld participatieve begrotingsplanning, de nodige instrumenten voor inspraak van het publiek beschikbaar zijn om bevoegdheid voor besluitvorming toe te kennen op het niveau van de lokale gemeenschappen;

G.

overwegende dat CLLD is gebaseerd op de ervaringen die tijdens voorgaande financieringsperioden zijn opgedaan met de uitvoering van Leader, Urban en Equal en voornamelijk voortbouwt op de Leader-benadering, die sinds de invoering in 1991 tot een exponentiële groei van lokale actiegroepen (LAG's) heeft geleid en in hoge mate heeft bijgedragen tot de verbetering van de levenskwaliteit van de bevolking, in het bijzonder op het platteland;

H.

overwegende dat CLLD alleen voor het Elfpo verplicht is en optioneel is voor het EFRO, het ESF en het EFMZV;

I.

overwegende dat deze twee nieuwe instrumenten een belangrijke rol kunnen spelen bij de aanpassing aan de demografische veranderingen en de beëindiging van de ongelijkmatige ontwikkeling in de regio's;

J.

overwegende dat CLLD een bottom-upbenadering hanteert om doelstellingen vast te stellen en projecten te financieren die verband houden met de lokale behoeften van de gemeenschap, in plaats van op nationaal niveau doelstellingen op te leggen;

K.

overwegende dat ITI's instrumenten zijn die gebruikt kunnen worden om geïntegreerde maatregelen voor duurzame stedelijke ontwikkeling in te voeren, zoals bepaald in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1301/2013;

L.

overwegende dat er tussen de lidstaten grote niveauverschillen bestaan op het vlak van bestuursstructuur en ervaring met bottom-upontwikkelingsinitiatieven;

M.

overwegende dat de capaciteit en de betrokkenheid van regionale en lokale actoren essentieel zijn voor het succes van deze instrumenten en dat de voor de verschillende niveaus vastgestelde bevoegdheden in acht moeten worden genomen;

N.

overwegende dat de regionale en lokale autoriteiten inspraak moeten hebben in beslissingen over hun eigen ontwikkeling, en synergieën tussen de publieke en private sector moeten promoten als fundamentele richtsnoeren op basis waarvan de projecten op efficiënte wijze kunnen worden beheerd en de duurzaamheid van de aangegane verbintenissen kan worden gegarandeerd;

O.

overwegende dat het cruciaal is voor lokale en regionale overheden om bij beslissingen over hun eigen ontwikkeling hun troeven en strategische voordelen juist in te schatten in overeenstemming met de bijdrage van de gemeenschap, en hierop voort te bouwen bij de uitwerking van hun strategie voor lokale ontwikkeling, wat de levenskwaliteit ten goede zou komen door problemen op te helderen, prioriteiten te stellen en samen met de burgers duurzame oplossingen uit te stippelen;

P.

overwegende dat overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1301/2013 elke lidstaat, „rekening houdend met zijn specifieke territoriale situatie, de beginselen [opstelt] voor de selectie van stedelijke gebieden waar geïntegreerde maatregelen voor duurzame stedelijke ontwikkeling moeten worden uitgevoerd en een indicatieve toewijzing voor deze maatregelen op nationaal niveau”;

Q.

overwegende dat het Rurban-initiatief voor samenwerking tussen landelijke en stedelijke gebieden bijdraagt tot versterking van het regionale concurrentievermogen en de oprichting van ontwikkelingspartnerschappen;

R.

overwegende dat op het niveau van de Europese Unie prestatiegebaseerde begrotingen worden gevraagd, en overwegende dat aan ITI en CLLD toegewezen middelen efficiënt moeten worden gebruikt via de verwezenlijking van de politieke doelstellingen en de vastgestelde prioriteiten, zodat de hoogst mogelijke toegevoegde waarde voor de beoogde doelstelling wordt bereikt, en overwegende dat de behaalde resultaten tegen de laagst mogelijke kosten moeten worden geleverd;

Algemene overwegingen

1.

merkt op dat echte betrokkenheid van regionale en lokale actoren vanaf de beginfase, hun inzet en inbreng bij de strategieën voor lokale ontwikkeling en een juiste overdracht van de verantwoordelijkheden en de middelen aan lagere besluitvormingsniveaus cruciaal zijn voor het slagen van de bottom-upbenadering; is van mening dat de betrokkenheid van partners de geïntegreerde en plaatsgerichte benadering kan versterken, met name wanneer CLLD en ITI weinig worden benut; benadrukt echter dat de plaatselijke actoren technische en financiële ondersteuning van het regionale, het nationale en het EU-niveau nodig hebben, met name in de beginfase van het implementatieproces;

2.

dringt aan op de ontwikkeling van strategieën in de beginfase van het implementatieproces in samenwerking met regionale en plaatselijke actoren, die met name betrekking hebben op specifieke en gespecialiseerde opleidingen en technische en financiële ondersteuning binnen een doeltreffend partnerschap tussen de regio's, de lidstaten en de EU;

3.

is van mening dat de subdelegatie van bevoegdheden en middelen binnen de ESI-fondsen verder moet worden bevorderd en dat de terughoudendheid van administratieve instanties om dit te doen het potentieel van de twee instrumenten kan beperken; dringt er bij de lidstaten op aan de bottom-upbenadering te verdedigen en bevoegdheden aan plaatselijke groeperingen toe te vertrouwen; verzoekt de Commissie om binnen de grenzen van haar bevoegdheden aanbevelingen en alomvattende richtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten over het ondervangen van het gebrek aan vertrouwen en het wegwerken van de administratieve obstakels tussen de verschillende bestuursniveaus die te maken hebben met de implementatie van CLLD en ITI;

4.

benadrukt dat het ontwikkelen van kwalitatief hoogstaande geïntegreerde multisectorale innovatieve strategieën op lokaal niveau een uitdaging vormt, met name wanneer dat volgens een participatieve benadering moet plaatsvinden;

5.

vestigt de aandacht op het feit dat de in het kader van deze programma's getroffen maatregelen rekening moeten houden met de prioriteiten van de lokale actoren en daarnaast ook in overeenstemming moeten zijn met de overkoepelende doelstellingen van de operationele programma's en met andere Europese, nationale, regionale en plaatselijke ontwikkelingsstrategieën en strategieën voor slimme specialisatie, en dat daarbij moet worden voorzien in flexibiliteitmarges;

6.

herinnert eraan dat niet alleen EU-programma's, maar ook het reguliere nationale en regionale beleid flexibeler moeten zijn en beter moeten worden geïntegreerd; benadrukt dat het zorgen voor een meer algemene trend van bestuurshervorming zal waarborgen dat EU-middelen niet worden verstrekt in een kader dat „parallel” loopt aan het nationale en regionale beleid, maar in plaats daarvan worden geïntegreerd in een breder streven naar duurzame economische resultaten;

7.

is van mening dat de jeugdwerkloosheid het grootste probleem is in de lidstaten, naast het gebrek aan financiering voor kmo's; benadrukt dat in plaatselijke en territoriale ontwikkelingsstrategieën deze twee kwesties tot de grootste prioriteiten moeten behoren; roept lokale en regionale overheden op om te voorzien in belastingverlichting en andere prikkels ter bevordering van de werkgelegenheid en intraregionale mobiliteit bij jongeren, en om in samenwerking met opleidingsinstellingen prioriteit geven aan beroepsopleidingen;

8.

beveelt aan dat de lokale en regionale autoriteiten bijzondere aandacht besteden aan projecten voor de aanpassing van gebieden en regio's aan de nieuwe demografische situatie en de bestrijding van de daaruit voortvloeiende ongelijkheden door: 1. de sociale en mobiliteitsinfrastructuur aan de demografische veranderingen en migratiestromen aan te passen; 2. goederen en diensten aan te bieden die specifiek op de ouder wordende bevolking zijn gericht; 3. arbeidskansen voor ouderen, vrouwen en migranten te ondersteunen en zo de sociale inclusie te bevorderen; 4. digitale verbindingen te verbeteren en platforms tot stand te brengen die de deelname van burgers in de meest afgelegen gebieden aan en hun interactie met uiteenlopende administratieve, sociale en politieke diensten mogelijk maken en bevorderen en dit op alle beleidsniveaus (lokaal, regionaal, nationaal, Europees);

9.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om te voorzien in bijkomende steun, opleiding en begeleiding voor de kleinere en minder ontwikkelde gebieden, die beperktere middelen en capaciteiten ter beschikking hebben en die het mogelijk moeilijk hebben met de administratieve last en complexiteit van deze instrumenten op het moment van de planning en implementatie; herinnert eraan dat territoriale cohesie van onder af aan begint en dat ook kleine administratieve entiteiten erbij moeten worden betrokken, zonder dat sprake is van uitsluiting en discriminatie bij de toegang tot ITI en CLLD; roept de Commissie op om de resultaten van de toepassing van goede praktijken in alle lidstaten te communiceren, en suggereert deze te delen via een onlinenetwerk dat de entiteiten gelijke kansen op toegang tot de beleidsmaatregelen biedt; moedigt de nationale en regionale instanties aan om oplossingen voor te stellen met het oog op de groepering van kleine administratieve entiteiten, met inachtneming van de territoriale dimensie en specifieke ontwikkelingsbehoeften;

10.

moedigt de lidstaten aan om een strategie te ontwikkelen die leidt tot een verhoogd gebruik van CLLD en ITI door financiering uit verschillende fondsen in te zetten, opdat meer doeltreffende strategieën voor regionale en lokale ontwikkeling gecreëerd worden, vooral in de in artikel 174 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie bedoelde gebieden; verzoekt de lidstaten waar mogelijk gebruik te maken van de flexibiliteit waarin is voorzien in artikel 33, lid 6, van de GB-verordening om beter in te spelen op de specifieke kenmerken van deze gebieden; moedigt specifieke maatregelen aan om steun en hulp bij capaciteitsopbouw te verlenen aan de administratieve organen in deze gebieden, gelet op hun isolement en hun soms nadelige concurrentiepositie;

11.

benadrukt dat de integratie van meervoudige fondsen een uitdaging blijft voor de betrokken partijen, vooral in de context van CLLD en ITI; is van mening dat meer inzet nodig is voor een vereenvoudiging van deze instrumenten om zo voorwaarden voor hun implementatie te creëren; is daarom verheugd over de oprichting van de deskundigengroep op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging voor begunstigden van de Europese structuur- en investeringsfondsen, en de inspanningen van de Commissie op het vlak van betere regelgeving; benadrukt dat het noodzakelijk is een Europees kader te vinden bij het opstellen van aanbevelingen;

12.

benadrukt in het bijzonder dat het nodig is „gold-plating” tegen te gaan, waarbij bijkomende en vaak onnodige vereisten en belemmeringen worden gecreëerd op nationaal, regionaal en lokaal niveau; merkt op dat de vele lagen voor controle vaak de financiële en administratieve last voor de begunstigden verhogen; dringt erop aan dat administratieve taken elkaar niet mogen overlappen en wijst op het belang van het vastleggen van voorwaarden voor investeringen en publiek-private partnerschappen; beveelt aan dat de controle-activiteiten gestroomlijnd worden en dat het toezicht gericht is op de procedure en prestatiebeoordeling, evenwel met behoud van efficiëntie;

13.

roept de Commissie en de lidstaten op gerichte opleidingsactiviteiten over CLLD en ITI voor regionale en lokale actoren te ontwikkelen en in te voeren en verzoekt de Commissie aandacht te schenken aan opleidingsprogramma's die zich toespitsen op lokale begunstigden; acht het van cruciaal belang dat vertegenwoordigers van alle relevante maatschappelijke sectoren bij deze activiteiten worden betrokken; benadrukt het belang van een efficiënt en doeltreffend gebruik van technische bijstand bij het ondersteunen van deze instrumenten, zonder dubbele structuren;

14.

is verheugd over de nadruk die de Commissie legt op resultaten en uitkomsten, hetgeen de lokale beleidsmakers ook moet helpen om over te stappen van een overmatige aandacht voor de absorptie van fondsen en de catalogisering van uitvoeringsprocessen naar het vaststellen van echte, zinvolle doelstellingen die tastbare veranderingen zullen opleveren voor hun lokale ondernemingen en inwoners;

15.

spreekt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan daadwerkelijke onderlinge communicatie tussen de verschillende betrokken partijen; moedigt initiatieven ter verbetering van informatie-uitwisseling aan; verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten de coördinatie en verspreiding van informatie over CLLD en ITI te verbeteren; dringt erop aan dat CLLD en ITI de burgerparticipatie in lokaal en regionaal bestuur vergroten door de burgers rechtstreeks te betrekken bij het besluitvormingsproces teneinde de verantwoordingsplicht bij besluitvorming uit te breiden, en verzoekt lokale en regionale overheden om geschikte maatregelen vast te stellen om burgers te betrekken bij openbare raadplegingen door een verder gevorderde cultuur van overleg en samenwerking te stimuleren;

16.

moedigt de Commissie, de lidstaten en de regio's aan om, waar mogelijk, ervoor te zorgen dat toereikende mechanismen voorhanden zijn om problemen tussen de beheersautoriteiten en de individuele partnerschappen te vermijden, en te garanderen dat mogelijke begunstigden voldoende geïnformeerd worden over en beschermd worden door deze mechanismen; wijst op de vertragingen die worden veroorzaakt door het beslechten van geschillen naar aanleiding van betwistingen en dringt aan op het vaststellen van een aantal specifieke regels om de procedure voor betwisting te bepalen en overheidsopdrachten snel af te handelen;

17.

verzoekt de Commissie, en in het bijzonder het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling, om een kader voor samenwerking met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in te stellen, zodat een beroep kan gedaan worden op haar ruime ervaring met de uitvoering van het LEED-programma („Local Economic and Employment Development”), en om synergieën tussen de instrumenten te vinden, met name betreffende het versterken van de implementatiecapaciteit van lokale actoren;

18.

onderstreept dat zowel de lidstaten als de Commissie meer inspanningen moeten leveren om het gebruik van de nieuwe instrumenten in het kader van de Europese territoriale samenwerking (ETC) uit te breiden; benadrukt dat aangrenzende gebieden die door een grens worden gescheiden vaak met dezelfde uitdagingen worden geconfronteerd, die beter gezamenlijk op lokaal niveau kunnen worden aangepakt;

19.

is bezorgd over de hoge werkloosheidscijfers in veel lidstaten en EU-regio's; moedigt de lidstaten aan om deze instrumenten te gebruiken voor projecten die gericht zijn op het creëren van hoogwaardige werkgelegenheid en kansen voor kmo's, het stimuleren van investeringen, duurzame en inclusieve groei en sociale investeringen, het bestrijden van armoede en het bevorderen van sociale inclusie, met name in die gebieden en deelgebieden waar dit het hardst nodig is; wijst in dit verband op het belang van geïntegreerde financiering, en met name de combinatie van financiering uit het ESF en uit het EFRO; wijst erop dat het opnieuw investeren van een gedeelte van de lokale belastingen in prestatiegerichte activiteiten potentieel biedt; verzoekt de Commissie een speciale investeringsstrategie te ontwikkelen, in overeenstemming met het pakket sociale-investeringsmaatregelen, omdat de regio's en subregio's met de hoogste werkloosheidsgraad hier voordeel uit kunnen halen;

20.

wijst op de mogelijkheden die een bottom-upbenadering als CLLD biedt voor het ondersteunen van lokale ontwikkelingsstrategieën, het scheppen van werkgelegenheid en het stimuleren van duurzame plattelandsontwikkeling; is van mening dat met ITI en CLLD op een doelgerichtere en geschiktere wijze rechtstreeks gereageerd kan worden op plaatselijke behoeften en uitdagingen, wijst met klem op de noodzaak om stedelijke gebieden meer te betrekken in dit mechanisme en verzoekt de Commissie deze strategie actief na te streven; merkt op dat ITI's een doeltreffend mechanisme zijn om de tenuitvoerlegging van de geïntegreerde plannen voor stadsvernieuwing en –ontwikkeling te verwezenlijken; dringt er bij de Commissie op aan de regelgeving met betrekking tot CLLD- en ITI-financiering vanuit de ESIF in haar geheel ten uitvoer te leggen om meer synergieën tot stand te brengen;

21.

verzoekt de Commissie om bij de herziening van de Europa 2020-strategie en het MFK meer rekening te houden met de regionale en lokale context en de specifieke situatie van de betrokken gebieden, zodat tastbare vooruitgang geboekt kan worden voor het behalen van de Europa 2020-doelstellingen;

Vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling (CLLD, „Community-led local development”)

22.

neemt met instemming kennis van de inwerkingtreding van het nieuwe CLLD-instrument, dat verder gaat dan het Leader-initiatief in de empowerment van lokale gemeenschappen en het verstrekken van specifieke plaatselijke oplossingen, niet enkel via het Elfpo, maar ook via de andere ESI-fondsen;

23.

wijst erop dat CLLD ook mogelijkheden voor stedelijke en voorstedelijke gebieden omvat en een integraal onderdeel is van bredere stadsontwikkelingsstrategieën, onder meer via grensoverschrijdende samenwerking; herinnert eraan dat, teneinde zo doeltreffend mogelijke territoriale ontwikkelingsstrategieën vast te stellen, de ontwikkeling van de stedelijke gebieden duurzaam en samenhangend moet zijn met die welke betrekking heeft op de omliggende perifere en plattelandsgebieden;

24.

betreurt dat in een aantal lidstaten CLLD ingevoerd zal worden op basis van financiering uit één fonds, waardoor er wellicht kansen gemist worden voor het creëren van meer doeltreffende strategieën voor lokale ontwikkeling; herinnert aan het belang van een geïntegreerde benadering en de noodzaak om hierbij zo veel mogelijk belanghebbenden van het lokale maatschappelijk middenveld te betrekken;

25.

is verheugd over de oprichting van de Horizontal Working Group on Partnership, die tot stand is gekomen dankzij DG REGIO;

26.

dringt aan op nauwgezette naleving van de Code of Conduct on Partnership, vooral wat betreft de toepassing van het partnerschapsbeginsel bij de implementatie van de instrumenten ITI en CLLD;

27.

moedigt inspanningen aan gericht op de capaciteitsopbouw, de bewustwording en de actieve deelname van de sociale en economische partners en van de actoren van het maatschappelijk middenveld, zodat zo veel mogelijk partners nog voor de deadline (31 december 2017) CLLD-strategieën kunnen voorstellen;

28.

is bezorgd dat CLLD in een aantal lidstaten soms neerkomt op een „afvinkoefening” in plaats van een echte bottom-upbenadering; staat er in dit verband op dat lokale actoren echte beslissingsbevoegdheden krijgen;

29.

verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten het delen van beste praktijken voor LAG's, op basis van een voorlichtingsstrategie op Europees niveau met betrekking tot hun geslaagde projecten, te stimuleren, met gebruik van bestaande instrumenten en platformen zoals TAIEX REGIO PEER 2 PEER, URBACT en het netwerk voor stedelijke ontwikkeling;

30.

roept de Commissie en de lidstaten op om de CLLD-initiatieven ten volle te ondersteunen en meer flexibiliteit in de operationele programma's en in de context van de regionale, nationale en EU-beleidskaders te verlenen, zodat er meer rekening gehouden kan worden met de prioriteiten van de CLLD-strategieën; erkent het succes van LAG's op het gebied van projectbeheer en roept op om uitvoerigere financiering toe te kennen en een uitbreiding van het toepassingsgebied te overwegen; betreurt het feit dat CLLD in sommige lidstaten door de nationale overheid wordt beperkt tot slechts één specifieke beleidsdoelstelling; dringt er bij de Commissie op aan om de lidstaten te voorzien van richtsnoeren voor het financieren van CLLD vanuit meerdere fondsen en voor het aanmoedigen van het gebruik van financieringsinstrumenten;

31.

herinnert eraan dat de ESF-verordening voorziet in de mogelijkheid van een specifieke investeringsprioriteit voor „door de plaatselijke gemeenschappen geleide lokale ontwikkelingsstrategieën” onder thematische doelstelling 9, en spoort de lidstaten aan dit op te nemen in hun operationele programma's; wijst erop dat het fonds essentiële ondersteuning kan bieden aan territoriale werkgelegenheidspacten, strategieën voor stedelijke ontwikkeling en institutionele capaciteitsopbouw op lokaal en regionaal niveau, en verzoekt de Commissie aanvullende steun te verlenen aan de lidstaten bij de uitvoering van deze specifieke investeringsprioriteiten en informatie over de omvang van een dergelijke uitvoering op te nemen in haar jaarlijkse activiteitenverslagen; verzoekt de Commissie de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) aan te grijpen om de moeilijkheden die al gesignaleerd zijn bij de toepassing van de instrumenten aan te pakken en op zoek te gaan naar duurzame oplossingen;

32.

is van mening dat instrumenten zoals participatieve begrotingsplanning moeten worden opgenomen in de CLLD-strategie, omdat door deze democratische oefening aanzienlijk wordt bijgedragen tot grotere betrokkenheid van de sociale en economische partners om de sociale samenhang op lokaal niveau te versterken en de efficiëntie van de overheidsuitgaven te verhogen;

33.

benadrukt het fundamentele belang van een niet-discriminerende en transparante aanpak en van het tot een minimum beperken van mogelijke belangenconflicten in de interactie tussen publieke en particuliere actoren, teneinde een evenwicht te creëren tussen doeltreffendheid, vereenvoudiging en transparantie; neemt daarnaast met instemming kennis van de deelname van een breed scala aan partners bij LAG's; spreekt zijn steun uit voor de bepaling in het huidige wettelijk kader dat noch de overheden noch één enkele belangengroep meer dan 49 % van de stemrechten voor LAG's mogen hebben, omdat hierdoor de overstap van een administratieve benadering naar een resultaat- en innovatieve benadering mogelijk wordt; vraagt de Commissie om nauwlettend toezicht uit te oefenen op de implementatie van deze bepaling en een beoordeling ervan uit te voeren, met inbegrip van de omstandigheden waarin uitzonderingen mogelijk zijn, en te voorzien in gerichte ondersteuning voor capaciteitsopbouw en technische bijstand;

Geïntegreerde territoriale investering („Integrated Territorial Investment”, ITI)

34.

merkt op dat verschillende governancebenaderingen bij de implementatie van ITI's mogelijk zijn; meent desondanks dat het cruciaal is dat lokale partners als centrale actoren gezien worden bij de voorbereiding van de strategie voor territoriale ontwikkeling van een bepaalde ITI en ten volle betrokken zijn in de beheers-, toezicht- en controlebevoegdheden, wat bijdraagt tot een authentieke plaatselijke identificatie met de tussenkomsten in het kader van de ITI;

35.

benadrukt dat ITI's niet mogen worden beperkt tot stedelijke gebieden, maar in elk geografisch gebied mogelijk moeten zijn, bijvoorbeeld stadswijken, grootstedelijke gebieden, stedelijk-landelijke, subregionale of grensoverschrijdende gebieden; benadrukt dat middels ITI's het beste rekening kan worden gehouden met specifieke territoriale behoeften door de territoriale reikwijdte op flexibeler wijze te bepalen en dus een echte plaatsgerichte benadering te volgen; is van mening dat ITI's ook een passende structuur bieden om een oplossing te vinden voor gebieden waarin diensten moeilijk toegankelijk zijn en gemeenschappen geïsoleerd of benadeeld zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de menselijke en technische middelen optimaal te benutten en meer gebruik te maken van ITI's op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking;

36.

benadrukt dat het belangrijk is om de regionale en lokale overheden en de belanghebbenden, waaronder het maatschappelijk middenveld, in een vroege fase bij de strategie voor territoriale ontwikkeling te betrekken, om meer bevoegdheden aan hen over te dragen, en om hun vanuit de basis een leidende rol te geven, teneinde verdere identificatie met, deelname aan en welslagen van de op lokaal niveau te implementeren strategie voor territoriale ontwikkeling te bereiken; benadrukt dat de capaciteit voor benutting van het eigen ontwikkelingspotentieel in overeenstemming met de lokale eigenschappen versterkt moet worden;

37.

moedigt de lidstaten aan om te kiezen voor een benadering van ITI vanuit meerdere fondsen om synergieën tussen fondsen in eenzelfde gebied te creëren en de uitdagingen met een totaalaanpak aan te gaan; benadrukt dat gerichte capaciteitsopbouw nodig is om de middelen van verschillende bronnen gemakkelijker te kunnen bundelen;

38.

benadrukt dat de late beslissing op nationaal niveau om het ITI-instrument te gebruiken is aangemerkt als een groot probleem voor de vaststelling van een passend kader voor de territoriale strategie, de uitwerking van de coördinatiestructuur, de vaststelling van de begroting en de voorbereiding van de nationale rechtsgrondslag voor ITI's;

39.

is verheugd over de inspanningen die de Commissie in samenwerking met de deskundigengroep voor territoriale samenhang en stedelijke aangelegenheden (TCUM) geleverd heeft voor de voorbereiding van ITI-scenario's; is van mening dat dergelijke begeleiding in de beginfase van het programmeringsproces moet worden geboden; vindt het nodig de begeleiding uit te breiden met praktijkvoorbeelden en lessen uit de geïmplementeerde ITI's;

40.

verzoekt de Commissie om rekening te houden met de resultaten van de enquête van het Comité van de Regio's van 2015, efficiënter gebruik te maken van IT-instrumenten waardoor minder papierwerk vereist is, flexibelere regels in te voeren voor landen/gebieden met zeer lage toewijzingen, de mechanismen voor medefinanciering in de lidstaten te verbeteren en in meer opleidingen te voorzien voor diegenen die verantwoordelijk zijn voor het beheer en de absorptie van de middelen, met inbegrip van verkozen politici;

Aanbevelingen voor de toekomst

41.

is van mening dat de rol van CLLD en ITI in het nieuwe cohesiebeleid nog belangrijker moet worden; verzoekt de Commissie om vóór het nieuwe wetgevingsvoorstel een studie uit te voeren naar mogelijke scenario's na 2020 voor deze instrumenten en daarbij aandacht te besteden aan de sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen bij de tenuitvoerlegging van beide instrumenten (SWOT-analyse);

42.

vraagt dat in deze studie wordt onderzocht wat de impact van ITI en CLLD is, hoe effectief zij zijn en of het wenselijk is om in het cohesiebeleid na 2020 verplichtingen op te leggen betreffende deze instrumenten en te voorzien in toewijzingen voor deze instrumenten in operationele programma's; stelt voor dat de ontwikkeling van concrete stimulansen om lidstaten aan te moedigen CLLD en ITI te implementeren, wordt onderzocht, samen met de potentiële middelen om meer coherentie tussen de operationele programma's en CLLD en ITI te bereiken; benadrukt dat deze analyse aan de hand van duidelijke indicatoren moet gebeuren die zowel kwantitatieve als kwalitatieve elementen weerspiegelen;

43.

vraagt dat de bottom-upbenadering voor ITI formeel wordt opgenomen in het nieuwe cohesiebeleid, zowel tijdens de programmerings- als de uitvoeringsfase;

44.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan om in samenwerking met de bevoegde lokale autoriteiten het gebruik van ITI-middelen te controleren, aangezien deze tegenwoordig kwantitatief belangrijker zijn dan vroeger vanwege hun samensmelting; benadrukt dat dit belangrijk is om de mogelijkheid tot corruptie in de lidstaten te beperken;

45.

herhaalt dat er bij de begeleiding behoefte is aan een tweevoudige aanpak: voor lidstaten die uitsluitend nationale operationele programma's hebben enerzijds, en voor lidstaten die eveneens regionale operationele programma's hebben anderzijds;

46.

dringt erop aan dat de begeleiding voor deze instrumenten beter gecoördineerd wordt tussen de Commissie, de lidstaten en de regio's; beveelt aan dat de begeleidingsdocumenten gelijktijdig met het voorstel voor nieuwe wetgeving voor het nieuwe cohesiebeleid voor de programmeringsperiode na 2020 ontwikkeld worden, en geregeld aangepast worden; benadrukt dat dit zal helpen om de begeleidingsdocumenten tijdig af te werken, voor meer rechtszekerheid voor alle partijen zal zorgen en zal verduidelijken hoe de voorgestelde bepalingen in de praktijk zullen worden geïmplementeerd;

o

o o

47.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regionale en nationale parlementen.


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.

(3)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.

(4)  PB L 149 van 20.05.2014, blz. 1.

(5)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.

(6)  PB C 17 van 19.1.2013, blz. 18.

(7)  PB C 313 van 22.9.2015, blz. 31.

(8)  PB C 230 van 14.7.2015, blz. 1.

(9)  PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 9.

(10)  PB C 440 van 30.12.2015, blz. 6.

(11)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0015.

(12)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/11


P8_TA(2016)0213

Het cohesiebeleid in de berggebieden van de EU

Resolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over cohesiebeleid in de berggebieden van de EU (2015/2279(INI))

(2018/C 076/02)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien titel III van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in het bijzonder met betrekking tot de landbouw,

gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (1)(hierna „de GB-verordening”),

gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling „Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (2),

gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (3),

gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (4),

gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (5),

gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (6),

gezien Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad (7),

gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (8),

gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft (9),

gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen (10),

gezien zijn resolutie van 28 april 2015 over een nieuwe bosbouwstrategie van de Europese Unie: ten bate van de bossen en de houtsector (11),

gezien zijn resolutie van 22 september 2010 over een Europese strategie voor de economische en sociale ontwikkeling van berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden (12),

gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over het behoud van de melkproductie in berggebieden, minder begunstigde gebieden en ultraperifere gebieden na de beëindiging van de melkquotaregeling (13),

gezien zijn resolutie van 23 mei 2013 over een macroregionale strategie voor de Alpen (14),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende een strategie van de Europese Unie voor het Alpengebied (COM(2015)0366) en het bijbehorende actieplan,

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 3 december 2014 getiteld „Een macroregionale EU-strategie voor het Alpengebied” (15),

gezien zijn resolutie van 17 februari 2011 over de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor het Donaugebied (16),

gezien zijn resolutie van 21 januari 2010 over een Europese strategie voor het Donaugebied (17),

gezien de conclusies van de Raad van 13 april 2011 over de EU-strategie voor het Donaugebied,

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende de strategie van de Europese Unie voor de Donauregio (COM(2013)0181),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Strategie van de Europese Unie voor de Donau-regio” (COM(2010)0715) en het bijbehorende indicatieve actieplan (SEC(2010)1489),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 juni 2011 over de „mededeling van de Commissie — Strategie van de Europese Unie voor de Donau-regio” (18),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 31 maart 2011 over de „Strategie voor de Donau-regio” (19),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende de toegevoegde waarde van macroregionale strategieën (COM(2013)0468) en de desbetreffende conclusies van de Raad van 22 oktober 2013,

gezien het zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie (COM(2014)0473),

gezien de Alpenovereenkomst, met inbegrip van de Protocollen bij de Alpenovereenkomst,

gezien de studie van Euromontana van 28 februari 2013 getiteld „Toward Mountains 2020: Step 1 — capitalising on Euromontana work to inspire programming” (Bergen in 2020: stap 1 — de werkzaamheden van Euromontana benutten als inspiratiebron voor de programmering),

gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie (afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid, Regionale Ontwikkeling) van februari 2016 getiteld „Onderzoek voor de Commissie REGI — Cohesie in de berggebieden van de EU”,

gezien het project Women-Alpnet binnen het Interreg-programma voor het Alpengebied 2001-2006: een netwerk van lokale instellingen en kenniscentra voor vrouwen: bevordering van de deelname van vrouwen aan de duurzame ontwikkeling van het Alpengebied,

gezien artikel 52 van het Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0074/2016),

A.

overwegende dat berggebieden een aanzienlijk deel van het grondgebied van de EU vormen (ongeveer 30 %), en overwegende dat de gehele EU afhankelijk is van de ecosysteemdiensten van deze gebieden;

B.

overwegende dat er geen expliciete definitie van berggebieden bestaat in het regionale beleid van de EU, en overwegende dat de definitie die in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) wordt gebruikt, niet geschikt is voor het cohesiebeleid en als zodanig niet kan worden gebruikt voor het doeltreffende beheer van dit beleid;

C.

overwegende dat veel berggebieden vanwege hun extreme omstandigheden en afgelegen ligging structureel achtergesteld zijn, in dusdanige mate dat zij te maken hebben met ontvolking en vergrijzing, wat de natuurlijke cyclus van generaties kan verstoren en leidt tot lagere sociale normen en een vermindering van de levenskwaliteit; overwegende dat dit vaak leidt tot een toename van de werkloosheid, sociale uitsluiting en een trek naar de steden;

D.

overwegende dat berggebieden een aantal kansen bieden om EU-doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid, cohesie en milieubescherming te halen, en wel door middel van het duurzame gebruik van hun natuurlijke hulpbronnen;

E.

overwegende dat berggebieden sterk van elkaar verschillen en er daarom moet worden gezorgd voor onderlinge afstemming van beleidslijnen en sectoren, zowel tussen de verschillende berggebieden (horizontaal) als binnen de afzonderlijke berggebieden (verticaal);

F.

overwegende dat de steun voor berggebieden uit verschillende EU-instrumenten zoals het Elfpo en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) complementair moet zijn om synergieën te creëren waarmee betere en inclusievere ontwikkeling mogelijk wordt;

G.

overwegende dat berggebieden een belangrijke rol spelen in de economische, sociale en duurzame ontwikkeling van de lidstaten en talrijke ecosysteemdiensten te bieden hebben; overwegende dat gendergelijkheid van grote invloed is op de economische, sociale en territoriale cohesie in Europa; overwegende dat grensoverschrijdende samenwerking in berggebieden een duurzame manier is om de economische en sociale ontwikkeling van deze gebieden te bevorderen;

H.

overwegende dat berggebieden vanwege hun specifieke kenmerken, en met name de grote hoeveelheid aan en verscheidenheid van hernieuwbare energiebronnen en hun afhankelijkheid van hulpbronnen- en energie-efficiëntie, kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe technologieën en innovatie in het algemeen;

I.

overwegende dat berggebieden in positieve zin bijdragen aan duurzame ontwikkeling, de strijd tegen klimaatverandering, de instandhouding en bescherming van regionale ecosystemen en biodiversiteit; overwegende dat grote stukken berggebied worden beschermd via het milieunetwerk Natura 2000 en andere soorten regelingen voor natuurbehoud, waardoor aan de ene kant de economische activiteit wordt beperkt, maar aan de andere kant duurzamere landbouwvormen worden gestimuleerd en de landbouw nauwer wordt gekoppeld aan andere economische activiteiten; overwegende dat landbouw en grondbeheer in berggebieden van groot belang zijn voor de hydrogeologische stabiliteit van die gebieden;

J.

overwegende dat berggebieden kampen met grote uitdagingen op het vlak van sociale en economische ontwikkeling, klimaatverandering, vervoer en demografische vraagstukken, die moeten worden aangepakt door passende verbindingen met stedelijke en laaggelegen gebieden op te zetten en de toegang tot digitale diensten te garanderen;

K.

overwegende dat berggebieden met beschermde ecosystemen en de diensten daarvan een basis kunnen vormen voor tal van economische activiteiten, waarbij de nadruk ligt op landbouw, bosbouw, toerisme en energie, en er rekening wordt gehouden met het culturele en natuurlijke erfgoed van deze gebieden en de diversificatie van boerderijen; overwegende dat deze activiteiten gestimuleerd kunnen worden door een gecoördineerd optreden en/of grensoverschrijdende samenwerking, en overwegende dat in berggebieden unieke omstandigheden en traditionele kennis in stand worden gehouden en dat ze een groot potentieel bieden voor de overstap naar kwalitatief hoogstaande landbouwsystemen;

L.

overwegende dat gletsjers kenmerkend zijn voor Europese bergen en een cruciale rol spelen in zowel de ecosystemen als in de waterhuishouding van de bergen, overwegende dat hun afname in massa en lengte sinds het midden van de 19e eeuw zorgwekkende niveaus heeft bereikt en dat talrijke gletsjers in Europa reeds zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen vóór 2050;

M.

overwegende dat de economische, culturele en sociale ontwikkeling in berggebieden te lijden heeft onder bijkomende kosten die verband houden met klimatologische en topografische omstandigheden en met het isolement en de grote afstand van economische centra; overwegende dat het gebrek aan toereikende infrastructuur, onder meer breedbanddekking, en investeringen in berggebieden ertoe bijdraagt dat de kloof tussen deze en andere regio's steeds dieper wordt; overwegende dat de inspanningen om de economische productie in de landbouw in de berggebieden van de EU in stand te houden, ondersteund moeten worden met fysieke en digitale toegankelijkheid en infrastructuur en met de toegang voor de inwoners van dergelijke gebieden tot openbare dienstverlening en diensten van algemeen belang, zoals onderwijs, maatschappelijke dienstverlening, gezondheidszorg, vervoer en postdiensten;

N.

overwegende dat er verschillende soorten berggebieden bestaan in Europa, die met elkaar verbonden zijn omdat ze fundamentele uitdagingen gemeen hebben, zoals een slechte bereikbaarheid, weinig arbeidsmogelijkheden, een vergrijzende bevolking, een gebrek aan connectiviteit, de effecten van de klimaatverandering en intensievere menselijke productieactiviteiten; overwegende dat er actieve stappen moeten worden ondernomen om deze aspecten aan te pakken;

O.

overwegende dat het in de context van markt- en prijsschommelingen, stijgende productiekosten, grotere concurrentie, de afschaffing van de melkquota en milieuproblemen van essentieel belang is de voedselproductie en de multifunctionele rol van landbouw veilig te stellen om toegevoegde waarde in de berggebieden te behouden, duurzame werkgelegenheid te stimuleren en toegang tot andere inkomstenbronnen mogelijk te maken;

P.

overwegende dat berggebieden die deel uitmaken van de buitengrenzen van de EU extra moeilijkheden ondervinden en veel meer worden getroffen door de negatieve tendensen die alle berggebieden gemeen hebben;

Q.

overwegende dat er in Europa bergketens zijn die zich uitstrekken over meerdere lidstaten en ook tot niet-lidstaten zoals de Karpatische bergketen, die, na de laatste EU-uitbreiding, de oostelijke grens van de EU is geworden en vandaag de dag een uitermate belangrijk geopolitiek gebied is waar grote strategische politieke belangen met betrekking tot de stabiliteit van de Unie samenkomen;

R.

overwegende dat veel berggebieden een gebrek aan basisinfrastructuur, openbare dienstverlening en onafgebroken toegang tot diensten van algemeen belang hebben, met name in gebieden met seizoensgebonden activiteiten;

S.

overwegende dat berglandbouw belangrijk is voor de identiteit en cultuur van berggebieden en blijft bijdragen aan de werkgelegenheid en specifieke economische sectoren in die gebieden, zoals de bosbouw en toerisme, waarbij niet mag worden vergeten dat er een verdere diversificatie van hun economieën en werkgelegenheid gaande is en dat zij een wezenlijke rol spelen in de circulaire economie;

T.

overwegende dat bepaalde ultraperifere gebieden ook berggebieden van vulkanische oorsprong zijn (actieve of slapende vulkanen, vulkanische massieven of ketens, en vulkanische eilanden), met een gedeelte onder water en een uitstekend gedeelte, en overwegende dat zij moeilijkheden ondervinden als gevolg van de topologie van hun grondgebied;

U.

overwegende dat vrouwen die in berggebieden wonen, vooral in achtergestelde gebieden, vaak problemen hebben om door te dringen tot hogere onderwijsniveaus en fatsoenlijke banen;

V.

overwegende dat er een antwoord moet worden gevonden voor de uiteenlopende uitdagingen die voortvloeien uit ontvolking, de gevolgen van klimaatverandering, het gebrek aan beschikbare landbouwgrond, de braaklegging van landbouwgrond en de daarmee gepaard gaande verstruiking en verbossing, en de noodzaak om berggrasland in stand te houden;

W.

overwegende dat veeteelt (voor zuivelproducten en extensieve vleesproductie) een belangrijke rol speelt in berggebieden van een groot aantal EU-landen; overwegende dat problematische marktomstandigheden en aanzienlijke kostennadelen ingrijpende gevolgen hebben voor kleinschalige landbouwbedrijven in deze gebieden;

X.

overwegende dat in artikel 174, lid 3, VWEU expliciet wordt vermeld dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan onder meer berggebieden; overwegende dat een aantal beleidsmaatregelen, programma's en strategieën van de EU indirecte gevolgen voor berggebieden heeft;

Gecoördineerde benadering en algemene overwegingen

1.

verzoekt de Commissie te beginnen met het proces voor het opstellen van een werkdefinitie van functionele berggebieden in het kader van het cohesiebeleid, als aanvulling op de definitie van berggebieden zoals die wordt gebruikt in de context van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, met het doel om de coördinatie van het beleid en de maatregelen in kwestie te verbeteren; is van mening dat een dergelijke definitie breed en inclusief moet zijn, rekening houdend met verschillende factoren zoals hoogte, bereikbaarheid en helling; verzoekt de Commissie te voorzien in een alomvattende definitie waaronder ook vulkanische gebieden op eilanden en ultraperifere gebieden vallen, alsmede gebieden die, hoewel zij geen berggebieden zijn, sterk verbonden zijn met berggebieden; merkt in dit verband op dat het idee van de EU-strategie voor het Alpengebied (EUSALP) om niet-berggebieden in de strategie op te nemen een goed initiatief is;

2.

is van mening dat het EU-beleid een specifieke benadering voor berggebieden moet omvatten, aangezien deze duidelijke structurele nadelen vertonen; wijst erop dat dergelijke gebieden aanvullende steun nodig hebben om het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen van de klimaatverandering, te kunnen zorgen voor werkgelegenheid het hele jaar door in plaats van louter seizoensgebonden werk, economische ontwikkeling, de preventie en het beheer van natuurrampen en de bescherming van het milieu, en bij te dragen aan de verwezenlijking van de EU-doelstellingen voor hernieuwbare energie; is bijgevolg van mening dat berggebieden in alle aspecten van het EU-beleid, met inbegrip van het cohesiebeleid, moeten worden geïntegreerd, door de invoering van een territoriale effectbeoordeling;

3.

beseft dat de EU geen specifiek beleid voor berggebieden heeft en merkt op dat de reeds bestaande beleidsmaatregelen, programma's en strategieën die wel indirecte gevolgen hebben voor dergelijke gebieden reden zijn om een „Agenda voor berggebieden van de EU” op te stellen, die de basis moet vormen van een EU-strategie voor de langetermijnontwikkeling van berggebieden en de daarvan afhankelijke gebieden;

4.

verzoekt de Commissie te werken aan een „Agenda voor berggebieden van de EU” als kader dat bijdraagt aan transnationaal, grensoverschrijdend en interregionaal beleid; is van mening dat in de toekomstige agenda de prioriteiten voor de ontwikkeling van deze gebieden moeten worden vastgesteld, zodat sectoraal beleid hier beter op kan worden afgestemd en de mogelijkheden om dit te financieren via EU-fondsen in goede banen kunnen worden geleid, en zodat op de lange termijn duurzaam beleid voor inclusie kan worden verwezenlijkt;

5.

verzoekt de Commissie, in het kader van dit programma, een specifiek en gedetailleerd programma op te stellen ter bescherming van de Europese gletsjers die naar verwachting zullen verdwijnen vóór 2050;

6.

verzoekt om meer synergie via de coördinatie van EU-beleidsmaatregelen, -strategieën en -programma's die indirecte gevolgen hebben voor berggebieden, zoals Horizon 2020, Cosme, LIFE, Natura 2000, de EU-breedbandstrategie, de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering, het milieuactieprogramma van de EU, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, de Europese territoriale samenwerking, de ESI-fondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), evenals initiatieven in het kader van de macroregionale strategie; verzoekt de Commissie na te denken over de specifieke toepassing en uitvoering van deze programma's in berggebieden;

7.

benadrukt dat er synergieën tot stand moeten worden gebracht tussen beleidsterreinen, instrumenten en sectoren waarvoor een geïntegreerde aanpak nodig is; benadrukt de waardevolle ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van de Alpenovereenkomst waarmee economische, sociale en ecologische belangen met elkaar in overeenstemming worden gebracht;

8.

wijst op de schaarste aan bruikbare grond in berggebieden, wat een mogelijke oorzaak is voor conflicten gezien de uiteenlopende of overlappende belangen met betrekking tot de classificatie en het gebruik van grond; roept de lidstaten derhalve op instrumenten voor ruimtelijke ordening te ontwikkelen en toe te passen waarmee de coördinatie van en de inspraak van het publiek bij territoriale ontwikkeling worden vergemakkelijkt; beschouwt het Protocol inzake ruimtelijke ordening en duurzame ontwikkeling van de Alpenovereenkomst als een belangrijk voorbeeld om op voort te bouwen;

9.

verzoekt de natuurparken van de lidstaten die een grens delen met een of meer andere landen om een gezamenlijke aanpak voor het beheer, de ontwikkeling en de bescherming van die natuurparken uit te werken;

10.

wijst erop dat het door de recente hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en het regionaal beleid mogelijk is geworden om de Europese financiering voor cohesie op regionaal niveau te beheren;

11.

verzoekt de beheersautoriteiten een aanzienlijke verhoging te overwegen van de toewijzingen van de ESI-fondsen op nationaal niveau om onderontwikkelde berggebieden te ondersteunen, waar mogelijk volgens een multisectorale beleidsbenadering; verzoekt de lidstaten investeringen in berggebieden aan te moedigen door middelen uit operationele programma's te benutten ten gunste van dergelijke gebieden;

12.

benadrukt dat prioriteit moet worden verleend aan de territoriale dimensie van het cohesiebeleid door middel van gerichte initiatieven voor territoriale ontwikkeling en aanvullende steun voor territoriale samenwerking op Europees niveau;

13.

benadrukt dat de lidstaten en de regio's in het kader van de verordening inzake plattelandsontwikkeling over de mogelijkheid beschikken om thematische subprogramma's in het leven te roepen die gericht zijn op de behoeften van berggebieden en die in aanmerking komen voor overheidsfinanciering met hogere steunpercentages; spoort hen aan gebruik te maken van deze mogelijkheden; merkt op dat geen enkele bevoegde autoriteit daar tot dusver voor heeft gekozen; is niettemin van mening dat een dergelijke beslissing niet hoeft te betekenen dat er geen enkele specifieke steun voor deze gebieden is voorzien;

14.

spoort de lidstaten aan gebruik te maken van instrumenten zoals geïntegreerde territoriale investeringen en vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling om de ontwikkeling van berggebieden, te weten hun specifieke ontwikkelingsmogelijkheden en -doelstellingen, te ondersteunen; moedigt de steun van lokale actiegroepen voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling aan om transnationale netwerken en coöperatieve werkmethoden te bevorderen;

15.

onderstreept het potentieel en belang van de huidige en toekomstige ontwikkeling van macroregionale strategieën voor de duurzame ontwikkeling van de berggebieden van de EU, met, indien van toepassing, een sterke dimensie voor grensoverschrijdende samenwerking; pleit ervoor om rekening te houden met ervaringen bij de tenuitvoerlegging van andere macroregionale strategieën van de EU;

16.

is verheugd over de huidige initiatieven voor de Karpaten in de EU-strategie voor het Donaugebied en de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van de macroregionale EU-strategie voor het Alpengebied; merkt op dat de laatstgenoemde strategie een goed voorbeeld is van een geïntegreerde benadering van territoriale ontwikkeling waarin rekening wordt gehouden met berggebieden en daarmee verbonden gebieden;

17.

is van mening dat het instrument voor Europese territoriale samenwerking een uitstekende mogelijkheid biedt voor de uitwisseling van beste praktijken en kennis tussen berggebieden, die vaak op landsgrenzen liggen, en verzoekt om een specifieke dimensie voor berggebieden in het toekomstige instrument voor Europese territoriale samenwerking; juicht initiatieven zoals „Policies against depopulation in mountainous areas” (beleidsmaatregelen tegen de ontvolking van berggebieden) toe die gericht zijn op het aanpakken van specifieke problemen waarmee berggebieden kampen; onderstreept het belang van de Interreg-programma's en andere samenwerkingsinitiatieven, zoals Europese groeperingen voor territoriale samenwerking en Europese economische samenwerkingsverbanden, om gedeelde gebieden en bergketens op een gezamenlijke en gecoördineerde manier te ontwikkelen in regio's met grensoverschrijdende berggebieden;

18.

verzoekt de Commissie te komen met een mededeling over een „Agenda voor berggebieden van de EU” en vervolgens met een witboek over de ontwikkeling van berggebieden, op basis van beste praktijken, waarbij lokale, regionale en nationale autoriteiten en andere relevante spelers, waaronder de economische en sociale partners en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, worden betrokken;

19.

dringt erop aan dat de Commissie en andere belanghebbenden een grondige en regelmatige beoordeling uitvoeren van de toestand van berggebieden in de EU, en gegevens analyseren, zoals de resultaten van de uitvoering van de operationele programma's in het kader van het cohesiebeleid en indicatoren voor veranderingen op het vlak van levenskwaliteit en demografie, om de EU-financiering en tenuitvoerlegging van het beleid op de juiste wijze af te stemmen;

20.

benadrukt de noodzaak om te kunnen vertrouwen op betrouwbare statistische uitgesplitste gegevens als basis voor beleidsinitiatieven;

21.

pleit voor samenwerking met Europese niet-lidstaten, en met regionale en lokale overheden, bij de tenuitvoerlegging van beleid voor berggebieden;

22.

verzoekt de Commissie het gebruik van financiële instrumenten in berggebieden aan te moedigen om concrete resultaten te boeken;

23.

is ingenomen met het debat dat momenteel gevoerd wordt over de vereenvoudiging van het cohesiebeleid; hoopt dat een lichter kader en de beschikbaarheid van instrumenten waarvan belanghebbenden en begunstigden gemakkelijker gebruik kunnen maken, zullen bijdragen aan de ontwikkeling van de berggebieden van de EU; wenst dat er speciale aandacht wordt besteed aan vereenvoudiging en inspanningen om investeringen in berggebieden te vergemakkelijken;

24.

verzoekt de Commissie een Europees Jaar van eilanden en bergen voor te stellen;

Werkgelegenheid en economische groei in berggebieden

25.

merkt op dat kmo's in berggebieden kampen met grote moeilijkheden vanwege een gebrek aan bereikbaarheid, infrastructuur, connectiviteit en personeel; verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de ontwikkeling van kmo's in berggebieden, in het bijzonder gebieden die worden geteisterd door natuurrampen en rampen als gevolg van de klimaatverandering, en dringt er derhalve bij de lidstaten op aan voorrang te geven aan investeringen in infrastructuur en diensten in berggebieden; pleit voor synergieën tussen de middelen van de ESI-fondsen en de andere door de EU gesubsidieerde programma's en initiatieven om een holistische en doeltreffende beleidsaanpak op te stellen voor een maximale ondersteuning van kmo's en ondernemerschap; onderstreept dat er geïntegreerde plaatsgebonden strategieën inzake berggebieden moeten worden ontwikkeld voor het vaststellen van specifieke ontwikkelingskansen, met daarin maatregelen voor het verhogen van de connectiviteit van lokale kmo's en voor betere betrekkingen en coördinatie zowel binnen als tussen sectoren;

26.

benadrukt hoe belangrijk het is om een meervoudige landbouwproductie te ontwikkelen, in samenhang met activiteiten op het vlak van toerismebevordering en milieubescherming, en om de voedingsketens in berggebieden te structureren, hetzij in het kader van verenigingen van producentenorganisaties waardoor landbouwers een sterkere onderhandelingspositie krijgen, hetzij door lokale markten en korte toeleveringsketens op te zetten; onderstreept dat de toegang tot grote markten moet worden gegarandeerd, en dat er kwaliteits-, promotie- en beschermingsmaatregelen voor producten moeten worden ingevoerd, waardoor landbouwproducten beter aan de man kunnen worden gebracht en worden toegevoegd aan het algemene scala van toerismeproducten in een bepaald geografisch gebied; verzoekt de Commissie en de lidstaten bovendien om de discussie aan te zwengelen over de invoering van een speciale etikettering op EU-niveau voor voedingsproducten uit berggebieden, aangezien berggebieden over een groot potentieel beschikken voor de productie van hoogwaardige voedingsmiddelen;

27.

ziet in dit verband de noodzaak in van steun uit het Elfpo voor landbouwproductie in berggebieden en voor inspanningen om toegevoegde waarde te leveren via synergieën met andere EU-fondsen en -initiatieven, evenals met private financiële instrumenten, om positieve effecten teweeg te brengen in berggebieden;

28.

is verheugd over de vooruitgang die is geboekt met de EU-bosstrategie; steunt de duurzame ontwikkeling van bossen op het niveau van de Unie, met name ten aanzien van de bijdrage van bossen aan de bescherming van het milieu en de biodiversiteit en het behalen van de doelstellingen voor hernieuwbare energie; merkt op dat de nadruk in de strategie gelegd kan worden op de economische dimensie van de bosbouw;

29.

is van mening dat bosbouw kan zorgen voor werkgelegenheid en economische ontwikkeling in berggebieden en dat daarom het bosbestand op termijn moet worden gewaarborgd door het op een duurzame manier te ontginnen; herinnert eraan dat bossen van cruciaal belang zijn voor het ecosysteem en dat ze in de bergen een belangrijke rol spelen bij de preventie van lawines, aardverschuivingen en overstromingen; verzoekt om steun aan kmo's, in het bijzonder in berggebieden gevestigde kmo's, die actief zijn in de bosbouwsector en die het beginsel van milieuduurzaamheid volledig naleven; onderstreept de bijzondere economische en sociale rol van de bosbouw in berggebieden, en het belang van investeringen die gericht zijn op een efficiënt gebruik van het bosbestand in die regio's; wijst nogmaals op de belangrijke rol van bossen als leverancier van primaire en secundaire materialen voor de geneesmiddelen-, cosmetica- en voedingsindustrie, waardoor wordt bijgedragen aan het scheppen van banen; dringt er in dit verband op aan dat in het cohesiebeleid meer aandacht wordt besteed aan duurzaam bosbeheer;

30.

roept op tot aanvullende stimulansen voor het behoud van kleinschalige verwerkingsbedrijven en kleine en middelgrote landbouwbedrijven in berggebieden, die aanzienlijke werkgelegenheid verschaffen en producten produceren met bijzondere kwalitatieve kenmerken, maar gemiddeld hogere kosten maken en een lager rendement hebben dan landbouwbedrijven met intensieve gewassen- of veeteelt; verzoekt de Commissie proefprojecten te bevorderen om traditionele economische activiteiten in ere te herstellen, waaronder de landbouw en ambachten, in berggebieden die te lijden hebben onder ontvolking; verzoekt de Commissie en de lidstaten om gestroomlijnde administratieve procedures te bevorderen voor de aanvraag en de administratie van middelen, teneinde kleine gemeenschappen een betere toegang tot financiering te bieden om langetermijnontwikkeling, de toegankelijkheid van de markten en de oprichting van producentenorganisaties in berggebieden te stimuleren;

31.

roept de begunstigden van de ESI-fondsen in berggebieden op het potentieel en de behoefte om lokale technologie- en duurzame industrieparken te vestigen, te beoordelen en na een geschikt haalbaarheidsonderzoek en een adequate kosten-batenanalyse de bouw van dergelijke parken met EU- en nationale middelen te overwegen;

32.

onderstreept de noodzaak van slimme-specialisatiestrategieën om, indien nodig, het potentieel van berggebieden een impuls te geven;

33.

benadrukt de belangrijke rol die sociale ondernemingen en alternatieve bedrijfsmodellen zoals coöperaties en onderlinge maatschappijen kunnen spelen in de inclusieve en duurzame ontwikkeling van berggebieden, waaronder het tegengaan van de uitsluiting van gemarginaliseerde groepen, en het dichten van de genderkloof;

34.

steunt het gebruik van ESI-fondsen voor economische sectoren die niet vervuilen en toekomstgericht zijn, zoals duurzaam toerisme, cultureel erfgoed, de duurzame bosbouw, de ontwikkeling van internet met hoge snelheid, ambachten en de hernieuwbare energie; wijst erop hoe belangrijk het is om nieuwe, innovatieve toerismemodellen te ontwikkelen en succesvolle bestaande modellen te bevorderen;

De sociaaleconomische dimensie van de berggebieden

35.

merkt op dat binnen het cohesiebeleid meer de nadruk kan worden gelegd op het ondersteunen van de omschakeling naar een koolstofarme, klimaatbestendige, hulpbronnenefficiënte en ecologisch duurzame economie;

36.

is van mening dat het verbeteren van de kwalificaties van de beroepsbevolking en het creëren van nieuwe banen in de groene economie deel moeten uitmaken van de investeringsprioriteiten van de ESI-fondsen, en benadrukt dat met EU-beleidsmaatregelen opleidingen moeten worden ondersteund op het gebied van bijvoorbeeld berglandbouw, duurzaam toerisme, ambachten, duurzame bosbouw en technologieën voor hernieuwbare energie;

37.

juicht initiatieven om jonge mensen warm te maken voor de landbouwsector toe en verzoekt de Commissie soortgelijke programma's te ontwikkelen voor berggebieden; dringt erop aan maatregelen te nemen om jonge ondernemers te stimuleren ook actief te worden op terreinen die verband houden met cultureel erfgoed en zich niet uitsluitend te beperken tot seizoensgebonden activiteiten; benadrukt de rol van wetenschappelijke instituten en andere onderwijsinstellingen die zich bezighouden met landbouw in berggebieden; stimuleert de deelname van jonge landbouwers aan uitwisselingsprogramma's en platformen voor e-leren;

38.

benadrukt het belang van onderwijs voor vrouwen en meisjes en van de integratie van vrouwen en meisjes in vakgebieden zoals wetenschap, technologie, engineering, wiskunde en ondernemerschap, waaronder sectoren op het vlak van de groene economie; is van mening dat bijzondere aandacht moet uitgaan naar het ondersteunen en stimuleren van vrouwelijke landbouwers en vrouwen die als zelfstandige werken op het gebied van direct marketing, toerisme, ambachtelijke handel en projecten; wijst op het belang van de actieve aanwezigheid en rol van vrouwen in berggebieden, met name voor de bevordering van innovatie en samenwerkingsprocessen en voor het goed blijven functioneren van deze gebieden; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook gebruik te maken van bestaande middelen en procedures voor initiatieven op het gebied van microfinanciering en microkrediet voor vrouwen, en voor carrièremogelijkheden voor vrouwen, in het kader van het Europees Sociaal Fonds en transnationale projecten;

39.

benadrukt dat het belang van berggebieden en van doeltreffende maatregelen in de EU is opgenomen in de laatste hervorming van het GLB; is van oordeel dat het GLB tot doel moet hebben de natuurlijke en economische nadelen waarmee landbouwers geconfronteerd worden te compenseren, maar hun ook de middelen moet bieden om hun pluspunten te kunnen benutten;

40.

onderstreept het belang van de steun uit de eerste pijler van het GLB voor de instandhouding van de landbouwproductie en een inkomen voor landbouwers in de berggebieden; herinnert eraan dat de lidstaten gebruik kunnen maken van specifieke rechtstreekse steun en gekoppelde betalingen als hulpmiddel om deze doelstellingen te bereiken; wijst er nogmaals op dat in vele lidstaten, als gevolg van onvoldoende interne convergentie, een deel van de ontkoppelde steun uit de eerste pijler aanzienlijk lager is dan in gebieden die in agrarisch opzicht bevoordeeld zijn, hetgeen het concurrentievermogen van landbouwbedrijven nog verder beperkt;

41.

is van mening dat de maatregelen uit de tweede pijler van het GLB de duurzaamheid, het concurrentievermogen en de diversificatie van de landbouwproductie en van verwerkingsbedrijven in berggebieden moeten garanderen; is eveneens van mening dat dergelijke maatregelen kunnen bijdragen aan een „plattelandsrenaissance” door steun te verlenen aan de opkomst van projecten voor de ontwikkeling van multifunctionele landbouwbedrijven die toegevoegde waarde en innovatie opleveren, en door landbouwinvesteringen (in gebouwen, specifieke apparatuur, modernisering, enz.) en de instandhouding van lokale rassen te bevorderen;

42.

is van mening dat een sectorspecifieke aanpak voor de zuivelsector gericht moet zijn op het waarborgen van duurzame melkproductie in berggebieden, en verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale overheden om met name met behulp van de tweede pijler van het GLB te voorzien in begeleidende compenserende maatregelen voor achtergestelde melkproductie met het oog op de instandhouding en versterking van de landbouw en de doeltreffende werking van landbouwbedrijven, met name kleinschalige bedrijven, in deze regio's;

43.

benadrukt het potentieel van duaal onderwijs in berggebieden; wijst op de bemoedigende resultaten die in sommige lidstaten zijn behaald; is verheugd over bestaande projecten voor duaal onderwijs in de hele Unie;

44.

is van mening dat geschikte fysieke en ICT-infrastructuur kansen creëert voor economische, sociale, culturele en onderwijsactiviteiten en dat isolement en een perifere ligging hierdoor minder van invloed zijn; verzoekt de Commissie met specifieke aanbevelingen te komen om het tekort aan opgeleid personeel in het toerisme aan te pakken, vooral door het hoofd te bieden aan de uitdagingen van onaantrekkelijke banen en onvoldoende beloning, alsmede door mogelijkheden voor professionele loopbaanontwikkeling te stimuleren; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om via de ESI-fondsen investeringen in de infrastructuur in berggebieden toe te wijzen, met als doel ze aantrekkelijker te maken voor het uitoefenen van economische activiteiten;

45.

steunt innovatieve oplossingen, onder andere op basis van IT, voor de toegang tot kwalitatief basisonderwijs, evenals formeel en informeel onderwijs en mogelijkheden voor levenslang leren, in afgelegen berggebieden, bijvoorbeeld via samenwerking tussen berggebieden, steden en universiteiten; benadrukt de behoefte aan kwalitatief hoogwaardig hoger onderwijs en wijst op het potentieel van systemen voor afstandsonderwijs die toegang bieden tot lesgeven en leren vanuit afgelegen gebieden; benadrukt dat gelijke toegang tot onderwijs en kinderopvangvoorzieningen en de bij- en omscholing van ouderen om hun actieve integratie op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken belangrijke punten van zorg zijn die moeten worden aangepakt om het hoofd te bieden aan negatieve demografische trends in deze gebieden;

46.

verzoekt om de ontwikkeling en verbetering van gezondheidsinstellingen en -diensten in berggebieden, onder andere door middel van initiatieven voor grensoverschrijdende samenwerking, waaronder de ontwikkeling van instellingen voor grensoverschrijdende gezondheidszorg, waar nodig; pleit voor de ontwikkeling van vrijwilligerswerk voor de verlening van openbare diensten, waarbij rekening wordt gehouden met de beste praktijken in bepaalde lidstaten;

47.

herinnert aan het beginsel van universele toegang tot openbare diensten dat moet worden gegarandeerd in alle gebieden van de EU, terwijl de nadruk wordt gelegd op de behoefte voor lidstaten en gebieden om alternatieve en innovatieve oplossingen voor berggebieden aan te moedigen, met inbegrip van pasklare oplossingen die zijn aangepast aan lokale en regionale behoeften, indien nodig;

48.

benadrukt het belang van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, en van een doeltreffendere tenuitvoerlegging van de jongerengarantie, als goede mogelijkheid om het wegtrekken van jongeren uit berggebieden een halt toe te roepen, als antwoord op de demografische crisis en het probleem van vergrijzing; wenst dat jongerenwerkgelegenheidsinitiatieven speciaal worden gericht op de behoeften van onderontwikkelde berggebieden;

49.

benadrukt dat er een genderkloof blijft bestaan in berggebieden, vooral in het geval van gemarginaliseerde gemeenschappen en kwetsbare groepen; verzoekt de Commissie op horizontaal en verticaal niveau maatregelen voor genderintegratie te nemen voor alle beleidsterreinen, en met name om het connectiviteitsbeleid in deze gebieden te financieren; verzoekt om een vergelijkende analyse van de bijzondere omstandigheden van vrouwen in berggebieden, in het bijzonder in achtergestelde berggebieden;

50.

roept actief op tot steun, onder andere via het gebruik van ESI-fondsen, voor initiatieven die de sociale en culturele cohesie van en de inclusie in berggemeenschappen verbeteren, en het fysieke isolement en het gebrek aan culturele diversiteit opheffen, in het bijzonder via toegang tot en directe deelname aan kunst en het culturele leven;

51.

onderstreept het belang van geïntegreerde territoriale initiatieven die gericht zijn op de integratie van migranten in het kader van processen in verband met demografische en sociaaleconomische vernieuwing en herstel in de berggebieden, zo ook de gebieden die kampen met ontvolking; verzoekt de Commissie de verspreiding van dergelijke initiatieven te ondersteunen en te bevorderen;

Milieubescherming en de strijd tegen klimaatverandering in berggebieden

52.

herinnert aan de rijkdom, zowel wat betreft hun omvang als verscheidenheid, aan hernieuwbare energiebronnen in berggebieden; is van mening dat deze gebieden het voortouw moeten nemen bij het behalen van de EU-doelstellingen voor hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie zich te richten op beleid waarmee het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in berggebieden wordt aangemoedigd en vergemakkelijkt;

53.

benadrukt dat de emblematische diersoorten van het hooggebergte die kunnen leven op grensoverschrijdende bergketens, zoals berggeiten, steenbokken, grote roofvogels, beren, wolven en lynxen, op Europees niveau moeten worden beschermd; verzoekt de Commissie en de lidstaten een plan op te stellen voor de bescherming en herinvoering van emblematische soorten van het hooggebergte;

54.

onderstreept eveneens het potentieel van vulkanische berggebieden en vulkanen, en dan vooral de bijdrage van de vulkanologie aan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake hernieuwbare energie en de bijdrage van die gebieden aan de preventie en het beheer van natuurrampen, zoals vulkaanuitbarstingen;

55.

verzoekt de lidstaten en de Commissie alle vakantiegebieden in het hooggebergte in kaart te brengen waarvoor een autoverbod een positieve invloed zou hebben in de lokale strijd tegen het smelten van de gletsjers;

56.

blijft erbij dat er bij het verwezenlijken van de EU-doelstellingen voor hernieuwbare energie en de winning van hernieuwbare energie rekening moet worden gehouden met het evenwicht tussen de natuur en milieubescherming, zo ook in berggebieden; herinnert eraan dat het gebruik van waterkracht en biomassa in sommige gevallen ecosystemen kan aantasten, en dat wind- en zonne-energiecentrales het landschap zouden kunnen schaden maar tegelijkertijd een bron van lokale ontwikkeling zijn;

57.

merkt op dat berggebieden, waaronder vulkanische berggebieden en hun ecosystemen, bijzonder kwetsbaar zijn voor klimaatverandering en hydrogeologische risico's, met uiterst belangrijke gevolgen in die gebieden, mede door het stijgende aantal natuurrampen, met mogelijke milieugevolgen voor de omliggende gebieden en een negatieve weerslag op de economische ontwikkeling en het toerisme; is in dit verband van mening dat de bescherming van het milieu, het tegengaan van klimaatverandering en het nemen van passende maatregelen voor de aanpassing aan de klimaatverandering centraal moeten staan in een toekomstige „Agenda voor berggebieden van de EU”, met onder andere een actieplan inzake klimaatverandering; benadrukt daarnaast dat er een netwerk moet worden ontwikkeld voor de analyse en uitwisseling van beste praktijken in deze gebieden;

58.

benadrukt dat de unieke habitat van berggebieden behouden en beschermd en op duurzame wijze ontwikkeld moet worden, mede door het herstel van de biodiversiteit en de bodem, de bevordering van het natuurlijk erfgoed en ecosysteemdiensten en de verstrekking van groene infrastructuur, hetgeen de werkgelegenheid in deze sectoren ten goede komt; wijst nogmaals op het cruciale belang van landbouw en duurzaam grond- en bosbeheer in berggebieden om de biodiversiteit in stand te houden en te waken voor ingrijpende gevolgen voor het milieu en het landschap;

59.

benadrukt dat berggebieden een belangrijke bron van watervoorraden zijn die moeten worden beschermd en op duurzame wijze moeten worden beheerd; merkt op dat bepaalde stedelijke gebieden afhankelijk zijn van ecosysteemdiensten uit de berggebieden, en dat deze gebieden hiervoor vaak geen fatsoenlijke vergoeding krijgen; verzoekt lokale instanties na te denken over partnerschappen in de vorm van samenwerkingsprojecten om watervoorraden voor stedelijke gemeenschappen in de buurt van berggebieden aan te leggen en te beschermen; is voorstander van de financiering van maatregelen voor de opslag van water om een duurzame en efficiënte irrigatie van landbouwgebieden en een minimale stroming in rivieren te kunnen garanderen;

60.

steunt de ontwikkeling van duurzaam toerisme als kans om werkgelegenheid te scheppen en de duurzame ontwikkeling van deze gebieden te bevorderen; onderstreept dat breedbandinternet moet worden ontwikkeld als basis voor duurzaam toerisme;

61.

benadrukt de behoefte aan een actieve en synergetische samenwerking tussen de landbouw en andere economische activiteiten in Natura 2000-zones en andere beschermde gebieden (nationale parken, landschapsparken enz.) die zich in berggebieden bevinden;

Bereikbaarheid en connectiviteit in berggebieden

62.

is van mening dat internet, en met name toegangstechnologieën van de volgende generatie, een cruciale rol spelen in het overwinnen van de uitdagingen waarmee berggebieden worden geconfronteerd; herinnert eraan dat internet gekoppeld is aan diensten van algemeen belang en dat een gebrekkige toegang tot dergelijke diensten tot ontvolking kan leiden;

63.

verzoekt de lidstaten stimulansen te creëren voor de actievere ontwikkeling van publiek-private partnerschappen in berggebieden, op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en energie-infrastructuur, aangezien de verlening van deze diensten commercieel onaantrekkelijk is wegens het gebrek aan schaaleconomieën; benadrukt dat economische groei en nieuwe banen in berggebieden enkel kunnen worden verwezenlijkt via beter vervoer en andere infrastructuur van toereikende kwaliteit;

64.

merkt op dat het toerisme sterk wordt beïnvloed door de aanwezigheid van infrastructuur en de toegang tot diensten van algemeen belang; verzoekt de Commissie de mogelijkheden te bekijken voor de aanleg van infrastructuur ter ondersteuning van toerisme in berggebieden;

65.

merkt op dat de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën een rijk scala aan kansen bieden voor werkgelegenheid, sociale inclusie en zelfredzaamheid in de opkomende digitale economie; is daarom van mening dat specifieke steun uit de ESI-fondsen nodig is ter bevordering van dergelijke kansen; verzoekt de lidstaten om telewerk, e-handel en het gebruik van digitale marketingkanalen in deze gebieden te bevorderen met het oog op een beter kostenbeheer van bedrijven; is van mening dat een betere toegang tot nieuwe informatietechnologieën kan leiden tot de ontwikkeling van programma's voor afstandsonderwijs in gebieden met een lerarentekort, evenals elektronische gezondheidsdiensten, hetgeen ontvolking van berggebieden kan helpen voorkomen; pleit ervoor om voorbeelden van goede praktijken voor te stellen en te delen en zo bij te dragen tot de economische diversificatie van berggebieden;

66.

is verheugd over de EU-satellietvoucherregeling, op basis waarvan satellietverbindingen een bruikbaar alternatief bieden voor gebieden met ontoereikende infrastructuur of een gebrek aan belangstelling van investeerders;

67.

verzoekt de Commissie bij het opstellen van beleid voor breedbandtoegang rekening te houden met het gebrek aan infrastructuur en belangstelling van investeerders als gevolg van de geringe bevolkingsdichtheid en afgelegen ligging van berggebieden; verzoekt de Commissie specifiek beleid op te stellen voor het opheffen van de digitale kloof in deze gebieden, onder andere door de noodzakelijke overheidsinvesteringen;

68.

herinnert eraan dat de sociale en economische ontwikkeling van berggebieden, die in sommige lidstaten ook afgelegen gebieden zijn, afhangt van verkeersverbindingen tussen deze en de andere gebieden in een bepaalde lidstaat of grensoverschrijdende regio's; verzoekt de nationale autoriteiten om in samenwerking met de Commissie de tenuitvoerlegging van projecten voor vervoersconnectiviteit van berggebieden met nationale en trans-Europese hoofdverkeerswegen en vervoerscorridors, met name de vervoersinfrastructuur van TEN-T, te vergemakkelijken door gebruik te maken van verschillende EU-fondsen en financiële instrumenten, waaronder EIB-investeringen;

69.

verzoekt de Europese berggebieden om middels de EFRO-fondsen te investeren in de ontwikkeling van efficiëntere en beter verbonden spoorweg- en tramnetten;

o

o o

70.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's en de regeringen en nationale en regionale parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.

(3)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.

(4)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.

(5)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.

(6)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(7)  PB L 317 van 4.11.2014, blz. 56.

(8)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.

(9)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.

(10)  PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.

(11)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0109.

(12)  PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 55.

(13)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0577.

(14)  PB C 55 van 12.2.2016, blz. 117.

(15)  PB C 19 van 21.1.2015, blz. 32.

(16)  PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 30.

(17)  PB C 305 E van 11.11.2010, blz. 14.

(18)  PB C 248 van 25.8.2011, blz. 81.

(19)  PB C 166 van 7.6.2011, blz. 23.


Woensdag 11 mei 2016

28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/23


P8_TA(2016)0217

Versnelde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid

Resolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2016 over een versnelde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid (2016/2550(RSP))

(2018/C 076/03)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 4, artikel 162, de artikelen 174 tot en met 178 en artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (1) (hierna de „verordening gemeenschappelijke bepalingen” (VGB)),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (2),

gezien het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie, getiteld „Investeren in groei en werkgelegenheid: bevorderen van ontwikkeling en goed bestuur in de regio's en steden van de EU” van 23 juli 2014,

gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld „Investeren in banen en groei — naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen” (COM(2015)0639),

gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de gereedheid van de EU-lidstaten voor een doeltreffende en tijdige aanvang van de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid (3),

gezien de mededeling van de Commissie van 22 februari 2016 getiteld „Investeringsplan voor Europa: nieuwe richtsnoeren over de combinatie van de Europese structuur- en investeringsfondsen met het EFSI”,

gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over vertragingen bij de aanvang van het cohesiebeleid 2014-2020 (4),

gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het cohesiebeleid en de evaluatie van de Europa 2020-strategie (5),

gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over „Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020” (6),

gezien de vraag aan de Commissie over een versnelde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid (O-000070/2016 — B8-0364/2016),

gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het cohesiebeleid, met een begroting van meer dan 350 miljard EUR tot 2020, het instrument is dat de EU dichter bij de burger brengt en het belangrijkste investerings- en ontwikkelingsbeleid van de EU vormt dat betrekking heeft op alle EU-regio's; overwegende dat financiering in het kader van het cohesiebeleid voor een aantal lidstaten de belangrijkste bron van overheidsinvesteringen vormt;

B.

overwegende dat de Europa 2020-doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt door een samenhangende wisselwerking tussen de beleidsmaatregelen voor ontwikkeling en groei en, indien nodig, structurele hervormingen, alsook door regio's en steden actief te betrekken bij de tenuitvoerlegging van de doelstellingen; overwegende dat het cohesiebeleid wat dit betreft van cruciaal belang is;

C.

overwegende dat met de verordeningen voor 2014-2020 een aantal belangrijke hervormingen in het cohesiebeleid zijn ingevoerd, zoals een thematische concentratie met ruimte voor de nodige flexibiliteit om beter in te spelen op de lokale behoeften, een grotere resultaatgerichtheid, een betere coördinatie met het economisch en sociaal beleid, een grotere samenhang tussen de EU-prioriteiten en de regionale behoeften, en een beter gecoördineerd gebruik van financiering uit de ESI-fondsen via het gemeenschappelijk strategisch kader;

D.

overwegende dat investeringen in het kader van het cohesiebeleid moeten worden gecoördineerd en geharmoniseerd met andere beleidsdomeinen van de EU, zoals de digitale interne markt, de energie-unie, sociaal beleid, macroregionale strategieën, de stedelijke agenda, onderzoek en innovatie en vervoersbeleid, om beter te kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

E.

overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 136, lid 1, van de VGB het deel van het bedrag van een operationeel programma moet vrijmaken dat op 31 december van het derde begrotingsjaar na het jaar van vastlegging voor het operationele programma niet is gebruikt voor betalingen van initiële en jaarlijkse voorfinanciering en voor tussentijdse betalingen;

F.

overwegende dat er sinds het begin van de nieuwe programmeringsperiode twee jaar zijn verstreken en dat de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid vertraging heeft opgelopen; overwegende dat de meeste operationele programma's eind 2014 en in 2015 zijn goedgekeurd en dat een groot aantal ex-antevoorwaarden nog niet is vervuld;

G.

overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 53 van de VGB met ingang van 2016 jaarlijks een samenvattend verslag moet toezenden aan het Europees Parlement over de programma's van de ESI-fondsen, op basis van de door de lidstaten op grond van artikel 50 ingediende jaarverslagen over de uitvoering, en dat de Commissie in 2017 en 2019 een strategisch verslag met een samenvatting van de voortgangsverslagen van de lidstaten moet opstellen;

1.

vraagt de Commissie de stand van de tenuitvoerlegging van de ESI-fondsen in de periode 2014-2020 te beoordelen en een gedetailleerde analyse van de risico's van vrijmaking te maken, met vermelding van de bedragen per lidstaat evenals een analyse van de door de lidstaten ingediende betalingsramingen, zo snel mogelijk na 31 januari en 31 juli, de in de VGB vastgelegde uiterste termijnen; verzoekt de Commissie tevens aan te geven welke maatregelen worden gepland om vrijmaking van de ESI-fondsen zo veel mogelijk te voorkomen;

2.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om het potentieel van de ESI-fondsen ten volle te benutten, in overeenstemming met de Europa 2020-strategie, teneinde de sociale en economische cohesie te versterken en de territoriale verschillen te verkleinen door alle regio's in staat te stellen hun concurrentievermogen te ontwikkelen en investeringen te bevorderen, ook uit particuliere bronnen;

3.

stelt, terugblikkend op de programmeringsperiode 2007-2013, vast dat de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in verscheidene lidstaten en regio's voornamelijk door de volgende obstakels en problemen werd bemoeilijkt: ontoereikende informatie voor potentiële begunstigden, hetgeen een gebrek aan in aanmerking komende projecten tot gevolg had, trage en langdurige goedkeuringsprocedures voor grote projecten in combinatie met een gebrek aan administratieve structuren om investeringen voor grote projecten te beheren, complexe staatssteunregels, ingewikkelde vergunningsprocedures, onopgeloste vermogensrechtelijke betrekkingen, de buitensporige lengte van de goedkeuringsprocedure en de moeilijke toegang tot financiering; stelt bovendien vast dat de lidstaten en lokale overheden soms met moeilijkheden werden geconfronteerd bij het naleven van de vereisten met betrekking tot de interne en externe tenuitvoerlegging van het stabiliteits- en groeipact; vraagt de Commissie om voor de programmeringsperiode 2014-2020 enerzijds informatie te verstrekken over de obstakels die de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid ervaren, en anderzijds te beoordelen welk effect het uitvoeren van de opgave om te voldoen aan de ex-antevoorwaarden heeft op de effectieve tenuitvoerlegging van het beleid;

4.

is ingenomen met de oprichting van de taskforce voor een betere tenuitvoerlegging van de programma's van 2007-2013 in acht lidstaten, en verzoekt de Commissie het Parlement in kennis te stellen van de bereikte resultaten; vraagt de Commissie deze taskforce verder te zetten om de tenuitvoerlegging van de programma's voor 2014-2020 in alle lidstaten te ondersteunen en te bespoedigen, en het Parlement een actieplan voor de werkzaamheden van de taskforce te presenteren; vraagt de Commissie om de ESI-fondsen volledig in de EU-strategie voor betere regelgeving op te nemen;

5.

onderstreept dat administratieve capaciteit zowel op nationaal als op regionaal en lokaal niveau een belangrijke voorwaarde is voor een tijdige en geslaagde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid; wijst er in dit verband op dat een gebrek aan in aanmerking komende projecten vaak samenhangt met het gebrek aan middelen die lokale en regionale overheden nodig hebben om projectdocumentatie op te stellen; vraagt de Commissie daarom steun te verlenen voor de versterking van de administratieve capaciteit in de stadia van de tenuitvoerlegging en de evaluatie van het beleid, en aan het Parlement verslag uit te brengen over de maatregelen die daartoe zijn gepland; spoort tevens de beheersautoriteiten aan ten volle en op doeltreffende wijze gebruik te maken van de bepalingen van thematische doelstelling 11 inzake „vergroting van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties en belanghebbenden” en van de beschikbare richtsnoeren van de Commissie;

6.

benadrukt, met de gedachte in het hoofd dat goed bestuur kan bijdragen tot een beter absorptievermogen, dat moet worden aangespoord tot de nodige structurele hervormingen, in overeenstemming met de doelstellingen voor territoriale samenhang en voor duurzame groei en werkgelegenheid, alsook tot investeringsvriendelijke beleidsmaatregelen en de strijd tegen fraude; kijkt uit naar de conclusies van het verslag van de Commissie betreffende de achterstandsgebieden en naar meer informatie over de manier waarop deze conclusies kunnen worden gebruikt om de uitdagingen aan te pakken die al jaar en dag de tijdige tenuitvoerlegging en absorptie van de ESI-fondsen bemoeilijken; verzoekt de Commissie tevens duidelijkheid te scheppen over het concept van een op prestaties gebaseerd begrotingsmodel met het oog op een efficiëntere besteding van middelen;

7.

is verheugd over de oprichting door de Commissie van een groep van onafhankelijke deskundigen op hoog niveau voor toezicht op de vereenvoudiging van de ESI-fondsen voor begunstigden; benadrukt dat vereenvoudiging een van de voorwaarden is voor een snellere tenuitvoerlegging; dringt er daarom bij de Commissie op aan om nog tijdens de huidige programmeringsperiode vaart te zetten achter maatregelen ter invoering van vereenvoudigde procedures en om in het cohesiebeleid een hoge graad van transparantie te handhaven; is in dit verband van oordeel dat de aanbevelingen van de groep op hoog niveau onverwijld in aanmerking moeten worden genomen;

8.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de bestaande flexibiliteit in het kader van het stabiliteits- en groeipact ten volle aan te wenden en te benutten, rekening houdend met het feit dat de economische crisis in vele lidstaten tot liquiditeitstekorten en een gebrek aan beschikbare overheidsmiddelen voor openbare investeringen heeft geleid en dat middelen voor cohesiebeleid de belangrijkste bron van openbare investering aan het worden zijn; verzoekt de Commissie bovendien een permanente dialoog in stand te houden met de lidstaten die om toepassing van de huidige investeringsclausule hebben gevraagd, teneinde de flexibiliteit met betrekking tot investeringen voor groei en banen tot het uiterste te benutten; verzoekt de Commissie daarnaast aan te sporen tot inbreng van de EIB in de vorm van verhoogde technische en financiële steun voor de voorbereiding en tenuitvoerlegging van projecten voor de lidstaten die erom vragen; is van oordeel dat financieringsinstrumenten, mits zij op doeltreffende wijze worden gebruikt op basis van een behoorlijke voorafgaande beoordeling en strategisch worden gecombineerd met subsidies, het effect van financiering aanzienlijk kunnen vergroten en op die manier de negatieve gevolgen van krimpende overheidsbegrotingen kunnen helpen ondervangen en kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van inkomstengenererende projecten; benadrukt dat deze ambitie werkelijkheid kan worden met behulp van duidelijke, samenhangende en doelgerichte regels inzake financieringsinstrumenten om het proces van voorbereiding en tenuitvoerlegging gemakkelijker te maken voor fondsbeheerders en begunstigden en waarin rekening wordt gehouden met de verschillende niveaus van ontwikkeling van de financiële markten van de EU-lidstaten; is van oordeel dat het in dit proces ook nuttig zou zijn dat alle relevante voorschriften over financieringsinstrumenten in één gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk document worden samengebracht en dat onnodige herzieningen van de bijbehorende richtsnoeren middenin de financieringsperiodes worden vermeden, tenzij dit wettelijk vereist is;

9.

is zich bewust van de complementaire aard van EFSI-investeringen ten opzichte van het cohesiebeleid en neemt kennis van de mededeling van de Commissie van 22 februari 2016 getiteld „Investeringsplan voor Europa: nieuwe richtsnoeren over de combinatie van de Europese structuur- en investeringsfondsen met het EFSI”; verzoekt de Commissie en de lokale en regionale overheden naar behoren rekening te houden met de mogelijkheden om financiering uit de ESI- en EFSI-fondsen te combineren, aangezien beide instrumenten weliswaar verschillend zijn maar elkaar niettemin kunnen aanvullen, waardoor het hefboomeffect van investeringen wordt vergroot;

10.

maakt zich zorgen over de vertragingen die de lidstaten ondervinden bij de aanduiding van programmerings- en certificerende instanties, waardoor het indienen van betalingsaanvragen door de lidstaten op zijn beurt vertraging oploopt en de vlotte tenuitvoerlegging van de programma's wordt verhinderd;

11.

is van mening dat een te sterke centralisatie en een gebrek aan vertrouwen ook een rol kunnen spelen bij de vertraging van de tenuitvoerlegging van ESI-fondsen, waarbij een aantal lidstaten en beheersautoriteiten weinig animo aan de dag leggen om lokale en regionale overheden meer verantwoordelijkheden toe te kennen voor het beheer van EU-middelen, onder meer via nieuwe ontwikkelingsinstrumenten als geïntegreerde territoriale investering (ITI) en vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling (CLLD); vraagt de Commissie, zonder echter uit het oog te verliezen dat het regelgevend kader van de EU deze houding in de hand heeft gewerkt, te blijven zorgen voor een betere uitwisseling van optimale werkwijzen tussen lidstaten en regio's op het gebied van geslaagde subdelegatie;

12.

benadrukt hoe belangrijk tijdige betalingen zijn voor de behoorlijke en doeltreffende tenuitvoerlegging en de geloofwaardigheid van het cohesiebeleid; verzoekt de Commissie daarom het Parlement te laten weten welke maatregelen worden overwogen om ervoor te zorgen dat het betalingsplan in het kader van de begroting 2016 en ook de volgende jaren volledig wordt uitgevoerd;

13.

benadrukt dat als de (versnelde) tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid nu wordt beoordeeld de Commissie belangrijke werkpunten op het spoor kan komen met het oog op de bespreking van het toekomstige cohesiebeleid voor de periode na 2020; vraagt de Commissie zo snel mogelijk met het Parlement, de lidstaten en andere belanghebbenden samen te zitten om de toekomst van de ESI-fondsen na 2020 te bespreken, teneinde hun doelgerichte gebruik en tijdige tenuitvoerlegging te verbeteren;

14.

wijst erop hoe belangrijk het is dat de lidstaten de maatregelen op het gebied van ex-antevoorwaarden tegen eind 2016 vervullen om een vlotte tenuitvoerlegging van de programma's te waarborgen en de eventuele opschorting van tussentijdse betalingen te voorkomen; dringt er bij de Commissie op aan uitgebreide richtsnoeren inzake openbare aanbestedingen en maatregelen ter voorkoming van fouten en onregelmatigheden bij aanbestedingen op te stellen, en standaardaanbestedingsprocedures voor begunstigden te publiceren om financiële correcties en de eventuele intrekking van EU-bijdragen te voorkomen;

15.

verzoekt de Commissie, de lidstaten en alle belanghebbenden doeltreffende initiatieven op het gebied van communicatiebeleid beter te coördineren en op touw te zetten, om de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid meer bekendheid en een grotere zichtbaarheid te geven bij het grote publiek en er op die manier voor te zorgen dat het grote publiek de resultaten en de effecten van het cohesiebeleid beter kan inschatten;

16.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, het Comité van de Regio's alsmede de lidstaten en hun nationale en regionale parlementen.


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0015.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0068.

(5)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0384.

(6)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.


Donderdag 12 mei 2016

28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/27


P8_TA(2016)0218

Krim-Tataren

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de Krim-Tataren (2016/2692(RSP))

(2018/C 076/04)

Het Europees Parlement,

gezien zijn vorige resoluties over het oostelijke partnerschap, Oekraïne en de Russische Federatie,

gezien het rapport van de Human Rights Assessment Mission naar de Krim van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), en het rapport van de hoge commissaris voor de nationale minderheden (HCNM) van de OVSE,

gezien het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en de verklaring van de VN over de rechten van inheemse volkeren (UNDRIP),

gezien de besluiten van de Europese Raad van 21 maart, 27 juni en 16 juli 2014 betreffende het opleggen van sancties aan de Russische Federatie naar aanleiding van de illegale annexatie van de Krim,

gezien resolutie 68/262 van de Algemene Vergadering van de VN van 27 maart 2014 getiteld „Territorial integrity of Ukraine”,

gezien het rapport „Freedom in the World in 2016” van Freedom House, waarin de situatie van de politieke en burgerlijke vrijheden in de illegaal geannexeerde Krim als „niet vrij” wordt beoordeeld,

gezien de uitspraak van het zogeheten Hooggerechtshof van de Krim van 26 april 2016, op grond waarvan de Mejlis van de Krim-Tataren als extremistische organisatie wordt aangemerkt die niet langer actief mag zijn op het schiereiland de Krim,

gezien de verklaringen van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 14 april 2016 over de schorsing van de activiteiten van de Mejlis van de Krim-Tataren en van 26 april 2016 over het besluit van het „Hooggerechtshof” van de Krim om een verbod uit te vaardigen op de activiteiten van de Mejlis,

gezien de verklaring van de commissaris voor mensenrechten van de Raad van Europa van 26 april 2016, waarin hij oproept tot intrekking van het verbod op de Mejlis, en gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de Raad van Europa van 26 april 2016, waarin hij stelt dat het verbod op de Mejlis mogelijk de gehele Krim-Tataarse gemeenschap raakt,

gezien het protocol van Minsk van 5 september 2014 en het memorandum van Minsk van 19 september 2014 over de tenuitvoerlegging van een 12 punten tellend vredesplan,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Russische Federatie de Krim en Sevastopol illegaal heeft geannexeerd en daarmee een bezettende staat is die het internationaal recht heeft geschonden, met inbegrip van het VN-Handvest, de Slotakte van Helsinki, het Memorandum van Boedapest van 1994 en het Verdrag inzake vriendschap, samenwerking en partnerschap tussen de Russische Federatie en Oekraïne van 1997;

B.

overwegende dat de Europese Unie en de internationale gemeenschap herhaaldelijk hun bezorgdheid hebben geuit over de mensenrechtensituatie in de bezette gebieden en over de systematische vervolging van degenen die de nieuwe autoriteiten niet erkennen; overwegende dat deze zogeheten autoriteiten de inheemse gemeenschap van Krim-Tataren tot hun doelwit hebben gemaakt, waarvan een meerderheid gekant is tegen de Russische machtsovername en het zogenoemde referendum van 16 maart 2014 heeft geboycot; overwegende dat Krim-Tataarse instellingen en organisaties in toenemende mate als „extremistisch” worden aangemerkt en dat prominente leden van de Krim-Tataarse gemeenschap als „terroristen” worden bestempeld en gearresteerd worden, of het risico op arrestatie lopen; overwegende dat misdrijven jegens de Tataren worden gepleegd, onder meer ontvoering, gedwongen verdwijning, geweld, marteling en buitengerechtelijke executies die de dienstdoende autoriteiten weigeren te onderzoeken en te vervolgen, en dat de Tataren stelselmatige juridische problemen over eigendomsrechten en registratie ondervinden;

C.

overwegende dat leiders van de Krim-Tataren, waaronder Mustafa Dzhemilev en Rafat Chubarov, al eerder de toegang tot de Krim is ontzegd, en dat zij thans toestemming hebben de Krim binnen te gaan, maar bedreigd worden met arrestatie, waarmee zij het lot delen van verscheidene andere leden van de Mejlis, Krim-Tataarse activisten en ontheemden; overwegende dat meer dan 20 000 Krim-Tataren de bezette Krim hebben moeten verlaten en zich naar het vasteland van Oekraïne hebben begeven, zoals blijkt uit door de Oekraïense regering verstrekte gegevens;

D.

overwegende dat de leider van de Krim-Tataren, Mustafa Dzhemilev, die voorheen 15 jaar in Sovjetgevangenschap heeft gezeten, een lijst van 14 Krim-Tataren openbaar heeft gemaakt die politieke gevangenen zijn van de zogeheten Russische autoriteiten van de Krim, waaronder Ahtem Çiygoz, de eerste vicevoorzitter van de Mejlis, die in afwachting van zijn proces gedetineerd is in Simferopol; verlangt dat bijzondere aandacht aan diens gezondheid wordt besteed en onderstreept hoe belangrijk het is dat hij een openbaar proces krijgt waarop de Raad van Europa en andere internationale organisaties nauwlettend toezicht houden;

E.

overwegende dat de Russische Federatie de Krim beperkt toegankelijk heeft gemaakt voor de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de VN en de Raad van Europa, om niet te spreken van ngo's voor de mensenrechten en onafhankelijke journalisten; overwegende dat dit het erg moeilijk maakt om de mensenrechtensituatie op de Krim in kaart te brengen en er verslag over uit te brengen;

F.

overwegende dat de totale bevolking van Krim-Tataren, een inheemse bevolkingsgroep op de Krim, in 1944 naar andere delen van de USSR is gedeporteerd en pas in 1989 werd toegestaan terug te keren; overwegende dat de Verkhovna Rada van Oekraïne op 12 november 2015 een resolutie heeft aangenomen waarin de deportatie van de Krim-Tataren in 1944 als genocide wordt erkend en 18 mei tot een dag van herinnering wordt uitgeroepen;

G.

overwegende dat het zogeheten Hooggerechtshof van de Krim zich op 26 april 2016 heeft uitgesproken vóór een verzoek van de zogenoemde procureur-generaal van de Krim, Natalia Poklonskaja, waarin zij de Mejlis beschuldigt van extremisme, schendingen van de mensenrechten, illegale handelingen en sabotage gericht tegen de autoriteiten, ook al fungeert de Mejlis sinds zijn oprichting in 1991 als het representatieve orgaan van de Krim-Tataren en geniet de raad sinds mei 1999 een volwaardige juridische status;

H.

overwegende dat de Mejlis inmiddels is bestempeld als extremistische organisatie en toegevoegd is aan de door het Russische Ministerie van Justitie opgestelde lijst van ngo's wier activiteiten gestaakt moeten worden; overwegende dat de activiteiten van de Mejlis daarom verboden zijn op de Krim en in Rusland; overwegende dat dit verbod kan gelden voor meer dan 2 500 leden van 250 mejlises in dorpen en steden op de Krim;

I.

overwegende dat het besluit van de „procureur-generaal” en het „Hooggerechtshof” van de Krim intrinsiek deel uitmaken van een door de Russische Federatie gevoerd beleid van repressie en intimidatie, waarmee deze minderheid wordt gestraft voor zijn loyaliteit aan de Oekraïense staat tijdens de illegale annexatie van het schiereiland twee jaar geleden;

J.

overwegende dat sprake is van een evidente schending van het internationaal humanitair recht (waaronder het Vierde Haagse Verdrag van 1907, het Vierde Verdrag van Genève van 1949 en aanvullend Protocol nr. I daarbij van 1977), uit hoofde waarvan een bezettingsmacht burgers niet kan vervolgen voor misdrijven die zij begingen voor de bezetting, en dat bepaalt dat het strafrecht van het bezette gebied van kracht blijft;

1.

veroordeelt ten stelligste het besluit van het zogeheten Hooggerechtshof van de Krim om de Mejlis van de Krim-Tataren te verbieden, en verlangt dat dit verbod onmiddellijk wordt ingetrokken; beschouwt dit besluit als een systematische en doelgerichte vervolging van de Krim-Tataren en als een politiek gemotiveerde maatregel waarmee verdere intimidatie van de wettige vertegenwoordigers van de Tataarse gemeenschap wordt beoogd; benadrukt hoe belangrijk dit democratisch gekozen besluitvormingsorgaan van de Krim-Tataren is;

2.

herinnert eraan dat het verbod op de Mejlis van de Krim-Tataren — het wettige en erkende representatieve orgaan van de inheemse bevolking van de Krim — een voedingsbodem zal bieden voor stigmatisering en verdere discriminatie van de Krim-Tataren, alsmede voor schending van hun mensenrechten en fundamentele burgerlijke vrijheden, en een poging is hen van de Krim te verdrijven, terwijl de Krim hun historische thuisland is; vreest dat het bestempelen van de Mejlis als extremistische organisatie aanleiding kan geven tot nieuwe aanklachten overeenkomstig de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht van de Russische Federatie;

3.

herinnert eraan dat het verbod op de Medjlis impliceert dat de raad niet langer bijeen mag komen, zijn standpunten niet kenbaar mag maken in de massamedia, geen openbare manifestaties mag organiseren en evenmin bankrekeningen mag houden; verzoekt de EU de activiteiten van de Mejlis in ballingschap financieel te ondersteunen; verzoekt om meer financiële ondersteuning van mensenrechtenorganisaties die zich inzetten voor de Krim;

4.

herinnert aan het tragische feit dat de illegale annexatie van het schiereiland de Krim door de Russische Federatie van 20 februari 2014 twee jaar geleden is; wijst nogmaals op zijn stellige veroordeling van deze schending van het internationaal recht; benadrukt groot belang te hechten aan het beleid van niet-erkenning van de illegale annexatie van de Krim en de sancties die nadien zijn opgelegd, en vraagt, naar aanleiding van het verbod op de Mejlis, te overwegen of de lijst met personen waarop de EU-sancties gericht zijn uitgebreid kan worden; verzoekt alle lidstaten zich strikt aan deze lijst te houden; betreurt het dat bepaalde politici uit EU-lidstaten, waaronder leden van hun nationale parlementen en van het Europees Parlement, de Krim hebben bezocht, waarbij deze bezoeken zonder instemming van de Oekraïense autoriteiten werden georganiseerd, en verzoekt parlementsleden dergelijke bezoeken in de toekomst achterwege te laten;

5.

bevestigt nogmaals dat het de soevereiniteit, politieke onafhankelijkheid, eenheid en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen krachtig steunt, alsook het recht van Oekraïne om vrij en soeverein een Europese weg in te slaan; verzoekt alle partijen om zich per direct in te zetten voor de vreedzame reïntegratie van het bezette schiereiland de Krim in de Oekaïense rechtsorde door middel van politieke dialoog en in volledige overeenstemming met het internationaal recht; is van mening dat herstel van de controle van Oekraïne over het schiereiland cruciaal is voor het opnieuw aangaan van coöperatieve betrekkingen met de Russische Federatie, en voor het opheffen van de sancties die naar aanleiding van de Krim zijn opgelegd;

6.

veroordeelt de ernstige inperking van de vrijheid van meningsuiting, van vereniging en van vreedzame vergadering, waaronder in het kader van traditionele herinneringsmanifestaties zoals de herdenking van de deportatie van de Krim-Tataren door het totalitaire Sovjet-regime van Stalin, en van culturele bijeenkomsten van de Krim-Tataren;

7.

veroordeelt de beperkingen van de vrije media op de Krim, in het bijzonder de intrekking van de licentie van de grootste Krim-Tataarse televisiezender ATR; verlangt dat de zender weer in gebruik wordt genomen, alsook de kindertelevisiezender Lale en de radiozender Meydan; is van mening dat deze maatregelen de Krim-Tataren beroven van een cruciaal instrument voor het behoud van hun culturele en taalkundige identiteit; neemt kennis van de lancering van de nieuwe zender TV Millet en verlangt dat de volledige redactionele onafhankelijkheid van deze zender wordt gewaarborgd;

8.

betreurt ten zeerste dat de vrijheid van meningsuiting systematisch wordt ingeperkt onder voorwendsel van extremisme en dat nauwlettend toezicht wordt gehouden op de sociale media met het doel de opsporing van activisten die de nieuwe orde niet erkennen en de geldigheid van het „referendum” van 16 maart 2014 in twijfel trekken; herinnert eraan dat honderd leden van de Algemene Vergadering van de VN hetzelfde standpunt innamen bij het aannemen van resolutie 68/262;

9.

herinnert eraan dat de inheemse bevolkingsgroep van de Krim-Tataren historisch onrecht is aangedaan, waarbij zij op grote schaal gedeporteerd zijn door de Sovjetautoriteiten en hun land en hulpbronnen zijn onteigend; betreurt het feit dat het discriminerende beleid van de zogeheten autoriteiten de teruggave van deze bezittingen en hulpbronnen in de weg staat, of ingezet wordt als instrument om steun te kopen;

10.

dringt erop aan dat de Russische Federatie, die op grond van internationaal humanitair recht de uiteindelijke verantwoordelijkheid heeft als bezettende staat op de Krim, de rechtsorde op de Krim handhaaft en burgers beschermt tegen willekeurige juridische of bestuurlijke maatregelen en regelingen, en daarmee haar toezeggingen als lid van de Raad van Europa gestand doet, en leiding geeft aan onafhankelijk internationaal onderzoek naar eventuele schendingen van het internationaal recht of de mensenrechten door de bezettende troepen en de zogeheten lokale autoriteiten; verlangt dat de contactgroep voor familie van vermiste personen nieuw leven wordt ingeblazen;

11.

verlangt dat de desbetreffende internationale organen voor de mensenrechten permanent en ongehinderd toegang tot de Krim krijgen, zodat zij toezicht kunnen houden op de mensenrechtensituatie;

12.

is ingenomen met het Oekraïense initiatief voor een internationaal mechanisme in „Genève plus-formaat” voor onderhandelingen over herstel van de soevereiniteit van Oekraïne over de Krim, waarbij ook is voorzien in rechtstreekse betrokkenheid van de EU; roept de Russische Federatie op met Oekraïne en andere partijen onderhandelingen te starten over beëindiging van de bezetting van de Krim en opheffing van de handels- en energie-embargo's, en een eind te maken aan de staat van beleg op de Krim;

13.

dringt erop aan het historische en traditionele multiculturele karakter van de Krim te handhaven en het Oekraïens, Tataars en andere minderheidstalen en culturen volledig te respecteren; veroordeelt de uitoefening van juridische druk op culturele en educatieve organisaties van de Krim-Tataren, met inbegrip van organisaties die zijn gericht op Krim-Tataarse kinderen;

14.

vraagt de Russische Federatie een onderzoek in te stellen naar alle gevallen van foltering van personen die illegaal op de Krim zijn gearresteerd, waaronder Ahtem Çiygoz, ondervoorzitter van de Mejlis, Mustafa Degermendzhi en Ali Asanov, die op de Krim zijn gearresteerd door de zogeheten lokale autoriteiten vanwege hun vreedzame protest tegen de bezetting, en hun een veilige terugkeer naar Oekraïne te garanderen; verzoekt andermaal om vrijlating van Oleg Sentsov en Oleksandr Kolchenko; verzoekt de Russische Federatie met klem een eind te maken aan de politiek gemotiveerde vervolging van dissidenten en burgerrechtenactivisten; veroordeelt het dat zij in dat kader naar de Russische Federatie worden overgebracht en het feit dat zij worden gedwongen het Russische staatsburgerschap aan te nemen; verzoekt de Russische Federatie in voornoemde zaken nauw samen te werken met de Raad van Europa en de OVSE;

15.

verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden en de Raad om de druk op de Russische Federatie op te voeren om internationale organisaties toegang te verschaffen tot de Krim, zodat zij toezicht kunnen houden op de mensenrechtensituatie in het licht van de flagrante schendingen van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten op het schiereiland, en om permanente, internationale en op verdragen gebaseerde mechanismen voor het houden van toezicht in te stellen; benadrukt dat elke vorm van internationale aanwezigheid ter plaatse goed gecoördineerd en afgestemd moet worden met Oekraïne en de steun moet hebben van de grote internationale organisaties voor de mensenrechten;

16.

benadrukt eens te meer ernstig bezorgd te zijn over de situatie van LGBTI op de Krim, die aanzienlijk verslechterd is na de Russische annexatie;

17.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de president, regering en het parlement van Oekraïne, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de president, regering en het parlement van de Russische Federatie, alsmede aan de Mejlis van de Krim-Tataarse bevolkingsgroep.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/31


P8_TA(2016)0219

Gambia

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over Gambia (2016/2693(RSP))

(2018/C 076/05)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Gambia,

gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over de prioriteiten van de EU voor de VN-Mensenrechtenraad in 2015 (1),

gezien diverse parlementaire vragen over de situatie in Gambia,

gezien de verklaring van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 17 april 2016 over de mensenrechtensituatie in Gambia,

gezien diverse verklaringen van de EU-delegatie in Gambia,

gezien de resolutie van de Commissie van de Afrikaanse Unie van 28 februari 2015 over de mensenrechtensituatie in de Republiek Gambia,

gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de VN Ban Ki-moon van 17 april 2016,

gezien het addendum „Mission to the Gambia” bij het verslag van de speciale rapporteur voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van de VN-Raad voor de mensenrechten van 2 maart 2015,

gezien het verslag van de speciale rapporteur van de VN voor buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies over Gambia van 11 mei 2015,

gezien het verslag van de werkgroep universele periodieke doorlichting van de Verenigde Naties over Gambia van 24 december 2014,

gezien de in juni 2000 ondertekende Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

gezien de grondwet van Gambia,

gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging van 1981,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Yahya Jammeh na een staatsgreep in 1994 aan de macht is gekomen; overwegende dat hij in 1996 tot president werd verkozen en sindsdien, onder omstreden omstandigheden, drie keer is herkozen;

B.

overwegende dat er volgens planning op 1 december 2016 presidentsverkiezingen zullen plaatsvinden en op 6 april 2017 parlementsverkiezingen; overwegende dat de laatste presidentsverkiezingen, die in 2011 plaatsvonden, volgens de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS), legitimiteit misten en gepaard gingen met onderdrukking en intimidatie van oppositiepartijen en hun aanhangers;

C.

overwegende dat een vreedzame demonstratie voor electorale hervormingen, die op 14 april 2016 in Serekunda, een buitenwijk van de hoofdstad Banjul, plaatsvond, werd verstoord door gewelddadigheden door Gambiaanse veiligheidstroepen en willekeurige opsluiting van demonstranten, waaronder een aantal leden van de United Democratic Party (UDP); overwegende dat Solo Sandeng, leider van de oppositie en lid van de UDP, kort na zijn arrestatie onder verdachte omstandigheden in gevangenschap overleed;

D.

overwegende dat leden van de UDP op 16 april 2016 wederom samenkwamen om gerechtigheid voor de dood van Sandeng en de vrijlating van de andere leden van hun partij te eisen; overwegende dat de politie de demonstranten bij die gelegenheid met traangas heeft beschoten en een aantal mensen heeft gearresteerd;

E.

overwegende dat een andere oppositieleider, Ousainou Darboe, en andere gezaghebbende partijleden werden gearresteerd en nog altijd gevangen worden gehouden, naar verluidt terwijl zij ernstige verwondingen hebben;

F.

overwegende dat een verzoek om vrijlating op borgtocht van Alagie Abdoulie Ceesay, directeur van het onafhankelijke radiostation Teranga FM, die op 2 juli 2015 door de nationale veiligheidsdienst (National Intelligence Agency — NIA) werd gearresteerd, tot drie maal toe werd afgewezen, ondanks het feit dat zijn gezondheidssituatie zorgwekkend is;

G.

overwegende dat de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie in maart 2016 een advies heeft uitgebracht, dat was goedgekeurd op haar laatste vergadering van december 2015, waarin zij benadrukte dat de heer Ceesay willekeurig van zijn vrijheid was beroofd en waarin zij Gambia verzocht deze gevangene vrij te laten en alle aanklachten tegen hem in te trekken;

H.

overwegende dat mensenrechtenactivisten en journalisten in Gambia het slachtoffer zijn van misbruikpraktijken en repressieve wetgeving, onophoudelijk te maken hebben met pesterijen en intimidatie, arrestatie en opsluiting en het slachtoffer zijn van onvrijwillige verdwijning of gedwongen ballingschap;

I.

overwegende dat marteling en andere vormen van mishandeling in Gambia regelmatig voorkomen overwegende dat volgens berichten mensen routinematig wreed worden gemarteld of op andere wijze worden mishandeld om ze tot „bekentenissen” te dwingen die vervolgens in de rechtbank worden gebruikt, hetgeen ook blijkt uit het verslag naar aanleiding van het bezoek van de speciale rapporteur van de VN voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing aan Gambia in 2014;

J.

overwegende dat de NIA en de politie stelselmatig mensen willekeurig gevangennemen, zoals de voormalige onderminister van Landbouw, Ousman Jammeh, en de islamitische geleerden Sjeik Omar Colley, Imam Ousman Sawaneh en Imam Cherno Gassama en dat het regelmatig gebeurt dat mensen zonder aanklacht en langer dan de periode van 72 uur waarbinnen een verdachte moet worden voorgeleid worden vastgehouden, hetgeen in strijd is met de grondwet;

K.

overwegende dat de huidige wetgeving tegen homoseksualiteit in Gambia op „zware homoseksualiteit” langdurige gevangenisstraffen en forse geldboetes stelt; overwegende dat LGBTI vaak het slachtoffer zijn van aanvallen, bedreiging en willekeurige arrestatie door veiligheidsdiensten en dat sommigen het land hebben moeten verlaten met het oog op hun eigen veiligheid;

L.

overwegende dat Gambia één van de vijftien armste landen in de wereld is en dat ongeveer een kwart van de Gambiaanse bevolking te maken heeft met chronische voedselonzekerheid; overwegende dat het land in hoge mate afhankelijk is van internationale steun; overwegende dat sinds 2015 14 475 Gambianen in de EU asiel hebben aangevraagd;

M.

overwegende dat de situatie op het gebied van de mensenrechten, democratie en rechtsstaat in Gambia reden geeft tot ernstige bezorgdheid; overwegende dat de EU deze onderwerpen in het kader van de dialoog krachtens artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou sinds eind 2009 aan de orde stelt, maar dat er weinig concrete vooruitgang wordt geboekt;

N.

overwegende dat de EU naar aanleiding van de zorgelijke mensenrechtensituatie haar steun aan Gambia drastisch heeft verlaagd, hoewel de EU de grootste steunverlener aan het land blijft met een bedrag van in totaal 33 miljoen EUR voor de periode 2015-2016 van het nationaal indicatief programma; overwegende dat president Jammeh na deze verlaging van de steun de zaakgelastigde van de EU in Gambia, Agnes Guillard, in juni 2015 plotseling uitwees;

O.

overwegende dat het nationaal indicatief programma voor Gambia voor de periode 2015-2016 voorziet in investeringen in landbouw en voedselveiligheid, alsmede in de vervoerssector, en dat er geen middelen zijn toegewezen aan de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld, democratisch bestuur of de bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat;

P.

overwegende dat Gambia lid is van ECOWAS; overwegende dat in juli 2014 een economische partnerschapsovereenkomst is gesloten tussen de Europese Unie en ECOWAS, die zal worden geratificeerd in 2016; overwegende dat economische partnerschapsovereenkomsten niet alleen dienen ter ondersteuning van eerlijke handel, maar ook van de mensenrechten en de verwezenlijking van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen;

Q.

overwegende dat Gambia lid is van de Afrikaanse Unie (AU), partij is bij het Afrikaanse Handvest en het Afrikaanse Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur heeft ondertekend;

R.

overwegende dat de wet van 2015 tot wijziging van het kiesstelsel ertoe leidt dat verkiezingen onbetaalbaar worden voor oppositiepartijen, en Gambia een van de duurste landen maakt voor kandidaten die zich verkiesbaar willen stellen, hetgeen een aantasting van de burgerrechten inhoudt;

1.

spreekt zijn zeer ernstige bezorgdheid uit over de snel verslechterende situatie in Gambia op het gebied van de veiligheid en de mensenrechten; betreurt de aanvallen van 14 en 16 april 2016 op vreedzame demonstranten;

2.

roept op tot de onmiddellijke vrijlating van alle demonstranten die zijn gearresteerd in verband met de demonstraties van 14 en 16 april 2016; verzoekt de regering van de Republiek Gambia een eerlijke rechtsgang te waarborgen voor alle verdachten die vastzitten wegens vermeende deelname aan een poging tot ongrondwettelijke regeringswijziging; roept de autoriteiten van Gambia op hun fysieke en psychologische integriteit onder alle omstandigheden te garanderen en toe te zien op medische behandeling van de gewonden; spreekt zijn bezorgdheid uit over de berichten van marteling en slechte behandeling van andere gedetineerden;

3.

dringt er bij de Gambiaanse autoriteiten op aan zo spoedig mogelijk een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar deze gebeurtenissen; is met name ernstig bezorgd over berichten over de dood in gevangenschap van de activist van de oppositie Solo Sandeng;

4.

spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de gedwongen verdwijningen, willekeurige opsluiting, marteling en andere mensenrechtenschendingen gericht tegen dissidenten, waaronder journalisten, mensenrechtenactivisten, politieke tegenstanders en critici, alsmede tegen lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders, onder het bewind van president Yahja Jammeh; vraagt om gedetineerden die afgesloten van de buitenwereld gevangen zitten ofwel voor de rechter te brengen ofwel vrij te laten;

5.

roept de EU en de AU op met Gambia samen te werken om waarborgen in te voeren tegen marteling, de onafhankelijke toegang tot gedetineerden te garanderen, en alle wetgeving te herzien die leidt tot aantasting van de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering, onder meer door het schrappen van de strafbare feiten van opruiing, smaad en het verspreiden van onjuiste informatie uit het strafrecht en het wijzigen van de informatie- en communicatiewet van 2013, die voorziet in censuur van online informatie;

6.

roept Gambia op het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te ratificeren;

7.

roept de regering van Gambia op onderzoek te doen naar bewijzen van mensenrechtenschendingen door de NIA, en wetgeving in te voeren voor gelijke rechten voor burgers, waarin ook ongelijkheidskwesties aan de orde komen; roept de regering van Gambia op door te gaan met de uitvoering van plannen voor de oprichting van een nationale mensenrechtencommissie, overeenkomstig de beginselen van Parijs inzake instellingen voor de mensenrechten, en vermeende mensenrechtenschendingen te onderzoeken en te volgen;

8.

dringt bij de regering van Gambia en de regionale autoriteiten aan op het nemen van alle nodige maatregelen om een einde te maken aan de discriminatie en criminalisering van en aanvallen op LGBTI, en om hun vrijheid van meningsuiting te waarborgen; dringt er onder meer op aan om uit het Gambiaanse strafrecht bepalingen te schrappen die criminalisering van LGBTI inhouden;

9.

roept de Gambiaanse autoriteiten op religieuze discriminatie te voorkomen en een vreedzame dialoog tussen alle gemeenschappen te stimuleren en mogelijk te maken;

10.

roept ECOWAS en de AU op zich te blijven afzetten tegen de aanhoudende mensenrechtenschendingen door het Gambiaanse regime; herinnert eraan dat de veiligheid en de stabiliteit in de West-Afrikaanse regio nog altijd grote uitdagingen vormen en dringt er bij de AU en ECOWAS op aan de situatie in Gambia nauwlettend in het oog te houden en een permanente politieke dialoog te voeren met de Gambiaanse autoriteiten over de versterking van de democratie en de rechtsstaat;

11.

dringt er bij de regering van de Republiek Gambia op aan om in de aanloop naar de presidentsverkiezingen van december 2016 het Afrikaanse Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur te ratificeren;

12.

roept de regering van Gambia op met alle oppositiepartijen in werkelijke dialoog te treden over wetgevings- en politieke hervormingen ter waarborging van eerlijke en vrije verkiezingen en eerbiediging van de vrijheid van vereniging en vergadering, overeenkomstig de internationale verplichtingen van Gambia; herinnert eraan dat het voor het welslagen van onafhankelijke en vrije verkiezingen van groot belang is dat de oppositie en onafhankelijke maatschappelijke organisaties hieraan ten volle kunnen deelnemen;

13.

moedigt de internationale gemeenschap, waaronder plaatselijke mensenrechtenorganisaties en ngo's, alsmede de delegatie van de EU in Gambia en andere relevante internationale instellingen, aan om het verkiezingsproces actief in het oog te houden, en daarbij met name te letten op het eerbiedigen door de overheid van de vrijheid van vereniging en vergadering;

14.

roept de regering op alle nodige maatregelen te nemen om onder alle omstandigheden de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid onverkort te waarborgen; roept in dit verband op tot een herziening van de bepalingen van de informatie- en communicatiewet, om de nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de internationale normen op dit gebied;

15.

is bezorgd over het feit dat het nationaal indicatief programma 2015-2016 voor Gambia niet voorziet in steun of financiering voor maatschappelijke organisaties, noch voor democratisch bestuur, de bevordering van de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten; roept de Commissie op te waarborgen dat democratisch bestuur, de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten prioriteit krijgen bij mogelijke toekomstige overeenkomsten inzake ontwikkelingssamenwerking tussen de EU en Gambia;

16.

roept de delegatie van de EU in Gambia op alle mogelijke instrumenten in te zetten, waaronder het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten, om de omstandigheden in gevangenissen in Gambia actief in het oog te houden, en mee te werken aan en toezicht te houden op onderzoeken naar het neerslaan door de regering van de demonstraties van 14 en 16 april 2016 en de behandeling van de gevangen gezette demonstranten, en meer inspanningen te verrichten om in contact te treden met leden van de politieke oppositie, studentenleiders, journalisten, mensenrechtenactivisten, vakbondsvertegenwoordigers en leiders van de LGBTI-beweging;

17.

dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan een open raadpleging te starten uit hoofde van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, en te overwegen om alle niet-humanitaire steun aan de regering van Gambia stop te zetten en reisverboden en andere gerichte sancties op te leggen aan functionarissen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen;

18.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de regeringen van de lidstaten van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten, de regering en het parlement van Gambia, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.


(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0079.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/35


P8_TA(2016)0220

Djibouti

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over Djibouti (2016/2694(RSP))

(2018/C 076/06)

Het Europees Parlement,

gezien zijn voorgaande resoluties over Djibouti, waaronder die van 4 juli 2013 over de situatie in Djibouti (1) en die van 15 januari 2009 over de situatie in de Hoorn van Afrika (2),

gezien het nationaal indicatief programma voor Djibouti in het kader van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds van 19 juni 2014,

gezien de verklaringen van 12 april 2016 en van 23 december 2015 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO),

gezien de verklaring van hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini, namens de EU, ter gelegenheid van de Werelddag van de Persvrijheid op 3 mei 2016,

gezien het regionaal politiek EU-partnerschap voor vrede, veiligheid en ontwikkeling in de Hoorn van Afrika,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren, dat door Djibouti is geratificeerd,

gezien de acties en mededelingen van de Organisatie voor voedsel en landbouw (FAO) van de Verenigde Naties betreffende Djibouti,

gezien de voorlopige conclusies van 10 april 2016 van de verkiezingswaarnemingsmissie van de Afrikaanse Unie, die toezicht hield op de presidentsverkiezingen,

gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, waarbij Djibouti sinds 2003 als staat partij is,

gezien de op 30 december 2014 getekende kaderovereenkomst tussen de UMP (Unie voor de Presidentiële Meerderheid), de heersende coalitie, en de USN (Unie voor nationale redding), de coalitie van oppositiepartijen, die ten doel heeft „vreedzame en democratische nationale politiek” te bevorderen,

gezien het door de Djiboutiaanse Raad van Ministers aangenomen Besluit nr. 2015-3016 PR/PM van 24 november 2015 tot vaststelling van buitengewone veiligheidsmaatregelen naar aanleiding van de aanslagen in Parijs van 13 november 2015,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

gezien het protocol bij het Afrikaanse handvest inzake de mensenrechten en de rechten van volkeren met betrekking tot de rechten van vrouwen in Afrika,

gezien de Overeenkomst van Cotonou van 23 juni 2000, die op 22 juni 2010 is herzien,

gezien de grondwet van de Republiek Djibouti van 1992, waarin de fundamentele vrijheden en de grondbeginselen van goed bestuur worden erkend,

gezien de richtsnoeren voor verkiezingswaarnemingsmissies van de Afrikaanse Unie,

gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Ismail Omar Guelleh sinds 1999 president van Djibouti is, en dat hij tijdens de verkiezingen van april 2016 met 87,1 % van de stemmen weliswaar een monsterzege heeft behaald, maar dat deze uitslag volgens oppositiepartijen en mensenrechtenorganisaties is behaald door middel van politieke onderdrukking; overwegende dat de verkiezingen van 2005, 2011 en 2016 door sommige oppositiekandidaten werden geboycot; overwegende dat president Guelleh het parlement er in 2010 toe had overgehaald de grondwet te wijzigen, na te hebben verklaard dat hij zich in 2016 niet opnieuw bij de verkiezingen kandidaat zou stellen, zodat hij in 2011 een derde termijn kon dienen; overwegende dat de hierdoor veroorzaakte protesten van het maatschappelijk middenveld werden onderdrukt;

B.

overwegende dat Djibouti vanwege zijn gunstige ligging in de Golf van Aden van strategisch belang is voor buitenlandse militaire bases en beschouwd wordt als een uitvalsbasis voor de bestrijding van piraterij en terrorisme;

C.

overwegende dat tien Djiboutiaanse vrouwen in Parijs in hongerstaking zijn gegaan met het oog op een internationaal onderzoek naar de verkrachting van Djiboutiaanse vrouwen, waarbij vier van de hongerstakers verklaarden zelf te zijn verkracht, terwijl een andere, Fatou Ambassa (30), vastte ter nagedachtenis aan haar nichtje, Halima, dat in 2003 op zestienjarige leeftijd is overleden aan de gevolgen van een groepsverkrachting; overwegende dat acht van deze vrouwen hun protesten 19 dagen volhielden, van 25 maart tot 12 april 2016, en dat hun voorbeeld door tien andere vrouwen in Brussel werd gevolgd; overwegende dat de Djiboutiaanse autoriteiten hun beweringen tegenspreken; overwegende dat tijdens het conflict tussen het Djiboutiaanse leger en FRUD-armé vrouwen zijn gegijzeld; overwegende dat het in 1993 opgerichte Djiboutiaanse vrouwencomité (Comité des Femmes Djiboutiennes Contre le Viol et l'Impunité (COFEDVI)) op grond van circa twintig ingediende klachten 246 gevallen van verkrachting door soldaten heeft geregistreerd;

D.

overwegende dat er geen EU-verkiezingswaarnemingsmissie was uitgenodigd om de verkiezingen te volgen en dat het aanbod van de EU om een missie van verkiezingsdeskundigen te sturen door de Djiboutiaanse autoriteiten werd afgeslagen; overwegende dat de verkiezingswaarnemingsmissie van de Afrikaanse Unie aanbeveelt een onafhankelijke verkiezingscommissie op te richten die belast is met het aansturen van het verkiezingsproces, met inbegrip van het bekendmaken van de voorlopige resultaten;

E.

overwegende dat drie oppositiekandidaten, Omar Elmi Khaireh, Mohamed Moussa Ali en Djama Abdourahman Djama, de verkiezingsresultaten van april 2016 betwistten omdat deze niet transparant waren en niet overeenkwamen met de wil van het Djiboutiaanse volk; overwegende dat de resultaten niet door lokale mensenrechtenorganisaties werden erkend; overwegende dat de oppositie zeer weinig politieke ruimte heeft, met beperkte vrijheid van meningsuiting; overwegende dat de politiemacht en veiligheidsdiensten het land onder strakke controle houden, en dat de rechterlijke macht zwak is en nauwe banden met de regering heeft; overwegende dat oppositieleiders voortdurend worden opgesloten en lastiggevallen en dat er melding is gemaakt van foltering; overwegende dat het leger de opdracht zou hebben gekregen vertegenwoordigers van de oppositie van sommige stembureaus te verwijderen zodat de stembussen konden worden gevuld, terwijl andere regio's zoals Ali-Sabieh onder militaire controle werden geplaatst; overwegende dat president Guelleh al voordat de officiële resultaten bekend werden gemaakt een feest heeft gegeven, naar verluidt om het leger te belonen voor zijn bijdrage aan de verkiezingen; overwegende dat de Afrikaanse Unie een aantal onregelmatigheden heeft vastgesteld (het ontbreken van gegevens, het verzuimen de resultaten bekend te maken en het feit dat de stemmen niet in het openbaar werden geteld);

F.

overwegende dat op 31 december 2015, nadat enkele oppositieleden uit het parlement werden gezet, beroep werd gedaan op een in november 2015 ingevoerde wet tot instelling van de noodtoestand om individuele vrijheden te beperken en oppositieactivisten, mensenrechtenbeschermers, vakbondsleden en journalisten te onderdrukken;

G.

overwegende dat de heersende coalitie, de UMP, op 30 december 2014 haar handtekening heeft gezet onder een kaderovereenkomst met de oppositiecoalitie, de USN, die voorzag in de hervorming van de onafhankelijke nationale verkiezingscommissie (Commission Électorale Nationale Indépendante), de oprichting van een gezamenlijke parlementaire commissie en hervormingen op korte en middellange termijn; overwegende dat de gezamenlijke parlementaire commissie in februari 2015 is opgericht, maar dat geen van de belangrijkste ontwerpwetten (zoals de wet inzake de oprichting van een onafhankelijke verkiezingscommissie en de wet inzake de rechten en plichten van politieke partijen) zijn ingediend; overwegende dat de Djiboutiaanse autoriteiten op 26 augustus 2015 hebben aangekondigd dat de verkiezingscommissie niet zou worden hervormd;

H.

overwegende dat er in Djibouti geen commerciële televisie- of radiozenders zijn, en dat de autoriteiten nauwlettend toezicht houden op oppositiewebsites en de websites en socialemedia-accounts van mensenrechtenorganisaties regelmatig blokkeren; overwegende dat de regering eigenaar is van de grootste krant, La Nation, en van de nationale omroep, Radiodiffusion-Télévision de Djibouti, die zelfcensuur toepassen; overwegende dat Freedom House in 2015 heeft verklaard dat Djibouti niet vrij is; overwegende dat Djibouti de 170e plaats bekleedt (op 180 landen) in de wereldwijde persvrijheidranglijst 2015 die door Verslaggevers zonder grenzen is opgesteld; overwegende dat oppositiepartijen en -activisten tijdens het bewind van de UMP-coalitie voortdurend zijn onderdrukt en dat veel partijactivisten en journalisten, onder wie een BBC-verslaggever tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen van 2016, gerechtelijk zijn vervolgd; overwegende dat de belangrijkste oppositiekrant, L'Aurore, op 19 januari 2016 op bevel van de rechter werd gesloten; overwegende dat de Nationale Communicatiecommissie nog altijd niet is opgericht, hoewel dit in 1993 had moeten gebeuren;

I.

overwegende dat in de regio Mablas met name in 2012 een golf van willekeurige aanhoudingen van vermeende leden van FRUD-armé heeft plaatsgevonden;

J.

overwegende dat de autoriteiten ten minste 27 mensen om het leven zouden hebben gebracht en meer dan 150 mensen zouden hebben verwond tijdens een cultureel evenement in Buldugo op 21 december 2015, hoewel de Djiboutiaanse regering volhoudt dat er slechts zeven doden zouden zijn gevallen; overwegende dat de politie later ook is binnengedrongen in de gebouwen waar de oppositieleiders vergadering hielden, een aantal van hen heeft verwond en twee vooraanstaande oppositieleiders (Abdourahman Mohammed Guelleh, secretaris-generaal van de USN, en Hamoud Abdi Souldan) zonder tenlastelegging heeft opgesloten; overwegende dat beide leiders enkele dagen voor de presidentsverkiezingen zijn vrijgelaten, en dat eerstgenoemde is aangeklaagd; overwegende dat een vakbondsleider en mensenrechtenbeschermer, Omar Ali Ewado, van 29 december 2015 tot 14 februari 2016 afgesloten van de buitenwereld gevangen heeft gezeten voor het publiceren van een lijst van de slachtoffers van het bloedbad en van vermisten; overwegende dat zijn advocaat ook is aangehouden op het vliegveld; overwegende dat Said Houssein Robleh, oppositieleider en secretaris-generaal van de LDDH, door de Djiboutiaanse politie is beschoten en momenteel in Europa in ballingschap is;

K.

overwegende dat de detentievoorzieningen in de Djiboutiaanse gevangenissen bijzonder zorgwekkend zijn;

L.

overwegende dat de Raad van Ministers van Djibouti naar aanleiding van de terroristische aanslagen van 13 november 2015 in Parijs op 24 november 2015 Besluit nr. 2015-3016 PR/PM heeft aangenomen, op grond waarvan verzameling en bijeenkomsten in openbare ruimtes bij wijze van antiterrorismemaatregel is verboden;

M.

overwegende dat er in Djibouti geen wetgeving is tegen huiselijk geweld en verkrachting binnen het huwelijk; overwegende dat de autoriteiten het VN-comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW) hebben geïnformeerd dat zij zich bewust zijn van de tekortkomingen in hun pogingen om gendergerelateerd geweld aan te pakken; overwegende dat in Djibouti bij 98 % van de vrouwen verschillende vormen van genitale verminking zijn toegepast, hoewel dit sinds 2005 illegaal is;

N.

overwegende dat volgens de Wereldbank meer dan 23 % van de Djiboutianen in extreme armoede leeft, en dat 74 % rondkomt van meer dan 3 USD per dag; overwegende dat de voedselonzekerheid in Djibouti is verergerd door hoge voedselprijzen, waterschaarste, klimaatverandering en de afname van weidegrond; overwegende dat Djibouti begunstigde is van het EU-steunpakket van 79 miljoen EUR voor de landen van de Grote Hoorn van Afrika die getroffen zijn door El Niño;

O.

overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat de hoeksteen van het ACS-EU-partnerschap vormt en een essentieel onderdeel van de Overeenkomst van Cotonou is; overwegende dat de EU de regelmatige politieke dialoog met Djibouti krachtens artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou onverwijld moet intensiveren;

P.

overwegende dat Djibouti momenteel 105 miljoen EUR ontvangt uit bilaterale EU-fondsen, met name voor water en sanitaire voorzieningen en voedsel- en voedingszekerheid, als onderdeel van het nationaal indicatief programma van de EU in het kader van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds; overwegende dat Djibouti tussen 2013 en 2017 14 miljoen EUR zal hebben ontvangen in het kader van het EU-initiatief Ondersteuning van de weerbaarheid in de Hoorn van Afrika, dat erop gericht is gemeenschappen te helpen het hoofd te bieden aan terugkerende droogte;

Q.

overwegende dat Djibouti momenteel meer dan 15 000 vluchtelingen uit Somalië en Eritrea herbergt, en nog circa 8 000 uit Jemen; overwegende dat vrouwen en meisjes in vluchtelingenkampen het risico lopen op gendergerelateerd geweld; overwegende dat de Commissie bijstand, zoals levensreddende diensten, en financiële steun verleent aan de gemeenschappen met vluchtelingenkampen;

1.

geeft uiting aan zijn zorgen over de stagnatie van het democratiseringsproces in Djibouti — die wordt verergerd door de wijziging door het parlement van de bepalingen van de Djiboutiaanse grondwet betreffende de beperking van presidentiële ambtstermijnen — en over de berichten dat oppositieleden zouden zijn geïntimideerd en bij veel stembureaus zouden zijn weggehouden; benadrukt het belang van vrije verkiezingen, zonder intimidatie;

2.

dringt aan op een grondig onderzoek naar de transparantie van het verkiezingsproces en de verkiezingen van 2016 in Djibouti; herhaalt het verzoek van de EU de resultaten van ieder stembureau voor de verkiezingen van zowel 2013 als 2016 openbaar te maken;

3.

spreekt zijn sterke afkeuring uit over de door verschillende ngo's gemelde vermeende verkrachtingen van burgers door Djiboutiaanse soldaten, zoals onderstreept door de hongerstakingen, en verzoekt de Djiboutiaanse autoriteiten een grondig onderzoek in te stellen naar de handelingen van met name het leger en een einde te maken aan straffeloosheid; verzoekt de VN onderzoek te doen naar de mensenrechtensituatie in Djibouti, en met name naar de situatie van vrouwen in het land; verklaart zich solidair met de Djiboutiaanse vrouwen die momenteel in Frankrijk en in België in hongerstaking zijn;

4.

keurt militaire en politionele inmenging in democratische processen af en herhaalt dat een grondig en transparant onderzoek naar het verkiezingsproces van essentieel belang is; maakt zich zorgen over de klaarblijkelijke bereidheid van de president zijn overwinning tijdens de verkiezingen van april 2016 vroegtijdig te vieren; herinnert Djibouti eraan dat het partij is bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en dat er in artikel 16 van de Djiboutiaanse grondwet is vastgelegd dat niemand mag worden gefolterd of mishandeld of een wrede, onmenselijke, onterende of vernederende behandeling mag ondergaan; verzoekt Djibouti grondig onderzoek te doen naar de meldingen van foltering en mishandeling en ervoor te zorgen dat daders worden vervolgd en, indien zij schuldig worden bevonden, passende straffen krijgen opgelegd, en dat de slachtoffers adequaat worden gecompenseerd, en een onafhankelijk mechanisme op te zetten voor het onderzoeken van meldingen van wangedrag;

5.

betreurt het besluit van de Djiboutiaanse autoriteiten om de nationale verkiezingscommissie niet te hervormen zoals voorzien in de op 30 december 2014 ondertekende kaderovereenkomst en vraagt hun nauw samen te werken met de oppositie met het oog op een eerlijker en transparanter verkiezingsproces;

6.

herinnert de Djiboutiaanse autoriteiten aan hun toezegging, overeenkomstig de richtsnoeren voor verkiezingswaarnemingsmissies van de Afrikaanse Unie, om journalisten te beschermen, veroordeelt de manier waarop journalisten zijn behandeld en wijst de Djiboutiaanse autoriteiten op het belang van persvrijheid en het recht op een eerlijk proces; vraagt de Djiboutiaanse autoriteiten een met redenen omklede verklaring te verschaffen voor de behandeling van journalisten; veroordeelt de intimidatie en opsluiting zonder aanklacht van oppositieleiders, journalisten en onafhankelijke mensenrechtenactivisten tijdens de aanloop naar de presidentsverkiezingen ten zeerste; roept de Djiboutiaanse autoriteiten ertoe op een eind te maken aan de onderdrukking van politieke tegenstanders en journalisten en iedereen die op politieke gronden of wegens het uitoefenen van mediavrijheid wordt vastgehouden, vrij te laten; verzoekt de Djiboutiaanse autoriteiten de wetgeving inzake de noodtoestand van het land te herzien en deze volledig in overeenstemming te brengen met het internationaal recht;

7.

veroordeelt het gebrek aan onafhankelijke pers in Djibouti, evenals het feit dat websites die kritisch tegenover de regering staan worden gemonitord en gecensureerd; betreurt dat staatsmedia zelfcensuur toepassen; verzoekt de Djiboutiaanse regering FM-omroepvergunningen toe te kennen aan alle onafhankelijke mediaorganen die hierom verzoeken; vraagt de regering buitenlandse journalisten vrije toegang te bieden tot het land zodat zij hun werk veilig en objectief kunnen uitvoeren; vraagt de Djiboutiaanse regering de nationale communicatiecommissie op te richten en onafhankelijke en commerciële omroepen toe te staan;

8.

betreurt de moorden die tijdens de culturele viering van 21 december 2015 hebben plaatsgevonden, evenals de daaropvolgende aanhoudingen en intimidatie van mensenrechtenactivisten en oppositieleden; betuigt zijn deelneming aan de families van de slachtoffers en eist een volledig en onafhankelijk onderzoek teneinde de verantwoordelijken op te sporen en te berechten; herhaalt zijn krachtige veroordeling van willekeurige detentie en stelt dat de rechten van de verdediging moeten worden geëerbiedigd;

9.

verzoekt de Djiboutiaanse autoriteiten de eerbiediging te waarborgen van de mensenrechten die erkend zijn in de nationale en internationale overeenkomsten die Djibouti heeft ondertekend, en de burgerlijke en politieke rechten en vrijheden, waaronder het recht om vreedzaam te demonstreren en de mediavrijheid, te vrijwaren;

10.

verzoekt de regering met klem politieagenten en andere ambtenaren te blijven opleiden op het vlak van de toepassing van de wet ter voorkoming van mensenhandel, zich sterker in te zetten voor de berechting van mensenhandelaren en om gerechtelijke, wetgevende en administratieve autoriteiten, het maatschappelijk middenveld, niet-gouvernementele organisaties die in het land actief zijn en het publiek bewust te maken van mensenhandel;

11.

staat erop dat mannen en vrouwen in Djibouti voor de wet gelijk worden behandeld en herinnert de autoriteiten eraan dat zij partij zijn bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen;

12.

is ingenomen met het optreden van de regering van Djibouti tegen het wijdverbreide gebruik van genitale mutilatie bij vrouwen, maar zou graag zien dat er meer vorderingen worden geboekt;

13.

verzoekt de autoriteiten ngo's toegang te verlenen tot de regio's Obock, Tadjoural en Dikhil;

14.

verzoekt de civiele en militaire autoriteiten om de allergrootste terughoudendheid te betrachten tijdens politionele en legeroperaties in het noorden van het land, en met name om zich te weerhouden van iedere vorm van geweld tegen burgers en om hen niet te gebruiken als menselijk schild rondom militaire kampen;

15.

is bereid de situatie in Djibouti op de voet te volgen en restrictieve maatregelen voor te stellen indien de Overeenkomst van Cotonou (2000), en met name de artikelen 8 en 9, niet worden geëerbiedigd; verzoekt de Commissie eveneens de situatie nauwgezet te volgen;

16.

verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie en hun partners met klem samen met Djibouti aan politieke hervormingen op de lange termijn te werken, wat met name zou moeten worden bevorderd door de reeds bestaande goede betrekkingen, gezien het feit dat Djibouti een cruciale rol vervult bij de bestrijding van terrorisme en piraterij in de regio, militaire basissen op zijn grondgebied toelaat en bijdraagt aan stabiliteit in de regio;

17.

verzoekt de Commissie verdere steun te verlenen aan onafhankelijke organisaties en het maatschappelijk middenveld, met name door zo spoedig mogelijk een oproep tot inschrijvingen uit te schrijven in het kader van het Europees Instrument voor democratie en de mensenrechten;

18.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering van Djibouti, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit, de Arabische Liga, de Organisatie van Islamitische Samenwerking, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EU-lidstaten en de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.


(1)  PB C 75 van 26.2.2016, blz. 160.

(2)  PB C 46 E van 24.2.2010, blz. 102.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/40


P8_TA(2016)0222

Traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten in restaurants en de detailhandel

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten in restaurants en de detailhandel (2016/2532(RSP))

(2018/C 076/07)

Het Europees Parlement,

gezien Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (1),

gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (2),

gezien Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (3),

gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (4),

gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (5),

gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de voedselcrisis, fraude in de voedselketen en de controle daarop (6),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie visserij,

gezien de vraag aan de Commissie over de traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten in restaurants en de detailhandel (O-000052/2016 — B8-0365/2016),

gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de EU de grootste markt voor vis, schaal- en schelpdieren ter wereld is, die zowel door de EU-visserijsector als door invoer uit derde landen wordt bevoorraad;

B.

overwegende dat consumenten recht hebben op informatie in een begrijpelijke taal, met inbegrip van kust- en geografische informatie over de vangstgebieden, en hun volle vertrouwen moeten kunnen stellen in de volledige keten die visserijproducten levert voor de EU-markt; overwegende dat de EU en de lidstaten de plicht hebben de EU-burger te beschermen tegen frauduleuze handelingen; overwegende dat alle ingevoerde producten aan de regels en normen van de EU moeten voldoen;

C.

overwegende dat de Commissie bezig is met de voorbereiding van een volledige en gedetailleerde inventaris van vrijwillige beweringen met betrekking tot visserij- en aquacultuurproducten die in de EU op de markt worden gebracht; overwegende dat de bevindingen van de Commissie kunnen leiden tot de oprichting van een externe structuur voor het certificeren van vrijwillige beweringen met betrekking tot visserij- en aquacultuurproducten op de EU-markt;

D.

overwegende dat de Commissie in 2015 in een controleplan (7) ter beoordeling van de aanwezigheid op de markt van wat de opgegeven soort betreft verkeerd geëtiketteerde magere vissen heeft vastgesteld dat de opgegeven soort bij 94 % van de monsters werd bevestigd; overwegende dat de non-conformiteit bij bepaalde soorten evenwel zeer groot was en dat het cijfer van 6 % als vrij laag wordt beschouwd in vergelijking met andere, beperktere studies in de lidstaten;

E.

overwegende dat de Commissie uit hoofde van artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1379/2013 werd verplicht uiterlijk op 1 januari 2015 een haalbaarheidsverslag betreffende de opties voor een systeem van milieukeurmerken voor visserij- en aquacultuurproducten voor te leggen aan het Parlement en de Raad;

F.

overwegende dat de gemeenschappelijke marktordening (GMO) eerlijke concurrentie en een inkomen voor producenten van in de EU verkochte of gekochte visserijproducten moet garanderen;

1.

spreekt zijn ernstige verontrusting en onvrede uit over het feit dat uit verschillende studies blijkt dat visproducten die op de EU-markt worden verkocht — onder meer in de restaurants van de EU-instellingen — in een aanzienlijk aantal gevallen verkeerd geëtiketteerd zijn; wijst er nogmaals op dat het met frauduleuze bedoelingen verkeerd etiketteren van vissoorten een schending vormt van de EU-regelgeving, waaronder het gemeenschappelijk visserijbeleid, en een strafbaar feit kan vormen volgens de nationale wetgeving;

2.

roept de lidstaten op de nationale controles aan te scherpen, onder meer de controles op niet-verwerkte vis bedoeld voor restaurants en de cateringsector, in een poging fraude te bestrijden en na te gaan in welk stadium van de toeleveringsketen de vis verkeerd wordt geëtiketteerd; is bezorgd over de vervanging van kwalitatief betere soorten door tegenhangers van mindere kwaliteit; verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan welke maatregelen er kunnen worden getroffen om de traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten te verbeteren; is voorstander van de oprichting van een werkgroep om de tenuitvoerlegging van de traceerbaarheid in alle lidstaten te harmoniseren en van de oprichting van een externe structuur voor het certificeren van vrijwillige beweringen met betrekking tot visserij- en aquacultuurproducten op de EU-markt;

3.

is voorstander van een krachtig traceerbaarheidssysteem, vanaf de aanlanding tot de consumptie, waarmee het vertrouwen van de consument kan worden teruggewonnen en vervolgens ook de commerciële afhankelijkheid van geïmporteerde visserij- en aquacultuurproducten kan worden verminderd, met een sterkere EU-markt als gevolg; verzoekt de Commissie gebruik te maken van de mogelijkheden van DNA-barcodering, met behulp waarvan soorten geïdentificeerd kunnen worden aan de hand van DNA-sequencing, met het oog op een betere traceerbaarheid;

4.

is ingenomen met het nieuwe kader van de GMO en dringt er bij de Commissie op aan om overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1379/2013 een haalbaarheidsverslag in te dienen betreffende de opties voor een systeem van milieukeurmerken voor visserij- en aquacultuurproducten; wijst erop dat voor het toekennen van een milieukeurmerk minimumnormen moeten worden vastgesteld; is van mening dat de belangrijkste onderdelen van het keurmerksysteem transparantie, onafhankelijkheid en geloofwaardigheid van het certificeringsproces moeten garanderen; vraagt om een diepgaande analyse van de voordelen van een keurmerksysteem voor de gehele EU;

5.

verzoekt de Commissie regelmatig na te gaan in hoeverre de vereiste informatie op etiketten verschijnt; benadrukt dat etikettering begrijpelijke, controleerbare en juiste informatie moet weergeven; spoort de lidstaten aan om in het kader van vrijwillige etikettering alle beschikbare informatie te vermelden die de consument in staat stelt met kennis van zaken een keuze te maken; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan meer bewustmakingscampagnes inzake etiketteringseisen voor visserij- en aquacultuurproducten te voeren;

6.

onderstreept dat een degelijk Europees etiketteringsbeleid in de visserijsector een belangrijke factor kan zijn om de economische ontwikkeling van kustgemeenschappen te stimuleren, om de optimale methoden van vissers aan te wijzen en om de nadruk te leggen op de kwaliteit van de producten die ze de consument leveren;

7.

verzoekt de Commissie om, met het oog op het waarborgen van het recht van de consument op juiste, betrouwbare en begrijpelijke informatie, maatregelen te treffen om de verwarring tegen te gaan die veroorzaakt wordt door de huidige etiketteringseisen op basis van door de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) bepaalde gebieden en deelgebieden, waardoor vooral de visvangst in een aantal deelgebieden van gebied 27 enorm verwarrend wordt weergegeven, met onder meer een etikettering van Galicië en de Golf van Cádiz als „Portugese wateren”, Wales als „Ierse Zee”, en Bretagne als „Golf van Biskaje”;

8.

vestigt er de aandacht op dat informatie met betrekking tot de oorsprong van visserijproducten op een transparante en duidelijke manier moet worden weergeven;

9.

wijst erop dat moet worden gewaarborgd dat een toekomstig, voor de hele Unie geldend milieukeurmerk, alsook een milieukeurmerkregeling voor visserijproducten uit derde landen en certificeringsregelingen aansluiten bij de richtsnoeren van de FAO met betrekking tot het toekennen van een milieukeurmerk voor uit de zeevisserij afkomstige vis en visserijproducten;

10.

is van mening dat een milieukeurmerk voor visserij- en aquacultuurproducten voor de hele EU, waarvan de criteria verder moeten worden besproken op EU-niveau, kan bijdragen aan een betere traceerbaarheid en aan de beschikbaarheid van transparante informatie voor de consument; is van oordeel dat een dergelijk keurmerk gefinancierd kan worden door het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV);

11.

stelt vast dat bepaalde in de lidstaten geldende handelsbenamingen van vis verschillen van lidstaat tot lidstaat als gevolg van nationale gewoonten, hetgeen tot een zekere verwarring kan leiden; is ingenomen met de werkzaamheden van de Commissie voor het opstarten van een proefproject, zoals goedgekeurd door het Parlement, om een openbare databank op te richten met informatie over handelsbenamingen in alle officiële talen van de EU;

12.

spoort de Commissie aan haar inspanningen voor de bescherming van mariene hulpbronnen en de bestrijding van illegale visserij beter bekend te maken bij het publiek;

13.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.


(1)  PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1.

(2)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(3)  PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.

(4)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

(5)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0011.

(7)  http://ec.europa.eu/food/safety/official_controls/food_fraud/fish_substitution/ index_en.htm?subweb=343&lang=en


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/43


P8_TA(2016)0223

De markteconomiestatus van China

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de markteconomiestatus van China (2016/2667(RSP))

(2018/C 076/08)

Het Europees Parlement,

gezien de antidumpingwetgeving van de EU (Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap) (1),

gezien het Protocol inzake de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO),

gezien zijn eerdere resoluties over de handelsbetrekkingen tussen de EU en China,

gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Europese Unie en China twee van de grootste handelsblokken ter wereld zijn, dat China de op één na belangrijkste handelspartner van de EU en de EU de belangrijkste handelspartner van China is, met een dagelijkse onderling handelsverkeer ter waarde van ruim een miljard EUR;

B.

overwegende dat de investeringen van China in de EU in 2015 voor het eerst hoger lagen dan de investeringen van de EU in China; overwegende dat de Chinese markt voor een aantal EU-sectoren en -merken de belangrijkste rendabiliteitsmotor was;

C.

overwegende dat toen China tot de WTO toetrad, een regeling voor zijn toetreding voorzag in een specifieke methode voor dumpingberekening, die in afdeling 15 van het toetredingsprotocol werd vastgelegd en als basis dient voor een andere behandeling van Chinese invoer;

D.

overwegende dat bij elk besluit over de wijze waarop moet worden omgegaan met invoer uit China na december 2016 moet worden gewaarborgd dat de EU-wetgeving in overeenstemming is met de WTO-regels;

E.

overwegende dat de bepalingen van afdeling 15 van het Protocol inzake de toetreding van China tot de WTO die na 2016 van kracht blijven, een rechtsgrondslag vormen voor de toepassing van een niet-standaardmethode op invoer uit China na 2016;

F.

overwegende dat, gezien de huidige mate van invloed van de staat op de Chinese economie, de besluiten van bedrijven inzake prijzen, kosten, productie en productiemiddelen niet inspelen op marktsignalen van vraag en aanbod;

G.

overwegende dat China in het toetredingsprotocol zich onder meer ertoe heeft verbonden om al zijn prijzen door de marktwerking te laten bepalen en dat de EU moet waarborgen dat China zijn WTO-verplichtingen volledig nakomt;

H.

overwegende dat de overcapaciteit van China al aanzienlijke sociale, economische en milieugevolgen heeft voor de EU, zoals onlangs duidelijk is geworden door het schadelijke effect ervan op de EU-staalsector, met name in het Verenigd Koninkrijk, en dat de toekenning van de markteconomiestatus aan China een aanmerkelijke impact kan hebben op de werkgelegenheid in de EU;

I.

overwegende dat 56 van de 73 vigerende antidumpingmaatregelen van toepassing zijn op Chinese invoer;

J.

overwegende dat de onlangs afgesloten openbare raadpleging over de mogelijke toekenning van de markteconomiestatus aan China aanvullende informatie kan opleveren die wellicht van pas komt bij de aanpak van de kwestie;

K.

overwegende dat in de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 getiteld „Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel” (COM(2012)0582) als doel wordt gesteld het aandeel van de industrie in het bbp van de EU te verhogen naar 20 % in 2020;

1.

wijst nogmaals op het belang van het partnerschap van de EU met China, waarin vrije en eerlijke handel en investeringen een belangrijke rol spelen;

2.

benadrukt dat China geen markteconomie is en dat aan de door de EU opgestelde vijf criteria voor markteconomieën nog niet is voldaan;

3.

dringt er bij de Commissie op aan met de belangrijkste handelspartners van de EU te overleggen, ook in de context van de komende G7- en G20-toppen, op welke wijze het best kan worden gewaarborgd dat alle bepalingen van afdeling 15 van het protocol inzake de toetreding van China tot de WTO die na 2016 van kracht blijven, volledige juridische betekenis krijgen in de nationale procedures, en tegen elke unilaterale toekenning van markteconomiestatus aan China bezwaar gemaakt wordt;

4.

benadrukt dat tijdens de komende top tussen de EU en China de kwestie omtrent de markteconomiestatus van China moet worden besproken;

5.

verzoekt de Commissie naar behoren rekening te houden met de door de industrie, vakbonden en andere belanghebbenden van de EU geuite zorgen over de gevolgen voor de werkgelegenheid in de EU, het milieu, normen en de duurzame economische groei in alle getroffen be- en verwerkende industrie en voor de EU-industrie in haar geheel, en er in dit verband voor te zorgen dat banen in de EU worden beschermd;

6.

is ervan overtuigd dat de EU, totdat China voldoet aan alle vijf EU-criteria om als markteconomie te worden aangemerkt, bij haar antidumping- en antisubsidieonderzoeken naar Chinese invoer gebruik moet maken van een niet-standaardmethode om de vergelijkbaarheid van de prijzen te bepalen, overeenkomstig en met volledige uitvoering van de onderdelen van afdeling 15 van het toetredingsprotocol van China die de rechtsgrondslag vormen voor de toepassing van een niet-standaardmethode; verzoekt de Commissie met een voorstel te komen dat in overeenstemming is met dit beginsel;

7.

benadrukt daarnaast dat een algemene hervorming van de handelsbeschermingsinstrumenten dringend is om te waarborgen dat de EU-industrie dezelfde concurrentievoorwaarden geniet als China en andere handelspartners, met volledige inachtneming van de WTO-regels; verzoekt de Raad snel een akkoord te bereiken met het Parlement over de modernisering van de handelsbeschermingsinstrumenten van de Unie;

8.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/45


P8_TA(2016)0224

Follow-up en stand van zaken van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de follow-up en stand van zaken van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (2016/2696(RSP))

(2018/C 076/09)

Het Europees Parlement,

gezin het document getiteld „Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling” dat op 25 september 2015 werd goedgekeurd op de VN-wereldtop inzake duurzame ontwikkeling te New York,

gezien de derde internationale conferentie over financiering voor ontwikkeling die van 13 tot 16 juli 2015 in Addis Abeba plaatsvond,

gezien het verslag van de deskundigengroep van VN-organisaties voor indicatoren voor duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (Inter-Agency Expert Group on Sustainable Development Goal Indicators (IAEG-SDG)), dat op 17 december 2015 werd gepubliceerd en op de 47e zitting van de Statistische Commissie van de VN in maart 2016 werd goedgekeurd,

gezien de bijeenkomst op hoog niveau van de Economische en Sociale Raad van de VN (ECOSOC), die van 18 tot 22 juli 2016 zal worden gehouden met als thema „Tenuitvoerlegging van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015: van beloften naar resultaten”,

gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over financiële middelen voor ontwikkeling (1),

gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015 (2),

gezien de Overeenkomst van Parijs, goedgekeurd op de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) te Parijs op 12 december 2015,

gezien artikel 7 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin is vastgelegd dat de EU toeziet „op de samenhang tussen haar verschillende beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen”,

gezien de in voorbereiding zijnde globale EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, die als leidraad zal dienen voor het wereldwijde optreden van de Europese Unie,

gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over de rol van de EU binnen de VN — hoe kunnen de doelstellingen van het buitenlands beleid van de EU beter worden verwezenlijkt? (3),

gezien de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 over beleidscoherentie voor ontwikkeling,

gezien de herziening van de Europa 2020-strategie — „De nieuwe aanpak na 2020”,

gezien de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, de Actieagenda van Accra en de verklaring en het actieplan van het forum op hoog niveau inzake de doeltreffendheid van steun, dat in december 2011 in Busan plaatsvond,

gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling en de aanstaande herziening daarvan,

gezien artikel 208 van het VWEU, waarin wordt bepaald dat het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling in aanmerking moet worden genomen bij alle externe beleidsmaatregelen van de EU,

gezien de resultaten van de wereldtop over humanitaire hulp die op 23 en 24 mei 2016 te Istanbul (Turkije) zal worden gehouden,

gezien het schrijven van 29 maart 2016 van zijn Commissie ontwikkelingssamenwerking aan de commissaris voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling over de follow-up en de toetsing van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling,

gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat in Resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN wordt opgeroepen tot follow-up en toetsing van de doelstellingen en streefcijfers aan de hand van een reeks mondiale indicatoren; overwegende dat de secretaris-generaal van de VN de opdracht heeft gekregen een jaarlijks voortgangsverslag over de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) op te stellen ter ondersteuning van de follow-up en toetsing op het politiek forum op hoog niveau (HLPF) inzake duurzame ontwikkeling; overwegende dat het SDG-voortgangsverslag gebaseerd moet worden op door nationale statistische systemen geproduceerde gegevens en op diverse niveaus verzamelde informatie;

B.

overwegende dat de Statistische Commissie op haar 46e vergadering (3-6 maart 2015) haar goedkeuring heeft gehecht aan de routekaart voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een mondiaal indicatorenkader;

C.

overwegende dat de Inter-Agency and Expert Group on Sustainable Development Goal Indicators (IAEG-SDG), die belast is met de volledige ontwikkeling van een voorstel voor het indicatorenkader voor de monitoring van de doelstellingen en streefcijfers voor de Ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, indicatoren heeft voorgesteld voor de toetsing van de Agenda voor 2030 waarover op de 47e vergadering van de Statistische Commissie in maart 2016 overeenstemming werd bereikt;

D.

overwegende dat de voorgestelde reeks van 230 indicatoren voor doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling een goed uitgangspunt en een robuust kader vormt voor de follow-up en de toetsing van de vooruitgang die is geboekt met de verwezenlijking van de 17 duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen;

E.

overwegende dat meerdere indicatoren nog niet af zijn en dat de ondertekenende lidstaten tegelijkertijd hun eigen nationale indicatoren zullen moeten vaststellen, die afgestemd moeten zijn op de globale indicatoren en toegesneden op hun nationale omstandigheden;

F.

overwegende dat over het mondiaal indicatorenkader in juli 2016 overeenstemming moet worden bereikt door de Economische en Sociale Raad (ECOSOC) en in september 2016 door de Algemene Vergadering;

G.

overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken, onderdeel Ontwikkelingssamenwerking, op 12 mei 2016 bijeen zal komen en dan het standpunt van de EU voor de HLPF-vergadering van juli 2016 zal moeten voorbereiden en zal moeten bepalen in welke context een thematische discussie over handel en ontwikkeling zal worden gehouden die toegespitst is op de EU-bijdrage aan de private sector bij de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030;

H.

overwegende dat systeembrede strategische planning, tenuitvoerlegging en verslaglegging noodzakelijk zijn om een samenhangende en geïntegreerde ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de nieuwe Agenda door het VN-ontwikkelingssysteem te waarborgen;

I.

overwegende dat het nieuwe universele kader voor duurzame ontwikkeling meer samenhang vereist tussen beleidsdomeinen en EU-spelers, wat betekent dat er meer coördinatie, dialoog en gezamenlijk werk op alle niveaus en binnen en tussen EU-instellingen nodig is om de integratie van de drie pijlers van duurzame ontwikkeling (milieu, economie en maatschappij) in het interne en externe EU-beleid zeker te stellen;

J.

overwegende dat er op de HLPF-bijeenkomst in juli 2016 onder meer vrijwillige toetsingen van 22 landen, waaronder vier Europese landen (Estland, Finland, Frankrijk en Duitsland) zullen worden gehouden, alsook thematische toetsingen van de vooruitgang die ten aanzien van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen is geboekt, met inbegrip van horizontale kwesties, ondersteund door toetsingen van de functionele commissies van ECOSOC en andere intergouvernementele organen en fora;

1.

verzoekt de afdeling Ontwikkelingssamenwerking van de Raad Buitenlandse Zaken om voorafgaand aan de HLPF-bijeenkomst in juli 2016 een coherent en gemeenschappelijk EU-standpunt te bepalen, met inachtneming van het standpunt van het Parlement zoals dat in deze resolutie is verwoord; is van mening dat het voor de geloofwaardigheid en de leidende positie van de EU cruciaal is dat er een gemeenschappelijk standpunt wordt gepresenteerd; vindt het jammer dat de Commissie niet de door de leden van de commissie Ontwikkelingssamenwerking gevraagde mededeling over de follow-up en de toetsing van de Agenda 2030 heeft gepubliceerd met het oog op de HLPF-bijeenkomst, die als uitgangspunt zou dienen voor het gemeenschappelijke EU-standpunt;

2.

is ingenomen met het verslag van de IAEG over de indicatoren voor duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen; is van mening dat dit een opmerkelijk resultaat is en een goed uitgangspunt vormt voor onderhandelingen, aangezien de voorgestelde indicatoren de aandacht vestigen op een veel breder scala aan structurele zorgpunten;

3.

is ingenomen met het aparte hoofdstuk over gegevensuitsplitsing en over het belang dat gehecht wordt aan de versterking van de nationale statistische capaciteit;

4.

beseft dat het HLPF een doorslaggevende rol speelt bij de toetsing van de tenuitvoerlegging van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen; benadrukt dat dit orgaan moet zorgen voor een gecoördineerde en efficiënte beoordeling van behoeften en voor de vaststelling van de benodigde routekaarten voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de Agenda 2030;

5.

benadrukt dat de Agenda 2030 en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen een hernieuwd internationaal engagement betekenen voor het uitbannen van armoede, het herdefiniëren en moderniseren van onze ontwikkelingsstrategieën voor de komende vijftien jaar en voor het waarborgen van resultaten;

6.

verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een overkoepelende strategie inzake duurzame ontwikkeling die alle relevante interne en externe beleidsterreinen beslaat, met een gedetailleerd tijdspad voor de periode tot 2030, een tussentijdse herziening en een specifieke procedure die ervoor zorgt dat het Parlement volledig erbij betrokken wordt, met inbegrip van een concreet implementatieplan waarin de verwezenlijking van de 17 doelstellingen, 169 streefcijfers en 230 mondiale indicatoren gecoördineerd wordt en waarin consistentie met en verwezenlijking van de doelstellingen van het Akkoord van Parijs gewaarborgd wordt; benadrukt het belang van het universele karakter van de doelstellingen en het feit dat de EU en haar lidstaten hebben toegezegd alle doelstellingen en streefcijfers volledig ten uitvoer te zullen leggen, naar de letter en de geest;

7.

wijst er nadrukkelijk op dat over de nieuwe EU-strategie inzake duurzame ontwikkeling en het bijbehorende implementatiebeleid breed overleg moet plaatsvinden met alle belanghebbenden, waaronder de nationale parlementen, de plaatselijke autoriteiten en het maatschappelijk middenveld, via een inclusief proces;

8.

verzoekt om een mededeling van de Commissie over de follow-up en de toetsing van de Agenda 2030, met duidelijke informatie over de implementatiestructuur van de Agenda op EU- en lidstaatniveau; benadrukt dat alle betrokken directoraten-generaal van de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) volledig betrokken moeten worden bij de integratie van de Agenda 2030 in de aanstaande toetsing van de Europa 2020-strategie en de op handen zijnde globale EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, zodat er gezorgd wordt voor sterke beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling;

9.

benadrukt dat de toetsing van de Europese consensus inzake ontwikkeling de nieuwe Agenda 2030 volledig moet weerspiegelen, wat onder meer betekent dat er een paradigmaverschuiving moet plaatsvinden en dat het EU-ontwikkelingsbeleid volledig op de schop moet; herinnert eraan dat een passende en doelgerichte programmering van ontwikkelingshulp binnen de ontwikkelingssamenwerking, met inachtneming van de beginselen van doeltreffende ontwikkelingshulp, essentieel is voor de verwezenlijking van de doelstellingen en de daaraan verbonden streefcijfers;

10.

benadrukt dat de EU de aanstaande tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) met beide handen moet aangrijpen om te waarborgen dat de financieringsmechanismen en begrotingslijnen alle verplichtingen uit hoofde van de Agenda 2030 weerspiegelen waarmee de EU heeft ingestemd; verzoekt de EU en haar lidstaten zich onverwijld opnieuw ertoe te verbinden dat zij 0,7 % van het bni voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) zullen bestemmen en een tijdschema in te dienen voor de wijze waarop zij de ODA geleidelijk zullen opvoeren om dat streefcijfer van 0,7 % te halen;

11.

dringt aan op een regelmatige dialoog tussen het HLPF en de Commissie over de geboekte vooruitgang, met regelmatige verslagen aan het Parlement, in overeenstemming met de beginselen van transparantie en wederzijdse verantwoordingsplicht; wijst nadrukkelijk op de noodzaak van meer dialoog tussen de Commissie en het Parlement over de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030, met name op het stuk van ontwikkelingsbeleid en beleidscoherentie voor ontwikkeling;

12.

verzoekt de Commissie en de EDEO om, in nauw overleg met andere partners, concrete voorstellen te doen over hoe beleidscoherentie voor ontwikkeling beter kan worden geïntegreerd in de aanpak die de EU volgt voor de uitvoering van de Agenda 2030 en roept ertoe op deze nieuwe aanpak in alle instellingen van de EU over te nemen, teneinde doeltreffende samenwerking te waarborgen en een einde te maken aan de „silo”-benadering;

13.

wijst erop dat het van belang is het concept beleidscoherentie voor ontwikkeling gestalte te geven; verzoekt de Commissie en de EDEO om, in nauw overleg met andere partners, concrete voorstellen te doen over hoe beleidscoherentie voor ontwikkeling beter kan worden geïntegreerd in de aanpak die de EU volgt voor de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, en roept ertoe op deze nieuwe aanpak in alle instellingen van de EU over te nemen;

14.

verzoekt de Commissie doeltreffende mechanismen voor toezicht, toetsing en verantwoording te ontwikkelen voor de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 en daarover regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement; herinnert er in dit verband aan dat de democratische controle door het Parlement moet worden versterkt, mogelijk via een interinstitutioneel akkoord met een bindend karakter krachtens artikel 295 van het VWEU;

15.

verzoekt de Commissie en de gespecialiseerde agentschappen, fondsen en programma's van de VN een dialoog op hoog niveau op gang te brengen over de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, om het beleid, de programma's en de activiteiten van de EU en de VN en andere donoren op elkaar af te stemmen; benadrukt het belang van uitgesplitste en toegankelijke gegevens voor het monitoren van vorderingen en het beoordelen van resultaten;

16.

verzoekt de VN-agentschappen en -organen om grotere beleidscoherentie voor ontwikkeling binnen de werkingsstructuren van de VN, zodat alle dimensies van duurzame ontwikkeling effectief worden geïntegreerd;

17.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.


(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0196.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0059.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0403.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/49


P8_TA(2016)0225

Verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor bepaalde voedingsmiddelen

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor bepaalde voedingsmiddelen (2016/2583(RSP))

(2018/C 076/10)

Het Europees Parlement,

gezien Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (1) (de „verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten”) en met name artikel 26, leden 5 en 7,

gezien de verslagen van 20 mei 2015 van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor melk, melk als ingrediënt in zuivelproducten en andere soorten vlees dan rund-, varkens-, schapen-, geiten- en pluimveevlees (COM(2015)0205) en betreffende de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor onverwerkte levensmiddelen, producten met maar één ingrediënt en ingrediënten die meer dan 50 % van een levensmiddel uitmaken (COM(2015)0204),

gezien het verslag van 17 december 2013 van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende verplichte vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst van vlees dat als ingrediënt wordt gebruikt (COM(2013)0755) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie van 17 december 2013 over de vermelding van herkomst van vlees dat als ingrediënt wordt gebruikt: consumentengedrag, haalbaarheid van mogelijke scenario's en effecten (SWD(2013)0437),

gezien zijn resolutie van 11 februari 2015 over oorsprongsetikettering voor vlees in verwerkte levensmiddelen (2) en het formele antwoord van de Commissie van 6 mei 2015,

gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1337/2013 van de Commissie van 13 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft het vermelden van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor vers, gekoeld of bevroren vlees van varkens, schapen, geiten en pluimvee (3),

gezien zijn resolutie van 6 februari 2014 (4) over de hierboven vermelde Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1337/2013 van de Commissie van 13 december 2013,

gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de voedselcrisis, fraude in de voedselketen en de controle daarop (5),

gezien de vraag aan de Commissie over de verplichte vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst van bepaalde levensmiddelen (O-000031/2016 — B8-0363/2016),

gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat in artikel 26, lid 5, van de Verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten is bepaald dat de Commissie voor 13 december 2014 verslagen moet voorleggen aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de verplichte vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor andere soorten vlees dan rund-, varkens-, schapen-, geiten- en pluimveevlees, voor melk, melk als ingrediënt in zuivelproducten, en voor onverwerkte levensmiddelen, producten met maar één ingrediënt en ingrediënten die meer dan 50 % van een levensmiddel uitmaken;

B.

overwegende dat de Commissie krachtens artikel 26, lid 8, van de Verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten verplicht was om uiterlijk op 13 december 2013 uitvoeringshandelingen vast te stellen voor de toepassing van lid 3 van dit artikel;

C.

overwegende dat voorschriften betreffende oorsprongsetikettering reeds zijn ingevoerd en doeltreffend werken voor veel andere levensmiddelenproducten, waaronder onverwerkt vlees, eieren, fruit en groenten, vis, honing, extra vergine olijfolie, wijn en spiritualiën;

D.

overwegende dat in artikel 26, lid 7, van de Verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten wordt bepaald dat in de verslagen onder andere rekening moet worden gehouden met de noodzaak om de consument te informeren en met de haalbaarheid van het aanbrengen van de verplichte vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst, alsook dat zij een analyse moeten bevatten van de kosten en baten van dergelijke maatregelen; overwegende dat verder wordt bepaald dat de verslagen vergezeld kunnen gaan van voorstellen tot wijziging van relevante bepalingen van de EU-wetgeving;

E.

overwegende dat in artikel 26, lid 2, van de Verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten wordt bepaald dat het vermelden van het land van oorsprong of de plaats van herkomst verplicht is indien het weglaten daarvan de consument zou kunnen misleiden aangaande het werkelijke land van oorsprong of de werkelijke plaats van herkomst van het levensmiddel, met name als de bij het levensmiddel gevoegde informatie of het etiket in zijn geheel anders zou impliceren dat het levensmiddel een ander land van oorsprong of een andere plaats van herkomst heeft;

F.

overwegende dat de Commissie op 20 mei 2015 haar verslag betreffende de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor melk, melk als ingrediënt in zuivelproducten en andere soorten vlees dan rund-, varkens-, schapen-, geiten- en pluimveevlees („verslag betreffende melk en andere soorten vlees”) en haar verslag betreffende de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor onverwerkte levensmiddelen, producten met maar één ingrediënt en ingrediënten die meer dan 50 % van een levensmiddel uitmaken, heeft gepubliceerd;

G.

overwegende dat, volgens verslag COM(2013)0755 van de Commissie, naarmate de snij- en verwerkingsfasen in de vleessector ingewikkelder worden en de graad van verwerking toeneemt, de traceerbaarheid met het oog op oorsprongsetikettering steeds moeilijker wordt;

H.

overwegende dat de voedselketen vaak lang en complex is en dat vele exploitanten van levensmiddelenbedrijven en andere partijen erbij betrokken zijn; overwegende dat consumenten steeds minder goed weten hoe levensmiddelen worden geproduceerd en afzonderlijke exploitanten van levensmiddelenbedrijven niet altijd een volledig overzicht hebben van de gehele productketen;

I.

overwegende dat de algemene bereidheid van consumenten om te betalen voor de informatie over de oorsprong gering lijkt te zijn, maar dat consumentenonderzoeken (6) naar die bereidheid laten zien dat het merendeel van de consumenten wel bereid is om meer voor deze informatie te betalen;

J.

overwegende dat het Parlement er in zijn resolutie van 11 februari 2015 bij de Commissie op aan heeft gedrongen opvolging te geven aan haar verslag van 17 december 2013 door middel van wetgevingsvoorstellen die het vermelden van de oorsprong van vlees in verwerkte levensmiddelen verplicht stellen, teneinde voor meer transparantie in de gehele voedselketen te zorgen en de Europese consument van betere informatie te voorzien, waarbij de regels inzake effectbeoordelingen in acht worden genomen en buitensporige kosten en administratieve rompslomp worden vermeden; overwegende dat de Commissie deze follow up-wetgevingsvoorstellen nog niet heeft ingediend;

K.

overwegende dat er alleen strikte specificaties bestaan voor vrijwillige kwaliteitsregelingen, zoals de beschermde oorsprongsbenaming (BOB), de beschermde geografische aanduiding (BGA) of de gegarandeerde traditionele specialiteiten (GTS), aan strikte regels zijn gebonden, terwijl de criteria van de vrijwillige etiketteringsregelingen voor de in Verordening (EU) nr. 1169/2011 genoemde levensmiddelen onderling sterk kunnen verschillen;

Consumptiemelk en melk die als ingrediënt in zuivelproducten wordt gebruikt

1.

wijst erop dat in overweging 32 van de verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten wordt gesteld dat melk een van de producten is waarvoor een oorsprongsetikettering van bijzonder belang wordt geacht;

2.

onderstreept dat volgens de Eurobarometer-enquête van 2013 84 % van de consumenten een oorsprongsaanduiding voor melk noodzakelijk acht, ongeacht of deze als zodanig wordt verkocht of als ingrediënt in zuivelproducten wordt gebruikt; merkt op dat dit een van de vele factoren is die van invloed kunnen zijn op consumentengedrag;

3.

beklemtoont dat de verplichte oorsprongsaanduiding voor melk, ongeacht of deze als zodanig wordt verkocht of als ingrediënt in zuivelproducten wordt gebruikt, een nuttige maatregel is om de kwaliteit van zuivelproducten te beschermen en de werkgelegenheid in een sector in zware crisis te beschermen;

4.

wijst erop dat volgens de enquête bij het verslag betreffende melk en andere soorten vlees de kosten van verplichte oorsprongsaanduiding voor melk en melk als ingrediënt toenemen naarmate het productieproces complexer wordt; merkt op dat in dezelfde enquête wordt gesuggereerd dat ondernemingen in bepaalde lidstaten het effect van verplichte oorsprongsetikettering op hun concurrentiepositie hebben overdreven, aangezien in de enquête geen duidelijke verklaring kon worden gevonden voor de hoge kostenramingen door deze ondernemingen, terwijl werd gesteld dat deze een teken kunnen zijn van sterke weerstand tegen oorsprongsetikettering als zodanig;

5.

dringt aan op de oprichting van een werkgroep van de Commissie om het verslag van de Commissie, gepubliceerd op 20 mei 2015, nader te evalueren, om vast te stellen welke kosten tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden teruggebracht als verdere voorstellen voor verplichte aanduiding van het land van oorsprong worden beperkt tot zuivel- en minder intensief verwerkte zuivelproducten;

6.

is ingenomen met de in de enquête opgenomen analyse van de kosten en baten van de invoering van verplichte oorsprongsetikettering voor melk en melk als ingrediënt, maar is van mening dat de Commissie in haar conclusie niet voldoende rekening houdt met de positieve aspecten van de verplichte aanduiding van het land van oorsprong op dergelijke producten, zoals meer informatie voor consumenten; merkt op dat consumenten zich misleid kunnen voelen wanneer informatie over verplichte oorsprongsetikettering niet beschikbaar is en andere levensmiddelenetiketten, zoals nationale vlaggen, worden gebruikt;

7.

benadrukt het belang van kleine en middelgrote ondernemingen in de verwerkingsketen;

8.

is van mening dat de Commissie rekening moet houden met de economische gevolgen van verplichte oorsprongsetikettering voor kmo's in de betrokken landbouw- en levensmiddelensectoren en deze moet analyseren;

9.

is van oordeel dat in de conclusie van de Commissie betreffende melk en melk als ingrediënt de kosten van de aanduiding van het land van oorsprong voor bedrijven worden overschat, aangezien alle zuivelproducten samen in aanmerking worden genomen;

10.

wijst erop dat de Commissie tot de conclusie komt dat de kosten van de aanduiding van het land van oorsprong voor melk gering zouden zijn;

Andere soorten vlees

11.

onderstreept dat volgens de Eurobarometer-enquête van 2013 88 % van de consumenten een oorsprongsaanduiding voor andere soorten vlees dan rund-, varkens-, schapen-, geiten- en pluimveevlees noodzakelijk acht;

12.

merkt op dat het paardenvleesschandaal de noodzaak aantoonde van betere transparantie in de toeleveringsketen van paardenvlees;

13.

wijst erop dat uit het verslag van de Commissie is gebleken dat de exploitatiekosten van verplichte aanduiding van het land van oorsprong voor het onder haar bevoegdheid vallende vlees relatief laag zijn;

Verwerkt vlees

14.

wijst erop dat in het verslag van de Commissie van 17 december 2013 betreffende de verplichte vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor vlees als ingrediënt wordt erkend dat meer dan 90 % van de consumenten-respondenten aangeeft het belangrijk te vinden dat op het etiket van verwerkte levensmiddelen de oorsprong van het vlees wordt vermeld;

15.

is van oordeel dat consumenten, net als tal van beroepsbeoefenaars, voorstander zijn van een verplichte etikettering van vlees in bereide gerechten; meent dat het vertrouwen van de consumenten in levensmiddelen via deze maatregel kan worden behouden omdat de voedselketen transparanter wordt gemaakt;

16.

onderstreept dat Europese consumenten belang hebben bij een verplichte etikettering van alle levensmiddelen met de aanduiding van het land van oorsprong;

17.

wijst erop dat etikettering op zich geen bescherming vormt tegen fraude en benadrukt de behoefte aan een kostenefficiënt controlesysteem om het consumentenvertrouwen te verzekeren;

18.

wijst erop dat vrijwillige etiketteringsregelingen, indien op passende wijze ingevoerd in verschillende lidstaten, een succes zijn geweest voor zowel de informatie aan consumenten als voor producenten;

19.

is van oordeel dat vanwege het feit dat de in artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1169/2011 bedoelde uitvoeringshandelingen nog niet zijn vastgesteld, dat artikel nog niet naar behoren kan worden gehandhaafd;

20.

merkt op dat beschermde oorsprongsaanduiding reeds bestaat voor veel verwerkte vlees- en zuivelproducten (bijv. ham en kaas), op grond waarvan de oorsprong van het gebruikte vlees is vastgesteld in de productiecriteria en er sprake is van verhoogde traceerbaarheid; roept de Commissie derhalve op de ontwikkeling van producten met een „beschermde oorsprongsbenaming” (BOB), „beschermde geografische aanduiding” (BGA) of „gegarandeerde traditionele specialiteit” (GTS) op grond van Verordening (EU) nr. 1151/2012 (7) te stimuleren, zodat wordt verzekerd dat consumenten toegang hebben tot producten van hoge kwaliteit en veilige herkomst;

21.

dringt er bij de Commissie op aan te verzekeren dat de huidige voorschriften met betrekking tot de aanduiding van het land van herkomst niet worden afgezwakt bij de lopende handelsonderhandelingen, zoals het TTIP, en dat het recht om in de toekomst nadere voorschriften met betrekking tot de aanduiding van het land van herkomst voor te stellen voor andere levensmiddelenproducten niet wordt belemmerd;

Conclusies

22.

dringt er bij de Commissie op aan uitvoering te geven aan de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst voor alle soorten consumptiemelk en melk voor zuivelproducten en vleesproducten, en de mogelijkheid te onderzoeken om de verplichte aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst uit te breiden tot de andere producten met maar één ingrediënt of een hoofdingrediënt, en met wetgevingsvoorstellen op deze terreinen te komen;

23.

spoort de Commissie aan wetgevingsvoorstellen te doen die de oorsprongsaanduiding voor vlees in verwerkte levensmiddelen verplicht maken om de transparantie in de hele voedselketen te waarborgen en het vertrouwen van de consumenten te herstellen na het paardenvleesschandaal en andere gevallen van levensmiddelenfraude; beklemtoont ook dat de etiketteringsverplichtingen rekening moeten houden met het evenredigheidsbeginsel en met de administratieve belasting voor de exploitanten van levensmiddelenbedrijven en de instanties die de wetgeving moeten doen naleven;

24.

is van oordeel dat er met de verplichte oorsprongsaanduiding van voedingsmiddelen naar wordt gestreefd om het vertrouwen van de consument in levensmiddelen te herstellen, vraagt de Commissie om in dit verband met een voorstel te komen en daarbij rekening te houden met de transparantie van de informatie en de begrijpelijkheid van de gegevens voor de consument, evenals met de economische levensvatbaarheid van de Europese ondernemingen en de koopkracht van de consument;

25.

benadrukt het belang van een gelijk speelveld op de interne markt en verzoekt de Commissie met klem hiermee rekening te houden bij de bespreking van voorschriften over verplichte oorsprongsetikettering;

26.

verzoekt de Commissie etiketteringsregelingen voor dierenwelzijn tijdens het fokken, het vervoer en de slacht te ondersteunen;

27.

betreurt dat de Commissie nog niets heeft gedaan om eieren en eierproducten ook op de lijst te zetten voor levensmiddelen met verplichte oorsprongsetikettering, hoewel vooral goedkope eierproducten van vloeibaar ei of eierpoeder, die hoofdzakelijk in verwerkte producten worden gebruikt, via de import uit derde landen op de Europese markt terechtkomen en zo het EU-verbod op kooi-eieren overduidelijk omzeilen; is daarom van mening dat een verplichte etikettering van eierproducten en levensmiddelen waarin eieren zijn verwerkt met betrekking tot oorsprong en houderijsysteem hier transparantie en bescherming zou kunnen bieden en vraagt de Commissie daarom een analyse van de marktsituatie voor te leggen en indien nodig wetsvoorstellen op te stellen;

28.

is van mening dat aanduiding van het land van oorsprong voor consumptiemelk, minder intensief verwerkte zuivelproducten (zoals kaas en room) en bepaalde minder intensief verwerkte vleesproducten (zoals bacon en worstjes), aanzienlijk minder kosten met zich mee zou brengen, en dat deze etikettering met prioriteit moet worden onderzocht;

29.

is van mening dat oorsprongsetikettering als zodanig fraude niet voorkomt; pleit er in dit verband voor resoluut verder in te zetten op een striktere controle, een betere handhaving van bestaande wetgeving en zwaardere sancties;

30.

verzoekt de Commissie de noodzakelijke actie te ondernemen ter bestrijding van fraude in verband met de voorschriften voor oorsprongsaanduiding op vrijwillige basis voor levensmiddelen;

31.

nodigt de Commissie uit de bestaande kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen die vallen onder Verordening (EU) nr. 1151/2012 te ondersteunen en vraagt om uitbreiding van de Europese promotiecampagnes voor deze producten;

32.

verzoekt de Commissie nogmaals te voldoen aan de wettelijke verplichting om tegen 13 december 2013 de uitvoeringshandelingen vast te stellen die nodig zijn voor de correcte handhaving van lid 3 van Verordening (EU) nr. 1169/2011, zodat de nationale instanties de overeenkomstige sancties kunnen opleggen;

o

o o

33.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0034.

(3)  PB L 335 van 14.12.2013, blz. 19.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0096.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0011.

(6)  http://ec.europa.eu/food/safety/docs/labelling_legislation_final_report_ew_02_15_284_en.pdf, blz. 50.

(7)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/54


P8_TA(2016)0226

Raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de toepassing van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst over ouderschapsverlof, en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG; (2015/2097(INI))

(2018/C 076/11)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 2, artikel 3, lid 3, en artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien de artikelen 8, 10, 153, lid 1, onder i) en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de artikelen 7, 9, 23, 24 en 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG,

gezien Richtlijn 2013/62/EU van de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Richtlijn 2010/18/EU tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, in verband met de wijziging van de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie,

gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 23 en 24 maart 2006 (777751/1/06 REV 1),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Meer steun voor het combineren van beroep, privéleven en gezinsleven” (COM(2008)0635),

gezien de aanbeveling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld „Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken” (C(2013)0778),

gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2015 (1),

gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015, (2),

gezien zijn resolutie van woensdag 20 mei 2015 over moederschapsverlof (3),

gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (4),

gezien de studie van de onderzoeksdienst van het Europees Parlement van mei 2015 getiteld „Gender equality in employment and occupation — Directive 2006/54/EC, European Implementation Assessment” (Gendergelijkheid in arbeid en beroep — Richtlijn 2006/54/EG, Europese uitvoeringsbeoordeling),

gezien de studie van het directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie van het Europees Parlement van februari 2015 getiteld: „Maternity, Paternity and Parental Leave: Data Related to Duration and Compensation Rates in the European Union” (Moederschaps- vaderschaps- en ouderschapsverlof: gegevens over de duur en de compensatiepercentages in de Unie),

gezien de studie van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofond) van maart 2015 getiteld „"Promoting parental and paternity leave among fathers” (Het bevorderen van ouderschaps- en vaderschapsverlof onder vaders),

gezien het Eurofound-verslag getiteld „Maternity leave provisions in the EU Member States: Duration and allowances” (Eurofound, 2015),

gezien het verslag van Eurofound van 2015 met als titel „Promoting uptake of parental and paternity leave among fathers in the European Union”,

gezien de studie van de Europese Commissie van februari 2015 getiteld „The Implementation of Parental Leave Directive 2010/18 in 33 European Countries” (De tenuitvoerlegging van de Richtlijn 2010/18 betreffende ouderschapsverlof in 33 Europese landen),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0076/2016),

A.

overwegende dat het niet waarschijnlijk is dat de in de Europa 2020-strategie opgenomen doelstelling van een arbeidsparticipatie van 75 % tegen 2020 (momenteel 63,5 %) gehaald zal worden; overwegende dat er voorts proactieve maatregelen nodig zijn om de duurzame participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen en om moeders op de arbeidsmarkt te houden en hun terugkeer op de arbeidsmarkt te ondersteunen, teneinde de doelstelling van stabiel en fatsoenlijk werk onder gelijke voorwaarden als mannen, te verwezenlijken, met name door beleid dat erop is gericht een beter evenwicht tussen werk en privéleven tot stand te brengen voor alle ouders;

B.

overwegende dat door de ouders verrichte gezins- en opvoedingstaken een meetbare economische bijdrage van groot belang vormen, mede in het licht van de demografische ontwikkelingen in Europa;

C.

overwegende dat in Richtlijn 96/34/EG de combinatie van beroeps- en gezinsleven als apart onderwerp wordt erkend, terwijl in Richtlijn 2010/18/EU wordt voorgeschreven dat alle werknemers het recht hebben op vier maanden onbetaald ouderschapsverlof, waarbij één van de maanden op niet-overdraagbare basis moet worden verleend; overwegende dat het beginsel van gendergelijkheid op het gebied van arbeid nu is vastgelegd in EU-wetgeving; overwegende dat gelijke carrièremogelijkheden voor mannen en vrouwen, onder meer door middel van het ouderschapsverlof, zou helpen om het in de Europa 2020-strategie opgenomen arbeidsparticipatiepercentage van 75 % te halen, en om het probleem aan te pakken dat vrouwen veel kwetsbaarder zijn voor armoede, maar dat zij tevens een meetbare economische bijdrage van groot belang vormen, mede in het licht van de demografische ontwikkelingen in Europa;

D.

overwegende dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat onbetaald of slecht betaald verlof om gezinsredenen leidt tot geringe participatiepercentages en dat vaders slechts in geringe mate gebruik maken van hun recht op ouderschapsverlof; overwegende dat volledig of deels niet-overdraagbaar en behoorlijk betaald ouderschapsverlof op een evenwichtigere manier door beide ouders wordt benut en helpt om discriminatie tegen vrouwen op de arbeidsmarkt te verminderen;

E.

overwegende dat een gemengd model, bestaande uit zowel een moederschaps-, als een vaderschaps- en een gemeenschappelijk verlof, d.w.z. een ouderschapsverlof waarbij beide ouders op correcte wijze samen kunnen besluiten hoe zij hun verlofrechten inrichten, in het belang is van de kinderen terwijl tevens rekening kan worden gehouden met de specifieke kenmerken van hun baan;

F.

overwegende dat het ouderschapsverlof leidt tot levenslange voordelen voor de ontwikkeling van kinderen; overwegende dat in het kader van het huidige overheidsbeleid op dit gebied het percentage vaders dat ouderschapsverlof neemt in de lidstaten van de Unie toeneemt, maar desalniettemin laag blijft, waarbij slechts 10 % van de vaders ten minste een dag ouderschapsverlof neemt, overwegende dat het daarentegen voor 97 % vrouwen zijn die gebruikmaken van het ouderschapsverlof dat voor beide ouders bestemd is;

G.

overwegende dat in studies van Eurofound wordt geïllustreerd dat er aspecten van invloed zijn op de mate waarin vaders gebruikmaken van ouderschapsverlof, waaronder het vergoedingsniveau, de flexibiliteit van het verlofsysteem, de beschikbaarheid van informatie, de beschikbaarheid en flexibiliteit van kinderopvangfaciliteiten en de mate waarin werknemers bang zijn voor uitsluiting van de arbeidsmarkt wanneer zij verlof opnemen; overwegende dat tal van onderzoekers (5) evenwel suggereren dat vaders die ouderschapsverlof opnemen een betere band opbouwen met hun kinderen en waarschijnlijk een actieve rol op zich zullen nemen bij toekomstige opvoedkundige taken; overwegende dat deze kwesties daarom moeten worden aangepakt;

H.

overwegende dat de Europese Unie in haar geheel voor ernstige demografische uitdagingen staat gezien de dalende geboortecijfers in de meeste lidstaten, en overwegende dat een rechtvaardig gezinsbeleid voor mannen en vrouwen de kansen van vrouwen op de arbeidsmarkt zou moeten verbeteren, het evenwicht tussen beroeps- en gezinsleven zou moeten verbeteren, genderkloven zou moeten verminderen met betrekking tot beloning, pensioenen en de inkomsten gedurende het hele leven, en een positief effect zou moeten hebben op de demografische ontwikkelingen;

I.

overwegende dat volgens Eurostat in 2010 3 518 600 personen ouderschapsverlof opnam, waarvan slechts 94 800 (2,7 %) mannen; overwegende dat volgens onderzoek van Eurofound (6) de genderkloof in de arbeidsparticipatie tot ernstige verliezen leidt voor de Europese economieën, die in 2013 neerkwamen op ongeveer 370 miljard euro;

J.

overwegende dat de Commissie, samen met de lidstaten, concrete maatregelen zou moeten nemen om een nieuw soort arbeidsorganisatie te stimuleren via flexibelere arbeidsmodellen die het mogelijk maken het recht op ouderschap daadwerkelijk uit te oefenen met behulp van instrumenten om privéleven en werk beter te combineren; overwegende dat deze maatregelen zouden kunnen helpen om discriminatie tegen vrouwen tegen te gaan en hun te helpen toe te treden tot, actief te blijven op of terug te keren naar de arbeidsmarkt zonder enige vorm van economische of sociale druk;

K.

overwegende dat ouderschapsverlof niet alleen gendergelijkheid en de toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt moet waarborgen, maar ouders ook in staat moet stellen om hun verantwoordelijkheden ten aanzien van hun kinderen te vervullen;

L.

overwegende dat het van cruciaal belang is te waarborgen dat vrouwen arbeid met rechten kunnen combineren met het recht op moederschap zonder dat zij daardoor worden benadeeld, aangezien vrouwen nog altijd het zwaarst worden getroffen en het meest worden gediscrimineerd; overwegende dat vrouwen deze discriminatie bijvoorbeeld ondervinden tijdens sollicitatiegesprekken, wanneer werkgevers vragen of zij kinderen hebben en hoe oud die zijn, om vrouwen te beïnvloeden in hun keuzen en te kunnen kiezen voor kinderloze werknemers met een „grotere beschikbaarheid”, of in de vorm van de toenemende economische en werkgerelateerde druk op vrouwelijke werknemers om geen moederschapsverlof op te nemen;

M.

overwegende dat de toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt en hun blijvende arbeidsparticipatie onder andere worden beperkt door de zorg voor gehandicapte, hulpbehoevende en afhankelijke kinderen en/of kinderen die tot achtergestelde categorieën of groepen behoren;

N.

overwegende dat wanneer er geen bepalingen voor verlof bestaan of wanneer de bestaande bepalingen als onvoldoende worden beschouwd, de sociale partners, door middel van collectieve overeenkomsten, een belangrijke rol kunnen spelen bij het vaststellen van nieuwe bepalingen of het actualiseren van bestaande bepalingen voor moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof;

O.

overwegende dat een evenwicht tussen gezinsleven en beroepsleven een grondrecht is dat ten volle moet worden gewaarborgd in alle teksten van de Europese Unie die op dit domein enige invloed kunnen hebben; overwegende dat, meer in het algemeen, moet worden gewezen op het belang van een gezinsvriendelijke werkomgeving;

P.

overwegende dat de meeste lidstaten van de EU reeds voldoen aan de minimumeisen in Richtlijn 2010/18/EU inzake ouderschapsverlof en de nationale bepalingen in veel lidstaten verder gaan dan deze eisen;

Q.

overwegende dat de lidstaten zowel in de publieke als in de private sector bedrijfswelzijnsmodellen zouden moeten promoten die het recht om privéleven en werk te combineren opeisbaar maken;

R.

overwegende dat de verschillen in opname van moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof door mannen en vrouwen genderdiscriminatie laten zien wat de zorg voor kinderen en de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen betreft; overwegende dat de maatregelen om mannen ertoe aan te sporen een gelijk aandeel in de gezinstaken op zich te nemen in veel lidstaten geen bevredigende resultaten hebben opgeleverd;

S.

overwegende dat passend, individueel, gecompenseerd ouderschapsverlof van essentieel belang is voor ouders van hetzelfde geslacht om een goede balans tussen werk en privéleven te vinden;

T.

overwegende dat vrouwen die gebruikmaken van hun recht op een goede balans tussen werk en privéleven door ouderschapsverlof op te nemen bij terugkeer op de arbeidsmarkt een stempel krijgen opgedrukt, met minder gunstige arbeidsvoorwaarden en onzekere contracten tot gevolg;

De omzetting van de richtlijn

1.

onderstreept dat de bepalingen die nodig zijn voor de omzetting van Richtlijn 2010/18/EU resulteren in verschillende beleidsvormen in de lidstaten; is derhalve van mening dat de omzetting in volledige overeenstemming dient te zijn met de geldende wetten op het gebied van collectieve onderhandelingen tussen de sociale partners;

2.

is van mening dat, aangezien niet alle lidstaten de afzonderlijke of opeenvolgende benadering van de EU ten aanzien van moederschaps- en ouderschapsverlof hebben gevolgd, het indelen van de verschillende soorten verloven op EU-niveau moeilijk is;

3.

herinnert eraan dat het geven van een rooskleuriger beeld door de lidstaten de regelgeving ingewikkelder kan maken en in feite de naleving ervan kan beperken; roept de lidstaten op te voorkomen dat er administratieve lasten bijkomen wanneer zij de EU-wetgeving omzetten;

4.

spoort de lidstaten die nog geen concordantietabellen aan de Commissie hebben verstrekt met het verband tussen de bepalingen van de richtlijn en de omzettingsmaatregelen, dit binnen een redelijk tijdsbestek te doen; acht het van cruciaal belang voor de lidstaten om te verzekeren dat de noodzakelijke inspectiemiddelen zijn ingesteld om te controleren dat de wetgeving ter bescherming van de rechten van ouders wordt nageleefd; spoort de Commissie aan een passende studie te verrichten over de tenuitvoerlegging van de Europese richtlijn in de lidstaten om te garanderen dat de mogelijkheid om aanpassingen aan te brengen niet tot het uiterste wordt opgerekt; beschouwt het beginsel van uitwisseling van beste praktijken als een belangrijk instrument om deze doelstellingen te bereiken;

5.

betreurt dat er discrepanties bestaan tussen de omzettingsmaatregelen wat betreft het toepassingsgebied van de richtlijn, hetgeen situaties creëert waarin sprake is van meer of minder gunstige regelingen voor werknemers, bijvoorbeeld afhankelijk van de sector waarin zij werkzaam zijn (in de hele EU wordt in de publieke sector meer bescherming geboden dan in de private sector, dus de publieke sector heeft op dit vlak een voortrekkersrol) en afhankelijk van de duur van hun contract; beveelt daarom aan om elke mogelijke actie te ondernemen om de correcte, uniforme toepassing van de richtlijn in zowel de publieke als de private sector mogelijk te maken; benadrukt dat iedereen, ongeacht geslacht en zonder onderscheid, verzekerd moet zijn van het recht op ouderschapsverlof, ongeacht de sector waarin werkende vaders en moeders werkzaam zijn of het type arbeidscontract dat zij hebben;

6.

is verheugd over het feit dat bepaalde lidstaten de bepalingen van de richtlijn ruimer hebben omgezet dan het minimale toepassingsgebied vereist, zodat zelfstandigen, personeel in opleiding, koppels van hetzelfde geslacht en ouders van geadopteerde kinderen eveneens baat bij deze bepalingen hebben;

7.

is ervan overtuigd dat het verlenen van sociale zekerheid tot de bevoegdheden van de lidstaten behoort;

8.

dringt er bij de lidstaten op aan sociaal beleid op gezinsgebied aan te nemen waardoor alle in de richtlijn opgenomen voordelen van toepassing zijn wanneer ouders langere tijd in het buitenland verblijven om een internationale adoptieprocedure af te ronden;

9.

wijst erop dat er, meer dan tien jaar na de omzetting van Richtlijn 96/34/EG door de lidstaten, nog steeds sprake is van verschillen tussen mannen en vrouwen bij het opnemen van ouderschapsverlof; wijst eveneens op de grote verschillen tussen de lidstaten wat betreft de maximale duur en de wettelijke status van ouderschapsverlof en de regelingen betreffende de betaling tijdens de verlofperiode; is van mening dat de kwestie van betaling tijdens het verlof van cruciaal belang is om te waarborgen dat ouders met een laag inkomen en alleenstaande ouders er evenveel gebruik van kunnen maken als andere ouders; is ingenomen met de verschillende regelingen om vaders aan te moedigen gebruik te maken van ouderschapsverlof; erkent de waarde van de EU als middel om de aandacht van de lidstaten te richten op de noodzaak om actie te ondernemen en om uitwisselingen te bewerkstelligen op het gebied van advies en bijstand voor die lidstaten die dat nodig hebben, met name op het gebied van socialezekerheidsrechten; is van mening dat de Commissie maatregelen moet voorstellen om vaders aan te moedigen meer ouderschapsverlof te nemen en dat de lidstaten het effectiever delen van de beste praktijken op dit gebied moeten stimuleren;

10.

merkt op dat sommige lidstaten ervoor hebben gekozen slechts gedurende een korte periode van de maximale duur van het ouderschapsverlof toegang tot de socialezekerheidsrechten te geven, waardoor het feitelijke gebruik van deze maximale duur door de ouders wordt gereduceerd;

11.

verzoekt de lidstaten om samen met de Commissie te waarborgen dat dat de rechten die voortvloeien uit het overheidsbeleid op gezinsgebied, zoals het ouderschapsverlof, gelijk zijn wat individuele rechten betreft en gelijkelijk toegankelijk zijn voor beide ouders, teneinde hen aan te sporen een beter evenwicht tussen gezins- en beroepsleven te bewerkstelligen in het belang van hun kinderen; benadrukt dat deze rechten zo veel mogelijk geïndividualiseerd moeten worden, teneinde het in de Europa 2020-strategie vastgelegde arbeidsparticipatiepercentage van 75 % voor vrouwen en mannen te verwezenlijken en gendergelijkheid te bevorderen; is van mening dat ouders een bepaalde mate van flexibiliteit moeten krijgen bij het gebruik van ouderschapsverlof, en dat het in geen geval een belemmering mag vormen voor de verwezenlijking van het in de Europa 2020-strategie vastgelegde arbeidsparticipatiepercentage van 75 % voor vrouwen en mannen; is van mening dat het door de sociale partners goedgekeurde systeem een oplossing moet bevorderen waarbij een aanzienlijk deel van het verlof niet-overdraagbaar blijft; onderstreept dat beide ouders een gelijke behandeling moeten krijgen wat betreft de rechten op inkomsten en de duur van het ouderschapsverlof;

12.

benadrukt dat gezinnen met kinderen en ouders die ouderschapsverlof opnemen niet alleen een inkomensterugval ondervinden, maar nog extra belast worden door bijkomende kosten en door de onderwaardering van de ouderlijke taken;

13.

wijst op de flexibiliteit die de richtlijn de lidstaten biedt bij de vaststelling van de vormen van ouderschapsverlof, zoals voltijd- en deeltijdverlof, of met betrekking tot de arbeidstijden of voorafgaande kennisgevingen als voorwaarde voor de toekenning van ouderschapsverlof; merkt op dat werknemers met atypische arbeidsovereenkomsten, zoals arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur (7) en nulurencontracten (8) niet altijd deel uitmaken van deze maatregelen en is bezorgd over misbruik van deze typen arbeidsovereenkomsten; neemt kennis van de initiatieven van de lidstaten om werkgevers in dit verband maximale flexibiliteit te bieden, zodat het ouderschapsverlof in overeenstemming is met hun beroeps- en privéomstandigheden; is evenwel van mening dat alle maatregelen erop gericht moeten zijn de opname van ouderschapsverlof te bevorderen;

14.

merkt op dat de terugkeer naar het werk na het ouderschapsverlof een moeilijke en stressvolle situatie kan opleveren voor zowel de ouder als het kind; dringt er bij de lidstaten op aan een gezinsbeleid vast te stellen dat een soepele en geleidelijke terugkeer naar het werk en een optimaal evenwicht tussen gezins- en beroepsleven bevordert, waarbij tevens moet worden overwogen telewerk, thuiswerk en vormen van „smart working” te bevorderen, zonder dat dergelijk beleid werknemers extra lasten bezorgt;

15.

verzoekt de lidstaten om bij de invulling hiervan ook de planningszekerheid voor ondernemingen te waarborgen, in het bijzonder rekening houdend met de belangen van zeer kleine, kleine en middelgrote ondernemingen;

16.

dringt bij de Commissie aan op een verbetering en versterking van de bepalingen van Richtlijn 2010/18/EU voor wat betreft de toegangsvoorwaarden en toepassingsvormen van ouderschapsverlof voor ouders van gehandicapte, ernstig of langdurig zieke kinderen, rekening houdend met de beste voorbeelden uit de lidstaten (verhoging van de leeftijdsgrens van het kind voor toegang tot ouderschaps- of zorgverlof, gemakkelijkere toegang tot deeltijds werk bij werkhervatting, verlenging van de verlofduur, enz.);

17.

benadrukt dat het noodzakelijk is te zorgen voor gunstige voorwaarden voor de terugkeer naar het werk van degenen die ouderschapsverlof hebben opgenomen, met name wat betreft de terugkeer in dezelfde functie, in een gelijkwaardige of vergelijkbare functie die in overeenstemming is met de arbeidsovereenkomst of -voorwaarden, wijzigingen van werkroosters en/of van de organisatie van het beroepsleven bij de herintreding (met inbegrip van de verplichting voor de werkgever om eventuele weigeringen te rechtvaardigen), deelname aan opleidingen, bescherming tegen ontslag of minder gunstige behandeling wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof;

Een doeltreffende richtlijn om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin aan te pakken

18.

neemt kennis van het feit dat de Commissie de ontwerprichtlijn betreffende moederschapsverlof heeft ingetrokken, en van het feit dat zij in het kader van het stappenplan getiteld „Nieuwe start om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin bij werkende gezinnen aan te pakken” in deze fase niet voornemens is een eindverslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende ouderschapsverlof te publiceren; dringt er bij de Commissie op aan om, rekening houdend met het subsidiariteitsbeginsel, met een ambitieus voorstel te komen dat een beter evenwicht tussen gezins- en beroepsleven daadwerkelijk mogelijk maakt;

19.

is van oordeel dat de politieke discussie zich ook zou moeten concentreren op een aantal niet-wetgevende initiatieven om samen met de lidstaten en het maatschappelijk middenveld meer de nadruk te leggen op de taken van ouders en om de verenigbaarheid van gezin en beroep te bevorderen;

20.

meent dat een breed niet-wetgevend initiatief moet worden overwogen om het combineren van werk en gezinsleven in de lidstaten te bevorderen;

21.

gelooft, gezien de overlappingen tussen verschillende soorten gezinsverloven, dat op EU-niveau met behulp van de sociale partners moet worden gezorgd voor samenhang tussen de verschillende teksten, teneinde gezinnen verlofmogelijkheden gedurende de hele levenscyclus te bieden met als doel een eerlijkere verdeling van de zorgverantwoordelijkheden te bewerkstelligen tussen vrouwen en mannen; dringt er bij de Commissie op aan hiertoe de herzieningsclausule in EU-wetgeving inzake ouderschapsverlof in werking te stellen; meent dat behoefte is aan duidelijker geformuleerde wetgeving waarmee onduidelijkheden worden weggenomen, de naleving wordt verbeterd en werknemers worden beschermd;

22.

dringt er bij de sociale partners op aan om op basis van het in februari 2015 gepubliceerde Commissieverslag, de tekortkomingen van de richtlijn inzake ouderschapsverlof aan te pakken teneinde haar doelstellingen volledig te bereiken wat betreft de combinatie van werk en gezin, de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, demografische uitdagingen en het aandeel van mannen in gezinstaken, waaronder de zorg voor kinderen en andere hulpbehoevenden, en is van oordeel dat er doeltreffendere maatregelen genomen moeten worden om aan te sporen tot een gelijkwaardigere verdeling van de gezinstaken tussen mannen en vrouwen;

23.

benadrukt dat bevredigende ouderschapsverlofregelingen nauw verband houden met toereikende betaling; merkt op dat wanneer er geen bepalingen voor verlof bestaan of wanneer de bestaande bepalingen als onvoldoende worden beschouwd, de sociale partners, door middel van collectieve overeenkomsten, een belangrijke rol kunnen spelen bij het vaststellen van nieuwe bepalingen of het actualiseren van bestaande bepalingen voor moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof; dringt er bij de lidstaten op aan om, in samenspraak met de sociale partners, hun systeem van financiële vergoeding voor ouderschapsverlof te herzien om ervoor te zorgen dat deze vergoeding als volwaardig vervangend inkomen kan dienen, hetgeen mannen eveneens zou kunnen aanmoedigen om langer verlof op te nemen dan de in de Richtlijn vastgelegde minimumduur van het ouderschapsverlof;

24.

is van mening dat de bevordering van de individualisering van het recht op verlof en van positieve actie die is gericht op het bevorderen van de rol van de vader van essentieel belang is om een uit genderoogpunt evenwichtige combinatie van werk en privéleven te bewerkstelligen;

25.

verzoekt de Commissie en de sociale partners om de mogelijkheid te onderzoeken om de minimumduur van ouderschapsverlof te verlengen van vier naar ten minste zes maanden teneinde het mogelijk te maken het beroeps- en gezinsleven beter te combineren;

26.

wijst erop dat een betere coördinatie, samenhang en toegankelijkheid van de verlofstelsels in de lidstaten (moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof) tot gevolg hebben dat er meer gebruik van wordt gemaakt en zorgen voor een hogere algemene efficiëntie; onderstreept dat een Europese richtlijn betreffende een vaderschapsverlof van minimaal twee weken in dit verband hoogst noodzakelijk en urgent is;

27.

benadrukt dat de periode waarbinnen de twee ouders hun recht op ouderschapsverlof kunnen uitoefenen, moet worden verlengd; dringt er bij de Commissie en de sociale partners op aan de leeftijd van het kind waarvoor ouderschapsverlof kan worden opgenomen te verhogen, en daarbij tevens in overweging te nemen dat de mogelijkheid om ouderschapsverlof op te nemen voor ouders van kinderen met een handicap of langdurige ziekte moet worden verlengd tot na de wettelijke leeftijd van het kind zoals voorzien in de richtlijn;

28.

verzoekt de lidstaten en de sociale partners om de vele belemmeringen voor de terugkeer naar het werk na een lange periode van ouderschapsverlof weg te nemen, om te voorkomen dat dit verlof leidt tot uitsluiting op de arbeidsmarkt; brengt in dit kader in herinnering dat gelijkheid van mannen en vrouwen uitsluitend kan worden bereikt door middel van een eerlijke herverdeling van betaald en onbetaald werk, evenals van beroeps-, gezins- en zorgverantwoordelijkheden;

29.

dringt er bij de lidstaten op aan zich te blijven inspannen voor meer convergentie op het gebied van de uitwisseling van beste praktijken wat betreft het combineren van gezins- en beroepsleven, en daarbij speciale aandacht te besteden aan beleidsmaatregelen ter ondersteuning van de toetreding tot, participatie op en terugkeer naar de arbeidsmarkt van moeders, de participatie van vaders aan het gezinsleven en de grotere participatie van vaders aan ouderschapsverlof; spoort de Commissie aan om, samen met de lidstaten, toe te zien op deze maatregelen en deze te bevorderen;

30.

is van mening dat de lidstaten, om de Barcelona-doelstellingen te verwezenlijken, ter aanvulling van de wetgevingsmaatregelen om het evenwicht tussen beroeps- en gezinsleven te bevorderen, en met financiële steun uit de verschillende Europese instrumenten, zich zouden moeten inzetten voor kwalitatief hoogwaardige, inclusieve, betaalbare en toegankelijke publieke of private kinderopvang vanaf het moment dat een ouder terugkeert naar de arbeidsmarkt, met bijzondere aandacht voor gezinnen die arm zijn en een risico lopen op sociale uitsluiting;

31.

roept de lidstaten op het bewustzijn van de ouders te vergroten ten aanzien van de voordelen van deelname aan programma's over de opvoeding en zorg in de eerste kinderjaren voor zowel hun kinderen als henzelf; verzoekt de lidstaten de ontwerp- en geschiktheidscriteria voor kwalitatief hoogwaardige en inclusieve diensten op het gebied van opvoeding en zorg in de eerste kinderjaren aan te passen aan de steeds gevarieerdere werkpatronen, zodat ouders worden geholpen te voldoen aan hun werkverplichtingen of een baan kunnen zoeken, terwijl sterk de nadruk blijft liggen op de belangen van het kind;

32.

is van mening dat een geïntegreerde benadering van gendergelijkheid — met inbegrip van beleid ter bestrijding van stereotype genderrollen — en het combineren van werk en gezinsleven in alle toekomstige EU-wetgeving zal leiden tot een samenhangend en transparant proces en zal helpen de bevordering van een vanuit genderoogpunt evenwichtige combinatie van werk en gezinsleven te waarborgen; roept de Commissie en de lidstaten op om het bewustzijn in de samenleving te vergroten over de rechten en rechtsmiddelen met betrekking tot de combinatie van beroeps- en gezinsleven;

33.

dringt er bij de Commissie op aan om het positieve effect te meten van de initiatieven inzake de combinatie van privéleven en werk, teneinde een nieuw evenwicht te bewerkstelligen op het gebied van de verdeling van de gezins-, zorg- en huishoudelijke taken, en om de bijzondere zorgtaken van ouders van gehandicapte en afhankelijke kinderen en/of kinderen die tot achtergestelde categorieën en groepen behoren, uit te breiden;

o

o o

34.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0068.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0218.

(3)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0207.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0351.

(5)  http://www.oecd.org/gender/parental-leave-where-are-the-fathers.pdf

(6)  https://www.eurofound.europa.eu/news/news-articles/social-policies/international-womens-day-2016-the-campaign-for-equality-continues

(7)  Peter Moss in the 10th International Review of Leave Policies and Related Research 2014, juni 2014, blz. 39.

(8)  https://www.cipd.co.uk/binaries/zero-hours-contracts_2013-myth-reality.pdf


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/61


P8_TA(2016)0227

Voorkoming en bestrijding van mensenhandel

Resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/36/EU van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan vanuit een genderperspectief (2015/2118(INI))

(2018/C 076/12)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 79 en 83 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de artikelen 3, 5 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien het Verdrag van de VN van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), met name artikel 6, betreffende de bestrijding van alle vormen van handel in vrouwen en van het exploiteren van prostitutie van vrouwen,

gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1949 inzake de afschaffing van mensenhandel en van de exploitatie van prostitutie van anderen,

gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking, die op 15 september 1995 zijn goedgekeurd op de vierde Wereldvrouwenconferentie, en de latere slotdocumenten die zijn aangenomen op speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties Beijing + 5 (2000), Beijing + 10 (2005), Beijing + 15 (2010) en het slotdocument van de toetsingsconferentie Beijing + 20,

gezien het Protocol van 2000 inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, en met name de internationaal overeengekomen definitie van mensenhandel, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad,

gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 en het Facultatief Protocol bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie, en gezien de resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (1),

gezien het Verdrag van Oviedo inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde,

gezien het Haags Adoptieverdrag,

gezien het „Joint UN Commentary” over de EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers, waarin wordt opgeroepen om slachtoffers van mensenhandel op een gendersensitieve manier internationale bescherming te verlenen,

gezien AIO-Verdrag nr. 29 inzake gedwongen of verplichte arbeid, waarin in artikel 2 een definitie van gedwongen arbeid wordt gegeven,

gezien de Conventie van de Raad van Europa over actie tegen mensenhandel en de aanbevelingen van de Raad van Europa op dit gebied,

gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

gezien Verordening (EU) 2015/2219 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol) en tot vervanging en intrekking van Besluit 2005/681/JBZ van de Raad (2),

gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (3),

gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (4),

gezien Richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (5),

gezien Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (6),

gezien Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie (7),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „De EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016” (COM(2012)0286),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Tussentijds verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel” (SWD(2014)0318),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „De Europese veiligheidsagenda” (COM(2015)0185),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019” (SWD(2015)0278),

gezien het situatieverslag van Europol over mensenhandel in de EU (februari 2016),

gezien het verslag van Eurostat over „Mensenhandel”, editie 2015,

gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van Richtlijn 2011/36/EU, opgesteld door het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten,

gezien de studie over de genderdimensie van mensenhandel waartoe de Commissie opdracht heeft gegeven, 2016,

gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie over de bestrijding van geweld tegen vrouwen (8),

gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over seksuele uitbuiting en prostitutie en de gevolgen daarvan voor de gendergelijkheid (9),

gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015 (10),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0144/2016),

A.

overwegende dat mensenhandel een afschuwelijke schending is van de grondrechten zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name van artikel 5, lid 3, daarvan, evenals een schending van de menselijke waardigheid en de fysieke en psychologische integriteit van slachtoffers, die daardoor vaak voor het leven zijn getekend, alsook een ernstige vorm van, vaak georganiseerde, criminele activiteit die de rechtsstaat ondermijnt, gedreven door een grote vraag en hoge winsten, naar schatting 150 miljard USD per jaar (11); overwegende dat verschillen in de wetgeving tussen de lidstaten de georganiseerde misdaad aanzienlijk in de hand werken, dat er nog steeds een te kleine kans is om te worden vervolgd, en dat de straffen die worden toegepast om afschrikwekkend te werken ontoereikend zijn vergeleken met de potentieel hoge winst;

B.

overwegende dat mensenhandel in artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU wordt gedefinieerd als het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van personen, daaronder begrepen de wisseling of overdracht van de controle over deze personen, door dreiging met of gebruik van geweld of andere vormen van dwang, door ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen, teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die controle heeft over een andere persoon, ten behoeve van uitbuiting; overwegende dat uitbuiting ten minste uitbuiting van prostitutie van anderen, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid of dienstverlening — bedelarij daaronder begrepen — slavernij en met slavernij vergelijkbare praktijken, dienstbaarheid, uitbuiting van strafbare activiteiten, en de verwijdering van organen omvat;

C.

overwegende dat mensenhandel veel verschillende vormen aanneemt, en dat slachtoffers van mensenhandel in een groot aantal legale en illegale activiteiten te vinden zijn, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, landbouw, voedselverwerking, de seksindustrie, huishoudelijke arbeid, de productie-industrie, de zorgsector en de schoonmaaksector, of in de context van andere sectoren (in het bijzonder in de dienstensector), bedelen, criminaliteit, gedwongen uithuwelijking, seksuele uitbuiting van kinderen op het internet, illegale adopties en de handel in menselijke organen;

D.

overwegende dat, zoals vermeld in het document „Joint UN Commentary on the EU Directive — A Human Rights-Based Approach (2011)”, diverse VN-organen erop wijzen dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen smokkel van mannen en smokkel van vrouwen en dat er aandacht moet worden besteed aan de overeenkomsten en verschillen tussen de ervaringen van vrouwen en mannen met betrekking tot kwetsbaarheden en schendingen;

E.

overwegende dat de huidige vluchtelingencrisis heeft aangetoond dat er op Europees niveau een gebrek bestaat aan adequate hulpmiddelen om mensenhandel, en in het bijzonder de seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, gezamenlijk te bestrijden;

F.

overwegende dat een standaardstrategie niet efficiënt is en overwegende dat de verschillende vormen van mensenhandel, zoals handel voor seksuele uitbuiting, handel voor arbeidsuitbuiting en kinderhandel, moeten worden aangepakt met specifieke en op maat gemaakte beleidsmaatregelen;

G.

overwegende dat Richtlijn 2011/36/EU (hierna „de richtlijn” genoemd) moet worden geprezen voor zijn op mensenrechten gebaseerde aanpak waarin de slachtoffers centraal staan, en waarin de slachtoffers van mensenhandel recht hebben op bepaalde rechten en diensten op grond van internationaal recht, ongeacht hun bereidheid of mogelijkheid om mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek (op grond van artikel 11, lid 3, van de richtlijn);

H.

overwegende dat alle ondersteunende diensten voor slachtoffers van mensenhandel werkelijk onvoorwaardelijk moeten zijn en moeten waarborgen dat er geen verdere victimisatie plaatsvindt;

I.

overwegende dat mensenhandel enerzijds het gevolg is van mondiale economische en sociale ongelijkheden en anderzijds wordt verergerd door de sociale en maatschappelijke ongelijkheid en de ongelijkheid op het vlak van onderwijs en opleiding tussen vrouwen en mannen;

J.

overwegende dat uit recente statistische gegevens blijkt dat de meeste slachtoffers van mensenhandel vrouwen zijn; overwegende dat gender op zichzelf geen inherente kwetsbaarheid genereert en dat een groot aantal factoren bijdraagt tot het ontstaan van een situatie van kwetsbaarheid voor vrouwen en meisjes, waaronder armoede, sociale uitsluiting, seksisme en discriminatie;

K.

overwegende dat vrouwen en meisjes 80 % van de geregistreerde slachtoffers van mensenhandel vertegenwoordigen (12), en dat dit deels kan worden toegeschreven aan structureel geweld tegen en discriminatie van vrouwen en meisjes;

L.

overwegende dat de vraag naar vrouwen, meisjes, mannen en jongens in de seksindustrie een doorslaggevende pullfactor is voor mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting; en overwegende dat de vraag naar goedkope arbeid en de niet–naleving van arbeidsrechten pullfactoren zijn voor mensenhandel met het oog op arbeidsuitbuiting;

M.

overwegende dat de maatschappelijke tolerantie van genderongelijkheid en geweld tegen vrouwen en meisjes en het gebrek aan publiek bewustzijn van de problemen omtrent mensenhandel een omgeving waarin mensenhandel mogelijk is laten voortbestaan;

N.

overwegende dat de soorten prostitutie waarin slachtoffers van mensenhandel het vaakst terechtkomen, zoals straatprostitutie, zijn afgenomen in landen die het kopen van seks en het bedrijven van activiteiten waarbij winst gemaakt wordt door anderen te prostitueren strafbaar hebben gesteld;

O.

overwegende dat de handel in vrouwen, meisjes, mannen en jongens voor seksuele uitbuiting is afgenomen in landen waar de vraag strafbaar is gesteld, met inbegrip van zowel souteneurschap als het kopen van seksuele diensten;

P.

overwegende dat leden van minderheids- en immigrantengroepen, zoals Roma, onevenredig vaak slachtoffer van mensenhandel worden als gevolg van hun sociale en economische marginalisatie;

Q.

overwegende dat genderverwachtingen en -discriminatie schadelijk zijn voor iedereen, waarbij mannen minder geneigd zijn toe te geven dat ze het slachtoffer zijn geworden van uitbuiting;

R.

overwegende dat versterking van de economische en sociale positie van vrouwen en minderheidsgroepen hun kwetsbaarheid voor mensenhandel zou verminderen;

S.

overwegende dat het nog altijd zeer moeilijk is om te bepalen wie de slachtoffers zijn en dat de ondersteuning en bescherming van slachtoffers versterkt moet worden om de slachtoffers van mensenhandel te helpen en mensenhandelaren te vervolgen en veroordelen, onder meer door slachtoffers het recht te geven om rechtmatig te verblijven en werken in de lidstaat waar ze naartoe zijn gebracht, en overwegende dat het recht van slachtoffers op toegang tot de rechter en het recht op schadeloosstelling verbeterd moeten worden;

T.

overwegende dat kinderen circa 16 % (13) van de geregistreerde slachtoffers van mensenhandel uitmaken, en meisjes tot wel 13 % (14), en overwegende dat kinderen extra kwetsbaar zijn en als slachtoffers ernstige en blijvende lichamelijke, psychologische en emotionele schade oplopen;

U.

overwegende dat 70 % van de geïdentificeerde slachtoffers van mensenhandel en 70 % van de verdachte mensenhandelaars in de EU onderdanen zijn van de EU en dat de meeste gemelde slachtoffers vrouwelijke EU-onderdanen zijn uit Centraal- en Oost-Europa (15); overwegende dat rekening moet worden gehouden met statistische informatie bij de ontwikkeling van identificatiesystemen om alle slachtoffers van mensenhandel beter te identificeren;

V.

overwegende dat de meerderheid van de geregistreerde slachtoffers vrouwen en meisjes zijn die worden verhandeld met het oog op seksuele uitbuiting, en dat deze vrouwen en meisjes samen tot wel 95 % van de slachtoffers van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting uitmaken (16); overwegende dat mensenhandel een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes is;

W.

overwegende dat mensenhandel een complex en grensoverschrijdend fenomeen is dat enkel doeltreffend kan worden aangepakt als de instellingen van de EU en de lidstaten op een gecoördineerde manier samenwerken om „forum shopping” door criminele groepen en personen te voorkomen, en zij hierbij de nadruk leggen op het identificeren en beschermen van echte en potentiële slachtoffers aan de hand van een geïntegreerde intersectionele benadering; overwegende dat er een duidelijk onderscheid bestaat tussen mensenhandel en mensensmokkel, maar dat bijzondere aandacht nodig is voor asielzoekers, vluchtelingen, migranten en andere kwetsbare groepen, vooral kinderen, onbegeleide minderjarigen en vrouwen, aangezien zij worden geconfronteerd met meerdere risico's en zij bijzonder kwetsbaar zijn voor uitbuiting en verdere victimisatie;

X.

overwegende dat vaak wordt aangenomen dat mensenhandel uitsluitend een activiteit is van georganiseerde criminele groepen, maar dat deze in feite ook te wijten kan zijn aan familieleden, vrienden, verwanten, liefdespartners en gewone werkgevers van het slachtoffer;

Y.

overwegende dat het merendeel (70 %) van de verdachte, vervolgde en veroordeelde mensenhandelaars uit mannen bestaat, ook al vormen vrouwelijke daders een aanzienlijke minderheid (29 %) en kunnen zij een belangrijke rol spelen in het proces van mensenhandel (17), met name bij kinderhandel;

Z.

overwegende dat wetgeving ter bestrijding van mensenhandel om doeltreffend te zijn gepaard moet gaan met een duidelijke culturele verschuiving van een cultuur van straffeloosheid naar een cultuur van nultolerantie ten aanzien van mensenhandel;

AA.

overwegende dat slachtoffers vaak geen informatie hebben over hun rechten en de manier waarop ze deze daadwerkelijk kunnen uitoefenen;

AB.

overwegende dat mensenhandel als concept zich onderscheidt van slavernij en bredere discussies over uitbuiting; overwegende dat niet alle soorten uitbuiting kunnen worden beschouwd als mensenhandel;

Algemene beoordeling van de maatregelen die zijn genomen in verband met de genderdimensie van mensenhandel bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn

1.

merkt op dat Richtlijn 2011/36/EU voor 6 april 2013 moest zijn omgezet in nationale wetgeving van de lidstaten en dat alle lidstaten op één na de Commissie in kennis hebben gesteld van de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht;

2.

verzoekt alle lidstaten om de volledige en correcte handhaving van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan te versnellen;

3.

benadrukt dat in het juridische en politieke kader van de EU wordt erkend dat mensenhandel een specifiek genderfenomeen is en de lidstaten worden opgeroepen specifieke gendermaatregelen te nemen (18); herinnert eraan dat in artikel 1 van de richtlijn nadrukkelijk wordt gewezen op de noodzaak van een gendersensitieve aanpak van mensenhandel; wijst erop dat vrouwen en mannen, meisjes en jongens, op verschillende wijze kwetsbaar zijn en vaak voor verschillende doeleinden worden verhandeld, en dat preventie-, bijstands- en ondersteuningsmaatregelen daarom genderspecifiek moeten zijn; merkt ook op dat de EU in haar strategie geweld tegen vrouwen en genderongelijkheid aanduidt als fundamentele oorzaken van mensenhandel en een reeks maatregelen vaststelt op het niveau van de genderdimensie van mensenhandel;

4.

merkt op dat de Commissie een aantal verslagen over de verschillende aspecten van de tenuitvoerlegging van de richtlijn moet publiceren; geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid dat deze verslagen te laat zullen worden gepresenteerd, omdat dit een zorgwekkend signaal zal afgegeven over de prioriteit van deze aspecten wat de handhaving ervan betreft; verzoekt de Commissie om de in de richtlijn vastgelegde rapportageverplichtingen na te komen, met inbegrip van het bijbehorende tijdschema;

5.

herinnert aan de verplichting van de Commissie op grond van artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2011/36/EU om in april 2015 een rapport in te dienen bij het Europees Parlement en de Raad waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen; benadrukt dat deze rapportagetaak niet tijdig is voltooid;

6.

benadrukt dat de genderdimensie consistent moet worden gemonitord bij de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving inzake de bestrijding van mensenhandel, en dringt er bij de Commissie op aan om dit te blijven monitoren bij haar beoordeling van de naleving en tenuitvoerlegging van de richtlijn door de lidstaten;

7.

prijst het goede werk dat is verricht door de EU-coördinator bestrijding mensenhandel bij de ontwikkeling van kennis over en bewijs van de verschillende aspecten van mensenhandel, waaronder onderzoek naar de genderdimensie en de bijzondere kwetsbaarheid van kinderen; is echter van mening dat het mandaat van de EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel moet worden uitgebreid, zodat de EU sneller in actie kan komen tegen mensenhandel;

8.

betreurt het dat de mogelijkheden van Europol niet volledig worden benut door de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten om zo het delen van informatie met Europol te verbeteren, zodat er verbanden kunnen worden gelegd tussen onderzoeken in verschillende lidstaten en er een beter beeld ontstaat van de inlichtingen over de meest bedreigende netwerken van georganiseerde misdaad die actief zijn in de EU;

9.

is verheugd dat de Commissie een website in het leven heeft geroepen tegen de mensenhandel, die een gegevensbank bevat van de door de EU gefinancierde projecten in de EU en elders, alsook actuele informatie over de wettelijke en politieke instrumenten van de EU, maatregelen van lidstaten tegen mensenhandel, financieringsmogelijkheden en initiatieven van de EU;

10.

benadrukt het belang van duidelijke, samenhangende informatie voor de slachtoffers en de eerstelijnsfunctionarissen die met hen in contact kunnen komen, zoals ordediensten, juridische overheden, politie en sociale diensten, over het recht op noodhulp en gezondheidszorg, verblijfsvergunningen, arbeidsrechten, toegang tot het gerecht en een advocaat, mogelijkheden om een schadevergoeding te vragen, specifieke kinderrechten enz.;

11.

benadrukt dat het ook belangrijk is om meer aandacht te schenken aan arbeidsbemiddelaars en arbeidsbemiddelingsbureaus, aannemers en onderaannemers, voornamelijk in de sectoren met een hoog risico, om mensenhandel te voorkomen, met name mensenhandel met het oog op arbeidsuitbuiting, maar ook verborgen seksuele uitbuiting in het kader van zogenoemde contracten voor hoteldiensten of persoonlijke zorg;

12.

benadrukt dat het juridische en politieke kader van de EU inzake mensenhandel de interne en externe dimensies samenvoegt door te erkennen dat de bestrijding van mensenhandel, die een ernstige schending van de mensenrechten is, een duidelijke doelstelling van het externe optreden van de EU is; benadrukt zo ook dat de landen buiten de EU vaak landen van oorsprong of doorreis zijn voor de handel binnen de EU en dat de mensenhandel, als illegale en grensoverschrijdende activiteit, een belangrijk gebied van samenwerking met niet-EU-landen is; is ingenomen met het feit dat, op verzoek van de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden een informatiepakket hebben samengesteld over de activiteiten die zijn uitgevoerd in de voor de bestrijding van mensenhandel prioritaire landen en regio's, en een lijst hebben opgesteld van tools en instrumenten, zoals extern beleid, waarover de EU en de lidstaten beschikken en die betrekking hebben op mensenhandel en de projecten die de EU en de lidstaten op dit gebied financieren; verzoekt de lidstaten om met de Commissie en de EDEO samen te werken in de strijd tegen mensenhandel;

13.

is van mening dat asielzoekers, vluchtelingen en migranten bijzonder kwetsbaar zijn voor mensenhandel, en dat bijzondere aandacht nodig is voor de handel in vrouwen, kinderen en andere kwetsbare groepen; verzoekt de EU en de lidstaten om het verband te onderzoeken tussen het toenemende aantal aankomende vluchtelingen en mensenhandel; verzoekt de lidstaten om intensiever samen te werken, onder meer op de hotspots, om mogelijke slachtoffers te identificeren en alle middelen aan te wenden om mensenhandelaars en smokkelaars te bestrijden, onder meer door het verzamelen van gegevens te verbeteren en de naleving van bestaande beschermingsnormen te waarborgen; herinnert aan de rol van EU-agentschappen en netwerken bij de vroegtijdige opsporing van slachtoffers aan de grenzen van de EU en bij de bestrijding van mensenhandel, en benadrukt in deze context dat de samenwerking tussen Europol, Eurojust, de nationale autoriteiten en derde landen geïntensiveerd moet worden, onder meer door gebruikmaking van Ecris; roept op tot een verhoging van de middelen voor agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken zodat zij functionarissen kunnen benoemen die zijn opgeleid op het gebied van gender, met name in lidstaten die worden geconfronteerd met gemengde migratiestromen; benadrukt dat de nieuwe „hotspot”-benadering die in de agenda voor migratie wordt beschreven, niet mag worden beperkt tot snelle verwerking en wegwerking van de achterstand, maar een evenredige component voor de bestrijding van mensenhandel moet bevatten, die is gericht op de doeltreffende doorverwijzing van potentiële slachtoffers;

14.

verzoekt de lidstaten om hun registratie van vluchtelingen en de diensten en zorgstructuren op dit gebied kritisch onder de loep te nemen, aangezien deze groep, met name niet-begeleide minderjarigen, een groot risico loopt het slachtoffer te worden van uitbuiting door criminele bendes en dus ook van mensenhandel;

15.

is van mening dat er meer aandacht moet worden geschonken aan de situatie van transgenderslachtoffers, die vanwege hun genderidentiteit vaak worden gediscrimineerd, gestigmatiseerd en bedreigd met geweld; is van mening dat transgenders moeten worden beschouwd als een kwetsbare groep die bijzonder veel risico loopt om in de handen van mensenhandelaren te vallen; meent dat de lidstaten bij het uitvoeren van individuele risicobeoordelingen rekening moeten houden met deze risicoverhogende factor, om te waarborgen dat slachtoffers van mensenhandel passende bescherming en zorg geboden krijgen; verzoekt de lidstaten om functionarissen die in contact kunnen komen met slachtoffers of potentiële slachtoffers van mensenhandel een gepaste opleiding te bieden op het gebied van de specifieke kenmerken van transgenderslachtoffers, zodat zij proactiever kunnen zijn bij de identificatie van deze slachtoffers en de steunverlening kunnen aanpassen aan hun behoeften;

Genderperspectief bij de preventie van mensenhandel

16.

onderstreept dat volgens artikel 11 van de richtlijn de lidstaten een verplichting hebben om te voorzien in mechanismen die het mogelijk maken om, in samenwerking met de relevante hulpverleningsorganisaties, slachtoffers vroegtijdig te identificeren, bij te staan en te steunen; beklemtoont de nood aan een gestructureerde strategie op vier fundamentele gebieden: preventie, vervolging van strafbare feiten, bescherming van slachtoffers en partnerschappen op meerdere niveaus;

17.

verzoekt de lidstaten om straffeloosheid te bestrijden, mensenhandel strafbaar te stellen en te waarborgen dat de daders worden vervolgd en dat sancties worden verzwaard; dringt er daarom bij de lidstaten op aan alle relevante internationale instrumenten, overeenkomsten en juridische verplichtingen te ratificeren die de inspanningen gericht op de bestrijding van mensenhandel doeltreffender, gecoördineerder en samenhangender maken, waaronder het Verdrag van de Raad van Europa tegen mensenhandel;

18.

pleit voor een consistente aanpak met betrekking tot de vervolging van misdrijven die verband houden met mensenhandel en verzoekt de lidstaten om meer inspanningen te verrichten op het gebied van onderzoek en vervolging; verzoekt de lidstaten in dit kader om de grensoverschrijdende samenwerking en de samenwerking met de bevoegde EU–agentschappen te intensiveren;

19.

wijst er opnieuw op dat vrouwen en kinderen kunnen worden gedwongen seksuele diensten te verlenen in ruil voor bescherming, om te kunnen overleven, vooruit te komen op hun migratieroute en te voorzien in hun basisbehoeften; benadrukt dat vrouwen en kinderen die seks gebruiken om te overleven niet worden beschouwd als slachtoffers van mensenhandel en derhalve niet de vereiste ondersteuning kunnen ontvangen;

20.

benadrukt dat, om mensenhandel en mensensmokkel te voorkomen, het belangrijk is kanalen te creëren waarlangs vrouwen en kinderen op een legale en veilige manier kunnen migreren (bijvoorbeeld humanitaire visa); wijst erop dat het ook belangrijk is dat de landen van bestemming ervoor zorgen dat migrantenvrouwen met een wettelijke verblijfsvergunning in het land van bestemming toegang hebben tot talenonderwijs en andere maatschappelijke-integratiemiddelen, met name onderwijs en opleiding, zodat ze hun burgerrechten kunnen uitoefenen;

21.

verzoekt de lidstaten goed gestructureerde interviews met de slachtoffers voor te bereiden, die een nauwkeurige reconstructie van de feiten ondersteunen, zonder echter de slachtoffers psychologisch onder druk te zetten, die zich al bang en verward voelen;

22.

benadrukt dat alle inspanningen ter bestrijding van mensenhandel een evenwicht moeten vinden tussen de focus op vervolging en de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen; wijst erop dat ondersteuning van slachtoffers een belangrijke rol speelt bij de preventie van mensenhandel, aangezien slachtoffers die goed worden ondersteund beter herstellen van hun traumatische ervaring, beter in staat zijn om bij te dragen aan de vervolging van de daders, aan de ontwikkeling van preventieprogramma's en aan de informering van beleid en beter kunnen voorkomen dat ze opnieuw slachtoffer van mensenhandel worden;

23.

benadrukt dat het internet de mensenhandel sterk bevordert en het bijgevolg moeilijker maakt om deze ernstige vorm van georganiseerde misdaad te bestrijden; veroordeelt dat het internet steeds vaker wordt gebruikt voor de rekrutering van de slachtoffers, zowel binnen als buiten de EU, via valse werkaanbiedingen, waarin diensten aangeboden worden door uitgebuite slachtoffers, en voor de uitwisseling van informatie tussen criminele netwerken; verzoekt de lidstaten om ervoor te zorgen dat ze hier in hun respectieve beleid ter bestrijding van mensenhandel rekening mee houden en dat bij op cybertechnologie gerichte wetshandhavingsinspanningen de genderexpertise wordt ingezet die nodig is om alle vormen van deze misdaad, met name in verband met mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, te voorkomen en efficiënt te bestrijden; benadrukt dat nieuwe technologieën, sociale media en internet ook moeten worden gebruikt om goede praktijken in de strijd tegen mensenhandel te verspreiden en om het bewustzijn te verhogen en mogelijke slachtoffers te wijzen op de risico's van mensenhandel; verzoekt de Commissie in deze context de rol van het internet in de mensenhandel verder te onderzoeken en het Parlement volledig op de hoogte te houden;

24.

betreurt dat de identificatie van slachtoffers een van de moeilijkste en meest onvolledige aspecten van de uitvoering is, maar benadrukt dat dit niets afdoet aan de verantwoordelijkheid van de lidstaten om deze kwetsbare personen te beschermen; wijst erop dat slachtoffers door de dwingende en bedrieglijke aard van het misdrijf mogelijk niet in staat zijn hun eigen kwetsbaarheid te onderkennen; benadrukt het feit dat activiteiten waartoe slachtoffers van mensenhandel worden gedwongen om deze uit te voeren in bepaalde lidstaten als criminele activiteiten worden beschouwd, hetgeen het vertrouwen tussen het slachtoffer en de autoriteiten deels verslechtert; herinnert eraan dat Richtlijn 2011/36/EU strafbaarstelling van slachtoffers van mensenhandel verbiedt; dringt er bij de lidstaten op aan om met een gendersensitieve benadering uitvoering te geven aan de artikelen 11 tot en met 17 van de richtlijn betreffende bescherming en ondersteuning van slachtoffers (met name door het aantal opvangcentra voor slachtoffers uit te breiden en de herintegratieprogramma's voor slachtoffers te versterken) en ten volle uitvoering te geven aan Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, om te zorgen voor de nodige bijstand en ondersteuning voor slachtoffers van mensenhandel, onder meer wat betreft het recht op verblijf en toegang tot de arbeidsmarkt in de lidstaat waarin het slachtoffer via mensenhandel is terechtgekomen; benadrukt dat toepassing van deze bepalingen niet afhankelijk moet worden gesteld van indiening van een klacht door het slachtoffer of het verlenen van medewerking aan strafrechtelijk onderzoek door het slachtoffer; verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van de bescherming van slachtoffers te versterken;

25.

benadrukt dat niet-gouvernementele organisaties (ngo's) en personen die zich inzetten voor de bescherming en ondersteuning van slachtoffers van mensenhandel niet verantwoordelijk mogen worden gehouden voor enig misdrijf;

26.

is bijzonder kritisch over het feit dat het nog niet in alle lidstaten een strafbaar feit is om gebruik te maken van de diensten van verhandelde personen, maar erkent de moeilijkheid om dit doelbewuste gebruik in een gerechtelijke context te bewijzen, en is van mening dat dit een belangrijke stap zou zijn op weg naar erkenning van de ernst van dit misdrijf en daadwerkelijk een kader zou scheppen voor de preventie van mensenhandel en het uitbannen van de cultuur van straffeloosheid;

27.

dringt er bij de lidstaten op aan strenge strafrechtelijke sancties vast te stellen voor mensenhandel, moderne slavernij en uitbuiting, en de volgende gedragingen strafbaar te stellen: het opzettelijk gebruikmaken van de diensten van slachtoffers van mensenhandel, waaronder slachtoffers die in de prostitutie zijn beland, het exploiteren van prostitutie van anderen of andere vormen van seksuele uitbuiting, dwangarbeid of gedwongen dienstverlening, waaronder bedelarij, slavernij of met slavernij gelijk te stellen praktijken, lijfeigendom of uitbuiting van criminele activiteiten of orgaanverwijdering; wijst op het lage aantal vervolgingen en veroordelingen voor mensenhandel op nationaal niveau;

28.

merkt op dat de belangrijkste bron van informatie voor de registratie van slachtoffers de politie is, wat duidt op de noodzaak van voldoende personeel en financiële middelen, met inbegrip van een gerichte en gespecialiseerde opleiding voor rechtshandhavingsinstanties en een beter genderevenwicht onder de medewerkers; wijst erop dat de registratie van slachtoffers van mensenhandel via de gevangenissen en detentiecentra in een aantal lidstaten structurele problemen en een gebrek aan kennis bij de betrokken deskundigen blootlegt; dringt erop aan dat de EU-lidstaten de wetten ter bestrijding van mensenhandel effectief toepassen, en benadrukt ook dat, om de slachtoffers te identificeren en meer inzicht te krijgen in de subtiele middelen die voor de mensenhandel worden gebruikt, het strafrechtstelsel meer moet worden gericht op de dynamiek van uitbuiting en de toepassing van de wet; merkt in deze context op dat Cepol, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 2015/2219, gemeenschappelijk respect voor en begrip van de fundamentele rechten op het gebied van de rechtshandhaving dient te bevorderen, met inbegrip van de rechten, ondersteuning en bescherming van slachtoffers;

29.

pleit ervoor dat Europol en de nationale politiediensten de vervolging van personen die betrokken zijn bij mensenhandel een hogere prioriteit toekennen en dat er hiervoor meer middelen beschikbaar worden gesteld, en dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan voorlichting aan zowel politiediensten als het brede publiek over nieuwe vormen van mensenhandel;

30.

verzoekt Europol en de lidstaten om zich meer in te spannen in de strijd tegen ronselaars, via een proactieve benadering of naar aanleiding van een verklaring van een slachtoffer, overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2011/36/EU; benadrukt dat de ronselaars verschillende kanalen gebruiken, waaronder sociale netwerken en websites (onlinewervingsbureaus); verzoekt de Commissie om het mandaat van de EU-eenheid voor de melding van internetuitingen (IRU) van Europol uit te breiden met de bestrijding van mensenhandel;

31.

verzoekt de Commissie om de doeltreffendheid te beoordelen van de samenwerking tussen de lidstaten en Europol bij de bestrijding van mensenhandel; benadrukt dat systematische uitwisseling van gegevens essentieel is en dat alle lidstaten bijdragen moeten leveren aan de Europese databanken die voor deze doeleinden worden gebruikt, waaronder de databases Focal Point Phoenix en Focal Point Twins van Europol; benadrukt dat grenswachters en de kustwacht toegang moeten hebben tot de databases van Europol;

32.

merkt op dat slachtoffers uitbuiting op verschillende manieren ervaren en dat een identificatiemethode op basis van een „checklist” van indicatoren formele identificatie in de weg kan staan en daardoor gevolgen kan hebben voor de toegang van slachtoffers tot diensten, hulp en bescherming;

33.

benadrukt dat, om slachtoffers van mensenhandel aan te moedigen naar de autoriteiten te gaan om melding te maken van hun situatie, zodat de slachtoffers vroeger kunnen worden geïdentificeerd, de wetten moeten worden gewijzigd, zodat slachtoffers van mensenhandel wettelijk worden erkend als mensen met rechten; benadrukt dat slachtoffers van mensenhandel recht hebben op bijstand en bescherming; benadrukt dat maatschappelijk werkers, gezondheidswerkers en immigratiediensten meer bevoegdheden moeten krijgen, zodat ze kunnen bepalen wat mensenhandel is en wie volgens de wet bijstand en bescherming moet krijgen;

34.

dringt aan op betere tenuitvoerlegging van en beter toezicht op de uitvoering van artikel 8 van Richtlijn 2011/36/EU, om te waarborgen dat slachtoffers van mensenhandel niet worden vervolgd en niet worden bestraft, en benadrukt dat dit ook inhoudt dat personen die gedwongen werkzaam zijn in de prostitutie of die op irreguliere wijze een land van doorreis of bestemming zijn binnengekomen of daar illegaal verblijven, niet worden bestraft;

35.

neemt met zorg kennis van het bewijs dat sommige slachtoffers van mensenhandel worden gearresteerd en uitgezet in plaats van dat ze in staat worden gesteld en worden geholpen om hun rechten als slachtoffers uit te oefenen en toegang te krijgen tot de benodigde hulp, zoals wordt vereist door Richtlijn 2004/81/EG;

36.

verzoekt de Commissie om richtsnoeren te ontwikkelen op basis van beste praktijken teneinde genderexpertise te ontwikkelen en te mainstreamen in de activiteiten van rechtshandhavingsautoriteiten in de hele EU;

37.

verzoekt de lidstaten om samen te werken bij het ontwikkelen van betere richtsnoeren voor de identificatie van slachtoffers van mensenhandel, aan de hand waarvan de consulaire diensten en grenswachters hun taken beter kunnen uitvoeren;

38.

benadrukt dat het belangrijk is om het beginsel „follow the money” tot leidraad te maken bij het doen van onderzoek naar en het vervolgen van georganiseerde misdaadnetwerken die inkomsten verwerven uit mensenhandel, en roept Europol en Eurojust op hun capaciteit op het gebied van de bestrijding van mensenhandel te vergroten; verzoekt de lidstaten om bij het onderzoeken van financiële aspecten en witwaspraktijken in gevallen van mensenhandel onderling nauw samen te werken en tevens nauw met Europol samen te werken; benadrukt dat de lidstaten de samenwerking op het gebied van bevriezing en inbeslagname van vermogensbestanddelen van personen die betrokken zijn bij mensenhandel moeten verbeteren, omdat dat er op doeltreffende wijze toe kan bijdragen dat mensenhandel van een activiteit met weinig risico's en hoge inkomsten een activiteit wordt met veel risico's en lage inkomsten; verzoekt de lidstaten in dit kader om doeltreffender gebruik te maken van alle beschikbare bestaande hulpmiddelen, zoals de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken, gezamenlijke onderzoeksteams en het Europees onderzoeksbevel; is van oordeel dat de in beslag genomen vermogensbestanddelen van personen die veroordeeld zijn wegens mensenhandel gebruikt moeten worden om de slachtoffers van mensenhandel te ondersteunen en schadeloos te stellen; merkt voorts op dat de enorme bedragen die worden verdiend met mensenhandel en uitbuiting worden gebruikt ter financiering van andere vormen van ernstige criminaliteit;

39.

verzoekt agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, zoals Eurojust, Europol, het FRA, Frontex, Cepol en het EASO, om een duurzaam programma te ontwikkelen voor het verbeteren van de genderbalans bij de besluitvorming in verband met mensenhandel; vraagt dat cijfers over de gendersamenstelling van hun besturen en medewerkers worden vrijgegeven, en daarna in discussie te gaan met de lidstaten over de voordelen van gelijke rekrutering en promotie bij rechts- en grenshandhavingsdiensten; roept bijgevolg op om programma's als „Female Factor” van Europol periodiek in plaats van eenmalig uit te rollen in alle door mannen gedomineerde agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken;

40.

brengt in herinnering dat de opleiding van beroepsbeoefenaren en ambtenaren van cruciaal belang is om mogelijke slachtoffers vroegtijdig te identificeren en misdaad te voorkomen; verzoekt de lidstaten daarom om artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2011/36/EU volledig toe te passen en om beste praktijken te delen, in het bijzonder bij de ontwikkeling van gendersensitieve opleidingsprogramma's voor personen die in een officiële hoedanigheid in contact komen met slachtoffers van mensenhandel, waaronder politiefunctionarissen en andere veiligheidsdiensten, grensfunctionarissen, rechters, magistraten, advocaten en andere gerechtelijke autoriteiten, personeel van eerstelijnsgezondheidszorgdiensten, maatschappelijk werkers en psychologen; benadrukt dat de ontwikkeling van inzicht in geweld en uitbuiting op grond van gender, de opsporing van slachtoffers, het formele identificatieproces en passende, genderspecifieke bijstand aan slachtoffers onderdeel van de opleiding moeten zijn;

41.

vraagt om een ruimere ontwikkeling en verspreiding van publicaties die het bewustzijn verhogen en erop gericht zijn om de kennis binnen beroepsgroepen te verbeteren, zoals het „Handbook for consular and diplomatic staff on how to assist and protect victims of human trafficking” (19);

42.

erkent dat het belangrijk is om langetermijnrelaties te ontwikkelen tussen rechtshandhaving, dienstverleners, verschillende belanghebbenden en slachtoffers om vertrouwen op te bouwen en op begripvolle wijze tegemoet te komen aan de behoeften van de slachtoffers; benadrukt dat hulpverleningsorganisaties voldoende financiering voor projecten nodig hebben, en uit zijn bezorgdheid over het feit dat vele daarvan, in het bijzonder vrouwenorganisaties, het moeilijk hebben als gevolg van bezuinigingen op subsidies;

43.

benadrukt dat de financiering van de Commissie en de lidstaten moet worden gericht op de meest geschikte dienstverlener, op basis van de behoeften van slachtoffers, met inbegrip van gender- en kindspecifieke vereisten, de deskundigheid van de dienstverlener evenals de mogelijkheid van de dienstverlener om verdergaande en langdurige ondersteuning en zorg te bieden;

44.

verzoekt de lidstaten om de sociale partners, de privésector, de vakbonden en het maatschappelijk middenveld, met name de ngo's die actief zijn op het gebied van mensenhandel en bijstand aan slachtoffers, actief te betrekken bij hun initiatieven om mensenhandel te voorkomen, met name op het gebied van arbeidsuitbuiting, ook wat de identificatie van slachtoffers en bewustmakingsactiviteiten betreft;

45.

merkt op dat hoewel seksuele uitbuiting in alle lidstaten illegaal is, dit de handel voor seksuele uitbuiting niet voorkomt; dringt er bij de lidstaten op aan om Richtlijn 2011/92/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie volledig ten uitvoer te leggen en om de politiële en justitiële samenwerking te verbeteren om de seksuele uitbuiting van kinderen te voorkomen en te bestrijden; verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten te onderzoeken hoe de vraag naar seksuele diensten een drijvende kracht is voor mensenhandel, waaronder de handel in kinderen en hoe deze vraag het best kan worden teruggedrongen; herinnert er in dit kader aan dat de lidstaten verplicht zijn om bijzondere aandacht te schenken aan minderjarige slachtoffers van mensenhandel, waaronder niet-begeleide minderjarigen afkomstig uit derde landen, om bijzondere bescherming te bieden aan kinderen in strafrechtelijke procedures, en om de belangen van het kind te allen tijde voorop te plaatsen;

46.

merkt op dat de gegevensverzameling over kinderhandel moet zijn gebaseerd op een gemeenschappelijke definitie van deze criminele activiteit; wijst er eveneens op dat sommige lidstaten kinderhandel als een aparte vorm van uitbuiting beschouwen en dat andere lidstaten kindslachtoffers gelijkstellen aan volwassenen, waardoor de mogelijkheid om een alomvattend beeld van de inlichtingen te vormen en om de beste onderzoeksactiviteiten op EU-niveau vast te stellen wordt belemmerd;

47.

onderstreept de verplichting van de Commissie krachtens artikel 23, paragraaf 2, van de richtlijn om in 2016 een verslag in te dienen waarin de impact van bestaande nationale wetgeving tot strafbaarstelling van het bewuste gebruik van diensten van een slachtoffer van mensenhandel wordt beoordeeld, evenals de noodzaak van aanvullende maatregelen; benadrukt dat de Commissie niet uitsluitend mag vertrouwen op de verslaglegging van een lidstaat, maar de naleving tevens moet beoordelen door het maatschappelijk middenveld en andere relevante organen te raadplegen, zoals Greta en de landenverslagen die zijn opgesteld door de speciale vertegenwoordiger van de OVSE voor mensenhandel en de speciale rapporteur van de VN voor mensenhandel en moderne vormen van slavernij;

48.

wijst op het ontbreken van een gemeenschappelijke interpretatie door de lidstaten van het begrip „vraag naar uitbuiting”, en verzoekt de Commissie en de lidstaten om richtsnoeren voor te stellen inzake het straffen van de klant op basis van het Noordse model en tegelijkertijd het bewustzijn van alle vormen van mensenhandel, in het bijzonder seksuele uitbuiting, te verhogen, en de zichtbaarheid van andere vormen van uitbuiting zoals huishoudelijke slavernij te vergroten;

49.

wijst erop dat bepaalde groepen door hun grote kwetsbaarheid ernstig risico lopen om het slachtoffer van mensenhandel te worden, maar veroordeelt het feit dat mensenhandel plaatsvindt omdat er een grote vraag is naar producten die worden gemaakt en diensten die worden verleend via de uitbuiting van mensen, hetgeen een zeer lucratieve vorm van georganiseerde misdaad is;

50.

benadrukt de gegevens die het afschrikwekkende effect bevestigen dat de strafbaarstelling van het kopen van seksuele diensten heeft gehad in Zweden; benadrukt de normatieve gevolgen van dit reguleringsmodel en de mogelijkheden ervan om de sociale houding te wijzigen en de algemene vraag naar diensten van slachtoffers van mensenhandel te verminderen;

51.

verzoekt de lidstaten artikel 18, lid 4, van de richtlijn volledig ten uitvoer te leggen en specifieke strategieën te ontwikkelen om de vraag naar mensenhandel voor seksuele uitbuiting te verminderen, zoals exitprogramma's en regelingen om de positie van personen die in de prostitutie werkzaam zijn te versterken, hun rechten te beschermen en hun kwetsbaarheid voor uitbuiting te verminderen, en campagnes om de vraag naar seksuele diensten van verhandelde personen te ontmoedigen, en merkt daarbij op dat de regulering van prostitutie een bevoegdheid van de lidstaten is; verzoekt de Commissie eventuele verbanden tussen de vraag naar seksuele diensten en mensenhandel nader te onderzoeken; is van mening dat de vraag kan worden teruggedrongen door middel van wetgeving waarmee de strafbaarheid wordt verschoven van de verkopers van seksuele diensten naar de afnemers ervan;

52.

verzoekt de EU om aandacht te besteden en zichtbaarheid te geven aan de nieuwe vormen van mensenhandel en uitbuiting, waaronder reproductieve uitbuiting en handel in baby's;

53.

merkt met bezorgdheid op dat maar zeer weinig lidstaten over welomschreven programma’s voor de terugdringing van de vraag beschikken en dat deze over het algemeen gericht zijn op mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting; verzoekt de lidstaten programma’s voor de terugdringing van de vraag te ontwikkelen voor alle typen mensenhandel;

54.

merkt op dat schijnhuwelijken onder bepaalde omstandigheden kunnen worden beschouwd als mensenhandel, wanneer er sprake is van een dwang- of uitbuitingsaspect, en dat vrouwen en meisjes hier vaker het slachtoffer van worden;

55.

benadrukt dat inspanningen om de gendergelijkheid te verbeteren bijdragen tot de preventie van mensenhandel en dat deze inspanningen strategieën voor educatie- en empowermentprogramma's voor vrouwen en meisjes moeten omvatten om hun positie in de samenleving te versterken en hun kwetsbaarheid voor mensenhandel te verminderen; vraagt de lidstaten om meer proactieve preventiemaatregelen, zoals informatie- en bewustmakingscampagnes, opleidingen specifiek voor mannen, gerichte workshops met kwetsbare groepen en onderwijsactiviteiten op scholen, met inbegrip van het bevorderen van gelijkheid en het bestrijden van vooroordelen op basis van geslacht en geweld op basis van gender, aangezien gelijke behandeling een doelstelling van de volledige samenleving moet zijn;

56.

wijst op de effectiviteit van bewustmakingscampagnes in het proces om consumenten zover te krijgen dat ze kiezen voor producten van bedrijven die een slavernijvrije toeleveringsketen garanderen, maar merkt op dat dit op zichzelf niet genoeg is om de vraag naar mensenhandel terug te dringen;

57.

wijst erop dat het krachtens Richtlijn 2009/52/EG reeds illegaal is voor werkgevers om gebruik te maken van de arbeid of diensten van onderdanen van derde landen zonder wettelijke verblijfsstatus in de EU in de wetenschap dat ze slachtoffer van mensenhandel zijn; erkent dat EU-burgers die slachtoffer van mensenhandel zijn niet onder deze wetgeving vallen; verzoekt de lidstaten om te verzekeren dat EU-onderdanen die het slachtoffer zijn van mensenhandel in hun nationale wetgeving worden beschermd tegen arbeidsuitbuiting en dat toepasselijke sancties worden ingevoerd;

58.

herinnert eraan dat er volgens Europol in 2015 ongeveer 10 000 niet-begeleide kinderen na hun aankomst in de EU zijn verdwenen en dat deze kinderen mogelijk slachtoffer zijn geworden van mensenhandel en blootgesteld zijn aan allerlei vormen van uitbuiting of misbruik; verzoekt de lidstaten om het asielpakket volledig ten uitvoer te leggen en kinderen bij aankomst te registreren om ervoor te zorgen dat zij worden opgenomen in kinderbeschermingsstelsels; verzoekt de lidstaten om meer informatie uit te wisselen en zo migrantenkinderen in Europa beter te beschermen;

59.

uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan gegevens over Roma-vrouwen en -kinderen die het risico lopen om het slachtoffer te worden van mensenhandel voor gedwongen arbeid of diensten, waaronder bedelarij; verzoekt de Commissie om gegevens te verstrekken over Roma-vrouwen en -kinderen die zijn erkend als slachtoffers van mensenhandel, hoeveel van hen er slachtofferhulp hebben gekregen en in welke landen;

60.

benadrukt dat gedwongen huwelijken beschouwd kunnen worden als een vorm van mensenhandel als het slachtoffer daarbij op enige wijze wordt uitgebuit, en verzoekt alle lidstaten dit als zodanig te erkennen; benadrukt dat uitbuiting seksueel (verkrachting binnen het huwelijk, gedwongen prostitutie of pornografie) of economisch (huishoudelijk werk of gedwongen bedelarij) van aard kan zijn en dat een gedwongen huwelijk het uiteindelijke doel van mensenhandel kan zijn (om een slachtoffer als echtgenote te verkopen of het huwelijk onder dwang te voltrekken); benadrukt dat het voor de autoriteiten moeilijk is om deze vorm van mensenhandel op te sporen, omdat deze in de privéomgeving plaatsvindt; verzoekt de lidstaten te zorgen voor gepaste opvangvoorzieningen voor deze slachtoffers; verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied te versterken;

61.

maakt zich zorgen over het groeiend fenomeen „loverboys”; wijst erop dat de slachtoffers van loverboys vaak emotioneel afhankelijk zijn, hetgeen het onderzoek bemoeilijkt, omdat deze slachtoffers niet zo snel worden aangemerkt als slachtoffers van mensenhandel en vaak weigeren om tegen hun loverboy te getuigen; verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied te versterken; verzoekt de lidstaten om te voorzien in specifieke opvang voor deze slachtoffers en ervoor te zorgen dat rechtshandhavingsinstanties en justitiële diensten de status van deze personen als slachtoffer erkennen, vooral als het gaat om minderjarigen, om te voorkomen dat deze slachtoffers worden gestigmatiseerd wegens „afwijkend gedrag”;

De genderdimensie van bijstand aan en ondersteuning en bescherming van slachtoffers

62.

geeft uiting aan zijn zorg dat niet alle slachtoffers gemakkelijke toegang hebben tot diensten of over de kennis van deze diensten beschikken; benadrukt dat er geen discriminatie bij de toegang van diensten mag plaatsvinden;

63.

merkt op dat slachtoffers van mensenhandel gespecialiseerde diensten behoeven, waaronder toegang tot veilige accommodatie op korte en lange termijn, getuigenbeschermingsprogramma's, gezondheidszorg en advies, vertaling en vertolking, voorzieningen in rechte, compensatie, toegang tot onderwijs en opleiding, met inbegrip van les om de taal van hun land van verblijf te leren, arbeidsbemiddeling, bijstand bij hun re-integratie, gezinsbemiddeling en hervestiging; wijst erop dat deze diensten zo veel mogelijk moeten worden gepersonaliseerd, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan genderaspecten;

64.

benadrukt dat de genderdimensie van mensenhandel een verplichting voor de lidstaten met zich meebrengt om mensenhandel aan te pakken als een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes; benadrukt dat er meer aandacht moet worden geschonken aan de uitbuitingsdynamiek en de langdurige emotionele en psychologische schade die hiermee gepaard gaan; vraagt de Commissie om te komen met een Europese strategie tegen gendergeweld die een wetgevingsvoorstel bevat inzake geweld tegen vrouwen dat ook mensenhandel bestrijkt;

65.

wijst op het goede werk dat een aantal overheidsdiensten en het maatschappelijk middenveld hebben verricht bij de identificatie van slachtoffers van mensenhandel en het verstrekken van bijstand en ondersteuning aan slachtoffers, hoewel dit werk niet consistent in alle lidstaten of voor alle verschillende typen mensenhandel wordt uitgevoerd;

66.

wijst op de behoefte aan toereikende financiering van onafhankelijke ngo's en genderspecifieke uitwijkplekken om op alle punten van de route van het slachtoffer in de bestemmingslanden in zijn behoeften te voorzien en om preventieve actie te ondernemen in landen van oorsprong, doorvoer en bestemming;

67.

verzoekt de lidstaten hotlines in te stellen, die slachtoffers van mensenhandel of uitbuiting kunnen bellen voor ondersteuning of advies; merkt op dat dergelijke hotlines op andere gebieden, zoals radicalisering en kinderontvoering, al succesvol zijn gebleken;

68.

verzoekt de lidstaten om te zorgen voor een genderspecifieke verstrekking van diensten aan slachtoffers van mensenhandel die aansluit op hun behoeften, waarbij eventuele specifieke behoeften moeten worden erkend die gepaard gaan met de vorm van mensenhandel waaraan de slachtoffers werden onderworpen; wijst erop dat hoewel vrouwen en meisjes de meerderheid van de slachtoffers uitmaken, er gespecialiseerde diensten voor slachtoffers van alle gendertypen beschikbaar moeten zijn;

69.

benadrukt dat veel slachtoffers van seksuele uitbuiting worden gedrogeerd, zodat zij fysiek en psychisch afhankelijk blijven; verzoekt de lidstaten dan ook om gespecialiseerde begeleidingsprogramma's voor deze slachtoffers op te zetten en om bij strafrechtelijke vervolging van de daders wegens mensenhandel het drogeren van personen als verzwarende omstandigheid aan te merken;

70.

benadrukt dat het cumulatieve effect van de verschillende vormen van discriminatie op grond van seksuele geaardheid of genderidentiteit ervoor zorgt dat LGBTI gemakkelijk het slachtoffer kunnen worden van mensenhandel; verzoekt de lidstaten in de specifieke behoeften van LGBTI te voorzien; verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken ter zake te bevorderen;

71.

benadrukt dat het belangrijk is dat alle lidstaten het recht op toegang tot veilige abortusdiensten systematisch erkennen voor vrouwelijke slachtoffers van mensenhandel die zwanger zijn geworden als gevolg van uitbuiting;

72.

is van mening dat de werkingssfeer van artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2011/36/EU aldus moet worden uitgebreid dat daaronder ook steun bedoeld voor toekomstige integratie valt (taallessen, lessen over cultuur en maatschappij enz.) als het slachtoffer, gelet op zijn omstandigheden, in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning;

73.

verzoekt de lidstaten om te waarborgen dat onderdanen van de EU en van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel, recht hebben op een verblijfsvergunning;

74.

merkt op dat illegaal verblijf personen niet vrijwaart van het risico om slachtoffer van mensenhandel te worden en dat deze slachtoffers daarom dezelfde rechten moeten genieten als andere; verzoekt de lidstaten, onder verwijzing naar het beginsel van de onvoorwaardelijkheid van bijstand zoals bedoeld in de richtlijn, om de onderwerpen migratie en mensenhandel niet op één hoop te gooien;

75.

dringt er bij de lidstaten op aan de rechten van slachtoffers effectief te waarborgen en vraagt dat de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/36/EU wordt geanalyseerd in het licht van de bepalingen van Richtlijn 2012/29/EU; roept de lidstaten op tot het kosteloos verlenen van rechtsbijstand, met inbegrip van juridische ondersteuning en vertegenwoordiging, en psychologische bijstand, en tot het verstrekken van informatie over het recht op bijstand en gezondheidszorg, met inbegrip van het recht op abortus voor slachtoffers van seksuele uitbuiting, aan alle slachtoffers van mensenhandel die ofwel zichzelf identificeren, ofwel voldoen aan een aantal criteria voor identificatie, teneinde hen te helpen bij het uitoefenen van hun rechten, het verkrijgen van schadevergoeding en/of het verkrijgen van toegang tot een voorziening in rechte; benadrukt dat zelfidentificatie nooit een vereiste mag zijn voor toegang tot de rechten en diensten van slachtoffers;

76.

verzoekt de lidstaten om slachtoffers van mensenhandel niet alleen in strafprocedures, maar ook in eventuele civiele, arbeids- of immigratie-/asielprocedures rechtsbijstand te verlenen;

77.

verzoekt de lidstaten om bij het nemen van besluiten over ondersteuning van slachtoffers te erkennen dat het langer duurt om te herstellen van de schade die het gevolg is van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting dan om te herstellen van andere vormen van mensenhandel; verzoekt om uitbreiding van de beschermingsmaatregelen die worden aangeboden aan slachtoffers van mensenhandel voor seksuele uitbuiting teneinde de schade te minimaliseren en nieuw slachtofferschap en secundaire victimisatie te voorkomen en in alle gevallen rekening te houden met de individuele behoeften;

Beoordeling van andere gendersensitieve maatregelen die zijn genomen bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn

78.

benadrukt dat elke verplichting van slachtoffers om deel te nemen aan de vervolging van mensenhandelaars schadelijk kan zijn; wijst erop dat een dergelijke verplichting in een op mensenrechten gebaseerde aanpak geen voorwaarde voor toegang tot diensten mag zijn;

79.

onderstreept dat alle slachtoffers van mensenhandel systematisch moeten worden geïnformeerd over de mogelijkheid om gebruik te maken van een bedenk- en hersteltijd en dat hen ook daadwerkelijk een dergelijke tijd moet worden aangeboden; betreurt dat deze rechten in sommige lidstaten slechts zijn omgezet in migratiewetten en derhalve niet van toepassing zijn op alle slachtoffers van mensenhandel, maar alleen op slachtoffers in onregelmatige situaties; wijst erop dat deze rechten moeten worden toegekend aan alle slachtoffers van mensenhandel;

80.

wijst er opnieuw op dat de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2004/81/EG verplicht zijn een bedenk- en herstelperiode te bieden aan slachtoffers van mensenhandel; verzoekt de lidstaten bij het vaststellen van de duur van een dergelijke periode rekening te houden met artikel 13 van het Verdrag van de Raad van Europa tegen mensenhandel en de minimale bedenk- en hersteltijd van dertig dagen, die is opgenomen in dit verdrag, te verlengen voor slachtoffers die zijn verhandeld met het oog op seksuele uitbuiting, gegeven de significante en langdurige schade die deze vorm van geweld aanricht;

81.

merkt op dat de huidige EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel in 2016 afloopt, en verzoekt de Commissie om de huidige strategie te evalueren en een nieuwe strategie in te voeren die op mensenrechten gebaseerd is, oog heeft voor de slachtoffers, een duidelijke genderdimensie en concrete acties hierrond bevat, voorziet in voldoende en effectieve preventie, en blijvend de vraag naar deze diensten, waardoor mensenhandel in verschillende vormen aanhoudt, ontmoedigt; verzoekt dat deze strategie wordt geïntegreerd in en samenhangend wordt gemaakt met andere beleidsgebieden met het oog op het waarborgen van een doeltreffende tenuitvoerlegging van maatregelen ter bestrijding van mensenhandel, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, veiligheid, gendergelijkheid, migratie, cyberveiligheid en rechtshandhaving;

82.

prijst de lidstaten die over effectieve nationale rapportagemechanismen en nationale rapporteurs beschikken en verzoekt deze lidstaten ervoor te zorgen dat voor deze mechanismen en rapporteurs toereikende middelen beschikbaar zijn en dat ze onafhankelijk zijn, zodat ze hun taken op de best mogelijke wijze kunnen vervullen;

83.

verzoekt de lidstaten, om de ondernomen strategieën en activiteiten te beoordelen en de inspanningen voor de bestrijding van de mensenhandel te verbeteren, een nationale, onafhankelijke rapporteur aan te stellen die bij wet rechtstreeks voor het nationale parlement mag verschijnen en aanbevelingen mag doen om mensenhandel beter te bestrijden;

84.

verzoekt de lidstaten meer gedetailleerde en actuele gegevens te verzamelen door van alle belangrijke actoren verkregen, betrouwbare statistische informatie bijeen te brengen, door ervoor te zorgen dat de gegevens homogeen zijn en uitgesplitst worden naar gender, leeftijd, type uitbuiting (binnen de subtypen mensenhandel) en land van herkomst en bestemming, en door ook intern verhandelde personen in aanmerking te nemen, teneinde potentiële slachtoffers te identificeren en criminele activiteiten te voorkomen; verzoekt de lidstaten het delen van gegevens op te voeren om de genderdimensie en de recente tendensen in mensenhandel beter te kunnen beoordelen en mensenhandel doeltreffender te kunnen bestrijden; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat nationale rapporteurs een grotere rol krijgen bij de coördinatie van gegevensverzamelingsinitiatieven, in nauwe samenwerking met relevante maatschappelijke organisaties die actief zijn op dit gebied;

85.

merkt op dat ondanks de duidelijke definitie van mensenhandel in de richtlijn er een aantal verschillende definities zijn opgenomen in de nationale wetgeving van de lidstaten; verzoekt de Commissie om dit te onderzoeken en verslag uit te brengen over de praktische betekenis van deze definitieverschillen voor de toepassing van de richtlijn; benadrukt het belang van duidelijke concepten om samensmelting met verwante, maar losstaande kwesties te vermijden;

86.

merkt op dat belanghebbenden over het algemeen bevestigen dat de overgrote meerderheid van de slachtoffers van mensenhandel niet wordt geïdentificeerd; erkent dat er onvoldoende aandacht is besteed aan de handel in bepaalde kwetsbare groepen, zoals (dakloze) jongeren, kinderen, gehandicapten en LGBTI; benadrukt het belang van verbeterde gegevensverzameling om de inspanningen voor de identificatie van slachtoffers ten aanzien van deze groepen te bevorderen, alsook van het ontwikkelen van beste praktijken voor de omgang met de specifieke behoeften van deze slachtoffers;

87.

benadrukt dat, om de mensenhandel in de Europese Unie beter te bestrijden, de EU-instellingen zorgvuldig de toepassing van de EU-wetgeving in de lidstaten moeten beoordelen en, indien nodig, aanvullende wetgevings- of andere maatregelen moeten nemen;

88.

verzoekt de Commissie om gestandaardiseerde richtsnoeren inzake gegevensverzameling, waaronder gegevensbescherming, te ontwikkelen voor de betrokken lichamen, zoals rechtshandhavingsinstanties, grens- en immigratiediensten, sociale diensten, lokale autoriteiten, gevangenissen, ngo's en andere bijdragende entiteiten;

89.

dringt er bij de Commissie op aan te verzekeren dat de bestrijding van mensenhandel hogere prioriteit krijgt in de Europese migratieagenda (COM(2015)0240), om zo de betrokkenheid van slachtoffers bij de vervolging van handelaars te faciliteren;

90.

dringt er bij de Commissie op aan het misbruik bij het zelfstandig ondernemerschap voor de tewerkstelling van migrantenarbeid in sommige EU-lidstaten aan te pakken, en daarbij te erkennen dat vals zelfstandig ondernemerschap vaak voorkomt in de domeinen van migrantenarbeid waar het risico op mensenhandel het grootst is;

91.

verzoekt de EU en de lidstaten om de regionale samenwerking op het gebied van mensenhandel langs bekende routes (bijvoorbeeld vanuit het oosten naar de EU) te versterken, door gebruik te maken van het stabiliteitsinstrument en door van de kandidaat-lidstaten te verlangen dat zij hun vaste verantwoordelijkheden nakomen;

92.

verzoekt de EU om via Eurostat ramingen te verschaffen van het aantal al dan niet geregistreerde slachtoffers van mensenhandel, in overeenstemming met de algemene werkwijze van organisaties zoals de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC) en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

93.

verzoekt de lidstaten in hun wetgeving ter bestrijding van mensenhandel het beginsel van non-refoulement te verankeren, naar het voorbeeld van het Protocol van de VN inzake mensenhandel en het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel, en in overeenstemming met de verplichtingen van staten op grond van het internationale vluchtelingenrecht en het internationale recht inzake mensenrechten;

94.

spoort de EU en de lidstaten aan om onderzoek te doen naar de nieuwste vormen en laatste ontwikkelingen op het gebied van mensenhandel, en in dit kader ook onderzoek te doen naar de mogelijke effecten van de huidige migratiecrisis op mensenhandel, zodat de nieuwe ontwikkelingen met toereikende en gerichte maatregelen kunnen worden aangepakt;

95.

wenst dat de Commissie in het volgende verslag over de implementatie van Richtlijn 2011/36/EU het verband tussen verschillende typen mensenhandel en de daarvoor gebruikte routes analyseert, aangezien slachtoffers vaak tegelijkertijd op verschillende manieren worden uitgebuit of van de ene vorm van handel overgaan in de andere; vraagt eveneens dat de Commissie verder onderzoek aanmoedigt naar de belangrijkste oorzaken van mensenhandel en de gevolgen ervan voor gendergelijkheid;

96.

verzoekt de Commissie te onderzoeken of het nodig is om het mandaat van het toekomstig Europees Openbaar Ministerie aldus te herzien dat dat ook bevoegdheden op het gebied van de bestrijding van mensenhandel omvat;

97.

dringt er bij de Europese Commissie op aan, rekening houdend met het feit dat het Verdrag van Istanbul een doeltreffend hulpmiddel is bij het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen, waaronder mensenhandel, en ter bescherming en ondersteuning van de slachtoffers, om de lidstaten te stimuleren dit verdrag te ratificeren;

o

o o

98.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.


(1)  Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0070.

(2)  PB L 319 van 4.12.2015, blz. 1.

(3)  PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

(4)  PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.

(5)  PB L 168 van 30.6.2009, blz. 24.

(6)  PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98.

(7)  PB L 261 van 6.8.2004, blz. 19.

(8)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0126.

(9)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0162.

(10)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0218.

(11)  Schatting van de IAO, „Winst en armoede: de economie van gedwongen arbeid”, 2014.

(12)  Verslag van Eurostat over „Mensenhandel”, editie 2015.

(13)  Idem.

(14)  Idem.

(15)  Situatieverslag van Europol over mensenhandel in de EU (februari 2016).

(16)  Verslag van Eurostat, 2015.

(17)  Idem.

(18)  „Tussentijds verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel” SWD(2014)0318), blz. 9.

(19)  https://ec.europa.eu/anti-trafficking/publications/handbook-consular-and-diplomatic-staff-how-assist-and-protect-victims-human-trafficking_en.


Woensdag 26 mei 2016

28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/76


P8_TA(2016)0228

Virtuele valuta

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over virtuele valuta (2016/2007(INI))

(2018/C 076/13)

Het Europees Parlement,

gezien het paper van de Bank voor Internationale Betalingen over digitale valuta van november 2015 (1),

gezien de publicatie van de Bank of England over het economisch belang van digitale valuta (Q3/2014) (2),

gezien het advies van de Europese Bankautoriteit over virtuele valuta van juli 2014 (3),

gezien de analyse van de Europese Centrale Bank over virtuelevalutastelsels van februari 2015 (4),

gezien het actieplan van de Commissie voor effectievere bestrijding van de financiering van terrorisme van 2 februari 2016 (5),

gezien de studie van de Commissie over de omvang van de btw-kloof in de EU van mei 2015 (6),

gezien de studie van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie over de digitale agenda van virtuele valuta (7),

gezien de richtsnoeren voor een op risico's gebaseerde benadering van virtuele valuta van de Financial Action Task Force (FATF) van juni 2015,

gezien de conclusies van de Europese Raad over de bestrijding van terrorismefinanciering van 12 februari 2016 (8),

gezien het arrest van het Europese Hof van Justitie over de btw-behandeling van het inwisselen van virtuele valuta (C-264/14) (9), en de conclusies van advocaat-generaal Kokott van 16 juli 2015 (10),

gezien de raadpleging van ESMA over „Investment using virtual currencies or distributed ledger technology” van juli 2015 (11),

gezien de briefing van EPRS „Bitcoin market, economics and regulation” (12),

gezien het rapport van Europol „Changes in modus operandi of Islamic State terrorist attacks” van 18 januari 2016 (13),

gezien het rapport van de FATF over virtuele valuta van juni 2014 (14),

gezien de studie van de OESO „The Bitcoin Question — currency versus trust-less transfer technology” (15),

gezien het werkdocument van het IMF „Virtual Currencies and Beyond” van januari 2016 (16),

gezien het rapport van de wetenschappelijke hoofdadviseur van het Britse Government Office for Science „Distributed Ledger Technology: beyond block chain”, van 2016 (17),

gezien de hoorzitting van de Commissie economische en monetaire zaken over virtuele valuta van 25 januari 2016,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0168/2016),

A.

overwegende dat, aangezien er nog geen algemeen toepasbare definitie is, maar virtuele valuta soms worden aangeduid als digitaal geld, de Europese Bankenautoriteit (EBA) virtuele valuta als een digitale weergave van waarde beschouwt die noch door een centrale bank, noch door een overheid wordt uitgegeven en evenmin aan een vertrouwensmunt is gekoppeld, maar die door natuurlijke of rechtspersonen als een ruilmiddel wordt aanvaard en kan worden overgedragen, opgeslagen of elektronisch verhandeld; overwegende dat virtuele valuta vooral gebaseerd zijn op de zogeheten „distributed ledger”-technologie (DLT), die de technologische basis vormt voor meer dan 600 stelsels van virtuele valuta (18) waarvan de bekendste tot dusverre de Bitcoin is, en die „peer-to-peer” ruilen vergemakkelijkt; overwegende dat de Bitcoin in 2009 werd gelanceerd en momenteel onder de op DTL gebaseerde virtuele valuta een marktaandeel van bijna 90 % en een marktwaarde aan uitstaande Bitcoins ten belope van circa 5 miljard EUR (19) heeft en dus geen systeemrelevante verspreiding heeft gevonden;

B.

overwegende dat DLT databanken omvat met uiteenlopende niveaus van vertrouwen en bestendigheid, die grote aantallen transacties snel kunnen verwerken en niet alleen op het gebied van virtuele valuta over omzettingscapaciteit beschikken, maar ook meer in het algemeen op het gebied van de financiële technologie waarbij de verrekening en verevening voor de hand liggende toepassingen zijn evenals, buiten het financieel gebied, vooral het bewijzen van identiteit en eigendom;

C.

overwegende dat investeringen in DLT integraal deel uitmaken van de lopende innovatiecyclus van de financiële technologie en dat zij tot op heden meer dan 1 miljard EUR belopen, zowel uit durfkapitaalfondsen als uit bedrijfsinvesteringen (20);

Kansen en risico's van virtuele valuta en DLT in de snel evoluerende technologische betalingsomgeving

1.

onderstreept dat virtuele valuta en DLT een positieve bijdrage kunnen leveren aan het welzijn van de burger en de economische ontwikkeling, met inbegrip van de financiële sector, middels:

a)

een verlaging van de operationele en transactiekosten voor betalingen en vooral de grensoverschrijdende overdracht van middelen, wellicht tot ver beneden de 1 % in vergelijking met de traditionele 2 tot 4 % voor online-betalingssystemen (21), en gemiddeld tot meer dan 7 % voor grensoverschrijdende overmakingen (22), waardoor, volgens een optimistische schatting, de totale kosten voor overmakingen met tot 20 miljard EUR zouden kunnen worden verlaagd;

b)

meer in het algemeen, een verlaging van de kosten van de toegang tot financiering, zelfs zonder een traditionele bankrekening, waardoor in aanleg wordt bijgedragen tot financiële integratie en tot de verwezenlijking van de G20- en G8- „5x5”-doelstelling (23);

c)

het vergroten van de bestendigheid en, afhankelijk van de architectuur van het systeem, de snelheid van betalingssystemen en de handel in goederen en diensten dankzij de inherent gedecentraliseerde architectuur van DLT, die waarschijnlijk betrouwbaar kan blijven functioneren, zelfs als delen van haar netwerk slecht zouden functioneren of gehackt zouden worden;

d)

het mogelijk maken van systemen die het gebruiksgemak paren aan lage operationele en transactiekosten en een hoge mate van privacy, maar zonder volledige anonimiteit, zodat transacties tot op zekere hoogte kunnen worden getraceerd in geval van misdrijven en zodat de transparantie voor marktdeelnemers in het algemeen kan worden vergroot;

e)

de aanwending van dergelijke systemen voor het ontwikkelen van veilige online-oplossingen voor microbetalingen die de individuele privacy respecteren en die mogelijkerwijze een aantal van de bestaande onlinebedrijfsmodellen zouden kunnen vervangen welke een aanzienlijke bedreiging voor de individuele privacy vormen;

f)

het potentieel doen opgaan van diverse soorten traditionele en innovatieve betalingsmechanismen, van kredietkaarten tot mobiele oplossingen, in één veilige en gebruikersvriendelijke toepassing, hetgeen bevorderend kan zijn voor bepaalde aspecten van de e-handel in Europa en kan bijdragen tot een verdieping van de interne markt;

2.

constateert dat virtuele valuta en DLT-systemen risico's met zich meebrengen die naar behoren moeten worden aangepakt ter verhoging van de betrouwbaarheid, waarbij in de huidige omstandigheden onder andere moet worden gedacht aan:

a)

het ontbreken van flexibele, maar bestendige en betrouwbare bestuursstructuren of een definitie van dergelijk structuren, vooral in het geval van sommige DLT-toepassingen, zoals de Bitcoin, die onzekerheid en problemen voor de bescherming van de consument en — meer in het algemeen — van de gebruiker veroorzaken, vooral bij uitdagingen die de ontwerpers van de oorspronkelijke software niet hebben voorzien;

b)

de grote volatiliteit van virtuele valuta en potentiële speculatieve zeepbellen, alsmede het ontbreken van traditionele vormen van toezicht op de regelgeving, van waarborgen en van bescherming, kwesties die voor consumenten een groot probleem vormen;

c)

de soms beperkte capaciteit van regelgevers op het gebied van nieuwe technologie, die het moeilijk maakt tijdig de passende beveiligingen af te bakenen waarmee de juiste en betrouwbare werking van DLT-toepassingen kunnen worden gegarandeerd wanneer en zelfs voordat zij zo groot worden dat zij systeemrelevant worden;

d)

de rechtsonzekerheid ten aanzien van nieuwe DLT-toepassingen;

e)

het energieverbruik van het in omloop houden van bepaalde virtuele valuta dat, volgens het rapport over DLT van de wetenschappelijke hoofdadviseur van de Britse regering, in het geval van de Bitcoin wordt geraamd op meer dan 1 GW, hetgeen investeringen in onderzoek naar en de bevordering van efficiëntere mechanismen voor het verifiëren van transacties nodig maakt;

f)

het ontbreken van voldoende transparante en gemakkelijk toegankelijke technische documentatie over de werking van specifieke virtuele valuta en andere DLT-regelingen;

g)

potentiële bronnen van financiële instabiliteit in verband met derivaten die zijn gebaseerd op slecht begrepen kenmerken van virtuele valuta;

h)

de mogelijke toekomstige beperkingen op de lange termijn van de doeltreffendheid van het monetair beleid, indien particuliere systemen van virtuele valuta op grote schaal worden gebruikt als vervanging van officiële vertrouwensmunten;

i)

het potentieel voor transacties op de zwarte markt, het witwassen van geld, terrorismefinanciering (24), belastingfraude en -ontwijking en andere criminele activiteiten op basis van „pseudonimiteit” en „het combineren van diensten” die sommige dienstverleners aanbieden, en het gedecentraliseerde karakter van sommige virtuele valuta waarbij moet worden bedacht dat transacties in contanten nog veel moeilijker te traceren zijn;

3.

wijst erop dat voor de aanpak van deze risico's de regelgevingscapaciteit, met inbegrip van de technische expertise moet worden vergroot, en een gedegen wettelijk kader dat gelijke tred houdt met innovatie, moet worden ontwikkeld om te zorgen voor een tijdige en passende reactie, indien en wanneer het gebruik van DLT-toepassingen systeemrelevant wordt;

4.

stelt echter dat, als er te vroeg regelgeving wordt vastgesteld, deze misschien niet is afgestemd op een situatie die nog verandert, hetgeen naar het publiek een verkeerd signaal kan uitsturen over de voordelen of de veiligheid van virtuele valuta;

Een aanwending van DLT die verder gaat dan betalingen

5.

constateert dat het potentieel van DLT voor het bespoedigen, decentraliseren, automatiseren en standaardiseren van datagestuurde processen tegen geringere kosten het in aanleg mogelijk maakt de wijze waarop activa worden overgedragen en gegevens worden bewaard fundamenteel te veranderen met gevolgen voor zowel de particuliere als de overheidssector waarbij laatstgenoemde in drie opzichten betrokken is: als dienstverlener, als toezichthouder en als wetgever;

6.

wijst erop dat de verrekening, verevening en andere transactieverwerkingsprocessen de financiële sector wereldwijd momenteel meer dan 50 miljard EUR per jaar kosten (25), en dat het gebruik van DLT hierbij en bij de processen voor het afstemmen van banksaldi wel eens een ingrijpende verandering teweeg zou kunnen brengen op het punt van efficiëntie, snelheid en bestendigheid, maar ook tot nieuwe uitdagingen voor de regelgeving kan leiden;

7.

onderstreept dat particuliere actoren op dit gebied meerdere initiatieven hebben ontplooid en vraagt de bevoegde Europese en nationale autoriteiten deze initiatieven te volgen;

8.

constateert dat DLT daarnaast kan worden gebruikt om zowel tussen regeringen en burgers, alsook tussen particuliere actoren en klanten voor een betere uitwisseling van gegevens en meer transparantie en vertrouwen te zorgen;

9.

erkent dat het zich nog steeds ontwikkelende potentieel van DLT verder reikt dan de financiële sector, met inbegrip van crowdfunding met geëncrypteerd kapitaal, conflictbemiddelingsdiensten, met name in de financiële en juridische sectoren, en de mogelijkheden van slimme contracten in combinatie met digitale handtekeningen, toepassingen die een betere gegevensbescherming en synergieën met de ontwikkeling van het internet der dingen mogelijk maken;

10.

onderstreept dat de „block-chain”-technologieën in de economie een bepaalde dynamiek tot stand brengen en over het potentieel beschikken om op de lange termijn verandering in de reële economie op gang te brengen;

11.

onderkent het potentieel van DLT voor regeringen bij de bestrijding van witwaspraktijken, fraude en corruptie;

12.

moedigt overheidsinstanties aan, na verrichting van de passende effectbeoordelingen, DLT-systemen te testen om de dienstverlening aan burgers en e-governmentoplossingen te verbeteren, overeenkomstig de EU-regels inzake gegevensbescherming; moedigt overheidsinstanties aan lock-ineffecten te voorkomen die zich kunnen voordoen wanneer men vertrouwt op DLT-systemen waaraan eigendomsrechten verbonden zijn; erkent met name het potentieel van DLT voor verbeteringen van kadastersystemen;

13.

beveelt overheidsinstanties en bevoegde autoriteiten die met het analyseren van grote hoeveelheden gegevens zijn belast, aan het gebruik van real-time toezicht- en rapportage-instrumenten op basis van DLT te bestuderen als deel van een RegTech-agenda in de financiële sector en daarbuiten, mede om ten minste de aanzienlijke btw-kloof in de Unie te verkleinen (26);

Slimme regelgeving ter bevordering van innovatie en ter waarborging van de integriteit

14.

dringt aan op een evenredige regelgevingsaanpak op EU-niveau ten einde innovatie niet in de kiem te smoren, hieraan in dit vroege stadium geen overbodige kosten toe te voegen en daarbij de uitdagingen op het stuk van regelgeving serieus te nemen die door het wijdverbreide gebruik van virtuele valuta en DLT kunnen ontstaan;

15.

beklemtoont de overeenkomsten tussen DLT, die uit een aantal knooppunten bestaat die in een systeem participeren en een gemeenschappelijk gegevensbestand delen, en het world wide web, dat gedefinieerd worden als een wereldwijd pakket op logische wijze via hyperlinks met elkaar verbonden bronnen; wijst erop dat zowel DLT, als het world wide web op het internet gebaseerd zijn, dat wil zeggen op een mondiaal systeem van onderling verbonden mainframe-, personal- en draadloze computernetwerken;

16.

herinnert eraan dat het internet, ondanks de inspanningen om tot een benadering met meerdere belanghebbende partijen te komen, nog altijd onder de National Telecommunications and Information Administration valt, een agentschap dat onder het Amerikaanse Ministerie van Handel ressorteert;

17.

is verheugd over het feit dat op het niveau van het Forum voor internetbeheer een dynamische coalitie voor „block-chain”-technologieën tot stand is gebracht, en verzoekt de Commissie te werken aan een gedeeld en inclusief beheer van DLT, ten einde problemen zoals destijds bij de ontwikkeling van het internet te voorkomen;

18.

constateert dat essentiële EU-wetgeving, zoals de verordening inzake de Europese marktinfrastructuur, de verordening inzake centrale effectenbewaarinstellingen, de finaliteitsrichtlijn, MiFID/MiFIR, de icbe-richtlijn en de AIFM-richtlijn, een regelgevingskader kan vormen naar gelang van de ontplooide activiteiten, ongeacht de basistechnologie, zelfs nu virtuele valuta en op DLT gebaseerde toepassingen actief worden op nieuwe markten en hun activiteiten uitbreiden; constateert echter dat wellicht meer op maat gesneden wetgeving nodig is;

19.

is ingenomen met de voorstellen van de Commissie om omwisselingsplatformen voor virtuele valuta in de antiwitwasrichtlijn op te nemen om een einde te maken aan de anonimiteit die met deze platforms verbonden is; verwacht dat elk voorstel in dit verband doelgericht is, gerechtvaardigd wordt door een alomvattende analyse van de aan virtuele valuta verbonden risico's en gebaseerd wordt op een gedegen effectbeoordeling;

20.

beveelt de Europese Commissie aan een omvattende analyse van virtuele valuta op te maken en op basis van deze evaluatie, indien nodig, te overwegen de desbetreffende EU-wetgeving inzake betalingen, met inbegrip van de richtlijn betalingsrekeningen, de richtlijn betalingsdiensten en de richtlijn elektronisch geld, te herzien in het licht van de nieuwe mogelijkheden die door nieuwe technologische ontwikkelingen worden geboden, met inbegrip van virtuele valuta en DLT, ten einde de concurrentie verder te vergroten en de transactiekosten te verlagen, mede middels een versterkte interoperabiliteit en mogelijk ook via de bevordering van een universele en niet aan eigendomsrechten gebonden elektronische portemonnee;

21.

constateert dat in Europa meerdere virtuele plaatselijke valuta zijn ontwikkeld niet in de laatste plaats als reactie op de financiële crisissen en de kredietschaarste; dringt erop aan in de context van toekomstige wetgevingsvoorstellen uiterst zorgvuldig te zijn bij het vaststellen van een definitie van virtuele valuta ten einde terdege rekening te houden met de zogenaamde „lokale valuta” zonder winstoogmerk, die vaak een beperkte fungibiliteit hebben en belangrijke maatschappelijke en milieuvoordelen opleveren, en onevenredige regelgeving te vermijden, zolang belastingen niet vermeden noch ontweken worden;

22.

dringt aan op de instelling van een horizontale DLT-task force onder leiding van de Commissie die bestaat uit technische en regelgevingsexperts om te zorgen voor:

i)

het bieden van de nodige technische en regelgevende expertise in de diverse sectoren van de relevante DLT-toepassingen, het bij elkaar brengen van de belanghebbende partijen en het ondersteunen van de betrokken overheidsactoren op het niveau van zowel de EU als van de lidstaten in hun inspanningen toezicht te houden op het gebruik van DLT op Europees niveau en in de wereld;

ii)

het bevorderen van de bewustwording en het analyseren van de voordelen en risico's — mede voor de eindgebruikers — van DLT-toepassingen ten einde een optimaal gebruik van het potentieel ervan te maken, mede door het in kaart brengen van de belangrijkste kenmerken van DLT-systemen die in het algemeen belang zijn, zoals niet aan eigendomsrechten gebonden, open normen, en het afbakenen van normen voor optimale praktijken, wanneer dergelijke normen zich ontwikkelen;

iii)

het ondersteunen van een tijdige, goed gefundeerde en passende reactie op de nieuwe mogelijkheden en uitdagingen die voortvloeien uit de invoering van belangrijke DLT-toepassingen, met inbegrip van een routekaart voor verdere stappen op EU-niveau en in de lidstaten waartoe een beoordeling van de bestaande Europese regelgeving behoort ten einde deze, waar nodig, aan te passen in reactie op het significante en systeemrelevante gebruik van DLT waarbij tevens de consumentenbescherming en systeemuitdagingen worden aangepakt;

iv)

het ontwikkelen van stresstests voor alle relevante aspecten van virtuele valuta en ander DLT-systemen die zoveel gebruikt worden dat zij voor de stabiliteit systeemrelevant zijn;

23.

onderstreept het belang van de bewustmaking van de consumenten, van transparantie en vertrouwen bij het gebruik van virtuele valuta; vraagt dat de Commissie, in overleg met de lidstaten en de sector van de virtuele betalingen, richtsnoeren opstelt om te garanderen dat correcte, duidelijke en volledige informatie wordt gegeven aan de huidige en toekomstige gebruikers van virtuele valuta, zodat zij met kennis van zaken hun keuze kunnen bepalen, en aldus de virtuelevalutasystemen voor de consumenten transparanter te maken ten aanzien van de wijze waarop deze systemen georganiseerd zijn en werken, en hoe zij zich onderscheiden van gereguleerde en gecontroleerde betalingssystemen op het stuk van de consumentenbescherming;

o

o o

24.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  http://www.bis.org/cpmi/publ/d137.pdf

(2)  http://www.bankofengland.co.uk/publications/Documents/quarterlybulletin/2014/ qb14q3digitalcurrenciesBitcoin2.pdf

(3)  https://www.eba.europa.eu/documents/10180/657547/EBA-Op-2014-08+Opinion+on+Virtual+Currencies.pdf

(4)  https://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/other/virtualcurrencyschemesen.pdf

(5)  http://ec.europa.eu/justice/newsroom/criminal/news/160202_en.htm

(6)  http://europa.eu/rapid/press-release_IP-15-5592_en.htm

(7)  http://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/bitstream/JRC97043/the%20digital%20agenda %20of%20virtual%20currencies_final.pdf

(8)  http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2016/02/12-conclusions-terrorism-financing/

(9)  http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?qid=1463564584935&uri=CELEX:62014CJ0264

(10)  http://eur-lex.europa.eu/legal-content/Nl/TXT/?uri=CELEX%3A62014CC0264

(11)  https://www.esma.europa.eu/sites/default/files/library/2015/11/2015-532_call_for_evidence_on_virtual_currency_investment.pdf

(12)  http://www.europarl.europa.eu/RegData/bibliotheque/briefing/2014/140793/LDM_BRI(2014) 140793_REV1_EN.pdf

(13)  https://www.europol.europa.eu/sites/default/files/publications/changes_in_modus_operandi_of_is _in_terrorist_attacks.pdf

(14)  http://www.fatf-gafi.org/media/fatf/documents/reports/virtual-currency-key-definitions-and-potential-aml-cft-risks.pdf

(15)  http://www.oecd.org/daf/fin/financial-markets/The-Bitcoin-Question-2014.pdf

(16)  https://www.imf.org/external/pubs/ft/sdn/2016/sdn1603.pdf

(17)  https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/492972/gs-16-1-distributed-ledger-technology.pdf

(18)  http://www.bis.org/cpmi/publ/d137.pdf

(19)  http://coinmarketcap.com/

(20)  Zie onder andere: http://www.coindesk.com/state-of-Bitcoin-blockchain-2016/

(21)  https://www.eba.europa.eu/documents/10180/657547/EBA-Op-2014-08+Opinion+on+Virtual+Currencies.pdf

(22)  https://remittanceprices.worldbank.org/sites/default/files/rpw_report_december_2015.pdf

(23)  http://web.worldbank.org/WBSITE/EXTERNAL/TOPICS/EXTFINANCIALSECTOR /0,,contentMDK:22383199~pagePK:210058~piPK:210062~theSitePK:282885,00.html

(24)  Hoewel het mogelijk is virtuele valuta te gebruiken voor de financiering van terrorisme, heeft Europol onlangs (18 januari 2016) erop gewezen dat, hoewel derden hebben gemeld dat anonieme valuta, zoals de Bitcoin, die door terroristen worden gebruikt om hun activiteiten te financieren, dit door wetshandhavingsinstanties niet is bevestigd.

(25)  https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/492972/gs-16-1-distributed-ledger-technology.pdf

(26)  http://europa.eu/rapid/press-release_IP-15-5592_en.htm


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/82


P8_TA(2016)0233

Transatlantische gegevensstromen

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over trans-Atlantische gegevensstromen (2016/2727(RSP))

(2018/C 076/14)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de artikelen 6, 7, 8, 11, 16, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (1) (hierna „richtlijn gegevensbescherming”),

gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (2),

gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene richtlijn gegevensbescherming) (3) en gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (4),

gezien Besluit 2000/520/EG van de Commissie van 26 juli 2000 (het veiligehavenbesluit),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2013 over het herstel van vertrouwen in de gegevensstromen tussen de EU en de VS (COM(2013)0846),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2013 betreffende de werking van de veiligehavenregeling („Safe Harbour”) uit het oogpunt van EU-burgers en in de EU gevestigde ondernemingen (COM(2013)0847) (de veiligehavenmededeling),

gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14, Maximillian Schrems tegen Data Protection Commissioner (EU:C:2015:650),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2015 over de doorgifte van persoonsgegevens van de EU naar de Verenigde Staten van Amerika krachtens Richtlijn 95/46/EG, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-362/14 (Schrems) (COM(2015)0566),

gezien de verklaring van de Groep artikel 29 van 3 februari 2016 over de gevolgen van het arrest-Schrems,

gezien de Judicial Redress Act van 2015, die op 24 februari 2016 door president Obama werd bekrachtigd (H.R.1428),

gezien de USA Freedom Act van 2015 (5),

gezien de hervormde inlichtingen uit berichtenverkeer in de VS, zoals bepaald in presidentiële richtlijn 28 (PPD-28) (6),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van maandag 29 februari 2016 getiteld „Trans-Atlantische gegevensstromen: herstel van vertrouwen door solide waarborgen” (COM(2016)0117),

gezien Advies 01/2016 van de Groep artikel 29 van 13 april 2016 over het ontwerp van adequaatheidsbesluit met betrekking tot het Europees-Amerikaanse privacyschild,

gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers en voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (7), en zijn resolutie van 29 oktober 2015 over de follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2014 over grootschalig elektronisch toezicht op EU-burgers (8),

gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het Europees Hof van Justitie de veiligehavenregeling ongeldig heeft verklaard in zijn uitspraak van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14, Maximillian Schrems tegen Data Protection Commissioner, en dat het heeft verduidelijkt dat een passend beschermingsniveau in een derde land „in wezen moet overeenstemmen” met de bescherming waarin is voorzien in de Unie, zodat de onderhandelingen over het privacyschild tussen de EU en de VS dringend afgerond moeten worden, om rechtszekerheid te bieden over de manier waarop persoonsgegevens van de EU naar de VS moeten worden overgedragen;

B.

overwegende dat gegevensbescherming betekent dat de mensen worden beschermd op wie de verwerkte informatie betrekking heeft en overwegende dat deze bescherming een van de door de Unie erkende grondrechten is (artikel 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie);

C.

overwegende dat de bescherming van persoonsgegevens, eerbiediging van het privéleven en van privécommunicatie, het recht op veiligheid, het recht om informatie te ontvangen en te verspreiden en de vrijheid van ondernemerschap allemaal grondrechten zijn die gewaarborgd en met elkaar verzoend moeten worden;

D.

overwegende dat de Commissie bij de beoordeling van het in een derde land geboden beschermingsniveau verplicht is de inhoud te beoordelen van de in dat land toepasselijke regels die afgeleid zijn van zijn nationale wetgeving of internationale verbintenissen, alsook de praktijken die zijn ingevoerd ter garantie van de naleving van deze regels, aangezien zij volgens artikel 25, lid 2, van de richtlijn gegevensbescherming rekening moet houden met alle omstandigheden die op de doorgifte van persoonsgegevens aan een derde land van invloed zijn; overwegende dat bij deze beoordeling niet alleen naar de wetgeving en praktijken met betrekking tot de gegevensbescherming voor persoonlijke en commerciële doeleinden moet worden gekeken, maar naar alle aspecten van het kader dat van toepassing is op dat land of die sector, in het bijzonder maar niet uitsluitend, nationale veiligheid, rechtshandhaving en de eerbieding van grondrechten;

E.

overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) de snelst groeiende sector zijn van de economie van de EU en dat zij steeds meer afhangen van kosteloze gegevensstromen; overwegende dat kmo's 60 % uitmaakten van de bedrijven die vielen onder het veiligehavenakkoord, dat hen de voordelen liet genieten van de gestroomlijnde en kostenefficiënte nalevingsprocedures;

F.

overwegende dat de economieën van de VS en de EU goed zijn voor meer dan 50 % van het mondiale bbp, 25 % van de mondiale export en meer dan 30 % van de mondiale import; overwegende dat de hoogst gewaardeerde economische relatie wereldwijd die tussen de VS en de EU is, met in 2014 een totale trans-Atlantische handel die 1,09 biljoen USD beliep, ten opzichte van 741 miljard USD en 646 miljard USD voor de handel van de VS met respectievelijk Canada en China;

G.

overwegende dat de grensoverschrijdende gegevensstromen tussen de Verenigde Staten en Europa de grootste ter wereld zijn (50 % groter dan de gegevensstromen tussen de VS en Azië en bijna het dubbele van de gegevensstromen tussen de VS en Latijns-Amerika) en overwegende dat de doorgifte en uitwisseling van persoonsgegevens een essentiële component is van de nauwe banden tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten met betrekking tot commerciële activiteiten en de sector van de rechtshandhaving;

H.

overwegende dat de Groep artikel 29 zich in zijn Advies 01/2016 tevreden heeft verklaard met de verbeteringen als gevolg van het privacyschild ten opzichte van het veiligehavenbesluit, met name de invoering van belangrijke definities, de mechanismen die zijn ingesteld om toezicht op de privacyschildlijst te garanderen en de externe en interne nalevingscontroles die voortaan verplicht zijn, en overwegende dat de Groep ook zijn grote bezorgdheid heeft geuit zowel over de commerciële aspecten als over de toegang van overheidsinstanties tot gegevens die in het kader van het privacyschild worden doorgegeven;

I.

overwegende dat momenteel het niveau van gegevensbescherming in de landen/gebieden Andorra, Argentinië, de Faeröer, Guernsey, het eiland Man, Jersey, Uruguay, Israël, Zwitserland en Nieuw-Zeeland als passend werd erkend en dat deze landen/gebieden bevoorrechte toegang krijgen tot de EU-markt;

1.

is tevreden met de inspanningen van de Commissie en de regering van de VS om aanzienlijke verbeteringen te realiseren in het privacyschild ten opzichte van het veiligehavenbesluit, in het bijzonder de invoering van belangrijke definities zoals „persoonsgegevens”, „verwerking” en „verwerkingsverantwoordelijke”, de mechanismen die zijn ingesteld om toezicht op de privacyschildlijst te garanderen en de externe en interne nalevingscontroles die voortaan verplicht zijn;

2.

benadrukt het belangrijke karakter van de trans-Atlantische betrekkingen, die van vitaal belang zijn voor beide partijen; beklemtoont dat er een globale oplossing tussen de EU en de VS moet worden gevonden waarin het recht op gegevensbescherming en het recht op privacy worden geëerbiedigd; herinnert eraan dat een van de fundamentele doelstellingen van de EU de bescherming van persoonsgegevens is, inclusief bij doorgifte ervan naar haar belangrijkste internationale handelspartner;

3.

benadrukt het feit dat de privacyschildregeling in overeenstemming moet zijn met de primaire en secundaire wetgeving van de EU en met de relevante uitspraken zowel van het Europees Hof van Justitie als van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

4.

merkt op dat bijlage VI (brief van Robert S. Litt, kabinet van de directeur van de Nationale Inlichtingendienst (ODNI)) verduidelijkt dat het op grond van presidentiële richtlijn 28 (hierna „PPD-28”) in zes gevallen nog steeds is toegestaan om persoonsgegevens en communicatie van niet-Amerikanen op grote schaal te verzamelen; wijst erop dat dit grootschalig verzamelen slechts „zo specifiek als haalbaar” en „redelijk” moet zijn, en dus niet beantwoordt aan de strengere criteria van noodzakelijkheid en evenredigheid, zoals vastgelegd in het handvest;

5.

herinnert eraan dat rechtszekerheid, in het bijzonder duidelijke en uniforme voorschriften, van cruciaal belang is voor de ontwikkeling en groei van bedrijven, vooral kmo's, om te voorkomen dat zij te maken krijgen met rechtsonzekerheid en dat zij ernstige gevolgen ondervinden voor hun werking en voor hun vermogen zaken te doen over de oceaan;

6.

is tevreden met de invoering in het kader van het privacyschild van het beroepsmechanisme voor individuen; verzoekt de Commissie en de regering van de VS de huidige complexiteit aan te pakken, om de procedure gebruiksvriendelijk en doeltreffend te maken;

7.

verzoekt de Commissie opheldering te verkrijgen over de wettelijke status van de door de VS verstrekte „schriftelijke garanties”;

8.

is tevreden met de benoeming bij het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken van een ombudsman, die zal samenwerken met onafhankelijke instanties om toezichtautoriteiten van de EU die dienen als kanaal voor individuele verzoeken in verband met overheidstoezicht, van antwoord te dienen; is evenwel van mening dat deze nieuwe instelling onvoldoende onafhankelijk is en niet beschikt over passende bevoegdheden om haar taak effectief uit te oefenen en op te leggen;

9.

is tevreden met de prominente rol die de autoriteiten voor gegevensbescherming in de lidstaten op grond van het privacyschild krijgen voor het onderzoek naar klachten in verband met de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig het EU-Handvest van de grondrechten en voor de opschorting van gegevensstromen, en met de verplichting voor het Amerikaanse Ministerie van Handel om deze klachten op te lossen;

10.

erkent dat het privacyschild deel uitmaakt van een ruimere dialoog tussen de EU en derde landen, met inbegrip van de Verenigde Staten, over gegevensbescherming, handel, veiligheid en daarmee samenhangende rechten en doelstellingen van gemeenschappelijk belang; verzoekt alle partijen daarom samen te werken voor de totstandbrenging en voortdurende verbetering van werkbare, gemeenschappelijke internationale kaders en binnenlandse wetgeving om deze doelstellingen te realiseren;

11.

benadrukt het feit dat rechtszekerheid met betrekking tot de doorgifte van persoonsgegevens tussen de EU en de VS een essentieel element is voor het consumentenvertrouwen, de trans-Atlantische bedrijfsontwikkeling en de samenwerking op het gebied van rechtshandhaving, zodat het voor de doeltreffendheid en de tenuitvoerlegging op lange termijn van de instrumenten die deze doorgifte mogelijk maken, nodig is dat deze instrumenten zowel stroken met de primaire als met de secundaire EU-wetgeving;

12.

verzoekt de Commissie de aanbevelingen die de Groep artikel 29 in zijn Advies 01/2016 over het ontwerp van adequaatheidsbesluit met betrekking tot het Europees-Amerikaanse privacyschild heeft geformuleerd, volledig uit te voeren;

13.

verzoekt de Commissie haar verantwoordelijkheid in het kader van het privacyschild na te komen door op gezette tijden een grondige evaluatie uit te voeren van haar vaststelling van adequaatheid en de juridische gronden hiervoor, met name gezien de toepassing van de nieuwe algemene richtlijn gegevensbescherming over twee jaar;

14.

verzoekt de Commissie de dialoog met de regering van de VS voort te zetten om via onderhandelingen bijkomende verbeteringen in de privacyschildregeling aan te brengen, gezien de huidige tekortkomingen ervan;

15.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten, en aan het Congres en de regering van de VS.


(1)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(2)  PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.

(3)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

(4)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.

(5)  https://www.congress.gov/114/plaws/publ23/PLAW-114publ23.pdf

(6)  https://www.whitehouse.gov/the-press-office/2014/01/17/presidential-policy-directive-signals-intelligence-activities

(7)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.

(8)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0388.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/86


P8_TA(2016)0234

Een „new deal” voor energieconsumenten

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over een „new deal” voor energieconsumenten (2015/2323(INI))

(2018/C 076/15)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 15 juli 2015 getiteld „Een 'new deal' voor energieconsumenten” (COM(2015)0339),

gezien de mededeling van de Commissie van 15 juli 2015 getiteld „Startsein voor een openbare raadpleging over de nieuwe opzet van de elektriciteitsmarkt” (COM(2015)0340),

gezien de mededeling van de Commissie van 16 februari 2016 getiteld „Een EU-strategie betreffende verwarming en koeling” (COM(2016)0051),

gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 getiteld „Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering” (COM(2015)0080),

gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld „Een investeringsplan voor Europa” (COM(2014)0903),

gezien de mededeling van de Commissie van 15 november 2012 getiteld „De interne energiemarkt doen werken” (COM(2012)0663),

gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011 getiteld „Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050” (COM(2011)0112),

gezien de mededeling van de Commissie van 15 december 2011 getiteld „Stappenplan Energie 2050” (COM(2011)0885),

gezien het derde energiepakket,

gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG,

gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG,

gezien Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen,

gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van persoonsgegevens,

gezien Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken,

gezien Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten,

gezien Aanbeveling 2012/148/EU van de Commissie van 9 maart 2012 inzake de voorbereiding van de uitrol van slimme metersystemen,

gezien zijn resolutie van 19 juni 2008 getiteld „Naar een Europees Handvest betreffende de rechten van de energieconsument” (1),

gezien zijn resolutie van 10 september 2013 over een effectief werkende interne energiemarkt (2),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over het Stappenplan Energie 2050, een toekomst met energie (3),

gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over de lokale en regionale gevolgen van de ontwikkeling van slimme netwerken (4),

gezien zijn resolutie van 15 april 2014 over consumentenbescherming — bescherming van de consument bij openbare dienstverlening (5),

gezien zijn resolutie van 15 december 2015 getiteld „Op weg naar een Europese energie-unie” (6),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0161/2016),

1.

is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld „Een 'new deal' voor energieconsumenten”;

2.

onderstreept dat dit verslag uitsluitend gaat over huishoudelijke energieconsumenten in het kader van de energietransitie; benadrukt dat industriële consumenten in een afzonderlijk kader moeten worden onderzocht;

3.

benadrukt dat de aan de gang zijnde energietransitie leidt tot een verschuiving van een energiesysteem op basis van traditionele, gecentraliseerde opwekking naar een meer gedecentraliseerd, energie-efficiënt, flexibel en grotendeels op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd systeem;

4.

vestigt de aandacht op de kosten van de overgang naar een nieuwe marktopzet in bepaalde lidstaten; vraagt de Commissie naar behoren met deze kosten rekening te houden wat betaalbaarheid en concurrentievermogen betreft;

5.

herinnert eraan dat het uiteindelijke doel een economie moet zijn die ten volle gebruik te maken van het beginsel „energie-efficiëntie eerst / brandstof nummer 1” en energiebesparingen en -maatregelen aan de vraagzijde voorrang te geven op de aanbodzijde, teneinde te voldoen aan onze klimaatdoelstellingen overeenkomstig het scenario van 1,5 oC waarin het klimaatakkoord van Parijs voorziet, en te zorgen voor energiezekerheid, concurrentievermogen en vooral lagere facturen voor de consument;

6.

is in dit verband van mening dat de energie-unie de belangen van de huidige en toekomstige generaties burgers centraal moet stellen en:

a)

de burger moet voorzien van stabiele, betaalbare, efficiënte en duurzame energie en kwalitatief hoogwaardige, energie-efficiënte producten, diensten en gebouwen;

b)

de burger in staat moet stellen om hetzij individueel, hetzij collectief, zijn eigen hernieuwbare energie op te wekken, te verbruiken, op te slaan of te verhandelen, energiebesparende maatregelen te nemen, een actieve deelnemer op de energiemarkt te worden door zijn keuzes als consument, en hem de mogelijkheid moet bieden om veilig en vol vertrouwen deel te nemen aan vraagrespons; meent in dit verband dat op EU-niveau, via een participatief proces onder leiding van Commissie, een praktische afspraak moet worden gemaakt over wat onder „prosument” wordt verstaan;

c)

moet bijdragen tot het uitbannen van energiearmoede;

d)

de consument moet beschermen tegen misbruik, concurrentievervalsing en oneerlijke praktijken van marktspelers en hem in staat moet stellen zijn rechten volledig uit te oefenen;

e)

de juiste voorwaarden moet scheppen voor een goed functionerende en concurrerende interne energiemarkt die de consument keuze biedt en toegang geeft tot transparante en duidelijke informatie;

7.

is van mening dat bij het geleidelijk afbouwen van gereguleerde energieprijzen rekening moet worden gehouden met de reële mate van marktconcurrentie in de context van de strategie voor de energie-unie, zodat de consumenten toegang hebben tot veilige energieprijzen;

8.

is van mening dat de energietransitie, als algemeen beginsel, moet resulteren in een efficiënter, transparanter, duurzamer, concurrerender, stabieler, meer gedecentraliseerd en inclusiever energiesysteem dat de hele samenleving ten goede komt, de betrokkenheid van burgers en lokale en regionale actoren en gemeenschappen vergroot en hen in staat stelt eigenaar of mede-eigenaar te zijn van de opwekking, distributie en opslag van hernieuwbare energie, en dat tegelijk de meest kwetsbaren beschermt en hen de vruchten laat plukken van energie-efficiëntiemaatregelen en hernieuwbare energie;

Naar een goed functionerende energiemarkt die de burger ten goede komt

9.

meent dat er weliswaar enige vooruitgang is geboekt, maar dat het doel van het derde energiepakket, namelijk een echt concurrerende, transparante en consumentvriendelijke retailmarkt voor energie tot stand brengen, nog niet in alle EU-lidstaten volledig is verwezenlijkt, zoals blijkt uit de nog steeds grote marktconcentratie, het feit dat de dalende groothandelskosten niet worden doorberekend in de detailprijzen, het geringe aantal consumenten dat van leverancier verandert en de lage klantentevredenheid;

10.

is daarom van mening dat verdere indicatoren voor een goed functionerende, consumentvriendelijke energiemarkt door de Commissie moeten worden geïdentificeerd of ontwikkeld; onderstreept dat dergelijke indicatoren onder andere rekening moeten houden met de economische impact van het veranderen van leverancier op de energieconsumenten, technische barrières voor het veranderen van leverancier of tariefplan en niveaus van consumentenbewustzijn;

11.

benadrukt dat open, transparante, concurrerende en goed gereguleerde markten belangrijk zijn om de prijzen te drukken, innovatie te stimuleren, de klantenservice te verbeteren en barrières weg te werken voor innovatieve nieuwe bedrijfsmodellen die de burgers waar voor hun geld kunnen bieden, hen mondiger kunnen maken en energiearmoede kunnen helpen voorkomen;

12.

herinnert eraan dat de klant maar een beperkte keuze aan distributienetten heeft doordat zij natuurlijke monopolies vormen, d.w.z. dat klanten niet van exploitant van het distributiesysteem kunnen veranderen; benadrukt de noodzaak van een adequate marktbewaking van exploitanten van distributienetten om de klanten te beschermen tegen plotse stijgingen van de distributiefactuur;

13.

is van mening dat de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen moeten treffen opdat het voordeel van meer interconnectie tussen de nationale netten niet naar de distributiesysteembeheerders (DSB's) gaat, maar rechtstreeks wordt omgezet in voordelen voor de eindconsumenten; is voorts van mening dat meer interconnectie tussen de nationale netten een positief effect moet hebben op de energieprijs voor de consument en dat dus moet worden voorkomen dat de voordelen enkel naar de DSB's gaan;

14.

vraagt de Commissie en de lidstaten nauwlettend toe te zien op de volledige tenuitvoerlegging van het derde energiepakket, en vraagt dat het in de vorm van een nieuwe opzet van de energiemarkt wordt herzien om rekening te houden met de volgende aanbevelingen in verband met huishoudelijke consumenten:

a)

beveelt aan om de frequentie van energierekeningen te verbeteren en zowel de rekeningen als de contracten transparanter en duidelijker te maken zodat ze makkelijker te begrijpen en te vergelijken zijn; benadrukt dat er duidelijke taal moet worden gebruikt en dat technische termen moeten worden vermeden; vraagt de Commissie hiervoor minimumnormen voor informatieverstrekking vast te stellen, met inbegrip van best practices; benadrukt dat zowel vaste kosten als belastingen en heffingen duidelijk als dusdanig moeten worden vermeld op de rekening, zodat de consument ze gemakkelijk kan onderscheiden van de variabele, verbruiksgerelateerde kosten; herinnert aan de bestaande verplichting om in of bij de rekening op bevattelijke en makkelijk vergelijkbare wijze aan te geven welk aandeel elke energiebron het voorafgaande jaar in de energiemix van de leverancier had, en te vermelden waar informatie te vinden is over het milieueffect wat CO2-uitstoot en radioactief afval betreft;

b)

beveelt aan om één loket op te richten dat alle relevante informatie ter beschikking stelt aan consumenten zodat zij in staat zijn om met kennis van zaken een beslissing te nemen;

c)

beveelt aan dat distributienetbeheerders, aangezien zij toegang hebben tot de historische verbruikspatronen van huishoudens, alsook exploitanten van onafhankelijke vergelijkingstools, met de energieregulators gaan samenwerken om te onderzoeken wat de beste manier is om consumenten proactief vergelijkingen van het aanbod te verschaffen zodat alle consumenten, ook als ze geen internettoegang of internetvaardigheden hebben, kunnen nagaan of ze geld zouden kunnen uitsparen door van leverancier te veranderen;

d)

beveelt aan om EU-richtsnoeren op te stellen, zodat de consument toegang heeft tot onafhankelijke, actuele en bevattelijke vergelijkingstools; is van mening dat de lidstaten accreditatieregelingen moeten ontwikkelen die alle prijsvergelijkingstools omvatten, overeenkomstig de richtsnoeren van de CEER;

e)

beveelt aan om nieuwe platforms tot stand te brengen die moeten dienen als onafhankelijke prijsvergelijkingstools om consumenten meer duidelijkheid te verschaffen over de facturatie; beveelt aan dat dergelijke onafhankelijke platforms consumenten informatie verstrekken over het aandeel van de verschillende gebruikte energiebronnen en de verschillende belastingen, heffingen en toeslagen die in de energietarieven vervat zitten, en dat op een vergelijkbare wijze, zodat de consument gemakkelijk op zoek kan gaan naar meer geschikte aanbiedingen wat prijs, kwaliteit en duurzaamheid betreft; stelt voor dat deze rol kan worden opgenomen door bestaande instanties zoals nationale ministeries voor energie, regulators of consumentenorganisaties; vraagt dat per lidstaat ten minste één dergelijke onafhankelijke prijsvergelijkingstool wordt ontwikkeld;

f)

beveelt, teneinde de concurrentie op detailhandelsniveau tussen de leveranciers te vergroten, aan dat de lidstaten, in overleg met exploitanten van prijsvergelijkingstools en consumentenverenigingen, richtsnoeren opstellen om ervoor te zorgen dat de leveranciers hun verschillende tarieven zo ontwerpen dat ze gemakkelijk vergelijkbaar zijn en geen verwarring teweegbrengen bij de consument;

g)

beveelt aan dat de consumenten in of bij de energierekening wordt meegedeeld wat op basis van hun historische verbruikspatronen voor hen het meest geschikte en voordelige tarief is, en dat de consumenten desgewenst zo eenvoudig mogelijk op dat tarief kunnen overschakelen; merkt op dat, aangezien in veel lidstaten maar weinig consumenten van leverancier veranderen, veel huishoudens, en met name de meest kwetsbare, niet actief aan de energiemarkt deelnemen en vastzitten aan ongeschikte, achterhaalde en dure tarieven;

h)

beveelt aan om maatregelen te onderzoeken om de detailprijzen beter te laten aansluiten bij de groothandelsprijzen, en zo de trend om te buigen dat energierekeningen steeds meer vaste onderdelen bevatten, met name belastingen en heffingen en in sommige gevallen netwerkkosten; wijst op het verschil tussen de hoogte van de heffingen en belastingen die huishoudelijke en industriële consumenten betalen;

15.

meent stellig dat de websites van energieleveranciers en digitale facturatie volledig toegankelijk moeten zijn voor personen met een handicap en aan de betreffende vereisten van de Europese norm EN 301 549 moeten voldoen;

16.

benadrukt dat de lidstaten de in het derde energiepakket opgenomen bepalingen betreffende het veranderen van leverancier volledig ten uitvoer moeten leggen en dat de nationale wetgeving de consument het recht moet garanderen om snel, eenvoudig en kosteloos van leverancier te veranderen, zonder opzeggingsvergoedingen of boetes dat belemmeren; benadrukt dat het essentieel is dat dit recht wordt gehandhaafd door markttoezicht en doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, en steunt de „Bridge to 2025”-aanbevelingen van de ACER over veranderen van leverancier;

17.

is van mening dat collectieve overstapregelingen en -campagnes moeten worden gepromoot om consumenten te helpen betere voorwaarden te vinden, zowel wat de prijs als wat de kwaliteit betreft; benadrukt dat dergelijke regelingen onafhankelijk, betrouwbaar, transparant, alomvattend en inclusief moeten zijn, en ook minder mondige consumenten moeten bereiken; suggereert dat lokale overheden, regulators, consumentenorganisaties en andere non-profitorganisaties goed geplaatst zijn om deze rol te vervullen en misbruik te voorkomen;

18.

benadrukt dat de lidstaten de bepalingen van de richtlijnen inzake oneerlijke handelspraktijken en consumentenrechten betreffende huis-aan-huisverkoop, oneerlijke bedingen of praktijken en agressieve verkooptechnieken correct ten uitvoer moeten leggen en moeten handhaven om energieconsumenten, en met name de meest kwetsbare onder hen, te beschermen; stelt vast dat het aantal klachten over huis-aan-huisverkoop in verschillende lidstaten is toegenomen;

19.

is verheugd dat de Commissie wil overwegen om wetten die specifiek op energie betrekking hebben, op te nemen in de bijlage bij de verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming (7);

Zorgen voor een inclusief energiesysteem door burgers in staat te stellen de energietransitie in eigen hand te nemen, hun eigen hernieuwbare energie op te wekken en energie-efficiënt te worden

20.

meent dat lokale autoriteiten, gemeenschappen, coöperaties, huishoudens en particulieren in de context van een goed functionerend energiesysteem een centrale rol moeten spelen, in grote mate moeten bijdragen tot de energietransitie en moeten worden aangemoedigd om energieproducenten en -leveranciers te worden als zij dat wensen; vindt het daarom belangrijk dat de Europese Unie een gemeenschappelijke operationele definitie van „prosumenten” vaststelt;

21.

vraagt de lidstaten nettobemeteringsregelingen in te voeren om zelfopwekking en coöperatieve energieproductie te ondersteunen;

22.

meent dat een aanzienlijke gedragsverandering van de burgers belangrijk zal zijn om een optimale energietransitie te bewerkstelligen; meent dat stimulansen en toegang tot goede informatie in dit verband van essentieel belang zijn en vraagt de Commissie dit in toekomstige voorstellen op te nemen; suggereert dat onderwijs, opleiding en voorlichtingscampagnes belangrijke factoren zullen zijn om een gedragsverandering teweeg te brengen;

23.

is van mening dat een beperkte toegang tot kapitaal en financiële knowhow, de hoge initiële investeringskosten en de lange terugbetalingstermijnen belemmeringen vormen om zelf energie te gaan opwekken en energie-efficiëntiemaatregelen te nemen; pleit daarom voor nieuwe bedrijfsmodellen, collectieve aankoopregelingen en innovatieve financieringsinstrumenten die zelfopwekking, zelfverbruik en energie-efficiëntie voor alle consumenten aanmoedigen; suggereert dat dit een belangrijke doelstelling moet worden voor de EIB, het EFSI, Horizon 2020 en de structuurfondsen, waarvan overheidsinstanties en marktdeelnemers ten volle gebruik moeten maken; herhaalt dat projecten moeten worden gefinancierd op basis van vergelijkende kostenefficiëntie, rekening houdend met nationale en Europese klimaat- en energiedoelstellingen en -verplichtingen;

24.

vraagt om stabiele, toereikende en kosteneffectieve beloningsregelingen om investeerders zekerheid te geven en ervoor zorgen dat kleine en middelgrote projecten voor hernieuwbare energie meer ingang vinden, terwijl de markt zo weinig mogelijk wordt verstoord; vraagt de lidstaten ten volle gebruik te maken van de „de minimis”-vrijstellingen waarin de richtsnoeren inzake staatssteun van 2014 voorzien; is van mening dat de nettarieven en andere vergoedingen transparant moeten zijn en niet mogen discrimineren, dat op billijke wijze rekening moet worden gehouden met het effect van de consument op het netwerk, dat dubbele kosten moeten worden voorkomen en dat er voldoende financiering voor het onderhoud en de ontwikkeling van het distributienet moet worden gegarandeerd; betreurt dat steunregelingen voor hernieuwbare energie met terugwerkende kracht zijn gewijzigd en dat er onrechtvaardige en bestraffende belastingen of heffingen zijn ingevoerd die de verdere uitbreiding van zelfopwekking in de weg staan; benadrukt hoe belangrijk goed ontworpen en toekomstbestendige steunregelingen zijn om investeerders zekerheid en waar voor hun geld te bieden en dergelijke wijzigingen in de toekomst te voorkomen; benadrukt dat prosumenten die opslagcapaciteit aan het net aanbieden, moeten worden beloond;

25.

beveelt aan om de administratieve belemmeringen voor nieuwe zelfopwekkingscapaciteit tot een absoluut minimum te beperken, met name door beperkingen op de toegang tot de markt en het net af te schaffen; stelt voor om de vergunningsprocedures te versnellen en te vereenvoudigen, bijvoorbeeld door die te vervangen door een eenvoudige meldingsplicht, waarbij wel alle wettelijke vereisten in acht worden genomen en de DSB's in kennis worden gesteld; stelt voor om bij de herziening van de richtlijn hernieuwbare energie specifieke bepalingen op te nemen om belemmeringen weg te nemen en gemeenschaps- of samenwerkingsregelingen op het gebied van energie te bevorderen met „one-stop-shops” — die zich bezighouden met projectvergunningen en financiële en technische deskundigheid bieden — en/of specifieke informatiecampagnes op lokaal en gemeenschapsniveau, alsook door prosumenten toegang te bieden tot alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen;

26.

benadrukt dat er een gunstig, stabiel en billijk kader voor huurders en bewoners van meergezinswoningen moet worden ontwikkeld, zodat ook zij kunnen profiteren van mede-eigendom, zelfopwekking en energie-efficiëntiemaatregelen;

27.

vraagt de Commissie meer steun te verlenen aan het Burgemeestersconvenant, Slimme Steden en Gemeenschappen en de 100 % RES-gemeenschappen teneinde deze uit te breiden en verder te ontwikkelen als instrument om zelfopwekking en energie-efficiëntiemaatregelen te bevorderen, energiearmoede te bestrijden en de uitwisseling van best practices tussen alle lokale overheden, regio's en lidstaten te vergemakkelijken, en ervoor te zorgen dat alle lokale autoriteiten weten dat ze financiële steun kunnen krijgen;

De ontwikkeling van vraagresponsbeheer bevorderen

28.

benadrukt dat de energieprijzen, om vraagrespons te stimuleren, moeten verschillen tussen piek- en daluren, en pleit daarom voor de ontwikkeling van een dynamische prijsstelling op „opt in”-basis, die grondig moet worden beoordeeld op het effect ervan op alle consumenten; benadrukt dat er technologieën moeten worden uitgerold die prijssignalen geven die flexibel verbruik belonen, zodat de consumenten daar meer op reageren; is van mening dat de tarieven transparant en vergelijkbaar moeten zijn en duidelijk moeten worden toegelicht; beveelt aan om verder te onderzoeken hoe progressieve en variabele tariefstelsels kunnen worden vastgesteld en toegepast teneinde energiebesparing, zelfopwekking, vraagrespons en energie-efficiëntie te stimuleren; herinnert de Commissie eraan dat bij de opstelling van toekomstige wetgevingsvoorstellen moet worden gewaarborgd dat de invoering van een dynamische prijsstelling gepaard gaat met meer informatie voor de consumenten;

29.

is van mening dat consumenten gemakkelijk en tijdig hun verbruiksgegevens en de daarmee verband houdende kosten moeten kunnen raadplegen om hen te helpen met kennis van zaken te beslissen; merkt op dat slechts 16 lidstaten zich ertoe hebben verbonden om tegen 2020 op grote schaal slimme meters te installeren; is van mening dat de lidstaten wanneer slimme meters worden geïnstalleerd, een degelijk rechtskader moeten vaststellen om een einde te maken aan ongerechtvaardigde facturering achteraf en ervoor te zorgen dat de uitrol efficiënt en voor alle consumenten, ook energiearme consumenten, betaalbaar is; onderstreept dat de voordelen die slimme meters bieden, eerlijk moeten worden verdeeld tussen de netbeheerders en de verbruikers;

30.

benadrukt dat de ontwikkeling van slimme technologie een centrale rol speelt in de energietransitie en consumenten kan helpen hun energiekosten te verlagen en de energie-efficiëntie te vergroten; vraagt om snelle uitrol van ICT, waaronder mobiele toepassingen, online platformen en online facturering; benadrukt evenwel dat deze ontwikkeling er niet toe mag leiden dat de meest kwetsbare of minder mondige consumenten aan hun lot worden overgelaten of dat hun rekeningen stijgen als ze er niet direct van hebben geprofiteerd; merkt op dat deze groepen speciale ondersteuning moeten krijgen en dat moet worden vermeden dat consumenten vast komen te zitten en niet vrij tussen tarieven en leveranciers kunnen kiezen;

31.

onderstreept dat de ontwikkeling van slimme netwerken en apparatuur moet worden vergemakkelijkt zodat het beheer van de energievraag in reactie op prijssignalen wordt geautomatiseerd; merkt op dat die slimme apparatuur een hoog niveau van gegevensbescherming moet garanderen, interoperabel moet zijn, moet zijn ontworpen ten bate van de eindconsument en moet zijn voorzien van functies die meer energie helpen besparen en de ontwikkeling van markten voor energiediensten en vraagbeheer ondersteunen;

32.

benadrukt dat consumenten vrij moeten kunnen kiezen voor aankoopgroeperingen en leveranciers van energiediensten, los van leveranciers;

33.

onderstreept dat de verzameling, verwerking en opslag van energiegerelateerde gegevens van burgers moet worden beheerd door entiteiten die de toegang tot de gegevens op niet-discriminerende wijze beheren en moet voldoen aan de bestaande privacy- en gegevensbeschermingswetgeving van de EU, die voorschrijft dat consumenten altijd de controle over hun persoonsgegevens moeten behouden en dat deze gegevens alleen met uitdrukkelijke toestemming van de consument aan derden mogen worden verstrekt; meent voorts dat burgers hun recht moeten kunnen uitoefenen om persoonsgegevens te laten corrigeren of wissen;

De oorzaken van energiearmoede aanpakken

34.

vraagt om meer coördinatie op EU-niveau ter bestrijding van energiearmoede door de uitwisseling van best practices tussen lidstaten, en vraagt dat er een ruime, gemeenschappelijke definitie van energiearmoede wordt ontwikkeld, waarbij de nadruk ligt op de idee dat de toegang tot betaalbare energie een sociaal basisrecht is;

35.

onderstreept dat een betere beschikbaarheid en verzameling van gegevens essentieel zijn om de situatie te beoordelen en zo doeltreffend mogelijk gerichte steun te verlenen aan energiearme burgers, huishoudens en gemeenschappen;

36.

onderstreept dat het belangrijk is om op dit gebied alle synergieën aan te moedigen, met name tussen de lokale autoriteiten en de distributienetbeheerders, die zoveel mogelijk gegevens over energiearmoede kunnen verstrekken en risicosituaties kunnen opsporen, met naleving van de Europese en nationale wet- en regelgeving inzake gegevensbescherming;

37.

is van mening dat het governancekader voor de energie-unie moet voorzien in doelstellingen en rapportage door de lidstaten over energiearmoede, en dat er een set van good practices moet worden ontwikkeld;

38.

is van mening dat energie-efficiëntiemaatregelen essentieel zijn voor een kosteneffectieve strategie ter bestrijding van energiearmoede en een aanvulling vormen op het socialezekerheidsbeleid; vraagt om maatregelen om ervoor te zorgen dat de energie-efficiënte renovatie van bestaande gebouwen in het kader van de herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen en de energie-efficiëntierichtlijn, en met name artikel 7, beter gericht is op energiearme burgers; stelt voor om een doelstelling te overwegen om het aantal energie-inefficiënte woningen tegen 2030 te verminderen, met de nadruk op huurwoningen en sociale woningen; is van mening dat gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door overheden een voorbeeld op dit gebied moeten zijn;

39.

vraagt dat de EU-middelen voor energie-efficiëntie en de steun voor zelfopwekking meer naar energiearme huishoudens met een laag inkomen gaan en dat het probleem van de „gesplitste stimulansen” voor huurders en eigenaars wordt aangepakt;

40.

is van mening dat goed gerichte sociale tarieven, met inachtneming van de uiteenlopende praktijk in de lidstaten, van vitaal belang zijn voor kwetsbare burgers met een laag inkomen en dus moeten worden bevorderd; is van mening dat dergelijke sociale tarieven volledig transparant moeten zijn;

o

o o

41.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 286 E van 27.11.2009, blz. 24.

(2)  PB C 93 van 9.3.2016, blz. 8.

(3)  PB C 36 van 29.1.2016, blz. 62.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0065.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0342.

(6)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0444.

(7)  Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1).


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/93


P8_TA(2016)0235

Armoede: een genderperspectief

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief (2015/2228(INI))

(2018/C 076/16)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien artikelen 8, 9, 151, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en in het bijzonder de bepalingen ervan met betrekking tot sociale rechten en gelijkheid van mannen en vrouwen,

gezien het VN-verdrag van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

gezien de groeistrategie van de EU, Europa 2020, en met name haar doelstelling het aantal Europeanen dat onder de nationale armoedegrens leeft uiterlijk in 2020 met 25 % te verminderen, waardoor meer dan 20 miljoen mensen niet langer in armoede zullen leven, en gezien de noodzaak om volledig gebruik te maken van de socialezekerheids- en pensioenstelsels van de lidstaten om adequate inkomenssteun te waarborgen,

gezien het pakket sociale-investeringsmaatregelen (SIP) van de Commissie van 2013,

gezien de Europese Groep voor praktijkgemeenschap aangaande gendermainstreaming (GenderCop) van het Europees Sociaal Fonds, en met name de GenderCop-werkgroep armoede en inclusie,

gezien artikel 7 van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de Structuurfondsen 2014-2020,

gezien de jaarlijkse bijeenkomst in 2014 van het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting,

gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep,

gezien Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG,

gezien het Stappenplan van de Commissie van augustus 2015 voor een nieuwe aanpak van de uitdagingen waarmee werkende gezinnen worden geconfronteerd bij het combineren van beroep, privéleven en gezinsleven,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld „Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019” (SWD(2015)0278),

gezien de resultaten van het onderzoek van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) naar ervaringen van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgenderpersonen in de EU, gepubliceerd op 17 mei 2013,

gezien zijn resoluties van 13 oktober 2005 over vrouwen en armoede in de Europese Unie (1), alsmede zijn resolutie van 3 februari 2009 over de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht en solidariteit tussen de generaties (2),

gezien zijn in eerste lezing op 20 oktober 2010 (3) vastgestelde standpunt met het oog op de aanneming van Richtlijn 2011/…/EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de richtlijn zwangerschapsverlof,

gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over armoede bij vrouwen in de Europese Unie (4),

gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen (5),

gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over de situatie van vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen (6),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over de situatie van alleenstaande moeders (7),

gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen voor de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid (8),

gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over uitbanning en preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes met het oog op de 57e Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw (CSW) (9),

gezien zijn resolutie van 12 maart 2013 over de gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw (10),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013 (11),

gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015 (12),

gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (13),

gezien de in april 2014 gepubliceerde en in opdracht van de Commissie uitgevoerde studie „Single parents and employment in Europe”,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken over het armoedebestrijdingsdoel halen in het licht van stijgende huishoudelijke kosten, en het bijgevoegde advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0040/2016),

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0153/2016),

A.

overwegende dat de jongste Eurostatgegevens aantonen dat het aantal vrouwen in armoede permanent hoger blijft dan het aantal mannen, met momenteel zo'n 64,6 miljoen vrouwen tegenover 57,6 miljoen mannen (14); overwegende dat dit aantoont dat armoede vrouwen anders treft dan mannen; overwegende dat vooral vrouwen werden getroffen door het risico op armoede in de EU-28 in 2014, met een percentage van 46,6 % vóór sociale transfers en 17,7 % na deze transfers; overwegende dat de percentages van armoede onder vrouwen zeer verschillen van lidstaat tot lidstaat; overwegende dat ongeacht het specifieke karakter van de risicogroepen, zoals oudere vrouwen, alleenstaande vrouwen, alleenstaande moeders, lesbiennes, vrouwelijke biseksuelen, transgenders en vrouwen met een handicap, de armoede onder migrantenvrouwen en vrouwen van etnische minderheden overal in de EU even groot is; overwegende dat 38,9 % van de bevolking en 48,6 % van de alleenstaande vrouwen in de EU-28 geen onverwachte kosten kunnen dragen; overwegende dat de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN meldt dat vrouwen wereldwijd de armste bevolkingsgroep zijn en dat het aantal vrouwen op het platteland dat in armoede leeft sinds 1975 met 50 % is gestegen, dat vrouwen op mondiale schaal gezien twee derde van alle gewerkte uren en de helft van de voedselproductie voor hun rekening nemen, en dat ze daarentegen, ook weer op mondiale schaal, maar 10 % van de inkomens ontvangen en minder dan 1 % van het vermogen bezitten;

B.

overwegende dat gendergelijkheid op de arbeidsmarkt, die bewerkstelligd wordt door het sociaal en economisch welzijn te verbeteren, niet alleen vrouwen maar ook de economie en de samenleving als geheel ten goede komt; overwegende dat de doelstelling van het waarborgen van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen voor het eerst werd geformuleerd in het Verdrag van Rome van 1957;

C.

overwegende dat de regeringen zich er in het VN-verdrag inzake de rechten van het kind en in de Agenda voor duurzame ontwikkeling 2030 toe hebben verbonden te waarborgen dat alle jongens en meisjes het volledige basisonderwijs doorlopen; overwegende dat het Parlement in mei 2015 op Internationale Vrouwendag een evenement heeft georganiseerd onder de naam „Empowering girls and women through education”; overwegende dat onderwijs, zowel formeel als informeel, cruciaal is voor het uitbannen van marginalisering en meerdere vormen van discriminatie, door een dialoog tot stand te brengen, openheid en begrip tussen gemeenschappen en het versterken van de positie van gemarginaliseerde gemeenschappen;

D.

overwegende dat in tijden van economische recessie personen die reeds risico op armoede liepen, waarvan de meerderheid vrouw is, zich in een kwetsbare positie bevinden op de arbeidsmarkt en qua sociale zekerheid, voornamelijk als het gaat om mensen die behoren tot groepen die worden geconfronteerd met meervoudige discriminatie; overwegende dat uit het LGBT-onderzoek van de EU blijkt dat lesbiennes, vrouwelijke biseksuelen en vrouwelijke transgenders worden geconfronteerd met een onevenredig groot risico op discriminatie op grond van hun seksuele geaardheid of genderidentiteit, en wel op het gebied van werkgelegenheid (19 %), onderwijs (19 %), woningen (13 %), gezondheidszorg (10 %) en toegang tot sociale diensten (8 %); overwegende dat dit leidt tot onevenredige risico's voor hun economisch en sociaal welzijn;

E.

overwegende dat het bezuinigingsbeleid dat door de Commissie gevraagd wordt en door de lidstaten gevoerd wordt, naast de economische crisis van de laatste jaren, de ongelijkheid heeft doen toenemen en vooral vrouwen heeft getroffen, waardoor armoede bij vrouwen is verergerd en ze steeds verder vervreemd raken van de arbeidsmarkt; overwegende dat het netwerk van openbare diensten en infrastructuur voor de opvang van kinderen, ouderen en zieken en het aanbod van kwalitatief hoogwaardige en gratis openbare diensten op dit gebied verminderd zijn;

F.

overwegende dat eenoudergezinnen een groter risico lopen op armoede of sociale uitsluiting (49,8 % tegenover 25,2 % van de gemiddelde huishoudens met kinderen ten laste, hoewel er grote verschillen tussen lidstaten bestaan) (15); overwegende dat volgens Eurostat in 2014 vrouwen 56,6 % van de eenoudergezinnen in de Unie uitmaakten; overwegende dat armoede een grote impact heeft op de ontplooiing, de ontwikkeling en de opleiding van kinderen en dat de effecten zich een leven lang kunnen blijven manifesteren; overwegende dat de onderwijskloof tussen kinderen uit verschillende sociaaleconomische klassen is toegenomen (in elf landen bereiken het aanbod van voorschools onderwijs en de opvangmogelijkheden voor kinderen minder dan 15 % van de 0- tot 3-jarigen); overwegende dat er een grote kans bestaat dat armoede van generatie op generatie wordt overgebracht; overwegende dat een gebrek aan kwalitatief hoogwaardig onderwijs een factor is die het risico van kinderarmoede en sociale uitsluiting van kinderen aanzienlijk vergroot, en een verscheidenheid aan factoren die verband houden met het gezinsleven — zoals instabiliteit, slechte huisvestingsomstandigheden of geweld — het risico op vroegtijdig schoolverlaten aanmerkelijk verhoogt;

G.

overwegende dat vrouwen die in rurale gebieden wonen het hardst worden getroffen door armoede; overwegende dat veel vrouwen die in rurale gebieden wonen niet eens als werkzoekend of werkloos worden geregistreerd; overwegende dat de werkloosheid onder vrouwen in rurale gebieden buitengewoon hoog is en dat vrouwen met werk zeer lage inkomens hebben; overwegende dat vrouwen in rurale gebieden beperkte toegang tot onderwijs, vroegtijdige opsporing van kanker en gezondheidszorg in het algemeen hebben;

H.

overwegende dat leven met risico op armoede leidt tot sociale uitsluiting en een gebrek aan sociale participatie qua toegang tot opleiding, rechtspraak, levenslang leren, primaire gezondheidszorg, fatsoenlijke huisvesting en voeding, water en elektriciteit, toegang tot en deelname aan cultuur en informatie, sport en het openbaar vervoer; overwegende dat investeren in een beleid dat vrouwen ondersteunt ook de levensomstandigheden van hun gezin verbetert, en dan vooral van hun kinderen;

I.

overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen 16,3 % bedraagt en overwegende dat atypische en onzekere arbeidsovereenkomsten ook meer voor vrouwen dan voor mannen gelden;

J.

overwegende dat vrouwen die van plan zijn met een activiteit te starten veel moeilijker toegang hebben tot krediet omdat de traditionele financiële tussenpersonen onwillig zijn om leningen toe te kennen, daar ze van mening zijn dat vrouwelijke leners meer blootgesteld zijn aan risico's en minder geneigd zijn een bedrijf te laten groeien en investeringen te doen die geld opbrengen;

K.

overwegende dat vrouwen vaak werken als huishoudelijke hulp, en in veel gevallen buiten het nationale arbeidsrecht worden tewerkgesteld; overwegende dat vooral vrouwen zonder papieren gevaar lopen dit werk te moeten doen en te worden uitgebuit;

L.

overwegende dat vrouwen vaker dan mannen de verantwoordelijkheid van de zorg voor oudere, zieke of afhankelijke familieleden alsook voor kinderen op zich nemen, en dat ze hun loopbaan vaker onderbreken, hetgeen leidt tot een geringere participatie op de arbeidsmarkt en lange perioden van afwezigheid op de arbeidsmarkt; overwegende dat het risico op verpaupering verkleint door het opzetten van kwaliteitsvolle en betaalbare sociale diensten en infrastructuren voor opvang en onderwijs voor jonge kinderen of voor zorg voor andere afhankelijke personen zoals ouderen; overwegende dat maar weinig lidstaten de doelstellingen van Barcelona hebben gehaald of deze hebben overtroffen, terwijl de verwezenlijking ervan van essentieel belang is voor een gelijkere verdeling van zorgverantwoordelijkheden;

M.

overwegende dat armoede een intergenerationele dimensie heeft en dat de aanpak van de situatie van meisjes en jonge vrouwen die worden geconfronteerd met sociale uitsluiting en armoede, van essentieel belang is voor het bestrijden van de feminisering van armoede;

N.

overwegende dat in de hele EU-27 34 % van de alleenstaande moeders in de werkzame leeftijdsgroep aan armoede dreigt te worden blootgesteld tegenover 17 % in het geval van andere gezinnen in de werkzame leeftijdsgroep met kinderen;

O.

overwegende dat het verschil in pensioenrechten gemiddeld 39 % bedraagt als gevolg van de onevenwichtigheden die zijn ontstaan door hardnekkige ongelijkheid in lonen en toegang tot de arbeidsmarkt, discriminatie en de loonkloof tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt; overwegende dat het verschil in pensioen een obstakel is voor de economische onafhankelijkheid van vrouwen en een van de redenen is waarom vrouwen op latere leeftijd onder de armoedegrens belanden; overwegende dat actie geboden is om gelijke toegang tot fatsoenlijke pensioenregelingen voor vrouwen veilig te stellen; overwegende dat de pensioenkloof tussen 2006 en 2012 kleiner is geworden in de landen waar Richtlijn 2006/54/EG ten uitvoer is gelegd (16);

P.

overwegende dat de toename van het risico op armoede nauw verband houdt met de bezuinigingen die het onderwijs, de socialezekerheidsstelsels en opvangvoorzieningen treffen; overwegende dat vrouwen en kinderen het hardst getroffen zijn door de crisis en de bezuinigingsmaatregelen die in diverse Europese landen zijn genomen;

Q.

overwegende dat vrouwen een belangrijke drijvende kracht achter economische en sociale ontwikkeling zijn en dat een goede opleiding een van de meest effectieve strategieën is voor succes op de arbeidsmarkt en het doorbreken van de armoedecyclus; overwegende dat de aanzienlijke financiële last van niet-gratis onderwijs, door de rechtstreekse en onrechtstreekse kosten die hiermee gepaard gaan, voor mensen die in armoede leven een belangrijk obstakel vormt om betere kwalificaties te verwerven; overwegende dat meisjes op school beter presteren dan jongens, maar dat zij vaak grotere moeilijkheden ondervinden of er door familie- en andere druk vaak van worden weerhouden dit succes op school te vertalen in prestaties op het werk;

R.

overwegende dat de in de samenleving heersende stereotypen zijn geworteld in patriarchale tradities en vrouwen in een ondergeschikte rol in de samenleving drukken, en daardoor bijdragen tot feminisering van de armoede; overwegende dat deze stereotypen zich al in de jeugd ontwikkelen en van invloed blijven op de keuze van onderwijs en opleiding tot aan de arbeidsmarkt; overwegende dat vrouwen zich maar al te vaak beperken tot „vrouwvriendelijke” beroepen waarin ze nog steeds geen loon naar werken krijgen en dat ze ondervertegenwoordigd blijven op bepaalde gebieden zoals wiskunde, wetenschappen, het bedrijfsleven, ICT en technische wetenschappen, alsook in functies met verantwoordelijkheid; overwegende dat deze stereotypen, in combinatie met het feit dat door mannen gedomineerde sectoren bepalend zijn voor de loonvorming, leiden tot genderdiscriminatie;

S.

overwegende dat de Europa 2020-strategie die bedoeld is om van de Unie een slimme, duurzame en inclusieve economie te maken, ambitieuze doelstellingen nastreeft zoals een werkgelegenheidspercentage van 75 % en een reductie met ten minste 20 miljoen van het aantal personen dat te lijden heeft onder dan wel het risico loopt op armoede en sociale uitsluiting in de periode van nu tot 2020; overwegende dat de doelstellingen van de strategie onder meer een vermindering betreft van het schooluitvalpercentage tot onder 10 %;

T.

overwegende dat een van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie erop gericht is dat 40 % van de personen tussen 30 en 34 jaar een universitaire opleiding volgt, in vergelijking met het huidige gemiddelde van 37,9 %; overwegende dat het gemiddelde voor vrouwen meer dan 42,3 % bedraagt, en dat van mannen 33,6 %;

U.

overwegende dat het streefdoel inzake armoedevermindering van de Europa 2020-strategie, als een van de vijf meetbare doelstellingen van de strategie, een sterke nieuwe impuls van de politiek vereist; overwegende dat deze doelstellingen alleen kunnen worden bereikt wanneer het armoedebestrijdingsbeleid een sterke genderdimensie omvat, met de vaststelling van nationaal beleid om vrouwen tegen met name het risico op armoede te beschermen;

V.

overwegende dat armoede en sociale uitsluiting en de economische afhankelijkheid van vrouwen verergerende factoren kunnen zijn voor geweld tegen vrouwen, en ook omgekeerd, aangezien geweld gevolgen heeft voor de gezondheid van vrouwen en in vele gevallen leidt tot het verlies van werk, dakloosheid, sociale uitsluiting en armoede; overwegende dat hierdoor het risico vergroot dat vrouwen het slachtoffer van mensenhandel en seksuele uitbuiting worden; overwegende bovendien dat veel vrouwen die slachtoffer van gendergeweld zijn met de agressor blijven samenleven omdat ze economisch afhankelijk zijn;

W.

overwegende dat gendergelijkheid een instrument is in de strijd tegen armoede onder vrouwen, omdat de arbeidsproductiviteit en de economische groei er wel bij varen en de arbeidsparticipatie van vrouwen erdoor toeneemt, wat weer talrijke sociaaleconomische baten heeft;

Armoede en evenwicht tussen werk en privéleven

1.

onderstreept de cruciale rol van hoogwaardige openbare diensten voor de bestrijding van armoede, met name armoede onder vrouwen, aangezien zij meer afhankelijk zijn van dergelijke diensten;

2.

benadrukt de noodzaak van aanmoediging en betrokkenheid van mannen om gendergelijkheid op alle gebieden en op alle niveaus van de arbeidsmarkt te bevorderen;

3.

is van mening dat de lidstaten het goed kunnen combineren van privé- en beroepsleven prioriteit moeten geven door gezinsvriendelijke arbeidsregelingen in te voeren, zoals aanpasbare werktijden en de mogelijkheid tot telewerken; merkt op dat het gebrek aan betaalbare kinderopvangvoorzieningen van kwaliteit, zorg voor afhankelijke personen en oudere mensen, en in het bijzonder crèches, kinderdagverblijven en voorzieningen voor langdurige zorg, bijdraagt tot sociale uitsluiting en de kloof tussen mannen en vrouwen op het gebied van werkgelegenheid, salariëring en pensioen vergroot; benadrukt dat gelijke toegang tot gratis onderwijs van kwaliteit voor jonge kinderen en betaalbare opvang, tot formeel, informeel en niet-formeel onderwijs en tot gezinshulp van cruciaal belang zijn om vrouwen aan te sporen om te gaan en te blijven werken, om gelijke kansen te waarborgen en de armoedecyclus te doorbreken, aangezien dit vrouwen helpt autonomie te verwerven, alsook de kwalificaties die nuttig zijn voor de uitoefening van een functie;

4.

betreurt het bezuinigingsbeleid dat, samen met de economische crisis, bijdraagt tot een stijging van het armoedepercentage, vooral bij vrouwen;

5.

verzoekt de lidstaten en de Commissie uitvoering te geven en gebruik te maken van de beschikbare financiële en beleidsinstrumenten, waaronder het pakket „sociale investeringsmaatregelen”, om de doelstellingen van Barcelona te bereiken; dringt er in dit verband op aan om het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) te optimaliseren, om bij de tenuitvoerlegging van de sociale investeringen en de verordening van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) prioriteit te verlenen aan het opzetten van openbare en particuliere voorzieningen voor opvang van en hulp aan kinderen en andere afhankelijke personen; pleit bij de Commissie voor de toewijzing van specifieke middelen in het kader van een cofinancieringsmechanisme, om stimulerende maatregelen te bevorderen voor specifieke gebieden waar het ontbreekt aan voorzieningen voor opvang en onderwijs voor jonge kinderen (ECEC) en de werkgelegenheid onder vrouwen extreem laag is;

6.

verzoekt de lidstaten om beleid ten uitvoer te leggen dat gratis openbare diensten van kwaliteit zal beschermen, opwaarderen en bevorderen, vooral op de gebieden gezondheidszorg, onderwijs, sociale zekerheid en justitie; wijst erop dat het van cruciaal belang is dat er voldoende financiële en menselijke middelen worden uitgetrokken voor openbare diensten om de doelstellingen ervan te verwezenlijken;

7.

verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om de combinatie van werk en privéleven te bevorderen, zodat vrouwen, en met name vrouwen die een grotere kans lopen om tot armoede te vervallen, voltijds kunnen blijven werken, of, als ze daar de voorkeur aan geven, een deeltijdbaan of een baan met flexibele uren kunnen nemen;

8.

verzoekt de Commissie, in nauwe samenwerking met de lidstaten, met alomvattende initiatieven voor wetgevingsvoorstellen te komen om tegemoet te komen aan de behoeften van moeders en vaders betreffende de diverse soorten verlof, te weten het moederschapsverlof, vaderschapsverlof, ouderschapsverlof, zorgverlof, teneinde met name mannen te steunen een actieve vaderrol op te nemen, om zo een eerlijkere verdeling van de gezinsverantwoordelijkheden mogelijk te maken en vrouwen de mogelijkheid te bieden op een gelijkwaardige participatie op de arbeidsmarkt, ter versterking van hun economische onafhankelijkheid; neemt in aanmerking dat enkele lidstaten reeds wetgeving ter zake hebben vastgesteld die verder gaat dan de wetgeving van de Unie; verzoekt de lidstaten om wetgeving te overwegen die moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsrechten waarborgt en versterkt; onderstreept dat slechts 2,7 % van de personen die in 2010 gebruik hebben gemaakt van hun recht op ouderschapsverlof, mannen waren, wat duidelijk maakt dat concrete maatregelen moeten worden genomen om het recht op ouderschapsverlof te garanderen;

9.

drukt nogmaals zijn teleurstelling uit over het feit dat de richtlijn moederschapsverlof is ingetrokken, nadat er jarenlang inspanningen waren geleverd om de impasse te doorbreken en Europese burgers op die manier een betere bescherming te bieden; verzoekt de Commissie met een nieuw voorstel te komen en een gegarandeerd recht op betaald vaderschapsverlof te introduceren; is van mening dat er in alle lidstaten concrete maatregelen moeten worden genomen voor een beter evenwicht tussen gezin en werk voor vrouwen; dringt er bij de Commissie op aan om zowel een meer robuuste sociale dimensie als doelstellingen inzake gendergelijkheid op de werkplek in het Europees semester te integreren;

10.

is verheugd over het voorstel voor de invoering van zorgverlof, zoals beoogd in het stappenplan van de Commissie voor een nieuwe start om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin bij werkende gezinnen aan te pakken;

Armoede en werk

11.

verzoekt de Commissie en de lidstaten beleid ten uitvoer te leggen om de werkgelegenheid onder vrouwen en de integratie op de arbeidsmarkt van sociaal gemarginaliseerde groepen vrouwen in het licht van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verbeteren, om het onderwijs te versterken en te verbeteren, en om meer te investeren in opleiding en in informatiecampagnes, en daarbij te garanderen dat de kwalificatie heerst bij de hieruit voortvloeiende instroom van vrouwen op de arbeidsmarkt, met de nadruk op levenslang leren aangezien vrouwen hierdoor de nodige vaardigheden opdoen om een hoogwaardige baan te vinden en de kans krijgen op herscholing voor de continu veranderende arbeidsmarkt; roept op tot meer promotie van onderwijs in STEM-vakken (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) aan jonge meisjes, teneinde de heersende onderwijsstereotypen op vroege leeftijd aan te pakken en op lange termijn de werkgelegenheids- en loonkloof aan te pakken; roept op tot de ontwikkeling van betaalbare openbare diensten voor opvang van kwaliteit, aanpasbare maar niet-precaire werktijden die zowel voor vrouwen als voor mannen gunstig zijn, en regelingen voor de bestrijding van de sectorale en beroepssegregatie van mannen en vrouwen, ook in de ondernemerswereld en in verantwoordelijke functies;

12.

benadrukt dat de toegang tot krediet, financiële diensten en advies de sleutel is tot empowerment van vrouwen die worden geconfronteerd met sociale uitsluiting in ondernemerschap, en tot het verhogen van hun vertegenwoordiging in de sector; roept de Commissie en de lidstaten op om effectieve maatregelen te nemen om de toegang tot financiering te verruimen voor vrouwen die een eigen bedrijf of een investeringsproject willen starten, en ondernemerschap van vrouwen te bevorderen, aangezien dit bijdraagt tot de algemene economische en maatschappelijke ontwikkeling, evenals om de toegang tot krediet te vergemakkelijken, ook via instrumenten van microkrediet, met name met betrekking tot kwetsbare vrouwen die worden geconfronteerd met meervoudige discriminatie, en om programma's voor zelfstandig ondernemerschap op een niet-precaire wijze te ontwikkelen en uit te breiden; onderstreept in dit verband het belang van de uitwisseling en bevordering van goede praktijken, mentoring, vrouwelijke rolmodellen en andere vormen van steun voor werkloze vrouwen;

13.

benadrukt het cruciale belang van: de hervorming van macro-economisch, sociaal en arbeidsmarktbeleid door dit af te stemmen op gendergelijkheidsbeleid teneinde economische en sociale rechtvaardigheid voor vrouwen te garanderen; een heroverweging van de methoden die worden gebruikt om armoedecijfers vast te stellen en de ontwikkeling van strategieën ter bevordering van een eerlijke verdeling van welvaart;

14.

merkt op dat vrouwen vaker onzekere of slecht betaalde banen hebben met een niet-standaardarbeidscontract; constateert dat onvrijwillig deeltijdwerk waarvan het percentage ten opzichte van de totale werkgelegenheid gestegen is van 16,7 % naar 19,6 % en dat bijdraagt aan het risico op armoede, een ander aspect van onzeker werk is; verzoekt de lidstaten zich beter in te spannen om zwartwerk, onzeker werk en het misbruik van atypische contractvormen, waaronder nulurencontracten, in een aantal lidstaten te bestrijden; legt de nadruk op het vele zwartwerk dat door vrouwen wordt verricht en dat het inkomen, de sociale zekerheid en bescherming van vrouwen negatief beïnvloedt en nadelige gevolgen heeft voor het bbp van de EU; dringt er bij de lidstaten op aan te overwegen om de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) die gericht zijn op de vermindering van het aantal onzekere banen op te volgen (17), zoals het analyseren en beperken van de omstandigheden waarin gebruik kan worden gemaakt van tijdelijke contracten en een verkorting van de periode waarvoor werknemers met opeenvolgende tijdelijke contracten kunnen worden aangenomen, waarna ze de optie van een vast contract moeten krijgen;

15.

nodigt de lidstaten uit om toe te zien op de rechten van werkende vrouwen, die steeds vaker slecht betaald werk doen en het slachtoffer zijn van discriminatie;

16.

benadrukt dat er nieuwe categorieën van vrouwen in armoede bestaan, bevolkt door jonge vakvrouwen, en er op die manier een groot deel van de jonge gediplomeerde vrouwen veroordeeld worden tot onzekere banen, met een loon dat nauwelijks boven de armoedegrens uitkomt (nieuwe armen);

17.

herhaalt zijn oproep aan de Commissie om de bestaande wetgeving te herzien teneinde de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten en de verschillen in pensioen tussen mannen en vrouwen te verkleinen; merkt op dat maatregelen voor meer loontransparantie van fundamenteel belang zijn voor het dichten van de loonkloof, en verzoekt de lidstaten om de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Commissie van 7 maart 2014 over de versterking van het beginsel van gelijk loon tussen mannen en vrouwen door transparantie, met inbegrip van de omkering van de bewijslast bij het aanvechten van genderdiscriminatie op het werk;

18.

verzoekt de Commissie een studie te verrichten naar de wijze waarop procedures voor de officiële erkenning van de genderbeleving van personen, of het gebrek van dergelijke procedures, van invloed zijn op de positie van transgenders op de arbeidsmarkt, met name wat betreft hun kans op een baan, loonniveau, loopbaan en pensioen;

19.

constateert met zorg dat vrouwen vaak pensioenen ontvangen die maar net boven het bestaansminimum liggen, als gevolg van diverse oorzaken, zoals onderbreking of beëindiging van de beroepsactiviteit om voor hun gezin te zorgen, het feit dat veel vrouwen gedurende hun hele werkzame leven deeltijdcontracten hebben gehad, of het feit dat ze in het bedrijf van hun echtgenoot hebben gewerkt, in het bijzonder in de sectoren handel en landbouw, zonder salaris en zonder sociale verzekeringen;

20.

is verheugd over het feit dat de Commissie de gelijke beloning voor gelijkwaardig werk als een van de belangrijkste actievelden beschouwt in haar strategie voor gendergelijkheid; verzoekt de Commissie een mededeling aan te nemen over een nieuwe strategie voor gendergelijkheid en rechten van vrouwen voor de periode na 2015, zodat de daarin vervatte doelstellingen en beleidsmaatregelen doeltreffend ten uitvoer kunnen worden gelegd;

21.

verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat iedereen die tijdelijk zijn beroepsactiviteit heeft onderbroken om zich te wijden aan de opvoeding van kinderen of aan de verzorging van ouderen, zich opnieuw op de arbeidsmarkt kan begeven of zijn vroegere functie kan hervatten en professioneel promotie kan maken;

22.

verzoekt de Commissie een effectbeoordeling te maken van de minimuminkomens in de Unie en verdere stappen in overweging te nemen om rekening te houden met de economische en sociale omstandigheden in elke lidstaat alsook een beoordeling te maken van de vraag of die stelsels het huishoudens mogelijk maken om in hun basisbehoeften te voorzien; dringt bij de lidstaten opnieuw aan op de invoering van een nationaal minimumpensioen dat niet lager mag zijn dan de armoederisicodrempel;

23.

stelt vast dat gepensioneerde vrouwen de meest kwetsbare groep vormen en vaak in armoede leven of het risico lopen om tot armoede te vervallen; roept de lidstaten op de verkleining van de pensioenkloof te behandelen als een economische doelstelling; verzoekt de lidstaten hun pensioenstelsels te hervormen om altijd toereikende pensioenen te waarborgen voor iedereen en zo de pensioenkloof te kunnen dichten; is van mening dat de pensioenkloof onder andere met de volgende instrumenten kan worden aangepakt: de aanpassing van pensioenstelsels om gelijkheid van vrouwen en mannen te waarborgen, en aanpassingen in het onderwijs, loopbaanplanning, stelsels voor ouderschapsverlof en andere diensten ter ondersteuning van ouders; verzoekt de lidstaten te overwegen gedeelde pensioenrechten te verschaffen in geval van scheiding of scheiding van tafel en bed, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel; stelt vast dat bij bedrijfsregelingen voor ouderdomspensioenen in toenemende mate verzekeringsbeginselen worden gehanteerd en dat dit aanleiding kan geven tot veel ongelijkheid op het vlak van sociale bescherming (18); beklemtoont dat het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk heeft gemaakt dat bedrijfspensioenregelingen als loon moeten worden beschouwd en dat het beginsel van gelijke behandeling derhalve ook op deze regelingen van toepassing is;

Armoede: algemene aanbevelingen

24.

stelt vast dat personen die in armoede leven vaak een hoger eenheidstarief betalen dan meer bemiddelde bevolkingsgroepen, en wel voor dezelfde goederen en diensten om sociaal en economisch te kunnen overleven, met name op het vlak van telecommunicatie, energie en water; roept de lidstaten op nauw samen te werken met providers en exploitanten aan de ontwikkeling van mechanismen voor steun en sociale tarifering ten behoeve van de allerarmsten, met name op het gebied van de water- en energievoorziening, met als doel om de energiearmoede van huishoudens uit te bannen;

25.

wijst nogmaals op de rol van voorlichting bij de bestrijding van genderstereotypen, waardoor de positie van vrouwen en meisjes op sociaal, economisch, cultureel en politiek gebied en in wetenschappelijke carrières verbetert, en bij het doorbreken van de armoedecyclus door de integratie van vrouwen in sectoren waar zij ondervertegenwoordigd zijn, zoals wetenschap, technologie, techniek en ondernemerschap en dringt er bij de Commissie op aan doelstellingen voor beroepsopleiding voor vrouwen op te nemen in de landenspecifieke aanbevelingen; benadrukt de rol van niet-formeel onderwijs; verzoekt de lidstaten om van investeringen in onderwijs voor meisjes en vrouwen ter vergroting van hun potentieel een integraal onderdeel van hun economieën en herstelplannen te maken; moedigt de lidstaten aan toe te werken naar het helpen van jonge vrouwen bij de overgang van het formele onderwijs naar de arbeidsmarkt; benadrukt de noodzaak dat alle onderwijsinstellingen democratische waarden meegeven met het oog op de bevordering van tolerantie, actief burgerschap, maatschappelijke verantwoordelijkheid en respect voor verschillen in geslacht, minderheden en etnische en religieuze groepen; wijst op het belang van sport en lichamelijke opvoeding om vooroordelen en stereotypen te overwinnen en hun mogelijke waarde voor maatschappelijk kwetsbare jongeren om hun levens weer op de rails te zetten;

26.

spreekt zijn bezorgdheid uit dat vrouwen met kinderen gediscrimineerd worden op de werkplek omdat zij moeders zijn en niet omdat hun werkprestaties minder zijn dan die van hun collega's; dringt er bij de lidstaten op aan een positief beeld van moeders als werknemers te bevorderen en de „moederschapssanctie” aan te pakken, een verschijnsel dat in een aantal onderzoeken wordt beschreven;

27.

verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de structuur- en investeringsfondsen, met name het ESF en het EFSI, worden gebruikt om onderwijs en opleiding te verbeteren voor een betere toegang tot de arbeidsmarkt en de bestrijding van werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting van vrouwen; benadrukt dat het percentage van 20 % van het ESF dat is toegewezen aan maatregelen voor sociale insluiting en aan sociale innovatieprojecten, actiever kan worden gebruikt om initiatieven zoals kleinschalige lokale projecten te ondersteunen die erop gericht zijn vrouwen die kampen met armoede en sociale uitsluiting zelfstandiger te maken; dringt er bij de lidstaten op aan om meer voorlichtingscampagnes te organiseren over de mogelijkheden voor deelneming aan door de EU gefinancierde projecten;

28.

verzoekt om financieringsmechanismen die een impuls geven aan de gelijke vertegenwoordiging op gebieden waar er geen genderevenwicht is, en benadrukt de noodzaak van naar gender uitgesplitste gegevens om de situatie van meisjes, jongens, mannen en vrouwen beter te begrijpen, en op basis daarvan een meer doeltreffende respons op onevenwichtigheden te kunnen formuleren; verzoekt de Commissie in een uitsplitsing naar gender en leeftijd te voorzien inzake de deelneming aan Europese onderwijsmobiliteitsprogramma's, zoals Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor burgers;

29.

herinnert in het bijzonder aan het recht van kinderen — zowel jongens als meisjes — van migranten en vluchtelingen op toegang tot onderwijs, aangezien dit een van de prioriteiten van Europese samenlevingen vormt; benadrukt derhalve dat, in het licht van de aanhoudende migratiecrisis, dringende maatregelen op het gebied van onderwijs aan migranten moeten worden genomen, op zowel EU- als nationaal niveau; beklemtoont dat onderwijs de sleutel is tot integratie en werk en dat wanneer nationale onderwijsstelsels deze uitdaging niet het hoofd bieden, dit een verdere culturele segregatie en grotere maatschappelijke verdeling kan veroorzaken; wijst erop dat toegang tot onderwijs, zowel in vluchtelingenkampen als gastgemeenten, die aan de vereiste kwaliteitsnormen voldoet en vergezeld gaat van taalkundige en psychologische steun, niet mag worden ondergraven door bureaucratische en administratieve kwesties in verband met de toekenning van de vluchtelingenstatus;

30.

benadrukt de bijdrage van vrijwilligersorganisaties en de tertiaire sector op dit gebied en verzoekt de lidstaten hun inspanningen te ondersteunen; herinnert aan het hoge participatieniveau van vrouwen in onderwijs van vrijwilligers en andere activiteiten, en in de ondersteuning en verbetering van onderwijskansen van bijvoorbeeld vluchtelingen en behoeftige kinderen;

31.

wijst erop dat de gevolgen van armoede en sociale uitsluiting bij kinderen een leven lang kunnen duren en resulteren in de intergenerationele overdracht van armoede; benadrukt dat het risico van armoede en sociale uitsluiting onder kinderen in alle lidstaten nauw verband houdt met het onderwijsniveau van hun ouders, en met name van hun moeders, en met de situatie van hun ouders op de arbeidsmarkt, hun maatschappelijke positie en de vormen van gezinsondersteuning die de lidstaten aanbieden; beveelt de lidstaten aan om alle jonge mensen toegang te bieden tot gratis, kwaliteitsvol openbaar onderwijs, op alle leeftijden, ook in de vroege kindertijd; benadrukt de rol van studiekeuzebegeleiding aan kinderen waardoor zij zich volledig kunnen ontplooien; onderstreept de noodzaak van begeleiding van tienermoeders met programma's die gericht zijn op het voortzetten van hun studies, omdat ze door voortijdig de school te verlaten een eerste stap richting armoede zetten; onderstreept de noodzaak om een uitgebreide reeks maatregelen vast te stellen voor de aanpak van kinderarmoede en het bevorderen van het welzijn van kinderen op basis van drie pijlers: toegang tot voldoende middelen en de combinatie van werk en gezin; toegang tot diensten van goede kwaliteit; en participatie van kinderen bij beslissingen die hen treffen alsook in culturele, recreatieve en sportieve activiteiten; herhaalt de noodzaak tot het vergemakkelijken van toegang tot informatie op basis van gelijkheid, in het bijzonder met betrekking tot sociale verzekeringen, volwassenenonderwijs, gezondheidszorg en beschikbare economische steun;

32.

wijst erop dat de niet-erkenning van LGBTI-gezinnen door tal van lidstaten in lagere inkomens en hogere kosten van het levensonderhoud voor LGBTI-personen resulteert, waardoor zij een hoger risico op armoede en sociale uitsluiting lopen; is van mening dat de wetgeving inzake gelijke behandeling een essentieel instrument is om de armoede te bestrijden die het gevolg is van marginalisering en discriminatie die seksuele en genderminderheden treffen; roept de Raad in dit verband op om het voorstel van 2008 aan te nemen voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid; pleit bovendien voor de expliciete opname van een discriminatieverbod op grond van genderidentiteit in de eventueel toekomstige herschikking van de richtlijnen voor gendergelijkheid; blijft bezorgd over het feit dat het bewustzijn van rechten en het bewustzijn van het bestaan van instanties en organisaties die ondersteuning aan slachtoffers van discriminatie bieden, laag zijn; doet in dit verband een beroep op de Commissie om nauwlettend de doeltreffendheid te monitoren van de nationale klachteninstanties en procedures;

33.

verzoekt om de volledige tenuitvoerlegging van Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep, en om de herziening ervan met een vereiste voor bedrijven om maatregelen of plannen in verband met gendergelijkheid op te stellen, met inbegrip van acties op het gebied van desegregatie, de ontwikkeling van betalingssystemen en maatregelen om de loopbanen van vrouwen te ondersteunen;

34.

bevestigt het belang van economische en financiële educatie op jonge leeftijd, aangezien is aangetoond dat dit de economische besluitvorming later in het leven verbetert, ook op het gebied van beheersing van de kosten en het inkomen; beveelt de uitwisseling van best practices aan en de bevordering van educatieve programma's gericht op vrouwen en meisjes in kwetsbare groepen en gemarginaliseerde gemeenschappen die worden geconfronteerd met armoede en sociale uitsluiting;

35.

constateert dat het ontbreken van een inkomen van een partner in aanzienlijke mate kan bijdragen tot armoede en sociale uitsluiting van vrouwen; merkt op dat de situatie van weduwen en van gescheiden vrouwen en alleenstaande moeders aan wie de rechter de kinderen heeft toegewezen vaak onzeker is en dat voor hen een passende alimentatieregeling moet worden vastgesteld; constateert dat het niet nakomen van de alimentatieplicht alleenstaande moeders in armoede kan storten; onderstreept het feit dat gescheiden vrouwen gevoelig zijn voor discriminatie en armoede, en dat dit het bewijs is dat vrouwen nog niet volledig economisch onafhankelijk zijn, wat de noodzaak aantoont voor verdere acties op het gebied van de arbeidsmarkt en het dichten van de loonkloof;

36.

benadrukt dat het verzamelen van gegevens met betrekking tot huishoudelijke kosten en opbrengsten moet worden aangevuld met geïndividualiseerde gegevens om rekening te houden met op gender gebaseerde ongelijkheden binnen huishoudens;

37.

dringt erop aan dat macro-economisch beleid verenigbaar moet zijn met het beleid voor sociale gelijkheid; herhaalt dat financiële instellingen zoals de ECB en de nationale centrale banken rekening moeten houden met sociale gevolgen bij het modelleren van en beslissen over macro-economisch monetair beleid, of financieel beleid aangaande diensten;

38.

herhaalt zijn steun voor het initiatief om een richtlijn op te stellen met betrekking tot een referentiebudget en dringt er bij de Commissie op aan om bij het ontwerpen genderspecifieke overwegingen te betrekken, onder andere met inbegrip van de genderongelijkheid die binnen de huishoudens bestaat;

39.

herhaalt de noodzaak om onderzoek te doen naar vrouwelijke dakloosheid en de oorzaken ervan, omdat het verschijnsel in de huidige gegevens niet naar behoren is vastgelegd; merkt op dat de sekse-specifieke elementen die in aanmerking genomen zouden moeten worden, de volgende elementen bevatten: economische afhankelijkheid op grond van geslacht, tijdelijke huisvesting en het vermijden van sociale diensten;

40.

benadrukt dat geweld tegen vrouwen in de EU nog steeds een groot probleem is waaronder de slachtoffers te lijden hebben, en dat er dringend behoefte is om de daders ervan te betrekken bij maatregelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, ongeacht hun leeftijd, onderwijsniveau, inkomen of maatschappelijke positie, en dat de invloed ervan op het risico van marginalisering, armoede en sociale uitsluiting steeds toeneemt; constateert dat de economische onafhankelijkheid van vrouwen een cruciale rol speelt voor hun vermogen om zich aan situaties van gendergeweld te onttrekken door proactieve maatregelen te nemen; roept de lidstaten en regionale en lokale overheden op om socialebeschermingsstelsels in het leven te roepen om de sociale rechten te waarborgen van vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld, in welke vorm dan ook, of het nu huiselijk geweld, mensenhandel of prostitutie is, en om actie te ondernemen om hen opnieuw in het arbeidsproces te doen intreden, waarbij ook gebruik wordt gemaakt van instrumenten zoals het ESF; onderstreept de noodzaak van een toename van de beschikbaarheid van informatie als het gaat om juridische diensten voor slachtoffers van geweld;

41.

beklemtoont dat huiselijk geweld, met name tegen vrouwen, op daadkrachtige wijze moet worden bestreden; merkt op dat de economische onafhankelijkheid van vrouwen een cruciale rol speelt in hun leven en hun vermogen om zich te ontworstelen aan situaties van huiselijk geweld, en dat vrouwen die geen betaald verlof meer kunnen opnemen het gevaar lopen hun baan en economische onafhankelijkheid te verliezen; merkt op dat de recente invoering van verlof wegens huiselijk geweld in Australië en de VS veel werknemers arbeidsrechtelijke bescherming heeft geboden bij het omgaan met de gevolgen van huiselijk geweld, bijvoorbeeld door de betrokkenen voldoende tijd te gunnen om doktersafspraken te maken, voor de rechter te verschijnen en andere procedures na te leven waaraan zij zich in dergelijke situaties moeten houden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de haalbaarheid en de mogelijke resultaten van de invoering van een systeem van betaald buitengewoon verlof voor slachtoffers en overlevenden van huiselijk geweld te onderzoeken indien slachtoffers vanwege een gebrek aan betaald verlof hun baan kunnen verliezen, maar daarbij wel hun privacy te waarborgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten verdere maatregelen in te stellen om het bewustzijn omtrent het probleem van huiselijk geweld te vergroten en de slachtoffers van dergelijk geweld te helpen, een betere kennis van hun rechten en de verdediging daarvan te bevorderen en hun economische onafhankelijkheid te beschermen;

42.

herhaalt zijn verzoek aan de EU en alle lidstaten om het Verdrag van Istanbul te ondertekenen en te ratificeren en vraagt om een dringend initiatief om een EU-richtlijn vast te stellen voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen; verzoekt de Commissie eens te meer om een Europese strategie tegen gendergeweld te presenteren en een Europees Jaar voor de bestrijding van gendergeweld in te stellen;

43.

gelooft dat er behoefte bestaat om op een proactieve manier geweld tegen vrouwen te overwinnen door zich te richten op normen die geweld verheerlijken; onderstreept dat stereotypen en structuren die de basis vormen voor geweld van mannen tegen vrouwen moeten worden bestreden, door proactieve maatregelen te nemen door middel van het organiseren van campagnes en permanente voorlichting rondom het probleem van machoculturen op nationaal niveau;

44.

herinnert eraan dat nieuwe technologieën moeten worden beschouwd als een fundamenteel instrument voor de creatie van nieuwe arbeidsplaatsen en als een gelegenheid om vrouwen uit de armoede te halen;

45.

spoort de lidstaten ertoe aan om in samenwerking met regionale en lokale overheden de kwaliteit van het leven van vrouwen in rurale gebieden te verbeteren teneinde het risico op armoede terug te dringen, door te zorgen voor kwalitatief goede onderwijsprogramma's die erop gericht zijn om de positie van plattelandsvrouwen te verbeteren alsook kwaliteitsbanen en fatsoenlijke inkomens voor deze groep te waarborgen; spoort de lidstaten ertoe aan om te zorgen voor een goede gemeentelijke, sociale en publieke infrastructuur om de algemene leefomstandigheden in rurale gebieden te verbeteren;

46.

is van oordeel dat talrijke aspecten van de armoede, en in het bijzonder de armoede onder vrouwen, nog steeds niet erkend worden, met name het geen toegang hebben tot cultuur en deelname aan het sociale leven, en verzoekt de lidstaten daarom de nodige ondersteuning te verlenen zodat alle vrouwen cultuur, sport en andere vrijetijdsbestedingen kunnen uitoefenen, met bijzondere aandacht voor vrouwen die in armoede leven, vrouwen met een handicap en vrouwelijke migranten; is van mening dat de bestaande indicatoren van ernstige materiële deprivatie de factoren voor toegang tot cultuur en maatschappelijke participatie uitsluiten en daarom slechts een onvolledig begrip van armoede weergeven; dringt aan op de ontwikkeling van meer indicatoren voor het beoordelen van uitsluiting in termen van sociale, culturele en politieke participatie en met name de invloed daarvan op de vicieuze armoedecirkel evenals de intergenerationele effecten ervan;

47.

merkt op dat vrouwen met een handicap vaak worden gediscrimineerd in de familiesfeer en in het onderwijs, dat hun toegang tot werk beperkt is en dat de sociale bescherming die ze ontvangen onvoldoende is om het risico van armoede te vermijden; onderstreept in dit verband dat de lidstaten en regionale en lokale overheden vrouwen met een handicap de gespecialiseerde aandacht zouden moeten geven die deze vrouwen nodig hebben om van hun rechten te kunnen genieten en aanvullende en ondersteunende maatregelen zouden moeten voorstellen om hun integratie in de arbeidsmarkt te bevorderen, met name op het gebied van onderwijs en opleiding;

48.

roept op tot het treffen van ambitieuze maatregelen om energiearmoede aan te pakken, waardoor alleenstaande vrouwen, alleenstaande ouders en vrouwen die aan het hoofd van huishoudens staan onevenredig hard getroffen worden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om een definitie van energiearmoede op te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met genderaspecten, en deze in de toekomstige herschikking van richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen op te nemen; benadrukt de belangrijke rol van communautaire energie-initiatieven zoals coöperaties in de empowerment van kwetsbare energieconsumenten en met name vrouwen die worden geconfronteerd met armoede, sociale uitsluiting en marginalisering;

49.

herhaalt haar oproep aan de Commissie om te streven naar de oprichting van een Garantie voor het Europese Kind dat ervoor zorgt dat ieder Europees kind met risico op armoede toegang heeft tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en voldoende voeding; benadrukt dat dergelijk beleid de situatie van vrouwen en meisjes, met name in kwetsbare en gemarginaliseerde gemeenschappen, moet aanpakken; merkt op dat het Jeugdgarantie-initiatief een genderperspectief moet bevatten;

50.

spoort de lidstaten en de Commissie aan om over te gaan tot de verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens en om nieuwe individuele indicatoren voor armoede onder vrouwen in te voeren als instrument om de effecten van breder sociaal, economisch en werkgelegenheidsbeleid op vrouwen en armoede te monitoren met als doel de uitwisseling van goede praktijken inzake wetgevings- en begrotingsinstrumenten om armoede te bestrijden, met de nadruk op die groepen die een verhoogd risico lopen op armoede, ongeacht hun seksuele geaardheid of genderidentiteit;

51.

wijst op de rol van maatschappelijk ondernemen in empowerment en met inbegrip van vrouwen die te maken hebben met armoede en sociale uitsluiting en meervoudige discriminatie;

52.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om in de beleidsvorming over sociale integratie op alle niveaus bij belanghebbende partijen processen te creëren die de directe betrokkenheid van personen die risico lopen op armoede en sociale integratie, met name vrouwen en meisjes, bevorderen en vergemakkelijken;

53.

verzoekt de Commissie en de lidstaten genderbudgettering in te voeren als een instrument om te garanderen dat er in begrotingsbeslissingen rekening wordt gehouden met de genderdimensie en uiteenlopende effecten worden aangepakt;

54.

verzoekt de lidstaten om in de strijd tegen armoede samen te werken met ngo's die succesvol functioneren in gebieden waar extreme armoede heerst, en waardevolle kennis in huis hebben over lokale gemeenschappen; verzoekt de lidstaten doeltreffende samenwerking op lokaal niveau te ondersteunen;

55.

roept de lidstaten en de Commissie op de sociale partners (vakbonden en werkgevers) en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van organisaties voor gendergelijkheid, te betrekken bij de verwezenlijking van gendergelijkheid, om gelijke behandeling te bevorderen; benadrukt dat de sociale dialoog het toezicht op en de bevordering van gendergelijkheid op de werkplek moet omvatten, met inbegrip van flexibele werkregelingen, met als doel om een beter evenwicht aan te brengen tussen werk en privéleven; benadrukt het belang van collectieve overeenkomsten bij de bestrijding van discriminatie en de bevordering van gelijkheid tussen vrouwen en mannen op het werk alsmede het belang van andere instrumenten zoals gedragscodes, onderzoek, uitwisselingen van ervaringen en goede werkwijzen op het gebied van gendergelijkheid;

o

o o

56.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 233 E van 28.9.2006, blz. 130.

(2)  PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 31.

(3)  PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 162.

(4)  PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 77.

(5)  PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 26.

(6)  PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 9.

(7)  PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 60.

(8)  PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 75.

(9)  PB C 24 van 22.1.2016, blz. 8.

(10)  PB C 36 van 29.1.2016, blz. 6.

(11)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0050.

(12)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0218.

(13)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0351.

(14)  http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/refreshTableAction.do?tab=table& plugin=1&pcode=t2020_50&language=en

(15)  Save the Children, „Armoede en sociale uitsluiting onder kinderen in Europa”, Brussel, 2014, blz. 14.

(16)  http:\\www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/547546/EPRS_STU (2015)547546_EN.pdf, blz. 11

(17)  Internationale Arbeidsorganisatie, Policies and regulations to combat precarious employment (Beleid en regelgeving om de strijd aan te binden tegen onzeker werk), 2011.

(18)  http://ec.europa.eu/justice/gender-equality/files/conference_sept_2011/dgjustice_oldagepensionspublication3march2011_en.pdf.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/105


P8_TA(2016)0236

Non-tarifaire belemmeringen in de interne markt

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over non-tarifaire belemmeringen in de interne markt (2015/2346(INI))

(2018/C 076/17)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld „Verbetering van de interne markt: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen” (COM(2015)0550),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld „A Digital Single Market Strategy for Europe — Analysis and Evidence” (SWD(2015)0202),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld „Report on Single Market Integration and Competitiveness in the EU and its Member States” (SWD(2015)0203),

gezien het onderzoek van de Parlementaire Onderzoeksdiensten van september 2014 getiteld „The Cost of Non-Europe in the Single Market”,

gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over de interne dienstenmarkt: stand van zaken en volgende stappen (1),

gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over het Europees actieplan inzake detailhandel in het belang van alle betrokken partijen (2),

gezien de in oktober 2015 verschenen editie van het onlinescorebord van de interne markt,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0160/2016),

A.

overwegende dat de Europese interne markt een aanzienlijke bijdrage levert aan de Europese economieën;

B.

overwegende dat de voltooiing van de interne markt voor het vrije verkeer van goederen, diensten, overheidsopdrachten, de digitale economie en de consumentenwetgeving naar schatting economische winsten zal opleveren gaande van 651 miljard tot 1,1 biljoen EUR per jaar, wat overeenkomt met 5 à 8,63 % van het bbp van de EU;

C.

overwegende dat ongerechtvaardigde non-tarifaire belemmeringen (NTB's) ruim twintig jaar na de invoering van de interne markt de handel en het vrije verkeer van goederen en diensten tussen de lidstaten blijven bemoeilijken; overwegende dat deze NTB's door protectionisme kunnen zijn ingegeven en gepaard kunnen gaan met bureaucratische hinderpalen die zeer vaak onevenredig zijn met het gestelde doel;

D.

overwegende dat de interne markt voor diensten naar schatting 70 % van de Europese economie uitmaakt, maar slechts 20 % van de handel binnen de EU vormt;

E.

overwegende dat 25 % van de gereglementeerde beroepen in slechts één lidstaat gereglementeerd zijn;

F.

overwegende dat de potentiële winsten uit de werking van de digitale eengemaakte markt naar schatting jaarlijks ongeveer 415 miljard EUR bedragen en het bbp tegen 2020 met ongeveer 0,4 % zullen doen stijgen, en overwegende dat er in de EU-wetgeving tal van lacunes zijn die de goede werking van de digitale eengemaakte markt belemmeren;

G.

overwegende dat slechts 2 % van de nieuwe kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en startende ondernemingen zich over de grenzen heen hebben uitgebreid door directe buitenlandse investeringen;

H.

overwegende dat lacunes in de interne markt, zoals een onvolledige of tegen de doelstellingen van de interne markt indruisende toepassing van de EU-wetgeving, voor de consumenten in veel gevallen leiden tot een suboptimale keuze aan producten en duurdere goederen en diensten;

I.

overwegende dat de kosten voor bedrijven merkbaar zijn aan duurdere toeleveringsketens, waardoor hun eigen producten meer kosten, of aan een beperkte toegang tot zakelijke diensten, die hun concurrentievermogen schaadt; overwegende dat innovatie wordt aangemoedigd door een door concurrentie gekenmerkte markt;

J.

overwegende dat de complexiteit van het huidige btw-stelsel als een NTB kan worden aangemerkt;

K.

overwegende dat concurrentieverstorende fiscale afspraken tussen lidstaten en grote multinationale ondernemingen als een ongerechtvaardigde NTB kunnen worden aangemerkt;

L.

overwegende dat ondernemingen en personen worden geconfronteerd met belangrijke belemmeringen voor het uitoefenen van grensoverschrijdende activiteiten in de interne markt doordat er geen of weinig kwaliteitsvolle informatie, bijstand en onlineprocedures beschikbaar zijn, wat leidt tot zware administratieve lasten en hoge nalevingskosten;

M.

overwegende dat de monitoring van belemmeringen en kosten versnipperd is en niet stelselmatig plaatsvindt en dat belemmeringen en kosten niet worden gekwantificeerd en niet duidelijk worden geïdentificeerd, wat de prioritering van beleidsmaatregelen bemoeilijkt;

I.    Achtergrond en beleidsdoelstellingen

1.

is zich ervan bewust dat, hoewel de tariefbelemmeringen sinds 1 juli 1968 afgeschaft zijn, het vrije verkeer van goederen en diensten nog steeds hinder heeft ondervonden door NTB's zoals ongerechtvaardigde nationale technische voorschriften en al dan niet in regelgeving vastgestelde vereisten voor producten, dienstverleners en voorwaarden voor dienstverlening, of bureaucratie; beklemtoont dat voor de versterking van de interne markt dringend maatregelen van zowel de EU als de lidstaten nodig zijn om die NTB's aan te pakken;

2.

verstaat onder een NTB een onevenredige of discriminerende regelgevingsmaatregel die resulteert in een last of een kost die moet worden gedragen door een bedrijf dat een markt wenst te betreden, maar niet door bedrijven die al op de markt aanwezig zijn, of een kost die wordt opgelegd aan buitenlandse bedrijven maar niet aan binnenlandse bedrijven, onverminderd het recht van de lidstaten om regelgeving vast te stellen en legitieme doelstellingen van overheidsbeleid na te streven, zoals de bescherming van het milieu en van de rechten van consumenten en werknemers;

3.

stelt vast dat er op nationaal niveau verschillen kunnen ontstaan als gevolg van meerlagig bestuur; is van mening dat op alle niveaus van de besluitvorming over regelgeving goed moet worden beseft dat de maatregelen evenredig moeten zijn en legitieme doelstellingen van overheidsbeleid moeten nastreven; meent dat consistentie en samenhang van het beleid en de regelgevingspraktijk aanzienlijk kunnen bijdragen aan een vermindering van NTB's;

4.

is van mening dat indien dergelijke NTB's als evenredig kunnen worden gerechtvaardigd, de informatie over de uiteenlopende nationale wettelijke voorschriften gemakkelijk toegankelijk moet zijn en de daarmee verband houdende kennisgeving van gegevens en afwikkeling van procedures zo gebruikersvriendelijk mogelijk moeten zijn; is van oordeel dat de toepassing van het huidige systeem op basis van een verscheidenheid aan contactpunten, waaronder de productcontactpunten en de één-loketten, niet samenhangend verloopt in de lidstaten en te complex is; herinnert eraan dat het belangrijk is om de bestaande instrumenten van de interne markt voor kmo's te versterken en te stroomlijnen teneinde de grensoverschrijdende expansie van kmo's te vereenvoudigen; vraagt de Commissie en de lidstaten meer nadruk te leggen op de stroomlijning en verbetering van deze systemen, met name de noodzaak om de één-loketten snel te verbeteren, en vraagt de Commissie om eind 2016 aan het Parlement verslag uit te brengen over de voortgang en de volgende stappen; beklemtoont dat de lidstaat in kwestie door opener en toegankelijker te zijn wat wettelijke voorschriften betreft, aantrekkelijker wordt voor buitenlandse investeringen;

5.

verwelkomt het initiatief voor één digitale toegangspoort, dat is aangekondigd in de mededeling van de Commissie over de digitale eengemaakte markt, als een positieve stap; dringt er bij de Commissie op aan om één loket voor bedrijven en consumenten te creëren met toegang tot alle informatie, bijstand en probleemoplossing betreffende de interne markt en tot de nodige nationale en EU-brede procedures voor grensoverschrijdende activiteiten in de EU;

6.

is van mening dat de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten om de werking van Solvit te verbeteren belangrijk is om NTB's weg te werken, met name in geografische gebieden en industriële sectoren waar bedrijven niet vaak van Solvit gebruikmaken en waar niet alle ingediende zaken door de bevoegde overheid worden behandeld;

7.

onderstreept dat voor veel bedrijven, met name kmo's, die in een andere lidstaat handel wensen te drijven, een dergelijke uitbreiding vanuit hun oogpunt nog steeds „internationale handel” zal zijn; beklemtoont dat kmo's, startende en innoverende bedrijven, met name in de deeleconomie, niets in de weg mag worden gelegd om via grensoverschrijdende handel te kunnen groeien;

8.

is van mening dat een van de taken van de EU en haar afzonderlijke lidstaten erin moet bestaan NTB's uiteindelijk af te schaffen als die niet kunnen worden gerechtvaardigd of niet bevorderlijk zijn voor de doelstellingen van artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin staat dat Europa is gebaseerd op een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen;

9.

herhaalt dat de strategie voor een digitale eengemaakte markt en de strategie voor de eengemaakte markt in Europa initiatieven zijn die snel en ambitieus moeten worden uitgevoerd om de NTB's op de eengemaakte markt weg te werken; beklemtoont dat het van cruciaal belang is dat deze initiatieven worden gestoeld op de beginselen van betere regelgeving en op de meest doeltreffende instrumenten, zoals harmonisatie en wederzijdse erkenning;

II.    Horizontale non-tarifaire belemmeringen

10.

is van mening dat verschillen in de snelheid waarmee bestaande richtlijnen op nationaal niveau worden omgezet en in de manier waarop zij precies worden uitgevoerd, rechtsonzekerheid creëren voor bedrijven en op de interne markt uiteenlopende concurrentievoorwaarden tot stand brengen;

11.

is van mening dat wanneer de Commissie onnodige EU-wetgeving heeft ingetrokken, de lidstaten snel moeten handelen om de overeenkomstige nationale bepalingen in te trekken;

12.

is van mening dat het schadelijk is voor de interne markt en de consumenten als het EU-recht op grote schaal niet door de lidstaten wordt nageleefd; is ook van mening dat het trage omzettingsproces ertoe leidt dat sommige lidstaten van een onrechtmatige verlenging van de nalevingstermijn profiteren; vraagt dat een nalevingscultuur verder wordt bevorderd in samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten, zoals vastgesteld in de strategie voor de eengemaakte markt; onderstreept dat de kwestie van niet-naleving door de lidstaten snel moet worden aangepakt;

13.

vestigt de aandacht van de Commissie en de lidstaten op het feit dat sommige nationale overheden bij de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving extra voorschriften toevoegen aan omgezette richtlijnen, het zogenoemde „gold-plating”;

14.

wijst erop dat de intensiteit en de frequentie van de controles die onlangs bij buitenlandse dienstverleners verricht zijn, verder toenemen; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat deze controles evenredig, gerechtvaardigd en niet-discriminerend zijn;

15.

benadrukt dat een inconsequente handhaving van bestaande, correct omgezette voorschriften door de lidstaten de interne markt evenzeer schaadt als een laattijdige omzetting; meent dat de naleving en de handhaving worden bemoeilijkt wanneer vaak gebruikte definities, bijvoorbeeld „traceerbaarheid” of „in de handel gebracht”, verschillende betekenissen krijgen in verschillende wetgevingsteksten;

16.

meent dat een ongelijke toepassing van dezelfde regels in verschillende lidstaten mogelijk nieuwe ongerechtvaardigde NTB's kan doen ontstaan; verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om verschillen in het vroegst mogelijke stadium tot een minimum te beperken;

17.

meent dat de Commissie vaker gebruik moet maken van richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van richtlijnen, aangezien deze een nuttig instrument kunnen zijn om voor een meer eenvormige tenuitvoerlegging te zorgen;

18.

stelt vast dat er in de regulering van de productmarkten nog altijd verschillen op nationaal niveau zijn waarmee bedrijven die over de grenzen heen actief zijn, nog steeds te kampen hebben, zowel wat de mate van de beperkingen als wat de verschillen tussen de lidstaten betreft; is van oordeel dat dit bedrijven er onnodig toe dwingt hun producten en diensten aan te passen om aan uiteenlopende normen te voldoen of herhaaldelijk tests te ondergaan, hetgeen de handel binnen de EU beperkt, de groei beknot en het scheppen van banen belemmert;

19.

meent dat kmo's en micro-ondernemingen daar — juridisch, financieel of anderszins — onevenredig onder te lijden hebben, aangezien de schaalvoordelen kleiner worden doordat ze verschillende productlijnen moeten laten draaien;

20.

wijst erop dat er tot nog toe weinig grensoverschrijdende overheidsopdrachten zijn: minder dan 20 % van alle overheidsopdrachten in de EU wordt op pan-Europese platforms gepubliceerd en slechts 3,5 % van de opdrachten wordt gegund aan ondernemingen uit andere lidstaten; wijst op de moeilijkheden waarmee met name kmo's te kampen hebben als ze willen deelnemen aan grensoverschrijdende overheidsopdrachten; onderstreept in dit verband het belang van de nieuwe EU-richtlijnen inzake het plaatsen van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten, die uiterlijk in april 2016 door de lidstaten dienden worden omgezet; vraagt de lidstaten om deze wetgeving volledig ten uitvoer te leggen, met inbegrip van een volledig elektronische procedure voor overheidsopdrachten;

21.

beklemtoont dat de kosten van de naleving van btw-voorschriften een van de grootste NTB's zijn; vraagt om praktische voorstellen om de btw te vereenvoudigen;

22.

erkent dat de uiteenlopende btw-stelsels in de EU als een NTB kunnen worden gezien; onderstreept dat het mini-éénloketsysteem voor btw-aangiften (VAT MOSS) een goede manier is om deze belemmering te helpen wegwerken en met name om kmo's te steunen bij hun grensoverschrijdende activiteiten; erkent dat er nog enkele kleine problemen zijn met het VAT MOSS; verzoekt de Commissie de betaling van btw-verplichtingen door bedrijven in de hele EU verder te vergemakkelijken;

23.

meent dat veel nationale administratieve praktijken ook ongerechtvaardigde NTB's met zich brengen, zoals vereisten inzake het formaliseren van documenten door nationale organen of instanties; dringt er bij de lidstaten op aan om e-governanceoplossingen te gebruiken, met prioriteit voor interoperabiliteit en digitale handtekeningen, teneinde hun overheidsdiensten te moderniseren, naar het voorbeeld van Estland en Denemarken, door meer en beter toegankelijke digitale diensten te verlenen aan burgers en bedrijven en door de grensoverschrijdende samenwerking en interoperabiliteit van overheidsdiensten te bevorderen, zonder afbreuk te doen aan de bescherming van persoonsgegevens; is van mening dat het gebruik van e-governance een belangrijk instrument is voor bedrijven, maar dat dit alternatieve manieren om toegang tot informatie te krijgen niet mag uitsluiten en burgers die geen toegang tot digitale diensten hebben, niet mag benadelen;

24.

vraagt de Commissie sterk in te zetten op handhaving in de praktijk en ervoor te zorgen dat de lidstaten de internemarktregels correct toepassen en uitvoeren; meent in dit verband dat de tenuitvoerlegging van omgezette richtlijnen beter moet worden gecoördineerd, bijvoorbeeld aan de hand van door de Commissie georganiseerde omzettingsworkshops en de uitwisseling van best practices, teneinde verschillen tussen de lidstaten in een vroeg stadium tot een minimum te beperken;

III.    Sectorspecifieke non-tarifaire belemmeringen

Interne markt voor goederen

25.

onderstreept hoe belangrijk het beginsel van wederzijdse erkenning is om toegang tot de interne markt te garanderen voor goederen die niet op EU-niveau zijn geharmoniseerd, alsook in gevallen waarin de lidstaten nationale, zeer vaak uiteenlopende, productvoorschriften hebben, maar met dezelfde onderliggende doelstelling;

26.

wijst erop dat veel bedrijven geen weet hebben van wederzijdse erkenning en denken dat zij aan de nationale voorschriften van de lidstaat van bestemming moeten voldoen wanneer zij op de interne markt handel drijven;

27.

vraagt de Commissie op te treden om de toepassing van wederzijdse erkenning te verbeteren; kijkt in dit verband uit naar de plannen van de Commissie om aan bewustmaking te doen en de verordening inzake wederzijdse erkenning te herzien; meent dat ook harmonisatie een doeltreffend instrument is om gelijke toegang tot goederen en diensten op de interne markt te garanderen;

Interne markt voor diensten

28.

wijst op de problemen voor dienstverleners, met name in de zakelijke dienstverlening, de transportsector en de bouw, die het gevolg zijn van tal van uiteenlopende ongerechtvaardigde of onevenredige vereisten inzake vergunningen, registratie, voorafgaande kennisgeving of feitelijke vestigingsvoorwaarden; onderstreept dat dit kan leiden tot discriminatie van buitenlandse dienstverleners, wat indruist tegen het beginsel van het vrije verkeer van diensten; verzoekt in dit verband om een sterker ontwikkelde e-overheid en elektronische registratie om de procedures voor dienstverleners te vereenvoudigen;

29.

beklemtoont dat vooral het gebrek aan uitvoering en de divergerende toepassing van de dienstenrichtlijn een belemmering vormen voor de interne markt;

30.

beklemtoont dat er behoefte is aan een duidelijk en eenvormig regelgevingskader dat het mogelijk maakt dat diensten zich ontwikkelen op een markt die werknemers en consumenten beschermt en ervoor zorgt dat bestaande en nieuwe marktdeelnemers op de interne markt niet worden geconfronteerd met zinloze, door regelgeving ingevoerde belemmeringen, ongeacht de soort bedrijfsactiviteit die zij verrichten;

31.

wijst ook op de ongerechtvaardigde of onevenredige beperkingen die in sommige lidstaten van toepassing zijn op de rechtsvorm van dienstverleners en hun aandeelhouders- of bestuursstructuur, alsook op gezamenlijke beroepsuitoefening; benadrukt dat sommige van deze beperkingen onevenredige of ongerechtvaardigde belemmeringen voor grensoverschrijdende dienstverlening kunnen vormen; benadrukt dat er moet worden gezorgd voor een consistente beoordeling van de evenredigheid van wettelijke eisen en beperkingen die gelden voor diensten;

32.

benadrukt dat de in de dienstenrichtlijn vervatte kennisgevingsplicht ongerechtvaardigde NTB's effectief had kunnen verminderen of afschaffen, maar door de lidstaten en de Commissie is verwaarloosd; is daarom verheugd over de hernieuwde aandacht voor de kennisgevingsprocedure in de strategie voor de interne markt, omdat een vroegtijdige tussenkomst ervoor kan zorgen dat nationale maatregelen worden bijgestuurd om problemen op te lossen voordat ze optreden; meent voorts dat van de lidstaten uitvoeriger rechtvaardigingen moeten worden gevraagd wanneer zij nieuwe regelgeving invoeren; wijst op de positieve ervaringen met de kennisgevingsprocedure voor producten en stelt voor om dit als voorbeeld te nemen voor een verbetering van de procedure voor diensten;

33.

herinnert eraan dat openbare diensten bijzondere bescherming genieten ten aanzien van de regels van de interne markt gezien de taken van algemeen belang die zij moeten vervullen, en dat de regels die de overheid heeft vastgesteld om openbare diensten goed te laten werken daarom geen NTB's vormen; herinnert in er in dit verband aan dat de dienstenrichtlijn niet geldt voor sociale diensten en gezondheidsdiensten;

34.

wijst erop dat dienstverleners in de bouwsector vaak worden geconfronteerd met bepaalde voorschriften betreffende hun organisatie in hun land van herkomst, onder meer met betrekking tot organisatorische certificeringsregelingen, die het voor hen te ingewikkeld maken om hun diensten over de grenzen heen aan te bieden, wat het vrije verkeer van diensten in de bouwsector en van beroepsbeoefenaren ontmoedigt;

35.

vraagt de Commissie iets aan deze belemmeringen te doen, onder meer, voor zover dit zinvol is, door een betere wederzijdse erkenning en zo nodig wetgevende maatregelen; benadrukt dat toekomstige maatregelen, zoals het voorgestelde dienstenpaspoort, geen extra administratieve lasten met zich mogen brengen, maar NTB's moeten aanpakken;

36.

vraagt de Commissie iets te doen aan de lasten in verband met de gefragmenteerde bankensector in Europa, die het voor niet-ingezetenen, en met name kmo's, moeilijk maken om een bankrekening te openen in een andere lidstaat;

37.

wijst erop dat sommige regels van de lidstaten inzake de toegang tot en de uitoefening van gereglementeerde beroepen onevenredig kunnen zijn en daardoor onnodige obstakels kunnen opwerpen die de toegang tot een aantal beroepen belemmeren en de mobiliteit van dienstverleners in gereglementeerde beroepen beknotten; erkent evenwel dat het belangrijk is om eerlijke concurrentie en de kwaliteit van de opleiding te garanderen en succesvolle kwalificatiestelsels te steunen;

38.

is het met de Commissie eens dat alternerend leren kan worden aanbevolen als voorbeeld van best practice in de EU;

39.

is verheugd dat er de afgelopen twee jaar een wederzijdse evaluatie is verricht; is van mening dat peerreviewprocessen die goed opgezet zijn en een eerlijke discussie tussen de lidstaten bevorderen, effectief verandering kunnen aanmoedigen; moedigt de lidstaten en de Commissie ertoe aan deze praktijk uit te breiden, met name tot andere gebieden van de internemarktregelgeving;

40.

verzoekt de Commissie de prioriteiten van de lidstaten voor hervormingen op het gebied van diensten van deskundigen aan de orde te stellen in het kader van het Europees semester en de landenspecifieke aanbevelingen inzake de deregulering van bepaalde beroepen in de lidstaten;

De interne markt voor detailhandel

41.

vestigt de aandacht op de peerreview over de vestiging van detailhandelszaken die de Commissie in 2014-2015 heeft uitgevoerd, en waaruit blijkt dat detailhandelaren op de interne markt vaak worden geconfronteerd met onevenredige of ondoelmatige vestigings- en exploitatievoorwaarden en -procedures;

42.

vraagt de Commissie en de lidstaten om de vrijmaking van het potentieel te versnellen met het oog op een voltooide digitale eengemaakte markt en de uitvoering van de digitale agenda voor Europa;

43.

wijst erop dat sommige lidstaten regels aan het invoeren zijn die discriminerend zijn voor economische activiteiten in de detail- of groothandel op grond van de oppervlakte waarop de activiteiten worden verricht, de omvang van de onderneming of de oorsprong van het kapitaal, wat indruist tegen het idee van de interne markt en de beginselen van vrije concurrentie en wat de ontwikkeling van de arbeidsmarkt belemmert;

44.

wijst erop dat regels die beperkingen op detail- en groothandelsactiviteiten opleggen die tegen het EU-recht indruisen en onevenredig zijn, aanzienlijke toegangsbelemmeringen kunnen creëren, wat ertoe leidt dat er minder nieuwe vestigingen worden geopend, dat de concurrentie wordt verstoord en dat de prijzen voor de consument hoger zijn; onderstreept in dit verband dat sommige maatregelen, zoals vergoedingen en inspectiekosten, als NTB's kunnen functioneren als ze niet gerechtvaardigd zijn door legitieme doelstellingen van overheidsbeleid; is van mening dat alle operationele beperkingen op detail- of groothandelsactiviteiten deze activiteiten niet onnodig of onevenredig mogen beperken, en niet mogen leiden tot feitelijke discriminatie tussen marktdeelnemers;

45.

vraagt de Commissie om, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, best practices inzake de vestiging van detailhandelszaken vast te stellen om het vrije verkeer van goederen en diensten te garanderen;

46.

vraagt de Commissie om operationele beperkingen op de detail- en groothandel in de interne markt te onderzoeken, zo nodig met hervormingsvoorstellen te komen en in het voorjaar van 2017 verslag uit te brengen over dit onderzoek;

47.

benadrukt dat toegankelijke, betaalbare, efficiënte en kwalitatief hoogwaardige pakketbezorging een essentiële voorwaarde is voor een succesvolle, grensoverschrijdende e-commerce ten behoeve van kmo's en consumenten in het bijzonder;

IV.    Conclusies

48.

vraagt de Commissie in 2016 een uitgebreid overzicht van de NTB's op de interne markt te presenteren, alsook een analyse van de manieren waarop deze kunnen worden aangepakt, waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen een NTB en regelgeving waarmee een legitieme doelstelling van het overheidsbeleid van een lidstaat op evenredige wijze wordt verwezenlijkt, en een ambitieus voorstel in te dienen om deze NTB's zo spoedig mogelijk uit de weg te ruimen zodat het nog onbenutte potentieel van de interne markt kan worden aangeboord;

49.

vraagt de Commissie om op opkomende gebieden tijdig EU-beleidsmaatregelen en -wetgeving te overwegen, met brede raadpleging van de belanghebbenden, in het bijzonder kmo's en maatschappelijke organisaties;

50.

vraagt de Commissie om er in eerste instantie voor te zorgen dat de lidstaten de reeds bestaande regels betreffende de interne markt naleven in plaats van nieuwe, aanvullende wetgevingsteksten op te stellen over kwesties die reeds onder de bestaande regels vallen;

51.

vraagt de Commissie meer werk te maken van handhaving en de beginselen die aan de interne markt ten grondslag liggen; is van mening dat vroegtijdig ingrijpen met betrekking tot nationale maatregelen of implementatieprocedures die ongerechtvaardigde NTB's vormen, doeltreffend kan zijn en dat er sneller resultaten mee kunnen worden geboekt dan met inbreukprocedures; onderstreept evenwel dat de Commissie bij ernstige of aanhoudende tekortkomingen of verkeerde toepassing van het EU-recht alle beschikbare middelen moet aanwenden, en ook prioriteit moet geven aan inbreukprocedures, om de volledige toepassing van de wetgeving inzake de interne markt te garanderen;

52.

betreurt dat het Parlement nog steeds beperkte toegang heeft tot relevante informatie over precontentieuze en inbreukprocedures, en dringt wat dat betreft aan op meer transparantie, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsregels;

53.

vraagt de lidstaten de interne markt te zien als een gezamenlijk initiatief dat gecoördineerd en samen moet worden gehandhaafd en een voorwaarde is om de EU-economie concurrerend te maken; is van mening dat het uiteindelijk de consumenten zijn die de nadelige gevolgen van ongerechtvaardigde NTB's ondervinden, omdat zij geen toegang krijgen tot nieuwe spelers op de binnenlandse markten en te maken krijgen met hogere kosten, inferieure kwaliteit en minder keuze; meent dat de lidstaten meer tijd moeten besteden aan horizontale problemen in verband met de interne markt, en in kaart moeten brengen op welke gebieden een of meer lidstaten prioritair actie moeten ondernemen om de interne markt te handhaven en te bevorderen;

o

o o

54.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de Europese Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB C 93 van 9.3.2016, blz. 84.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0580.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/112


P8_TA(2016)0237

Strategie voor de interne markt

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over de strategie voor de interne markt (2015/2354(INI))

(2018/C 076/18)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld „De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen” (COM(2015)0550),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld „Een strategie voor de eengemaakte markt voor Europa — analyse en onderzoeksgegevens” (SWD(2015)0202),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld „Integratie van de interne markt en concurrentiekracht in de EU en de lidstaten” (SWD(2015)0203),

gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld „Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa” (COM(2015)0192),

gezien de mededeling van de Commissie van 13 april 2011 met als titel „Akte voor de interne markt — Twaalf hefbomen voor het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen — Samen werk maken van een nieuwe groei” (COM(2011)0206),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2012 getiteld „Akte voor de interne markt II — Samen voor nieuwe groei” (COM(2012)0573),

gezien het verslag van 9 mei 2010 dat Mario Monti op verzoek van de voorzitter van de Europese Commissie heeft opgesteld over „Een nieuwe strategie voor de eengemaakte markt — ten dienste van de Europese economie en samenleving”,

gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de governance van de interne markt binnen het Europees semester 2015 (2),

gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over het Europees actieplan inzake detailhandel in het belang van alle betrokken partijen (3),

gezien zijn resolutie van 19 januari 2016„Naar een akte voor een digitale interne markt” (4),

gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over doeltreffende arbeidsinspecties als middel om de arbeidsomstandigheden in Europa te verbeteren (5),

gezien de door de Commissie interne markt en consumentenbescherming bestelde studie van september 2014 over „De kosten van een niet-verenigd Europa voor de interne markt”,

gezien de door de Commissie interne markt en consumentenbescherming bestelde studie van september 2015 over „Een strategie voor voltooiing van de interne markt: de triljoen euro-bonus”,

gezien de door de Commissie bestelde studie van 20 november 2015„Ex-post evaluatie van de richtlijn betalingsachterstand”,

gezien de door de Commissie bestelde studie van november 2014 „De situatie van de meubelmarkt in de EU en een mogelijk initiatief voor meubelproducten”,

gezien de in oktober 2015 verschenen editie van het onlinescorebord van de interne markt,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0171/2016),

A.

overwegende dat de interne of eengemaakte markt nog steeds de hoeksteen is van de EU-integratie en de motor voor duurzame groei en werkgelegenheid doordat zij de handel in de EU bevordert en daarbij een zeer concurrentiekrachtige sociale markteconomie verzekert zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, VEU;

B.

overwegende dat de verdieping van de interne markt een essentiële economische uitdaging blijft, met name tegen de achtergrond van de ontwikkeling van nieuwe technologieën, waar de markt een zekere kritieke massa nodig heeft om de opkomst van innoverende en concurrerende spelers op het wereldtoneel te bevorderen;

C.

overwegende dat de eengemaakte markt de laatste jaren vele positieve ontwikkelingen heeft gekend, maar in bijna alle opzichten meer zou kunnen bereiken — of het nu gaat om stimulering van de digitale markt, aanmoediging van startende ondernemers, integratie van mondiale aanleveringsketens, verbetering van de mobiliteit en sociale rechten van werknemers, omgaan met nieuwe bedrijfsmodellen en zorgen voor marktversoepeling, wederzijdse erkenning, standaardisering en toelating van professionals — als onterechte fysieke, juridische en technische obstakels worden weggenomen;

D.

overwegende dat volgens eigen onderzoek van het Parlement bij voltooiing van de interne markt baten ten bedrage van 1 triljoen euro te verwachten zijn, wat betekent dat er voor 615 miljard euro per jaar aan efficiëntie te winnen zou zijn; overwegende dat versnippering van de interne markt een van de grootste belemmeringen voor hogere structurele economische groei vormt;

E.

overwegende dat een werkelijk strategische benadering is geboden voor de verdere integratie van de interne markt, en dat de respons op de gestelde uitdagingen zowel van politieke als technische aard moet zijn, met name in het geval van ongerechtvaardigde niet-tarifaire belemmeringen binnen de interne markt;

F.

overwegende dat de EU een werkelijk eengemaakte markt moet nastreven en deze moet behandelen als gemeenschappelijk vermogensbestanddeel van alle burgers, marktdeelnemers en lidstaten, en overwegende dat het potentieel van de interne markt alleen volledig kan worden benut wanneer alle lidstaten er ten volle achter staan en met elkaar samenwerken;

G.

overwegende dat de normen en het optreden van de EU moeten worden ingepast in een samenhangende strategische visie en dus met elkaar moeten stroken en geen tegenstrijdigheden mogen vertonen; overwegende dat de lidstaten geen discriminerende maatregelen dienen te nemen zoals handels- en belastingwetten die alleen betrekking hebben op bepaalde sectoren of bedrijfsmodellen en die de concurrentie verstoren, waardoor het voor buitenlandse bedrijven moeilijk wordt om zich in een bepaalde lidstaat te vestigen, hetgeen een duidelijke inbreuk vormt op de beginselen van de interne markt;

H.

overwegende dat de interne markt niet geïsoleerd van andere horizontale beleidsterreinen moet worden bekeken, met name de digitale interne markt, gezondheidszorg, sociale en consumentenbescherming, duurzame ontwikkeling, energie, vervoer en extern beleid;

I.

overwegende dat de voltooiing van de interne markt voor goederen en diensten en het wegnemen van obstakels een topprioriteit is die een „fast track”-benadering van de lidstaten en de EU-instellingen vergt;

J.

overwegende dat obstakels op de interne markt voor de consumenten leiden tot minder keuze en duurdere goederen en diensten;

K.

overwegende dat ondernemingen in de sociale economie op Europees niveau slechts in geringe mate erkenning vinden en dat het merendeel van deze ondernemingen niet in een wettelijk kader op Europees niveau wordt erkend, maar slechts op nationaal niveau in sommige lidstaten, onder verschillende rechtsvormen; overwegende dat het ontbreken van een dergelijk Europees wettelijk kader hun vermogen om binnen de interne markt grensoverschrijdend te opereren belemmert;

L.

overwegende dat namaak een grote bedreiging vormt voor de volksgezondheid en de openbare veiligheid en dat de wereldwijde handel in namaakproducten de afgelopen jaren is toegenomen, waardoor het schadelijke effect van namaak op innovatie, werkgelegenheid en imago van de Europese ondernemingen verder versterkt wordt;

M.

overwegende dat de totstandbrenging van een uniforme kapitaalmarkt zou bijdragen tot een betere grensoverschrijdende risicospreiding en tot meer liquide markten;

N.

overwegende dat uit het samenvattend verslag van de raadpleging van de Commissie inzake geoblockingpraktijken blijkt dat consumenten warm voorstander zijn van wetgevingsmaatregelen tegen geoblocking;

O.

overwegende dat de economische gevolgen van de financiële crisis nog steeds voelbaar zijn en dat het bbp in diverse lidstaten nog altijd beneden het niveau ligt van 2008;

P.

overwegende dat de interne markt wordt gekenmerkt door aanhoudend hoge werkloosheidspercentages; overwegende het aantal werklozen sinds de financiële crisis met meer dan 6 miljoen is toegenomen; overwegende dat de Unie eind 2015 meer dan 22 miljoen werklozen telde;

Beleidsdoelstellingen

1.

stelt zich achter de algemene doelstellingen van de internemarktstrategie van de Commissie voor goederen en diensten: „De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen”, en onderschrijft haar belangrijkste acties om het volle potentieel van de interne markt vrij te maken in het belang van consumenten, werknemers en ondernemingen, met name startende ondernemers, van meer duurzame werkgelegenheid en omwille van de groei en ontwikkeling van kmo's; spoort de Commissie aan tot horizontale beleidsmaatregelen die gericht zijn op een eerlijker en competitievere interne markt, overeenkomstig Titel II van het VWEU over algemeen toepasselijke bepalingen;

2.

merkt op dat de totstandbrenging van een interne markt waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal wordt gewaarborgd, een wezenlijke doelstelling is van de Unie;

3.

stelt met voldoening vast dat de strategie bedoeld is om de inspanningen op andere terreinen aan te vullen; gelooft dat de strategie door verbeteren van reeds ondernomen initiatieven, goede mogelijkheden biedt om economische voorspoed te helpen bewerkstelligen, duurzame werkgelegenheid en groei te doen toenemen, het welzijn van de Europese burgers door middel van concrete maatregelen te verbeteren en de Europese Unie aantrekkelijk te maken voor investeerders en het Europese bedrijfsleven concurrerender te maken op mondiaal niveau; benadrukt evenwel dat bij de tenuitvoerlegging van deze strategie inconsistenties en overlappingen tussen de verschillende initiatieven moeten worden voorkomen; onderstreept dat voorstellen feitelijk moeten zijn onderbouwd en aan de beginselen van betere regelgeving moeten beantwoorden;

4.

onderstreept dat het dringend zaak is de resterende belemmeringen voor de interne markt te verwijderen zodat tastbare en snelle resultaten kunnen worden behaald waar het gaat om concurrentievermogen, groei, onderzoek, innovatie, banenschepping, consumentenkeuze en nieuwe bedrijfsmodellen; is van mening dat er om deze doelstellingen te bereiken moet worden gestreefd naar meer harmonisering van wetgeving, waar nodig en dienstig, met behoud van een zo hoog mogelijk niveau van consumentenbescherming, en de nodige actie moet worden ondernomen tegen ongerechtvaardigde obstakels die door lidstaten worden opgeworpen;

5.

is van mening dat bij de tussentijdse herziening van de EU 2020-strategie ambitieuze doelen moeten worden gesteld om voor 2020 een hoog competitieve sociale markteconomie en duurzame groei te verwezenlijken; benadrukt dat de interne markt centraal zou moeten staan bij het verwezenlijken van dat doel;

6.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan vernieuwend te werk te gaan bij de tenuitvoerlegging van de internemarktwetgeving; wijst met klem op het grote potentieel dat arbeidsintensieve sectoren zoals de retailsector en de horeca bieden voor het scheppen van banen, integratie en de aanpak van jeugdwerkloosheid;

7.

is van mening dat het verslag-Monti van 2010 getiteld „Een nieuwe strategie voor de interne markt” volledig ten uitvoer moet worden gelegd en in aanmerking moet worden genomen tijdens de werkzaamheden omtrent de internemarktstrategie;

8.

benadrukt dat de strategie voor de interne markt niet voorbij mag gaan aan het potentieel van de industriesector als het gaat om duurzame groei en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid in Europa;

9.

is van mening dat de binnenlandse vraag — en in het bijzonder het versterken van de koopkracht, het treffen van innovatieve maatregelen en het investeren in de groene economie — essentieel is om het potentieel van de interne markt ten volle te benutten en duurzame groei te bevorderen;

Een moderne en meer innovatieve interne markt

10.

stelt met voldoening vast dat de strategie zich richt op aspecten die bedrijven, met name kmo's, micro-ondernemingen en starters, mede in staat stellen hun activiteiten uit te breiden, en op de interne markt te groeien en zich staande te houden, wat de innovatie en banenschepping ten goede komt; onderstreept dat alle initiatieven ten behoeve van kmo's en startende ondernemingen om onmiddellijke actie vragen en als prioriteit te beschouwen zijn, maar herinnert eraan dat deze initiatieven oneerlijke bedrijven geen kansen mogen bieden om bestaande regels te omzeilen, geen verlaging van de normen voor werknemers en consumenten teweeg mogen brengen, en het risico op bedrijfsfraude, criminele activiteiten en brievenbusmaatschappijen niet mogen vergroten;

11.

is van mening dat de strategie voor de interne markt nieuwe kansen kan bieden aan kmo's, die de ruggegraat van de economieën van de EU vormen, en aan micro-ondernemingen en innoverende start-ups; is van mening dat de totstandbrenging van een gunstig ondernemingsklimaat, door middel van betere kaders inzake particuliere participatie voor kmo's, bevordering van de toegang tot financiering, de ontwikkeling van degelijke wetgeving en de consequente toepassing van het „denk eerst klein”-principe in de hele interne markt, van essentieel belang is en de groei en het scheppen van werkgelegenheid zou kunnen ondersteunen;

12.

is van mening dat het essentieel is voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de strategie voor de interne markt dat de administratieve lasten worden gereduceerd, evenals de nalevingskosten voor ondernemingen, in het bijzonder voor kmo's, en dat overbodige wetgeving wordt ingetrokken, zonder dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan de hoge normen inzake de bescherming van de consument, de werknemer, de gezondheid en het milieu;

13.

acht het nodig dat wordt nagedacht over mogelijke objectieve criteria en indicatoren voor een definitie van „innovatieve” starters, kmo's en ondernemingen in de sociale economie, die als referentiepunt kunnen dienen voor de ter zake te treffen maatregelen; vraagt de Commissie met voorstellen te komen voor zo'n definitie;

14.

benadrukt dat het nodig is om ondernemingen in de sociale economie binnen het internemarktbeleid te stimuleren, gezien het feit dat er in de EU circa 2 miljoen ondernemingen in de sociale economie zijn, ongeveer 10-12 % van alle Europese ondernemingen; benadrukt voorts dat de sociale economie snel groeit, kwalitatief hoogwaardige producten en diensten levert en voorziet in kwaliteitsbanen;

15.

vraagt de Commissie om het REFIT-platform iets te laten doen aan de barrières die innovatie in de weg staan, en, in aanvulling op het voorstel voor de oprichting van een Europese innovatieraad, met voorstellen te komen voor manieren om die te verkleinen of op te ruimen; benadrukt dat dit proces niet mag leiden tot minder werkgelegenheid, minder consumentenbescherming en lagere milieunormen; is van mening dat om betere wetgeving te waarborgen bestaande wetgeving moet worden geëvalueerd en, waar nodig, vereenvoudigd, om haar op de doelstellingen af te stemmen, terwijl alle nieuwe wetgeving standaard toekomstbestendig en digitaal moet zijn, en gebaseerd op het „denk eerst klein”-beginsel;

16.

wijst erop dat goede regelgeving zowel ondernemingen als werknemers ten goede kan komen en bovendien de economische groei en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid op de interne markt kan helpen bevorderen; neemt kennis van de agenda voor betere regelgeving van de Commissie, die onder meer voorziet in grotere betrokkenheid van belanghebbenden, bijvoorbeeld door middel van het REFIT-platform, en betere effectbeoordelingen; benadrukt dat het belangrijk is om niet alleen de kortetermijneffecten te onderzoeken, maar tevens na te gaan wat de langetermijnwaarde van de regelgeving is en wat de gevolgen zijn van het niet uitvaardigen van wetten; is van mening dat betere, doeltreffendere en eenvoudigere wetgeving de administratieve lasten zal verminderen en groei en werkgelegenheid zal stimuleren, zonder dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan de hoge normen inzake de bescherming van de consument, de werknemer, de gezondheid en het milieu;

17.

is van mening dat verdere ontwikkeling van de interne markt het wegnemen van handelsbarrières tussen de lidstaten vereist; onderschrijft de Europese verklaring van concurrentievermogen van februari 2016, in het bijzonder de toezegging om wetgeving te vereenvoudigen en de lasten te verlichten, om meer te doen om de algehele regelgevingslasten van EU-wetgeving, met name voor kmo’s, te verminderen, en om, waar mogelijk, streefdoelen voor lastenvermindering in specifieke sectoren vast te stellen; pleit ervoor de werkzaamheden voor het vaststellen van dergelijke streefdoelen voor lastenvermindering onmiddellijk te laten beginnen;

18.

is van mening dat de EU, om de doelstellingen van de interne markt te verwezenlijken en groei en werkgelegenheid te creëren, haar concurrentievermogen moet versterken aan de hand van de lijnen die zijn uitgezet in de verklaring van de Europese Raad over concurrentievermogen;

19.

is verheugd over de vastbeslotenheid van de Commissie om iets te doen aan het gebrek aan coördinatie op belastinggebied binnen de EU en in het bijzonder aan de moeilijkheden die de kmo's ondervinden door complicaties met uiteenlopende nationale btw-regels; betuigt de Commissie zijn volle steun bij de btw-hervorming; verzoekt de Commissie na te denken over de vraag hoe de nieuwe regels voor btw op digitale diensten met betrekking tot de plaats van levering kunnen worden gewijzigd om te tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van kleine en micro-ondernemingen; vraagt de Commissie de haalbaarheid na te gaan van verdergaande coördinatie en met name de mogelijkheid te verkennen van een vereenvoudigde btw-aanpak (voor dezelfde categorie goederen) in de e-handelssector;

20.

schaart zich achter het streven van de Commissie om voor fiscale rechtvaardigheid in de Europese Unie te zorgen en agressieve belastingplanning en praktijken ter vermijding van belasting te bestrijden; spoort de Commissie aan haar aandacht te richten op de ontwikkeling van een rapportageplicht per land voor transnationale ondernemingen;

21.

wijst op de moeilijkheden die het bedrijfsleven, meer bepaaldelijk de kmo's en startende ondernemingen, ondervinden bij het verkrijgen van financiering; benadrukt dat verschillen in externe factoren, zoals het gemak waarmee toegang tot krediet wordt verkregen, de fiscale stelsels en de arbeidsvoorschriften, ertoe leiden dat sommige kmo's benadeeld worden ten opzichte van andere; vraagt de Commissie om die ondernemingen haar waardevolle steun te blijven bieden via het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en programma's als Horizon 2020, Cosme en de ESI-fondsen, en tegelijkertijd om te zien naar manieren waarmee de toegang tot deze en andere programma's en instrumenten, voor met name micro-ondernemingen nog meer kan worden vergemakkelijkt, bijvoorbeeld door aanvraagtermijnen te bekorten tot zes maanden, de desbetreffende procedures verder te vereenvoudigen en de zichtbaarheid van financiering met Europese middelen te vergroten; acht het een goede zaak dat de Commissie middelen van het COSME-programma wil gebruiken voor de financiering van informatiecampagnes voor innoverende jonge kmo's; dringt erop aan alle regionale en plaatselijke autoriteiten bij deze campagnes te betrekken die verantwoordelijk zijn voor het begeleiden van bedrijven, met name de bedrijven die deel uitmaken van het Enterprise Europe Network; is van mening dat vereenvoudiging een cruciaal element is om de toegang van kmo’s en startende ondernemingen tot financiering te bevorderen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat crowdfunding probleemloos over de grenzen heen mogelijk is;

22.

vraagt de Commissie haar gedachten te laten gaan over versterking van het netwerk van kmo-gezanten, door middel van een aantal acties — met vermijding van nog meer bureaucratie — waarmee onder de kmo's meer bekendheid en zichtbaarheid aan dit instrument moet worden gegeven, en de uitwisseling tussen de respectieve nationale netwerken van kmo-gezanten en de kmo-vertegenwoordigers moet worden geïntensiveerd, en van de activiteiten van het netwerk eenmaal per jaar aan het Parlement verslag te doen;

23.

wijst erop dat, hoewel het Europees Parlement de richtlijn inzake de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties in februari 2011 heeft goedgekeurd, elk jaar duizenden kmo's overal in Europa failliet gaan doordat hun debiteuren, waaronder ook nationale overheidsinstanties, op betaling van hun facturen laten wachten; vraagt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen op te voeren om de toepassing en handhaving van de Richtlijn betalingsachterstand te vergemakkelijken; vraagt de lidstaten voorts om voor het geval van een onbevredigende uitvoering van de betalingsachterstand-richtlijn te denken aan vormen van adequate bescherming voor ondernemingen die van een overheidsinstantie geld te vorderen hebben, zodat zij niet failliet hoeven te gaan als gevolg daarvan;

24.

neemt met waardering kennis van het wetgevingsvoorstel inzake ondernemingsinsolventie, met bepalingen inzake vroege herstructurering en tweede kansen, dat ervoor zorgt dat de lidstaten voorzien in een regelgevingsklimaat waarin wordt aanvaard dat mislukkingen zich nu eenmaal kunnen voordoen en innovatie wordt gestimuleerd, maar herinnert eraan dat de kosten en gevolgen van falende ondernemingen niet alleen de eigenaar en aandeelhouders van een bedrijf treffen, maar ook de crediteuren, werknemers, burgers en belastingbetalers; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat met dit initiatief insolventieprocedures in de hele EU worden geharmoniseerd en de lengte en de kosten van deze procedures worden beperkt;

25.

betreurt dat de Commissie niet genoeg nadruk heeft gelegd op de specifieke rol van de traditionele verwerkende industrie en kmo’s, die een belangrijke bijdrage leveren aan zowel het concurrentievermogen als de economische stabiliteit in Europa; spoort de Commissie aan om het potentieel van de digitalisering van en innovatie door de verwerkende industrie, en met name door micro- en kleine verwerkende ondernemingen en startende ondernemingen, volledig te benutten, alsook om in de minder geïndustrialiseerde regio’s te helpen de regionale ongelijkheid te verminderen en de lokale economieën opnieuw tot bloei te brengen; is van mening dat een sterker beleid ten aanzien van kmo’s en ambachtelijke bedrijven de komende jaren een van de topprioriteiten van alle Europese instellingen en de lidstaten zou moeten zijn;

26.

is ingenomen met het initiatief van de Commissie voor één digitale toegangspoort die moet worden gebaseerd op bestaande één-loketsystemen in het kader van de dienstenrichtlijn en moet worden verbonden met andere soortgelijke internemarktnetwerken; vraagt de Commissie om alle mogelijkheden na te gaan voor een zo goed mogelijk gebruik van die enige digitale toegangspoort waardoor Europese startende ondernemingen geholpen worden in Europa tot schaalvergroting te komen en zich meer internationaal te oriënteren, door accurate en duidelijke informatie in verschillende talen te verstrekken over alle nodige procedures en formaliteiten om in eigen land of in een ander EU-land te opereren; dringt er bij de Commissie op aan om één loket voor bedrijven en consumenten te creëren met toegang tot alle informatie, bijstand en probleemoplossing betreffende de interne markt en tot de nodige nationale en EU-brede procedures voor grensoverschrijdende activiteiten in de EU; vraagt de Commissie dringend hieraan snel uitvoering te geven;

27.

wijst erop dat bedrijven, met name kmo’s, ofwel niet op de hoogte zijn van de regels die in andere lidstaten gelden ofwel moeilijkheden ondervinden bij het vinden en begrijpen van de informatie over de regels en procedures die op hun bedrijf van toepassing zijn; dringt er bij de Commissie op aan alle verschillende webportalen, toegangspunten en informatiewebsites samen te brengen in een centrale toegangspoort waar kmo’s en startende ondernemingen gebruiksvriendelijke informatie kunnen krijgen zodat zij weloverwogen besluiten kunnen nemen, en tijd en kosten kunnen besparen;

28.

dringt er bij de Commissie op aan de onestopshops om te vormen van een regelgevingswebportaal tot een systeem van volledig uitgeruste onlinebedrijfsportalen waar regelmatige uitwisseling van informatie door en tussen bedrijfsvertegenwoordigers wordt aangemoedigd en door middel waarvan nationale bedrijven en burgers worden geholpen om in andere EU-landen te concurreren;

29.

herinnert eraan dat het belangrijk is om de bestaande instrumenten van de interne markt voor kmo's te versterken en te stroomlijnen, teneinde de grensoverschrijdende expansie van kmo's te vereenvoudigen; verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem meer nadruk te leggen op het stroomlijnen en verbeteren van de productcontactpunten en de éénloketsystemen;

30.

herinnert eraan dat de consument eenzelfde beschermingsniveau moet worden geboden, ongeacht of de handel wel of niet via internet plaatsvindt; benadrukt dat alle economische actoren op de interne markt, zij het op internet of daarbuiten, alle redelijke en adequate maatregelen moeten treffen om namaak te bestrijden teneinde de bescherming van de consument en de veiligheid van producten te waarborgen;

31.

benadrukt dat de deeleconomie snel groeit en dat zij, aangezien zij verandering brengt in de manier waarop veel diensten en goederen worden geleverd en geconsumeerd, innovatie kan aanjagen en het potentieel heeft om bedrijven en consumenten aanvullende voordelen en kansen te bieden op de interne markt; benadrukt de economische, maatschappelijke en ecologische voordelen en uitdagingen die de deeleconomie brengt; dringt er bij de Commissie op aan de inspanningen van de lidstaten te coördineren bij het vinden van wetgevingsoplossingen voor de korte of lange termijn ten aanzien van de deeleconomie; verzoekt de Commissie en de lidstaten met voorstellen te komen om misbruik op arbeidsrechtelijk of fiscaal gebied in de deeleconomie te verhinderen;

32.

verwelkomt het door de Commissie aangekondigde initiatief inzake de deeleconomie, en haar voornemen om de in dat segment gevestigde bedrijven nader te bezien, en door middel van richtsnoeren duidelijkheid te verschaffen over de wisselwerking tussen de bepalingen van bestaande EU-wetgeving en de toepassing ervan op en de functionering van bedrijfsmodellen van de deeleconomie; is van mening dat regelgeving op dit terrein gekenmerkt moet worden door voldoende flexibiliteit om onmiddellijk te kunnen worden aangepast aan en toegepast in een snel veranderende sector die behoefte heeft aan snelle en doeltreffende aanpassingen; benadrukt dat bestaande normen voor consumentenbescherming ook in de deeleconomie moeten worden toegepast en gehandhaafd; dringt er bij de Commissie op de best mogelijke voorwaarden voor de deeleconomie te garanderen, zodat deze tot ontwikkeling en bloei kan komen;

33.

benadrukt dat nieuwe veiligheidskenmerken waarin de deeleconomie voorziet zoals de veiligheid van betalingen, geo-lokalisering en verzekeringen, de positie van consumenten versterken en daarom vragen om een beoordeling van de vraag in welke gevallen ex post rechtsmiddelen effectiever zouden zijn dan ex ante wetgeving; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan publiek-private samenwerking verder te stimuleren, teneinde de bestaande belemmeringen in de deeleconomie weg te nemen, met name wat betreft het toegenomen gebruik van digitale identiteit om het vertrouwen van consumenten in onlinetransacties te vergroten, de ontwikkeling van digitale oplossingen voor het betalen van belasting, grensoverschrijdende verzekeringsregelingen en de modernisering van arbeidswetgeving;

34.

meent dat in de deeleconomie de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen, innovatieve diensten en het tijdelijk gebruik van activa moeten worden aangemoedigd, waarbij wel voor dezelfde diensten dezelfde regels moeten gelden, zodat een hoge kwaliteit van dienstverlening gewaarborgd blijft, ongeacht hoe de toegang tot die diensten en de verlening ervan is georganiseerd, en gezorgd wordt voor een gelijk speelveld, veiligheid voor de consument, onder vermijding van versnippering die de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen zou belemmeren; meent stellig dat ten aanzien van de deeleconomie alleen een internemarktaanpak kan worden gehanteerd, aangezien versnippering van de interne markt als gevolg van lokale of nationale regelgeving het Europese bedrijven van de deeleconomie belet om op Europees niveau aan schaalvergroting te doen;

35.

brengt de belangrijke rol onder de aandacht van technische normen op het niveau van de EU voor innovatie, concurrentiekracht en vooruitgang op de interne markt; wijst erop dat er tijdig meer hoge Europese normen inzake kwaliteit, interoperabiliteit en veiligheid moeten worden ontwikkeld ter bevordering van het industriebeleid van de EU en dat die normen ook internationaal moeten worden bevorderd; vraagt de Commissie dringend zich sterk te maken en te ijveren voor Europese normen, zoals reeds voorzien in Verordening (EU) nr. 1025/2012, en het kader voor standaardisering efficiënter te maken en beter op zijn doel toegesneden, onder meer door gebruikmaking van de gelegenheid die door internationale handelsbesprekingen worden geboden; beklemtoont dat normen op een marktgestuurde open, inclusieve en competitieve manier proces moeten worden bepaald, zodat zij door kmo's gemakkelijk te hanteren zijn en het risico van gesloten waardeketens wordt vermeden, terwijl de publicatie ervan desondanks geen vertraging mag lijden;

36.

onderstreept de belangrijke rol van standaardiseringssysteem voor het vrije verkeer van producten en, in steeds grotere mate, diensten; neemt ter kennis dat het vrijwillige gebruik van normen tussen de 0,3 % en 1,0 % aan het bbp in Europa bijdraagt en ook een positieve bijdrage aan de arbeidsproductiviteit levert;

37.

herinnert eraan dat verreweg de meeste normen worden ontwikkeld in reactie op een door het bedrijfsleven geïdentificeerde behoefte, na een „bottom-up”-benadering die beoogt ervoor te zorgen dat de normen relevant zijn voor de markt; steunt de toezegging in de strategie voor de interne markt dat Europa een voortrekkersrol zal blijven vervullen bij de mondiale ontwikkeling van normen; juicht standaardisering toe die verenigbaar is met een internationale benadering middels hetzij de ontwikkeling van mondiale internationale normen, hetzij de erkenning, in voorkomend geval, van equivalente internationale normen; neemt kennis van het voornemen om in het kader van een gemeenschappelijk initiatief voor standaardisering een kader en prioriteiten voor standaardisering vast te stellen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het gemeenschappelijk initiatief gestoeld blijft op een „bottom-up”-benadering waarbij de behoeften van het bedrijfsleven leidend zijn, en derhalve prioriteit toekent en tot normen leidt die aansluiten bij de geïdentificeerde behoeften en die relevant zijn voor de markt, en niet resulteert in onnodige normen of vereisten die niet consistent zijn met andere terzake vastgestelde normen;

38.

stelt vast dat het voorstel betreffende een gemeenschappelijk initiatief voor Europese standaardisering voortbouwt op de onafhankelijke toetsing van het Europese standaardiseringssysteem, en stemt in met de bedoeling om de Europese standaardiseringsgemeenschap acties te laten ontwikkelen die het hele systeem ten goede komen, inclusief aanbevelingen betreffende inclusiviteit en ondersteuning van het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven;

39.

verzoekt de Commissie de Europese standaardiseringsorganisaties (ESO's) en hun nationale tegenhangers te helpen bij hun inspanningen gericht op het vergroten van de betrokkenheid van kmo's bij zowel het proces van het vaststellen van normen zelf, als de acceptatie van de normen nadat deze zijn vastgesteld; verzoekt de Commissie daarnaast nauw met de ESO's, de nationale standaardiseringsorganisaties en anderen samen te werken bij het verbeteren van de transparantie van het standaardiseringsproces, daarmee uitvoering gevend aan de toezeggingen in het werkprogramma voor Europese standaardisering voor 2016 en de onderliggende verordening;

40.

is van oordeel dat de gemeenschappelijke initiatieven zich moeten richten op het voortdurend verbeteren van de werkpraktijken, met name door het ontwikkelen van procedures voor het toetsen van de samenstelling van technische comités en van maatregelen voor het bevorderen van openheid en inclusiviteit, waardoor een breed scala aan betrokken partijen aan de discussies in de technische comités zal kunnen deelnemen;

41.

is van oordeel dat een transparanter een toegankelijker mechanisme voor het aantekenen van beroep tot meer vertrouwen zou leiden en het standaardiseringsproces in het algemeen ten goede zou komen; is van oordeel dat wanneer de Commissie in het verlengde van de vaststelling van EU-wetgeving om de vaststelling van een norm vraagt de ter zake bevoegde commissie van het Parlement een rol zou kunnen spelen in het proces van publieke toetsing en debat, voorafgaand aan — in voorkomend geval — de formulering van een negatief standpunt; onderstreept dat bij besluiten betreffende het aan standaardiseringsinstanties voorleggen van standaardiseringsverzoeken een proportionele en op risico's gebaseerde benadering moet worden gevolgd;

42.

is van oordeel dat het vergroten van de openheid in verband met ontwerpnormen voorafgaand aan de definitieve goedkeuring ervan de verantwoordingsplicht en de transparantie ten goede zou komen en tot een robuuster proces zou leiden, in overeenstemming met de goede praktijken van de Europese standaardiseringsgemeenschap;

43.

verzoekt de Commissie voor eind 2016 verslag uit te brengen aan het Parlement over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk initiatief inzake Europese standaardisering, alsmede over de voortgang die de Europese standaardiseringsgemeenschap geboekt heeft wat betreft de implementatie van de aanbevelingen in het werkprogramma van de Unie voor 2016;

44.

doet een beroep op de Commissie, aangezien zij verantwoordelijk is voor de mededinging op de interne markt, om in samenwerking met de nationale toezichtautoriteiten te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden voor de concurrenten die de markt bedienen;

45.

is ingenomen met de recente initiatieven voor efficiëntere en transparantere openbare aanbestedingsprocedures, door een beter gebruik van aanbestedingsgegevens en meer vrijwillige evaluaties van de aanbestedingsprocedures voor bepaalde grootschalige infrastructuurprojecten; dringt er bij de lidstaten op aan op aan met de lidstaten samen te werken om deze initiatieven ten uitvoer te leggen;

46.

hoopt dat de Commissie de hervorming van het systeem van openbare aanbestedingen zal voortzetten, waarmee met de richtlijnen uit 2014 een begin is gemaakt en stappen zijn gezet in de richting van een toenemende specificering van de vraag op het gebied van aanbestedingen, teneinde technologische innovatie en energie-efficiëntie te belonen;

47.

stelt vast dat de nieuwe (uit 2014 stammende) aanbestedingsregels minder omslachtig zijn en meer flexibiliteit bieden, en daarmee beter aansluiten bij overheidsbeleid op andere terreinen en bij nationale en/of plaatselijke bijzondere omstandigheden; wijst erop dat er bij overheidsopdrachten in de lidstaten nog steeds sprake is van aanzienlijke ondoelmatigheid die grensoverschrijdende uitbreiding en groei op de binnenlandse markt beperkt houdt;

48.

is in principe ingenomen met de door de Commissie aangekondigde initiatieven ten behoeve van meer transparantie, efficiëntie en verantwoordingsplicht bij de gunning van overheidsopdrachten; benadrukt evenwel dat de omzetting en toepassing van de nieuwe EU-richtlijnen voorrang moeten krijgen vóór de invoering van nieuwe instrumenten zoals het aanbestedingsregister; onderstreept tegen deze achtergrond dat eventuele instrumenten voor gegevensanalyse niet tot nieuwe of bijkomende verslagleggingsplichten mogen leiden; wijst erop dat een ex-ante-beoordelingsmechanisme voor grote infrastructuurprojecten zuiver vrijwillig zou moeten zijn;

49.

onderstreept dat er behoefte is aan een volledig elektronisch systeem voor openbare aanbesteding; wijst erop dat de richtlijn voor openbare aanbesteding snel en volledig in haar geheel ten uitvoer moet worden gelegd; wijst erop dat ruimschaliger gebruik van e-aanbestedingen nodig is om de markten voor kmo's te openen;

50.

benadrukt het belang van het eenheidsoctrooi; staat achter het voornemen van de Commissie tot opheffen van de onzekerheid omtrent het naast elkaar bestaan van het eenheidsoctrooi, nationale octrooien en aanvullende beschermingscertificaten (SPC's, supplementary protection certificates), en omtrent mogelijke invoering van een eengemaakt SPC-recht, met inachtneming van de volksgezondheid en de patiëntenbelangen;

51.

spoort de Commissie aan om vóór 2019 een ontheffing van de SPC-verplichting te introduceren om het mondiale concurrentievermogen van de Europese sector van generieke en biosimilaire geneesmiddelen te vergroten, alsook om in de EU voor nieuwe banen en groei te zorgen, zonder evenwel ondermijning van de marktexclusiviteit die in het kader van de SPC-regeling in beschermde markten wordt toegekend; is van oordeel dat dergelijke bepalingen een positieve invloed zouden kunnen hebben op de toegang tot kwalitatief hoogwaardige geneesmiddelen in ontwikkelings- en de minst ontwikkelde landen, en ertoe kunnen bijdragen dat productie niet naar elders wordt verplaatst;

52.

dringt aan op maatregelen ter vergemakkelijking van het octrooistelsel in Europa voor alle micro-ondernemingen en kmo's die gebruik willen maken van het Europees octrooi met eenheidswerking bij het innoveren van hun producten en procedés, onder meer door verlaging van de verschuldigde taksen bij aanvraag of verlenging van een octrooi of hulp bij het vertalen van documenten; benadrukt het belang van zowel standaard-essentiële octrooien (SEP's) als oplossingen op het vlak van innovatieve open licentieverlening die soms meer draagvlak bieden voor innovatie; herinnert eraan dat octrooilicentie-overeenkomsten, binnen de perken van de Europese concurrentiewetgeving, onder eerlijke, redelijke en niet-discriminerende licentievoorwaarden (FRAND), belangrijk zijn voor het behoud van O&O en standaardiseringsprikkels, de bevordering van innovatie en de verzekering van eerlijke licentievoorwaarden;

53.

vraagt de Commissie op zo kort mogelijke termijn een wetgevingsvoorstel in te dienen voor invoering van een enkel Europees systeem voor bescherming van geografische aanduidingen voor niet-landbouwproducten in de EU — iets waar het Parlement al lang op aandringt — , teneinde tot een Europees systeem te komen en daarmee een eind te maken aan de huidige, inadequate en uitermate versnipperde situatie in Europa, hetgeen veel positieve gevolgen zou hebben voor burgers, consumenten, producenten en het Europese sociaal-economische klimaat in het algemeen; benadrukt dat zo'n instrument de mogelijkheid zou bieden om de meerwaarde van talrijke lokale producten expliciet onder de aandacht te brengen, wat evidente voordelen oplevert voor de producenten, de betrokken regio en het consumentenbewustzijn;

54.

wijst erop dat het potentieel dat publiek-private partnerschappen met zich meebrengen in de meeste Europese lidstaten niet voldoende wordt aangesproken; roept op om de kadernormen voor publiek-private partnerschappen in de lidstaten te harmoniseren, goede praktijken te verspreiden en deze formule te bevorderen;

55.

roept de lidstaten op structuren op te zetten om grensarbeiders te adviseren en bij te staan in verband met de economische en sociale gevolgen die voortvloeien uit het feit dat ze in een andere lidstaat werken;

56.

stelt vast dat de verdieping van de interne markt en de digitale interne markt nieuwe kansen en uitdagingen met zich mee kan brengen en vragen op zal roepen wat betreft vaardigheden, nieuwe vormen van werk, financiële structuren, sociale bescherming, en gezondheid en veiligheid op het werk, en dat hierop moet worden ingegaan; meent dat deze verdieping in gelijke mate ten goede moet komen aan werknemers, ondernemingen en consumenten;

57.

vindt het jammer dat in de strategie voor de interne markt geen specifieke aandacht wordt besteed aan de discrepantie tussen het aanbod van en de vraag naar vaardigheden, die nog altijd een belemmering vormt voor groei op de interne markt; stelt met bezorgdheid vast dat tussen 40 % — 47 % van de bevolking in de EU over onvoldoende digitale vaardigheden beschikt en dat de vraag naar digitaal vaardige werknemers jaarlijks met 4 % toeneemt, terwijl de overheidsuitgaven voor onderwijs sinds 2010 met 3,2 % zijn afgenomen; wijst erop dat als gevolg hiervan de concurrentiepositie van de EU op de middellange termijn alsook de inzetbaarheid van haar beroepsbevolking bedreigd worden; spoort de lidstaten aan te investeren in digitaal onderwijs en digitale vaardigheden;

58.

wijst erop dat met het maatregelenpakket voor arbeidsmobiliteit wordt beoogd bij te dragen tot het verdiepen en eerlijker maken van de interne markt; benadrukt evenwel dat ervoor moet worden gezorgd dat de maatregelen van dit pakket evenredig zijn en rekening houden met de gevolgen van het verschijnsel dat mobiliteit in belangrijke mate op bepaalde regio's kan zijn gericht;

59.

wijst op de steun van de Commissie voor duale onderwijsstelsels, die naast de bevordering van persoonlijke ontwikkeling kunnen helpen om de vaardigheden en kwalificaties van Europese werknemers beter af te stemmen op de reële behoeften van de arbeidsmarkt; onderstreept dat duale onderwijsstelsels in geen geval nadelen mogen ondervinden van de strategie, terwijl de kwaliteit van stages en met name de arbeidsbescherming moeten worden gewaarborgd; wijst op de belangrijke rol die de sociale partners spelen bij de ontwikkeling van duale onderwijsstelsels; is van mening dat een duaal onderwijsstelsel in een bepaalde lidstaat niet eenvoudigweg kan worden gekopieerd in een andere lidstaat, maar dat er in Europees verband wel aandacht moet worden besteed aan de sterke onderlinge samenhang tussen duaal onderwijs en jeugdwerkgelegenheid;

60.

is voorstander van maatregelen om de hiaten in de antidiscriminatiewetgeving van de EU op te vullen die verband houden met werkgelegenheid, in het bijzonder ten aanzien van personen met beperkingen; steunt voorts de onverwijlde tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

61.

is ingenomen met de oprichting van een platform tegen zwartwerk en spoort de lidstaten en de sociale partners in het bijzonder aan er volop in te investeren om een meer doeltreffende strijd te kunnen voeren tegen zwartwerk en schijnzelfstandigheid;

62.

hamert erop dat om de mogelijkheden te benutten die voortvloeien uit de digitalisering van banen, er gezorgd moet worden voor veilige, flexibele werktijdregelingen, stabiele arbeidsomstandigheden en sociale bescherming, terwijl ‘het slimme werken’ moet worden bevorderd teneinde de productiviteit en het evenwicht tussen privé- en beroepsleven te verbeteren; benadrukt dat het van belang is om in plattelandsgebieden digitale infrastructuur aan te leggen, zodat deze gebieden kunnen profiteren van de talloze kansen die de digitale agenda biedt, bijvoorbeeld telewerken;

63.

onderstreept het belang van sterke en onafhankelijke sociale partners en een doeltreffende sociale dialoog; benadrukt dat de sociale partners in voorkomend geval betrokken moeten worden bij gesprekken over eventuele nationale hervormingen op het gebied van gereglementeerde beroepen;

64.

onderstreept het belang van een sociale dialoog over de kansen en veranderingen die de interne markt op werkgelegenheidsgebied met zich meebrengt;

Een verdiepte eengemaakte markt

65.

verzoekt de Commissie meer te doen op het gebied van de handhaving; wijst erop dat er al veel maatregelen zijn vastgesteld die nog niet goed worden gehandhaafd, waarmee het „level playing field” in de interne markt wordt ondermijnd; wijst er voorts op dat er volgens gegevens die de Commissie medio 2015 bekendmaakte, ongeveer 1 090 inbreukprocedures aanhangig waren die op de interne markt betrekking hadden; vraagt de Commissie om er met het oog op een betere omzetting, toepassing en handhaving van de internemarktwetgeving, voor te zorgen dat de administratieve coördinatie, samenwerking en handhaving op alle niveaus (EU, tussen de lidstaten en nationale, plaatselijke en regionale autoriteiten) prioriteit krijgen door gerichte, op transparante en objectieve criteria stoelende handhavingsmaatregelen te nemen, om te garanderen dat de economisch gezien belangrijkste gevallen van ongerechtvaardigde of disproportionele obstakels worden aangepakt; is met betrekking tot nationale maatregelen of implementatie van mening dat vroegtijdig ingrijpen doeltreffender kan zijn en dat er sneller resultaten mee kunnen worden geboekt dan met inbreukprocedures; onderstreept evenwel dat indien vroegtijdig ingrijpen geen resultaat oplevert de Commissie alle haar ter beschikking staande middelen, inclusief inbreukprocedures, moet inzetten om te garanderen dat de internemarktwetgeving volledig ten uitvoer wordt gelegd;

66.

juicht het toe dat de strategie gericht is op totstandbrenging van een nalevingscultuur en een consequente nultolerantie jegens inbreuken op de regelgeving rond de interne markt; verzoekt de Commissie en de lidstaten te onderzoeken of de bevoegdheden van de Commissie in het kader van de inbreukprocedures niet zouden moeten worden gelijkgetrokken met haar bevoegdheden in het kader van het mededingingsbeleid;

67.

dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten verder te steunen bij de ontwikkeling van een sterke nalevings- en handhavingscultuur, waaronder het bevorderen en verder uitbouwen van het informatiesysteem voor de interne markt (IMI), het uitwerken van omzettingsschema's voor belangrijke nieuwe wetgeving, het organiseren van uitvoeringsdialogen met de lidstaten en opleidingen voor nationale ambtenaren die met handhaving belast zijn, en het stimuleren van effectievere coördinatie tussen nationale toezichthouders; vraagt de lidstaten om met volle inzet de EU-wetgeving toe te passen en te handhaven en het beginsel van wederzijdse erkenning te eerbiedigen; onderstreept dat correcte handhaving en betere regulering essentieel zijn vanwege de versnippering van de interne markt, die de economische bedrijvigheid en de keuze van de consument beperkt, en voor alle economische sectoren en voor bestaande en toekomstige wetgeving moeten gelden;

68.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de onnodige en niet door zwaarwegende redenen in verband het openbaar belang gerechtvaardigde beperkingen in de interne markt in kaart brengen, voorstellen te presenteren over hoe deze uitdagingen, in voorkomend geval, kunnen worden aangepakt en hierover in 2017 verslag uit te brengen;

69.

vraagt de lidstaten de internemarktregels op coherente en consistente wijze om te zetten en deze regels en wetgeving volledig en op de juiste wijze uit te voeren; wijst er nadrukkelijk op dat eisen betreffende extra tests en registraties, de niet-erkenning van certificaten en normen, territoriale leveringsbeperkingen en soortgelijke maatregelen extra kosten voor consumenten en detailhandelaren met zich brengen, waardoor de Europese burgers niet ten volle van de voordelen van de interne markt kunnen profiteren; verzoekt de Commissie tevens, teneinde een goed bestuur te waarborgen, een adequaat beleid ten aanzien van lidstaten te voeren die de internemarktregels niet correct toepassen, door, in voorkomend geval, inbreukprocedures in te leiden en deze via een versnelde procedure te bespoedigen;

70.

is van oordeel dat een stelselmatige, uniforme toepassing en geëigende handhaving van de EU-regels, in combinatie met regelmatig toezicht en evaluaties op basis van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, benchmarking en de uitwisseling van goede praktijken, een absolute „must” zijn voor een meer homogene toepassing van de bestaande internemarktwetgeving; wijst er daarom nog maar eens op dat de Europese regels betreffende de werking van de interne markt in alle lidstaten volledig en correct moeten worden omgezet en geïmplementeerd;

71.

verzoekt de Commissie haar inspanningen op te voeren om mogelijke schendingen van de EU-wetgeving door de lidstaten in een pril stadium op te sporen en zich krachtig te verzetten tegen alle wetgevingsmaatregelen die in de nationale parlementen aangenomen of in behandeling zijn en die versnippering van de interne markt in de hand kunnen werken;

72.

wijst erop dat het engagement en de bereidheid van de lidstaten om de EU-wetgeving behoorlijk ten uitvoer te leggen en toe te passen essentieel is om de interne markt te doen slagen; verzoekt de lidstaten onterechte en disproportionele belemmeringen voor de interne markt te verwijderen en geen discriminerende en protectionistische maatregelen te nemen om banen, groei en concurrentievermogen te bevorderen;

73.

stelt vast dat de lidstaten een centrale rol vervullen bij het goed beheren en goed doen functioneren van de interne markt, en dat zij zich gezamenlijk verantwoordelijk moeten voelen voor en moeten werken aan een proactief beheer van die interne markt, onder andere door het genereren van een nieuwe politieke dynamiek via geconsolideerde verslagen over de „gezondheidstoestand” van de interne markt, regelmatige thematische discussies tijdens bijeenkomsten van de Raad Mededinging, specifiek aan de interne markt gewijde jaarlijkse vergaderingen van de Europese Raad en de opname van de interne markt als een van de pijlers voor governance in het Europees semester;

74.

herhaalt dat de EU haar eigen pakket, op wetenschappelijke gegevens stoelende, onafhankelijke indicatoren voor het meten van de mate van integratie van de interne markt zou kunnen ontwikkelen en als onderdeel van de jaarlijkse groeistrategie zou kunnen publiceren, en roept op tot de goedkeuring van een strategiedocument van de vijf voorzitters/presidenten van de EU-organen met een routekaart voor een werkelijke interne markt;

75.

onderstreept dat de Commissie interne markt en consumentenbescherming van het Europees Parlement haar banden met de nationale parlementen moet aanhalen, teneinde ten aanzien van kwesties in verband met de omzetting en implementatie van de regels betreffende de interne markt voor coördinatie te zorgen en deze aan te pakken;

76.

onderstreept dat versterking van het Solvit-netwerk nodig is, met name door het verbeteren van de interactie tussen Solvit, CHAP, EU Pilot en Enterprise Europe Network (EEN), om het bredere kader van klachtenprocedures in de EU te stroomlijnen, en dat onder burgers en kmo's meer bekendheid moet worden gegeven aan dit netwerk en de rol daarvan voor oplossing van interpretatieproblemen rond de interne markt; is van oordeel dat de Commissie, wanneer zij overdenkt hoe de prioriteiten voor handhavingsmaatregelen moeten worden aangewezen, rekening moet houden met kwesties die in het Solvit-netwerk aan de orde zijn geweest; verzoekt de Commissie de lidstaten meer steun te geven bij het oplossen van de moeilijkste dossiers; verzoekt de lidstaten hun nationale Solvit-centra passend uit te rusten en te positioneren, teneinde hen in staat te stellen zich goed van hun taak te kwijten;

77.

onderstreept dat transparantie ten aanzien van nationale regels van essentieel belang is voor het faciliteren van grensoverschrijdende handel in de interne markt en niet-tarifaire obstakels in kaart helpt brengen; spoort de lidstaten aan hun regels online beter toegankelijk te maken en in meer dan één taal, in belang van een toenemend handelsverkeer, waar allen baat bij hebben;

78.

benadrukt dat de mobiliteit moet worden bevorderd door middel van opleidingen, stages, vaardigheden en inzetbaarheid, en via programma's zoals Erasmus+ en Eures, die miljoenen EU-werknemers de mogelijkheid bieden om waardevolle ervaringen op te doen;

79.

betreurt het dat veel lidstaten het beginsel van wederzijdse erkenning niet goed toepassen; kijkt vooruit naar het voorstel van de Commissie terzake, dat als onderdeel van de versterking van de interne goederenmarkt, het wederzijds vertrouwen moet verbeteren door middel van actie waarmee aan het beginsel van wederzijds vertrouwen meer bekendheid wordt gegeven, naast betere toepassing en handhaving, en door herziening van de verordening inzake wederzijdse erkenning, onder meer met het oog op een verbetering van de instrumenten voor het beslechten van geschillen die ontstaan door een gebrekkige tenuitvoerlegging of toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning; onderstreept dat indien het beginsel van wederzijdse erkenning door de bevoegde autoriteiten in de hele EU correct werd toegepast het bedrijfsleven zich op zijn kerntaak zou kunnen concentreren, te weten zaken doen en het aanzwengelen van groei in de EU, en niet bezig zou hoeven zijn met het overwinnen van de problemen die deze niet-correcte toepassing door de lidstaten met zich meebrengt;

80.

is daarnaast van mening dat de Commissie actiever moet vaststellen welke sectoren een groot potentieel vertegenwoordigen voor grensoverschrijdende handel en digitalisering en in welke sectoren het beginsel van wederzijdse erkenning kan worden toegepast;

81.

verzoekt de Commissie te verduidelijken hoe de voorgestelde marktinformatie-instrumenten zouden moeten werken en wat de rechtsgrond ervoor is;

82.

dringt er nogmaals op aan dat de Raad nu snel zijn goedkeuring hecht aan het Productveiligheids- en markttoezichtspakket en vraagt de Commissie in dit verband haar faciliterende rol bij het zoeken naar oplossingen ten volle waar te maken; onderstreept het belang van passende productinformatie voor de detailverkoop, en met name de aanduiding van het land van herkomst, zo cruciaal voor de bescherming van de consument en bestrijding van productvervalsing;

83.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de sancties op namaak aan te scherpen en erop toe te zien dat de bestaande Europese wetgeving ter zake onverkort wordt toegepast;

84.

benadrukt dat de uiteenlopende regelgeving in de lidstaten op punt van etiketterings- of kwaliteitsvereisten onnodige obstakels opwerpt voor de activiteiten van leveranciers van goederen en voor de bescherming van de consumenten; onderstreept de meerwaarde van milieu-etikettering, vraagt de Commissie om te bezien welke etikettering essentieel is en welke niet om de consument van informatie te verzekeren, en na te denken over invoering van een verplichte regeling voor het verschaffen van essentiële informatie omtrent handgemaakte en industriële producten, zoals bijvoorbeeld op EU-niveau in de meubelsector is overwogen, zodat de consument van essentiële informatie wordt voorzien en voor een gelijke productkwaliteit in de verschillende lidstaten wordt gezorgd; verwacht van een dergelijk initiatief een heilzaam effect voor de consument, de industrie en de handel, doordat het kan zorgen voor transparantie, voor de nodige erkenning voor Europese producten, en voor geharmoniseerde regels voor marktdeelnemers op de interne markt;

85.

benadrukt wat de interne dienstenmarkt betreft, dat er duidelijk behoefte bestaat aan een beter grensoverschrijdend dienstenaanbod, maar dat er tegelijkertijd op moet worden gelet dat sociale dumping niet wordt aangemoedigd; vraagt de lidstaten dringend op een deugdelijke en effectievere toepassing van de dienstenrichtlijn toe te zien, zonder deze met andere regelgeving op te tuigen; is tevreden met het Commissievoorstel voor verbetering van de kennisgevingsprocedure overeenkomstig de dienstenrichtlijn, aangezien de bestaande procedure inefficiënt is en niet transparant; is van mening dat de kennisgeving eerder in het wetgevingsproces moet plaatshebben, om een vroegtijdige feedback van de belanghebbenden en de lidstaten mogelijk te maken en vertragingen bij de vaststelling van nieuwe wetgeving tot een minimum te beperken; stemt in met uitbreiding van de in Richtlijn (EU) 2015/1535 geregelde kennisgevingsprocedure tot alle niet in die richtlijn genoemde sectoren; spreekt zich uit tegen een eventueel voornemen om het toepassingsgebied van de dienstenrichtlijn uit te breiden; vraagt de Commissie om een aanpak van de lasten in verband met de versplinterde bankensector in Europa die niet-ingezetenen problemen bezorgt, met name kmo's die een bankrekening willen openen in een andere lidstaat;

86.

verzoekt de Commissie om ernaar te streven dat de procedure voor de grensoverschrijdende dienstverlening een vereenvoudigde vorm krijgt en gelijkgetrokken wordt, zodat kmo's beter in de interne markt kunnen worden geïntegreerd;

87.

wijst erop dat de eisen aan een evenredige regeling in artikel 16, lid 1, van de dienstenrichtlijn en in de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie duidelijk gedefinieerd zijn; herinnert eraan dat het feit dat een lidstaat minder strenge voorschriften vaststelt dan een andere, niet betekent dat de voorschriften van deze laatste onevenredig en dus niet verenigbaar met het Unierecht zouden zijn; herhaalt dat regelingen die grensoverschrijdende dienstverlening bemoeilijken, belemmeren of onaantrekkelijk maken alleen met de vereisten van de interne markt verenigbaar zijn als zij om dwingende redenen van algemeen belang noodzakelijk zijn, hiertoe ook werkelijk geschikt zijn en de vrijheid van diensten niet meer beperken dan nodig is voor de hiermee nagestreefde bescherming van het algemeen belang;

88.

benadrukt dat het nodig is om te zorgen voor een consistente beoordeling van de evenredigheid van wettelijke eisen en beperkingen die gelden voor diensten; staat achter het voorstel van de Commissie voor invoering van een dienstenpaspoort om in essentiële economische sectoren als zakelijke diensten de ontwikkeling van bedrijven en de mobiliteit ervan in de interne markt te faciliteren; stelt dat dit initiatief moet strekken tot vereenvoudiging van administratieve procedures voor de dienstverrichter die actief wil zijn over de grens en voor de autoriteiten, en tot het aanpakken van belemmeringen in de vorm van regelgeving die deze bedrijven ervan afbrengen om zich op de markt te begeven in een andere lidstaat; dringt erop aan dat een eventueel dienstenpaspoort moet passen in de reeks horizontale instrumenten ter ondersteuning van de wetgeving voor de interne markt, zoals het informatiesysteem voor de interne markt (IMI) en het één-loketsysteem, die in de dienstenrichtlijn zijn voorzien als uniforme institutionele contactpunten voor het regelen van alle noodzakelijke administratieve procedures rond grensoverschrijdende dienstverlening; benadrukt dat de invoering van een dienstenpaspoort er niet toe mag leiden dat de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie over dwingende redenen van algemeen belang, die een beperking van het grensoverschrijdend verkeer kunnen legitimeren, afgezwakt wordt of buiten werking wordt gesteld; onderstreept evenwel het feit dat een dienstenpaspoort overbodig kan zijn, als de dienstenrichtlijn behoorlijk ten uitvoer wordt gelegd en gehandhaafd; benadrukt dat dit echter niet gepaard mag gaan met invoering van het oorsprongslandbeginsel;

89.

is tevreden met het feit dat sterk wordt gefocust op de rol van diensten op de interne markt en dat ervoor wordt gezorgd dat beroepsbeoefenaars en dienstenbedrijven, met name kleinhandelaars, niet opgesloten zitten in hun nationale markt; benadrukt het feit dat de verdere uitbreiding van de regelingen inzake een beroeps- en een dienstenpaspoort van centraal belang zullen zijn om de onnodige administratieve voorwaarden tussen lidstaten te voorkomen die onze burgers beletten over de grens te werken en handel te drijven;

90.

herhaalt hoe belangrijk het is obstakels (waaronder taalkundige en administratieve obstakels en gebrek aan informatie) weg te nemen die de commerciële mogelijkheden van grensoverschrijdende e-handel beperken en het vertrouwen van de consumenten in de interne markt ondermijnen; benadrukt dat het van belang is om de operationele beperkingen voor de ontplooiing van retailactiviteiten weg te nemen, zoals de regulering van winkelopeningstijden, specifieke en selectieve retailbelasting en de onevenredige hoeveelheid informatie die van ondernemingen wordt gevraagd;

91.

erkent de bevoegdheid van lokale overheden met betrekking tot stadsplanning; wijst er echter op dat stadsplanning niet mag worden gebruikt als voorwendsel om het recht van vrije vestiging te omzeilen; herinnert er in dit verband aan hoe belangrijk een goede handhaving van de dienstenrichtlijn is; roept de lidstaten op om belemmeringen voor het vrije verkeer uit de weg te ruimen en hun markt open te stellen teneinde het concurrentievermogen te stimuleren en een divers winkelaanbod te bevorderen, hetgeen van essentieel belang is als winkelgebieden, in het bijzonder in het centrum van steden, aantrekkelijk willen blijven;

92.

onderstreept dat de detail- en groothandel de grootste bedrijfssector in Europa is; beschouwt het reduceren van onnodige regelgevings-, administratieve en praktische obstakels voor de detailhandel een prioriteit;

93.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om de detailhandel als pijler van de interne markt, waaronder de digitale interne markt, politiek maximaal op de voorgrond te plaatsen en administratieve en bureaucratische en praktische obstakels uit de weg te ruimen, die de oprichting, de ontwikkeling en het voortbestaan van ondernemingen bemoeilijken en die het voor detailhandelaren en ondernemers lastig maken om ten volle van de interne markt te profiteren; is van mening dat de wetgeving betreffende de kleinhandel moet steunen op gegevens, rekening houdend met de behoeften van de sector;

94.

verzoekt de Commissie en de lidstaten een analyse te maken van de onnodige beperkingen voor de vestiging van detailhandelszaken in de interne markt die niet gerechtvaardigd zijn door zwaarwegende redenen in verband met het openbaar belang en indien nodig voorstellen in te dienen om deze problemen te overwinnen en hierover voorjaar 2017 verslag uit te brengen;

95.

is wat de freelance-dienstensector betreft van mening dat uiteenlopende reguleringsconcepten op zichzelf geen belemmering voor de verdieping van de interne markt vormen; benadrukt dat regelingen inzake de toegang tot en uitoefening van beroepen nodig kunnen zijn om het algemeen belang te beschermen en dat de beoordeling ervan alleen in de desbetreffende nationale context zinvol is;

96.

is het eens met de Commissie dat veel van de regelgeving van de lidstaten inzake de toegang tot en de uitoefening van gereglementeerde beroepen niet in verhouding staat tot de behoeften en belemmeringen opwerpt waarmee de toegang tot de uitoefening van deze beroepen wordt ingeperkt;

97.

is van mening dat grensoverschrijdende verlening van diensten op tijdelijke basis, inclusief professionele dienstverrichting, moet worden beschouwd als essentieel element voor de interne markt, doordat deze diensten banen creëren en kwalitatief hoogstaande producten en diensten opleveren voor de EU-burgers; beschouwt de periodieke richtsnoeren daarom als een nuttig instrument voor de lidstaten, rekening houdend met de verschillende economische, geografische en sociale achtergronden van alle lidstaten;

98.

is verheugd over het feit dat er in de strategie voor de interne markt weer aandacht wordt besteed aan de gereglementeerde en de vrije beroepen in Europa, die belangrijk zijn voor de groei en de werkgelegenheid op de interne markt; verzoekt de Commissie concrete maatregelen voor te stellen voor de uitvoering van de aanbevelingen van de werkgroep „Actielijnen ten behoeve van de vrije beroepen” van de Commissie;

99.

is ingenomen met het voorstel van de Commissie om, als een belangrijke stap richting het openstellen van de interne markt en het stimuleren van de werkgelegenheid, de regelgevingsbelemmeringen weg te werken die de toegang tot bepaalde beroepen beperken;

100.

steunt het initiatief van de Commissie inzake een evaluatie van gereglementeerde beroepen, maar wijst erop dat bij elke actie op dit gebied hoge kwaliteitsnormen voor banen en diensten, degelijke kwalificaties en de veiligheid van de consumenten behouden moeten blijven;

101.

vermoedt dat het zonder concurrerende professionele en zakelijke diensten in de hele EU voor ondernemingen lastig is om concurrerend te blijven en nieuwe banen te creëren en in stand te houden;

102.

onderstreept dat inefficiënte bezorgdiensten, met name wat de laatste kilometer betreft, een aanzienlijke belemmering zijn voor grensoverschrijdende verkoop in de EU; wijst erop dat toegankelijke, betaalbare, efficiënte en hoogwaardige bezorgdiensten een essentiële voorwaarde zijn voor een bloeiende interne markt; verzoekt de Commissie een algemeen actieplan in te dienen voor pakketbezorging en doelstellingen te bepalen die uiterlijk eind 2020 op deze markt moeten worden gerealiseerd; verzoekt de Commissie meer nadruk te leggen op het afbreken van de belemmeringen waarmee aanbieders bij grensoverschrijdende aflevering te maken krijgen;

103.

dringt er bij de Commissie op aan samen te werken met de lidstaten om de procedures voor de erkenning van beroepskwalificaties te vereenvoudigen en te verkorten, onder meer door de invoering van gemeenschappelijke opleidingskaders te bevorderen en aan te moedigen, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; verzoekt de Commissie en de lidstaten om opleiding en onderwijs op ICT- en STEM-gebied te stimuleren, met als doel zowel de huidige als de toekomstige beroepsbevolking relevante e-vaardigheden bij te brengen;

104.

is tevreden met het feit dat in de strategie wordt verwezen naar het hoge werkloosheidscijfer in de hele EU, maar betreurt het feit dat er geen specifieke stappen en maatregelen in worden gepresenteerd die mensen kunnen helpen werk te vinden, bijvoorbeeld een verbetering van de normen inzake onderwijs en opleiding, het halen van de doelstellingen inzake een leven lang leren en het aanpakken van onaangepaste vaardigheden en van de kwalificaties van werknemers en beroepsbeoefenaars; noemt het vanzelfsprekend dat de interne markt snel verandert door de digitalisering van de verschillende sectoren en dat de nieuwe banen een ander pakket vaardigheden en kwalificaties zullen vereisen;

105.

keurt het af dat de Commissie in de strategie voor de interne markt geen specifieke maatregelen heeft vastgesteld om de behoeften aan te pakken van mensen en consumenten met een handicap, ouden van dagen en mensen die wonen in rurale en afgelegen gebieden;

106.

is van mening dat het door de voorzitter van de Commissie, de heer Juncker, aanbevolen beginsel van gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde werkplek essentieel is om marktverstoring tegen te gaan;

Een eerlijker interne markt

107.

benadrukt dat een echte interne markt voordelen en bescherming moet bieden aan burgers, consumenten en bedrijven in de vorm van betere kwaliteit, een grotere variëteit, redelijke prijzen en veilige goederen en diensten; onderstreept dat ongerechtvaardigde, op geen enkel objectief of verifieerbaar criterium gebaseerde discriminatie van consumenten en ondernemers op grond van nationaliteit of woonplaats, online of offline, op de interne markt niet aanvaardbaar is; is evenwel van mening dat een verplichting voor bedrijven om te verkopen aan de hele EU niet haalbaar is;

108.

vraagt de Commissie om met spoed een wetgevingsvoorstel uit te brengen dat ongerechtvaardigde geo-blocking en andere niet te rechtvaardigen vormen van discriminatie door marktdeelnemers moet tegengaan; vraagt de Commissie om bruikbare criteria te formuleren om het ongerechtvaardigde karakter van geo-blocking te meten; benadrukt het feit dat elk voorstel in deze zin het basisprincipe van de vrijheid van handel moet eerbiedigen; benadrukt eveneens dat de Commissie in haar voorstel rekening moet houden met het evenredigheidsbeginsel, met name ten aanzien van kleine en micro-bedrijven; merkt op dat marktdeelnemers vaak moeten overgaan tot marktselectie om bij de gegeven marktvoorwaarden te functioneren;

109.

beaamt dat consumenten bij de aankoop van goederen en diensten op de interne markt transparante informatie nodig hebben en een reeks moderne en degelijke rechten voor de bescherming van hun belangen; is van mening dat bij elke herziening, samenvoeging of consolidatie van richtlijnen op het gebied van consumentenrecht moet worden voorzien in een niveau van consumentenbescherming dat echt hoog is en in afdwingbare rechten, volgens de beste praktijken in nationale wetgeving;

110.

verzoekt de Commissie de bestaande juridische onzekerheden waarmee de consumenten te maken hebben, te analyseren en indien nodig te remediëren door middel van verduidelijking en aanvullingen van het juridische kader inzake consumentenrechten; herhaalt zich te verplichten tot het principe van flexibele harmonisatie voor alle EU-wetgeving met betrekking tot consumenten die wordt voorgesteld, waarbij volledige harmonisatie alleen wordt toegepast, als hierdoor een zeer hoog niveau van consumentenbescherming ontstaat en als deze harmonisatie duidelijke voordelen oplevert voor de consumenten;

111.

benadrukt het feit dat ondernemingen van de sociale economie een divers scala aan bedrijfsmodellen te zien geven, hetgeen essentieel is voor een sterk concurrerende en eerlijker interne markt; verzoekt de Commissie de sociale economie te mainstreamen in haar beleid inzake de interne markt en een Europees actieplan voor ondernemingen van de sociale economie te ontwikkelen, om het volledige potentieel aan duurzame en inclusieve groei te benutten;

Conclusie

112.

vraagt de Commissie de geplande wetgevingsvoorstellen en initiatieven na de nodige belanghebbendenraadplegingen en effectbeoordelingen snel aan de wetgevers voor te leggen, rekening houdende met bovenstaande suggesties, zodat zij binnen een kort tijdsbestek kunnen worden aangenomen;

o

o o

113.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de Europese Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64.

(2)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0069.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0580.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0009.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0012.


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europees Parlement

Woensdag 26 mei 2016

28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/128


P8_TA(2016)0231

Verzoek om opheffing van de immuniteit van Gianluca Buonanno

Besluit van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Gianluca Buonanno (2016/2003(IMM))

(2018/C 076/19)

Het Europees Parlement,

gezien het verzoek om toestemming om bij telefoonmaatschappijen de belgegevens op te vragen voor het nummer dat in gebruik is bij Gianluca Buonanno, welk verzoek op 20 november 2015 werd doorgezonden door de plaatsvervangend aanklager bij de rechtbank van Vercelli, Italië, en op 14 december 2015 in de plenaire vergadering werd aangekondigd, in verband met een strafzaak voor de rechtbank van Vercelli naar aanleiding van de aangifte die Gianluca Buonanno heeft gedaan van telefonische bedreigingen die hij op 14 april 2015 van een anonieme beller op zijn mobieltje zegt te hebben ontvangen (Ref. No 2890/15 R.G.N.R. mod. 44),

na Gianluca Buonanno te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

gezien artikel 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013 (1),

gezien artikel 68 van de Grondwet van de Franse Republiek,

gezien artikel 4 van wet nr. 140 van 20 juni 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 68 van de grondwet in verband met vervolging van personen in een hoog staatsambt (2),

gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0180/2016),

A.

overwegende dat de plaatsvervangend aanklager bij de rechtbank van Vercelli een verzoek heeft doorgezonden om toestemming om bij telefoonmaatschappijen de belgegevens op te vragen voor het nummer dat in gebruik is bij een in Italië gekozen lid van het Europees Parlement, Gianluca Buonanno, in verband met een strafzaak voor de rechtbank van Vercelli naar aanleiding van de aangifte van dat parlementslid van telefonische bedreigingen die hij op 14 april 2015 van een anonieme beller op zijn mobieltje zegt te hebben ontvangen;

B.

overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

C.

overwegende dat artikel 68 van de grondwet van de Italiaanse Republiek bepaalt dat „leden van het parlement niet zonder toestemming van dit Huis mogen worden onderworpen aan fouillering of huiszoeking, niet mogen worden aangehouden of anderszins in hun bewegingsvrijheid worden beperkt of gedetineerd, tenzij krachtens definitieve veroordeling of bij betrapping op heterdaad bij een delict dat verplicht tot aanhouding moet leiden. Ook voor het natrekken van gesprekken of berichten of onderschepping van de post van het parlementslid is die toestemming vereist”;

D.

overwegende dat artikel 4 van wet nr. 140 van 20 juni 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 68 van de grondwet in verband met vervolging van personen in een hoog staatsambt onder meer bepaalt dat wanneer de belgegevens van een parlementslid moeten worden opgevraagd, de bevoegde autoriteit daarvoor de toestemming moet vragen van de kamer waarin de betrokkene zitting heeft;

E.

overwegende dat het de opsporingsinstantie met dit verzoek om opheffing van de immuniteit van Gianluca te doen is om toegang tot de belgegevens van de betrokkene 's mobiele nummer van de dag waarop hij zegt telefonische dreigementen te hebben ontvangen;

F.

overwegende dat de plaatsvervangend aanklager in zijn verzoek toegeeft er niet zeker van te zijn dat dit parlementaire voorrecht ook geldt in gevallen dat het parlementslid wordt verondersteld het slachtoffer van een delict te zijn; overwegende dat hij niettemin tot de slotsom komt dat dit voorrecht naar de meest waarschijnlijke uitlegging van de nationale wetgeving aan een lid van het EP toekomt ongeacht diens processuele positie; overwegende dat hij zijn conclusie evenwel niet met nationale jurisprudentie weet te onderbouwen;

G.

overwegende dat het niet aan het Europees Parlement staat om uitlegging te geven aan nationaalrechtelijke regels omtrent voorrechten en immuniteiten van leden van het Parlement; overwegende dat het dienstig is eraan te herinneren dat artikel 9 van Protocol nr. 7 voornamelijk tot doel heeft de onafhankelijkheid van de EP-leden te waarborgen door te zorgen dat er niet met dreiging van arrestaties of rechtszaken druk op hen wordt uitgeoefend zolang zij in het Europees Parlement zitting hebben; overwegende dat het in onderhavig geval duidelijk is dat er geen sprake is van druk die op het betrokken lid wordt uitgeoefend, nu deze zelf, als slachtoffer, van de gestelde telefonische bedreigingen aangifte heeft gedaan;

H.

overwegende dat er voor de plaatsvervangend aanklager in Vercelli dus geen noodzaak lijkt te hebben bestaan om het Europees Parlement om toestemming te vragen voor het opvragen van de belgegevens van Gianluca Buonanno van 14 april 2015;

I.

overwegende dat het niettemin omwille van de rechtszekerheid dienstig voorkomt het verzoek van de plaatsvervangend aanklager in Vercelli voor alle zekerheid in te willigen;

1.

besluit de immuniteit van Gianluca Buonanno op te heffen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de plaatsvervangend aanklager bij de rechtbank van Vercelli in Italië, en aan Gianluca Buonanno.


(1)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.

(2)  Legge n. 140, disposizioni per l’attuazione dell’articolo 68 della Costituzione nonché in materia di processi penali nei confronti delle alte cariche dello Stato, van 20 juni 2003 (GURI No 142, 21 juni 2003).


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES PARLEMENT

Dinsdag 10 mei 2016

28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/130


P8_TA(2016)0205

Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn

Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 8 april 2016 houdende rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (C(2016)2002 — 2016/2656(DEA))

(2018/C 076/20)

Het Europees Parlement,

gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2016)2002),

gezien het schrijven van de Commissie van 11 maart 2016, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

gezien het schrijven van de Commissie interne markt en consumentenbescherming aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters, van 21 april 2016,

gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot invoering van het douanewetboek van de Unie (1), en met name de artikelen 278 en 279 en artikel 284, lid 5,

gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie interne markt en consumentenbescherming,

gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 28 april 2016 verstreek,

A.

overwegende dat na de goedkeuring van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 (2) werd vastgesteld dat sommige formulieren uit het deel betreffende vereenvoudiging onbedoeld uit bijlage 12 waren weggelaten, hetgeen grote negatieve gevolgen zal hebben voor douaneautoriteiten en handelaren als zij niet vóór 1 mei 2016 worden toegevoegd, wanneer de desbetreffende bepalingen van de douanewetboek en de uitvoeringsbepalingen daarbij van toepassing worden;

B.

overwegende dat in diezelfde bijlage 12, in het deel over vereenvoudiging, tevens bepaalde fouten werden ontdekt in de terminologie die in de formulieren wordt gebruikt, en dat deze fouten, als zij niet worden gecorrigeerd, de juridische duidelijkheid en toepasselijkheid van het douanewetboek en de uitvoeringsbepalingen daarbij zullen aantasten;

C.

overwegende dat Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 daarom in die zin gecorrigeerd moet worden dat in bijlage 12, in het deel over vereenvoudiging, de ontbrekende formulieren worden toegevoegd en dat in hetzelfde deel van de bijlage de bestaande formulieren worden vervangen;

D.

overwegende dat de gedelegeerde verordening per 1 mei 2016 moet worden toegepast, wil gewaarborgd zijn dat de douane-unie soepel functioneert en willen de handelsstromen niet worden belemmerd;

E.

overwegende dat de gedelegeerde verordening aan het einde van de voor de toetsing door het Parlement en de Raad vastgestelde termijn alleen in werking kan treden als Parlement noch Raad daartegen bezwaar heeft aangetekend, of als zowel Parlement als Raad voor het verstrijken van deze periode de Commissie hebben meegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken; overwegende dat de toetsingstermijn overeenkomstig artikel 284, lid 5, van Verordening (EU) nr. 952/2013 is vastgesteld op twee maanden gerekend vanaf de datum van kennisgeving, d.w.z. tot 9 juni 2016 loopt en met nog eens twee maanden kan worden verlengd;

F.

overwegende evenwel dat de Commissie op 11 maart 2016 het Parlement spoedshalve om een vervroegde bekrachtiging heeft gevraagd van de gedelegeerde verordening, en wel vóór 1 mei 2016;

1.

verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (PB L 69 van 15.3.2016, blz. 1).


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/132


P8_TA(2016)0206

Bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de EU ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (gecodificeerde tekst) (COM(2014)0660 — C8-0229/2014 — 2014/0305(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — codificatie)

(2018/C 076/21)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0660),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0229/2014),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2014 (1),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten (2),

gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0257/2015),

A.

overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie louter een codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 230 van 14.7.2015, blz. 129.

(2)  PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


P8_TC1-COD(2014)0305

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 10 mei 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (codificatie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1037.)


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/133


P8_TA(2016)0207

Beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (gecodificeerde tekst) (COM(2014)0667 — C8-0232/2014 — 2014/0309(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — codificatie)

(2018/C 076/22)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0667),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0232/2014),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten (1),

gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0256/2015),

A.

overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie louter een codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


P8_TC1-COD(2014)0309

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 10 mei 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (codificatie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1036.)


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/134


P8_TA(2016)0208

Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de EU en Liberia ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Liberia en van het protocol voor de tenuitvoerlegging daarvan (13015/2015 — C8-0402/2015 — 2015/0224(NLE))

(Goedkeuring)

(2018/C 076/23)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (13015/2015),

gezien de ontwerppartnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Liberia (13014/2015),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0402/2015),

gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A8-0142/2016),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst en het bijbehorende protocol;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Liberia.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/135


P8_TA(2016)0209

Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EU en Mauritanië: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië voor een periode van vier jaar (12773/2015 — C8-0354/2015 — 2015/0229(NLE))

(Goedkeuring)

(2018/C 076/24)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12773/2015),

gezien het ontwerpprotocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië voor een periode van vier jaar (12776/2015),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0354/2015),

gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A8-0147/2016),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Islamitische Republiek Mauritanië.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/136


P8_TA(2016)0210

Samenwerkingsovereenkomst met Korea betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (GNSS) ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System) (GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (05977/2016 — C8-0116/2016 — 2015/0265(NLE))

(Goedkeuring)

(2018/C 076/25)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05977/2016),

gezien het ontwerp van Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System — GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (11516/2006),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 172 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0116/2016),

gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, artikel 108, lid 7, en artikel 50, lid 1, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0065/2016),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Korea.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/137


P8_TA(2016)0212

Statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 184/2005 betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen wat betreft de toekenning van gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie voor het vaststellen van bepaalde maatregelen (COM(2014)0379 — C8-0038/2014 — 2014/0194(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 076/26)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0379),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0038/2014),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 284, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 5 december 2014 (1),

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 24 februari 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0227/2015),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 31 van 30.1.2015, blz. 3.


P8_TC1-COD(2014)0194

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 10 mei 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 184/2005 betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1013.)


Woensdag 11 mei 2016

28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/138


P8_TA(2016)0214

Vrijstellingen voor grondstoffenhandelaren ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat vrijstellingen voor grondstoffenhandelaren betreft (COM(2015)0648 — C8-0403/2015 — 2015/0295(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2018/C 076/27)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0648),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0403/2015),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 3 maart 2016 (1),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016 (2),

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 29 maart 2016 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 59 en artikel 50, lid 1, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0064/2016),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 130 van 13.4.2016, blz. 1.

(2)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


P8_TC1-COD(2015)0295

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 mei 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat vrijstellingen voor grondstoffenhandelaren betreft

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/1014.)


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/139


P8_TA(2016)0215

Agentschap van de EU voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) ***II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (14957/2/2015 — C8-0130/2016 — 2013/0091(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

(2018/C 076/28)

Het Europees Parlement,

gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (14957/2/2015 — C8-0130/2016),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0173,

gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 76 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0164/2016),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.

hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

5.

verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  Aangenomen teksten van 25.2.2014, P7_TA(2014)0121.


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gemeenschappelijke verklaring van de Raad en het Europees Parlement betreffende artikel 44

Het tot stand brengen van een geharmoniseerd en hoog niveau van gegevensbescherming voor de politiële en juridische activiteiten in de Unie is van cruciaal belang als instrument om de grondrechten van de burgers van de Unie te eerbiedigen en te beschermen. Gelet op de gedeelde bevoegdheden van de Unie en de lidstaten op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, is het van essentieel belang dat er nauw en doeltreffend wordt samengewerkt tussen de toezichthouders op nationaal en uniaal niveau. Het Europees Parlement en de Raad zijn van oordeel dat na de aanneming van de voorgestelde algemene verordening gegevensbescherming en de richtlijn gegevensbescherming voor gegevensverwerking bij politie en justitie, met inbegrip van het nieuwe, binnenkort op te richten Europees Comité voor gegevensbescherming, alsmede in het licht van de aangekondigde evaluatie van Verordening (EG) nr. 45/2001, de verscheidene samenwerkingsmechanismen tussen de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de nationale controleorganen op dit gebied, ook de bij deze verordening ingestelde samenwerkingsraad, in de toekomst zodanig moeten worden gereorganiseerd dat zij borg staan voor doeltreffendheid en consistentie en dat onnodig dubbel werk wordt vermeden, onverminderd het initiatiefrecht van de Commissie.


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/141


P8_TA(2016)0216

Toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling en au-pairactiviteiten ***II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 mei 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) (14958/2/2015 — C8-0131/2016 — 2013/0081(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

(2018/C 076/29)

Het Europees Parlement,

gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (14958/2/2015 — C8-0131/2016),

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door het Griekse parlement en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2013 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 28 november 2013 (2),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2013)0151),

gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 76 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0166/2016),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.

hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Parlement en de Commissie die als bijlage bij de onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

5.

verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 341 van 21.11.2013, blz. 50.

(2)  PB C 114 van 15.4.2014, blz. 42.

(3)  Aangenomen teksten van 25.2.2014, P7_TA(2014)0122.


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Commissie over de in artikel 20, lid 2, onder f), vermelde reden voor weigering

Het Europees Parlement en de Commissie vatten artikel 20, lid 2, onder f), van deze richtlijn zodanig op dat de lidstaten een aanvraag slechts per geval mogen afwijzen, met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de desbetreffende onderdaan van een derde land en het beginsel van evenredigheid en op grond van bewijsstukken dan wel om ernstige en objectieve redenen. De Commissie zal erop toezien dat de lidstaten, bij de omzetting van de richtlijn, deze bepaling overeenkomstig die interpretatie ten uitvoer leggen en zal het Parlement en de Raad daarvan in kennis stellen in het kader van haar verplichtingen uit hoofde van artikel 39.

Het Europees Parlement en de Commissie zijn van oordeel dat het opnemen van deze bepaling in deze richtlijn geen precedent mag vormen voor toekomstige instrumenten inzake legale migratie.


Donderdag 12 mei 2016

28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/143


P8_TA(2016)0221

Verplichte automatische gegevensuitwisseling op het vlak van belastingen *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (COM(2016)0025 — C8-0030/2016 — 2016/0010(CNS))

(Bijzondere wetgevingsprocedure — raadpleging)

(2018/C 076/30)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0025),

gezien de artikelen 113 en 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0030/2016),

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0157/2016),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel zoals geamendeerd;

2.

verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement 1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)

Belastingfraude en belastingontduiking zijn de afgelopen jaren een almaar grotere uitdaging geworden en vormen thans een grote reden tot bezorgdheid, zowel in de Unie als op mondiaal niveau. In dit verband is een belangrijke rol weggelegd voor de automatische uitwisseling van inlichtingen en de Commissie heeft in haar mededeling van 6 december 2012, die een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking bevat, de nadruk gelegd op de noodzaak om er daadkrachtig voor te ijveren dat automatische inlichtingenuitwisseling de toekomstige Europese en internationale norm voor transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken wordt. De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 22 mei 2013 verzocht om het toepassingsgebied van de automatische inlichtingenuitwisseling op Unie- en mondiaal niveau te verruimen met het oog op de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve fiscale planning.

(1)

Belastingfraude , belastingontwijking en belastingontduiking zijn de afgelopen jaren een almaar grotere uitdaging geworden en vormen thans een grote reden tot bezorgdheid, zowel in de Unie als op mondiaal niveau. In dit verband is een belangrijke rol weggelegd voor de automatische uitwisseling van inlichtingen en de Commissie heeft in haar mededeling van 6 december 2012, die een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking bevat, de nadruk gelegd op de noodzaak om er daadkrachtig voor te ijveren dat automatische inlichtingenuitwisseling de toekomstige Europese en internationale norm voor transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken wordt. De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 22 mei 2013 verzocht om het toepassingsgebied van de automatische inlichtingenuitwisseling op Unie- en mondiaal niveau te verruimen met het oog op de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve fiscale planning.

Amendement 2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)

Aangezien multinationale ondernemingsgroepen (hierna „MNO-groepen” genoemd) actief zijn in verschillende landen, hebben zij de mogelijkheid om aan agressieve fiscale planning te doen. Binnenlandse ondernemingen kunnen evenwel geen gebruik maken van dergelijke praktijken. Wanneer MNO's dit doen, kunnen ondernemingen die uitsluitend nationaal actief zijn — waarbij het normaal gesproken gaat over kleine en middelgrote ondernemingen — bijzonder sterk getroffen zijn, aangezien hun belastingdruk hoger is dan die van MNO-groepen . Aan de andere kant kunnen alle lidstaten inkomsten derven en bestaat het risico op concurrentie bij het aantrekken van MNO-groepen door deze groepen verdere belastingvoordelen aan te bieden. Er rijst dus een probleem voor de goede werking van de interne markt.

(2)

Aangezien multinationale ondernemingsgroepen (hierna „MNO-groepen” genoemd) actief zijn in verschillende landen, hebben zij de mogelijkheid om aan agressieve fiscale planning te doen. Binnenlandse ondernemingen kunnen evenwel geen gebruik maken van dergelijke praktijken. Wanneer MNO's dit doen, kunnen ondernemingen die uitsluitend nationaal actief zijn — waarbij het normaal gesproken gaat over kleine en middelgrote ondernemingen — bijzonder sterk getroffen zijn, aangezien zij doorgaans een effectief belastingtarief betalen dat veel dichter bij de wettelijke tarieven ligt dan het tarief dat MNO’s betalen, hetgeen resulteert in verstoringen en een slechte werking van de interne markt alsook in concurrentieverstoring ten nadele van kmo’s. Om concurrentieverstoring te voorkomen zouden ondernemingen die nationaal actief zijn geen nadelen mogen ondervinden van hun omvang of van het feit dat zij geen grensoverschrijdende handel drijven. Bovendien kunnen alle lidstaten inkomsten derven en bestaat het risico op oneerlijke concurrentie tussen hen bij het aantrekken van MNO-groepen door deze groepen verdere belastingvoordelen aan te bieden. Er rijst dus een probleem voor de goede werking van de interne markt. In dit verband zij er op gewezen dat het de Commissie is die verantwoordelijk is voor de goede werking van de interne markt.

Amendement 3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis)

Het is voor de Unie van cruciaal belang dat belastingregels zodanig worden ontworpen dat zij geen rem zetten op groei of investeringen, de concurrentiepositie van EU-bedrijven niet benadelen, het risico van dubbele belastingheffing niet vergroten en de kosten en administratieve lasten voor ondernemingen tot een minimum beperken.

Amendement 4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)

De belastingautoriteiten van de Unie hebben nood aan uitgebreide en relevante informatie over MNO-groepen met betrekking tot hun structuur, verrekenprijsbeleid en interne transacties binnen en buiten de EU . Op grond van deze informatie kunnen de belastingautoriteiten met wijzigingen in de wetgeving of adequate risicobeoordelingen en fiscale controles optreden tegen schadelijke fiscale praktijken en nagaan of ondernemingen zich schuldig hebben gemaakt aan praktijken die een kunstmatige verschuiving van aanzienlijke inkomsten naar belastingvoordelige omgevingen tot gevolg hebben.

(3)

De belastingautoriteiten van de lidstaten hebben nood aan uitgebreide en relevante informatie over MNO-groepen met betrekking tot hun structuur, verrekenprijsbeleid , fiscale vaststellingsovereenkomsten, belastingkredieten en interne transacties binnen en buiten de Unie . Op grond van deze informatie kunnen de belastingautoriteiten met wijzigingen in de wetgeving of adequate risicobeoordelingen en fiscale controles optreden tegen schadelijke fiscale praktijken en nagaan of ondernemingen zich schuldig hebben gemaakt aan praktijken die een kunstmatige verschuiving van aanzienlijke inkomsten naar belastingvoordelige omgevingen tot gevolg hebben. Ook de Commissie moet toegang hebben tot de tussen de belastingdiensten van de lidstaten uitgewisselde inlichtingen om te kunnen toezien op de naleving van de relevante mededingingsbepalingen. De Commissie moet deze informatie als vertrouwelijk beschouwen en alle nodige maatregelen nemen om de informatie te beschermen.

Amendement 5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)

Een verhoging van de transparantie ten overstaan van de belastingautoriteiten zou tot gevolg kunnen hebben dat MNO-groepen ertoe worden aangezet bepaalde praktijken stop te zetten en een billijke bijdrage in de belastingen te leveren in het land waar de winst wordt gegenereerd . Een grotere transparantie van MNO-groepen is derhalve een essentieel onderdeel van de strijd tegen grondslaguitholling en winstverschuiving.

(4)

Een behoorlijk niveau van informatieverstrekking aan en -uitwisseling tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten onderling alsook de Commissie zou tot gevolg kunnen hebben dat MNO-groepen ertoe worden aangezet bepaalde praktijken stop te zetten en belasting af te dragen in het land waar de waarde wordt gecreëerd . Dit zou ook de „groepsdruk” onder de lidstaten vergroten en ervoor zorgen dat financiële markten meer aandacht besteden aan de fiscale verantwoordingsplicht van MNO’s. Een grotere transparantie van MNO-groepen , zonder dat hierdoor het concurrentievermogen van de Unie wordt benadeeld, is derhalve een essentieel onderdeel van de strijd tegen grondslaguitholling en winstverschuiving , en uiteindelijk tegen belastingontwijking .

Amendement 6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)

In het landenrapport moeten MNO-groepen jaarlijks en voor elke belastingjurisdictie waarin zij zaken doen, volgende inlichtingen verstrekken: het bedrag van de inkomsten, de winst voor winstbelasting, de betaalde en toerekenbare winstbelasting. MNO-groepen moeten ook verslag uitbrengen over het aantal personeelsleden, het gestort kapitaal, de ingehouden winst en de materiële activa in elke belastingjurisdictie. Ten slotte moeten de MNO-groepen elke entiteit binnen de groep identificeren die zaken doet in een specifieke belastingjurisdictie en moeten zij een indicatie geven van de bedrijfsactiviteiten die elke entiteit verricht.

(6)

In het landenrapport moeten MNO-groepen jaarlijks en voor elke belastingjurisdictie waarin zij zaken doen, volgende inlichtingen verstrekken: het bedrag van de inkomsten, de winst voor winstbelasting, de betaalde en toerekenbare winstbelasting , alsook belastingkredieten . MNO-groepen moeten ook verslag uitbrengen over het aantal personeelsleden, het gestort kapitaal, de ingehouden winst en de materiële activa in elke belastingjurisdictie. Ten slotte moeten de MNO-groepen elke entiteit binnen de groep identificeren die zaken doet in een specifieke belastingjurisdictie en moeten zij een indicatie geven van de bedrijfsactiviteiten die elke entiteit verricht.

Amendement 7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)

Om de goede werking van de interne markt te garanderen, moet de EU voorzien in een eerlijke concurrentie tussen MNO-groepen van binnen de EU en MNO-groepen van buiten de EU met een of verscheidene entiteiten die in de EU zijn gevestigd. De rapportageverplichting moet dus voor beide groepen gelden.

(8)

Om de goede werking van de interne markt te garanderen, moet de Unie voorzien in een eerlijke concurrentie tussen MNO-groepen van binnen de EU en MNO-groepen van buiten de EU met een of verscheidene entiteiten die in de Unie zijn gevestigd. De rapportageverplichting moet dus voor beide groepen gelden. In dit verband moeten de lidstaten erop toezien dat MNO-groepen de rapportageverplichting nakomen, bijvoorbeeld door maatregelen in te voeren ter sanctionering van MNO's die niet aan de rapportageverplichting voldoen.

Amendement 8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis)

De lidstaten moeten toezien op de handhaving of verhoging van het niveau van personele, technische en financiële middelen voor de automatische uitwisseling van inlichtingen tussen belastinginstanties en de gegevensverwerking binnen belastinginstanties.

Amendement 9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)

Wat betreft de uitwisseling van inlichtingen tussen lidstaten, voorziet Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG reeds in verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op een aantal terreinen. Het toepassingsgebied van deze richtlijn moet worden uitgebreid om te voorzien in verplichte automatische uitwisseling van landenrapporten tussen lidstaten.

(11)

Wat betreft de uitwisseling van inlichtingen tussen lidstaten, voorziet Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG reeds in verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op een aantal terreinen. Het toepassingsgebied van deze richtlijn moet worden uitgebreid om te voorzien in verplichte automatische uitwisseling van landenrapporten tussen lidstaten en in de verstrekking van deze rapporten aan de Commissie . Bovendien moet de Commissie de landenrapporten gebruiken om te beoordelen of de lidstaten de Unieregels inzake staatssteun naleven, aangezien er aan oneerlijke fiscale praktijken op het gebied van de vennootschapsbelasting ook een kant zit die te maken heeft met de staatssteunregels.

Amendement 10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)

Bij verplichte automatische uitwisseling van landenrapporten tussen lidstaten moet telkens een welomschreven set basisgegevens aan alle lidstaten worden verstrekt, waar blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep fiscaal inwoner zijn of aan belasting onderworpen zijn met betrekking tot activiteiten die met behulp van een vaste inrichting van de MNO-groep worden uitgeoefend.

(12)

Bij verplichte automatische uitwisseling van landenrapporten tussen de lidstaten en met de Commissie moet telkens een welomschreven set op uniforme definities gebaseerde basisgegevens aan alle lidstaten worden verstrekt, waar blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep fiscaal inwoner zijn of aan belasting onderworpen zijn met betrekking tot activiteiten die met behulp van een vaste inrichting van de MNO-groep worden uitgeoefend.

Amendement 11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)

Het is noodzakelijk om de taleneisen vast te stellen voor de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten met betrekking tot het landenrapport. Het is ook noodzakelijk om de nadere regels vast te stellen voor de upgrade van het CCN-netwerk. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van artikel 20, lid 6, en artikel 21, lid 7, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.

(16)

Het is noodzakelijk om de taleneisen vast te stellen voor de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten met betrekking tot het landenrapport en de verstrekking van deze inlichtingen aan de Commissie . Het is ook noodzakelijk om de nadere regels vast te stellen voor de upgrade van het CCN-netwerk en ervoor te zorgen dat duplicatie van normen, met een verhoging van de administratieve kosten voor ondernemingen tot gevolg, wordt voorkomen . Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van artikel 20, lid 6, en artikel 21, lid 7, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.

Amendement 12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(18 bis)

In de verslagen dat de lidstaten op grond van deze richtlijn jaarlijks aan de Commissie moeten doen toekomen, moet in detail worden aangegeven in welke mate dossiers worden ingediend, overeenkomstig artikel 8 bis bis en bijlage III, deel 2, punt 1, bij deze richtlijn, en moet een lijst worden opgenomen van de rechtsgebieden waar uiteindelijkemoederentiteiten van in de EU gebaseerde groepsentiteiten zijn gevestigd maar waar geen volledige verslagen zijn ingediend of uitgewisseld.

Amendement 13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(18 ter)

Er moet in de mogelijkheid worden voorzien om de uit hoofde van deze richtlijn uit te wisselen inlichtingen niet uit te wisselen indien deze uitwisseling aanleiding zou geven tot de onthulling van een handels-, bedrijfs - , nijverheids- of beroepsgeheim of van een handelswerkwijze, of tot de onthulling van gegevens waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde.

Amendement 14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(18 quater)

Er moet rekening worden gehouden met de resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, met het verslag van de commissie juridische zaken van het Europees Parlement inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft en van Richtlijn 2013/34/EU wat bepaalde onderdelen van de verklaring inzake corporate governance betreft, en met de resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 met aanbevelingen voor de Commissie over meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie.

Amendement 15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten onder voorwaarden die verenigbaar zijn met het goed functioneren van de interne markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en zij wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid dus beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(20)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten en met de Commissie onder voorwaarden die verenigbaar zijn met het goed functioneren van de interne markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en zij wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid dus beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

Amendement 16

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt - 1 (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 1 — lid 1

Bestaande tekst

Amendement

 

(-1)

Artikel 1, lid 1, wordt vervangen door:

1.   Deze richtlijn legt de voorschriften en procedures vast voor de onderlinge samenwerking van de lidstaten met het oog op de uitwisseling van inlichtingen die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde belastingen.

„1.   Deze richtlijn legt de voorschriften en procedures vast voor de samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie met het oog op de uitwisseling van inlichtingen die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde belastingen.”

Amendement 17

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 1 — letter -a (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 3 — punt 2

Bestaande tekst

Amendement

 

(-a)

Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:

(2)

„centraal verbindingsbureau”, het bureau dat als zodanig is aangewezen en is belast met de primaire zorg voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de administratieve samenwerking;

„(2)

„centraal verbindingsbureau”, het bureau dat als zodanig is aangewezen en is belast met de primaire zorg voor de contacten met de andere lidstaten en met de Commissie op het gebied van de administratieve samenwerking;”

Amendement 18

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 1 — letter a

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 3 — punt 9 — letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a)

voor de toepassing van artikel 8, lid 1, artikel 8 bis en artikel 8 bis bis, de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat, zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen; voor de toepassing van artikel 8, lid 1, betekent „beschikbare inlichtingen” inlichtingen die zich in de belastingdossiers van de inlichtingen verstrekkende lidstaat bevinden en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in die lidstaat.

(a)

voor de toepassing van artikel 8, lid 1, artikel 8 bis en artikel 8 bis bis, de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat en de Commissie , zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen; voor de toepassing van artikel 8, lid 1, betekent „beschikbare inlichtingen” inlichtingen die zich in de belastingdossiers van de inlichtingen verstrekkende lidstaat bevinden en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in die lidstaat.

Amendement 19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 1 bis (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 4 — lid 6

Bestaande tekst

Amendement

 

(1 bis)

Artikel 4, lid 6, wordt vervangen door:

6.   De verbindingsdienst of de bevoegde ambtenaar die een verzoek of een antwoord op een verzoek om samenwerking verzendt of ontvangt, stelt volgens de procedures van zijn lidstaat het centrale verbindingsbureau van deze lidstaat hiervan in kennis.

„6.   De verbindingsdienst of de bevoegde ambtenaar die een verzoek of een antwoord op een verzoek om samenwerking verzendt of ontvangt, stelt volgens de procedures van zijn lidstaat het centrale verbindingsbureau van deze lidstaat en de Commissie hiervan in kennis.”

Amendement 20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 1 ter (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 6 — lid 2

Bestaande tekst

Amendement

 

(1 ter)

Artikel 6, lid 2, wordt vervangen door:

2.   Het in artikel 5 bedoelde verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een bepaald administratief onderzoek omvatten. In voorkomend geval deelt de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit mee op welke gronden zij een administratief onderzoek niet noodzakelijk acht.

„2.   Het in artikel 5 bedoelde verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een bepaald administratief onderzoek omvatten. In voorkomend geval deelt de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit en de Commissie mee op welke gronden zij een administratief onderzoek niet noodzakelijk acht.”

Amendement 21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 1 quater (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 8 — lid 1 — letter e bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(1 quater)

Aan artikel 8, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

 

„(e bis)

landenrapporten,”

Amendement 22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 2

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 8 bis bis — lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat waar het landenrapport overeenkomstig lid 1 is ingediend, bezorgt het rapport via automatische uitwisseling aan alle andere lidstaten waar, blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep van de Rapporterende Entiteit fiscaal inwoner is of aan belasting onderworpen is met betrekking tot de activiteiten die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend, binnen de in lid 4 vastgestelde termijn.

2.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat waar het landenrapport overeenkomstig lid 1 is ingediend, bezorgt het rapport zo snel mogelijk via automatische uitwisseling aan alle andere lidstaten waar, blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep van de Rapporterende Entiteit fiscaal inwoner is of aan belasting onderworpen is met betrekking tot de activiteiten die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend, binnen de in lid 4 vastgestelde termijn. De bevoegde autoriteit van de lidstaat bezorgt het landenrapport eveneens aan de Commissie, die verantwoordelijk is voor het centrale register van landenrapporten, waar haar bevoegde diensten toegang tot hebben.

Amendement 23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 2

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 8 bis bis — lid 3 — letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a)

geaggregeerde informatie met betrekking tot het bedrag van de inkomsten, de winst (het verlies) vóór winstbelasting, de betaalde winstbelasting, de toerekenbare winstbelasting, het gestort kapitaal, de gecumuleerde winst, het aantal personeelsleden, materiële activa andere dan geldmiddelen of kasequivalenten met betrekking tot elke jurisdictie waarin de MNO-groep actief is;

(a)

geaggregeerde informatie met betrekking tot het bedrag van de inkomsten, de winst (het verlies) vóór winstbelasting, de betaalde winstbelasting, de toerekenbare winstbelasting, het gestort kapitaal, de gecumuleerde winst, het aantal personeelsleden, materiële activa andere dan geldmiddelen of kasequivalenten met betrekking tot elke jurisdictie waarin de MNO-groep actief is , ontvangen overheidssubsidies, de waarde van activa en de jaarlijkse kosten van het beheer hiervan, en door de groep verrichte verkopen en aankopen ;

Amendement 24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 2

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 8 bis bis — lid 3 — letter b bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(b bis)

het toekomstig Europees fiscaal identificatienummer van de MNO-groep waarnaar wordt verwezen in het actieplan van de Commissie van 2012 ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking.

Amendement 37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 2

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 8 bis bis — lid 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis.     Om de transparantie voor burgers te vergroten, maakt de Commissie een geaggregeerde samenvatting van de landenrapporten openbaar, op basis van de informatie die is opgenomen in het centrale register van landenrapporten. Op die manier voldoet de Commissie aan de in artikel 23 bis opgenomen bepalingen inzake vertrouwelijkheid.

Amendement 26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 2 bis (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 9 — lid 1– inleidende formule

Bestaande tekst

Amendement

 

(2 bis)

Artikel 9, lid 1, inleidende formule, wordt vervangen door:

1.   De bevoegde autoriteit van elke lidstaat verstrekt, in elk van de volgende gevallen, de in artikel 1, lid 1, bedoelde inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van elke andere betrokken lidstaat:

„1.   De bevoegde autoriteit van elke lidstaat verstrekt, in elk van de volgende gevallen, de in artikel 1, lid 1, bedoelde inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van elke andere betrokken lidstaat en aan de Commissie :”

Amendement 27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 2 ter (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 9 — lid 2

Bestaande tekst

Amendement

 

(2 ter)

Artikel 9, lid 2, wordt vervangen door:

2.   De bevoegde overheden van elke lidstaat kunnen met de bevoegde overheden van de andere lidstaten spontaan alle inlichtingen uitwisselen waarvan zij kennis hebben en die de bevoegde overheden van de andere lidstaten van nut kunnen zijn.

„2.   De bevoegde overheden van elke lidstaat kunnen met de bevoegde overheden van de andere lidstaten en de Commissie spontaan alle inlichtingen uitwisselen waarvan zij kennis hebben en die de bevoegde overheden van de andere lidstaten van nut kunnen zijn.”

Amendement 28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 4 bis (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 23 — lid 2

Bestaande tekst

Amendement

 

(4 bis)

Artikel 23, lid 2, wordt vervangen door:

2.   De lidstaten delen de Commissie alle relevante gegevens mee die noodzakelijk zijn om de doeltreffendheid van de administratieve samenwerking overeenkomstig deze richtlijn ter bestrijding van belastingontduiking en belastingontwijking te kunnen evalueren.

„2.   De lidstaten delen de Commissie alle relevante gegevens mee die noodzakelijk zijn om de doeltreffendheid van de administratieve samenwerking overeenkomstig deze richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking , belastingontduiking en belastingfraude te kunnen evalueren.”

Amendement 29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 5

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 23 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   De lidstaten doen de Commissie een jaarlijkse beoordeling toekomen van de doeltreffendheid van de in artikel 8, artikel 8 bis, artikel 8 bis bis bedoelde automatische inlichtingenuitwisseling en de daarmee bereikte resultaten. De Commissie stelt aan de hand van uitvoeringshandelingen de vorm en wijze van mededeling van deze jaarlijkse beoordeling vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.   De lidstaten doen de Commissie een jaarlijkse beoordeling toekomen van de doeltreffendheid van de in artikel 8, artikel 8 bis, artikel 8 bis bis bedoelde automatische inlichtingenuitwisseling en de daarmee bereikte resultaten. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad op een gepaste manier van deze resultaten in kennis, bijvoorbeeld door middel van een jaarlijks geconsolideerd verslag waarin de bevindingen en prestaties van de verslagleggingsprocedure worden besproken. De Commissie stelt aan de hand van uitvoeringshandelingen de vorm en wijze van mededeling van deze jaarlijkse beoordeling vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Amendement 30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 5 bis (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 23 — lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis)

In artikel 23 wordt het volgende lid ingevoegd:

 

„3 bis.     De Commissie dient elk jaar een geconsolideerd verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de jaarlijkse beoordeling door de lidstaten van de doeltreffendheid van de automatische inlichtingenuitwisseling en de hiermee bereikte praktische resultaten.”

Amendement 31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 5 ter (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 23 — lid 3 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 ter)

In artikel 23 wordt het volgende lid ingevoegd:

 

„3 ter.     Wanneer in de effectbeoordeling van de Commissie inzake de gevolgen van de openbaarmaking van de gegevens betreffende de verslaglegging per land wordt vastgesteld dat er geen sprake is van negatieve gevolgen voor MNO-groepen, stelt de Commissie onverwijld wetgeving voor om deze informatie publiek toegankelijk te maken.”

Amendement 32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 5 quater (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 24 — lid 1

Bestaande tekst

Amendement

 

(5 quater)

In artikel 24 wordt lid 1 vervangen door:

1.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat die van een derde land inlichtingen ontvangt welke naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de binnenlandse wetgeving van die lidstaat betreffende de in artikel 2 bedoelde belastingen, kan deze inlichtingen verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor welke die inlichtingen van nut kunnen zijn, en aan elke verzoekende autoriteit, mits dat krachtens een overeenkomst met dat derde land is toegestaan.

„1.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat die van een derde land inlichtingen ontvangt welke naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de binnenlandse wetgeving van die lidstaat betreffende de in artikel 2 bedoelde belastingen, kan deze inlichtingen verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor welke die inlichtingen van nut kunnen zijn, aan elke verzoekende autoriteit, mits dat krachtens een overeenkomst met dat derde land is toegestaan , en aan de Commissie .”

Amendement 33

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 — lid 1 — punt 7 bis (nieuw)

Richtlijn 2011/16/EU

Artikel 27 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 bis)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

 

„Artikel 27 bis

 

Evaluatie

 

Uiterlijk … [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] evalueert de Commissie de effectiviteit van de richtlijn.”

Amendement 34

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage — Bijlage III — Afdeling II — paragraaf 1 — alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Als meer dan één Groepsentiteit van dezelfde MNO-groep fiscaal inwoner is van de Unie en één of meer van de voorwaarden in punt b) zijn vervuld, kan de MNO-groep één van die Groepsentiteiten aanwijzen om in overeenstemming met de vereisten in artikel 8 bis bis, lid 1, binnen de in artikel 8 bis bis, lid 1, vermelde termijn het landenrapport met betrekking tot een Te Rapporteren Boekjaar in te dienen en om de lidstaat ervan in kennis te stellen dat zij daarmee beoogt te voldoen aan de documentatieverplichting van alle Groepsentiteiten van die MNO-groep die fiscaal inwoner van de Unie zijn. Overeenkomstig artikel 8 bis bis, lid 2, bezorgt die lidstaat het ontvangen landenrapport aan alle andere lidstaten waar, blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep van de Rapporterende Entiteit fiscaal inwoner zijn of aan belasting onderworpen zijn met betrekking tot de activiteiten die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend.

Als meer dan één Groepsentiteit van dezelfde MNO-groep fiscaal inwoner is van de Unie en één of meer van de voorwaarden in punt b) zijn vervuld, kan de MNO-groep één van die Groepsentiteiten aanwijzen , bij voorkeur die met de hoogste omzet, om in overeenstemming met de vereisten in artikel 8 bis bis, lid 1, binnen de in artikel 8 bis bis, lid 1, vermelde termijn het landenrapport met betrekking tot een Te Rapporteren Boekjaar in te dienen en om de lidstaat ervan in kennis te stellen dat zij daarmee beoogt te voldoen aan de documentatieverplichting van alle Groepsentiteiten van die MNO-groep die fiscaal inwoner van de Unie zijn. Overeenkomstig artikel 8 bis bis, lid 2, bezorgt die lidstaat het ontvangen landenrapport aan alle andere lidstaten waar, blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-groep van de Rapporterende Entiteit fiscaal inwoner zijn of aan belasting onderworpen zijn met betrekking tot de activiteiten die met behulp van een vaste inrichting worden uitgeoefend.


Woensdag 26 mei 2016

28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/158


P8_TA(2016)0229

Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2015/010 FR/MoryGlobal

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Frankrijk — EGF/2015/010 FR/MoryGlobal) (COM(2016)0185 — C8-0136/2016 — 2016/2043(BUD))

(2018/C 076/31)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0185) — C8-0136/2016),

gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (1) (EFG-verordening),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (2), en met name artikel 12,

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0182/2016),

A.

overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.

overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om gebruik te maken van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.

overwegende dat de vaststelling van de EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium „crisisafwijking” opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.

overwegende dat Frankrijk aanvraag EGF/2015/010 FR/MoryGlobal heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE herziening 2 — afdeling 49 (Vervoer te land en vervoer via pijpleidingen) en ook in NACE herziening 2 — afdeling 52 (Opslag en vervoerondersteunende activiteiten) in heel Europees Frankrijk, en dat 2 132 ontslagen werknemers die voor een EFG-bijdrage in aanmerking komen naar verwachting aan de maatregelen zullen deelnemen; overwegende dat het verzoek voortvloeit uit de gerechtelijke vereffening van MoryGlobal en een vervolg vormt op de eerdere aanvraag EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros;

E.

overwegende dat de aanvraag is ingediend op grond van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers, respectievelijk downstreamproducenten en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;

1.

is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Frankrijk bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 5 146 800 EUR, wat neerkomt op 60 % van de totale kosten van 8 528 000 EUR;

2.

stelt vast dat de Commissie de termijn van twaalf weken na de ontvangst van de aanvraag van de Franse autoriteiten op 19 november 2015 heeft gerespecteerd, aangezien zij haar beoordeling van de naleving van de voorwaarden voor het verlenen van een financiële bijdrage op 7 april 2016 heeft afgerond en haar beoordeling dezelfde dag aan het Parlement heeft toegezonden;

3.

is van mening dat de ontslagen bij MoryGlobal verband houden met de algemene daling van de fysieke output in Europa, die heeft geleid tot een afname van de hoeveelheid te vervoeren goederen en een prijzenoorlog in het wegvervoer, wat op zijn beurt heeft geresulteerd in een gestage afkalving van de exploitatiemarges en een aantal verliezen voor de sector in Frankrijk sinds 2007, gevolgd door een golf van faillissementen, waaronder dat van Mory-Ducros en later van MoryGlobal waar 2 107 voormalige werknemers van Mory-Ducros een nieuwe baan hadden gevonden;

4.

wijst erop dat de EFG-steun aan 2 513 voormalige werknemers van Mory-Ducros, goedgekeurd in april 2015 (4), 6 052 200 EUR bedraagt;

5.

merkt op dat tot nu toe voor de sector „Vervoer te land en vervoer via pijpleidingen” twee andere EFG-aanvragen zijn ingediend: aanvraag EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros en aanvraag EGF/2011/001 AT/Niederösterreich-Oberösterreich, die beide op de wereldwijde financiële en economische crisis waren gebaseerd, met betrekking tot 2 804 ontslagen in die sector; stelt vast dat meerdere maatregelen in de twee aanvragen soortgelijk zijn;

6.

merkt op dat de Franse autoriteiten reeds op 23 april 2015 zijn begonnen met het verlenen van de individuele diensten aan de getroffen werknemers, dus ruimschoots vóór de aanvraag tot toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

7.

is ingenomen met het feit dat Frankrijk het sociaal plan heeft ingevoerd, waaraan MoryGlobal ook financieel bijdraagt, alvorens de extra steun uit het EFG te hebben aangevraagd; waardeert het dat de gevraagde steun uit het EFG geen maatregelen bevat op grond van artikel 7, lid 1, onder b), van de EFG-verordening, namelijk vergoedingen, maar gericht is op maatregelen met echte meerwaarde voor de herintegratie op de arbeidsmarkt van de ontslagen werknemers;

8.

merkt op dat de door het EFG medegefinancierde individuele dienstverlening bestaat uit advies en begeleiding door een team van deskundige adviseurs, die een aanvulling vormen op het sociaal plan en het Contrat de Sécurisation Professionnelle die door de Franse overheid worden gefinancierd om de werknemers aan een nieuwe baan te helpen; constateert dat de drie contractanten die het team consultants vormen, dezelfde consultants zijn die diensten verlenen aan de bij Mory-Ducros ontslagen werknemers; verwacht dat de Commissie en de Franse autoriteiten zich nauwgezet zullen houden aan het beginsel dat de betalingen aan deze bureaus moeten gebeuren op basis van de behaalde resultaten;

9.

merkt op dat de contractanten (BPI, Sodie en AFPA Transitions) de ontslagen werknemers zullen bijstaan en hen zullen helpen oplossingen te vinden om op de arbeidsmarkt te blijven en een nieuwe baan te vinden, door middel van individuele dienstverlening zoals collectieve en individuele informatiesessies, overgang naar een nieuwe baan en begeleiding bij de herintegratie op de arbeidsmarkt;

10.

is van mening dat werknemers in de leeftijdsgroep van 55 tot 64 jaar een groter risico lopen op langdurige werkloosheid en uitsluiting van de arbeidsmarkt, met sociale uitsluiting als mogelijk gevolg; is daarom van mening dat deze werknemers, die samen goed zijn voor ruim 19 % van de beoogde begunstigden van de voorgestelde maatregelen, specifieke behoeften hebben in verband met het aanbieden van individuele dienstverlening overeenkomstig artikel 7 van de EFG-verordening;

11.

constateert dat Frankrijk heeft aangegeven dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd opgesteld in overleg met de vertegenwoordigers van de werknemers voor wie steun wordt aangevraagd en de sociale partners;

12.

herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket gericht moet zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie; is ingenomen met het feit dat Frankrijk alle nodige garanties heeft geboden dat de voorgestelde maatregelen complementair zullen zijn met acties die door de structuurfondsen worden gefinancierd, als een gecombineerde maatregel ter aanpassing aan de mondiale uitdagingen teneinde te zorgen voor duurzame economische groei, zoals vermeld in de beoordeling van de uitvoering van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering 2007-2014 (5);

13.

constateert dat de contractanten die het team consultants vormen, dezelfde consultants zijn die diensten verlenen aan de bij Mory-Ducros ontslagen werknemers; verzoekt de Commissie een beoordeling te verstrekken van de kosten-/batenanalyse van de huidige steun voor de ontslagen werknemers van Mory-Ducros, aangezien deze aanvraag een vervolg vormt op de eerdere aanvraag EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros, alsook van de individuele diensten die door dezelfde contractanten worden verleend;

14.

houdt rekening met het gevoelige karakter van deze specifieke arbeidsmarkt aangezien Frankrijk het grootste meerwaarde-aandeel van de EU-28 in de dienstensector „vervoer te land” heeft;

15.

wijst erop dat de Franse autoriteiten bevestigen dat voor de voorgestelde maatregelen geen financiële steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen en dat de voorgestelde maatregelen complementair zijn met maatregelen die vanuit de structuurfondsen worden gefinancierd;

16.

herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun een aanvulling vormt op nationale maatregelen en niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe lidstaten of ondernemingen verplicht zijn;

17.

waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement in het leven heeft geroepen om de toekenning van subsidies te versnellen; wijst op de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich brengt, en op de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van het dossier;

18.

herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

19.

hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

20.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

21.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(3)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(4)  Besluit (EU) 2015/738 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Frankrijk — EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros) (PB L 117 van 8.5.2015, blz. 47).

(5)   http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2016/558763/EPRS_IDA(2016)558763_ EN.pdf


BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

(aanvraag van Frankrijk — EGF/2015/010 FR/MoryGlobal)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2016/989.)


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/162


P8_TA(2016)0230

Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2015/011 GR/Supermarket Larissa

Resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Griekenland — EGF/2015/011 GR/Supermarket Larissa) (COM(2016)0210 — C8-0149/2016 — 2016/2050(BUD))

(2018/C 076/32)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0210 — C8-0149/2016),

gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (1) (EFG-verordening),

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (2), en met name artikel 12 hiervan,

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

gezien de vijf eerdere EFG-aanvragen in verband met detailhandel,

gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2016/000 TA 2016 — Technische bijstand op initiatief van de Commissie) (4),

gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0181/2016),

A.

overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt; overwegende dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) ten goede komt van werknemers die ontslagen zijn door kleine en middelgrote ondernemingen en multinationals, ongeacht het beleid of de belangen op grond waarvan de beslissing tot sluiting is genomen, met name die van de multinationals; overwegende dat de EFG-verordening en het EU-handelsbeleid zich nader moeten richten op de mogelijkheden om werkgelegenheid, productie en knowhow binnen de Unie te redden;

B.

overwegende dat financiële steun van de Unie aan werknemers in nood flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om gebruik te maken van het EFG;

C.

overwegende dat Griekenland aanvraag EGF/2015/011 GR/Supermarket Larissa heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 — afdeling 47 (Detailhandel, met uitzondering van de handel in auto's en motorfietsen) in de regio's van NUTS-niveau 2 van Centraal-Macedonië (Κεντρική Μακεδονία) (EL12) en Thessalië (Θεσσαλία) (EL14), en dat 557 ontslagen werknemers, evenals 543 jongeren jonger dan 30 jaar uit dezelfde regio's die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen („NEET's”), naar verwachting zullen deelnemen aan de maatregelen; overwegende dat de werknemers werden ontslagen na het faillissement en de sluiting van Supermarket Larissa ABEE;

D.

overwegende dat de aanvraag is ingediend op grond van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers, respectievelijk downstreamproducenten en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;

1.

is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Griekenland bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 6 468 000 EUR, wat neerkomt op 60 % van de totale kosten van 10 780 000 EUR;

2.

wijst erop dat de financiële bijdrage gericht zal zijn op 557 werknemers die werden ontslagen, onder wie 194 mannen en 363 vrouwen;

3.

wijst er nogmaals op dat aan nog eens 543 jongeren onder de 30 jaar in dezelfde regio die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen individuele dienstverlening kan worden verstrekt, zoals loopbaanbegeleiding in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

4.

merkt op dat de Commissie de termijn van twaalf weken na de ontvangst van de aanvraag van de Griekse autoriteiten op 26 november 2015 heeft gerespecteerd, aangezien zij haar beoordeling van de naleving van de voorwaarden voor het verlenen van een financiële bijdrage afrondde op 14 april 2016 en het Parlement hiervan in kennis stelde op 15 april 2016;

5.

merkt op dat naast de 557 ontslagen werknemers 543 jongeren onder de 30 jaar uit dezelfde regio's die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen („NEET's”) naar verwachting zullen deelnemen aan de maatregelen en door het EFG medegefinancierde individuele diensten zullen ontvangen; merkt op dat het verzoek van de Griekse autoriteiten om deze maatregelen uit te breiden tot NEET's het gevolg is van het feit dat er in de regio te weinig vacatures zijn voor het hoge aantal werkzoekenden, en dat 73,5 % van de werklozen in Thessalië reeds meer dan 12 maanden werkloos is (Eurostat);

6.

merkt op dat, als gevolg van de diepe recessie van de Griekse economie die werd gevolgd door een daling van de huishoudelijke consumptie en koopkracht, de omzet van de detailhandel in levensmiddelen, dranken en tabak in 2015 meer dan 30 % lager is dan bij het begin van de crisis in 2008; merkt op dat de verkopen van Supermarket Larissa dezelfde neergang kenden;

7.

merkt op dat Supermarket Larissa, een in 1986 opgerichte coöperatie van kleine kruidenierswinkels die 42 winkels en 600 werknemers telde, haar verliezen dus niet te boven kon komen en haar winkels tijdens het tweede kwartaal van 2014 moest sluiten; wijst erop dat de bezuinigingsmaatregelen, met name loonsverlagingen (-30 %), het opnieuw onderhandelen over huurovereenkomsten en het uitstel van de vervaldata van facturen, dit niet hebben kunnen voorkomen; merkt op dat deze situatie ook het gevolg is van de drastische vermindering van de kredietverlening aan ondernemingen, in een context waarin de kwantitatieve versoepeling door de Europese Centrale Bank de kredietverlening niet op gang heeft kunnen brengen; merkt op dat dit geval het dramatische gevolg is van de voortdurende druk die schuldeisers uitoefenen op Griekenland en van het Europese bezuinigingsbeleid;

8.

is ingenomen met het feit dat de Griekse autoriteiten op 26 februari 2016 zijn begonnen met het verlenen van de individuele diensten aan de getroffen werknemers, vóór het definitieve besluit over de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

9.

merkt op dat de maatregelen inzake inkomenssteun strikt beperkt blijven tot maximaal 35 % van de kosten van het gehele pakket van individuele dienstverlening, zoals vastgelegd in de EFG-verordening, en dat deze maatregelen afhankelijk gesteld zijn van de actieve participatie van de beoogde begunstigden in activiteiten voor het vinden van werk of opleiding;

10.

merkt op dat de coöperatie, hoewel zij een aantal bezuinigingsmaatregelen heeft genomen, zoals loonsverlagingen, het opnieuw onderhandelen over huurovereenkomsten, uitstel van de vervaldata van facturen, het aanbieden van goedkopere producten en het verlagen van de exploitatiekosten, de ene winkel na de andere moest sluiten;

11.

wijst erop dat de door Griekenland geplande maatregelen voor de ontslagen werknemers en de NEET's zijn onderverdeeld in de volgende categorieën: loopbaanbegeleiding; opleiding, omscholing en beroepsopleiding; bijdrage aan het opstarten van een bedrijf; toelage bij deelname en opleidingstoelage; mobiliteitstoelage;

12.

wijst op het behoorlijk hoge bedrag (15 000 EUR) dat de werknemers of NEET's die een eigen bedrijf oprichten ontvangen als onderdeel van de individuele dienstverlening; merkt tegelijkertijd op dat een groot aantal van de ontslagen werknemers een ondernemersachtergrond heeft die hun kans op succes in deze sector vergroot;

13.

wijst op de mogelijkheid dat een deel van de nieuwe bedrijven de vorm zal hebben van een sociale coöperatie, en is in dit verband ingenomen met de inspanningen van de Griekse autoriteiten om de sociale economie in Griekenland te versterken;

14.

wijst op het belang van de organisatie van een informatiecampagne om de NEET's te bereiken die voor deze maatregelen in aanmerking kunnen komen; wijst nogmaals op zijn standpunt dat de steun aan de NEET's op permanente en duurzame wijze gehandhaafd dient te worden;

15.

is ingenomen met het feit dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening werd vastgesteld via verder overleg met vertegenwoordigers van de begunstigden en de sociale partners;

16.

herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 7 van de EFG-richtlijn het ontwerp van het gecoördineerde pakket gepersonaliseerde diensten in moet spelen op toekomstige arbeidsmarktperspectieven en de op die markten benodigde vaardigheden, en verenigbaar moet zijn met de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

17.

benadrukt dat de inzetbaarheid van alle werknemers moet worden verbeterd door aangepaste opleidingen en verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden aan zowel de behoeften van de werknemers voldoet als aan het ondernemingsklimaat;

18.

verzoekt de Commissie om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, waaronder over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

19.

wijst erop dat de Griekse autoriteiten bevestigen dat voor de subsidiabele maatregelen geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen;

20.

waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement in het leven heeft geroepen om de toekenning van subsidies te versnellen; neemt nota van de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich brengt, en van de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van het dossier;

21.

herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

22.

hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

23.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

24.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(3)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(4)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0112.


BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

(aanvraag van Griekenland — EGF/2015/011 GR/Supermarket Larissa)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2016/990.)


28.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/166


P8_TA(2016)0232

Voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Zweden *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2016 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Zweden overeenkomstig artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad en artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (COM(2015)0677 — C8-0017/2016 — 2015/0314(NLE))

(Raadpleging)

(2018/C 076/33)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2015)0677),

gezien artikel 78, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0017/2016),

gezien artikel 59 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0170/2016),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel zoals geamendeerd door het Parlement;

2.

verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Amendement 1

Voorstel voor een besluit

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)

Zweden wordt geconfronteerd met een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen op zijn grondgebied, te wijten aan een sterke verschuiving van migratiestromen. Op 8 december 2015 heeft Zweden formeel verzocht om opschorting van zijn verplichtingen uit hoofde van de Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad.

(5)

Zweden wordt geconfronteerd met een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen op zijn grondgebied, te wijten aan een sterke verschuiving van migratiestromen. Op 8 december 2015 heeft Zweden formeel verzocht om opschorting van zijn verplichtingen uit hoofde van de Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad , omdat het land voor een dubbele uitdaging staat als land van eerste aankomst en tevens van eindbestemming .

Amendement 2

Voorstel voor een besluit

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)

Zweden heeft in 2015 veruit het hoogste aantal verzoekers om internationale bescherming per hoofd van de bevolking in de EU (11 503 verzoekers per miljoen inwoners).

(9)

Zweden had in 2015 veruit het hoogste aantal verzoekers om internationale bescherming per hoofd van de bevolking in de EU (11 503 verzoekers per miljoen inwoners) en naar de stand van maart 2016 in totaal 170 104 verzoekers opgevangen waaronder 73 331 kinderen en 36 181 niet-begeleide minderjarigen .

Amendement 3

Voorstel voor een besluit

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)

Ook wordt Zweden met een moeilijke situatie geconfronteerd als gevolg van de recente aanzienlijke stijging van het aantal niet-begeleide minderjarigen: één op vier verzoekers verklaart een niet-begeleide minderjarige te zijn.

(10)

Ook wordt Zweden met een moeilijke situatie geconfronteerd als gevolg van de recente aanzienlijke stijging van het aantal niet-begeleide minderjarigen: één op vier verzoekers verklaart een niet-begeleide minderjarige te zijn, die als zodanig dus speciale behoeften heeft en extra middelen vergt met het oog op toegang tot gezondheidszorg, tot waardig onderdak en tot onderwijs overeenkomstig de EU-asielregeling .