ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 438

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

60e jaargang
19 december 2017


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2017/C 438/01

Mededeling van de Commissie — Tegenwaarden van de toepassingsdrempels van de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU, 2014/25/EU en 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad

1

2017/C 438/02

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.8703 — Porsche Digital/Axel Springer/JV) ( 1 )

4

2017/C 438/03

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.8729 — EQT Fund Management/G+E Getec Holding) ( 1 )

4


 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Raad

2017/C 438/04

Conclusies van de Raad over de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden

5

2017/C 438/05

Kennisgeving aan een persoon op wie de beperkende maatregelen van Besluit 2014/119/GBVB van de Raad en van Verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne van toepassing zijn

25

 

Europese Commissie

2017/C 438/06

Wisselkoersen van de euro

26

2017/C 438/07

Advies van het Adviescomité voor concentraties uitgebracht op zijn bijeenkomst van 4 juli 2016 betreffende een ontwerpbesluit met betrekking tot zaak M.7724 — ASL/Arianespace — Rapporteur: Litouwen

27

2017/C 438/08

Eindverslag van de raadadviseur-auditeur — ASL/Arianespace (M.7724)

29

2017/C 438/09

Samenvatting van het besluit van de Commissie van 20 juli 2016 waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst (Zaak M.7724 — ASL/Arianespace) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 4621)

31

2017/C 438/10

Nieuwe nationale zijde van voor circulatie bestemde euromuntstukken

37

 

Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

2017/C 438/11

Netwerken van organisaties, werkzaam op de tot de opdracht van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) behorende gebieden

38


 

V   Bekendmakingen

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK

 

Europese Commissie

2017/C 438/12

Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van silicium van oorsprong uit Bosnië en Herzegovina en uit Brazilië

39

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Europese Commissie

2017/C 438/13

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8451 — Tronox/Cristal) ( 1 )

49


 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

 


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/1


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

Tegenwaarden van de toepassingsdrempels van de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU, 2014/25/EU en 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad

(2017/C 438/01)

De tegenwaarden in de andere nationale valuta’s dan de euro van de toepassingsdrempels van de Richtlijnen 2014/23/EU (1), 2014/24/EU (2), 2014/25/EU (3) en 2009/81/EG (4) luiden als volgt:

80 000 EUR

BGN

Nieuwe Bulgaarse lev

156 464

 

CZK

Tsjechische kroon

2 151 760

 

DKK

Deense kroon

595 608

 

GBP

Brits pond

65 630

 

HRK

Kroatische kuna

601 232

 

HUF

Hongaarse forint

24 852 800

 

PLN

Nieuwe Poolse zloty

344 936

 

RON

Nieuwe Roemeense leu

360 160

 

SEK

Zweedse kroon

758 768


144 000 EUR

BGN

Nieuwe Bulgaarse lev

281 635

 

CZK

Tsjechische kroon

3 873 168

 

DKK

Deense kroon

1 072 094

 

GBP

Brits pond

118 133

 

HRK

Kroatische kuna

1 082 218

 

HUF

Hongaarse forint

44 735 040

 

PLN

Nieuwe Poolse zloty

620 885

 

RON

Nieuwe Roemeense leu

648 288

 

SEK

Zweedse kroon

1 365 782


221 000 EUR

BGN

Nieuwe Bulgaarse lev

432 232

 

CZK

Tsjechische kroon

5 944 237

 

DKK

Deense kroon

1 645 367

 

GBP

Brits pond

181 302

 

HRK

Kroatische kuna

1 660 903

 

HUF

Hongaarse forint

68 655 860

 

PLN

Nieuwe Poolse zloty

952 886

 

RON

Nieuwe Roemeense leu

994 942

 

SEK

Zweedse kroon

2 096 097


443 000 EUR

BGN

Nieuwe Bulgaarse lev

866 419

 

CZK

Tsjechische kroon

11 915 371

 

DKK

Deense kroon

3 298 179

 

GBP

Brits pond

363 424

 

HRK

Kroatische kuna

3 329 322

 

HUF

Hongaarse forint

137 622 380

 

PLN

Nieuwe Poolse zloty

1 910 083

 

RON

Nieuwe Roemeense leu

1 994 386

 

SEK

Zweedse kroon

4 201 678


750 000 EUR

BGN

Nieuwe Bulgaarse lev

1 466 850

 

CZK

Tsjechische kroon

20 172 750

 

DKK

Deense kroon

5 583 825

 

GBP

Brits pond

615 278

 

HRK

Kroatische kuna

5 636 550

 

HUF

Hongaarse forint

232 995 000

 

PLN

Nieuwe Poolse zloty

3 233 775

 

RON

Nieuwe Roemeense leu

3 376 500

 

SEK

Zweedse kroon

7 113 450


1 000 000 EUR

BGN

Nieuwe Bulgaarse lev

1 955 800

 

CZK

Tsjechische kroon

26 897 000

 

DKK

Deense kroon

7 445 100

 

GBP

Brits pond

820 370

 

HRK

Kroatische kuna

7 515 400

 

HUF

Hongaarse forint

310 660 000

 

PLN

Nieuwe Poolse zloty

4 311 700

 

RON

Nieuwe Roemeense leu

4 502 000

 

SEK

Zweedse kroon

9 484 600


5 548 000 EUR

BGN

Nieuwe Bulgaarse lev

10 850 778

 

CZK

Tsjechische kroon

149 224 556

 

DKK

Deense kroon

41 305 415

 

GBP

Brits pond

4 551 413

 

HRK

Kroatische kuna

41 695 439

 

HUF

Hongaarse forint

1 723 541 680

 

PLN

Nieuwe Poolse zloty

23 921 312

 

RON

Nieuwe Roemeense leu

24 977 096

 

SEK

Zweedse kroon

52 620 561


(1)  PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1.

(2)  PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.

(3)  PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243.

(4)  PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76.


19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/4


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.8703 — Porsche Digital/Axel Springer/JV)

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 438/02)

Op 12 december 2017 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector;

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32017M8703. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/4


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.8729 — EQT Fund Management/G+E Getec Holding)

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 438/03)

Op 13 december 2017 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector;

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32017M8729. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Raad

19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/5


CONCLUSIES VAN DE RAAD

over de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (*1)

(2017/C 438/04)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

1.

MEMOREERT de conclusies van de Raad van 25 mei 2016 over een externe belastingstrategie en over maatregelen om misbruik van belastingverdragen tegen te gaan, in het bijzonder de punten 6 tot en met 10 van die conclusies, en de conclusies van de Raad van 8 november 2016 over de criteria en het proces voor de opstelling van de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden;

2.

BEKLEMTOONT dat het belangrijk is de in de conclusies van de Raad van 8 november 2016 onderschreven, in bijlage V bij deze conclusies opgenomen en in de bijlagen VI en VII nader omschreven criteria inzake fiscale transparantie, billijke belastingheffing en toepassing van de BEPS-bestrijdingsnormen (hierna „de criteria” genoemd), wereldwijd te bevorderen;

3.

HOUDT REKENING MET de verwezenlijkingen van het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden, het Inclusief Kader van de OESO inzake de bestrijding van grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) en het forum schadelijke belastingmaatregelen;

4.

VERWELKOMT de inspanningen die de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) (hierna „de Groep gedragscode” genoemd) zich in samenwerking met de Groep op hoog niveau belastingvraagstukken (hierna „de HLWP” genoemd) heeft getroost inzake de selectie van de relevante rechtsgebieden en de analyse en beoordeling van de met hun belastingwetgeving en -maatregelen verband houdende feiten in het kader van de criteria;

5.

IS VERHEUGD dat het merendeel van deze rechtsgebieden ervoor heeft gekozen medewerking aan dit proces en deze dialoog te verlenen, en stappen heeft ondernomen, of beloofd te ondernemen, om de problemen die de Groep gedragscode op het gebied van fiscale transparantie, billijke belastingheffing en toepassing van de BEPS-bestrijdingsnormen heeft geconstateerd, op te lossen;

6.

MERKT niettemin OP dat een aantal rechtsgebieden geen wezenlijke maatregelen heeft getroffen om de tekortkomingen doeltreffend weg te werken en geen zinvolle dialoog op basis van de criteria aangaat die tot dergelijke toezeggingen zou kunnen leiden;

7.

IS ERVAN OVERTUIGD dat de fiscale wetgeving, maatregelen en administratieve praktijken van deze rechtsgebieden in dat geval leiden of kunnen leiden tot een verlies van belastinginkomsten voor de lidstaten en dat dergelijke rechtsgebieden bijgevolg krachtig moeten worden aangespoord de voor het verhelpen van deze situatie noodzakelijke wijzigingen door te voeren;

8.

HERHAALT dat het van cruciaal belang is te voorzien in doelmatige beschermingsmechanismen om de uitholling van de heffingsgrondslagen van de lidstaten via belastingfraude, -ontduiking en -ontwijking te bestrijden;

9.

HECHT bijgevolg ZIJN GOEDKEURING AAN de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden in bijlage I, en BEVESTIGT dat rechtsgebieden op deze lijst zullen blijven staan totdat zij de criteria vervullen, bijvoorbeeld door de aanbevelingen inzake de te ondernemen stappen om van de lijst te worden geschrapt, ter harte te nemen;

10.

ACHT HET DIENSTIG dat de Groep gedragscode besprekingen met de rechtsgebieden op de lijst aanknoopt, teneinde de stappen die rechtsgebieden zouden moeten ondernemen om van de lijst te worden geschrapt, te bepalen en te monitoren, en SPOORT deze rechtsgebieden AAN de voor het vervullen van de criteria noodzakelijke maatregelen snel te treffen;

11.

NEEMT ER MET VOLDOENING NOTA VAN dat, hoewel de fiscale wetgeving, maatregelen en administratieve praktijken van sommige rechtsgebieden zorgen baren inzake fiscale transparantie, billijke belastingheffing en toepassing van de BEPS-bestrijdingsnormen, een aantal van deze rechtsgebieden niettemin op een hoog politiek niveau concrete toezeggingen heeft gedaan om de stappen te ondernemen die noodzakelijk zijn om de overblijvende knelpunten vóór de overeengekomen termijnen weg te werken, en derhalve in dit stadium niet op de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden hoeft te worden geplaatst. De Groep gedragscode dient de dialoog over en de monitoring van het daadwerkelijk nakomen van de door deze rechtsgebieden gedane toezeggingen voort te zetten en te gepasten tijde aan te bevelen de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden te actualiseren op basis van eventuele nieuwe toezeggingen en van de nakoming van deze toezeggingen. In bijlage II wordt de balans opgemaakt van de samenwerking met de EU betreffende toezeggingen om de beginselen van goed fiscaal bestuur te implementeren;

12.

BETUIGT zijn medeleven en steun aan de rechtsgebieden in het Caribisch gebied die in september 2017 zwaar zijn getroffen door verwoestende stormen, met dodelijke slachtoffers en ernstige schade aan kerninfrastructuur tot gevolg, en IS VAN MENING dat het doorlichtingsproces voor deze rechtsgebieden moet worden opgeschort (Anguilla, Antigua en Barbuda, Bahama’s, Britse Maagdeneilanden, Dominica, Saint Kitts en Nevis, Turks- en Caicoseilanden, Amerikaanse Maagdeneilanden). De Groep gedragscode dient niettemin uiterlijk in februari 2018 nadere contacten met deze rechtsgebieden te leggen teneinde deze punten van zorg tegen eind 2018 weg te werken;

13.

VRAAGT met name dat de Groep gedragscode de dialoog voortzet en vanaf het begin van 2018 onverwijld een aanvang maakt met de monitoring van de toezeggingen van rechtsgebieden, teneinde erop toe te zien dat daaraan volgens het afgesproken tijdschema daadwerkelijk wordt voldaan;

14.

ROEPT de Groep gedragscode ERTOE OP overeenstemming te bereiken over procedures voor het verrichten van de monitoring en om vóór de zomer van 2018 een voortgangsverslag over deze aangelegenheid op te stellen;

15.

DRAAGT de Groep gedragscode dienovereenkomstig OP besprekingen met de desbetreffende rechtsgebieden aan te knopen of voort te zetten, de nodige toezeggingen te verkrijgen, te controleren of aan deze toezeggingen wordt voldaan, en voor zover nodig regelmatig terug te koppelen naar de Raad met voorstellen tot wijziging van de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden;

16.

STAAT OP HET STANDPUNT, weergegeven in bijlage III, dat de EU en de lidstaten jegens de niet-coöperatieve rechtsgebieden, zolang die op die lijst staan, zowel op fiscaal gebied als daarbuiten doeltreffende en evenredige defensieve maatregelen zouden kunnen toepassen;

17.

BEVEELT de lidstaten AAN te voorzien in bepaalde gecoördineerde defensieve maatregelen op fiscaal gebied als vervat in bijlage III bij deze conclusies, zulks overeenkomstig hun nationaal recht en in overeenstemming met de EU- en internationaalrechtelijke verplichtingen;

18.

DRINGT ER BIJ de Groep gedragscode OP AAN voort te gaan met de bestudering van verdere gecoördineerde maatregelen op fiscaal gebied en VERZOEKT de lidstaten de Groep gedragscode mee te delen of en hoe zij defensieve maatregelen toepassen jegens de niet-coöperatieve rechtsgebieden, zolang die op die lijst staan;

19.

VERZOEKT de EU-instellingen en -lidstaten in voorkomend geval rekening te houden met de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden bij het buitenlands beleid, de economische betrekkingen en ontwikkelingssamenwerking ten aanzien van de desbetreffende derde landen, zodat onverminderd de onderscheiden bevoegdheden van de lidstaten en de Unie ingevolge de Verdragen wordt gestreefd naar een alomvattende aanpak in verband met de naleving van de criteria;

20.

IS VAN OORDEEL dat de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden en de defensieve maatregelen, indien van toepassing, een krachtig signaal voor de betrokken rechtsgebieden zullen zijn, en zodoende zullen aanzetten tot een gunstige koerswijziging die kan leiden tot het schrappen van de rechtsgebieden van de lijst;

21.

BEVESTIGT dat deze gezamenlijk door de EU-lidstaten ondernomen acties sporen met de koers die door de G20, de OESO en andere internationale fora wordt gepropageerd;

22.

HERINNERT aan het akkoord in de Raad over de in bijlage VII omschreven benadering inzake het ontbreken van een systeem voor vennootschapsbelasting of de toepassing van een nominaal vennootschapsbelastingtarief van nul of bijna nul procent in het kader van het criterium volgens hetwelk een rechtsgebied geen offshoreconstructies of -regelingen mag faciliteren die erop zijn gericht winsten aan te trekken die geen weerspiegeling vormen van de reële economische activiteit in het rechtsgebied;

23.

WIJST EROP dat, in de lijn van de conclusies van de Raad van 8 november 2016, deze acties geen afbreuk doen aan de onderscheiden bevoegdheden van de lidstaten, zoals de bevoegdheid om te onderhandelen of overeenstemming te bereiken over bilaterale belastingverdragen, extra maatregelen toe te passen of lijsten van niet-coöperatieve rechtsgebieden op nationaal niveau met een ruimere reikwijdte aan te houden;

24.

BEVESTIGT dat een wijzigingsbesluit met betrekking tot de lijst door de Raad zal worden genomen aan de hand van de relevante feitelijke informatie die de Groep gedragscode aan de Raad ter beschikking stelt;

25.

WIJST EROP dat de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden ten minste één keer per kalenderjaar moet worden geactualiseerd en dat de situatie in de rechtsgebieden op de lijst, alsmede in andere rechtsgebieden die deel uitmaken van het doorlichtingsproces van 2017, voortdurend moet worden gemonitord. Op basis van de door de Raad overeengekomen criteria kan de Groep gedragscode de monitoring uitbreiden naar andere rechtsgebieden;

26.

VERZOEKT de Groep gedragscode de dialoog met relevante rechtsgebieden voort te zetten teneinde fiscale transparantie, billijke belastingheffing en toepassing van de BEPS-bestrijdingsnormen te bevorderen, en door te gaan met de analyse van de defensieve maatregelen die verder zouden kunnen worden omschreven en op gecoördineerde wijze worden toegepast op niet-coöperatieve rechtsgebieden, onverminderd de EU- en internationaalrechtelijke verplichtingen van de lidstaten;

27.

HERHAALT dat de Groep gedragscode, met steun van het secretariaat-generaal van de Raad, dit proces in samenspraak met de HLWP moet blijven leiden en controleren. De Commissie zal de Groep gedragscode bijstaan door de nodige voorbereidende werkzaamheden voor het doorlichtingsproces te verrichten, met inachtneming van de rollen die momenteel zijn omschreven in de Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen en met bijzondere aandacht voor eerdere en lopende dialogen met derde landen;

28.

ACHT HET in dit verband DIENSTIG de in bijlage IV vervatte richtsnoeren voor verdere werkzaamheden op dit gebied vast te stellen;

29.

BEVESTIGT dat de Raad indien nodig de criteria regelmatig zal actualiseren, rekening houdend met internationale ontwikkelingen en gelet op de evolutie van internationale normen en IS VAN MENING dat toekomstige beoordelingen en dialogen met de betrokken rechtsgebieden op die normen moeten zijn gebaseerd, met inachtneming van het belang van voortdurende en snelle vorderingen van alle relevante rechtsgebieden op deze gebieden.


(*1)  De Raad heeft besloten deze conclusies ter informatie in het Publicatieblad te publiceren.


BIJLAGE I

De EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (1)

I.   DE EU-LIJST VAN NIET-COÖPERATIEVE RECHTSGEBIEDEN VOOR BELASTINGDOELEINDEN

1.   Amerikaans Samoa

Amerikaans Samoa wisselt niet automatisch financiële inlichtingen uit, heeft het gewijzigde Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de OESO niet ondertekend en geratificeerd, ook niet via het rechtsgebied waarvan het afhankelijk is, past de BEPS-minimumnormen niet toe en heeft niet toegezegd deze kwesties uiterlijk op 31 december 2018 aan te pakken.

2.   Bahrein

Bahrein wisselt niet met alle EU-lidstaten automatisch inlichtingen uit, heeft het gewijzigde Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de OESO niet ondertekend en geratificeerd, faciliteert offshoreconstructies en -regelingen die erop gericht zijn winsten aan te trekken zonder reële economische substantie, past de BEPS-minimumnormen niet toe en heeft niet toegezegd deze kwesties uiterlijk op 31 december 2018 aan te pakken.

3.   Barbados

Barbados heeft een schadelijke preferentiële belastingregeling en heeft niet duidelijk toegezegd deze zoals gevraagd uiterlijk op 31 december 2018 te wijzigen of af te schaffen.

De toezegging van Barbados om andere schadelijke preferentiële belastingregelingen te wijzigen of af te schaffen conform criterium 2.1 zal worden gecontroleerd.

4.   Grenada

Grenada heeft het gewijzigde Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de OESO niet ondertekend en geratificeerd, en heeft niet duidelijk toegezegd deze kwesties uiterlijk op 31 december 2018 aan te pakken.

De toezegging van Grenada om te voldoen aan criteria 1.1, 2.1 en 3 zal worden gecontroleerd.

5.   Guam

Guam wisselt niet automatisch financiële inlichtingen uit, heeft het gewijzigde Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de OESO niet ondertekend en geratificeerd, ook niet via het rechtsgebied waarvan het afhankelijk is, past de BEPS-minimumnormen niet toe en heeft niet toegezegd deze kwesties uiterlijk op 31 december 2018 aan te pakken.

6.   Korea (Republiek)

Korea heeft schadelijke preferentiële belastingregelingen en heeft niet toegezegd deze uiterlijk op 31 december 2018 te wijzigen of af te schaffen.

7.   SAR Macau

De SAR Macau heeft het gewijzigde Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de OESO niet ondertekend en geratificeerd, ook niet via het rechtsgebied waarvan het afhankelijk is, en heeft niet toegezegd deze kwesties uiterlijk op 31 december 2018 aan te pakken.

De toezegging van de SAR Macau om te voldoen aan criteria 1.1 en 2.1 zal worden gecontroleerd.

8.   Marshalleilanden

De Marshalleilanden faciliteren offshoreconstructies en -regelingen die erop zijn gericht winsten aan te trekken zonder reële economische substantie, passen de BEPS-minimumnormen niet toe en hebben niet toegezegd deze kwesties uiterlijk op 31 december 2018 aan te pakken.

De toezegging van de Marshalleilanden om te voldoen aan criteria 1.1 en 1.2 zal worden gecontroleerd.

9.   Mongolië

Mongolië is geen lid van het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden, heeft het gewijzigde Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de OESO niet ondertekend en geratificeerd, past de BEPS-minimumnormen niet toe en heeft niet toegezegd deze kwesties uiterlijk op 31 december 2019 aan te pakken.

10.   Namibië

Namibië is geen lid van het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden, heeft het gewijzigde Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de OESO niet ondertekend en geratificeerd, past de BEPS-minimumnormen niet toe en heeft niet toegezegd deze kwesties uiterlijk op 31 december 2019 aan te pakken. Voorts heeft Namibië schadelijke preferentiële belastingregelingen en heeft het niet toegezegd deze uiterlijk op 31 december 2018 te wijzigen of af te schaffen.

11.   Palau

Palau faciliteert offshoreconstructies en -regelingen die erop zijn gericht winsten aan te trekken zonder reële economische substantie, en heeft geweigerd een zinvolle dialoog aan te gaan opdat zou kunnen worden nagegaan of het aan criterium 2.2 voldoet.

De toezegging van Palau om te voldoen aan criteria 1.1, 1.2, 1.3 en 3 zal worden gecontroleerd.

12.   Panama

Panama heeft een schadelijke preferentiële belastingregeling en heeft niet duidelijk toegezegd deze zoals gevraagd uiterlijk op 31 december 2018 te wijzigen of af te schaffen.

De toezegging van Panama om andere schadelijke preferentiële belastingregelingen te wijzigen of af te schaffen conform criterium 2.1, zal worden gecontroleerd.

13.   Saint Lucia

Saint Lucia heeft schadelijke preferentiële belastingregelingen, past de BEPS-minimumnormen niet toe en heeft niet duidelijk toegezegd deze kwesties uiterlijk op 31 december 2018 aan te pakken.

14.   Samoa

Samoa heeft schadelijke preferentiële belastingregelingen, past de BEPS-minimumnormen niet toe en heeft niet toegezegd deze kwesties uiterlijk op 31 december 2018 aan te pakken.

15.   Trinidad en Tobago

Trinidad en Tobago heeft een rating „non-compliant” (niet-conform) gekregen van het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden, heeft het gewijzigde Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de OESO niet ondertekend en geratificeerd, heeft schadelijke preferentiële belastingregelingen, en heeft niet toegezegd deze kwesties uiterlijk op 31 december 2018 aan te pakken.

De toezegging van Trinidad en Tobago om te voldoen aan criteria 1.1 en 3 zal worden gecontroleerd.

16.   Tunesië

Tunesië heeft schadelijke preferentiële belastingregelingen en heeft niet toegezegd deze uiterlijk op 31 december 2018 te wijzigen of af te schaffen.

De toezegging van Tunesië om te voldoen aan criterium 3 zal worden gecontroleerd.

17.   Verenigde Arabische Emiraten

De Verenigde Arabische Emiraten passen de BEPS-minimumnormen niet toe en hebben niet toegezegd deze kwestie uiterlijk op 31 december 2018 aan te pakken.

De toezegging van de Verenigde Arabische Emiraten om te voldoen aan criteria 1.1 en 1.3 zal worden gecontroleerd.

II.   DE AANBEVELINGEN AAN RECHTSGEBIEDEN INZAKE DE TE ONDERNEMEN STAPPEN OM VAN DE LIJST TE WORDEN GESCHRAPT

Alle rechtsgebieden worden verzocht de in de bijlage genoemde tekortkomingen effectief aan te pakken.


(1)  Op basis van de antwoorden ontvangen uiterlijk op 4 december 2017 om 17.00 uur (UTC +01:00).


BIJLAGE II

Stand van zaken van de samenwerking met de EU in verband met de gedane toezeggingen inzake de toepassing van de beginselen inzake goed fiscaal bestuur (1)

In het kader van de doorlichting heeft de Groep gedragscode ieder rechtsgebied waarbij problemen werden geconstateerd, uitgenodigd zich ertoe te verbinden deze problemen aan te pakken. Een grote meerderheid van de rechtsgebieden heeft besloten in zijn fiscale wetgeving de nodige aanpassingen door te voeren om aan de doorlichtingscriteria van de EU te voldoen.

De uitkomst van dit proces laat zien dat al deze rechtsgebieden nauw betrokken zijn in een constructieve dialoog met de EU, dat zij bereid zijn te voldoen aan EU- en internationale belastingnormen en ten slotte dat de EU met al deze rechtsgebieden positieve betrekkingen heeft opgebouwd. Deze rechtsgebieden worden daarom als coöperatief gezien, op voorwaarde dat zij hun toezeggingen nakomen.

De Groep gedragscode zal erop toezien dat deze toezeggingen in de praktijk worden uitgevoerd, en zal daarom de constructieve dialoog die met deze rechtsgebieden is opgebouwd, voortzetten.

De uitvoering van de toezeggingen moet in de meeste rechtsgebieden tegen het einde van 2018 afgerond zijn; ontwikkelingslanden hebben echter tot het einde van 2019 om hun toezeggingen met betrekking tot de transparantiecriteria en BEPS-bestrijdingsmaatregelen na te komen.

De volgende „Stand van zaken van de samenwerking met de EU in verband met de gedane toezeggingen inzake de toepassing van de beginselen inzake goed fiscaal bestuur” doet verslag van de toezeggingen die door het doorgelichte rechtsgebied zijn gedaan om problemen aan te pakken die zijn geconstateerd bij de doorlichting op basis van de criteria welke door de Raad Ecofin van november 2016 zijn overeengekomen. Deze toezeggingen zijn ondergebracht in drie rubrieken: transparantie, billijke belastingheffing en BEPS-bestrijdingsmaatregelen.

1.   Transparantie

1.1.

Toezegging om de automatische uitwisseling van inlichtingen in te voeren door de ondertekening van de multilaterale overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten, of via bilaterale overeenkomsten

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd de automatische uitwisseling van inlichtingen voor het einde van 2018 in te voeren:

Curaçao, SAR Hongkong, Nieuw-Caledonië, Oman, Qatar en Taiwan

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd de automatische uitwisseling van inlichtingen voor het einde van 2019 in te voeren:

Turkije

1.2.

Lidmaatschap van het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden en een bevredigende rating

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd om voor het einde van 2018 lid te worden van het Mondiaal Forum en/of een bevredigende rating te hebben:

Curaçao, Nieuw-Caledonië en Oman

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd om voor het einde van 2019 lid te worden van het Mondiaal Forum en/of een bevredigende rating te hebben:

Bosnië en Herzegovina, Kaapverdië, Fiji, Jordanië, Montenegro, Servië, Swaziland, Turkije en Vietnam

1.3.

Het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van de OESO („het WABB-verdrag”) ondertekenen en ratificeren, of een netwerk van regelingen hebben dat alle EU-lidstaten omvat

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd om voor het einde van 2018 het WABB-verdrag te ondertekenen en te ratificeren, of over een netwerk van regelingen te beschikken dat alle EU-lidstaten omvat:

SAR Hongkong, Nieuw-Caledonië, Oman, Qatar en Taiwan

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd om voor het einde van 2019 het WABB-verdrag te ondertekenen en te ratificeren, of over een netwerk van regelingen te beschikken dat alle EU-lidstaten omvat:

Armenië, Bosnië en Herzegovina, Kaapverdië, Botswana, Fiji, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Jamaica, Jordanië, Maldiven, Montenegro, Marokko, Peru, Servië, Swaziland, Thailand, Turkije en Vietnam

2.   Billijke belastingheffing

2.1.

Schadelijke belastingregelingen

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd de gesignaleerde regelingen voor het einde van 2018 aan te passen of af te schaffen:

Andorra, Armenië, Aruba, Belize, Botswana, Kaapverdië, Cookeilanden, Curaçao, Fiji, SAR Hongkong, Jordanië, Liechtenstein, Maldiven, Mauritius, Marokko, Saint Vincent en de Grenadines, San Marino, Seychellen, Taiwan, Thailand, Turkije, Uruguay, Vietnam en Zwitserland

De volgende rechtsgebieden hebben de tijdens het forum schadelijke belastingmaatregelen gedane toezegging om de gesignaleerde regelingen voor het einde van 2018 aan te passen of af te schaffen niet uitdrukkelijk herhaald:

Maleisië en het eiland Labuan

2.2.

Belastingregelingen die offshoreconstructies faciliteren waarmee winsten worden aangetrokken zonder dat er sprake is van enige daadwerkelijke economische activiteit

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd de problemen met betrekking tot de economische substantie voor het einde van 2018 aan te pakken:

Bermuda, Kaaimaneilanden, Guernsey, het eiland Man, Jersey en Vanuatu

3.   BEPS-bestrijdingsmaatregelen

3.1.

Lidmaatschap van het Inclusief Kader inzake de bestrijding van BEPS of invoering van minimumnormen inzake BEPS-bestrijding

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd voor het einde van 2018 lid te worden van het Inclusief Kader, of minimumnormen inzake BEPS-bestrijding in te voeren:

Aruba, Cookeilanden, de Faeröer, Groenland, Nieuw-Caledonië, Saint Vincent en de Grenadines, Taiwan en Vanuatu

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd voor het einde van 2019 lid te worden van het Inclusief Kader, of minimumnormen inzake BEPS-bestrijding in te voeren:

Albanië, Armenië, Bosnië en Herzegovina, Kaapverdië, Fiji, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Jordanië, Maldiven, Montenegro, Marokko, Servië en Swaziland

De volgende rechtsgebieden hebben toegezegd lid te worden van het Inclusief Kader, of minimumnormen inzake BEPS-bestrijding in te voeren indien en wanneer dit relevant wordt:

Nauru en Niue


(1)  Op basis van de antwoorden ontvangen uiterlijk op 4 december 2017 om 17.00 uur (UTC +01:00).


BIJLAGE III

Defensieve maatregelen

1.

Er wordt verwacht dat het plaatsen van een rechtsgebied op de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden een ontradend effect heeft dat rechtsgebieden ertoe aanzet de in bijlage IV opgenomen en in de bijlagen V en VI nader omschreven criteria, alsmede andere relevante internationale normen, in acht te nemen.

2.

Het is belangrijk te voorzien in doelmatige beschermingsmechanismen om de uitholling van de heffingsgrondslagen van de lidstaten via belastingfraude, -ontduiking en -ontwijking te bestrijden, en bijgevolg op EU-niveau en nationaal niveau doeltreffende en evenredige defensieve maatregelen te treffen jegens de rechtsgebieden op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3.

Op EU-niveau is aan de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden een aantal in deel A van deze bijlage vervatte defensieve maatregelen op niet-fiscaal gebied gekoppeld.

4.

Daarnaast zouden de lidstaten in overeenstemming met hun nationale recht in aanvulling op de niet-fiscale maatregelen van de EU bepaalde defensieve maatregelen op fiscaal gebied kunnen nemen teneinde niet-coöperatieve praktijken in de op de lijst geplaatste rechtsgebieden doeltreffend te ontmoedigen.

5.

Deel B van deze bijlage bevat een lijst van dergelijke maatregelen op fiscaal gebied. Aangezien deze maatregelen moeten stroken met de nationale belastingstelsels van de EU-lidstaten, wordt de uitvoering van deze maatregelen overgelaten aan de lidstaten.

6.

Er zij op gewezen dat eventuele defensieve maatregelen de onderscheiden bevoegdheden van de lidstaten om extra maatregelen toe te passen of lijsten van niet-coöperatieve rechtsgebieden op nationaal niveau met een ruimere reikwijdte bij te houden, onverlet moeten laten.

A.   DEFENSIEVE MAATREGELEN OP NIET-FISCAAL GEBIED

Artikel 22 van Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds bevat een koppeling met de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden.

Mocht er in de toekomst voorts in andere EU-wetgevingshandelingen op niet-fiscaal gebied een koppeling met de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden worden ingebouwd, dan zou dat worden geacht deel uit te maken van de defensieve maatregelen in het kader van deze Raadsconclusies.

Het algemene effect dat dergelijke maatregelen sorteren op de naleving van de criteria door de rechtsgebieden, moet worden gemonitord door de Groep gedragscode en de HLWP in het kader van de uitvoering van de externe EU-strategie voor belastingheffing.

B.   DEFENSIEVE MAATREGELEN OP FISCAAL GEBIED

B.1.

Om te zorgen voor een gecoördineerd optreden, dienen de lidstaten ten minste één van de volgende administratieve maatregelen op fiscaal gebied toe te passen:

a)

versterkte monitoring van bepaalde transacties;

b)

verhoogd risico op controles voor belastingplichtigen die gebruikmaken van de regelingen waarvan sprake;

c)

verhoogd risico op controles voor belastingplichtigen die structuren of regelingen gebruiken waarbij deze rechtsgebieden betrokken zijn.

B.2.

Onverminderd de onderscheiden bevoegdheden van de lidstaten om aanvullende maatregelen toe te passen, zijn defensieve maatregelen met een wetgevingskarakter op fiscaal gebied die de lidstaten zouden kunnen toepassen:

a)

niet-aftrekbaarheid van kosten;

b)

regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (cfc’s);

c)

maatregelen inzake bronbelasting;

d)

beperking van de vrijstelling voor deelnemingen;

e)

een switch-overregel;

f)

omkering van de bewijslast;

g)

bijzondere documentatievoorschriften;

h)

verplichte openbaarmaking door fiscale intermediairs van bepaalde fiscale structuren met betrekking tot grensoverschrijdende regelingen.

B.3.

De lidstaten zouden kunnen overwegen om bij de omzetting van Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt, de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden te gebruiken als instrument om de werking van toepasselijke antimisbruikbepalingen te faciliteren. Wanneer de lidstaten bijvoorbeeld bij de omzetting van de cfc-regels in hun nationaal recht uit hoofde van die richtlijn gebruikmaken van „zwarte” lijsten van derde landen, zouden deze lijsten ten minste de rechtsgebieden in de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden kunnen omvatten.


BIJLAGE IV

Richtsnoeren voor de verdere procedure in verband met de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden

1.   HERZIENING VAN DE LIJST EN PROCEDURE VOOR SCHRAPPING VAN DE LIJST

1.1.

De in bijlage I opgenomen lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden wordt ten minste éénmaal per jaar herzien en goedgekeurd aan de hand van het verslag van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) aan de Raad, met vermelding van de datum van ingang van die wijziging.

1.2.

Deze lijst kan worden gewijzigd, of de duur ervan kan worden aangepast, volgens dezelfde procedurele regels als die welke gelden voor het goedkeuren ervan. Bij dit proces dient de Europese Commissie de nodige technische bijstand te verlenen.

1.3.

Het besluit van de Raad zal stoelen op een verslag van de Groep gedragscode, in samenspraak met de HLWP, en worden opgesteld door het Comité van permanente vertegenwoordigers.

1.4.

Zodra een rechtsgebied op de lijst wordt geplaatst, zal het daarvan in kennis worden gesteld middels een door de voorzitter van de Groep gedragscode ondertekende brief, met vermelding van:

a)

de motivering van de opneming in de lijst, en

b)

de stappen die van een betrokken rechtsgebied worden verwacht om van de lijst te worden geschrapt.

1.5.

Zodra een rechtsgebied van de lijst wordt geschrapt, zal het onverwijld van die schrapping in kennis worden gesteld middels een door de voorzitter van de Groep gedragscode ondertekende brief, met vermelding van de datum van ingang van die wijziging.

1.6.

Besluiten betreffende het opnemen in of schrappen van de lijst van een rechtsgebied moeten een duidelijke vermelding bevatten van de data waarop de defensieve maatregelen op fiscaal gebied moeten ingaan of verstrijken, afhankelijk van de aard van de maatregel, zonder afbreuk te doen aan de onderscheiden bevoegdheden van de lidstaten, bijvoorbeeld de aanpassing van nationale wetgeving inzake de toepassing van op nationaal niveau getroffen defensieve maatregelen.

2.   TOEZEGGINGEN DOOR RECHTSGEBIEDEN, MONITORING, DIALOOG EN VOLGENDE STAPPEN

2.1.

Door rechtsgebieden officieel gedane toezeggingen om door de Raad vereiste aanbevelingen met het oog op het verhelpen van geconstateerde problemen uit te voeren, moeten met steun van het secretariaat-generaal van de Raad en met technische bijstand van de Europese Commissie nauwlettend door de Groep gedragscode worden gemonitord, zodat de daadwerkelijke uitvoering ervan kan worden geëvalueerd.

2.2.

Indien deze rechtsgebieden er niet in slagen toezeggingen binnen de vastgestelde termijn na te komen, zal de Raad terugkomen op het vraagstuk van de eventuele opneming van de betrokken rechtsgebieden in een in bijlage I vervatte lijst.

2.3.

Wat betreft rechtsgebieden die zorgen baren omdat zij de criteria niet naleven, moet de Groep gedragscode blijven streven naar een toezegging op hoog politiek niveau van die rechtsgebieden, met een concrete termijn, en een efficiënte oplossing zoeken voor de tijdens het doorlichtingsproces geconstateerde problemen.

2.4.

Met de bilaterale besprekingen moet met name worden beoogd:

a)

oplossingen voor geconstateerde problemen met de belastingstelsels en -maatregelen van deze rechtsgebieden te onderzoeken en te bepalen, alsmede

b)

de passende en noodzakelijke toezeggingen om de situatie te verhelpen, te bekomen.

2.5.

Bij de monitoring moet steeds rekening worden gehouden met de verwezenlijkingen van het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden, het Inclusief Kader van de OESO inzake de bestrijding van grondslaguitholling en winstverschuiving, en het forum schadelijke belastingmaatregelen.

2.6.

De Groep gedragscode moet doorgaan met het wereldwijd bevorderen van de criteria in coördinatie met de werkzaamheden van het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden, het Inclusief Kader van de OESO inzake de bestrijding van grondslaguitholling en winstverschuiving, en het forum schadelijke belastingmaatregelen.

2.7.

Indien de Groep gedragscode daartoe op basis van door de Raad overeengekomen criteria besluit, kan de monitoring in voorkomend geval worden uitgebreid naar rechtsgebieden die buiten de werkingssfeer van het doorlichtingsproces van 2017 lagen.

2.8.

De Groep gedragscode, met steun van het secretariaat-generaal van de Raad, zal dit proces in samenspraak met de HLWP blijven leiden en controleren. De Commissiediensten zullen de Groep gedragscode bijstaan door de nodige voorbereidende werkzaamheden voor het doorlichtingsproces te verrichten, met inachtneming van de rollen die momenteel zijn omschreven in de Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen, en met bijzondere aandacht voor eerdere en lopende dialogen met derde landen.

2.9.

De Groep gedragscode moet doorgaan met het ontwikkelen van passende praktische regelingen voor de uitvoering van deze richtsnoeren.

2.10.

De EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden wordt door de Raad volgens deze richtsnoeren geactualiseerd aan de hand van de informatie die ter beschikking van de Groep gedragscode wordt gesteld. De Groep gedragscode gaat tewerk op basis van de informatie die haar onder meer door het betrokken rechtsgebied, de Commissie of de lidstaten wordt verstrekt.

2.11.

Na een evenwichtige beoordeling van alle verzamelde informatie brengt de Groep gedragscode ten minste éénmaal per jaar verslag uit aan de Raad over de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden, zodat de Raad in staat is te besluiten naargelang het geval rechtsgebieden op te nemen in de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden indien zij de doorlichtingscriteria niet vervullen, of ze onverwijld van die lijst te schrappen indien zij de voorwaarden naleven.

2.12.

Het secretariaat-generaal van de Raad zal als contactpunt blijven fungeren om de in dit document beschreven procedure te faciliteren.


BIJLAGE V

Criteria inzake fiscale transparantie, billijke belastingheffing en toepassing van de BEPS-bestrijdingsnormen die de lidstaten verklaren te zullen propageren

De volgende criteria inzake goed fiscaal bestuur moeten worden gebruikt voor de doorlichting van rechtsgebieden met het oog op de opstelling van een EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden, in overeenstemming met de richtsnoeren voor de doorlichting. De conformiteit van rechtsgebieden inzake fiscale transparantie, billijke belastingheffing en de toepassing van BEPS-maatregelen zal tijdens het doorlichtingsproces cumulatief worden beoordeeld.

1.   Fiscale transparantie

De criteria die een rechtsgebied moet vervullen om als conform te worden beschouwd wat betreft fiscale transparantie:

1.1.

aanvankelijk criterium met betrekking tot de OESO-standaard (de „common reporting standard” — CRS) inzake automatische uitwisseling van inlichtingen (AEOI): het rechtsgebied moet zich hebben gecommitteerd aan de wetgevingsprocedure die is gericht op de daadwerkelijke toepassing van de CRS en deze hebben ingeleid, waarbij de eerste uitwisselingen uiterlijk in 2018 plaatsvinden (betreffende het jaar 2017), en moet uiterlijk eind 2017 regelingen hebben getroffen om met alle lidstaten informatie te kunnen uitwisselen, via de ondertekening van de multilaterale overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten dan wel via bilaterale overeenkomsten;

toekomstig criterium met betrekking tot de CRS vanaf 2018: het rechtsgebied moet wat betreft de CRS inzake automatische uitwisseling van inlichtingen, ten minste over de rating „largely compliant” (grotendeels conform) van het Mondiaal Forum beschikken, en

1.2.

het rechtsgebied moet wat betreft de OESO-standaard inzake uitwisseling van inlichtingen op verzoek (EOIR), terdege rekening houdend met de versnelde procedure, ten minste over de rating „largely compliant” (grotendeels conform) van het Mondiaal Forum beschikken, en

1.3.

(wat betreft soevereine staten) moet het rechtsgebied ofwel

i)

het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (het WABB-Verdrag) van de OESO, zoals gewijzigd, hebben geratificeerd, tot de ratificatie ervan hebben besloten, de procedure voor de ratificatie ervan hebben ingeleid of zich hebben gecommitteerd aan de inwerkingtreding ervan binnen een redelijke termijn, of

ii)

op 31 december 2018 beschikken over een netwerk van uitwisselingsregelingen dat voldoende ruim is om alle lidstaten te omvatten, waardoor zowel de AEOI als de EOIR mogelijk zijn;

(wat betreft niet-soevereine rechtsgebieden) moet het rechtsgebied ofwel

i)

partij zijn bij het WABB-Verdrag, zoals gewijzigd, dat in het rechtsgebied hetzij reeds in werking is getreden, hetzij naar verwachting binnen een redelijke termijn in werking zal treden, ofwel

ii)

beschikken over een netwerk van uitwisselingsregelingen, of de noodzakelijke stappen hebben ondernomen om dergelijke regelingen binnen een redelijke termijn in werking te doen treden, dat voldoende ruim is om alle lidstaten te omvatten, waardoor zowel de AEOI als de EOIR mogelijk zijn;

1.4.

toekomstig criterium: in het licht van het initiatief voor de toekomstige wereldwijde uitwisseling van informatie over uiteindelijke begunstigden, zal het aspect van de uiteindelijk begunstigde in een latere fase worden opgenomen als een vierde transparantiecriterium voor doorlichting.

Tot 30 juni 2019 dient de volgende uitzondering te gelden:

Een rechtsgebied kan als conform worden beschouwd wat betreft fiscale transparantie, indien het ten minste aan twee van de criteria 1.1, 1.2 of 1.3 voldoet.

Deze uitzondering geldt niet voor rechtsgebieden die voor criterium 1.2 te boek staan als „non compliant” (niet conform), of die niet uiterlijk op 30 juni 2018 op criterium 1.2 ten minste de rating „largely compliant” (grotendeels conform) hebben verkregen.

Landen en rechtsgebieden die voorkomen in de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden die momenteel door de OESO- en G20-leden wordt opgesteld, zullen in aanmerking worden genomen voor opneming in de EU-lijst, ongeacht of zij voor het doorlichtingsproces zijn geselecteerd.

2.   Billijke belastingheffing

De criteria die een rechtsgebied moet vervullen om als conform te worden beschouwd wat betreft billijke belastingheffing:

2.1.

het rechtsgebied mag geen preferentiële belastingmaatregelen toepassen die volgens de criteria in de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 1 december 1997 betreffende een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen (1), als schadelijk kunnen worden beschouwd, en

2.2.

het rechtsgebied mag offshoreconstructies of -regelingen die erop zijn gericht winsten aan te trekken die geen weerspiegeling vormen van de reële economische activiteit in het rechtsgebied, niet faciliteren.

3.   Toepassing van BEPS-bestrijdingsmaatregelen

3.1.

Aanvankelijk criterium dat een rechtsgebied moet vervullen om als conform te worden beschouwd wat betreft de toepassing van BEPS-bestrijdingsmaatregelen:

het rechtsgebied moet zich uiterlijk eind 2017 committeren aan de overeengekomen OESO-minimumnormen inzake BEPS-bestrijding en de consistente toepassing ervan.

3.2.

Toekomstig criterium dat een rechtsgebied moet vervullen om als conform te worden beschouwd wat betreft de toepassing van BEPS-bestrijdingsmaatregelen (moet worden toegepast zodra de evaluaties van de overeengekomen minimumnormen door middel van het inclusieve kader zijn voltooid):

het rechtsgebied moet een positieve beoordeling (2) verkrijgen met betrekking tot de effectieve toepassing van de overeengekomen OESO-minimumnormen inzake BEPS-bestrijding.


(1)  PB C 2 van 6.1.1998, blz. 2.

(2)  Zodra overeenstemming is bereikt over de methodologie, zal de Raad de formulering van het criterium dienovereenkomstig herzien.


BIJLAGE VI

Criterium 1.3 (de duur van de redelijke termijn)

1.

Volgens punt 13 van de Richtsnoeren voor het proces van doorlichting van rechtsgebieden in de bijlage bij de Raadsconclusies moet de Groep gedragscode op basis van objectieve criteria de duur van de in criterium 1.3 bedoelde redelijke termijn bepalen.

2.

Voor de toepassing van criterium 1.3 zal de duur van de in criterium 1.3 bedoelde redelijke termijn als volgt worden uitgelegd:

3.

In verband met criterium 1.3, punt i) (betreffende soevereine staten), heeft „binnen een redelijke termijn” betrekking op de inwerkingtreding van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (het WABB-Verdrag) van de OESO, zoals gewijzigd, voor een bepaald rechtsgebied, en niet op het zich committeren.

4.

In verband met criterium 1.3, punten i) en ii) (betreffende niet-soevereine rechtsgebieden), heeft „binnen een redelijke termijn” betrekking op respectievelijk de inwerkingtreding van het WABB-Verdrag, zoals gewijzigd, voor het rechtsgebied, en op de inwerkingtreding voor het rechtsgebied van een netwerk van uitwisselingsregelingen dat voldoende ruim is om alle lidstaten te omvatten.

5.

De duur van de redelijke termijn voor deze drie punten zal gelijk zijn aan de termijn die wordt toegepast in criterium 1.3, punt ii), in verband met soevereine staten: 31 december 2018 (d.w.z. dezelfde termijn die ook geldt voor de inwerkingtreding voor een soeverein derde rechtsgebied van een netwerk van uitwisselingsregelingen dat voldoende ruim is om alle lidstaten te omvatten).

6.

Onverminderd de termijn van 31 december 2018 dient de redelijke termijn niet langer te zijn dan de tijd die nodig is voor:

a)

de voltooiing van de procedurestappen volgens de nationale wetgeving;

b)

de aanneming en de inwerkingtreding van eventuele noodzakelijke wijzigingen in de nationale wetgeving, alsmede

c)

iedere andere objectieve termijn die een zich formeel committeren mee zou kunnen brengen (bijvoorbeeld: voor een rechtsgebied dat zijn instemming door het WABB-verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het in werking op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

7.

De duur van de redelijke termijn kan alleen worden verlengd door middel van een besluit bij consensus van de Groep gedragscode voor een bepaald niet-soeverein rechtsgebied, en uitsluitend in terdege gemotiveerde gevallen.


BIJLAGE VII

Toepassingsgebied van criterium 2.2

1.

Voor de toepassing van criterium 2.2 moet het ontbreken van een vennootschapsbelasting of de toepassing van een nominaal vennootschapsbelastingtarief van nul of bijna nul procent door een rechtsgebied worden geacht te vallen onder paragraaf A van de Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen van 1 december 1997 (Gedragscode) (1).

2.

In dit opzicht dienen, indien criterium 2.1 niet van toepassing is om de loutere reden dat het betrokken rechtsgebied niet voldoet aan het primaire criterium van paragraaf B van de Gedragscode (2), vanwege het „ontbreken van een systeem voor vennootschapsbelasting of de toepassing van een nominaal vennootschapsbelastingtarief van nul of bijna nul procent” (3), dienovereenkomstig de vijf in paragraaf B van de Gedragscode vermelde factoren te worden toegepast om te beoordelen of aan criterium 2.2 (4) is voldaan.

3.

In de context van criterium 2.2 kan het ontbreken van een systeem voor vennootschapsbelasting of de toepassing van een nominaal vennootschapsbelastingtarief van nul of bijna nul procent geen loutere reden zijn om te concluderen dat een rechtsgebied niet aan de vereisten van criterium 2.2 voldoet.

4.

Een rechtsgebied dient te worden geacht niet aan criterium 2.2 te voldoen, indien het weigert deel te nemen aan een zinvolle dialoog, niet de informatie of toelichtingen verstrekt waar de Groep gedragscode redelijkerwijs om zou kunnen verzoeken, of anderszins niet zijn medewerking verleent aan de Groep gedragscode wanneer deze in het kader van de doorlichting moet nagaan of het rechtsgebied aan criterium 2.2 voldoet.

Mandaat voor de dienovereenkomstige toepassing van de codetoets

A.   ALGEMEEN KADER

1.   Criterium van de conclusies van de Raad Ecofin van 8 november 2016

Het rechtsgebied mag offshoreconstructies of -regelingen die erop zijn gericht winsten aan te trekken die geen weerspiegeling vormen van de reële economische activiteit in het rechtsgebied, niet faciliteren.

2.   Werkingssfeer van criterium 2.2 (Ecofin februari 2017)

1.

Voor de toepassing van criterium 2.2 moet het ontbreken van een vennootschapsbelasting of de toepassing van een nominaal vennootschapsbelastingtarief van nul of bijna nul procent door een rechtsgebied worden geacht te vallen onder paragraaf A van de Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen van 1 december 1997 (Gedragscode) (5).

2.

In dit opzicht dienen, indien criterium 2.1 niet van toepassing is om de loutere reden dat het betrokken rechtsgebied niet voldoet aan het primaire criterium van paragraaf B van de Gedragscode (6) vanwege het „ontbreken van een systeem voor vennootschapsbelasting of de toepassing van een nominaal vennootschapsbelastingtarief van nul of bijna nul procent” (7), dienovereenkomstig de vijf in paragraaf B van de Gedragscode vermelde factoren te worden toegepast om te beoordelen of aan criterium 2.2 (8) is voldaan.

3.

In de context van criterium 2.2 kan het ontbreken van een systeem voor vennootschapsbelasting of de toepassing van een nominaal vennootschapsbelastingtarief van nul of bijna nul procent geen loutere reden zijn om te concluderen dat een rechtsgebied niet aan de vereisten van criterium 2.2 voldoet.

4.

Een rechtsgebied dient te worden geacht niet aan criterium 2.2 te voldoen, indien het weigert deel te nemen aan een zinvolle dialoog, niet de informatie of toelichtingen verstrekt waar de Groep gedragscode redelijkerwijs om zou kunnen verzoeken, of anderszins niet zijn medewerking verleent aan de Groep gedragscode wanneer deze in het kader van de doorlichting moet nagaan of het rechtsgebied aan criterium 2.2 voldoet.

3.   Algemene opmerkingen

Volgens de door de Raad Ecofin bepaalde werkingssfeer van criterium 2.2 wordt het ontbreken van een systeem voor vennootschapsbelasting of de toepassing van een nominaal vennootschapsbelastingtarief van nul of bijna nul procent in een rechtsgebied beschouwd als een „maatregel” die de locatie van economische activiteiten aanzienlijk beïnvloedt (paragraaf A van de Gedragscode).

In dat verband wordt met criterium 2.2. beoogd na te gaan of deze „maatregel” offshoreconstructies of -regelingen faciliteert die erop zijn gericht winsten aan te trekken die geen weerspiegeling vormen van de reële economische activiteit in het rechtsgebied.

Criterium 2.2 is uitsluitend van toepassing indien de standaardbeoordeling in het kader van de gedragscode (m.a.w. criterium 2.1) niet kan worden toegepast omdat er in het rechtsgebied een systeem voor vennootschapsbelasting ontbreekt of omdat het rechtsgebied een nominaal vennootschapsbelastingtarief van nul of bijna nul procent toepast.

Criterium 2.2. dient ter beoordeling van het rechtskader en bepaalde economische bewijzen van een rechtsgebied inzake de vijf criteria van paragraaf B van de Gedragscode die dienovereenkomstig moeten worden geïnterpreteerd.

Door rechtsgebieden van een derde land verleende voordelen die de locatie van economische activiteiten in aanzienlijke mate beïnvloeden, moeten worden bezien in samenhang met een nominaal vennootschapsbelastingtarief van nul of bijna nul procent alsmede met het ontbreken van een systeem voor vennootschapsbelasting, voor zover de standaardgedragscode in beide gevallen niet kon worden toegepast. Deze laatste kenmerken moeten volgens deze codetoets op zich als te beoordelen voordelen worden beschouwd.

In het algemeen dienen door de Groep gedragscode over de jaren heen ontwikkelde richtsnoeren voor het beoordelen van belastingmaatregelen in het kader van de Gedragscode van 1998 consequent te worden toegepast en dus ook voor deze toets (9).

Een rechtsgebied kan volgens dit criterium slechts worden beschouwd als bij de beoordeling in gebreke gebleven indien „offshoreconstructies of -regelingen die erop zijn gericht winsten aan te trekken die geen weerspiegeling vormen van de reële economische activiteit” het gevolg zijn van regels of praktijken, ook op niet-fiscaal gebied, die een rechtsgebied redelijkerwijs kan worden gevraagd aan te passen, of het gevolg zijn van het ontbreken van de om voor deze toets te slagen noodzakelijke regels en voorschriften die een rechtsgebied redelijkerwijs kan worden gevraagd in te voeren.

Het invoeren van een systeem voor vennootschapsbelasting of een positief nominaal vennootschapsbelastingtarief behoort niet tot de maatregelen die van een rechtsgebied van een derde land kunnen worden gevraagd om aan de vereisten van deze toets te voldoen, aangezien het ontbreken van een belastinggrondslag of een belastingtarief van nul of bijna nul procent niet op zichzelf kan worden beschouwd als een criterium om een rechtsgebied als niet-conform te beoordelen.

Niettemin betekent criterium 2.2 dat de rechtsgebieden die weigeren de EU medewerking te verlenen voor de beoordeling van hun rechtskader, automatisch niet-conform worden geacht.

B.   PRIMAIRE TOETS

1.   Het primaire criterium in de Gedragscode luidt thans:

„Binnen de in paragraaf A omschreven werkingssfeer worden als potentieel schadelijk en derhalve als onder deze gedragscode vallend beschouwd de belastingmaatregelen die een daadwerkelijk belastingniveau opleveren dat beduidend lager is, inclusief belasting tegen nultarief, dan die welke normaal gesproken in de betrokken lidstaat van toepassing zijn.”.

2.   Richtsnoeren voor de dienovereenkomstige toepassing

Het functioneren van de primaire toets blijkt behoorlijk duidelijk uit de door de Raad Ecofin in februari van dit jaar overeengekomen omschrijving van de werkingssfeer van criterium 2.2.

Aan deze toets is met name voldaan indien „criterium 2.1 niet van toepassing is om de loutere reden dat het betrokken rechtsgebied niet voldoet aan het primaire criterium van paragraaf B van de Gedragscode, vanwege het ontbreken van een systeem voor vennootschapsbelasting of de toepassing van een nominaal vennootschapsbelastingtarief van nul of bijna nul procent”.

C.   CRITERIA 1 EN 2

1.   Criterium 1 van de huidige Gedragscodecriteria luidt als volgt:

„Worden de voordelen uitsluitend aan niet-ingezetenen of voor transacties met niet-ingezetenen toegekend?”.

2.   Criterium 2 van de huidige Gedragscodecriteria luidt als volgt:

„Staan de voordelen geheel los van de binnenlandse economie, zodat zij geen gevolgen hebben voor de nationale belastinggrondslag?”.

3.   Richtsnoeren voor de dienovereenkomstige toepassing

Voor de toepassing van criterium 2.2 moeten „voordelen” worden begrepen als het bestaan van een belastingtarief van nul of bijna nul procent of het ontbreken van een systeem voor vennootschapsbelasting.

Criterium 1 en criterium 2 van de huidige code bevatten twee kernelementen: a) juridische afzondering en b) feitelijke afzondering.

Juridische afzondering ontstaat wanneer voordelen krachtens de wet- en regelgeving met betrekking tot de vestiging en activiteiten van bedrijven in een bepaald rechtsgebied uitsluitend aan niet-ingezetenen worden toegekend.

Indien er geen effectief systeem voor vennootschapsbelasting bestaat, moet worden nagegaan of aspecten van het rechtskader, met inbegrip van elementen die losstaan van de vennootschapsbelasting, daadwerkelijk leiden tot een situatie van afzondering.

Niet-fiscale vereisten voor ondernemingen met het oog op de toestemming om zich te vestigen of om toegang te krijgen tot de binnenlandse markt van het getoetste rechtsgebied, zouden daarvan een voorbeeld zijn.

Daartoe wordt elke maatregel beoordeeld die leidt tot een verschillende behandeling tussen binnenlandse ondernemingen en door niet-ingezetenen aangehouden ondernemingen of ondernemingen waarvan de activiteiten losstaan van de binnenlandse markt.

Indien een rechtsgebied bijvoorbeeld „voordelen” toekent aan een onderneming op voorwaarde dat zij zich onthoudt van activiteiten in de plaatselijke economie (criterium 2), of uitsluitend voor zover die activiteiten afhangen van een specifieke bedrijfsvergunning (criteria 1 en 2), of uitsluitend voor zover de activiteiten door niet-ingezetenen worden verricht (criterium 1), kan dit worden beoordeeld als een mogelijke aanwijzing dat er een afzonderingssysteem bestaat. Dit kan analoog ook relevant zijn voor andere belastingen (d.w.z. andere dan de vennootschapsbelasting).

Feitelijke afzondering betreft gewoonlijk een situatie waarin een land het voordeel niet uitdrukkelijk uitsluitend aan niet-ingezetenen toekent, maar de facto uitsluitend of bijna uitsluitend niet-ingezetenen ervan profiteren.

Wat de feitelijke afzondering betreft, wordt meestal nagegaan hoeveel belastingplichtigen die gebruikmaken van het voordeel, in feite niet-ingezetenen zijn. Indien bijvoorbeeld alle of bijna alle personen op wie een belasting van nul procent van toepassing is, niet-ingezetenen zijn (inclusief binnenlandse ondernemingen met buitenlandse aandeelhouders), kunnen subcriteria 1 b) en 2 b) als vervuld worden beschouwd (d.w.z. het rechtsgebied zou in het kader van deze stap van de codetoets niet-conform worden geacht).

D.   CRITERIUM 3

1.   Criterium 3 van de huidige Gedragscodecriteria luidt als volgt:

„Worden de voordelen ook toegekend als er geen sprake is van enige daadwerkelijke economische activiteit of substantiële economische aanwezigheid in de lidstaat die deze belastingvoordelen biedt?”.

2.   Richtsnoeren voor de dienovereenkomstige toepassing

Teneinde te controleren of voordelen ook worden toegekend als er geen sprake is van enige daadwerkelijke economische activiteit of substantiële economische aanwezigheid, moet worden nagegaan:

of een rechtsgebied van een bedrijf of een andere onderneming (bv. voor de inschrijving in het handelsregister en/of de activiteiten ervan) daadwerkelijke economische activiteiten of een substantiële economische aanwezigheid verlangt:

„daadwerkelijke economische activiteit” betreft de aard van de activiteit waarop de desbetreffende niet-belastingheffing van toepassing is;

„substantiële economische aanwezigheid” betreft de feitelijke blijken van de activiteit waarop de desbetreffende niet-belastingheffing van toepassing is;

bij wijze van voorbeeld en in de veronderstelling dat elementen die de Groep gedragscode in het verleden in overweging heeft genomen, over het algemeen eveneens relevant zijn voor deze analyse, moeten voor de huidige beoordeling de volgende elementen in aanmerking worden genomen, rekening houdend met de kenmerken van de industrie/sector in kwestie: een toereikend aantal werknemers, een toereikend aantal jaarlijkse gedane uitgaven; fysieke kantoren en ruimten, investeringen of relevante soorten te ondernemen activiteiten;

of er een passende juridische en feitelijke koppeling bestaat tussen daadwerkelijke economische activiteiten die in het rechtsgebied worden verricht, en de winsten die niet zijn onderworpen aan belastingen;

of de overheidsinstanties, waaronder de belastingautoriteiten van een rechtsgebied, in staat zijn om onderzoeken te voeren (en dat daadwerkelijk doen) naar de verrichting van daadwerkelijke economische activiteiten en een substantiële economische aanwezigheid op zijn grondgebied, en in staat zijn tot uitwisseling van relevante informatie met andere belastingautoriteiten;

of er sancties staan op het niet nakomen van vereisten voor substantiële activiteiten.

E.   CRITERIUM 4

1.   Criterium 4 van de huidige Gedragscodecriteria luidt als volgt:

„Wijken de regels voor het bepalen van de winst uit de binnenlandse activiteiten van een multinationale groep van ondernemingen af van de internationaal aanvaarde beginselen, met name van de in OESO-verband goedgekeurde regels?”.

2.   Richtsnoeren voor de dienovereenkomstige toepassing

Bij het beoordelen van de overeenstemming van de regels voor het bepalen van de winst met de internationaal overeengekomen normen (bv. de OESO-richtlijnen verrekenprijzen of andere soortgelijke standaarden voor jaarrekeningen) moet eerst en vooral worden nagegaan of en in hoeverre deze analyse toepasselijk is op rechtsgebieden die geen systeem voor vennootschapsbelasting toepassen.

Daartoe lijkt het zinvol te oordelen dat een rechtsgebied dat geen systeem voor vennootschapsbelasting toepast, geen negatieve gevolgen zou mogen hebben voor een correcte toewijzing van winsten die afwijkt van internationaal overeengekomen normen. Rechtsgebieden moeten passende stappen ondernemen om ervoor te zorgen dat belastingheffende landen in staat zijn hun rechten tot belastingheffing uit te oefenen, d.w.z. via verslaglegging per land, transparantie en andere manieren om informatie uit te wisselen.

Waar passend, moet worden nagegaan of de overeengekomen beginselen van de OESO of soortgelijke standaarden voor jaarrekeningen voor het bepalen van winsten in een bepaald rechtsgebied zijn goedgekeurd.

In dit verband is het van cruciaal belang te bepalen hoe deze regels in de betrokken rechtsgebieden worden toegepast en geconsolideerd. Bij gebrek aan een vennootschapsbelasting in een bepaald rechtsgebied kan ook rekening worden gehouden met alternatieve regels voor verrekenprijzen, door zich ervan te vergewissen of zij vergelijkbaar en verenigbaar zijn met internationaal overeengekomen beginselen (bijvoorbeeld een benadering met gebruik van de marktprijswaarde in het kader van internationale boekhoudbeginselen).

Dit criterium dient om te voorkomen dat multinationale ondernemingen wordt toegestaan van de OESO-richtlijnen verrekenprijzen afwijkende regels voor verrekenprijzen te hanteren om hun winsten toe te wijzen aan rechtsgebieden met een belastingtarief van nul procent.

De antwoorden op de vragen van punt 2.9 tot en met 2.12 moeten voldoende informatie verschaffen over de vraag hoe de winsten worden bepaald, waarbij moet worden gewezen op belangrijke afwijkingen van internationaal overeengekomen normen.

F.   CRITERIUM 5

1.   Criterium 5 van de huidige Gedragscodecriteria luidt als volgt:

„Zijn de belastingmaatregelen onvoldoende doorzichtig, ook wanneer de wettelijke voorschriften op bestuursrechtelijk niveau minder stringent en op ondoorzichtige wijze worden toegepast?”.

2.   Richtsnoeren voor de dienovereenkomstige toepassing

Criterium 5 dient om na te gaan of bepaalde kenmerken van een rechtsstelsel, onder meer de vestiging van een bedrijf op het grondgebied, onvoldoende doorzichtig zijn.

Meer specifiek moet worden beoordeeld hetzij of er elementen in het rechtsstelsel zijn, waaronder het verlenen van een fiscaal domicilie of het opzetten van vennootschappen, die discretionair kunnen worden toegekend, hetzij of het rechtsstelsel door wetgeving is gebonden, waarbij wordt nagegaan of er wettelijke bepalingen zijn, met inbegrip van niet-fiscale bepalingen, die als discretionair kunnen worden beschouwd in aangelegenheden in verband met het opzetten van een vennootschap in dat rechtsgebied.

Dit criterium dient om te voorkomen dat het regelgevingskader van een rechtsgebied onvoldoende transparant is, aangezien de voordelen in de zin van deze codetoets voortvloeien uit de registratie van een vennootschap in een rechtsgebied.

De antwoorden op de vragen van punt 2.13 tot en met 2.16 moeten voldoende informatie verschaffen over de vraag hoe er in een rechtsgebied wordt gezorgd voor transparantie inzake bepaalde stappen die vennootschappen moeten ondernemen om gebruik te kunnen maken van de voordelen die in dat rechtsgebied worden geboden.


(1)  „Onverminderd de onderscheiden bevoegdheden van de lidstaten en de Gemeenschap, betreft deze gedragscode, die betrekking heeft op belastingregeling voor ondernemingen, maatregelen die de locatie van economische activiteiten in de Gemeenschap in aanzienlijke mate beïnvloeden of kunnen beïnvloeden.” (PB C 2 van 6.1.1998, blz. 3)

(2)  „Binnen de in paragraaf A omschreven werkingssfeer worden als potentieel schadelijk en derhalve als onder deze gedragscode vallend beschouwd de belastingmaatregelen die een daadwerkelijk belastingniveau opleveren dat beduidend lager is, inclusief belasting tegen nultarief, dan die welke normaal gesproken in de betrokken lidstaat van toepassing is. Een dergelijk belastingniveau kan het gevolg zijn van het nominale belastingtarief, van de belastinggrondslag of van andere factoren.” (PB C 2 van 6.1.1998, blz. 3)

(3)  Dit kan het gevolg zijn van het nominale belastingtarief, van de belastinggrondslag of van andere factoren.

(4)  Criterium 2.2 luidt als volgt: „Het rechtsgebied mag offshoreconstructies of -regelingen die erop zijn gericht winsten aan te trekken die geen weerspiegeling vormen van de reële economische activiteit in het rechtsgebied, niet faciliteren.”

(5)  „Onverminderd de onderscheiden bevoegdheden van de lidstaten en de Gemeenschap, betreft deze gedragscode, die betrekking heeft op belastingregeling voor ondernemingen, maatregelen die de locatie van economische activiteiten in de Gemeenschap in aanzienlijke mate beïnvloeden of kunnen beïnvloeden.” (PB C 2 van 6.1.1998, blz. 3)

(6)  „Binnen de in paragraaf A omschreven werkingssfeer worden als potentieel schadelijk en derhalve als onder deze gedragscode vallend beschouwd de belastingmaatregelen die een daadwerkelijk belastingniveau opleveren dat beduidend lager is, inclusief belasting tegen nultarief, dan die welke normaal gesproken in de betrokken lidstaat van toepassing zijn. Een dergelijk belastingniveau kan het gevolg zijn van het nominale belastingtarief, van de belastinggrondslag of van andere factoren.” (PB C 2 van 6.1.1998, blz. 3)

(7)  Dit kan het gevolg zijn van het nominale belastingtarief, van de belastinggrondslag of van andere factoren.

(8)  Criterium 2.2 luidt als volgt: „Het rechtsgebied mag offshoreconstructies of -regelingen die erop zijn gericht winsten aan te trekken die geen weerspiegeling vormen van de reële economische activiteit in het rechtsgebied, niet faciliteren.”

(9)  Zie document 14039/98 van 11 december 1998„Gedragscode (belastingregeling ondernemingen) — interpretatie van de criteria” en de daaropvolgende actualiseringen.


19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/25


Kennisgeving aan een persoon op wie de beperkende maatregelen van Besluit 2014/119/GBVB van de Raad en van Verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne van toepassing zijn

(2017/C 438/05)

De volgende informatie wordt ter kennis gebracht van de heer Viktor Ivanovych Ratushniak, die genoemd wordt in de bijlage bij Besluit 2014/119/GBVB (1) van de Raad en in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 208/2014 (2) van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne.

De Raad overweegt vast te houden aan de beperkende maatregelen tegen de bovengenoemde persoon. De bovengenoemde persoon wordt op de hoogte gebracht van het feit dat hij bij de Raad een verzoek kan indienen om kennis te nemen van de elementen in het dossier van de Raad betreffende zijn plaatsing op de lijst. Het verzoek dient voor 3 januari 2018 naar het volgende adres te worden gestuurd:

Raad van de Europese Unie

Secretariaat-generaal

DG C 1C

Wetstraat 175

1048 Brussel

BELGIË

E-mail: sanctions@consilium.europa.eu

In dit verband wordt de aandacht van de betrokken persoon gevestigd op de regelmatige evaluatie door de Raad van de lijst van personen in Besluit 2014/119/GBVB en Verordening (EU) nr. 208/2014.


(1)  PB L 66 van 6.3.2014, blz. 26.

(2)  PB L 66 van 6.3.2014, blz. 1.


Europese Commissie

19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/26


Wisselkoersen van de euro (1)

18 december 2017

(2017/C 438/06)

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,1795

JPY

Japanse yen

132,66

DKK

Deense kroon

7,4440

GBP

Pond sterling

0,88208

SEK

Zweedse kroon

9,9588

CHF

Zwitserse frank

1,1652

ISK

IJslandse kroon

 

NOK

Noorse kroon

9,8573

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

25,685

HUF

Hongaarse forint

313,67

PLN

Poolse zloty

4,2070

RON

Roemeense leu

4,6228

TRY

Turkse lira

4,5253

AUD

Australische dollar

1,5392

CAD

Canadese dollar

1,5185

HKD

Hongkongse dollar

9,2194

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,6836

SGD

Singaporese dollar

1,5904

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 282,23

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

15,1661

CNY

Chinese yuan renminbi

7,8055

HRK

Kroatische kuna

7,5430

IDR

Indonesische roepia

16 027,64

MYR

Maleisische ringgit

4,8141

PHP

Filipijnse peso

59,551

RUB

Russische roebel

69,1462

THB

Thaise baht

38,499

BRL

Braziliaanse real

3,8734

MXN

Mexicaanse peso

22,4718

INR

Indiase roepie

75,7645


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/27


Advies van het Adviescomité voor concentraties uitgebracht op zijn bijeenkomst van 4 juli 2016 betreffende een ontwerpbesluit met betrekking tot zaak M.7724 — ASL/Arianespace

Rapporteur: Litouwen

(2017/C 438/07)

Operatie

1.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de transactie een concentratie vormt in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening.

EU-dimensie

2.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de transactie een EU-dimensie heeft overeenkomstig artikel 1, lid 2, van de concentratieverordening.

Product- en geografische markt

3.

Het Adviescomité is het eens met de conclusies van de Commissie met betrekking tot de volgende relevante productmarkten:

3.1.

Markten voor lanceerdiensten;

3.2.

Markten voor satellieten;

3.3.

Markt voor door Arianespace geëxploiteerde draagraketten;

3.4.

Markt voor (i) payloadadapters en (ii) payloaddispensers;

3.5.

Markten voor ruimtevaartverzekeringsdiensten, en

3.6.

Markten voor satellietexploitatie.

4.

Het Adviescomité is het eens met de conclusies van de Commissie met betrekking tot de volgende relevante geografische markten:

4.1.

Markten voor lanceerdiensten;

4.2.

Markten voor satellieten;

4.3.

Markt voor door ARIANESPACE geëxploiteerde draagraketten;

4.4.

Markt voor (i) payloadadapters en (ii) payloaddispensers;

4.5.

Markten voor ruimtevaartverzekeringsdiensten, en

4.6.

Markten voor satellietexploitatie.

Mededingingsrechtelijke beoordeling

5.

Het Adviescomité is het eens met de beoordeling van de Commissie dat de transactie de daadwerkelijke mededinging op de markten (i) voor lanceerdiensten en (ii) voor satellieten wat betreft de stromen van gevoelige informatie van (i) Arianespace naar Airbus met betrekking tot andere satellietbouwers en van (ii) Airbus naar ARIANESPACE met betrekking tot andere aanbieders van lanceerdiensten significant zou belemmeren.

6.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de definitieve toezeggingen die op 20 mei 2016 door de aanmeldende partij werden gedaan de door de Commissie vastgestelde mededingingsbezwaren wegnemen.

7.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de transactie de daadwerkelijke mededinging niet significant zou belemmeren ingevolge de relatie tussen de activiteiten van de Partijen op:

7.1.

de markten voor lanceerdiensten en de markten voor satellieten;

7.2.

de markt voor door Arianespace geëxploiteerde draagraketten en de markten voor lanceerdiensten;

7.3.

de markten voor lanceerdiensten en de markten voor payloaddispensers en payloadadapters;

7.4.

de markten voor ruimtevaartverzekeringsdiensten en de markten voor satellietexploitatie en voor satellieten, en

7.5.

de markten voor lanceerdiensten en de markten voor satellietexploitatie.

8.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat, mits de definitieve toezeggingen van de aanmeldende partij op 20 mei 2016 volledig worden nagekomen, de transactie de daadwerkelijke mededinging op de interne markt of een wezenlijk deel daarvan waarschijnlijk niet significant zal belemmeren.

Verenigbaarheid met de interne markt

9.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de transactie derhalve verenigbaar moet worden verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst overeenkomstig artikel 2, lid 2, en artikel 8, lid 2, van de concentratieverordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst.


19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/29


Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (1)

ASL/Arianespace

(M.7724)

(2017/C 438/08)

1.

Op 8 januari 2016 ontving de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie (de „voorgenomen transactie”) waarbij Airbus Safran Launchers („ASL”, Frankrijk), een joint venture onder gezamenlijke zeggenschap van Airbus Group S.E. („Airbus”, Nederland) en Safran SA („Safran”, Frankrijk), de uitsluitende zeggenschap over Arianespace Participation SA en Arianespace SA (samen „Arianespace”, Frankrijk) zou verwerven. Airbus, Safran en ASL worden hierna de „partijen” genoemd.

2.

Op 1 februari 2016 bracht de Commissie de partijen op de hoogte van de punten van zorg die voortvloeiden uit de voorlopige beoordeling van de voorgenomen transactie tijdens een bijeenkomst over de stand van zaken. De partijen stelden op 5 februari 2016 toezeggingen voor en stelden op 9 februari 2016 een ontwerp van herziene toezeggingen voor.

3.

Op 26 februari 2016 stelde de Commissie een besluit vast tot inleiding van een procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c), van de concentratieverordening (2). In dat besluit gaf de Commissie aan dat de voorgestelde toezeggingen niet toelieten om de in de eerste fase van het onderzoek vastgestelde mededingingsbezwaren uit te sluiten.

4.

Op 11 maart 2016 dienden de partijen schriftelijke opmerkingen in over het besluit tot inleiding van de procedure.

5.

Op 22 maart 2016, op met redenen omkleed verzoek, stond ik Avio s.p.a, een concurrent van ASL, toe om als belanghebbende derde te worden gehoord overeenkomstig artikel 5 van Besluit 2011/695/EU. Op 24 juni 2016, op hun met redenen omkleed verzoek, stond ik ook MacDonald, Dettwiler and Associates Ltd (Canada), en zijn dochteronderneming Space Systems/Loral (USA), een concurrent van Airbus, toe als belanghebbende derden.

6.

Op 1 april 2016 werd overeenkomstig artikel 10, lid 3, tweede alinea, derde zin, van de concentratieverordening de periode van de tweede fase voor de beoordeling van de voorgenomen transactie met 10 werkdagen verlengd. Op 27 april 2016 besloot de Commissie om die beoordelingsperiode met nog eens 10 werkdagen te verlengen, op dezelfde rechtsgrondslag.

7.

Op 4 mei 2016 dienden de partijen een nieuw pakket voorgestelde toezeggingen in. Op basis van feedback van de gerichte markttoets van dit pakket door de Commissie, boden de partijen op 20 mei 2016 herziene toezeggingen aan.

8.

De Commissie bracht geen mededeling van punten van bezwaar uit overeenkomstig artikel 13, lid 2, van de uitvoeringsverordening van de concentratieverordening (3). Bijgevolg was er geen formele hoorzitting overeenkomstig artikel 14 van die verordening.

9.

In het ontwerpbesluit wordt de voorgenomen transactie, zoals gewijzigd door de toezeggingen die op 20 mei 2016 door de partijen werden gedaan, verenigbaar verklaard met de interne markt en de EER-overeenkomst, behoudens bepaalde voorwaarden en verplichtingen die moeten waarborgen dat de partijen deze toezeggingen nakomen.

10.

Overeenkomstig artikel 16 van Besluit 2011/695/EU heb ik onderzocht of het ontwerpbesluit enkel de bezwaren behandelt ten aanzien waarvan de partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt kenbaar te maken. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit inderdaad het geval is.

11.

Over het algemeen ben ik van mening dat de daadwerkelijke uitoefening van procedurele rechten gedurende deze procedure is gerespecteerd.

Brussel, 11 juli 2016

Joos STRAGIER


(1)  Op grond van de artikelen 16 en 17 van Besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB L 275, 20.10.2011, blz. 29) („Besluit 2011/695/EU”).

(2)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1) (de „Concentratieverordening”).

(3)  Verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie van 7 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 133 van 30.4.2004, blz. 1; rectificatie in PB L 172 van 6.5.2004, blz. 9).


19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/31


Samenvatting van het besluit van de Commissie

van 20 juli 2016

waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst

(Zaak M.7724 — ASL/Arianespace)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 4621)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2017/C 438/09)

Op 20 juli 2016 nam de Commissie een besluit aan in een concentratiezaak op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen  (1), en met name artikel 8, lid 1, van die verordening. Een niet-vertrouwelijke versie van het volledige besluit in de authentieke taal van de zaak is te vinden op de website van het Directoraat-generaal Concurrentie op het volgende adres: http://ec.europa.eu/comm/competition/index_en.html

I.   DE PARTIJEN EN DE OPERATIE

(1)

Op 8 januari 2016 ontving de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie overeenkomstig artikel 4 van de concentratieverordening waarbij ASL, een joint venture onder gezamenlijke zeggenschap van Airbus Group S.E. („Airbus”, Nederland) en Safran SA („Safran”, Frankrijk), de uitsluitende zeggenschap verwerft, in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening, over Arianespace Participation SA en Arianespace SA (samen „Arianespace”, Frankrijk), door de aankoop van alle aandelen die Centre National d’Etudes Spatiales („CNES”) momenteel aanhoudt in Arianespace (de „transactie”). Airbus en Safran samen, evenals ASL, worden hierna de „partijen” genoemd.

(2)

Arianespace is een bedrijf dat in 1980 werd opgericht door CNES, als de belangrijkste aandeelhouder, en door de satellietindustrie die deelnam aan het Ariane-programma, te weten Airbus, Safran en elf andere Europese bedrijven die de tien Europese landen vertegenwoordigden die via hun deelname aan de Europese Ruimtevaartorganisatie (European Space Agency, „ESA”) de ontwikkeling van de Ariane-draagraket financierden. Deze initiële aandeelhoudersstructuur is tot op heden grotendeels ongewijzigd gebleven. Arianespace lanceert satellieten en andere ruimtevaartuigen voor commerciële en institutionele klanten van het ruimtevaartcentrum in Guyana (Centre Spatial Guyanais, „CSG”), in Kourou, Frankrijk. Hiertoe heeft ESA aan Arianespace het exclusieve recht verleend om de door ESA gefinancierde draagraketten Ariane en Vega te commercialiseren. Op grond van overeenkomsten die tussen Rusland, ESA en Frankrijk zijn gesloten, heeft Arianespace ook het exclusieve recht om vanuit het CSG lanceerdiensten aan te bieden voor commerciële missies met behulp van de Russische Sojoez-draagraket.

(3)

ASL is een vennootschap naar Frans recht, staat onder gezamenlijke zeggenschap van Airbus en Safran (50/50), en combineert de activiteiten van zijn moedermaatschappijen op het gebied van civiele en militaire draagraketten en van satellietsubsystemen en -apparatuur. De oprichting van de ASL-groep werd op 8 oktober 2014 bij de Commissie aangemeld in het kader van zaak M.7353 en werd op 26 november 2014 onder bepaalde voorwaarden goedgekeurd.

(4)

Airbus is een vennootschap naar Nederlands recht die actief is op het gebied van luchtvaart, ruimtevaart en defensie. Airbus is momenteel genoteerd aan de beurzen van Frankfurt, Madrid en Parijs. Airbus bestaat uit drie afdelingen: (i) Airbus Division, dat zich richt op de bouw van commerciële vliegtuigen (68,4 % van de totale omzet van de groep in 2014), (ii) Airbus Helicopters (9,8 % van de totale omzet van de groep) en (iii) Airbus Defence and Space („Airbus DS”), dat een brede waaier van producten op het gebied van defensie, beveiliging en veilige ruimtetoepassingen aanbiedt (20,9 % van de totale omzet van de groep), inclusief subsystemen voor draagraketten (via zijn Spaanse dochteronderneming Airbus Defence and Space SAU, „Airbus DS SAU”) en satellieten. Airbus DS is ook actief als satellietexploitant voor telecommunicatie- en aardobservatiesatellieten.

(5)

Safran is een in Frankrijk gevestigde onderneming die genoteerd is aan de beurs van Parijs en zich richt op drie hoofdgebieden: (i) voortstuwingssystemen voor lucht- en ruimtevaart (53 % van de totale omzet van de groep), (ii) vliegtuiguitrusting (29 % van de totale omzet van de groep) en (iii) defensie- en beveiligingsystemen (18 % van de totale omzet van de groep).

II.   SAMENVATTING

(6)

De transactie werd op 8 januari 2016 bij de Commissie aangemeld.

(7)

Bij besluit van 26 februari 2016 stelde de Commissie vast dat de transactie aanleiding gaf tot ernstige twijfels over de verenigbaarheid ervan met de interne markt en nam ze een besluit aan om de procedure op grond van artikel 6, lid 1, onder c), van de concentratieverordening in te leiden (het „besluit op grond van artikel 6, lid 1, onder c)”).

(8)

Het diepgaande onderzoek bevestigde de voorlopig vastgestelde mededingingsbezwaren met betrekking tot de uitwisseling van gevoelige informatie tussen Arianespace en Airbus.

(9)

Op 20 mei 2016 diende de aanmeldende partij de definitieve toezeggingen („definitieve toezeggingen”) in die de transactie verenigbaar maken met de interne markt.

(10)

Daarom wordt een goedkeuringsbesluit overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de concentratieverordening ter goedkeuring voorgelegd.

III.   MEMORIE VAN TOELICHTING

A.   DE RELEVANTE PRODUCTMARKTEN

1.   Markt voor draagraketten geëxploiteerd door Arianespace

(11)

Arianespace koopt draagraketten bij de hoofdaannemers voor draagraketten (ASL voor Ariane, ELV voor Vega en TsSKB voor Sojoez). ASL is actief als hoofdaannemer voor de Ariane-draagraketten.

(12)

In dit verband is de Commissie van oordeel dat de markt voor door Arianespace geëxploiteerde draagraketten Europees in omvang is.

2.   Markt voor lanceerdiensten

(13)

Arianespace lanceert satellieten en andere ruimtevaartuigen voor institutionele en zakelijke klanten. Het brengt de satellieten en andere ruimtevaartuigen in zowel geostationaire omloopbanen (Geostationary Transfer Orbits, „GTO”) als niet-geostationaire omloopbanen. ASL is marginaal actief op de markt van lanceerdiensten via zijn joint venture Eurockot, dat de Rockot-draagraket commercialiseert. De draagraket wordt gebruikt voor niet-GTO-lanceringen voor zakelijke en institutionele klanten.

(14)

In dit verband is de Commissie van oordeel dat (i) GTO-missies en (ii) niet-GTO-missies verschillende markten vormen. Elk van deze markten kan verder worden onderverdeeld in: i) open lanceringen, en ii) gesloten lanceringen (civiel of militair). Dit komt overeen met de volgende afzonderlijke relevante markten: i) open markt voor GTO-lanceerdiensten, ii) open markt voor niet-GTO-lanceerdiensten, iii) gesloten markt voor GTO-lanceerdiensten, en iv) gesloten markt voor niet-GTO-lanceerdiensten. Voor de toepassing van dit besluit kan de vraag of de markten voor niet-GTO-lanceerdiensten kunnen worden onderverdeeld in LEO- en MEO-lanceringen worden opengelaten.

(15)

Wat de geografische omvang betreft, is de Commissie van oordeel dat: i) de open markten voor lanceerdiensten (voor zowel GTO- als niet-GTO-lanceringen) mondiaal in omvang zijn, en dat ii) de gesloten markten voor lanceerdiensten (voor zowel GTO- als niet-GTO-lanceringen) nationaal of regionaal in omvang zijn.

3.   Markt voor satellieten

(16)

Airbus is actief als satellietbouwer van commerciële, institutionele en militaire satellieten, alsook constellatiesatellieten.

(17)

In dit verband is de Commissie van oordeel dat de volgende markten relevante markten zijn: i) markt voor Europese institutionele satellieten; ii) markten voor nationale institutionele satellieten binnen de EU; iii) markt voor de export van institutionele satellieten; iv) markt voor commerciële satellieten, en v) markt voor militaire satellieten. Voor de toepassing van dit besluit kunnen de vraag of de markt voor satellieten verder moet worden onderverdeeld op basis van het type baan (GTO/niet-GTO) en de vraag of constellatiesatellieten een afzonderlijke markt vormen, worden opengelaten.

(18)

De Commissie is van oordeel dat: i) de markt voor commerciële satellieten mondiaal in omvang is; ii) de markt voor Europese institutionele satellieten Europees of nationaal is, afhankelijk van de aanbestedende autoriteit; iii) de markt voor de export van institutionele satellieten mondiaal in omvang is, en iv) de markt voor militaire satellieten nationaal in omvang is.

4.   Markt voor payloadadapters en -dispensers

(19)

ASL is actief als leverancier van payloaddispensers voor de Ariane 5 (voor de Galileo-constellatie) en de Sojoez (voor de Globalstar-constellatie). Airbus DS SAU is actief als leverancier van payloadadapters voor de Ariane 5.

(20)

In dit verband is de Commissie van oordeel dat: i) de markt voor payloadadapters, en ii) de markt voor payloaddispensers afzonderlijke productmarkten vormen. De exacte geografische omvang van deze markten wordt opengelaten als zijnde EER-breed of mondiaal.

5.   Markt voor ruimtevaartverzekeringsdiensten

(21)

Arianespace biedt zijn klanten verzekeringsdiensten aan via zijn volle dochteronderneming „S3R”.

(22)

De Commissie is van oordeel dat de exacte omvang van de productmarkt voor de ruimtevaartverzekeringsdiensten kan worden opengelaten. Zo ook wordt de exacte geografische omvang van deze markt opengelaten.

6.   Markt voor satellietexploitatie

(23)

Airbus is actief als satellietexploitant voor; i) aardobservatiesatellieten (in eigen naam en namens Europese ruimtevaartagentschappen) via zijn afdeling Airbus DS Geo-Information Services (voorheen Spot Image en Infoterra), en ii) militaire telecommunicatie (voornamelijk namens het Britse ministerie van Defensie) via zijn Britse dochteronderneming Paradigm.

(24)

De Commissie is van oordeel dat de exacte omvang van de productmarkt voor de satellietexploitatie kan worden opengelaten. Wat de geografische omvang betreft, is de Commissie van oordeel dat deze markten mondiaal in omvang zijn.

B.   MEDEDINGINGSRECHTELIJKE BEOORDELING

(25)

Airbus en ASL zijn actief in markten die verticaal gerelateerd zijn of anderszins verbonden zijn met de activiteiten van Arianespace. Er zijn met name banden tussen de activiteiten van Arianespace als aanbieder van lanceerdiensten en die van: (i) ASL, als leverancier van Ariane-draagraketten aan Arianespace; (ii) Airbus DS SAU, als leverancier van payloadadapters; (iii) Airbus DS SAU en ASL, als leveranciers van payloaddispensers; (iv) Airbus als satellietbouwer; en (v) Airbus als satellietexploitant. De transactie brengt een extra relatie tot stand, namelijk tussen de activiteiten van Arianespace als aanbieder van verzekeringsdiensten en de activiteiten van Airbus als (i) satellietbouwer en (ii) satellietexploitant.

1.   Mededingingsrechtelijke beoordeling: relatie tussen: i) Arianespace als aanbieder van lanceerdiensten, en ii) Airbus als satellietbouwer

Uitwisseling van gevoelige informatie

(26)

In het besluit op grond van artikel 6, lid 1, onder c), zijn ernstige twijfels geuit over het risico dat de uitwisseling van gevoelige informatie tussen Arianespace en Airbus nadelig zou kunnen zijn voor andere satellietbouwers en andere aanbieders van lanceerdiensten.

(27)

Op basis van het diepgaande onderzoek heeft de Commissie geconcludeerd dat de transactie leidt tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging met betrekking tot de doorgifte van gevoelige informatie door: i) Arianespace aan Airbus in verband met andere satellietbouwers, en door ii) Airbus aan Arianespace in verband met andere aanbieders van lanceerdiensten.

(28)

Volgens de bevindingen van het onderzoek van de Commissie heeft Arianespace toegang tot gevoelige informatie over satellietbouwers, namelijk technische informatie over massa en tijdschema, de aard van missies, eisen met betrekking tot de zwaartepuntsligging en baan, de satellietarchitecturen enz., evenals commerciële informatie. De huidige vertrouwelijkheidsclausules (bijvoorbeeld geheimhoudingsbepalingen) in contracten tussen satellietbouwers en Arianespace volstaan niet om te voorkomen dat commercieel gevoelige informatie wordt overgedragen van Arianespace aan Airbus. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat Arianespace waarschijnlijk in staat zou zijn om gevoelige informatie over andere satellietbouwers te delen met Airbus.

(29)

Bovendien is de informatie die satellietbouwers aan Arianespace verstrekken van dien aard dat de toegang tot die informatie Airbus een voordeel zou geven ten opzichte van zijn concurrenten. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat Arianespace waarschijnlijk een goede reden zou hebben om gevoelige informatie over andere satellietbouwers met Airbus te delen.

(30)

Daarnaast zal de doorgifte van gevoelige informatie door Arianespace aan Airbus over andere satellietbouwers waarschijnlijk een significant nadelig effect op de concurrentie op de markten voor satellieten hebben. Dit komt omdat dit zou leiden tot: i) minder concurrerende aanbestedingen, aangezien Airbus zijn strategie zou aanpassen op basis van de informatie over zijn concurrenten waartoe het toegang heeft gekregen, en ii) minder innovatie op de markt, aangezien concurrenten minder geneigd zouden zijn om te innoveren als Airbus hun innovaties en de winsten die daaruit voortvloeien gemakkelijk zou kunnen kopiëren.

(31)

Verder heeft de Commissie geconcludeerd dat Airbus toegang heeft tot gevoelige informatie over aanbieders van lanceerdiensten, waaronder informatie over de beschikbaarheid van lanceerslots en prijszetting evenals nieuwe ontwikkelingen. Zoals in het geval van de doorgifte van informatie door Arianespace aan Airbus sluiten de vertrouwelijkheidsclausules niet uit dat informatie wordt gedeeld met een moedermaatschappij of gelieerde onderneming. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat Airbus waarschijnlijk in staat zou zijn om gevoelige informatie over andere aanbieders van lanceerdiensten te delen met Arianespace.

(32)

De Commissie heeft ook geconcludeerd dat, hoewel Airbus al aanwezig is in Arianespace, het waarschijnlijk is dat Airbus na de transactie meer geneigd zal zijn om informatie over andere aanbieders van lanceerdiensten door te geven aan Arianespace.

(33)

Ten slotte heeft de Commissie geconcludeerd dat de doorgifte van gevoelige informatie door Airbus aan Arianespace over andere aanbieders van lanceerdiensten waarschijnlijk een significant nadelig effect zal hebben op de concurrentie op de markten voor lanceerdiensten. Dit komt omdat de toegang van Arianespace tot technische en commerciële informatie met betrekking tot andere aanbieders van lanceerdiensten kan worden gebruikt om een technisch voordeel te neutraliseren en er als zodanig toe kan leiden dat concurrenten minder geneigd zijn om te innoveren en concurreren.

Afscherming van de satellietmarkten voor concurrenten van Airbus

(34)

In het besluit op grond van artikel 6, lid 1, onder c), zijn ook ernstige twijfels geuit in verband met de mogelijkheid dat Arianespace na de transactie zijn positie op de markten voor lanceerdiensten zou kunnen gebruiken om de aankoop van satellieten van Airbus interessanter te maken en als gevolg daarvan de markten voor satellieten door discriminatie af te schermen voor concurrenten van Airbus.

(35)

Zo zouden de partijen een korting kunnen aanbieden aan klanten die satellieten van Airbus en lanceerdiensten van Arianespace samen kopen, en tegelijk de prijzen voor deze twee componenten verhogen als ze niet samen worden gekocht. Bovendien zou Arianespace bij de toewijzing van slots een voorkeursbehandeling kunnen geven aan Airbus (als klanten zich ertoe verbinden de satelliet van Airbus te kopen) en zou andere satellieten dan die van Airbus minder gunstige lanceerslots kunnen geven.

(36)

Op basis van het diepgaande onderzoek heeft de Commissie geconcludeerd dat de transactie niet leidt tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging als gevolg van de relatie tussen de activiteiten van de partijen op de mondiale open markt voor GTO-lanceerdiensten en de mondiale markt voor commerciële satellieten, wat afschermingsstrategieën betreft.

(37)

Ten eerste heeft de Commissie geconcludeerd dat de partijen na de transactie waarschijnlijk niet in staat zouden zijn om de markt voor satellieten met succes af te schermen voor concurrenten van Airbus. Dit komt omdat (i) hoewel Arianespace de huidige marktleider is, er geloofwaardige alternatieven bestaan, zoals SpaceX en ILS; (ii) de markt van lanceerdiensten een dynamische concurrerende omgeving is die toegankelijk is en waar de posities van bedrijven snel veranderen in de tijd; (iii) satellietexploitanten in staat kunnen zijn om het vermogen van de partijen om de markt af te schermen voor concurrerende satellietbouwers gedeeltelijk te compenseren; (iv) de kenmerken van satellietmarkten waarschijnlijk zouden voorkomen dat de markt wordt afgeschermd voor concurrenten van de commerciële satellieten van Airbus, althans op korte termijn; en (v) een effectieve afscherming van de markt voor bouwers van commerciële satellieten op lange termijn hoogst speculatief zou zijn.

(38)

Ten tweede, en wat betreft de prikkel tot afscherming van de markt voor concurrerende satellietbouwers, is uit de analyse van de Commissie gebleken dat hoewel er elementen zijn die wijzen op het bestaan van een aantal prikkels, er ook compenserende factoren zijn die deze potentiële prikkels kunnen compenseren. Gezien het feit dat het waarschijnlijk niet mogelijk is om de markt af te schermen, heeft de Commissie geconcludeerd dat de vraag of de partijen waarschijnlijk de prikkel zouden hebben om de markt af te schermen voor concurrenten van Airbus op de mondiale markt voor commerciële satellieten kan worden opengelaten.

(39)

Ten derde heeft de Commissie geanalyseerd wat de gevolgen voor de concurrentie zijn van de toepassing van een strategie met marktafschermingseffecten in het ergste geval van een hypothetische afscherming van de markt voor een van de concurrenten van Airbus. In dit scenario, dat niet het meest waarschijnlijke is, heeft de Commissie toch geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat de toepassing van een dergelijke afschermingsstrategie een significant nadelig effect zou hebben op de concurrentie. Dit komt omdat (i) diverse andere spelers ook actief zijn in het commerciële segment, (ii) satellietbouwers gemakkelijk kunnen uitbreiden gezien de bestaande reservecapaciteit en (iii) satellietexploitanten een zekere mate van compenserende afnemersmacht hebben.

(40)

Daarnaast heeft de Commissie geconcludeerd dat de transactie niet leidt tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging als gevolg van de relatie tussen de activiteiten van de partijen op (i) de mondiale open markt voor niet-GTO-lanceerdiensten en (ii) de markt voor de export van institutionele satellieten en de hypothetische mondiale markt voor constellatiesatellieten wat afscherming betreft. De Commissie heeft ook geconcludeerd dat de transactie niet leidt tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging als gevolg van de relatie tussen de activiteiten van de partijen op (i) de Europese en nationale (binnen de EU) gesloten markten voor GTO- en niet-GTO-lanceerdiensten en (ii) de Europese markt voor institutionele satellieten en de nationale markten voor militaire/institutionele satellieten wat afscherming betreft.

2.   Mededingingsrechtelijke beoordeling: verticale relatie tussen (i) Arianespace als aanbieder van lanceerdiensten en (ii) ASL als leverancier van de Ariane-draagraketten

(41)

In het besluit op grond van artikel 6, lid 1, onder c), zijn ernstige twijfels geuit over een mogelijke klantafschermingsstrategie waarbij de partijen prioriteit zouden geven aan lanceringen met de Ariane-draagraketten ten nadele van de door ELV gebouwde en door Arianespace gecommercialiseerde Vega-draagraketten.

(42)

Op basis van het diepgaande onderzoek heeft de Commissie geconcludeerd dat de partijen niet in staat zouden zijn en niet de prikkel zouden hebben om een klantafschermingsstrategie tegen ELV te implementeren en dat er, zelfs in het hypothetische geval van de toepassing van een dergelijke strategie, geen significant nadelig effect op de concurrentie zou zijn. De Commissie is met name tot de bevinding gekomen dat het Ariane-platform slechts zelden voor hetzelfde type missies als het Vega-platform zal worden gebruikt en dat zelfs de hypothetische toepassing van een klantafscherming tegen ELV geen enkel gevolg zal hebben voor de concurrenten van Arianespace op de markten voor lanceerdiensten. Dit komt omdat ELV verplicht is zijn draagraket uitsluitend aan Arianespace te verkopen en alle concurrenten van Arianespace hun eigen draagraket exploiteren.

3.   Mededingingsrechtelijke beoordeling: verticale relatie tussen: i) Arianespace als aanbieder van lanceerdiensten, en ii) Airbus DS SAU en ASL als leveranciers van payloaddispensers en -adapters

(43)

In het besluit op grond van artikel 6, lid 1, onder c), zijn ernstige twijfels geuit over een potentiële klantafschermingsstrategie waarbij de partijen zouden kiezen om payloaddispensers en -adapters alleen bij ASL of Airbus DS SAU te kopen, zelfs als dit niet de optimale oplossing is, ten nadele van Arianespaces bestaande leveranciers van alternatieve payloaddispensers en -adapters.

(44)

Op basis van het diepgaande onderzoek heeft de Commissie geconcludeerd dat de partijen waarschijnlijk niet in staat zouden zijn om de toegang tot benedenwaartse markten voor payloaddispensers af te schermen. De Commissie heeft met name geconcludeerd dat de partijen alleen in staat zouden zijn om een klantafschermingsstrategie met betrekking tot niet door de ESA gefinancierde payloaddispensers toe te passen, en beperkte mogelijkheden zouden hebben om de markt voor payloaddispensers af te schermen voor hun concurrenten. Bovendien is het zelfs in het hypothetische scenario van de toepassing van een klantafschermingsstrategie met betrekking tot payloaddispensers onwaarschijnlijk dat dit een significant nadelig effect op de concurrentie op de markten voor lanceerdiensten zou hebben gezien het relatief kleine aandeel van de prijs van payloaddispensers in de totale kosten van lanceerdiensten.

(45)

De Commissie is eveneens tot de conclusie gekomen dat de partijen waarschijnlijk niet in staat zouden zijn om de toegang tot benedenwaartse markten voor payloadadapters af te schermen. De Commissie heeft met name geconcludeerd dat de partijen waarschijnlijk niet in staat zijn om de toegang tot benedenwaartse markten af te schermen via een klantafschermingsstrategie met betrekking tot payloadadapters, gelet op de door de aanbestedingsregels van de ESA opgelegde beperkingen en de relatief hoge kosten van de ontwikkeling van nieuwe payloadadapters. Bovendien is het zelfs in het hypothetische scenario van de toepassing van een klantafschermingsstrategie met betrekking tot payloadadapters onwaarschijnlijk dat dit een significant nadelig effect op de concurrentie op de markten voor lanceerdiensten zou hebben gezien het relatief kleine aandeel van de prijs van payloadadapters in de totale kosten van lanceerdiensten.

4.   Mededingingsrechtelijke beoordeling: relatie tussen: i) Arianespace als aanbieder van verzekeringsdiensten, en ii-a) Airbus als satellietexploitant, en ii-b) Airbus als satellietbouwer

(46)

De Commissie heeft geconcludeerd dat de transactie niet leidt tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging als gevolg van de verticale relatie tussen de activiteiten van de partijen op de markten voor ruimtevaartverzekeringsdiensten en: i) de markten voor satellietexploitatie, en ii) de markten voor satellieten wat betreft klantafscherming of bronafscherming.

5.   Mededingingsrechtelijke beoordeling: verticale relatie tussen (i) Arianespace als aanbieder van lanceerdiensten en (ii) Airbus als satellietexploitant

(47)

De Commissie heeft geconcludeerd dat de transactie niet leidt tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging als gevolg van de verticale relatie tussen de activiteiten van de partijen op de markten voor lanceerdiensten en de markten voor satellietexploitatie wat betreft klantafscherming of bronafscherming.

6.   Conclusie

(48)

In het besluit wordt dan ook geconcludeerd dat de transactie leidt tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging op de markten voor satellieten en lanceerdiensten met betrekking tot de uitwisseling van gevoelige informatie tussen Airbus en Arianespace.

C.   TOEZEGGINGEN

(49)

Om de mededingingsbezwaren in verband met de mogelijke uitwisseling van gevoelige informatie tussen Arianespace en Airbus weg te nemen, dienden de partijen op 20 mei 2016 de hieronder beschreven definitieve toezeggingen in.

(50)

De definitieve toezeggingen bevatten bepalingen met betrekking tot: i) firewalls, en ii) tewerkstellingsbeperkingen op het niveau van Airbus, ASL en Arianespace, alsook arbitrage in alle geheimhoudingsovereenkomsten met betrekking tot de uitvoering van toezeggingen.

(51)

De firewallmaatregelen zijn tussen ASL/Arianespace aan de ene kant en Airbus aan de andere kant en moeten voorkomen dat: a) concurrentiegevoelige informatie met betrekking tot satellietbouwers die met de Airbus-groep concurreren, b) concurrentiegevoelige informatie met betrekking tot de compatibiliteit van draagraket en satelliet, en c) concurrentiegevoelige informatie met betrekking tot de lanceerdiensten van andere aanbieders van lanceerdiensten dan Arianespace wordt uitgewisseld.

(52)

Om de hierboven beschreven bepalingen inzake firewalls verder te versterken, hebben de partijen ook een corrigerende maatregel voorgesteld, bestaande uit een verbod voor werknemers van Airbus om te worden benoemd tot CEO of lid van de raad van bestuur/een commissie van Arianespace. Bovendien: i) mogen personeelsleden van ASL/Arianespace die toegang hebben tot gevoelige informatie met betrekking tot satellietbouwers die concurreren met de Airbus-groep en concurrentiegevoelige informatie met betrekking tot de compatibiliteit van draagraket en satelliet pas na een wachttijd van [1-5] jaar overstappen naar Airbus DS Satellites, en ii) mogen personeelsleden van Airbus DS Satellites die toegang hebben tot commercieel gevoelige informatie met betrekking tot de lanceerdiensten van andere aanbieders van lanceerdiensten dan Arianespace pas na een wachttijd van [1-5] jaar overstappen naar ASL/Arianespace.

(53)

In haar besluit heeft de Commissie geconcludeerd dat de definitieve toezeggingen adequaat en toereikend zijn om de vastgestelde significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging op de markten voor satellieten en lanceerdiensten met betrekking tot de uitwisseling van informatie tussen Airbus en Arianespace te elimineren.

IV.   CONCLUSIE

(54)

Om de hierboven genoemde redenen wordt in het besluit geconcludeerd dat de voorgenomen concentratie zoals gewijzigd door de op 20 mei 2016 gedane toezeggingen de daadwerkelijke mededinging op de interne markt of een wezenlijk deel daarvan niet significant zal belemmeren.

(55)

Derhalve dient de concentratie verenigbaar te worden verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst, in overeenstemming met artikel 2, lid 2, en artikel 8, lid 2, van de concentratieverordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/37


Nieuwe nationale zijde van voor circulatie bestemde euromuntstukken

(2017/C 438/10)

Image

Voor circulatie bestemde euromunten hebben in de gehele eurozone de status van wettig betaalmiddel. Om zowel degenen die beroepsmatig met euromunten omgaan als het grote publiek op de hoogte te houden, publiceert de Commissie alle nieuwe ontwerpen van euromunten (1). Volgens de conclusies van de Raad van 10 februari 2009 (2) is het de lidstaten van de eurozone en de landen die met de Europese Unie een monetaire overeenkomst hebben gesloten volgens welke zij euromuntstukken mogen uitgeven, toegestaan een bepaalde hoeveelheid voor circulatie bestemde euroherdenkingsmunten uit te geven, en dat onder bepaalde voorwaarden, met name dat alleen het muntstuk van twee euro wordt gebruikt. Deze munten hebben dezelfde technische kenmerken als gewone voor circulatie bestemde munten van twee euro, maar hebben aan de nationale zijde een speciale herdenkingsafbeelding met een grote nationale of Europese symboolwaarde.

Uitgevende staat : Luxemburg

Onderwerp van de herdenkingsmunt : 150e verjaardag van de Luxemburgse grondwet

Beschrijving van het ontwerp : Het ontwerp toont aan de linkerkant de beeltenis van Zijne Koninklijke Hoogheid Groothertog Henri, naar rechts kijkend. Aan de rechterkant van het ontwerp zijn de jaartallen „1868-2018” en de tekst „150 ans” (150 jaar) vermeld. Onder de beeltenis van de groothertog staan de tekst „Constitution du Grand-Duché de Luxembourg” (grondwet van het Groothertogdom Luxemburg) en een doorsnede van een openliggend boek.

Langs de buitenrand van de munt zijn de twaalf sterren van de Europese vlag afgebeeld.

Oplage :

Datum van uitgifte : januari 2018


(1)  Voor een overzicht van alle nationale zijden die in 2002 zijn uitgegeven, zie PB C 373 van 28.12.2001, blz. 1.

(2)  Zie de conclusies van de Raad Economische en Financiële Zaken van 10 februari 2009 en de Aanbeveling van de Commissie van 19 december 2008 betreffende gemeenschappelijke richtsnoeren voor de nationale zijde en de uitgifte van voor circulatie bestemde euromuntstukken (PB L 9 van 14.1.2009, blz. 52).


Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/38


Netwerken van organisaties, werkzaam op de tot de opdracht van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) behorende gebieden

(2017/C 438/11)

Wat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid betreft, bepaalt Verordening (EG) nr. 178/2002 (1), artikel 36, lid 2 het volgende: “De raad van bestuur stelt op voorstel van de uitvoerend directeur een lijst op van door de lidstaten aangewezen bevoegde organisaties die de Autoriteit, afzonderlijk of in netwerken, bij de uitoefening van haar opdracht kunnen bijstaan, en maakt die lijst openbaar”.

Op 19 december 2006 stelde de raad van bestuur van de EFSA voor het eerst een dergelijke lijst op. Sindsdien wordt hij:

i.

regelmatig bijgewerkt, op basis van de voorstellen van de uitvoerend directeur van de EFSA, rekening houdend met herzieningen of nieuwe aanwijzingsvoorstellen van de lidstaten (overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2230/2004 van de Commissie, artikel 2, lid 4 (2));

ii.

bekendgemaakt op de website van de EFSA, waar de laatst bijgewerkte lijst van bevoegde organisaties wordt gepubliceerd; en

iii.

via de zoekfunctie van artikel 36 ter beschikking gesteld van de organisaties, die hier contactgegevens en de specifieke bevoegdheidsgebieden van alle organisaties kunnen vinden.

Deze informatie is verkrijgbaar op de website van de EFSA, onder de volgende links:

i.

de laatste wijziging van de lijst van bevoegde organisaties door de raad van bestuur van de EFSA op 12 december 2017 – http://www.efsa.europa.eu/en/events/event/161214-0;

ii.

de bijgewerkte lijst van bevoegde organisaties – http://www.efsa.europa.eu/sites/default/files/assets/art36listg.pdf en

iii.

Zoekfunctie artikel 36 — http://www.efsa.europa.eu/art36/search

De EFSA zal deze kennisgeving, en vooral de links naar websites, voortdurend bijwerken.

Verdere informatie vindt u op: Cooperation.Article36@efsa.europa.eu


(1)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 2230/2004 van de Commissie van 23 december 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad voor wat betreft het netwerk van organisaties die werkzaam zijn op de gebieden die behoren tot de opdracht van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (PB L 379 van 24.12.2004, blz. 64).


V Bekendmakingen

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK

Europese Commissie

19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/39


Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van silicium van oorsprong uit Bosnië en Herzegovina en uit Brazilië

(2017/C 438/12)

De Europese Commissie („de Commissie”) heeft een klacht ontvangen op grond van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de basisverordening”), volgens welke de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade lijdt door de invoer met dumping van silicium van oorsprong uit Bosnië en Herzegovina en uit Brazilië.

1.   Klacht

De klacht werd op 8 november 2017 ingediend door Ferroatlántica en Ferropem („de klagers”), die meer dan 85 % van de totale productie in de Unie van silicium vertegenwoordigen.

2.   Onderzocht product

Dit onderzoek heeft betrekking op silicium met een siliciumgehalte van minder dan 99,99 gewichtspercenten („het onderzochte product”).

Silicium wordt voornamelijk in de metallurgische industrie gebruikt, als legeringselement, en in de aluminiumindustrie voor de productie van primair aluminium (geproduceerd uit erts) en secundair aluminium (geproduceerd uit schroot). Daarnaast vindt het toepassing in de chemische industrie.

3.   Bewering dat er sprake is van dumping

Bij het product dat met dumping zou worden ingevoerd, gaat het om het onderzochte product, van oorsprong uit Bosnië en Herzegovina en uit Brazilië („de betrokken landen”), momenteel ingedeeld onder GN-code 2804 69 00. Deze GN-code wordt slechts ter informatie vermeld.

3.1.    Bosnië en Herzegovina

Bij gebrek aan betrouwbare gegevens over de binnenlandse prijzen voor Bosnië en Herzegovina is de bewering dat het onderzochte product met dumping wordt ingevoerd gebaseerd op een vergelijking van de door berekening vastgestelde normale waarde (de productiekosten, de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA-kosten) en de winst) met de prijs (af fabriek) van het onderzochte product bij uitvoer naar de Unie.

De aldus berekende dumpingmarges blijken voor Bosnië en Herzegovina aanzienlijk te zijn.

3.2.    Brazilië

Bij gebrek aan betrouwbare gegevens over de binnenlandse prijzen voor Brazilië is de bewering dat het onderzochte product met dumping wordt ingevoerd gebaseerd op een vergelijking van de door berekening vastgestelde normale waarde (de productiekosten, de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA-kosten) en de winst) met de prijs (af fabriek) van het onderzochte product bij uitvoer naar de Unie.

De aldus berekende dumpingmarges blijken voor Brazilië aanzienlijk te zijn.

4.   Bewering dat er sprake is van schade en oorzakelijk verband

De klagers hebben bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de invoer van het onderzochte product uit de betrokken landen zowel absoluut als qua marktaandeel is gestegen.

Uit het door de klagers verstrekte bewijsmateriaal blijkt dat de hoeveelheden waarin en de prijzen waartegen het onderzochte product wordt ingevoerd onder meer een ongunstige invloed hebben gehad op het prijspeil van de bedrijfstak van de Unie, waardoor de bedrijfsresultaten en de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie sinds 2014 aanzienlijk zijn verslechterd.

5.   Procedure

Daar de Commissie na kennisgeving aan de lidstaten heeft vastgesteld dat de klacht is ingediend door of namens de bedrijfstak van de Unie en dat er voldoende bewijsmateriaal is om een procedure in te leiden, opent zij hierbij een onderzoek op grond van artikel 5 van de basisverordening.

Bij het onderzoek zal worden vastgesteld of het onderzochte product van oorsprong uit de betrokken landen met dumping wordt ingevoerd en of hierdoor schade voor de bedrijfstak van de Unie is ontstaan. Als de conclusies bevestigend zijn, zal in het onderzoek worden nagegaan of het niet tegen het belang van de Unie is maatregelen in te stellen.

5.1.    Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

Het onderzoek naar dumping en schade heeft betrekking op de periode van 1 oktober 2016 tot en met 30 september 2017 („het onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling heeft betrekking op de periode van 1 januari 2014 tot het einde van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

5.2.    Procedure voor het vaststellen van dumping

Producenten-exporteurs (2) van het onderzochte product uit de betrokken landen wordt verzocht aan het onderzoek van de Commissie mee te werken.

5.2.1.   Onderzoek van producenten-exporteurs

a)   Steekproeven

Gezien het mogelijk grote aantal bij deze procedure betrokken producenten-exporteurs in de betrokken landen kan de Commissie, om het onderzoek binnen de wettelijke termijn te kunnen afronden, haar onderzoek tot een redelijk aantal producenten-exporteurs beperken door een steekproef samen te stellen. De steekproef zal overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening worden samengesteld.

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te stellen, wordt alle producenten-exporteurs, of hun vertegenwoordigers, verzocht contact met de Commissie op te nemen. Zij moeten dat, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen en de Commissie de in bijlage I bij dit bericht verlangde informatie over hun ondernemingen verstrekken.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor het samenstellen van de steekproef van producenten-exporteurs nodig acht, zal de Commissie bovendien contact opnemen met de autoriteiten van de betrokken landen en eventueel ook met haar bekende verenigingen van producenten-exporteurs.

Belanghebbenden die behalve de hierboven vermelde informatie nog andere informatie willen verstrekken die voor de samenstelling van de steekproef van nut kan zijn, moeten dit, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 21 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen.

Indien een steekproef noodzakelijk is, kunnen de producenten-exporteurs worden geselecteerd op basis van het grootste representatieve volume van de uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kan worden onderzocht. De Commissie zal alle haar bekende producenten-exporteurs, de autoriteiten van de betrokken landen alsmede de verenigingen van producenten-exporteurs, indien nodig via de autoriteiten van de betrokken landen, meedelen welke ondernemingen voor de steekproef zijn geselecteerd.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek met betrekking tot producenten-exporteurs nodig acht, zal de Commissie een vragenlijst toezenden aan de voor de steekproef geselecteerde producenten-exporteurs, aan alle haar bekende verenigingen van producenten-exporteurs en aan de autoriteiten van de betrokken landen.

Alle voor de steekproef geselecteerde producenten-exporteurs moeten de ingevulde vragenlijst, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef indienen.

Ondernemingen die hebben ingestemd met opname in de steekproef maar uiteindelijk niet worden geselecteerd, worden onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 18 van de basisverordening geacht mee te werken („niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs”). Onverminderd punt b) zal het antidumpingrecht dat wordt toegepast op de invoer van de niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs niet hoger zijn dan de gewogen gemiddelde dumpingmarge die is vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs (3).

b)   Individuele dumpingmarge voor ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen

Niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs kunnen de Commissie uit hoofde van artikel 17, lid 3, van de basisverordening verzoeken om voor hen een individuele dumpingmarge vast te stellen („individuele dumpingmarge”). De producenten-exporteurs die in aanmerking willen komen voor een individuele dumpingmarge, moeten een vragenlijst aanvragen en deze, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef naar behoren ingevuld terugzenden. De Commissie zal onderzoeken of hun een individueel recht overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening kan worden toegekend.

Producenten-exporteurs die een individuele dumpingmarge aanvragen, moeten zich er echter van bewust zijn dat de Commissie kan besluiten de dumpingmarge niet individueel voor hen vast te stellen, bijvoorbeeld als het aantal producenten-exporteurs zo groot is dat individuele onderzoeken te belastend zijn en aan een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg staan.

5.2.2.   Onderzoek van niet-verbonden importeurs  (4)  (5)

Niet-verbonden importeurs die het onderzochte product uit de betrokken landen in de Unie invoeren, wordt verzocht aan dit onderzoek mee te werken.

Gezien het mogelijk grote aantal bij deze procedure betrokken niet-verbonden importeurs kan de Commissie, om het onderzoek binnen de wettelijke termijn te kunnen afronden, haar onderzoek tot een redelijk aantal niet-verbonden importeurs beperken door een steekproef samen te stellen. De steekproef zal overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening worden samengesteld.

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te stellen, wordt alle niet-verbonden importeurs, of hun vertegenwoordigers, verzocht contact met de Commissie op te nemen. Zij moeten dat, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen en de Commissie de in bijlage II bij dit bericht verlangde informatie over hun ondernemingen verstrekken.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor het samenstellen van de steekproef van niet-verbonden importeurs nodig acht, kan de Commissie ook contact opnemen met haar bekende verenigingen van importeurs.

Belanghebbenden die behalve de hierboven vermelde informatie nog andere informatie willen verstrekken die voor de samenstelling van de steekproef van nut kan zijn, moeten dit, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 21 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen.

Indien een steekproef noodzakelijk is, kunnen de importeurs worden geselecteerd op basis van het grootste representatieve volume van hun verkoop van het onderzochte product in de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kan worden onderzocht. De Commissie zal alle haar bekende niet-verbonden importeurs en verenigingen van importeurs meedelen welke ondernemingen voor de steekproef zijn geselecteerd.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig acht, zal de Commissie een vragenlijst toezenden aan de in de steekproef opgenomen niet-verbonden importeurs en aan alle haar bekende verenigingen van importeurs. Deze partijen moeten de ingevulde vragenlijst, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef indienen.

5.3.    Procedure voor het vaststellen van schade en onderzoek van producenten in de Unie

De vaststelling van de schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt een objectief onderzoek in van de omvang van de invoer met dumping, de gevolgen daarvan voor de prijzen in de Unie en de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Unie. Teneinde vast te stellen of de bedrijfstak van de Unie schade heeft geleden, wordt de producenten van het onderzochte product in de Unie verzocht aan dit onderzoek mee te werken.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig acht, zal de Commissie een vragenlijst toezenden aan de haar bekende producenten in de Unie en aan alle haar bekende verenigingen van producenten in de Unie, te weten Ferroatlántica, Ferropem, RW Silicium GmbH en Euroalliages.

Deze producenten in de Unie en de verenigingen van producenten in de Unie moeten de ingevulde vragenlijst, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie indienen.

Alle niet hierboven vermelde producenten in de Unie en verenigingen van producenten in de Unie wordt verzocht onmiddellijk, maar in elk geval uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie, tenzij anders aangegeven, bij voorkeur per e-mail contact op te nemen met de Commissie en een vragenlijst aan te vragen.

5.4.    Procedure voor het beoordelen van het belang van de Unie

Indien wordt vastgesteld dat er inderdaad invoer met dumping plaatsvindt en dat daardoor schade wordt veroorzaakt, zal uit hoofde van artikel 21 van de basisverordening een beslissing worden genomen over de vraag of de instelling van antidumpingmaatregelen niet in strijd zou zijn met het belang van de Unie. Producenten in de Unie, importeurs en hun representatieve verenigingen, gebruikers en hun representatieve verenigingen, en representatieve consumentenorganisaties wordt verzocht om, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie contact op te nemen. Om aan het onderzoek deel te nemen, moeten de representatieve consumentenorganisaties binnen dezelfde termijn aantonen dat er een objectieve band is tussen hun activiteiten en het onderzochte product.

Partijen die binnen de genoemde termijn contact opnemen, kunnen de Commissie, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie informatie verstrekken over het belang van de Unie. Zij kunnen deze informatie vormvrij opstellen of een vragenlijst van de Commissie invullen. Met informatie die op grond van artikel 21 wordt verstrekt, wordt alleen rekening gehouden indien daarbij tegelijkertijd het nodige bewijsmateriaal is gevoegd.

5.5.    Andere schriftelijke opmerkingen

Alle belanghebbenden wordt hierbij verzocht om onder de voorwaarden van dit bericht hun standpunt kenbaar te maken en informatie en bewijsmateriaal in te dienen. Tenzij anders aangegeven, moeten deze informatie en het bewijsmateriaal uiterlijk 37 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie in het bezit van de Commissie zijn.

5.6.    Mogelijkheid om door de onderzoeksdiensten van de Commissie te worden gehoord

Alle belanghebbenden kunnen een verzoek indienen om door de onderzoeksdiensten van de Commissie te worden gehoord. Dit verzoek moet schriftelijk worden ingediend en met redenen worden omkleed. Een verzoek om te worden gehoord over zaken die betrekking hebben op het beginstadium van het onderzoek, moet uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie worden ingediend. Daarna moet een verzoek om te worden gehoord, worden ingediend binnen de specifieke termijnen die de Commissie in haar correspondentie met de partijen vermeldt.

5.7.    Instructies voor schriftelijke opmerkingen en de verzending van ingevulde vragenlijsten en correspondentie

Informatie die aan de Commissie wordt verstrekt in het kader van handelsbeschermingsonderzoeken is vrij van auteursrechten. Alvorens aan de Commissie informatie en/of gegevens te verstrekken die onderworpen zijn aan het auteursrecht van derden, moeten belanghebbenden de houder van het auteursrecht specifiek verzoeken de Commissie uitdrukkelijk toestemming te verlenen om a) voor deze handelsbeschermingsprocedure gebruik te maken van de informatie en gegevens en b) de informatie en/of gegevens te verstrekken aan belanghebbenden in dit onderzoek, in een vorm die hun de mogelijkheid biedt hun recht van verweer uit te oefenen.

Alle schriftelijke opmerkingen (met inbegrip van de in dit bericht gevraagde informatie), ingevulde vragenlijsten en correspondentie die door de belanghebbenden worden verstrekt en waarvoor om een vertrouwelijke behandeling wordt verzocht, moeten zijn voorzien van de vermelding „Limited” (6). Belanghebbenden die in de loop van dit onderzoek informatie indienen, wordt verzocht hun verzoek om vertrouwelijke behandeling met redenen te omkleden.

Belanghebbenden die informatie met de vermelding „Limited” verstrekken, moeten hiervan krachtens artikel 19, lid 2, van de basisverordening een niet-vertrouwelijke samenvatting indienen, voorzien van de vermelding „For inspection by interested parties”. Deze samenvatting moet gedetailleerd genoeg zijn om een redelijk inzicht te verschaffen in de wezenlijke inhoud van de als vertrouwelijk verstrekte informatie.

Als een belanghebbende die vertrouwelijke informatie verstrekt, geen geldige redenen voor het verzoek om een vertrouwelijke behandeling aanvoert of geen niet-vertrouwelijke samenvatting daarvan indient met de vereiste vorm en inhoud, kan de Commissie deze informatie buiten beschouwing laten, tenzij aan de hand van geëigende bronnen aannemelijk wordt gemaakt dat de informatie juist is.

Belanghebbenden wordt verzocht alle opmerkingen en verzoeken, met inbegrip van gescande volmachten en certificaten, per e-mail in te dienen, met uitzondering van uitgebreide antwoorden, die persoonlijk of per aangetekend schrijven worden ingediend op een cd-rom of dvd. Door e-mail te gebruiken, stemmen belanghebbenden in met de geldende voorschriften inzake elektronisch ingediende opmerkingen, die zijn vervat in het document „CORRESPONDENCE WITH THE EUROPEAN COMMISSION IN TRADE DEFENCE CASES” (Correspondentie met de Europese Commissie in handelsbeschermingszaken) op de website van het directoraat-generaal Handel (http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2014/june/tradoc_152578.pdf). Belanghebbenden moeten hun naam, adres, telefoonnummer en een geldig e-mailadres vermelden en ervoor zorgen dat het verstrekte e-mailadres een actief, officieel en zakelijk e-mailadres is dat elke dag wordt gecontroleerd. Zodra contactgegevens zijn verstrekt, verloopt de communicatie van de Commissie met belanghebbenden uitsluitend per e-mail, behalve indien zij er uitdrukkelijk om verzoeken alle documenten van de Commissie via een ander communicatiemiddel te ontvangen, of het document wegens de aard ervan per aangetekend schrijven moet worden verzonden. Voor nadere voorschriften en informatie over de correspondentie met de Commissie, met inbegrip van de beginselen die van toepassing zijn op per e-mail verzonden opmerkingen, moeten belanghebbenden de hierboven genoemde instructies voor de communicatie met belanghebbenden raadplegen.

Correspondentieadres van de Commissie:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat H

Kamer CHAR 04/039

1049 Brussel

BELGIË

E-mail:

Voor kwesties in verband met dumping en bijlage I: TRADE-SILICONMETAL-DUMPING@ec.europa.eu

Voor overige kwesties: TRADE-SILICONMETAL-INJURY@ec.europa.eu

6.   Niet-medewerking

Wanneer belanghebbenden geen toegang tot de vereiste gegevens verlenen, deze niet binnen de gestelde termijn verstrekken of het onderzoek aanmerkelijk belemmeren, kunnen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening voorlopige of definitieve conclusies worden getrokken aan de hand van de beschikbare gegevens, zowel in positieve als in negatieve zin.

Wanneer blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende inlichtingen heeft verstrekt, kunnen deze buiten beschouwing worden gelaten en kan van de beschikbare gegevens gebruik worden gemaakt.

Als een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijk medewerking verleent en de conclusies daarom overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens worden gebaseerd, kan het resultaat voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan wanneer hij wel medewerking had verleend.

Als de belanghebbende zijn antwoord niet door middel van systemen voor automatische gegevensverwerking verstrekt, wordt dit niet als niet-medewerking beschouwd, mits deze belanghebbende aantoont dat verstrekking van het antwoord in de gevraagde vorm voor hem een onredelijke extra belasting zou betekenen of onredelijke extra kosten zou meebrengen. De belanghebbende moet onmiddellijk contact opnemen met de Commissie.

7.   Raadadviseur-auditeur

Belanghebbenden kunnen erom vragen dat de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures wordt ingeschakeld. De raadadviseur-auditeur fungeert als tussenpersoon tussen de belanghebbenden en de onderzoeksdiensten van de Commissie. Hij behandelt verzoeken om toegang tot het dossier, geschillen over de vertrouwelijkheid van documenten, verzoeken om termijnverlenging en verzoeken van derden om te worden gehoord. De raadadviseur-auditeur kan een hoorzitting met een individuele belanghebbende beleggen en als bemiddelaar optreden om te garanderen dat de belanghebbenden hun recht van verweer ten volle kunnen uitoefenen.

Een verzoek om door de raadadviseur-auditeur te worden gehoord, moet schriftelijk worden ingediend en met redenen worden omkleed. Een verzoek om te worden gehoord over zaken die betrekking hebben op het beginstadium van het onderzoek, moet uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie worden ingediend. Daarna moet een verzoek om te worden gehoord, worden ingediend binnen de specifieke termijnen die de Commissie in haar correspondentie met de partijen vermeldt.

Belanghebbenden die contact willen opnemen, vinden de nodige gegevens en nadere informatie op de pagina’s van de raadadviseur-auditeur op de website van DG Handel (http://ec.europa.eu/trade/trade-policy-and-you/contacts/hearing-officer/).

8.   Tijdschema voor het onderzoek

Het onderzoek wordt overeenkomstig artikel 6, lid 9, van de basisverordening uiterlijk 15 maanden na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie afgesloten. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de basisverordening kunnen tot uiterlijk negen maanden na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie voorlopige maatregelen worden ingesteld.

9.   Verwerking van persoonsgegevens

Persoonsgegevens die in het kader van dit onderzoek worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (7).


(1)  PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Onder producent-exporteur wordt verstaan: een onderneming uit het betrokken land die het onderzochte product produceert en naar de markt van de Unie uitvoert, hetzij rechtstreeks hetzij via derden, met inbegrip van verbonden ondernemingen die betrokken zijn bij de productie, binnenlandse verkoop of uitvoer van het onderzochte product.

(3)  Ingevolge artikel 9, lid 6, van de basisverordening wordt geen rekening gehouden met nihilmarges, minimale marges en marges die onder de in artikel 18 van de basisverordening bedoelde omstandigheden zijn vastgesteld.

(4)  Uitsluitend importeurs die niet verbonden zijn met de producenten-exporteurs mogen in de steekproef worden opgenomen. Importeurs die met producenten-exporteurs verbonden zijn, moeten bijlage I bij de vragenlijst voor deze producenten-exporteurs invullen. Overeenkomstig artikel 127 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, worden twee personen geacht te zijn verbonden indien: a) zij functionaris of directeur zijn in de onderneming van de andere persoon; b) zij door de wettelijke bepalingen worden erkend als in zaken verbonden; c) zij werkgever en werknemer zijn; d) een derde partij 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of de aandelen van beiden direct of indirect bezit, houdt of daarover zeggenschap heeft; e) één van hen direct of indirect zeggenschap over de ander heeft; f) een derde persoon direct of indirect zeggenschap over beiden heeft; g) beiden direct of indirect zeggenschap over een derde persoon hebben, of h) zij tot dezelfde familie behoren (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558). Personen worden slechts geacht leden te zijn van dezelfde familie indien zij op een van de volgende wijzen met elkaar bloed- of aanverwant zijn: i) echtgenoot en echtgenote, ii) ouder en kind, iii) broer en zuster (of halfbroer en halfzuster), iv) grootouder en kleinkind, v) oom of tante en neef of nicht (oomzeggers), vi) schoonouder en schoondochter of schoonzoon, vii) zwager en schoonzuster. Overeenkomstig artikel 5, punt 4, van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie wordt onder „persoon” verstaan een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit, maar krachtens het Unierecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).

(5)  Gegevens die door niet-verbonden importeurs zijn verstrekt, mogen ook worden gebruikt voor andere aspecten van dit onderzoek dan het vaststellen van dumping.

(6)  Een „Limited”-document wordt als vertrouwelijk in de zin van artikel 19 van de basisverordening en artikel 6 van de WTO-overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 (antidumpingovereenkomst) beschouwd. Het is ook een beschermd document krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(7)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.


BIJLAGE I

Image

Tekst van het beeld

Image

Tekst van het beeld

BIJLAGE II

Image

Tekst van het beeld

Image

Tekst van het beeld

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Europese Commissie

19.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 438/49


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8451 — Tronox/Cristal)

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 438/13)

1.

Op 15 november 2017 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4, en na een verwijzing overeenkomstig artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Tronox Limited (Australië) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening zeggenschap verkrijgt over delen van The National Titanium Dioxide Company Ltd („Cristal”, Saudi-Arabië) door de verwerving van aandelen.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

Tronox: wereldwijd actief in de winning, de productie en de verhandeling van anorganische mineralen en chemicaliën;

Cristal: wereldwijd actief in de winning en de vervaardiging van op titanium gebaseerde pigmenten en chemicaliën.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na de datum van deze bekendmaking hebben bereikt. Ze kunnen, onder vermelding van zaaknummer M.8451 — Tronox/Cristal, worden toegezonden per fax (+32 22964301), per e-mail (COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu) of per post aan onderstaand adres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).