ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 305

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

60e jaargang
15 september 2017


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2017/C 305/01

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.8570 — CTDI EU/Regenersis EMEA) ( 1 )

1


 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Raad

2017/C 305/02

Kennisgeving aan de personen en entiteiten die zijn onderworpen aan de beperkende maatregelen van Besluit 2014/145/GBVB van de Raad, als gewijzigd bij Besluit (GBVB) 2017/1561 van de Raad, en van Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad, als uitgevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1549 van de Raad, betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen

2

2017/C 305/03

Kennisgeving aan de betrokkenen die zijn onderworpen aan de beperkende maatregelen van Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad, als uitgevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1549 van de Raad, betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen

3

 

Europese Commissie

2017/C 305/04

Wisselkoersen van de euro

4

2017/C 305/05

Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie

5

2017/C 305/06

Advies van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en machtsposities uitgebracht op zijn bijeenkomst van 30 januari 2015 betreffende een ontwerpbesluit met betrekking tot zaak AT.39861 — Rentederivaten in yen — Rapporteur: Nederland

7

2017/C 305/07

Eindverslag van de raadadviseur-auditeur — Rentederivaten in yen (YIRD) (AT.39861)

8

2017/C 305/08

Samenvatting van het besluit van de Commissie van 4 februari 2015 inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak AT.39861 — Rentederivaten in yen) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 432)

10

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN

2017/C 305/09

Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen ( 1 )

15


 

V   Bekendmakingen

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Europese Commissie

2017/C 305/10

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8630 — Blackstone/MassMutual/Cambourne/Rothesay) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

16

2017/C 305/11

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8102 — Valeo/FTE Group) ( 1 )

18

2017/C 305/12

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8638 — Shell Midstream Partners/Crestwood Permian Basin Holdings/Crestwood Permian Basin) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

19

 

ANDERE HANDELINGEN

 

Europese Commissie

2017/C 305/13

Bekendmaking van een wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

20

2017/C 305/14

Bekendmaking van een aanvraag tot goedkeuring van een minimale wijziging overeenkomstig artikel 53, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

30


 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

 


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/1


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.8570 — CTDI EU/Regenersis EMEA)

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 305/01)

Op 1 september 2017 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector;

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32017M8570. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Raad

15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/2


Kennisgeving aan de personen en entiteiten die zijn onderworpen aan de beperkende maatregelen van Besluit 2014/145/GBVB van de Raad, als gewijzigd bij Besluit (GBVB) 2017/1561 van de Raad, en van Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad, als uitgevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1549 van de Raad, betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen

(2017/C 305/02)

De volgende informatie wordt ter kennis gebracht van de personen en entiteiten die worden genoemd in de bijlage bij Besluit 2014/145/GBVB van de Raad (1), als gewijzigd bij Besluit (GBVB) 2017/1561 van de Raad (2), en in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad (3), als uitgevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1549 van de Raad (4), betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.

De Raad van de Europese Unie heeft besloten dat de personen en entiteiten die worden genoemd in de bovengenoemde bijlagen, moeten worden opgenomen in de lijst van personen en entiteiten die zijn onderworpen aan de beperkende maatregelen van Besluit 2014/145/GBVB en van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen. De redenen voor de aanwijzing van die personen staan in de desbetreffende vermeldingen in die bijlagen.

De betrokken personen en entiteiten worden erop geattendeerd dat zij de bevoegde instanties van de desbetreffende lidstaat of lidstaten, vermeld op de websites in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 269/2014, kunnen verzoeken om toestemming voor het gebruik van bevroren tegoeden voor basisbehoeften of specifieke betalingen (zie artikel 4 van de verordening).

De betrokken personen en entiteiten kunnen, onder overlegging van bewijsstukken, vóór 27 oktober 2017 op onderstaand adres een verzoek bij de Raad indienen tot heroverweging van het besluit hen op bovengenoemde lijst te plaatsen:

Raad van de Europese Unie

Secretariaat-generaal

DG C 1C

Wetstraat 175

1048 Brussel

BELGIË

E-mail: sanctions@consilium.europa.eu

Tevens worden de betrokken personen en entiteiten erop geattendeerd dat zij tegen het besluit van de Raad beroep kunnen instellen bij het Gerecht van de Europese Unie, overeenkomstig de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 275, tweede alinea, en artikel 263, vierde en zesde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.


(1)  PB L 78 van 17.3.2014, blz. 16.

(2)  PB L 237 van 15.9.2017, blz. 72.

(3)  PB L 78 van 17.3.2014, blz. 6.

(4)  PB L 237 van 15.9.2017, blz. 44.


15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/3


Kennisgeving aan de betrokkenen die zijn onderworpen aan de beperkende maatregelen van Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad, als uitgevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1549 van de Raad, betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen

(2017/C 305/03)

De aandacht van de betrokkenen wordt gevestigd op onderstaande informatie, overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (1):

De rechtsgrondslag voor deze verwerking wordt gevormd door Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad (2), als uitgevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1549 van de Raad (3).

De verantwoordelijke voor de verwerking is de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door de directeur-generaal van DG C (Buitenlandse Zaken, Uitbreiding, Civiele Bescherming) van het secretariaat-generaal van de Raad en door eenheid 1C van DG C, de dienst die belast is met de verwerking en bereikbaar is op het volgende adres:

Raad van de Europese Unie

Secretariaat-generaal

DG C 1C

Wetstraat 175

1048 Brussel

BELGIË

E-mail: sanctions@consilium.europa.eu

Het doel van de verwerking is het opstellen en actualiseren van de lijst van personen die aan beperkende maatregelen zijn onderworpen in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 269/2014, als uitgevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1549.

De betrokkenen zijn de natuurlijke personen die voldoen aan de criteria voor plaatsing op de lijst als vastgesteld in die verordening.

De verzamelde persoonsgegevens omvatten gegevens die nodig zijn voor de correcte identificatie van de betrokkene, de motivering en eventuele andere daarmee verband houdende gegevens.

De verzamelde persoonsgegevens kunnen zo nodig worden gedeeld met de Europese Dienst voor extern optreden en de Commissie.

Onverminderd de beperkingen bedoeld in artikel 20, lid 1, onder a) en d), van Verordening (EG) nr. 45/2001 zullen de verzoeken om toegang, alsmede verzoeken om rectificatie of bezwaarschriften, worden beantwoord in overeenstemming met afdeling 5 van Besluit 2004/644/EG van de Raad (4).

De persoonsgegevens worden bewaard gedurende vijf jaar na het moment waarop de betrokkene is geschrapt van de lijst van personen op wie de bevriezing van tegoeden van toepassing is of de geldigheidsduur van de maatregel is verstreken, of voor de duur van eventueel begonnen gerechtelijke procedures.

De betrokkenen kunnen zich overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 wenden tot de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.


(1)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(2)  PB L 78 van 17.3.2014, blz. 6.

(3)  PB L 237 van 15.9.2017, blz. 44.

(4)  PB L 296 van 21.9.2004, blz. 16.


Europese Commissie

15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/4


Wisselkoersen van de euro (1)

14 september 2017

(2017/C 305/04)

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,1885

JPY

Japanse yen

131,55

DKK

Deense kroon

7,4399

GBP

Pond sterling

0,89123

SEK

Zweedse kroon

9,5345

CHF

Zwitserse frank

1,1496

ISK

IJslandse kroon

 

NOK

Noorse kroon

9,3950

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

26,103

HUF

Hongaarse forint

308,28

PLN

Poolse zloty

4,2843

RON

Roemeense leu

4,6017

TRY

Turkse lira

4,1134

AUD

Australische dollar

1,4877

CAD

Canadese dollar

1,4501

HKD

Hongkongse dollar

9,2843

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,6474

SGD

Singaporese dollar

1,6053

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 345,47

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

15,6609

CNY

Chinese yuan renminbi

7,7918

HRK

Kroatische kuna

7,4835

IDR

Indonesische roepia

15 767,83

MYR

Maleisische ringgit

4,9905

PHP

Filipijnse peso

60,990

RUB

Russische roebel

68,6480

THB

Thaise baht

39,363

BRL

Braziliaanse real

3,7295

MXN

Mexicaanse peso

21,1227

INR

Indiase roepie

76,2095


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/5


Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie

(2017/C 305/05)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), tweede streepje, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (1) worden de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie (2) als volgt gewijzigd:

Op bladzijde 388

De volgende tekst wordt ingevoegd:

9615

Kammen, haarklemmen en dergelijke artikelen; haarspelden, krulspelden en dergelijke artikelen, andere dan die bedoeld bij post 8516, alsmede delen daarvan

Zie de vierde alinea van de GS-toelichting op post 9615.

Voor de toepassing van deze post wordt onder „haarklemmen en dergelijke artikelen” producten verstaan die gemaakt zijn van vaste materialen, aangezien de artikelen van deze post gewoonlijk uit onedel metaal of kunststof bestaan. Bijgevolg omvat deze post geen hoofd- en haarbanden. Deze worden als volgt ingedeeld:

a)

Haarbanden en hoofdbanden bestaande uit, bijvoorbeeld, een buisvormig gebreide, elastische ring (afbeelding 1), een rubberen ring bedekt met textiel (afbeelding 2), een elastische ring volledig bedekt met textielweefsel (afbeelding 3), of een ring van elastisch textiel (afbeelding 4) worden ingedeeld onder de posten 6117 of 6217 als kledingtoebehoren.

Voorbeelden:

Image

Image

Image

Image

1.

Haarband

2.

Haarband

3.

Haarband

4.

Hoofdband

b)

Haarbanden en hoofdbanden bestaande uit een ring of band van textielweefsel van afdeling XI en versierd met, bijvoorbeeld, houten kralen, kunststof parels of elementen van leder of textiel worden geacht het wezenlijke karakter van ander geconfectioneerd kledingtoebehoren te hebben en worden dus ingedeeld onder de posten 6117 of 6217 met toepassing van algemene regel 3, onder b).

Voorbeelden:

Image

c)

Haarbanden en hoofdbanden die hoofdzakelijk bestaan uit bijvoorbeeld kunststof lovertjes, op een niet-elastische band van textiel gelijmd of gestikt en bijna het gehele zichtbare oppervlak van het artikel bedekkend waardoor deze het artikel zijn wezenlijke karakter geven, worden ingedeeld onder post 7117 met toepassing van algemene regel 3, onder b), en de aantekeningen 9, onder a), en 11 bij hoofdstuk 71.

Voorbeeld:

Image

d)

Haarbanden en hoofdbanden die geheel of gedeeltelijk bestaan uit echte of gekweekte parels, edelstenen of halfedelstenen, edele metalen of metalen geplateerd met edele metalen, worden ingedeeld onder posten 7113 en 7116 met toepassing van de aantekeningen 1 en 9, onder a), bij hoofdstuk 71. Zie de vierde alinea van de GS-toelichting op post 9615.

e)

Haarbanden en hoofdbanden die geheel of gedeeltelijk uit bont of namaakbont bestaan, worden ingedeeld onder de posten 4303 of 4304 met toepassing van de aantekeningen 3 en 4 bij hoofdstuk 43.

Voorbeeld:

Image

f)

Haarbanden en hoofdbanden bestaande uit andere materialen, niet bekleed met textiel en al dan niet versierd (met uitzondering van goederen als bedoeld onder d) en e)), worden naar het samenstellende materiaal van de ring ingedeeld, aangezien het product zijn wezenlijke karakter ontleent aan de ring en de functie ervan (een ring van kunststof wordt bijvoorbeeld ingedeeld onder post 3926 (afbeeldingen 1 en 2) en een ring van rubber wordt ingedeeld onder post 4015 (afbeelding 3) met toepassing van algemene regel 3, onder b)).

Voorbeelden:

Image

Image

Image

1.

Haarband

2.

Haarband

3.

Hoofdband

g)

Goederen die onder post 7117 als fancybijouterieën kunnen worden ingedeeld en die bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt als armbanden en enkelkettingen, blijven onder die post ingedeeld, zelfs al kunnen ze ook worden gebruikt als hoofd- of haarband.

Voorbeeld:

Image


(1)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(2)  PB C 76 van 4.3.2015, blz. 1.


15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/7


Advies van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en machtsposities uitgebracht op zijn bijeenkomst van 30 januari 2015 betreffende een ontwerpbesluit met betrekking tot zaak AT.39861 — Rentederivaten in yen

Rapporteur: Nederland

(2017/C 305/06)

1.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de mededingingsbeperkende gedraging waarop het ontwerpbesluit betrekking heeft overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen de betrokken ondernemingen vormt in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst.

2.

Het Adviescomité is het eens met de beoordeling die de Commissie in het ontwerpbesluit heeft gegeven van de omvang van de product- en de geografische markt waarop de overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen betrekking hebben.

3.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de ondernemingen waarop het ontwerpbesluit betrekking heeft, hebben deelgenomen aan één of meer van de zeven betrokken afzonderlijke en voortdurende inbreuken op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst.

4.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot doel hadden de mededinging te beperken in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst.

5.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen de handel tussen de EU-lidstaten en de partijen bij de EER-overeenkomst merkbaar konden beïnvloeden.

6.

Het Adviescomité is het eens met de beoordeling van de Commissie wat betreft de duur van de inbreuken.

7.

Het Adviescomité is het met het ontwerpbesluit van de Commissie eens wat de adressaten betreft.

8.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat aan de adressaten van het ontwerpbesluit geldboeten moeten worden opgelegd.

9.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens wat betreft de toepassing van de richtsnoeren van 2006 met betrekking tot de methode van vaststelling van geldboeten die ingevolge artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd.

10.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens wat de basisbedragen van de geldboeten betreft.

11.

Het Adviescomité is het eens met de vastgestelde duur van de inbreuk met het oog op de berekening van het bedrag van de geldboeten.

12.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat er in deze zaak geen verzwarende omstandigheden van toepassing zijn.

13.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens wat de toepassing van de clementieregeling van 2006 betreft.

14.

Het Adviescomité is het eens met de door de Commissie vastgestelde definitieve bedragen van de geldboeten.

15.

Het Adviescomité beveelt aan dat zijn advies wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/8


Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (1)

Rentederivaten in yen (YIRD)

(AT.39861)

(2017/C 305/07)

1.   Inleiding

In deze zaak is een zogenaamde hybride schikkingsprocedure gevolgd. De Commissie heeft besloten de zaak voor de zes schikkende partijen te behandelen volgens de schikkingsprocedure (2) terwijl voor ICAP de standaardprocedure werd gevolgd.

2.   Onderzoek

2.1.

Op 12 februari 2013 heeft de Europese Commissie (hierna „de Commissie” genoemd) de procedure van artikel 11, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1/2003 (3) ingeleid tegen UBS AG, UBS Securities Japan Co., Ltd, The Royal Bank of Scotland Group plc, The Royal Bank of Scotland plc, Deutsche Bank Aktiengesellschaft, Citigroup Inc., Citigroup Global Markets Japan Inc., JPMorgan Chase & Co, JPMorgan Chase Bank, National Association, J.P. Morgan Europe Limited, R.P. Martin Holdings Ltd en Martin Brokers (UK) Ltd (hierna samen „de schikkende partijen” genoemd).

2.2.

Op 29 oktober 2013 heeft de Commissie de procedure van artikel 11, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1/2003 ingeleid tegen ICAP plc, ICAP Management Services Ltd en ICAP New Zealand Ltd (hierna „ICAP” genoemd).

3.   Schikkingsprocedure

3.1.

Nadat schikkingsgesprekken waren gevoerd en verklaringen met het oog op een schikking waren ingediend overeenkomstig artikel 10 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 773/2004 (4), stelde de Commissie op 29 oktober 2013 een tot de schikkende partijen gerichte mededeling van punten van bezwaar vast.

De schikkende partijen zouden tussen 2007 en 2010 afzonderlijk en onafhankelijk van elkaar hebben deelgenomen aan een of meer van zeven bilaterale inbreuken op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst. Deze inbreuken hebben betrekking op rentederivaten in Japanse yen (hierna „YIRD’s” genoemd) met als referentie de LIBOR voor de Japanse yen en in het geval van één inbreuk ook op YIRD’s met als referentie de Euroyen TIBOR. De partijen hebben getracht de hoogte van de Yen LIBOR en/of Euroyen TIBOR te beïnvloeden om de handelsposities van de banken positief te beïnvloeden voor derivaten die deze tarieven in hun afwikkelingsvoorwaarden gebruiken.

3.2.

Na bevestiging door de schikkende partijen dat de bezwaren in de mededeling van punten van bezwaar de inhoud van hun verklaringen met het oog op een schikking correct weergaven, nam de Commissie op 4 december 2013 een tot alle schikkende partijen gericht schikkingsbesluit aan en legde zij Citigroup, DB, JPMorgan, RBS en RP Martin geldboeten op.

3.3.

Op 12 november 2013, na één bijeenkomst met het caseteam van het Directoraat-generaal Concurrentie (hierna „DG Concurrentie” genoemd), trok ICAP zich uit de schikkingsprocedure terug. Het onderzoek tegen ICAP werd derhalve voortgezet volgens de standaardprocedure (zie hierna).

4.   Standaardprocedure met betrekking tot ICAP

4.1.

Op 6 juni 2014 stelde de Commissie een mededeling van punten van bezwaar tegen ICAP vast. De Commissie beweert dat ICAP als tussenpersoon deelnam aan zes afzonderlijke inbreuken op artikel 101 VWEU met betrekking tot de YIRD-sector.

4.2.

DG Concurrentie had ICAP aanvankelijk vier weken gegeven om te antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar, maar verlengde die termijn met twee weken op verzoek van ICAP. Op verzoek van ICAP heb ik de termijn om op de mededeling van punten van bezwaar te antwoorden met nog twee weken verlengd tot 14 augustus 2014.

4.3.

In haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar diende ICAP een aantal klachten in waarin zij beweerde dat de Commissie het vermoeden van onschuld, ICAP’s recht op verdediging en de beginselen van goed bestuur had geschonden. Al deze beweringen zijn in het ontwerpbesluit naar behoren behandeld.

4.4.

De hoorzitting vond plaats op 12 september 2014.

4.5.

Na de hoorzitting vroeg en kreeg ICAP toegang tot het schikkingsbesluit. DG Concurrentie gaf ICAP een korte termijn om verdere schriftelijke opmerkingen in te dienen. In antwoord op het verzoek van ICAP om verlenging van de termijn heb ik ICAP ervan op de hoogte gebracht dat de door DG Concurrentie toegestane termijn volstond om ICAP toe te laten het schikkingsbesluit te bestuderen, in het bijzonder met betrekking tot de geldboetemethode die de Commissie toepaste op RP Martin als tussenpersoon, en in dit verband verdere opmerkingen in te dienen.

4.6.

Op 9 oktober 2014 diende ICAP bij DG Concurrentie een laat verzoek in om verdere toegang te krijgen tot een niet-gespecificeerd aantal documenten betreffende bepaalde omzetgerelateerde informatie die de schikkende banken bij de Commissie hadden ingediend. DG Concurrentie wees dit verzoek af, waarna ICAP de kwestie op 17 oktober 2014 aan mij voorlegde.

4.7.

Op 5 november 2014 wees ik het verzoek van ICAP af, met name op grond van het feit dat een partij geen algemeen recht heeft om tijdens de administratieve fase toegang te krijgen tot de omzetgegevens van de andere partijen, ook al kunnen die gegevens, nadat in een besluit een boete is opgelegd, indirect relevant worden geacht voor de berekening van de boete van de verzoekende partij. Bovendien was ik in het onderhavige geval van mening dat de informatie in de mededeling van punten van bezwaar de noodzaak om op grond van ICAP’s rechten van verdediging toegang te krijgen tot de omzetgegevens van de andere partijen niet rechtvaardigde.

4.8.

Ten slotte diende ICAP op 8, 9 en 16 oktober 2014 opmerkingen in die specifiek betrekking hadden op de bezwaren van de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar. DG Concurrentie heeft in zijn ontwerpbesluit rekening gehouden met al deze aanvullende opmerkingen.

5.   Conclusie

5.1.

Overeenkomstig artikel 16 van Besluit 2011/695/EU heb ik onderzocht of het tot ICAP gerichte ontwerpbesluit enkel bezwaren behandelt ten aanzien waarvan ICAP in de gelegenheid is gesteld haar opmerkingen kenbaar te maken. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit inderdaad het geval was.

5.2.

Gezien het bovenstaande ben ik van oordeel dat ICAP haar procedurele rechten in deze zaak daadwerkelijk heeft kunnen uitoefenen.

Brussel, 30 januari 2015.

Joos STRAGIER


(1)  Opgesteld overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van Besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 29).

(2)  Besluit van de Commissie van 4 december 2013. De raadadviseur-auditeur heeft al een eindverslag ingediend overeenkomstig artikel 16 van Besluit 2011/695/EU ter gelegenheid van de vaststelling van het besluit van de Commissie van 4 december 2013.

(3)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 18).


15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/10


Samenvatting van het besluit van de Commissie

van 4 februari 2015

inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst

(Zaak AT.39861 — Rentederivaten in yen)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 432)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2017/C 305/08)

Op 4 februari 2015 heeft de Commissie een besluit vastgesteld inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (het „Verdrag”) en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (de „EER-overeenkomst”). Overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad  (1) publiceert de Commissie hierbij de namen van de partijen en de belangrijkste punten van het besluit, waaronder de opgelegde sancties, rekening houdend met het rechtmatige belang van ondernemingen bij de bescherming van hun bedrijfsgeheimen.

1.   INLEIDING

(1)

Het besluit heeft betrekking op zes afzonderlijke gevallen van bilateraal mededingingsbeperkend gedrag met betrekking tot rentederivaten in Japanse yen (hierna „rentederivaten in yen” of „YIRD’s” genoemd), met als referentie de LIBOR voor de Japanse yen (hierna „JPY LIBOR” genoemd), waaraan de adressaten van dit besluit als tussenpersonen deelnamen.

(2)

Het mededingingsbeperkend gedrag van de betrokken banken bestond uit besprekingen met betrekking tot het niveau van door te geven JPY LIBOR-tarieven, waarin ze hun voorkeuren kenbaar maakten voor de richting van toekomstige JPY LIBOR-bewegingen, en uit uitwisselingen van commercieel gevoelige informatie (2). De makelaar ICAP werkte mee aan het desbetreffende gedrag door te fungeren als een kanaal voor heimelijke communicatie (in één van de gevallen) en door contact op te nemen met andere banken van het JPY LIBOR-panel of informatie te verspreiden via gemanipuleerde dagelijkse „Run Thrus” (3) teneinde hun door te geven JPY LIBOR-tarieven te beïnvloeden in de door de deelnemers aan het betreffende gedrag gewenste richtingen (in de overige vijf gevallen).

(3)

De JPY LIBOR en Euroyen TIBOR zijn belangrijke referentierentevoeten (ook wel „benchmarks” genoemd) voor veel in Japanse yen luidende financiële instrumenten. De JPY LIBOR werd door de British Bankers Association (BBA) vastgesteld en de Euroyen TIBOR door de Japanese Bankers Association (JBA). De rentevoeten werden dagelijks voor verschillende looptijden (looptijden van leningen) vastgesteld op basis van de rentevoeten die werden doorgegeven door banken die lid waren van het JPY LIBOR- en het Euroyen TIBOR-panel. Deze banken werd verzocht om elke werkdag vóór een bepaald uur schattingen door te geven van de rentevoeten waartegen zij meenden een redelijke hoeveelheid geldmiddelen ongedekt te kunnen lenen op de Londense interbancaire geldmarkt (in het geval van de JPY LIBOR) of schattingen van wat volgens hen geldende markttarieven waren voor transacties tussen primaire banken op de Japanse offshoremarkt (in het geval van de Euroyen TIBOR), en dat voor verschillende looptijden. De BBA en de JBA berekenden vervolgens, op basis van een gemiddelde van deze doorgegeven rentevoeten, met uitsluiting van de vier (in het geval van de BBA) of de twee (in het geval van de JBA) hoogste en laagste doorgegeven rentevoeten, de dagelijkse JPY LIBOR- en Euroyen TIBOR-tarieven voor elke looptijd. De resulterende tarieven werden elke werkdag onmiddellijk gepubliceerd en ter beschikking gesteld van het publiek.

(4)

JPY LIBOR- en Euroyen TIBOR-tarieven komen onder meer tot uiting in de prijsstelling van YIRD’s. YIRD’s zijn wereldwijd verhandelde financiële producten die door kapitaalvennootschappen, financiële instellingen, hefboomfondsen en andere ondernemingen worden gebruikt om hun renterisico te beheersen (hedging, voor zowel kredietnemers als beleggers) of voor speculatiedoeleinden.

(5)

De meest voorkomende YIRD’s zijn: i) rentetermijncontracten, ii) renteswaps, iii) renteopties en iv) rentefutures. YIRD’s kunnen onderhands (otc) of, ingeval van rentefutures, op de beurs verhandeld worden. Al deze producten hebben gewoonlijk een variabele rente (de referentierente van het contract) en een vaste rente. De vaste tarieven weerspiegelen de marktverwachtingen met betrekking tot toekomstige referentierentevoeten en worden normaal door de financiële instellingen die aan de YIRD-handel deelnemen berekend op basis van de zogenoemde rentecurven.

(6)

Dit besluit is gericht tot de volgende rechtspersonen die behoren tot de onderneming ICAP (hierna „de adressaten” genoemd):

a)

ICAP plc;

b)

ICAP Management Services Ltd;

c)

ICAP New Zealand Limited.

2.   BESCHRIJVING VAN DE ZAAK

2.1.   Procedure

(7)

De zaak is ingeleid op basis van een verzoek om immuniteit van UBS op 17 december 2010. Op 20 april 2011 heeft de Commissie verzoeken om inlichtingen gezonden aan een aantal ondernemingen die in de YIRD-sector actief zijn. Op […] heeft Citigroup een verzoek om immuniteit en/of clementie ingediend. Op […] heeft Deutsche Bank om een vermindering van geldboeten verzocht. Op […] heeft RP Martin om een vermindering van geldboeten verzocht. Op […] heeft RBS om een vermindering van geldboeten verzocht.

(8)

Op 12 februari 2013 leidde de Commissie de procedure van artikel 11, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1/2003 in tegen UBS AG en UBS Securities Japan Co., Ltd, The Royal Bank of Scotland Group plc en The Royal Bank of Scotland plc, Deutsche Bank Aktiengesellschaft, Citigroup Inc. en Citigroup Global Markets Japan Inc., JPMorgan Chase & Co. en JPMorgan Chase Bank, National Association en J.P. Morgan Europe Limited, en R.P. Martin Holdings Ltd en Martin Brokers (UK) Ltd Op 29 oktober 2013 stelde de Commissie een tot deze ondernemingen gerichte mededeling van punten van bezwaar vast, met referentie C(2013)7395.

(9)

Op 29 oktober 2013 leidde de Commissie de procedure van artikel 11, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1/2003 in tegen ICAP plc, ICAP Management Services Ltd en ICAP New Zealand Limited.

(10)

Op 31 oktober 2013 vond een schikkingsgesprek met ICAP plaats. Op 12 november 2013 stelde ICAP de Commissie op de hoogte van het feit dat het de schikkingsgesprekken wenste stop te zetten.

(11)

Op 4 december 2013 nam de Commissie een verbods- en boetebesluit aan, met referentie C(2013) 8602/7 (hierna „het schikkingsbesluit” genoemd), gericht tot de in punt (8) vermelde ondernemingen.

(12)

Op 6 juni 2014 stelde de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vast die gericht was tot ICAP plc, ICAP Management Services Ltd en ICAP New Zealand Limited, met referentie C(2014) 3768 final. ICAP heeft aan de Commissie haar opmerkingen meegedeeld met betrekking tot de bezwaren die op 14 augustus 2014 schriftelijk en op 12 september 2014 mondeling, tijdens een hoorzitting, tegen ICAP werden geuit.

(13)

Het Adviescomité voor mededingingsregelingen en machtsposities bracht op 30 januari 2015 een gunstig advies uit, waarna de Commissie op 4 februari 2015 het besluit heeft vastgesteld.

2.2.   Adressaten en duur

(14)

In deze zaak heeft de Commissie de hieronder opgesomde zes bilaterale inbreuken (4) vastgesteld. De duur van de betrokkenheid van de onderneming bij elk van de inbreuken is de volgende:

a)

inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2007:

[niet-adressaat]: 8 februari 2007 — 1 november 2007;

[niet-adressaat]: 8 februari 2007 — 1 november 2007;

ICAP: 14 augustus 2007 — 1 november 2007;

b)

inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2008:

[niet-adressaat]: 7 mei 2008 — 3 november 2008;

[niet-adressaat]: 7 mei 2008 — 3 november 2008;

ICAP: 28 augustus 2008 — 3 november 2008;

c)

inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2008-2009:

[niet-adressaat]: 18 september 2008 — 10 augustus 2009;

[niet-adressaat]: 18 september 2008 — 10 augustus 2009;

[niet-adressaat]: 29 juni 2009 — 10 augustus 2009;

ICAP: 22 mei 2009 — 10 augustus 2009;

d)

inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010:

[niet-adressaat]: 3 maart 2010 — 22 juni 2010;

[niet-adressaat]: 3 maart 2010 — 22 juni 2010;

ICAP: 3 maart 2010 — 22 juni 2010;

e)

inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010:

[niet-adressaat]: 26 maart 2010 — 18 juni 2010;

[niet-adressaat]: 26 maart 2010 — 18 juni 2010;

ICAP: 7 april 2010 — 7 juni 2010;

f)

inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010:

[niet-adressaat]: 28 april 2010 — 3 juni 2010;

[niet-adressaat]: 28 april 2010 — 3 juni 2010;

ICAP: 28 april 2010 — 2 juni 2010.

2.3.   Samenvatting van de inbreuken

2.3.1.    De mededingingsbeperkende praktijken van de deelnemende banken

(15)

De partijen (banken) bij de respectieve inbreuken waren betrokken bij de volgende mededingingsbeperkende praktijken:

a)

Handelaren van de banken die aan de respectieve inbreuken deelnamen, hebben bij bepaalde gelegenheden rechtstreeks (en in het geval van [niet-adressaat] en [niet-adressaat] bij de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010 — onrechtstreeks — via de makelaar ICAP) de door ten minste één van de respectieve banken doorgegeven JPY LIBOR-tarieven voor bepaalde looptijden besproken, in de wetenschap dat dit voordelig zou kunnen zijn voor de handelsposities in YIRD’s van ten minste één van de bij de gesprekken betrokken handelaren. Daartoe heeft ten minste één van de handelaren de bij zijn respectieve bank met de doorgifte van rentevoeten voor de JPY LIBOR belaste functionarissen benaderd, of zijn bereidheid te kennen gegeven hen te benaderen, om hen te verzoeken aan de BBA rentevoeten in een bepaalde richting of bij enkele gelegenheden op een bepaald niveau door te geven.

b)

Handelaren van de banken die aan de respectieve inbreuken deelnamen, hebben bij bepaalde gelegenheden commercieel gevoelige informatie aan elkaar verstrekt en/of van elkaar gekregen (in het geval van [niet-adressaat] en [niet-adressaat] bij de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010 — onrechtstreeks — via de makelaar ICAP) over handelsposities of over in de toekomst door te geven JPY LIBOR-tarieven van ten minste één van hun respectieve banken. Bij de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010 hield dit verstrekken en/of ontvangen van informatie ook verband met bepaalde in de toekomst door te geven Euroyen TIBOR-tarieven van ten minste één van de respectieve banken.

2.3.2.    Medewerking aan de verschillende inbreuken door geldmakelaars

2.3.2.1.   Medewerking door [niet-adressaat]

(16)

[Niet-adressaat] werkte in de periode van 29 juni 2009 tot 10 augustus 2009 mee aan de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2008-2009, waarbij [niet-adressaat] op verzoek van [niet-adressaat] beloofde om contact op te nemen, en bij ten minste enkele gelegenheden ook daadwerkelijk contact opnam, met een aantal banken van het JPY LIBOR-panel die niet aan de inbreuk deelnamen, met als doel hun door te geven JPY LIBOR-tarieven te beïnvloeden. [Niet-adressaat] was hiervan niet op de hoogte.

2.3.2.2.   Medewerking door ICAP

(17)

ICAP werkte in de periode van 14 augustus 2007 tot 1 november 2007 mee aan de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2007, waarbij ICAP op vraag van [niet-adressaat] trachtte om bepaalde banken van het JPY LIBOR-panel die niet aan de inbreuk deelnamen te beïnvloeden om JPY LIBOR-tarieven door te geven die in overeenstemming waren met de verzoeken van [niet-adressaat] door i) misleidende informatie onder hen te verspreiden via de zogenaamde „Run Thrus” en/of door ii) direct contact met hen op te nemen. [Niet-adressaat] was hiervan niet op de hoogte.

(18)

ICAP werkte in de periode van 28 augustus 2008 tot 3 november 2008 mee aan de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2008, waarbij ICAP op vraag van [niet-adressaat] trachtte om bepaalde banken van het JPY LIBOR-panel die niet aan de inbreuk deelnamen te beïnvloeden om JPY LIBOR-tarieven door te geven die in overeenstemming waren met de verzoeken van [niet-adressaat] door i) misleidende informatie onder hen te verspreiden via de zogenaamde „Run Thrus” en/of door ii) direct contact met hen op te nemen. [Niet-adressaat] was hiervan niet op de hoogte.

(19)

ICAP werkte in de periode van 22 mei 2009 tot 10 augustus 2009 mee aan de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2008-2009, waarbij ICAP op vraag van [niet-adressaat] trachtte om bepaalde banken van het JPY LIBOR-panel die niet aan de inbreuk deelnamen te beïnvloeden om JPY LIBOR-tarieven door te geven die in overeenstemming waren met de verzoeken van [niet-adressaat] door i) misleidende informatie onder hen te verspreiden via de zogenaamde „Run Thrus” en/of door ii) direct contact met hen op te nemen. [Niet-adressaat] was hiervan niet op de hoogte.

(20)

ICAP werkte in de periode van 3 maart 2010 tot 22 juni 2010 mee aan de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010 door als communicatiekanaal tussen een handelaar van [niet-adressaat] en een handelaar van [niet-adressaat] te fungeren en zo de mededingingsbeperkende praktijken tussen hen mogelijk te maken.

(21)

ICAP werkte in de periode van 7 april 2010 tot 7 juni 2010 mee aan de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010, waarbij ICAP op vraag van [niet-adressaat] trachtte om bepaalde banken van het JPY LIBOR-panel die niet aan de inbreuk deelnamen te beïnvloeden om JPY LIBOR-tarieven door te geven die in overeenstemming waren met de verzoeken van [niet-adressaat] door i) misleidende informatie onder hen te verspreiden via de zogenaamde „Run Thrus” en/of door ii) direct contact met hen op te nemen. [Niet-adressaat] was hiervan niet op de hoogte.

(22)

ICAP werkte in de periode van 28 april 2010 tot 2 juni 2010 mee aan de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010 met betrekking tot YIRD’s met als referentie de JPY LIBOR (5), waarbij ICAP op vraag van [niet-adressaat] trachtte om bepaalde banken van het JPY LIBOR-panel die niet aan de inbreuk deelnamen te beïnvloeden om JPY LIBOR-tarieven door te geven die in overeenstemming waren met de verzoeken van [niet-adressaat] door i) misleidende informatie onder hen te verspreiden via de zogenaamde „Run Thrus” en/of door ii) direct contact met hen op te nemen. [Niet-adressaat] was hiervan niet op de hoogte.

2.3.3.    Geografische omvang

(23)

De geografische omvang van elk van de zes inbreuken was voor alle respectieve deelnemers de hele EER.

2.4.   Rechtsmiddelen

(24)

In dit besluit worden de Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 toegepast (6). De Commissie legt geldboeten op aan de ondernemingen waaraan dit besluit is gericht.

2.4.1.    Basisbedrag van de geldboete

(25)

De Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten bevatten slechts beperkte leidraden voor de berekening van de geldboeten die kunnen worden opgelegd aan tussenpersonen als ICAP, die niet rechtstreeks actief was in de door het kartel bestreken sector, d.w.z. rentederivaten, voor de toepassing van de inbreuken. Daarom wordt ICAP’s basisbedrag voor elk van de inbreuken bepaald in overeenstemming met de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1/2003, de jurisprudentie en punt 37 van de Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006, rekening houdend met de ernst, de duur en de aard van zijn betrokkenheid en met de noodzaak om ervoor te zorgen dat het afschrikkende effect van de boeten groot genoeg is.

(26)

Bij de beoordeling van de ernst van de inbreuken houdt de Commissie rekening met het feit dat elk van de inbreuken naar zijn aard tot de ernstigste mededingingsbeperkingen behoort, het feit dat elk van de inbreuken de hele EER bestreek en het feit dat de heimelijke activiteiten verband hielden met financiële benchmarks.

(27)

Bij de berekening van de aan de adressaten van dit besluit op te leggen geldboeten houdt de Commissie ook rekening met de duur van ICAP’s deelname aan elk van de zes inbreuken.

(28)

Wat elk van de inbreuken betreft, houdt de Commissie er rekening mee dat ICAP deelnam aan de inbreuken als tussenpersoon, een rol die niet van dezelfde aard is als die van de banken die aan de betrokken inbreuken deelnamen. Daarom past de Commissie bij de bepaling van ICAP’s basisbedrag voor elke inbreuk een passende verminderingscoëfficiënt toe.

2.4.2.    Aanpassing van het basisbedrag: verzwarende of verzachtende omstandigheden

(29)

Wat de adressaten van dit besluit betreft, zijn er geen verzwarende of verzachtende omstandigheden in verband met een van de inbreuken.

2.4.3.    Toepassing van het 10 %-omzetplafond

(30)

Krachtens artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 mag de voor elke inbreuk opgelegde geldboete niet hoger zijn dan 10 % van de totale omzet die ICAP in het aan het besluit van de Commissie voorafgaande boekjaar heeft behaald.

(31)

In dit geval bedraagt geen van de geldboeten meer dan 10 % van de totale omzet van ICAP in het aan de datum van dit besluit voorafgaande boekjaar.

3.   CONCLUSIE: definitieve bedrag van de verschillende geldboeten die in dit besluit worden opgelegd

(32)

Overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 worden de volgende geldboeten opgelegd:

Inbreuk

Geldboete (in EUR)

Inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2007

1 040 000

Inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2008

1 950 000

Inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2008-2009

8 170 000

Inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010

1 930 000

Inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010

1 150 000

Inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010

720 000


(1)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.

(2)  Eén van de inbreuken betrof ook YIRD’s met als referentie de Euroyen TIBOR.

(3)  ICAP stuurde een aantal financiële instellingen elke werkdag een spreadsheet die informatie bevatte over de geldende debetrentevoeten voor Japanse en offshorebanken voor alle JPY LIBOR-looptijden, evenals een tabel met de titel „suggested libors” (voorgestelde LIBOR-tarieven) die bestond uit voorgestelde door te geven JPY LIBOR-tarieven voor alle looptijden op de betreffende werkdag.

(4)  Daarnaast werd in het op 4 december 2013 aangenomen besluit ook de „inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2007”, waar ICAP niet bij betrokken was, vermeld.

(5)  Hoewel de mededingingsbeperkende praktijken van [niet-adressaat] en [niet-adressaat] bij de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010 betrekking hadden op YIRD’s met als referentie de JPY LIBOR en Euroyen TIBOR, hield de medewerking van ICAP aan de inbreuk van [niet-adressaat]/[niet-adressaat] in 2010 alleen verband met YIRD’s met als referentie de JPY LIBOR.

(6)  PB C 210 van 1.9.2006, blz. 2.


INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN

15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/15


Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 305/09)

Lidstaat

Zweden

Betrokken routes

Arvidsjaur-Stockholm (Arlanda)

Gällivare-Stockholm (Arlanda)

Looptijd van het contract

December 2017-november 2019

Uiterste datum voor de indiening van de offertes

60 dagen na de datum van publicatie van deze mededeling

Adres waar de tekst van de aanbesteding en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbare aanbesteding en kunnen worden verkregen

Voor informatie kunt u zich wenden tot:

Trafikverket

SE-781 87 Borlänge

ZWEDEN

http://www.trafikverket.se/Foretag/Upphandling/Aktuella-upphandlingar/

RFT-Referentie: CTM:146241

Tel. + 46 771921921

Contactpersonen:

Håkan Jacobsson: hakan.jacobsson@trafikverket.se

Anna Fällbom: anna.fallbom@trafikverket.se


V Bekendmakingen

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Europese Commissie

15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/16


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8630 — Blackstone/MassMutual/Cambourne/Rothesay)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 305/10)

1.

Op 8 september 2017 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen.

Deze aanmelding betreft de volgende ondernemingen:

Cambourne Life Investment Pte. Ltd (Singapore) die onder zeggenschap staat van GIC Pte. Ltd,

Massachusetts Mutual Life Insurance Company (Verenigde Staten),

Rothesay HoldCo UK Ltd (Verenigd Koninkrijk).

Cambourne Life Investment Pte. Ltd („Cambourne”) en Massachusetts Mutual Life Insurance Company („MassMutual”) verkrijgen gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), en artikel 3, lid 4, van de concentratieverordening over Rothesay HoldCo UK Ltd (Verenigd Koninkrijk) („Rothesay”), waarbij Blackstone Group L.P. reeds een controlerende aandeelhouder is. De concentratie komt tot stand door de verwerving van aandelen.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   Blackstone: beheer van activa,

—   Cambourne: onderneming die uiteindelijk onder de zeggenschap staat van GIC Pte. Ltd, een globale investeringsmaatschappij,

—   MassMutual: levensverzekering-, pensioen- en investeringsproducten, voornamelijk actief in de Verenigde Staten,

—   Rothesay: verzekering, voornamelijk gericht op risico-overdracht van beschikbare-uitkeringsstelsels (definedbenefitpensioenplannen) in het Verenigd Koninkrijk. Rothesay biedt een scala van producten aan, waaronder i) oplossingen voor buy-out, ii) oplossingen voor buy-in, en iii) longevity swaps.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na de datum van deze bekendmaking hebben bereikt. De volgende referentie moet altijd worden vermeld:

M.8630 — Blackstone/MassMutual/Cambourne/Rothesay

Opmerkingen kunnen aan de Commissie worden toegezonden per e-mail, per fax of per post. Gelieve de onderstaande contactgegevens te gebruiken:

E-mail:

COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu

Faxnummer:

+32 22964301

Postadres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/18


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8102 — Valeo/FTE Group)

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 305/11)

1.

Op 7 september 2017 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat de onderneming Valeo Holding GmbH (Duitsland) die onder de zeggenschap staat van Valeo S.A. („Valeo”, Frankrijk) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening de volledige zeggenschap verkrijgt over FTE Group Holding GmbH („FTE”, Duitsland) door de verwerving van aandelen.

Dezelfde concentratie werd al bij de Commissie aangemeld op 10 oktober 2016, maar de aanmelding werd vervolgens ingetrokken op 29 november 2016.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   Valeo: ontwerp, vervaardiging en verkoop van auto-uitrusting, met name thermische systemen, aandrijflijnsystemen, comfort- en rijhulpsystemen en zichtverbeterende systemen,

—   FTE: ontwerp, vervaardiging en verkoop van i) koppelingsbedieningsproducten; ii) rembedieningsproducten; iii) elektrisch gestuurde oliepompen en andere onderdelen voor versnellingsbakken en aandrijflijnen gebaseerd op elektrohydraulische technologie. FTE is ook actief in de revisie van remklauwen.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na de datum van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen, met vermelding van zaaknummer M.8102 — Valeo/FTE Group worden toegezonden per fax (+32 22964301), per e-mail (COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu) of per post aan onderstaand adres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).


15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/19


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8638 — Shell Midstream Partners/Crestwood Permian Basin Holdings/Crestwood Permian Basin)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 305/12)

1.

Op 8 september 2017 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen.

Deze aanmelding betreft de volgende ondernemingen:

Shell Midstream Partners (Shell Midstream, Verenigde Staten), die onder zeggenschap staat van Royal Dutch Shell plc (Shell, Verenigd Koninkrijk);

Crestwood Permian Basin Holdings (Verenigde Staten), die onder zeggenschap staat van First Reserve Management LP (First Reserve, Caymaneilanden) en Crestwood Equity Partners LP (Crestwood, Verenigde Staten);

Crestwood Permian Basin LLC (Verenigde Staten), die onder zeggenschap staat van Crestwood Permian Basin Holdings.

Shell Midstream verkrijgt gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening over Crestwood Permian Basin. De concentratie komt tot stand door de verwerving van aandelen.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

Shell is een mondiale groep van energie- en petrochemische bedrijven met noteringen op de beurzen van Londen, Amsterdam en New York;

Crestwood Permian Basin Holdings is een joint venture die onder zeggenschap staat van First Reserve en Crestwood, die op dit ogenblik de enige eigenaar is van Crestwood Permian Basin;

Crestwood Permian Basin werd opgericht voor de bouw, de eigendomsverwerving en de exploitatie van een systeem voor het verzamelen van aardgas in het permisch bekken in het westelijke gedeelte van de Verenigde Staten. De onderneming zal diensten verlenen op het gebied van verzameling, dehydratie, compressie en vloeistofbehandeling.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na de datum van deze bekendmaking hebben bereikt. De volgende referentie moet altijd worden vermeld:

M.8638 — Shell Midstream Partners/Crestwood Permian Basin Holdings/Crestwood Permian Basin

Opmerkingen kunnen per e-mail, per fax of per post aan de Commissie worden toegezonden. Gelieve de onderstaande contactgegevens te gebruiken:

E-mail:

COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu

Fax

+32 22964301

Postadres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


ANDERE HANDELINGEN

Europese Commissie

15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/20


Bekendmaking van een wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

(2017/C 305/13)

Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1) bezwaar aan te tekenen tegen de wijzigingsaanvraag.

AANVRAAG TOT GOEDKEURING VAN EEN NIET-MINIMALE WIJZIGING VAN HET PRODUCTDOSSIER INZAKE BESCHERMDE OORSPRONGSBENAMINGEN/BESCHERMDE GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

Aanvraag tot goedkeuring van een wijziging overeenkomstig artikel 53, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012

„PANE DI MATERA”

EU-nr.: PGI-IT-02100 — 10.12.2015

BOB ( ) BGA ( X )

1.   Aanvragende groepering en rechtmatig belang

Consorzio di Tutela del Pane di Matera IGP

Via De Amicis, 54

75100 Matera

ITALIË

Het „Consorzio di Tutela del Pane di Matera IGP” heeft het recht om een wijzigingsaanvraag in te dienen overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Besluit nr. 12511 van het Ministerie van Landbouw-, Levensmiddelen- en Bosbouwbeleid van 14 oktober 2013.

2.   Lidstaat of derde land

Italië

3.   Rubriek van het productdossier waarop de wijziging(en) betrekking heeft/hebben

Naam van het product

Beschrijving van het product

Geografisch gebied

Bewijs van oorsprong

Werkwijze voor het verkrijgen van het product

Verband

Etikettering

Overige: verpakking, controlestructuur; geografisch gebied

4.   Aard van de wijziging(en)

Wijziging van een productdossier van een geregistreerde BOB of BGA die overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 niet als minimaal kan worden beschouwd.

Wijziging van een productdossier van een geregistreerde BOB of BGA waarvoor geen enig document (of gelijkwaardig document) is bekendgemaakt, die overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 niet als minimaal kan worden beschouwd.

5.   Wijziging(en)

Beschrijving van het product

De volgende zin in artikel 2 van het huidige productdossier:

„Dit systeem vereist het gebruik van uitsluitend durumtarwemeel (Triticum durum) waarvan de eigenschappen overeenstemmen met de volgende parameters:

Glutenindex (%)

Waarde ≥ 11

Geelheidsindex

Waarde ≥ 21

Vochtgehalte (%)

Waarde ≤ 15,50

Asgehalte (% in de droge stof)

Waarde ≤ 2 % in de droge stof”

wordt vervangen door het volgende artikel 2 van het gewijzigde productdossier:

„Dit systeem vereist het gebruik van uitsluitend durumtarwemeel en/of -griesmeel (Triticum durum) waarvan de eigenschappen overeenstemmen met de volgende parameters:

Eiwitgehalte (%) stikstofgehalte × 5,70  (*2)

Waarde ≥ 11

Geelheidsindex (*1)

Waarde ≥ 20

Vochtgehalte (%) (*2)

Waarde ≤ 14,50

Asgehalte (% in de droge stof) (*2)

Waarde ≤ 1,35 in de droge stof

Er wordt, op verzoek van de producenten, gespecificeerd dat durumtarwemeel en/of -griesmeel mag worden gebruikt voor de productie van „Pane di Matera”. De gebruikte grondstof voor de productie van „Pane di Matera” wordt op die manier nauwkeuriger omschreven. Het gebruik van griesmeel van durumtarwe in de productie van bakkerijproducten is, voornamelijk in het zuiden van Italië en in de provincie Matera, een wijdverspreide praktijk. Er is dan ook geen reden om het gebruik van griesmeel van durumtarwe voor de productie van „Pane di Matera” BGA niet toe te laten.

Daarnaast worden de chemische parameters van het meel en het griesmeel nauwkeuriger omschreven en bijgewerkt. Met name de volgende aanpassingen zijn aangebracht:

gluten is vervangen door het eiwitgehalte, waarvan de waarde 11 % blijft bedragen, en de methode voor het vaststellen van de waarde is vermeld;

de geelheidsindex is verlaagd van ≥ 21 naar ≥ 20 en de methode voor het vaststellen van de waarde is gespecificeerd;

het vochtgehalte is verlaagd van ≤ 15,5 % naar ≤ 14,5 % zodat de korrel langer zijn kwaliteit behoudt;

het asgehalte is verlaagd van ≤ 2 % naar ≤ 1,35 % en de methode voor het vaststellen van de waarde is gespecificeerd.

De voorgestelde chemische parameters van het meel en het griesmeel in de wijziging zijn bijgewerkt om het productdossier in overeenstemming te brengen met de werkelijke eigenschappen van de grondstoffen die worden gebruikt om „Pane di Matera” BGA te produceren.

De volgende tabellen:

Samenstelling van 100 gram „Pane di Matera”

 

Interval variabelen

Eiwit (2)

8,2 -8,3

Koolhydraten

51,3 -53,4

waarvan vezels (totaal)

2,9 -3,7

Vet

1,0 -1,2

Asgehalte (% in de droge stof)

2,24 -2,51


Zintuiglijke kenmerken van monsters van „Pane di Matera”

Zintuiglijke beoordelingsaspecten

Variërend van

Krokantheid van de korst

4,8 tot 5,7

Zure geur

1,3 tot 1,6

Geur van verbrand brood

3,2 tot 4,3

Zure smaak

1,3 tot 2,0 ”

worden als volgt gewijzigd:

Samenstelling van 100 gram „Pane di Matera”

Eiwitgehalte (%) stikstofgehalte × 5,70

Waarde ≥ 8,1

Koolhydraten (%)

Waarde ≥ 51,3

waarvan vezels

Waarde ≥ 2,9

Vet (%)

Waarde ≥ 1,0

Asgehalte (% in de droge stof)

Waarde ≥ 2,24 ”

De tabel met de samenstelling van „Pane di Matera” dient te worden gewijzigd als gevolg van de door de bakkers geconstateerde wijzigende eigenschappen van de grondstoffen die op de markt beschikbaar zijn. Naast het verplichte gebruik van minstens 20 % durumtarwemeel en/of -griesmeel van lokale ecotypen en variëteiten, mogen de producenten hogere gehalten aan eiwitten, koolhydraten, vet en as aanhouden. Hierdoor kunnen ze nieuwe variëteiten van durumtarwe die in de handel beschikbaar zijn, gebruiken en hebben ze een ruimere keuze voor de resterende 80 % aan meel en griesmeel die nodig is om „Pane di Matera” te produceren.

Zintuiglijk profiel van „Pane di Matera” BGA

Zintuiglijke beoordelingsaspecten

Minimumwaarde

Maximumwaarde

Zure geur

1,0

2,0

Geur van verbrand brood

3,0

4,5

Zure smaak

1,0

2,5

Krokantheid van de korst

4,5

6,0

De omschrijving van de zintuiglijke kenmerken van „Pane di Matera” BGA zijn gebaseerd op de volgende normen: ISO 13299:2016, ISO 8589:2007, ISO 5492:2008, ISO/IEC 17025:2005.”

Het interval van de waarden van de zintuiglijke beoordelingsaspecten van „Pane di Matera” is uitgebreid op basis van de productie-ervaringen van de bakkers. De officiële methoden voor het bepalen van het zintuiglijk profiel van „Pane di Matera” worden in het productdossier opgenomen om redenen van nauwkeurigheid.

De volgende tabel is geschrapt:

„Het soortelijk volume van de broden en de snelheid van het verouderingsproces van het kruim van monsters van „Pane di Matera” gedurende de houdbaarheidstermijn van zeven dagen.

Broodmonsters

Soortelijk volume (dm3/kg)

N/dag consistentie (3)

A

4,44 b

1,70

B

3,80 ab

1,57

C

3,70 a

3,08

D

3,64 a

3,77

De tabel wordt geschrapt omdat deze analyses voor de producenten een last vormen en ook financiële kosten met zich brengen, en anderzijds om in overeenstemming te zijn met de voorgestelde wijzigingen, voornamelijk met betrekking tot het verhogen van het gewicht. De waarden in de tabel zijn niet in overeenstemming met de wijzigingen en zijn bijgevolg niet juist. Daarom is het passend de tabel te schrappen en de producenten zelf te laten beslissen over de houdbaarheid van „Pane di Matera” op basis van het gewicht van het brood en in overeenstemming met het aantal dagen dat in artikel 6 van het productdossier is bepaald.

De beschrijving van „Pane di Matera” wanneer het ten verkoop wordt aangeboden, is gewijzigd. De volgende alinea van artikel 7 van het productdossier en het overeenstemmende punt 3.2 van het enig document:

„„Pane di Matera” moet met de volgende kenmerken ten verkoop worden aangeboden:

hoornvormige of hoge broden;

broden met een gewicht van 1 tot 2 kg;

een korst van ten minste 3 mm dik;

kruim met strogele kleur en een karakteristieke honingraatstructuur;

vochtgehalte van maximaal 33 %.”

wordt als volgt gewijzigd:

„„Pane di Matera” moet met de volgende kenmerken ten verkoop worden aangeboden:

hoornvormige of hoge broden;

broden met een gewicht van 500 g tot 10 kg;

een korst van ten minste 3 mm dik;

kruim met strogele kleur en een karakteristieke honingraatstructuur;

de initialen „MT” in drukletters aangebracht op de bovenzijde van het brood vóór het bakken.”

De parameters van het vochtgehalte zijn vastgelegd in de desbetreffende wetgeving.

Met name het gewichtsinterval van de broden is uitgebreid van 1-2 kg tot 500 g-10 kg om tegemoet te komen aan de nieuwe behoeften van de consumenten en cateraars. Deze wijziging houdt rekening met zowel de behoeften van de kleine huishoudens, die kleine broden willen om afval te vermijden, als die van de cateringsector, die grote broden wil die langer houdbaar zijn en gemakkelijker kunnen worden gesneden.

De parameter van een vochtgehalte van maximaal 33 % is geschrapt en er wordt verwezen naar de desbetreffende wetgeving (wet nr. 580 van 4 juli 1967, artikel 16).

Daarnaast is aan de productkenmerken het vereiste toegevoegd om de merkinitialen „MT” aan te brengen op de broden, zodat de broden beter herkenbaar zijn. De initialen „MT” worden vóór het bakken in het brooddeeg op de bovenzijde van het brood aangebracht.

Werkwijze voor het verkrijgen van het product

Bereiding van de moederdesem

Om ervoor te zorgen dat andere recipiënten die meer in overeenstemming zijn met de hygiënevoorschriften kunnen worden gebruikt om het deeg te laten gisten, is de term „lange, smalle ronde juten zak” vervangen door „voedselrecipiënt met maataanduiding”.

De hoeveelheid water die in het mengsel wordt gebruikt, is verhoogd van 40 % naar 50 % van het gewicht van het deeg. Dit is het gevolg van het lagere vochtgehalte van het durumtarwemeel en/of -griesmeel.

De volgende alinea is geschrapt en vervangen door een duidelijkere omschrijving die de producenten gemakkelijker kunnen volgen:

„De moederdesem mag slechts driemaal worden vernieuwd. Hierbij wordt een deel van het originele deeg, dat reeds is gegist, gemengd met ander deeg op basis van meel en water. Vervolgens kan de verkregen massa rijzen en uiteindelijk tot brood worden gebakken. De verhouding van de zuurdesem en het meel in het deeg bedraagt respectievelijk 7-8 % en 45-47 %. Door de moederdesem driemaal te vernieuwen, wordt het volume van het gistende deeg door de toevoeging van water en durumtarwemeel vergroot met 15-25 % van de hoeveelheid durumtarwemeel die in het mengsel is gebruikt. Aan het einde van de gisting wordt een deel van het deeg (1,2-1,8 %, afhankelijk van de omgevingstemperatuur) bewaard bij 3-5 °C voor de volgende lading brood.”

Wordt vervangen door:

„De hoeveelheid moederdesem die wordt geproduceerd voor de broodproductie wordt verkregen door water en meel toe te voegen aan een deel van de originele moederdesem; dit proces kan tot driemaal worden herhaald voordat de moederdesem in het brooddeeg wordt opgenomen. Een deel van de geproduceerde moederdesem wordt in de koelkast bewaard bij een temperatuur van minstens 0 °C en wordt de volgende dag gebruikt voor het bakken van brood.”

Ingrediënten in het productieproces

De in het productieproces te gebruiken minimumhoeveelheid zout is verlaagd van 2,5 tot 2 kg in overeenstemming met de geldende voedingsadviezen.

Het werd passend geacht om de verwijzing naar het gebruik van katoenen of wollen doeken om het deeg te bedekken, te schrappen. Door deze wijziging kunnen producenten ook doeken van ander materialen gebruiken die veelzijdiger en ook hygiënischer/gezonder zijn. De zin:

„Na het kneden wordt het deeg overgebracht in een bak en bedekt met katoenen of wollen doeken om een homogene temperatuur en een gelijkmatige gisting te verkrijgen. Het deeg blijft 25 tot 35 minuten zo rusten.”

is als volgt gewijzigd:

„Na het kneden wordt het deeg overgebracht in een bak om een homogene temperatuur en een gelijkmatige gisting te verkrijgen. Het deeg blijft 25 tot 35 minuten zo rusten.”

Het gewichtsinterval van de broden is uitgebreid om tegemoet te komen aan de behoeften van zowel de gezinnen die kleinere broden wensen als de cateringsector die grotere broden wil. De zin:

„Vervolgens worden er vormen van 1,2 kg en 2,4 kg gemaakt en gewogen, waarmee een eindproduct van respectievelijk 1 en 2 kg met een toegestane afwijking van 10 % wordt verkregen.”

is als volgt gewijzigd:

„Vervolgens worden er vormen van 0,6 kg tot maximaal 12 kg gemaakt en gewogen, waarmee een eindproduct van respectievelijk 0,5 kg en maximaal 10 kg met een toegestane afwijking van 10 % wordt verkregen.”

Het werd wenselijk geacht om de volgende zin opnieuw te formuleren zodat de producenten ook andere instrumenten en materialen (recipiënten en doeken) in het productieproces kunnen gebruiken in plaats van houten planken, ongeacht of dit om technische redenen is of om te voldoen aan de hygiënenormen. Voortaan mogen ook houten recipiënten of recipiënten uit roestvrij staal en doeken uit om het even welk materiaal dat geschikt is om in contact te komen met levensmiddelen worden gebruikt. De zin:

„Deze met de hand gemodelleerde voorvormen worden met een katoenen doek bedekt en blijven zo 25 tot 35 minuten op houten planken rusten.”

is bijgevolg als volgt gewijzigd:

„Deze met de hand gemodelleerde voorvormen blijven 25 tot 35 minuten in geschikte houten recipiënten of recipiënten uit roestvrij staal rusten. De recipiënt waarin de voorvormen gisten en de broden worden bedekt met doeken”.

Om het product herkenbaarder te maken, is in het productdossier de fase van het aanbrengen van de initialen „MT” op de broden opgenomen met de volgende zin:

„De broden worden vervolgens met de hand gemodelleerd tot ze de kenmerkende vorm van „Pane di Matera” hebben en de initialen „MT” worden in drukletters in het brooddeeg op de bovenzijde van het brood aangebracht; ze worden vervolgens in een houtoven of in een indirect verwarmde oven gebakken.”

De volgende zin, die niet echt duidelijk is, is geschrapt: „Na een eindgisting van 30 minuten worden de broden gebakken in een houtoven of gasoven.” De zin verwijst eigenlijk naar een fase vóór het aanbrengen van de initialen. Na het modelleren hoeven de broden niet meer te gisten. De fase na het aanbrengen van de initialen is het bakken.

Om de soorten ovens die voor het bakken van het brood mogen worden gebruikt, uit te breiden, zijn de verwijzingen naar gasovens vervangen door „een indirect verwarmde oven”. Bijgevolg mogen de producenten zowel gasovens als andere soorten ovens gebruiken. Daarnaast zijn de baktijden herzien en afgestemd op de verschillende gewichten van het brood.

De tekst:

„In het geval van houtovens wordt de deur na anderhalf uur bakken gedurende 10 tot 30 minuten open gelaten om de stoom te laten ontsnappen. Vervolgens wordt de deur opnieuw gesloten en wordt het brood nog anderhalf uur gebakken. In het geval van gasovens worden de ventilatiegaten na een uur geopend om de stoom te laten ontsnappen. Daarna wordt de oven gesloten en wordt het brood nog gedurende anderhalf uur gebakken met de ventilatiegaten open.”

wordt als volgt gewijzigd:

„De baktijd varieert volgens het gewicht van het brood en het soort oven en bedraagt minstens 1 uur voor broden van 500 g tot maximaal 4 uur en 30 minuten voor broden van 10 kg. Ongeacht het gewicht van het brood, moeten de ventilatiegaten of de ovendeur in de laatste 15-30 minuten van het bakproces worden geopend om de geproduceerde stoom te laten ontsnappen”.

De verwijzing naar de poriën van het kruim die een diameter hebben van „variërend van 2-3 tot 60 mm” is geschrapt. Deze informatie heeft geen enkel nut, aangezien de luchtbellen die bij het rijzen van het brood ontstaan, sterk kunnen variëren. Bijgevolg is de zin:

„Het brood heeft, door de gebruikte ingrediënten en het specifieke productieproces, een kenmerkende gele kleur, een typische en onregelmatige porositeit (poriën variërend van 2-3 tot 60 mm) en een zeer karakteristieke geur en smaak.”

als volgt gewijzigd:

„Het brood heeft, door de gebruikte ingrediënten en het specifieke productieproces, een kenmerkende gele kleur, een typische en onregelmatige porositeit (poriën variërend in diameter) en een zeer karakteristieke geur en smaak.”

De houdbaarheid van het brood is aangepast aan de nieuwe toegestane gewichten van het brood.

Met name de zin:

„De houdbaarheid van het op die manier verkregen brood bedraagt tot zeven dagen voor broden van 1 kg en tot negen dagen voor broden van 2 kg.”

is als volgt gewijzigd:

„De houdbaarheid van het op die manier verkregen brood bedraagt tot zeven dagen voor broden van 1 kg en tot 14 dagen voor broden van 10 kg.” De bakker bepaalt op basis van deze perioden de houdbaarheid van de broden met een gemiddeld gewicht.

Verpakking

Om het gebruik van verschillende verpakkingsmaterialen toe te laten, wordt de verwijzing naar het brood dat wordt „verpakt in microgaatjesfolie dat deels gekleurd en deels doorzichtig is zodat het product zichtbaar blijft, of in meerlagig papier”

als volgt gewijzigd:

„Het product moet worden verpakt in voor voeding goedgekeurde microgaatjesfolie of in een voor voeding goedgekeurde papieren zak.”

De details over de eigenschappen van de microgaatjesfolie zijn geschrapt zodat de producenten meer flexibiliteit hebben voor wat het presenteren van het verpakte product betreft.

Controlestructuur

Bijwerking van de informatie over de controlestructuur.

Etikettering

De vermelding „pane cotto in forno a legna” (in een houtoven gebakken brood) was op grond van het productdossier al toegestaan, maar de volgende zin is toegevoegd om het gebruik ervan te regelen:

„De vermelding „pane cotto in forno a legna” mag naast het productlogo worden aangebracht en moet duidelijk kunnen worden onderscheiden van de beschermde geografische aanduiding „Pane di Matera”.”

Er is gespecificeerd dat voor producten die bestemd zijn voor internationale markten, het opschrift „indicazione geografica protetta” (beschermde geografische aanduiding) in de taal van het betreffende land mag worden aangebracht. Dit wordt in het productdossier als volgt geformuleerd:

„Voor producten die bestemd zijn voor internationale markten, mag het opschrift „beschermde geografische aanduiding” in de taal van het betreffende land worden aangebracht.”

Geografisch gebied

Artikel 3 van het productdossier is gewijzigd om het in overeenstemming te brengen met Verordening (EU) nr. 1151/2012. De tweede alinea over de verpakking en de etikettering is nu een onderdeel van artikel 6 van het productdossier.

Aan het geografische productiegebied van „Pane di Matera” in de huidige versie van het productdossier zijn geen wijzigingen aangebracht.

ENIG DOCUMENT

„PANE DI MATERA”

EU-nr.: PGI-IT-02100 — 10.12.2015

BOB ( ) BGA ( X )

1.   Naam/namen

„Pane di Matera”

2.   Lidstaat of derde land

Italië

3.   Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel

3.1.   Productcategorie

Categorie 2.3: Brood, gebak, cake, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren

3.2.   Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is

„Pane di Matera” wordt uitsluitend bereid met durumtarwemeel en/of -griesmeel waarvan de eigenschappen overeenstemmen met de volgende parameters:

Eiwitgehalte (%) stikstofgehalte × 5,70  (*4)

Waarde ≥ 11

Geelheidsindex (*3)

Waarde ≥ 20

Vochtgehalte (%) (*4)

Waarde ≤ 14,50

Asgehalte (% in de droge stof) (*4)

Waarde ≤ 1,35 in de droge stof

„Pane di Matera” heeft een kenmerkende gele kleur, een typische en onregelmatige porositeit (poriën variërend in diameter) en een zeer karakteristieke geur en smaak.

„Pane di Matera” moet met de volgende kenmerken ten verkoop worden aangeboden:

hoornvormige of hoge broden;

broden met een gewicht van 500 g tot 10 kg;

een korst van ten minste 3 mm dik;

kruim met strogele kleur en een karakteristieke honingraatstructuur;

de initialen „MT” in drukletters aangebracht op de bovenzijde van het brood vóór het bakken.

De parameters van het vochtgehalte zijn vastgelegd in de desbetreffende wetgeving.

Samenstelling van 100 gram „Pane di Matera”

Eiwitgehalte (%) stikstofgehalte × 5,70

Waarde ≥ 8,1

Koolhydraten (%)

Waarde ≥ 51,3

waarvan vezels

Waarde ≥ 2,9

Vet (%)

Waarde ≥ 1,0

Asgehalte (% in de droge stof)

Waarde ≥ 2,24


Zintuiglijk profiel van „Pane di Matera”

Zintuiglijke beoordelingsaspecten

Minimumwaarde

Maximumwaarde

Zure geur

1,0

2,0

Geur van verbrand brood

3,0

4,5

Zure smaak

1,0

2,5

Krokantheid van de korst

4,5

6,0

De omschrijving van de zintuiglijke kenmerken van „Pane di Matera” BGA zijn gebaseerd op de volgende normen: ISO 13299:2016, ISO 8589:2007, ISO 5492:2008, ISO/IEC 17025:2005.

3.3.   Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong) en grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)

Ten minste 20 % van het voor de productie van „Pane di Matera” gebruikte meel en/of griesmeel moet worden verkregen van lokale ecotypen en traditionele variëteiten zoals „cappelli”, „duro lucano”, „capeiti”, „appulo” die in de provincie Matera worden geteeld.

Het gebruik van meel dat is afgeleid van genetisch gemodificeerde organismen is niet toegestaan.

Dit zijn de ingrediënten:

Durumtarwemeel en/of -griesmeel

100 kg

Moederdesem

20-30 kg

Zout

2-3 kg

Water

75-85 l

Bakkersgist (Saccharomyces cerevisiae)

0,5 -1 kg

3.4.   Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden

Alle fasen van het productieproces van „Pane di Matera” vinden plaats in de provincie Matera.

3.5.   Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken enz. van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

Het product moet worden verpakt in voor voeding goedgekeurde microgaatjesfolie of in een voor voeding goedgekeurde papieren zak.

Het gebruik van de juiste verpakking is belangrijk om de kenmerken en de specifieke aard van „Pane di Matera” intact en constant te houden. Het brood dient bovendien in het afgebakende geografisch gebied te worden verpakt.

Dit is ten eerste noodzakelijk om te garanderen dat — zoals de traditie voorschrijft — het tijdsinterval tussen de bereidings- en de verpakkingsfase kort is en de specifieke eigenschappen van het brood behouden blijven, en ten tweede om ervoor te zorgen dat er rechtstreekse en onmiddellijke controle kan worden uitgeoefend op de verpakkingsmethoden die in geen geval mogen afwijken van de productievoorschriften noch afbreuk mogen doen aan de specifieke eigenschappen en de kwaliteit van het product. Indien het product niet onmiddellijk wordt verpakt, is het immers niet mogelijk de productspecifieke houdbaarheid van minstens een week te handhaven.

3.6.   Specifieke voorschriften betreffende de etikettering van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

Het etiket van de verpakking moet de opschriften „Indicazione Geografica Protetta” (Beschermde Geografische Aanduiding) en „Pane di Matera” bevatten, alsook het EU-symbool en het productlogo dat verplicht samen met de beschermde geografische aanduiding moet worden gebruikt. Het productlogo is hieronder afgebeeld.

Indien het brood in een houtoven is gebakken, is het toegestaan de beschermde geografische aanduiding „Pane di Matera” uit te breiden met de vermelding „pane cotto in forno a legna”.

Image

De vermelding „pane cotto in forno a legna” mag naast het productlogo worden aangebracht en moet duidelijk kunnen worden onderscheiden van de beschermde geografische aanduiding „Pane di Matera”.

4.   Beknopte beschrijving van het afgebakende geografische gebied

Het productiegebied van „Pane di Matera” beslaat het hele grondgebied van de provincie Matera.

5.   Verband met het geografische gebied

„Pane di Matera” heeft zijn reputatie te danken aan de combinatie van omgevings- en productiefactoren in het productiegebied.

Dankzij de menselijke inzet en creativiteit binnen een geconsolideerde traditie, is men erin geslaagd de omgevingsvoorwaarden te combineren met de culturele en levensbehoeften en is „Pane di Matera” geworden tot een typisch product van dit afgebakende geografische gebied. Het product moet niet alleen worden gezien als een authentieke uitdrukking van de plattelandscultuur van Matera, maar ook als een belangrijke bron van inkomsten.

Het productiegebied van „Pane di Matera” is van grote invloed op de kenmerken en het distinctieve karakter van dit brood. Het is niet alleen bepalend voor de kwalitatieve samenstelling van de natuurlijke gisten die bij de broodbereiding worden gebruikt, maar ook voor de gewoonte om brood te bereiden met meel van granen die dankzij de pedologische kenmerken (kleigrond) en het klimaat (gemiddelde jaarlijkse neerslag van 350 mm en gemiddelde temperaturen van 5,7 tot 24,1 °C) in de „Collina materana” (de heuvels van Matera) worden geteeld, en voor de productie van hout voor de traditionele houtovens dat de karakteristieke geur en het aroma van het product accentueert en het traditionele gebruik van fruit om de moederdesem te bereiden.

„Pane di Matera” is niet alleen het symbool van de landbouwerstraditie van Matera, maar is ook door zijn lange houdbaarheid een bekend en gewaardeerd product bij de consumenten.

De elementen die de oorsprong en het specifieke karakter van „Pane di Matera” aantonen, verwijzen naar een lange traditie van het produceren van dit brood die teruggrijpt op een ver verleden, nog vóór het koninkrijk Napels. Het blijkt dat er in 1857 al vier „maestri di centimoli” ofwel vier maalderijen waren. Elke boerenfamilie had in haar huis een uit steen gehouwen vijzel waarin het graan voor het huishouden werd vermalen. De eerste industriële maalderij stamt uit 1884 en had ongeveer 50 arbeiders. Met een sirene werden het begin en het einde van de werkdag aangegeven. In die tijd moest elk gezin beschikken over een eigen oven waarin het brood voor een of meer gezinnen werd gebakken. Deze werden geleidelijk aan vervangen door gemeenschappelijke ovens waarin elk gezin het thuis bereide deeg kon laten bakken. Deze ovens werden uit de rotswand gehouwen en voorzien van een luchtdicht paneel. De ovens werden voornamelijk gestookt met mediterraan schaarhout dat een zeer typische geur had en nog steeds heeft. Nadat de vrouwen de deegvormen in de oven hadden gezet en de bakker de oven hermetisch had afgesloten, konden ze naar huis terugkeren. Na ongeveer drie uur werd de ovendeur verwijderd en werden de hoge ronde broden met een goudbruine kleur en een onmiskenbare geur uit de oven gehaald. De vrouwen konden hun broden herkennen aan de merktekens met de initialen van het gezinshoofd die vóór het bakken op het brooddeeg waren aangebracht. Volgens Pietro Antonio Ridola waren er in 1857 elf ovens en in de jaren 1959-65 ongeveer vijftien. Ook na de jaren zestig, toen de levensomstandigheden aanzienlijk verbeterden en er naast brood ook andere levensmiddelen tot de basisvoeding gingen behoren, hebben de bewoners van Matera hun rijke broodcultuur voortgezet en daardoor traditie, cultuur en kwaliteit in stand gehouden.

Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier

(Artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de onderhavige verordening)

De bevoegde instantie heeft de nationale procedure voor de indiening van bezwaarschriften ingeleid met de bekendmaking van het voorstel tot wijziging van de beschermde oorsprongsbenaming „Pane di Matera” BGA in de „Gazzetta Ufficiale della Repubblica Italiana” nr. 235 van 9 oktober 2015.

De geconsolideerde tekst van het productdossier kan via de volgende link worden geraadpleegd: https://www.politicheagricole.it/flex/cm/pages/ServeBLOB.php/L/IT/IDPagina/3335

of

rechtstreeks via de startpagina van de website van het Italiaanse Ministerie van Landbouw-, Levensmiddelen- en Bosbouwbeleid (www.politicheagricole.it); klikken op „Prodotti DOP e IGP” (rechts bovenaan op de pagina), vervolgens op „Prodotti DOP, IGP e STG” (links op de pagina) en tot slot op „Disciplinari di Produzione all’esame dell’UE”.


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(*1)  De geelheidsindex moet worden bepaald op het deel van het meel dat in een zeef met een maaswijdte van 0,180 mm blijft liggen.

(*2)  Waarden bepaald op 100 deeltjes van de droge stof.”

(2)  Het eiwitgehalte wordt vastgesteld als „stikstofbestanddelen totaal” door het stikstofgehalte te vermenigvuldigen met een omzettingsfactor van 5,7.

(3)  De consistentie van het kruim wordt beoordeeld aan de hand van de hardheid, gemeten als de kracht (N) die nodig is om 25 % van het middelste deel van een snee brood van 25 mm dik in te drukken.”

(*3)  De geelheidsindex moet worden bepaald op het deel van het meel dat in een zeef met een maaswijdte van 0,180 mm blijft liggen.

(*4)  Waarden bepaald op 100 deeltjes van de droge stof.


15.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/30


Bekendmaking van een aanvraag tot goedkeuring van een minimale wijziging overeenkomstig artikel 53, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

(2017/C 305/14)

De Europese Commissie heeft deze minimale wijziging goedgekeurd overeenkomstig artikel 6, lid 2, derde alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 664/2014 van de Commissie (1).

AANVRAAG TOT GOEDKEURING VAN EEN MINIMALE WIJZIGING

Aanvraag tot goedkeuring van een minimale wijziging overeenkomstig artikel 53, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad  (2)

„MARRONI DEL MONFENERA”

EU-nr.: PGI-IT-02282 — 19.1.2017

BOB ( ) BGA ( X ) GTS ( )

1.   Aanvragende groepering en rechtmatig belang

Associazione Produttori Marroni della Marca Trevigiana

Piazza Case Rosse 14

31040 Onigo di Pederobba (TV)

ITALIË

E-mail

:

marronimonfenera.igp@pec.it

info@asso-marronimonfenera-igp.it

De „Associazione Produttori Marroni della Marca Trevigiana” heeft het recht om een wijzigingsaanvraag in te dienen overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Besluit nr. 12511 van het ministerie van Landbouw-, Levensmiddelen- en Bosbouwbeleid van 14 oktober 2013.

2.   Lidstaat of derde land

Italië

3.   Rubriek van het productdossier waarop de wijziging(en) betrekking heeft/hebben

Beschrijving van het product

Bewijs van oorsprong

Werkwijze voor het verkrijgen van het product

Verband

Etikettering

Overige (verpakking)

4.   Aard van de wijziging(en)

Wijziging van een productdossier van een geregistreerde BOB of BGA die overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 als minimaal wordt beschouwd en waarvoor geen wijziging van het bekendgemaakte enig document is vereist.

Wijziging van een productdossier van een geregistreerde BOB of BGA die overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 als minimaal wordt beschouwd, waarvoor een wijziging van het bekendgemaakte enig document is vereist.

Wijziging van een productdossier van een geregistreerde BOB of BGA die overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 als minimaal wordt beschouwd en waarvoor geen enig document (of geen gelijkwaardig document) is bekendgemaakt.

Wijziging van een productdossier van een geregistreerde GTS die overeenkomstig artikel 53, lid 2, vierde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 als minimaal wordt beschouwd.

5.   Wijziging(en)

Beschrijving van het product

De volgende twee alinea’s van artikel 2 van het productdossier:

1.

„vrucht: in het algemeen ovale vorm met weinig uitgesproken apex en met één vlakke en één bolle zijkant; aantal vruchten per kg minder dan of gelijk aan 90.” […]

„De BGA geldt voor vruchten van de categorie Extra (grootte van de vrucht meer dan 3 cm; maximaal 4 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan het endocarpium is aangetast door insecten; maximaal 3 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan de vruchtwand is aangetast) en voor vruchten van categorie I (grootte van de vrucht tussen 2,8 en 3 cm; maximaal 6 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan het endocarpium is aangetast door insecten; maximaal 5 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan de vruchtwand is aangetast).”,

en punt 3.2 van het enig document:

2.

„vrucht: ovale vorm met weinig uitgesproken apex en met één vlakke en één bolle zijkant; aantal vruchten per kg minder dan of gelijk aan 90.” […]

„De BGA geldt voor vruchten van de categorie Extra (grootte van de vrucht meer dan 3 cm; maximaal 4 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan het endocarpium is aangetast door insecten; maximaal 3 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan de vruchtwand is aangetast) en voor vruchten van categorie I (grootte van de vrucht tussen 2,8 en 3 cm; maximaal 6 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan het endocarpium is aangetast door insecten; maximaal 5 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan de vruchtwand is aangetast).”

worden als volgt gewijzigd:

„vrucht: in het algemeen ovale vorm met weinig uitgesproken apex en met één vlakke en één bolle zijkant; aantal vruchten per kg minder dan of gelijk aan 120.” […]

„De BGA geldt voor vruchten van de categorie Extra (grootte van de vrucht meer dan 3 cm; maximaal 4 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan het endocarpium is aangetast door insecten; maximaal 3 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan de vruchtwand is aangetast), vruchten van categorie I (grootte van de vrucht tussen 2,8 en 3 cm; maximaal 6 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan het endocarpium is aangetast door insecten; maximaal 5 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan de vruchtwand is aangetast) en vruchten van categorie II (grootte van de vrucht tussen 2,6 en 2,8 cm; maximaal 6 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan het endocarpium is aangetast door insecten; maximaal 5 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan de vruchtwand is aangetast).”.

Motivering:

Punten 1 en 2 dienen te worden gewijzigd omdat de vrucht kleiner is geworden, waardoor 1 kg product nu meer vruchten bevat. De oorzaak van de kleinere vrucht zijn de bijzonder droge zomers van de voorbije jaren. Het is bijgevolg noodzakelijk geworden om ook kleinere kastanjes onder de beschermde geografische aanduiding op de markt te brengen.

Daarnaast is ook een afwijking tussen de beschrijving van de vorm van de vrucht in het enig document en die in het productdossier rechtgezet. Aangezien de kastanje een natuurlijk product is, kan er geen absolute garantie worden gegeven voor de regelmatigheid van de vorm. Bijgevolg wordt de formulering in het productdossier „vrucht: in het algemeen ovale vorm” overgenomen in het enig document.

De andere specifieke kwaliteitseigenschappen die in artikel 2 en onder punt 3.2 van het enig document zijn opgesomd, worden niet gewijzigd, aangezien ze geen betrekking hebben op de vorm of de omvang van de vrucht. Bijgevolg wordt de wijziging als „minimaal” beschouwd op grond van punten a) tot en met e) van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012.

Etikettering en verpakking

Artikel 8 van het productdossier en punten 3.6 en 3.7 van het enig document:

3.

„Het product moet worden verpakt in speciale netzakjes voor levensmiddelen, die bovenaan worden gesloten door een sluitsysteem met warme lijm of die worden dichtgenaaid.”

worden als volgt gewijzigd:

„Het product moet worden verpakt in speciale netzakjes voor levensmiddelen of in recipiënten die geschikt zijn voor levensmiddelen en die uit divers materiaal en met verschillende afmetingen kunnen zijn vervaardigd. Alle soorten verpakkingen worden verzegeld zodat geen vruchten uit de verpakking kunnen worden gehaald zonder dat het zegel wordt verbroken.”.

4.

„Het product wordt verkocht in netzakjes voor levensmiddelen met een gewicht van 1 kg, 2 kg, 3 kg (met warme lijm verzegeld), 5 kg of 10 kg (dichtgenaaid).”

wordt als volgt gewijzigd:

„Het gewicht van de verpakkingen mag 0,5 kg, 1 kg, 2 kg, 3 kg, 5 kg, 10 kg of 25 kg bedragen.”.

Motivering:

Wijzigingen 3 en 4 maken duidelijk dat er geen beperking hoeft te gelden voor de soorten verpakkingen die mogen worden gebruikt. De beschikbaarheid van verpakkingsmateriaal kan immers wijzigen (zo zijn sluitsystemen met warme lijm niet meer verkrijgbaar op de Italiaanse markt) en in de toekomst kunnen ook andere, bijvoorbeeld meer milieuvriendelijke soorten verpakkingsmateriaal beschikbaar worden. Aangezien de wijziging uitsluitend van invloed is op de verpakking en het gewicht van het product, kan de wijziging als „minimaal” beschouwd op grond van punten a) tot en met e) van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012.

5.

Het punt:

„—

de handelsklasse („Extra” of „I”);”

wordt als volgt gewijzigd:

„—

de handelsklasse („Extra”, „I” of „II”);”.

Een verwijzing naar categorie II is toegevoegd. Aangezien deze wijziging is bedoeld om de samenhang met de wijzigingen in punten 1 en 2 te verzekeren en uitsluitend uitwerking heeft op de etikettering van het product, kan de wijziging als „minimaal” beschouwd op grond van punten a) tot en met e) van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012.

ENIG DOCUMENT

„MARRONI DEL MONFENERA”

EU-nr.: PGI-IT-02282 — 19.1.2017

BOB ( ) BGA ( X )

1.   Naam

„Marroni del Monfenera”

2.   Lidstaat of derde land

Italië

3.   Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel

3.1.   Productcategorie

Categorie 1.6 Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt.

3.2.   Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is

„Marroni del Monfenera” zijn verse vruchten van het plaatselijke ecotype van planten van de soort Castanea sativa Mill. sativa. Wanneer het product voor menselijke consumptie wordt aangeboden, moet het de volgende kenmerken vertonen: zaad: één per vrucht, doorgaans glad of licht ruw; vruchtvlees: lichte hazelnootbruine tot strogele kleur, deegachtige/melige consistentie met een zachte, aangename smaak; zaadhuid: hazelnootkleur, huidachtige vezelige en resistente structuur, nauwelijks in het zaad ingegroeid; vruchtwand: glanzend bruine kleur, met donkerder verticale groeven, leerachtige resistente structuur, viltige oppervlakte met viltige resten steelaanzet; zaadnavel: ovale vorm, lichtere kleur dan de vruchtwand met vrij duidelijke stralen die van het midden naar de rand lopen en niet tot op de zijkanten komen; vrucht: in het algemeen ovale vorm met weinig uitgesproken apex en met één vlakke en één bolle zijkant; aantal vruchten per kg minder dan of gelijk aan 120. De bolster bevat maximaal drie vruchten.

De BGA geldt voor vruchten van de categorie Extra (grootte van de vrucht meer dan 3 cm; maximaal 4 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan het endocarpium is aangetast door insecten; maximaal 3 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan de vruchtwand is aangetast), vruchten van categorie I (grootte van de vrucht tussen 2,8 en 3 cm; maximaal 6 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan het endocarpium is aangetast door insecten; maximaal 5 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan de vruchtwand is aangetast) en vruchten van categorie II (grootte van de vrucht tussen 2,6 en 2,8 cm; maximaal 6 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan het endocarpium is aangetast door insecten; maximaal 5 % van het gewicht mag vruchten bevatten waarvan de vruchtwand is aangetast).

3.3.   Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong) en grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)

3.4.   Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden

De oogst, sortering, reiniging, groottesortering en onderdompeling moeten in het geografische productiegebied plaatsvinden. Producten die niet binnen 48 uur na de oogst op de markt worden gebracht, ondergaan een onderdompelingsproces. Hierbij worden „Marroni del Monfenera” in water op kamertemperatuur gedurende maximaal negen dagen ondergedompeld. Vervolgens worden „Marroni del Monfenera” uit het water gehaald en gedroogd met een speciale droger. Zo kan het verse product maximaal drie maanden worden bewaard. Het onderdompelingsproces moet plaatsvinden binnen enkele uren na de oogst om fermentatieprocessen in transportmiddelen te vermijden, met name in jaren waarin de oogst in regenachtige perioden of bij nog hoge temperaturen plaatsvindt.

3.5.   Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken enz. van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

Het product moet worden verpakt in speciale netzakjes voor levensmiddelen of in recipiënten die geschikt zijn voor levensmiddelen en die uit divers materiaal en met verschillende afmetingen kunnen zijn vervaardigd. Alle soorten verpakkingen worden verzegeld zodat geen vruchten uit de verpakking kunnen worden gehaald zonder dat het zegel wordt verbroken. Het gewicht van de verpakkingen mag 0,5 kg, 1 kg, 2 kg, 3 kg, 5 kg, 10 kg of 25 kg bedragen.

Het product mag niet vóór 15 september van elk jaar op de markt worden gebracht.

3.6.   Specifieke voorschriften betreffende de etikettering van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

Op het etiket van de verpakking moeten, naast het grafische symbool van de EU met de desbetreffende vermelding en naast de wettelijk vereiste informatie de volgende nadere aanduidingen staan: „Marroni del Monfenera”, gevolgd door de afkorting IGP in grotere lettertekens dan de andere vermeldingen op het etiket, zoals de naam, de handelsnaam, het adres van het verpakkingsbedrijf, de handelsklasse (Extra, I of II) en het brutogewicht op het verpakkingstijdstip.

Image

Het logo bestaat uit twee ovalen die concentrisch in elkaar liggen en waarin de heuvels van het gebied Pedemontana del Grappa zijn afgebeeld. De vlakte wordt in tweeën gedeeld door de rivier Piave, die vanuit het midden naar beneden loopt en het logo in twee asymmetrische delen verdeelt. Links en rechts van de rivierbedding staat een kastanjeboom vol kastanjes. Op twee bladeren liggen twee bolsters en tien kastanjes, die aan de linkerkant een beetje over de omtrek van het ovaal heen komen.

4.   Beknopte beschrijving van het afgebakende geografische gebied

Het geografische gebied van „Marroni del Monfenera” omvat het grondgebied van de volgende gemeenten in de provincie Treviso: Borso del Grappa, Crespano del Grappa, Paderno del Grappa, Possagno, Cavaso del Tomba, Pederobba, San Zenone degli Ezzelini, Fonte, Asolo, Maser, Castelcucco, Monfumo, Cornuda, Montebelluna, Caerano di San Marco, Crocetta del Montello, Volpago del Montello, Giavera del Montello, Nervesa della Battaglia.

5.   Verband met het geografische gebied

De bodems waarop „Marroni del Monfenera” worden geteeld, vallen grotendeels onder categorie nr. 21 van de bodemkaart van Italië (Carta dei Suoli d’Italia): „zure bruine bodems, uitgeloogde bruine bodems, steenachtige bruine bodems”. Het betreft een categorie die in dit gebied uitsluitend op de rechteroever van de Piave voorkomt, langs de strook aan de voet van de bergen, en die een groot deel van het geografische productiegebied beslaat. Deze bodems worden gekenmerkt door een zeer zure tot zure reactie, een laag gehalte aan basische stoffen en een hoge mineralisatie van de organische stof. Er heerst een subalpien, vochtig klimaat dat wordt beïnvloed door de Vooralpen, waarvan de steile hellingen op het zuiden gericht zijn; door deze bijzondere structuur en ligging stijgen de luchtmassa’s uit de vlakte op, met overvloedige regenval als gevolg, is voorjaarsvorst beperkt en wordt de drainage van het regenwater begunstigd. Door dit natuurlijke evenwicht zijn de bodems en de omgeving bijzonder gunstig voor de teelt van „Marrone del Monfenera”.

De kenmerken die „Marroni del Monfenera” met beschermde geografische aanduiding tot een uniek product maken dat zich onderscheidt van producten van dezelfde handelsklasse, zijn de zachte smaak van het vruchtvlees, de homogene en compacte structuur van de vrucht en de deegachtige, melige consistentie. Deze kenmerken, en met name de smaak, houden verband met de bijzondere gemiddelde chemische samenstelling van „Marroni del Monfenera”. Uit een vergelijking met de waarden van de chemische samenstelling van kastanjes, zoals berekend door het INRAN (Istituto Nazionale di Ricerca per gli alimenti e la nutrizione — nationaal onderzoeksinstituut voor levensmiddelen en voeding) blijkt bij „Marroni del Monfenera” het gehalte aan koolhydraten, vetten en kalium hoger te liggen en het gehalte aan natrium lager.

De chemische samenstelling van de vruchten, en bijgevolg ook de kwaliteit ervan, houdt verband met het feit dat de teelt van de kastanje (een uitgesproken acidofiele soort) in het teeltgebied van „Marroni del Monfenera” wordt begunstigd door de aanwezigheid van aan de voet van bergen gelegen bodems met een zure reactie in tegenstelling tot die in de aangrenzende gebieden; deze bodems komen niet voor in andere aan de voet van bergen gelegen gebieden in de provincie Treviso. Hierdoor hebben „Marroni del Monfenera” een hoger gehalte aan kalium en een lager gehalte aan natrium dan andere kastanjes zoals blijkt uit de vergelijking van de waarden van de chemische samenstelling van beide producten, waarbij voor kastanjes wordt verwezen naar de tabellen van het INRAN. De kwaliteit van de vruchten is ook te danken aan het feit dat de kastanjeboom voordeel haalt uit de overvloedige gemiddelde jaarlijkse regenval waardoor de basische stoffen uit de bodem worden gespoeld en de zuurtegraad behouden blijft; bovendien wordt voorjaarsvorst, waar de plant uiterst gevoelig voor is, door de bijzondere structuur en ligging van de aan de voet van bergen gelegen strook aanzienlijk beperkt.

Naast deze belangrijke milieufactoren is ook de menselijke factor van fundamenteel belang. De teelt van „Marroni del Monfenera” gaat terug tot de middeleeuwen, zoals blijkt uit een document van 1351 waarin de verdeling van de oogst over de gezinshoofden van het gebied wordt geregeld. De bescherming van de kastanjegaarden in het gebied van „Marroni del Monfenera” wordt ook bevestigd in notariële bronnen van de daaropvolgende eeuwen, waarin de bevoegde autoriteiten in kennis werden gesteld van het onrechtmatig omhakken van kastanjebomen of de aanwezigheid van grazers buiten het seizoen, wat de oogst van de kastanjes in gevaar bracht. De traditie van deze teelt is tot vandaag gehandhaafd dankzij talrijke evenementen waaronder de Mostra Mercato (vakbeurs/markt) van „Marroni del Monfenera” die in 1970 werd ingehuldigd. Het belang van „Marroni del Monfenera” voor de plaatselijke economie en de reputatie ervan blijkt uit talrijke initiatieven die elk jaar plaatsvinden. Bovendien heeft de gemeente Pederobba, waar de Mostra Mercato plaatsvindt, ter gelegenheid van het initiatief beloofd een reeks kaarten en een speciaal poststempel uit te brengen.

Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier

(artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de onderhavige verordening)

Het ministerie heeft de nationale bezwaarprocedure in gang gezet met de publicatie van het voorstel voor de erkenning van „Marroni del Monfenera” als beschermde geografische aanduiding in het Italiaanse staatsblad (Gazzetta Ufficiale della Repubblica Italiana), nr. 256 van 2 november 2016.

De geconsolideerde tekst van het productdossier kan worden geraadpleegd op: http://www.politicheagricole.it/flex/cm/pages/ServeBLOB.php/L/IT/IDPagina/3335

of

door de website van het ministerie van Landbouw-, Levensmiddelen- en Bosbouwbeleid (www.politicheagricole.it) te openen en te klikken op „Prodotti DOP e IGP” (rechtsboven op het scherm), vervolgens op „Prodotti DOP, IGP e STG” (links op het scherm) en ten slotte op „Disciplinari di produzione all’esame dell’UE”.


(1)  PB L 179 van 19.6.2014, blz. 17.

(2)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.