ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 239

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

60e jaargang
24 juli 2017


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2017/C 239/01

Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

1


 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2017/C 239/02

Zaak C-562/14 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 11 mei 2017 — Koninkrijk Zweden/Darius Nicolai Spirlea, Mihaela Spirlea, Europese Commissie, Tsjechische Republiek, Koninkrijk Denemarken, Koninkrijk Spanje, Republiek Finland [Hogere voorziening — Recht van toegang van het publiek tot documenten — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Artikel 4, lid 2, derde streepje — Uitzonderingen op het recht van toegang tot documenten — Onjuiste uitlegging — Bescherming van de doelstellingen van inspecties, onderzoeken en audits — Hoger openbaar belang dat openbaarmaking van documenten gebiedt — Algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid — Documenten betreffende een EU-pilot-procedure]

2

2017/C 239/03

Advies 2/15: Advies van het Hof (Voltallige zitting) van 16 mei 2017 — Europese Commissie (Advies krachtens artikel 218, lid 11, VWEU — Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Singapore — Nieuw type overeenkomst waarover na de inwerkingtreding van het VEU en het VWEU is onderhandeld — Bevoegdheid tot sluiting van de overeenkomst — Artikel 3, lid 1, onder e), VWEU — Gemeenschappelijke handelspolitiek — Artikel 207, lid 1, VWEU — Handel in goederen en diensten — Directe buitenlandse investeringen — Overheidsopdrachten — Handelsaspecten van intellectuele eigendom — Mededinging — Handel met derde landen en duurzame ontwikkeling — Sociale bescherming van werknemers — Milieubescherming — Artikel 207, lid 5, VWEU — Vervoersdiensten — Artikel 3, lid 2, VWEU — Internationale overeenkomst die gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen — Regels van afgeleid Unierecht inzake het vrij verrichten van vervoersdiensten — Andere dan directe buitenlandse investeringen — Artikel 216 VWEU — Overeenkomst die noodzakelijk is ter verwezenlijking van een van de doelstellingen van de Verdragen — Vrij kapitaal- en betalingsverkeer tussen lidstaten en derde landen — Opeenvolging van verdragen inzake investeringen — Vervanging van de investeringsovereenkomsten tussen lidstaten en de Republiek Singapore — Institutionele bepalingen van de overeenkomst — Beslechting van geschillen tussen investeerders en staten — Beslechting van geschillen tussen de partijen)

3

2017/C 239/04

Zaak C-68/15: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Grondwettelijk Hof — België) — X/Ministerraad (Prejudiciële verwijzing — Vrijheid van vestiging — Moeder-dochterrichtlijn — Belastingwetgeving — Belasting over de winst van vennootschappen — Uitkering van dividenden — Bronbelasting — Dubbele belastingheffing — Fairness tax)

3

2017/C 239/05

Zaak C-133/15: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 10 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Centrale Raad van Beroep — Nederland) — H. C. Chavez-Vilchez e.a./Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank e.a. (Prejudiciële verwijzing — Burgerschap van de Unie — Artikel 20 VWEU — Verblijfsrecht in een lidstaat als voorwaarde voor toegang tot een bijstandsuitkering en kinderbijslag — Onderdaan van een derde land die de daadwerkelijke dagelijkse zorg heeft voor zijn minderjarig kind dat onderdaan van die lidstaat is — Verplichting voor de onderdaan van een derde land om aan te tonen dat de andere ouder, onderdaan van die lidstaat, niet voor het kind kan zorgen — Weigering van verblijf waardoor het kind genoopt kan zijn het grondgebied van de lidstaat of zelfs het grondgebied van de Unie te verlaten)

4

2017/C 239/06

Zaak C-421/15 P: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 11 mei 2017 — Yoshida Metal Industry Co. Ltd/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), Pi-Design AG, Bodum France SAS, Bodum Logistics A/S [Hogere voorziening — Uniemerk — Inschrijving van tekens die een oppervlak met zwarte stippen weergeven — Nietigverklaring — Verordening (EG) nr. 40/94 — Artikel 7, lid 1, onder e), ii) — Artikel 51, lid 3]

5

2017/C 239/07

Zaak C-437/15 P: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 mei 2017 — Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie/Deluxe Entertainment Services Group Inc. (Hogere voorziening — Uniemerk — Beeldmerk met het woordelement deluxe — Weigering van inschrijving door de onderzoeker)

6

2017/C 239/08

Zaak C-617/15: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf — Duitsland) — Hummel Holding A/S/Nike Inc., Nike Retail B.V. [Prejudiciële verwijzing — Intellectuele eigendom — Verordening (EG) nr. 207/2009 — Uniemerk — Artikel 97, lid 1 — Internationale bevoegdheid — Rechtsvordering wegens inbreuk op een merk tegen een vennootschap die in een derde land is gevestigd — Kleindochter die is gevestigd op het grondgebied van de lidstaat van de aangezochte rechter — Begrip vestiging]

6

2017/C 239/09

Zaak C-624/15: Arrest van het Hof (Negende kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vilniaus apygardos administracinis teismas — Litouwen) — UAB Litdana/Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos [Prejudiciële verwijzing — Fiscale bepalingen — Belasting over de toegevoegde waarde (btw) — Richtlijn 2006/112/EG — Artikel 314 — Winstmargeregeling — Toepassingsvoorwaarden — Weigering door de nationale belastingautoriteiten om een belastingplichtige gebruik van de winstmargeregeling toe te staan — Op de facturen opgenomen vermeldingen inzake de toepassing door de leverancier van de winstmargeregeling en de btw-vrijstelling — Niet-toepassing door de leverancier van de winstmargeregeling op de levering — Aanwijzingen die het bestaan doen vermoeden van fraude bij de levering]

7

2017/C 239/10

Zaak C-682/15: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 16 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour administrative — Luxemburg) — Berlioz Investment Fund S.A./Directeur de l’administration des contributions directes (Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2011/16/EU — Administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen — Artikel 1, lid 1 — Artikel 5 — Verzoek om inlichtingen dat aan een derde is gericht — Weigering om te antwoorden — Sanctie — Begrip verwacht belang van de gevraagde inlichtingen — Toetsing door de aangezochte autoriteit — Toetsing door de rechter — Omvang — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 51 — Tenuitvoerbrenging van het recht van de Unie — Artikel 47 — Recht op een doeltreffende voorziening in rechte — Toegang van de rechter en de derde tot het inlichtingenverzoek dat door de verzoekende autoriteit is toegezonden)

8

2017/C 239/11

Zaak C-690/15: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 10 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour administrative d’appel de Douai — Frankrijk) — Wenceslas de Lobkowicz/Ministère des Finances et des Comptes publics (Prejudiciële verwijzing — Ambtenaar van de Europese Unie — Statuut — Verplichte aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel van de instellingen van de Europese Unie — In een lidstaat ontvangen inkomsten uit onroerend goed — Verplichting tot betaling van de algemene sociale bijdrage, de sociale heffing en de aanvullende bijdragen krachtens het recht van een lidstaat — Bijdrage aan de financiering van de sociale zekerheid van die lidstaat)

9

2017/C 239/12

Zaak C-36/16: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 11 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny — Polen) — Minister Finansów/Posnania Investment SA [Prejudiciële verwijzing — Fiscale bepalingen — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde — Richtlijn 2006/112/EG — Artikel 2, lid 1, onder a) — Artikel 14, lid 1 — Belastbare handelingen — Begrip levering van goederen onder bezwarende titel — Overdracht van onroerend goed aan de staat of een lagere overheid ter voldoening van een belastingschuld — Daarvan uitgesloten]

10

2017/C 239/13

Zaak C-44/16 P: Arrest van het Hof (Negende kamer) van 11 mei 2017 — Dyson Ltd/Europese Commissie [Hogere voorziening — Richtlijn 2010/30/EU — Vermelding van het energieverbruik op de etikettering en in de standaardproductinformatie — Gedelegeerde verordening (EU) nr. 665/2013 — Energie-etikettering van stofzuigers — Energie-efficiëntie — Meetmethode — Grenzen van de gedelegeerde bevoegdheid — Onjuiste opvatting van de bewijselementen — Motiveringsplicht van het Gerecht]

10

2017/C 239/14

Zaak C-48/16: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okresný súd Dunajská Streda — Slowakije) — ERGO Poist’ovňa, a.s./Alžbeta Barlíková (Prejudiciële verwijzing — Zelfstandige handelsagenten — Richtlijn 86/653/EEG — Provisie van de handelsagent — Artikel 11 — Gedeeltelijke niet-uitvoering van de overeenkomst tussen de derde en de principaal — Gevolgen voor het recht op provisie — Begrip omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn)

11

2017/C 239/15

Zaak C-59/16: Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 11 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden — Nederland) — The Shirtmakers BV/Staatssecretaris van Financiën [Prejudiciële verwijzing — Douane-unie — Verordening (EEG) nr. 2913/92 — Communautair douanewetboek — Artikel 32, lid 1, onder e), i) — Douanewaarde — Transactiewaarde — Vaststelling — Begrip kosten van vervoer]

12

2017/C 239/16

Zaak C-99/16: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de tribunal de grande instance de Lyon — Frankrijk) — Jean-Philippe Lahorgue/Ordre des avocats du barreau de Lyon, Conseil national des barreaux (CNB), Conseil des barreaux européens (CCBE), Ordre des avocats du barreau de Luxembourg [Prejudiciële verwijzing — Vrij verrichten van diensten — Richtlijn 77/249/EEG — Artikel 4 — Uitoefening van het beroep van advocaat — Decoder om in te loggen op het réseau privé virtuel des avocats (RPVA; virtueel privénetwerk van de advocaten) — RPVA-decoder — Weigering van bezorging aan een advocaat die bij een balie van een andere lidstaat is ingeschreven — Discriminerende maatregel]

12

2017/C 239/17

Zaak C-131/16: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 11 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajowa Izba Odwoławcza — Polen) — Archus sp. z o.o., Gama Jacek Lipik/Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo S.A. (Prejudiciële verwijzing — Overheidsopdrachten — Richtlijn 2004/17/EG — Beginselen inzake het plaatsen van overheidsopdrachten — Artikel 10 — Beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers — Verplichting voor de aanbestedende diensten om de inschrijvers te verzoeken hun inschrijving te wijzigen of aan te vullen — Recht van de aanbestedende dienst om de cautie niet terug te betalen in geval van weigering — Richtlijn 92/13/EEG — Artikel 1, lid 3 — Beroepsprocedures — Besluit tot gunning van een overheidsopdracht — Uitsluiting van een inschrijver — Beroep tot nietigverklaring — Procesbelang)

13

2017/C 239/18

Zaak C-150/16: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curte de Apel Craiova — Roemenië) — Fondul Proprietatea SA/Complexul Energetic Oltenia SA (Prejudiciële verwijzing — Staatssteun — Schuldvordering van een vennootschap waarvan het merendeel van de aandelen wordt gehouden door de Roemeense Staat, op een vennootschap waarvan die staat enig aandeelhouder is — Inbetalinggeving — Begrip staatssteun — Verplichting tot aanmelding bij de Europese Commissie)

14

2017/C 239/19

Zaak C-154/16: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa — Letland) — Latvijas dzelzceļš VAS/Valsts ieņēmumu dienests [Prejudiciële verwijzing — Communautair douanewetboek — Verordening (EEG) nr. 2913/92 — Artikel 94, lid 1, en artikel 96 — Regeling extern communautair douanevervoer — Aansprakelijkheid van de aangever — Artikelen 203, 204 en artikel 206, lid 1 — Ontstaan van de douaneschuld — Onttrekking aan het douanetoezicht — Niet-nakoming van een van de verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van een douaneregeling — Algehele vernietiging of onherstelbaar verlies van de goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht — Artikel 213 — Hoofdelijke betaling van de douaneschuld — Richtlijn 2006/112/EG — Belasting over de toegevoegde waarde (btw) — Artikel 2, lid 1, en artikelen 70 en 71 — Belastbaar feit en verschuldigdheid van de belasting — Artikelen 201, 202 en 205 — Personen die de belasting moeten voldoen — Vaststelling van het ontbreken van vracht door het douanekantoor van bestemming — Incorrect afgesloten of beschadigde onderste losinstallatie van de tankwagon]

15

2017/C 239/20

Zaak C-302/16: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 11 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de rechtbank Noord-Nederland — Nederland) — Bas Jacob Adriaan Krijgsman/Surinaamse Luchtvaart Maatschappij NV [Prejudiciële verwijzing — Luchtvervoer — Verordening (EG) nr. 261/2004 — Artikel 5, lid 1, onder c) — Compensatie en bijstand van de passagiers bij annulering van een vlucht — Vrijstelling van de verplichting tot compensatie — Vervoersovereenkomst die is gesloten via een onlinereisagent — Luchtvaartmaatschappij die het reisbureau tijdig op de hoogte heeft gesteld van een wijziging van het vluchtschema — Reisagent die deze informatie tien dagen voor de vlucht per e-mail aan de passagier heeft doorgegeven]

16

2017/C 239/21

Zaak C-337/16 P: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 17 mei 2017 — Portugese Republiek/Europese Commissie (Hogere voorziening — ELGF en Elfpo — Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie — Kennisgeving aan de adressaat — Latere correctie van de printopmaak van de bijlage — Bekendmaking van het besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie — Beroepstermijn — Aanvang — Tardiviteit — Niet-ontvankelijkheid)

17

2017/C 239/22

Zaak C-338/16 P: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 17 mei 2017 — Portugese Republiek/Europese Commissie (Hogere voorziening — ELGF en Elfpo — Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie — Kennisgeving aan de adressaat — Latere correctie van de printopmaak van de bijlage — Bekendmaking van het besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie — Beroepstermijn — Aanvang — Tardiviteit — Niet-ontvankelijkheid)

17

2017/C 239/23

Zaak C-339/16 P: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 17 mei 2017 — Portugese Republiek/Europese Commissie (Hogere voorziening — ELGF en Elfpo — Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie — Kennisgeving aan de adressaat — Latere correctie van de printopmaak van de bijlage — Bekendmaking van het besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie — Beroepstermijn — Aanvang — Tardiviteit — Niet-ontvankelijkheid)

18

2017/C 239/24

Zaak C-365/16: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Association française des entreprises privées (AFEP) e.a./Ministre des finances et des comptes publics (Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten — Richtlijn 2011/96/EU — Voorkoming van dubbele belasting — Extra heffing van 3 % in de vennootschapsbelasting)

18

2017/C 239/25

Zaak C-595/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale Amministrativo Regionale per la Sicilia (Italië) op 23 november 2016 — Emmea Srl, Commercial Hub Srl/Comune di Siracusa e.a.

19

2017/C 239/26

Zaak C-54/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 1 februari 2017 — Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato/Wind Telecomunicazioni SpA

19

2017/C 239/27

Zaak C-55/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 1 februari 2017 — Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato/Vodafone Omnitel NV

21

2017/C 239/28

Zaak C-162/17 P: Hogere voorziening ingesteld op 30 maart 2017 door de Republiek Polen tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 19 januari 2017 in zaak T-701/15, Stock Polska/EUIPO — Lass & Steffen (LUBELSKA)

22

2017/C 239/29

Zaak C-191/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 13 april 2017 — Bundeskammer für Arbeiter und Angestellte/ING-DiBa Direktbank Austria Niederlassung der ING-DiBa AG

24

2017/C 239/30

Zaak C-213/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam (Nederland) op 25 april 2017 — X tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

24

2017/C 239/31

Zaak C-220/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Berlin (Duitsland) op 27 april 2017 — Planta Tabak-Manufaktur Dr. Manfred Obermann GmbH & Co. KG/Land Berlin

25

2017/C 239/32

Zaak C-221/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 27 april 2017 — M.G. Tjebbes e.a tegen Minister van Buitenlandse Zaken

26

2017/C 239/33

Zaak C-234/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 4 mei 2017 — XC e.a.

27

2017/C 239/34

Zaak C-236/17 P: Hogere voorziening ingesteld op 8 mei 2017 door Canadian Solar Emea GmbH, Canadian Solar Manufacturing (Changshu), Inc., Canadian Solar Manufacturing (Luoyang), Inc., Csi Cells Co. Ltd, Csi Solar Power (China), Inc. tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 28 februari 2017 in zaak T-162/14, Canadian Solar Emea GmbH e.a./Raad

27

2017/C 239/35

Zaak C-237/17 P: Hogere voorziening ingesteld op 8 mei 2017 door Canadian Solar Emea GmbH, Canadian Solar Manufacturing (Changshu), Inc., Canadian Solar Manufacturing (Luoyang), Inc., Csi Cells Co. Ltd, Csi Solar Power (China), Inc. tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 28 februari 2017 in zaak T-163/14, Canadian Solar Emea e.a./Raad

28

2017/C 239/36

Zaak C-244/17: Beroep ingesteld op 10 mei 2017 — Europese Commissie/Raad van de Europese Unie

29

2017/C 239/37

Zaak C-247/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein oikeus (Finland) op 16 mei 2017 — Oikeusministeriö/Denis Raugevicius

30

2017/C 239/38

Zaak C-250/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supremo Tribunal de Justiça (Portugal) op 12 mei 2017 — Virgílio Tarragó da Silveira/Massa Insolvente da Espírito Santo Financial Group, SA

31

2017/C 239/39

Zaak C-260/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) op 16 mei 2017 — Αnodiki Services EPE/GNA Ο Εvaggelismos — Ofthalmiatreio Αthinon — Polykliniki, Geniko Nosokomeio Athinon Georgios Gennimatas, Geniko Ogkologiko Nosokomeio Kifisias — (GONK) Oi Agioi Anargyroi

31

2017/C 239/40

Zaak C-274/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Margarethe Yüce, Ali Yüce, Emin Yüce, Emre Yüce/TUIfly GmbH

32

2017/C 239/41

Zaak C-275/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Friedemann Schoen, Brigitta Schoen/TUIfly GmbH

33

2017/C 239/42

Zaak C-276/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Michael Siegberg/TUIfly GmbH

34

2017/C 239/43

Zaak C-277/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Heinz-Gerhard Albrecht/TUIfly GmbH

34

2017/C 239/44

Zaak C-278/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Susanne Meyer e.a./TUIfly GmbH

35

2017/C 239/45

Zaak C-279/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Thomas Kiehl/TUIfly GmbH

36

2017/C 239/46

Zaak C-280/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Ralph Eßer/TUIfly GmbH

37

2017/C 239/47

Zaak C-281/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Thomas Schmidt/TUIfly GmbH

37

2017/C 239/48

Zaak C-282/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Werner Ansorge/TUIfly GmbH

38

2017/C 239/49

Zaak C-290/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 22 mei 2017 — Angelina Fell, Florian Fell, Vincent Fell/TUIfly GmbH

39

2017/C 239/50

Zaak C-291/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 22 mei 2017 — Helga Jordan-Grompe, Sven Grompe, Yves-Felix Grompe, Justin Joel Grompe/TUIfly GmbH

40

2017/C 239/51

Zaak C-301/17: Beroep ingesteld op 23 mei 2017 — Europese Commissie/Roemenië

40

2017/C 239/52

Zaak C-313/17 P: Hogere voorziening ingesteld op 26 mei 2017 door George Haswani tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 22 maart 2017 in zaak T-231/15, Haswani/Raad

41

 

Gerecht

2017/C 239/53

Zaak T-442/12: Arrest van het Gerecht van 1 juni 2017 — Changmao Biochemical Engineering/Raad [Dumping — Invoer van wijnsteenzuur uit China — Wijziging van het definitieve antidumpingrecht — Gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek — Behandeling als marktgerichte onderneming — Kosten van de belangrijkste productiemiddelen die hoofdzakelijk de marktwaarde weergeven — Wijziging in de omstandigheden — Motiveringsplicht — Termijn voor de vaststelling van een besluit over de behandeling als marktgerichte onderneming — Rechten van de verdediging — Artikel 20, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009]

43

2017/C 239/54

Zaak T-341/13 RENV: Arrest van het Gerecht van 8 juni 2017 — Groupe Léa Nature/EUIPO — Debonair Trading Internacional (SO’BiO ētic) [Uniemerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor Uniebeeldmerk SO’BiO ētic — Oudere Unie- en nationale woordmerken SO…? — Relatieve weigeringsgronden — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 — Afbreuk aan de reputatie — Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009]

44

2017/C 239/55

Zaak T-673/15: Arrest van het Gerecht van 7 juni 2017 — Guardian Europe/Europese Unie (Niet-contractuele aansprakelijkheid — Vertegenwoordiging van de Unie — Verjaring — Tenietdoen van de rechtsgevolgen van een onherroepelijk geworden beslissing — Nauwkeurigheid van het verzoekschrift — Ontvankelijkheid — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten — Redelijke procestermijn — Gelijke behandeling — Materiële schade — Geleden verlies — Winstderving — Immateriële schade — Causaal verband)

44

2017/C 239/56

Zaak T-726/15: Arrest van het Gerecht van 7 juni 2017 — Blaž Jamnik en Blaž/Parlement (Overheidsopdrachten voor diensten — Onroerendgoedopdracht — Aanbestedingsprocedure — Procedure van gunning via onderhandelingen zonder bekendmaking van een aankondiging van een opdracht — Gebouwen voor het EU-huis in Ljubljana — Verwerping van het voorstel na onderzoek van de plaatselijke markt — Gunning van de opdracht aan een andere inschrijver — Geen onderzoek van de documenten in bijlage bij het voorstel — Onjuiste rechtsopvatting — Kennelijk onjuiste beoordeling)

45

2017/C 239/57

Zaak T-6/16: Arrest van het Gerecht van 8 juni 2017 — AWG/EUIPO — Takko (Southern Territory 23o48’25’’S) [Uniemerk — Nietigheidsprocedure — Uniewoordmerk Southern Territory 23o48’25’’S — Ouder Uniewoordmerk SOUTHERN — Relatieve weigeringsgrond — Artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 53, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009]

46

2017/C 239/58

Zaak T-294/16: Arrest van het Gerecht van 8 juni 2017 — Kaane American International Tobacco/EUIPO — Global Tobacco (GOLD MOUNT) [Uniemerk — Procedure tot vervallenverklaring — Uniebeeldmerk GOLD MOUNT — Geen normaal gebruik van het merk — Geen geldige reden voor het niet-gebruiken — Artikel 51, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009]

46

2017/C 239/59

Zaak T-221/17: Beroep ingesteld op 15 april 2017 — Mémora Servicios Funerarios/EUIPO — Chatenoud (MEMORAME)

47

2017/C 239/60

Zaak T-262/17: Beroep ingesteld op 30 april 2017 — Metrans/Commissie en INEA

47

2017/C 239/61

Zaak T-263/17: Beroep ingesteld op 3 mei 2017 — SD/EIGE

48

2017/C 239/62

Zaak T-275/17: Beroep ingesteld op 10 mei 2017 — Michela Curto/Parlement

49

2017/C 239/63

Zaak T-289/17: Beroep ingesteld op 15 mei 2017 — Keolis CIF e.a./Commissie

50

2017/C 239/64

Zaak T-296/17: Beroep ingesteld op 15 mei 2017 — Buck-Chemie/EUIPO — Henkel (Afbeelding van toiletdoorspoelinrichtingen)

51

2017/C 239/65

Zaak T-323/17: Beroep ingesteld op 29 mei 2017 — Martinair Holland/Commissie

51

2017/C 239/66

Zaak T-324/17: Beroep ingesteld op 29 mei 2017 — SAS Cargo Group e.a./Commissie

53

2017/C 239/67

Zaak T-325/17: Beroep ingesteld op 29 mei 2017 — Koninklijke Luchtvaart Maatschappij/Commissie

53

2017/C 239/68

Zaak T-326/17: Beroep ingesteld op 29 mei 2017 — Air Canada/Commissie

55

2017/C 239/69

Zaak T-328/17: Beroep ingesteld op 26 mei 2017 — Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/EUIPO — M. J. Dairies (BBQLOUMI)

56

2017/C 239/70

Zaak T-334/17: Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Cargolux Airlines/Commissie

57

2017/C 239/71

Zaak T-335/17: Beroep ingesteld op 30 mei 2017 — Help — Hilfe zur Selbsthilfe/Commissie

59

2017/C 239/72

Zaak T-339/17: Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Shenzhen Jiayz Photo Industrial/EUIPO — Seven (sevenoak)

60

2017/C 239/73

Zaak T-340/17: Beroep ingesteld op 30 mei 2017 — Japan Airlines/Commissie

60

2017/C 239/74

Zaak T-341/17: Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — British Airways/Commissie

62

2017/C 239/75

Zaak T-342/17: Beroep ingesteld op 30 mei 2017 — Deutsche Lufthansa e.a./Commissie

63

2017/C 239/76

Zaak T-343/17: Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Cathay Pacific Airways/Commissie

64

2017/C 239/77

Zaak T-344/17: Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Latam Airlines Group en Lan Cargo/Commissie

65

2017/C 239/78

Zaak T-346/17: Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Hotelbeds Spain/EUIPO — Guidigo Europe (Guidego what to do next)

68

2017/C 239/79

Zaak T-350/17: Beroep ingesteld op 1 juni 2017 — Singapore Airlines en Singapore Airlines Cargo/Commissie

68

2017/C 239/80

Zaak T-352/17: Beroep ingesteld op 2 juni 2017 — Korwin-Mikke/Parlement

69

2017/C 239/81

Zaak T-355/17: Beroep ingesteld op 2 juni 2017 — Daico International/EUIPO — American Franchise Marketing (RoB)

70

2017/C 239/82

Zaak T-356/17: Beroep ingesteld op 2 juni 2017 — Daico International/EUIPO — American Franchise Marketing (RoB)

71

2017/C 239/83

Zaak T-358/17: Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Mubarak/Raad

71

2017/C 239/84

Zaak T-226/16: Beschikking van het Gerecht van 24 april 2017 — Ipuri/EUIPO — van Graaf (IPURI)

72


NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/1


Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

(2017/C 239/01)

Laatste publicatie

PB C 231 van 17.7.2017

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 221 van 10.7.2017

PB C 213 van 3.7.2017

PB C 202 van 26.6.2017

PB C 195 van 19.6.2017

PB C 178 van 6.6.2017

PB C 168 van 29.5.2017

Deze teksten zijn beschikbaar in

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/2


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 11 mei 2017 — Koninkrijk Zweden/Darius Nicolai Spirlea, Mihaela Spirlea, Europese Commissie, Tsjechische Republiek, Koninkrijk Denemarken, Koninkrijk Spanje, Republiek Finland

(Zaak C-562/14 P) (1)

([Hogere voorziening - Recht van toegang van het publiek tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Artikel 4, lid 2, derde streepje - Uitzonderingen op het recht van toegang tot documenten - Onjuiste uitlegging - Bescherming van de doelstellingen van inspecties, onderzoeken en audits - Hoger openbaar belang dat openbaarmaking van documenten gebiedt - Algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid - Documenten betreffende een EU-pilot-procedure])

(2017/C 239/02)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirant: Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: A. Falk, C. Meyer-Seitz, U. Persson, N. Otte Widgren, E. Karlsson en L. Swedenborg, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Darius Nicolai Spirlea, Mihaela Spirlea, Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. Krämer en P. Costa de Oliveira, gemachtigden), Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek, D. Hadroušek en J. Vláčil, gemachtigden), Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordiger: C. Thorning, gemachtigde), Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: M. J. García-Valdecasas Dorrego, gemachtigde), Republiek Finland (vertegenwoordiger: S. Hartikainen, gemachtigde)

Interveniënte aan de zijde van de Europese Commissie: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze en A. Lippstreu, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Het Koninkrijk Zweden wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.

3)

De Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje en de Republiek Finland dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 46 van 9.2.2015.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/3


Advies van het Hof (Voltallige zitting) van 16 mei 2017 — Europese Commissie

(Advies 2/15) (1)

((Advies krachtens artikel 218, lid 11, VWEU - Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Singapore - Nieuw type overeenkomst waarover na de inwerkingtreding van het VEU en het VWEU is onderhandeld - Bevoegdheid tot sluiting van de overeenkomst - Artikel 3, lid 1, onder e), VWEU - Gemeenschappelijke handelspolitiek - Artikel 207, lid 1, VWEU - Handel in goederen en diensten - Directe buitenlandse investeringen - Overheidsopdrachten - Handelsaspecten van intellectuele eigendom - Mededinging - Handel met derde landen en duurzame ontwikkeling - Sociale bescherming van werknemers - Milieubescherming - Artikel 207, lid 5, VWEU - Vervoersdiensten - Artikel 3, lid 2, VWEU - Internationale overeenkomst die gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen - Regels van afgeleid Unierecht inzake het vrij verrichten van vervoersdiensten - Andere dan directe buitenlandse investeringen - Artikel 216 VWEU - Overeenkomst die noodzakelijk is ter verwezenlijking van een van de doelstellingen van de Verdragen - Vrij kapitaal- en betalingsverkeer tussen lidstaten en derde landen - Opeenvolging van verdragen inzake investeringen - Vervanging van de investeringsovereenkomsten tussen lidstaten en de Republiek Singapore - Institutionele bepalingen van de overeenkomst - Beslechting van geschillen tussen investeerders en staten - Beslechting van geschillen tussen de partijen))

(2017/C 239/03)

Procestaal: alle officiële talen

Verzoekende partij

Europese Commissie (vertegenwoordigers: U. Wölker, B. De Meester, R. Vidal-Puig en M. Kocjan, gemachtigden)

Dictum

De vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Singapore valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie, met uitzondering van de volgende bepalingen, die onder de gedeelde bevoegdheid van de Unie en de lidstaten vallen:

de bepalingen van afdeling A (Bescherming van investeringen) van hoofdstuk negen (Investeringen) van deze overeenkomst, voor zover deze betrekking hebben op andere dan directe investeringen tussen de Unie en de Republiek Singapore;

de bepalingen van afdeling B (Beslechting van geschillen tussen investeerders en staten) van hoofdstuk negen, en

de bepalingen van de hoofdstukken een (Doelstellingen en algemene definities), veertien (Transparantie), vijftien (Beslechting van geschillen tussen de partijen), zestien (Bemiddelingsmechanisme) en zeventien (Institutionele, algemene en slotbepalingen) van deze overeenkomst, voor zover deze verband houden met de bepalingen van hoofdstuk negen en voor zover laatstgenoemde bepalingen onder de gedeelde bevoegdheid van de Unie en de lidstaten vallen.


(1)  PB C 363 van 03.11.2015.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/3


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Grondwettelijk Hof — België) — X/Ministerraad

(Zaak C-68/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Vrijheid van vestiging - Moeder-dochterrichtlijn - Belastingwetgeving - Belasting over de winst van vennootschappen - Uitkering van dividenden - Bronbelasting - Dubbele belastingheffing - „Fairness tax”))

(2017/C 239/04)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Grondwettelijk Hof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: X

Verwerende partij: Ministerraad

Dictum

1)

De vrijheid van vestiging moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een belastingregeling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke zowel niet-ingezeten vennootschappen die in die lidstaat een economische activiteit verrichten door middel van een vaste inrichting, als ingezeten vennootschappen — daaronder begrepen ingezeten dochterondernemingen van niet-ingezeten vennootschappen — aan een belasting als de „fairness tax” onderworpen zijn wanneer zij dividenden uitkeren die niet in hun uiteindelijke belastbare resultaat zijn opgenomen omdat zij hebben gebruikgemaakt van bepaalde belastingvoordelen waarin de nationale belastingwetgeving voorziet. Dit geldt evenwel enkel indien de wijze waarop de belastbare grondslag van deze belasting wordt bepaald in de praktijk niet tot gevolg heeft dat niet-ingezeten vennootschappen ongunstiger worden behandeld dan ingezeten vennootschappen. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit het geval is.

2)

Artikel 5 van richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een belastingregeling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een belasting als de „fairness tax” wordt ingevoerd waaraan zowel niet-ingezeten vennootschappen die in die lidstaat een economische activiteit verrichten door middel van een vaste inrichting, als ingezeten vennootschappen — daaronder begrepen ingezeten dochterondernemingen van niet-ingezeten vennootschappen — onderworpen zijn wanneer zij dividenden uitkeren die niet in hun uiteindelijke belastbare resultaat zijn opgenomen omdat zij hebben gebruikgemaakt van bepaalde belastingvoordelen waarin de nationale belastingwetgeving voorziet.

3)

Artikel 4, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/96, gelezen in samenhang met lid 3 van dat artikel, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale belastingregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover deze regeling in een geval waarin een moedermaatschappij de van haar dochteronderneming ontvangen winsten pas uitkeert na het jaar waarin zij deze heeft ontvangen, tot gevolg heeft dat die winsten voor een groter gedeelte worden belast dan het in die bepaling vastgestelde plafond van 5 %.


(1)  PB C 146 van 4.5.2015.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/4


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 10 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Centrale Raad van Beroep — Nederland) — H. C. Chavez-Vilchez e.a./Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank e.a.

(Zaak C-133/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Burgerschap van de Unie - Artikel 20 VWEU - Verblijfsrecht in een lidstaat als voorwaarde voor toegang tot een bijstandsuitkering en kinderbijslag - Onderdaan van een derde land die de daadwerkelijke dagelijkse zorg heeft voor zijn minderjarig kind dat onderdaan van die lidstaat is - Verplichting voor de onderdaan van een derde land om aan te tonen dat de andere ouder, onderdaan van die lidstaat, niet voor het kind kan zorgen - Weigering van verblijf waardoor het kind genoopt kan zijn het grondgebied van de lidstaat of zelfs het grondgebied van de Unie te verlaten))

(2017/C 239/05)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Centrale Raad van Beroep

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: H. C. Chavez-Vilchez, P. Pinas, U. Nikolic, X. V. Garcia Perez, J. Uwituze, I. O. Enowassam, A. E. Guerrero Chavez, Y. R. L. Wip

Verwerende partijen: Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk, College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam

Dictum

1)

Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat, voor de beoordeling of een kind, burger van de Europese Unie, genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten en hem dus het effectieve genot van de essentie van de rechten die dat artikel hem verleent zal worden ontzegd indien aan zijn ouder, onderdaan van een derde land, een verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, de omstandigheid dat de andere ouder, burger van de Unie, daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen, een gegeven vormt dat relevant is, maar dat niet volstaat om te kunnen vaststellen dat er tussen de ouder die onderdaan van een derde land is en het kind niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind in geval van een dergelijke weigering het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten. Om tot een dergelijke vaststelling te komen moeten, in het hogere belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.

2)

Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat aan het verblijfsrecht op zijn grondgebied van een onderdaan van een derde land, ouder van een minderjarig kind dat de nationaliteit van die lidstaat heeft, voor wie hij dagelijks daadwerkelijk zorgt, de verplichting verbindt dat die onderdaan de gegevens verschaft die aantonen dat het kind bij een weigering om een verblijfsrecht toe te kennen aan de ouder die onderdaan van een derde land is, het effectieve genot van de essentie van de aan de status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd doordat het genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. Het is echter aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om aan de hand van de door de onderdaan van een derde land verschafte gegevens het nodige onderzoek te doen teneinde, gelet op alle omstandigheden van het geval, te kunnen beoordelen of een weigering dergelijke gevolgen zou hebben.


(1)  PB C 178 van 1.6.2015.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/5


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 11 mei 2017 — Yoshida Metal Industry Co. Ltd/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), Pi-Design AG, Bodum France SAS, Bodum Logistics A/S

(Zaak C-421/15 P) (1)

([Hogere voorziening - Uniemerk - Inschrijving van tekens die een oppervlak met zwarte stippen weergeven - Nietigverklaring - Verordening (EG) nr. 40/94 - Artikel 7, lid 1, onder e), ii) - Artikel 51, lid 3])

(2017/C 239/06)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Yoshida Metal Industry Co. Ltd (vertegenwoordigers: J. Cohen, Solicitor, T. St Quintin, Barrister, G. Hobbs QC)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. Folliard-Monguiral, D. Gaja en J. Crespo Carrillo, gemachtigden), Pi-Design AG, Bodum France SAS, Bodum Logistics A/S (vertegenwoordigers: H. Pernez, avocate, en R. Löhr, Rechtsanwalt)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Yoshida Metal Industry Co. Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 389 van 23.11.2015.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/6


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 mei 2017 — Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie/Deluxe Entertainment Services Group Inc.

(Zaak C-437/15 P) (1)

((Hogere voorziening - Uniemerk - Beeldmerk met het woordelement „deluxe” - Weigering van inschrijving door de onderzoeker))

(2017/C 239/07)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirant: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Palmero Cabezas, gemachtigde)

Andere partij in de procedure: Deluxe Entertainment Services Group Inc. (vertegenwoordigers: L. Gellman, advocate, en M. Esteve Sanz, abogada)

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 4 juni 2015, Deluxe Laboratories/BHIM (deluxe) (T-222/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:364), wordt vernietigd.

2)

De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


(1)  PB C 346 van 19.10.2015.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/6


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf — Duitsland) — Hummel Holding A/S/Nike Inc., Nike Retail B.V.

(Zaak C-617/15) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Intellectuele eigendom - Verordening (EG) nr. 207/2009 - Uniemerk - Artikel 97, lid 1 - Internationale bevoegdheid - Rechtsvordering wegens inbreuk op een merk tegen een vennootschap die in een derde land is gevestigd - Kleindochter die is gevestigd op het grondgebied van de lidstaat van de aangezochte rechter - Begrip vestiging])

(2017/C 239/08)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberlandesgericht Düsseldorf

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Hummel Holding A/S

Verwerende partijen: Nike Inc., Nike Retail B.V.

Dictum

Artikel 97, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk moet aldus worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigde juridisch onafhankelijke vennootschap die een dochtervennootschap is van een moedermaatschappij die niet in de Europese Unie is gezeteld, een „vestiging” in de zin van deze bepaling van deze moedermaatschappij vormt, wanneer deze dochter een centrum van werkzaamheid is dat, in de lidstaat waar zij is gelegen, beschikt over een vorm van werkelijke en stabiele aanwezigheid van waaruit een bedrijfsactiviteit wordt verricht, en dat zich naar buiten duurzaam manifesteert als het verlengstuk van de moedermaatschappij.


(1)  PB C 38 van 1.2.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/7


Arrest van het Hof (Negende kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vilniaus apygardos administracinis teismas — Litouwen) — UAB „Litdana”/Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos

(Zaak C-624/15) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Artikel 314 - Winstmargeregeling - Toepassingsvoorwaarden - Weigering door de nationale belastingautoriteiten om een belastingplichtige gebruik van de winstmargeregeling toe te staan - Op de facturen opgenomen vermeldingen inzake de toepassing door de leverancier van de winstmargeregeling en de btw-vrijstelling - Niet-toepassing door de leverancier van de winstmargeregeling op de levering - Aanwijzingen die het bestaan doen vermoeden van fraude bij de levering])

(2017/C 239/09)

Procestaal: Litouws

Verwijzende rechter

Vilniaus apygardos administracinis teismas

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: UAB „Litdana”

Verwerende partij: Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos

In tegenwoordigheid van: Klaipėdos apskrities valstybinė mokesčių inspekcija

Dictum

Artikel 314 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een belastingplichtige die een factuur heeft ontvangen waarop zowel melding wordt gemaakt van de winstmargeregeling als van de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde (btw), het recht weigeren om de winstmargeregeling toe te passen, ook indien uit een later door die autoriteiten uitgevoerde controle blijkt dat de belastingplichtige wederverkoper die de gebruikte goederen heeft geleverd, deze regeling niet daadwerkelijk op die levering van die goederen heeft toegepast, tenzij door de bevoegde autoriteiten wordt vastgesteld dat de belastingplichtige niet te goeder trouw heeft gehandeld of niet alle hem ter beschikking staande redelijke maatregelen heeft genomen om te zorgen dat hij door de handeling die hij verrichtte, niet betrokken raakt bij belastingfraude, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.


(1)  PB C 48 van 8.2.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/8


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 16 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour administrative — Luxemburg) — Berlioz Investment Fund S.A./Directeur de l’administration des contributions directes

(Zaak C-682/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 2011/16/EU - Administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen - Artikel 1, lid 1 - Artikel 5 - Verzoek om inlichtingen dat aan een derde is gericht - Weigering om te antwoorden - Sanctie - Begrip „verwacht belang” van de gevraagde inlichtingen - Toetsing door de aangezochte autoriteit - Toetsing door de rechter - Omvang - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 51 - Tenuitvoerbrenging van het recht van de Unie - Artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte - Toegang van de rechter en de derde tot het inlichtingenverzoek dat door de verzoekende autoriteit is toegezonden))

(2017/C 239/10)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour administrative

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Berlioz Investment Fund S.A.

Verwerende partij: Directeur de l’administration des contributions directes

Dictum

1)

Artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat het Unierecht in de zin van die bepaling ten uitvoer brengt, en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dus van toepassing is, wanneer hij in zijn wetgeving voorziet in een geldboete voor een justitiabele die weigert inlichtingen te verstrekken in het kader van een uitwisseling tussen belastingautoriteiten op grond van met name de bepalingen van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG.

2)

Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat een justitiabele die een geldboete is opgelegd wegens de niet-naleving van een bestuursbesluit waarbij hem werd gelast inlichtingen te verstrekken in het kader van een uitwisseling van inlichtingen tussen nationale belastingautoriteiten op grond van richtlijn 2011/16, het recht heeft om tegen de wettigheid van dat besluit op te komen.

3)

Artikel 1, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 2011/16 moeten aldus worden uitgelegd dat het „verwachte belang” van de door een lidstaat aan een andere lidstaat gevraagde inlichtingen een voorwaarde is waaraan het inlichtingenverzoek moet voldoen om de verplichting van de aangezochte lidstaat om daaraan gevolg te geven te doen ingaan en tegelijk ook een voorwaarde is voor de wettigheid van het door die lidstaat aan een justitiabele gerichte bevel en van de sanctiemaatregel die hem wegens niet-naleving van dat besluit wordt opgelegd.

4)

Artikel 1, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 2011/16 moeten aldus worden uitgelegd dat de toetsing door de aangezochte autoriteit bij wie de verzoekende autoriteit een inlichtingenverzoek op grond van die richtlijn heeft ingediend, zich niet beperkt tot de vraag of de vormvoorschriften in acht zijn genomen, maar die aangezochte autoriteit in staat moet stellen om zich ervan te vergwissen dat het bij de gevraagde inlichtingen niet aan een verwacht belang ontbreekt, gelet op de identiteit van de belastingplichtige in kwestie en van de derde van wie eventueel inlichtingen worden gevraagd en op dat wat voor het belastingonderzoek in kwestie noodzakelijk is. Diezelfde bepalingen van richtlijn 2011/16 en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter in het kader van een beroep van een justitiabele tegen een sanctiemaatregel die hem door de aangezochte autoriteit is opgelegd wegens de niet-naleving van een bevel dat zij heeft vastgesteld na een inlichtingenverzoek van de verzoekende autoriteit op grond van richtlijn 2011/16, niet alleen bevoegd is om de opgelegde sanctie te herzien maar ook om de wettigheid van dat bevel te toetsen. Bij de voorwaarde van de wettigheid van dat bevel op het punt van het verwachte belang van de gevraagde inlichtingen, beperkt de rechterlijke toetsing zich tot de vraag of een dergelijk belang niet kennelijk ontbreekt.

5)

Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat de rechter van de aangezochte lidstaat in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijk toezicht toegang moet hebben tot het inlichtingenverzoek dat door de verzoekende lidstaat aan de aangezochte lidstaat is gericht. De betrokken justitiabele beschikt daarentegen niet over een recht van toegang tot dit inlichtingenverzoek in zijn geheel, dat overeenkomstig artikel 16 van richtlijn 2011/16 een geheim document blijft. Om zijn zaak op het punt van het verwachte belang van de gevraagde inlichtingen in volle omvang te laten behandelen, volstaat het in beginsel dat hij over de in artikel 20, lid 2, van die richtlijn bedoelde inlichtingen beschikt.


(1)  PB C 78 van 29.2.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/9


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 10 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour administrative d’appel de Douai — Frankrijk) — Wenceslas de Lobkowicz/Ministère des Finances et des Comptes publics

(Zaak C-690/15) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Ambtenaar van de Europese Unie - Statuut - Verplichte aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel van de instellingen van de Europese Unie - In een lidstaat ontvangen inkomsten uit onroerend goed - Verplichting tot betaling van de algemene sociale bijdrage, de sociale heffing en de aanvullende bijdragen krachtens het recht van een lidstaat - Bijdrage aan de financiering van de sociale zekerheid van die lidstaat))

(2017/C 239/11)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour administrative d’appel de Douai

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Wenceslas de Lobkowicz

Verwerende partij: Ministère des Finances et des Comptes publics

Dictum

Artikel 14 van protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het VEU, het VWEU en het EGA-Verdrag, en de bepalingen van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie betreffende het gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid van de instellingen van de Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de inkomsten uit onroerend goed die in een lidstaat zijn ontvangen door een ambtenaar van de Europese Unie die in die lidstaat zijn fiscale woonplaats heeft, worden onderworpen aan sociale bijdragen en heffingen die bestemd zijn voor de financiering van het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat.


(1)  PB C 98 van 14.3.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/10


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 11 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny — Polen) — Minister Finansów/Posnania Investment SA

(Zaak C-36/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - Richtlijn 2006/112/EG - Artikel 2, lid 1, onder a) - Artikel 14, lid 1 - Belastbare handelingen - Begrip „levering van goederen onder bezwarende titel” - Overdracht van onroerend goed aan de staat of een lagere overheid ter voldoening van een belastingschuld - Daarvan uitgesloten])

(2017/C 239/12)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Naczelny Sąd Administracyjny

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Minister Finansów

Verwerende partij: Posnania Investment SA

Dictum

Artikel 2, lid 1, onder a), en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat voor de heffing van belasting over de toegevoegde waarde geen sprake is van een belastbare levering van goederen onder bezwarende titel wanneer, net als het geval is in het hoofdgeding, de eigendom van onroerend goed door een ondernemer voor de belasting over de toegevoegde waarde aan de schatkist of een lagere overheid van een lidstaat wordt overgedragen ter voldoening van een achterstallige belastingschuld.


(1)  PB C 145 van 25.4.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/10


Arrest van het Hof (Negende kamer) van 11 mei 2017 — Dyson Ltd/Europese Commissie

(Zaak C-44/16 P) (1)

([Hogere voorziening - Richtlijn 2010/30/EU - Vermelding van het energieverbruik op de etikettering en in de standaardproductinformatie - Gedelegeerde verordening (EU) nr. 665/2013 - Energie-etikettering van stofzuigers - Energie-efficiëntie - Meetmethode - Grenzen van de gedelegeerde bevoegdheid - Onjuiste opvatting van de bewijselementen - Motiveringsplicht van het Gerecht])

(2017/C 239/13)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Dyson Ltd (vertegenwoordigers: E. Batchelor en M. Healy, solicitors, F. Carlin, barrister, en A. Patsa, advocate)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: K. Herrmann en E. White, gemachtigden)

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 11 november 2015, Dyson/Commissie (T-544/13, EU:T:2015:836), wordt vernietigd voor zover daarbij het in eerste aanleg aangevoerde eerste onderdeel van het eerste middel en derde middel zijn afgewezen.

2)

De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie voor een uitspraak op het in eerste aanleg aangevoerde eerste onderdeel van het eerste middel en derde middel.

3)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


(1)  PB C 145 van 25.4.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/11


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okresný súd Dunajská Streda — Slowakije) — ERGO Poist’ovňa, a.s./Alžbeta Barlíková

(Zaak C-48/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Zelfstandige handelsagenten - Richtlijn 86/653/EEG - Provisie van de handelsagent - Artikel 11 - Gedeeltelijke niet-uitvoering van de overeenkomst tussen de derde en de principaal - Gevolgen voor het recht op provisie - Begrip „omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn”))

(2017/C 239/14)

Procestaal: Slowaaks

Verwijzende rechter

Okresný súd Dunajská Streda

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: ERGO Poist’ovňa, a.s.

Verwerende partij: Alžbeta Barlíková

Dictum

1)

Artikel 11, lid 1, eerste streepje, van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten moet aldus worden uitgelegd dat het niet alleen betrekking heeft op gevallen van volledige niet-uitvoering van de overeenkomst tussen de principaal en de derde maar ook op gevallen waarin deze overeenkomst niet volledig is uitgevoerd, bijvoorbeeld wanneer het aantal beoogde transacties niet is bereikt of de duur van deze overeenkomst niet wordt nageleefd.

2)

Artikel 11, leden 2 en 3, van richtlijn 86/653 moet aldus worden uitgelegd dat een beding in een handelsagentuurovereenkomst op grond waarvan de agent een evenredig deel van zijn provisie moet terugbetalen indien de overeenkomst tussen de principaal en de derde niet volledig is uitgevoerd, geen „afwijking ten nadele van de handelsagent” in de zin van dit artikel 11, lid 3, is indien het terug te betalen deel van de provisie evenredig is aan de mate van niet-uitvoering van deze overeenkomst en op voorwaarde dat deze niet-uitvoering niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn.

3)

Artikel 11, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 86/653 moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn” niet enkel betrekking heeft op de juridische gronden die rechtstreeks tot de beëindiging van de overeenkomst tussen de principaal en de derde hebben geleid maar ziet op alle aan de principaal te wijten juridische en feitelijke omstandigheden die aan de niet-uitvoering van deze overeenkomst ten grondslag liggen.


(1)  PB C 136 van 18.4.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/12


Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 11 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden — Nederland) — The Shirtmakers BV/Staatssecretaris van Financiën

(Zaak C-59/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Douane-unie - Verordening (EEG) nr. 2913/92 - Communautair douanewetboek - Artikel 32, lid 1, onder e), i) - Douanewaarde - Transactiewaarde - Vaststelling - Begrip „kosten van vervoer”])

(2017/C 239/15)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: The Shirtmakers BV

Verwerende partij: Staatssecretaris van Financiën

Dictum

Artikel 32, lid 1, onder e), i), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „kosten van vervoer” in de zin van die bepaling zich uitstrekt tot de door de expediteur aan de importeur in rekening gebrachte toeslag die overeenkomt met de winst en de kosten van die expediteur in verband met zijn organisatie van het vervoer van de ingevoerde goederen naar het douanegebied van de Unie.


(1)  PB C 145 van 25.4.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/12


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de tribunal de grande instance de Lyon — Frankrijk) — Jean-Philippe Lahorgue/Ordre des avocats du barreau de Lyon, Conseil national des barreaux (CNB), Conseil des barreaux européens (CCBE), Ordre des avocats du barreau de Luxembourg

(Zaak C-99/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Vrij verrichten van diensten - Richtlijn 77/249/EEG - Artikel 4 - Uitoefening van het beroep van advocaat - Decoder om in te loggen op het réseau privé virtuel des avocats (RPVA; virtueel privénetwerk van de advocaten) - „RPVA”-decoder - Weigering van bezorging aan een advocaat die bij een balie van een andere lidstaat is ingeschreven - Discriminerende maatregel])

(2017/C 239/16)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal de grande instance de Lyon

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Jean-Philippe Lahorgue

Verwerende partijen: Ordre des avocats du barreau de Lyon, Conseil national des barreaux (CNB), Conseil des barreaux européens (CCBE), Ordre des avocats du barreau de Luxembourg

In tegenwoordigheid van: Ministère public

Dictum

De weigering van de bevoegde autoriteiten van een lidstaat om aan een naar behoren bij een balie van een andere lidstaat ingeschreven advocaat een decoder te bezorgen om in te loggen op het réseau privé virtuel des avocats (virtueel privénetwerk van de advocaten), op de enkele grond dat die advocaat niet is ingeschreven bij een balie van de eerste lidstaat, waar hij zijn beroep wenst uit te oefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten, vormt in gevallen waarin samenwerking met een andere advocaat niet bij wet is voorgeschreven, een beperking op het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 4 van richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten, gelezen in het licht van artikel 56 VWEU en artikel 57, derde alinea, VWEU. Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of een dergelijke weigering, gelet op de context waarin zij zich voordoet, daadwerkelijk beantwoordt aan de doelstellingen van consumentenbescherming en een goede rechtsbedeling, waarin zij haar rechtvaardiging zou kunnen vinden, en of de aldus opgelegde beperkingen niet onevenredig zijn aan die doelstellingen.


(1)  PB C 165 van 10.5.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/13


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 11 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajowa Izba Odwoławcza — Polen) — Archus sp. z o.o., Gama Jacek Lipik/Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo S.A.

(Zaak C-131/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Overheidsopdrachten - Richtlijn 2004/17/EG - Beginselen inzake het plaatsen van overheidsopdrachten - Artikel 10 - Beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers - Verplichting voor de aanbestedende diensten om de inschrijvers te verzoeken hun inschrijving te wijzigen of aan te vullen - Recht van de aanbestedende dienst om de cautie niet terug te betalen in geval van weigering - Richtlijn 92/13/EEG - Artikel 1, lid 3 - Beroepsprocedures - Besluit tot gunning van een overheidsopdracht - Uitsluiting van een inschrijver - Beroep tot nietigverklaring - Procesbelang))

(2017/C 239/17)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Krajowa Izba Odwoławcza

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Archus sp. z o.o., Gama Jacek Lipik

Verwerende partij: Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo S.A.

in tegenwoordigheid van: Digital-Center sp. z o.o.

Dictum

1)

Het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers dat is neergelegd in artikel 10 van richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water en energievoorziening, vervoer en postdiensten moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de aanbestedende dienst een inschrijver in het kader van een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht verzoekt de verklaringen of documenten over te leggen die volgens het bestek moesten worden verstrekt, maar die niet binnen de termijn voor het indienen van inschrijvingen zijn ingestuurd. Dat artikel staat er daarentegen niet aan in de weg dat de aanbestedende dienst een inschrijver verzoekt zijn inschrijving nader toe te lichten of een kennelijke materiële fout daarin te verbeteren, mits een dergelijk verzoek wordt gericht aan alle inschrijvers die in dezelfde situatie verkeren, alle inschrijvers gelijk en op loyale wijze worden behandeld en die nadere toelichting of verbetering niet kan worden gelijkgesteld met de indiening van een nieuwe inschrijving. Het is de taak van de verwijzende rechter om dat te verifiëren.

2)

Richtlijn 92/13/EG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007, moet aldus worden uitgelegd dat, in een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin in een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht twee inschrijvingen zijn ingediend en de aanbestedende dienst twee simultane besluiten heeft vastgesteld — een besluit tot afwijzing van de offerte van de ene inschrijver en een besluit tot gunning van de opdracht aan de andere –, de uitgesloten inschrijver, die beroep instelt tegen die twee besluiten, om uitsluiting van de inschrijving van de opdrachtnemer moet kunnen verzoeken, zodat het begrip „bepaalde opdracht” in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 92/13, zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/66, in voorkomend geval kan verwijzen naar de eventuele opening van een nieuwe procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht.


(1)  PB C 211 van 13.6.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/14


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curte de Apel Craiova — Roemenië) — Fondul Proprietatea SA/Complexul Energetic Oltenia SA

(Zaak C-150/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Staatssteun - Schuldvordering van een vennootschap waarvan het merendeel van de aandelen wordt gehouden door de Roemeense Staat, op een vennootschap waarvan die staat enig aandeelhouder is - Inbetalinggeving - Begrip staatssteun - Verplichting tot aanmelding bij de Europese Commissie))

(2017/C 239/18)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Curte de Apel Craiova

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Fondul Proprietatea SA

Verwerende partij: Complexul Energetic Oltenia SA

Dictum

1)

In omstandigheden zoals in het hoofdgeding kan het besluit van een vennootschap waarvan het merendeel van de aandelen in handen is van een lidstaat, met het oog op het tenietdoen van een schuld in te stemmen met de inbetalinggeving van een actief dat eigendom is van een andere onderneming, waarvan die lidstaat enig aandeelhouder is, en een bedrag te betalen ter hoogte van het verschil tussen de geschatte waarde van dat actief en het bedrag van de schuldvordering, staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU vormen indien

dat besluit een al dan niet rechtstreeks met staatsmiddelen bekostigd voordeel is en aan de staat kan worden toegerekend,

de begunstigde onderneming geen vergelijkbare faciliteiten zou hebben gekregen van een particuliere schuldeiser, en

genoemd besluit de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen.

Het is aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of aan die voorwaarden is voldaan.

2)

Indien een nationale rechterlijke instantie als staatssteun aanmerkt het besluit van een vennootschap waarvan het merendeel van de aandelen in handen is van een lidstaat, met het oog op het tenietdoen van een schuld in te stemmen met de inbetalinggeving van een actief dat eigendom is van een andere onderneming, waarvan die lidstaat enig aandeelhouder is, en een bedrag te betalen ter hoogte van het verschil tussen de geschatte waarde van dat actief en het bedrag van de schuldvordering, moeten de instanties van die lidstaat die steun op grond van artikel 108, lid 3, VWEU bij de Europese Commissie aanmelden voordat hij ten uitvoer wordt gelegd.


(1)  PB C 200 van 6.6.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/15


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa — Letland) — „Latvijas dzelzceļš” VAS/Valsts ieņēmumu dienests

(Zaak C-154/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Communautair douanewetboek - Verordening (EEG) nr. 2913/92 - Artikel 94, lid 1, en artikel 96 - Regeling extern communautair douanevervoer - Aansprakelijkheid van de aangever - Artikelen 203, 204 en artikel 206, lid 1 - Ontstaan van de douaneschuld - Onttrekking aan het douanetoezicht - Niet-nakoming van een van de verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van een douaneregeling - Algehele vernietiging of onherstelbaar verlies van de goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht - Artikel 213 - Hoofdelijke betaling van de douaneschuld - Richtlijn 2006/112/EG - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Artikel 2, lid 1, en artikelen 70 en 71 - Belastbaar feit en verschuldigdheid van de belasting - Artikelen 201, 202 en 205 - Personen die de belasting moeten voldoen - Vaststelling van het ontbreken van vracht door het douanekantoor van bestemming - Incorrect afgesloten of beschadigde onderste losinstallatie van de tankwagon])

(2017/C 239/19)

Procestaal: Lets

Verwijzende rechter

Augstākā tiesa

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij:„Latvijas dzelzceļš” VAS

Verwerende partij: Valsts ieņēmumu dienests

Dictum

1)

Artikel 203, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is indien niet het totale volume van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen wordt aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan, zoals afdoende is aangetoond.

2)

Artikel 204, lid 1, onder a), van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer niet het totale volume van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen is aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan, zoals afdoende is aangetoond, die situatie in beginsel een douaneschuld bij invoer doet ontstaan voor het deel van de goederen dat niet bij dat kantoor is aangebracht, aangezien er sprake is van niet-nakoming van een van de verplichtingen van die regeling, namelijk het aanbrengen van ongeschonden goederen op het douanekantoor van bestemming. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of een omstandigheid zoals de beschadiging van een losinstallatie in casu beantwoordt aan de criteria die gelden voor de begrippen overmacht en toeval in de zin van artikel 206, lid 1, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, namelijk of zij abnormaal is voor een marktdeelnemer die actief is op het vlak van het vervoer van vloeibare stoffen en een omstandigheid buiten zijn toedoen is, en of die gevolgen niet hadden kunnen worden vermeden ondanks alle aan de dag gelegde zorgvuldigheid. In het kader van dat onderzoek moet deze rechter met name rekening houden met de naleving door marktdeelnemers zoals de aangever en de vervoerder van de regels en voorschriften die gelden op het vlak van de technische staat van tanks en de veiligheid van het vervoer van vloeibare stoffen zoals solvent.

3)

Artikel 2, lid 1, onder d), en de artikelen 70 en 71 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat geen belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is voor het geheel vernietigde of onherstelbaar verloren gegane deel van goederen die onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst.

4)

Artikel 96, lid 1, onder a), juncto artikel 204, lid 1, onder a), en lid 3, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, moeten aldus worden uitgelegd dat de aangever gehouden is tot betaling van de douaneschuld die is ontstaan voor onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen, ook al is de vervoerder de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 96, lid 2, van deze verordening, in het bijzonder de verplichting om deze goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden aan te brengen op het douanekantoor van bestemming.

5)

Artikel 96, lid 1, onder a), en lid 2, artikel 204, lid 1, onder a), en lid 3, en artikel 213 van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, moeten aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteit van een lidstaat niet verplicht is om de vervoerder die naast de aangever moet worden beschouwd als schuldenaar van de douaneschuld, hoofdelijk aan te spreken.


(1)  PB C 191 van 30.5.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/16


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 11 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de rechtbank Noord-Nederland — Nederland) — Bas Jacob Adriaan Krijgsman/Surinaamse Luchtvaart Maatschappij NV

(Zaak C-302/16) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Luchtvervoer - Verordening (EG) nr. 261/2004 - Artikel 5, lid 1, onder c) - Compensatie en bijstand van de passagiers bij annulering van een vlucht - Vrijstelling van de verplichting tot compensatie - Vervoersovereenkomst die is gesloten via een onlinereisagent - Luchtvaartmaatschappij die het reisbureau tijdig op de hoogte heeft gesteld van een wijziging van het vluchtschema - Reisagent die deze informatie tien dagen voor de vlucht per e-mail aan de passagier heeft doorgegeven])

(2017/C 239/20)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Noord-Nederland

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bas Jacob Adriaan Krijgsman

Verwerende partij: Surinaamse Luchtvaart Maatschappij NV

Dictum

Artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 7 van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, dienen aldus te worden uitgelegd dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, verplicht is de compensatie te betalen waarin bij die bepalingen is voorzien in het geval dat de vlucht wordt geannuleerd en de passagier hierover niet ten minste twee weken voor de geplande vertrektijd is geïnformeerd, ook wanneer de luchtvaartmaatschappij de reisagent via wie de vervoersovereenkomst met de betrokken passagier is aangegaan ten minste twee weken voor die tijd heeft geïnformeerd over die annulering, maar de reisagent de passagier daarover niet binnen deze termijn heeft geïnformeerd.


(1)  PB C 326 van 5.9.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/17


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 17 mei 2017 — Portugese Republiek/Europese Commissie

(Zaak C-337/16 P) (1)

((Hogere voorziening - ELGF en Elfpo - Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie - Kennisgeving aan de adressaat - Latere correctie van de printopmaak van de bijlage - Bekendmaking van het besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie - Beroepstermijn - Aanvang - Tardiviteit - Niet-ontvankelijkheid))

(2017/C 239/21)

Procestaal: Portugees

Partijen

Rekwirante: Portugese Republiek (vertegenwoordigers: L. Inez Fernandes, M. Figueiredo, J. Saraiva de Almeida en P. Estêvão, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Triantafyllou en M. França, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 326 van 5.9.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/17


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 17 mei 2017 — Portugese Republiek/Europese Commissie

(Zaak C-338/16 P) (1)

((Hogere voorziening - ELGF en Elfpo - Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie - Kennisgeving aan de adressaat - Latere correctie van de printopmaak van de bijlage - Bekendmaking van het besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie - Beroepstermijn - Aanvang - Tardiviteit - Niet-ontvankelijkheid))

(2017/C 239/22)

Procestaal: Portugees

Partijen

Rekwirante: Portugese Republiek (vertegenwoordigers: L. Inez Fernandes, M. Figueiredo, J. Saraiva de Almeida en P. Estêvão, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Triantafyllou en M. França, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 326 van 5.9.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/18


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 17 mei 2017 — Portugese Republiek/Europese Commissie

(Zaak C-339/16 P) (1)

((Hogere voorziening - ELGF en Elfpo - Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie - Kennisgeving aan de adressaat - Latere correctie van de printopmaak van de bijlage - Bekendmaking van het besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie - Beroepstermijn - Aanvang - Tardiviteit - Niet-ontvankelijkheid))

(2017/C 239/23)

Procestaal: Portugees

Partijen

Rekwirante: Portugese Republiek (vertegenwoordigers: L. Inez Fernandes, M. Figueiredo, J. Saraiva de Almeida en P. Estêvão, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Triantafyllou en M. França, gemachtigden)

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 326 van 5.9.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/18


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Association française des entreprises privées (AFEP) e.a./Ministre des finances et des comptes publics

(Zaak C-365/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten - Richtlijn 2011/96/EU - Voorkoming van dubbele belasting - Extra heffing van 3 % in de vennootschapsbelasting))

(2017/C 239/24)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d’État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Association française des entreprises privées (AFEP), Axa, Compagnie générale des établissements Michelin, Danone, ENGIE, voorheen GDF Suez, Eutelsat Communications, LVMH Moët Hennessy-Louis Vuitton SA, Orange SA, Sanofi SA, Suez Environnement Company, Technip, Total SA, Vivendi, Eurazeo, Safran, Scor SE, Unibail-Rodamco SE, Zodiac Aerospace

Verwerende partij: Ministre des finances et des comptes publics

Dictum

Artikel 4, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/86/EU van de Raad van 8 juli 2014, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een fiscale maatregel van de lidstaat van een moedermaatschappij als in het hoofdgeding, waarbij wordt voorzien in de inning van een belasting bij de dividenduitkering door de moedermaatschappij waarvan de belastbare grondslag bestaat uit de bedragen van de uitgekeerde dividenden, met inbegrip van die welke afkomstig zijn van de niet-ingezeten dochterondernemingen van de moedermaatschappij.


(1)  PB C 335 van 12.9.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale Amministrativo Regionale per la Sicilia (Italië) op 23 november 2016 — Emmea Srl, Commercial Hub Srl/Comune di Siracusa e.a.

(Zaak C-595/16)

(2017/C 239/25)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale per la Sicilia

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Emmea Srl, Commercial Hub Srl

Verwerende partijen: Comune di Siracusa, Assessorato delle Attività Produttive per la Regione Siciliana, Libero Consorzio Comunale — voorheen Provincia di Siracusa, Camera di Commercio di Siracusa

Bij beschikking van 27 april 2017 heeft het Hof (Tiende kamer) het verzoek om een prejudiciële beslissing, dat is ingediend door de Tribunale amministrativo regionale per la Sicilia bij beslissing van 20 oktober 2016, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 1 februari 2017 — Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato/Wind Telecomunicazioni SpA

(Zaak C-54/17)

(2017/C 239/26)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato

Verwerende partij: Wind Telecomunicazioni SpA

Prejudiciële vragen  (1)

1)

Staan de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 (2) in de weg aan een uitlegging van de overeenkomstige nationale omzettingsbepalingen (respectievelijk de artikelen 24 en 25 van de Codice del consumo [wetboek consumentenrecht]) volgens welke de handelwijze van een telecommunicatie-exploitant die geen informatie heeft verstrekt over het feit dat bepaalde telefoondiensten reeds op de simkaart zijn ingesteld (te weten voicemail of internetgebruik) — en wel in een situatie waarin de telecommunicatie-exploitant geen enkele andere, afzonderlijke inhoudelijke handelwijze wordt verweten — kan wordt aangemerkt als ongepaste beïnvloeding en dus als agressieve handelspraktijk die de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument aanzienlijk kan beperken?

2)

Kan punt 29 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG […] aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een „niet-gevraagde levering” indien een telecommunicatie-exploitant zijn klant verzoekt voicemail- en internetdiensten te betalen, en wel in een situatie die wordt gekenmerkt door de volgende omstandigheden:

de telecommunicatie-exploitant heeft de consument bij de afsluiting van de overeenkomst voor mobiele telefonie niet correct geïnformeerd over de omstandigheid dat de voicemail- en internetdiensten reeds op de simkaart zijn ingesteld, met als gevolg dat de consument deze diensten zou kunnen gebruiken zonder dat zij speciaal hoeven te worden ingesteld (setting);

de consument moet om deze diensten daadwerkelijk te gebruiken hoe dan ook de daartoe noodzakelijke handelingen verrichten (bijvoorbeeld, het nummer van de voicemail intoetsen of opdrachten geven om toegang tot internet te krijgen);

voor de technische en operationele modaliteiten waarmee de consument concreet van de diensten gebruikmaakt wordt niets in rekening gebracht, en evenmin voor de informatie over deze modaliteiten en de kosten van deze diensten, maar de exploitant wordt uitsluitend verweten geen informatie te hebben verstrekt over de vooraf op de simkaart geïnstalleerde diensten?

3)

Staan de ratio van de „algemene” richtlijn 2005/29/EG, als vangnet voor de bescherming van de consument, alsmede overweging 10 en artikel 3, lid 4, van deze richtlijn in de weg aan een nationale regeling die de beoordeling van de naleving van de specifieke verplichtingen als bedoeld in de sectorale richtlijn 2002/22/EG (3) ter bescherming van de consument terugvoert tot de werkingssfeer van de algemene richtlijn 2005/29/EG inzake oneerlijke handelspraktijken, met als gevolg dat de autoriteit die bevoegd is om inbreuken op de sectorale richtlijn te sanctioneren niet kan ingrijpen indien deze inbreuk tevens als een oneerlijke handelspraktijk kan worden aangemerkt?

4)

Moet het in artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG neergelegde specialiteitsbeginsel worden opgevat als een beginsel dat de verhoudingen regelt tussen rechtsorden (algemene rechtsorde en sectorale rechtsorde), tussen normen (algemene normen en speciale normen) of tussen regelgevende en toezichthoudende autoriteiten van de respectieve sectoren?

5)

Is er slechts sprake van strijdigheid in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG in geval van een lijnrechte tegenstelling tussen de bepalingen van de regeling inzake oneerlijke handelspraktijken en de andere, uit Unierecht voortvloeiende regelingen die sectorspecifieke aspecten van de handelspraktijken regelen, of volstaat daartoe dat de betrokken bepalingen een regeling voorschrijven die afwijkt van de regeling inzake oneerlijke handelspraktijken met betrekking tot sectorspecifieke aspecten, en wel zodanig dat er met betrekking tot een specifieke situatie sprake is van collisie?

6)

Heeft het begrip communautaire voorschriften als bedoeld in artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG uitsluitend betrekking op bepalingen van Europese verordeningen en richtlijnen en de directe omzettingsbepalingen daarvan, of omvat het ook de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarbij beginselen van Unierecht in nationaal recht zijn omgezet?

7)

Staat het in overweging 10 en artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG, de artikelen 20 en 21 van richtlijn 2002/22/EG en de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2002/21/EG (4) neergelegde specialiteitsbeginsel in de weg aan een uitlegging van de overeenkomstige nationale omzettingsbepalingen volgens welke steeds wanneer er in een gereglementeerde sector met een sectorale consumentenregeling die regelgevende en sanctiebevoegdheden aan de sectorale autoriteit heeft toegekend, sprake is van een handelwijze die kan worden aangemerkt als agressieve handelspraktijk in de zin van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29/EG dan wel als handelspraktijk die onder alle omstandigheden als agressief wordt beschouwd in de zin van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG, de algemene regeling inzake oneerlijke praktijken moet worden toegepast, ook indien er een op Unierecht gestoelde sectorale regeling ter bescherming van consumenten is die dezelfde agressieve praktijken en onder alle omstandigheden als agressief te beschouwen handelspraktijken, althans oneerlijke handelspraktijken, volledig regelt?


(1)  De prejudiciële vragen zijn hier doorlopend genummerd; in de verwijzingsbeslissing waren zij verdeeld in twee groepen met niet-doorlopende nummering.

(2)  Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB L 149, blz. 22).

(3)  Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 33).

(4)  Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 1 februari 2017 — Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato/Vodafone Omnitel NV

(Zaak C-55/17)

(2017/C 239/27)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato

Verwerende partij: Vodafone Omnitel NV

Prejudiciële vragen  (1)

1)

Staan de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 (2) in de weg aan een uitlegging van de overeenkomstige nationale omzettingsbepalingen (respectievelijk de artikelen 24 en 25 van de Codice del consumo [wetboek consumentenrecht]) volgens welke de handelwijze van een telecommunicatie-exploitant die geen informatie heeft verstrekt over het feit dat bepaalde telefoondiensten reeds op de simkaart zijn ingesteld (te weten voicemail of internetgebruik) — en wel in een situatie waarin de telecommunicatie-exploitant geen enkele andere, afzonderlijke inhoudelijke handelwijze wordt verweten — kan wordt aangemerkt als ongepaste beïnvloeding en dus als agressieve handelspraktijk die de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument aanzienlijk kan beperken?

2)

Kan punt 29 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG […] aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een „niet-gevraagde levering” indien een telecommunicatie-exploitant zijn klant verzoekt voicemail- en internetdiensten te betalen, en wel in een situatie die wordt gekenmerkt door de volgende omstandigheden:

de telecommunicatie-exploitant heeft de consument bij de afsluiting van de overeenkomst voor mobiele telefonie niet correct geïnformeerd over de omstandigheid dat de voicemail- en internetdiensten reeds op de simkaart zijn ingesteld, met als gevolg dat de consument deze diensten zou kunnen gebruiken zonder dat zij speciaal hoeven te worden ingesteld (setting);

de consument moet om deze diensten daadwerkelijk te gebruiken hoe dan ook de daartoe noodzakelijke handelingen verrichten (bijvoorbeeld, het nummer van de voicemail intoetsen of opdrachten geven om toegang tot internet te krijgen);

voor de technische en operationele modaliteiten waarmee de consument concreet van de diensten gebruikmaakt wordt niets in rekening gebracht, en evenmin voor de informatie over deze modaliteiten en de kosten van deze diensten, maar de exploitant wordt uitsluitend verweten geen informatie te hebben verstrekt over de vooraf op de simkaart geïnstalleerde diensten?

3)

Staan de ratio van de „algemene” richtlijn 2005/29/EG, als vangnet voor de bescherming van de consument, alsmede overweging 10 en artikel 3, lid 4, van deze richtlijn in de weg aan een nationale regeling die de beoordeling van de naleving van de specifieke verplichtingen als bedoeld in de sectorale richtlijn 2002/22/EG (3) ter bescherming van de consument terugvoert tot de werkingssfeer van de algemene richtlijn 2005/29/EG inzake oneerlijke handelspraktijken, met als gevolg dat de autoriteit die bevoegd is om inbreuken op de sectorale richtlijn te sanctioneren niet kan ingrijpen indien deze inbreuk tevens als een oneerlijke handelspraktijk kan worden aangemerkt?

4)

Moet het in artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG neergelegde specialiteitsbeginsel worden opgevat als een beginsel dat de verhoudingen regelt tussen rechtsorden (algemene rechtsorde en sectorale rechtsorde), tussen normen (algemene normen en speciale normen) of tussen regelgevende en toezichthoudende autoriteiten van de respectieve sectoren?

5)

Is er slechts sprake van strijdigheid in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG in geval van een lijnrechte tegenstelling tussen de bepalingen van de regeling inzake oneerlijke handelspraktijken en de andere, uit Unierecht voortvloeiende regelingen die sectorspecifieke aspecten van de handelspraktijken regelen, of volstaat daartoe dat de betrokken bepalingen een regeling voorschrijven die afwijkt van de regeling inzake oneerlijke handelspraktijken met betrekking tot sectorspecifieke aspecten, en wel zodanig dat er met betrekking tot een specifieke situatie sprake is van collisie?

6)

Heeft het begrip communautaire voorschriften als bedoeld in artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG uitsluitend betrekking op bepalingen van Europese verordeningen en richtlijnen en de directe omzettingsbepalingen daarvan, of omvat het ook de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarbij beginselen van Unierecht in nationaal recht zijn omgezet?

7)

Staat het in overweging 10 en artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29/EG, de artikelen 20 en 21 van richtlijn 2002/22/EG en de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2002/21/EG (4) neergelegde specialiteitsbeginsel in de weg aan een uitlegging van de overeenkomstige nationale omzettingsbepalingen volgens welke steeds wanneer er in een gereglementeerde sector met een sectorale consumentenregeling die regelgevende en sanctiebevoegdheden aan de sectorale autoriteit heeft toegekend, sprake is van een handelwijze die kan worden aangemerkt als agressieve handelspraktijk in de zin van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29/EG dan wel als handelspraktijk die onder alle omstandigheden als agressief wordt beschouwd in de zin van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG, de algemene regeling inzake oneerlijke praktijken moet worden toegepast, ook indien er een op Unierecht gestoelde sectorale regeling ter bescherming van consumenten is die dezelfde agressieve praktijken en onder alle omstandigheden als agressief te beschouwen handelspraktijken, althans oneerlijke handelspraktijken, volledig regelt?


(1)  De prejudiciële vragen zijn hier doorlopend genummerd; in de verwijzingsbeslissing waren zij verdeeld in twee groepen met niet-doorlopende nummering.

(2)  Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB L 149, blz. 22).

(3)  Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 51).

(4)  Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/22


Hogere voorziening ingesteld op 30 maart 2017 door de Republiek Polen tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 19 januari 2017 in zaak T-701/15, Stock Polska/EUIPO — Lass & Steffen (LUBELSKA)

(Zaak C-162/17 P)

(2017/C 239/28)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Republiek Polen (vertegenwoordiger: B. Majczyna)

Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Conclusies

het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Negende kamer) van 19 januari 2017, Stock Polska/EUIPO — Lass & Steffen (LUBELSKA), T-701/15, in zijn geheel vernietigen;

de zaak terugverwijzen naar het Gerecht, en

beslissen dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Middelen en voornaamste argumenten

De Republiek Polen concludeert tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Negende kamer) van 19 januari 2017, Stock Polska/EUIPO — Lass & Steffen (LUBELSKA), T-701/15 en tot terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht.

In het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep afgewezen van het in Lublin gevestigde Stock Polska sp. z o.o. tegen de beslissing van de kamer van beroep van het Bureau voor Harmonisatie binnen de Interne Markt (BHIM; thans, na naamswijziging, Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie, hierna: „EUIPO”) van 24 september 2015 in zaak R 1788/2014-5, waarbij de beslissing van het EUIPO van 14 mei 2014 om voor Stock Polska sp. z o.o. geen Uniemerk in te schrijven, werd gehandhaafd.

Bij het arrest van het Gerecht en de voorafgaande beslissingen van het EUIPO werd geweigerd om het merk „Lubelska” in te schrijven vanwege de gelijkenis ervan met het merk „Lubeca”, welke gelijkenis in Duitsland, waar de producten van het oudere merk „Lubeca” bescherming genieten, bij het publiek tot verwarring kan leiden wat de oorsprong betreft van de waren die door dat merk worden aangeduid in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk.

De Republiek Polen voert in hogere voorziening de volgende middelen aan tegen het bestreden arrest:

Eerste middel: schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (1)

door het bestaan van gevaar van verwarring niet globaal te beoordelen op basis van een algemene indruk, waarbij rekening dient te worden gehouden met de onderscheidende en dominerende elementen van het teken, en dit met name vanwege de ongerechtvaardigde beperking van de beoordeling van de gelijkenis van een teken van het oudere merk tot één element van dat teken (woordelement).

Het Gerecht heeft ten onrechte de mogelijkheid aanvaard om de beoordeling van de gelijkenis tussen twee merken te beperken door slechts één van de elementen van een samengesteld merk (woordelement) te onderzoeken en dit te vergelijken met het andere merk, daarbij van deze beoordeling het beeldelement uit te sluiten zonder eerst vast te stellen of het woordelement het dominerende element vormt en het beeldelement niet van belang is. Het Gerecht heeft slechts vastgesteld dat het beeldelement een zwak onderscheidend vermogen heeft, zonder rekening te houden met het feit dat een zwak onderscheidend vermogen van een bestanddeel niet hoeft te betekenen dat dat element niet dominerend is.

Tweede middel: schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 en de beginselen van gelijke behandeling, behoorlijk bestuur en rechtszekerheid door geen rekening te houden met het feit dat het EUIPO is afgeweken van zijn eerdere besluitvorming, zoals geformuleerd in de EUIPO-richtlijnen, en dus door een beslissing te aanvaarden die in strijd is met die besluitvorming.

Het Gerecht is voorbijgegaan aan het feit dat het EUIPO is afgeweken van zijn eerdere besluitvorming, zoals geformuleerd in de EUIPO-richtlijnen, met betrekking tot artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, terwijl er geen bijzondere redenen waren om daarvan af te wijken.

a)

de vaststelling van het feit dat het algemeen bekend is, dat de gemiddelde Duitse consument niet de betekenis kent van de naam Lubeca, zonder rekening te houden met het feit dat de mate van kennis van de Latijnse namen van steden (namelijk „Lubeca” voor Lübeck) geen verband houdt met de kennis van het Latijn als zodanig en ook niet met het feit dat consumenten van alcoholische dranken belang hechten aan de geografische herkomst van die dranken, en

b)

de vaststelling dat het algemeen bekend is dat een kroon een beeldelement is dat cournant wordt gebruikt op etiketten van alcoholische dranken.

a)

niet is aangegeven welk van de elementen van het teken door het Gerecht werd beschouwd als dominerend, en

b)

niet is aangegeven op grond waarvan de aanname is gerechtvaardigd dat de betekenis van het woord „Lubeca” bij de gemiddelde Duitse consument niet bekend is.


(1)  PB 2009, L 78, blz. 1.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/24


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 13 april 2017 — Bundeskammer für Arbeiter und Angestellte/ING-DiBa Direktbank Austria Niederlassung der ING-DiBa AG

(Zaak C-191/17)

(2017/C 239/29)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberster Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bundeskammer für Arbeiter und Angestellte

Verwerende partij: ING-DiBa Direktbank Austria Niederlassung der ING-DiBa AG

Prejudiciële vraag

Dient artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten in de interne markt (richtlijn betalingsdiensten) (1) aldus te worden uitgelegd dat ook een onlinespaarrekening waarop respectievelijk waarvan de betrokken klant — dadelijk en zonder specifieke medewerking van de bank — via telebanking geld kan storten en opnemen vanaf een op zijn naam aangehouden tussenrekening, te weten een in Oostenrijk geopende rekening-courant, een „betaalrekening” in de zin van die bepaling is en bijgevolg binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt?


(1)  Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG (PB 2007, L 319, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/24


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam (Nederland) op 25 april 2017 — X tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

(Zaak C-213/17)

(2017/C 239/30)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: X

Verweerder: Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening (1) in die zin worden gelezen dat Italië verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het op 23 oktober 2014 door eiser in dat land ingediende verzoek om internationale bescherming, ondanks het feit dat Nederland de primair verantwoordelijke lidstaat was op grond van de in dit land eerder ingediende verzoeken om internationale bescherming in de zin van artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, waarvan de laatste op dat moment in Nederland nog in behandeling was, omdat de Afdeling [bestuursrechtspraak van de Raad van State] nog geen uitspraak had gedaan op het door eiser ingestelde hoger beroep tegen de […] uitspraak [AWB 14/13866] van de rechtbank [Den Haag, zittingsplaats Middelburg] van 7 juli 2014?

2)

Volgt uit artikel 18, tweede lid, van de Dublinverordening dat het tijdens de indiening van het claimverzoek op 5 maart 2015 in Nederland nog in behandeling zijnde verzoek om internationale bescherming door de Nederlandse autoriteiten onverwijld na indiening van het claimverzoek diende te worden opgeschort en na het verstrijken van de termijn van artikel 24 te worden stopgezet door intrekking of wijziging van het eerder genomen besluit van 11 juni 2014 tot afwijzing van de asielaanvraag van 4 juni 2014?

3)

Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, is de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming niet op Italië overgegaan, maar bij de Nederlandse autoriteiten blijven berusten, omdat verweerder het besluit van 11 juni 2014 niet heeft ingetrokken of gewijzigd?

4)

Zijn de Nederlandse autoriteiten, door geen melding te maken van het in Nederland bij de Afdeling aanhangige hoger beroep in de tweede asielprocedure, tekort geschoten in de op hen op grond van artikel 24, vijfde lid, van de Dublinverordening rustende verplichting de Italiaanse autoriteiten van informatie te voorzien aan de hand waarvan zij konden nagaan of deze lidstaat op grond van deze verordening verantwoordelijk is?

5)

Als het antwoord op vraag 4 bevestigend luidt, leidt deze tekortkoming tot de conclusie dat daardoor de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming niet op Italië is overgegaan, maar bij de Nederlandse autoriteiten is blijven berusten?

6)

Indien de verantwoordelijkheid niet bij Nederland is blijven berusten, hadden de Nederlandse autoriteiten dan in verband met de overlevering van eiser uit Italië aan Nederland in het kader van zijn strafzaak, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening het door hem in Italië ingediende verzoek om internationale bescherming behoren te behandelen, en hadden zij, in het verlengde daarvan, in redelijkheid geen gebruik mogen maken van de in artikel 24, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid de Italiaanse autoriteiten om eisers terugname te verzoeken?


(1)  Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/25


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Berlin (Duitsland) op 27 april 2017 — Planta Tabak-Manufaktur Dr. Manfred Obermann GmbH & Co. KG/Land Berlin

(Zaak C-220/17)

(2017/C 239/31)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgericht Berlin

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Planta Tabak-Manufaktur Dr. Manfred Obermann GmbH & Co. KG

Verwerende partij: Land Berlin

Prejudiciële vragen

1.

a)

Zijn de leden 1 en 7 van artikel 7 van richtlijn 2014/40/EU (1) juncto lid 14 van artikel 7 van richtlijn 2014/40/EU ongeldig wegens schending van het rechtszekerheidsbeginsel, omdat zij aan de lidstaten opdragen het in de handel brengen van bepaalde tabaksproducten te verbieden, zonder dat duidelijk is welke van deze tabaksproducten reeds vanaf 20 mei 2016 en welke pas vanaf 20 mei 2020 verboden moeten zijn?

b)

Zijn de leden 1 en 7 van artikel 7 van richtlijn 2014/40/EU juncto lid 14 van artikel 7 van richtlijn 2014/40/EU ongeldig wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling, omdat zij ten aanzien van de door de lidstaten vast te stellen verboden een onderscheid maken op grond van verkoopvolumes, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat?

c)

Zijn de leden 1 en 7 van artikel 7 van richtlijn 2014/40/EU ongeldig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en/of van artikel 34 VWEU, omdat zij aan de lidstaten opdragen het in de handel brengen van tabaksproducten met een kenmerkend aroma waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie minder dan 3 % van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt, reeds vanaf 20 mei 2016 te verbieden?

d)

Ingeval de vragen 1. a) tot en met 1. c) ontkennend worden beantwoord: hoe moet dan het begrip „productcategorie” in artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40/EU worden opgevat? Dient de onderverdeling in „productcategorieën” te worden gebaseerd op het kenmerkende aroma, op de aard van het (gearomatiseerde) tabaksproduct of op een combinatie van deze twee criteria?

e)

Ingeval de vragen 1. a) tot en met 1. c) ontkennend worden beantwoord: hoe moet dan worden vastgesteld of ten aanzien van een bepaald tabaksproduct de 3 %-grens zoals bedoeld in artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40/EU is bereikt, zolang hiervoor geen officiële en voor het publiek toegankelijke cijfers en statistieken bestaan?

2.

a)

Mogen de lidstaten bij de omzetting van de artikelen 8 tot en met 11 van richtlijn 2014/40/EU in nationaal recht, aanvullende overgangsregelingen treffen?

b)

Ingeval de prejudiciële vraag 2. a) ontkennend wordt beantwoord:

(1)

Zijn artikel 9, lid 6, en artikel 10, lid 1, tweede zin, onder f), van richtlijn 2014/40/EU ongeldig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en/of van artikel 34 VWEU, omdat zij de vastlegging van bepaalde etiketterings- en verpakkingsvoorschriften aan de Commissie delegeren, zonder hiervoor een termijn vast te stellen en zonder te voorzien in verdergaande overgangsregelingen of -termijnen die waarborgen dat de betrokken ondernemingen voldoende tijd hebben om te voldoen aan de voorschriften van de richtlijn?

(2)

Zijn artikel 9, lid 1, tweede zin (tekst van de waarschuwing), en lid 4, onder a), tweede zin (lettergrootte), artikel 10, lid 1, tweede zin, onder b) (informatie over het stoppen met roken) en onder e) (positie van de waarschuwingen) alsmede artikel 11, lid 1, eerste zin (etikettering), van richtlijn 2014/40/EU ongeldig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en/of van artikel 34 VWEU, omdat zij de lidstaten verschillende keuze- en regelgevingsrechten verlenen, zonder daarvoor een termijn vast te stellen en zonder te voorzien in verdergaande overgangsregelingen en -termijnen die waarborgen dat de betrokken ondernemingen voldoende tijd hebben om te voldoen aan de voorschriften van de richtlijn?

3.

a)

Dient artikel 13, lid 1, onder c), juncto lid 3 van richtlijn 2014/40/EU aldus te worden uitgelegd dat het de lidstaten gebiedt het gebruik van informatie die verwijst naar een smaak, naar geur- of smaakstoffen of naar andere additieven, ook te verbieden wanneer het niet om reclame-uitingen gaat en het gebruik van de ingrediënten nog is toegestaan?

b)

Is artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40/EU ongeldig, omdat dit artikel inbreuk maakt op artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?


(1)  Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG (PB 2014, L 127, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/26


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 27 april 2017 — M.G. Tjebbes e.a tegen Minister van Buitenlandse Zaken

(Zaak C-221/17)

(2017/C 239/32)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekers: M.G. Tjebbes, G.J.M. Koopman, E. Saleh Abady, L. Duboux

Verweerder: Minister van Buitenlandse Zaken

Prejudiciële vragen

Moeten de artikelen 20 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, mede in het licht van artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, zo worden uitgelegd dat zij, vanwege het ontbreken van een individuele toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wat de gevolgen van het verlies van de nationaliteit voor de situatie van betrokkene uit het oogpunt van Unierecht betreft, in de weg staan aan wettelijke regelingen, zoals aan de orde in dit hoofdgeding, die bepalen:

a.

dat een meerderjarige, die tevens een nationaliteit van een derde land bezit, de nationaliteit van zijn lidstaat en daarmee het burgerschap van de Unie van rechtswege verliest omdat hij gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het buitenland en buiten de Europese Unie zijn hoofdverblijf heeft gehad, terwijl er mogelijkheden bestaan om die termijn van tien jaar te stuiten?

b.

dat een minderjarige onder bepaalde omstandigheden de nationaliteit van zijn lidstaat en daarmee het burgerschap van de Unie van rechtswege verliest ten gevolge van het verlies van de nationaliteit van de ouder, zoals hiervoor bedoeld onder a.?


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/27


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 4 mei 2017 — XC e.a.

(Zaak C-234/17)

(2017/C 239/33)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberster Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: XC, YB, ZA

Prejudiciële vraag

Moet het Unierecht — inzonderheid artikel 4, lid 3, VEU, gelezen in samenhang met de daaruit af te leiden beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid — aldus worden uitgelegd dat het Oberste Gerichtshof op grond hiervan verplicht is om op verzoek van een betrokkene te toetsen of een onherroepelijke uitspraak van een strafrechter in strijd is met het Unierecht (in casu met artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst), wanneer het nationale recht (§ 363a StPO) slechts in de mogelijkheid van een dergelijke toetsing voorziet voor gevallen waarin schending van het EVRM of een van de protocollen daarbij wordt aangevoerd?


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/27


Hogere voorziening ingesteld op 8 mei 2017 door Canadian Solar Emea GmbH, Canadian Solar Manufacturing (Changshu), Inc., Canadian Solar Manufacturing (Luoyang), Inc., Csi Cells Co. Ltd, Csi Solar Power (China), Inc. tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 28 februari 2017 in zaak T-162/14, Canadian Solar Emea GmbH e.a./Raad

(Zaak C-236/17 P)

(2017/C 239/34)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirantes: Canadian Solar Emea GmbH, Canadian Solar Manufacturing (Changshu), Inc., Canadian Solar Manufacturing (Luoyang), Inc., Csi Cells Co. Ltd, Csi Solar Power (China), Inc. (vertegenwoordigers: J. Bourgeois, avocat, S. De Knop, advocaat, M. Meulenbelt, advocaat, A. Willems, avocat)

Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie, Europese Commissie

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-162/14;

toewijzing van het verzoek in eerste aanleg en nietigverklaring van de litigieuze verordening voor zover zij betrekking heeft op rekwirantes;

verwijzing van de [Raad van de Europese Unie] in de kosten van rekwirantes en in zijn eigen kosten, zowel die van de eerste aanleg als die van de hogere voorziening;

verwijzing van alle andere partijen in de hogere voorziening in hun eigen kosten;

Subsidiair

vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-162/14;

terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor afdoening;

aanhouding van de beslissing over de kosten van de eerste aanleg en de hogere voorziening voor definitieve afdoening door het Gerecht;

verwijzing van alle andere partijen in de hogere voorziening in hun eigen kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door rekwirantes te verplichten een belang aan te tonen om het eerste en tweede middel aan te voeren; hoe dan ook heeft het Gerecht de feiten rechtens onjuist gekwalificeerd, aangezien rekwirantes wel een dergelijk belang hebben.

2.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door rekwirantes te verplichten een belang aan te tonen om het derde middel aan te voeren; het Gerecht heeft artikel 2, lid 7, onder a), van verordening nr. 1225/2009 („basisverordening”) (1) onjuist uitgelegd.

3.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat verordening nr. 1168/2012 (2) van toepassing was op het onderhavige antidumpingonderzoek; het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan te nemen dat het verzuim van de Commissie om een standpunt in te nemen over het verzoek van rekwirantes om als marktgerichte onderneming te worden behandeld, niet in strijd is met de litigieuze verordening.

4.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de EU-instellingen toe te staan het antidumpingrecht vast te stellen op een zodanig niveau dat schade die wordt veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping, wordt tenietgedaan; het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ten onrechte de bewijslast om te keren.


(1)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51). Artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening is intussen vervangen door het identieke artikel 2, lid 7, onder a), van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21).

(2)  Verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1225/2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2012, L 344, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/28


Hogere voorziening ingesteld op 8 mei 2017 door Canadian Solar Emea GmbH, Canadian Solar Manufacturing (Changshu), Inc., Canadian Solar Manufacturing (Luoyang), Inc., Csi Cells Co. Ltd, Csi Solar Power (China), Inc. tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 28 februari 2017 in zaak T-163/14, Canadian Solar Emea e.a./Raad

(Zaak C-237/17 P)

(2017/C 239/35)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirantes: Canadian Solar Emea GmbH, Canadian Solar Manufacturing (Changshu), Inc., Canadian Solar Manufacturing (Luoyang), Inc., Csi Cells Co. Ltd, Csi Solar Power (China), Inc. (vertegenwoordigers: J. Bourgeois, avocat, S. De Knop, advocaat, M. Meulenbelt, advocaat, A. Willems, avocat)

Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie, Europese Commissie

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-163/14;

toewijzing van het verzoek in eerste aanleg en nietigverklaring van de litigieuze verordening voor zover zij betrekking heeft op rekwirantes;

verwijzing van de [Raad van de Europese Unie] in de kosten van rekwirantes en in zijn eigen kosten, zowel die van de eerste aanleg als die van de hogere voorziening;

verwijzing van alle andere partijen in de hogere voorziening in hun eigen kosten;

Subsidiair

vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-163/14;

terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor afdoening;

aanhouding van de beslissing over de kosten van de eerste aanleg en de hogere voorziening voor definitieve afdoening door het Gerecht;

verwijzing van alle andere partijen in de hogere voorziening in hun eigen kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door rekwirantes te verplichten een belang aan te tonen om het eerste en tweede middel aan te voeren; hoe dan ook heeft het Gerecht de feiten rechtens onjuist gekwalificeerd, aangezien rekwirantes wel een dergelijk belang hebben.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/29


Beroep ingesteld op 10 mei 2017 — Europese Commissie/Raad van de Europese Unie

(Zaak C-244/17)

(2017/C 239/36)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Gussetti, P. Aalto, L. Havas, gemachtigden)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

nietigverklaring van besluit (EU) 2017/477 van de Raad van 3 maart 2017 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Samenwerkingsraad die is ingesteld in het kader van de versterkte Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kazachstan, anderzijds met betrekking tot de werkafspraken van de Samenwerkingsraad, het Samenwerkingscomité en de gespecialiseerde subcomités en andere organen (1);

verwijzing van de Raad van de Europese Unie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie stelt dat de toevoeging van een procedurele rechtsgrondslag in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), met name artikel 31, lid 1, VEU, dat unanimiteit vereist, in strijd is met het Verdrag zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof.

Dit middel wordt als volgt onderbouwd:

In de eerste plaats moet een besluit op basis van artikel 218, lid 9, VWEU volgens vaste rechtspraak worden vastgesteld met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, ook al vereist een of meer van de materiële rechtsgrondslagen normaal unanimiteit voor het sluiten van een internationale overeenkomst. De toevoeging van een rechtsgrondslag die er normaal toe strekt unanimiteit te verzekeren, heeft geen invloed op de procedure waarmee dit besluit binnen de Raad is vastgesteld.

Een besluit van de Raad dat is vastgesteld volgens de procedure van artikel 218, lid 9, VWEU, beoogt niet het institutionele kader van een overeenkomst te vervolledigen of te wijzigen, of de structuur daarvan te veranderen, en kan dus niet worden gelijkgesteld met het sluiten of wijzigen van een internationale overeenkomst, maar wil waarborgen dat deze doeltreffend ten uitvoer wordt gelegd. Een dergelijk besluit moet overeenkomstig artikel 218, lid 8, eerste alinea, en artikel 218, lid 9, worden vastgesteld bij gekwalificeerde meerderheid. Het vereiste dat dit besluit unaniem wordt vastgesteld, is onrechtmatig.

In de tweede plaats voorziet artikel 218 VWEU, zoals eveneens in de rechtspraak van het Hof is verduidelijkt, in „één enkele en algemene procedure voor het onderhandelen over en het sluiten van internationale overeenkomsten door de Unie op al haar actieterreinen, daaronder begrepen het GBVB”. De bijzondere aard van het GBVB komt tot uitdrukking in de omstandigheid dat het voorstel afkomstig is van de Commissie (voor de onderdelen die geen betrekking hebben op het GBVB) en de hoge vertegenwoordiger (wat betreft het GBVB) gezamenlijk. Dit doet echter niet af aan de conclusie dat een besluit op grond van artikel 218, lid 9, VWEU moet worden vastgesteld bij gekwalificeerde meerderheid.

De combinatie van deze twee rechtspraaklijnen leidt tot de slotsom dat niet alleen voor de onderhandeling en het sluiten van een internationale overeenkomst, maar ook voor de vaststelling van standpunten ter uitvoering van een dergelijke overeenkomst enkel de procedure van artikel 218 VWEU geldt, in casu artikel 218, lid 9, VWEU, op grond waarvan besluiten bij gekwalificeerde meerderheid moeten worden vastgesteld. Er mogen geen andere procedurele grondslagen worden toegevoegd. Zelfs indien de Raad een dergelijke grondslag toevoegt, kan dit er niet toe leiden dat de besluitvormingsprocedure wordt gewijzigd.


(1)  PB 2017, L 73, blz. 15.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/30


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein oikeus (Finland) op 16 mei 2017 — Oikeusministeriö/Denis Raugevicius

(Zaak C-247/17)

(2017/C 239/37)

Procestaal: Fins

Verwijzende rechter

Korkein oikeus

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Oikeusministeriö

Verwerende partij: Denis Raugevicius

Prejudiciële vragen

1)

Dienen nationale bepalingen betreffende de uitlevering wegens een strafbaar feit, gelet op het recht van vrij verkeer van onderdanen van een andere lidstaat, ongeacht of een derde staat op basis van een uitleveringsovereenkomst verzoekt om uitlevering met het oog op straftenuitvoerlegging dan wel met het oog op strafvervolging, zoals in het arrest Petruhhin (1), op dezelfde wijze te worden beoordeeld? Is het van belang dat de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht, niet alleen burger van de Unie is maar ook onderdaan van de staat die een verzoek om uitlevering heeft ingediend?

2)

Plaatst een nationale wettelijke regeling volgens welke alleen eigen onderdanen niet met het oog op straftenuitvoerlegging buiten de Unie worden uitgeleverd, onderdanen van een andere lidstaat op ongerechtvaardigde wijze in een minder gunstige positie? Moeten, ook wanneer het gaat om tenuitvoerlegging van een sanctie, Unierechtelijke mechanismen worden toegepast waarmee een op zich gerechtvaardigde doelstelling kan worden bereikt met minder ingrijpende middelen? Hoe moet op een uitleveringsverzoek worden geantwoord wanneer door toepassing van dergelijke mechanismen de andere lidstaat in kennis wordt gesteld van het verzoek om uitlevering, maar die lidstaat, bijvoorbeeld wegens juridische belemmeringen, geen actie onderneemt ten aanzien van zijn onderdaan?


(1)  Arrest van 6 september 2016, Petruhhin (C-182/15, EU:C:2016:630).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/31


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supremo Tribunal de Justiça (Portugal) op 12 mei 2017 — Virgílio Tarragó da Silveira/Massa Insolvente da Espírito Santo Financial Group, SA

(Zaak C-250/17)

(2017/C 239/38)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Supremo Tribunal de Justiça

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Virgílio Tarragó da Silveira

Verwerende partij: Massa Insolvente da Espírito Santo Financial Group, SA

Prejudiciële vraag

Moet de regel van artikel 15 van verordening (EG) nr. 1346/2000 (1) van 29 mei 2000 aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is op een bij een gerecht van een lidstaat aanhangige rechtsvordering waarin het gaat om de veroordeling van een schuldenaar tot betaling van een op grond van een overeenkomst voor het verrichten van diensten verschuldigd geldbedrag en van een schadeloosstelling voor de niet-nakoming van die betalingsverplichting, in aanmerking genomen dat (i) de schuldenaar in een procedure voor een gerecht van een andere lidstaat insolvent is verklaard, en (ii) de insolventverklaring het volledige vermogen van de schuldenaar omvat?


(1)  Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB 2000, L 160, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/31


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) op 16 mei 2017 — Αnodiki Services EPE/GNA „Ο Εvaggelismos — Ofthalmiatreio Αthinon — Polykliniki”, Geniko Nosokomeio Athinon „Georgios Gennimatas”, Geniko Ogkologiko Nosokomeio Kifisias — (GONK) „Oi Agioi Anargyroi”

(Zaak C-260/17)

(2017/C 239/39)

Procestaal: Grieks

Verwijzende rechter

Symvoulio tis Epikrateias

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Αnodiki Ypiresies Diacheirisis Perivallontos, Oikonomias, Dioikisis EPE (Αnodiki Services EPE)

Verwerende partijen: GNA „Ο Εvaggelismos — Ofthalmiatreio Αthinon — Polykliniki”, Geniko Nosokomeio Athinon „Georgios Gennimatas”, Geniko Ogkologiko Nosokomeio Kifisias — (GONK) „Oi Agioi Anargyroi”

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 10, onder g), van richtlijn 2014/24 (1) aldus worden uitgelegd dat een overeenkomst als „arbeidsovereenkomst” kan worden aangemerkt wanneer sprake is van een overeenkomst voor arbeid in een ondergeschiktheidsverhouding, of moet de overeenkomst zodanige kenmerkende eigenschappen (bij voorbeeld op het gebied van het soort werk, specifieke bedingen, de kwalificatie van de sollicitanten en de selectieprocedure) vertonen dat de selectie van iedere werknemer het resultaat is van een individuele beoordeling en een subjectieve waardering van de betrokken persoon door de werkgever? Kunnen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die worden gesloten op basis van objectieve criteria, zoals de periode van werkloosheid van de sollicitant, ervaring en het aantal minderjarige kinderen, na formele verificatie van de benodigde documenten en volgens een vooraf vastgelegde procedure waarbij punten worden toegekend op basis van bovenstaande criteria, zoals de overeenkomsten bedoeld in artikel 63 van wet 4430/2016, worden beschouwd als „arbeidsovereenkomsten” in de zin van artikel 10, onder g), van richtlijn 2014/24?

2)

Moeten richtlijn 2014/24 (artikelen 1, lid 4, 18, leden 1 en 2, 19, lid 1, 32 en 57, gelezen in samenhang met overweging 5 van de considerans), het VWEU (artikelen 49 en 56), het Handvest van de grondrechten (artikelen 16 en 52) en de beginselen van gelijke behandeling, transparantie en evenredigheid aldus worden uitgelegd dat de overheidsinstanties gebruik kunnen maken van andere middelen dan openbare aanbestedingen, arbeidsovereenkomsten daaronder begrepen, voor het verrichten van hun werkzaamheden van algemeen belang, en in voorkomend geval onder welke voorwaarden, wanneer die middelen niet een blijvende organisatie van de openbare dienst meebrengen, maar — zoals in het geval van artikel 63 van wet 4430/2016 — worden gebruikt voor bepaalde tijd om het hoofd te bieden aan uitzonderlijke omstandigheden en op gronden die verband houden met een doeltreffende mededinging en de rechtmatigheid van het handelen van de op de markt voor openbare aanbestedingen werkzame ondernemingen? Kunnen zodanige redenen en omstandigheden zoals de onmogelijkheid om de openbare aanbestedingen zonder hindernissen uit te voeren of het nastreven van een hogere winst dan (mogelijk zou zijn) met een openbare aanbesteding, worden aangemerkt als dwingende redenen van algemeen belang die rechtvaardigen dat een maatregel wordt getroffen die de ondernemersactiviteit in de sector van de openbare aanbestedingen qua omvang en que duur ernstig beperkt?

3)

Is tegen besluiten van een overheidsinstantie zoals de in het hoofdgeding bestreden besluiten, betreffende een overeenkomst die wordt geacht buiten het toepassingsgebied van richtlijn 2014/24 te vallen (bij voorbeeld omdat het een „arbeidsovereenkomst” betreft), de beroepsprocedure van richtlijn 89/665 (2), zoals gedefinieerd in artikel 1 van die richtlijn, zoals gewijzigd, uitgesloten wanneer het beroep wordt ingesteld door een marktdeelnemer die er rechtmatig belang bij heeft dat een dergelijke overheidsopdracht aan hem wordt gegund en die verklaart dat aan richtlijn 2014/24 ten onrechte geen uitvoering is gegeven omdat zij werd geacht niet van toepassing te zijn?


(1)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 inzake het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).

(2)  Richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB 1989, L 395, blz. 33).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/32


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Margarethe Yüce, Ali Yüce, Emin Yüce, Emre Yüce/TUIfly GmbH

(Zaak C-274/17)

(2017/C 239/40)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Hannover

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Margarethe Yüce, Ali Yüce, Emin Yüce, Emre Yüce

Verwerende partij: TUIfly GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2)

Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/33


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Friedemann Schoen, Brigitta Schoen/TUIfly GmbH

(Zaak C-275/17)

(2017/C 239/41)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Hannover

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Friedemann Schoen, Brigitta Schoen

Verwerende partij: TUIfly GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2)

Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/34


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Michael Siegberg/TUIfly GmbH

(Zaak C-276/17)

(2017/C 239/42)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Hannover

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Michael Siegberg

Verwerende partij: TUIfly GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2)

Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/34


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Heinz-Gerhard Albrecht/TUIfly GmbH

(Zaak C-277/17)

(2017/C 239/43)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Hannover

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Heinz-Gerhard Albrecht

Verwerende partij: TUIfly GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2)

Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/35


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Susanne Meyer e.a./TUIfly GmbH

(Zaak C-278/17)

(2017/C 239/44)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Hannover

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Susanne Meyer, Sophie Meyer, Jan Meyer

Verwerende partij: TUIfly GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2)

Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/36


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Thomas Kiehl/TUIfly GmbH

(Zaak C-279/17)

(2017/C 239/45)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Hannover

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Thomas Kiehl

Verwerende partij: TUIfly GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2)

Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/37


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Ralph Eßer/TUIfly GmbH

(Zaak C-280/17)

(2017/C 239/46)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Hannover

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ralph Eßer

Verwerende partij: TUIfly GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2)

Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/37


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Thomas Schmidt/TUIfly GmbH

(Zaak C-281/17)

(2017/C 239/47)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Hannover

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Thomas Schmidt

Verwerende partij: TUIfly GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2)

Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/38


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 18 mei 2017 — Werner Ansorge/TUIfly GmbH

(Zaak C-282/17)

(2017/C 239/48)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Hannover

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Werner Ansorge

Verwerende partij: TUIfly GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2)

Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/39


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 22 mei 2017 — Angelina Fell, Florian Fell, Vincent Fell/TUIfly GmbH

(Zaak C-290/17)

(2017/C 239/49)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Hannover

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Angelina Fell, Florian Fell, Vincent Fell

Verwerende partij: TUIfly GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2)

Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/40


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 22 mei 2017 — Helga Jordan-Grompe, Sven Grompe, Yves-Felix Grompe, Justin Joel Grompe/TUIfly GmbH

(Zaak C-291/17)

(2017/C 239/50)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Hannover

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Helga Jordan-Grompe, Sven Grompe, Yves-Felix Grompe, Justin Joel Grompe

Verwerende partij: TUIfly GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

2)

Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?

3)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?

4)

Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/40


Beroep ingesteld op 23 mei 2017 — Europese Commissie/Roemenië

(Zaak C-301/17)

(2017/C 239/51)

Procestaal: Roemeens

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Nicolae, E. Sanfrutos Cano, gemachtigden)

Verwerende partij: Roemenië

Conclusies

vaststellen, overeenkomstig artikel 258 VWEU, dat Roemenië, door met betrekking tot 68 stortplaatsen niet te voldoen aan de verplichting om alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend, zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 14, onder b), juncto artikel 13 van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen;

Roemenië verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het door de Europese Commissie tegen Roemenië ingestelde beroep betreft de niet-nakoming door Roemenië van de krachtens artikel 14, onder b), juncto artikel 13 van richtlijn 1999/31 op hem rustende verplichtingen met betrekking tot 68 stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend en die derhalve overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13 van de richtlijn moesten worden gesloten.

De Commissie betoogt dat artikel 14 van richtlijn 1999/31 voorziet in een afwijkende overgangsregeling voor stortplaatsen waarvoor een vergunning was verleend of die op het tijdstip van de omzetting van de richtlijn in nationaal recht reeds in gebruik waren, om die stortplaatsen uiterlijk op 16 juli 2009 in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van dezelfde richtlijn vastgestelde nieuwe milieueisen. Volgens artikel 14, onder b), beslissen de bevoegde autoriteiten na de presentatie van het aanpassingsplan, op basis van dat aanpassingsplan en deze richtlijn, definitief of de exploitatie al dan niet mag worden voortgezet. De lidstaten moeten de nodige maatregelen treffen om stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend, zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13.

Volgens artikel 13 wordt een stortplaats of een gedeelte daarvan pas als definitief gesloten beschouwd, wanneer de bevoegde autoriteit ter plaatse een eindinspectie heeft uitgevoerd, alle verslagen van de exploitant heeft beoordeeld en aan de exploitant heeft meegedeeld dat zij de sluiting goedkeurt.

Wat de in het beroep nader omschreven 68 stortplaatsen betreft, is de Commissie van mening dat Roemenië geen gegevens heeft verstrekt aan de hand waarvan zij kan nagaan of die stortplaatsen niet langer in gebruik zijn en bovendien daadwerkelijk zijn gesloten overeenkomstig de eisen van richtlijn 1999/31. De Commissie betoogt in dit verband dat Roemenië zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen niet kan beroepen op zuiver interne situaties, zoals de insolventie van de exploitanten, geschillen omtrent eigendomsrechten, het verloop van administratieve procedures of de verantwoordelijkheid van de plaatselijke autoriteiten.

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 16 juli 2009 verstreken.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/41


Hogere voorziening ingesteld op 26 mei 2017 door George Haswani tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 22 maart 2017 in zaak T-231/15, Haswani/Raad

(Zaak C-313/17 P)

(2017/C 239/52)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: George Haswani (vertegenwoordiger: G. Karouni, avocat)

Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie, Europese Commissie

Conclusies

de punten 39 tot en met 47 van het arrest van het Gerecht van 22 maart 2017 (zaak T-231/15), waarin het Gerecht het verzoek niet-ontvankelijk verklaart tot nietigverklaring van besluit (GBVB) 2016/850 van de Raad van 27 mei 2016 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (1), en uitvoeringsverordening (EU) 2016/840 van de Raad van 27 mei 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (2), en de punten 1, 3, 4 en 5 van het dictum van het arrest vernietigen;

dientengevolge, gelasten dat de naam van George Haswani wordt geschrapt van de bijlagen bij voornoemde handelingen;

de zaak afdoen en besluit 2015/1836 (3) en uitvoeringsverordening 2015/1828 (4) nietig verklaren;

de zaak afdoen en de Raad veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 700 000 EUR voor alle schade;

de punten 91 tot en met 93 en de punten 4 en 5 van het dictum van het bestreden arrest vernietigen, aangezien George Haswani daarin wordt verwezen in de kosten met betrekking tot zijn eigen verzoeken en in twee derde van de kosten van de Raad;

de Raad verwijzen in de kosten overeenkomstig artikel 184, vierde alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

Middelen en voornaamste argumenten

Het eerste middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting aangezien het Gerecht in de punten 39 tot en met 47 van zijn arrest de door Haswani bij zijn tweede memorie tot aanpassing van de conclusies ingediende verzoeken tot nietigverklaring van besluit 2016/850 en uitvoeringsverordening 2016/840 niet-ontvankelijk heeft verklaard, gelet op de voorwaarden van artikel 86, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Die onjuiste rechtsopvatting komt bijzonder duidelijk tot uiting in punt 45 van het bestreden arrest.

Het tweede middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting aangezien het Gerecht in de punten 39 tot en met 47 van zijn arrest, meer in het bijzonder in punt 47 daarvan, heeft geoordeeld dat, in geval van niet-nakoming van de in artikel 86, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering vermelde verplichtingen, het Gerecht de conclusies van de memories tot aanpassing niet-ontvankelijk mag verklaren, zonder zelfs ook maar na te gaan of rekwirant al dan niet van de griffie een verzoek heeft ontvangen om die onregelmatigheid te herstellen.

Met het derde middel wordt aangevoerd dat blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in de punten 39 tot en met 47 van het bestreden arrest, en meer in het bijzonder in punt 46 daarvan, aangezien het Gerecht heeft geoordeeld dat Haswani in zijn memorie tot aanpassing niet alleen de aangepaste conclusies moest opnemen, maar hij tevens de aangepaste middelen opnieuw moest uiteenzetten.

In de vierde plaats wordt aangevoerd dat het Hof, in het kader van de hem verleende bevoegdheid om de zaak zelf af te doen, enkel maar de onrechtmatigheid kan vaststellen van het besluit en de uitvoeringsverordening van 2015 (2015/1836 en 2015/1828), op grond waarvan de tegoeden en economische middelen van vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn, zijn bevroren.


(1)  PB 2016, L 141, blz. 125.

(2)  PB 2016, L 141, blz. 30.

(3)  PB 2015, L 266, blz. 75.

(4)  PB 2015, L 266, blz. 1.


Gerecht

24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/43


Arrest van het Gerecht van 1 juni 2017 — Changmao Biochemical Engineering/Raad

(Zaak T-442/12) (1)

([„Dumping - Invoer van wijnsteenzuur uit China - Wijziging van het definitieve antidumpingrecht - Gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek - Behandeling als marktgerichte onderneming - Kosten van de belangrijkste productiemiddelen die hoofdzakelijk de marktwaarde weergeven - Wijziging in de omstandigheden - Motiveringsplicht - Termijn voor de vaststelling van een besluit over de behandeling als marktgerichte onderneming - Rechten van de verdediging - Artikel 20, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009”])

(2017/C 239/53)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Changmao Biochemical Engineering Co. Ltd (Changzhou, China) (vertegenwoordigers: E. Vermulst, S. van Cutsem, F. Graafsma en J. Cornelis, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Boelaert, gemachtigde, aanvankelijk bijgestaan door G. Berrisch, advocaat, en N. Chesaites, barrister, vervolgens door G. Berrisch en B. Byrne, solicitor, en tot slot door N. Tuominen, advocaat)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. França en A. Stobiecka-Kuik, vervolgens M. França en J.-F. Brakeland, gemachtigden) en Distillerie Bonollo SpA (Formigine, Italië), Industria Chimica Valenzana SpA (Borgoricco, Italië), Distillerie Mazzari SpA (Sant’Agata sul Santerno, Italië), Caviro Distillerie Srl (Faenza, Italië) en Comercial Química Sarasa, SL (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: R. MacLean, solicitor)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 626/2012 van de Raad van 26 juni 2012 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 349/2012 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op wijnsteenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2012, L 182, blz. 1), voor zover die op verzoekster van toepassing is

Dictum

1)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 626/2012 van de Raad van 26 juni 2012 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 349/2012 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op wijnsteenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China, wordt nietig verklaard voor zover die op Changmao Biochemical Engineering Co. Ltd van toepassing is.

2)

De Raad van de Europese Unie zal de helft van de kosten van Changmao Biochemical Engineering alsmede zijn eigen kosten dragen.

3)

Changmao Biochemical Engineering zal de helft van haar eigen kosten dragen.

4)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.

5)

Distillerie Bonollo SpA, Industria Chimica Valenzana SpA, Distillerie Mazzari SpA, Caviro Distillerie Srl en Comercial Química Sarasa, SL zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 366 van 24.11.2012.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/44


Arrest van het Gerecht van 8 juni 2017 — Groupe Léa Nature/EUIPO — Debonair Trading Internacional (SO’BiO ētic)

(Zaak T-341/13 RENV) (1)

([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniebeeldmerk SO’BiO ētic - Oudere Unie- en nationale woordmerken SO…? - Relatieve weigeringsgronden - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Afbreuk aan de reputatie - Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009”])

(2017/C 239/54)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Groupe Léa Nature SA (Périgny, Frankrijk) (vertegenwoordiger: S. Arnaud, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Gája, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Debonair Trading Internacional Lda (Funchal, Portugal) (vertegenwoordiger: T. Alkin, barrister)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 26 maart 2013 (zaak R 203/2011-1) inzake een oppositieprocedure tussen Debonair Trading Internacional en Groupe Léa Nature

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Groupe Léa Nature SA wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in de kosten die het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en interveniënte hebben gemaakt voor het Gerecht en het Hof.


(1)  PB C 260 van 7.9.2013.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/44


Arrest van het Gerecht van 7 juni 2017 — Guardian Europe/Europese Unie

(Zaak T-673/15) (1)

((„Niet-contractuele aansprakelijkheid - Vertegenwoordiging van de Unie - Verjaring - Tenietdoen van de rechtsgevolgen van een onherroepelijk geworden beslissing - Nauwkeurigheid van het verzoekschrift - Ontvankelijkheid - Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten - Redelijke procestermijn - Gelijke behandeling - Materiële schade - Geleden verlies - Winstderving - Immateriële schade - Causaal verband”))

(2017/C 239/55)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Guardian Europe Sàrl (Bertrange, Luxemburg) (vertegenwoordigers: F. Louis, advocaat, en M. C. O’Daly, solicitor)

Verwerende partij: Europese Unie, vertegenwoordigd door de Europese Commissie (vertegenwoordigers: N. Khan, A. Dawes en P. van Nuffel, gemachtigden) en het Hof van Justitie van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J. Inghelram en K. Sawyer, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 268 VWEU strekkende tot vergoeding van de schade die verzoekster vermeend heeft geleden wegens, enerzijds, de duur van de procedure in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 27 september 2012, Guardian Industries en Guardian Europe/Commissie (T-82/08, EU:T:2012:494), en, anderzijds, schending van het beginsel van gelijke behandeling in beschikking C(2007) 5791 definitief van de Commissie van 28 november 2007 inzake een procedure op grond van artikel [101 VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/39165 — Vlakglas) alsmede in het arrest van 27 september 2012, Guardian Industries en Guardian Europe/Commissie (T-82/08, EU:T:2012:494)

Dictum

1)

De Europese Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 654 523,43 EUR aan Guardian Europe Sàrl voor de door deze vennootschap geleden materiële schade wegens schending van de redelijke procestermijn in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 27 september 2012, Guardian Industries en Guardian Europe/Commissie (T-82/08, EU:T:2012:494). Op deze schadevergoeding wordt compensatoire rente toegepast, te rekenen vanaf 27 juli 2010 tot aan de uitspraak van het onderhavige arrest, tegen het door Eurostat (bureau voor de statistiek van de Europese Unie) voor de betrokken periode in de lidstaat van vestiging van deze vennootschap vastgestelde jaarlijkse inflatiepercentage.

2)

De schadevergoeding bedoeld in punt 1) zal worden vermeerderd met vertragingsrente vanaf de uitspraak van het onderhavige arrest tot aan de volledige voldoening ervan, tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank (ECB) voor zijn basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee procentpunten.

3)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

4)

Guardian Europe draagt de kosten van de Unie, vertegenwoordigd door de Europese Commissie.

5)

Gurdian Europe enerzijds, en de Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, anderzijds, dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 59 van 15.2.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/45


Arrest van het Gerecht van 7 juni 2017 — Blaž Jamnik en Blaž/Parlement

(Zaak T-726/15) (1)

((„Overheidsopdrachten voor diensten - Onroerendgoedopdracht - Aanbestedingsprocedure - Procedure van gunning via onderhandelingen zonder bekendmaking van een aankondiging van een opdracht - Gebouwen voor het EU-huis in Ljubljana - Verwerping van het voorstel na onderzoek van de plaatselijke markt - Gunning van de opdracht aan een andere inschrijver - Geen onderzoek van de documenten in bijlage bij het voorstel - Onjuiste rechtsopvatting - Kennelijk onjuiste beoordeling”))

(2017/C 239/56)

Procestaal: Sloveens

Partijen

Verzoekende partijen: Jožica Blaž Jamnik en Brina Blaž (Ljubljana, Slovenië) (vertegenwoordiger: D. Mihevc, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: V. Naglič, P. López-Carceller en B. Simon, gemachtigden)

Voorwerp

Primair, een verzoek op grond van artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 12 oktober 2015, waarbij het door verzoeksters in het kader van onroerendgoedopdracht INLO.AO-2013-051-LUX-UGIMBI-06, betreffende het toekomstige EU-huis in Ljubljana, ingediende voorstel werd verworpen na onderzoek van de plaatselijke markt, en van het besluit om de opdracht aan een andere inschrijver te gunnen en, subsidiair, een verzoek op grond van artikel 268 VWEU strekkende tot vergoeding van de schade die verzoeksters stellen te hebben geleden

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Jožica Blaž Jamnik en Brina Blaž worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 98 van 14.3.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/46


Arrest van het Gerecht van 8 juni 2017 — AWG/EUIPO — Takko (Southern Territory 23o48’25’’S)

(Zaak T-6/16) (1)

([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk Southern Territory 23o48’25’’S - Ouder Uniewoordmerk SOUTHERN - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 53, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 239/57)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: AWG Allgemeine Warenvertriebs GmbH (Köngen, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Sambuc, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: A. Schifko, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: Takko Holding GmbH (Telgte, Duitsland)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 10 november 2015 (zaak R 735/2015-4) inzake een nietigheidsprocedure tussen Takko Holding en AWG

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

AWG Allgemeine Warenvertriebs GmbH wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in de kosten van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).


(1)  PB C 98 van 14.3.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/46


Arrest van het Gerecht van 8 juni 2017 — Kaane American International Tobacco/EUIPO — Global Tobacco (GOLD MOUNT)

(Zaak T-294/16) (1)

([„Uniemerk - Procedure tot vervallenverklaring - Uniebeeldmerk GOLD MOUNT - Geen normaal gebruik van het merk - Geen geldige reden voor het niet-gebruiken - Artikel 51, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009”])

(2017/C 239/58)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Kaane American International Tobacco Company FZE, voorheen Kaane American International Tobacco Co. Ltd. (Jebel Ali, Verenigde Arabische Emiraten) (vertegenwoordigers: G. Hinarejos Mulliez en I. Valdelomar, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: H. O’Neill, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Global Tobacco FZCO (Dubai, Verenigde Arabische Emiraten) (vertegenwoordigers: G. Hussey, solicitor, en B. Brandreth, barrister)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 8 april 2016 (zaak R 1857/2015-4) inzake een procedure tot vervallenverklaring tussen Global Tobacco en Kaane American International Tobacco

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Kaane American International Tobacco Company FZE wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 279 van 1.8.2016.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/47


Beroep ingesteld op 15 april 2017 — Mémora Servicios Funerarios/EUIPO — Chatenoud (MEMORAME)

(Zaak T-221/17)

(2017/C 239/59)

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Mémora Servicios Funerarios SLU (Zaragoza, Spanje) (vertegenwoordigers: C. Marí Aguilar en J. Gallego Jiménez, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Georges Chatenoud (Thiviers, Frankrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniewoordmerk „MEMORAME” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 929 071

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 10 februari 2017 in zaak R 1308/2016-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 10 februari 2017 in zaak R 1308/2016-4 waarbij merkaanvraag nr. 12 929 071 tot inschrijving van het merk „MEMORAME” als Uniemerk gedeeltelijk is toegewezen, en bijgevolg volledige afwijzing van die merkaanvraag;

verwijzing van het EUIPO in verzoeksters kosten in de zin van artikel 87, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 8, lid 1, onder b), en lid 5, van verordening nr. 207/2009;

verzoekster stelt dat de kamer van beroep onvoldoende rekening ermee heeft gehouden dat het oppositiemerk „MEMORA” op het grondgebied van de Europese Unie een uitermate bekend merk is.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/47


Beroep ingesteld op 30 april 2017 — Metrans/Commissie en INEA

(Zaak T-262/17)

(2017/C 239/60)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Metrans a.s. (Praag, Tsjechië) (vertegenwoordiger: A. Schwarz, advocaat)

Verwerende partijen: Europese Commissie en Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA)

Conclusies

nietigverklaring met onmiddellijke ingang van het onderdeel met de code 2015-CZ-TM-0330-M, „Multimodale containerterminal Paskov, fase III”, en van het onderdeel met de code 2015-CZ-TM-0406-W, „Intermodale terminal Melnik, fasen 2 en 3”, in de bijlage bij het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 5 augustus 2016 tot vaststelling van de lijst van de voorstellen die zijn geselecteerd voor financiële bijstand van de Europese Unie in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) — sector vervoer na de oproep tot het indien van voorstellen van 5 november 2015 op basis van het meerjarig werkprogramma;

nietigverklaring of vaststelling van de nietigheid van subsidieovereenkomst nr. INEA/CEF/TRAN/M2015/1133813, die in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) — sector vervoer is gesloten tussen het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) en Advanced World Transport a.s. (AWT) (met betrekking tot project 2015-CZ-TM-0330-M, „Multimodale containerterminal Paskov”), of gelasten dat INEA deze overeenkomst ten aanzien van Paskov beëindigt;

nietigverklaring of vaststelling van de nietigheid van subsidieovereenkomst nr. INEA/CEF/TRAN/M2015/1138714, die in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) — sector vervoer is gesloten tussen het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) en České přístavy, a.s. (Czech Ports) (met betrekking tot project 2015-CZ-TM-0406-W, „Intermodale terminal Melnik, fasen 2 en 3”), of gelasten dat INEA deze overeenkomst ten aanzien van Melnik beëindigt;

hoofdelijke verwijzing van INEA en de Commissie in verzoeksters kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Eerste middel: de bestreden maatregel is in strijd met fundamentele beginselen van de Verdragen inzake de bescherming van de vrije markt en van mededinging op de interne markt.

Verzoekster stelt onder meer dat de interne markt tot stand brengen en de werking ervan verzekeren fundamentele beginselen en verplichtingen zijn waarop de Unie is gebaseerd (artikel 26 VWEU). Alle maatregelen die de Unie vaststelt, moeten in overeenstemming zijn met dit grondbeginsel en maatregelen die tegen dit beginsel indruisen moeten steeds voldoen aan de eisen van evenredigheid en subsidiariteit.

2.

Tweede middel: de bestreden maatregel is in strijd met artikel 93 VWEU en andere artikelen van het VWEU (de artikelen 3, 26, 93, 107, 119, artikel 170, lid 2, artikel 171, lid 1, Protocol 8 en artikel 1 daarvan, Protocol 27).

Verzoekster voert onder meer aan dat de bestreden maatregel steun vormt die niet beantwoordt aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer.

3.

Derde middel: de bestreden maatregel is in strijd met verordening (EU) nr. 1316/2013 en verordening (EU) nr. 1315/2013 en aanvullende regelgeving.

Verzoekster betoogt onder meer dat de toekenning van subsidies (gesteld dat zij in overeenstemming met andere EU-regelgeving zou zijn) niet voldoet aan alle noodzakelijke voorwaarden, zodat de subsidies niet hadden mogen worden toegekend.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/48


Beroep ingesteld op 3 mei 2017 — SD/EIGE

(Zaak T-263/17)

(2017/C 239/61)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: SD (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Blot, advocaten)

Verwerende partij: Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE)

Conclusies

nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van EIGE van 26 augustus 2016 tot afwijzing van verzoekers verzoek van 26 april 2016 om een tweede verlenging van zijn arbeidsovereenkomst;

voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van EIGE van 20 januari 2017, waarvan verzoeker kennis is gegeven op 23 januari 2017, tot afwijzing van verzoekers klacht van 3 oktober 2016 tegen het stilzwijgend besluit;

vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeker heeft geleden;

vergoeding van alle kosten van de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van de motiveringsplicht en dus van het beginsel van behoorlijk bestuur.

Verweerder heeft het besluit tot afwijzing van het verzoek en van de klacht niet gemotiveerd. Dit is in strijd met de motiveringsplicht en met het beginsel van behoorlijk bestuur.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van artikel 8 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de EU en van besluit nr. 82 van EIGE van 28 juli 2014 over de procedure van verlenging/niet-verlenging van overeenkomsten van tijdelijk en contractpersoneel („Besluit 82”).

Verweerder heeft nagelaten om op de juiste wijze gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheden die hem door bovengenoemde bepalingen zijn verleend en heeft niet alle relevante feiten van de zaak volledig en tot in detail onderzocht.

3.

Derde middel, ontleend aan procedurele onregelmatigheden waaronder schending van de interne procedureregels zoals vastgelegd in Besluit 82, schending van de rechten van verweer, van het recht om te worden gehoord, van het beginsel van behoorlijk bestuur en niet-nakoming van de zorgplicht.

Verweerder heeft niet alleen verzuimd om de procedure te volgen zoals vastgelegd in Besluit 82, maar heeft eveneens nagelaten om op andere wijze doeltreffend kennis te nemen van verzoekers standpunten. Hij dus verzuimd om vóór de vaststelling van het besluit van 26 augustus 2016 verzoeker te vragen om relevante informatie over zijn belangen en heeft verzoeker niet de mogelijkheid gegeven om zijn verweer op de juiste wijze voor te bereiden.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/49


Beroep ingesteld op 10 mei 2017 — Michela Curto/Parlement

(Zaak T-275/17)

(2017/C 239/62)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Michela Curto (Genua, Italië) (vertegenwoordigers: L. Levi en C. Bernard-Glanz, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

nietigverklaring van het bestreden besluit van 30 juni 2016 tot afwijzing van verzoeksters verzoek om bijstand en, voor zover nodig, van het besluit tot afwijzing van de klacht;

veroordeling van de verwerende partij tot betaling, aan verzoekster, van het bedrag van 10 000 EUR, dan welk elk ander bedrag dat het Gerecht redelijk zal achten, ter vergoeding van de immateriële schade die zij heeft geleden, vermeerderd met rente tegen het wettelijk percentage tot de volledige betaling ervan;

verwijzing van de verwerende partij in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling

De verwerende partij heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het betrokken gedrag niet ongepast was en dat het niet tot gevolg had dat verzoeksters persoonlijkheid, waardigheid, fysieke of psychische gezondheid werden aangetast.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van artikel 24 van het Ambtenarenstatuut en niet-nakoming van de bijstandsplicht.

De verwerende partij heeft onder andere het verzoek om bijstand niet serieus en snel behandeld, zoals de rechtspraak vereist.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/50


Beroep ingesteld op 15 mei 2017 — Keolis CIF e.a./Commissie

(Zaak T-289/17)

(2017/C 239/63)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Keolis CIF (Le Mesnil-Amelot, Frankrijk), Keolis Val d’Oise (Bernes-sur-Oise, Frankrijk), Keolis Seine Sénart (Draveil, Frankrijk), Keolis Seine Val de Marne (Athis-Mons, Frankrijk), Keolis Seine Esonne (Ormoy, Frankrijk), Keolis Vélizy (Versailles, Frankrijk), Keolis Yvelines (Versailles) en Keolis Versailles (Versailles) (vertegenwoordigers: D. Epaud en R. Sermier, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

primair, gedeeltelijke nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 2 februari 2017 betreffende de steunregeling SA.26763 2014/C (ex 2012/NN) die Frankrijk tot uitvoering heeft gebracht ten behoeve van de ondernemingen voor vervoer per bus in de regio Île-de-France, voor zover in artikel 1 van dat besluit wordt verklaard dat de steunregeling „onrechtmatig” tot uitvoering is gebracht, ofschoon het ging om een bestaande steunregeling;

subsidiair, gedeeltelijke nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 2 februari 2017 betreffende de steunregeling SA.26763 2014/C (ex 2012/NN) die Frankrijk tot uitvoering heeft gebracht ten behoeve van de ondernemingen voor vervoer per bus in de regio Île-de-France, voor zover in artikel 1 van dat besluit wordt verklaard dat de steunregeling „onrechtmatig” tot uitvoering is gebracht, voor de periode vóór 25 november 1998;

verwijzing van de Europese Commissie in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen twee middelen aan.

1.

Eerste, primair aangevoerde, middel: de betrokken regionale steunregeling is niet onrechtmatig tot uitvoering gebracht, aangezien zij niet was onderworpen aan de verplichting tot voorafgaande aanmelding. De regionale steunregeling is immers een bestaande steunregeling in de zin van artikel 108, lid 1, VWEU en artikel 1, onder b), en hoofdstuk VI van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9) (hierna: „verordening 2015/1589”). Volgens de op de bestaande steunregelingen toepasselijke bepalingen is de tenuitvoerlegging van dergelijke regelingen niet onrechtmatig, daar de Commissie in voorkomend geval slechts dienstige maatregelen kan voorschrijven om deze in de toekomst te doen evolueren of te doen verdwijnen.

2.

Tweede, subsidiair aangevoerde, middel: zelfs indien de betrokken steunregeling geen bestaande steunregeling zou zijn, kon de Commissie haar onderzoek niet doen teruggaan tot meer dan 10 jaar vóór 25 november 2008, de datum waarop de Commissie de Franse autoriteiten een verzoek om inlichtingen heeft gestuurd. Volgens artikel 17 van verordening 2015/1589 wordt de verjaringstermijn van tien jaar immers slechts gestuit door een maatregel van de Commissie of van een op verzoek van de Commissie handelende lidstaat. De verzoekende partijen zijn dan ook van mening dat de Commissie haar onderzoek slechts kon doen teruggaan tot 25 november 1998.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/51


Beroep ingesteld op 15 mei 2017 — Buck-Chemie/EUIPO — Henkel (Afbeelding van toiletdoorspoelinrichtingen)

(Zaak T-296/17)

(2017/C 239/64)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Buck-Chemie GmbH (Herrenberg, Duitsland) (vertegenwoordigers: C. Schultze, J. Ossing, R.-D. Härer, C. Weber, H. Ranzinger, C. Brockmann en C. Gehweiler, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Henkel AG & Co. KGaA (Düsseldorf, Duitsland)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van de betrokken tekening of het betrokken model: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken tekening of betrokken model: gemeenschapstekening of -model nr. 1663618-0003

Bestreden beslissing: beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO van 8 maart 2017 in zaak R 2113/2015-3

Conclusies

de bestreden beslissing vernietigen;

verweerder en de andere partijen verwijzen in de door verzoekster voor het Gerecht en de kamer van beroep gemaakte kosten.

Aangevoerde middelen

schending van de artikelen 62 en 63 van verordening nr. 6/2002;

schending van artikel 25, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 6/2002;

schending van artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002;

schending van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 6/2002;

schending van artikelen 5 en 6 van verordening nr. 6/2002.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/51


Beroep ingesteld op 29 mei 2017 — Martinair Holland/Commissie

(Zaak T-323/17)

(2017/C 239/65)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Martinair Holland NV (Haarlemmermeer, Nederland) (vertegenwoordiger: M. Smeets, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht) in zijn geheel, wegens schending van het verbod op willekeur en het beginsel van gelijke behandeling (eerste middel); wegens onbevoegdheid ter zake van luchtvervoer van vliegvelden buiten de EER naar vliegvelden binnen de EER (tweede middel) (primair); of

nietigverklaring van artikel 1, lid 2, onder d), en artikel 1, lid 3, onder d), van het bestreden besluit, voor zover in deze bepalingen is vastgesteld dat verzoekster zich bij het luchtvervoer van vliegvelden van buiten de EER naar vliegvelden binnen de EER schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk (tweede middel) (subsidiair); en

nietigverklaring van artikel 1 en artikel 1, lid 1, onder d), artikel 1, lid 2, onder d), alsmede artikel 1, lid 4, onder d), van het bestreden besluit, voor zover in deze bepalingen is vastgesteld dat het niet-betalen van commissie over toeslagen deel uitmaakte van de enkele en voortdurende inbreuk (derde middel); en

verwijzing van de Commissie in de kosten indien het Gerecht het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk nietig verklaart.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van het verbod van willekeur en van het beginsel van gelijke behandeling.

Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit het verbod van willekeur schendt doordat sommige ondernemingen die, blijkens de motivering ervan, wel hebben deelgenomen aan dezelfde gedragingen als de geadresseerden van het bestreden besluit, van het dispositief van het bestreden besluit zijn uitgesloten.

Verzoekster voert verder aan dat het bestreden besluit het beginsel van gelijke behandeling schendt door verzoekster te bestraffen wegens een inbreuk, haar een geldboete op te leggen en haar aan civielrechtelijke aansprakelijkheid bloot te stellen, terwijl sommige ondernemingen die, blijkens de motivering ervan, wel hebben deelgenomen aan dezelfde gedragingen als de geadresseerden van het bestreden besluit, van het dispositief van het bestreden besluit zijn uitgesloten.

2.

Tweede middel, ontleend aan onbevoegdheid inzake luchtvrachtvervoer van vliegvelden buiten de EER naar vliegvelden binnen de EER.

Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit onterecht is gebaseerd op de veronderstelling dat de enkele en voortdurende inbreuk inzake luchtvervoer van vliegvelden buiten de EER naar vliegvelden binnen de EER in de EER was geïmplementeerd.

Verzoekster voert verder aan dat het bestreden besluit onterecht is gebaseerd op de veronderstelling dat de enkele en voortdurende inbreuk inzake luchtvervoer van vliegvelden buiten de EER naar vliegvelden binnen de EER een wezenlijk, onmiddellijk en voorzienbaar gevolg had voor de mededing in de EER.

3.

Derde middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht en een kennelijke beoordelingsfout door vast te stellen dat het niet-betalen van commissie over toeslagen een apart onderdeel van de inbreuk uitmaakt.

Verzoeker voert aan dat de twee veronderstellingen op basis waarvan het bestreden besluit het niet-betalen van commissie over de toeslagen heeft aangemerkt als een apart onderdeel van de inbreuk, in het licht van de economische context en het regelgevingskader van de betrokken bedrijfstak tegenstrijdig zijn.

Verzoekster voert verder aan dat het niet-betalen van commissie over de toeslagen niet valt te onderscheiden van de praktijken die bij de brandstof- en veiligheidstoeslag werden gevolgd, en dat dit niet-betalen geen apart onderdeel van de inbreuk uitmaakt.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/53


Beroep ingesteld op 29 mei 2017 — SAS Cargo Group e.a./Commissie

(Zaak T-324/17)

(2017/C 239/66)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: SAS Cargo Group A/S (Kastrup, Denemarken), Scandinavian Airlines System Denmark-Norway-Sweden (Stockholm, Zweden), SAS AB (Stockholm) (vertegenwoordigers: B. Creve, M. Kofmann en G. Forwood, advocaten, en J. Killick, barrister)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht), geheel of gedeeltelijk nietig verklaren;

subsidiair, de aan verzoeksters opgelegde geldboete verlagen;

de maatregelen tot organisatie van de procesgang of maatregelen van instructie waarom is verzocht, of andere maatregelen van dien aard die het Hof noodzakelijk acht, vaststellen; en

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van verzoeksters verdedigingsrechten en van het beginsel van processuele gelijkheid door verzoeksters toegang tot relevant belastend en ontlastend bewijsmateriaal te weigeren, waaronder bewijsmateriaal dat de Commissie na de kennisgeving van de mededeling van de punten van bezwaar heeft ontvangen.

2.

Tweede middel, ontleend aan de onbevoegdheid om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op luchtvrachtdiensten op routes naar de EER toe, alsmede op routes tussen Zwitserland en de drie niet tot de EU behorende EER-staten.

3.

Derde middel, ontleend aan de onjuiste beoordeling van het bewijsmateriaal door de Commissie en de onjuiste conclusie dat zij met dit materiaal verzoeksters deelname aan of kennis van de in het bestreden besluit vastgestelde wereldwijde enkele en voortdurende inbreuk kon aantonen.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van artikel 266 VWEU, artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de EU, alsmede artikel 296, lid 2, VWEU, aangezien het bestreden besluit intern tegenstrijdig is, in het bijzonder wat betreft de toekenning van de aansprakelijkheid voor de vermeende inbreuk.

5.

Vijfde middel, ontleend aan de omstandigheid dat de Commissie verzoeksters ten onrechte een geldboete heeft opgelegd, aangezien verzoeksters niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de vermeende inbreuk, en in ieder geval aan fouten van de Commissie bij de berekening van de geldboete wat betreft de waarde van de verkopen, de aanpassingsfactor voor de ernst van het specifieke geval van SAS Cargo, de duur, de verhoging wegens herhaling en de verschillende verzachtende omstandigheden; de geldboete moet daarom nietig worden verklaard of anders aanzienlijk worden verlaagd.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/53


Beroep ingesteld op 29 mei 2017 — Koninklijke Luchtvaart Maatschappij/Commissie

(Zaak T-325/17)

(2017/C 239/67)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV (Amstelveen, Nederland) (vertegenwoordiger: M. Smeets, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht) in zijn geheel, wegens schending van het verbod op willekeur alsmede van het beginsel van gelijke behandeling (eerste middel); wegens onbevoegdheid inzake luchtvervoer van vliegvelden buiten de EER naar vliegvelden binnen de EER (tweede middel) (primair); wegens schending van artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst, artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer alsmede de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten (1) (vierde middel) (primair); of

nietigverklaring van artikel 1, lid 2, onder d), en artikel 1, lid 3, onder d), van het bestreden besluit, voor zover in deze bepalingen is vastgesteld dat verzoekster zich bij het luchtvervoer van vliegvelden van buiten de EER naar vliegvelden binnen de EER schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk (tweede middel) (subsidiair); en

nietigverklaring van artikel 1 en artikel 1, lid 1, onder d), artikel 1, lid 2, onder d), alsmede artikel 1, lid 4, onder d), van het bestreden besluit, voor zover in deze bepalingen is vastgesteld dat het niet-betalen van commissie over toeslagen deel uitmaakte van de enkele en voortdurende inbreuk (derde middel); en

alternatief, indien het Gerecht het bestreden besluit niet overeenkomstig het eerste, tweede en vierde middel geheel nietig verklaart, verlaging van de in artikel 3, onder c) en d), aan verzoekster opgelegde geldboete op grond van zijn beoordelingsvrijheid, overeenkomstig haar eerste, derde en vierde middel; en tot slot,

verwijzing van de Commissie in de kosten, indien het Gerecht het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk nietig verklaart of de geldboete verlaagt.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van het verbod van willekeur en van het beginsel van gelijke behandeling.

Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit het verbod van willekeur schendt doordat sommige ondernemingen die, blijkens de motivering ervan, wel hebben deelgenomen aan dezelfde gedragingen als de geadresseerden van het bestreden besluit, van het dispositief van het bestreden besluit zijn uitgesloten.

Verzoekster voert verder aan dat het bestreden besluit het beginsel van gelijke behandeling schendt door verzoekster te bestraffen wegens een inbreuk, haar een geldboete op te leggen en haar aan civielrechtelijke aansprakelijkheid bloot te stellen, terwijl sommige ondernemingen die, blijkens de motivering ervan, wel hebben deelgenomen aan dezelfde gedragingen als de geadresseerden van het bestreden besluit, van het dispositief van het bestreden besluit zijn uitgesloten.

2.

Tweede middel, ontleend aan onbevoegdheid inzake luchtvrachtvervoer van vliegvelden buiten de EER naar vliegvelden binnen de EER.

Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit onterecht is gebaseerd op de veronderstelling dat de enkele en voortdurende inbreuk inzake luchtvervoer van vliegvelden buiten de EER naar vliegvelden binnen de EER in de EER was geïmplementeerd.

Verzoekster voert verder aan dat het bestreden besluit onterecht is gebaseerd op de veronderstelling dat de enkele en voortdurende inbreuk inzake luchtvervoer van vliegvelden buiten de EER naar vliegvelden binnen de EER een wezenlijk, onmiddellijk en voorzienbaar gevolg had voor de mededinging in de EER.

3.

Derde middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht en een kennelijke beoordelingsfout door vast te stellen dat het niet-betalen van commissie over toeslagen een apart onderdeel van de inbreuk uitmaakt.

Verzoeker voert aan dat de twee veronderstellingen, op basis waarvan het bestreden besluit het niet-betalen van commissie over toeslagen heeft aangemerkt als een apart onderdeel van de inbreuk, in het licht van de economische context en het regelgevingskader van de betrokken bedrijfstak tegenstrijdig zijn.

Verzoekster voert verder aan dat het niet-betalen van commissie over de toeslagen niet valt te onderscheiden van de praktijken die bij de brandstof- en veiligheidstoeslag werden gevolgd, en dat dit niet-betalen geen apart onderdeel van de inbreuk uitmaakt.

4.

Het vierde middel is eraan ontleend dat de geldboete in strijd is met het in artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opgenomen beginsel van legaliteit en evenredigheid van boetes, met artikel 101 VWEU en met de richtsnoeren voor boeteberekening, en dat deze geldboete kennelijk onjuist.

Verzoekster voert aan dat de waarde van de verkopen van KLM Cargo waarop de inbreuk betrekking heeft, gelijkstaat aan de waarde van de brandstof- en de veiligheidstoeslag en niet aan de volledige omzet van KLM Cargo.

KLM Cargo’s verkopen buiten de EER zouden geen deel mogen uitmaken van de waarde van de verkopen van KLM Cargo waarop het basisbedrag van de geldboete is gebaseerd.

De vermindering van de geldboete met 15 % wegens overheidsinterventie komt niet overeen met de mate van overheidsinterventie in het tijdvak van de inbreuk.


(1)  Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/55


Beroep ingesteld op 29 mei 2017 — Air Canada/Commissie

(Zaak T-326/17)

(2017/C 239/68)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Air Canada (Saint-Laurent, Quebec, Canada) (vertegenwoordigers: T. Soames, G. Bakker en I.-Z. Prodromou-Stamoudi, advocaten, en J. Joshua, barrister)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht) geheel of gedeeltelijk nietig verklaren voor zover het betrekking heeft op verzoekster;

het boetebedrag nietig verklaren of subsidiair, aanzienlijk verlagen;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van de verdedigingsrechten, schending van het recht om te worden gehoord en schending van wezenlijke vormvoorschriften.

Volgens verzoekster heeft de Europese Commissie nagelaten in de mededeling van punten van bezwaar kennis te geven van haar bredere veronderstellingen aangaande de zaak in haar geheel, waardoor verzoekster zich niet kon verdedigen tegen de beschuldigingen, wat een voldoende grond is om het bestreden besluit nietig te verklaren.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van de verdedigingsrechten, ontoereikende motivering en schending van wezenlijke vormvoorschriften.

Volgens verzoekster heeft de Europese Commissie verzoeksters verdedigingsrechten geschonden door i) in het geheel geen of een ontoereikende motivering te geven voor de op alle vliegroutes geconstateerde enkele en voortdurende inbreuk; ii) na te laten de aard en omvang van de vermeende inbreuk(en) met de door de wet vereiste precisie weer te geven; iii) de intrinsieke tegenstrijdigheid tussen één enkele voortdurende inbreuk en vier aparte inbreuken die heeft geleid tot de nietigverklaring van besluit C(2010) 7694 definitief van de Commissie van 9 november 2010 niet op te heffen, wat voldoende gronden zijn om het besluit in zijn geheel niet te verklaren.

3.

Derde middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en kennelijke schending van het recht met betrekking tot het feit dat luchtvaartmaatschappijen van buiten de EU/EER niet op inter-Europese routes kunnen vliegen.

Verzoekster voert aan dat de Europese Commissie i) in artikel 1, leden 1 en 4, van het bestreden besluit onterecht heeft vastgesteld dat verzoekster heeft deelgenomen aan een inbreuk of inbreuken op routes binnen de EER en tussen vliegvelden binnen de EU en vliegvelden in Zwitserland zonder dat zij het recht had op die routes luchtvrachtdiensten te verlenen; ii) de internationale en EU-regelgeving omtrent luchtvaartrechten over het hoofd heeft gezien of verkeerd heeft uitgelegd; iii) de relevante rechtspraak onjuist heeft toegepast door vast te stellen dat er voor verzoekster geen sprake was van „onoverkomelijke hindernissen” om op inter-Europese routes diensten aan te bieden en verzoekster dus onterecht heeft aangemerkt als een potentiële concurrent op deze routes. Volgens verzoekster vormen deze punten elk apart en tezamen kennelijke beoordelingsfouten en een kennelijke schending van het recht en bieden zij elk apart of tezamen voldoende grondslag voor de nietigverklaring van het gehele besluit, of, subsidiair, van artikel 1, leden 1 en 4, van dit besluit.

4.

Vierde middel, ontleend aan kennelijke schending van de feiten en het recht met betrekking tot de bevoegdheid.

Verzoekster voert aan dat in het bestreden besluit de feiten en het recht kennelijk zijn geschonden, aangezien daarin i) onterecht geheel wettige activiteiten op routes in derde landen als argument zijn aangevoerd om een inbreuk op inter-Europese routes te bewijzen of vast te stellen, terwijl het onmogelijk is een dergelijke inbreuk te begaan (grond voor nietigverklaring van het bestreden besluit in zijn geheel); ii) wordt uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de bevoegdheid met betrekking tot vermeende collusie aangaande „inkomend” verkeer op routes vanuit derde landen (grond voor nietigverklaring van het bestreden besluit in zijn geheel of, subsidiair, van artikel 1, lid 2, en artikel 1, lid 3).

5.

Vijfde middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling van het tegen verzoekster aangevoerde bewijs.

Volgens verzoekster i) heeft de Europese Commissie wat het bewijs betreft het recht inzake één enkele voortdurende inbreuk niet naar behoren toegepast; ii) is de Commissie er niet in geslaagd betrouwbaar bewijs te leveren en de tegen verzoekster aangevoerde feiten rechtens genoegzaam te bewijzen; en iii) heeft de Commissie onterecht niet geaccepteerd dat verzoekster haar onjuist opgestelde clementieverzoek terugtrok en heeft zij nagelaten rekening te houden met de gevolgen van die terugtrekking voor het tegen verzoekster aangevoerde bewijs, wat voldoende gronden zijn voor de nietigverklaring van het bestreden besluit in zijn geheel.

6.

Met het zesde middel verzoekt verzoekster het Gerecht overeenkomstig het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde middel, de in artikel 3 opgelegde boete te nietig te verklaren of, subsidiair, aanzienlijk te verlagen op grond van zijn volledige rechtsmacht krachtens artikel 261 VWEU, artikel 31 van verordening 1/2003 en vaste rechtspraak.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/56


Beroep ingesteld op 26 mei 2017 — Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/EUIPO — M. J. Dairies (BBQLOUMI)

(Zaak T-328/17)

(2017/C 239/69)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi (Nicosia, Cyprus) (vertegenwoordigers: S. Malynicz, QC, en V. Marsland, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: M. J. Dairies EOOD (Sofia, Bulgarije)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met het woordelement „BBQLOUMI” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 069 034

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 16 maart 2017 in zaak R 497/2016-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/57


Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Cargolux Airlines/Commissie

(Zaak T-334/17)

(2017/C 239/70)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Cargolux Airlines International SA (Sandweiler, Luxemburg) (vertegenwoordigers: G. Goeteyn, solicitor, E. Aliende Rodríguez, advocaat, en C. Rawnsley, barrister)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

ingeval het Gerecht het eerste, tweede, derde of vierde middel aanvaardt, de leden 1 tot en met 4 van artikel 1 van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht) in hun geheel nietig verklaren voor zover zij betrekking hebben op Cargolux;

ingeval het Gerecht het vijfde middel aanvaardt,

artikel 1, lid 1, in zijn geheel nietig verklaren, of, indien artikel 1, lid 1, niet in zijn geheel nietig wordt verklaard, artikel 1, lid 1, nietig verklaren i) voor zover het betrekking heeft op veiligheidstoeslagen en de betaling van commissie; ii) voor zover het betrekking heeft op het tijdvak tussen 22 januari 2001 en eind 2002; en iii) voor zover daarbij wordt vastgesteld dat verzoekster vóór op zijn vroegst 10 juni 2005 betrokken was bij een kartel volgens de gebruikelijke betekenis van die term;

artikel 1, lid 2, in zijn geheel nietig verklaren, of, indien artikel 1, lid 2, niet in zijn geheel nietig wordt verklaard, artikel 1, lid 2, nietig verklaren: i) voor zover het betrekking heeft op veiligheidstoeslagen en de betaling van commissie; ii) voor zover het vaststelt dat verzoekster vóór op zijn vroegst 10 juni 2005 betrokken was bij een kartel volgens de gebruikelijke betekenis van die term;

artikel 1, lid 3, en artikel 1, lid 4, in hun geheel nietig verklaren.

ingeval het Gerecht het zesde middel aanvaardt, de leden 2 en 3 van artikel 1 van het bestreden besluit nietig verklaren voor zover daarin wordt vermeend dat Cargolux heeft deelgenomen aan enige inbreuk met betrekking tot inkomende routes (dat wil zeggen van vliegvelden in derde landen naar vliegvelden binnen de EU of in IJsland en Noorwegen);

de in artikel 3 aan Cargolux opgelegde geldboete nietig verklaren en, indien het Gerecht de geldboete niet geheel intrekt, deze op grond van zijn volledige rechtsmacht aanzienlijk verlagen;

de met het oog op artikel 4 noodzakelijke vervolgmaatregelen gelasten, voor zover op Cargolux van toepassing;

de Commissie verwijzen in de kosten van Cargolux.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zeven middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling aangezien de Commissie ultra vires heeft gehandeld door zich te beroepen op bewijs dat betrekking had op routes en tijdvakken die niet onder haar bevoegdheid vielen.

Verzoekster voert aan dat de Commissie haar bevoegdheid ontoelaatbaar ver heeft opgerekt door zich ter ondersteuning van de door haar vastgestelde inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van het EER-Overeenkomst met betrekking tot inter-EER-routes te beroepen op bewijs van voor: a) 1 mei 2004 inzake routes tussen de EU en derde landen; b) 19 mei 2005 inzake routes tussen niet tot de EU behorende EER-landen en derde landen; en c) 1 juni 2002 inzake routes tussen de EU en Zwitserland.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van verdedigingsrechten en een kennelijke beoordelingsfout aangezien de Commissie wezenlijke vormvoorschriften alsmede verzoeksters verdedigingsrechten heeft geschonden door voorafgaand aan de hernieuwde vaststelling van haar besluit geen nieuwe mededeling van punten van bezwaar te doen uitgaan.

Verzoekster voert aan dat de Commissie onterecht tot de slotsom is gekomen dat het niet nodig was om voorafgaand aan de hernieuwde vaststelling van haar besluit een nieuwe mededeling van punten van bezwaar te doen uitgaan, waardoor zij verzoeksters verdedigingsrechten heeft geschonden.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van het recht en een kennelijke beoordelingsfout aangezien de Commissie niet is overgegaan tot een beoordeling van de wettelijke en economische context, wat noodzakelijk is om rechtsgeldig een mededingingsbeperkende strekking te kunnen vaststellen.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften, het ontbreken van een motivering, schending van verdedigingsrechten en kennelijke schending van de feiten en het recht, aangezien de Commissie de omvang en kenmerken van de veronderstelde inbreuk op artikel 101 VWEU niet voldoende nauwkeurig heeft aangegeven.

Verzoekster voert aan dat door het begrip enkele en voortdurende inbreuk te ver op te rekken een niet meer te verhelpen onduidelijkheid is ontstaan omtrent de omvang van de inbreuk, wat het onmogelijk maakt goed te vatten waaruit deze inbreuk bestaat.

5.

Vijfde middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout aangezien de Commissie er niet in is geslaagd om betrouwbaar bewijsmateriaal te leveren voor haar conclusies en evenmin om de feiten waarop zij haar vaststellingen heeft gebaseerd rechtens genoegzaam te bewijzen.

Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit feitelijke onjuistheden en verkeerde beoordelingen bevat met betrekking tot alle drie elementen van de vermeende enkele en voortdurende inbreuk, namelijk de brandstoftoeslag [fuel surcharge (FSC)], de veiligheidstoeslag [security surcharge (SSC)] en de commissies over de toeslagen. Volgens verzoekster heeft de Commissie het begrip enkele en voortdurende inbreuk ook onterecht gebruikt als een overkoepelende term wat haar in staat stelde heel diverse feiten en ondernemerscontacten, die soms betrekking hadden op gedrag dat rechtmatig of irrelevant was, als „bewijs” aan te merken.

6.

Zesde middel, ontleend aan schending van het recht aangezien de Commissie zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard voor vermeende mededingingsbeperkende onderlinge afstemming met betrekking tot vluchten van vliegvelden in derde landen naar vliegvelden binnen de EER en een onjuist toepassing van het recht aangezien dergelijke vluchten buiten de werkingssfeer van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vallen.

7.

Zevende middel, met betrekking tot het verzoek om herziening van de geldboete op grond van de volledige rechtsmacht van het Gerecht, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en schending van het evenredigheidsbeginsel.

Verzoekster voert aan dat de Commissie de waarde van de verkopen onjuist heeft vastgesteld door onterecht de inkomende vluchten mee te tellen en dat zij de algehele ernst van de gestelde inbreuk sterk heeft overschat. Met betrekking tot verzoekster heeft de Commissie de ernst en duur van de gestelde inbreuk verkeerd beoordeeld en de verzachtende omstandigheden ten onrechte verworpen.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/59


Beroep ingesteld op 30 mei 2017 — Help — Hilfe zur Selbsthilfe/Commissie

(Zaak T-335/17)

(2017/C 239/71)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Help — Hilfe zur Selbsthilfe e.V. (Bonn, Duitsland) (vertegenwoordigers: V. Jungkind en P. Cramer, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van verweerster van 21 maart 2017 [Ares(2017)1515573], waarbij een deel van de steun voor het ondersteuningsproject Food Security Promotion for very food insecure farming households in Zimbabwe (ECHO/ZWE/BUD/2009/02002) ten bedrage van 643 627,72 EUR wordt teruggevorderd, en van de op basis daarvan vastgestelde debetnota van 7 april 2017 (nr. 3241705513), waarmee verweerster betaling van de eerste aflossing ten bedrage van 321 813,86 EUR heeft gevorderd, en

verwijzing van verweerster in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Eerste middel: de door verweerster gelaakte handelwijze vormt geen schending van materieel recht

De door verweerster gelaakte handelwijze van verzoekster bij de gunning van twee overeenkomsten voor de levering van landbouwproducten vormt geen schending van bindende materieelrechtelijke voorschriften betreffende de organisatie van aanbestedingen in het kader van humanitaire projecten. Met name was de handelwijze in overeenstemming met de verplichte gunningsbeginselen bedoeld in artikel 184, lid 1, van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement voor de EU 2009, en artikel 2, lid 3, van de vastgestelde voorschriften en procedures (Rules and Procedures) in bijlage IV bij de partnerschapskaderovereenkomst van 2008 inzake de samenwerking van de EU met niet-gouvernementele organisaties op het gebied van humanitaire hulp.

De gelaakte handelwijze vormt bovendien geen schending van de documentatieplicht bedoeld in artikel 23, lid 4, van de algemene bepalingen opgenomen in bijlage III bij de partnerschapskaderovereenkomst.

2.

Tweede middel: geen andere redenen voor de terugvordering

Er bestaan ook geen andere redenen voor een terugvordering van de financiële steun. De door verzoekster uitgekozen onderneming heeft de bestelde goederen met name tijdig en volledig geleverd en zij waren van goede kwaliteit. Verzoekster heeft het ondersteuningsproject bovendien met succes uitgevoerd, hetgeen door in totaal vier onafhankelijke, door derden uitgevoerde verificaties is bevestigd.

Er is geen sprake van strafbaar gedrag door de betrokken medewerkers van verzoekster. De Staatsanwaltschaft Bonn (openbaar ministerie Bonn, Duitsland) heeft wegens het ontbreken van een vermoeden van een strafbaar feit geen onderzoeksprocedure ingeleid.

3.

Derde middel (subidiair): niet-uitoefening van discretionaire bevoegdheid en onevenredigheid

Verweerster heeft het besluit tot terugvordering van de verleende financiële steun genomen in de onjuiste veronderstelling dat zij gebonden was door een bindende aanbeveling van het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF) inzake de terugvordering. Aldus oefende verweerster haar discretionaire bevoegdheid niet uit, waardoor de terugvordering onrechtmatig is.

De terugvordering van de volledige tranche van 643 627,27 EUR is bovendien onrechtmatig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel van artikel 5, lid 4, VWEU. Zij gaat verder dan wat nodig is ter bescherming van de begroting en is met name gelet op de succesvolle uitvoering van het steunproject niet evenredig aan de daarmee samenhangende last voor verzoekster.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/60


Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Shenzhen Jiayz Photo Industrial/EUIPO — Seven (sevenoak)

(Zaak T-339/17)

(2017/C 239/72)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Shenzhen Jiayz Photo Industrial Ltd (Shenzhen, China) (vertegenwoordiger: M. de Arpe Tejero, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Seven SpA (Leinì, Italië)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met het woordelement „SEVENOAK” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 521 125

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 23 maart 2017 in zaak R 1326/2016-1

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

toewijzing van Uniemerkaanvraag nr. 13 521 125 „SEVENOAK” voor alle in de aanvraag opgenomen waren;

verwijzing van het EUIPO in de kosten van de procedure.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/60


Beroep ingesteld op 30 mei 2017 — Japan Airlines/Commissie

(Zaak T-340/17)

(2017/C 239/73)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Japan Airlines Co. Ltd (Tokio, Japan) (vertegenwoordigers: J.-F. Bellis en K. Van Hove, advocaten, en R. Burton, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht) in zijn geheel nietig verklaren voor zover dit betrekking heeft op verzoekster;

subsidiair, de aan verzoekster opgelegde geldboete in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht verlagen; en

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster elf middelen aan.

1.

Het eerste middel is eraan ontleend dat de Commissie het ne-bis-in-idembeginsel alsmede artikel 266 VWEU heeft geschonden door vast te stellen dat verzoekster aansprakelijk is voor onderdelen van de inbreuk waarvoor de Commissie haar in het besluit van 2010 niet aansprakelijk had gehouden en, in ieder geval, dat zij de toepasselijke verjaringstermijn niet in acht heeft genomen door verzoekster een geldboete op te leggen met betrekking tot deze onderdelen en dat zij niet heeft aangetoond een gerechtvaardigd belang te hebben bij de formele vaststelling van een inbreuk met betrekking tot deze onderdelen.

2.

Het tweede middel is eraan ontleend dat de Commissie het non-discriminatiebeginsel heeft geschonden door het bestreden besluit opnieuw vast te stellen, aangezien verzoekster daardoor in een minder voordelige positie verkeert dan andere geadresseerden van het besluit van 2010 voor wie dit besluit onherroepelijk en bindend is geworden.

3.

Het derde middel is eraan ontleend dat de Commissie zich schuldig heeft gemaakt aan schending van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en verzoeksters verdedigingsrechten, alsmede buiten haar bevoegdheden is getreden, door vast te stellen dat verzoekster aansprakelijk is voor een inbreuk op routes binnen de EER en tussen de EU en Zwitserland gedurende een tijdvak waarin de Commissie met betrekking tot luchtvaartmaatschappijen die alleen op de routes tussen EER-landen en derde landen vlogen, niet bevoegd was om de naleving van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst af te dwingen en dat verzoeksters handelwijze op de routes tussen EER-landen en derde landen dienovereenkomstig rechtmatig was.

4.

Het vierde middel is eraan ontleend dat de Commissie artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst heeft geschonden door vast te stellen dat verzoekster heeft deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk die ook de routes betrof waarop verzoekster niet vloog en bij gebrek aan de vereiste rechten ook niet mocht vliegen.

5.

Het vijfde middel is eraan ontleend dat de Commissie artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst heeft geschonden door zich bevoegd te achten voor inkomende luchtvrachtdiensten op routes tussen EER-landen en derde landen aangezien dergelijke diensten geleverd worden aan klanten van buiten de EER.

6.

Het zesde middel is eraan ontleend dat de Commissie verzoeksters verdedigingsrechten en de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid heeft geschonden door ten aanzien van verschillende vervoerders verschillende eisen te stellen aan het bewijs.

7.

Het zevende middel is eraan ontleend dat de Commissie de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 (1) en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door de boetebedragen mede te berekenen aan de hand van de relevante waarde van de verkopen welke is afgeleid van onderdelen van de waarde van luchtvrachtdiensten die geen verband houden met de in het bestreden besluit weergegeven inbreuk.

8.

Het achtste middel is eraan ontleend dat de Commissie de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 en het beginsel van gewettigd vertrouwen heeft geschonden door de boetebedragen mede te berekenen aan de hand van de relevante waarde van de verkopen welke is afgeleid van de waarde van luchtvrachtdiensten op binnenkomende routes tussen EER-landen en derde landen.

9.

Het negende middel is eraan ontleend dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door de ingevolge het regelgevingskader aan verzoekster toegekende boetevermindering te beperken tot 15 %.

10.

Het tiende middel is eraan ontleend dat de Commissie het non-discriminatiebeginsel, het evenredigheidsbeginsel alsmede verzoeksters verdedigingsrechten heeft geschonden door verzoekster geen boetevermindering van 10 % toe te kennen op grond van haar beperkte deelname aan de inbreuk, terwijl aan andere geadresseerden van het bestreden besluit en het besluit van 2010 die in een objectief vergelijkbare situatie verkeerden als verzoekster, wel een dergelijke verlaging was toegekend.

11.

Het elfde middel is eraan ontleend dat het Gerecht op grond van haar volledige rechtsmacht de geldboete aanzienlijk moet verlagen.


(1)  Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/62


Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — British Airways/Commissie

(Zaak T-341/17)

(2017/C 239/74)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: British Airways plc (Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: J. Turner, QC, R. O’Donoghue, barrister, en A. Lyle-Smythe, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — luchtvracht) in zijn geheel of gedeeltelijk nietig verklaren;

voorts, of subsidiair, de in het bestreden besluit aan verzoekster opgelegde geldboete krachtens de volledige rechtsmacht van het Gerecht nietig verklaren of verlagen;

de Commissie verwijzen in verzoeksters proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster negen middelen aan.

1.

Het eerste middel is eraan ontleend dat de Commissie het recht en/of een wezenlijk vormvoorschrift heeft geschonden door een inbreukbesluit vast te stellen dat is gebaseerd op twee onderling strijdige beoordelingen van de relevante feiten en rechtsregels, en dat dienovereenkomstig onsamenhangend is, alsmede onverenigbaar met het rechtszekerheidsbeginsel, en dat kan leiden tot verwarring binnen de Europese rechtsorde.

2.

Het tweede middel is eraan ontleend dat de Commissie haar plicht krachtens artikel 266 VWEU niet is nagekomen door met de hernieuwde vaststelling van het tegen verzoekster gerichte besluit een handeling te verrichten die bedoeld was om de door het Gerecht in zijn arrest in zaak T-48/11 geconstateerde wezenlijke fouten te verhelpen, maar waardoor deze fouten, in plaats van ze te herstellen, eerder ernstiger zijn geworden.

3.

Het derde middel is eraan ontleend dat de Commissie het recht en/of een wezenlijk vormvoorschrift heeft geschonden door de aan verzoekster opgelegde geldboete ontoereikend te motiveren. Volgens verzoekster is de opgelegde geldboete gebaseerd op vastgestelde inbreuken die niet zijn opgenomen in het onderhavige besluit en die evenmin stroken met de wel in het onderhavige besluit opgenomen inbreuken. Verzoekster voert voorts, of subsidiair, aan dat de Commissie in dit opzicht met haar benadering buiten haar bevoegdheden is getreden.

4.

Het vierde middel is eraan ontleend dat de Commissie niet bevoegd was om artikel 101 VWEU/artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op vermeende mededingingsbeperkingen met betrekking tot de levering van luchtvrachtdiensten op inkomende routes naar de EU/EER. Verzoekster voert verder aan dat dergelijke beperkingen buiten het toepassingsgebied van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vallen.

5.

Het vijfde middel is eraan ontleend dat de Commissie, gezien de geldende wet- en regelgeving en hun praktische toepassing, artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst onjuist heeft aangewend op onderlinge afstemming over toeslagen voor luchtvrachtdiensten naar en van bepaalde landen, en dat de boetevermindering die in dit verband werd toegepast, willekeurig en ondeugdelijk was. Verzoekster voert voorts aan dat de motivering van de Commissie aangaande bepaalde jurisdicties in ieder geval kennelijk ontoereikend was.

6.

Het zesde middel is eraan ontleend dat de Commissie ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat verzoekster heeft deelgenomen aan een inbreuk met betrekking tot het (niet) betalen van commissie over toeslagen.

7.

Het zevende middel is eraan ontleend dat de Commissie in het besluit bij de vaststelling van de geldboete ten onrechte is uitgegaan van de „waarde van de verkopen”. Volgens verzoekster had zij enkel uit mogen gaan van de uit de toeslagen voortvloeiende inkomsten en had zij omzet uit inkomende vluchten naar de EU/EER buiten beschouwing moeten laten.

8.

Het achtste middel is eraan ontleend dat de Commissie ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat verzoekster de negende clementieaanvrager was en dus recht had op een boeteverlaging van slechts 10 %, hoewel verzoekster in feite de eerste was die na de immuniteitsverzoeker een clementieaanvraag indiende en significante toegevoegde waarde had.

9.

Het negende middel is eraan ontleend dat de Commissie de aanvangsdatum van verzoeksters inbreuk onjuist heeft vastgesteld. Volgens verzoekster was pas vanaf oktober 2001 sprake van een inbreuk en kan een eerdere aanvangsdatum met het aangevoerde bewijs niet rechtens genoegzaam worden bewezen.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/63


Beroep ingesteld op 30 mei 2017 — Deutsche Lufthansa e.a./Commissie

(Zaak T-342/17)

(2017/C 239/75)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Deutsche Lufthansa AG (Keulen, Duitsland), Lufthansa Cargo AG (Frankfurt am Main, Duitsland), Swiss International Air Lines AG (Bazel, Zwitserland) (vertegenwoordiger: S. Völcker, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht) nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten, waaronder de kosten van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan.

1.

Het eerste middel is eraan ontleend het bestreden besluit lijdt aan een ontoereikende motivering, aangezien de geografische omvang van de inbreuk noch in het dispositief noch in de motivering eenduidig is vastgesteld.

2.

Het tweede middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit artikel 11 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer heeft geschonden omdat het steunt op contacten tussen concurrenten die hebben plaatsgevonden in Zwitserland en die voornamelijk invloed hadden op luchtvrachttransport tussen Zwitserland en derde landen.

3.

Het derde middel is eraan ontleend dat met het bestreden besluit het verbod van terugwerkende kracht is geschonden door te steunen op contacten die plaatsvonden voordat verordening 1/2003 (1) in werking trad en die alleen invloed hadden op routes buiten de EER.

4.

Het vierde middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer heeft geschonden door zonder behoorlijk onderzoek contacten die buiten de EER hebben plaatsgevonden, alsmede contacten met betrekking tot de WOW-alliantie (een alliantie van Japan Airlines Cargo, Lufthansa Cargo, SAS Cargo en Singapore Airlines Cargo), alsmede contacten met betrekking tot de betaling van commissie over toeslagen, aan te merken als onderdelen van dezelfde enkele en voortdurende inbreuk die ook contacten tussen concurrenten op directieniveau omvat.

5.

Het vijfde middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst heeft geschonden voor zover het uitgaat van de opvatting dat contacten tussen concurrenten die plaatsvonden buiten de EER schendingen van artikel 101 VWEU of artikel 53 van de EER-Overeenkomst vormen. Volgens verzoeksters beperken overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot naar de EER inkomend vrachtvervoer de mededinging binnen de EER niet, en hebben zij evenmin invloed op de handel tussen de lidstaten. Bovendien wordt volgens verzoekster in het bestreden besluit het verkeerde rechtskader toegepast om te bepalen of overheidsinmenging in de rechtsordes van een aantal hier relevante landen toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst uitsluit.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/64


Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Cathay Pacific Airways/Commissie

(Zaak T-343/17)

(2017/C 239/76)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Cathay Pacific Airways Ltd (Hongkong, China) (vertegenwoordigers: R. Kreisberger en N. Grubeck, barristers, M. Rees, solicitor, en E. Estellon, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de in artikel 1, leden 1 tot 4, van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht) opgenomen vaststellingen van een inbreuken nietig verklaren, voor zover deze vaststellingen verzoekster betreffen;

artikel 3 van het bestreden besluit nietig verklaren voor zover verzoekster daarin een geldboete van 57 120 000 EUR wordt opgelegd, of, subsidiair, het bedrag van de geldboete verlagen, en

de Commissie verwijzen in de door verzoekster voor dit beroep gemaakte kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zeven middelen aan.

1.

Het eerste middel is eraan ontleend dat de Commissie de feiten en/of het recht heeft geschonden en/of niet aan de relevante bewijsstandaard heeft voldaan, door verzoekster op te nemen in artikel 1, leden 1 en 4, van het dispositief van het bestreden besluit alsook door vast te stellen dat verzoekster heeft deelgenomen aan de vermeende enkele en voortdurende inbreuk.

Verzoekster voert aan dat er geen rechtsgrondslag is om haar de inbreuken binnen Europa aan te rekenen.

Verzoekster stelt voorts dat de beschikbare feiten niet toereikend zijn om haar de inbreuken binnen Europa aan te rekenen.

Verzoekster beweert voorts dat de Commissie haar verdedigingsrechten heeft geschonden door zich te baseren op nieuwe gronden.

Verzoekster voert tot slot aan dat de onrechtmatige opname van verzoekster in artikel 1, leden 1 en 4, fnuikend is voor de poging van de Commissie om verzoeksters deelname aan de vermeende enkele en voortdurende inbreuk te bewijzen.

2.

Het tweede middel is eraan ontleend dat de Commissie artikel 25 van verordening 1/2003 alsmede de beginselen van rechtszekerheid, rechtvaardigheid en een goede rechtsbedeling heeft geschonden door een tweede tegen verzoekster gericht besluit vast te stellen, waarin haar nieuwe inbreuken worden aangerekend.

3.

Het derde middel is eraan ontleend dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster aansprakelijk is voor deelname aan de vermeende enkele en voortdurende inbreuk.

Volgens verzoekster heeft de Commissie nagelaten om specifiek op verzoeksters geval in te gaan en heeft zij met betrekking tot verzoekster niet het bewijs van de afzonderlijke onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk geleverd.

Verzoekster stelt voorts dat de Commissie er niet in is geslaagd aan te tonen dat er sprake was van een alomvattend plan met een gemeenschappelijk doel.

Verzoekster beweert voorts dat de Commissie er niet in is geslaagd aan te tonen dat verzoekster heeft deelgenomen aan, of de vooropgezette bedoeling had om aan de enkele en voortdurende inbreuk deel te nemen aan.

Volgens verzoekster is tot slot nergens vastgesteld dat zij over de vereiste kennis beschikte.

4.

Het vierde middel is eraan ontleend dat de Commissie haar vaststelling van verzoeksters deelname aan de vermeende enkele en voortdurende inbreuk ontoereikend heeft gemotiveerd.

5.

Het vijfde middel is eraan ontleend dat de Commissie het bewijs voor verzoeksters deelname aan de vermeende enkele en voortdurende inbreuk ten onrechte heeft gebaseerd op werkzaamheden van verzoekster die door het recht van derde landen worden gereguleerd en hieromtrent een ontoereikende motivering heeft gegeven.

Volgens verzoekster heeft de Commissie niet voldaan aan de toepasselijke bewijslast aangaande verzoeksters werkzaamheden in Hongkong en/of heeft zij geen toereikende motivering gegeven.

Volgens verzoekster is de Commissie er verder niet in geslaagd de mededingingsbeperkende strekking van haar handelen in Hongkong vast te stellen.

Verzoekster stelt voorts dat het in Hongkong toepasselijke recht haar dwong om gezamenlijke aanvragen in te dienen.

Verzoekster voert tot slot aan dat de beginselen van interstatelijke hoffelijkheid en niet-inmenging zijn geschonden.

6.

Het zesde middel is eraan ontleend dat de Commissie niet bevoegd was om artikel 101 VWEU toe te passen op inkomende vluchten, dat wil zeggen op luchtvrachtdiensten vanuit derde landen naar Europa.

7.

Het zevende middel is eraan ontleend dat de Commissie het recht verkeerd heeft toegepast bij de berekening van de aan verzoekster opgelegde geldboete.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/65


Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Latam Airlines Group en Lan Cargo/Commissie

(Zaak T-344/17)

(2017/C 239/77)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Latam Airlines Group SA (Santiago, Chili), Lan Cargo SA (Santiago) (vertegenwoordigers: B. Hartnett, barrister, O. Geiss, advocaat, en W. Sparks, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht) nietig verklaren voor zover het betrekking heeft op verzoeksters;

daarenboven of subsidiair, de aan verzoeksters opgelegde boetes verlagen; en

verweerster verwijzen in de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters zeven middelen aan.

1.

Het eerste middel is eraan ontleend dat de Commissie de feiten en het recht heeft geschonden door het tegen verzoeksters aangevoerde bewijs verkeerd uit te leggen, door artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst, alsmede artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer verkeerd toe te passen en door een ontoereikende motivering te geven bij de aansprakelijkstelling van verzoeksters voor de inbreuk, voor zover die betrekking heeft op de veiligheidstoeslag en het niet-betalen van commissie.

Volgens verzoeksters heeft de Commissie ten onrechte vastgesteld dat zij zich bewust waren van de mededingingsbeperkende aard van hun handelen aangaande de veiligheidstoeslag en het niet-betalen van commissie.

Verder stellen verzoeksters dat deze onderdelen van de enkele en voortdurende inbreuk niet zijn te scheiden van de overige onderdelen van die inbreuk en derhalve moet het bestreden besluit in zijn geheel worden vernietigd.

2.

Het tweede middel is eraan ontleend dat de Commissie de feiten en het recht heeft geschonden door het tegen verzoeksters aangevoerde bewijs verkeerd uit te leggen, de relevante bepalingen verkeerd toe te passen en een ontoereikende motivering te geven bij de vaststelling dat verzoeksters hadden deelgenomen aan de inbreuk aangaande de brandstoftoeslag.

Verzoeksters voeren aan dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft bewezen dat zij deel hebben genomen aan de vermeende inbreuk voor zover het de brandstoftoeslag betreft.

Verzoeksters voeren verder aan dat de ontvangen persberichten hen niet bewust hebben gemaakt van het bestaan van het kartel.

Verzoeksters stellen tot slot dat de beperkte hoeveelheid bewijs omtrent hun contacten met andere vrachtvervoerders geen enkel mededingingsbeperkend gedrag van hen aantoont en evenmin laat zien dat zij van het mededingingsbeperkende gedrag van andere vrachtvervoerders wisten of dit konden hebben voorzien.

3.

Het derde middel is eraan ontleend dat de Commissie de feiten en het recht kennelijk heeft geschonden door vast te stellen dat verzoeksters aansprakelijk waren voor inbreuken op de routes die zijn aangeduid in artikel 1, leden 1, 3 en 4, van het bestreden besluit, en dat de Commissie geen toereikende motivering heeft gegeven.

Verzoeksters voeren aan dat de Commissie hen ten onrechte heeft opgenomen in artikel 1, leden 1, 3 en 4, van het bestreden besluit waarin de aansprakelijkheid wordt vastgelegd, aangezien de verjaringstermijn was verstreken.

Verzoeksters voeren verder aan dat de Commissie niet bevoegd is om hen met betrekking tot routes binnen de EER aansprakelijk te stellen voor een inbreuk op artikel 101 VWEU begaan voor 1 mei 2004, en voor een inbreuk op artikel 53 van de EER-Overeenkomst begaan voor 19 mei 2005.

Verzoeksters voeren verder aan dat de Commissie niet bevoegd is om hen aansprakelijk te stellen voor een inbreuk inzake de routes tussen de EU en Zwitserland.

Verzoeksters voeren tot slot aan dat door de bovenvermelde vaststellingen het ne-bis-in-idem-beginsel is geschonden.

4.

Het vierde middel is eraan ontleend dat de Commissie de feiten en het recht kennelijk heeft geschonden door vast te stellen dat het vermeende kartel bestond, en dat de Commissie geen toereikende motivering heeft gegeven.

Verzoeksters voeren aan dat voor de vaststelling van de Commissie dat zij heeft deelgenomen aan het vermeende kartel het bewijs ontbreekt.

Verzoeksters voeren verder aan dat deze vaststelling is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat de inbreuk gevolgen had op alle routes.

Verzoeksters stellen voorts dat de Commissie met het besluit haar bevoegdheden te buiten is gegaan en dat dit heeft geleid tot onduidelijkheid omtrent de geografische omvang van de vermeende inbreuk.

Verzoeksters voeren tot slot aan dat hierdoor in de weergave van de strekking tegenstrijdigheden zijn ontstaan tussen de gronden en het dispositief ervan, waardoor verzoeksters de aard en omvang van de vermeende inbreuk niet uit het besluit konden opmaken.

5.

Het vijfde middel is eraan ontleend dat de Commissie de feiten en het recht kennelijk heeft geschonden door vast te stellen dat het vermeende gedrag één enkele en voortdurende inbreuk vormde, en dat de Commissie geen toereikende motivering heeft gegeven.

Verzoeksters voeren aan dat het gedrag in kwestie niet één enkel mededingingsbeperkend doel had.

Verzoeksters voeren verder aan dat het gedrag in kwestie geen betrekking had op één enkel product of één enkele dienst.

Verzoeksters stellen voorts dat het gedrag in kwestie niet steeds dezelfde ondernemingen betrof.

Verzoeksters betogen verder dat de vermeende inbreuk niet één enkele aard had.

Verzoeksters voeren verder aan dat de onderdelen van de vermeende inbreuk niet naast elkaar zijn beoordeeld.

Verzoeksters betogen tot slot dat de Commissie onvoldoende bewijs heeft geleverd en heeft nagelaten te onderzoeken of het niet-betalen van commissie krachtens artikel 101, lid 3, VWEU was toegestaan.

6.

Het zesde middel is eraan ontleend dat de Commissie verzoeksters verdedigingsrechten heeft geschonden en geen toereikende motivering heeft gegeven.

Verzoeksters voeren aan dat zij niet hebben kunnen reageren op de vaststelling van de Commissie dat zij wisten van de inbreuk inzake de veiligheidstoeslag en het niet-betalen van commissie.

Verzoeksters voeren verder aan dat de Commissie nieuwe beweringen heeft aangevoerd om haar vaststelling van het vermeende kartel te onderbouwen.

Verzoeksters stellen voorts dat de Commissie zich baseert op bewijs dat niet tegen hen mag worden aangevoerd.

Verzoeksters betogen voorts dat tegenstrijdigheden tussen de gronden van het bestreden besluit en het dispositief een ontoereikende motivering tot gevolg hebben.

Verzoeksters voeren tot slot aan dat zij geen gelegenheid heeft gehad haar visie te geven op de beslissing om na de mededeling van punten van bezwaar 13 vervoerders en 3 onderdelen van de inbreuk verder buiten het onderzoek te laten en dat de Commissie die beslissing niet heeft gemotiveerd.

7.

Het zevende middel is eraan ontleend dat de Commissie de feiten en het recht kennelijk heeft geschonden bij de berekening van de geldboete van verzoeksters, en dat zij geen toereikende motivering heeft gegeven.

Verzoeksters voeren aan dat is nagelaten onderscheid te maken tussen de onderlinge afstemming over definitieve prijzen en onderlinge de afstemming met betrekking tot onderdelen van prijzen.

Verzoeksters voeren verder aan dat geen rekening is gehouden met het beperkte gezamenlijke marktaandeel van de geadresseerden en evenmin met reguleringseisen in de onderhavige bedrijfstak.

Verzoekster voeren verder aan dat de Commissie hun handelwijze hetzelfde heeft behandeld als het veel ernstigere gedrag van andere geadresseerden, waaronder de „harde kern”.

Verzoeksters stellen tot slot dat is nagelaten rekening te houden met hun beperktere deelname aan de inbreuk vergeleken met andere geadresseerden die op grond van verzachtende omstandigheden eveneens een boeteverlaging kregen.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/68


Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Hotelbeds Spain/EUIPO — Guidigo Europe (Guidego what to do next)

(Zaak T-346/17)

(2017/C 239/78)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Hotelbeds Spain, SL (Palma de Mallorca, Spanje) (vertegenwoordiger: L. Broschat García, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Guidigo Europe SARL (Parijs, Frankrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Aanvrager: verzoekende partij

Betrokken merk: Uniebeeldmerk met de woordelementen „Guidego what to do next” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 944 898

Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 21 maart 2017 in zaak R 449/2016-4

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

toewijzing van Uniemerkaanvraag nr. 12 944 898 voor de klassen 39, 41 en 43.

Aangevoerd middel

schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/68


Beroep ingesteld op 1 juni 2017 — Singapore Airlines en Singapore Airlines Cargo/Commissie

(Zaak T-350/17)

(2017/C 239/79)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Singapore Airlines Ltd (Singapore, Singapore) en Singapore Airlines Cargo Pte Ltd (Singapore) (vertegenwoordigers: J. Kallaugher en J. Poitras, Solicitors, en J. Ruiz Calzado, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht) in zijn geheel of gedeeltelijk nietig verklaren;

voorts, of subsidiair, de aan verzoeksters opgelegde boete aanzienlijk verlagen;

de Commissie verwijzen in de kosten; en

alle andere maatregelen gelasten die in de omstandigheden van deze zaak aangewezen zijn.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters zes middelen aan.

1.

Het eerste middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit nietig moet worden verklaard omdat met de daarin vervatte belangrijkste vaststelling dat één enkele en voortdurende inbreuk aangaande luchtvrachtdiensten op alle routes naar en vanuit de EU is gepleegd, het recht ernstig is geschonden en een kennelijk onjuiste beoordeling is gemaakt.

Volgens verzoeksters is in het bestreden besluit in het bijzonder het volgende niet aangetoond: i) het bestaan van een wereldwijd kartel; ii) de bevoegdheid inzake buiten de EU verrichte verkoopactiviteiten die verband houden met luchtvracht; iii) de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU op activiteiten die door buitenlandse regeringen worden gereguleerd of vereist; iv) een voldoende verband tussen verzoeksters gedragingen bij de drie vermeende onderdelen van de enkele en voortdurende inbreuk, namelijk brandstoftoeslagen, veiligheidstoeslagen en de vermeende weigering om commissie te betalen over de toeslagen; en v) een voldoende verband tussen de contacten die de luchtvaartmaatschappijen op directieniveau onderhielden en hun gedrag op lokale markten.

2.

Het tweede middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit nietig moet worden verklaard voor zover daarbij een inbreuk met betrekking tot onderlinge afstemming van de aan expediteurs te betalen commissie over de uit toeslagen verworven inkomsten wordt vastgesteld.

3.

Het derde middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit nietig moet worden verklaard voor zover de vaststelling van een mede door verzoeksters begane inbreuk is gebaseerd op bewijs betreffende contacten tussen uitsluitend leden van de WOW-luchtvrachtalliantie.

Volgens verzoeksters is de beoordeling van de volledig samenwerkende luchtvaartalliantie in het bestreden besluit niet uitgevoerd volgens het voor een dergelijke alliantie juiste juridische criterium en zijn er wezenlijke fouten gemaakt in de beoordeling van de wijze waarop de WOW-alliantie functioneert. Verzoeksters voeren verder aan dat hun contacten met WOW-partners deel uitmaakten van een oprechte poging om een succesvolle alliantie op te zetten en dus geen uitdrukking waren van een gemeenschappelijk project of plan dat aan de basis zou hebben gelegen van de enkele en voortdurende inbreuk.

4.

Het vierde middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit nietig zou moeten worden verklaard omdat daarin niet het bewijs wordt geleverd dat verzoeksters aan de enkele en voortdurende inbreuk hebben deelgenomen.

5.

Het vijfde middel is eraan ontleend dat, mochten verzoeksters (in weerwil van de in het vierde middel aangevoerde argumenten) toch aan sommige onderdelen van de enkele en voortdurende inbreuk hebben deelgenomen, in het bestreden besluit niet is aangetoond dat zij zich bewust waren van alle andere onderdelen van het in dat besluit beschreven gedrag, met name de duidelijk onrechtmatige onderlinge afstemming tussen de belangrijkste karteldeelnemers, of dat verzoeksters zich van dergelijk gedrag bewust hadden moeten zijn, terwijl de rechtspraak dat wel vereist.

6.

Het zesde middel is eraan ontleend dat de aan verzoeksters opgelegde geldboete, ingeval het bestreden besluit niet geheel nietig wordt verklaard, moet worden verlaagd omdat de Commissie zich niet heeft gehouden aan de eenduidige voorwaarden in de boeterichtsnoeren (1) aangaande de vaststelling van de relevante omzet, en omdat de opgelegde geldboete niet in verhouding staat tot verzoeksters beperkte deelname aan de enkele en voortdurende inbreuk alsook tot de minder ernstige aard van verzoeksters handelen (zoals aangetoond in het derde, vierde en vijfde middel).


(1)  Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2).


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/69


Beroep ingesteld op 2 juni 2017 — Korwin-Mikke/Parlement

(Zaak T-352/17)

(2017/C 239/80)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Janusz Korwin-Mikke (Jozefow, Polen) (vertegenwoordigers: M. Cherchi, A. Daoût en M. Dekleermaker, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

ten gevolge daarvan:

het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 3 april 2017 nietig verklaren;

het eerdere besluit van de voorzitter van het Parlement van 14 maart 2017 nietig verklaren;

gelasten dat de door de bestreden besluiten veroorzaakte financiële en immateriële schade wordt vergoed of verzoeker 19 180 EUR toekennen;

in ieder geval het Europees Parlement verwijzen in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij twee middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van het algemene beginsel van vrijheid van meningsuiting, junctis artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 52 van het Handvest van de grondrechten, met als bijzondere omstandigheid het feit dat de in de bestreden besluiten bedoelde uitlatingen zijn gedaan door een lid van het Europees Parlement in de uitoefening van functie en binnen de instellingen van de Europese Unie, alsook schending van artikel 166 van het Reglement van het Parlement van de Europese Unie, van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten, van het beginsel dat handelingen van de instellingen van de Europese Unie moeten worden gemotiveerd, van artikel 296 VWEU, alsmede kennelijk onjuiste beoordeling en overschrijding van bevoegdheid.

2.

Tweede middel: schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten, van het beginsel dat handelingen van de instellingen van de Europese Unie moeten worden gemotiveerd, van het algemene evenredigheidsbeginsel, alsmede kennelijk onjuiste beoordeling en overschrijding van bevoegdheid.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/70


Beroep ingesteld op 2 juni 2017 — Daico International/EUIPO — American Franchise Marketing (RoB)

(Zaak T-355/17)

(2017/C 239/81)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Daico International BV (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordiger: M. Kassner, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: American Franchise Marketing Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: Uniebeeldmerk „RoB” — Uniemerk nr. 5 284 104

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 9 maart 2017 in zaak R 1405/2016-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 75, lid 1, van verordening nr. 207/2009;

schending van regel 62, lid 3, van verordening (EG) nr. 2868/95 van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/71


Beroep ingesteld op 2 juni 2017 — Daico International/EUIPO — American Franchise Marketing (RoB)

(Zaak T-356/17)

(2017/C 239/82)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Daico International BV (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordiger: M. Kassner, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: American Franchise Marketing Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)

Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO

Houder van het betrokken merk: verzoekende partij

Betrokken merk: Uniewoordmerk „RoB” — Uniemerk nr. 5 752 324

Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure

Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 21 maart 2017 in zaak R 1407/2016-2

Conclusies

vernietiging van de bestreden beslissing;

verwijzing van het EUIPO in de kosten.

Aangevoerde middelen

schending van artikel 75, lid 1, van verordening nr. 207/2009;

schending van regel 62, lid 3, van verordening (EG) nr. 2868/95 van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/71


Beroep ingesteld op 31 mei 2017 — Mubarak/Raad

(Zaak T-358/17)

(2017/C 239/83)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Mohamed Hosni Elsayed Mubarak (Caïro, Egypte) (vertegenwoordigers: B. Kennelly, QC, J. Pobjoy, Barrister, G. Martin, M. Rushton en C. Enderby Smith, Solicitors)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

besluit (GBVB) 2017/496 van de Raad van 21 maart 2017 tot wijziging van besluit 2011/172/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte (PB 2017, L 76, blz. 22; hierna: „bestreden besluit”), en uitvoeringsverordening (EU) 2017/491 van de Raad van 21 maart 2017 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 270/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Egypte (PB 2017, L 76, blz. 10; hierna: „bestreden verordening”), nietig verklaren voor zover zij verzoeker betreffen;

verklaren dat artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172/GBVB van de Raad van 21 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte (PB 2011 L 76, blz. 63; hierna: „besluit”) en artikel 2, lid 1, van verordening (EU) nr. 270/2011 van de Raad van 21 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Egypte (PB 2011 L 76, blz. 4; hierna: „verordening”) niet van toepassing zijn voor zover zij verzoeker betreffen en dientengevolge besluit (GBVB) 2016/411 nietig verklaren, voor zover het verzoeker betreft;

de Raad verwijzen in verzoekers kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: artikel 1, lid 1, van het besluit en artikel 2, lid 1, van de verordening zijn onrechtmatig omdat (a) zij geen geldige rechtsgrondslag hebben en/of (b) zij het evenredigheidsbeginsel schenden.

2.

Tweede middel: de Raad heeft de rechten geschonden die verzoeker geniet uit hoofde van artikel 6 VEU, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 VEU, en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, door te vooronderstellen dat gerechtelijke procedures in Egypte de fundamentele mensenrechten eerbiedigen.

3.

Derde middel: de Raad heeft beoordelingsfouten gemaakt door vast te stellen dat was voldaan aan het criterium voor plaatsing van verzoeker op een lijst, vastgelegd in artikel 1, lid 1, van het besluit en artikel 2, lid 1, van de verordening.

4.

Vierde middel: de Raad heeft verzoekers recht van verdediging en zijn recht op behoorlijk bestuur en op een doeltreffende voorziening in rechte geschonden. Meer in het bijzonder heeft de Raad niet zorgvuldig en onpartijdig onderzocht of de redenen die waren aangevoerd ter rechtvaardiging van de nieuwe plaatsing van verzoeker op een lijst, gegrond waren in het licht van de opmerkingen die verzoeker had gemaakt voordat hij opnieuw op een lijst werd geplaatst.

5.

Vijfde middel: de Raad heeft zonder rechtvaardiging of evenredigheid inbreuk gemaakt op verzoekers grondrechten, waaronder zijn recht op bescherming van zijn eigendom en van zijn goede naam. Het bestreden besluit en de bestreden verordening hebben vergaande gevolgen voor verzoeker, zowel wat zijn eigendom als zijn reputatie wereldwijd betreft. De Raad heeft niet aangetoond dat de bevriezing van verzoekers tegoeden en economische middelen verband houdt met of gerechtvaardigd is door een legitieme doelstelling en al helemaal niet dat die bevriezing evenredig is aan een dergelijke doelstelling.


24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/72


Beschikking van het Gerecht van 24 april 2017 — Ipuri/EUIPO — van Graaf (IPURI)

(Zaak T-226/16) (1)

(2017/C 239/84)

Procestaal: Duits

De president van de Vierde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 232 van 27.6.2016.