|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
60e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
|
2017/C 221/01 |
|
|
V Bekendmakingen |
|
|
|
GERECHTELIJKE PROCEDURES |
|
|
|
Hof van Justitie |
|
|
2017/C 221/02 |
||
|
2017/C 221/03 |
||
|
2017/C 221/04 |
||
|
2017/C 221/05 |
||
|
2017/C 221/06 |
||
|
2017/C 221/07 |
||
|
2017/C 221/08 |
||
|
2017/C 221/09 |
||
|
2017/C 221/10 |
||
|
2017/C 221/11 |
||
|
2017/C 221/12 |
||
|
2017/C 221/13 |
||
|
2017/C 221/14 |
||
|
2017/C 221/15 |
||
|
2017/C 221/16 |
||
|
2017/C 221/17 |
||
|
2017/C 221/18 |
||
|
2017/C 221/19 |
||
|
2017/C 221/20 |
Zaak C-251/17: Beroep ingesteld op 12 mei 2017 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek |
|
|
2017/C 221/21 |
||
|
|
Gerecht |
|
|
2017/C 221/22 |
||
|
2017/C 221/23 |
||
|
2017/C 221/24 |
||
|
2017/C 221/25 |
||
|
2017/C 221/26 |
||
|
2017/C 221/27 |
||
|
2017/C 221/28 |
||
|
2017/C 221/29 |
||
|
2017/C 221/30 |
||
|
2017/C 221/31 |
||
|
2017/C 221/32 |
||
|
2017/C 221/33 |
||
|
2017/C 221/34 |
||
|
2017/C 221/35 |
||
|
2017/C 221/36 |
||
|
2017/C 221/37 |
||
|
2017/C 221/38 |
||
|
2017/C 221/39 |
||
|
2017/C 221/40 |
||
|
2017/C 221/41 |
Zaak T-59/17: Beroep ingesteld op 14 april 2017 — L/Parlement |
|
|
2017/C 221/42 |
Zaak T-227/17: Beroep ingesteld op 19 april 2017 — Falmouth University/Commissie |
|
|
2017/C 221/43 |
Zaak T-236/17: Beroep ingesteld op 17 april 2017 — Balti Gaas/Commissie en INEA |
|
|
2017/C 221/44 |
||
|
2017/C 221/45 |
||
|
2017/C 221/46 |
Zaak T-257/17: Beroep ingesteld op 3 mei 2017 — RE/Commissie |
|
|
2017/C 221/47 |
||
|
2017/C 221/48 |
Zaak T-261/17: Beroep ingesteld op 5 mei 2017 — Bayer/EUIPO — UNI — Pharma (SALOSPIR) |
|
|
2017/C 221/49 |
||
|
2017/C 221/50 |
Zaak T-273/17: Beroep ingesteld op 8 mei 2017 — Quadri di Cardano/Commissie |
|
|
2017/C 221/51 |
Zaak T-274/17: Beroep ingesteld op 10 mei 2017 — Monster Energy/EUIPO — Bösel (MONSTER DIP) |
|
|
2017/C 221/52 |
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/1 |
Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
(2017/C 221/01)
Laatste publicatie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
V Bekendmakingen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/2 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale amministrativo regionale per le Marche (Italië) op 6 maart 2017 — Comune di Castelbellino/Regione Marche e.a.
(Zaak C-117/17)
(2017/C 221/02)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale amministrativo regionale per le Marche
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Comune di Castelbellino
Verwerende partijen: Regione Marche, Ministero per i beni e le attività culturali, Ministero dell’Ambiente e della Tutela del Territorio e del Mare, Regione Marche Servizio Infrastrutture Trasporti Energia — P.F. Rete Elettrica Regionale, Provincia di Ancona
Prejudiciële vragen
|
1) |
Verzet het gemeenschapsrecht (en met name richtlijn 2011/92/EU (1), in de versie die van kracht was op de datum van vaststelling van de bestreden maatregelen) zich in beginsel tegen een nationale regeling of bestuurlijke praktijk op grond waarvan projecten voor installaties die al verwezenlijkt zijn op het moment van toetsing, aan een toetsing van de noodzaak van een MEB of aan een MEB kunnen worden onderworpen, of staat het gemeenschapsrecht daarentegen toe dat rekening wordt gehouden met buitengewone omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het algemene beginsel dat de MEB een preventieve beoordeling is? |
|
2) |
Is een dergelijke afwijking inzonderheid gerechtvaardigd ingeval een bepaald project dat aan een toetsing had moeten worden onderworpen op grond van een beslissing van de nationale rechter die een eerder geldende vrijstellingsregeling ongrondwettig heeft verklaard en/of buiten toepassing heeft gesteld, door een later vastgestelde regeling van de MEB wordt vrijgesteld? |
(1) Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26, blz. 1).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/2 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Budai Központi Kerületi Bíróság (Hongarije) op 7 maart 2017 — Zsuzsanna Dunai/ERSTE Bank Hungary Zrt.
(Zaak C-118/17)
(2017/C 221/03)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Budai Központi Kerületi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Zsuzsanna Dunai
Verwerende partij: ERSTE Bank Hungary Zrt.
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet [dictum 3] van het arrest van het Hof in zaak C-26/13 aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter de ongeldigheid van een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument ook dan kan verhelpen wanneer voortzetting van de overeenkomst de economische belangen van de consument schaadt? |
|
2) |
Is het verenigbaar met de bevoegdheid die aan de Europese Unie is toebedeeld ter waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming en met de algemene Unierechtelijke beginselen van gelijkheid voor de wet, non discriminatie, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, dat het parlement van een lidstaat bij wet privaatrechtelijke overeenkomsten wijzigt die behoren tot soortgelijke categorieën en zijn gesloten tussen een verkoper en een consument?
|
|
3) |
Is het, wat overeenkomsten tussen een verkoper en een consument betreft, verenigbaar met de bevoegdheid die aan de Europese Unie is toebedeeld ter waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming en met de algemene Unierechtelijke beginselen van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en van het recht op een eerlijk proces in aangelegenheden van civielrechtelijke aard, dat de raad voor uniformisering van de hoogste rechterlijke instantie van een lidstaat de beslissingen van de aangezochte rechter stuurt door middel van „beslissingen ten behoeve van een uniforme uitlegging van het recht”?
|
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/3 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Törvényszék (Hongarije) op 10 maart 2017 — Orsolya Czakó/ERSTE Bank Hungary Zrt.
(Zaak C-126/17)
(2017/C 221/04)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Fővárosi Törvényszék
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Orsolya Czakó
Verwerende partij: ERSTE Bank Hungary Zrt.
Prejudiciële vragen
|
1) |
Is, ter bepaling van het bedrag van de leningsovereenkomst, een formulering als die van de bedingen I/1 en II/1 van de aan de orde zijnde overeenkomst, volgens welke het bedrag van 64 731 CHF ter informatie wordt meegedeeld terwijl het maximumbedrag van 8 280 000 HUF als financieringsaanvraag wordt vermeld, en die de vaststelling van het bedrag van de leningsovereenkomst laat afhangen van een rechtsgevolgen sorterende verklaring van de partij die de overeenkomst afsluit met de consument en van de door die partij geboekte gegevens, duidelijk en begrijpelijk zoals vereist door artikel 4, lid 2, en artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG (1)? |
|
2) |
Ingeval de in de bedingen I/1 en II/1 van de overeenkomst verrichte bepaling niet beantwoordt aan het begrip „duidelijke en begrijpelijke bedingen”, zodat kan worden onderzocht of het om oneerlijke bedingen gaat, en de conclusie vervolgens luidt dat zij inderdaad een oneerlijk karakter hebben, kan de overeenkomst dan in haar geheel ongeldig worden verklaard, nu het nationale recht aan de omstandigheid dat het voorwerp van de overeenkomst niet bepaalbaar is, de consequentie verbindt dat de volledige overeenkomst nietig is? |
|
3) |
Ingeval de overeenkomst geldig kan worden verklaard, kan het bedrag dan op de voor de consument meest gunstige wijze worden vastgesteld? |
(1) Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/4 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 15 maart 2017 — X-GmbH/Finanzamt Stuttgart — Körperschaften
(Zaak C-135/17)
(2017/C 221/05)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: X-GmbH
Verwerende partij: Finanzamt Stuttgart — Körperschaften
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 57, lid 1, EG (thans artikel 64, lid 1, VWEU) aldus worden uitgelegd dat een op 31 december 1993 in verband met directe investeringen bestaande beperking van het kapitaalverkeer met derde landen door een lidstaat ook dan niet wordt beïnvloed door artikel 56 EG (thans artikel 63 VWEU), wanneer de op de referentiedatum bestaande nationale wettelijke bepaling die het kapitaalverkeer met derde landen beperkt in wezen alleen voor directe investeringen gold, maar na de referentiedatum mede is gaan gelden voor portfolio-deelnemingen in buitenlandse vennootschappen beneden de deelnemingsdrempel van 10 %? |
|
2) |
Voor het geval de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: Moet artikel 57, lid 1, EG aldus worden uitgelegd dat sprake is van toepassing van een op de referentiedatum 31 december 1993 bestaande nationale wettelijke bepaling houdende beperking van het kapitaalverkeer met derde landen in verband met directe investeringen, wanneer een met de op de referentiedatum bestaande beperking in wezen overeenstemmende latere wettelijke bepaling van toepassing wordt, maar de op de referentiedatum bestaande beperking na de referentiedatum korte tijd wezenlijk is gewijzigd op grond van een wet die weliswaar rechtens van kracht is geworden, maar in de praktijk nooit is toegepast omdat zij nog vóór het tijdstip waarop zij voor het eerst op een concreet geval toepasselijk was door de thans toepasselijke wettelijke bepaling is vervangen? |
|
3) |
Voor het geval een van de eerste twee vragen ontkennend moet worden beantwoord: Staat artikel 56 EG in de weg aan een wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan in de maatstaf van heffing voor een in die lidstaat ingezeten belastingplichtige die in een vennootschap die in een andere staat (hier: Zwitserland) gevestigd is een deelneming van minstens 1 % bezit, de door deze vennootschap behaalde positieve inkomsten uit kapitaalbeleggingen pro rata, ter hoogte van de het respectieve deelnemingsaandeel, worden opgenomen, wanneer die inkomsten aan een lager belastingniveau dan in eerstgenoemde staat onderworpen zijn? |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/5 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Constanţa (Roemenië) op 29 maart 2017 — Întreprinderea Individuală Dobre M. Marius/Ministerul Finanțelor Publice — Agenția Națională de Administrare Fiscală — Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați — Serviciul Soluționare Contestații, Agenția Națională de Administrare Fiscală — Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați — Administrația Județeană a Finanțelor Publice Constanța — Serviciul Inspecție Fiscală Persoane Fizice
(Zaak C-159/17)
(2017/C 221/06)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curtea de Apel Constanţa
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Întreprinderea Individuală Dobre M. Marius
Verwerende partijen: Ministerul Finanțelor Publice — Agenția Națională de Administrare Fiscală — Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați — Serviciul Soluționare Contestații, Agenția Națională de Administrare Fiscală — Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați — Administrația Județeană a Finanțelor Publice Constanța — Serviciul Inspecție Fiscală Persoane Fizice
Prejudiciële vraag
Moeten de artikelen 167 tot en met 169, artikel 179, artikel 213, lid 1, artikel 214, lid 1, onder a), en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG (1) aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een belastingplichtige wiens identificatie voor btw-doeleinden nietig is verklaard, in omstandigheden als in het hoofdgeding, aan de Staat de btw moet afdragen die is geïnd in het tijdvak waarin het btw-identificatienummer was geschrapt, maar geen recht heeft op aftrek van de btw over de in dat tijdvak verrichte aankopen?
(1) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/5 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kúria (Hongarije) op 3 april 2017 — SH/TG
(Zaak C-168/17)
(2017/C 221/07)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Kúria
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster en verweerster in cassatie: SH
Verweerster en eiseres tot cassatie: TG
Interveniënte aan de zijde van verzoekster: UF
Prejudiciële vragen
|
1. |
Vallen de volgende verplichtingen die strekken tot betaling van garantiekosten en die voortvloeien uit contragarantieovereenkomsten welke onderdeel zijn van een keten van overeenkomsten en zijn gesloten ter verstrekking van een bankgarantie aan de Libyan Housing and Infrastructure Board (hierna: „HIB”) binnen de werkingssfeer van verordening (EU) nr. 204/2011 (1), dan wel eventueel van verordening (EU) nr. 2016/44 (2) wanneer:
|
|
2. |
Voor het geval de in de punten 1.1 en 1.2 genoemde verplichting tot betaling van garantiekosten binnen de werkingssfeer van de verordening valt, is dan sprake van tegoeden die direct of indirect worden gebruikt ten behoeve van de in bijlage III bij verordening nr. 204/2011 genoemde rechtspersonen, entiteiten en lichamen, bij de garantiekosten die aan een Libische bank — die ook enige tijd op de verbodslijst van bijlage III heeft gestaan — zijn betaald ter verstrekking van een vooruitbetalingsgarantie en een uitvoeringsgarantie aan HIB? |
|
3. |
Moet artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 204/2011, na wijziging van die verordening bij verordening nr. 45/2014 (vraag 1.3), aldus worden uitgelegd dat de door een Libische bank gevorderde en door een in de Europese Unie gevestigde bank op grond van een contragarantieovereenkomst betaalde kosten en uitgaven direct of indirect zijn aan te merken als garantievorderingen? |
|
4. |
Is als een persoon of entiteit in de zin van artikel 12, lid 1, onder c), van verordening nr. 204/2011, zoals gewijzigd bij verordening nr. 45/2014, dus als een persoon of entiteit, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de onder a) of b) van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 204/2011 bedoelde personen, entiteiten of lichamen, aan te merken een in de Europese Unie gevestigde bank die op grond van een contragarantieovereenkomst welke onderdeel is van een keten van overeenkomsten en is gesloten ter verstrekking van een bankgarantie aan HIB, verplicht is garantiekosten te betalen aan een Libische entiteit (vraag 1.4)? Zijn de garantiekosten die deze bank vordert van een andere in de Europese Unie gevestigde bank, direct of indirect aan te merken als garantievorderingen? |
|
5. |
Heeft de in artikel 9 van verordening nr. 204/2011 opgenomen afwijking betrekking op alle betalingen? |
|
6. |
Is verordening nr. 2016/44 van toepassing op het geschil tussen partijen, aangezien de hoogte van de garantiekosten wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van die verordening, waarbij verordening nr. 204/2011 is ingetrokken, maar waarbij in wezen sprake is van identieke bepalingen (vraag 1.5), en moet artikel 17, lid 1, onder b), van verordening nr. 2016/44 aldus worden uitgelegd dat de door een Libische bank gevorderde en door een in de Europese Unie gevestigde bank op grond van een contragarantieovereenkomst betaalde kosten en uitgaven direct of indirect zijn aan te merken als garantievorderingen? Is als een persoon of entiteit in de zin van artikel 17, lid 1, onder c), van verordening nr. 2016/44, dus als een persoon of entiteit, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de in punt a) of punt b) van artikel 17, lid 1, van die verordening bedoelde personen, entiteiten of lichamen, aan te merken een in de Europese Unie gevestigde bank die op grond van een contragarantieovereenkomst welke onderdeel is van een keten van overeenkomsten en is gesloten ter verstrekking van een bankgarantie aan HIB, verplicht is garantiekosten te betalen aan een Libische entiteit? Zijn de garantiekosten die deze bank vordert van een andere in de Europese Unie gevestigde bank, direct of indirect aan te merken als garantievorderingen? |
(1) Verordening van de Raad van 2 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië (PB 2011, L 58, blz. 1).
(2) Verordening van de Raad van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van verordening (EU) nr. 204/2011 (PB 2016, L 12, blz. 20).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/6 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kúria (Hongarije) op 11 april 2017 — Nagyszénás Településszolgáltatási Nonprofit Kft./Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatóság
(Zaak C-182/17)
(2017/C 221/08)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Kúria
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Nagyszénás Településszolgáltatási Nonprofit Kft.
Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatóság
Prejudiciële vragen
|
1) |
Valt een 100 % aan een gemeente toebehorende vennootschap onder het begrip „publiekrechtelijk lichaam” in de zin van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2006/112/EG (1) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde? |
|
2) |
Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag, dient dan te worden aangenomen dat de vennootschap taken die behoren tot de verplichte taken van de gemeente maar waarvan de uitvoering door de gemeente aan haar wordt opgedragen, als overheid uitvoert? |
|
3) |
Bij een ontkennend antwoord op een van de eerste twee vragen, dient het bedrag dat de gemeente voor de uitvoering van de taken aan de vennootschap betaalt, dan als tegenprestatie te worden aangemerkt? |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/7 |
Hogere voorziening ingesteld op 11 april 2017 door International Management Group tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 2 februari 2017 in zaak T-29/15, International Management Group/Europese Commissie
(Zaak C-183/17 P)
(2017/C 221/09)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: International Management Group (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het bestreden arrest vernietigen; |
|
— |
bijgevolg
|
|
— |
de Europese Commissie verwijzen in alle kosten van zowel de hogere voorziening als het beroep in eerste aanleg. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirantes vier middelen aan:
|
1) |
Schending van de motiveringsplicht — Schending van de motiveringsplicht van de rechter — Verkeerde opvatting van het dossier |
|
2) |
Schending van het Financieel Reglement van 2002 (2) en de Financiële verordening van 2012 (3) — Schending van de verordening van de Commissie (4) en van de gedelegeerde verordening van de Commissie (5) — Schending van de motiveringsplicht van de rechter — Verkeerde opvatting van het dossier |
|
3) |
Schending van het beginsel van goed financieel beheer — Schending van de motiveringsplicht — Schending van de motiveringsplicht van de rechter — Schending van het Financieel Reglement van 2012 (artikel 61, lid 1, en artikel 60, lid 2) |
|
4) |
Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur — Schending van het recht om te worden gehoord |
Rekwirante bestrijdt tevens de beslissing om rekwirantes verzoek tot overlegging van het OLAF-rapport af te wijzen.
(1) C(2013) 7682 final.
(2) Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd (PB 2002, L 248, blz. 1).
(3) Verordening (EG, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1).
(4) Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd (PB 2002, L 357, blz. 1).
(5) Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB 2012, L 362, blz. 1).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/8 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Berlin (Duitsland) op 12 april 2017 — flightright GmbH/Iberia Express SA
(Zaak C-186/17)
(2017/C 221/10)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Berlin
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: flightright GmbH
Verwerende partij: Iberia Express SA
Prejudiciële vraag
Kan er ook een recht op compensatie in de zin van artikel 7 van verordening (EG) nr. 261/2004 (1) bestaan wanneer een luchtreiziger wegens een relatief geringe vertraging bij aankomst een rechtstreeks aansluitende vlucht niet haalt en dit tot een vertraging van drie uur of meer op de eindbestemming leidt, waarbij die vluchten echter door verschillende luchtvaartmaatschappijen werden uitgevoerd en de boeking werd verricht door een touroperator die de volledige vliegreis via een andere luchtvaartmaatschappij had geboekt?
(1) Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/8 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Madrid (Spanje) op 12 april 2017 — Lu Zheng/Ministerio de Economía y Competitividad
(Zaak C-190/17)
(2017/C 221/11)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Tribunal Superior de Justicia de Madrid
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Lu Zheng
Verwerende partij: Ministerio de Economía y Competitividad
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 9, lid 1, van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten (1) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, op grond waarvan niet-nakoming van de in artikel 3 van die verordening neergelegde aangifteplicht kan worden bestraft met een boete die tot tweemaal de waarde van de gebruikte betaalmiddelen kan bedragen? |
|
2) |
Moet artikel 9, lid 1, van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, waarin het ontbreken van bewijs van de rechtmatige oorsprong van de betaalmiddelen en inconsistentie tussen de activiteit van de betrokkene [en het bedrag van de vervoerde middelen] als verzwarende omstandigheden bij niet-nakoming van de aangifteplicht worden beschouwd? |
|
3) |
Indien de eerste twee vragen bevestigend moeten worden beantwoord, moet artikel 9, lid 1, van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten dan aldus worden uitgelegd dat aan het evenredigheidsbeginsel is voldaan indien, ongeacht het bedrag van de vervoerde middelen, een financiële sanctie wordt opgelegd van ten hoogste 25 % van de niet-aangegeven liquide middelen? |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/9 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 13 april 2017 — Helga Krüsemann e.a./TUIfly GmbH
(Zaak C-195/17)
(2017/C 221/12)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Amtsgericht Hannover
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Helga Krüsemann, Gabriele Heidenreich, Doris Manneck, Rita Juretschke
Verwerende partij: TUIfly GmbH
Prejudiciële vragen
|
1) |
Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken? |
|
2) |
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken? |
|
3) |
Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen? |
|
4) |
Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid? |
(1) Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/10 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 13 april 2017 — Rita Hoffmeyer en Rudolf Meyer/TUIfly GmbH
(Zaak C-199/17)
(2017/C 221/13)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Amtsgericht Hannover
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Rita Hoffmeyer, Rudolf Meyer
Verwerende partij: TUIfly GmbH
Prejudiciële vragen
|
1) |
Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken? |
|
2) |
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken? |
|
3) |
Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen? |
|
4) |
Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid? |
(1) Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/10 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 13 april 2017 — Eberhard Schmeer/TUIfly GmbH
(Zaak C-203/17)
(2017/C 221/14)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Amtsgericht Hannover
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Eberhard Schmeer
Verwerende partij: TUIfly GmbH
Prejudiciële vragen
|
1) |
Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken? |
|
2) |
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken? |
|
3) |
Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen? |
|
4) |
Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid? |
(1) Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/11 |
Hogere voorziening ingesteld op 26 april 2017 door Lubrizol France SAS tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 16 februari 2017 in zaak T-191/14, Lubrizol France SAS/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-223/17 P)
(2017/C 221/15)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Lubrizol France SAS (vertegenwoordigers: R. MacLean, solicitor, A. Bochon, avocat)
Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie en Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het arrest van het Gerecht in zaak T-191/14, Lubrizol France/Raad van de Europese Unie, vernietigen, voor zover het betrekking heeft op de twee middelen die rekwirante voor het Gerecht heeft aangevoerd; |
|
— |
deze twee middelen gegrond verklaren; |
|
— |
gebruikmaken van zijn bevoegdheid om zelf uitspraak te doen over de twee betrokken middelen en de zaak zelf af te doen; |
|
— |
subsidiair, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een beslissing over rekwirantes twee middelen inzake inbreuken op het recht en de procedure, en |
|
— |
de Raad en de interveniënten verwijzen in de proceskosten en uitgaven die rekwirante in het kader van deze procedure en de procedure in eerste aanleg heeft gemaakt. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van haar beroep voert rekwirante drie middelen aan.
|
1. |
Het Gerecht heeft de toepassing door de Raad van de relevante toets niet aan de hand van de juiste juridische criterium beoordeeld Rekwirante beklemtoont dat het Gerecht, door bij de beoordeling of de autonome schorsing van de rechten voor BPA’s moest worden beëindigd na te laten de relevante criteria toe te passen die zijn neergelegd in de mededeling van de Commissie inzake autonome tariefschorsingen en -contingenten (2011/C 363/02 (1)), de opmerkingen van de Raad en de Commissie niet naar behoren heeft beoordeeld aan de hand van de relevante toets en in overeenstemming met het juiste juridische criterium dat op deze situatie moet worden toegepast. |
|
2. |
Het Gerecht heeft zijn eigen redenering op ongeoorloofde wijze in de plaats gesteld van die van de Raad en het bewijs kennelijk verdraaid Rekwirante stelt in de eerste plaats dat het Gerecht op ongeoorloofde wijze heeft gepoogd zijn eigen redenering in de plaats te stellen van die van de Raad en de Commissie, en derhalve een eigen ongeoorloofde grond heeft verstrekt ten bewijze dat de door de opposant geleverde goederen konden worden aangemerkt als materialen die identiek of soortgelijk waren aan BPA of BPA konden vervangen. In de tweede plaats betoogt rekwirante dat het Gerecht het bewijs inzake de mogelijkheid van de opposant om voldoende beschikbare aantallen van het beweerdelijk met BPA vergelijkbare product te leveren, heeft beoordeeld op een kennelijk onjuiste wijze, en derhalve de duidelijke strekking van het bewijs en de toepassing ervan in het kader van de beoordeling van de zaak in eerste aanleg heeft verdraaid. |
|
3. |
Het Gerecht heeft kennelijke fouten gemaakt bij de toepassing van de relevante procedures en zijn redenering bevat tegenstrijdigheden Rekwirante voert aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bevoegdheid van de Commissie om een bezwaar af te wijzen op grond dat het antwoord pas is verstrekt geruime tijd na de termijn van 15 werkdagen die in de mededeling van de Commissie is gesteld, enkel betrekking had op het eerste contact tussen de opposant en de verzoekende ondernemingen en niet op daaropvolgende communicatie, waardoor het Gerecht die vertraging irrelevant heeft geacht. Daarmee heeft het Gerecht zijn arrest tegenstrijdig gemotiveerd, wat de aard, werking en rol betreft van de verschillende partijen bij de procedure die in de mededeling van de Commissie is neergelegd. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/12 |
Hogere voorziening ingesteld op 4 mei 2017 door GX tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 3 maart 2017 in zaak T-556/16, GX/Europese Commissie
(Zaak C-233/17 P)
(2017/C 221/16)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: GX (vertegenwoordiger: G.-M. Enache, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beschikking en, dientengevolge, nietigverklaring van het betrokken besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag; |
|
— |
vergoeding van de materiële en immateriële schade die rekwirant door dat besluit heeft geleden; |
|
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met zijn hogere voorziening verzoekt rekwirant het Hof om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van 3 maart 2017 in zaak T-556/16, GX/Commissie, waarbij is verworpen zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van het selectiecomité van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/248/13 om zijn naam niet op te nemen op de lijst van geslaagde kandidaten van dat vergelijkend onderzoek.
Ter onderbouwing van zijn hogere voorziening voert rekwirant twee middelen aan:
|
1. |
De onwettigheid van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, van het corrigendum en van fundamentele beginselen van het Assessment Centre. Volgens rekwirant is de aankondiging van het vergelijkend onderzoek onwettig, aangezien daarin geen objectieve rechtvaardiging wordt gegeven voor de beperking van de keuze van de tweede taal (Duis, Engels of Frans) in het licht van het belang van de dienst, noch voor de evenredigheid van die beperking gelet op de reële behoeften van de dienst. Voorts komt rekwirant op tegen de onwettigheid, het gebrek aan geldigheid en van een wetenschappelijke basis van de fundamentele beginselen van het Assessment Centre die de algemene vergelijkende onderzoeken van het EPSO beheersen, aangezien er geen steun, bewijs of verificatie is van de fundamentele praktijken die bij EPSO worden gebruikt en gebaseerd zijn op de volgende beginselen: (i) „gedrag uit het verleden is de beste aanwijzing voor toekomstige prestaties”, (ii) „assessment centers, waarin reële werksituaties worden gesimuleerd, zijn de beste aanwijzing voor reële prestaties”. Bovendien stelt rekwirant dat het in vergelijkend onderzoek EPSO/AD/248/13 bekendgemaakte corrigendum onwettig is. |
|
2. |
Procedurele onregelmatigheden bij het Assessment Centre. Rekwirant noemt een aantal vermeende procedurele onregelmatigheden bij het assessment center in vergelijkend onderzoek EPSO/AD/248/13. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/13 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Østre Landsret (Denemarken) op 10 mei 2017 — Gert Teglgaard en Fløjstrupgård I/S/Fødevareministeriets Klagecenter
(Zaak C-239/17)
(2017/C 221/17)
Procestaal: Deens
Verwijzende rechter
Østre Landsret
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Gert Teglgaard en Fløjstrupgård I/S
Verwerende partij: Fødevareministeriets Klagecenter
Prejudiciële vragen
|
1) |
Indien de rechtstreekse betalingen aan een landbouwer op grond van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 (1) van de Raad juncto artikel 66, lid 1, van verordening nr. 796/2004 (2) van de Commissie moeten worden verlaagd omdat hij in een bepaald kalenderjaar de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen of de eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie niet naleeft, moet deze steunverlaging dan worden berekend op basis van de rechtstreekse betalingen aan die landbouwer
|
|
2) |
Luidt het antwoord op de vorige vraag hetzelfde bij toepassing van het later vastgestelde artikel 23, lid 1, van verordening nr. 73/2009 (3) van de Raad juncto artikel 70, lid 4 en lid 8, onder a), van verordening nr. 1122/2009 (4) van de Commissie? |
|
3) |
Indien een landbouwer de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen of de eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie niet naleeft in 2007 en 2008, maar de niet-naleving pas wordt geconstateerd in 2011, moet het bedrag van de steunverlaging dan worden bepaald overeenkomstig verordening nr. 1782/2003 van de Raad, gelezen in samenhang met verordening nr. 796/2004 van de Commissie, dan wel overeenkomstig verordening nr. 73/2009 van de Raad, gelezen in samenhang met verordening nr. 1122/2009 van de Commissie? |
(1) Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB 2003, L 270, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB 2004, L 141, blz. 18).
(3) Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB 2009, L 30, blz. 16).
(4) Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (PB 2009, L 316, blz. 65).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/14 |
Hogere voorziening ingesteld op 2 mei 2017 door Holistic Innovation Institute, SLU tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 16 februari 2017 in zaak T-706/14, Holistic Innovation Institute/REA
(Zaak C-241/17 P)
(2017/C 221/18)
Procestaal: Spaans
Partijen
Rekwirante: Holistic Innovation Institute, SLU (vertegenwoordiger: J. J. Marín López, abogado)
Andere partij in de procedure: Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA)
Conclusies
|
— |
vernietiging van het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 16 februari 2017, Holistic Innovation Institute/REA, T-706/14, EU:T:2017:89; |
|
— |
nietigverklaring van het besluit van de directeur van het REA van 24 juli 2014 [ARES (2014) 2461172] tot beëindiging van de onderhandelingen met verzoekster en tot uitsluiting van haar deelname aan de Europese projecten Inachus en ZONeSEC; |
|
— |
toekenning aan Holistic Innovation Institute, SLU van een schadevergoeding zoals die wordt gevorderd in punt 177 van het verzoekschrift in hogere voorziening. |
Middelen en voornaamste argumenten
|
1. |
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het REA bevoegd was om de geschiktheid van Holistic Innovation Institute te beoordelen en het de grenzen van de aan het REA op het gebied van het zevende kaderprogramma toevertrouwde taken niet had overschreden doordat het verzoekster had uitgesloten van de onderhandelingen in het kader van de projecten Inachus en ZONeSEC (punt 39 van het bestreden arrest). |
|
2. |
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangezien het afdeling 2.2.2, punt 1, van de bijlage bij besluit 2012/838 aldus heeft uitgelegd dat het REA op basis daarvan Holistic Innovation Institute kon uitsluiten van de onderhandelingen in het kader van de projecten Inachus en ZONeSEC (punt 126 van het bestreden arrest). |
|
3. |
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het litigieuze besluit toereikend was gemotiveerd (punt 67 van het bestreden arrest), ofschoon in dit besluit als wezenlijk bestanddeel van de motivering ervan louter werd verwezen naar enerzijds het besluit van de Commissie van 13 maart 2014 (ARES [2014] 710158), wat de uitsluiting van rekwirante aan het project eDIGIREGION betreft (punten 57 en 60 tot en met 62 van het bestreden arrest), en anderzijds de eindrapporten van de audits 11-INFS-025 en 11-BA119016 (punten 63 en 64 van het bestreden arrest), terwijl zowel tegen voornoemd besluit van de Commissie van 13 maart 2014 (ARES [2014] 710158) als tegen die eindrapporten van de audits 11-INFS-025 en 11-BA119-016 vorderingen tot nietigverklaring waren ingesteld. |
|
4. |
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het in het bestreden arrest de overgelegde bewijzen heeft verdraaid waar het heeft verklaard dat het REA verzoekster „meermaals” om bepaalde inlichtingen had verzocht (punt 75 van het bestreden arrest), het bij brief van 14 mei 2014„zijn verzoek had herhaald” (punt 78 van het bestreden arrest), en er „een uitvoerige correspondentie tussen het REA en verzoekster had plaatsgevonden” (punt 118 van het bestreden arrest). |
|
5. |
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het de overgelegde bewijzen heeft verdraaid waar het in de punten 8, 77 en 78 van het bestreden arrest heeft verwezen naar een niet bestaand document dat niet tot de stukken behoort. |
|
6. |
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het in het bestreden arrest heeft geooordeeld dat het litigieuze besluit toereikend was gemotiveerd (punten 80, 84, 94, 108 en 127 van het bestreden arrest), hoewel dit besluit schending opleverde van afdeling 2.2.2 van de bijlage bij besluit 2012/838, aangezien daarin werd afgeweken van de positieve beoordeling door externe onafhankelijke deskundigen van de operationele prestaties van rekwirante, zonder dat „die vaststelling [in dat besluit] toereikend werd gemotiveerd en gerechtvaardigd”. |
|
7. |
Het bestreden arrest gaat mank door een rechtens ontoereikende motivering waar het Gerecht heeft vastgesteld dat „verzoekster geen bewijzen heeft overgelegd die kunnen afdoen aan het betoog van [het REA]” (punt 58 van het bestreden arrest) en dat verzoeksters brief van 2 juni 2014, die als bijlage A26 bij het verzoekschrift was gevoegd, „een deel weergaf van de informatie die in de hierboven in punt 8 vermelde toelichting was opgenomen, zonder dat daarmee echter de hierboven in de punten 7, 9 en 10 genoemde specifieke informatie werd verstrekt waarom het REA had verzocht” (punt 78 van het bestreden arrest). |
|
8. |
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het in het bestreden arrest heeft geooordeeld dat het in het onderhandelingschema voorziene tijdstip voor de beëindiging van de onderhandelingen „indicatief van aard” was (punt 130 van het bestreden arrest). |
|
9. |
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het in het bestreden arrest heeft geooordeeld dat geen vergoeding voor de materiële en evenmin voor de immateriële schade diende te worden verleend wegens de vaststelling van het litigieuze besluit (punten 147, 148 en 150 van het bestreden arrest). |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/15 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Supreme Court (Ierland) op 12 mei 2017 — Ryanair Ltd/The Revenue Commissioners
(Zaak C-249/17)
(2017/C 221/19)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Supreme Court
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ryanair Ltd
Verwerende partij: The Revenue Commissioners
Prejudiciële vragen
|
1) |
Volstaat een voornemen om aan een vennootschap die het voorwerp is van een poging tot overname, in de toekomst managementdiensten te verstrekken ingeval die overname slaagt, om te kunnen oordelen dat de potentiële overnemer economische activiteiten in de zin van artikel 4 van de Zesde btw-richtlijn (1) verricht, zodat de btw die aan de potentiële overnemer in rekening is gebracht over goederen of diensten die deze met het oog op de betrokken overname heeft verworven, kan worden aangemerkt als btw over leveringen ontvangen voor de voorgenomen economische activiteit van het verstrekken van dergelijke managementdiensten? |
|
2) |
Bestaat er een voldoende „rechtstreeks en onmiddellijk verband”, in de zin van het door het Hof van Justitie van de EU in het arrest Cibo (2) geformuleerde vereiste, tussen diensten die door deskundigen in de context van een dergelijke potentiële overname worden verstrekt, en in een later stadium verrichte leveringen, zoals de potentiële verstrekking van managementdiensten aan de vennootschap die het voorwerp van de poging tot overname is, ingeval die overname slaagt, zodat de over die diensten van deskundigen betaalde btw voor aftrek in aanmerking komt? |
(1) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1).
(2) Arrest van 27 september 2001, Cibo Participations SA v Directeur régional des impôts du Nord-Pas-de-Calais, C-16/00, EU:C:2001:495.
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/16 |
Beroep ingesteld op 12 mei 2017 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek
(Zaak C-251/17)
(2017/C 221/20)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Manhaeve en L. Cimaglia, gemachtigden)
Verwerende partij: Italiaanse Republiek
Conclusies
|
— |
vaststellen dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 260, lid 1, VWEU niet is nagekomen, doordat zij niet alle maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het arrest van het Hof van 19 juli 2012 in zaak C-565/10, Commissie/Italië; |
|
— |
de Italiaanse Republiek gelasten een dwangsom van 346 922,40 EUR per dag vertraging in de uitvoering van het arrest in zaak C-565/10 te betalen, minus de eventuele korting die voortvloeit uit de voorgestelde degressiviteitsformule, vanaf de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot en met de dag waarop het arrest in zaak C-565/10 is uitgevoerd. |
|
— |
de Italiaanse Republiek gelasten een forfaitair bedrag van 39 113,80 EUR per dag te betalen, met een minimum van 62 699 421,40 EUR, vanaf de dag van uitspraak van het arrest in zaak C-565/10 en tot de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak of tot en met de dag waarop het arrest in zaak C-565/10 is uitgevoerd. |
|
— |
Italiaanse Republiek verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar beroep klaagt de Commissie de niet- nakoming aan van het arrest van het Hof van 19 juli 2012 inzake 80 Italiaanse agglomeraties die voorwerp van dat arrest waren.
De Italiaanse Republiek erkent in dat verband dat zij de op haar krachtens artikel 3 van richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (1) rustende verplichtingen betreffende 35 agglomeraties niet is nagekomen. Zij erkent bovendien dat zij de op haar krachtens de artikelen 4 en 10 van die richtlijn rustende verplichtingen betreffende 70 agglomeraties niet is nagekomen.
De Commissie leidt daaruit af dat de Italiaanse Republiek niet alle maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het arrest van 19 juli 2012.
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/17 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Hannover (Duitsland) op 15 mei 2017 — Regina Lorenz en Prisca Sprecher/TUIfly GmbH
(Zaak C-254/17)
(2017/C 221/21)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Amtsgericht Hannover
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Regina Lorenz en Prisca Sprecher
Verwerende partij: TUIfly GmbH
Prejudiciële vragen
|
1) |
Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1)? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken? |
|
2) |
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking („wilde staking”) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken? |
|
3) |
Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen? |
|
4) |
Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid? |
(1) Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).
Gerecht
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/18 |
Arrest van het Gerecht van 16 mei 2017 — AW/EUIPO — Pharma Mar (YLOELIS)
(Zaak T-85/15) (1)
([„Uniemerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor Uniewoordmerk YLOELIS - Ouder Uniewoordmerk YONDELIS - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2017/C 221/22)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Alfa Wassermann SpA (AW) (Alanno, Italië), die werd toegestaan om in de plaats te treden van Alfa Wassermann Hungary Kft (vertegenwoordigers: M. Best, U. Pfleghar en S. Schäffner, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Palmero Cabezas, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Pharma Mar, SA (Colmenar Viejo, Spanje) (vertegenwoordiger: N. González-Alberto Rodríguez, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 18 december 2014 (zaak R 1100/2014-1) inzake een oppositieprocedure tussen Pharma Mar en Alfa Wassermann Hungary
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Alfa Wassermann SpA (AW) wordt verwezen in de kosten. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/18 |
Arrest van het Gerecht van 15 mei 2017 — Morton’s of Chicago/EUIPO — Mortons the Restaurant (MORTON’S)
(Zaak T-223/15) (1)
([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniebeeldmerk MORTON’S - Oudere niet-ingeschreven nationale merken MORTON’S, MORTONS, MORTON’S CLUB, MORTONS CLUB, MORTON’S THE RESTAURANT, MORTONS RESTAURANT en M MORTON’S - Relatieve weigeringsgrond - Nietigverklaring - Artikel 8, lid 4, en artikel 53, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2017/C 221/23)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Morton’s of Chicago, Inc. (Chicago, Illinois, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: J. Moss, barrister)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: H. O’Neill, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: Mortons the Restaurant Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: J. Barry, solicitor, en P. Nagpal, barrister)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 12 februari 2015 (zaak R 46/2014-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Mortons The Restaurant en Morton’s of Chicago
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Morton’s of Chicago, Inc. wordt verwezen in de kosten. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/19 |
Arrest van het Gerecht van 16 mei 2017 — Agria Polska e.a./Commissie
(Zaak T-480/15) (1)
((„Mededinging - Mededingingsregeling - Misbruik van machtspositie - Markt voor de distributie van gewasbeschermingsmiddelen - Besluit tot afwijzing van een klacht - Vermeend mededingingsbeperkend gedrag van producenten en distributeurs - Onderling afgestemde of gecoördineerde indiening door producenten en distributeurs van klachten bij de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke autoriteiten - Aangifte van vermeende schendingen van de toepasselijke regeling door parallelimporteurs - Daarop door de bestuursrechtelijke autoriteiten verrichte bestuursrechtelijke controles - Oplegging door de nationale autoriteiten van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties aan parellelimporteurs - Gelijkstelling van de indiening van klachten door de producenten en importeurs met een vexatoire handeling of misbruik van bestuursrechtelijke procedures - Geen belang van de Unie - Recht op effectieve rechterlijke bescherming”))
(2017/C 221/24)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partijen: Agria Polska sp. z o.o. (Sosnowiec, Polen), Agria Chemicals Poland sp. z o.o. (Sosnowiec), Star Agro Analyse und Handels GmbH (Allerheiligen bei Wildon, Oostenrijk) en Agria Beteiligungsgesellschaft mbH (Allerheiligen bei Wildon) (vertegenwoordigers: S. Dudzik en J. Budzik, vervolgens P. Graczyk en W. Rocławski, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Szczodrowski, A. Dawes en J. Norris-Usher, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit C(2015) 4284 final van de Commissie van 19 juni 2015 [zaak AT.39864 — BASF (voordien AGRIA e.a./BASF e.a.)] houdende afwijzing van de door verzoeksters ingediende klacht betreffende schendingen van artikel 101 en/of artikel 102 VWEU die zouden zijn begaan door voornamelijk 13 ondernemingen voor de productie en distributie van gewasbeschermingsmiddelen, met hulp van of via bemiddeling door vier beroepsorganisaties en één advocatenkantoor
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Agria Polska sp. z o.o., Agria Chemicals Poland sp. z o.o., Star Agro Analyse und Handels GmbH en Agria Beteiligungsgesellschaft mbH worden verwezen in de kosten. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/20 |
Arrest van het Gerecht van 16 mei 2017 — Airhole Facemasks/EUIPO — sindustrysurf (AIR HOLE FACE MASKS YOU IDIOT)
(Zaak T-107/16) (1)
([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniebeeldmerk AIR HOLE FACE MASKS YOU IDIOT - Kwade trouw - Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Wijzigingsbevoegdheid”])
(2017/C 221/25)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Airhole Facemasks, Inc. (Vancouver, Canada) (vertegenwoordigers: S. Barker, solicitor, en A. Michaels, barrister)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Hanf, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO: sindustrysurf, SL (Trapagaran, Spanje)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 18 januari 2016 (zaak R 2547/2014-4) inzake een nietigheidsprocedure tussen Airhole Facemasks en sindustrysurf
Dictum
|
1) |
De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 18 januari 2016 (zaak R 2547/2014-4) inzake een nietigheidsprocedure tussen Airhole Facemasks, Inc. en sindustrysurf, SL, wordt vernietigd en aldus gewijzigd dat het beroep van sindustrysurf bij het EUIPO tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling van 30 juli 2014 wordt verworpen. |
|
2) |
Airhole Facemasks en het EUIPO zullen elk hun eigen kosten van de procedure voor het Gerecht dragen. |
|
3) |
Sindustrysurf wordt verwezen in de kosten van Airhole Facemasks voor de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO. |
|
4) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/20 |
Arrest van het Gerecht van 18 mei 2017 — Reisswolf/EUIPO (secret.service.)
(Zaak T-163/16) (1)
([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk secret.service. - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Ambtshalve onderzoek van de feiten - Artikel 76 van verordening nr. 207/2009 - Motiveringsplicht - Artikel 75 van verordening nr. 207/2009”])
(2017/C 221/26)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Reisswolf Akten- und Datenvernichtung GmbH & Co. KG (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordiger: A. Ebert-Weidenfeller, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Hanne, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 8 februari 2016 (zaak R 1820/2015-4) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken secret.service. als Uniemerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Reisswolf Akten- und Datenvernichtung GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/21 |
Arrest van het Gerecht van 18 mei 2017 — Panzeri/Parlement
(Zaak T-166/16) (1)
((„Regeling betreffende de kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement - Vergoeding van een parlementair medewerker - Terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen”))
(2017/C 221/27)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Pier Antonio Panzeri (Calusco d’Adda, Italië) (vertegenwoordiger: C. Cerami, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: N. Lorenz, A. Caiola, G. Corstens en S. Seyr, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 11 februari 2016 betreffende de terugvordering van verzoeker van een bedrag van 83 764,34 EUR, alsmede van de daarbij behorende debet nota van diezelfde dag
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Pier Antonio Panzeri wordt verwezen in de kosten. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/21 |
Arrest van het Gerecht van 16 mei 2017 — Mühlbauer Technology/EUIPO (Magicrown)
(Zaak T-218/16) (1)
([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk Magicrown - Absolute weigeringsgronden - Geen onderscheidend vermogen - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2017/C 221/28)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Mühlbauer Technology GmbH (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Zintler en A. Stolz, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Hanne, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 7 maart 2016 (zaak R 1213/2015-4) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken Magicrown als Uniemerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Mühlbauer Technology GmbH wordt verwezen in de kosten. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/22 |
Arrest van het Gerecht van 17 mei 2017 — adp Gauselmann/EUIPO (MULTI FRUITS)
(Zaak T-355/16) (1)
([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk MULTI FRUITS - Absolute weigeringsgronden - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2017/C 221/29)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: adp Gauselmann GmbH (Espelkamp, Duitsland) (vertegenwoordiger: P. Koch Moreno, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: A. Schifko, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 29 april 2016 (zaak R 1043/2015-5) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken MULTI FRUITS als Uniemerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
adp Gauselmann GmbH wordt verwezen in de kosten. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/22 |
Arrest van het Gerecht van 11 mei 2017 — Bammer/EUIPO — mydays (MÄNNERSPIELPLATZ)
(Zaak T-372/16) (1)
([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniewoordmerk MÄNNERSPIELPLATZ - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 52, lid 1, onder a), en artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2017/C 221/30)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Alexander Bammer (Sindelfingen, Duitsland) (vertegenwoordiger: W. Riegger, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Hanne, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: mydays GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: F. Pfefferkorn, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 28 april 2016 (zaak R 1796/2015-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen mydays en A. Bammer
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Alexander Bammer wordt verwezen in de kosten. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/23 |
Arrest van het Gerecht van 18 mei 2017 — Sabre GLBL/EUIPO (INSTASITE)
(Zaak T-375/16) (1)
([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk INSTASITE - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2017/C 221/31)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Sabre GLBL, Inc. (Southlake, Texas, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: J. Zecher, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: D. Hanf en S. Crabbe, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 27 april 2016 (zaak R 1742/2015-2) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken INSTASITE als Uniemerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Sabre GLBL, Inc. wordt verwezen in de kosten. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/23 |
Arrest van het Gerecht van 18 mei 2017 — Makhlouf/Raad
(Zaak T-410/16) (1)
((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen Syrië - Bevriezing van tegoeden - Rechten van verdediging - Recht op effectieve rechterlijke bescherming - Motiveringsplicht - Kennelijk onjuiste beoordeling - Recht op eerbiediging van de eer - Recht op eigendom - Vermoeden van onschuld - Beperkingen van binnenkomst op of doorreis via het grondgebied van de Unie - Evenredigheid”))
(2017/C 221/32)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Rami Makhlouf (Damascus, Syrië) (vertegenwoordiger: E. Ruchat, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Kyriakopoulou, G. Étienne en A. Vitro, vervolgens S. Kyriakopoulou en A. Vitro, vervolgens S. Kyriakopoulou en J. Bauerschmidt, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Castillo de la Torre, L. Havas en R. Tricot, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit GBVB/2016/850 van de Raad van 27 mei 2016 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2016, L 141, blz. 125), en de daaraan volgende uitvoeringshandelingen, voor zover die handelingen betrekking hebben op verzoeker
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Rami Makhlouf wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Raad van de Europese Unie. |
|
3) |
De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/24 |
Arrest van het Gerecht van 16 mei 2017 — Marsh/EUIPO (LegalPro)
(Zaak T-472/16) (1)
([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk LegalPro - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2017/C 221/33)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Marsh GmbH (Frankfurt am Main, Duitsland) (vertegenwoordiger: W. Riegger, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: M. Fischer, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 17 juni 2016 (zaak R 146/2016-4) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken LegalPro als Uniemerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Marsh GmbH wordt verwezen in de kosten. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/25 |
Arrest van het Gerecht van 17 mei 2017 — PG/Frontex
(Zaak T-583/16)
((„Openbare dienst - Tijdelijk functionarissen - Niet-verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd - Verlengingsprocedure - Artikel 266 VWEU - Zorgplicht - Niet-contractuele aansprakelijkheid”))
(2017/C 221/34)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: PG (vertegenwoordiger: S. Pappas, advocaat)
Verwerende partij: Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) (vertegenwoordigers: H. Caniard en S. Drew, gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag van Frontex van 9 juni 2015 om verzoekers overeenkomst niet te verlengen, en tot vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
PG wordt verwezen in de kosten. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/25 |
Arrest van het Gerecht van 16 mei 2017 — CW/Parlement
(Zaak T-742/16 RENV) (1)
((„Openbare dienst - Ambtenaren - Psychisch geweld - Artikel 12 bis van het Statuut - Bijstandsplicht - Interne regels van het adviescomité intimidatie en voorkoming van intimidatie op het werk - Artikel 24 van het Statuut - Verzoek om bijstand - Afwijzing - Besluit tot afwijzing van de klacht - Autonome inhoud - Prematuur karakter van de klacht - Geen prematuur karakter - Rol en prerogatieven van het adviescomité intimidatie en voorkoming van intimidatie op het werk - Facultatieve inschakeling door de ambtenaar - Niet-contractuele aansprakelijkheid”))
(2017/C 221/35)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: CW (vertegenwoordiger: C. Bernard-Glanz, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: E. Taneva en M. Dean, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 270 VWEU, ten eerste strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 8 april 2013 tot afwijzing van het verzoek om bijstand dat verzoekster heeft ingediend in verband met het psychisch geweld door haar hiërarchieke meerderen waarvan zij slachtoffer zou zijn alsook tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 23 oktober 2013 tot afwijzing van haar klacht van 9 juli 2013, en ten tweede tot vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden
Dictum
|
1) |
Het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 23 oktober 2013 tot afwijzing, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, van de klacht van CW van 9 juli 2013 wordt nietig verklaard. |
|
2) |
Het verzoek tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 8 april 2013 tot afwijzing van het door CW ingediende verzoek om bijstand wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
3) |
Het Europees Parlement wordt veroordeeld tot betaling, aan CW ter vergoeding van haar immateriële schade, van een bedrag van 2 000 EUR, vermeerderd met vertragingsrente, vanaf de dag van de uitspraak van dit arrest, tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank (ECB) voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld. |
|
4) |
Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen voor het overige. |
|
5) |
Het Parlement wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in de kosten die CW heeft gemaakt in het kader van de aanvankelijke procedure voor het Gerecht voor ambtenaren in zaak F-124/13, in het kader van de procedure in hogere voorziening in zaak T-309/15 P en in het kader van deze verwijzingsprocedure in zaak T-742/16 RENV. |
(1) PB C 52 van 22.2.2014 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie onder nummer F-124/13).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/26 |
Beschikking van het Gerecht van 3 mei 2017 — De Nicola/EIB
(Zaak T-55/16 P) (1)
((„Hogere voorziening - Openbare dienst - Personeel van de EIB - Beoordeling - Loopbaanontwikkelingsrapport - Beoordeling 2009 - Onjuiste rechtsopvattingen - Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond”))
(2017/C 221/36)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirant: Carlo De Nicola (Strassen, Luxemburg) (vertegenwoordiger: G. Ferabecoli, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Investeringsbank (EIB) (vertegenwoordigers: G. Nuvoli en F. Martin, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Enkelvoudige kamer) van 18 december 2015, De Nicola/EIB (F-45/11, EU:F:2015:167), en strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van dat arrest
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Carlo De Nicola zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten die de Europese Investeringsbank (EIB) in het kader van deze procedure heeft gemaakt. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/27 |
Beschikking van het Gerecht van 3 mei 2017 — De Nicola/EIB
(Zaak T-59/16 P) (1)
((„Hogere voorziening - Openbare dienst - Personeel van de EIB - Beoordeling - Loopbaanontwikkelingsrapport - Beoordeling 2012 - Onjuiste rechtsopvattingen - Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond”))
(2017/C 221/37)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirant: Carlo De Nicola (Strassen, Luxemburg) (vertegenwoordiger: G. Ferabecoli, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Investeringsbank (EIB) (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. Nuvoli en F. Martin, vervolgens G. Nuvoli en G. Faedo, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Enkelvoudige kamer) van 18 december 2015, De Nicola/EIB (F-9/14, EU:F:2015:163), en strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van dat arrest
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Carlo De Nicola zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten die de Europese Investeringsbank (EIB) in het kader van deze procedure heeft gemaakt. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/27 |
Beschikking van het Gerecht van 3 mei 2017 — De Nicola/EIB
(Zaak T-60/16 P) (1)
((„Hogere voorziening - Openbare dienst - Personeel van de EIB - Beoordeling - Loopbaanontwikkelingsrapport - Beoordeling 2011 - Onjuiste rechtsopvattingen - Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond”))
(2017/C 221/38)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirant: Carlo De Nicola (Strassen, Luxemburg) (vertegenwoordiger: G. Ferabecoli, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Investeringsbank (EIB) (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. Nuvoli en F. Martin, vervolgens G. Nuvoli en G. Faedo, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Enkelvoudige kamer) van 18 december 2015, De Nicola/EIB (F-55/13, EU:F:2015: 165), en strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van dat arrest
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Carlo De Nicola zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten die de Europese Investeringsbank (EIB) in het kader van deze procedure heeft gemaakt. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/28 |
Beschikking van het Gerecht van 3 mei 2017 — De Nicola/EIB
(Zaak T-70/16 P) (1)
((„Hogere voorziening - Openbare dienst - Personeel van de EIB - Psychisch geweld - Niet-contractuele aansprakelijkheid - Onjuiste rechtsopvattingen - Hogere voorziening kennelijk ongegrond”))
(2017/C 221/39)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirant: Carlo De Nicola (Strassen, Luxemburg) (vertegenwoordiger: G. Ferabecoli, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Investeringsbank (EIB) (vertegenwoordigers: G. Nuvoli en F. Martin, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Enkelvoudige kamer) van 18 december 2015, De Nicola/EIB (F-104/13, EU:F:2015:164), en strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van dat arrest
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Carlo De Nicola zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten die de Europese Investeringsbank (EIB) in het kader van deze procedure heeft gemaakt. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/28 |
Beschikking van het Gerecht van 4 mei 2017 — De Masi/Commissie
(Zaak T-341/16) (1)
([„Beroep tot nietigverklaring - Toegang tot documenten - Verzoek om toegang uit hoofde van de samenwerking tussen de instellingen krachtens artikel 230 VWEU - Documenten betreffende de werkzaamheden van de door de Raad ingestelde groep ‚Gedragscode (fiscaliteit van ondernemingen)’ - Niet voor beroep vatbare handeling - Niet-ontvankelijkheid”])
(2017/C 221/40)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Fabio De Masi (Brussel, België) (vertegenwoordiger: A. Fischer Lescano, professor)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Erlbacher en J. Baquero Cruz, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van het besluit vervat in de brief van de Commissie van 8 juni 2015 ter beantwoording van het verzoek van de voorzitter van de bijzondere commissie van het Europees Parlement over fiscale ruling en andere maatregelen die door hun aard of gevolg soortgelijk zijn (TAXE2), om volledige toegang tot de documenten van de groep „Gedragscode (fiscaliteit van ondernemingen)”
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Fabio De Masi zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/29 |
Beroep ingesteld op 14 april 2017 — L/Parlement
(Zaak T-59/17)
(2017/C 221/41)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: L (vertegenwoordiger: I. Coutant Peyre, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
nietig te verklaren het op 25 juli 2016 ontvangen besluit van het Parlement van 24 juni 2016 om verzoeker te ontslaan; |
|
— |
het Parlement te veroordelen tot betaling van een bedrag van 100 000 EUR ter vergoeding van de immateriële schade; en |
|
— |
het Parlement te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij acht middelen aan.
|
1. |
Eerste middel, ontleend aan niet-nakoming van het beginsel van bescherming van klokkenluiders zoals vervat in artikel 22, onder a) en b), van het Ambtenarenstatuut en in artikel 6, lid 1, van de interne regels. |
|
2. |
Tweede middel, ontleend aan het ontbreken van motivering. |
|
3. |
Derde middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout. |
|
4. |
Vierde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel. |
|
5. |
Vijfde middel, ontleend aan niet-nakoming van de zorgplicht. |
|
6. |
Zesde middel, ontleend aan het ontbreken van antwoord van het Parlement op verzoekers verzoek om bijstand, schending van het recht van verweer en van het recht op een vreedzame beslechting van het geding. |
|
7. |
Zevende middel, ontleend aan schending van het recht op toegang tot documenten. |
|
8. |
Achtste middel, ontleend aan misbruik van bevoegdheid. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/29 |
Beroep ingesteld op 19 april 2017 — Falmouth University/Commissie
(Zaak T-227/17)
(2017/C 221/42)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Falmouth University (Falmouth, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: V. Sloane, Barrister, F. Harmel, advocaat, en T. Kotsonis, Solicitor)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie, waarbij zij met betrekking tot de programmeringsperiode 2007-2013 van het EFRO vaststelt dat zich bij de actie „Enhancing the Creative Knowledge Base of Cornwall” onregelmatigheden hadden voorgedaan en dat een forfaitaire financiële correctie vereist was; |
|
— |
de Europese Commissie verwijzen in haar eigen kosten en in die van verzoekster. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: de Commissie heeft ten onrechte vastgesteld dat de selectiecriteria in strijd waren met artikel 44, lid 2, van richtlijn 2004/18/EG (1). |
|
2. |
Tweede middel: de Commissie mocht zich niet baseren op de drie aanvullende vermeende onregelmatigheden. |
|
3. |
Derde middel: de Commissie heeft hoe dan ook ten onrechte vastgesteld dat er drie aanvullende vermeende onregelmatigheden waren. |
|
4. |
Vierde middel: de Commissie heeft kennelijk irrationeel en onevenredig gehandeld door te besluiten dat de financiële correctie 25 % bedraagt. |
(1) Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB 2004, L 134, blz. 114).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/30 |
Beroep ingesteld op 17 april 2017 — Balti Gaas/Commissie en INEA
(Zaak T-236/17)
(2017/C 221/43)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Balti Gaas OÜ (Tallinn, Estland) (vertegenwoordigers: E. Tamm en L. Naaber-Kivisoo, advocaten)
Verwerende partijen: Europese Commissie en Uitvoerend Agentschap Innovatie en Netwerken (INEA)
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van het besluit van verweerders van 17 februari 2017 Ref Ares(2017) 890302 (1); |
|
— |
verweerders verwijzen in hun eigen kosten en in die van verzoekster. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep stelt verzoekster dat verweerders niet hebben verzekerd dat de gevolgde procedures voor de toekenning van subsidies voldeden aan de beginselen van wettelijkheid, transparantie en behoorlijk bestuur, en voert zij vier middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: onbevoegdheid. |
|
2. |
Tweede middel: schending van een wezenlijk vormvoorschrift wegens ontoereikende motivering. |
|
3. |
Derde middel: ontoereikende motivering. |
|
4. |
Vierde middel: de motivering is gebaseerd op materieel onjuiste feiten. |
(1) Besluit genomen in het kader van uitvoeringsbesluit C(2016) 1587 final van de Commissie van 17 maart 2016 tot wijziging van uitvoeringsbesluit C(2014) 2080 van de Commissie tot vaststelling van het meerjarenwerkprogramma voor het verstrekken van financiële bijstand op het gebied van de trans-Europese energie-infrastructuur in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen voor de periode 2014-2020.
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/31 |
Beroep ingesteld op 24 april 2017 — Ecolab Deutschland en Lysoform Dr. Hans Rosemann/ECHA
(Zaak T-243/17)
(2017/C 221/44)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Ecolab Deutschland GmbH (Monheim, Duitsland) en Lysoform Dr. Hans Rosemann GmbH (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: K. Van Maldegem, M. Grunchard en P. Sellar, advocaten)
Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen
Conclusies
|
— |
het beroep ontvankelijk verklaren en als gegrond beschouwen; |
|
— |
het besluit van het Europees agentschap voor chemische stoffen (hierna: „ECHA”) betreffende de opname van het bedrijf Sasol Chemie GmbH & Co. KG als een actieve aanbieder voor de substantie 1-propanol op de lijst van artikel 95, lid 1, van verordening (EU) nr. 528/2012 (1) (hierna: „lijst van artikel 95”) voor de producttypen 1,2 en 4; |
|
— |
ECHO verwijzen in de proceskosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voeren verzoekende partijen drie middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: schending van artikel 95, lid 1, tweede alinea, van verordening (EU) nr. 528/2012
|
|
2. |
Tweede middel: schending van het non-discriminatiebeginsel
|
|
3. |
Derde middel: schending van het gelijke speelveld dat is vastgesteld bij verordening (EU) nr. 528/2012 alsook het doen ontstaan van oneerlijke concurrentie
|
(1) Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167, blz. 1).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/32 |
Beroep ingesteld op 28 april 2017 — Casino, Guichard-Perrachon en EMC Distribution/Commissie
(Zaak T-249/17)
(2017/C 221/45)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Casino, Guichard-Perrachon (Saint-Étienne, Frankrijk) en EMC Distribution (Vitry-sur-Seine, Frankrijk) (vertegenwoordigers: D. Théophile, I. Simic, O. de Juvigny en T. Reymond, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
alvorens recht te doen, de Commissie op grond van artikelen 89 en 90 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gelasten alle documenten, stukken en overige informatie over te leggen op basis waarvan zij meende dat zij bij de vaststelling van besluit C(2017) 1054 beschikte over aanwijzingen die gegrond genoeg waren om een inspectie te houden in de bedrijfsruimten van verzoeksters; |
|
— |
artikel 20 van verordening nr. 1/2003 op grond van artikel 277 VWEU niet van toepassing verklaren op de onderhavige zaak en dientengevolge besluit C(2017) 1054 van de Commissie van 9 februari 2017 nietig verklaren; |
|
— |
besluit C(2017) 1054 van de Commissie van 9 februari 2017 op grond van artikel 263 VWEU nietig verklaren; |
|
— |
de Commissie verwijzen in alle kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan.
|
1. |
Eerste middel, ontleend aan de onrechtmatigheid van het in deze zaak bestreden besluit van de Europese Commissie van 9 februari 2017 waarbij verzoeksters werden onderworpen aan een inspectie krachtens artikel 20, leden 1 en 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1) (hierna: „bestreden besluit”). De verzoekende partijen stellen hieromtrent dat:
|
|
2. |
Tweede middel, ontleend aan de inbreuk op het grondrecht van de onschendbaarheid van de woning, vastgelegd in artikel 7 Handvest en artikel 8 EVRM, aangezien het bestreden besluit een onbegrensde geldigheidsduur en een onduidelijke en onevenredige werkingssfeer heeft, daar:
|
|
3. |
Derde middel, ontleend aan niet-nakoming van de op de Commissie rustende motiveringsplicht, aangezien het bestreden besluit geen nadere gegevens bevat over de soort, aard, herkomst en inhoud van de informatie op basis waarvan de Commissie heeft besloten een inspectie te bevelen. |
|
4. |
Vierde middel, ontleend aan de inbreuk die het bestreden besluit heeft gemaakt op het grondrecht van de onschendbaarheid van de woning, vastgelegd in artikel 7 Handvest en artikel 8 EVRM, aangezien dit besluit werd vastgesteld zonder dat de aanwijzingen van de Commissie gegrond genoeg waren om een inspectie in de bedrijfsruimten van verzoeksters te rechtvaardigen. |
|
5. |
Vijfde middel, ontleend aan de schending van het evenredigheidsbeginsel die bij de vaststelling van het bestreden besluit is begaan, voor zover dit besluit erin voorzag de inspectie te beginnen op een voor het werk van verweersters zeer ongunstige datum, terwijl de Commissie zonder enig nadeel een voor verzoeksters minder bezwarende datum had kunnen vaststellen. Hieromtrent voeren verzoeksters aan dat de inspecties die toch specifiek waren gericht op de bedrijfsruimten van het onderdeel van groupe Casino dat de onderhandelingen met leveranciers voerde, volgens het bestreden besluit op of kort na 20 februari 2017 zouden beginnen, en dat terwijl de Commissie heel goed wist dat dit de laatste week was waarin met de leveranciers werd onderhandeld over de jaarlijks met hen af te sluiten overeenkomsten, die volgens artikel L 441-7 van de Franse code de commerce (wetboek van koophandel) voor 1 maart van het lopende jaar moeten worden ondertekend. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/33 |
Beroep ingesteld op 3 mei 2017 — RE/Commissie
(Zaak T-257/17)
(2017/C 221/46)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: RE (vertegenwoordiger: S. Pappas, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van het directoraat Veiligheid tot afwijzing van verzoekers bevestigend verzoek van 20 januari 2017 om toegang tot documenten; |
|
— |
veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een billijke en redelijke vergoeding aan verzoeker voor de immateriële schade die hij heeft geleden door de onwettige weigering om zijn verzoek om toegang in behandeling te nemen, in strijd met de bepalingen van verordening nr. 1049/2001 (1); en |
|
— |
verwijzing van de verwerende partij in haar eigen en in verzoekers kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met zijn beroep vraagt verzoeker om nietigverklaring van bovengenoemd stilzwijgend besluit en wel om twee redenen: ten eerste bevat dat besluit geen motivering met betrekking tot de redenen om niet de door verzoeker gevraagde toegang te geven tot de 15 documenten die niet waren genoemd in het besluit van 22 december 2016 tot afwijzing van verzoekers eerste verzoek om toegang tot documenten; ten tweede het ontbreken of in elk geval de onjuistheid van de rechtvaardiging om geen toegang te geven tot de andere documenten, indien mocht worden geoordeeld dat de motivering van het besluit van 22 december 2016 tot afwijzing van verzoekers eerste verzoek om toegang is vervat in het bestreden stilzwijgend besluit.
Ten slotte vraagt verzoeker om toekenning van een billijke vergoeding voor de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van de voortdurende vertraging door de administratie en de onwettige weigering om hem toegang te verlenen tot de betrokken documenten, in strijd met de bepalingen van verordening nr. 1049/2001.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/34 |
Beroep ingesteld op 3 mei 2017 — Bank of New York Mellon/EUIPO — Nixen Partners (NEXEN PULSE)
(Zaak T-260/17)
(2017/C 221/47)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: The Bank of New York Mellon Corp. (New York, New York, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: A. Klett en K. Schlüter, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Nixen Partners (Parijs, Frankrijk)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: Uniewoordmerk „NEXEN PULSE” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 374 194
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 23 februari 2017 in zaak R 1571/2016-2
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van de oppositie; |
|
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten van deze procedure en in de kosten van de procedure voor de kamer van beroep en de oppositieafdeling, met inbegrip van alle kosten die verzoekster in het kader van deze procedures heeft moeten maken. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/34 |
Beroep ingesteld op 5 mei 2017 — Bayer/EUIPO — UNI — Pharma (SALOSPIR)
(Zaak T-261/17)
(2017/C 221/48)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Bayer AG (Leverkusen, Duitsland) (vertegenwoordiger: V. von Bomhard, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: UNI — Pharma Kleon Tsetis Pharmaceutical Laboratories Industrial and Commercial SA (Kifisia, Griekenland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: Uniebeeldmerk met het woordelement „SALOSPIR” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 351 458
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 17 februari 2017 in zaak R 2444/2015-4
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
verwijzing van het EUIPO en Uni-Pharma, indien deze gebruikmaakt van haar recht om in de procedure te interveniëren, in de kosten. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), artikel 8, lid 4, en artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/35 |
Beroep ingesteld op 4 mei 2017 — Uponor Innovation/EUIPO — Swep International (SMATRIX)
(Zaak T-264/17)
(2017/C 221/49)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Uponor Innovation AB (Borås, Zweden) (vertegenwoordiger: A. Kylhammar, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Swep International AB (Landskrona, Zweden)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager: verzoekende partij
Betrokken merk: Uniewoordmerk „SMATRIX” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 540 431
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 1 maart 2017 in zaak R 236/2016-2
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten. |
|
— |
verwijzing van SWEP International in verzoeksters kosten voor de oppositieafdeling en de kamer van beroep. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/35 |
Beroep ingesteld op 8 mei 2017 — Quadri di Cardano/Commissie
(Zaak T-273/17)
(2017/C 221/50)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Alessandro Quadri di Cardano (Schaarbeek, België) (vertegenwoordigers: N. De Montigny en J.-N. Louis, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
nietig te verklaren het besluit van het PMO van 19 juli 2016 tot vaststelling van haar individuele rechten bij haar indiensttreding bij het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA), voor zover haar daarbij de toekenning wordt geweigerd van de ontheemdingstoelage van 16 % in de zin van artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut en, dientengevolge, van de daarmee verbonden rechten, met name de jaarlijkse reiskosten; |
|
— |
de verwerende partij te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
|
1. |
Eerste middel, ontleend aan de niet-eerbiediging van de discussies en onderhandelingen in verband met de periode vóór de hervorming van het Ambtenarenstatuut en, met name, schending van gewettigde verwachtingen, van de beginselen van gewettigd vertrouwen en rechtszekerheid alsmede van de verworven rechten van de verzoekende partij, wegens de analyse die plotseling verschilt van haar dossier van individuele rechten. |
|
2. |
Tweede middel, betreffende het tijdelijk contract naar Belgisch recht, dat de Commissie aanvoert ter rechtvaardiging van het feit dat de verzoekende partij haar woonplaats in België heeft gevestigd gedurende de tijd dat zij werkzaam was voor een particulier werkgever. Dit middel bestaat uit drie onderdelen.
|
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/36 |
Beroep ingesteld op 10 mei 2017 — Monster Energy/EUIPO — Bösel (MONSTER DIP)
(Zaak T-274/17)
(2017/C 221/51)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Monster Energy Company (Corona, Californië, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: P. Brownlow, solicitor)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Marco Bösel (Bad Fallingbostel, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: Uniebeeldmerk met het woordelement „MONSTER DIP” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 118 211
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 10 februari 2017 in zaak R 1062/2016-2
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling van 19 april 2016 in oppositie B 2433681; |
|
— |
afwijzing van het merk waartegen oppositie is ingesteld, voor alle waren en diensten; |
|
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten. |
Aangevoerde middelen
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), artikel 8, lid 4, en artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009. |
|
10.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 221/37 |
Beschikking van het Gerecht van 5 mei 2017 — King.com/EUIPO — TeamLava (Geanimeerde iconen)
(Zaak T-96/17) (1)
(2017/C 221/52)
Procestaal: Engels
De president van de Eerste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.