ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 220

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

60e jaargang
8 juli 2017


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2017/C 220/01

Statuten van CESSDA ERIC

1

2017/C 220/02

Statuten van ECCSEL ERIC — Europees laboratorium voor de afvang en opslag van koolstofdioxide — Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur

15

2017/C 220/03

ESSA-hygiënerichtsnoer voor de productie van kiemgroenten en voor kiemgroenten bestemde zaden

29

2017/C 220/04

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.8242 — Rolls-Royce/ITP) ( 1 )

53

2017/C 220/05

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.8465 — Vivendi/Telecom Italia) ( 1 )

53

2017/C 220/06

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.8510 — Robert Tönnies/Clemens Tönnies/Zur Mühlen Group and Asset Group) ( 1 )

54


 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2017/C 220/07

Wisselkoersen van de euro

55

2017/C 220/08

Lijst van organisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties

56

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN

2017/C 220/09

Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 16, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Vaststelling van openbaredienstverplichtingen met betrekking tot geregelde luchtdiensten ( 1 )

57

2017/C 220/10

Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen ( 1 )

58

2017/C 220/11

Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen ( 1 )

59

2017/C 220/12

Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen ( 1 )

60

2017/C 220/13

Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen ( 1 )

61

2017/C 220/14

Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen ( 1 )

62

2017/C 220/15

Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen ( 1 )

63


 

V   Bekendmakingen

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Europese Commissie

2017/C 220/16

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8528 — SEGRO/PSPIB/SELP/Morgane Portfolio) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

64

2017/C 220/17

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8557 — CCMP Capital/MSD Aqua Partners/Hayward Industries) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

65

2017/C 220/18

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8356 — Wietersdorfer/Amiantit/HOBAS JV) ( 1 )

66


 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

 


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/1


STATUTEN VAN CESSDA ERIC

(2017/C 220/01)

PREAMBULE

Het Koninkrijk België,

De Tsjechische Republiek,

Het Koninkrijk Denemarken,

De Bondsrepubliek Duitsland,

De Helleense Republiek,

De Franse Republiek,

Hongarije,

Het Koninkrijk der Nederlanden,

De Republiek Oostenrijk,

De Republiek Slovenië,

De Slowaakse Republiek,

Het Koninkrijk Zweden,

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Het Koninkrijk Noorwegen,

hierna „de leden” genoemd, en:

De Zwitserse Bondsstaat,

hierna „de waarnemers” genoemd,

OVERWEGENDE dat de leden overtuigd zijn dat het verlenen van toegang tot sociaalwetenschappelijke gegevens en metagegevens van essentieel belang is voor ons inzicht in de grote uitdagingen waarvoor de samenleving zich vandaag gesteld ziet, de maatschappelijke processen die plaatsvinden, de daarmee gepaard gaande problemen en de beschikbare oplossingen,

OVERWEGENDE dat het Consortium van Europese archieven voor sociaalwetenschappelijke gegevens (CESSDA) zal voortbouwen op bestaande nationale diensten in de lidstaten en de pan-Europese samenwerking zal versterken en uitbreiden, door middel van nauwe samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling van archieven voor sociaalwetenschappelijke gegevens, om zowel wetenschappelijke als economische redenen,

OVERWEGENDE dat de leden proberen de wetenschappelijke excellentie en de efficiëntie van het Europese onderzoek in de sociale wetenschappen te versterken en de gemakkelijke toegang tot gegevens en metagegevens uit te breiden zonder belemmerd te worden door landsgrenzen,

ERAAN HERINNEREND dat CESSDA erkend is door het Europees Strategieforum voor onderzoeksinfrastructuren (ESFRI) en is opgenomen in de Esfri-routekaart (2006),

OVERWEGENDE dat Duitsland een extra bijdrage wil leveren door speciale taken van CESSDA te financieren die door de Duitse dienstverlener zullen worden uitgevoerd,

MET HET VERZOEK aan de Europese Commissie om de CESSDA-infrastructuur op te richten als een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (CESSDA ERIC) op grond van Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad van 25 juni 2009,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Naam, zetel en werktaal

1.   Het Consortium van Europese archieven voor sociaalwetenschappelijke gegevens (CESSDA) heeft de rechtsvorm van een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC) dat is opgericht uit hoofde van Verordening (EG) nr. 723/2009, en wordt „CESSDA ERIC” genoemd.

2.   De statutaire zetel van CESSDA ERIC bevindt zich in Bergen, Noorwegen.

3.   De werktaal van CESSDA ERIC is het Engels.

Artikel 2

Taak en activiteiten

1.   CESSDA ERIC is het knooppunt van een verspreide onderzoeksinfrastructuur dat de archieven voor sociaalwetenschappelijke gegevens van de leden, waarnemers en andere partners met elkaar verbindt. CESSDA ERIC exploiteert zelf geen gegevensarchieven.

2.   CESSDA ERIC heeft tot taak een verspreide en duurzame onderzoeksinfrastructuur te bieden en aldus de onderzoeksgemeenschap in staat te stellen hoogwaardig sociaalwetenschappelijk onderzoek te verrichten dat bijdraagt tot het vinden van doeltreffende oplossingen voor de belangrijkste problemen van de huidige samenlevingen en het onderwijs en de kennisverwerving op sociaalwetenschappelijk gebied te bevorderen.

3.   CESSDA ERIC opereert op niet-economische basis. CESSDA ERIC mag evenwel beperkte economische activiteiten uitoefenen op voorwaarde dat die nauw verbonden zijn met zijn hoofdtaken en dat de realisatie daarvan niet in gevaar wordt gebracht.

4.   CESSDA ERIC vervult zijn taak door bij te dragen tot de ontwikkeling en coördinatie van normen, protocollen en beste beroepspraktijken, met inbegrip van opleiding op het gebied van beste praktijken voor gegevensdistributie en gegevensbeheer. Indien nodig neemt CESSDA ERIC tevens nieuwe gegevensbronnen in de infrastructuur op.

5.   CESSDA ERIC bevordert een bredere deelname aan de onderzoeksinfrastructuur. Om de toetreding te bevorderen van landen die behoefte hebben aan ondersteuning met het oog op de verdere ontwikkeling van hun archieven voor sociaalwetenschappelijke gegevens, neemt CESSDA ERIC het initiatief voor opleidingsactiviteiten en uitwisselingen tussen gevestigde en potentiële dienstverleners.

HOOFDSTUK 2

LIDMAATSCHAP

Artikel 3

Lidmaatschap

1.   De volgende entiteiten kunnen lid worden of als waarnemer zonder stemrechten deelnemen:

a)

de lidstaten van de Unie;

b)

de geassocieerde landen;

c)

derde landen die geen geassocieerd land zijn;

d)

intergouvernementele organisaties.

Bijlage 1 bij deze statuten bevat een lijst van leden, waarnemers en dienstverleners vanaf de datum van opname in CESSDA ERIC. Als er wijzigingen plaatsvinden met betrekking tot de deelname aan CESSDA ERIC, zal de directeur die bijlage bijwerken.

2.   De toetreding van nieuwe leden en waarnemers en de intrekking of beëindiging van lidmaatschap en de status van waarnemer geschieden overeenkomstig de artikelen 5 en 6.

3.   De leden van CESSDA ERIC moeten ten minste bestaan uit één lidstaat van de Unie en twee andere landen die hetzij lidstaat van de Unie, hetzij een geassocieerd land zijn.

4.   De leden hebben de volgende rechten:

a)

zij mogen gebruikmaken van het merk CESSDA ERIC, bestaande uit een visuele of geluidsweergave van „CESSDA” of „CESSDA ERIC” waarbij het gebruik van de woorden, een rapport, product of dienst met CESSDA ERIC in verband wordt gebracht;

b)

zij mogen een of meer vertegenwoordigende entiteiten benoemen;

c)

zij mogen deelnemen aan en stemmen bij zittingen van de algemene vergadering;

d)

zij mogen dienstverleners zoals gedefinieerd in artikel 11, lid 2, het recht verlenen om:

i.

deel te nemen aan trainingen van CESSDA ERIC en daaraan gerelateerde activiteiten;

ii.

gebruik te maken van in het kader van een contract met CESSDA ERIC ontwikkelde software, middleware en instrumenten van CESSDA ERIC;

iii.

gebruik te maken van de European Language Social Science Thesaurus (ELSST);

e)

zij mogen het in artikel 11 bedoelde dienstverlenersforum bijwonen.

5.   De leden hebben de volgende verplichtingen:

a)

zij moeten bijdragen aan de begroting van CESSDA ERIC volgens de door de algemene vergadering vastgestelde financieringsformule;

b)

zij moeten een dienstverlener aanwijzen die de diensten van CESSDA ERIC in hun land en in Europa zal verrichten;

c)

zij moeten nationale financiering verstrekken om de aangewezen dienstverlener in staat te stellen aan de in bijlage 2 vastgestelde vereisten te voldoen;

d)

zij moeten de vaststelling van standaarden in nationale archieven voor sociaalwetenschappelijke gegevens bevorderen;

e)

zij moeten technische infrastructuur ter beschikking stellen om de toegang tot gegevens en diensten mogelijk te maken;

f)

zij moeten het gebruik van de diensten door onderzoekers in hun land bevorderen en feedback en behoeften van gebruikers verzamelen;

g)

zij moeten de integratie van nationale archieven voor sociaalwetenschappelijke gegevens ondersteunen en zo nodig initiëren, met inbegrip van de integratie tussen nationale archieven en die in andere landen die lid of waarnemer zijn.

Artikel 4

Waarnemers

1.   Waarnemers zijn landen of intergouvernementele organisaties die hetzij voorbereiding treffen om lid te worden, hetzij om binnenlandse redenen geen lid kunnen worden maar toch een bijdrage willen leveren en deel willen nemen aan de activiteiten van CESSDA ERIC.

2.   Waarnemers hebben de volgende rechten:

a)

zij mogen het merk CESSDA ERIC gebruiken met de vermelding „waarnemer”;

b)

zij mogen een of meer vertegenwoordigende entiteiten benoemen;

c)

zij mogen zittingen van de algemene vergadering bijwonen, maar hebben geen;

d)

zij hebben toegang tot rechtstreekse ondersteuning door CESSDA ERIC bij de ontwikkeling van systemen, processen en diensten;

e)

zij mogen hun dienstverleners het recht verlenen om:

i.

deel te nemen aan trainingen van CESSDA ERIC en daaraan gerelateerde activiteiten;

ii.

gebruik te maken van in het kader van een contract met CESSDA ERIC ontwikkelde software, middleware en instrumenten van CESSDA ERIC;

iii.

gebruik te maken van de European Language Social Science Thesaurus (ELSST);

f)

zij mogen het in artikel 12 bedoelde dienstverlenersforum bijwonen.

3.   Waarnemers hebben de volgende verplichtingen:

a)

zij moeten bijdragen aan de door de algemene vergadering vastgestelde begroting zoals overeengekomen in de aanvraagprocedure;

b)

zij moeten de activiteiten ondernemen die bij de toelating als waarnemer zijn overeengekomen;

c)

zij moeten, indien overeengekomen is dat zij diensten van CESSDA ERIC zullen verlenen, een dienstverlener aanwijzen die die diensten in hun land en in Europa zal verrichten;

d)

indien een dienstverlener is aangewezen, moeten zij nationale financiering verstrekken om die dienstverlener in staat te stellen aan de in bijlage 2 vastgestelde vereisten te voldoen.

Artikel 5

Toetreding

1.   Na de inwerkingtreding van deze statuten kunnen de in artikel 3, lid 1, bedoelde entiteiten als lid of waarnemer worden toegelaten. De toetreding moet door de algemene vergadering met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen worden goedgekeurd. Een voorwaarde voor toetreding is dat de entiteit een positieve bijdrage kan leveren aan de in artikel 2 bedoelde taken en activiteiten van CESSDA ERIC en dat deze naar verwachting de in artikel 3, lid 5, en artikel 4, lid 3, bedoelde verplichtingen kan nakomen. Verzoeken om lid of waarnemer te worden, worden gericht aan de directeur, die de algemene vergadering adviseert of het verzoek moet worden ingewilligd.

2.   Op verzoek van de directeur wordt door het toetredende lid of de toetredende waarnemer een dienstverlener geselecteerd en voorgesteld, die verantwoordelijk zal zijn voor de uitvoering van de taken van de dienstverlener.

3.   Voordat de voorgestelde dienstverlener wordt aanvaard of verworpen, wint de directeur advies in bij de wetenschappelijke adviesraad en het dienstverlenersforum.

Artikel 6

Intrekking of beëindiging van lidmaatschap of van de status van waarnemer

1.   Leden en waarnemers mogen, met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal zes maanden, het lidmaatschap of de status van waarnemer intrekken. De opzegging dient schriftelijk te worden ingediend en te worden gericht aan de directeur. Leden en waarnemers mogen gedurende de eerste vier jaar hun lidmaatschap of status als waarnemers niet intrekken, tenzij de algemene vergadering om uitzonderlijke redenen een kortere termijn aanvaardt.

2.   Nog openstaande bijdragen moeten betaald zijn en andere verplichtingen moeten nagekomen zijn voordat de intrekking van het lidmaatschap of de status van waarnemer van kracht wordt. Door CESSDA ERIC gefinancierde activa die eigendom zijn van de dienstverlener, moeten zo mogelijk worden teruggegeven aan CESSDA ERIC.

3.   Wanneer een lid of waarnemer de statuten of de toepasselijke wettelijke voorschriften schendt, of niet in staat is aan de verplichtingen voor leden of waarnemers te voldoen, kan de algemene vergadering met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen besluiten het lidmaatschap of de status van waarnemer te beëindigen.

4.   Een lid mag niet meestemmen over kwesties die te maken hebben met de intrekking of mogelijke beëindiging van het eigen lidmaatschap.

HOOFDSTUK 3

BESTUUR

Artikel 7

Bestuur

1.   De bestuursstructuur van CESSDA ERIC bestaat uit:

a)

de algemene vergadering;

b)

de directeur;

c)

de dienstverleners en het dienstverlenersforum, dat een adviserende rol heeft;

d)

de wetenschappelijke adviesraad;

e)

andere adviserende comités die door de algemene vergadering zijn opgericht om de verwezenlijking van de doelstellingen van CESSDA ERIC te bevorderen.

Artikel 8

Algemene vergadering

1.   De algemene vergadering bestaat uit vertegenwoordigers van de leden en waarnemers.

2.   De algemene vergadering heeft de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid binnen CESSDA ERIC. De algemene vergadering verricht de volgende functies:

a)

zij beslist over de begroting en de financieringsformule, en keurt de jaarrekening en het jaarverslag goed. Wijzigingen in de financieringsformule vereisen altijd een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen. Over verhogingen van de begroting die een hogere jaarlijkse bijdrage tot gevolg hebben, wordt besloten met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen;

b)

zij bepaalt het beleid van CESSDA ERIC ten aanzien van wetenschappelijke, technische en administratieve zaken, en bepaalt en handhaaft een intellectuele-eigendomsbeleid, waarbij een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen vereist is;

c)

zij stelt met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen strategische plannen en werkprogramma’s vast;

d)

zij houdt toezicht op de leiding van CESSDA ERIC;

e)

zij kiest de voorzitter en vicevoorzitter van de algemene vergadering;

f)

zij benoemt en ontslaat de directeur van CESSDA ERIC;

g)

zij benoemt, vervangt en ontslaat de leden van de wetenschappelijke adviesraad;

h)

zij verleent goedkeuring voor dienstverleners, die door een lid of waarnemer zijn voorgedragen, en voor de vervanging van dienstverleners. De goedkeuring kan worden ingetrokken indien de dienstverlener zijn verplichtingen niet nakomt;

i)

zij benoemt, vervangt en ontslaat de leden van de door de algemene vergadering opgerichte comités;

j)

zij keurt auditverslagen voor CESSDA ERIC goed;

k)

zij ontvangt en beoordeelt jaarverslagen van de wetenschappelijke adviesraad;

l)

zij stelt in overleg met het dienstverlenersforum operationele regels en normen vast voor de activiteiten van dienstverleners die verband houden met CESSDA ERIC;

m)

zij verleent goedkeuring voor de toetreding van nieuwe leden en waarnemers en de intrekking of beëindiging van lidmaatschap en de status van waarnemer volgens de artikelen 5 en 6.

3.   Elk lid wordt in de algemene vergadering vertegenwoordigd door ten hoogste twee afgevaardigden. Elk lid heeft één stem in de algemene vergadering. Besluiten worden genomen met een gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen, tenzij in deze statuten anders is bepaald. De lidstaten van de Unie en de geassocieerde landen hebben samen de meerderheid van de stemrechten in de algemene vergadering. De voorzitter heeft geen stemrecht, behalve in geval van staking van stemmen, waarbij de voorzitter de beslissende stem uitbrengt.

4.   Voor een geldige bijeenkomst van de algemene vergadering is een quorum van de helft van de leden vereist. Indien geen quorum wordt bereikt, vindt de vergadering opnieuw plaats binnen drie weken na het versturen van een nieuwe uitnodiging, met dezelfde agenda. Tijdens de herhaalde vergadering wordt een quorum bereikt indien tenminste een kwart van de leden aanwezig is. Indien geen quorum wordt bereikt tijdens de herhaalde vergadering dan is de voorzitter van de algemene vergadering bevoegd om besluiten te nemen die niet kunnen worden uitgesteld tot de algemene vergadering nogmaals bijeen kan komen met een quorum. Deze besluiten worden bij de eerst mogelijke gelegenheid ter beoordeling aan de algemene vergadering voorgelegd.

5.   Indien de Statuten een tweederdemeerderheid van de stemmen vereisen, is een quorum van drie vierde van de leden noodzakelijk voor een geldig besluit.

6.   Een stem in de algemene vergadering kan alleen worden uitgebracht door leden die fysiek aanwezig zijn. Indien een lid echter niet fysiek aanwezig kan zijn, mag de algemene vergadering een elektronische aanwezigheid accepteren. Het stemrecht is niet overdraagbaar. Een geheime stemming wordt gehouden indien tenminste een derde van de aanwezige leden om een dergelijke procedure verzoekt.

7.   De voorzitter kan, indien nodig, besluiten dat tussen twee vergaderingen een beslissing bij schriftelijke procedure wordt genomen.

8.   Waarnemers mogen zittingen van de algemene vergadering bijwonen, maar hebben geen stemrecht. Iedere waarnemer kan maximaal twee afgevaardigden sturen.

9.   De algemene vergadering kiest uit de afgevaardigden van de leden een voorzitter en een vicevoorzitter, die benoemd worden voor een termijn van twee jaar. Nadat de voorzitter is gekozen, maakt hij of zij geen deel meer uit van de afvaardiging van een lid. Dit geldt ook voor de vicevoorzitter wanneer hij of zij de voorzitter vervangt. De bij deze benoemingen betrokken leden benoemen een andere afgevaardigde die hen in de algemene vergadering vertegenwoordigt.

10.   De algemene vergadering komt ten minste een keer per jaar bijeen. De algemene vergadering wordt door de voorzitter bijeengeroepen en de bijeenkomst wordt ten minste vier weken van tevoren aangekondigd. De leden en waarnemers kunnen agendapunten voorstellen door de voorzitter ten minste twee weken voor de bijeenkomst hiervan in kennis te stellen. Bijzondere bijeenkomsten van de algemene vergadering worden bijeengeroepen op verzoek van de voorzitter of de directeur als dit in het belang van CESSDA ERIC noodzakelijk is of op verzoek van tenminste de helft van de leden.

Artikel 9

Directeur

1.   De directeur is de hoogste functionaris op uitvoerend en wetenschappelijk gebied en de wettelijke vertegenwoordiger van CESSDA ERIC.

2.   De directeur wordt benoemd voor een periode van vijf jaar en kan worden herbenoemd. De directeur brengt verslag uit aan de algemene vergadering.

3.   De directeur is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de jaarlijkse begroting, de strategieën en het beleid, die door de algemene vergadering moeten worden goedgekeurd.

4.   De directeur is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de bijeenkomsten van de algemene vergadering en verleent de nodige administratieve ondersteuning aan de wetenschappelijke adviesraad en het dienstverlenersforum.

5.   De directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de beslissingen van de algemene vergadering en zorgt ervoor dat CESSDA ERIC alle relevante wettelijke voorschriften in acht neemt.

6.   Aan de directeur wordt de bevoegd verleend alle besluiten te nemen die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van CESSDA ERIC.

7.   De directeur vraagt het dienstverlenersforum regelmatig om advies over zaken die van bijzonder belang zijn voor de dienstverleners, door het dienstverlenersforum te verzoeken opmerkingen te maken over de ontwerpbegroting, werkprogramma’s en strategieën en andere belangrijke beleidszaken voordat zij worden voorgelegd aan de algemene vergadering.

8.   De directeur ziet erop toe dat de dienstverleners de operationele regels en normen voor activiteiten die verband houden met CESSDA ERIC naleven en brengt jaarlijks verslag uit aan de algemene vergadering, waarbij hij aanbevelingen doet voor maatregelen om onregelmatigheden tegen te gaan.

Artikel 10

Wetenschappelijke adviesraad

1.   De algemene vergadering benoemt een onafhankelijke wetenschappelijke adviesraad bestaande uit ten minste vier en ten hoogste zeven vooraanstaande, onafhankelijke en ervaren wetenschappers uit landen in de hele wereld. De leden van de wetenschappelijke adviesraad worden benoemd op basis van aanbevelingen door de directeur. De directeur wint advies in bij de wetenschappelijke adviesraad en het dienstverlenersforum. De ambtstermijn van de leden van de wetenschappelijke adviesraad bedraagt drie jaar. Die termijn kan één keer worden verlengd.

2.   De directeur raadpleegt de wetenschappelijke adviesraad ten minste een keer per jaar over de wetenschappelijke kwaliteit van de diensten en het wetenschappelijk beleid, de procedures en de toekomstplannen op deze gebieden.

3.   De wetenschappelijke adviesraad dient ieder jaar, via de directeur, een schriftelijk jaarverslag over zijn activiteiten bij de algemene vergadering in. Het verslag bevat een beoordeling van de diensten die CESSDA ERIC aan zijn gegevensgebruikers biedt. De directeur dient het verslag, vergezeld van zijn opmerkingen en eventuele aanbevelingen, bij de algemene vergadering in.

4.   De wetenschappelijke adviesraad kan de directeur verzoeken aan de algemene vergadering voor te stellen de leden van de raad aan te vullen om te waarborgen dat alle gebieden van CESSDA ERIC voldoende in de raad vertegenwoordigd zijn.

Artikel 11

Dienstverleners

1.   De dienstverleners vormen het operationele verspreide netwerk dat door CESSDA ERIC is samengebracht.

2.   De dienstverleners zijn instanties die ingevolge artikel 3, lid 5, onder b), en artikel 4, lid 3, onder c), door de leden en waarnemers zijn aangewezen om taken uit te voeren voor het verkrijgen, beheren en verlenen van toegang tot sociaalwetenschappelijke gegevens in hun land en in Europa.

3.   De dienstverleners moeten de in bijlage 2 beschreven operationele regels en normen voor activiteiten die verband houden met CESSDA ERIC naleven.

4.   De rechten en verplichtingen van CESSDA ERIC en de dienstverleners met betrekking tot de in bijlage 2 vermelde taken worden vastgesteld in dienstenniveauovereenkomsten tussen CESSDA ERIC en de betrokken dienstverlener.

5.   De dienstverleners vervullen een adviserende rol in het bestuur van CESSDA ERIC.

6.   Overeenkomstig het besluit van de algemene vergadering wordt om de twee of drie jaar beoordeeld of de dienstverleners nog aan hun in bijlage 2 vastgestelde verplichtingen kunnen voldoen. De directeur beslist in overleg met het dienstverlenersforum en de wetenschappelijke adviesraad hoe en door wie de beoordelingen worden uitgevoerd, en legt de resultaten van die beoordelingen, vergezeld van voorstellen voor desbetreffende resoluties van de algemene vergadering, aan de algemene vergadering voor.

Artikel 12

Dienstverlenersforum

1.   Het dienstverlenersforum bestaat uit vertegenwoordigers van de dienstverleners en heeft een adviserende rol. Elk lid of elke waarnemer mag één lid hebben in het forum. Het dienstverlenersforum wordt door de directeur gefaciliteerd en ondersteund.

2.   De directeur raadpleegt het dienstverlenersforum tenminste een keer per jaar over de toekomstplannen en technische aspecten van de activiteiten van CESSDA ERIC en deelt de adviezen van de dienstverleners mee aan de algemene vergadering.

Artikel 13

Wijziging van de statuten

De algemene vergadering kan met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen een voorstel tot wijziging van de statuten voorleggen. Het voorstel moet overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 723/2009 aan de Europese Commissie worden voorgelegd.

HOOFDSTUK 4

BELEID

Artikel 14

Beleid inzake toegang tot gegevens

1.   Het beleid van CESSDA ERIC inzake toegang tot gegevens is in overeenstemming met de aanbevelingen en richtsnoeren van de OESO betreffende toegang tot gegevens (OESO Principles and Guidelines for Access to Research Data from Public Funding, OESO 2007).

2.   Tenzij in artikel 14, lid 6, anders is bepaald, zijn met publieke middelen gefinancierde gegevens en metagegevens die door de dienstverleners worden beheerd, open toegankelijk en op het toegangspunt vrij beschikbaar voor publiek onderzoek en onderwijs; zij worden binnen een redelijke termijn ter beschikking gesteld.

3.   De dienstverleners bieden gemachtigde onderzoekers met het oog op publiek onderzoek en onderwijs toegang tot alle gegevensverzamelingen.

4.   De dienstverleners waarborgen de anonimiteit van de personen waarop de gegevens betrekking hebben overeenkomstig de toepasselijke internationale, Europese en nationale regelingen en de desbetreffende ethische kaders.

5.   De dienstverleners hanteren eerlijke, open en transparante procedures voor de toegang tot de door hen beheerde gegevens en metagegevens.

6.   Het in artikel 14, leden 2 en 3, uiteengezette beginsel van open toegang houdt niet in dat een dienstverlener verplicht is gegevens, metagegevens of gegevensverzamelingen te delen indien dit in strijd zou zijn met nationale wetgeving, intellectuele-eigendomsrechten of andere dwingende rechtsgronden.

Artikel 15

Verspreidingsbeleid

1.   Het verspreidingsbeleid van CESSDA ERIC wordt uitgevoerd via zijn communicatiestrategie.

2.   Het verspreidingsbeleid heeft betrekking op de resultaten van alle door CESSDA ERIC gefinancierde activiteiten en is openbaar, tenzij dat vanwege reeds bestaande intellectuele-eigendomsrechten onmogelijk is.

3.   Alle technische documenten, beleidsstukken, basisprocedures en monitoringverslagen zijn openbaar beschikbaar op de website van CESSDA ERIC.

4.   De dienstverleners publiceren alle documentatie in verband met de naleving van de verplichtingen als dienstverleners.

Artikel 16

Intellectuele eigendom

1.   „Intellectuele eigendom” heeft in deze statuten de betekenis die is omschreven in artikel 2 van het op 14 juli 1967 ondertekende Verdrag tot oprichting van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO).

2.   Wat vraagstukken inzake intellectuele eigendom betreft, worden de betrekkingen tussen de leden, de waarnemers en de dienstverleners beheerst door de toepasselijke nationale en internationale voorschriften en regelingen.

3.   De intellectuele eigendom die leden of dienstverleners inbrengen in CESSDA ERIC, blijft aan de rechthebbende toebehoren.

4.   Indien de intellectuele eigendom voortvloeit uit werk dat door CESSDA ERIC is gefinancierd (via een rechtstreekse bijdrage of een bijdrage in natura), behoort hij toe aan CESSDA ERIC. CESSDA ERIC kan zijn rechten geheel of gedeeltelijk afstaan aan het lid, de waarnemer of de dienstverlener die de intellectuele-eigendomsrechten heeft gecreëerd.

Artikel 17

Personeel

1.   CESSDA ERIC voert als werkgever een gelijkekansenbeleid. Wetenschappelijke vacatures worden na internationale publicatie vervuld.

2.   Elk lid spant zich, in overeenstemming met de nationale wetgeving, binnen zijn rechtsgebied zo goed mogelijk in om de verplaatsingen en het verblijf van bij de taken van CESSDA ERIC betrokken onderdanen van leden, alsmede van gezinsleden van die onderdanen, te vergemakkelijken.

HOOFDSTUK 5

FINANCIERING EN AANSPRAKELIJKHEID

Artikel 18

Bijdragen

De algemene vergadering stelt de bijdrage voor ieder lid vast op grond van de begroting en, met uitzondering van speciale bijdragen, naar rato van het bbp van de individuele leden. De bijdragen worden uiterlijk op de door de algemene vergadering vastgestelde datum naar CESSDA ERIC overgemaakt. De algemene vergadering stelt de bijdragen voor waarnemers vast.

Artikel 19

Begrotingsbeginselen, jaarrekeningen en audits

1.   Het boekjaar komt overeen met een kalenderjaar.

2.   De directeur stelt ontwerpen voor de jaarbegroting en het ondernemingsplan op, waarin ook voorstellen betreffende de bijdragen van de leden en waarnemers zijn opgenomen, en legt die ter goedkeuring aan de algemene vergadering voor. De jaarbegroting en de verschuldigde bijdragen worden ten minste zes maanden voor het komende boekjaar door de algemene vergadering goedgekeurd. De jaarbegroting moet sluitend zijn, zodat de geplande uitgaven niet hoger zijn dan de geplande ontvangsten.

3.   Om te waarborgen dat de jaarrekeningen volgens algemeen aanvaarde internationale boekhoudkundige en transparantiebeginselen worden opgesteld, neergelegd, gecontroleerd en openbaar gemaakt, is de boekhoudwetgeving van het gastland op CESSDA ERIC van toepassing.

4.   CESSDA ERIC brengt een jaarlijks activiteitenverslag uit. In het verslag worden met name de wetenschappelijke, operationele en financiële aspecten van de activiteiten van CESSDA ERIC behandeld. Het verslag wordt door de algemene vergadering goedgekeurd en binnen zes maanden na afloop van het desbetreffende begrotingsjaar bij de Europese Commissie en de betrokken overheidsinstanties ingediend. Het verslag wordt openbaar gemaakt.

Artikel 20

Financiering, aansprakelijkheid en verzekering

1.   De middelen van CESSDA ERIC bestaan uit:

a)

de financiële bijdragen van leden en waarnemers;

b)

mogelijke bijdragen van het gastland;

c)

overige middelen, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn goedgekeurd door de algemene vergadering, met inbegrip van onderzoeksubsidies van nationale of internationale bronnen, giften en inkomsten uit economische activiteiten.

2.   CESSDA ERIC is aansprakelijk voor zijn schulden.

3.   De leden en waarnemers zijn niet hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van CESSDA ERIC.

4.   CESSDA ERIC sluit de nodige verzekeringen af tegen specifieke risico’s die verbonden zijn aan de opbouw en de werking van de infrastructuur van CESSDA ERIC.

Artikel 21

Aanbesteding en belastingvrijstelling

1.   CESSDA ERIC behandelt gegadigden voor en inschrijvers op aanbestedingsprocedures gelijk en zonder te discrimineren, ongeacht of ze al dan niet in de Europese Unie gevestigd zijn. Het aanbestedingsbeleid is in overeenstemming met de beginselen van transparantie, non-discriminatie en mededinging.

2.   Bij aanbestedingen door leden en waarnemers met betrekking tot de activiteiten van CESSDA ERIC wordt voldoende rekening gehouden met de behoeften van CESSDA ERIC en wordt aan de door het betrokken CESSDA ERIC-orgaan aangegeven technische vereisten en specificaties voldaan.

3.   Belastingvrijstellingen op basis van de Noorse wet inzake belasting over de toegevoegde waarde, van juni 2009, nr. 58, paragraaf 10-3, zijn beperkt tot de belasting over de toegevoegde waarde op goederen en diensten die officieel en exclusief door CESSDA ERIC worden gebruikt en volledig door CESSDA ERIC worden betaald en verkregen. De belastingvrijstellingen gelden voor niet-economische activiteiten. Zij gelden niet voor economische activiteiten. Er gelden geen andere beperkingen.

HOOFDSTUK 6

BEPALINGEN BETREFFENDE DUUR, ONTBINDING, GESCHILLEN EN OPRICHTING

Artikel 22

Duur

CESSDA ERIC bestaat totdat hij overeenkomstig artikel 22, lid 2, wordt ontbonden.

Artikel 23

Ontbinding

1.   De algemene vergadering kan met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen besluiten CESSDA ERIC te ontbinden.

2.   CESSDA ERIC stelt de Europese Commissie onverwijld en uiterlijk tien dagen na de vaststelling van het besluit tot ontbinding van CESSDA ERIC van dit besluit in kennis.

3.   Activa die na betaling van de schulden van CESSDA ERIC overblijven, worden onder de leden verdeeld, in verhouding tot hun totale bijdrage aan CESSDA ERIC.

4.   CESSDA ERIC stelt de Commissie onverwijld en uiterlijk tien dagen na het voltooien van het ontbindingsproces hiervan in kennis.

5.   CESSDA ERIC houdt op te bestaan op de dag van bekendmaking door de Europese Commissie van de passende kennisgeving daarvan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 24

Toepasselijk recht

De oprichting en werking van CESSDA ERIC worden beheerst door:

a)

het recht van de Unie, met name Verordening (EG) nr. 723/2009;

b)

het recht van het gastland voor aangelegenheden die niet, of slechts gedeeltelijk, door het recht van de Unie worden geregeld;

c)

deze statuten en de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften.

Artikel 25

Geschillen

1.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd inzake geschillen tussen leden en waarnemers met betrekking tot CESSDA ERIC, inzake geschillen tussen leden, waarnemers en CESSDA ERIC, alsook inzake alle geschillen waarbij de Europese Unie partij is.

2.   De wetgeving van de Unie inzake rechterlijke bevoegdheid is van toepassing op geschillen tussen CESSDA ERIC en derden. Voor geschillen die niet onder de wetgeving van de Unie vallen, wordt overeenkomstig het recht van het gastland bepaald welk gerecht bevoegd is voor de beslechting van het geschil in kwestie en welk recht wordt gekozen.

3.   De bevoegde rechterlijke instantie voor zaken tegen CESSDA ERIC is de rechtbank van Bergen, tenzij anders blijkt uit artikel 24 en artikel 25, lid 2.

Artikel 26

Beschikbaarheid van de statuten

De statuten worden regelmatig bijgewerkt en worden ter beschikking gesteld van het publiek op de website van CESSDA-ERIC en op de statutaire zetel.


BIJLAGE 1

Lijst van leden en waarnemers en hun vertegenwoordigende entiteiten en dienstverleners

Leden:

Land:

Vertegenwoordigende entiteit:

Dienstverlener:

Noorwegen

Research Council of Norway

Norsk senter for forskningsdata AS

Oostenrijk

Bundesministerium für Wissenschaft, Forschung und Wirtschaft (BMWFW)

AuSSDA — The Austrian Social Science Data Archive

België

BELSPO, EWI, D.G.E.N.O.R.S (1).

Social Sciences and Humanities Data Archive — SOHDA

Tsjechië

Ministry of Education, Youth and Sports

The Czech Social Science Data Archive

Denemarken

Danish Agency for Science and Higher Education

Danish Data Archive — DDA

Frankrijk

Centre National de la Recherche Scientifique (CNRS)

Progedo

Duitsland

Bundesministerium für Bildung und Forschung (BMBF)

Leibniz-Institut für Sozialwissenschaften (GESIS)

Griekenland

Greek research Infrastructure for the social sciences — So.Da.Net (2)

Greek research Infrastructure for the social sciences — So.Da.Net

Hongarije

The National Research, Development and Innovation Office (NRDI Office)

TÁRKI Foundation

Nederland

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

Data Archiving and Networked Services (DANS)

Slowakije

Ministry of Education, Science, Research and Sport of the Slovak Republic

Slovak Archive of Social Data — SASD

Slovenië

Ministry of Education, Science and Sport, MIZŠ

Social Science Data Archives — ADP

Zweden

Swedish Research Council

Swedish National Data service — SND

Verenigd Koninkrijk

Economic and Social Research Council, ESRC

UK Data Service


Waarnemers:

Land:

Vertegenwoordigende entiteit:

Dienstverlener:

Zwitserland

Swiss Centre of expertise in the Social Sciences

FORS


(1)  BELSPO: Programmatorische federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid

EWI: Departement Economie, Wetenschap en Innovatie

D.G.E.N.O.R.S.: Direction générale de l’Enseignement non obligatoire et de la Recherche scientifique

(2)  De jaarlijkse bijdrage voor het lid zal worden betaald door het National Centre for Social Research EKKE


BIJLAGE 2

Verplichtingen van dienstverleners

CESSDA-dienstverleners hebben de volgende verplichtingen:

1.

zij moeten voldoen aan de overeengekomen elementen van de DDI-metagegevensnorm die vereist zijn om het lid of de waarnemer in staat te stellen aan de activiteiten van CESSDA ERIC bij te dragen, die door CESSDA ERIC zullen worden vastgesteld;

2.

zij moeten het (de) door CESSDA ERIC aanbevolen gemeenschappelijke gebruikersauthenticatiesysteem (-systemen) met eenmalige aanmelding vaststellen en toepassen;

3.

zij moeten ervoor zorgen dat hun resource discovery metadata en andere relevante metagegevens kunnen worden verzameld, zodat die in het gegevensportaal van CESSDA ERIC kunnen worden opgenomen;

4.

zij moeten ervoor zorgen dat hun gegevensbestanden via gemeenschappelijke gateways kunnen worden gedownload, voor zover toegestaan door de desbetreffende wet- en regelgeving;

5.

zij moeten de meertalige thesaurus voor hun nationale taal of talen onderhouden;

6.

zij moeten hun hulpmiddelen voor gegevensarchivering delen (overeenkomstig de intellectuele-eigendomsbepalingen in artikel 16 van de statuten);

7.

zij moeten de beginselen van het referentiemodel Open Archival Information System naleven, evenals eventueel overeengekomen CESSDA ERIC-voorschriften voor het werken met betrouwbare bestanden;

8.

zij moeten bijdragen aan de grensoverschrijdende gegevensharmonisatieactiviteiten van CESSDA ERIC;

9.

zij moeten materiaal en/of expertise aan de grensoverschrijdende vragenbank bijdragen;

10.

zij moeten als mentor fungeren voor waarnemers van CESSDA ERIC en hun vertegenwoordigende dienstverleners die volledig lidmaatschap nastreven;

11.

zij moeten ondersteuning bieden aan leden uit landen met gebrekkige en kwetsbare nationale infrastructuren om hen te helpen de nodige vaardigheden op te bouwen om later taken als lid te kunnen uitvoeren;

12.

zij moeten de toegang tot relevante gegevens die zijn gefinancierd door de nationale overheid en onderzoek, afhankelijk van nationale rechtssystemen;

13.

zij moeten het beleid van CESSDA ERIC inzake gegevenstoegang en -verspreiding naleven;

14.

zij moeten de bepalingen van de beleidsmaatregelen van CESSDA ERIC naar behoren naleven.


BIJLAGE 3

Begroting en bijdragen van leden

In deze bijlage is de wijze van berekening van de bijdragen van leden en waarnemers vastgelegd.

a)   Begroting 2017-2019

De geraamde begroting van CESSDA ERIC voor de periode 2017-2019 is gebaseerd op voortzetting van de voorgaande CESSDA-consortiumovereenkomst en gaat uit van een jaarlijkse lidmaatschapsbijdrage van 1,9 miljoen EUR (gebaseerd op 13 leden).

De verdeling van de lidmaatschapsvergoeding is als volgt:

1.

Speciale bijdragen

a.

Noorwegen betaalt als gastland een jaarlijks bedrag van 800 000 EUR.

b.

Duitsland betaalt een jaarlijks bedrag van 750 000 euro, bestaande uit een vast bedrag van 310 000 EUR voor het aandeel van Duitsland in de algemene exploitatie van CESSDA ERIC en een vast bedrag van 440 000 EUR om de taken van CESSDA ERIC te financieren die de Duitse dienstverlener volgens een overeenkomst tussen Duitsland en CESSDA ERIC zal uitvoeren. Beide bedragen maken deel uit van de begroting van CESSDA ERIC en van de prioriteiten van CESSDA ERIC.

2.

Een totale vergoeding van 350 000 EUR wordt volgens de in artikel 18 van de statuten vermelde beginselen onder de andere leden en waarnemers van CESSDA ERIC verdeeld.

3.

Indien CESSDA ERIC gedurende de eerste drie jaar na oprichting minder dan 13 leden en waarnemers heeft, zal het begrotingsonderdeel lidmaatschapsbijdrage worden aangevuld met reserves die uit het voorgaande consortium (CESSDA AS) naar CESSDA ERIC worden overgedragen.

4.

Indien CESSDA ERIC extra leden of waarnemers heeft, betalen zij jaarlijkse bijdragen naar rato, die apart worden berekend en bij de totale bijdrage worden opgeteld.

b)   Begroting 2020-2021

De begroting voor de periode vanaf 2020 wordt gebaseerd op een geraamde lidmaatschapsbijdrage van 1,5 miljoen EUR.

De verdeling van de lidmaatschapsvergoeding is als volgt:

1.

Speciale bijdragen

a.

Noorwegen betaalt als gastland een jaarlijks bedrag van 800 000 EUR.

b.

Duitsland betaalt een jaarlijks bedrag van 310 000 EUR als het aandeel van Duitsland in de algemene exploitatie van CESSDA in de jaren 2020 en 2021.

c.

Duitsland levert aan CESSDA ERIC diensten voor een geschatte waarde van 440 000 EUR. De door de Duitse dienstverlener uit te voeren taken van CESSDA ERIC worden vastgelegd in een overeenkomst tussen Duitsland en CESSDA ERIC en maken deel uit van de prioriteiten van CESSDA ERIC.

2.

Een totale vergoeding van 390 000 EUR wordt volgens de in artikel 18 vermelde beginselen onder de andere leden en waarnemers van CESSDA ERIC verdeeld.

3.

Indien CESSDA ERIC extra leden of waarnemers heeft, betalen zij jaarlijkse bijdragen naar rato, die apart worden berekend en bij de totale bijdrage worden opgeteld.

c)   Beginselen voor de toewijzing van de bijdragen van de leden

Overeenkomstig artikel 8 stelt de algemene vergadering de bijdrage voor ieder lid vast op grond van de begroting en, met uitzondering van speciale bijdragen, naar rato van het bbp van de individuele leden. De algemene vergadering stelt de bijdragen voor waarnemers vast.

De vergoedingen voor leden en waarnemers die een jaarlijkse bijdrage naar rato betalen, worden berekend op basis van de indicator „GDP (current USD)” van de Wereldbank betreffende het meest recente jaar waarvoor op het moment van berekening gegevens voor alle leden beschikbaar zijn.

Noorwegen en Duitsland betalen speciale bijdragen. Alle overige leden en waarnemers betalen jaarlijkse bijdragen naar rato. Het totaalbedrag van de jaarlijkse bijdragen naar rato wordt aan de hand van het totaalbedrag van de begroting berekend, na rekening te hebben gehouden met de jaarlijkse speciale bijdragen.

De lidmaatschapsbijdrage van intergouvernementele organisaties wordt door de algemene vergadering per geval vastgesteld.

d)   Berekening van de begroting 2016

De totale lidmaatschapsbijdrage van de begroting voor 2016 bedraagt 1 932 737 EUR, gebaseerd op 15 leden en 1 waarnemer.

Lid

Bbp (2014) (USD)

Jaarlijkse bijdrage (EUR)

Oostenrijk

436 343 622 435

16 478

België

533 382 785 676

20 142

Tsjechië

205 522 871 251

7 761

Denemarken

341 951 607 730

12 913

Finland

270 673 584 162

10 222

Frankrijk

2 829 192 039 172

106 841

Duitsland

3 852 556 169 656

750 000

Griekenland

237 592 274 371

8 972

Litouwen

48 172 242 517

1 819

Nederland

869 508 125 480

32 836

Noorwegen

500 103 094 419

800 000

Slowakije

99 790 145 653

3 768

Slovenië

49 416 055 609

1 866

Zweden

570 591 266 160

21 548

Zwitserland

701 037 135 966

26 474

Verenigd Koninkrijk

2 941 885 537 461

111 096

Totaal

14 487 718 557 718

1 932 737

De berekeningen voor de komende jaren zullen plaatsvinden zodra de benodigde bbp-cijfers beschikbaar zijn.


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/15


STATUTEN VAN ECCSEL ERIC

Europees laboratorium voor de afvang en opslag van koolstofdioxide — Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur

(2017/C 220/02)

Inhoud

Preambule 15

1.

Algemene bepalingen 16

2.

Lidmaatschap 16

3.

Rechten en verplichtingen van leden en waarnemers 18

4.

Bestuur van ECCSEL ERIC 19

5.

Financiering 22

6.

Verslaglegging aan de Europese Commissie 22

7.

Beleidsmaatregelen 23

8.

Duur, wijziging van de statuten, ontbinding, geschillen 25

BIJLAGEN

Bijlage I Lijst van leden en waarnemers 27
Bijlage II Bijdragen aan de begroting en verdeling van de middelen 28

PREAMBULE

Frankrijk, Italië, Nederland, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk, hierna de „leden” genoemd,

OVERWEGENDE dat bovengenoemde staten, die samenwerken teneinde een „Europese laboratoriuminfrastructuur voor de afvang en opslag van koolstofdioxide” (European Carbon Dioxide Capture and Storage Laboratory Infrastructure) op te richten, hierna aangeduid als ECCSEL, overtuigd zijn dat door mensen veroorzaakte uitstoot van koolstofdioxide wereldwijd een uitdaging voor het klimaat vormt die vraagt om internationale samenwerking,

ZICH ERVAN BEWUST dat die uitdaging zowel een vermindering van de uitstoot als de afvang, het vervoer en de veilige opslag van koolstofdioxide vereist,

OVERWEGENDE dat analyses door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het Internationaal Energie Agentschap (IEA) uitwijzen dat in 2050 de koolstofafvang en -opslag (Carbon Capture and Storage — CCS) moeten zorgen voor maar liefst 17 % van de wereldwijde jaarlijkse reductie van CO2-emissies, en voor 14 % van de geaccumuleerde reducties vanaf heden en dat er een commerciële uitrol van CCS vereist is, die van start gaat in 2020-2030 en na 2030 wordt voortgezet,

WETENDE dat aan deze eisen slechts kan worden voldaan door middel van geïntensiveerd onderzoek en ontwikkeling gericht op het versterken van de wetenschappelijke en technologische kennisbasis,

ERKENNENDE dat om zowel wetenschappelijke als economische redenen nauwe internationale samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling inzake CCS nodig is,

ERKENNENDE dat nationale onderzoeksinfrastructuren profijt kunnen hebben van internationaal advies op het gebied van CCS en de exploitatie van en investeringen in faciliteiten voor dergelijk onderzoek,

OVERWEGENDE dat de oprichting van ECCSEL gerechtvaardigd is vanwege de behoefte aan een gespecialiseerde en gecoördineerde onderzoeksomgeving, die ernaar streeft specifieke leemtes in kennis te dichten, technologische ontwikkeling te bevorderen die verder gaat dan de huidige stand van de techniek, en zo de commercialisering en invoering van CCS-methoden te versnellen,

OVERTUIGD dat ECCSEL nodig is om te zorgen voor een efficiënt gebruik van de bestaande onderzoeksinfrastructuur en om de investeringen in infrastructuur te coördineren, en op die manier een bijdrage te leveren aan kosteneffectiviteit op Europese schaal,

OVERWEGENDE dat de leden de Europese Commissie verzoeken ECCSEL op te richten als een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad (1),

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Naam, zetel, locatie en werktaal

1.   Er wordt een verspreid consortium voor Europese onderzoeksinfrastructuur opgericht onder de naam „Europees laboratorium voor de afvang en opslag van koolstofdioxide — Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur”, hierna „ECCSEL ERIC” genoemd.

2.   De statutaire zetel van ECCSEL ERIC bevindt zich in Trondheim, Noorwegen.

3.   De werktaal van ECCSEL ERIC is het Engels.

Artikel 2

Taken en werkzaamheden

1.   Door ECCSEL ERIC wordt een verspreide onderzoeksinfrastructuur van wereldklasse opgericht en geëxploiteerd, die zal fungeren als centraal knooppunt dat verantwoordelijk is voor de gecoördineerde werking van verscheidene faciliteiten onder één noemer, ECCSEL ERIC.

a)

ECCSEL ERIC coördineert het gebruik van de onderzoeksfaciliteiten binnen de verspreide infrastructuur en coördineert plannen voor de verbetering ervan, alsook voor nieuwe investeringen. ECCSEL ERIC waarborgt internationale open toegang tot de infrastructuur. ECCSEL ERIC ondersteunt voorts, binnen de grenzen van zijn middelen en bevoegdheid, de eigenaren van de onderzoeksfaciliteiten bij hun inspanningen om de werking van hun faciliteiten, en die faciliteiten zelf, te verbeteren en nieuwe faciliteiten te creëren.

b)

ECCSEL ERIC bevordert hoogstaand experimenteel onderzoek naar nieuwe en verbeterde technieken inzake de afvang, het vervoer en de opslag van CO2 (CCS), met het oog op een commerciële uitrol in respectievelijk 2020-2030 en na 2030. De algemene vergadering kan in de toekomst besluiten tot een uitbreiding van de werkzaamheden van ECCSEL ERIC in de richting van het gebruik van CO2 (CCUS — afvang, gebruik en opslag van koolstofdioxide) wat verder gaat dan de techniek van verbeterde oliewinning (Enhanced Oil Recovery — EOR).

c)

ECCSEL ERIC bezit noch exploiteert zelf onderzoeksfaciliteiten. De algemene vergadering kan echter in de toekomst besluiten dat ECCSEL ERIC in eigen faciliteiten gaat investeren of eigen faciliteiten gaat exploiteren. Leden en waarnemers die niet wensen deel te nemen aan de financiering van dergelijke faciliteiten, kunnen zich daarvan overeenkomstig artikel 9, lid 2, onder a), onthouden.

2.   ECCSEL ERIC stelt faciliteiten die nodig zijn voor de uitvoering van onderzoek op prioritaire gebieden, ter beschikking van de internationale onderzoeksgemeenschap. Aldus draagt ECCSEL ERIC bij tot het bevorderen van technologische ontwikkeling die verder gaat dan de huidige stand van de techniek, waardoor de commerciële toepassing en verdere verbreiding van CCS wordt versneld. Daarbij richt ECCSEL ERIC zich op de bevordering van onderzoeksacties van topklasse van wetenschappers op het gebied van CCS, overeenkomstig de prioriteiten van ECCSEL ERIC. ECCSEL ERIC zal een zeer geavanceerde collectie unieke onderzoeksfaciliteiten tot stand brengen en de Europese CCS-gemeenschap (voornamelijk), alsook niet-Europese CCS-gemeenschappen, toegang tot die middelen verschaffen.

3.   De opbouw en exploitatie van ECCSEL ERIC vinden plaats op niet-economische basis.

4.   Onverminderd artikel 2, lid 3, kan ECCSEL ERIC beperkte economische activiteiten uitvoeren op voorwaarde dat die nauw verbonden zijn met de belangrijkste taken van ECCSEL ERIC en dat zij de realisatie van deze taken niet in gevaar brengen.

HOOFDSTUK 2

LIDMAATSCHAP

Artikel 3

Lidmaatschap en vertegenwoordigende entiteit

1.   De volgende entiteiten kunnen lid worden van ECCSEL ERIC of zij kunnen waarnemers worden overeenkomstig de rechten en verplichtingen als beschreven in artikelen 6 en 7:

a)

lidstaten van de Europese Unie;

b)

geassocieerde landen;

c)

derde landen die geen geassocieerd land zijn;

d)

intergouvernementele organisaties.

De voorwaarden voor toelating van leden en waarnemers worden omschreven in artikel 4, leden 1 en 2, van deze statuten.

2.   ECCSEL ERIC heeft ten minste één lidstaat en twee andere leden die hetzij lidstaat, hetzij een geassocieerd land zijn.

3.   Een lid of waarnemer kan, overeenkomstig zijn eigen regels en procedures, een openbare entiteit of een private entiteit met een openbare dienstopdracht aanwijzen, door wie het lid of de waarnemer vertegenwoordigd wordt.

4.   De lijst van huidige leden, waarnemers en hun vertegenwoordigende entiteiten wordt beschreven in bijlage I. Bijlage I wordt door de directeur geactualiseerd overeenkomstig de wijzigingen in deelname aan ECCSEL ERIC.

Artikel 4

Toelating van leden en waarnemers

1.   De toelating van nieuwe leden is aan de volgende voorwaarden gebonden:

a)

voor de toelating van nieuwe leden is de goedkeuring met eenparigheid van stemmen in de algemene vergadering vereist;

b)

aanvragers dienen een schriftelijk verzoek te richten aan de directeur van ECCSEL ERIC;

c)

het verzoek moet ten minste beschrijven hoe de aanvrager zal bijdragen aan het doel en de activiteiten van ECCSEL als beschreven in artikel 2 en hoe hij zal voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 6, lid 2.

2.   In artikel 3, lid 1, genoemde entiteiten die bereid zijn bij te dragen aan ECCSEL ERIC, maar die nog niet in aanmerking komen om als lid te worden toegelaten, kunnen een verzoek indienen om als waarnemer te worden toegelaten. De toelating van waarnemers is aan de volgende voorwaarden gebonden:

a)

waarnemers kunnen worden toegelaten voor een termijn van drie jaar. In uitzonderlijke gevallen aanvaardt de algemene vergadering een langere termijn voor de status van waarnemer;

b)

aan een entiteit die verwacht blijvend deel te nemen aan ECCSEL ERIC, maar die om redenen van binnenlandse aard geen lid kan worden, kan in uitzonderlijke gevallen de status van permanente waarnemer worden toegekend;

c)

voor toelating of hernieuwde toelating van waarnemers is de goedkeuring met eenparigheid van stemmen in de algemene vergadering vereist;

d)

aanvragers dienen een schriftelijk verzoek tot de directeur te richten;

e)

in het verzoek dient ten minste te worden beschreven hoe de aanvrager zal bijdragen aan de taken en activiteiten van ECCSEL ERIC beschreven in artikel 2 en hoe hij zal voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 7, lid 2.

Artikel 5

Terugtrekking van een lid of waarnemer en beëindiging van het lidmaatschap of de status van waarnemer

1.   Een lid of waarnemer kan zich aan het eind van een boekjaar terugtrekken uit ECCSEL ERIC, mits hij kennis geeft van zijn voornemen tot terugtrekking door twaalf maanden van tevoren een officieel verzoek te richten tot de voorzitter van de algemene vergadering.

a)

Leden mogen zich de eerste vijf jaar nadat zij lid zijn geworden niet terugtrekken.

b)

Alle uitstaande contributies moeten zijn voldaan en er moet voldaan zijn aan alle verplichtingen voordat de terugtrekking wordt bevestigd. Het lid of de waarnemer die zich terugtrekt betaalt slechts de contributie die op grond van artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 2, verschuldigd is op de dag van terugtrekking zonder additionele kosten of boeten.

2.   De algemene vergadering kan onder de volgende voorwaarden het lidmaatschap van een lid of de status van waarnemer van een waarnemer beëindigen:

a)

het lid of de waarnemer pleegt een ernstige inbreuk ten opzichte van een of meer van zijn verplichtingen op grond van deze statuten;

b)

het lid of de waarnemer heeft nagelaten de betreffende inbreuk te herstellen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van een kennisgeving van de inbreuk door de algemene vergadering.

Het lid of de waarnemer wordt in de gelegenheid gesteld het besluit tot beëindiging aan te vechten en ten overstaan van de algemene vergadering verweer te voeren binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de kennisgeving van beëindiging. Een dergelijke beëindiging heeft geen invloed op verplichtingen van enige aard van het lid of de waarnemer die zijn ontstaan voorafgaand aan de datum van beëindiging.

HOOFDSTUK 3

RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN LEDEN EN WAARNEMERS

Artikel 6

Leden

1.   Leden van ECCSEL ERIC hebben het recht om:

a)

vertegenwoordigende entiteiten te benoemen overeenkomstig artikel 3, lid 3;

b)

namens hun onderzoeksgemeenschap toegang te hebben tot de middelen van ECCSEL ERIC en alle diensten ervan in overeenstemming met het toegangsbeleid als genoemd in artikel 18;

c)

de algemene vergadering bij te wonen;

d)

op de algemene vergadering hun stem uit te oefenen overeenkomstig artikel 9, lid 3;

e)

deel te nemen aan de ontwikkeling van strategieën en beleid;

f)

hun onderzoeksgemeenschap tegen preferentiële tarieven te laten deelnemen aan ECCSEL ERIC-evenementen, zoals workshops, conferenties en opleidingscursussen;

g)

het ECCSEL ERIC-merk te gebruiken, met name voor de exploitanten van ECCSEL ERIC-faciliteiten. Het merk bestaat uit alle visuele of geluidsweergaven van „ECCSEL”, of „ECCSEL ERIC” waarbij de gebruiker van de woorden, een verslag, product of dienst met ECCSEL ERIC in verband wordt gebracht.

2.   Leden van ECCSEL ERIC:

a)

betalen de in bijlage II vastgestelde jaarlijkse bijdrage binnen de gestelde tijdslimiet;

b)

voorzien in ten minste één overeengekomen onderzoeksfaciliteit;

c)

bevorderen het gebruik van ECCSEL ERIC-diensten door onderzoekers in hun eigen land, en verzamelen terugkoppeling en behoeften van gebruikers;

d)

ondersteunen de integratie van nationale faciliteiten en de integratie van nationale faciliteiten met die in andere lidstaten of staten met een waarnemersstatus en trachten die, indien van toepassing, te initiëren.

Artikel 7

Waarnemers

1.   Waarnemers van ECCSEL ERIC hebben het recht om:

a)

vertegenwoordigende entiteiten te benoemen overeenkomstig artikel 3, lid 3;

b)

de algemene vergadering bij te wonen zonder stemrecht;

c)

hun onderzoeksgemeenschap tegen preferentiële tarieven te laten deelnemen aan evenementen van ECCSEL ERIC, zoals workshops, conferenties en opleidingscursussen, mits er plaats is;

d)

hun onderzoeksgemeenschap toegang te bieden tot ondersteuning door ECCSEL ERIC bij het ontwikkelen van relevante systemen, processen en diensten.

2.   Waarnemers van ECCSEL ERIC betalen de jaarlijkse bijdrage zoals vastgesteld in bijlage II. De algemene vergadering kan besluiten tot een eerste bijdrage die afwijkt van de normale bijdrage.

3.   Permanente waarnemers, aan wie deze status is toegekend overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder b), hebben dezelfde rechten en plichten als leden, beschreven in artikel 6, leden 1 en 2, met uitzondering van het stemrecht tijdens de algemene vergadering, zoals genoemd in artikel 6, lid 1, onder d).

HOOFDSTUK 4

BESTUUR VAN ECCSEL ERIC

Artikel 8

Bestuur en operationele structuur van ECCSEL ERIC

1.   De bestuursstructuur van ECCSEL ERIC bestaat uit:

a)

de algemene vergadering;

b)

de directeur;

c)

het coördinatiecomité van de onderzoeksinfrastructuur;

d)

de wetenschappelijke adviesraad;

e)

de adviesraad voor ethische en milieuaspecten;

f)

enig ander adviescomité dat wordt opgericht door de algemene vergadering teneinde de uitvoering van de doelstellingen van ECCSEL ERIC te bevorderen.

2.   De operationele structuur van ECCSEL ERIC bestaat uit:

a)

het operationeel centrum, dat het hoofdkantoor van ECCSEL ERIC is en de locatie waar de leiding van ECCSEL ERIC gevestigd is;

b)

de nationaal beheerde onderzoeksfaciliteiten die deelnemen aan de gedistribueerde infrastructuur van ECCSEL ERIC;

c)

de knooppunten in de nationale infrastructuur die de onderzoeksfaciliteiten binnen een land vertegenwoordigen overeenkomstig artikel 11, lid 1.

Artikel 9

De algemene vergadering

1.   De algemene vergadering bestaat uit de leden en waarnemers van ECCSEL ERIC.

2.   De algemene vergadering is de hoogste autoriteit van ECCSEL ERIC. De algemene vergadering:

a)

stelt de begroting, de financieringsformules en de jaarlijkse bijdragen vast. Elke wijziging die gedurende de eerste vijf jaar wordt aangebracht in de financieringsformules en jaarlijkse bijdragen zoals beschreven in bijlage II, dient met eenparigheid van stemmen in de algemene vergadering te worden goedgekeurd. Na de eerste vijf jaar is voor dergelijke wijzigingen een meerderheid van twee derde van de stemmen nodig;

leden of waarnemers die niet wensen deel te nemen aan de financiering van eventuele toekomstige door ECCSEL ERIC beheerde of geëxploiteerde faciliteiten, dienen dit aan te geven voordat de algemene vergadering besluit tot het beheren of exploiteren van dergelijke faciliteiten, en zijn dan niet verplicht aan de financiering van de faciliteit deel te nemen;

b)

bepaalt het beleid van ECCSEL ERIC inzake wetenschappelijke, technische en administratieve aangelegenheden. Dit beleid wordt aangenomen met een meerderheid van twee derde van de stemmen;

c)

neemt strategische en werkplannen voor ECCSEL ERIC aan met een meerderheid van twee derde van de stemmen;

d)

houdt toezicht op de leiding van ECCSEL ERIC;

e)

kiest de voorzitter en vicevoorzitter van de algemene vergadering, met een meerderheid van twee derde van de stemmen;

f)

benoemt, vervangt en ontslaat de directeur van ECCSEL ERIC, met een meerderheid van twee derde van de stemmen;

g)

benoemt, vervangt en ontslaat leden van de wetenschappelijke adviesraad, en de adviesraad voor ethische en milieuaspecten, met een meerderheid van twee derde van de stemmen;

h)

benoemt, vervangt en ontslaat leden of waarnemers van de door de algemene vergadering ingestelde comités, met een meerderheid van twee derde van de stemmen;

i)

benoemt jaarlijks de financiële accountant of bekrachtigt diens benoeming;

j)

keurt de jaarverslagen van ECCSEL ERIC goed, met inbegrip van de jaarrekening en de accountantsverklaring voor het boekjaar, met een meerderheid van twee derde van de stemmen;

k)

ontvangt en behandelt jaarverslagen van het coördinatiecomité van de onderzoeksinfrastructuur en de wetenschappelijke adviesraad;

l)

verleent goedkeuring aan de toetreding van nieuwe leden en waarnemers, en de beëindiging van lidmaatschap of waarnemersstatus. Voor de goedkeuring van nieuwe leden en waarnemers is een met eenparigheid van stemmen genomen besluit door de algemene vergadering vereist. Een lid heeft geen stemrecht bij een eventuele beëindiging van zijn eigen lidmaatschap;

m)

beslist welke nationaal beheerde onderzoeksfaciliteiten deelnemen aan ECCSEL ERIC en welke faciliteiten niet langer deelnemen. Een lid of waarnemer kan een faciliteit terugtrekken uit de activiteiten van ECCSEL ERIC. Een overzicht van de faciliteiten die deelnemen aan ECCSEL ERIC wordt voortdurend geactualiseerd door de directeur;

n)

verleent goedkeuring aan overeenkomsten met derde partijen zoals voorzien in artikel 15, met een meerderheid van twee derde van de stemmen.

3.   Elk lid en elke waarnemer wordt in de algemene vergadering vertegenwoordigd door ten hoogste twee afgevaardigden. Een lid heeft één enkele stem in de algemene vergadering. Waarnemers hebben geen stemrecht. Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen, tenzij in deze statuten anders is bepaald. Lidstaten en geassocieerde landen hebben gezamenlijk de meerderheid van de stemmen in de algemene vergadering. De voorzitter heeft geen stemrecht, behalve in geval van staking van stemmen, waarbij de voorzitter de beslissende stem uitbrengt.

4.   Voor een geldige bijeenkomst van de algemene vergadering is een quorum van twee derde van de leden vereist. Indien er geen quorum is, zal de bijeenkomst binnen drie weken herhaald worden na het versturen van een nieuwe uitnodiging, met dezelfde agenda. De herhalingsbijeenkomst heeft een quorum wanneer ten minste een kwart van de leden aanwezig is. Indien er geen quorum is op de herhalingsbijeenkomst, heeft de voorzitter van de algemene vergadering het recht om besluiten te nemen die niet kunnen worden uitgesteld totdat de algemene vergadering in staat is opnieuw een bijeenkomst met een quorum uit te roepen. Dergelijke besluiten worden bij de eerstvolgende gelegenheid door de algemene vergadering getoetst.

5.   Alleen leden die fysiek aanwezig zijn, kunnen een stem uitbrengen op de algemene vergadering. Indien een lid niet in staat is fysiek aanwezig te zijn, kan de algemene vergadering een elektronische aanwezigheid aanvaarden. Het recht om te stemmen is niet overdraagbaar. Een geheime stemming vindt plaats wanneer ten minste een derde van de leden om een dergelijke procedure vraagt.

De voorzitter van de algemene vergadering kan, indien noodzakelijk, bepalen dat een besluit tussentijds via een schriftelijke procedure wordt genomen.

6.   De algemene vergadering kiest uit de afgevaardigden de voorzitter en de vicevoorzitter voor een termijn van twee jaar. Eenmaal gekozen kan de voorzitter niet langer deel uitmaken van de afvaardiging van het lid in de algemene vergadering. Dit geldt eveneens als de vicevoorzitter de voorzitter vervangt. De leden die door deze benoemingen worden getroffen mogen een andere afgevaardigde benoemen die hen in de algemene vergadering vertegenwoordigt.

7.   De algemene vergadering komt ten minste één keer per jaar bijeen. Bijeenkomsten van de algemene vergadering worden uitgeroepen door de voorzitter en ten minste drie weken van tevoren aangekondigd. Leden en waarnemers hebben het recht om onderwerpen voor de agenda aan te dragen door de voorzitter ten minste twee weken vóór de dag van de vergadering hiervan in kennis te stellen.

8.   Indien dit in het belang van de organisatie vereist is, kunnen op verzoek van de voorzitter of de directeur, of op verzoek van ten minste de helft van de leden, buitengewone bijeenkomsten van de algemene vergadering worden uitgeroepen.

Artikel 10

De directeur

1.   De directeur is de hoogste functionaris op uitvoerend en wetenschappelijk gebied en de wettelijke vertegenwoordiger van ECCSEL ERIC.

2.   De directeur wordt benoemd voor een periode van vijf jaar en kan eenmaal herbenoemd worden. De vacature voor de positie wordt internationaal op passende wijze gepubliceerd. De directeur brengt verslag uit aan de algemene vergadering. De directeur kan niet optreden als afgevaardigde of voorzitter van de algemene vergadering.

3.   De directeur is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de bijeenkomsten van de algemene vergadering en verleent de noodzakelijke administratieve ondersteuning aan het coördinatiecomité van de onderzoeksinfrastructuur, de wetenschappelijke adviesraad en de adviesraad voor ethische en milieuaspecten.

4.   De directeur is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de jaarlijkse begroting van ECCSEL ERIC en voor de voorbereiding van strategieën en beleidslijnen die worden aangenomen door de algemene vergadering.

5.   De directeur is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de besluiten van de algemene vergadering, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de begroting, en zorgt ervoor dat ECCSEL ERIC alle relevante wettelijke voorschriften in acht neemt.

6.   Aan de directeur wordt de bevoegdheid verleend alle besluiten te nemen die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van ECCSEL ERIC, met uitzondering van de besluiten die onder de exclusieve verantwoordelijkheid van de algemene vergadering vallen.

7.   De directeur vraagt om steun en advies van het coördinatiecomité van de onderzoeksinfrastructuur in aangelegenheden die in het bijzonder van belang zijn voor de eigenaren van onderzoeksfaciliteiten, met inbegrip van de uitnodiging aan het comité om de conceptbegroting, werkplannen en strategieën van commentaar te voorzien voordat deze worden voorgelegd aan de algemene vergadering.

8.   De directeur ziet erop toe dat de eigenaren van onderzoeksfaciliteiten zich houden aan de operationele regels en normen inzake de met ECCSEL ERIC verband houdende activiteiten zoals die zijn vastgesteld door de algemene vergadering, en brengt hierover jaarlijks verslag uit aan de algemene vergadering met aanbevelingen voor tegenmaatregelen in geval van eventuele onrechtmatigheden.

Artikel 11

Het coördinatiecomité van de onderzoeksinfrastructuur, de wetenschappelijke adviesraad en de adviesraad voor ethische en milieuaspecten

1.   Coördinatiecomité van de onderzoeksinfrastructuur

a)

Het coördinatiecomité van de onderzoeksinfrastructuur heeft een ondersteunende en adviesverlenende functie en bestaat uit afgevaardigden van de ECCSEL-faciliteiten en de directeur, die het comité voorzit. Het comité kiest een vicevoorzitter voor een termijn van drie jaar. Herverkiezing is eenmaal mogelijk.

Elk lid of waarnemer mag één vertegenwoordiger in het comité hebben. Landen die twee of meer ECCSEL-faciliteiten hebben, benoemen de exploitant van één van de faciliteiten tot nationale vertegenwoordiger, en deze instelling zal de nationale faciliteiten van het land vertegenwoordigen in het comité. Afgevaardigden in de algemene vergadering kunnen geen vertegenwoordiger zijn in het comité.

b)

Het coördinatiecomité van de onderzoeksinfrastructuur heeft als taak de samenwerking tussen de faciliteiten en hun bijdragen aan experimenteel onderzoek te versterken. Het comité doet dit door toe te zien op de tenuitvoerlegging van de strategieën en plannen van ECCSEL ERIC, door hieraan een bijdrage te leveren en door maatregelen voor te stellen die het functioneren van ECCSEL ERIC kunnen verbeteren.

c)

De directeur raadpleegt het comité inzake alle voorstellen die worden voorgelegd aan de algemene vergadering en die verband houden met strategische plannen, werkplannen en begrotingen. Het comité ondersteunt de directeur in de uitvoering van strategische plannen en werkplannen.

d)

Het coördinatiecomité van de onderzoeksinfrastructuur presenteert jaarlijks een schriftelijk verslag over zijn activiteiten aan de algemene vergadering, via de directeur. De directeur dient het verslag, vergezeld van zijn opmerkingen en eventuele aanbevelingen, bij de algemene vergadering in.

2.   Wetenschappelijke adviesraad

a)

De algemene vergadering benoemt een onafhankelijke wetenschappelijke adviesraad bestaande uit ten hoogste zes vooraanstaande, onafhankelijke en ervaren wetenschappers uit de hele wereld. De benoeming van de leden van de wetenschappelijke adviesraad is gebaseerd op suggesties van de directeur, die hiervoor advies vraagt aan de wetenschappelijke adviesraad en het coördinatiecomité van de onderzoeksinfrastructuur. De ambtstermijn van de leden van de wetenschappelijke adviesraad bedraagt drie jaar. Zij kunnen één keer worden herbenoemd. Afgevaardigden in de algemene vergadering komen niet in aanmerking voor benoeming tot lid van deze raad.

b)

De directeur raadpleegt de wetenschappelijke adviesraad ten minste één keer per jaar over de wetenschappelijke kwaliteit van de door ECCSEL ERIC verleende diensten en het wetenschappelijk beleid, de procedures en de toekomstplannen van de organisatie.

c)

De wetenschappelijke adviesraad dient ieder jaar, via de directeur, een schriftelijk jaarverslag over zijn activiteiten bij de algemene vergadering in. De directeur dient het verslag, vergezeld van zijn opmerkingen en eventuele aanbevelingen, bij de algemene vergadering in.

3.   De adviesraad voor ethische en milieuaspecten

a)

De algemene vergadering benoemt de onafhankelijke adviesraad voor ethische en milieuaspecten van drie tot vijf eminente, onafhankelijke en ervaren wetenschappers afkomstig uit verschillende landen in de wereld. De benoeming van de leden van de wetenschappelijke adviesraad voor ethische en milieuaspecten is gebaseerd op suggesties van de directeur, die hiervoor advies vraagt aan de adviesraad voor ethische en milieuaspecten en het coördinatiecomité van de onderzoeksinfrastructuur. De ambtstermijn van de leden van de raad bedraagt drie jaar. Zij kunnen één keer worden herbenoemd. Afgevaardigden in de algemene vergadering komen niet in aanmerking voor benoeming tot lid van deze raad.

b)

De directeur raadpleegt de adviesraad voor ethische en milieuaspecten ten minste één keer per jaar inzake kwesties op het gebied van ethiek en milieu waar ECCSEL ERIC nu of in de toekomst mee te maken heeft.

c)

De adviesraad voor ethische en milieuaspecten presenteert jaarlijks een schriftelijk verslag over zijn activiteiten aan de algemene vergadering, via de directeur. De directeur dient het verslag, vergezeld van zijn opmerkingen en eventuele aanbevelingen, bij de algemene vergadering in.

HOOFDSTUK 5

FINANCIËN

Artikel 12

Begrotingsbeginselen en boekhouding

1.   Het begrotingsjaar van ECCSEL ERIC begint elk jaar op 1 januari en eindigt op 31 december.

2.   Voor elk begrotingsjaar worden alle ontvangsten en uitgaven van ECCSEL ERIC geraamd en in de begroting opgenomen. De jaarlijkse begroting moet in overeenstemming zijn met het transparantiebeginsel.

3.   De jaarrekening van ECCSEL ERIC gaat vergezeld van een verslag over het beheer op financieel en begrotingsgebied in het betreffende begrotingsjaar.

4.   Wat de opstelling, neerlegging, controle en openbaarmaking van de jaarrekening betreft, is ECCSEL ERIC onderworpen aan de voorschriften van het toepasselijke recht. ECCSEL ERIC past de regels van de jaarrekeningenwetgeving van het gastland toe volgens algemeen geaccepteerde internationale boekhoudbeginselen en transparantiebeginselen.

5.   ECCSEL ERIC gebruikt de kredieten volgens de beginselen van goed financieel beheer.

6.   ECCSEL ERIC boekt de kosten en ontvangsten van zijn economische activiteiten afzonderlijk.

7.   Bijdragen in natura worden slechts in aanmerking genomen wanneer zij een daadwerkelijke en kwantificeerbare bijdrage leveren aan ECCSEL ERIC, met inbegrip van bij het operationeel centrum van ECCSEL ERIC gedetacheerd personeel, en goedgekeurd zijn door de algemene vergadering.

8.   De waarde van de bijdragen in natura wordt meegenomen in de berekening van de geldelijke bijdragen die in dezelfde perioden zijn gedaan.

Artikel 13

Aansprakelijkheid

1.   ECCSEL ERIC is aansprakelijk voor zijn schulden.

2.   De leden zijn niet hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van ECCSEL ERIC. De aansprakelijkheid van de leden voor de schulden van ECCSEL ERIC is beperkt tot hun respectieve bijdragen.

3.   ECCSEL ERIC sluit de nodige verzekeringen af tegen de specifieke risico’s die verbonden zijn aan de opbouw en de werking van ECCSEL ERIC.

HOOFDSTUK 6

VERSLAGLEGGING AAN DE EUROPESE COMMISSIE

Artikel 14

Verslaglegging aan de Europese Commissie

1.   ECCSEL ERIC brengt een jaarlijks activiteitenverslag uit waarin met name de wetenschappelijke, operationele en financiële aspecten van zijn activiteiten worden behandeld. Het verslag dient door de algemene vergadering te worden goedgekeurd en binnen zes maanden na afloop van het overeenkomstige boekjaar bij de Europese Commissie en de betrokken overheidsinstanties te worden ingediend. Het verslag wordt openbaar gemaakt.

2.   ECCSEL ERIC stelt de Europese Commissie in kennis van alle omstandigheden die de verwezenlijking van de taken van ECCSEL ERIC ernstig in gevaar dreigen te brengen of ECCSEL ERIC belemmeren bij de naleving van de voorschriften die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 723/2009.

HOOFDSTUK 7

BELEID

Artikel 15

Overeenkomsten met derden

1.   ECCSEL ERIC mag overeenkomsten aangaan met derden, zoals bijvoorbeeld individuele instellingen, regio’s en derde landen, indien dit volgens ECCSEL ERIC nuttig is en in overeenstemming is met de taken en activiteiten zoals beschreven in artikel 2.

2.   Indien derde partijen als beschreven in artikel 15, lid 1, met deskundigheid, diensten en technologie willen bijdragen aan ECCSEL ERIC, mag ECCSEL ERIC een overeenkomst met die partijen aangaan. In de overeenkomst moet worden beschreven welke dienst of andere bijdrage door de derde partij wordt geleverd en moeten de toegangsrechten, het abonnementsgeld en overige voorwaarden met het oog op deze bijdrage worden opgenomen. Derde partijen die gebruikmaken van ECCSEL-faciliteiten, kunnen worden verplicht tot deelname aan het authenticatie- en autorisatiesysteem van ECCSEL ERIC.

Artikel 16

Aanbestedingsbeleid en belastingvrijstelling

1.   ECCSEL ERIC behandelt gegadigden voor en inschrijvers op aanbestedingsprocedures gelijk en zonder te discrimineren, ongeacht of ze al dan niet in de Europese Unie gevestigd zijn. In het aanbestedingsbeleid van ECCSEL ERIC worden de beginselen inzake transparantie, niet-discriminatie en mededinging in acht genomen.

2.   De directeur is verantwoordelijk voor alle aanbestedingen van ECCSEL ERIC. Het gunningsbesluit voor een aanbesteding wordt op passende wijze gepubliceerd en omvat een volledige motivering. De algemene vergadering stelt uitvoeringsbepalingen vast met daarin alle noodzakelijke details over de exacte aanbestedingsprocedures en -criteria.

3.   Bij aanbestedingen door leden en waarnemers met betrekking tot de activiteiten van ECCSEL ERIC wordt voldoende rekening gehouden met de behoeften van ECCSEL ERIC en de door de desbetreffende instanties aangegeven technische vereisten en specificaties.

4.   Belastingvrijstellingen op basis van de Noorse wet op het gebied van belasting toegevoegde waarde van 19 juni 2009, nr. 58, paragraaf 10-3, worden beperkt tot de belasting toegevoegde waarde van de goederen en diensten die officieel en exclusief door ECCSEL ERIC gebruikt worden en die volledig door ECCSEL ERIC of een van zijn lidstaten worden betaald en aanbesteed. De belastingvrijstellingen gelden voor niet-economische activiteiten. Zij gelden niet voor economische activiteiten. Er gelden geen andere beperkingen.

5.   Indien een lidstaat van ECCSEL ERIC wordt aangewezen als gastland van een kantoor van ECCSEL ERIC dat door die lidstaat wordt erkend als een internationaal orgaan in de zin van artikel 143, lid 1, onder g), en artikel 151, lid 1, onder b), van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (2) en als een internationale organisatie in de zin van artikel 12, lid 1, onder b), van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad (3), profiteert dit ECCSEL ERIC-kantoor op basis van artikel 143, lid 1, onder g), en artikel 151, lid 1, onder b), van Richtlijn 2006/112/EG inzake belastingvrijstellingen voor goederen en diensten die binnen de EU zijn aangeschaft teneinde te voldoen aan zijn eigen behoeften of de taken te vervullen die door ECCSEL ERIC zijn toegewezen, wanneer deze een waarde hebben die hoger is dan 300 EUR en zij volledig betaald en ingekocht zijn door ECCSEL ERIC of leden van ECCSEL ERIC. De belastingvrijstellingen gelden voor niet-economische activiteiten. Zij gelden niet voor economische activiteiten. Er gelden geen andere beperkingen.

Artikel 17

Werkgelegenheid

1.   ECCSEL ERIC past als werkgever het beginsel van gelijke kansen toe. De selectieprocedures voor sollicitanten voor functies bij ECCSEL ERIC zijn transparant, niet-discriminerend en waarborgen gelijke kansen.

2.   Arbeidsovereenkomsten voldoen aan de toepasselijke wet- en regelgeving van het land waar het personeel werkzaam is of aan de wetten van het land waar de activiteiten van ECCSEL ERIC worden verricht. De vacatures van ECCSEL ERIC worden op passende wijze internationaal gepubliceerd.

3.   Elk lid vergemakkelijkt, in overeenstemming met de nationale wetgeving, binnen zijn rechtsgebied de verplaatsingen en het verblijf van bij de taken van ECCSEL ERIC betrokken onderdanen van leden, alsmede van gezinsleden van die onderdanen.

Artikel 18

Toegangsbeleid

1.   Elke nationale faciliteit die aan de ECCSEL-infrastructuur deelneemt, stelt een wezenlijk deel van haar beschikbare onderzoekstijd aan de internationale onderzoeksgemeenschap ter beschikking. De algemene vergadering reserveert een gedeelte van de beschikbare onderzoekstijd om toegang te bieden aan onderzoekers uit landen die geen lid zijn van ECCSEL ERIC.

2.   ECCSEL ERIC en de eigenaren van de onderzoeksfaciliteiten sluiten afzonderlijke overeenkomsten waarin de omvang van de aan de internationale onderzoeksgemeenschap ter beschikking gestelde onderzoekstijd en de voorwaarden voor toegang worden vastgesteld.

3.   De faciliteiten van ECCSEL ERIC zijn toegankelijk voor onderzoekers, wetenschappers en studenten. Na een eerlijke en transparante procedure wordt toegang verleend op basis van een vergelijkend onderzoek en collegiale toetsing van aanvragen. De criteria die bij het vergelijkend onderzoek worden gehanteerd, zijn wetenschappelijke uitmuntendheid en het belang in verband met de strategieën van ECCSEL ERIC, zoals vastgesteld door de algemene vergadering.

4.   Alle kosten voor de toegang en alle kosten voor de materialen die eigendom zijn van de gebruikers, zoals monsters en apparatuur, worden door de gebruikers gedragen. De kosten voor de toegang worden gebaseerd op de tarieven die voor elke ECCSEL ERIC-faciliteit gelden.

5.   ECCSEL ERIC kan een authenticatie- en toelatingssysteem invoeren om te waarborgen dat alleen daartoe gerechtigde personen een faciliteit kunnen betreden en gebruiken. ECCSEL ERIC kan van de leden en waarnemers verlangen dat zij dat systeem eerbiedigen indien toegang wordt verleend aan hun onderzoekers.

6.   Na goedkeuring door de algemene vergadering wordt een uitvoerig toegangsbeleid voor gebruikers openbaar gemaakt.

Artikel 19

Verspreidingsbeleid

1.   De onderzoeksresultaten en gegevens van ECCSEL ERIC zijn openbaar toegankelijk in overeenstemming met het door de algemene vergadering vastgestelde beleid inzake verspreiding. De onderzoeksresultaten en gegevens worden aan geïnteresseerde partijen verstrekt tegen betaling van uitsluitend de kosten die verband houden met de verspreiding. Met het oog op deze bepaling wordt onder „onderzoeksresultaten en gegevens van ECCSEL ERIC” verstaan de onderzoeksresultaten en gegevens op het gebied van de afvang en opslag van koolstofdioxide die door de eigenaren van aan de infrastructuur van ECCSEL ERIC deelnemende faciliteiten worden gegenereerd.

2.   ECCSEL ERIC verspreidt de onderzoeksresultaten van ECCSEL ERIC actief aan de samenleving, zodat zij een actieve rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van beleid en de beheersing van de uitstoot van koolstofdioxide.

3.   ECCSEL ERIC bevordert de samenwerking binnen ECCSEL ERIC en de resultaten van die samenwerking, stimuleert onderzoekers om nieuwe en innovatieve projecten te starten en, indien van toepassing, stimuleert onderzoekers om gebruik te maken van ECCSEL ERIC in hun hoger onderwijs.

4.   ECCSEL ERIC moedigt de gebruikers van de onderzoeksresultaten van ECCSEL ERIC in het algemeen aan hun eigen onderzoeksresultaten openbaar beschikbaar te stellen en verzoekt de gebruikers op passende wijze bekendheid te geven aan de toegang die zij binnen ECCSEL ERIC hebben gekregen.

5.   In het verspreidingsbeleid worden de verschillende doelgroepen beschreven en er worden diverse kanalen gebruikt om het doelpubliek te bereiken. In alle publicaties die betrekking hebben op kennis of resultaten die door of binnen de ECCSEL-samenwerking zijn ontstaan, wordt ECCSEL ERIC op gepaste wijze genoemd.

Artikel 20

Beleid inzake intellectuele-eigendomsrechten

1.   Overeenkomstig de doelen van deze statuten heeft „intellectuele eigendom” de betekenis die is omschreven in artikel 2 van het op 14 juli 1967 ondertekende Verdrag tot oprichting van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO).

2.   Wat vraagstukken inzake intellectuele eigendom betreft, worden de betrekkingen tussen de leden beheerst door het nationale recht van de leden en door de desbetreffende internationale voorschriften en regelingen.

3.   De intellectuele eigendom die leden inbrengen in ECCSEL ERIC, blijft aan de oorspronkelijke rechthebbende toebehoren. Indien dergelijke eigendom voortvloeit uit werk dat door ECCSEL ERIC is gefinancierd (via een rechtstreekse bijdrage of een bijdrage in natura), behoort hij toe aan ECCSEL ERIC, tenzij overeengekomen is dat hij toebehoort aan het lid dat de eigendom heeft gecreëerd. Indien de eventuele economische waarde van toegang hoger is dan de betaalde bijdrage wordt dit niet beschouwd als financiering van een project door ECCSEL ERIC.

4.   ECCSEL ERIC ziet erop toe dat gebruikers instemmen met de voorwaarden inzake de toegang tot resultaten en de intellectuele-eigendomsrechten daarop en dat geschikte beveiligingsmaatregelen worden getroffen voor de bewaring en behandeling van de rechten en resultaten.

5.   ECCSEL ERIC voorziet in regelingen voor het onderzoeken van vermeende beveiligingslekken en schending van geheimhoudingsverplichtingen van onderzoeksgegevens en informatie.

6.   ECCSEL ERIC verschaft onderzoekers richtsnoeren om te waarborgen dat onderzoek waarin via ECCSEL ERIC beschikbaar gesteld materiaal wordt gebruikt, wordt uitgevoerd binnen een kader waarin de rechten van de eigenaren worden geëerbiedigd.

7.   Een gedetailleerd beleid inzake intellectuele-eigendomsrechten, goedgekeurd door de algemene vergadering, wordt afzonderlijk overeengekomen tussen de partijen die de aan de infrastructuur van ECCSEL ERIC deelnemende faciliteiten exploiteren.

HOOFDSTUK 8

DUUR, WIJZIGING VAN DE STATUTEN, ONTBINDING, GESCHILLEN

Artikel 21

Duur

ECCSEL ERIC wordt voor onbepaalde tijd opgericht.

Artikel 22

Wijziging van de statuten

De algemene vergadering kan besluiten tot een wijziging van de statuten. Elke wijziging in de statuten die gedurende de eerste vijf jaar na de oprichting van ECCSEL ERIC wordt aangebracht, dient met eenparigheid van stemmen in de algemene vergadering te worden goedgekeurd. Na de eerste vijf jaar is voor dergelijke wijzigingen een meerderheid van twee derde van de stemmen nodig. De voorgestelde wijziging van de statuten moet overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 723/2009 aan de Commissie worden voorgelegd.

Artikel 23

Ontbinding

1.   De algemene vergadering kan met een tweederdemeerderheid van stemmen besluiten ECCSEL ERIC te ontbinden.

2.   ECCSEL ERIC stelt de Europese Commissie onverwijld en uiterlijk tien dagen na de vaststelling van het besluit tot ontbinding van ECCSEL ERIC van dit besluit in kennis.

3.   Activa die resteren na betaling van de schulden van ECCSEL ERIC, worden verdeeld over de leden naar rato van hun totale jaarlijkse bijdrage aan ECCSEL ERIC op grond van bijlage II.

4.   ECCSEL ERIC stelt de Europese Commissie onverwijld en uiterlijk tien dagen na het voltooien van het ontbindingsproces hiervan in kennis.

5.   ECCSEL ERIC houdt op te bestaan op de dag van bekendmaking door de Europese Commissie van de passende kennisgeving daarvan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 24

Toepasselijk recht

ECCSEL ERIC is in aflopende volgorde onderworpen aan:

a)

het recht van de Europese Unie, en met name Verordening (EG) nr. 723/2009;

b)

het recht van het gastland voor een aangelegenheid die niet (of slechts gedeeltelijk) door het recht van de Europese Unie wordt geregeld;

c)

deze statuten.

Artikel 25

Geschillen

1.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor geschillen tussen de leden betreffende ECCSEL ERIC en voor geschillen tussen de leden en ECCSEL ERIC, alsook voor alle geschillen waarbij de Europese Unie partij is.

2.   De wetgeving van de Europese Unie inzake rechterlijke bevoegdheid is van toepassing op geschillen tussen ECCSEL ERIC en derden. Voor geschillen die niet onder de wetgeving van de Unie vallen, wordt overeenkomstig het recht van de gaststaat bepaald welk gerecht bevoegd is voor de beslechting van het geschil in kwestie.

Artikel 26

Beschikbaarheid van de statuten

De statuten zijn beschikbaar voor het publiek op de ECCSEL ERIC-website en in de statutaire zetel.


(1)  PB L 206 van 8.8.2009, blz. 1.

(2)  PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

(3)  PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12.


BIJLAGE I

LIJST VAN LEDEN EN WAARNEMERS

Deze bijlage bevat een lijst van de leden en waarnemers en van de entiteiten die hen vertegenwoordigen. De bijlage wordt door de directeur geactualiseerd overeenkomstig de wijzigingen in de deelname aan ECCSEL ERIC.

Leden

Land of intergouvernementele organisatie

Vertegenwoordigende entiteit

Frankrijk

De Franse Geologische Dienst (BRGM)

Italië

Nationaal Instituut voor Oceanografie en Experimentele Geofysica (OGS)

Nederland

Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)

Noorwegen

 

Verenigd Koninkrijk

Britse Geologische Dienst (BGS)


Waarnemers

Land of intergouvernementele organisatie

Vertegenwoordigende entiteit

 

 


BIJLAGE II

BEGROTINGSBIJDRAGEN EN VERDELING

De oprichtende leden en waarnemers van ECCSEL ERIC zijn de onderstaande begroting overeengekomen voor een periode van vijf jaar (koersen van 2016). De bijdrage van het gastland van een derde van de totale kosten buiten beschouwing gelaten, zijn de leden en waarnemers overeengekomen dat de uitgaven gelijkelijk onder hen verdeeld worden en niet hoger zijn dan 80 000 EUR per lid of waarnemer per jaar gedurende de eerste vijf jaar. De exacte individuele bijdragen per jaar hangen af van het aantal nieuwe leden en/of waarnemers die tot ECCSEL ERIC toetreden.

De begroting dekt de kosten van het operationeel centrum van ECCSEL, dat verantwoordelijk is voor de centrale leiding en planning alsook de coördinatie van de exploitatie en ontwikkeling van de infrastructuur. Op dit moment hebben de oprichters geen plannen die impliceren dat ECCSEL ERIC zelf onderzoeksfaciliteiten zal financieren of exploiteren.

Tijdvak van planning

2017

2018

2019

2020

2021

2017-2021

 

jaar van oprichting (*1)

volledig operationele fase

 

UITGAVEN

Personeel operationeel centrum

235 000

400 000

500 000

600 000

600 000

2 335 000

IT-systeem

10 000

25 000

25 000

25 000

25 000

110 000

Kantoorhuur

15 000

20 000

30 000

30 000

30 000

125 000

Reizen

25 000

40 000

50 000

50 000

50 000

215 000

Uitbestede diensten

75 000

115 000

145 000

145 000

145 000

625 000

Totaal uitgaven (EUR)

360 000

600 000

750 000

850 000

850 000

3 410 000

INKOMEN

Gastland (Noorwegen)

120 000

200 000

250 000

284 000

284 000

1 138 000

Staten die lid/waarnemer (*2) zijn

240 000

400 000

500 000

566 000

566 000

2 272 000

Totaal inkomsten (EUR)

360 000

600 000

750 000

850 000

850 000

3 410 000

KOSTEN PER LID

Aantal leden (excl. gastland) (*3)

3

5

7

9

11

 

Kosten per lid (EUR)  (*4)

80 000

80 000

71 429

62 889

51 455

345 772


(*1)  Gedurende het eerste jaar is er een gedeeltelijke overlapping met de financiering van de implementatie van INFRADEV-3 Horizon 2020.

(*2)  De algemene vergadering kan besluiten dat de eerste bijdrage van een waarnemer afwijkt van de normale bijdrage.

(*3)  Geraamd aantal leden en waarnemers (het gastland niet inbegrepen) — minimumscenario.

(*4)  De kosten worden lager naarmate er meer landen deelnemen. Verwachte steun van de industrie is niet meegenomen in deze cijfers.


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/29


ESSA-hygiënerichtsnoer voor de productie van kiemgroenten en voor kiemgroenten bestemde zaden

(2017/C 220/03)

Samenvatting

De EU-markt voor ontkiemde zaden is een zeer gespecialiseerd nichesegment van de markt voor verse producten met ongeveer 120 professionele productie-inrichtingen in de gehele EU. Na de EHEC-crisis in 2011 en het wetenschappelijk advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) over het risico van shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) en andere pathogene bacteriën in zaden en ontkiemde zaden is nieuwe EU-wetgeving in werking getreden om de veiligheid van dit productsegment in Europa te vergroten. Er werden verschillende nationale richtsnoeren opgesteld om de uitvoering van deze specifieke regels mogelijk te maken. De doelstelling van dit Europese richtsnoer, dat is opgesteld door de European Sprouted Seeds Association (ESSA, Europese branchevereniging op het gebied van ontkiemde zaden), is om uitgebreide instructies te verschaffen over de hygiënische praktijk voor de veilige productie van kiemgroenten en voor kiemgroenten bestemde zaden en om deze informatie beschikbaar te stellen voor producenten van kiemgroenten in landen binnen en buiten Europa.

Dit richtsnoer kan worden gebruikt voor het opstellen van checklists en schema’s om de toepassing van het richtsnoer te vergemakkelijken.

Toepassingsgebied van dit richtsnoer

Dit richtsnoer heeft betrekking op de commerciële productie van kiemgroenten en voor kiemgroenten bestemde zaden overeenkomstig de geldende wetgeving van de Europese Unie. Het ontkiemen van zaden — het bevochtigen van zaden om hun vochtgehalte te verhogen en ze uit rusttoestand te brengen, totdat een nieuwe plant omhoog begint te groeien — is een vorm van primaire productie in de EU. In dit hygiënerichtsnoer komen activiteiten aan bod die deel uitmaken van de primaire productie. Activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de primaire productie vallen, komen niet aan bod, maar alternatieve leidraden zijn mogelijk beschikbaar en zijn in de onderstaande verwijzingen vermeld. In dit richtsnoer komen de productie van andere ontkiemde zaden, zoals microgroenten, scheuten, tuinkers en producten die worden geteeld in groeimedia of op grond in kassen niet aan bod. Ontkiemde zaden die buiten het toepassingsgebied van dit richtsnoer vallen, komen aan bod in de mededeling van de Commissie — Richtsnoeren voor de aanpak van microbiologische risico’s bij de primaire productie van verse groenten en fruit door goede hygiëne (1).

Toepasselijke EU-wetgeving voor de productie van kiemgroenten en voor kiemgroenten bestemde zaden

De algemene voorschriften inzake voedselveiligheid, waaronder de verplichting om alleen veilige levensmiddelen in de handel te brengen, zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 178/2002. De hygiënische productie van levensmiddelen in de EU valt onder Verordening (EG) nr. 852/2004, en met name bijlage I, deel A, bij die verordening. De voorschriften verplichten primaire producenten ertoe te waarborgen dat basisproducten beschermd zijn tegen verontreiniging, bijvoorbeeld door maatregelen ter voorkoming van verontreiniging door lucht, bodem, water, meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, en door de opslag, het hanteren en verwijderen van afvalstoffen. De onderhavige richtsnoeren geven concrete voorbeelden ter aanvulling van die algemene bepalingen.

Meer specifieke voorschriften voor de productie van kiemgroenten zijn vastgesteld in verschillende bijkomende EU-verordeningen: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van de Commissie betreffende de traceerbaarheidsvoorschriften voor kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden, Verordening (EU) nr. 209/2013 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2073/2005 inzake microbiologische criteria voor kiemgroenten, Verordening (EU) nr. 210/2013 van de Commissie betreffende de erkenning van inrichtingen die kiemgroenten produceren en Verordening (EU) nr. 211/2013 van de Commissie (gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 704/2014 van de Commissie) betreffende de certificeringsvoorschriften voor de invoer in de Unie van kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden. De voorschriften van die verordeningen zijn opgenomen in dit richtsnoer.

Alle onderdelen van de EU-wetgeving die in dit richtsnoer zijn vermeld, zijn opgenomen in bijlage I. In bijlage II zijn verwijzingen opgenomen naar andere relevante bronnen van informatie met betrekking tot de productie van kiemgroenten.

In dit richtsnoer worden de minimumvoorschriften voor de productie van kiemgroenten in de EU behandeld. In sommige EU-lidstaten kunnen strengere voorschriften gelden voor de producenten van kiemgroenten die in deze lidstaten zijn gevestigd. Het is over het algemeen aanbevolen dat producenten van kiemgroenten contacten onderhouden met hun bevoegde autoriteit om geïnformeerd te blijven over de toepasselijke voorschriften in hun lidstaat.

Aanvullende documenten die verder gaan dan deze richtsnoeren

Aanvullende informatie is beschikbaar via relevante publicaties van de Codex Alimentarius, goede landbouwpraktijken (GLP) en goede hygiënische praktijk (GHP) die zijn ontwikkeld door verschillende nationale instanties en richtlijnen van verschillende particuliere belanghebbenden en certificeringsregelingen. Informatie over leidraden die bekend zijn bij de European Sprouted Seeds Association (ESSA) is opgenomen in de verwijzingen en de bijlagen bij dit richtsnoer.

LET OP

Dit richtsnoer is een aanbeveling die niet juridisch bindend is. Het is alleen opgesteld voor informatieve doeleinden. De European Sprouted Seeds Association (ESSA) staat niet in voor de juistheid van de verstrekte informatie en kan niet aansprakelijk gesteld worden voor het gebruik dat er eventueel van wordt gemaakt. De lezer wordt dan ook geadviseerd uiterst omzichtig met deze gegevens om te gaan. De verplichting om de Europese wetgeving inzake voedselveiligheid te handhaven ligt bij de Europese Commissie en de bevoegde autoriteiten van de EU-lidstaten. Producenten van kiemgroenten worden verzocht contact op te nemen met hun bevoegde autoriteit voor volledige informatie over de wettelijke voorschriften in hun lidstaat van vestiging.

Inhoudsopgave

Lijst van afkortingen 31
DEFINITIES 31

1.

PRODUCTIE VAN KIEMGROENTEN 34

1.A.

Inrichting 34

1.A.1.

Erkenning van inrichtingen voor de productie van kiemgroenten 34

1.A.2.

Ontwerp en indeling van de voorzieningen 35

1.A.3.

Hygiënische maatregelen 36

1.A.4

Onderhoud 36

1.A.5.

Gezondheidsstatus van de werknemer 36

1.A.6.

Bestrijding van plaagorganismen 36

1.A.7.

Persoonlijke hygiëne en geschikte kleding 37

1.A.8.

Afvalverwerking 37

1.B.

Opleiding 38

1.C.

Controle van inkomende zaden 38

1.C.1.

Invoercertificaat 38

1.C.2.

Traceerbaarheidsvoorschriften voor inkomende zaden 39

1.C.3.

Visuele inspectie 39

1.D.

Opslag van zaden 39

1.E.

Gevarenanalyse en kritische controlepunten 40

1.F.

Watergebruik 40

1.G.

Kiemproces 40

1.G.1.

Eerste spoeling van de zaden 40

1.G.2.

Microbiologische ontsmetting van zaden 40

1.G.3.

Voorkiemen door te weken 41

1.G.4.

Het kiemen, de groei en de irrigatie 41

1.G.5.

Oogst 41

1.H.

Verwerking, verpakking, opslag en vervoer 41

1.H.1.

Laatste spoeling, verwijdering van zaaddoppen en koeling 41

1.H.2.

Microbiologische ontsmetting van kiemgroenten 41

1.H.3.

Materialen en voorwerpen bestemd om met kiemgroenten in contact te komen 41

1.H.4.

Opslag van kiemgroenten 42

1.H.5.

Productinformatie en bewustmaking van de consument 42

1.H.6.

Vervoer 42

1.I.

Microbiologische tests van zaden en kiemgroenten 42

1.I.1.

Leidraad voor bemonstering van zaden 43

1.I.2.

Frequentie van de bemonstering en van het uitvoeren van tests van de kiemgroenten ten minste 48 uur na het begin van het kiemproces 43

1.I.3.

Bemonstering van het eindproduct 44

1.I.4.

Testresultaten 44

1.I.5.

Afwijking van de voorbereidende tests van alle partijen zaden in punt 1.I.1. 44

1.I.6.

Alternatieve tests door de zaadleverancier 45

1.J.

Maatregelen in geval van verontreiniging 45

1.J.1.

Detectie van verontreiniging wanneer levensmiddelen onder de controle vallen van de producent van kiemgroenten 45

1.J.2.

Detectie van verontreiniging nadat levensmiddelen onder de controle vallen van de producent van kiemgroenten — uit de handel nemen en terugroepen 45

1.K.

Traceerbaarheid en het bijhouden van gegevens 46

1.K.1.

Traceerbaarheid van het proces in de kieminrichting 46

1.K.2.

Traceerbaarheidsvoorschriften van het eindproduct — kiemgroenten 46

1.K.3.

Vrijstelling van de voorschriften in dit hoofdstuk 47

1.L.

Samenvatting: Registratieverplichtingen 47

2.

PRODUCTIE VAN ZADEN 48

2.A.

Algemeen 48

2.B.

Bodem-/grondbehandelingen 48

2.C.

Hygiëne van werknemers 49

2.D.

Irrigatie 49

2.E.

Zaden 49

2.F.

Drogen van planten/peulen 49

2.G.

Dorsen 49

2.H.

Opslag na de oogst 49

2.I.

Veredeling 49
Bijlage I — Algemene wetgeving en specifieke wetgeving voor kiemgroenten 51
Bijlage II —Verwijzingen naar andere relevante informatiebronnen 52

Lijst van afkortingen

CCP: kritisch controlepunt („critical control point”)

EG: Europese Gemeenschap

EFSA: Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

ESSA: European Sprouted Seeds Association (Europese branchevereniging op het gebied van ontkiemde zaden)

EU: Europese Unie

GLP: Goede landbouwpraktijken

GHP: Goede hygiënische praktijk

HACCP: Gevarenanalyse en kritische controlepunten („hazard analysis and critical control points”)

STEC: Shigatoxineproducerende E.coli O157, O26, O111, O103, O145 en O104:H4

WHO: Wereldgezondheidsorganisatie

DEFINITIES

Basisproducten  (2) : producten van de primaire productie, met inbegrip van producten van de grond, de veehouderij, de jacht en de visserij.

Bevoegde autoriteit  (3) : de centrale autoriteit van een lidstaat die bevoegd is officiële controles te organiseren, of elke andere autoriteit waaraan die bevoegdheid is gedelegeerd; dit begrip omvat tevens, in voorkomend geval, de overeenkomstige autoriteit van een derde land.

Bewaking  (4) : het uitvoeren van een geplande sequentie van waarnemingen of metingen van controleparameters om te beoordelen of een CCP (kritisch controlepunt) onder controle is.

Distributeur van ontkiemde zaden  (5) : persoon verantwoordelijk voor de distributie van ontkiemde zaden (hanteren, opslag en transport) naar de koper/klant. Distributeurs van ontkiemde zaden kunnen te maken hebben met één of meer producenten van ontkiemde zaden en kunnen zelf producenten zijn.

Drinkwater  (6) : water dat voldoet aan de minimumvereisten inzake voor menselijke consumptie bestemd water die zijn vastgesteld bij Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water.

Etikettering  (7) : de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieks- of handelsmerken, afbeeldingen of tekens die betrekking hebben op een levensmiddel en voorkomen op een verpakkingsmiddel, document, schriftstuk, etiket, band of label, dat bij dit levensmiddel is gevoegd of daarop betrekking heeft.

Exploitant van een levensmiddelenbedrijf  (8) : natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de in de levensmiddelenwetgeving vastgestelde voorschriften in het levensmiddelenbedrijf waarover hij de leiding heeft.

Gevaar  (9) : biologisch, chemisch of fysisch agens in een levensmiddel of diervoeder, of de toestand van een levensmiddel of diervoeder, met mogelijk nadelige gevolgen voor de gezondheid.

Gevarenanalyse  (10) : het proces van het verzamelen en evalueren van informatie over de gevaren en de omstandigheden die leiden tot de aanwezigheid van gevaren om te beslissen welke gevaren van belang zijn voor de voedselveiligheid en dus in het HACCP-plan moeten worden aangepakt.

Gevarenanalyse en kritische controlepunten (HACCP, „hazard analysis and critical control points”)  (11) : een systeem waarin gevaren die van belang zijn voor de voedselveiligheid worden vastgesteld, beoordeeld en onder controle gehouden.

Goede hygiënische praktijk (GHP)  (12) : algemene basisvoorschriften voor hygiënische productie van een levensmiddel, met inbegrip van voorschriften inzake hygiëne bij het ontwerp, de bouw en de exploitatie van de inrichting, hygiëne bij de bouw en het gebruik van apparatuur, gepland onderhoud en reiniging en personeelsopleiding en hygiëne. Een ontwikkeld en geïmplementeerd GHP-programma is een eerste vereiste voor een HACCP-systeem.

Goede landbouwpraktijken (GLP)  (13) : praktijken die zijn gericht op ecologische, economische en sociale duurzaamheid voor bedrijfsprocessen en resulteren in veilig en kwalitatief voedsel en niet voor de voeding bestemde landbouwproducten.

Inrichting  (14) : elke eenheid van een levensmiddelenbedrijf.

Kant-en-klare levensmiddelen  (15) : levensmiddelen die door de producent of de fabrikant bedoeld zijn om rechtstreeks door de mens te worden geconsumeerd, zonder dat verhitting of een andere bewerking nodig is om relevante micro-organismen te elimineren of tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

Kiemgroenten  (16) : het product dat wordt verkregen uit het kiemen van zaden en de ontwikkeling daarvan in water of een ander medium, dat vóór de ontwikkeling van echte bladeren wordt geoogst en dat bedoeld is om geheel te worden gegeten, inclusief het zaad.

Kritisch controlepunt (CCP, „critical control point”)  (17) : een stadium waarin controle kan worden toegepast en dat essentieel is om een gevaar voor de voedselveiligheid te voorkomen of te elimineren dan wel tot een aanvaardbaar niveau te reduceren.

Levensmiddel  (18) : alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd.

Levensmiddelenhygiëne  (19) : hierna „hygiëne” genoemd: de maatregelen en voorschriften die nodig zijn om de aan een levensmiddel verbonden gevaren tegen te gaan en de geschiktheid van een levensmiddel voor menselijke consumptie te waarborgen, met inachtneming van het beoogde gebruik.

Levensmiddelenwetgeving  (20) : de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot levensmiddelen in het algemeen en de voedselveiligheid in het bijzonder, zowel op het niveau van de Gemeenschap als op nationaal niveau; deze term bestrijkt alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen, alsmede van diervoeders die voor voedselproducerende dieren worden geproduceerd of daaraan worden vervoederd.

Microbiologisch criterium  (21) : een criterium ter bepaling van de aanvaardbaarheid van een product, een partij levensmiddelen of een proces, dat berust op de af- of aanwezigheid van micro-organismen of het aantal daarvan, en/of de hoeveelheid toxinen/metabolieten ervan, per eenheid van massa, volume of oppervlakte dan wel per partij.

Monster  (22) : een geheel bestaande uit een of meer eenheden of een hoeveelheid materie, die op verschillende wijzen uit een populatie of een grotere hoeveelheid materie geselecteerd zijn/is, bedoeld om informatie te verschaffen over een bepaalde eigenschap van de bestudeerde populatie of materie en een basis te vormen voor een besluit betreffende die populatie of materie dan wel het proces waarmee die is geproduceerd.

Officiële controles  (23) : elke vorm van controle die door de bevoegde autoriteit of door de Gemeenschap wordt uitgevoerd om na te gaan of de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn worden nageleefd.

Ontkiemd zaad  (24) : omvat de volgende categorieën: kiemgroenten, tuinkers en scheuten.

Partij  (25) : een hoeveelheid kiemgroenten of voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden, met dezelfde taxonomische naam, die op dezelfde dag uit dezelfde inrichting naar dezelfde bestemming wordt verzonden. Een zending kan bestaan uit één of meer partijen. Zaden met een verschillende taxonomische naam, die in dezelfde verpakking worden gemengd en bestemd zijn om tezamen te kiemen, en kiemgroenten daarvan worden ook als één partij beschouwd.

Primaire productie  (26) : de productie, het fokken en het telen van basisproducten tot en met het oogsten, het melken en de productie van landbouwhuisdieren, voorafgaande aan het slachten. Dit begrip omvat tevens de jacht, de visvangst en de oogst van wilde producten.

Producent van kiemgroenten  (27) : persoon verantwoordelijk voor het beheer van de activiteiten die verband houden met de productie van ontkiemde zaden.

Representatief monster  (28) : een monster dat nog de kenmerken heeft van de partij waaruit het is genomen. Dit is met name het geval voor een eenvoudig aselect monster waarin elke eenheid of greep van de partij dezelfde kans heeft om in het monster terecht te komen.

Risico  (29) : een functie van de kans op een nadelig gezondheidseffect en de ernst van dat effect, voortvloeiend uit een gevaar.

Risicoanalyse  (30) : proces bestaande uit drie samenhangende onderdelen: risicobeoordeling, risicomanagement en risicocommunicatie.

Scheuten  (31) : ontkiemde zaden verkregen uit het ontkiemen en het ontwikkelen van zaden voor het produceren van een groene scheut met zeer jonge bladeren en/of zaadlobben. De scheuten en de bladeren worden geoogst op het einde van het productieproces en het eindproduct bevat geen zaadvliezen en wortels.

Schoon water  (32) : schoon zeewater en zoet water van een vergelijkbare kwaliteit.

Stoffen  (33) : chemische elementen of verbindingen daarvan, zoals die in de natuur voorkomen of zoals die industrieel worden vervaardigd, met inbegrip van alle verontreinigingen die bij het fabricageproces ontstaan.

Traceerbaarheid  (34) : mogelijkheid om een levensmiddel, diervoeder, voedselproducerend dier of stof die bestemd is om in een levensmiddel en diervoeder te worden verwerkt of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin wordt verwerkt, door alle stadia van de productie, verwerking en distributie te traceren en te volgen.

Tuinkers  (35) : ontkiemde zaden verkregen uit het ontkiemen en het ontwikkelen van zaden in bodem of in substraat voor hydrocultuur voor het produceren van een groene scheut met zeer jonge bladeren en/of zaadlobben. Tuinkers wordt als gehele planten verkocht in het substraat of de bodem.

Verbruikt irrigatiewater voor kiemgroenten  (36) : water dat tijdens het ontkiemingsproces in aanraking is gekomen met kiemgroenten.

Verontreiniging  (37) : de aanwezigheid of de introductie van een gevaar.

Verpakking  (38) : het plaatsen van één of meer van een onmiddellijke verpakking voorziene levensmiddelen in een tweede bergingsmiddel, alsmede het tweede bergingsmiddel zelf.

Voor kiemgroenten bestemde zaden  (39) : voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden.

Zaaddistributeur  (40) : persoon verantwoordelijk voor de distributie van zaden (hanteren, opslag en transport) naar producenten van kiemgroenten. Zaaddistributeurs kunnen te maken hebben met één of meer zaadproducenten en kunnen zelf producenten zijn.

Zaadproducent  (41) : persoon verantwoordelijk voor het beheer van activiteiten die verband houden met de primaire productie van zaden, zoals na de oogst toe te passen praktijken.

Zending  (42) : een hoeveelheid kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden: i) die afkomstig is uit hetzelfde derde land; ii) waarvoor hetzelfde certificaat geldt; iii) die met hetzelfde transportmiddel wordt vervoerd.

1.   PRODUCTIE VAN KIEMGROENTEN

1.A.   Inrichting

1.A.1.   Erkenning van inrichtingen voor de productie van kiemgroenten

Alvorens te starten met de productie van kiemgroenten moeten producenten geregistreerd worden bij de nationale autoriteiten. Het is volgens artikel 6 van Verordening (EG) nr. 852/2004 een wettelijke verplichting in de EU dat alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven worden geregistreerd bij de bevoegde nationale autoriteiten. Bovendien moeten inrichtingen die kiemgroenten produceren en die zijn gevestigd in een EU-land overeenkomstig Verordening (EU) nr. 210/2013 van de Commissie door de bevoegde autoriteit zijn erkend. Om een producent van kiemgroenten te erkennen, moet de bevoegde autoriteit controleren of de exploitant voldoet aan bijlage I van Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne en de bepalingen van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 210/2013 van de Commissie. Producenten van kiemgroenten moeten erop toezien dat de kiemgroenten die zij produceren, beschermd zijn tegen verontreiniging.

Producenten van kiemgroenten moeten ook maatregelen treffen voor het onder controle houden van verontreiniging door lucht, bodem, water, meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, en de opslag, het hanteren en verwijderen van afvalstoffen.

In de praktijk kunnen de bevoegde autoriteiten naar deze richtlijn of de lijst van nationale richtlijnen verwijzen om na te gaan of producenten van kiemgroenten voldoen aan de bepalingen in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 852/2004 betreffende de algemene voorschriften inzake levensmiddelenhygiëne.

1.A.2.   Ontwerp en indeling van de voorzieningen

De wettelijke vereisten voor de erkenning van inrichtingen voor de productie van kiemgroenten zijn opgenomen in de bijlage bij Verordening (EU) nr. 210/2013 van de Commissie. De volgende vereisten zijn opgenomen in Verordening (EU) nr. 210/2013 van de Commissie:

1.

Het ontwerp en de indeling van de inrichtingen moet goede voedselhygiënepraktijken mogelijk maken, waaronder bescherming tegen verontreiniging tussen en tijdens bewerkingen. Met name moeten oppervlakken (met inbegrip van oppervlakken van apparatuur) in zones waar levensmiddelen worden gehanteerd en oppervlakken die in aanraking komen met levensmiddelen, goed worden onderhouden en gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt en, indien nodig, ontsmet.

2.

Er moet worden gezorgd voor adequate voorzieningen voor het reinigen, ontsmetten en opslaan van gereedschap en apparatuur. Deze voorzieningen moeten gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt en van koud en warm water zijn voorzien.

3.

Indien nodig moet worden gezorgd voor de nodige voorzieningen om de levensmiddelen te kunnen wassen. Elke spoelbak of vergelijkbare inrichting, bestemd voor het wassen van levensmiddelen, moet voorzien zijn van drinkwater en moet schoon worden gehouden en, zo nodig, worden ontsmet.

4.

Alle apparatuur waarmee zaden en kiemgroenten in aanraking komen, moet zodanig worden gebouwd, uit zodanige materialen bestaan en in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat het risico van verontreiniging wordt geminimaliseerd en dat het mogelijk wordt gemaakt dat zij schoon wordt gehouden en zo nodig wordt ontsmet.

5.

Er moeten passende procedures worden opgesteld om ervoor te zorgen dat:

a)

de inrichting die kiemgroenten produceert schoon wordt gehouden en zo nodig wordt ontsmet;

b)

alle apparatuur waarmee zaden en kiemgroenten in aanraking komen, effectief wordt gereinigd en zo nodig ontsmet. De reiniging en ontsmetting van dergelijke apparatuur moet plaatsvinden in een frequentie die toereikend is om elk risico van verontreiniging te vermijden.

Daarnaast moet ook aan de volgende vereisten worden voldaan:

de productie van kiemgroenten moet binnen plaatsvinden in volledig gesloten gebouwen;

voorzieningen moeten op zodanige wijze worden ontworpen dat zaden en kiemgroenten zich op een afstand bevinden van voorwerpen en stoffen die een risico kunnen vormen voor verontreiniging. Het productieproces en andere gerelateerde processen (afvalbeheer, hygiëne bij werknemers enz.) moeten op zodanige wijze worden ontworpen dat elk gevaar van kruisverontreiniging wordt geminimaliseerd. Waar mogelijk moet er een fysieke afscheiding zijn tussen de zones waar zaden worden ontvangen en opgeslagen, de zones waar zaden worden voorbereid en gespoeld, de zones waar de ontkieming plaatsvindt en de zones waar de kiemgroenten worden gekoeld en verpakt. Waar mogelijk mogen zaden en kiemgroenten niet terugkeren naar een ruimte waar zij reeds zijn geweest. In voorkomend geval kan ten behoeve van het personeel de richting van het productieproces door middel van borden of etiketten worden aangegeven. Voorzieningen moeten gemakkelijk gereinigd en onderhouden kunnen worden;

sanitaire voorzieningen moeten uitgerust zijn met stromend schoon warm water, zeepdispensers en installaties voor het drogen van de handen (bv. wegwerphanddoeken). Bij voorkeur worden automatische kranen met sensor geïnstalleerd. Waar mogelijk moeten deze zo zijn gebouwd dat ze geen directe toegang bieden tot de zone waar het productieproces plaatsvindt. Sanitaire voorzieningen moeten in voorkomend geval uitgerust zijn om hygiënische verwijdering van afval en regelmatige reiniging en onderhoud te verzekeren;

een garderobe of een equivalent daarvan moet voor werknemers beschikbaar zijn (zie punt 1.A.7);

om verontreiniging door lucht te voorkomen, moet erop worden toegezien dat levensmiddelen niet direct worden blootgesteld aan lucht van een mogelijk verontreinigde omgeving (bv. schimmel, vocht enz.). De airconditioning mag niet direct op levensmiddelen blazen. Waar nodig en mogelijk moeten instrumenten worden gebruikt om de lucht te ontoliën, te ontvochtigen en te filteren. Waar nodig moeten deze instrumenten regelmatig worden onderhouden.

In sommige EU-lidstaten kunnen strengere voorschriften gelden voor het ontwerp en de indeling van de voorzieningen.

1.A.3.   Hygiënische maatregelen

In voorkomend geval moeten hygiënische werkzaamheden worden uitgevoerd door het reinigen en ontsmetten van oppervlakken en apparatuur. Voorzieningen voor kiemgroenten moeten over een schriftelijk reinigingsplan beschikken (waarin de methoden en het tijdschema van het personeel zijn vermeld) om ervoor te zorgen dat alle relevante zones van de voorziening regelmatig worden gereinigd. In het reinigingsplan moet de frequentie waarmee de reiniging plaatsvindt worden vermeld. In dit plan moet worden aangeven waar vocht, schimmel, vuil, dieren, insecten of bacteriën kunnen worden aangetroffen en ook moet hierin worden beschreven hoe dit kan worden voorkomen.

Alle apparatuur die in aanraking komt met zaden of kiemgroenten moet regelmatig worden gereinigd en ontsmet, gevolgd door een laatste spoeling met water volgens de instructies van de reinigingsproducten indien nodig. Voor het reinigen en ontsmetten mogen alleen goedgekeurde reinigingsmiddelen en alleen drinkwater of water van een betrouwbare bron worden gebruikt. Waar mogelijk moet de uitrusting gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten zijn.

Reiniging en ontsmetting moet op zodanige wijze plaatsvinden dat het onmogelijk is dat levensmiddelen verontreinigd raken met reinigingsmiddelen (bv. door te reinigen op tijdstippen waarop geen zaden ontkiemd zijn). Als biociden worden gebruikt dan moeten deze biociden voldoen aan de vereisten die zijn opgenomen in de Europese regelgeving inzake biociden (Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014) en de bepalingen die door de nationale autoriteiten zijn vastgesteld.

Overeenkomstig de instructies van het reinigingsmiddel moet er voldoende tijd worden voorzien alvorens gereinigde/ontsmette oppervlakken opnieuw in contact komen met levensmiddelen.

Bedrijven waar kiemgroenten worden geproduceerd, moeten een register bijhouden met de data van de reiniging en ontsmetting, de zones en installaties die zijn gereinigd en de gebruikte chemicaliën.

Om ieder gevaar van verontreiniging via glas of metalen scherven, vuil, chemische stoffen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen of andere gevaarlijke voorwerpen te minimaliseren, moeten deze objecten gescheiden worden gehouden van het productieproces. Reinigings- en ontsmettingsmiddelen mogen worden opgeslagen in een daartoe bestemde plaats of kast die is vergrendeld en voorzien van passende signaleringen of etiketten.

1.A.4   Onderhoud

Waar onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd, moet dit gebeuren op zodanige wijze dat verontreiniging van levensmiddelen onmogelijk is (bv. door het uitvoeren van herstellingen buiten de plaats van productie of op tijdstippen waarop geen productie plaatsvindt). Waar nodig moeten onderhoudswerkzaamheden worden gevolgd door reiniging of ontsmetting van oppervlakken en apparatuur die in contact zullen komen met levensmiddelen.

Er moet een register worden bijgehouden van de onderhoudswerkzaamheden met vermelding van de data en de identificatie van de objecten die werden behandeld.

1.A.5.   Gezondheidsstatus van de werknemer

Personeelsleden van wie bekend is dat zij lijden aan een ziekte of een aandoening die kan worden overgedragen aan de kiemgroenten of van wie dit wordt vermoed, mogen niet worden toegelaten in zones waar zij direct of indirect in aanraking komen met zaden of kiemgroenten.

Wanneer letsels van personeelsleden een gevaar voor verontreiniging vormen, moeten deze worden behandeld met waterdichte zichtbare afdekkingen alvorens de werknemer in contact kan komen met zaden of kiemgroenten. Waar mogelijk moeten gewonde werknemers direct contact met zaden of kiemgroenten voor menselijke consumptie vermijden.

1.A.6.   Bestrijding van plaagorganismen

De productievoorziening moet in een algemene goede staat worden gehouden zodat plaagorganismen of dieren moeilijk de voorziening kunnen binnendringen of zich binnen moeilijk kunnen vestigen.

Het binnendringen van plaagorganismen en dieren moet worden verhinderd door ramen en andere ingangen dicht te houden en ramen te beschermen met metalen gaas of andere materialen waar nodig. Andere uitlaten die het binnendringen van plaagorganismen of dieren mogelijk maken, moeten worden afgedicht. Infrastructuur die verband houdt met het productieproces (bv. buizen of luchtkanalen) moeten op zodanige wijze worden gebouwd of geplaatst dat het binnendringen van plaagorganismen of verontreinigende stoffen wordt belet.

Om te voorkomen dat eventuele plaagorganismen zich in de voorzieningen vestigen, moeten de exploitanten een plan voor ongediertebestrijding opstellen en vallen voor ongedierte voorzien. Er moet een contract worden gesloten met een bedrijf dat is gespecialiseerd in de bestrijding van plaagorganismen.

1.A.7.   Persoonlijke hygiëne en geschikte kleding

In algemene zin moeten personeelsleden een hoge mate van persoonlijke hygiëne in acht nemen.

Iedereen die werkt in een zone waar levensmiddelen worden bereid, moet zorgen voor een goede persoonlijke hygiëne. Alle werknemers moeten zich bewust zijn van de hygiënische en gezondheidsvoorschriften en moeten worden geïnformeerd over de gevaren die kunnen leiden tot verontreiniging van het product. Ze moeten opleiding krijgen over hygiëne die is afgestemd op hun taken en regelmatig worden geëvalueerd. Deze opleiding moet worden gegeven in een taal en op een wijze die inzicht in de vereiste hygiënische praktijken verzekert.

Het personeel en bezoekers moeten schone kleding en hoofdbedekking dragen wanneer zij zich in de productievoorziening bevinden.

Over het algemeen moet het verlenen van toegang aan bezoekers tot zones voor verwerking of opslag worden verboden, tenzij zij geïnformeerd zijn over de hygiënische voorschriften. Bezoekers van deze zones moeten geschikte werkkleding krijgen en hun namen moeten worden geregistreerd. De gegevens moeten zo lang als nodig worden bewaard.

Medewerkers die werkzaam in zones waar levensmiddelen worden gehanteerd, moeten een goede hygiëne in acht nemen:

schone handen hebben of handschoenen dragen wanneer zij zaden en kiemgroenten hanteren;

niet roken of spugen in de zone waar levensmiddelen worden gehanteerd;

verontreiniging van kiemgroenten voorkomen door er niet boven te niezen en te hoesten;

ervoor zorgen dat haar geen risico van verontreiniging vormt;

bedekken van (snij)wonden, genezende huid of andere huidaandoeningen die kunnen leiden tot verontreiniging van levensmiddelen (op handen of andere blootgestelde delen van het lichaam) met waterdicht verband;

geen sieraden of schoonheidsproducten dragen die een risico van verontreiniging kunnen vormen;

medewerkers moeten zorgen voor korte en schone nagels.

De handen moeten worden gewassen:

vóór het hanteren van kant-en-klare levensmiddelen;

na een pauze;

na het gebruik van het toilet;

na reiniging;

na het verwijderen van afval.

Er mogen kleine verschillen zijn in de wijze waarop de handen worden gewassen, maar alle technieken moeten minstens uit de volgende stappen bestaan:

handen bevochtigen alvorens het aanbrengen van zeep;

grondig met de handen wrijven om verontreiniging van alle delen van de handen te verwijderen;

handen spoelen met drinkwater of water van een vertrouwde bron;

hygiënisch drogen.

De hygiënevoorschriften voor het personeel moeten worden afgedrukt en aan de muren worden bevestigd, hetzij in schriftelijke vorm, hetzij met signaleringen of etiketten.

1.A.8.   Afvalverwerking

Afval moet snel uit de buurt van levensmiddelen worden verwijderd.

In voorkomend geval moeten afvalbakken in de plaats van productie afgedekt zijn, zich op een afstand van levensmiddelen bevinden en dagelijks worden geleegd. Grote hoeveelheden afval moeten direct uit de plaats van productie worden verwijderd.

Wanneer grotere afvalrecipiënten nodig zijn, moeten deze zich buiten de plaats van productie bevinden, bij voorkeur in een plaats die niet toegankelijk is voor knaagdieren, dieren, insecten en andere plaagorganismen.

Afvalbakken en -recipiënten moeten regelmatig worden gereinigd en ontsmet.

1.B.   Opleiding

Alle medewerkers die direct of indirect in contact komen met zaden of kiemgroenten moeten een opleiding krijgen die hen een goed inzicht geeft in:

uitvoering en controle van een systeem voor de handhaving van de voedselveiligheid;

procedures voor de voedselveiligheid;

handhaving van voedselallergenen;

gevaren voor de voedselveiligheid en de hieraan verbonden risico’s;

risico’s die verband houden met kruisverontreiniging;

het belang van hoge normen voor hygiëne in de zones voor de productie, de behandeling en de verpakking;

technieken voor de controle en de bewaking van de voedselveiligheid;

persoonlijke hygiëne en geschikte kleding (zie punt 1.A.7).

Het personeel dat betrokken is bij de hygiëne moet worden opgeleid om inzicht te krijgen in het reinigings- en ontsmettingsplan, het hanteren van chemische stoffen en het van elkaar gescheiden houden van reinigingsproducten en het productieproces.

Producenten van kiemgroenten moeten een register bijhouden van de data van de opleidingen, de onderwerpen die aan bod zijn gekomen en de werknemers die eraan hebben deelgenomen.

1.C.   Controle van inkomende zaden

De levensmiddelenproducenten zijn op grond van de algemene levensmiddelenwetgeving van de EU (Verordening (EG) nr. 178/2002) verplicht alleen veilige producten in de handel de brengen. Dit betekent dat producenten van kiemgroenten verantwoordelijk worden gehouden voor eventuele verontreiniging die zich kan hebben voorgedaan in een eerder stadium van de aanvoerketen vóór de aankomst van de partijen zaden in de voorziening voor kiemgroenten. Om deze reden mogen producenten van kiemgroenten alleen zaden aankopen van vertrouwde leveranciers die beschikken over procedures waarmee een goede hygiëne bij de productie van de zaden en de traceerbaarheid van de partijen worden verzekerd.

Producenten van kiemgroenten mogen alleen zaad aankopen dat op een zodanige wijze is geteeld dat het risico van verontreiniging met pathogenen is geminimaliseerd (zaden moeten geschikt zijn voor gebruik).

Dit hoofdstuk en de bepalingen over de productie van zaad in het tweede hoofdstuk van dit richtsnoer bieden hulp om aan deze eis te voldoen.

1.C.1.   Invoercertificaat

Als de voor kiemgroenten bestemde zaden afkomstig zijn van landen buiten de EU, dan moet elke zending van zaad in alle stadia van de handel vergezeld gaan van een invoercertificaat, zoals voorgeschreven in Verordening (EU) nr. 704/2014 van de Commissie (wijziging van Verordening (EU) nr. 211/2013 van de Commissie). Een exemplaar van dit certificaat moet ter beschikking worden gesteld van de producent van kiemgroenten en door hem worden bewaard gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat de kiemgroenten zijn geconsumeerd. Het certificaat moet worden afgegeven in de officiële taal of talen van het land van afgifte en de taal of talen van het land van ontvangst. Indien dit niet mogelijk is, kan het certificaat ook vergezeld gaan van een gecertificeerde vertaling in de taal van het land van ontvangst. Wanneer zaden aankomen in een EU-lidstaat en vervolgens naar een andere EU-lidstaat worden verzonden, dan kan de bevoegde autoriteit van het ontvangende land om een gecertificeerde vertaling van het certificaat in de eigen taal verzoeken. Een model van het invoercertificaat is te vinden in Verordening (EU) nr. 211/2013 van de Commissie.

Als producenten van kiemgroenten partijen zaden verkopen aan een andere producenten van kiemgroenten met de bedoeling om deze in die inrichting te kiemen, dan moet elke partij zaden vergezeld gaan van een exemplaar van het bijbehorende invoercertificaat en een document met de hierboven vermelde traceerbaarheidsgegevens, met inbegrip van de naam en het adres van de zaadleverancier en de producent van kiemgroenten die de zaden aanvankelijk ontving. Indien de gegevens over de leverancier van voor kiemgroenten bestemde zaden in het exemplaar van het invoercertificaat om commerciële redenen worden verborgen, dan moet deze informatie in geval van verontreiniging van zaden aan de koper en de bevoegde autoriteiten worden verstrekt. Als handelaren betrokken zijn in de aanvoerketen van voor kiemgroenten bestemde zaden, dan moeten zijn ook dezelfde traceerbaarheidsvoorschriften volgen.

Indien een partij zaden die afkomstig uit een land buiten de EU niet vergezeld gaat van dit certificaat, dan mag het niet worden gebruikt voor het produceren van kiemgroenten voor menselijke consumptie.

Het invoercertificaat moet worden afgegeven door de bevoegde autoriteit van het exporterende land (gewoonlijk de autoriteit voor gezondheid of voedselveiligheid of het ministerie van Landbouw). Door het ondertekenen van het certificaat verklaart de bevoegde autoriteit dat de zaden werden geteeld overeenkomstig de voorschriften in bijlage I, deel A, bij Verordening (EG) nr. 852/2004 (dat wil zeggen goede hygiënische praktijk). Het tweede deel van dit richtsnoer (zie hoofdstuk 2. De productie van zaden) bevat praktijkvoorbeelden die een aanvulling vormen op de algemene voorschriften van Verordening (EG) nr. 852/2004. Hoofdstuk 2 van dit richtsnoer kan dus een waardevolle ondersteuning bieden aan autoriteiten uit derde landen en ook binnen de EU bij het bepalen of aan de algemene voorschriften van bijlage I, deel A, bij Verordening (EG) nr. 852/2004 voor de productie van zaad al dan niet is voldaan.

Wanneer een partij voor kiemgroenten bestemde zaden wordt verpakt en aan detailhandelaars wordt verkocht met de bedoeling om deze zaden door de eindverbruiker te laten kiemen, dan moet de partij ook vergezeld gaan van een exemplaar van het invoercertificaat. De exemplaren van het certificaat zullen worden verstrekt aan de exploitanten aan wie de zaden worden verzonden totdat de zaden zijn verpakt voor de verkoop aan de detailhandel.

1.C.2.   Traceerbaarheidsvoorschriften voor inkomende zaden

Producenten van kiemgroenten moeten voor elke partij zaden (een zending kan bestaan uit verschillende partijen) van hun zaadleveranciers — ongeacht of de leverancier binnen of buiten de EU is gevestigd — een document met de volgende gegevens ontvangen:

naam van het product, ook de Latijnse benaming (taxonomische benaming);

identificatienummer of gelijkwaardig referentienummer van de partij;

naam van de leverancier;

naam en adres van de ontvanger (indien gebruik wordt gemaakt van een expediteur of een agent: naam en adres van de agent of expediteur);

datum van verzending;

de geleverde hoeveelheid.

De zaadleveranciers moeten een exemplaar van dit document bewaren.

Voor zaadleveranciers en in eerdere fasen in de aanvoerketen is het verplicht om aanvullende informatie te bewaren, zoals bepaald in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van de Commissie.

De zaadleveranciers en de producenten van kiemgroenten moeten een exemplaar van dit document bewaren gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat de kiemgroenten zijn geconsumeerd.

Als zaad is aangeschaft bij een leverancier buiten de Europese Unie, dan moet de partij zaden vergezeld gaan van een invoercertificaat en moet het certificaat worden bewaard. Regels met betrekking tot invoercertificaten zijn vermeld in punt 1.C.1.

Producenten van kiemgroenten moeten een systeem opzetten dat de traceerbaarheid van de partijen verzekert vanaf het moment van aankomst van het zaad tot het moment van verzending van de kiemgroenten. Gegevens moeten worden bewaard gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat de kiemgroenten zijn geconsumeerd. De traceerbaarheidsvoorschriften van het eindproduct — kiemgroenten — zijn vermeld in punt 1.K.

1.C.3.   Visuele inspectie

Zakken/recipiënten en zaden moeten visueel worden gecontroleerd (bv. op fysieke verontreiniging met menselijk of dierlijk afval, niet-herstelde gaten in zakken die duidelijk niet veroorzaakt zijn door bemonsteringssondes, vlekken, vreemde stoffen enz.) na aankomst of vóór het kiemen. Er moeten documenten beschikbaar zijn waaruit blijkt dat de visuele inspectie heeft plaatsgevonden.

1.D.   Opslag van zaden

Om chemische of microbiologische verontreiniging te voorkomen, moeten zaden worden opgeslagen in nieuwe ongeschonden zakken zonder gaatjes (behalve herstelde gaten of equivalenten daarvan die zijn veroorzaakt door bemonsteringssondes of andere procedurele elementen) en niet in gebruikte of tweedehands zakken. Zakken moeten droog worden gehouden. Waar mogelijk dienen zakken niet op de vloer en niet direct tegen muren te worden opgeslagen, maar op pallets en met schone kartonnen vellen tussen de zakken en de pallet. Producenten moeten ook overwegen of het noodzakelijk is om de bovenkant van de opslagstapels met een geschikt materiaal af te dekken om de goederen te beschermen.

Zones voor de opslag en de apparatuur moeten worden gereinigd en droog worden gehouden. Er moeten maatregelen worden getroffen om het binnendringen van en verontreiniging door weersinvloeden, dieren en plaagorganismen te voorkomen (zie punt 1.A.2).

Wanneer producenten van kiemgroenten zaden hanteren die zijn bestemd voor de productie van kiemgroenten en ook zaden die niet zijn bestemd voor de productie van kiemgroenten, moeten deze duidelijk van elkaar worden gescheiden, en, in voorkomend geval, voorzien zijn van een duidelijk etiket om elke vermenging te vermijden. Er dient voor te worden gezorgd dat de opgeslagen partijen overeenstemmen met de opgenomen gegevens en dat deze partijen in het hele productieproces worden getraceerd.

1.E.   Gevarenanalyse en kritische controlepunten

Het kiemen van zaden brengt een minimale verwerking van het oorspronkelijke product met zich en kan derhalve als primaire productie worden beschouwd. De toepassing van de beginselen van gevarenanalyse en kritische controlepunten (HACCP) op de primaire productie is op dit moment niet wettelijk vereist door de Europese regelgeving (Verordening (EG) nr. 852/2004), maar wordt door ESSA wel als zeer belangrijk beschouwd.

De „Mededeling van de Commissie betreffende de uitvoering van systemen voor het beheer van de voedselveiligheid bestaande uit basisvoorwaardenprogramma’s en op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures, met inbegrip van de bevordering/flexibilisering van de uitvoering in bepaalde levensmiddelenbedrijven” (43) bevat richtsnoeren over hoe goede hygiënische praktijk en op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures kunnen worden uitgevoerd.

1.F.   Watergebruik

In alle stadia van het productieproces moet water dat in contact komt met zaden of kiemgroenten voldoen aan de microbiologische normen van drinkwater die zijn vermeld in Richtlijn 98/83/EG, deel A.

Als schoon water wordt gebruikt (dat voldoet aan de microbiologische normen die zijn vermeld in Richtlijn 98/83/EG, deel A), dan moeten de chemische eigenschappen van het water van die bron worden geanalyseerd op basis van de risicobeoordeling, maar ten minste één keer per jaar.

Waterleveringssystemen moeten zorgvuldig worden onderhouden en gereinigd (zie punt 1.A.3 en punt 1.A.4) om verontreiniging van het water door corrosie of externe bronnen te voorkomen. Er moet een register worden bijgehouden van de onderhoudswerkzaamheden.

Een systeem voor het hergebruik van water mag alleen worden gebruikt bij het kiemen, de groei en irrigatieprocessen. Als water wordt hergebruikt, dan wordt aangeraden om het water alleen te hergebruiken voor dezelfde partij zaden/kiemgroenten en het niet te verspreiden over meerdere partijen heen om te voorkomen dat de gehele lopende productie kan worden verontreinigd, in plaats van de productie van één partij.

Het water, ook hergebruikt water, moet regelmatig worden bewaakt en geanalyseerd op basis van een risicoanalyse (overeenkomstig Richtlijn 98/83/EG, deel A).

Er moeten maatregelen worden getroffen om te verhinderen dat insecten, dieren, grond, afval en andere bronnen van verontreiniging toegang krijgen tot de waterbron.

Als water wordt behandeld met biociden zodat wordt voldaan aan de microbiologische parameters die in Richtlijn 98/83/EG, deel A, zijn vastgesteld, dan moeten deze behandelingen voldoen aan de eisen die zijn vermeld in de Europese verordening inzake biociden (Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014) en aan de bepalingen van de nationale autoriteiten.

1.G.   Kiemproces

1.G.1.   Eerste spoeling van de zaden

Afhankelijk van het resultaat van de visuele inspectie moeten zaden voor het kiemen grondig worden gespoeld om vuil te verwijderen. Wanneer de zaden in de wasrecipiënten grondig worden geroerd, kan het vuil beter worden verwijderd.

Voor het spoelen van zaden moet drinkwater of schoon water worden gebruikt dat voldoet aan de microbiologische normen die zijn vermeld in Richtlijn 98/83/EG, deel A. Het water dat wordt gebruikt voor het wassen van zaden mag niet worden hergebruikt.

1.G.2.   Microbiologische ontsmetting van zaden

Het gebruik van microbiologische ontsmettingsbehandelingen voor zaad is binnen de Europese Unie niet geharmoniseerd. Alleen behandelingen die door de nationale bevoegde autoriteiten zijn toegestaan voor microbiologische ontsmetting van zaden mogen echter worden gebruikt.

Volgens het EFSA-rapport „Scientific Opinion on the risk posed by Shiga toxin-producing Escherichia coli (STEC) and other pathogenic bacteria in seeds and sprouted seeds” (44) is er niet veel bekend over de werkzaamheid van ontsmettingsbehandelingen van kiemgroenten verkregen uit zaden. Ondanks aanzienlijke inspanningen hebben tot dusver nog geen chemische, fysische of biologische ontsmettingsmethoden kunnen zorgen voor pathogenen vrije zaden. Ontsmettingsbehandelingen mogen de zaden niet doden of de kiemkracht ervan verminderen.

Als microbiologische ontsmetting wordt gebruikt, dan moeten er maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat nieuwe verontreiniging niet kan plaatsvinden zodra het zaad is ontsmet. Er moet op worden toegezien dat recipiënten en apparatuur voor het ontsmetten ook zijn ontsmet. Na ontsmetting moeten zaden opnieuw worden gespoeld met drinkwater om de chemische stoffen te verwijderen.

1.G.3.   Voorkiemen door te weken

Wanneer producenten van kiemgroenten zaden weken om deze voor te kiemen, dan moet dit gebeuren in drinkwater of schoon water dat voldoet aan de microbiologische normen die zijn vermeld in Richtlijn 98/83/EG, deel A. Apparatuur en recipiënten voor het weken moeten voor gebruik grondig worden gereinigd, ontsmet en gespoeld en moet geschikt zijn voor voedselproductie. Het water dat voor het weken wordt gebruikt mag niet direct worden hergebruikt.

1.G.4.   Het kiemen, de groei en de irrigatie

De ruimte waarin de zaden kiemen, moet in goede hygiënische toestand worden gehouden. De ruimte zelf en de apparatuur die tijdens het kiemproces worden gebruikt, moeten worden gereinigd en ontsmet alvorens een nieuwe partij zaden te laten kiemen.

Om verontreiniging en potentiële woekering van pathogenen tijdens het kiemproces te voorkomen, is het strikt noodzakelijk om tijdens het kiemproces als eerste bron van irrigatiewater drinkwater of schoon water te gebruiken dat voldoet aan de microbiologische normen die zijn vermeld in Richtlijn 98/83/EG, deel A.

Indien hergebruikt water wordt gebruikt, moet dit voldoen aan de vereisten die zijn vermeld in punt 1.F over het watergebruik.

1.G.5.   Oogst

Alleen apparatuur die geschikt is voor voedselproductie mag worden gebruikt voor het oogsten van kiemgroenten. Alle gebruikte apparatuur moet ten minste dagelijks worden gereinigd en ontsmet. Werknemers moeten erop toezien dat zij en hun (werk)kleding in goede hygiënische toestand zijn alvorens de ruimte waarin de zaden kiemen te betreden.

1.H.   Verwerking, verpakking, opslag en vervoer

1.H.1.   Laatste spoeling, verwijdering van zaaddoppen en koeling

Het materieel dat wordt gebruikt voor het spoelen van kiemgroenten en het verwijderen van zaaddoppen moet ten minste dagelijks worden gereinigd en ontsmet.

Voor de laatste spoeling, verwijdering van zaaddoppen en koeling mag alleen drinkwater of schoon water worden gebruikt dat voldoet aan de microbiologische normen die zijn vermeld in Richtlijn 98/83/EG, deel A. Na het spoelen en het verwijderen van de zaaddoppen moeten kiemgroenten onmiddellijk worden gekoeld bij een temperatuur tussen 2 en 8 °C. Vervolgens moet de koelketen gehandhaafd blijven tot het product de eindverbruiker heeft bereikt. Voor de totale duur van de koelketen (koude kamer, vrachtwagen enz.) moet de temperatuur van de koelketen worden bewaakt. Er kunnen verschillende nationale voorschriften van toepassing zijn voor de koelketen.

1.H.2.   Microbiologische ontsmetting van kiemgroenten

Het gebruik van microbiologische ontsmettingsbehandelingen voor kiemgroenten is binnen de Europese Unie niet geharmoniseerd. Alleen behandelingen die door de bevoegde autoriteiten zijn toegestaan voor microbiologische ontsmetting van kiemgroenten mogen echter worden gebruikt.

Dezelfde voorwaarden die zijn vermeld in punt 1.G.2 over de microbiologische ontsmetting van zaden zijn van toepassing.

1.H.3.   Materialen en voorwerpen bestemd om met kiemgroenten in contact te komen

Tijdens het productieproces komen verschillende materialen in contact met kiemgroenten. Alle materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen die in het handelsverkeer worden gebracht, moeten aan de eisen van Verordening (EG) nr. 1935/2004 voldoen.

Er moet op worden toegezien dat verpakkingsmateriaal schoon is en op zodanige wijze is opgeslagen dat verontreiniging door stof, vuil en vreemde stoffen onmogelijk is.

Het verpakken dient binnen plaats te vinden in gesloten en droge zones die het binnendringen van stof, vuil of andere bronnen van verontreiniging beletten.

Apparatuur voor het verpakken moet regelmatig worden gereinigd en ontsmet. (zie punt 1.A.3).

1.H.4.   Opslag van kiemgroenten

Er moet op worden toegezien dat kiemgroenten worden bewaard in gesloten en beschermde omgevingen die het binnendringen van stof, vuil of andere bronnen van verontreiniging beletten. Opslagplaatsen moeten op een zodanige wijze worden uitgerust dat de koelketen voor kiemgroenten kan worden gehandhaafd (zie punt 1.H.1).

1.H.5.   Productinformatie en bewustmaking van de consument

De klant of de volgende persoon in de aanvoerketen moet alle relevante gegevens ontvangen voor het veilig en correct hanteren, opslaan, verwerken, bereiden en presenteren van het product. Wanneer dit passend en nuttig is, kan deze informatie worden opgenomen in het etiket op de verpakking.

Producten moeten correct worden geëtiketteerd zodat zij in voorkomend geval eenvoudig kunnen worden getraceerd en teruggeroepen (zie punten 1.J en 1.K). De vermelding van identificatie- of partijnummers, samen met de naam en het adres van de producent op het etiket van de verpakking kan de traceerbaarheid en de terugroeping vergemakkelijken.

Er moet worden voldaan aan alle wettelijke etiketteringsvoorschriften van Verordening (EU) nr. 1169/2011 en alle informatie die op grond van deze verordening is verplicht, moet op het etiket worden vermeld.

De consument mag niet worden misleid door het etiket, reclame, consumenteninformatie en de verpakking.

1.H.6.   Vervoer

Voorzieningen, apparatuur, recipiënten, kratten, voertuigen en vaartuigen die worden gebruikt voor het vervoer van kiemgroenten en zaden moeten schoon worden gehouden en waar mogelijk ontsmet om microbiologische verontreiniging tijdens het vervoer te voorkomen.

De transporttijd maakt deel uit van de totale bewaartermijn van de kiemgroenten en moet derhalve worden beschouwd als een integraal onderdeel van de koelketen (zie punt 1.H.1).

1.I.   Microbiologische tests van zaden en kiemgroenten

Volgens Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie, gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 209/2013 van de Commissie, moeten producenten van kiemgroenten een voorbereidende test uitvoeren op een representatief monster van elke partij zaden. Deze test is verplicht voor shigatoxineproducerende E.coli (STEC) O157, O26, O111, O103, O145 en O104:H4 en Salmonella spp., waarbij het doel van deze test is om alleen partijen zaden vrij te geven en te gebruiken met een goed testresultaat (zie punt 1.I.1.).

Producenten van kiemgroenten moeten ten minste één keer per maand de kiemgroenten testen op shigatoxineproducerende E.coli (STEC) O157, O26, O111, O103, O145 en O104:H4 en Salmonella spp. in het stadium waar de kans op het vinden van deze pathogenen het grootst is, in geen geval vóór 48 uur na het begin van het ontkiemingsproces. Er bestaat geen verplichting om elke partij ontkiemde zaden te testen, omdat het doel is de momenteel uitgevoerde goede praktijken en het systeem voor de handhaving van de voedselveiligheid te verifiëren (zie punt 1.I.2).

Op grond van Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie zijn producenten ook verplicht om kiemgroenten tijdens de houdbaarheidsperiode te testen op voedselveiligheidscriteria wanneer producten in de handel worden gebracht. Geteste kiemgroenten moeten voldoen aan de grenswaarden van categorie 1.18 voor wat betreft Salmonella spp. en van categorie 1.29 voor wat betreft STEC. Bovendien moeten kant-en-klare producten zoals kiemgroenten ook worden getest op Listeria monocytogenes. Deze tests hoeven niet voor elke partij te worden uitgevoerd, maar wel op regelmatige tijdstippen en zij worden ook gebruikt voor het verifiëren van goede praktijken. De frequentie waarmee wordt getest op STEC, Salmonella spp. en L. monocytogenes worden uitgevoerd, moet door de exploitant worden vastgesteld — indien mogelijk na overleg met de bevoegde autoriteit — en afhankelijk zijn van het risico. Voor het analyseren van kiemgroenten op de aanwezigheid van L. monocytogenes is criterium 1.3 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van toepassing.

Producenten van kiemgroenten wordt ook aanbevolen om de verwerkingsruimten en apparatuur in het kader van hun bemonsteringsschema op Listeria spp. te bemonsteren.

1.I.1.   Leidraad voor bemonstering van zaden

Deze monsters moeten worden behandeld in overeenstemming met hoofdstuk 3.3 van Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie en geanalyseerd volgens de vereisten in rijen 1.18 en 1.29 van hoofdstuk 1 van dezelfde verordening. Voor elke partij zaden die moeten worden ontkiemd, moet een voorbereidende test worden uitgevoerd. Voor de uitvoering van de voorbereidende tests moet de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de zaden in het representatief monster onder dezelfde voorwaarden doen ontkiemen als de rest van de partij zaden die moeten worden ontkiemd. Een representatief monster omvat ten minste 0,5 % van het gewicht van de partij zaden in deelmonsters van 50 g. Het representatieve monster kan ook worden geselecteerd op basis van een gestructureerde statistisch gelijkwaardige bemonsteringsstrategie, als deze door de bevoegde autoriteit is gecontroleerd. In principe moet elke zak in de partij bemonsterd worden en het aantal deelmonsters per zak wordt bepaald volgens de volgende berekening:

het totale gewicht van het monster = het totale gewicht van de partij * 0,5 % (= 0,005)

het totale aantal deelmonsters = het totale gewicht van het monster/50 g

het aantal zakken in de partij = het totale gewicht van de partij/het gewicht van elke zak

het aantal deelmonsters van 50 g per zak = het totale aantal deelmonsters/het aantal zakken in de partij

Bijvoorbeeld, om een partij van 100 ton die is verpakt in zakken van 25 kg te bemonsteren:

het totale gewicht van het monster = 100 000 kg * 0,5 % = 500 kg

het totale aantal deelmonsters = 500 kg/50 g = 10 000 deelmonsters

het aantal zakken in de partij = 100 000 kg/25 kg per zak = 4 000 zakken

het aantal deelmonsters van 50 g per zak = 10 000 deelmonsters/4 000 zakken = 2,5 deelmonsters/zak

Er moet op worden toegezien dat dit gebeurt in goede hygiënische omstandigheden en met apparatuur die zich in een goede hygiënische toestand bevindt. Er moet een register van de monsterneming worden bewaard om de correcte bemonstering aan de bevoegde autoriteit te kunnen bewijzen.

De bemonstering moet worden uitgevoerd door exploitanten van levensmiddelenbedrijven die kiemgroenten produceren en kan handmatig of machinaal worden uitgevoerd door telers van kiemgroenten of door een geaccrediteerde derde partij. Sommige bedrijven maken gebruik van apparaten voor mechanische bemonstering waarmee monsters van representatieve hoeveelheden zaden worden genomen, bv. tijdens het bijvullen van bulkleveringen in kleinere zakken, onder voorbehoud van bevestiging door de bevoegde autoriteiten. Andere bedrijven zullen om representatieve hoeveelheden zaad te bemonsteren een gat prikken in een zak, of een equivalent daarvan, en het gat weer dichten.

Het is de verantwoordelijkheid van producent van kiemgroenten om ervoor te zorgen dat het monster representatief is en dat de test wordt uitgevoerd volgens de regels die zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 209/2013 van de Commissie.

Zolang aan de voorschriften voor de bemonstering is voldaan, moet het voor de producenten mogelijk zijn om aan zaadleveranciers te vragen om monsters te nemen bij de oorsprong op het ogenblik dat de zakken worden verpakt en om het monster naar de producent van kiemgroenten te verzenden, samen met de partij in a) (een) afzonderlijke zak(ken) die voorzien is/zijn van een duidelijk etiket (met de vermelding „monster voor microbiologische tests” of een equivalent daarvan).

Wanneer de bemonstering van zaden door derden wordt uitgevoerd, dan maakt de appratuur voor mechanische bemonstering bij de oorsprong bij voorkeur een integraal deel uit van het proces van het verpakken van zakken. Wanneer de teler van kiemgroenten de bemonstering van zaden niet zelf uitvoert, dan moet hij nagaan of de bemonstering overeenkomstig Verordening (EU) nr. 209/2013 van de Commissie wordt uitgevoerd.

Het kiemproces van de andere zaden in het representatieve testmonster kan gewoon doorgaan. Zowel de kiemgroenten die voortkomen uit de resterende voedingsbodem na bemonstering als de overige droge zaden waaruit het monster werd genomen mogen echter niet worden gebruikt tenzij voor alle monsters bevredigende resultaten zijn gemeld door het laboratorium. Dit is het beginsel van vrijgave van partijen na een goed testresultaat.

1.I.2.   Frequentie van de bemonstering en van het uitvoeren van tests van de kiemgroenten ten minste 48 uur na het begin van het kiemproces

Er moeten vijf monsters worden genomen in het stadium waar de kans op het vinden van shigatoxineproducerende E.coli (STEC) O157, O26, O111, O103, O145 en O104:H4 en Salmonella spp. het grootst is, in geen geval vóór 48 uur na het begin van het ontkiemingsproces, ten minste één keer per maand om de goede praktijken en de handhaving van de voedselveiligheid te verifiëren. Er is geen systematische bemonstering van partijen vereist.

De vijf monsters moeten van elkaar gescheiden worden gehouden en verzonden naar een erkend laboratorium (ISO 17025) voor het testen op STEC en Salmonella spp.

Deze monsters moeten worden behandeld in overeenstemming met hoofdstuk 3.3 van Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie en geanalyseerd volgens de vereisten in rijen 1.18 en 1.29 van hoofdstuk 1 van dezelfde verordening.

Of, indien een producent van kiemgroenten een bemonsteringsschema heeft dat bemonsteringsprocedures en bemonsteringspunten van het verbruikte irrigatiewater voor kiemgroenten omvat, dan kan de bevoegde autoriteit toestaan dat hij de bemonstering van kiemgroenten met een minimale leeftijd van 48 uren in het kader van het bemonsteringsschema in de rijen 1.18 en 1.29 van hoofdstuk 1 van Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie mag vervangen door de analyse van 5 monsters van 200 ml van het water dat is gebruikt voor de irrigatie van de kiemgroenten. Deze methode leidt tot een meer representatieve bemonstering van de zaden voor de tests. Om deze reden raadt ESSA ten zeerste aan om het gebruikte irrigatiewater dat in aanraking is gekomen met 100 % van de kiemgroenten van de geteste partij te analyseren. De testmethode waarbij vijf monsters van 25 g kiemgroenten uit de partij worden geanalyseerd is veel minder betrouwbaar en nauwkeurig.

1.I.3.   Bemonstering van het eindproduct

Bovendien moeten kiemgroenten, als het verpakte eindproduct, ook worden bemonsterd (waarbij n = 5) en getest op STEC en Salmonella spp. volgens de rijen 1.18 en 1.29 van Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie (zie punt 1.I.2). De test moet worden uitgevoerd nadat het product is verpakt. De bemonsteringsfrequentie moet worden bepaald op basis van het risico.

Een test met een proefverontreiniging moet uitwijzen hoe getest moet worden op L. monocytogenes, namelijk volgens rij 1.2 of 1.3 in hoofdstuk 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie (zie ook 1.I.). Tests moet worden uitgevoerd op basis van het resultaat van deze evaluatie.

1.I.4.   Testresultaten

Geen van de vijf monsters (representatieve monsters of monsters van het eindproduct) mogen positieve resultaten opleveren voor de aanwezigheid van STEC of Salmonella spp. Als het ontbreken van microbiologische verontreiniging door het laboratorium is bewezen, dan mogen de kiemgroenten uit de geanalyseerde partij in de handel worden gebracht.

Maatregelen die in geval van verontreiniging van zaden of levensmiddelen/kiemgroenten moeten worden genomen, zijn vermeld in punt 1.J.1.

Wanneer kiemgroenten zijn verontreinigd met L. monocytogenes, dan mogen deze kiemgroenten worden ingediend voor verdere verwerking, maar daarbij moet een behandeling worden toegepast die het gevaar elimineert. Deze methode kan ook worden toegepast voor STEC of Salmonella spp., mits de behandeling het risico elimineert en mits de behandeling door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd. Deze behandeling mag alleen worden uitgevoerd door exploitanten van levensmiddelenbedrijven die niet in de detailhandel werkzaam zijn (Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie).

1.I.5.   Afwijking van de voorbereidende tests van alle partijen zaden in punt 1.I.1

In het kader van hoofdstuk 3, punt 3.3.B van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie (zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 209/2013 van de Commissie) kunnen producenten van kiemgroenten door de bevoegde autoriteiten worden vrijgesteld van de verplichting om elke partij zaden te testen als de voorziening voor kiemgroenten een systeem voor de handhaving van de voedselveiligheid opzet met stappen die de microbiologische risico’s beperken. Deze vrijstelling kan echter alleen worden verleend onder bepaalde voorwaarden die worden bepaald door de bevoegde autoriteit en wanneer historische gegevens beschikbaar zijn waaruit blijkt dat in geen enkele partij gedurende de zes opeenvolgende maanden die voorafgaan aan de toestemming een aanwezigheid van STEC en Salmonella spp. werd vastgesteld. In dit geval moeten producenten van kiemgroenten al hun testresultaten gedurende meer dan zes maanden bewaren.

De European Sprouted Seeds Association (ESSA) waarschuwt producenten van kiemgroenten een zorgvuldige afweging te maken tussen de hoge kosten van de analyse en de potentieel rampzalige gevolgen van een problemen voor de voedselveiligheid dat kan voortvloeien uit slechts één verontreinigde partij zaden. Het is daarom ten zeerste aan te raden om zaden die afkomstig zijn van een nieuwe bron te testen, zelfs als aan de producent van kiemgroenten een afwijking is toegekend en zelfs als de zaden worden geleverd door dezelfde handelaar of leverancier. Wanneer producenten van kiemgroenten redenen hebben om te twijfelen aan de integriteit van het product is het ook ten zeerste aan te raden om als voorzorgsmaatregel een test uit te voeren. Samenvattend kan worden gesteld dat ESSA geen voorstander is van deze afwijking vanwege het feit dat verschillende oogstjaren van zaden waarschijnlijk resulteren in andere verontreinigingsrisico’s van de zaden.

De vrijstelling in hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.B, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie ontslaat producenten van kiemgroenten niet van de plicht om de kiemgroenten of het irrigatiewater voor kiemgroenten in het stadium van het eindproduct ten minste eenmaal per maand te bemonsteren. In voetnoot 23 in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie is echter voorzien dat kiemgroenten die een behandeling hebben ondergaan om Salmonella spp. en STEC effectief te elimineren (indien goedgekeurd door de bevoegde autoriteit) niet maandelijks hoeven te worden getest.

1.I.6.   Alternatieve tests door de zaadleverancier

Het is de keuze van de producent van kiemgroenten om zijn zaadleverancier te verzoeken om voorbereidende tests uit te voeren op de partij. Dit ontslaat de producent echter niet van de plicht om de tests uit te voeren die in dit hoofdstuk zijn beschreven.

1.J.   Maatregelen in geval van verontreiniging

1.J.1.   Detectie van verontreiniging wanneer levensmiddelen onder de controle vallen van de producent van kiemgroenten

De verontreinigde partij kiemgroenten of zaden moet onmiddellijk worden afgezonderd van alle andere partijen. De hele partij moet onveilig worden beschouwd voor consumptie/kiemen. Ingeval er gevaar bestaat dat andere partijen verontreinigd kunnen zijn, moet het productieproces worden onderbroken tot op een punt waarop de verontreiniging is geëlimineerd en de productielijn schoon en hygiënisch is.

Kiemgroenten of zaden uit de verontreinigde partij of partijen mogen in hun huidige toestand niet in de handel worden gebracht voor menselijke consumptie. Verontreinigde kiemgroenten kunnen worden ingediend voor een verdere verwerking met een behandeling waarmee het betreffende gevaar wordt geëlimineerd. Deze behandeling mag alleen worden uitgevoerd door exploitanten van levensmiddelenbedrijven die niet in de detailhandel werkzaam zijn.

Bijvoorbeeld, als mungobonen verontreinigd zijn, kunnen mungobonen worden gesplitst zodat zij niet zullen ontkiemen en geen kiemgroenten opleveren. Met de nodige voorzorgsmaatregelen kan dit product worden verkocht om mee te „koken” (ook voor menselijke consumptie).

Meer in het algemeen mag de producent van kiemgroenten de partij ook voor andere doeleinden gebruiken dan waarvoor zij oorspronkelijk bestemd was, mits dat geen risico voor de volksgezondheid of de diergezondheid oplevert, mits tot dat gebruik is besloten in het kader van de op HACCP-beginselen gebaseerde procedures en goede hygiënische praktijk en mits de bevoegde autoriteit er toestemming voor heeft verleend.

Het is raadzaam dat producenten van kiemgroenten schriftelijke procedures vastleggen die moeten worden gevolgd wanneer verontreiniging optreedt. Deze regels moeten voor alle medewerkers gemakkelijk toegankelijk zijn en in opleidingsprogramma’s voor het personeel aan bod komen.

De zaadleverancier moet worden gecontacteerd, zodat hij/zij eventuele zendingen van dezelfde partij zaad naar andere producenten van kiemgroenten kan opvolgen. In dat geval kan het terugroepen van de zaden noodzakelijk zijn.

Producenten van kiemgroenten moeten maatregelen nemen en de controle versterken om de oorzaak van de verontreiniging te vinden (het water, de omgeving, het personeel enz.). Producenten van kiemgroenten moeten de testresultaten bewaren gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat de kiemgroenten zijn geconsumeerd. Het wordt aanbevolen om alle testresultaten te bewaren gedurende een periode die lang genoeg is, zodat deze bij officiële controles kunnen worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteiten.

1.J.2.   Detectie van verontreiniging nadat levensmiddelen onder de controle vallen van de producent van kiemgroenten — uit de handel nemen en terugroepen

Overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van Verordening (EG) nr. 178/2002 moeten alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven beschikken over systemen om de producten te traceren en terug te roepen. Er moet op worden toegezien dat de plicht tot het bijhouden van een register en traceerbaarheid wordt nageleefd gedurende het hele productieproces en dat gegevens worden bewaard gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat de kiemgroenten zijn geconsumeerd. Het afdrukken van traceerbaarheidscodes of nummers op het verpakkingsmateriaal kan in het geval van voedselverontreiniging het terugroepen vergemakkelijken.

Als één of meerdere partijen zeker of vermoedelijk verontreinigd is/zijn en deze partijen niet meer onder de controle van de producent vallen, dan moet de producent van kiemgroenten onmiddellijk het initiatief nemen om contact op te nemen met de kopers aan wie deze producten zijn geleverd. Partijen die zeker of vermoedelijk verontreinigd zijn moeten onmiddellijk worden teruggetrokken uit de aanvoerketen. De producent van kiemgroenten moet ook de bevoegde autoriteit op de hoogte brengen.

Wanneer kiemgroenten de consumenten al hebben bereikt, dan moeten producenten van kiemgroenten deze consumenten inlichten dat zij mogelijk onveilige levensmiddelen hebben ontvangen. Producenten van kiemgroenten moeten consumenten op de hoogte stellen van de reden van de terugroepactie en waar nodig de levensmiddelen fysiek bij de eindgebruikers terughalen. Afhankelijk van het geval is het echter niet altijd noodzakelijk om de producten fysiek bij de eindgebruikers terug te halen als andere maatregelen voldoende zijn om de volksgezondheid te beschermen.

Bij het beheer van een terugroepactie van levensmiddelen moeten producenten van kiemgroenten samenwerken met de bevoegde autoriteiten aan maatregelen ter voorkoming of vermindering van de risico’s die de levering van de kiemgroenten hebben veroorzaakt.

Het is raadzaam dat producenten van kiemgroenten schriftelijke procedures voor terugroepacties vastleggen die moeten worden gevolgd wanneer verontreiniging optreedt. Deze regels moeten voor alle medewerkers gemakkelijk toegankelijk zijn en in opleidingsprogramma’s voor het personeel aan bod komen. Als er geen schriftelijke regels bestaan voor terugroepacties, dan moet er steeds één werknemer met kennis van terugroepprocedures beschikbaar zijn.

De zaadleverancier moet worden gecontacteerd, zodat hij/zij eventuele zendingen van dezelfde partij zaad naar andere producenten van kiemgroenten kan opvolgen. In dat geval kan het terugroepen van de zaden noodzakelijk zijn. Producenten van kiemgroenten moeten ook maatregelen nemen en de controle versterken om de oorzaak van de verontreiniging te vinden (het water, de omgeving, het personeel enz.). Producenten van kiemgroenten moeten de testresultaten bewaren gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat de kiemgroenten zijn geconsumeerd. Het wordt aanbevolen om alle testresultaten te bewaren gedurende een periode die lang genoeg is, zodat deze bij officiële controles kunnen worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteiten.

1.K.   Traceerbaarheid en het bijhouden van gegevens

In Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van de Commissie worden specifieke traceerbaarheidsvoorschriften voor kiemgroenten en voor kiemgroenten bestemde zaden vastgesteld. Als kiemgroenten zijn vrijgesteld van de vereisten die onder deze verordening vallen, dan nog is Verordening (EG) nr. 178/2002 van toepassing (meer in detail in punt 1.K.3).

De traceerbaarheidsregels zijn bedoeld om de voedselveiligheid te verbeteren, omdat hiermee het traceren van voedingsproducten doorheen alle stadia van de productie, verwerking en distributie mogelijk is en omdat er snel kan worden opgetreden in geval van uitbraken van door levensmiddelen overgedragen ziekten.

1.K.1.   Traceerbaarheid van het proces in de kieminrichting

Producenten van kiemgroenten moeten een systeem opzetten dat de traceerbaarheid van de partijen verzekert vanaf het moment van aankomst van het zaad tot het moment van verzending van de kiemgroenten. Het moet mogelijk zijn op elk moment tijdens de fysieke stroom van het productieproces te weten van welke onmiddellijke leverancier elke partij kiemgroenten afkomstig is. Dit kan door het toekennen van codes of nummers aan de ontvangen partijen zaden of door het bepalen van kleinere partijen waaraan codes of nummers worden toegekend. Deze codes moet worden gehandhaafd totdat de kiemgroenten zijn verpakt en verzonden. Als partijen opnieuw worden ingedeeld of geconsolideerd, dan moet erop worden toegezien dat het verband tussen de oorspronkelijke partij zaden en de opnieuw ingedeelde of geconsolideerde partijen gehandhaafd blijft. Geschikte gegevens moeten worden bewaard gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat de kiemgroenten zijn geconsumeerd.

1.K.2.   Traceerbaarheidsvoorschriften van het eindproduct — kiemgroenten

In punt 1.C.2 staan de traceerbaarheidsvoorschriften vermeld voor de controle van inkomende zaden.

De exploitant van een levensmiddelenbedrijf die voor kiemgroenten bestemde zaden produceert, moet informatie verschaffen aan de exploitant van een levensmiddelenbedrijf die de kiemgroenten produceert. De exploitant van een levensmiddelenbedrijf die kiemgroenten produceert, moet een register bijhouden van de herkomst van het zaad en deze informatie doorgeven aan de volgende exploitant van een levensmiddelenbedrijf. In alle stadia moeten gegevens worden bewaard.

Het eindproduct, kiemgroenten, moet voldoen aan de wettelijke traceerbaarheidsvoorschriften van Verordening (EG) nr. 178/2002.

De producent van kiemgroenten moet ervoor zorgen dat alle vereiste gegevens van artikel 3, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van de Commissie worden verschaft aan de exploitant van het levensmiddelenbedrijf aan wie de kiemgroenten worden geleverd. De volgende elementen moeten worden aangegeven:

naam van het product, ook de Latijnse benaming (taxonomische benaming);

identificatienummer of gelijkwaardig referentienummer van de partij;

naam van de leverancier;

naam en adres van de ontvanger;

indien gebruik wordt gemaakt van een expediteur of een agent: naam en adres van de agent of expediteur;

datum van verzending;

de geleverde hoeveelheid.

Producenten van kiemgroenten moeten een exemplaar van dit document bewaren gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat de kiemgroenten zijn geconsumeerd. Een exemplaar van het document moet aan de koper worden verstrekt.

De nationale wetgeving van sommige lidstaten kan aanvullende traceerbaarheidsvoorschriften opleggen die niet worden genoemd in dit richtsnoer. In geval van twijfel wordt aangeraden dat producenten van kiemgroenten hun bevoegde autoriteit contacteren voor meer informatie over de nationale voorschriften.

Alle gegevens in dit hoofdstuk moeten dagelijks worden bijgewerkt om rekening te houden met de meest recente inkomende en uitgaande zendingen. De gegevens kunnen in een passende vorm worden bewaard, mits zij gemakkelijk terug te vinden zijn en begrijpelijk zijn voor de bevoegde autoriteiten wanneer dit noodzakelijk is. Wanneer de autoriteiten gegevens nodig hebben, moeten deze zonder vertraging worden verstrekt.

Alternatieve systemen die een geschikte traceerbaarheid verzekeren, kunnen ook haalbaar zijn. In het recente verleden zijn een aantal particuliere elektronische traceerbaarheidsregelingen ontwikkeld, waaronder Trace, IRIS, EPCIS, Fosstrak (Open Source) en een aantal systemen die zijn gebaseerd op SAP (system application and product for data processing).

1.K.3.   Vrijstelling van de voorschriften in dit hoofdstuk

Zoals vermeld in artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van de Commissie hoeven kiemgroenten die een behandeling hebben ondergaan die in overeenstemming met de Europese wetgeving microbiologische gevaren elimineert niet te voldoen aan deze Verordening (meer over de microbiologische ontsmetting van zaden is te vinden in punt 1.G.2). Maar producenten van kiemgroenten zijn in het kader van de algemene levensmiddelenwetgeving (artikel 18, lid 3, van Verordening (EG) nr. 178/2002) verplicht om te beschikken over systemen en procedures waarmee kan worden vastgesteld aan welke andere bedrijven zij hun producten hebben geleverd — zelfs voor de producten die een microbiologische behandeling hebben ondergaan.

1.L.   Samenvatting: Registratieverplichtingen

Gedurende het gehele productieproces worden producenten verzocht de volgende informatie te registreren en beschikbaar te hebben (in een geschikte vorm mits het gemakkelijk terug te vinden is en begrijpelijk is voor de bevoegde autoriteiten):

1.

Inrichting en onderhoudswerkzaamheden van de voorziening voor kiemgroenten:

a)

bevestiging van de erkenning van de voorziening door de bevoegde autoriteit;

b)

schriftelijk reinigings- en ontsmettingsplan;

c)

data van reiniging en de gereinigde zones;

d)

data van de onderhoudswerkzaamheden en onderhouden objecten/zones;

e)

data en onderwerpen van opleiding over hygiëne, en de werknemers die hieraan hebben deelgenomen;

f)

data en onderwerpen van opleiding over reinigen, en de werknemers die hieraan hebben deelgenomen;

g)

indien mogelijk worden hygiënevoorschriften voor personeel aan de muren bevestigd, in schriftelijke vorm of in de vorm van signaleringen of etiketten;

h)

namen van bezoekers en data van bezoek (aanbevolen — deze gegevens moeten slechts gedurende een bepaalde tijd worden bewaard);

i)

wanneer water van andere bronnen dan het leidingwatersysteem wordt gebruikt: risicogebaseerde microbiologische tests om na ta gaan of de waterbron voldoet aan de microbiologische normen die zijn vermeld in Richtlijn 98/83/EG, deel A;

j)

wanneer het leidingwatersysteem wordt gebruikt: verklaring van de leverancier van het leidingwater en ten minste één keer per jaar een eigen analyse op het punt waar het water wordt onttrokken.

2.

Inkomende zaden (te bewaren gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat het eindproduct is geconsumeerd):

a)

als zaden worden ingevoerd uit een land buiten de EU, invoercertificaat zoals voorgeschreven in Verordening (EU) nr. 211/2013 van de Commissie voor elke partij ingevoerde zaden;

b)

een document met vermelding van de naam van de zaden, identificatienummer of gelijkwaardig referentienummer van de partij, naam van de leverancier, naam en adres van de ontvanger, naam en adres van de expediteur als gebruik wordt gemaakt van een expediteur, datum van verzending, geleverde hoeveelheid;

c)

document waarmee kan worden aangetoond dat de visuele inspecties van inkomende zaden hebben plaatsgevonden (aanbevolen).

3.

Microbiologische tests (te bewaren gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat het eindproduct is geconsumeerd):

a)

certificaten ter bevestiging van microbiologische tests op STEC en Salmonella spp. (te bewaren gedurende meer dan zes maanden indien de producent aan de bevoegde autoriteit een ontheffing wenst aan te vragen van de plicht tot voorbereidende tests van alle partijen zaden op STEC en Salmonella spp.).

4.

Traceerbaarheid van het proces (te bewaren gedurende een periode die lang genoeg om ervan uit te gaan dat het eindproduct is geconsumeerd):

a)

geschikte documenten in schriftelijke of elektronische vorm ter identificatie van de partijen zaden gedurende het gehele productieproces (sterk aanbevolen).

5.

Uitgaande kiemgroenten (te bewaren gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat het eindproduct is geconsumeerd):

a)

een document met vermelding van de naam van de kiemgroenten, identificatienummer of gelijkwaardig referentienummer van de partij, naam van de leverancier, naam en adres van de ontvanger, naam en adres van de expediteur als gebruik wordt gemaakt van een expediteur, datum van verzending, geleverde hoeveelheid (één exemplaar wordt aan de koper gegeven).

6.

Uit de handel nemen en terugroepen:

a)

schriftelijke procedures die door de medewerkers moeten worden gevolgd in het geval van voedselverontreiniging, zowel binnen de inrichting als met betrekking tot de externe distributeurs en consumenten (sterk aanbevolen).

2.   PRODUCTIE VAN ZADEN

Achtergrond

Het streven naar een hoog beschermingsniveau van het menselijk leven en de volksgezondheid is een van de fundamentele doelstellingen van Verordening (EG) nr. 852/2004. Deze verordening vormt een gemeenschappelijke basis voor de hygiënische productie van alle levensmiddelen.

2.A.   Algemeen

Alle apparatuur moet regelmatig worden gereinigd om mogelijke verontreiniging door stof, insecten en dieren (met name ten aanzien van uitwerpselen) te voorkomen. Waar mogelijk moet een logboek worden bijgehouden voor het onderhoud van alle apparatuur.

Verschillende methoden:

Zaaien:

Oogsten:

Mechanische of handmatige rijenzaai

Breedstrooien van zaden met de hand

Gecombineerde oogst

Rijpe peulen worden met de hand geoogst

Wortelsnoei van planten

2.B.   Bodem-/grondbehandelingen

Begrazing of het mogelijke binnendringen van wilde dieren en huisdieren moet worden vermeden en producenten moeten preventieve maatregelen nemen, zoals het plaatsen van hekken of netten.

Meststoffen mogen alleen worden toegediend in hoeveelheden die voldoende zijn om tegemoet te komen aan de groeibehoefte van planten voor het produceren van zaden. Organische meststoffen zijn breed en gunstig toegepast om te voorzien in de behoeften aan voedingsstoffen van zaden en de bodemvruchtbaarheid te verbeteren, maar onjuist gebruik ervan kan een bron vormen van zowel microbiologische als chemische verontreiniging. In mest en andere natuurlijke meststoffen kunnen pathogenen aanwezig zijn die gedurende meerdere weken of zelfs maanden aanwezig kunnen blijven, vooral bij een ontoereikende behandeling van deze materialen.

Fysische, chemische of biologische behandelingsmethoden (bv. compostering, pasteurisatie, drogen met warmte, uv-straling, alkalische afbraak, drogen in de zon of combinaties hiervan) kunnen worden gebruikt om het risico van overleven van potentiële menselijke pathogenen in mest, slib en andere organische meststoffen te beperken.

Organische meststoffen mogen daarom geen microbiële, fysische of chemische verontreinigende stoffen bevatten op een niveau dat een negatieve invloed kan hebben op de veiligheid van verse groenten en fruit en het gebruik ervan moet in voorkomend geval voldoen aan de relevante Europese regelgeving en rekening houden met de richtsnoeren van de WHO (45) over het veilige gebruik van afvalwater en uitwerpselen in de landbouw.

Producenten moeten gewasbeschermingsmiddelen gebruiken volgens de instructies op het etiket van de individuele producten. Alleen toegestane gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt.

Er moet een logboek worden bijgehouden over de gebruikte behandelingen. Producten en adviezen over de behandeling van bodem/grond moeten worden ingewonnen bij gekwalificeerde vakmensen.

2.C.   Hygiëne van werknemers

Alle werknemers moeten zich bewust zijn van de belangrijkste hygiënische en gezondheidsvoorschriften en moeten worden geïnformeerd over de gevaren die kunnen leiden tot verontreiniging van de zaden.

Het personeel moet in alle stadia van de oogst en de verwerking een goede persoonlijke hygiëne nastreven. Personeelsleden van wie bekend is dat zij lijden aan een ziekte of een aandoening die kan worden overgedragen aan de zaden of van wie dit wordt vermoed, mogen niet worden toegelaten in zones waar zij direct of indirect in aanraking komen met zaden of kiemgroenten. Personeelsleden moeten het management onmiddellijk melden indien zij vermoeden dat ze een relevante ziekte hebben of hersteld zijn van een relevante infectieziekte, maar de micro-organismen nog steeds doorgeven.

Wanneer letsels van personeelsleden een gevaar voor verontreiniging vormen, moeten deze worden behandeld met waterdichte zichtbare afdekkingen alvorens de werknemer in contact kan komen met zaden. Waar mogelijk moeten gewonde werknemers direct contact met zaden of kiemgroenten voor menselijke consumptie vermijden.

Werknemers moeten beschikken over en gebruikmaken van adequate sanitaire voorzieningen (zoals voorzieningen voor het wassen van de handen) die beschikbaar en noodzakelijk zijn waar mogelijk, bv. wanneer zaden zich niet in de peulen bevinden terwijl werknemers hiermee direct in contact komen. Indien mogelijk moeten werknemers schone werkkleding dragen. Zij moeten de handen wassen bij de aanvang, wanneer dat nodig is gedurende de dag en minstens elke keer na het gebruik van het toilet.

2.D.   Irrigatie

Er zijn verschillende parameters die een invloed kunnen hebben op het risico van microbiologische verontreiniging van zaden: de waterbron, het type irrigatie, de toepassingsmethode van een waterbehandeling door de teler, de timing van de irrigatie ten opzichte van de oogst, de mogelijke toegang van dieren tot de waterbron of de plaats van productie.

Wanneer het risico bestaat dat irrigatiewater in contact komt met peulen moet er met name op worden toegezien dat de kwaliteit van het water minstens dat van schoon water is.

Alle dierlijke toegang tot waterbronnen en zones met pompen moet worden gecontroleerd.

2.E.   Zaden

Producenten moeten zaaizaad gebruiken dat afkomstig is van een erkende bron met een bewezen staat van dienst. Er dient naar behoren rekening te worden gehouden met zaden met een goede kiemkracht, die vrij zijn van ziekten, fysieke schade of andere elementen die potentieel nadelig zijn voor een succesvolle oogst van gezonde bonen. Indien dit mogelijk en betaalbaar is, moeten producenten analyses en voorbehandelingen uitvoeren om ervoor te zorgen dat de zaden van goede kwaliteit zijn.

2.F.   Drogen van planten/peulen

In de producerende landen worden verschillende praktijken toegepast. In sommige landen is het noodzakelijk om de peulen te drogen vóór het dorsen. In dat geval moet een schoon dekzeil worden gebruikt tussen de drogende peulen en de grond. Er moet op worden toegezien dat een mogelijke verontreiniging van de kwetsbare peulen wordt vermeden en dat dit drogen moet plaatsvinden in een beschermde zone waar het binnendringen van wilde dieren en vogels wordt voorkomen. In andere landen worden planten mechanisch geoogst en gedorst. Er worden dus verschillende methoden gebruikt.

2.G.   Dorsen

Dit moet mechanisch gebeuren door middel van apparatuur die goed is onderhouden en gereinigd. Machines moeten aan het einde van het seizoen onmiddellijk worden gereinigd en ook vóór het begin van het volgende seizoen en indien mogelijk tussen elke partij. Apparatuur moet worden opgeslagen in een overdekte zone om de integriteit van de apparatuur te beschermen. De zaden moeten tijdens of onmiddellijk na het dorsen worden verpakt.

2.H.   Opslag na de oogst

Goederen moeten indien dit praktisch en economisch mogelijk is, worden opgeslagen in nieuwe ongeschonden zakken en niet in gebruikte of tweedehands zakken. Producenten moeten ook overwegen of het noodzakelijk is om de bovenkant van de opslagstapels met kunststof vellen af te dekken om de goederen te beschermen.

Opslagruimten en apparatuur moeten worden gereinigd en goed onderhouden om het binnendringen van en verontreiniging door weersinvloeden, dieren en plaagorganismen te voorkomen.

Voor opslag in bulk moeten schone dekzeilen worden gebruikt, zowel onder als bovenop de goederen en, indien van toepassing, tussen de goederen en de muur.

2.I.   Veredeling

Goederen moeten worden verwerkt in professionele voorzieningen voor het verwerken van zaden met geschikte apparatuur, waaronder:

machines voor sortering naar grootte, gewichtsorteerders met schudtafels, stenenvangers, magneten of metaaldetectors en bij voorkeur machines voor sortering naar kleur;

alle apparatuur moet regelmatig worden gereinigd om kruisverontreiniging van andere producten te voorkomen, en er moet voldoende aandacht worden besteed aan hygiëne;

medewerkers moeten beschikken over goede toiletvoorzieningen en voorzieningen voor het wassen van de handen (ook zeep) en indien mogelijk schone werkkleding dragen;

de lokale omgeving moet worden onderhouden om het binnendringen van stof & vuil, insecten, dieren en vogels te voorkomen;

indien mogelijk moeten de verwerkers beschikken over plannen ter voorkoming van verontreiniging en zij moeten hierover een register bijhouden. Vermenging van partijen moet zo veel mogelijk worden beperkt en indien mogelijk worden beperkt tot soortgelijke productiegebieden;

verwerkers moeten beschikken over gegevens over de afkomst van inkomende zaden;

een kwaliteitsregeling die wordt uitgevoerd door personeel dat opleiding heeft gekregen over de HACCP-norm wordt aanbevolen. Eindproducten moeten vóór verzending worden geanalyseerd volgens de eisen van de kopers.


(1)  Europese Commissie, DG Gezondheid en Voedselkwaliteit. Levensmiddelenhygiëne. Richtsnoeren.

(2)  Idem voetnoot 3.

(3)  Idem voetnoot 3.

(4)  Idem voetnoot 8.

(5)  Definitie van ESSA gebaseerd op de definitie van „zaaddistributeur”.

(6)  Idem voetnoot 3.

(7)  Definitie zoals omschreven door de Europese Commissie in Verordening (EU) nr. 1169/2011 van de Commissie.

(8)  Idem voetnoot 12.

(9)  Idem voetnoot 12.

(10)  Idem voetnoot 8.

(11)  Definitie zoals omschreven in de Codex Alimentarius Commissie. Aanbevolen Internationale Richtlijnen voor de Praktijk — grondbeginselen van de levensmiddelenhygiëne.

(12)  Definitie van ESSA gebaseerd op Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie.

(13)  Definitie zoals omschreven door de Europese Commissie in Verordening (EG) nr. 396/2005 van de Commissie.

(14)  Idem voetnoot 3.

(15)  Idem voetnoot 11.

(16)  Idem voetnoot 2.

(17)  Definitie zoals omschreven in de Codex Alimentarius Commissie. Hazard Analysis and Critical Control Point (HACCP) System and Guidelines for its Application.

(18)  Definitie zoals omschreven door de Europese Commissie in Verordening (EG) nr. 178/2002 van de Commissie.

(19)  Idem voetnoot 3.

(20)  Idem voetnoot 12.

(21)  Idem voetnoot 11.

(22)  Idem voetnoot 11.

(23)  Idem voetnoot 3.

(24)  Definitie van ESSA gebaseerd op het wetenschappelijk advies van het EFSA over het risico van shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) en andere pathogene bacteriën in zaden en ontkiemde zaden.

(25)  Definitie zoals omschreven door de Europese Commissie in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van de Commissie.

(26)  Idem voetnoot 3.

(27)  Idem voetnoot 33.

(28)  Idem voetnoot 11.

(29)  Idem voetnoot 12.

(30)  Idem voetnoot 12.

(31)  Idem voetnoot 7.

(32)  Definitie zoals omschreven door de Europese Commissie in Verordening (EG) nr. 852/2004 van de Commissie.

(33)  Definitie zoals omschreven door de Europese Commissie in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van de Commissie.

(34)  Idem voetnoot 12.

(35)  EFSA: „Scientific Opinion on the risk posed by Shiga toxin-producing Escherichia coli (STEC) and other pathogenic bacteria in seeds and sprouted seeds”.

(36)  Idem voetnoot 7.

(37)  Idem voetnoot 3.

(38)  Idem voetnoot 3.

(39)  Definitie van ESSA gebaseerd op het wetenschappelijk advies van het EFSA over het risico van shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) en andere pathogene bacteriën in zaden en ontkiemde zaden.

(40)  Idem voetnoot 7.

(41)  Definitie zoals omschreven in de Codex Alimentarius Commissie. Code voor hygiënische praktijken voor verse groenten en fruit (in het Engels).

(42)  Definitie zoals omschreven door de Europese Commissie in Verordening (EU) nr. 211/2013 van de Commissie.

(43)  Mededeling van de Commissie betreffende de uitvoering van systemen voor het beheer van de voedselveiligheid bestaande uit basisvoorwaardenprogramma’s en op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures, met inbegrip van de bevordering/flexibilisering van de uitvoering in bepaalde levensmiddelenbedrijven.

(44)  Idem voetnoot 7.

(45)  Richtsnoeren van de WHO voor het veilige gebruik van afvalwater, uitwerpselen en grijswater (in het Engels).


BIJLAGE I

Algemene wetgeving en specifieke wetgeving voor kiemgroenten

Algemene voorschriften

Deze documenten zijn beschikbaar in alle talen van de Europese Unie:

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (Algemene Levensmiddelenwetgeving).

Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne.

Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn.

Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water.

Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen.

Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten.

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden.

Verordening (EG) nr. 1935/2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de Richtlijnen 80/590/EEG en 89/109/EEG.

Specifieke wetgeving voor kiemgroenten

Deze documenten zijn beschikbaar in alle talen van de Europese Unie:

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 betreffende de traceerbaarheidsvoorschriften voor kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden.

Verordening (EU) nr. 209/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2073/2005 inzake microbiologische criteria voor kiemgroenten en de bemonsteringsvoorschriften voor pluimveekarkassen en vers pluimveevlees.

Verordening (EU) nr. 210/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 betreffende de erkenning van inrichtingen die kiemgroenten produceren overeenkomstig Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad.

Verordening (EU) nr. 211/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 betreffende de certificeringsvoorschriften voor de invoer in de Unie van kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden, gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 704/2014 van de Commissie betreffende de certificeringsvoorschriften voor de invoer in de Unie van kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden.


BIJLAGE II

Verwijzingen naar andere relevante informatiebronnen

Leidraad van de Europese Commissie voor de toepassing van op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures en ter vergemakkelijking van de toepassing van de HACCP-beginselen in bepaalde levensmiddelenbedrijven (in het Engels).

Mededeling van de Commissie betreffende de uitvoering van systemen voor de handhaving van de voedselveiligheid bestaande uit basisvoorwaardenprogramma’s en op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures, met inbegrip van de bevordering/flexibilisering van de uitvoering in bepaalde levensmiddelenbedrijven (2016/C 278/01).

Codex van de grondbeginselen van de levensmiddelenhygiëne (in het Engels). Dit document bevat een hoofdstuk over de toepassing van de HACCP-beginselen.

Code voor hygiënische praktijken voor verse groenten en fruit (in het Engels). Bijlage II voor de productie van kiemgroenten.

Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO). ISO 22000 — handhaving van de voedselveiligheid. Internationale richtlijnen met voorschriften voor een systeem voor de handhaving van de voedselveiligheid (in het Engels).

International Featured Standards (IFS)

Europese Commissie Guidance Document (werkdocument van de diensten van de Commissie) betreffende onderzoek naar Listeria monocytogenes en de houdbaarheidstermijn voor kant-en-klare levensmiddelen, krachtens Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (in het Engels). Dit is een informatief document dat is gericht op de exploitanten van levensmiddelenbedrijven in de EU.

Wetenschappelijk advies van het EFSA over het risico van shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) en andere pathogene bacteriën in zaden en ontkiemde zaden (in het Engels).

Richtsnoeren van de WHO voor drinkwaterkwaliteit (in het Engels).

Richtsnoeren van de WHO voor het veilige gebruik van afvalwater, uitwerpselen en grijswater (in het Engels).


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/53


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.8242 — Rolls-Royce/ITP)

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/04)

Op 19 april 2017 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), in samenhang met artikel 6, lid 2 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector,

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32017M8242. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/53


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.8465 — Vivendi/Telecom Italia)

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/05)

Op 30 mei 2017 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), in samenhang met artikel 6, lid 2 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector,

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32017M8465. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/54


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.8510 — Robert Tönnies/Clemens Tönnies/Zur Mühlen Group and Asset Group)

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/06)

Op 27 juni 2017 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector,

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32017M8510. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/55


Wisselkoersen van de euro (1)

7 juli 2017

(2017/C 220/07)

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,1412

JPY

Japanse yen

129,80

DKK

Deense kroon

7,4371

GBP

Pond sterling

0,88488

SEK

Zweedse kroon

9,6155

CHF

Zwitserse frank

1,0983

ISK

IJslandse kroon

 

NOK

Noorse kroon

9,5613

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

26,079

HUF

Hongaarse forint

308,38

PLN

Poolse zloty

4,2322

RON

Roemeense leu

4,5862

TRY

Turkse lira

4,1465

AUD

Australische dollar

1,5006

CAD

Canadese dollar

1,4806

HKD

Hongkongse dollar

8,9140

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,5669

SGD

Singaporese dollar

1,5761

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 318,10

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

15,2646

CNY

Chinese yuan renminbi

7,7590

HRK

Kroatische kuna

7,4153

IDR

Indonesische roepia

15 300,60

MYR

Maleisische ringgit

4,9054

PHP

Filipijnse peso

57,786

RUB

Russische roebel

68,9193

THB

Thaise baht

38,892

BRL

Braziliaanse real

3,7587

MXN

Mexicaanse peso

20,7488

INR

Indiase roepie

73,6955


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/56


Lijst van organisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties

(2017/C 220/08)

American Bureau of Shipping (ABS)

Bureau Veritas Marine & Offshore SAS (BV)

China Classification Society (CCS)

Croatian Register of Shipping (CRS)

DNV GL AS

Indian Register of Shipping (IRS)

KR (Korean Register)

Lloyd’s Register Group Ltd (LR)

Nippon Kaiji Kyokai General Incorporated Foundation (ClassNK)

Polish Register of Shipping (PRS)

RINA Services S.p.A.

Russian Maritime Register of Shipping (RS)


INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN

8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/57


Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 16, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

Vaststelling van openbaredienstverplichtingen met betrekking tot geregelde luchtdiensten

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/09)

Lidstaat

Italië

Betrokken routes

Alghero-Rome Fiumicino en vice versa

Alghero-Milaan Linate en vice versa

Cagliari-Rome Fiumicino en vice versa

Cagliari-Milaan Linate en vice versa

Olbia-Rome Fiumicino en vice versa

Olbia-Milaan Linate en vice versa

Nieuwe datum waarop de openbaredienstverplichtingen van kracht worden

9 november 2017

Adres waar de tekst en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbaredienstverplichtingen kunnen worden verkregen

Referentiedocument

PB C 145 van 9.5.2017, blz. 4.

Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met:

Ministero delle Infrastrutture e dei Trasporti

Direzione Generale per Aeroporti e il Trasporto Aereo

Tel. +39 0641583681/3683

E-mail: segreteria_dgata@pec.mit.gov.it

Website: http://www.mit.gov.it

Regione autonoma della Sardegna (autonome regio Sardinië)

Assessorato dei trasporti (afdeling vervoer)

Direzione Generale dei Trasporti

Servizio per il trasporto marittimo e aereo e della continuità territoriale

Tel. +39 0706067331

Fax +39 0706067309

Website: http://www.regione.sardegna.it

E-mail

:

trasporti@pec.regione.sardegna.it

trasporti@regione.sardegna.it

trasp.osp@regione.sardegna.it


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/58


Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/10)

Lidstaat

Italië

Betrokken route

Alghero — Rome Fiumicino en vice versa

Nieuwe geldigheidsduur van het contract

Vanaf 9 november 2017 voor een periode van vier jaar

Uiterste datum voor de indiening van de offertes

9 juli 2017

Adres waar de tekst van de aanbesteding en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbare aanbesteding en de openbaredienstverplichting kunnen worden verkregen

Referentiedocument

PB C 145 van 9 mei 2017

Voor meer informatie:

Regione autonoma della Sardegna (autonome regio Sardinië)

Assessorato dei trasporti (afdeling vervoer)

Direzione Generale dei Trasporti

Servizio per il trasporto marittimo e aereo e della continuità territoriale

Via XXIX Novembre 1847, n.41

09123 Cagliari

ITALIË

Tel. +39 0706067331

Fax +39 0706067309

Website: http://www.regione.sardegna.it

E-mail

:

trasporti@pec.regione.sardegna.it

trasporti@regione.sardegna.it

trasp.osp@regione.sardegna.it.


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/59


Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/11)

Lidstaat

Italië

Betrokken route

Alghero — Milano Linate en omgekeerd

Nieuwe geldigheidsduur van het contract

Vanaf 9 november 2017 voor een periode van vier jaar

Uiterste datum voor de indiening van de offertes

9 juli 2017

Adres waar de tekst van de aanbesteding en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbare aanbesteding en de openbaredienstverplichting kunnen worden verkregen

Referentiedocument

PB C 145 van 9 mei 2017

Voor meer informatie:

Regione Autonoma della Sardegna

Assessorato dei trasporti

Direzione Generale dei Trasporti

Servizio per il trasporto marittimo e aereo e della continuità territoriale

Via XXIX Novembre 1847, n.41

09123 Cagliari

ITALIË

Tel. +39 0706067331

Fax +39 0706067309

Website: http://www.regione.sardegna.it

E-mail

:

trasporti@pec.regione.sardegna.it

trasporti@regione.sardegna.it

trasp.osp@regione.sardegna.it.


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/60


Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/12)

Lidstaat

Italië

Betrokken route

Cagliari-Roma Fiumicino en omgekeerd

Nieuwe geldigheidsduur van het contract

Vanaf 9 november 2017 voor een periode van vier jaar

Uiterste datum voor de indiening van de offertes

9 juli 2017

Adres waar de tekst van de aanbesteding en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbare aanbesteding en de openbaredienstverplichting kunnen worden verkregen

Referentiedocument

PB C 145 van 9 mei 2017

Voor meer informatie:

Regione Autonoma della Sardegna

Assessorato dei trasporti

Direzione Generale dei Trasporti

Servizio per il trasporto marittimo e aereo e della continuità territoriale

Via XXIX Novembre 1847, 41

09123 Cagliari

ITALIA

Tel. +39 0706067331

Fax +39 0706067309

Website: http://www.regione.sardegna.it

E-mail

:

trasporti@pec.regione.sardegna.it

trasporti@regione.sardegna.it

trasp.osp@regione.sardegna.it


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/61


Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/13)

Lidstaat

Italië

Betrokken route

Cagliari-Milaan Linate en vice versa

Nieuwe geldigheidsduur van het contract

Vanaf 9 november 2017 voor een periode van vier jaar

Uiterste datum voor de indiening van de offertes

9 juli 2017

Adres waar de tekst van de aanbesteding en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbare aanbesteding en de openbaredienstverplichting kunnen worden verkregen

Referentiedocument

PB C 145 van 9 mei 2017

Voor meer informatie:

Regione Autonoma della Sardegna

Assessorato dei trasporti

Direzione Generale dei Trasporti

Servizio per il trasporto marittimo e aereo e della continuità territoriale

Via XXIX Novembre 1847, 41

09123 Cagliari

ITALIA

Tel. +39 0706067331

Fax +39 0706067309

Website: http://www.regione.sardegna.it

E-mail

:

trasporti@pec.regione.sardegna.it

trasporti@regione.sardegna.it

trasp.osp@regione.sardegna.it


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/62


Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/14)

Lidstaat

Italië

Betrokken route

Olbia-Rome Fiumicino en vice versa

Nieuwe geldigheidsduur van het contract

Vanaf 9 november 2017 voor een periode van vier jaar

Uiterste datum voor de indiening van de offertes

9 juli 2017

Adres waar de tekst van de aanbesteding en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbare aanbesteding en de openbaredienstverplichting kunnen worden verkregen

Referentiedocument

PB C 145 van 9 mei 2017

Voor meer informatie:

Regione Autonoma della Sardegna

Assessorato dei trasporti

Direzione Generale dei Trasporti

Servizio per il trasporto marittimo e aereo e della continuità territoriale

Via XXIX Novembre 1847, 41

09123 Cagliari

ITALIA

Tel. +39 0706067331

Fax +39 0706067309

Website: http://www.regione.sardegna.it

E-mail

:

trasporti@pec.regione.sardegna.it

trasporti@regione.sardegna.it

trasp.osp@regione.sardegna.it


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/63


Mededeling van de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap

Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/15)

Lidstaat

Italië

Betrokken route

Olbia-Milano Linate en omgekeerd

Nieuwe geldigheidsduur van het contract

Vanaf 9 november 2017 voor een periode van vier jaar

Uiterste datum voor de indiening van de offertes

9 juli 2017

Adres waar de tekst van de aanbesteding en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbare aanbesteding en de openbaredienstverplichting kunnen worden verkregen

Referentiedocument

PB C 145 van 9 mei 2017

Voor meer informatie:

Regione autonoma della Sardegna

Assessorato dei trasporti

Direzione Generale dei Trasporti

Servizio per il trasporto marittimo e aereo e della continuità territoriale

Via XXIX Novembre 1847, 41

09123 Cagliari

ITALIA

Tel. +39 0706067331

Fax +39 0706067309

Website: http://www.regione.sardegna.it

E-mail

:

trasporti@pec.regione.sardegna.it

trasporti@regione.sardegna.it

trasp.osp@regione.sardegna.it


V Bekendmakingen

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Europese Commissie

8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/64


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8528 — SEGRO/PSPIB/SELP/Morgane Portfolio)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/16)

1.

Op 29 juni 2017 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat SEGRO plc („SEGRO”, Verenigd Koninkrijk) en Public Sector Pension Investment Board („PSPIB”, Canada) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening, via SEGRO European Logistics Partnership S.à.r.l. („SELP”, Luxemburg), de gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over een inkomstengenererende logistieke entiteit („Morgane Portfolio”, Frankrijk) door de verwerving van activa.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   SEGRO: bezit, beheert en ontwikkelt moderne gebouwen voor opslag en lichte industrie gelegen rond grote stedelijke gebieden en aan belangrijke vervoersknooppunten verspreid over een aantal EU-landen;

—   PSPIB: belegging van de nettobijdragen van de pensioenfondsen van de Federal Public Service, de Canadian Forces, de Royal Canadian Mounted Police en de Reserve Force. PSPIB beheert een gediversifieerde, wereldwijd gespreide portefeuille bestaande uit aandelen, obligaties en andere vastrentende effecten, alsook uit beleggingen in private equity, vastgoed, infrastructuur, natuurlijke hulpbronnen en particuliere schulden;

—   Morgane Portfolio: een logistieke entiteit gevestigd in Nîmes (Frankrijk).

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Ze kunnen, met vermelding van zaaknummer M.8528 — SEGRO/PSPIB/SELP/Morgane Portfolio, worden toegezonden per fax (+32 22964301), per e-mail (COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu) of per post aan onderstaand adres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/65


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8557 — CCMP Capital/MSD Aqua Partners/Hayward Industries)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/17)

1.

Op 29 juni 2017 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat CCMP Capital, LP („CCMP”, Verenigde Staten) en MSD Aqua Partners, LLC („MSD Aqua”, Verenigde Staten), die onder zeggenschap staat van MSD Partners LP („MSD Partners”, Verenigde Staten), en deel uitmaakt van het concern MSD, in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening de indirecte gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over Hayward Industries, Inc. („Hayward”, Verenigde Staten) door de verwerving van aandelen.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   CCMP: wereldwijde beleggingsonderneming gericht op buyout- en growth-equity-investeringen in Noord-Amerika en Europa in de sectoren consumentengoederen, industrie en gezondheidszorg;

—   MSD Aqua: beleggingsdivisie van het concern MSD die zich bezighoudt met schulden en aandelen van beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde ondernemingen, vastgoed en andere activaklassen;

—   Hayward: producent en leverancier van materieel voor zwembaden.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Ze kunnen, met vermelding van zaaknummer M.8557 — CCMP Capital/MSD Aqua Partners/Hayward Industries, worden toegezonden per fax (+32 22964301), per e-mail (COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu) of per post aan onderstaand adres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


8.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/66


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8356 — Wietersdorfer/Amiantit/HOBAS JV)

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 220/18)

1.

Op 29 juni 2017 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat WIG Wietersdorfer Holding GmbH („WIG”, Oostenrijk) en Saudi Arabian Amiantit Company („Amiantit”, Saoudi-Arabië) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over HOBAS Pipes International GmbH („Hobas Europe”, Oostenrijk). Amiantit zal haar Europese pijpleidingonderneming overhevelen naar Hobas Europe, momenteel een volle dochteronderneming van WIG, en 50 % van haar aandelen verwerven.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   WIG: wereldwijde onderneming die zich bezighoudt met de vervaardiging en de verkoop van pijpleidingen en pijpleidingsystemen voor watertransport (drainage, zuivering, irrigatie en drinkbaar drukwater) en, in mindere mate, voor industrieel gebruik in verschillende installaties;

—   Amiantit: vervaardiging en verkoop van pijpleidingen en pijpleidingsystemen, verkoop van pijpleidingtechnologieën en vervaardiging en levering van polymeerproducten. Amiantit is wereldwijd actief. De Europese divisie van Amiantit houdt zich bezig met de productie en de verkoop van GRP-pijpleidingen (glasvezelversterkte kunststofpijpleidingen) en pijpleidingsystemen;

—   Hobas Europe: vervaardiging en verkoop van GRP-pijpleidingen (glasvezelversterkte kunststofpijpleidingen) en pijpleidingsystemen in Europa.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Ze kunnen, met vermelding van zaaknummer M.8356 — Wietersdorfer/Amiantit/HOBAS JV, worden toegezonden per fax (+32 22964301), per e-mail (COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu) of per post aan onderstaand adres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).