ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 205

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

60e jaargang
29 juni 2017


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2017/C 205/01

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.8357 — Asahi/AB Inbev CEE Divestment business) ( 1 )

1


 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europees Parlement

2017/C 205/02

Besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 12 juni 2017 houdende de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

2

 

Raad

2017/C 205/03

Conclusies van de Raad ter bevordering van de strijd tegen de toename van overgewicht en obesitas bij kinderen

46

 

Europese Commissie

2017/C 205/04

Wisselkoersen van de euro

53

2017/C 205/05

Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie

54

2017/C 205/06

Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie

55

2017/C 205/07

Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie

56

 

Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

2017/C 205/08

Netwerken van organisaties, werkzaam op de tot de opdracht van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) behorende gebieden

57


 

V   Bekendmakingen

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Europese Commissie

2017/C 205/09

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8491 — PGA Group/Groupe Bernard/CDPR) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

58

2017/C 205/10

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8500 — Central/SIGNA Prime/JVCo) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

59

2017/C 205/11

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8550 — USSL/Goldman Sachs/Redexis Gas) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

60

2017/C 205/12

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.8456 — INEOS/Forties Pipeline System) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

61

 

ANDERE HANDELINGEN

 

Europese Commissie

2017/C 205/13

Bekendmaking van een wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

62

2017/C 205/14

Bekendmaking van een aanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

70


 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

 


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/1


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak M.8357 — Asahi/AB Inbev CEE Divestment business)

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 205/01)

Op 1 maart 2017 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van het besluit is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebesluiten op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector;

in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32017M8357. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europees Parlement

29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/2


BESLUIT VAN HET BUREAU VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 12 juni 2017

houdende de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

(2017/C 205/02)

HET BUREAU VAN HET EUROPEES PARLEMENT,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 10, lid 4,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 224,

Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (1), en met name artikel 25, lid 1,

Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (2) („het Financieel Reglement”),

Gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (3) („de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement”),

Gezien Gedelegeerde Verordening (EU, Euratom) 2015/2401 van de Commissie van 2 oktober 2015 betreffende de inhoud en de werking van het register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (4),

Gezien het Reglement van het Europees Parlement („het Reglement”), en met name artikel 25, lid 11, en artikel 223 bis,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er is behoefte aan de vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014,

(2)

Om redenen van goed financieel beheer en transparantie wordt over elke subsidieaanvraag een besluit genomen door het Bureau, waarvan de aanvrager in kennis wordt gesteld en dat een motivering bevat indien de maatregel negatieve gevolgen voor de aanvrager heeft,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Dit besluit legt de toepasselijke procedures vast voor de uitvoering van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

Tenzij anders is vermeld, geldt dit besluit zowel voor Europese politieke partijen als voor Europese politieke stichtingen.

De bijlagen bij dit besluit maken er integraal deel van uit.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van dit besluit gelden de volgende definities:

1.

„aanvrager”: de partij of de stichting die een verzoek om financiering indient uit hoofde van artikel 18 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 ofwel na een oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen ofwel na een oproep tot het indienen van voorstellen;

2.

„gedelegeerd ordonnateur”: het personeelslid aan wie de bevoegdheden van de ordonnateur zijn gedelegeerd overeenkomstig het besluit van het Bureau van 16 juni 2014 (5) en het besluit van de secretaris-generaal betreffende de delegatie van de taken van de ordonnateur;

3.

„Autoriteit”: gelijk aan „Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen” in artikel 6 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

4.

„begunstigde”: de partij waaraan een bijdrage is toegekend of de stichting waaraan een subsidie is toegekend uit hoofde van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

5.

„definitief financieringsbedrag”: ofwel het definitieve bedrag van de bijdrage (voor partijen) ofwel het definitieve bedrag van de subsidie (voor stichtingen) dat het Bureau na zijn besluit over het jaarverslag vaststelt;

6.

„stichting”: gelijk aan „Europese politieke stichting” in artikel 2, punt 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

7.

„financiering”: ofwel een bijdrage in de zin van deel 2, titel VIII, van het Financieel Reglement (voor partijen) ofwel een exploitatiesubsidie in de zin van deel 1, titel VI, van het Financieel Reglement (voor stichtingen);

8.

„financieringsbesluit”: ofwel het besluit over de toekenning van een bijdrage (voor partijen) ofwel een subsidie (voor stichtingen) overeenkomstig de in de oproep vermelde voorwaarden;

9.

„financieringsprocedure”: de procedure die loopt van de indiening van verzoeken tot de goedkeuring van het jaarverslag en de vaststelling van het besluit betreffende het definitieve financieringsbedrag;

10.

„partij”: gelijk aan „Europese politieke partij” in artikel 2, punt 3, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

Artikel 3

Oproepen

1.   Na de goedkeuring van het Bureau zorgt de gedelegeerd ordonnateur voor de publicatie van een oproep aan de partijen tot het indienen van verzoeken om bijdragen en een oproep aan de stichtingen tot het indienen van voorstellen („oproepen”).

2.   In de oproepen wordt de uiterste termijn vermeld die voor partijen en stichtingen geldt voor de indiening van hun schriftelijke verzoeken om financiering bij het Europees Parlement.

3.   In de oproepen wordt het volgende vermeld:

a)

de doelstellingen;

b)

het rechtskader;

c)

het tijdpad van de financieringsprocedure;

d)

de wijze van financiering door de Unie;

e)

de subsidiabiliteits- en uitsluitingscriteria;

f)

(uitsluitend voor stichtingen) de selectiecriteria;

g)

de toekenningscriteria, zoals omschreven in artikel 19 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

h)

een aanvraagformulier en de structuur van de geraamde begroting die de aanvrager bij zijn aanvraag moet verstrekken;

i)

indien van toepassing, een lijst van vereiste bewijsstukken;

j)

de bijzondere en algemene voorwaarden voor de toekenning van bijdragen en subsidies die door het Bureau zijn goedgekeurd.

4.   In de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen of de oproep tot het indienen van voorstellen wordt gespecificeerd dat elke aanvrager zich schriftelijk uitdrukkelijk verplicht tot het naleven van de relevante voorwaarden, hetgeen een voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van zijn verzoek.

Artikel 4

Verzoek om financiering

1.   Overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 dient een aanvrager die financiering uit de algemene begroting van de Unie wenst te ontvangen, een schriftelijk verzoek in bij de Voorzitter van het Europees Parlement.

2.   De aanvrager kan door de gedelegeerd ordonnateur worden verzocht binnen een redelijke termijn nadere bewijsstukken of toelichtingen met betrekking tot het verzoek te verstrekken.

Artikel 5

Besluit over het verzoek om financiering

1.   Op basis van een voorstel van de secretaris-generaal besluit het Bureau, binnen drie maanden na sluiting van de oproep in kwestie, over de verzoeken om financiering na te hebben nagegaan of de criteria als vastgesteld in de artikelen 17 en 18 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en als bedoeld in artikel 3, lid 3, van dit besluit, zijn nageleefd. Het Bureau houdt rekening met veranderingen in de situatie van een aanvrager die na de indiening van het verzoek om financiering hebben plaatsgevonden.

2.   Indien de aanvraag wordt goedgekeurd, stelt het Bureau volgens het model in bijlage 1a (voor partijen) of bijlage 1b (voor stichtingen) een financieringsbesluit vast waarin het aan de aanvrager toegekende bedrag wordt bepaald.

3.   Wanneer een aanvraag wordt afgewezen, worden in het besluit de redenen hiervoor vermeld.

4.   Het financieringsbedrag wordt overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bepaald en is in dit stadium slechts voorlopig. Het definitieve financieringsbedrag wordt volgens de in artikel 8 van dit besluit vermelde procedure bepaald.

5.   Indien de bedragen per aanvrager aanzienlijk verschillen van de bedragen die op het moment van publicatie van de in artikel 3 van dit besluit bedoelde oproepen werden verwacht, kan het Bureau de Voorzitter van het Europees Parlement verzoeken aan de bevoegde commissie een voorstel tot aanpassing van de beschikbare kredieten voor te leggen.

Artikel 6

Betalingen

1.   De financiering wordt aan de begunstigden uitbetaald in de vorm van voorfinanciering, als nader gespecificeerd in de bijzondere voorwaarden die zijn vastgesteld in bijlage 1a (voor partijen) en bijlage 1b (voor stichtingen). Tenzij het Bureau anders beslist in naar behoren gemotiveerde gevallen, wordt de voorfinanciering uitbetaald in één tranche van 100 % van het maximale financieringsbedrag.

2.   Per geval en na een risicoanalyse kan het Bureau besluiten van een begunstigde een zekerheid voor voorfinancieringen te verlangen overeenkomstig het Financieel Reglement.

3.   De bepalingen over betalingen en de desbetreffende termijnen worden in het financieringsbesluit vermeld.

Artikel 7

Externe audit

1.   Het Europees Parlement ontvangt rechtstreeks van de onafhankelijke instanties of deskundigen die zijn aangewezen uit hoofde van artikel 23, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, het externe-auditverslag zoals omschreven in artikel 23, lid 1, onder b), van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

2.   De reikwijdte van de externe audit wordt in artikel 23, lid 1, onder b), van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 omschreven. Het doel van de externe audit wordt nader gespecificeerd in de toepasselijke bepalingen van deel B van de algemene voorwaarden in bijlage 1a (voor partijen) en deel B van de algemene voorwaarden in bijlage 1b (voor stichtingen).

Artikel 8

Besluit over het jaarverslag en definitief financieringsbedrag

1.   Op basis van een voorstel van de secretaris-generaal keurt het Bureau het jaarverslag uiterlijk op 30 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, goed of verwerpt het.

2.   Het Bureau of de gedelegeerd ordonnateur kan de begunstigde verzoeken aanvullende informatie te verstrekken om te kunnen nagaan of de ter zake geldende voorschriften zijn nageleefd.

3.   Indien door het Bureau of door de gedelegeerd ordonnateur om dergelijke aanvullende informatie wordt verzocht, wordt de termijn voor het besluit over het jaarverslag verlengd tot die aanvullende informatie is ontvangen en beoordeeld.

4.   Voor partijen bepaalt het Bureau jaarlijks aan de hand van het jaarverslag het bedrag aan te vergoeden uitgaven. In het geval van overheveling van niet-uitgegeven financiering naar het volgende begrotingsjaar wordt het definitieve financieringsbedrag vastgesteld overeenkomstig deel B van de algemene voorwaarden in bijlage 1a.

5.   Voor stichtingen wordt het definitieve subsidiebedrag bepaald aan de hand van het jaarverslag.

6.   Het definitieve financieringsbedrag is niet hoger dan:

a)

het maximale financieringsbedrag dat in het financieringsbesluit is vastgelegd;

b)

85 % van de daadwerkelijk gemaakte kosten die hetzij voor vergoeding hetzij voor subsidie in aanmerking komen.

7.   Op basis van het overeenkomstig de leden 4 tot en met 6 vastgestelde definitieve financieringsbedrag en de eerder uit hoofde van het financieringsbesluit gedane betalingen in het kader van de voorfinanciering bepaalt de gedelegeerd ordonnateur welke bedragen aan de begunstigde of het Europees Parlement verschuldigd zijn.

8.   De vaststelling van het definitieve financieringsbedrag laat het recht van het Europees Parlement onverlet om controles achteraf uit te voeren overeenkomstig deel B van de algemene voorwaarden in bijlage 1a (voor partijen) en deel B van de algemene voorwaarden in bijlage 1b (voor stichtingen) en laat de mogelijkheid intact om het definitieve financieringsbedrag met terugwerkende kracht aan te passen.

9.   De uit hoofde van dit artikel vastgestelde besluiten worden overeenkomstig artikel 223 bis, lid 1, van het Reglement als uniform besluit ter kennis van de begunstigde gebracht.

10.   De toepasselijke procedure voor de goedkeuring van het jaarverslag en de vaststelling van het besluit betreffende het definitieve financieringsbedrag wordt nader gespecificeerd in deel B van de algemene voorwaarden in bijlage 1a (voor partijen) en deel B van de algemene voorwaarden in bijlage 1b (voor stichtingen).

11.   Het Bureau of de gedelegeerd ordonnateur kan de Autoriteit raadplegen, overeenkomstig artikel 6, lid 9, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, met het oog op het verzoek om aanvullende informatie die het relevant acht voor de goedkeuring van het jaarverslag of de vaststelling van het besluit betreffende het definitieve financieringsbedrag.

Artikel 9

Opschortingsprocedure

1.   Overeenkomstig de toepasselijke voorschriften van het Financieel Reglement en de toepasselijke bepalingen van deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1a (voor partijen) en deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1b (voor stichtingen) kan het Bureau op voorstel van de secretaris-generaal besluiten de betaling van de financiering van een politieke partij of stichting op te schorten en te besluiten over hervatting van de betaling als de redenen voor die opschorting niet meer gelden. De gedelegeerd ordonnateur is bevoegd de procedure hiervoor te initiëren en alle nodige stappen te ondernemen, overeenkomstig deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1a (voor partijen) en deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1b (voor stichtingen), vóór het Bureau dit besluit neemt.

2.   Artikel 223 bis, lid 1, derde alinea, van het Reglement is van toepassing op de door het Bureau uit hoofde van dit artikel vastgestelde besluiten.

Artikel 10

Intrekking van het financieringsbesluit

1.   Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, en met name artikel 30, de toepasselijke voorschriften van het Financieel Reglement en deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1a (voor partijen) en deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1b (voor stichtingen) kan het Bureau op voorstel van de secretaris-generaal besluiten het financieringsbesluit in te trekken. De gedelegeerd ordonnateur is bevoegd de procedure hiervoor te initiëren en alle nodige stappen te ondernemen, overeenkomstig deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1a (voor partijen) en deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1b (voor stichtingen), vóór het Bureau dit besluit neemt.

2.   Artikel 223 bis, lid 1, derde alinea, van het Reglement is van toepassing op de op grond van dit artikel door het Bureau vastgestelde besluiten.

3.   De gedelegeerd ordonnateur is bevoegd voor het afgeven van de nodige terugvorderingsopdrachten.

Artikel 11

Beëindiging van het financieringsbesluit

1.   Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, en met name de artikelen 27 en 30, de toepasselijke voorschriften van het Financieel Reglement en deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1a (voor partijen) en deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1b (voor stichtingen) kan het Bureau op voorstel van de secretaris-generaal besluiten het financieringsbesluit te beëindigen. De gedelegeerd ordonnateur is bevoegd de procedure hiervoor te initiëren en alle nodige stappen te ondernemen, overeenkomstig deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1a (voor partijen) en deel A van de algemene voorwaarden in bijlage 1b (voor stichtingen), vóór het Bureau dit besluit neemt.

2.   Artikel 223 bis, lid 1, derde alinea, van het Reglement is van toepassing op de op grond van dit artikel door het Bureau vastgestelde besluiten.

3.   De gedelegeerd ordonnateur is bevoegd voor het afgeven van de nodige terugvorderingsopdrachten.

Artikel 12

Controle

In het financieringsbesluit wordt er uitdrukkelijk in voorzien dat het Europees Parlement en andere bevoegde instanties het recht hebben de in de artikelen 24 en 25 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bedoelde controlebevoegdheden met betrekking tot de begunstigde uit te oefenen.

Artikel 13

Technische ondersteuning

Overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 kunnen begunstigden technische ondersteuning aanvragen overeenkomstig het gewijzigde besluit van het Bureau van 14 maart 2000 inzake het gebruik van de gebouwen van het Europees Parlement door externe gebruikers, alsmede elke andere vorm van technische ondersteuning die in sindsdien door het Bureau vastgestelde voorschriften is geregeld. Het Bureau kan de beslissingsbevoegdheid over de technische ondersteuning aan de secretaris-generaal delegeren.

Artikel 14

Recht te worden gehoord

Als de begunstigde overeenkomstig het toepasselijke financieringsbesluit, inclusief de bijzondere en algemene voorwaarden ervan, het recht heeft om, vóór een besluit wordt vastgesteld door het Parlement, opmerkingen te maken, krijgt hij een periode van 10 werkdagen, tenzij anderszins bepaald in de toepasselijke regels, om zijn schriftelijke opmerkingen te doen toekomen. Deze periode kan, op basis van een met redenen omkleed verzoek van de begunstigde, eenmalig met nog eens 10 werkdagen worden verlengd.

Artikel 15

Intrekking, inwerkingtreding en daadwerkelijke toepassing

1.   Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het is van toepassing met ingang van de procedure voor de toekenning van financiering van het begrotingsjaar 2018.

2.   Het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 29 maart 2004 (6) wordt op de dag van inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken. Het blijft echter van toepassing op handelingen en verbintenissen in verband met lopende procedures inzake de financiering van politieke partijen en stichtingen op Europees niveau die onder Verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad (7) vallen.

Artikel 16

Bekendmaking

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de website van het Europees Parlement.

Bijlagen — modellen van financieringsbesluiten:

 

Bijlage 1a — model van besluit tot toekenning van een bijdrage — partij

 

Bijlage 1b — model van besluit tot toekenning van een subsidie — stichting


(1)  PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1.

(2)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(3)  PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1.

(4)  PB L 333 van 19.12.2015, blz. 50.

(5)  Besluit van het Bureau van 16 juni 2014 met de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement.

(6)  Besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 29 maart 2004 houdende de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (PB C 63 van 4.3.2014, blz. 1), gewijzigd bij het besluit van het Bureau van 7 oktober 2015 (PB C 428 van 19.12.2015, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (PB L 297 van 15.11.2003, blz. 1).


BIJLAGE 1a

[MODEL] BIJDRAGEBESLUIT — PARTIJ

NUMMER: …[INVULLEN]…


Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 10, lid 4,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 224,

Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (1), en met name artikel 25, lid 1,

Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (2) („het Financieel Reglement”),

Gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (3) („de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement”),

Gezien Gedelegeerde Verordening (EU, Euratom) 2015/2401 van de Commissie van 2 oktober 2015 betreffende de inhoud en de werking van het register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (4),

Gezien het Reglement van het Europees Parlement, en met name artikel 25, lid 11,

Gezien het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 12 juni 2017 (5) houdende de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014,

Gezien de door het Europees Parlement in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen met het oog op het toekennen van financiering aan politieke partijen op Europees niveau vastgestelde voorwaarden.

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 10, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt dat de politieke partijen op Europees niveau moeten bijdragen tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie;

(2)

Dit besluit is het resultaat van een oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen waarin de aanvragers werden geïnformeerd over het model-financieringsbesluit, met inbegrip van de voorwaarden;

(3)

[de begunstigde] heeft op [datum van ontvangst door het Europees Parlement] een verzoek om financiering ingediend en heeft expliciet ingestemd met de voorwaarden van het financieringsbesluit;

HET BUREAU VAN HET EUROPEES PARLEMENT HEEFT het verzoek ONDERZOCHT op zijn vergadering van [datum] en HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Er worden rechtstreekse financiële bijdragen in de zin van artikel 204 bis van het Financieel Reglement („financiering”) toegekend aan:

[volledige officiële benaming van de begunstigde]

[officiële rechtsvorm]

[wettelijk registratienummer]

[volledig officieel adres]

[btw-nummer],

(„de begunstigde”),

voor dit financieringsbesluit vertegenwoordigd door:

…[vertegenwoordiger die gemachtigd is juridische verplichtingen aan te gaan]…..,

om de statutaire activiteiten en doelstellingen van de begunstigde te steunen,

onder de in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen en onderhavig bijdragebesluit („het financieringsbesluit”) vastgestelde voorwaarden, met inbegrip van de bijzondere voorwaarden, de algemene voorwaarden en de geraamde begroting in de bijlage die integraal deel uitmaken van dit financieringsbesluit.

Het bepaalde in de bijzondere voorwaarden heeft voorrang boven het bepaalde in de andere delen van dit besluit. Het bepaalde in de algemene voorwaarden heeft voorrang boven het bepaalde in de andere bijlagen.

Inhoudsopgave

I.

BIJZONDERE VOORWAARDEN 9

Artikel I.1—

Voorwerp van het besluit 9

Artikel I.2 —

Periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn 10

Artikel I.3 —

Vormen van financiering 10

Artikel I.4 —

(maximaal) forfaitair financieringsbedrag 10

Artikel I.5 —

Betalingen en betalingsregelingen 10

I.5.1

Voorfinanciering 10

I.5.2

Betaling van het restbedrag of terugvordering van ten onrechte betaalde voorfinanciering 10

I.5.3

Valuta 10

Artikel I.6 —

Bankrekening 10

Artikel I.7 —

Algemene administratieve bepalingen 11

Artikel I.8 —

Inwerkingtreding van het besluit 11

II.

ALGEMENE VOORWAARDEN 11

DEEL A:

JURIDISCHE EN ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN 11

Artikel II.1 —

Definities 11

Artikel II.2 —

Algemene verplichtingen van de begunstigde 12

Artikel II.3 —

Verplichtingen in verband met de bankrekening 12

Artikel II.4 —

Aansprakelijkheid voor schade 12

Artikel II.5 —

Vertrouwelijkheid 13

Artikel II.6 —

Verwerking van persoonsgegevens 13

Artikel II.7 —

Bewaren van gegevens 13

Artikel II.8 —

Zichtbaarheid van financiering door de Unie 13

II.8.1

Informatie over financiering door de Unie 13

II.8.2

Afwijzing van aansprakelijkheid van het Europees Parlement 13

II.8.3

Bekendmaking van informatie door het Europees Parlement 13

Artikel II.9 —

Gunning van overeenkomsten door de begunstigde 13

II.9.1

Beginselen 13

II.9.2

Bewaren van gegevens 14

II.9.3

Controle 14

II.9.4

Aansprakelijkheid 14

Artikel II.10 —

Overmacht 14

Artikel II.11 —

Opschorting van de betaling van de financiering 14

II.11.1

Gronden voor opschorting 14

II.11.2

Procedure voor opschorting 14

II.11.3

Gevolgen van de opschorting 14

II.11.4

Hervatting van de betaling 15

Artikel II.12 —

Intrekking van het financieringsbesluit door het Europees Parlement 15

II.12.1

Gronden voor intrekking 15

II.12.2

Procedure voor intrekking 15

II.12.3

Gevolgen van de intrekking 15

Artikel II.13 —

Beëindiging van het financieringsbesluit 15

II.13.1

Beëindiging op verzoek van de begunstigde 15

II.13.2

Beëindiging door het Europees Parlement 15

II.13.3

Gevolgen van de beëindiging 16

Artikel II.14 —

Toewijzing 16

Artikel II.15 —

Achterstandsrente 16

Artikel II.16 —

Toepasselijk recht 16

Artikel II.17 —

Recht te worden gehoord 16

DEEL B:

FINANCIËLE BEPALINGEN 16

Artikel II.18 —

Voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven 16

II.18.1

Voorwaarden 16

II.18.2

Voorbeelden van voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven 17

Artikel II.19 —

Niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven 17

Artikel II.20 —

Bijdragen in natura 18

Artikel II.21 —

Begrotingsoverschrijvingen 18

Artikel II.22 —

Rapportageverplichtingen 18

II.22.1

Jaarverslag 18

II.22.2

Externe-auditverslag 19

Artikel II.23 —

Besluit inzake het jaarverslag 19

Artikel II.24 —

Besluit inzake het definitieve financieringsbedrag 20

II.24.1

Impact van het jaarverslag 20

II.24.2

Drempel 20

II.24.3

Overdracht van ongebruikte financiering 20

II.24.4

Besluit inzake het definitieve financieringsbedrag 20

II.24.5

Invordering van niet-uitgegeven financiering 20

II.24.6

Financieringsbalans 20

II.24.7

Overschot van eigen middelen 20

Artikel II.25 —

Renteopbrengsten uit voorfinanciering 21

Artikel II.26 —

Terugvordering 21

II.26.1

Achterstandsrente 21

II.26.2

Compensatie 21

II.26.3

Bankkosten 21

Artikel II.27 —

Financiële garantie 22

Artikel II.28 —

Controle 22

II.28.1

Algemene bepalingen 22

II.28.2

Verplichting tot het bewaren van documenten 22

II.28.3

Verplichting tot het verstrekken van documenten en/of informatie 22

II.28.4

Bezoeken ter plaatse 22

II.28.5

Auditprocedure van hoor en wederhoor 22

II.28.6

Gevolgen van de bevindingen van de audit 23

II.28.7

Rechten van OLAF om controle uit te oefenen 23

II.28.8

Rechten van de Europese Rekenkamer om controle uit te oefenen 23

II.28.9

Niet-naleving van de verplichtingen uit hoofde van artikel II.28.1 tot en met 4 23

Bijlage —

Geraamde begroting 24

I.   BIJZONDERE VOORWAARDEN

Artikel I.1

Voorwerp van het besluit

Het Europees Parlement verleent financiering voor de tenuitvoerlegging van de statutaire activiteiten en doelstellingen van de begunstigde in het begrotingsjaar [invoegen], overeenkomstig de voorwaarden die zijn neergelegd in de bijzondere voorwaarden en de algemene voorwaarden („voorwaarden”) alsmede overeenkomstig de bijlage bij het financieringsbesluit. Dit is de uitvoering van het financieringsbesluit door het Europees Parlement.

De begunstigde gebruikt de financiering voor de tenuitvoerlegging van zijn statutaire activiteiten en doelstellingen en handelt onder eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig de voorwaarden van en de bijlage bij het financieringsbesluit. Dit is de uitvoering van het financieringsbesluit door de begunstigde.

Artikel I.2

Periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn

De periode waarin uitgaven in aanmerking komen voor financiering door de Unie loopt van [DD/MM/JJ invoegen] tot [DD/MM/JJ invoegen].

Artikel I.3

Vormen van financiering

De aan begunstigde overeenkomstig deel 2, titel VIII, van het Financieel Reglement toegekende bijdragen worden verstrekt in de vorm van een vergoeding van een percentage van de werkelijk gemaakte voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven.

Artikel I.4

(maximaal) forfaitair financieringsbedrag

Het Europees Parlement neemt maximaal een bedrag van [bedrag invoegen] EUR voor zijn rekening, tot maximaal 85 % van het totaal geraamde bedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven.

Het geraamde bedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven van de begunstigde is opgenomen in de bijlage („geraamde begroting”). De geraamde begroting is evenwichtig en bevat een gedetailleerd overzicht van de uitgaven en inkomsten van de begunstigde voor de periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten worden gescheiden van de niet voor vergoeding in aanmerking komende kosten, overeenkomstig artikel II.18.

Artikel I.5

Betalingen en betalingsregelingen

De financiering wordt uitbetaald overeenkomstig het volgende tijdschema en de volgende regelingen.

I.5.1.   Voorfinanciering

Een voorfinanciering ten bedrage van [bedrag invoegen] EUR, zijnde [normaliter 100 %, anders het door het Europees Parlement bepaald percentage invoegen] van het in artikel I.4, van dit financieringsbesluit vastgestelde maximumbedrag, wordt aan de begunstigde uitbetaald binnen 30 dagen vanaf de datum van inwerkingtreding van het financieringsbesluit of, waar van toepassing, vanaf de datum waarop het Europees Parlement de financiële garantie ten belope van [bedrag invoegen] EUR heeft ontvangen, indien die later is.

I.5.2.   Betaling van het restbedrag of terugvordering van ten onrechte betaalde voorfinanciering

De betaling van het restbedrag aan de begunstigde of de terugvordering van ten onrechte betaalde voorfinanciering vindt plaats binnen 30 dagen na het besluit van het Europees Parlement over het jaarverslag en de vaststelling van het definitieve financieringsbedrag zoals bedoeld in artikel II.24.

I.5.3.   Valuta

Betalingen worden door het Europees Parlement verricht in EUR. De eventuele omrekening van de werkelijke kosten in EUR geschiedt aan de hand van de dagkoers die in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie wordt gepubliceerd of, bij gebreke daarvan, volgens de maandkoers die door het Europees Parlement wordt vastgesteld en op zijn website gepubliceerd, op de dag waarop de betalingsopdracht door het Europees Parlement wordt uitgeschreven, behalve wanneer uitdrukkelijk anders is bepaald in de bijzondere voorwaarden.

De betalingen door het Europees Parlement worden geacht te hebben plaatsgevonden op de dag waarop zij van de rekening van het Europees Parlement worden afgeschreven.

Artikel I.6

Bankrekening

Betalingen vinden plaats op een bankrekening of een subrekening van de begunstigde bij een bank die in een lidstaat van de Europese Unie gevestigd is, in EUR, met opgave van de volgende gegevens:

Naam van de bank: […]

Adres van het bankfiliaal: […]

Exacte benaming van de rekeninghouder: […]

Volledig rekeningnummer (inclusief bankcodes): […]

IBAN: […]

BIC/SWIFT-code: […]

Artikel I.7

Algemene administratieve bepalingen

Alle correspondentie met het Europees Parlement in verband met het financieringsbesluit dient schriftelijk plaats te vinden, onder vermelding van het nummer van het financieringsbesluit, en dient te worden gericht aan het volgende adres:

Europees Parlement

De voorzitter

t.a.v. de directeur-generaal Financiën

Bureau SCH 05B031

L-2929 Luxemburg

De gewone post wordt door het Europees Parlement geacht te zijn ontvangen op de datum van formele registratie in de postkamer van het Europees Parlement.

Het financieringsbesluit wordt aan de begunstigde gericht op het volgende adres:

De heer/mevrouw […]

[Titel]

[Officiële benaming van de begunstigde organisatie]

[Volledig officieel adres]

Elke adreswijziging wordt onmiddellijk door de begunstigde schriftelijk aan het Europees Parlement meegedeeld.

Artikel I.8

Inwerkingtreding van het besluit

Het financieringsbesluit treedt in werking op de dag van de ondertekening namens het Europees Parlement.

II.   ALGEMENE VOORWAARDEN

DEEL A: JURIDISCHE EN ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN

Artikel II.1

Definities

Voor de toepassing van dit financieringsbesluit:

1.

activiteitenverslag”: schriftelijke onderbouwing van de gedurende de periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn gemaakte kosten. Bijvoorbeeld uitleg over activiteiten, administratieve kosten, enz. Het activiteitenverslag maakt deel uit van het jaarverslag;

2.

jaarverslag”: het verslag dat moet worden ingediend binnen zes maanden na het einde van het begrotingsjaar, overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en artikel 204 terdecies van het Financieel Reglement;

3.

financieringsbalans”: het verschil tussen het bedrag van de voorfinanciering overeenkomstig artikel I.5.1 en het definitieve financieringsbedrag dat is vastgesteld overeenkomstig artikel II.24.4;

4.

verrekening van voorfinanciering”: de situatie waarin het definitieve financieringsbedrag door de ordonnateur wordt vastgesteld en het bedrag dat aan de begunstigde wordt uitbetaald niet langer eigendom van de Unie is;

5.

belangenconflict”: de situatie waarin de onpartijdige en objectieve uitvoering van het financieringsbesluit door de begunstigde in het gedrang komt als gevolg van familie- of emotionele banden, nationale affiniteit, economische belangen of enig ander gedeeld belang met een derde die gelieerd is aan de inhoud van het financieringsbesluit. Politieke affiniteit vormt in principe geen grond voor een belangenconflict wanneer een overeenkomst wordt gesloten tussen de politieke partij en organisaties die dezelfde politieke waarden delen. Niettemin dient in het geval van een dergelijke overeenkomst artikel 22 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 te worden nageleefd;

6.

bijdragen in natura” of „giften in natura”: niet-financiële middelen die derden kosteloos ter beschikking van de begunstigde stellen overeenkomstig artikel 2, leden 7 en 8, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

7.

begrotingsjaar n” of „periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn”: de periode van tenuitvoerlegging van de activiteiten waarvoor de financiering is toegekend krachtens het financieringsbesluit, zoals aangegeven in artikel I.2;

8.

overmacht”: elke onvoorziene en uitzonderlijke situatie of gebeurtenis die plaatsvindt buiten de wil van de begunstigde of het Europees Parlement om, waardoor een van de partijen haar contractuele verplichtingen krachtens het financieringsbesluit niet kan nakomen, die niet te wijten is aan een fout of nalatigheid van een van de partijen of van de subcontractanten, verbonden entiteiten of derden die financiële steun ontvangen en die ondanks alle geleverde inspanningen onvermijdelijk blijkt. Niet als gevallen van overmacht worden beschouwd: arbeidsconflicten, stakingen, financiële problemen van of wanbetaling door een dienst, defecten aan uitrusting of materiaal dan wel vertraging bij het ter beschikking stellen daarvan, tenzij zij rechtstreeks het gevolg zijn van een vastgesteld geval van overmacht;

9.

formeel kennisgeven”: schriftelijk per post of elektronische post meedelen, met bewijs van ontvangst;

10.

fraude”: elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad en waarbij valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd of waarbij in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden;

11.

financiering”: „rechtstreekse financiële bijdragen” in de zin van Deel 2, titel VIII, van het Financieel Reglement en van hoofdstuk IV van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

12.

onregelmatigheid”: elke inbreuk op een bepaling van het Unierecht die voortvloeit uit een handeling of een nalaten van een begunstigde waardoor de begroting van de Unie wordt of zou kunnen worden benadeeld;

13.

eigen middelen”: externe financieringsbronnen andere dan financiering door de Unie. Bijvoorbeeld: donaties, bijdragen van leden (zoals gedefinieerd in artikel 2, punten 7 en 8, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014)) enz.;

14.

gelieerd persoon”: elke persoon die gemachtigd is de begunstigde te vertegenwoordigen of namens de begunstigde beslissingen te nemen;

15.

wezenlijke fout”: elke inbreuk op een bepaling van het financieringsbesluit die voortvloeit uit een handeling of een nalaten waardoor de begroting van de Europese Unie wordt of zou kunnen worden benadeeld.

Artikel II.2

Algemene verplichtingen van de begunstigde

De begunstigde:

a)

is als enige verantwoordelijk voor de naleving van alle op hem van toepassing zijnde wettelijke verplichtingen en draagt daarvoor de bewijslast;

b)

is gehouden alle schade te vergoeden die aan het Europees Parlement wordt toegebracht als gevolg van de uitvoering, met inbegrip van de gebrekkige uitvoering, van het financieringsbesluit, behalve indien sprake is van overmacht;

c)

is als enige aansprakelijk jegens derden, ook voor alle schade van welke aard ook die aan derden wordt toegebracht bij de uitvoering van het financieringsbesluit;

d)

stelt het Europees Parlement onmiddellijk in kennis van elke wijziging van zijn wettelijke, financiële, technische, organisatorische of eigendomssituatie en van elke wijziging van zijn naam, adres of wettelijk vertegenwoordiger;

e)

treft alle noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat er belangenconflicten ontstaan.

Artikel II.3

Verplichtingen in verband met de bankrekening

De in artikel I.6 bedoelde bankrekening of subrekening moet het mogelijk maken om de door het Europees Parlement betaalde bedragen te identificeren en moet uitsluitend gereserveerd zijn voor de ontvangst van de in artikel I.5 bedoelde, door het Europees Parlement betaalde bedragen.

Indien de bedragen die via voorfinanciering op deze rekening zijn gestort, rente of vergelijkbare voordelen opleveren volgens het recht van de lidstaat op wiens grondgebied de rekening geopend is, worden deze rente of voordelen door het Europees Parlement teruggevorderd onder de voorwaarden die vermeld worden in artikel II.25, overeenkomstig artikel 204 duodecies, lid 5, van het Financieel Reglement.

In geen geval mogen de door het Europees Parlement betaalde bedragen worden gebruikt voor speculatieve doeleinden.

De voorfinanciering blijft eigendom van de Unie totdat zij is verrekend met het definitieve financieringsbedrag.

Artikel II.4

Aansprakelijkheid voor schade

Het Europees Parlement is niet aansprakelijk voor schade van welke aard ook die door de begunstigde wordt veroorzaakt of geleden, met inbegrip van schade die aan derden wordt toegebracht bij of als gevolg van de uitvoering van dit financieringsbesluit.

Behalve in gevallen van overmacht vergoedt de begunstigde of de aan hem gelieerde persoon alle schade die aan het Europees Parlement wordt toegebracht als gevolg van de uitvoering van het financieringsbesluit of omdat het financieringsbesluit niet volledig overeenkomstig de bepalingen ervan is uitgevoerd.

Artikel II.5

Vertrouwelijkheid

Tenzij anders is bepaald in dit financieringsbesluit, in artikel 32 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en in andere toepasselijke rechtshandelingen van de Unie, verbinden het Europees Parlement en de begunstigde zich tot vertrouwelijke behandeling van alle documenten, informatie en andere gegevens die direct in verband staan met het voorwerp van dit financieringsbesluit.

Artikel II.6

Verwerking van persoonsgegevens

In het kader van dit financieringsbesluit verzamelde persoonsgegevens worden overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (6) verwerkt.

Dergelijke gegevens worden uitsluitend verwerkt ten behoeve van de uitvoering van en voortgangscontrole op het financieringsbesluit, behoudens de mogelijkheid dat zij worden meegedeeld aan de organen die volgens het Unierecht verantwoordelijk zijn voor controle en auditing.

Artikel II.7

Bewaren van gegevens

Overeenkomstig artikel 204 sexdecies van het Financieel Reglement bewaart de begunstigde alle gegevens en bewijsstukken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het financieringsbesluit tot vijf jaar na het indienen van het jaarverslag met inbegrip van de jaarrekeningen zoals bedoeld in artikel 204 terdecies, lid 1, van het Financieel Reglement.

Gegevens met betrekking tot audits, beroepsprocedures, geschillen of de afwikkeling van claims die voortvloeien uit het gebruik van de financiering, worden bewaard tot deze audits, beroepsprocedures, geschillen of afwikkelingen van claims tot een einde zijn gebracht.

Artikel II.8

Zichtbaarheid van financiering door de Unie

II.8.1.   Informatie over financiering door de Unie

Behoudens andersluidend verzoek of akkoord van het Europees Parlement wordt in elke mededeling of publicatie door de begunstigde welke betrekking heeft op het financieringsbesluit, ook op conferenties of seminars dan wel in voorlichtings- of reclamemateriaal (zoals brochures, flyers, posters, presentaties, in elektronische vorm, enz.), aangegeven dat het programma financiële steun van het Europees Parlement heeft ontvangen.

II.8.2.   Afwijzing van aansprakelijkheid van het Europees Parlement

In elke mededeling of publicatie van de begunstigde, in ongeacht welke vorm of medium, moet worden vermeld dat deze alleen de auteur bindt en dat het Europees Parlement niet aansprakelijk is voor het gebruik dat zou kunnen worden gemaakt van de in deze mededeling of publicatie vermelde informatie.

II.8.3.   Bekendmaking van informatie door het Europees Parlement

Het Europees Parlement maakt alle informatie overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bekend op een website.

Artikel II.9

Gunning van overeenkomsten door de begunstigde

II.9.1.   Beginselen

Overeenkomstig artikel 204 ter, lid 2, van het Financieel Reglement mag financiering worden gebruikt voor het vergoeden van uitgaven met betrekking tot door de begunstigde gesloten overeenkomsten, op voorwaarde dat er geen belangenconflicten waren toen de overeenkomsten werden gegund.

Voor overeenkomsten met een waarde van meer dan 60 000 EUR per leverancier en per goed of dienst vergelijkt de begunstigde ten minste drie offertes die zijn ontvangen naar aanleiding van een schriftelijke uitnodiging tot het indienen van offertes waarin de vereisten van de aanbesteding uitvoerig worden beschreven. De looptijd van de betrokken overeenkomsten mag niet meer bedragen dan vijf jaar.

Indien na de schriftelijke uitnodiging tot het indienen van offertes minder dan drie offertes worden ontvangen, dient de begunstigde te bewijzen dat het onmogelijk was voor de opdracht in kwestie meer offertes te verkrijgen.

II.9.2.   Bewaren van gegevens

De begunstigde documenteert de evaluatie van de offertes en staaft de keuze van de uiteindelijke leverancier met een schriftelijke motivering.

II.9.3.   Controle

De begunstigde zorgt ervoor dat het Europees Parlement, de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, de Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) hun controlerende bevoegdheden krachtens hoofdstuk V van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en artikel 204 quindecies van het Financieel Reglement kunnen uitoefenen. De begunstigde zorgt ervoor dat overeenkomsten die gesloten worden met derden voorzien in de mogelijkheid dat die controlerende bevoegdheden ook mogen worden uitgeoefend jegens die derden.

II.9.4.   Aansprakelijkheid

De begunstigde is als enige verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van het financieringsbesluit en de naleving van de bepalingen van het financieringsbesluit. De begunstigde verbindt zich ertoe alle nodige regelingen te treffen om ervoor te zorgen dat de uitvoerder van de opdracht afstand doet van alle rechten jegens het Europees Parlement uit hoofde van het financieringsbesluit.

Artikel II.10

Overmacht

Indien het Europees Parlement of de begunstigde wordt geconfronteerd met een situatie van overmacht, stelt betrokkene onverwijld de ander op de hoogte per aangetekende brief met bewijs van ontvangst of op gelijkwaardige wijze, met vermelding van de aard, de vermoedelijke duur en de te verwachten effecten van die situatie.

Het Europees Parlement en de begunstigde stellen alles in het werk om eventuele schade als gevolg van een situatie van overmacht tot een minimum te beperken.

Noch het Europees Parlement noch de begunstigde wordt geacht in gebreke te zijn gebleven bij de nakoming van een verplichting uit hoofde van het financieringsbesluit, wanneer de oorzaak gelegen is in overmacht.

Artikel II.11

Opschorting van de betaling van de financiering

II.11.1.   Gronden voor opschorting

Het Europees Parlement is gemachtigd de betaling van de financiering overeenkomstig de toepasselijke regels van het Financieel Reglement op te schorten in de volgende gevallen:

i)

indien het vermoedt dat de begunstigde de verplichtingen met betrekking tot het gebruik van de bijdragen zoals vastgelegd in artikel 204 duodecies van het Financieel Reglement, niet heeft nageleefd, en wel totdat dit vermoeden is geverifieerd, of

ii)

indien aan de begunstigde financiële sancties zijn opgelegd als bepaald in artikel 27, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, en wel totdat de financiële sancties zijn betaald.

II.11.2.   Procedure voor opschorting

Stap 1 — Alvorens de betaling op te schorten stuurt het Europees Parlement de begunstigde een formele kennisgeving van zijn voornemen om de betaling op te schorten, waarin het de redenen hiervoor vermeldt en de begunstigde verzoekt binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van die kennisgeving opmerkingen in te dienen.

Stap 2 — Indien het Europees Parlement, nadat de termijn om opmerkingen in te dienen is verstreken, besluit de opschortingsprocedure niet voort te zetten, stelt het de begunstigde in kennis van dat besluit.

Indien het Europees Parlement, nadat de termijn om opmerkingen in te dienen is verstreken, besluit de opschortingsprocedure voort te zetten, geeft het de begunstigde formeel kennis hiervan middels een met redenen omkleed besluit tot opschorting dat de volgende informatie bevat:

i)

de vermoedelijke datum van voltooiing van de noodzakelijke controle in het in artikel II.11.1, onder i), bedoelde geval, en

ii)

eventuele rechtsmiddelen.

II.11.3.   Gevolgen van de opschorting

De opschorting van de betaling heeft tot gevolg dat de begunstigde geen betalingen van het Europees Parlement mag ontvangen totdat de in artikel II.11.2, onder stap 2, onder i), bedoelde controle is verricht of de grond voor opschorting komt te vervallen. Dit geldt onverminderd het recht van het Europees Parlement om de financiering te beëindigen of het financieringsbesluit in te trekken.

II.11.4.   Hervatting van de betaling

Zodra de grond voor opschorting van de betaling is komen te vervallen, worden alle desbetreffende betalingen hervat en stuurt het Europees Parlement een kennisgeving daarvan aan de begunstigde.

Artikel II.12

Intrekking van het financieringsbesluit door het Europees Parlement

II.12.1.   Gronden voor intrekking

Het Europees Parlement is gemachtigd om het financieringsbesluit in te trekken op basis van een besluit van de Autoriteit om de begunstigde uit het register te schrappen, behalve in gevallen als bedoeld in de derde alinea van artikel 30, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

II.12.2.   Procedure voor intrekking

Stap 1 — Alvorens het financieringsbesluit in te trekken stuurt het Europees Parlement de begunstigde een formele kennisgeving van zijn voornemen om het financieringsbesluit in te trekken, waarin het de redenen hiervoor vermeldt en de begunstigde verzoekt binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van die kennisgeving opmerkingen in te dienen.

Stap 2 — Indien het Europees Parlement, na het verstrijken van de termijn om opmerkingen in te dienen, besluit het financieringsbesluit niet in te trekken, stelt het de begunstigde in kennis van dat besluit.

Indien het Europees Parlement, nadat de termijn om opmerkingen in te dienen is verstreken, besluit het financieringsbesluit in te trekken, geeft het de begunstigde formeel kennis hiervan middels een met redenen omkleed besluit tot intrekking.

Ten onrechte aan de begunstigde betaalde bedragen worden teruggevorderd overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Financieel Reglement.

II.12.3.   Gevolgen van de intrekking

Het besluit tot intrekking van het financieringsbesluit geldt met terugwerkende kracht vanaf de datum waarop het financieringsbesluit is vastgesteld.

Artikel II.13

Beëindiging van het financieringsbesluit

II.13.1.   Beëindiging op verzoek van de begunstigde

De begunstigde kan verzoeken om beëindiging van het financieringsbesluit.

De begunstigde stelt het Europees Parlement formeel in kennis van de beëindiging, met vermelding van:

a)

de gronden voor de beëindiging, en

b)

de datum waarop de beëindiging van kracht wordt, die niet vroeger mag zijn dan de datum waarop de formele kennisgeving is verstuurd.

De beëindiging treedt in werking op de dag die in het besluit tot beëindiging wordt genoemd.

II.13.2.   Beëindiging door het Europees Parlement

a)   Gronden voor beëindiging

Het Europees Parlement is gemachtigd het financieringsbesluit te beëindigen in elk van de volgende gevallen:

a)

op basis van een besluit van de Autoriteit om de begunstigde uit het register te schrappen, in de gevallen als bedoeld in de derde alinea van artikel 30, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

b)

indien de begunstigde niet langer voldoet aan artikel 18, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

c)

indien het Europees Parlement vaststelt dat de begunstigde de verplichtingen met betrekking tot het gebruik van de bijdragen zoals vastgelegd in artikel 204 duodecies van het Financieel Reglement, niet heeft nageleefd;

d)

indien de begunstigde failliet is verklaard of in een vereffeningsprocedure of enige andere vergelijkbare procedure is verwikkeld.

b)   Procedure voor beëindiging

Stap 1 — Alvorens het financieringsbesluit te beëindigen stuurt het Europees Parlement de begunstigde een formele kennisgeving van zijn voornemen om het financieringsbesluit te beëindigen, waarin het de redenen hiervoor vermeldt en de begunstigde verzoekt binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van die kennisgeving opmerkingen in te dienen.

Stap 2 — Indien het Europees Parlement, na het verstrijken van de termijn om opmerkingen in te dienen, besluit het financieringsbesluit niet te beëindigen stelt het de begunstigde in kennis van dat besluit.

Indien het Europees Parlement, na het verstrijken van de termijn om opmerkingen in te dienen, besluit het financieringsbesluit te beëindigen, stelt het de begunstigde formeel in kennis hiervan middels een met redenen omkleed besluit tot beëindiging.

De beëindiging treedt in werking op de in het besluit tot beëindiging vermelde dag.

II.13.3.   Gevolgen van de beëindiging

Het besluit tot beëindiging van het financieringsbesluit treedt ex nunc in werking. De kosten die door de begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt vanaf de dag van inwerkingtreding van het besluit tot beëindiging, worden als niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven beschouwd.

Artikel II.14

Toewijzing

De begunstigde mag geen enkele van zijn vorderingen ten aanzien van het Europees Parlement toewijzen aan een derde, behalve indien het Europees Parlement dit vooraf heeft goedgekeurd op basis van een gemotiveerd, schriftelijk verzoek van de begunstigde.

Indien de toewijzing niet schriftelijk wordt aanvaard door het Europees Parlement of indien de voorwaarden van die aanvaarding niet zijn nageleefd, heeft de toewijzing geen rechtsgevolgen.

In geen geval kan een toewijzing de begunstigde ontslaan van zijn verplichtingen jegens het Europees Parlement.

Artikel II.15

Achterstandsrente

Indien het Europees Parlement de betaling niet binnen de betalingstermijn verricht, heeft de begunstigde recht op achterstandsrente tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank hanteert voor haar basisherfinancieringsoperaties in EUR („de referentievoet”), verhoogd met drieënhalf procentpunt. De referentievoet is de rentevoet die geldt op de eerste dag van de maand waarin de betalingstermijn verstrijkt, zoals bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

Indien het Europees Parlement de betaling opschort zoals bedoeld in artikel II.11, mogen deze handelingen niet worden beschouwd als gevallen van laattijdige betaling.

De achterstandsrente geldt voor de periode vanaf de dag na afloop van de betalingstermijn tot en met de datum van daadwerkelijke uitbetaling.

Als uitzondering op de eerste alinea geldt dat, wanneer het berekende rentebedrag lager of gelijk is aan 200 EUR, het Europees Parlement alleen verplicht is dit bedrag aan de begunstigde te betalen indien de begunstigde hierom verzoekt binnen twee maanden na de ontvangst van de te late betaling.

Artikel II.16

Toepasselijk recht

Dit financieringsbesluit valt onder het toepasselijk recht van de Unie, en met name Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en de toepasselijke bepalingen van het Financieel Reglement, die ten volle gelden. Zij worden in voorkomend geval aangevuld door het nationaal recht van de lidstaat waar de begunstigde is gevestigd.

Artikel II.17

Recht te worden gehoord

In de gevallen waarin de begunstigde krachtens dit financieringsbesluit het recht heeft om opmerkingen te maken, krijgt hij een termijn van tien werkdagen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, om zijn schriftelijke opmerkingen te doen toekomen. Deze periode kan, op basis van een met redenen omkleed verzoek van de begunstigde, eenmalig met nog eens tien werkdagen worden verlengd.

DEEL B: FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel II.18

Voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven

II.18.1.   Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor vergoeding uit Uniemiddelen, en in overeenstemming met artikel 204 duodecies van het Financieel Reglement, moeten de kosten voldoen aan de volgende criteria:

a)

zij moeten direct verband houden met het voorwerp van het financieringsbesluit en opgevoerd zijn in de geraamde begroting die als bijlage bij het financieringsbesluit is gevoegd;

b)

zij moeten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het financieringsbesluit;

c)

zij moeten redelijk en gerechtvaardigd zijn en voldoen aan het beginsel van goed financieel beheer, met name wat zuinigheid en efficiëntie betreft;

d)

zij moeten worden gemaakt gedurende de periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn zoals omschreven in artikel I.2, met uitzondering van kosten die verband houden met jaarverslagen en certificaten over de afrekening en de daaraan ten grondslag liggende rekeningen;

e)

zij moeten effectief gemaakt zijn door de begunstigde;

f)

zij moeten identificeerbaar en verifieerbaar zijn en vermeld zijn in de rekeningen van de begunstigde overeenkomstig de daarop toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen;

g)

zij moeten voldoen aan de vereisten van de toepasselijke fiscale en socialezekerheidswetgeving;

h)

zij moeten voldoen aan de eerste alinea van artikel II.9.1 en, als algemene regel, aan de tweede alinea van artikel II.9.1.

De procedures van de begunstigde voor boekhouding en interne controle moeten het mogelijk maken de in het jaarverslag opgegeven kosten en ontvangsten rechtstreeks te vergelijken met de accountantsverklaringen en de overeenkomstige bewijsstukken.

II.18.2.   Voorbeelden van voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven

Voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven zijn met name de volgende operationele kosten voor zover zij beantwoorden aan de in artikel II.18.1 genoemde criteria en onverminderd artikel 204 duodecies van het Financieel Reglement:

a)

administratieve kosten en kosten in verband met technische assistentie, vergaderingen, onderzoek, grensoverschrijdende manifestaties, studies, informatie en publicaties;

b)

personeelskosten met inbegrip van de reële salarissen, de socialezekerheidsbijdragen en andere wettelijke kosten die tot de verloning behoren, voor zover deze het gemiddelde niveau van het gebruikelijke verloningsbeleid van de begunstigde niet overstijgen;

c)

reis- en verblijfskosten van het personeel, voor zover zij overeenkomen met de gebruikelijke praktijk van de begunstigde op het gebied van reiskosten;

d)

de afschrijvingskosten van materieel en andere activa (nieuw of tweedehands) zoals vermeld in de boekhoudkundige staat van de begunstigde, mits het actief:

i)

is afgeschreven overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen en de gebruikelijke boekhoudkundige methoden van de begunstigde, en

ii)

is aangekocht overeenkomstig de eerste alinea van artikel II.9.1 en, als algemene regel, de tweede alinea van artikel II.9.1, indien de aankoop heeft plaatsgehad binnen de periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn;

e)

kosten van verbruiksartikelen en benodigdheden en andere contracten, mits deze:

i)

zijn aangekocht overeenkomstig de eerste alinea van artikel II.9.1 en, als algemene regel, de tweede alinea van artikel II.9.1, en

ii)

direct zijn toegewezen aan het voorwerp van het financieringsbesluit;

f)

kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de door het financieringsbesluit opgelegde vereisten, met inbegrip van, in voorkomend geval, de kosten van financiële diensten (met name de kosten van financiële garanties) mits de desbetreffende diensten zijn aangekocht overeenkomstig de eerste alinea van artikel II.9.1 en, als algemene regel, overeenkomstig de tweede alinea van artikel II.9.1;

g)

financiële steun voor de volgende verbonden entiteiten van de begunstigde: [vul de namen van de verbonden entiteiten in, zoals jongeren- en vrouwenorganisaties, zoals vermeld bij het verzoek om financiering] op voorwaarde dat de financiële steun voor elke entiteit niet meer dan 100 000 EUR bedraagt, dat het gebruikt wordt door de verbonden entiteit voor voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven, dat een aan de verbonden entiteit betaald forfaitair bedrag niet meer dan een vierde van de totale financiële steun aan die entiteit bedraagt, en dat de begunstigde een eventuele terugbetaling van dergelijke financiële steun waarborgt.

Artikel II.19

Niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven

Onverminderd artikel II.18.1 van onderhavig besluit en artikel 204 duodecies van het Financieel Reglement, worden de volgende kosten beschouwd als niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven:

a)

rendement op kapitaal en door de begunstigde uitgekeerde dividenden;

b)

schulden en schuldenlasten;

c)

voorzieningen voor verliezen of schulden;

d)

debetrente;

e)

dubieuze schuldvorderingen;

f)

koersverliezen;

g)

kosten van transfers van het Europees Parlement die door de bank van de begunstigde in rekening zijn gebracht;

h)

kosten die door de begunstigde worden gedeclareerd in het kader van een andere uit de begroting van de Unie gesubsidieerde actie;

i)

bijdragen in natura;

j)

buitensporige of ondoordachte kosten;

k)

aftrekbare btw;

l)

verboden financiering van bepaalde derden overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en artikel 204 ter, lid 3, van het Financieel Reglement.

Artikel II.20

Bijdragen in natura

Het Europees Parlement staat toe dat de begunstigde bijdragen in natura ontvangt tijdens de uitvoering van het financieringsbesluit, op voorwaarde dat de waarde van die bijdragen niet hoger is dan:

a)

de daadwerkelijk gedragen kosten die naar behoren worden gestaafd door boekhoudkundige documenten van derden die deze bijdragen aan begunstigde gratis hebben geleverd, maar de kosten ervan op zich nemen;

b)

indien dergelijke stukken ontbreken, de kosten die overeenstemmen met de op de desbetreffende markt algemeen aanvaarde kosten;

c)

hun in de geraamde begroting aanvaarde waarde;

d)

50 % van de in de geraamde begroting aanvaarde eigen middelen.

Bijdragen in natura:

a)

worden in de begrotingsraming afzonderlijk vermeld om een beeld te geven van de totale middelen;

b)

voldoen aan de bepalingen van artikel 20 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, alsook aan de nationale bepalingen inzake belastingen en sociale zekerheid;

c)

worden alleen op voorlopige basis aanvaard en zijn onderworpen aan certificatie door een externe controleur en aan aanvaarding in het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag;

d)

worden niet gegeven in de vorm van onroerende goederen.

Artikel II.21

Begrotingsoverschrijvingen

De begunstigde wordt toegestaan de in de bijlage genoemde geraamde begroting aan te passen door middel van overschrijvingen tussen verschillende begrotingscategorieën. Voor deze aanpassing is een wijziging van het financieringsbesluit niet vereist. Dergelijke overschrijvingen worden gerechtvaardigd in het jaarverslag.

Artikel II.22

Rapportageverplichtingen

II.22.1.   Jaarverslag

Bij voorkeur tegen 15 mei en niet later dan 30 juni na afloop van begrotingsjaar n dient de begunstigde een jaarverslag in dat als volgt is samengesteld:

a)

de jaarrekeningen en begeleidende nota's met betrekking tot ontvangsten en kosten, activa en passiva bij aanvang en bij afsluiting van het begrotingsjaar, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving in de lidstaat waar de zetel van de begunstigde is gevestigd;

b)

de jaarrekeningen op basis van de internationale standaarden voor jaarrekeningen als omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (7);

c)

de overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 overgelegde lijst van donateurs en contribuanten en hun respectieve donaties of bijdragen;

d)

het activiteitenverslag;

e)

het financieel memorandum op basis van de structuur van de geraamde begroting;

f)

de gedetailleerde rekeningen van de ontvangsten, kosten, activa en passiva;

g)

de overeenstemming van het in punt e) genoemde financieel memorandum met de in punt f) genoemde gedetailleerde rekeningen;

h)

de lijst van leveranciers die in het betreffende begrotingsjaar meer dan 10 000 EUR in rekening hebben gebracht aan de begunstigde, met vermelding van de naam en het adres van de leveranciers, alsook een beschrijving van de geleverde goederen of diensten.

Het jaarverslag moet voldoende informatie bevatten om het definitieve financieringsbedrag te kunnen vaststellen.

II.22.2.   Externe-auditverslag

Het Europees Parlement ontvangt rechtstreeks van de onafhankelijke instanties of deskundigen die zijn aangewezen uit hoofde van artikel 23, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, het externe-auditverslag zoals omschreven in artikel 23, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

De externe audit heeft tot doel de betrouwbaarheid van de financiële memoranda en de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven te certificeren, en met name te certificeren dat:

a)

de financiële memoranda zijn opgesteld overeenkomstig de op de begunstigde toepasselijke nationale regelgeving, dat zij vrij zijn van feitelijke onjuistheden en dat hierin een juist en eerlijk beeld wordt gegeven van de financiële positie en de operationele resultaten;

b)

de financiële memoranda zijn opgesteld overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen als omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002;

c)

de gedeclareerde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt;

d)

alle ontvangsten zijn opgevoerd;

e)

de door de begunstigde bij het Parlement ingediende financiële stukken conform de financiële bepalingen van het financieringsbesluit zijn;

f)

voldaan is aan de verplichtingen die voortvloeien uit Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, met name artikel 20;

g)

voldaan is aan de verplichtingen die voortvloeien uit het financieringsbesluit, met name artikel II.9 en artikel II.18;

h)

de bijdragen in natura daadwerkelijk aan de begunstigde zijn bezorgd en overeenkomstig de toepasselijke regelgeving zijn getaxeerd;

i)

het ongebruikte deel van de Uniemiddelen is overgedragen naar het volgende begrotingsjaar;

j)

het ongebruikte deel van de Uniemiddelen is gebruikt overeenkomstig artikel 204 duodecies, lid 2, van het Financieel Reglement;

k)

een eventueel overschot aan eigen middelen is overgeschreven naar de reserve.

Artikel II.23

Besluit inzake het jaarverslag

Uiterlijk op 30 september van het jaar volgend op begrotingsjaar n, wordt het jaarverslag door het Europees Parlement goedgekeurd of verworpen zoals omschreven in artikel II.22.1.

Bij uitblijven van een schriftelijke reactie van het Europees Parlement gedurende een periode van zes maanden na ontvangst van het jaarverslag, wordt het jaarverslag geacht te zijn goedgekeurd.

De goedkeuring van het jaarverslag doet geen afbreuk aan de vaststelling van het definitieve financieringsbedrag overeenkomstig artikel II.24 waarbij het Europees Parlement een definitief besluit neemt over de subsidiabiliteit van de kosten.

Het Europees Parlement kan de begunstigde om aanvullende informatie verzoeken om een besluit over het jaarverslag te kunnen nemen. In geval van een dergelijk verzoek wordt de termijn voor het besluit over het jaarverslag verlengd tot de gevraagde informatie is ontvangen en beoordeeld door het Europees Parlement.

Indien het jaarverslag grote tekortkomingen vertoont, kan het Europees Parlement dit verwerpen zonder de begunstigde om aanvullende informatie te verzoeken en kan het de begunstigde verzoeken een nieuw verslag in te dienen binnen een termijn van 15 werkdagen.

Verzoeken om aanvullende informatie of een nieuw verslag worden schriftelijk aan de begunstigde gericht.

Indien het jaarverslag dat aanvankelijk was ingediend, wordt verworpen en om een nieuw verslag wordt verzocht is de in dit artikel beschreven goedkeuringsprocedure van toepassing op het nieuwe verslag.

Artikel II.24

Besluit inzake het definitieve financieringsbedrag

II.24.1.   Impact van het jaarverslag

Het besluit van het Europees Parlement tot vaststelling van het definitieve financieringsbedrag wordt gebaseerd op het overeenkomstig artikel II.23 goedgekeurde jaarverslag. Indien het Europees Parlement het jaarverslag definitief verwerpt of indien de begunstigde geen jaarverslag indient binnen de toepasselijke termijnen, kunnen geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten worden vastgesteld bij het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag.

II.24.2.   Drempel

Het definitieve financieringsbedrag is beperkt tot het in artikel I.4 genoemde bedrag. Het bedraagt niet meer dan 85 % van de voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven die in de geraamde begroting zijn aangegeven en niet meer dan 85 % van de voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven die daadwerkelijk zijn gemaakt.

II.24.3.   Overdracht van ongebruikte financiering

Het gedeelte van de bijdrage dat niet is gebruikt binnen begrotingsjaar n waarvoor deze bijdrage was toegekend, wordt overgedragen naar begrotingsjaar n+1 en wordt vóór 31 december van jaar n+1 gebruikt voor voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven. De resterende bedragen van de bijdragen uit het voorgaande jaar worden niet gebruikt om het gedeelte van de uitgaven dat de Europese politieke partijen met hun eigen middelen moeten financieren te financieren.

De begunstigde gebruikt eerst het gedeelte van de bijdrage dat niet is gebruikt binnen het begrotingsjaar waarvoor deze bijdrage was toegekend, en pas dan bijdragen die na dat jaar zijn toegekend.

II.24.4.   Besluit inzake het definitieve financieringsbedrag

Het Europees Parlement controleert jaarlijks of de uitgaven in overeenstemming zijn met de bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, het Financieel Reglement en het financieringsbesluit. Het Parlement neemt elk jaar een besluit over het definitieve financieringsbedrag, dat naar behoren gemeld wordt aan de begunstigde.

Indien het in artikel I.4 vastgestelde financieringsbedrag volledig gebruikt is in begrotingsjaar n, wordt het definitieve financieringsbedrag vastgesteld na de afsluiting van dat begrotingsjaar, in jaar n+1.

In geval van een overdracht van ongebruikte financiering naar begrotingsjaar n+1 overeenkomstig artikel II.24.3, wordt het definitieve financieringsbedrag van jaar n als volgt vastgesteld:

Stap 1 : In jaar n+1 neemt het Europees Parlement een besluit over de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van begrotingsjaar n en het eerste deel van het definitieve financieringsbedrag van jaar n, dat overeenkomt met die kosten. Daarnaast stelt het Europees Parlement het bedrag van de ongebruikte voor begrotingsjaar n toegekende financiering vast dat moet worden overgedragen naar begrotingsjaar n+1.

Stap 2 : In jaar n+2 neemt het Europees Parlement een besluit over de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van begrotingsjaar n+1 en bepaalt het welke van deze kosten zullen worden gedekt door de ongebruikte financiering die is overgedragen naar begrotingsjaar n+1 (tweede deel van het definitieve financieringsbedrag).

Het definitieve financieringsbedrag van jaar n is de som van de in stap 1 en stap 2 vastgestelde bedragen.

Op het moment waarop het definitieve financieringsbedrag wordt vastgesteld heeft de verrekening van voorfinanciering plaats. In geval van een overdracht heeft een gedeeltelijke verrekening van voorfinanciering plaats bij elk van de hoger genoemde stappen.

II.24.5.   Invordering van niet-uitgegeven financiering

Het resterende gedeelte van de voor het jaar n toegekende bijdrage dat niet is gebruikt tegen het eind van het jaar n+1, wordt teruggevorderd overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 5, van Deel I van het Financieel Reglement.

II.24.6.   Financieringsbalans

Indien de uitbetaalde voorfinanciering hoger is dan het definitieve financieringsbedrag, vordert het Europees Parlement de ten onrechte betaalde voorfinanciering terug.

Indien het definitieve financieringsbedrag hoger is dan de uitbetaalde voorfinanciering, betaalt het Europees Parlement het verschil.

II.24.7.   Overschot van eigen middelen

a)   Opbouw van een bijzondere reserve

De begunstigde kan een bijzondere reserve opbouwen van het overschot van eigen middelen.

Het overschot van eigen middelen dat moet worden overgedragen naar de bijzondere reserverekening is het bedrag aan eigen middelen dat hoger ligt dan het bedrag aan eigen middelen dat nodig is voor het dekken van 15 % van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt in begrotingsjaar n. De begunstigde moet eerder de niet voor vergoeding in aanmerking komende kosten van begrotingsjaar n uitsluitend met zijn eigen middelen hebben gedekt.

De reserve wordt uitsluitend gebruikt voor de medefinanciering van voor vergoeding in aanmerking komende en niet voor vergoeding in aanmerking komende kosten die tijdens de uitvoering van eventuele toekomstige financieringsbesluiten door eigen middelen moeten worden gedekt.

b)   Winst

Winst wordt gedefinieerd als een overschot aan inkomsten over uitgaven.

Inkomsten zijn onder meer de financiering uit de begroting van de Unie en de eigen middelen van de begunstigde.

Bijdragen van derden aan gezamenlijke evenementen worden niet beschouwd als een deel van de eigen middelen van de begunstigde. Bovendien mag de begunstigde geen andere financiering uit de begroting van de Unie ontvangen, rechtstreeks noch onrechtstreeks. In het bijzonder zijn donaties uit de begrotingen van fracties in het Europees Parlement verboden.

Het naar de bijzondere reserve overgedragen overschot wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de winst.

c)   Terugvordering

De financiering mag de begunstigde geen winst opleveren. Het Europees Parlement heeft het recht het percentage van de winst terug te vorderen dat overeenkomt met de bijdrage van de Unie aan de voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Artikel II.25

Renteopbrengsten uit voorfinanciering

De begunstigde stelt het Europees Parlement in kennis van het bedrag aan rente of vergelijkbare voordelen die de van het Europees Parlement ontvangen voorfinanciering heeft opgeleverd.

Het Europees Parlement brengt bij de berekening van het definitieve financieringsbedrag de rente uit voorfinanciering in mindering. De rente wordt niet opgenomen in de eigen middelen.

Artikel II.26

Terugvordering

Wanneer bedragen ten onrechte aan de begunstigde zijn uitbetaald of wanneer een terugvorderingsprocedure overeenkomstig de voorwaarden van het financieringsbesluit, Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 of het Financieel Reglement gerechtvaardigd is, betaalt de begunstigde de betrokken bedragen terug aan het Europees Parlement onder de door het Europees Parlement vastgestelde voorwaarden en binnen de door het Europees Parlement vastgestelde termijn.

II.26.1.   Achterstandsrente

Indien de begunstigde binnen de door het Europees Parlement vastgestelde termijn niet heeft betaald, verhoogt het Europees Parlement de verschuldigde bedragen met achterstandsrente tegen de in artikel II.15 vermelde rentevoet. De achterstandsrente heeft betrekking op de periode die loopt van de dag na het verstrijken van de termijn voor betaling tot en met de dag waarop de betaling van het volledige verschuldigde bedrag door het Europees Parlement is ontvangen.

Gedeeltelijke betaling wordt eerst aangerekend op de kosten en de achterstandsrente, en pas daarna op de hoofdsom.

II.26.2.   Compensatie

Indien niet binnen de vastgestelde termijn is betaald, kan terugvordering van de aan het Europees Parlement verschuldigde bedragen geschieden door compensatie met bedragen die uit welken hoofde ook aan de begunstigde verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 80 van het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften ervan. In uitzonderlijke gevallen, die door het vrijwaren van de financiële belangen van de Unie worden gemotiveerd, kan het Europees Parlement middels compensatie terugvorderen vóór de geplande betalingsdatum. Voorafgaande instemming van de begunstigde is niet vereist.

II.26.3.   Bankkosten

De bankkosten in verband met de terugvordering van aan het Europees Parlement verschuldigde bedragen komen volledig ten laste van de begunstigde.

Artikel II.27

Financiële garantie

Indien het Europees Parlement in overeenstemming met artikel 204 undecies van het Financieel Reglement om een financiële garantie verzoekt, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

a)

de financiële garantie wordt verstrekt door een bank of een erkende financiële instelling of, op verzoek van de begunstigde en met instemming van het Europees Parlement, door een derde;

b)

de garant is op eerste vordering hoofdelijk aansprakelijk en verlangt niet van het Europees Parlement dat het zich eerst tot de hoofdschuldenaar (de betrokken begunstigde) wendt, en

c)

de financiële garantie blijft uitdrukkelijk van kracht tot de voorfinanciering is verrekend met de tussentijdse betalingen of de betaling van het restbedrag door het Europees Parlement; indien de betaling van het restbedrag de vorm aanneemt van een terugvordering, blijft de financiële garantie van kracht tot de schuld als volledig vereffend is beschouwd; en het Europees Parlement geeft de garantie vrij in de loop van de daaropvolgende maand.

Artikel II.28

Controle

II.28.1.   Algemene bepalingen

Binnen de grenzen van hun bevoegdheden en in overeenstemming met hoofdstuk V van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en artikel 204 quindecies, lid 1, van het Financieel Reglement, kunnen het Europees Parlement en de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen op elk moment hun respectieve controlerende bevoegdheden uitoefenen om na te gaan of de begunstigde de in het financieringsbesluit, in Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en in het Financieel Reglement vastgelegde verplichtingen volledig nakomt.

De begunstigde werkt naar behoren samen met de bevoegde autoriteiten en verstrekt alle noodzakelijke ondersteuning voor het uitvoeren van de controle.

Het Europees Parlement en de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen kunnen deze controle delegeren aan externe instanties die naar behoren gemachtigd zijn om namens hen op te treden („de gemachtigde instanties”).

II.28.2.   Verplichting tot het bewaren van documenten

Gedurende een periode van vijf jaar die ingaat op de datum van indiening van het jaarverslag, bewaart de begunstigde op een geschikt medium alle originele documenten, en met name boekhoudkundige en fiscale stukken, met inbegrip van gedigitaliseerde originelen wanneer dat door het desbetreffende nationaal recht en onder de daarin vastgestelde voorwaarden is toegestaan.

De in de eerste alinea genoemde periode van vijf jaar geldt niet indien er audits, beroepsprocedures, geschillen of claims lopen met betrekking tot de financiering. In deze gevallen bewaart de begunstigde de documenten tot deze audits, beroepsprocedures, geschillen of claims zijn afgehandeld.

II.28.3.   Verplichting tot het verstrekken van documenten en/of informatie

De begunstigde verstrekt alle documenten en/of informatie, ook informatie in elektronisch formaat, waarom het Europees Parlement, de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen of de gemachtigde instantie („de bevoegde autoriteit”) verzoeken.

Alle door de begunstigde verstrekte documenten of informatie worden overeenkomstig artikel II.6 verwerkt.

II.28.4.   Bezoeken ter plaatse

De bevoegde autoriteit kan bezoeken ter plaatse uitvoeren in de gebouwen van de begunstigde. Daartoe kan zij schriftelijk verzoeken dat de begunstigde een passende regeling voor dit bezoek treft, binnen een passende termijn die door de bevoegde autoriteit wordt bepaald.

Tijdens bezoeken ter plaatse verleent de begunstigde de bevoegde autoriteit toegang tot de terreinen en gebouwen waar de operatie wordt of werd uitgevoerd alsook tot alle noodzakelijke informatie, ook informatie in elektronisch formaat.

De begunstigde zorgt ervoor dat de informatie op het moment van het bezoek ter plaatse vlot beschikbaar zijn en dat de gevraagde informatie in een passend formaat worden overhandigd.

II.28.5.   Auditprocedure van hoor en wederhoor

Op basis van de bevindingen van de controleprocedure stelt het Europees Parlement een voorlopig auditverslag op dat aan de begunstigde wordt bezorgd. De begunstigde kan zijn opmerkingen indienen binnen 30 kalenderdagen vanaf de datum van ontvangst van het voorlopige auditverslag.

Op basis van de bevindingen in het voorlopige auditverslag en de mogelijke opmerkingen van de begunstigde, stelt het Europees Parlement zijn definitieve auditbevindingen vast in een definitief auditverslag. Het definitieve auditverslag wordt naar de begunstigde gestuurd binnen de 60 kalenderdagen na het verstrijken van de uiterste termijn voor de indiening van opmerkingen over het voorlopige auditverslag.

II.28.6.   Gevolgen van de bevindingen van de audit

Onverminderd het recht van het Parlement om maatregelen te treffen overeenkomstig artikel II.11 tot en met artikel II.13, worden de definitieve auditbevindingen terdege in overweging genomen door het Europees Parlement bij het vaststellen van het definitieve financieringsbedrag.

Gevallen van mogelijke fraude of ernstige overtreding van de toepasselijke regels die in de definitieve auditbevindingen aan het licht zijn gekomen, worden aan de bevoegde nationale of Unie-autoriteiten gemeld met het oog op verdere maatregelen.

Het Europees Parlement kan het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag met terugwerkende kracht aanpassen op basis van de definitieve auditbevindingen.

II.28.7.   Rechten van OLAF om controle uit te oefenen

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) oefent zijn rechten om controle uit te oefenen ten aanzien van de begunstigde, uit overeenkomstig de toepasselijke regels, en met name overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (8), Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9), artikel 204 quindecies, lid 1, van het Financieel Reglement en artikel 24, lid 4, en artikel 25, lid 7, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

De begunstigde werkt naar behoren samen met OLAF en verstrekt OLAF alle noodzakelijke ondersteuning bij het uitvoeren van de controle.

Het Europees Parlement kan te allen tijde het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag met terugwerkende kracht aanpassen op basis van de van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) ontvangen bevindingen overeenkomstig artikel 25, lid 7, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014. Voordat het Europees Parlement besluit om het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag met terugwerkende kracht aan te passen wordt de begunstigde naar behoren in kennis gesteld van de desbetreffende bevindingen en van het voornemen van het Parlement om het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag aan te passen, en krijgt de begunstigde de gelegenheid opmerkingen te maken.

II.28.8.   Rechten van de Europese Rekenkamer om controle uit te oefenen

De Europese Rekenkamer oefent haar rechten om controle uit te oefenen uit overeenkomstig de toepasselijke regels en met name overeenkomstig artikel 204 quindecies, lid 1, van het Financieel Reglement en artikel 25, lid 6, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014. De artikelen II.28.3 en II.28.4 zijn van toepassing.

De begunstigde werkt naar behoren samen met de Rekenkamer en verstrekt de Rekenkamer alle noodzakelijke ondersteuning bij het uitvoeren van de controle.

II.28.9.   Niet-naleving van de verplichtingen uit hoofde van artikel II.28.1 tot en met 4

Indien de begunstigde de in artikel II.28.1 tot en met 4 genoemde verplichtingen niet naleeft, kan het Europees Parlement alle kosten die onvoldoende gemotiveerd zijn door de begunstigde beschouwen als niet voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Voor het Europees Parlement

[naam, voornaam]

[handtekening]

Gedaan te [stad: Straatsburg, Luxemburg, Brussel]

Bijlage

Geraamde begroting

Kosten

Voor vergoeding in aanmerking komende kosten

Begroting

Werkelijk

A.1: Personeelskosten

1.

Salarissen

2.

Bijdragen

3.

Beroepsopleiding

4.

Reiskosten voor personeel

5.

Andere personeelskosten

 

 

A.2: Infrastructuur- en exploitatiekosten

1.

Huur, lasten en onderhoudskosten

2.

Kosten van installatie, exploitatie en onderhoud van uitrusting

3.

Afschrijvingskosten van roerende en onroerende goederen

4.

Papier en kantoorbenodigdheden

5.

Abonnement en telecommunicatie

6.

Kosten voor drukken, vertaling, reproductie

7.

Andere infrastructuurkosten

 

 

A.3: Administratieve kosten

1.

Documentatiekosten (kranten, persagentschap, databank)

2.

Studie en onderzoekskosten

3.

Gerechtskosten

4.

Kosten boekhouding en auditing

5.

Diverse huishoudelijke kosten

6.

Steun aan verbonden entiteiten

 

 

A.4: Vergaderingen en representatiekosten

1.

Kosten voor vergaderingen

2.

Deelname aan seminars en conferenties

3.

Representatiekosten

4.

Kosten voor uitnodigingen

5.

Andere vergaderkosten

 

 

A.5: Uitgaven voor informatie en publicaties

1.

Publicatiekosten

2.

Inrichting en beheer van internetsite

3.

Publiciteitskosten

4.

Communicatiemateriaal (gadgets)

5.

Seminars en tentoonstellingen

6.

Verkiezingscampagnes

7.

Andere informatiekosten

 

 

A. TOTAAL VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMENDE KOSTEN

 

 

Niet voor vergoeding in aanmerking komende kosten

1.

Voorzieningen

2.

Financiële lasten

3.

Wisselkoersverliezen

4.

Dubieuze vorderingen aan derden

5.

Andere (specificeer)

6.

Bijdragen in natura

 

 

B. TOTAAL NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMENDE KOSTEN

 

 

C. TOTAAL KOSTEN

 

 


Ontvangsten

 

Begroting

Werkelijk

D.1-1. Van jaar n-1 overgedragen financiering van het Europees Parlement

 

 

D.1-2. Voor jaar n toegekende financiering van het Europees Parlement

 

 

D.1-3. Naar jaar n+1 overgedragen financiering van het Europees Parlement

n.v.t.

 

D.1. Financiering van het Europees Parlement die gebruikt is ter dekking van 85 % van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten in jaar n

 

 

D.2 contributies van leden

 

 

2.1

van partijen die lid zijn

2.2

van individuele leden

 

 

D.3 Giften

 

 

 

 

 

D.4 Andere eigen middelen

 

 

(te preciseren)

 

 

D.5 Bijdragen in natura

 

 

D: TOTAAL ONTVANGSTEN

 

 

E. winst/verlies (D-C)

 

 


F. Overmaking van eigen middelen naar reserverekening

 

 

G. Winst/verlies voor verificatie van de naleving van de regel dat financiering geen winst mag opleveren (F-G)

 

 

 

 

 

H. Renteopbrengsten uit voorfinanciering

 

 

Noot: Dit is slechts een indicatieve structuur. De verplichte structuur van de geraamde begroting wordt jaarlijks gepubliceerd samen met het verzoek om bijdragen.


(1)  PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1.

(2)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(3)  PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1.

(4)  PB L 333 van 19.12.2015, blz. 50.

(5)  PB C 205 van 29.6.2017, blz. 2.

(6)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(8)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(9)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).


BIJLAGE 1b

[MODEL] BESLUIT TOT TOEKENNING VAN SUBSIDIE — STICHTING

NUMMER: …[INVULLEN]…


Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 10, lid 4,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 224,

Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (1), en met name artikel 25, lid 1,

Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (2) („het Financieel Reglement”),

gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (3) („de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement”),

Gezien Gedelegeerde Verordening (EU, Euratom) 2015/2401 van de Commissie van 2 oktober 2015 betreffende de inhoud en de werking van het register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (4),

Gezien het Reglement van het Europees Parlement, en met name artikel 25, lid 11,

Gezien het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 12 juni 2017 (5) houdende de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014,

Gezien de door het Europees Parlement in de oproep tot het indienen van voorstellen met het oog op het toekennen van financiering aan politieke stichtingen op Europees niveau vastgestelde voorwaarden,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 10, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt dat de politieke partijen op Europees niveau moeten bijdragen tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie;

(2)

Dit besluit is het resultaat van een oproep tot het indienen van voorstellen waarin de aanvragers werden geïnformeerd over het model-financieringsbesluit, met inbegrip van de voorwaarden;

(3)

[de begunstigde] heeft op [datum van ontvangst door het Europees Parlement] een verzoek om financiering ingediend en heeft expliciet ingestemd met de voorwaarden van het financieringsbesluit;

HET BUREAU VAN HET EUROPEES PARLEMENT HEEFT het verzoek ONDERZOCHT op zijn vergadering van [datum] en HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Een exploitatiesubsidie in de zin van artikel 121 van het Financieel Reglement („financiering”) wordt toegekend aan:

[volledige officiële benaming van de begunstigde]

[officiële rechtsvorm]

[wettelijk registratienummer]

[volledig officieel adres]

[btw-nummer],

(„de begunstigde”),

voor dit financieringsbesluit vertegenwoordigd door:

…[vertegenwoordiger die gemachtigd is juridische verplichtingen aan te gaan]…..,

om de statutaire activiteiten en doelstellingen van de begunstigde te steunen,

onder de voorwaarden vermeld in de oproep tot het indienen van voorstellen en het onderhavige besluit („het financieringsbesluit”), met inbegrip van daarin opgenomen bijzondere voorwaarden, algemene voorwaarden en bijlagen:

 

Bijlage 1 Geraamde begroting

 

Bijlage 2 Werkprogramma

die integraal deel uitmaken van dit financieringsbesluit.

Het bepaalde in de bijzondere voorwaarden heeft voorrang boven het bepaalde in de andere delen van dit besluit. Het bepaalde in de algemene voorwaarden heeft voorrang boven het bepaalde in de andere bijlagen.

Inhoudsopgave

I.

BIJZONDERE VOORWAARDEN 28

Artikel I.1 —

Inhoud van het besluit 28

Artikel I.2 —

Periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn 29

Artikel I.3 —

Vormen van financiering 29

Artikel I.4 —

(maximaal) forfaitair financieringsbedrag 29

Artikel I.5 —

Betalingen en betalingsregelingen 29

I.5.1

Voorfinanciering 29

I.5.2

Betaling van het restbedrag of terugvordering van ten onrechte betaalde voorfinanciering 29

I.5.3

Valuta 29

Artikel I.6 —

Bankrekening 29

Artikel I.7 —

Algemene administratieve bepalingen 30

Artikel I.8 —

Inwerkingtreding van het besluit 30

II.

ALGEMENE VOORWAARDEN 30

DEEL A:

JURIDISCHE EN ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN 30

Artikel II.1 —

Definities 30

Artikel II.2 —

Algemene verplichtingen van de begunstigde 31

Artikel II.3 —

Verplichtingen in verband met de bankrekening 31

Artikel II.4 —

Aansprakelijkheid voor schade 31

Artikel II.5 —

Vertrouwelijkheid 31

Artikel II.6 —

Verwerking van persoonsgegevens 32

Artikel II.7 —

Bewaring van gegevens 32

Artikel II.8 —

Zichtbaarheid van financiering door de Unie 32

II.8.1

Informatie over financiering door de Unie 32

II.8.2

Afwijzing van aansprakelijkheid van het Europees Parlement 32

II.8.3

Bekendmaking van informatie door het Europees Parlement 32

Artikel II.9 —

Gunning van overeenkomsten door de begunstigde 32

II.9.1

Beginselen 32

II.9.2

Bewaren van gegevens 32

II.9.3

Controle 33

II.9.4

Aansprakelijkheid 33

Artikel II.10 —

Financiële steun aan derden 33

Artikel II.11 —

Overmacht 33

Artikel II.12 —

Opschorting van de betaling van de financiering 33

II.12.1

Gronden voor opschorting 33

II.12.2

Procedure voor opschorting 33

II.12.3

Gevolgen van de opschorting 34

II.12.4

Hervatting van de betaling 34

Artikel II.13 —

Intrekking van het financieringsbesluit door het Europees Parlement 34

II.13.1

Gronden voor intrekking 34

II.13.2

Procedure voor intrekking 34

II.13.3

Gevolgen van de intrekking 34

Artikel II.14 —

Beëindiging van het financieringsbesluit 34

II.14.1

Beëindiging op verzoek van de begunstigde 34

II.14.2

Beëindiging door het Europees Parlement 34

Artikel II.15 —

Toewijzing 35

Artikel II.16 —

Achterstandsrente 35

Artikel II.17 —

Toepasselijk recht 35

Artikel II.18 —

Recht te worden gehoord 36

DEEL B:

FINANCIËLE BEPALINGEN 36

Artikel II.19 —

Subsidiabele kosten 36

II.19.1

Voorwaarden 36

II.19.2

Voorbeelden van subsidiabele kosten 36

Artikel II.20 —

Niet-subsidiabele kosten 36

Artikel II.21 —

Bijdragen in natura 37

Artikel II.22 —

Begrotingsoverschrijvingen 37

Artikel II.23 —

Rapportageverplichtingen 37

II.23.1

Jaarverslag 38

II.23.2

Externe-auditverslag 38

Artikel II.24 —

Besluit inzake het jaarverslag 38

Artikel II.25 —

Besluit inzake het definitieve financieringsbedrag 39

II.25.1

Impact van het jaarverslag 39

II.25.2

Drempel 39

II.25.3

Overheveling van overschotten 39

II.25.4

Vaststelling van het definitieve financieringsbedrag 39

II.25.5

Financieringsbalans 40

II.25.6

Winst 40

Artikel II.26 —

Terugvordering 40

II.26.1

Achterstandsrente 40

II.26.2

Compensatie 40

II.26.3

Bankkosten 40

Artikel II.27 —

Financiële garantie 41

Artikel II.28 —

Controle 41

II.28.1

Algemene bepalingen 41

II.28.2

Verplichting tot de bewaring van documenten 41

II.28.3

Verplichting tot het verstrekken van documenten en/of informatie 41

II.28.4

Bezoeken ter plaatse 41

II.28.5

Auditprocedure van hoor en wederhoor 41

II.28.6

Gevolgen van de bevindingen van de audit 42

II.28.7

Rechten van OLAF om controle uit te oefenen 42

II.28.8

Rechten van de Europese Rekenkamer om controle uit te oefenen 42

II.28.9

Niet-naleving van de verplichtingen uit hoofde van artikel II.26.1 tot en met 4 42

Bijlage 1 —

Geraamde begroting 43

Bijlage 2 —

Werkprogramma 45

I.   BIJZONDERE VOORWAARDEN

Artikel I.1

Inhoud van het besluit

Het Europees Parlement verleent financiering voor de tenuitvoerlegging van de statutaire activiteiten en doelstellingen van de begunstigde in het begrotingsjaar [invoegen], overeenkomstig de voorwaarden die zijn neergelegd in de bijzondere voorwaarden en de algemene voorwaarden („voorwaarden”) alsmede overeenkomstig de bijlagen bij het financieringsbesluit. Dit is de uitvoering van het financieringsbesluit door het Europees Parlement.

De begunstigde zal de financiering gebruiken voor de tenuitvoerlegging van zijn statutaire activiteiten en doelstellingen en handelt onder eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig de voorwaarden van en de bijlagen bij het financieringsbesluit. Dit is de uitvoering van het financieringsbesluit door de begunstigde.

Artikel I.2

Periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn

De periode waarin uitgaven in aanmerking komen voor financiering door de Unie loopt van [DD/MM/JJ invoegen] tot [DD/MM/JJ invoegen].

Artikel I.3

Vormen van financiering

De aan begunstigde overeenkomstig deel 1, titel VI, van het Financieel Reglement toegekende subsidie wordt verstrekt in de vorm van een vergoeding van een percentage van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten.

Artikel I.4

(Maximaal) forfaitair financieringsbedrag

Het Europees Parlement neemt maximaal een bedrag van [bedrag invoegen] EUR voor zijn rekening, tot maximaal 85 % van het totaal geraamde bedrag aan subsidiabele kosten.

Het geraamde bedrag aan subsidiabele kosten van de begunstigde is opgenomen in bijlage 1 („geraamde begroting”). De geraamde begroting is evenwichtig en bevat een gedetailleerd overzicht van de uitgaven en inkomsten van de begunstigde voor de periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn. De subsidiabele kosten worden gescheiden van de niet-subsidiabele kosten opgevoerd, overeenkomstig artikel II.19.

Artikel I.5

Betalingen en betalingsregelingen

De financiering wordt uitbetaald overeenkomstig het volgende tijdschema en de volgende regelingen.

I.5.1.   Voorfinanciering

Een voorfinanciering ten bedrage van [bedrag invoegen] EUR, zijnde [normaliter 100 %, anders het door het Europees Parlement bepaald percentage invoegen] van het in artikel I.4, van dit financieringsbesluit vastgestelde maximumbedrag, wordt aan de begunstigde uitbetaald binnen 30 dagen vanaf de datum van inwerkingtreding van het financieringsbesluit of, waar van toepassing, vanaf de datum waarop het Europees Parlement de financiële garantie ten belope van [bedrag invoegen] EUR heeft ontvangen, indien die later is.

I.5.2.   Betaling van het restbedrag of terugvordering van ten onrechte betaalde voorfinanciering

De betaling van het restbedrag aan de begunstigde c.q. de terugvordering van ten onrechte betaalde voorfinanciering vindt plaats binnen 30 dagen na het besluit van het Europees Parlement over het jaarverslag en de vaststelling van het definitieve financieringsbedrag zoals bedoeld in artikel II.23 en artikel II.25.

I.5.3.   Valuta

Betalingen worden door het Europees Parlement verricht in EUR. De eventuele omrekening van de werkelijke kosten in EUR geschiedt aan de hand van de dagkoers die in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie wordt gepubliceerd of, bij gebreke daarvan, volgens de maandkoers die door het Europees Parlement wordt vastgesteld en op zijn website gepubliceerd, op de dag waarop de betalingsopdracht door het Europees Parlement wordt uitgeschreven, behalve wanneer uitdrukkelijk anders is bepaald in de bijzondere voorwaarden.

De betalingen door het Europees Parlement worden geacht te hebben plaatsgevonden op de dag waarop zij van de rekening van het Europees Parlement worden afgeschreven.

Artikel I.6

Bankrekening

Betalingen vinden plaats op een bankrekening of een subrekening van de begunstigde bij een bank die in een lidstaat van de Europese Unie gevestigd is, in EUR, met opgave van de volgende gegevens:

Naam van de bank: […]

Adres van het bankfiliaal: […]

Exacte benaming van de rekeninghouder: […]

Volledig rekeningnummer (met de bankcodes): […]

IBAN: […]

BIC/SWIFT-code: […]

Artikel I.7

Algemene administratieve bepalingen

Alle correspondentie met het Europees Parlement in verband met het financieringsbesluit dient schriftelijk plaats te vinden, onder vermelding van het nummer van het financieringsbesluit, en dient te worden gericht aan het volgende adres:

Europees Parlement

De voorzitter

t.a.v. de directeur-generaal Financiën

Bureau SCH 05B031

L-2929 Luxemburg

De gewone post wordt door het Europees Parlement geacht te zijn ontvangen op de datum van formele registratie in de postkamer van het Europees Parlement.

Het financieringsbesluit wordt tot de begunstigde gericht op het volgende adres:

De heer/mevrouw […]

[Titel]

[Officiële benaming van de begunstigde organisatie]

[Volledig officieel adres]

Elke adreswijziging wordt onmiddellijk door de begunstigde schriftelijk aan het Europees Parlement meegedeeld.

Artikel I.8

Inwerkingtreding van het besluit

Het financieringsbesluit treedt in werking op de dag van de ondertekening namens het Europees Parlement.

II.   ALGEMENE VOORWAARDEN

DEEL A: JURIDISCHE EN ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN

Artikel II.1

Definities

Voor de toepassing van dit financieringsbesluit:

1.

„activiteitenverslag”: schriftelijke onderbouwing van de gedurende de periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn gemaakte kosten. Bijvoorbeeld uitleg over activiteiten, administratieve kosten, enz. Het activiteitenverslag maakt deel uit van het jaarverslag;

2.

„jaarverslag”: het verslag dat moet worden ingediend binnen zes maanden na het einde van het begrotingsjaar, overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

3.

„financieringsbalans”: het verschil tussen het bedrag van de voorfinanciering overeenkomstig artikel I.5.1 en het definitieve financieringsbedrag dat is vastgesteld overeenkomstig artikel II.25.4;

4.

„verrekening van voorfinanciering”: de situatie waarin het definitieve financieringsbedrag door de ordonnateur wordt vastgesteld en het bedrag dat aan de begunstigde wordt uitbetaald niet langer eigendom van de Unie is;

5.

„belangenconflict”: de situatie waarin de onpartijdige en objectieve uitvoering van het financieringsbesluit door de begunstigde in het gedrang komt als gevolg van familie- of emotionele banden, nationale affiniteit, economische belangen of enig ander gedeeld belang met een derde die gelieerd is aan de inhoud van het financieringsbesluit; Politieke affiniteit vormt in principe geen grond voor een belangenconflict wanneer een overeenkomst wordt gesloten tussen de politieke partij en organisaties die dezelfde politieke waarden delen. Niettemin dient in het geval van een dergelijke overeenkomst artikel 22 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 te worden nageleefd;

6.

„bijdragen in natura” of „giften in natura”: niet-financiële middelen die derden kosteloos ter beschikking van de begunstigde stellen overeenkomstig artikel 2, leden 7 en 8, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

7.

„begrotingsjaar n” of „periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn”: de periode van tenuitvoerlegging van de activiteiten waarvoor de financiering is toegekend krachtens het financieringsbesluit, zoals aangegeven in artikel I.2;

8.

„overmacht”: elke onvoorziene en uitzonderlijke situatie of gebeurtenis die plaatsvindt buiten de wil van de begunstigde of het Europees Parlement om, waardoor een van de partijen haar contractuele verplichtingen krachtens het financieringsbesluit niet kan nakomen, die niet te wijten is aan een fout of nalatigheid van een van de partijen of van de subcontractanten, verbonden entiteiten of derden die financiële steun ontvangen en die ondanks alle geleverde inspanningen onvermijdelijk blijkt. Niet als gevallen van overmacht worden beschouwd: arbeidsconflicten, stakingen, financiële problemen van of wanbetaling door een dienst, defecten aan uitrusting of materiaal dan wel vertraging bij het ter beschikking stellen daarvan, tenzij zij rechtstreeks het gevolg zijn van een vastgesteld geval van overmacht;

9.

„formeel kennisgeven”: schriftelijk per post of elektronische post meedelen, met bewijs van ontvangst;

10.

„fraude”: elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad en waarbij valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd of waarbij in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden;

11.

„financiering”: heeft dezelfde betekenis als „subsidies” in de zin van Deel 1, titel VI, van het Financieel Reglement en van hoofdstuk IV van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

12.

„onregelmatigheid”: elke inbreuk op een bepaling van het Unierecht die voortvloeit uit een handeling of een nalaten van een begunstigde waardoor de begroting van de Unie wordt of zou kunnen worden benadeeld;

13.

„eigen middelen”: externe financieringsbronnen andere dan financiering door de Unie. Bijvoorbeeld: donaties, bijdragen van leden (zoals gedefinieerd in artikel 2, punten 7 en 8, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014), enz.;

14.

„gelieerd persoon”: elke persoon die gemachtigd is de begunstigde te vertegenwoordigen of namens de begunstigde beslissingen te nemen;

15.

wezenlijke fout”: elke inbreuk op een bepaling van het financieringsbesluit die voortvloeit uit een handeling of een nalaten waardoor de begroting van de Europese Unie wordt of zou kunnen worden benadeeld.

Artikel II.2

Algemene verplichtingen van de begunstigde

De begunstigde:

a)

is als enige verantwoordelijk voor de naleving van alle op hem van toepassing zijnde wettelijke verplichtingen en draagt daarvoor de bewijslast;

b)

is gehouden alle schade te vergoeden die aan het Europees Parlement wordt toegebracht als gevolg van de uitvoering, met inbegrip van de gebrekkige uitvoering, van het financieringsbesluit, behalve indien sprake is van overmacht;

c)

is als enige aansprakelijk jegens derden, ook voor alle schade van welke aard ook die aan derden wordt toegebracht bij de uitvoering van het financieringsbesluit;

d)

stelt het Europees Parlement onmiddellijk in kennis van elke wijziging van zijn wettelijke, financiële, technische, organisatorische of eigendomssituatie en van elke wijziging van zijn naam, adres of wettelijk vertegenwoordiger;

e)

treft alle noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat er belangenconflicten ontstaan.

Artikel II.3

Verplichtingen in verband met de bankrekening

De in artikel I.6, bedoelde rekening of subrekening moet identificatie van de door het Europees Parlement overgemaakte middelen en de rente op deze middelen of soortgelijke voordelen mogelijk maken.

Wanneer de op deze rekening overgemaakte bedragen rentedragend zijn of gelijksoortige voordelen brengen volgens het recht van de lidstaat op wiens grondgebied de rekening is geopend, mag de begunstigde deze rente of voordelen behouden overeenkomstig artikel 8, lid 4, van het Financieel Reglement.

In geen geval mogen de door het Europees Parlement betaalde bedragen worden gebruikt voor speculatieve doeleinden.

De voorfinanciering blijft eigendom van de Unie totdat zij is verrekend met het definitieve financieringsbedrag.

Artikel II.4

Aansprakelijkheid voor schade

Het Europees Parlement is niet aansprakelijk voor schade van welke aard ook die door de begunstigde wordt veroorzaakt of geleden, met inbegrip van schade die aan derden wordt toegebracht bij of als gevolg van de uitvoering van dit financieringsbesluit.

Behalve in gevallen van overmacht vergoedt de begunstigde of de aan hem gelieerde persoon alle schade die aan het Europees Parlement wordt toegebracht als gevolg van de uitvoering van het financieringsbesluit of omdat het financieringsbesluit niet volledig overeenkomstig de bepalingen ervan is uitgevoerd.

Artikel II.5

Vertrouwelijkheid

Tenzij anders is bepaald in dit financieringsbesluit, in artikel 32 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en in andere toepasselijke rechtshandelingen van de Unie, verbinden het Europees Parlement en de begunstigde zich tot vertrouwelijke behandeling van alle documenten, informatie en andere gegevens die direct in verband staan met het voorwerp van dit financieringsbesluit.

Artikel II.6

Verwerking van persoonsgegevens

In het kader van dit financieringsbesluit verzamelde persoonsgegevens worden overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en Verordening (EG) nr. 45/2001 verwerkt (6).

Dergelijke gegevens worden uitsluitend verwerkt ten behoeve van de uitvoering van en voortgangscontrole op het financieringsbesluit, behoudens de mogelijkheid dat zij worden meegedeeld aan de organen die volgens het Unierecht verantwoordelijk zijn voor controle en auditing.

Artikel II.7

Bewaring van gegevens

Overeenkomstig artikel 136 van het Financieel Reglement bewaren de begunstigde en het Europees Parlement alle gegevens, bewijsstukken, statistische gegevens en andere gegevens betreffende de uitvoering van het financieringsbesluit gedurende vijf jaar na de betaling van het restbedrag of terugvordering van ten onrechte betaalde voorfinanciering.

Gegevens met betrekking tot audits, beroepsprocedures, geschillen of de afwikkeling van claims die voortvloeien uit het gebruik van financiering, worden bewaard tot deze audits, beroepsprocedures, geschillen of afwikkelingen van claims tot een einde zijn gebracht.

Artikel II.8

Zichtbaarheid van financiering door de Unie

II.8.1.   Informatie over financiering door de Unie

Behoudens andersluidend verzoek of akkoord van het Europees Parlement wordt in elke mededeling of publicatie door de begunstigde welke betrekking heeft op het financieringsbesluit, ook op conferenties of seminars dan wel in voorlichtings- of reclamemateriaal (zoals brochures, flyers, posters, presentaties, in elektronische vorm, enz.), aangegeven dat het programma financiële steun van het Europees Parlement heeft ontvangen.

II.8.2.   Afwijzing van aansprakelijkheid van het Europees Parlement

In elke mededeling of publicatie van begunstigde, in ongeacht welke vorm of medium, moet worden vermeld dat deze alleen de auteur bindt en dat het Europees Parlement niet aansprakelijk is voor het gebruik dat zou kunnen worden gemaakt van de in deze mededeling of publicatie vermelde informatie.

II.8.3.   Bekendmaking van informatie door het Europees Parlement

Het Europees Parlement maakt alle in artikel 32 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 gespecificeerde informatie bekend op een website.

Artikel II.9

Gunning van overeenkomsten door de begunstigde

II.9.1.   Beginselen

Indien de begunstigde aanbestedingsovereenkomsten sluit ter uitvoering van het financieringsbesluit, is de begunstigde gehouden op zoek te gaan naar concurrerende inschrijvers en de opdracht te gunnen aan de inschrijver met de offerte die de beste prijs-kwaliteitverhouding biedt, of, naar gelang, aan de inschrijver die de economisch voordeligste offerte uitbrengt. De begunstigde voorkomt belangenconflicten.

Voor overeenkomsten met een waarde van meer dan 60 000 EUR per leverancier en per goed of dienst vergelijkt de begunstigde ten minste drie offertes die zijn ontvangen naar aanleiding van een schriftelijke uitnodiging tot het indienen van offertes waarin de vereisten van de aanbesteding uitvoerig worden beschreven. De looptijd van de betrokken overeenkomsten mag niet meer bedragen dan vijf jaar.

Indien na de schriftelijke uitnodiging tot het indienen van offertes minder dan drie offertes worden ontvangen, dient de begunstigde te bewijzen dat het onmogelijk was voor de opdracht in kwestie meer offertes te verkrijgen.

II.9.2.   Bewaren van gegevens

De begunstigde documenteert de evaluatie van de offertes en staaft de keuze van de uiteindelijke leverancier met een schriftelijke motivering.

II.9.3.   Controle

De begunstigde zorgt ervoor dat het Europees Parlement, de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, de Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) hun controlerende bevoegdheden krachtens hoofdstuk V van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 kunnen uitoefenen. De begunstigde zorgt ervoor dat overeenkomsten die gesloten worden met derden voorzien in de mogelijkheid dat die controlerende bevoegdheden ook mogen worden uitgeoefend jegens die derden.

II.9.4.   Aansprakelijkheid

De begunstigde is als enige verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van het financieringsbesluit en de naleving van de bepalingen van het financieringsbesluit. De begunstigde verbindt zich ertoe alle nodige regelingen te treffen om ervoor te zorgen dat de uitvoerder van de opdracht afstand doet van alle rechten jegens het Europees Parlement uit hoofde van het financieringsbesluit.

Artikel II.10

Financiële steun aan derden

Financiële steun van de begunstigde aan derden, in de zin van artikel 137 van het Financieel Reglement, kan onder de volgende voorwaarden tot de subsidiabele kosten worden gerekend:

a)

de financiële steun wordt door de begunstigde aan de volgende derden verstrekt: … [de namen van potentiële begunstigden zoals vermeld in het aanvraagformulier invoegen];

b)

de financiële steun bedraagt per derde niet meer dan 60 000 EUR;

c)

de financiële steun wordt door derden gebruikt voor subsidiabele kosten;

d)

de begunstigde waarborgt de eventuele terugbetaling van dergelijke financiële steun.

Een nationale of Europese politieke partij en een nationale of Europese politieke stichting worden voor de toepassing van dit artikel niet als een derde beschouwd.

In overeenstemming met artikel 137, lid 2, van het Financieel Reglement zorgt de begunstigde ervoor dat het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer hun controlerende bevoegdheden kunnen uitoefenen over alle derden die middelen van de Unie hebben ontvangen; dit behelst onder meer controles op stukken, controles ter plaatse en controles op informatie, inclusief informatie die is opgeslagen op elektronische media.

Artikel II.11

Overmacht

Indien het Europees Parlement of de begunstigde wordt geconfronteerd met een situatie van overmacht, stelt betrokkene onverwijld de ander op de hoogte per aangetekende brief met bewijs van ontvangst of op gelijkwaardige wijze, met vermelding van de aard, de vermoedelijke duur en de te verwachten effecten van die situatie.

Het Europees Parlement en de begunstigde stellen alles in het werk om eventuele schade als gevolg van een situatie van overmacht tot een minimum te beperken.

Noch het Europees Parlement noch de begunstigde wordt geacht in gebreke te zijn gebleven bij de nakoming van een verplichting uit hoofde van het financieringsbesluit, wanneer de oorzaak gelegen is in overmacht.

Artikel II.12

Opschorting van de betaling van de financiering

II.12.1.   Gronden voor opschorting

Onverminderd artikel 135 van het Financieel Reglement en artikel 208 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement, heeft het Europees Parlement het recht de betaling van de financiering op te schorten:

i)

indien het Europees Parlement vermoedt dat de begunstigde zich schuldig heeft gemaakt aan wezenlijke fouten, onregelmatigheden, fraude of schending van de verplichtingen bij de toekenningsprocedure of bij de uitvoering van het financieringsbesluit en moet controleren of hiervan inderdaad sprake is;

ii)

indien aan de begunstigde financiële sancties zijn opgelegd als bepaald in artikel 27, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, en wel totdat de financiële sancties zijn betaald.

II.12.2.   Procedure voor opschorting

Stap 1 — Alvorens de betaling op te schorten stuurt het Europees Parlement de begunstigde een formele kennisgeving van zijn voornemen om de betaling op te schorten, waarin het de redenen hiervoor vermeldt en de begunstigde verzoekt binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van die kennisgeving opmerkingen in te dienen.

Stap 2 — Indien het Europees Parlement, nadat de termijn om opmerkingen in te dienen is verstreken, besluit de opschortingsprocedure niet voort te zetten, stelt het de begunstigde in kennis van dat besluit.

Indien het Europees Parlement, na het verstrijken van de termijn om opmerkingen in te dienen, besluit de opschortingsprocedure voort te zetten, stelt het de begunstigde hiervan formeel in kennis middels een met redenen omkleed besluit tot opschorting dat de volgende informatie bevat:

i)

de vermoedelijke datum van voltooiing van de noodzakelijke controle in het in artikel II.12.1, onder i), bedoelde geval, en

ii)

eventuele rechtsmiddelen.

II.12.3.   Gevolgen van de opschorting

De opschorting van de betaling heeft tot gevolg dat de begunstigde geen betalingen van het Europees Parlement mag ontvangen totdat de in artikel II.12.2, onder stap 2, onder i), bedoelde controle is verricht of de grond voor opschorting komt te vervallen. Dit onverminderd het recht van het Europees Parlement om de financiering te beëindigen of het financieringsbesluit in te trekken.

II.12.4.   Hervatting van de betaling

Zodra de grond voor opschorting van de betaling is komen te vervallen, worden alle desbetreffende betalingen hervat en stuurt het Europees Parlement een kennisgeving daarvan aan de begunstigde.

Artikel II.13

Intrekking van het financieringsbesluit door het Europees Parlement

II.13.1.   Gronden voor intrekking

Het Europees Parlement is gemachtigd het financieringsbesluit in te trekken op basis van een besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register van de begunstigde, behalve in gevallen als bedoeld in artikel 16, lid 2, onder c), van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

II.13.2.   Procedure voor intrekking

Stap 1 — Alvorens het financieringsbesluit in te trekken stuurt het Europees Parlement de begunstigde een formele kennisgeving van zijn voornemen tot intrekking, waarin het de redenen hiervoor vermeldt en de begunstigde verzoekt binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van die kennisgeving opmerkingen in te dienen.

Stap 2 — Indien het Europees Parlement, na het verstrijken van de termijn om opmerkingen in te dienen, besluit het financieringsbesluit niet in te trekken, stelt het de begunstigde in kennis van dat besluit.

Indien het Europees Parlement, nadat de termijn om opmerkingen in te dienen is verstreken, besluit het financieringsbesluit in te trekken, stelt het de begunstigde hiervan formeel in kennis middels een met redenen omkleed besluit tot intrekking.

Onterecht aan de begunstigde betaalde bedragen dienen te worden teruggevorderd overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Financieel Reglement.

II.13.3.   Gevolgen van de intrekking

Het besluit tot intrekking van het financieringsbesluit geldt met terugwerkende kracht vanaf de datum waarop het financieringsbesluit is vastgesteld.

Artikel II.14

Beëindiging van het financieringsbesluit

II.14.1.   Beëindiging op verzoek van de begunstigde

De begunstigde kan verzoeken om beëindiging van het financieringsbesluit.

De begunstigde stelt het Europees Parlement formeel in kennis van de beëindiging, met vermelding van:

a)

de gronden voor beëindiging, en

b)

de datum waarop de beëindiging van kracht wordt, die niet vroeger mag zijn dan de datum waarop de formele kennisgeving is verstuurd.

De beëindiging treedt in werking op de dag die in het besluit tot beëindiging wordt genoemd.

II.14.2.   Beëindiging door het Europees Parlement

a)   Gronden voor beëindiging

Het Europees Parlement is gemachtigd het financieringsbesluit te beëindigen in elk van de volgende gevallen:

a)

op basis van een besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register van de begunstigde, in de gevallen als bedoeld in artikel 16, lid 2, onder c), van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

b)

indien de begunstigde niet langer voldoet aan artikel 18, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014;

c)

in de in artikel 135, leden 3 en 5, van het Financieel Reglement bedoelde gevallen;

d)

indien de begunstigde of een aan hem gelieerde persoon of een persoon die onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de begunstigde zich in een van de in artikel 106, lid 1, onder a) of b), van het Financieel Reglement bedoelde situaties bevindt;

e)

indien de begunstigde of een aan hem gelieerde persoon zich in een van de in artikel 106, lid 1, onder c), d), e) of f), van het Financieel Reglement bedoelde situaties bevindt, of onder het toepassingsgebied van artikel 106, lid 2, van het Financieel Reglement valt, of

f)

indien de begunstigde zijn status als begunstigde verliest overeenkomstig artikel 10, lid 6, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

b)   Procedure voor beëindiging

Stap 1 — Alvorens het financieringsbesluit te beëindigen stuurt het Europees Parlement de begunstigde een formele kennisgeving van zijn voornemen tot beëindiging, waarin het de redenen hiervoor vermeldt en de begunstigde verzoekt binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van die kennisgeving opmerkingen in te dienen.

Stap 2 — Indien het Europees Parlement, na het verstrijken van de termijn om opmerkingen in te dienen, besluit het financieringsbesluit niet te beëindigen stelt het de begunstigde in kennis van dat besluit.

Indien het Europees Parlement, nadat de termijn om opmerkingen in te dienen is verstreken, besluit het financieringsbesluit te beëindigen, stelt het de begunstigde hiervan formeel in kennis middels een met redenen omkleed besluit tot beëindiging.

De beëindiging van het financieringsbesluit treedt in werking op de dag van de kennisgeving van dat besluit aan de begunstigde.

II.14.3.   Gevolgen van de beëindiging

Het besluit tot beëindiging van het financieringsbesluit treedt ex nunc in werking. De kosten die door de begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt vanaf de dag van inwerkingtreding van het besluit tot beëindiging, worden als niet-subsidiabele kosten aangemerkt.

Artikel II.15

Toewijzing

De begunstigde mag geen enkele van zijn vorderingen ten aanzien van het Europees Parlement toewijzen aan een derde, behalve indien het Europees Parlement dit vooraf heeft goedgekeurd op basis van een gemotiveerd, schriftelijk verzoek van de begunstigde.

Indien het Europees Parlement niet schriftelijk de toewijzing aanvaardt of indien de voorwaarden van die aanvaarding niet zijn nageleefd, heeft de toewijzing geen rechtsgevolgen.

In geen geval kan een toewijzing de begunstigde bevrijden van zijn verplichtingen jegens het Europees Parlement.

Artikel II.16

Achterstandsrente

Indien het Europees Parlement de financiering niet binnen de betalingstermijn uitbetaalt, heeft de begunstigde recht op achterstandsrente tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank hanteert voor haar basisherfinancieringsoperaties in EUR („de referentievoet”), verhoogd met drieënhalf procentpunt. De referentievoet is de rentevoet die geldt op de eerste dag van de maand waarin de betalingstermijn verstrijkt, zoals bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

Indien het Europees Parlement de betaling opschort zoals bedoeld in artikel II.12, mogen deze handelingen niet worden beschouwd als gevallen van laattijdige betaling.

De achterstandsrente geldt voor de periode vanaf de dag na afloop van de betalingstermijn tot en met de datum van daadwerkelijke uitbetaling.

Als uitzondering op de eerste alinea geldt dat, wanneer het berekende rentebedrag lager of gelijk is aan 200 EUR, het Europees Parlement alleen verplicht is dit bedrag aan de begunstigde te betalen indien de begunstigde hierom verzoekt binnen twee maanden na de ontvangst van de te late betaling.

Artikel II.17

Toepasselijk recht

Dit financieringsbesluit valt onder het toepasselijk recht van de Unie, en met name Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en de toepasselijke bepalingen van het Financieel Reglement, die ten volle gelden. Zij worden in voorkomend geval aangevuld door het nationaal recht van de lidstaat waar de begunstigde is gevestigd.

Artikel II.18

Recht te worden gehoord

In de gevallen waarin de begunstigde krachtens dit financieringsbesluit het recht heeft om opmerkingen te maken, krijgt hij een termijn van tien werkdagen, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, om zijn schriftelijke opmerkingen te doen toekomen. Deze periode kan, op basis van een met redenen omkleed verzoek van de begunstigde, eenmalig met nog eens 10 werkdagen worden verlengd.

DEEL B: FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel II.19

Subsidiabele kosten

II.19.1.   Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor financiering door de Unie, en in overeenstemming met artikel 126 van het Financieel Reglement, moeten de kosten voldoen aan de volgende criteria:

a)

zij moeten direct verband houden met de inhoud van het financieringsbesluit en voorzien zijn in de geraamde begroting die als bijlage bij het financieringsbesluit is gevoegd;

b)

zij moeten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het financieringsbesluit;

c)

zij moeten redelijk en gerechtvaardigd zijn en voldoen aan het beginsel van goed financieel beheer, met name wat zuinigheid en efficiëntie betreft;

d)

zij moeten worden gemaakt gedurende de periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn zoals omschreven in artikel I.2, met uitzondering van kosten die verband houden met jaarverslagen en certificaten over de afrekening en de daaraan ten grondslag liggende rekeningen;

e)

zij moeten effectief gemaakt zijn door de begunstigde;

f)

zij moeten identificeerbaar en verifieerbaar zijn en vermeld zijn in de rekeningen van de begunstigde overeenkomstig de daarop toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen;

g)

zij moeten voldoen aan de vereisten van de toepasselijke fiscale en socialezekerheidswetgeving;

h)

zij moeten voldoen aan de bepalingen van de eerste alinea van artikel II.9.1 en, als algemene regel, aan de bepalingen van de tweede alinea van artikel II.9.1.

De procedures van de begunstigde voor boekhouding en interne controle moeten het mogelijk maken de in het jaarverslag opgegeven kosten en ontvangsten rechtstreeks te vergelijken met de accountantsverklaringen en de overeenkomstige bewijsstukken.

II.19.2.   Voorbeelden van subsidiabele kosten

Subsidiabele kosten zijn onder meer de volgende operationele kosten voor zover zij beantwoorden aan de in lid 1 van dit artikel genoemde criteria, onverminderd artikel 126 van het Financieel Reglement:

a)

administratieve kosten en kosten in verband met technische assistentie, vergaderingen, onderzoek, grensoverschrijdende manifestaties, studies, informatie en publicaties;

b)

personeelskosten, met inbegrip van de reële salarissen, de socialezekerheidsbijdragen en andere wettelijke kosten die tot de verloning behoren, voor zover deze het gemiddelde niveau van het gebruikelijke verloningsbeleid van de begunstigde niet overstijgen;

c)

reis- en verblijfskosten van het personeel, voor zover zij overeenkomen met de gebruikelijke praktijk van de begunstigde op het gebied van reiskosten;

d)

de afschrijvingskosten van materieel en andere activa (nieuw of tweedehands) zoals vermeld in de boekhoudkundige staat van de begunstigde, mits het actief:

i)

is afgeschreven overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen en de gebruikelijke boekhoudkundige methoden van de begunstigde, en

ii)

is aangekocht overeenkomstig de eerste alinea van artikel II.9.1 en, als algemene regel, de tweede alinea van artikel II.9.1, indien de aankoop heeft plaatsgehad binnen de periode waarin de uitgaven subsidiabel zijn;

e)

kosten van verbruiksartikelen en benodigdheden en andere contracten, mits deze:

i)

zijn aangekocht overeenkomstig de eerste alinea van artikel II.9.1 en, als algemene regel, de tweede alinea van artikel II.9.1, en

ii)

direct zijn toegewezen aan de inhoud van het financieringsbesluit;

f)

kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de door het financieringsbesluit opgelegde vereisten, met inbegrip van, in voorkomend geval, de kosten van financiële diensten (met name de kosten van financiële garanties) mits de desbetreffende diensten zijn aangekocht overeenkomstig de eerste alinea van artikel II.9.1 en, als algemene regel, de tweede alinea van artikel II.9.1.

Artikel II.20

Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel II.19.1 van dit besluit en artikel 126 van het Financieel Reglement, worden de volgende kosten als niet-subsidiabel beschouwd:

a)

rendement op kapitaal en door de begunstigde uitgekeerde dividenden;

b)

schulden en schuldenlasten;

c)

voorzieningen voor verliezen of schulden;

d)

debetrente;

e)

dubieuze schuldvorderingen;

f)

koersverliezen;

g)

kosten van transfers van het Europees Parlement die door de bank van de begunstigde in rekening zijn gebracht;

h)

kosten die door de begunstigde worden gedeclareerd in het kader van een andere uit de begroting van de Unie gesubsidieerde actie;

i)

bijdragen in natura;

j)

buitensporige of ondoordachte kosten;

k)

aftrekbare btw;

l)

verboden financiering van bepaalde derden overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

Artikel II.21

Bijdragen in natura

Het Europees Parlement staat toe dat de begunstigde bijdragen in natura ontvangt tijdens de uitvoering van het financieringsbesluit, op voorwaarde dat de waarde van die bijdragen niet hoger is dan:

a)

de werkelijk gedragen kosten die naar behoren worden gestaafd door boekhoudkundige documenten van derden die deze bijdragen aan de begunstigde gratis hebben geleverd, maar de kosten ervan op zich nemen;

b)

indien dergelijke stukken ontbreken, de kosten die overeenstemmen met de op de desbetreffende markt algemeen aanvaarde kosten;

c)

hun in de geraamde begroting aanvaarde waarde;

d)

50 % van de in de geraamde begroting aanvaarde eigen middelen.

Bijdragen in natura:

a)

worden in de begrotingsraming afzonderlijk vermeld om een beeld te geven van de totale middelen;

b)

voldoen aan de bepalingen van artikel 20 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, alsook aan de nationale bepalingen inzake belastingen en sociale zekerheid;

c)

worden alleen op voorlopige basis aanvaard en zijn onderworpen aan certificatie door een externe controleur en aan aanvaarding in het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag;

d)

worden niet gegeven in de vorm van onroerende goederen.

Artikel II.22

Begrotingsoverschrijvingen

De begunstigde wordt toegestaan de in bijlage 1 genoemde geraamde begroting aan te passen door middel van overschrijvingen tussen verschillende begrotingscategorieën. Voor deze aanpassing is een wijziging van het financieringsbesluit niet vereist. Dergelijke overschrijvingen worden gerechtvaardigd in het jaarverslag.

Artikel II.23

Rapportageverplichtingen

II.23.1.   Jaarverslag

Bij voorkeur tegen 15 mei en niet later dan 30 juni na afloop van begrotingsjaar n dient de begunstigde een jaarverslag in dat de volgende elementen omvat:

a)

de jaarrekeningen en begeleidende nota's met betrekking tot ontvangsten en kosten, activa en passiva bij aanvang en bij afsluiting van het begrotingsjaar, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving in de lidstaat waar de zetel van de begunstigde is gevestigd;

b)

de jaarrekeningen op basis van de internationale standaarden voor jaarrekeningen als omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (7);

c)

de overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 overgelegde lijst van donateurs en contribuanten en hun respectieve donaties of bijdragen;

d)

het activiteitenverslag;

e)

het financieel memorandum op basis van de structuur van de geraamde begroting;

f)

de gedetailleerde rekeningen van de ontvangsten, kosten, activa en passiva;

g)

de overeenstemming van het in punt e) genoemde financieel memorandum met de in punt f) genoemde gedetailleerde rekeningen;

h)

de lijst van leveranciers die in het betreffende begrotingsjaar meer dan 10 000 EUR in rekening hebben gebracht aan de begunstigde, met vermelding van de naam en het adres van de leveranciers, alsook een beschrijving van de goederen of diensten die zijn verleend;

In geval van een in artikel II.25.3 gespecificeerde overheveling moet het jaarverslag de in de punten d), e), f) en g) vermelde documenten bevatten met betrekking tot het eerste kwartaal van het jaar na het begrotingsjaar in kwestie.

Het jaarverslag moet voldoende informatie bevatten om het definitieve financieringsbedrag te kunnen vaststellen.

II.23.2.   Externe-auditverslag

Het Europees Parlement ontvangt rechtstreeks van de onafhankelijke instanties of deskundigen die zijn aangewezen uit hoofde van artikel 23, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, het externe-auditverslag zoals omschreven in artikel 23, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

De externe audit heeft tot doel de betrouwbaarheid van de financiële memoranda en de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven te certificeren, en met name dat:

a)

de financiële memoranda zijn opgesteld overeenkomstig de op de begunstigde toepasselijke nationale regelgeving, dat zij vrij zijn van feitelijke onjuistheden en dat zij een juist en eerlijk beeld geven van de financiële positie en de operationele resultaten;

b)

de financiële memoranda zijn opgesteld overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen als omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002;

c)

de gedeclareerde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt;

d)

alle ontvangsten zijn opgevoerd;

e)

de door de begunstigde bij het Parlement ingediende financiële stukken conform de financiële bepalingen van het financieringsbesluit zijn;

f)

voldaan is aan de verplichtingen die voortvloeien uit Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, met name artikel 20;

g)

voldaan is aan de verplichtingen die voortvloeien uit het financieringsbesluit, met name artikel II.9 en artikel II.19;

h)

de bijdragen in natura daadwerkelijk aan de begunstigde zijn bezorgd en overeenkomstig de toepasselijke regelgeving zijn getaxeerd;

i)

een eventueel overschot aan financiering door de Unie overeenkomstig artikel 125, lid 6, van het Financieel Reglement naar het volgende begrotingsjaar is overgedragen en in het eerste kwartaal van dat begrotingsjaar is opgebruikt;

j)

een eventueel overschot aan eigen middelen is toegevoegd aan de reserve.

Artikel II.24

Besluit inzake het jaarverslag

Uiterlijk op 30 september van het jaar volgend op begrotingsjaar n, wordt het jaarverslag door het Europees Parlement goedgekeurd of verworpen zoals omschreven in artikel II.23.1.

Bij uitblijven van een schriftelijke reactie van het Europees Parlement gedurende een periode van zes maanden na ontvangst van het jaarverslag, wordt het jaarverslag geacht te zijn goedgekeurd.

De goedkeuring van het jaarverslag doet geen afbreuk aan de vaststelling van het definitief financieringsbedrag overeenkomstig artikel II.25 waarmee het Europees Parlement een definitief besluit neemt over de subsidiabiliteit van de kosten.

Het Europees Parlement kan de begunstigde om aanvullende informatie verzoeken om een besluit te kunnen nemen over het jaarverslag. In geval van een dergelijk verzoek wordt de termijn voor het besluit over het jaarverslag verlengd tot de gevraagde informatie is ontvangen en beoordeeld door het Europees Parlement.

Indien het jaarverslag grote tekortkomingen vertoont, kan het Europees Parlement dit verwerpen zonder de begunstigde om aanvullende informatie te verzoeken en kan het de begunstigde verzoeken een nieuw verslag in te dienen binnen een termijn van 15 werkdagen.

Verzoeken om aanvullende informatie of een nieuw verslag worden schriftelijk aan de begunstigde gericht.

Indien het jaarverslag dat aanvankelijk was ingediend, wordt verworpen en om een nieuw verslag wordt verzocht is de in dit artikel beschreven goedkeuringsprocedure van toepassing op het nieuwe verslag.

Artikel II.25

Besluit inzake het definitieve financieringsbedrag

II.25.1.   Impact van het jaarverslag

Het besluit van het Europees Parlement tot vaststelling van het definitieve financieringsbedrag wordt gebaseerd op het overeenkomstig artikel II.24 goedgekeurde jaarverslag. Indien het Europees Parlement het jaarverslag definitief verwerpt of indien de begunstigde geen jaarverslag indient binnen de toepasselijke termijnen, kunnen geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten worden vastgesteld bij het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag.

II.25.2.   Drempel

Het definitieve financieringsbedrag is beperkt tot het in artikel I.4 genoemde bedrag en bedraagt niet meer dan 85 % van de daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten.

II.25.3.   Overheveling van overschotten

Indien de begunstigde aan het einde van het begrotingsjaar n meer inkomsten dan uitgaven telt, mag hij een gedeelte van het overschot overhevelen naar begrotingsjaar n+1, overeenkomstig artikel 125, lid 6, van het Financieel Reglement.

a)   Definitie van overschot

Het overschot van het begrotingsjaar n is het verschil tussen de totale subsidiabele kosten en de som van:

i)

het (maximaal) forfaitair financieringsbedrag krachtens artikel I.4,

ii)

de eigen middelen van de begunstigde ter dekking van subsidiabele kosten, ingeval de begunstigde voordien gemaakte niet-subsidiabele kosten uitsluitend met eigen middelen heeft betaald, en

iii)

eventuele overgedragen overschotten van het begrotingsjaar n-1.

Het overschot dat naar begrotingsjaar n+1 mag worden overgeheveld, mag niet meer bedragen dan 25 % van de totale inkomsten als bedoeld onder i) en ii) van het bovenstaande.

b)   Boekhouding van de voorziening ter dekking van subsidiabele kosten

Het daadwerkelijk overgehevelde bedrag wordt in de balans voor het begrotingsjaar n opgenomen als een „voorziening ter dekking van subsidiabele kosten van het eerste kwartaal van jaar n+1”. De voorziening vormt een subsidiabele kost van het begrotingsjaar n.

Bovendien bepaalt een tussentijdse afsluiting van de rekeningen op uiterlijk 31 maart van het jaar n+1 de omvang van de subsidiabele kosten die op die datum daadwerkelijk zijn gemaakt. De voorziening is niet hoger dan deze kosten.

In het jaar n+1 neemt de voorziening een einde en genereert ze inkomsten die worden gebruikt om subsidiabele kosten van het eerste kwartaal van het jaar n+1 te dekken.

II.25.4.   Vaststelling van het definitieve financieringsbedrag

Het Europees Parlement controleert jaarlijks of de uitgaven in overeenstemming zijn met de bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, het Financieel Reglement en het financieringsbesluit. Het Parlement neemt elk jaar een besluit over het definitieve financieringsbedrag, dat naar behoren gemeld wordt aan de begunstigde.

Het definitieve financieringsbedrag van begrotingsjaar n wordt vastgesteld in jaar n+1.

Wanneer het definitieve financieringsbedrag wordt vastgesteld, wordt de voorfinanciering verrekend.

II.25.5.   Financieringsbalans

Indien de uitbetaalde voorfinanciering hoger is dan het definitieve financieringsbedrag, vordert het Europees Parlement de ten onrechte betaalde voorfinanciering terug.

Indien het definitieve financieringsbedrag hoger is dan de uitbetaalde voorfinanciering, betaalt het Europees Parlement het verschil.

II.25.6.   Winst

a)   Definitie

Winst wordt gedefinieerd overeenkomstig artikel 125, lid 5, van het Financieel Reglement.

b)   Reserveopbouw

Overeenkomstig artikel 125, lid 5, van het Financieel Reglement kan de begunstigde reserves opbouwen uit het overschot aan eigen middelen zoals omschreven in artikel II.1.

Het overschot dat moet worden overgedragen naar de reserverekening, is, indien van toepassing, het bedrag aan eigen middelen dat hoger ligt dan het bedrag aan eigen middelen dat nodig is voor het dekken van 15 % van de subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt in het begrotingsjaar n en 15 % van de kosten in de voorziening die moet worden overgeheveld naar begrotingsjaar n+1. De begunstigde moet voordien gemaakte niet-subsidiabele kosten uitsluitend met eigen middelen hebben betaald.

Het naar de reserve overgedragen overschot wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de winst.

De reserve wordt alleen gebruikt om de werkingskosten van de begunstigde te dekken.

c)   Terugvordering

De financiering mag de begunstigde geen winst opleveren. Overeenkomstig artikel 125, lid 4, van het Financieel Reglement heeft het Europees Parlement het recht het percentage van de winst terug te vorderen dat overeenkomt met de bijdrage van de Unie aan de subsidiabele kosten.

Artikel II.26

Terugvordering

Wanneer bedragen ten onrechte aan de begunstigde zijn uitbetaald of wanneer een terugvorderingsprocedure overeenkomstig de voorwaarden van het financieringsbesluit, Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 of het Financieel Reglement gerechtvaardigd is, betaalt de begunstigde de betrokken bedragen terug aan het Europees Parlement onder de door het Europees Parlement vastgestelde voorwaarden en binnen de door het Europees Parlement vastgestelde termijn.

II.26.1.   Achterstandsrente

Indien de begunstigde binnen de door het Europees Parlement vastgestelde termijn niet heeft betaald, verhoogt het Europees Parlement de verschuldigde bedragen met achterstandsrente tegen de in artikel II.16 vermelde rentevoet. De achterstandsrente heeft betrekking op de periode die loopt van de dag na het verstrijken van de termijn voor betaling tot en met de dag waarop de betaling van het volledige verschuldigde bedrag door het Europees Parlement is ontvangen.

Gedeeltelijke betaling wordt eerst aangerekend op de kosten en de achterstandsrente, en pas daarna op de hoofdsom.

II.26.2.   Compensatie

Indien niet binnen de vastgestelde termijn is betaald, kan terugvordering van de aan het Europees Parlement verschuldigde bedragen geschieden door compensatie met bedragen die uit welken hoofde ook aan de begunstigde verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 80 van het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften ervan. In uitzonderlijke gevallen, die door het vrijwaren van de financiële belangen van de Unie worden gemotiveerd, mag het Europees Parlement middels compensatie terugvorderen vóór de geplande betalingsdatum. Voorafgaande instemming van de begunstigde is niet vereist.

II.26.3.   Bankkosten

De bankkosten in verband met de terugvordering van aan het Europees Parlement verschuldigde bedragen komen volledig ten laste van de begunstigde.

Artikel II.27

Financiële garantie

Indien het Europees Parlement in overeenstemming met artikel 134 van het Financieel Reglement om een financiële garantie verzoekt, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

a)

de financiële garantie wordt verstrekt door een bank of een erkende financiële instelling of, op verzoek van de begunstigde en met instemming van het Europees Parlement, door een derde;

b)

de garant is op eerste vordering hoofdelijk aansprakelijk en verlangt niet van het Europees Parlement dat het zich eerst tot de hoofdschuldenaar (de betrokken begunstigde) wendt, en

c)

de financiële garantie blijft uitdrukkelijk van kracht tot de voorfinanciering is verrekend met de tussentijdse betalingen of de betaling van het saldo door het Europees Parlement; indien de betaling van het restbedrag de vorm aanneemt van een terugvordering, moet de financiële garantie van kracht blijven tot de schuld volledig is vereffend; en het Europees Parlement geeft de garantie vrij in de loop van de daaropvolgende maand.

Artikel II.28

Controle

II.28.1.   Algemene bepalingen

Binnen de grenzen van hun bevoegdheden en in overeenstemming met hoofdstuk V van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, kunnen het Europees Parlement en de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen op elk moment hun respectieve controlerende bevoegdheden uitoefenen om na te gaan of de begunstigde de in het financieringsbesluit, in Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en in het Financieel Reglement vastgelegde verplichtingen volledig nakomt.

De begunstigde werkt naar behoren samen met de bevoegde autoriteiten en verstrekt alle noodzakelijke ondersteuning voor het uitvoeren van de controle.

Het Europees Parlement en de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen kunnen deze controle delegeren aan externe instanties die naar behoren gemachtigd zijn om namens hen op te treden („de gemachtigde instanties”).

II.28.2.   Verplichting tot de bewaring van documenten

Gedurende een periode van vijf jaar die ingaat op de datum van indiening van het jaarverslag, bewaart de begunstigde op een geschikt medium alle originele documenten, en met name boekhoudkundige en fiscale stukken, met inbegrip van gedigitaliseerde originelen wanneer dat door het desbetreffende nationaal recht en onder de daarin vastgestelde voorwaarden is toegestaan.

De in de eerste alinea genoemde periode van vijf jaar geldt niet indien er audits, beroepsprocedures, geschillen of claims lopen met betrekking tot de financiering. In deze gevallen bewaart de begunstigde de documenten tot deze audits, beroepsprocedures, geschillen of claims zijn afgehandeld.

II.28.3.   Verplichting tot het verstrekken van documenten en/of informatie

De begunstigde verstrekt alle documenten en/of informatie, ook informatie in elektronisch formaat, waarom het Europees Parlement, de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen of de gemachtigde instantie („de bevoegde autoriteit”) verzoeken.

Alle door de begunstigde verstrekte documenten of informatie worden overeenkomstig artikel II.6 verwerkt.

II.28.4.   Bezoeken ter plaatse

De bevoegde autoriteit kan bezoeken ter plaatse, in de gebouwen van de begunstigde, uitvoeren. Daartoe kan zij schriftelijk verzoeken dat de begunstigde een passende regeling voor dit bezoek treft, binnen een passende termijn die door de bevoegde autoriteit wordt bepaald.

Tijdens bezoeken ter plaatse verleent de begunstigde de bevoegde autoriteit toegang tot de terreinen en gebouwen waar de operatie wordt of werd uitgevoerd alsook tot alle noodzakelijke informatie, ook informatie in elektronisch formaat.

De begunstigde zorgt ervoor dat de informatie op het moment van het bezoek ter plaatse vlot beschikbaar zijn en dat de gevraagde informatie in een passend formaat worden overhandigd.

II.28.5.   Auditprocedure van hoor en wederhoor

Op basis van de bevindingen van de controleprocedure stelt het Europees Parlement een voorlopig auditverslag op dat aan de begunstigde wordt bezorgd. De begunstigde kan zijn opmerkingen indienen binnen 30 kalenderdagen vanaf de datum van ontvangst van het voorlopige auditverslag.

Op basis van de bevindingen in het voorlopige auditverslag en de mogelijke opmerkingen van de begunstigde, stelt het Europees Parlement zijn definitieve auditbevindingen vast in een definitief auditverslag. Het definitieve auditverslag wordt naar de begunstigde gestuurd binnen de 60 kalenderdagen na het verstrijken van de uiterste termijn voor de indiening van opmerkingen over het voorlopige auditverslag.

II.28.6.   Gevolgen van de bevindingen van de audit

Onverminderd het recht van het Parlement om maatregelen te treffen overeenkomstig artikel II.12 tot en met artikel II.14, worden de definitieve auditbevindingen terdege in overweging genomen door het Europees Parlement bij het vaststellen van het definitieve financieringsbedrag.

Gevallen van mogelijke fraude of ernstige overtreding van de toepasselijke regels die in de definitieve auditbevindingen aan het licht kwamen, worden aan de bevoegde nationale of Unie-autoriteiten gemeld met het oog op verdere maatregelen.

Het Europees Parlement kan het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag met terugwerkende kracht aanpassen op basis van de definitieve auditbevindingen.

II.28.7.   Rechten van OLAF om controle uit te oefenen

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) oefent zijn rechten om controle uit te oefenen ten aanzien van de begunstigde uit overeenkomstig de toepasselijke regels en met name overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (8), Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9), en artikel 24, lid 4, en artikel 25, lid 7, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

De begunstigde werkt naar behoren samen met OLAF en verstrekt OLAF alle noodzakelijke ondersteuning bij het uitvoeren van de controle.

Het Europees Parlement kan te allen tijde het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag met terugwerkende kracht aanpassen op basis van de van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) ontvangen bevindingen overeenkomstig artikel 25, lid 7, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014. Voordat het Europees Parlement besluit om het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag met terugwerkende kracht aan te passen wordt de begunstigde naar behoren in kennis gesteld van de desbetreffende bevindingen en van het voornemen van het Parlement om het besluit inzake het definitieve financieringsbedrag aan te passen, en krijgt de begunstigde de gelegenheid opmerkingen te maken.

II.28.8.   Rechten van de Europese Rekenkamer om controle uit te oefenen

De Europese Rekenkamer oefent haar rechten om controle uit te oefenen uit overeenkomstig de toepasselijke regels en met name overeenkomstig artikel 137, lid 2, van het Financieel Reglement en artikel 25, lid 6, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014. De artikelen II.28.3 en II.28.4 zijn van toepassing.

De begunstigde werkt naar behoren samen met de Rekenkamer en verstrekt de Rekenkamer alle noodzakelijke ondersteuning bij het uitvoeren van de controle.

II.28.9.   Niet-naleving van de verplichtingen uit hoofde van artikel II.28.1 tot en met 4

Indien de begunstigde de in artikel II.28.1 tot en met 4 genoemde verplichtingen niet naleeft, kan het Europees Parlement alle kosten die onvoldoende gemotiveerd zijn door de begunstigde beschouwen als niet voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Voor het Europees Parlement

[naam, voornaam]

[handtekening]

Gedaan te [stad: Straatsburg, Luxemburg, Brussel]

Bijlage 1

Geraamde begroting

Kosten

Subsidiabele kosten

Begroting

Werkelijk

A.1: Personeelskosten

1.

Salarissen

2.

Bijdragen

3.

Bijscholing

4.

Reiskosten voor personeel

5.

Andere personeelskosten

 

 

A.2: Infrastructuur- en exploitatiekosten

1.

Huur, lasten en onderhoudskosten

2.

Kosten van installatie, exploitatie en onderhoud van uitrusting

3.

Afschrijvingskosten van roerende en onroerende goederen

4.

Papier en kantoorbenodigdheden

5.

Abonnement en telecommunicatie

6.

Kosten voor drukken, vertaling, reproductie

7.

Andere infrastructuurkosten

 

 

A.3: Administratieve kosten

1.

Documentatiekosten (kranten, persagentschap, databank)

2.

Studie en onderzoekskosten

3.

Gerechtskosten

4.

Kosten boekhouding en auditing

5.

Steun aan derden

6.

Diverse huishoudelijke kosten

 

 

A.4: Vergaderingen en representatiekosten

1.

Kosten voor vergaderingen

2.

Deelname aan seminars en conferenties

3.

Representatiekosten

4.

Kosten voor uitnodigingen

5.

Andere vergaderkosten

 

 

A.5: Uitgaven voor informatie en publicaties

1.

Publicatiekosten

2.

Inrichting en beheer van internetsite

3.

Publiciteitskosten

4.

Communicatiemateriaal (gadgets)

5.

Seminars en tentoonstellingen

6.

Andere informatiekosten

 

 

A.6: Toewijzing aan de „voorziening ter dekking van subsidiabele uitgaven van het eerste kwartaal van het jaar n+1”

 

 

A. TOTALE SUBSIDIABELE KOSTEN

 

 

Niet-subsidiabele kosten

1.

Voorzieningen

2.

Wisselkoersverliezen

3.

Dubieuze vorderingen aan derden

4.

Bijdragen in natura

5.

Andere (te preciseren)

 

 

B. TOTALE NIET-SUBSIDIABELE KOSTEN

 

 

C. TOTAAL KOSTEN

 

 


Ontvangsten

 

Begroting

Werkelijk

D.1 Opneming van de „voorziening ter dekking van subsidiabele uitgaven van het eerste kwartaal van het jaar n”

n.v.t.

 

D.2 Financiering van het Europees Parlement

 

 

D.3 Contributies van leden

 

 

3.1

van stichtingen die lid zijn

3.2

van individuele leden

 

 

D.4 Giften

 

 

 

 

 

D.5 Andere eigen middelen

 

 

(te vermelden)

 

 

D.6. Renteopbrengsten uit voorfinanciering

 

 

D.7. Bijdragen in natura

 

 

D. TOTAAL ONTVANGSTEN

 

 

E. Winst/verlies (F-C)

 

 


F. Overmaking van eigen middelen naar reserverekening

 

 

G. Winst/verlies voor verificatie van de naleving van de regel dat financiering geen winst mag opleveren (E-F)

 

 

Noot: Dit is slechts een indicatieve structuur. De verplichte structuur van de geraamde begroting wordt jaarlijks gepubliceerd samen met de oproep tot het indienen van voorstellen.

Bijlage 2

Werkprogramma

[per verzoek om financiering invoegen]

 


(1)  PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1.

(2)  PB L 298 van 26.10.2012, blz.1.

(3)  PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1.

(4)  PB L 333 van 19.12.2015, blz. 50.

(5)  PB C 205 van 29.6.2017; blz. 2.

(6)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(8)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(9)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).


Raad

29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/46


Conclusies van de Raad ter bevordering van de strijd tegen de toename van overgewicht en obesitas bij kinderen (1)

(2017/C 205/03)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE

HERINNERT AAN HET VOLGENDE:

1.

Artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (2) stelt dat bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt verzekerd en dat de Unie samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de volksgezondheid aanmoedigt en zo nodig hun optreden steunt;

2.

Sedert 2000 onderstreept de Raad van de Europese Unie dat het belangrijk is door middel van voeding en lichaamsbeweging een gezonde levensstijl te propageren, met name in: (3)

de resolutie van de Raad van 14 december 2000 betreffende gezondheid en voeding (4);

de op 3 juni 2005 aangenomen conclusies van de Raad over zwaarlijvigheid, voeding en lichaamsbeweging (5);

de op 30 november 2006 aangenomen conclusies van de Raad betreffende gezondheid op alle beleidsgebieden (6);

de op 6 december 2007 aangenomen conclusies van de Raad over de uitvoering van een EU-strategie voor aan voeding, overgewicht en obesitas gerelateerde gezondheidskwesties (7);

de op 8 juni 2010 aangenomen conclusies van de Raad over rechtvaardigheid en gezondheid in alle beleidsmaatregelen: solidariteit in de gezondheidszorg (8);

de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 27 november 2012, betreffende het stimuleren van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging (HEPA) (9);

de op 20 juni 2014 aangenomen conclusies van de Raad over voeding en lichaamsbeweging (10), en

de op 17 juni 2016 aangenomen conclusies van de Raad over verbetering van voedingsmiddelen (11);

3.

Het EU-actieplan inzake obesitas bij kinderen 2014-2020 (12), waarin de gunstige invloed van gezondheidsbevordering en ziektepreventie voor zowel burgers als gezondheidszorgstelsels en het belang van een gezonde voeding (13) en het bevorderen van lichaamsbeweging voor het terugdringen van het risico op chronische aandoeningen en niet-overdraagbare ziekten worden onderkend en de lidstaten wordt verzocht van het bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging een topprioriteit te blijven maken om zodoende bij te dragen tot een betere gezondheid en levenskwaliteit van EU-burgers en tot de houdbaarheid van de gezondheidszorgstelsels, en het actieplan voor levensmiddelen en voeding voor Europa 2015-2020 (14);

4.

Het mondiale actieplan van de WGO ter voorkoming en beheersing van niet-overdraagbare aandoeningen 2013-2020 van 27 mei 2013 (15) en de negen bijbehorende vrijwillige mondiale doelstellingen; de strategie van de Wereldgezondheidsorganisatie voor lichaamsbeweging voor de Europese regio 2016-2025 (16); het verslag van de WGO-commissie bestrijding van obesitas bij kinderen (2016) (17) dat een alomvattend, geïntegreerd pakket aanbevelingen om obesitas bij kinderen aan te pakken bevat;

5.

De VN-resolutie van 25 september 2015 getiteld: „Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development”, waarin wordt onderkend dat het tegengaan van ongelijkheden een multistakeholder- en multisectorbenadering vergt, waarbij ervoor wordt gezorgd dat niemand uit het oog wordt verloren (18);

6.

De Verklaring van Wenen van 5 juli 2013 over voeding en niet-overdraagbare aandoeningen in het kader van „Gezondheid 2020” (19), waarin werd besloten actie te ondernemen over obesitas en prioriteit te geven aan actie op het gebied van gezonde voeding voor kinderen, met name door het tot stand brengen van een gezonder voedsel- en drankaanbod;

7.

Het verslag getiteld: „Public Procurement of Food for Health — Technical Report on the School Setting 2017” (Technisch verslag over de schoolomgeving — Overheidsopdrachten voor voeding ten behoeve van de gezondheid), dat door het Maltese voorzitterschap samen met de Europese Commissie, de WGO, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en de leden van Groep op hoog niveau over voeding en lichaamsbeweging is opgesteld (20);

8.

Het ontwerpverslag over de evaluatie halverwege van het EU-actieplan inzake obesitas bij kinderen, dat de Europese Commissie op 22 februari 2017 heeft uitgebracht (21);

ONDERKENT HET VOLGENDE:

1.

Gezondheid is een waarde, een kans en een investering voor de economische en sociale ontwikkeling van elk land;

2.

Het feit dat overgewicht en obesitas bij kinderen in veel lidstaten wijdverspreid zijn, vormt een grote gezondheidsuitdaging, die bijdraagt tot toenemende ongelijkheden op gezondheidsvlak, waarbij kinderen behoren tot de kwetsbaarste groep die het zwaarst wordt getroffen; obesitas bij volwassenen, waarmee bekende gezondheids- en economische gevolgen gepaard gaan, kan in sterke mate worden voorspeld aan de hand van obesitas bij kinderen, aangezien meer dan 60 % van de kinderen met overgewicht waarschijnlijk volwassenen met overgewicht worden (22);

3.

Overgewicht en obesitas bij kinderen worden in verband gebracht met ernstige gevolgen voor de gezondheid, op zowel de korte als de lange termijn, waaronder een verhoogd risico op onder meer diabetes type 2, astma, hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten; zodra deze ziekten zijn opgedaan, vermindert obesitas de doeltreffendheid van de behandeling van die ziekten significant;

4.

Obesitas tast de levenskwaliteit aan en houdt onder meer verband met een laag zelfbeeld;

5.

De oorzaken van overgewicht en obesitas bij kinderen zijn complex en veelzijdig, veelal als gevolg van de blootstelling aan een obesogene (23) omgeving;

6.

Onvoldoende lichaamsbeweging en een onevenwichtig voedingspatroon leiden tot overgewicht, obesitas en diverse chronische aandoeningen. Daarom moeten beide factoren passend worden aangepakt;

7.

Nieuwe experimentele gegevens doen uitschijnen dat er epigenetische afwijkingen bestaan die in sommige gevallen bijdragen tot overgewicht of obesitas; sommige studies wijzen op met latere obesitas bij kinderen verbonden risicofactoren, zoals een hogere body mass index van de moeder vóór de zwangerschap, blootstelling aan tabak vóór de geboorte, een buitensporige gewichtstoename bij de moeder tijdens de zwangerschap, en een versnelde gewichtstoename bij zuigelingen tijdens de eerste 1 000 levensdagen (24);

8.

Obesitas bij Europese kinderen vertoont een sterke correlatie met de sociaaleconomische status van de ouders van die kinderen: bij ouders in lagere sociaaleconomische klassen komt overgewicht vaker voor. Kinderen van ouders met obesitas of van ouderen met een lagere sociaaleconomische status lopen meer kans er slechte eetgewoonten op na te houden en zwaarlijvig te worden. In sommige lidstaten krijgen kinderen in lagere sociaaleconomische klassen, vooral in het geval van vroeggeboorten, minder vaak borstvoeding (25);

9.

De bestaande maatregelen ter bevordering van de gezondheid en ter preventie van overgewicht en obesitas die de toename van obesitas bij kinderen een halt moeten toeroepen, zijn niet doeltreffend genoeg gebleken. Geen enkele afzonderlijke maatregel volstaat om obesitas bij kinderen aan te pakken. Daarnaast kunnen sectorale maatregelen ook belangrijke ongewenste neveneffecten hebben voor een gezonde voeding en lichaamsbeweging. Daarom moet obesitas bij kinderen een belangrijke plaats op de beleidsagenda van de afzonderlijke lidstaten en de Europese Unie krijgen en prioritair worden aangepakt met diverse gecoördineerde maatregelen in verschillende sectoren;

10.

Er is nader onderzoek nodig om een beter inzicht te krijgen in de oorzaken van overgewicht en obesitas bij kinderen, onder meer naar epigenetica, en om empirisch onderbouwde benaderingen te verkennen met het oog op een gezonde voeding en meer lichaamsbeweging tijdens de hele levensduur. Daarnaast moet nog meer overheidsonderzoek inzake gezondheid worden verricht om de economische gevolgen en oorzaken in alle sociaaleconomische klassen in kaart te brengen, alsmede om te waarborgen dat de overheid doeltreffende maatregelen, ingrepen en preventieprogramma’s ten uitvoer legt;

11.

Aangezien uit gegevens blijkt dat een goed gevoed kind gezonder is, stelt toegang tot gezonde voeding en lichaamsbeweging vanaf jonge leeftijd kinderen in staat te groeien en zich tot gezonde volwassenen te ontwikkelen. Gezonde kinderen zijn beter toegerust om op school te leren en te ontbolsteren, wat in het latere leven leidt tot een beter persoonlijk ontwikkelingsvermogen en een hogere productiviteit;

12.

Volgens de WGO moeten kinderen en jongeren tussen 5 en 17 jaar in totaal dagelijks ten minste 60 minuten lichaamsbeweging van gematigde of hevige intensiteit uitoefenen. Activiteiten van hevige intensiteit en activiteiten ter versterking van de spieren en beenderen moeten ten minste drie keer per week worden ingepast (26). De beschikbare nationale aanbevelingen moeten in aanmerking worden genomen;

13.

In het hele overheidsapparaat en de hele samenleving moet een sectoroverstijgende samenwerkingsaanpak worden gehanteerd met het oog op gezonde omgevingen, onder meer op het gebied van gezondheid, onderwijs, voedselproductie, landbouw en visserij, handel en industrie, financiën, sport, cultuur, communicatie, milieu- en stedelijke planning, vervoer, sociale zaken en onderzoek;

14.

Aangezien kinderen in de meeste Europese landen bijna een derde van hun dagelijks leven binnen de onderwijsomgeving doorbrengen, is het belangrijk dat gezonde voeding en lichaamsbeweging in samenwerking met ouders worden gepromoot op school en in de kinderopvang. In het onderwijs moet worden gestreefd naar een omgeving die de voorwaarden schept voor een gezonde levensstijl;

15.

Schoolmaaltijden bieden een goede gelegenheid om gezonde eetgewoonten en de gezondheid te bevorderen; daartoe moet „voeding ten behoeve van de gezondheid” in onderwijsomgevingen worden gepropageerd;

16.

Overheden en overheidsinstellingen hebben de mogelijkheid de vraag naar gezonde maaltijden en dus een betere voeding te versterken via overheidsopdrachten en kunnen de markt beïnvloeden en innovatie bevorderen om ervoor te zorgen dat op een eerlijke en transparante manier evenwichtiger voeding wordt aangeboden;

17.

Er is voldoende bewijsmateriaal dat rechtvaardigt dat men doeltreffender optreedt met betrekking tot de marketing van voedingsmiddelen die veel energie, verzadigde vetten, transvetzuren, suikers en zout bevatten. De ervaring en de resultaten wijzen erop dat vrijwillig optreden wellicht regelgeving zal vergen om aan slagkracht te winnen;

18.

Uitsluitend borstvoeding gedurende de eerste zes levensmaanden biedt voordelen voor een optimale groei, ontwikkeling en gezondheid. Daarna moeten zuigelingen, om aan de zich ontwikkelende voedingsbehoeften te voldoen, passend en veilig — wat de voedingswaarde betreft — aanvullend voedsel krijgen, terwijl de borstvoeding doorgaat tot de leeftijd van twee jaar of ouder. Borstvoeding en het gebruik van veilig aanvullend voedsel moeten plaatsvinden overeenkomstig de aanbevelingen van de WGO (27), of, indien beschikbaar, nationale aanbevelingen;

VERZOEKT DE LIDSTATEN OM:

1.

in hun nationale actieplannen, strategieën en activiteiten op het gebied van voeding en lichaamsbeweging, sectoroverschrijdende maatregelen te integreren om obesitas bij kinderen aan te pakken, waarbij de nadruk niet alleen op gezondheidsbevordering en ziektepreventie ligt, maar ook op kinderen en jongeren die reeds te zwaar of zwaarlijvig zijn; de maatregelen moeten in het bijzonder het volgende omvatten:

sectoroverschrijdend beleid en acties tijdens de gehele levensduur, teneinde sociaaleconomische ongelijkheden terug te dringen en met name kwetsbare kinderen en adolescenten in kansarme gemeenschappen te bereiken, bijvoorbeeld door een betere toegang tot gezonde voeding en lichaamsbeweging;

transparante en doeltreffende governance om de aanjagers van overgewicht en obesitas aan te pakken;

beleid dat de beschermende factoren van gezonde voeding en gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging optimaliseert en de diverse risicofactoren die bijdragen aan overgewicht en zwaarlijvigheid tot een minimum beperkt;

maatregelen die van het onderwijs en de kinderopvang stimulerende omgevingen maken, waar gezonde voeding en passende gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging op basis van nationale of internationale aanbevelingen worden aangemoedigd;

maatregelen om het aanleren van de vaardigheden met betrekking tot voeding, lichaamsbeweging en sedentaire activiteit door middel van een gezinsgebaseerde aanpak bij kinderen, ouders en opvoeders te stimuleren;

maatregelen om lichaamsbeweging in recreatieve voorzieningen te bevorderen, sedentair gedrag terug te dringen en toegankelijke diensten te ontwikkelen en aan te bieden om in de vrije tijd aan lichaamsbeweging te doen en een omgeving te creëren waarin elke dag lichaamsbeweging en actieve verplaatsingen mogelijk zijn (28);

maatregelen om ervoor te zorgen dat de onderwijsvoorzieningen voor kinderen beschermde omgevingen zijn, waar geen enkele vorm van marketing mogelijk is die haaks staat op het aannemen van een gezondere levensstijl;

maatregelen die op duurzame wijze tot gezonde voeding en gezonde consumptiepraktijken aanzetten en die bijdragen tot het verminderen van ongelijkheden op sociaal en gezondheidsgebied;

maatregelen ter bevordering van en tot toezicht op het verbeteren van voedingsmiddelen die hoofdzakelijk door kinderen worden geconsumeerd, als belangrijk instrument om in elke omgeving en bevolkingsgroep een gezonde keuze te vergemakkelijken, conform de conclusies van de Raad over verbetering van voedingsmiddelen;

maatregelen om gezinnen te steunen en in staat te stellen een gezondere levensstijl aan te nemen, voor gezonde voedingsopties te kiezen en lichaamsbeweging aan te moedigen, rekening houdend met de tijdsdruk en sociaaleconomische factoren;

maatregelen om in verschillende contexten vroegtijdige interventies aan te moedigen, door middel van uitsluitend borstvoeding gedurende de eerste zes maanden, de invoering van qua voedingswaarde passende aanvullende voeding, terwijl de borstvoeding doorgaat tot de leeftijd van twee jaar of ouder, met inachtneming van beschikbare nationale aanbevelingen;

maatregelen om het onderzoek naar de determinanten van obesitas bij kinderen te stimuleren en betere oplossingen om dit probleem aan te pakken;

maatregelen voor een betere toegang tot een leven lang adequaat professioneel advies, begeleiding en monitoring op het gebied van gezonde voeding en gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging, ook voorafgaand aan de conceptie en de zwangerschap;

maatregelen om te voorzien in permanente opleiding voor gezondheidswerkers die in contact komen met zwangere vrouwen, zuigelingen, kinderen, adolescenten, ouders en gezinnen, op basis van het meest recent beschikbare wetenschappelijk advies over voeding, gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging en preventie en beheersing van overgewicht en obesitas;

screening, zodat duidelijk wordt welke kinderen een risico lopen op overgewicht of obesitas, en behandeling en zorg voor kinderen met overgewicht en obesitas, in het bijzonder voor kinderen met ernstige obesitas;

maatregelen om de essentiële rol van primaire gezondheidszorg op het gebied van preventie, vroegtijdige opsporing en behandeling van overgewicht en obesitas te optimaliseren;

maatregelen om de blootstelling van kinderen en adolescenten aan marketing, reclame in alle media (met inbegrip van onlineplatforms en sociale media) en sponsoring, van voedingsmiddelen die veel energie, verzadigde vetten, transvetzuren, suikers en zout bevatten te verminderen, en maatregelen om het effect van deze stappen te monitoren en erover te rapporteren;

2.

het ontwikkelen van richtsnoeren voor gezonde voeding, voor kinderen en adolescenten met een gezond gewicht maar ook voor kinderen en adolescenten met overgewicht of obesitas. Deze richtsnoeren moeten een leidraad zijn voor ouders, verzorgers en voedselleveranciers in onderwijsvoorzieningen, met het oog op onder meer passende porties en voorlichting over voedzame, betaalbare en geschikte voedingsopties;

3.

het ontwikkelen van nationale specifieke richtsnoeren om dagelijkse lichaamsbeweging aan te moedigen;

4.

waarborgen die ervoor zorgen dat de communicatie en begeleiding door nationale openbare instanties die actief zijn op het gebied van voeding, lichaamsbeweging en gezondheid, opgebouwd en verstrekt worden zonder enige ongepaste commerciële bemoeienis;

5.

meer gezamenlijke inspanningen om de totale omvang en overtuigingskracht van op kinderen en adolescenten gerichte communicatie over voedselmarketing die in strijd is met het bevorderen van een gezonde levensstijl, terug te dringen;

6.

in dialoog gaan met voedingsproducenten, detailhandelaars en de cateringsector om hen tot het leveren van betere levensmiddelen aan te zetten, in overeenstemming met de richtsnoeren van de gezondheidssector, en het aanmoedigen van gezonde opties, zodat de gezonde optie de gemakkelijke keuze wordt;

7.

waar mogelijk, in samenwerking met de belanghebbenden, waaronder niet-gouvernementele organisaties ter bescherming van consumenten en kinderen, maatregelen invoeren of de ontwikkeling van gedragscodes stimuleren. Doel hiervan is ervoor te zorgen dat de op kinderen en adolescenten gerichte commerciële communicatie geen voedsel promoot dat veel energie, zout, suiker of verzadigde vetten en transvetzuren bevat of die anderszins niet voldoet aan de nationale of internationale nutritionele richtsnoeren, en te bewerkstelligen dat de inspanningen van de sector met betrekking tot het verbeteren, vermarkten en promoten van voedsel steeds vaker met elkaar sporen;

8.

het in overweging nemen van wetgevende maatregelen om, waar passend, lichaamsbeweging en gezonde voeding aan te moedigen en te zorgen voor een gunstig klimaat daartoe;

9.

het implementeren van een aanpak waarbij op elk beleidsterrein gezondheid is opgenomen, die leidt tot ondersteunende contexten en infrastructuur waarin lichaamsbeweging als dagelijkse routine of in de vrije tijd kan toenemen, en de keuze voor gezonder voedsel gemakkelijk wordt;

10.

het implementeren van lopende programma’s waarmee de gezondheidsstatus tijdens de volledige levensduur wordt gemonitord, met bijzondere aandacht voor voeding en lichaamsbeweging bij zwangere vrouwen, kinderen en adolescenten, zodat gerichte actie kan worden ontwikkeld en uitgevoerd. Deze programma’s moeten verschillende indicatoren, waaronder indicatoren voor sociale ongelijkheden, kunnen monitoren;

11.

een analyse overwegen van de economische gevolgen van overgewicht en obesitas bij kinderen en volwassenen, voornamelijk wat de kosten voor de zorg en de maatschappelijke kosten betreft, de druk op de overheidsbegroting en het gezinsbudget in alle lagen van de bevolking;

ROEPT DE LIDSTATEN EN DE COMMISSIE ERTOE OP:

1.

van de aanpak van overgewicht en obesitas bij kinderen een prioriteit van de Europese Unie te maken en die in alle beleidssectoren van de Werkagenda van de Commissie op te nemen, met volledige inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten;

2.

waar passend, samen te werken met alle belanghebbenden, waaronder niet-gouvernementele organisaties ter bescherming van consumenten en kinderen, onder leiding van voor de volksgezondheid bevoegde instanties, met het oog op het opstellen, versterken en evalueren van initiatieven op lokaal, nationaal en Europees niveau. Een en ander heeft ten doel de op kinderen en adolescenten gerichte marketing voor levensmiddelen die veel energie, zout, suiker of verzadigde vetten en transvetzuren bevatten of die anderszins niet voldoen aan de nationale of internationale nutritionele richtsnoeren, terug te dringen, maar ook om met empirisch onderbouwde instrumenten de strijd aan te gaan met sedentaire levensstijlen, gelet op het feit dat er een sterk verband is tussen enerzijds marketing en schermblootstelling en anderzijds obesitas bij kinderen en adolescenten;

3.

nota te nemen van de dringende behoefte aan een reactie op de nieuwe uitdaging van marketing en reclame via onlineplatforms en sociale media, waar communicatieberichten vaak meer op individuele kinderen gericht zijn en moeilijker kunnen worden gemonitord;

4.

de vrijwillige etikettering van levensmiddelen aan te moedigen, volgens de beginselen van Verordening (EU) nr. 1169/2011, en met name artikel 35, lid 1, daarvan, teneinde alle consumenten en met name die uit lagere sociaaleconomische klassen te steunen in hun keuze voor gezonde opties, alsmede voorlichting en informatiecampagnes te promoten voor een beter begrip van informatie over voeding, waaronder de etikettering van voedingswaarden;

5.

in de Groep op hoog niveau inzake voeding en lichaamsbeweging, passende mechanismen te bepalen om het vergaren van gegevens over gezondheidsindicatoren en over interventies en acties, te verbeteren, met name voor gegevens in verband met gedrag, beschermende factoren en risicofactoren, overgewicht, obesitas en gezondheidsresultaten, teneinde over geactualiseerde, betrouwbare en vergelijkbare gegevens te kunnen beschikken;

6.

het monitoren van lichaamsbeweging en voedingskwaliteit in onderwijsinstellingen voor kinderen aan te merken als prioritaire gebieden, samen met het evalueren van sociale ongelijkheden — en de gevolgen daarvan — in verband met obesitas en overgewicht bij kinderen en adolescenten;

7.

het initiatief te ondersteunen van de WGO omtrent de bewaking van obesitas bij kinderen (WHO Childhood Obesity Surveillance Initiative) (29), dat is opgezet om routinematig trends in overgewicht en obesitas bij kinderen in de basisschool te meten, en van de studie over het gezondheidsgedrag bij adolescente schoolkinderen (Health Behaviour Study in School Children) (30), teneinde de voortgang van de epidemie bij deze bevolkingsgroep te begrijpen en landenvergelijkingen binnen de Europese regio te kunnen uitvoeren;

8.

het EU-actieplan inzake obesitas bij kinderen 2014-2020 verder te ondersteunen en uit te voeren, met volledige inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten, met name wat grensoverschrijdende activiteiten en effecten betreft, zoals betere voedingsproducten en op kinderen gerichte marketing;

9.

empirisch onderbouwde programma’s en richtsnoeren te ontwikkelen en te evalueren over gezondheidsbevordering en preventie-interventies, diagnose en mogelijke behandelingen voor kinderen en adolescenten met overgewicht en obesitas, of kinderen en adolescenten die dat risico lopen. Aanvullend opleiding en sturing te bieden aan gezondheidswerkers, in overeenstemming met de richtsnoeren en aanbevelingen van de WGO;

10.

goede praktijken in de lidstaten in kaart te brengen, voor zover zij aan empirisch onderbouwde selectiecriteria voldoen, en die te verspreiden onder de lidstaten, zonder daarbij de institutionele context uit het oog te verliezen;

ROEPT DE COMMISSIE ERTOE OP:

1.

onderzoeksprojecten en bewakingsinitiatieven die gericht zijn op het opsporen en aanpakken van overgewicht en obesitas bij kinderen, te blijven steunen en van middelen te blijven voorzien, onder meer door voorbeelden van goede praktijken en succesverhalen die geselecteerd zijn op basis van strenge criteria, te verspreiden;

2.

te zorgen voor een doeltreffende aanpak die aan elke beleidsmaatregel een gezondheidsaspect verbindt en waarmee in alle sectoren en initiatieven overwegingen met betrekking tot gezondheid, preventie en voeding worden bevorderd;

3.

de belanghebbenden op EU-niveau verder hierbij te betrekken, in het bijzonder bij productverbetering, door gebruik te maken van passende kaders voor evaluatie en verantwoordingsplicht, en regelmatig over de ontwikkelingen te rapporteren;

4.

de opstelling van EU-gedragscodes op het gebied van marketing en commerciële communicatie over voedingsmiddelen te steunen, met name ten aanzien van kinderen en jongeren, en daarbij de belanghebbenden op passende wijze te betrekken;

5.

de gezamenlijke werkzaamheden te steunen van de lidstaten die gecoördineerde initiatieven willen opzetten en deze zo breed mogelijk willen toepassen, met name op het gebied van de voedselverbetering, de economische analyse van de gevolgen van obesitas, marketing en openbare aanbestedingen inzake voedingsmiddelen.


(1)  Volgens het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind wordt onder een kind verstaan „ieder mens jonger dan achttien jaar, tenzij volgens het op het kind van toepassing zijnde recht de meerderjarigheid eerder wordt bereikt”.

(2)  PB C 326 van 26.10.2012, blz. 47 (geconsolideerde versie).

(3)  Andere toepasselijke conclusies of aanbevelingen van de Raad: de op 2 december 2002 aangenomen conclusies van de Raad inzake zwaarlijvigheid, de op 2 december 2003 aangenomen conclusies van de Raad inzake gezonde leefstijlen: educatie, informatie en communicatie, de op 31 mei 2007 aangenomen conclusies getiteld: „Gezondheidsbevordering door middel van voeding en lichaamsbeweging”, de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen op 20 november 2008, over de gezondheid en het welzijn van jongeren, de op 2 december 2011 aangenomen conclusies van de Raad over het wegnemen van de verschillen in gezondheid binnen de EU middels onderling afgestemde maatregelen ter bevordering van een gezonde levensstijl, en de op 26 november 2013 aangenomen aanbeveling van de Raad over de stimulering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de verschillende sectoren.

(4)  PB C 20 van 23.1.2001, blz. 1.

(5)  Document 9181/05 SAN 67.

(6)  Document 16167/06 SAN 261.

(7)  Document 15612/07 SAN 227 DENLEG 118.

(8)  Document 9947/10 SAN 120 SOC 355.

(9)  PB C 393 van 19.12.2012, blz. 22.

(10)  PB C 213 van 8.7.2014, blz. 1.

(11)  PB C 269 van 23.7.2016, blz. 21.

(12)  http://ec.europa.eu/health//sites/health/files/nutrition_physical_activity/docs/childhoodobesity_actionplan_2014_2020_en.pdf

(13)  Het begrip „gezonde voeding” is identiek aan het begrip dat wordt gebruikt in het EU-actieplan inzake obesitas bij kinderen 2014-2020 http://ec.europa.eu/health//sites/health/files/nutrition_physical_activity/docs/childhoodobesity_actionplan_2014_2020_en.pdf,

en het verslag van de Commissie bestrijding van obesitas bij kinderen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) http://apps.who.int/iris/bitstream/10665/204176/1/9789241510066_eng.pdf

(14)  http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0008/253727/64wd14e_FoodNutAP_140426.pdf

(15)  http://www.who.int/nmh/events/ncd_action_plan/en/

(16)  http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0010/282961/65wd09e_PhysicalActivityStrategy_150474.pdf?ua=1

(17)  http://apps.who.int/iris/bitstream/10665/204176/1/9789241510066_eng.pdf

(18)  http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/70/1&Lang=E

(19)  http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0003/234381/Vienna-Declaration-on-Nutrition-and-Noncommunicable-Diseases-in-the-Context-of-Health-2020-Eng.pdf?ua=1

(20)  https://ec.europa.eu/jrc/sites/jrcsh/files/public-procurement-food-health-technical-report.pdf

(21)  „Study on the implementation of the EU Action Plan on Childhood Obesity 2014-2020” (Onderzoek naar de uitvoering van het EU-actieplan inzake obesitas bij kinderen 2014-2020) https://www.eu2017.mt/Documents/Reports/mid-term%20evaluation%20APCO%20report%20Draft.pdf

(22)  Statistieken van de WGO inzake obesitas

http://www.euro.who.int/en/health-topics/noncommunicable-diseases/obesity/data-and-statistics

(23)  „Obesogeen” verwijst naar het geheel van invloeden van de omgeving, kansen of levensomstandigheden die obesitas bevorderen bij personen of bevolkingsgroepen. Volgens het Analysis Grid for Environments Linked to Obesity (ANGELO) (analyseschema voor met obesitas in verband gebrachte omgevingen) wordt de omgeving opgedeeld in twee dimensies: omvang (micro of macro) en type (fysieke, economische, politieke en sociaal-culturele) voor maatstaven in verband met obesitas (bv. eetgedrag, lichaamsbeweging of gewicht). Zie Swinburn B., Egger G., Raza F., „Dissecting Obesogenic Environments: The Development and Application of a Framework for Identifying and Prioritizing Environmental Interventions for Obesity”, Preventive Medicine, december 1999 12;29(6), blz. 563-570.

(24)  Woo Baidal J.A., Locks L.M., Cheng E.R., Blake-Lamb T.L., Perkins M.E., Taveras E.M. „Risk Factors for Childhood Obesity in the First 1,000 Days: a Systematic Review”, American Journal of Preventive Medicine, 2016; 50(6), blz. 761-779.

(25)  Zie Flacking R., Hedberg Nyqvist K, Ewald U., „Effects of socioeconomic status on breastfeeding duration in mothers of preterm and term infants” The European Journal of Public Health, 2007; 17(6), blz. 579-584. doi: 10.1093/eurpub/ckm019.

(26)  Global recommendations on physical activity for health (mondiale aanbevelingen over lichaamsbeweging ten behoeve van de gezondheid) http://www.who.int/dietphysicalactivity/factsheet_recommendations/en/

(27)  Deze aanbeveling is gebaseerd op de conclusies en aanbevelingen van deskundigenoverleg (Genève, 28-30 maart 2001) waarmee de systematische evaluatie van de optimale duur van exclusieve borstvoeding is afgesloten (zie doc. A54/INF.DOC./4).

(28)  Onder actieve verplaatsing wordt verstaan elke vorm van verplaatsing op menselijke kracht: lopen, fietsen, het gebruik van een rolstoel, inline skaten of skateboarding. Zie http://www.phac-aspc.gc.ca/hp-ps/hl-mvs/pa-ap/at-ta-eng.php

(29)  http://www.euro.who.int/en/health-topics/disease-prevention/nutrition/activities/monitoring-and-surveillance/who-european-childhood-obesity-surveillance-initiative-cosi

(30)  http://www.euro.who.int/en/health-topics/Life-stages/child-and-adolescent-health/health-behaviour-in-school-aged-children-hbsc


Europese Commissie

29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/53


Wisselkoersen van de euro (1)

28 juni 2017

(2017/C 205/04)

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,1375

JPY

Japanse yen

127,53

DKK

Deense kroon

7,4366

GBP

Pond sterling

0,88525

SEK

Zweedse kroon

9,7780

CHF

Zwitserse frank

1,0913

ISK

IJslandse kroon

 

NOK

Noorse kroon

9,6020

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

26,326

HUF

Hongaarse forint

309,54

PLN

Poolse zloty

4,2375

RON

Roemeense leu

4,5510

TRY

Turkse lira

4,0079

AUD

Australische dollar

1,4986

CAD

Canadese dollar

1,4888

HKD

Hongkongse dollar

8,8759

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,5648

SGD

Singaporese dollar

1,5752

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 300,61

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

14,8080

CNY

Chinese yuan renminbi

7,7348

HRK

Kroatische kuna

7,4128

IDR

Indonesische roepia

15 160,03

MYR

Maleisische ringgit

4,8922

PHP

Filipijnse peso

57,518

RUB

Russische roebel

67,9014

THB

Thaise baht

38,675

BRL

Braziliaanse real

3,7632

MXN

Mexicaanse peso

20,4344

INR

Indiase roepie

73,4345


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/54


Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie

(2017/C 205/05)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), tweede streepje, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (1) worden de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie (2) als volgt gewijzigd:

Op bladzijde 379:9403 Andere meubelen en delen daarvanwordt na de eerste alinea de volgende tekst toegevoegd:

„Deze post omvat geen wasmanden en waszakken. Voor de toepassing van hoofdstuk 94 worden met „meubelen” allerlei „verplaatsbare” voorwerpen bedoeld die niet zijn begrepen onder andere posten van de nomenclatuur met een specifiekere omschrijving en die zijn gemaakt om op de grond te worden geplaatst en dienen ter inrichting, hoofdzakelijk voor nuttig gebruik, van woonruimten, hotels, theaters enz.

Wasmanden en waszakken worden ingedeeld naar het materiaal waaruit zij zijn vervaardigd. Wasmanden van ijzer of staal worden bijvoorbeeld ingedeeld onder post 7323 als andere huishoudelijke artikelen (waaronder wasmanden zijn begrepen, zie de GS-toelichtingen op post 7323, onder A), punt 3), en wasmanden van vlechtstoffen worden ingedeeld onder post 4602 (waaronder manden van alle soorten zijn begrepen, zie de GS-toelichtingen op post 4602, punt 1)).

Voorbeelden van wasmanden en waszakken die worden ingedeeld naar het materiaal waaruit zij zijn vervaardigd:

Image

Image

Image

van wilgentenen, aan de binnenkant bekleed met katoen, hoogte: 66 cm.

van textiel, bevestigd op een houten constructie, hoogte: 69 cm.

van roestvrij staal, geen bekleding, hoogte: 60 cm.

Post 4602 .

Post 6307 (het wezenlijke karakter wordt verstrekt door de zak van textiel waar de was in zit, aangezien het artikel niet zou fungeren zonder de zak van textiel).

Post 7323 .”


(1)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(2)  PB C 76 van 4.3.2015, blz. 1.


29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/55


Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie

(2017/C 205/06)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), tweede streepje, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (1) worden de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie (2) als volgt gewijzigd:

Op bladzijde 381:9503 00 10 Driewielers, autopeds, pedaalauto’s en dergelijk speelgoed op wielen; poppenwagenswordt na de bestaande tekst de volgende tekst ingevoegd:

„Deze onderverdeling omvat eveneens scooters met hulpmotor, op voorwaarde dat de volgende beperkingen niet worden overschreden:

een maximumsnelheid van niet meer dan 20 km/uur,

een eigen gewicht van niet meer dan 12 kg,

niet meer dan één versnelling,

met slechts één handrem of een voetrem op het achterwiel.

Indien aan een van de bovenstaande criteria niet wordt voldaan, moeten scooters met hulpmotor worden ingedeeld onder post 8711.”.


(1)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(2)  PB C 76 van 4.3.2015, blz. 1.


29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/56


Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie

(2017/C 205/07)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), tweede streepje, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (1) worden de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie (2) als volgt gewijzigd:

Op bladzijde 208 wordt de tekst:

4418 90 10

van gelamineerd hout

Zie de derde alinea van de GS-toelichting op post 4418.

4418 90 80

andere

Tot deze onderverdeling behoren bijvoorbeeld panelen met cellenstructuur, van hout, beschreven in de vierde alinea van de GS-toelichting op post 4418.”

vervangen door:

4418 99 10

van gelamineerd hout

Zie de vierde alinea van de GS-toelichting op post 4418.

4418 99 90

andere

Tot deze onderverdeling behoren bijvoorbeeld panelen met cellenstructuur, van hout, beschreven in de vijfde alinea van de GS-toelichting op post 4418.”.

Op bladzijde 215 wordt het volgende geschrapt:

4805 91 00

met een gewicht van niet meer dan 150 g/m2

Tot deze onderverdeling behoren papier en karton die uitsluitend van teruggewonnen papier (resten en afval), zonder toevoegsels, zijn vervaardigd en waarvan de berstdruk 0,8 kPa of meer doch niet meer dan 1,9 kPa bedraagt.

4805 92 00

met een gewicht van meer dan 150 g/m2 doch minder dan 225 g/m2

De toelichting op onderverdeling 4805 91 00 is van overeenkomstige toepassing.

4805 93 20

vervaardigd van teruggewonnen papier

De toelichting op onderverdeling 4805 91 00 is van overeenkomstige toepassing.”.

Op bladzijde 342 wordt het volgende geschrapt:

8529

Delen waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de toestellen bedoeld bij de posten 8525 tot en met 8528

Tot deze post behoren niet statieven ten behoeve van camera’s van post 8525 of van hoofdstuk 90 (indeling naar aard en samenstelling).”.


(1)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(2)  PB C 76 van 4.3.2015, blz. 1.


Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/57


Netwerken van organisaties, werkzaam op de tot de opdracht van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) behorende gebieden

(2017/C 205/08)

Wat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid betreft, bepaalt artikel 36, lid 2, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (1) het volgende: „De raad van bestuur stelt op voorstel van de uitvoerend directeur een lijst op van door de lidstaten aangewezen bevoegde organisaties die de Autoriteit, afzonderlijk of in netwerken, bij de uitoefening van haar opdracht kunnen bijstaan, en maakt die lijst openbaar.”

Op 19 december 2006 stelde de raad van bestuur van de EFSA voor het eerst een dergelijke lijst op. Sindsdien wordt hij:

i.

regelmatig bijgewerkt, op basis van de voorstellen van de uitvoerend directeur van de EFSA, rekening houdend met herzieningen of nieuwe aanwijzingsvoorstellen van de lidstaten (overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2230/2004 van de Commissie (2));

ii.

bekendgemaakt op de website van de EFSA, waar de laatst bijgewerkte lijst van bevoegde organisaties wordt gepubliceerd, en

iii.

via de zoekfunctie van artikel 36 ter beschikking gesteld van de organisaties, die hier contactgegevens en de specifieke bevoegdheidsgebieden van alle organisaties kunnen vinden.

Deze informatie is verkrijgbaar op de website van de EFSA, onder de volgende links:

i.

de laatste wijziging van de lijst van bevoegde organisaties door de raad van bestuur van de EFSA op 21.6.2017 — http://www.efsa.europa.eu/en/events/event/161214-0;

ii.

de bijgewerkte lijst van bevoegde organisaties — http://www.efsa.europa.eu/sites/default/files/assets/art36listg.pdf, en

iii.

Zoekfunctie artikel 36 — http://www.efsa.europa.eu/art36/search

De EFSA zal deze kennisgeving, en vooral de links naar websites, voortdurend bijwerken.

Verdere informatie vindt u op: Cooperation.Article36@efsa.europa.eu


(1)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 2230/2004 van de Commissie van 23 december 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad voor wat betreft het netwerk van organisaties die werkzaam zijn op de gebieden die behoren tot de opdracht van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (PB L 379 van 24.12.2004, blz. 64).


V Bekendmakingen

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Europese Commissie

29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/58


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8491 — PGA Group/Groupe Bernard/CDPR)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 205/09)

1.

Op 12 juni 2017 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat PGA Group SAS („PGA Group”, Frankrijk) en Bernard Participations („Groupe Bernard”, Frankrijk) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over CDPR, voorheen onder de uitsluitende zeggenschap van Groupe Bernard, door de verwerving van aandelen.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   PGA Group: kleinhandel in personenwagens en distributie van onderdelen met belangrijkste activiteiten in Frankrijk, alsook in Polen, Nederland, België, Spanje en Italië;

—   Groupe Bernard: eigenaar van verschillende autoverkoopconcessies in Frankrijk;

—   CDPR: gemeenschappelijke onderneming die zich zal bezighouden met de distributie van reserveonderdelen voor auto's voor zover Groupe Bernard de bestaande activiteiten van een van haar dochterondernemingen (SICMA), die reeds actief is in deze sector, zal overdragen naar CDPR.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Ze kunnen, met vermelding van zaaknummer M.8491 — PGA Group/Groupe Bernard/CDPR, worden toegezonden per fax (+32 22964301), per e-mail (COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu) of per post aan onderstaand adres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/59


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8500 — Central/SIGNA Prime/JVCo)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 205/10)

1.

Op 20 juni 2017 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Harng Central Department Store Ltd („Central”, Thailand) en Berlin, Tauentzienstraße 21-24 Beteiligung A Sàrl, een dochteronderneming van SIGNA Prime Selection AG („SIGNA”, Oostenrijk), in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over Berlin, Passauer Straße 1-3 Immobilien GmbH & Co. KG („JVCo”, Duitsland), door de verwerving van aandelen.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   Central: familiale houdstermaatschappij die via dochterondernemingen actief is in merchandising, vastgoed, detailhandel, verblijfsaccomodatie en restaurants, hoofdzakelijk in Zuidoost-Azië, waaronder Thailand, Indonesië en Vietnam;

—   SIGNA: houdt zich bezig met vastgoedactiviteiten, d.w.z. aankoop, verhuur, lease en beheer van grond en gebouwen, alsook projectontwikkeling. De geassocieerde groep die onder zeggenschap staat van SIGNA Retail GmbH, houdt zich bezig met kleinhandel en exploiteert, meer bepaald, de warenhuisketen Karstadt;

—   JVCo: eigenaar van een vastgoedperceel in Berlijn, dat momenteel wordt ingenomen door een parkeergarage met meerdere verdiepingen.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Ze kunnen, met vermelding van zaaknummer M.8500 — Central/SIGNA Prime/JVCo, worden toegezonden per fax (+32 22964301), per e-mail (COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu) of per post aan onderstaand adres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/60


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8550 — USSL/Goldman Sachs/Redexis Gas)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 205/11)

1.

Op 20 juni 2017 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Universities Superannuation Scheme Limited („USSL”, Verenigd Koninkrijk) en GS Global Infrastructure Partners II, LP en GS International Infrastructure Partners II, LP („Goldman Sachs”, Verenigde Staten) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over Redexis Gas S.A. en Redexis Gas Finance B.V. („Redexis Gas”, Spanje) door de verwerving van aandelen.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   USSL: trustee die verantwoordelijk is voor het beheer van een particuliere pensioenregeling voor academisch en vergelijkbaar personeel van de universiteiten en andere instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek in het Verenigd Koninkrijk;

—   Goldman Sachs: wereldwijde zakenbank en effecten- en beleggingsbeheerder die een breed scala van bank-, effecten- en beleggingsdiensten aanbiedt;

—   Redexis Gas: gereguleerde onderneming die zich bezighoudt met de transmissie en de distributie van aardgas en vloeibaar petroleumgas in Spanje.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Ze kunnen, met vermelding van zaaknummer M.8550 — USSL/Goldman Sachs/Redexis Gas, worden toegezonden per fax (+32 22964301), per e-mail (COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu) of per post aan onderstaand adres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/61


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.8456 — INEOS/Forties Pipeline System)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

(2017/C 205/12)

1.

Op 20 juni 2017 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat INEOS FPS Limited (eigendom van INEOS Limited („INEOS”), eiland Man) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening de volledige zeggenschap verkrijgt over Forties Pipeline System („FPS”, Verenigd Koninkrijk) en belangen neemt in de noordelijke en zuidelijke Graben Area Export Lines, door de verwerving van activa.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   INEOS: wereldwijde producent van petrochemicaliën, speciale chemicaliën en olieproducten, met beperkte activiteiten in de upstream-olie- en gassector;

—   FPS: geïntegreerd transport- en verwerkingssysteem van olie en aardgas via pijpleidingen gelegen in het Verenigd Koninkrijk (noordelijke Noordzee).

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Ze kunnen, met vermelding van zaaknummer M.8456 — INEOS/Forties Pipeline System, worden toegezonden per fax (+32 22964301), per e-mail (COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu) of per post aan onderstaand adres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


ANDERE HANDELINGEN

Europese Commissie

29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/62


Bekendmaking van een wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

(2017/C 205/13)

Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1) bezwaar aan te tekenen tegen de wijzigingsaanvraag.

AANVRAAG TOT GOEDKEURING VAN EEN NIET-MINIMALE WIJZIGING VAN HET PRODUCTDOSSIER INZAKE BESCHERMDE OORSPRONGSBENAMINGEN/BESCHERMDE GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

Aanvraag tot goedkeuring van een wijziging overeenkomstig artikel 53, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012

„QUARTIROLO LOMBARDO”

EU-nr.: PDO-IT-02160 — 27.7.2016

BOB ( X ) BGA ( )

1.   Aanvragende groepering en rechtmatig belang

Consorzio di tutela Quartirolo Lombardo, hoofdkantoor:

Via Rodi 5

25100 Brescia

ITALIË

Administratieve vestigingsplaats:

Viale Francesco Crispi 24

25034 Orzinuovi (BS)

Tel. +39 030944320

Fax +39 0309946772

E-mail: info@quartirololombardo.com; Pec: tutelaquartirolo@legalmail.it

Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van decreet nr. 12511 van 14 oktober 2013 van het ministerie van Landbouw, Voedsel- en Bosbouwbeleid is de bovenstaande beschermingsvereniging gerechtigd een wijzigingsaanvraag in te dienen.

2.   Lidstaat of derde land

Italië

3.   Rubriek van het productdossier waarop de wijziging(en) betrekking heeft/hebben

Naam van het product

Beschrijving van het product

Geografisch gebied

Bewijs van oorsprong

Werkwijze voor het verkrijgen van het product

Verband

Etikettering

Overige: formele wijziging van het productdossier; controle-instantie; aangepast geografisch gebied ten einde rekening te houden met administratieve wijzigingen.

4.   Aard van de wijziging(en)

Wijziging van een productdossier van een geregistreerde BOB of BGA die overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 niet als minimaal kan worden beschouwd.

Wijziging van een productdossier van een geregistreerde BOB of BGA waarvoor geen enig document (of gelijkwaardig document) is bekendgemaakt, die overeenkomstig artikel 53, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 niet als minimaal kan worden beschouwd.

5.   Wijziging(en)

Naam van het product

In de eerste zin van het huidige productdossier (artikel 3 van het decreet van de premier van 10 mei 1993) zijn de woorden „rauwe of gepasteuriseerde” toegevoegd.

De huidige woorden:

„Quartirolo Lombardo” is een zachte boterhamkaas van koemelk van minstens twee melkbeurten […]”

worden daarom vervangen door:

„Quartirolo Lombardo” is een zachte boterhamkaas van rauwe of gepasteuriseerde koemelk van minstens twee melkbeurten […]”.

Omdat dit reeds werd vermeld in het verslag dat bij de registratieaanvraag was gevoegd, vormt dit slechts een formele wijziging met het oog op het harmoniseren van de inhoud van de verschillende documenten die aan de Commissie zijn bezorgd.

Het huidige productdossier van „Quartirolo Lombardo” voorziet in een rijpingsperiode van 5 tot 30 dagen voor de zachte kaas; na 30 dagen wordt het product verkocht als gerijpte „Quartirolo Lombardo”. Met name luidt de laatste alinea van punt 3(A) van het huidige productdossier als volgt:

„De rijpingsperiode voor de zachte kaas duurt na de productiedatum tussen 5 en 30 dagen, terwijl het product na 30 dagen wordt verkocht als gerijpte „Quartirolo Lombardo”.”.

Dit is in het gewijzigde productdossier vervangen door:

„De rijpingsperiode voor de „verse” kaas duurt na de productiedatum tussen 2 en 30 dagen, terwijl het product na 30 dagen wordt verkocht als „Quartirolo Lombardo”„gerijpt” („oud”).”.

In de beschrijving van jonge „Quartirolo Lombardo” is het woord „zachte” vervangen door „verse” en in de beschrijving van gerijpte „Quartirolo Lombardo” is „oud” toegevoegd. De wijziging introduceert derhalve geen twee specifieke categorieën of soorten kaas die reeds bestaan, maar heeft alleen betrekking op gegevens die op het etiket moeten worden vermeld. De reden voor de wijziging is dat de consument deze begrippen, die nu veel worden gebruikt, gemakkelijk kan begrijpen. Het toevoegen ervan aan het productdossier betekent dat zij op het etiket kunnen worden gebruikt.

Bovendien is het rijpingsproces voor verse „Quartirolo Lombardo” (dat is een zachte kaas) verkort van 5-30 naar 2-30 dagen.

Deze wijziging is nodig om tegemoet te komen aan de vraag van de consument naar een nog verser product.

Bewijs van oorsprong

Punt 4 van het productdossier betreffende het bewijs van oorsprong is verbeterd en geactualiseerd. Bovendien is het BOB-logo, dat momenteel in de bijlage bij het productdossier is opgenomen, aan het productdossier zelf toegevoegd.

De huidige woorden:

„Wanneer „Quartirolo Lombardo” (BOB) in de handel wordt gebracht, moet hij voorzien zijn van een etiket met vermelding van de geografische oorsprong en de gegevens van de wetgeving krachtens welke de benaming wordt erkend teneinde de naleving van de toepasselijke wetgeving te garanderen”

worden daarom vervangen door:

„Producenten zijn opgenomen in registers die worden beheerd door de controle-instantie en moeten ervoor zorgen, door gegevens bij te houden die door de controle-instantie kunnen worden gecontroleerd, dat zij de herkomst kunnen bewijzen van het voeder, de grondstoffen en de producten die afkomstig zijn van het oorsprongsgebied en zij moeten een boekhouding bijhouden van de inkomende en uitgaande partijen en van het verband daartussen. Wanneer hele „Quartirolo Lombardo” (BOB) in de handel worden gebracht, moeten zij voorzien zijn van een oorsprongsaanduiding: deze aanduiding moet worden aangebracht tijdens de warmtebehandeling tijdens de draaifase, nadat de wrongel in de vormen is gegoten, maar vóór het zouten om ervoor te zorgen dat het stempel duidelijk is, door op één van de platte oppervlakken van de kaas plastic voedselveilige stempels te drukken met daarop het identificatienummer van de producent dat is toegewezen door de beschermingsinstantie die is aangewezen door het ministerie van Landbouw, Voedsel- en Bosbouwbeleid voor alle producenten die in het register van de controle-instantie zijn opgenomen. De oorsprongsaanduiding van „Quartirolo Lombardo” (BOB) bestaat uit de figuur die hieronder is weergegeven (afbeelding 1), met de volgende letters:

a.

de letter Q in de linkerbovenhoek;

b.

de letter L in de rechterbovenhoek;

c.

de letter L in de linkerbenedenhoek;

d.

de letter Q in de rechterbenedenhoek.

Het identificatienummer van de producent bevindt zich in het midden.

Afbeelding 1

Image ”.

Dit is een formele wijziging waarbij alle gegevens betreffende het bewijs van oorsprong die momenteel in de bijlage bij het productdossier zijn opgenomen en dat het door het ministerie goedgekeurde inspectieschema bevat, zijn toegevoegd aan het desbetreffende artikel.

Werkwijze voor het verkrijgen van het product

Omdat het huidige productdossier niet aangeeft welke deel van het voeder voor het melkvee afkomstig is uit het afgebakende gebied, is de volgende zinsnede toegevoegd:

„op jaarbasis is ten minste 50 % van de droge stof in het voeder afkomstig uit het geografische oorsprongsgebied”.

Met betrekking tot de stremmingstemperatuur, is de bovengrens lichtjes verhoogd.

Het oorspronkelijke productdossier voorziet in een stremmingstemperatuur tussen 35 en 40 °C.

In het nieuwe productdossier wordt een stremmingstemperatuur tussen 35 en 44 °C voorgesteld.

In het licht van de technische ontwikkelingen in de fabricage van kaas is het noodzakelijk om de stremmingstemperatuur lichtjes te verhogen (van 35/40 °C tot 35/44 °C), omdat de thermofiele melkzuurbacteriën zich beter ontwikkelen bij een temperatuur van net boven de 40 °C. Bovendien bevordert een hogere temperatuur de droging van de wrongel, wat leidt tot een betere samenhang van de korrels en selectie van de stammen van thermofiele micro-organismen die nodig zijn voor het rijpen van de kaas, met een verminderd risico dat ongewenste micro-organismen zich ontwikkelen.

In de paragraaf met vermelding „het toevoegen van een startercultuur uit eerdere partijen van dezelfde zuivelfabriek waar de kaas wordt gemaakt, is toegestaan” zijn de woorden „evenals geselecteerde culturen” toegevoegd.

Daarom luidt deze paragraaf nu als volgt:

„Het toevoegen van een startercultuur uit eerdere partijen van dezelfde zuivelfabriek waar de kaas wordt gemaakt, is toegestaan, evenals geselecteerde culturen.”.

Omdat dit reeds werd vermeld in het verslag dat bij de registratieaanvraag was gevoegd, vormt dit slechts een formele wijziging met het oog op het harmoniseren van de inhoud van de verschillende documenten die aan de Commissie zijn bezorgd.

Het temperatuurbereik van de warmtebehandeling is lichtjes verhoogd van 26-28 °C naar 24-30 °C.

Het verlagen van de benedengrens van de temperatuur wordt gerechtvaardigd door een verbeterde melkhygiënepraktijk op het landbouwbedrijf dankzij regelmatige toepassing van de geldende wetgeving met betrekking tot productietechnieken, wat positieve gevolgen heeft gehad voor elke fase van de productieketen. De melk die nu aan de kaasproducenten wordt geleverd en geschikt is voor verwerking tot kaas, wordt bij iedere fase gecontroleerd en het resultaat van de bacterietelling wordt steeds bewaakt. Het verhogen van de bovengrens van de temperatuur voor de warmtebehandeling van de kaas zorgt voor een betere wrongelstructuur en levert betere „Quartirolo Lombardo” op, met minder verspilling als gevolg van kazen met een verkeerde vorm.

In het huidige productdossier is de verwijzing naar een temperatuur tussen 10 en 14 °C in de ruimten waar het zouten plaatsvindt, verwijderd.

Deze wijziging wordt gerechtvaardigd door het feit dat het zouten in de meeste productielocaties plaatsvindt in traditionele ruimten zonder klimaatregeling. Jarenlange controles hebben aangetoond dat deze beperking geen invloed heeft op de kenmerken van het product, maar dat kleinschalige kaasfabrikanten voor wie het moeilijker is om exacte temperaturen aan te houden in de ruimten waar verschillende productiefasen plaatsvinden wel benadeeld dreigen te worden.

De vochtigheidsgraad van de zones voor de rijping is gewijzigd van 85-90 % naar 80-95 %.

Deze wijziging sluit aan bij de behoefte van producenten, vooral kleinschalige melkfabrieken, om ook kazen te kunnen laten rijpen in ruimten zonder koeling of klimaatregeling. Deze wijziging zorgt voor een beter beheer van de rijpingsfase van het product en van de omstandigheidsfactoren in ruimten zonder klimaatregeling.

De volgende zinsnede is toegevoegd om te verduidelijken hoe het product kan worden verkocht:

„Quartirolo Lombardo” (BOB) mag als hele kaas of in porties in de handel worden gebracht.”.

Verband

Er is een specifiek punt toegevoegd over het verband dat in het huidige productdossier niet werd opgenomen, maar dat in de samenvatting was toegevoegd.

De wijzigingen aan het artikel zijn alleen formeel, in de zin dat de inhoud dezelfde is als in de samenvatting, maar beter uitgelegd.

De volgende zinnen in de samenvatting:

„De natuurlijke factoren houden verband met de klimaatomstandigheden die bepalend zijn zowel voor de kenmerken van het voeder voor de melkkoeien als voor de rijping van de kaas. Wat de menselijke factoren betreft, zij erop gewezen dat het een product betreft dat vanouds in het productiegebied wordt afgezet en dat wordt bereid volgens een methode die in de loop der tijden ongewijzigd is gebleven en die is gebaseerd op lokale gebruiken.”

zijn als volgt gewijzigd:

„De natuurlijke factoren houden verband met de klimatologische omstandigheden in het afgebakende geografische gebied dat gelegen is tussen de vlakte aan de linkerkant van de Po en dat grenst aan de uitlopers van de Alpen tussen Bergamo en Lecco. In de bovenste goed bevloeide oppervlakten van de Povlakte biedt het landklimaat met zijn grote verschillen tussen de seizoenen de juiste omstandigheden voor de teelt van overvloedig, kwalitatief veevoeder voor de melkkoeien. De productie van melk die geschikt is voor de productie van zowel verse als gerijpte (oudere) kaas, hangt af van het dieet van de koeien. Juist dankzij de organoleptische kwaliteit van de gebruikte melk, in combinatie met de menselijke factor in de vorm van een eeuwenoude traditie van het kaasmaken die van generatie op generatie is doorgegeven, waarbij instrumenten en technologieën worden gebruikt met sterke banden met het grondgebied, krijgt „Quartirolo Lombardo” na verwerking zijn kenmerkende smaak die lichtjes zurig en geparfumeerd is voor de jonge (verse) kaas en meer geparfumeerd en sterker voor de gerijpte (oudere) kaas. De traditie van „Quartirolo Lombardo” (BOB), die is uitgegroeid tot een specialiteit, is nauw verbonden met de cyclus van de seizoenen, de lokale veeteeltpraktijk en de productie- en rijpingsprocessen van de kaas. Er is geen substituut voor de kennis van de kaasfabrikanten over de tradities die door de eeuwen heen zijn doorgegeven: deze knowhow is niet alleen essentieel bij de verwerking van de melk, maar ook in de latere fasen van de warmtebehandeling, het zouten en de rijping, die nog steeds volgens de aloude manier in de traditionele ruimten plaatsvinden.”.

Etikettering

De woorden in het huidige productdossier:

„Wanneer „Quartirolo Lombardo” (BOB) in de handel wordt gebracht, moet hij voorzien zijn van een etiket met vermelding van de geografische oorsprong en de gegevens van de wetgeving krachtens welke de benaming wordt erkend teneinde de naleving van de toepasselijke wetgeving te garanderen.”

zijn als volgt gewijzigd:

„Quartirolo Lombardo” (BOB) mag als hele kaas of in porties in de handel worden gebracht.

Bij het in de handel brengen moet elk omhulsel en/of elke verpakking van „Quartirolo Lombardo” (BOB), als hele kaas en/of in porties, voorzien zijn van de naam „Quartirolo Lombardo” en eventueel vergezeld gaan van het woord „vers” voor de in de handel gebrachte producten die tussen 2 en 30 dagen hebben gerijpt, of de naam „Quartirolo Lombardo” vergezeld van het woord „gerijpt” of „oud” voor het product met een rijpingstijd van meer dan 30 dagen.

Het moeten voorzien zijn van het logo dat hieronder is weergegeven (afbeelding 2), bestaande uit de volgende letters:

de letter Q in de linkerbovenhoek;

de letter L in de rechterbovenhoek;

de letter L in de linkerbenedenhoek;

de letter Q in de rechterbenedenhoek.

Afbeelding 2

Image

Het logo moet worden gevolgd door een verwijzing naar de verordening betreffende de registratie van de BOB „Quartirolo Lombardo”, namelijk „Verordening (EG) nr. 1107/96.”.

Om de echtheid van Quartirolo Lombardo (BOB) te verzekeren en ervoor te zorgen dat consumenten de kaas correct kunnen identificeren, is de aanwezigheid van het specifieke logo op het etiket, dat nu alleen is vereist voor hele kazen, verplicht gesteld voor zowel hele kazen als voor porties.

Bovendien mogen de woorden „formaggio fresco” („verse kaas”) ook worden toegevoegd aan het etiket waar van toepassing (voor kaas die tussen 2 tot 30 dagen heeft gerijpt). Voor kaas die meer dan 30 dagen heeft gerijpt, is erin voorzien dat het woord „stagionato” („oud”) kan worden gebruikt als alternatief voor het verplichte „maturo” („gerijpt”), waarin reeds is voorzien in het huidige productdossier, omdat de consument meer vertrouwd is met deze term.

Overige

De structuur van het productdossier, dat momenteel bestaat uit vier punten, is gewijzigd. Het voorgestelde productdossier bestaat uit acht punten, waarbij gegevens zijn toegevoegd die waren opgenomen in de verslagen die bij de samenvatting waren gevoegd op het moment dat de benaming werd geregistreerd. Er is ook een punt toegevoegd betreffende de inspecties, met vermelding van de naam en de contactgegevens van de controle-instantie.

De grenzen van het geografische gebied blijven ongewijzigd. Het productiegebied is geactualiseerd in overeenstemming met de recente administratieve wijzigingen. Derhalve zijn de administratieve provincies Lecco, Lodi, Monza e Brianza, die werden vastgesteld in afwachting van of na de erkenning van de oorsprongsbenaming „Quartirolo Lombardo”, toegevoegd. De provincie Lecco omvat gemeenten die voorheen deel uitmaakten van de provincies Bergamo en Como. De provincie Lodi omvat gemeenten die voorheen deel uitmaakten van de provincie Milaan. De provincie Monza e Brianza omvat gemeenten die voorheen deel uitmaakten van de provincie Milaan.

ENIG DOCUMENT

„QUARTIROLO LOMBARDO”

EU-nr.: PDO-IT-2160 — 27.7.2016

BOB ( X ) BGA ( )

1.   Titel

„Quartirolo Lombardo”

2.   Lidstaat of derde land

Italië

3.   Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel

3.1.   Productcategorie

Categorie 1.3 Kaas

3.2.   Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is

„Quartirolo Lombardo” is een zachte boterhamkaas van rauwe of gepasteuriseerde koemelk van minstens twee melkbeurten. De melk van de eerste melkbeurt moet volle melk zijn; de melk van de tweede of latere melkbeurten mag volle of gedeeltelijk afgeroomde melk zijn.

„Quartirolo Lombardo” (BOB) heeft de volgende kenmerken:

a.   vorm: een rechthoekige blokvorm of kubusvorm met vlakke kanten en een rechte opstaande kant;

b.   afmetingen: de breedte van de platte vlakken bedraagt tussen 18 en 22 cm, de hoogte van de kant tussen 4 en 8 cm met kleine variaties in de minimum- en maximumwaarden voor beide kenmerken, afhankelijk van de technische productieomstandigheden;

d.   gewicht: varieert van 1,5 kg tot 3,5 kg;

d.   korst: dun, zacht en witroze voor de jonge (verse) kaas en roodachtig grijsgroen voor de gerijpte (oude) kaas;

e.   kaasmassa — textuur: compact, licht korrelig met eventuele vlokken, brokkelig (zonder gelige laag onder de korst) en naarmate de kaas rijpt, wordt hij steviger, zacht en smeltend. Een witte tot geelachtig witte kleur die intenser kan worden in het geval van de gerijpte (oudere) kaas;

f.   smaak: karakteristieke lichtjes zurige geparfumeerde smaak voor de jonge (verse) kaas en meer geparfumeerd voor de gerijpte (oude) kaas;

g.   Vetgehalte in de droge stof: niet minder dan 30 % voor het product dat wordt gemaakt van halfvolle melk.

De rijpingsperiode voor de „verse” kaas duurt na de productiedatum tussen 2 en 30 dagen, terwijl het product na 30 dagen wordt verkocht als „Quartirolo Lombardo”„gerijpt” („oud”).

3.3.   Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong) en grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)

Op jaarbasis is ten minste 50 % van de droge stof in het voer afkomstig uit het geografische oorsprongsgebied.

Het veevoeder bestaat uit granen, gedroogd groenvoeder en kuilvoeder. Dit kan worden aangevuld met concentraten en/of proteïnerijke veekoeken.

Het gebruik van bijvoeding met mineralen en vitaminen is toegestaan.

„Quartirolo Lombardo” (BOB) wordt gemaakt van rauwe of gepasteuriseerde koemelk van koeien die in het geografische gebied worden gefokt.

Kalfsstremsel, zout.

3.4.   Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden

Alle fasen van het productieproces (de veehouderij, het melken, de kaasproductie en de rijping) moeten plaatsvinden in het afgebakende geografische gebied.

3.5.   Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken enz. van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

3.6.   Specifieke voorschriften betreffende de etikettering van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

Wanneer hele „Quartirolo Lombardo” (BOB) in de handel worden gebracht, moeten zij voorzien zijn van een oorsprongsaanduiding door middel van plastic voedselveilige stempels die in een van de platte oppervlakken van de kaas worden gedrukt. De oorsprongsaanduiding van „Quartirolo Lombardo” (BOB) bestaat uit het logo dat hieronder is weergegeven met de volgende letters:

a.

de letter Q in de linkerbovenhoek;

b.

de letter L in de rechterbovenhoek;

c.

de letter L in de linkerbenedenhoek;

d.

de letter Q in de rechterbenedenhoek.

Het identificatienummer van de producent bevindt zich in het midden.

Image

„Quartirolo Lombardo” (BOB) mag als hele kaas of in porties in de handel worden gebracht.

Bij het in de handel brengen moet elk omhulsel en/of elke verpakking van de BOB „Quartirolo Lombardo”, als geheel en/of in porties, voorzien zijn van de naam „Quartirolo Lombardo” en eventueel vergezeld gaan van het woord „vers” voor de in de handel gebrachte producten die na de productiedatum tussen 2 en 30 dagen hebben gerijpt, of de naam „Quartirolo Lombardo” vergezeld van het woord „gerijpt” of „oud” voor het product met een rijpingstijd van meer dan 30 dagen. Het moet ook voorzien zijn van het BOB-logo dat hieronder is weergegeven, bestaande uit de volgende letters:

de letter Q in de linkerbovenhoek;

de letter L in de rechterbovenhoek;

de letter L in de linkerbenedenhoek;

de letter Q in de rechterbenedenhoek.

Image

Het logo moet worden gevolgd door een verwijzing naar de verordening betreffende de registratie van de BOB „Quartirolo Lombardo”, namelijk „Verordening (EG) nr. 1107/96”.

4.   Beknopte beschrijving van het afgebakende geografische gebied

Het gebied waarvan de melk afkomstig is en waar „Quartirolo Lombardo” wordt geproduceerd, omvat het administratieve grondgebied van de provincies Brescia, Bergamo, Como, Lecco, Cremona, Milaan, Lodi, Monza e Brianza, Pavia en Varese.

5.   Verband met het geografische gebied

De natuurlijke factoren houden verband met de klimatologische omstandigheden in het afgebakende geografische gebied dat gelegen is tussen de vlakte aan de linkerkant van de Po en dat grenst aan de uitlopers van de Alpen tussen Bergamo en Lecco.

In de bovenste goed bevloeide oppervlakten van de Povlakte biedt het landklimaat met zijn grote verschillen tussen de seizoenen de juiste omstandigheden voor de teelt van overvloedig, kwalitatief veevoeder voor de melkkoeien. De productie van melk die geschikt is voor de productie van zowel verse als gerijpte (oudere) kaas, hangt af van het dieet van de koeien. Juist dankzij de organoleptische kwaliteit van de gebruikte melk, in combinatie met de menselijke factor in de vorm van een eeuwenoude traditie van het kaasmaken die van generatie op generatie is doorgegeven, waarbij instrumenten en technologieën worden gebruikt met sterke banden met het grondgebied, krijgt „Quartirolo Lombardo” na verwerking zijn kenmerkende smaak die lichtjes zurig en geparfumeerd is voor de jonge (verse) kaas en meer geparfumeerd en sterker voor de gerijpte (oudere) kaas. De traditie van met „Quartirolo Lombardo” (BOB), die is uitgegroeid tot een specialiteit, is nauw verbonden met de cyclus van de seizoenen, de lokale veeteeltpraktijk en de productie- en rijpingsprocessen van de kaas.

De kennis van de kaasfabrikanten over de tradities die door de eeuwen heen zijn doorgegeven, is onvervangbaar: deze knowhow is niet alleen essentieel bij de verwerking van de melk, maar ook in de latere fasen van de warmtebehandeling, het zouten en de rijping, die nog steeds volgens de aloude manier in de traditionele ruimten plaatsvinden.

Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier

(artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de onderhavige verordening)

De geconsolideerde tekst van het productdossier kan via de volgende link worden geraadpleegd:

http://www.politicheagricole.it/flex/cm/pages/ServeBLOB.php/L/IT/IDPagina/3335

ofwel:

door de website van het ministerie van Landbouw, Voedsel- en Bosbouwbeleid (www.politicheagricole.it) te openen en te klikken op „Prodotti DOP e IGP” (rechtsboven op het scherm), vervolgens op „Prodotti DOP IGP e STG” (links op het scherm) en ten slotte op „Disciplinari di produzione all’esame dell’UE”.


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.


29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/70


Bekendmaking van een aanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

(2017/C 205/14)

Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1) bezwaar aan te tekenen tegen de aanvraag.

ENIG DOCUMENT

„KIEŁBASA PIASZCZAŃSKA”

EU-nr.: PGI-PL-02154 — 15.7.2016

BOB ( ) BGA ( X )

1.   Naam/Namen

„Kiełbasa piaszczańska”

2.   Lidstaat of derde land

Polen

3.   Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel

3.1   Productcategorie

Categorie 1.2. Vleesproducten (verhit, gepekeld, gerookt enz.)

3.2   Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is

„Kiełbasa piaszczańska” is een halfdroge varkensworst die wordt gepekeld in een marinade van kruidenbouillon en steenzout, grof wordt gehakt met een stevige consistentie en wordt omhuld met collageendarm.

Fysische en chemische eigenschappen:

Het oppervlak van de worst is lichtbruin tot donkerrood van kleur. De doorsnede vertoont grote stukken vlees van ongeveer 2 cm met een licht- of donkerroze kleur. Rond de stukken vlees kan een vulling met een lichtere kleur worden waargenomen.

De afzonderlijke worsten zijn 25 tot 45 cm lang. Ze hebben een diameter van 35 tot 50 mm, afhankelijk van het omhulsel.

Organoleptische kenmerken:

Het product heeft de kenmerkende smaak en geur van de kruiden in de marinade en van het rookproces, met een uitgesproken nasmaak van jeneverbessen.

3.3   Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong) en grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)

Om „kiełbasa piaszczańska” te produceren, wordt gebruikgemaakt van varkensvlees verkregen uit het halve karkas van een varken met een gehalte aan mager vlees van 55 tot 60 %. Vlees van zeugen of beren is niet toegestaan. „Kiełbasa piaszczańska” mag niet worden geproduceerd op basis van bevroren vlees. Het vlees voor de productie van „kiełbasa piaszczańska” wordt verkregen van hammen en lendenvlees 24 tot 96 uur na het slachten.

90 % van het totale productiegewicht bestaat uit varkensvlees van klasse I; dit is vlees van hammen en lenden. Het wordt verwerkt om vlees te verkrijgen dat geen pezen, vet en bindweefsel meer bevat.

10 % van het totale productiegewicht bestaat uit varkensvlees van klasse II; dit is vlees van afgesneden hammen en schenkels. Het kan vet bevatten tot 20 % van het totale gewicht.

Kruiden voor de bouillon in de marinade:

piment,

laurierbladeren,

jeneverbessen,

kruidnagel.

Kruiderijen:

gemalen zwarte peper,

nootmuskaat.

3.4   Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden

De volgende specifieke onderdelen van het productieproces moeten in het afgebakende geografische gebied plaatsvinden:

bereiden van de grondstoffen voor productie,

bereiden van de bouillon op basis van kruiden,

bereiden van het vlees om het te pekelen,

bereiden van de marinade,

halfdroog pekelen,

bereiden van de vulling,

vermengen,

vullen,

drogen,

roken en bakken,

koelen.

3.5   Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken enz. van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

„Kiełbasa piaszczańska” kan worden aangeboden als losse worsten of in vacuümverpakking.

3.6   Specifieke voorschriften betreffende de etikettering van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

4.   Beknopte omschrijving van het afgebakende geografische gebied

Gemeenten in de provincie Małopolskie: Wieliczka en Świątniki Górne, en de stad Krakau.

5.   Verband met het geografische gebied

De specificiteit van „Kiełbasa piaszczańska” ligt in de specifieke kwaliteiten en de faam van het product.

De naam „kiełbasa piaszczańska” is afgeleid van de plaats waar het product wordt gemaakt: Piaski Wielkie. Piaski Wielkie is de naam van een vroeger dorp net buiten Krakau dat sinds 1940 binnen de administratieve grenzen van de stad valt. Deze en de omliggende gemeenten zijn beroemd geworden door de productie van vlees en gepekeld vlees, en in het bijzonder uitstekende worsten die eeuwenlang werden geleverd aan Krakau, ook aan het koninklijk hof in het kasteel van Wawel. De inwoners van deze gebieden, die handel dreven in dieren en vleesproducten, stonden bekend als de Kijacy. Hun geschiedenis wordt in detail beschreven door Franciszek Rusek, inwoner van Piaski Wielkie, in zijn boek „Dzieje kijaków piaszczańskich” („Geschiedenis van de Kijacy van Piaski Wielkie”) (Krakau, 1996).

Er zijn verschillende verklaringen voor de oorsprong van de naam Kijacy. Een ervan is dat de bevolking altijd een stok (kij) bij zich had om zich te verdedigen tegen rovers en dieven op de weg naar Krakau. De stokken die de Kijacy droegen, werden ook gebruikt om de identiteit van de eigenaar te bewijzen. Vanaf jonge leeftijd had iedereen zijn eigen sierteken dat door alle anderen was gekend en in de stok werd gekerfd.

Het geografisch gebied dat wordt gedefinieerd in punt 4, wordt gekenmerkt door heuvelachtig terrein. Gezien de geografische omstandigheden handelde de lokale bevolking vooral in dieren, omdat het onmogelijk was aan traditionele landbouw te doen. Ze maakte ook verwerkte vleesproducten, waaronder „kiełbasa piaszczańska”. Dit werd eeuwenlang onafgebroken geproduceerd door de inwoners van de dorpen nabij Krakau. Uit plaatselijke documenten en informatie die in het Etnografisch Museum in Krakau worden bewaard, is gebleken dat de worst zijn smaak te danken heeft aan de kennis van de natuurlijke omgeving waarin de mensen in het Czarny Las-bos leefden. Eeuwen geleden maakte dit bos deel uit van een groter bos dat zich uitstrekte van de rand van het Krzemionki-gebied nabij Krakau, via de Karpaten tot aan de grens met Hongarije. Vandaag is er nog een restant van het bos te vinden tussen Ochojno en Rajsko dat ook nog altijd de oude naam Czarny Las draagt. Al sinds mensenheugenis wordt hier vlees gepekeld met een infusie van verschillende kruiden, waaronder jeneverbessen. Natuurlijke en makkelijk verkrijgbare kruiden en kruiderijen werden gebruikt om de smaak aan te vullen, maar ook om de negatieve effecten van dierlijke vetten op de gezondheid tegen te gaan. Tot aan het einde van de negentiende eeuw werden kruidenmengsels bereid en verkocht door Kijacy die vertrouwd waren met de lokale flora. Het gebruik van de eerder vermelde kruidenbouillon voor de productie van „kiełbasa piaszczańska” is uniek en onderscheidt dit product van andere worsten. In Polen worden normaal gezien geen kruiden toegevoegd aan worsten, behalve zout, peper en knoflook.

Het proces van het marineren van het vlees werd ontwikkeld door de lokale inwoners en onderscheidt „kiełbasa piaszczańska” van andere worsten. Het werd uitgevoerd in aarden kelders die bekend stonden als „ziemianki”. Die garandeerden een aanhoudende lage temperatuur en vochtigheid. Eeuwenlang werd het vlees volledig in stukken gehakt op brede, houten blokken met zware zwaarden. Later werden brede bijlen gebruikt; handmatige vleesmolens werden pas aan het begin van de twintigste eeuw geïntroduceerd. Het vleesmengsel werd met de hand in darmen geduwd met behulp van de hoorn van een os. Die werd later vervangen door mechanische apparaten.

Het roken is een belangrijke stap in de productie van „kiełbasa piaszczańska”. Het roken van gepekelde vleesproducten vond eerst plaats in aarden putten, later werden de hutten van de Kijacy uitgerust met brede schoorstenen met deurtjes boven de kachel. Tegen de negentiende eeuw hadden veel lokale bewoners aparte rookhuizen. Het roken vond dan plaats in rookkamers waarin warmte en rook werden geproduceerd door hout van loofbomen, namelijk beuk, els en eik, te verbranden. De worsten werden gerookt door de rook en de warmte die opstijgen uit de ovens in het laagste deel van de kamer. De worsten worden opgehangen aan palen en worden gerookt door de opstijgende warmte en rook. Een extra element in het rookproces dat uniek is voor „kiełbasa piaszczańska” is het matige gebruik van jenevertakken of -bessen in de laatste fase. De producenten van „kiełbasa piaszczańska” waren pioniers voor deze rookmethode. „Kiełbasa piaszczańska” heeft zijn buitengewone smaak en zijn ongeëvenaarde aroma te danken aan de specifieke combinatie van de gebruikte houtsoorten tijdens het rookproces. Een goed gerookte „kiełbasa piaszczańska” is tot een maand houdbaar.

Er werd kwaliteitsvol vlees uitgekozen om „kiełbasa piaszczańska” te produceren en de worst werd zelfs geserveerd aan de koninklijke tafel. Plaatselijke legenden bevestigen niet alleen de faam van het product, maar ook de band tussen „kiełbasa piaszczańska” en het geografische gebied waar de worst wordt geproduceerd. Een van die legenden werd het onderwerp van een literair werk dat in 1899 is gepubliceerd door etnograaf Seweryn Udziela, oprichter van het Etnografisch Museum in Krakau en auteur van het boek „Dwanaście legend i podań z pod Krakowa” („Twaalf legenden en volksverhalen uit de regio Krakau”) (Lwów, 1899). Volgens de legende verkochten de inwoners van Wielkie Piaski ten tijde van het bewind van Koning Casimir de Grote hun worst in Krakau. De slagers van de stad waren echter jaloers en probeerden via de gemeenteraad om de dorpelingen te verbieden hun vlees naar de stad te brengen en te verkopen. De Kijacy deden een beroep op de koning die hun beloofde dat ze hun handel mochten voortzetten als ze erin slaagden om een worst van twee meter lang de stad in te smokkelen zonder dat ze betrapt werden door de stadswachten. De dorpelingen kwamen op het idee om een lange stok uit te hollen en de worst erin te verbergen. Daarom gaf Casimir de Grote toestemming aan de dorpelingen om hun worst in Krakau te blijven verkopen en sindsdien stonden ze bekend als de Kijacy. De naam is vandaag nog altijd in gebruik.

Vanaf 1825 verkochten de Kijacy hun bekende „kiełbasa piaszczańska” op de „jatki dominikańskie”-markt op het Szczepanskiplein en later in hun eigen winkels. Tijdens de Tweede Wereldoorlog en vervolgens in de periode van de Volksrepubliek Polen tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw werd een centrale planeconomie ingevoerd in het land. Daardoor werd het onmogelijk om de tradities van de slagers en van de Kijacy in ere te houden, aangezien er geen vrije markt was. In de laatste jaren van de twintigste eeuw was de productie van „kiełbasa piaszczańska” beperkt tot huishoudelijk privéverbruik. Het recept en de unieke smaak waren echter bewaard gebleven en de worsten vonden opnieuw hun weg naar de commerciële markt.

„Kiełbasa piaszczańska”, al eeuwenlang bekend in Krakau en omgeving, breidt zijn populariteit nu verder uit. De unieke productiegeschiedenis in de gebieden waar de „kijak”-methode werd toegepast, zoals die is beschreven in talloze documenten en studies, en nog steeds deel uitmaakt van het collectieve geheugen van de inwoners van Wielkie Piaski, draagt bij tot het unieke karakter van het product. Daarom is het belangrijk om de kennis en vaardigheden voor het vervaardigen van deze worst als regionaal product te beschermen en door te geven aan de toekomstige generaties. Het feit dat consumenten de smaak van de legendarische „kiełbasa piaszczańska” weten te appreciëren, werd ook al bevestigd door de onderscheidingen en prijzen die het product al heeft gewonnen op wedstrijden en beurzen:

„Agro Polska”-prijs, Rzeszów, 4 juni 2012.

Toevoeging van „kiełbasa piaszczańska” aan de lijst met traditionele producten van het Ministerie van Landbouw en Plattelandsontwikkeling, 3 juni 2013.

Onderscheiding in de „Małopolski Smak”-wedstrijd, 9 juni 2013.

1e plaats tijdens de „Nasze Kulinarne Dziedzictwo — Smaki Regionów”-wedstrijd in Nawojowa, 8 september 2013.

„Smaki Regionów”-medaille, Poznań, 22 september 2013.

Certificaat van de nationale voedselkwaliteitsregeling „Jakość Tradycja”, 3 juli 2014.

Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier

(Artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de onderhavige verordening)

https://www.minrol.gov.pl/Jakosc-zywnosci/Produkty-regionalne-i-tradycyjne/Zlozone-wnioski-o-rejestracje-Produkty-regionalne-i-tradycyjne/OGLOSZENIE-MINISTRA-ROLNICTWA-I-ROZWOJU-WSI-z-dnia-18-maja-2016-roku


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.