ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 65

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

59e jaargang
19 februari 2016


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

 

EUROPEES PARLEMENT
ZITTING 2013-2014
Vergaderingen van 10 t/m 13 juni 2013
De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 253 E van 3.9.2013 .
AANGENOMEN TEKSTEN

1


 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 11 juni 2013

2016/C 65/01

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over een nieuwe agenda voor het Europese consumentenbeleid (2012/2133(INI))

2

2016/C 65/02

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over verbetering van de toegang tot justitie: rechtsbijstand in grensoverschrijdende geschillen van civiel- of handelsrechtelijke aard (2012/2101(INI))

12

2016/C 65/03

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven (tussentijds verslag) (2012/2117(INI))

16

2016/C 65/04

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over sociale huisvesting in de Europese Unie (2012/2293(INI))

40

2016/C 65/05

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over onderwijs- en beroepsmobiliteit van vrouwen in de EU (2013/2009(INI))

55

2016/C 65/06

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over een strategie voor een elektronische tolheffingsdienst en een vignetregeling voor lichte particuliere voertuigen in Europa (2012/2296(INI))

63

 

Woensdag 12 juni 2013

2016/C 65/07

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over de mededeling van de Commissie getiteld Naar sociale investering voor groei en cohesie — inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020 (2013/2607(RSP))

68

2016/C 65/08

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over regionaal beleid als onderdeel van bredere regelingen inzake staatssteun (2013/2104(INI))

79

2016/C 65/09

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 inzake het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU (2012/2306(INI))

86

2016/C 65/10

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over democratische besluitvorming in de toekomstige EMU (2013/2672(RSP))

96

2016/C 65/11

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over de voorbereidingen voor de bijeenkomst van de Europese Raad (27—28 juni 2013) — Europese maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid (2013/2673(RSP))

98

2016/C 65/12

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over de impasse bij de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 (2013/2637(RSP))

102

 

Donderdag 13 juni 2013

2016/C 65/13

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over vrijheid van pers en media in de wereld (2011/2081(INI))

105

2016/C 65/14

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over financiële diensten: gebrek aan vooruitgang in de Raad en vertraging in de Commissie bij de goedkeuring van bepaalde voorstellen (2013/2658(RSP))

112

2016/C 65/15

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de situatie in Turkije (2013/2664(RSP))

117

2016/C 65/16

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de rol van de EU bij de bevordering van een breder trans-Atlantisch partnerschap (2012/2287(INI))

120

2016/C 65/17

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de wederopbouw en democratisering van Mali (2013/2587(RSP))

127

2016/C 65/18

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Afghanistan (2013/2665(RSP))

133

2016/C 65/19

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 inzake de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling — vaststelling van het kader voor de periode na 2015 (2012/2289(INI))

136

2016/C 65/20

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de rechtsstaat in Rusland (2013/2667(RSP))

150

2016/C 65/21

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over Azerbeidzjan: de zaak-Ilgar Mammadov (2013/2668(RSP))

154

2016/C 65/22

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de situatie van de Rohingya-moslims (2013/2669(RSP))

157

 

AANBEVELINGEN

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 11 juni 2013

2016/C 65/23

Aanbeveling van het Europees Parlement van 11 juni 2013 aan de Raad over de 68e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (2013/2034(INI))

162

 

Donderdag 13 juni 2013

2016/C 65/24

Aanbeveling van het Europees Parlement van 13 juni 2013 aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vicevoorzitter van de Commissie, de Raad en de Commissie over de evaluatie in 2013 van de organisatie en het functioneren van de EDEO (2012/2253(INI))

168

2016/C 65/25

Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 13 juni 2013 over de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging (2013/2082(INI))

174


 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 11 juni 2013

2016/C 65/26

Besluit van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jacek Olgierd Kurski (2013/2019(IMM))

180

2016/C 65/27

Besluit van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Małgorzata Handzlik (2012/2238(IMM))

181

2016/C 65/28

Besluit van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Alexander Alvaro (2013/2106(IMM))

182

 

Woensdag 12 juni 2013

2016/C 65/29

Besluit van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het aantal leden van de vaste commissies (2013/2671(RSO))

184


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES PARLEMENT

 

Dinsdag 11 juni 2013

2016/C 65/30

P7_TA(2013)0235
Langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden — 1 ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van 18 december 2008 van de Raad tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden (COM(2012)0021 — C7-0042/2012 — 2012/0013(COD))
P7_TC1-COD(2012)0013
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden

185

2016/C 65/31

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad (06353/1/2013 — C7-0142/2013 — 2011/0137(COD))

190

2016/C 65/32

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, de Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (05394/1/2013 — C7-0133/2013 — 2011/0156(COD))

191

2016/C 65/33

P7_TA(2013)0243
Minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (twintigste bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (COM(2011)0348 — C7-0191/2011 — 2011/0152(COD))
P7_TC1-COD(2011)0152
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/…/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (twintigste bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) en tot intrekking van Richtlijn 2004/40/EG

192

2016/C 65/34

P7_TA(2013)0244
Langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden — 2 ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden (COM(2012)0498 — C7-0290/2012 — 2012/0236(COD))
P7_TC1-COD(2012)0236
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden

193

 

Woensdag 12 juni 2013

2016/C 65/35

Besluit van het Europees Parlement van 12 juni 2013 houdende goedkeuring van de benoeming van Neven Mimica als lid van de Commissie (2013/0806(NLE))

199

2016/C 65/36

Besluit van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over de voordracht van Neven Mates voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C7-0106/2013 — 2013/0804(NLE))

199

2016/C 65/37

Besluit van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over de voordracht van George Pufan voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C7-0115/2013 — 2013/0805(NLE))

200

2016/C 65/38

P7_TA(2013)0253
Illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (COM(2012)0332 — C7-0158/2012 — 2012/0162(COD))
P7_TC1-COD(2012)0162
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen

200

2016/C 65/39

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) (14654/2/2012 — C7-0165/2013 — 2008/0244(COD))

208

2016/C 65/40

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (15605/3/2012 — C7-0164/2013 — 2008/0243(COD))

209

2016/C 65/41

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) (08260/2/2013 — C7-0163/2013 — 2009/0165(COD))

210

2016/C 65/42

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 juni 2013 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (COM(2012)0617 — C7-0358/2012 — 2012/0295(COD))

212

2016/C 65/43

P7_TA(2013)0258
Instelling van Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling van Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. […/…] (tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend) en voor verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijking met Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (herschikking) (COM(2012)0254 — C7-0148/2012 — 2008/0242(COD))
P7_TC1-COD(2008)0242
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling van Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht

246

2016/C 65/44

P7_TA(2013)0259
Tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 teneinde te voorzien in gemeenschappelijke regels inzake de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen in uitzonderlijke omstandigheden (COM(2011)0560 — C7-0248/2011 — 2011/0242(COD))
P7_TC1-COD(2011)0242
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 teneinde te voorzien in gemeenschappelijke regels inzake de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen in uitzonderlijke omstandigheden

247

2016/C 65/45

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het ontwerp van verordening van de Raad over de instelling van een evaluatiemechanisme om de toepassing van het Schengenacquis te controleren (10273/2013 — C7-0160/2013 — 2010/0312(NLE))

249

2016/C 65/46

P7_TA(2013)0261
Financiële overzichten en relevante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en relevante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen (COM(2011)0684 — C7-0393/2011 — 2011/0308(COD))
P7_TC1-COD(2011)0308
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/…/EU van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en relevante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad

250

2016/C 65/47

P7_TA(2013)0262
Transparantievereisten voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie (COM(2011)0683 — C7-0380/2011 — 2011/0307(COD))
P7_TC1-COD(2011)0307
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/…/EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG

251

2016/C 65/48

P7_TA(2013)0263
Aanpassingspercentage met betrekking tot de rechtstreekse betalingen voor kalenderjaar 2013, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de vaststelling van een overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 op de rechtstreekse betalingen toe te passen aanpassingspercentage voor kalenderjaar 2013 (COM(2013)0159 — C7-0079/2013 — 2013/0087(COD))
P7_TC1-COD(2013)0087
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake de vaststelling van een overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 op de rechtstreekse betalingen toe te passen aanpassingspercentage voor kalenderjaar 2013

252

2016/C 65/49

P7_TA(2013)0264
Wijziging Schengengrenscode en van de overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) en van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord (COM(2011)0118 — C7-0070/2011 — 2011/0051(COD))
P7_TC1-COD(2011)0051
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode), en van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, Verordeningen (EG) nr. 1683/95 en (EG) nr. 539/2001 van de Raad en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad

255

2016/C 65/50

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het ontwerp van besluit van de Europese Raad tot vaststelling van de samenstelling van het Europees Parlement (00110/2013 — C7-0166/2013 — 2013/0900(NLE))

256

 

Donderdag 13 juni 2013

2016/C 65/51

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot sluiting van de interim-overeenkomst met het oog op een economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds (14757/2012 — C7-0369/2012 — 2008/0139(NLE))

257

2016/C 65/52

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (16894/2011 — C7-0469/2011 — 2011/0207(NLE))

257

2016/C 65/53

P7_TA(2013)0275
Hergebruik van overheidsinformatie ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie (COM(2011)0877 — C7-0502/2011 — 2011/0430(COD))
P7_TC1-COD(2011)0430
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/…/EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie

258


Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

***

Goedkeuringsprocedure

***I

Gewone wetgevingsprocedure, eerste lezing

***II

Gewone wetgevingsprocedure, tweede lezing

***III

Gewone wetgevingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de in de ontwerptekst voorgestelde rechtsgrond)

Amendementen van het Parlement:

Nieuwe tekstdelen worden in vet cursief aangegeven. Geschrapte tekstdelen worden aangegeven met het symbool ▌of worden doorgestreept. Waar tekstdelen worden vervangen, wordt de nieuwe tekst in vet cursief aangegeven, terwijl de vervangen tekst wordt geschrapt of doorgestreept.

NL

 


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/1


EUROPEES PARLEMENT

ZITTING 2013-2014

Vergaderingen van 10 t/m 13 juni 2013

De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in het PB C 253 E van 3.9.2013.

AANGENOMEN TEKSTEN

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement

Dinsdag 11 juni 2013

19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/2


P7_TA(2013)0239

Een nieuwe agenda voor het Europese consumentenbeleid

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over een nieuwe agenda voor het Europese consumentenbeleid (2012/2133(INI))

(2016/C 065/01)

Het Europees Parlement,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat via artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) deel uitmaakt van de Verdragen, en met name artikel 38 van het Handvest, waarin wordt bepaald dat in het beleid van de Unie een hoog niveau van consumentenbescherming wordt verzekerd,

gezien artikel 26 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin het navolgende wordt bepaald: „De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van de Verdragen”,

gezien artikel 3, lid 3, VEU, waarin wordt bepaald dat de Unie zich inzet voor „een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang” en voor „een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu”,

gezien artikel 9 VWEU, waarin het navolgende wordt vastgesteld: „Bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden houdt de Unie rekening met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van volksgezondheid”,

gezien artikel 11 VWEU, dat bepaalt dat „de eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling”,

gezien artikel 12 VWEU, waarin het navolgende wordt bepaald: „Met de eisen ter zake van consumentenbescherming wordt rekening gehouden bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Unie op andere gebieden”,

gezien de artikelen 14, 114, lid 3, en 169 VWEU en Protocol 26 bij dat Verdrag inzake diensten van algemeen (economisch) belang,

gezien het feit dat in artikel 169, lid 1, VWEU het navolgende wordt bepaald: „Om de belangen van de consumenten te bevorderen en een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, draagt de Unie bij tot de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de economische belangen van de consumenten alsmede tot de bevordering van hun recht op voorlichting en vorming, en hun recht van vereniging om hun belangen te behartigen”,

gezien Aanbeveling 98/560/EG van de Raad van 24 september 1998 betreffende de ontwikkeling van de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en informatiediensten door de bevordering van nationale kaders teneinde een vergelijkbaar en doeltreffend niveau van bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid te bereiken (1),

gezien het verslag over de toepassing van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming) (COM(2009)0336),

gezien Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (2),

gezien Besluit nr. 1926/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van consumentenbeleid (2007-2013) (3),

gezien Aanbeveling 2006/952/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten (4),

gezien Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (5),

gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité met de titel „EU-strategie voor het consumentenbeleid 2007-2013 — Consumenten mondig maken, hun welzijn verbeteren en hun effectief bescherming bieden” en de resolutie van het Parlement van 20 mei 2008 over de EU-strategie voor het consumentenbeleid 2007-2013 (6),

gezien Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten (7), welke verordening bedoeld is om een algemeen kader van regels en beginselen te creëren met betrekking tot accreditatie en markttoezicht,

gezien Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (de speelgoedrichtlijn) (8),

gezien de aanbeveling van de Commissie van 29 juni 2009 over maatregelen ter verbetering van de werking van de interne markt en de aanbeveling van de Commissie van 12 juli 2004 betreffende de omzetting in nationaal recht van internemarktrichtlijnen (9),

gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2009 betreffende de handhaving van de consumentenwetgeving (COM(2009)0330) en het verslag van de Commissie van 2 juli 2009 over de toepassing van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en van de Raad van 27 oktober 2004 betreffende de samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming) (COM(2009)0336),

gezien de mededeling van de Commissie van 7 juli 2009 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake een geharmoniseerde methode voor de indeling en rapportage van klachten en vragen van consumenten (COM(2009)0346) en de begeleidende ontwerpaanbeveling van de Commissie (SEC(2009)0949),

gezien de mededeling van de Commissie aan de Europese Raad met de titel „Europa 2020, een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

gezien zijn resolutie van 9 maart 2010 inzake consumentenbescherming (10),

gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (11),

gezien het verslag van prof. Mario Monti van 9 mei 2010 aan de Commissie over het opnieuw tot leven brengen van de interne markt met de titel „A New Strategy for the Single Market”,

gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over het verwezenlijken van een interne markt voor consumenten en burgers (12),

gezien zijn resolutie van 21 september 2010 over de voltooiing van de interne markt voor e-handel (13),

gezien zijn resolutie van 20 oktober 2010 over de financiële, economische en sociale crisis: aanbevelingen met betrekking tot de maatregelen en initiatieven die moeten worden genomen (tussentijds verslag) (14),

gezien het werkdocument van de Commissie van 22 oktober 2010 met de titel „Making markets work for consumers” (vierde editie van het scorebord voor de consumentenmarkten) (SEC(2010)1257),

gezien het verslag van 27 oktober 2010 met de titel „Verslag over het EU-burgerschap 2010: Het wegnemen van de belemmeringen voor de rechten van EU-burgers” (COM(2010)0603),

gezien het werkdocument van de Commissie van 4 maart 2011 met de titel „Consumers at home in the single market” (vijfde editie van het scorebord voor de consumentenmarkten) (SEC(2011)0299),

gezien het netwerk van bureaus voor consumentenvoorlichting en het in 2011 verschenen desbetreffende jaarverslag 2010 van het Bureau voor publicaties van de Europese Unie,

gezien zijn standpunt van 23 juni 2011 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenrechten (15),

gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over een efficiëntere en eerlijkere handels- en distributiemarkt (16),

gezien het werkdocument van de Commissie van oktober 2011 met de titel „Making markets work for consumers” (zesde editie van het scorebord voor de consumentenmarkten) (SEC(2011)1271),

gezien de „verklaring van Krakau” van het eerste Forum Interne Markt, dat op 3—4 oktober 2011 in Krakau (Polen) plaatsvond,

gezien het voorstel van 19 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van de Connecting Europe Facility (COM(2011)0665),

gezien zijn resoluties van 23 oktober 2012 over passagiersrechten in alle vervoerswijzen (17) en van 25 oktober 2011 over mobiliteit en integratie van gehandicapten en de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 (18),

gezien zijn resolutie van 29 maart 2012 over de werking en toepassing van verworven rechten van luchtreizigers (19),

gezien Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten (20),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 9 november 2011 tot vaststelling van een consumentenprogramma 2014-2020 (COM(2011)0707) en de daaraan gerelateerde documenten (SEC(2011)1320) en (SEC(2011)1321),

gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over een nieuwe strategie voor het consumentenbeleid (21),

gezien de mededeling van de Commissie van 19 december 2011 aan het Europees Parlement en de Raad getiteld „Een Europese visie voor passagiers: Mededeling over passagiersrechten in alle vervoerswijzen” (COM(2011)0898),

gezien de mededeling van de Commissie van 11 januari 2012 met de titel „Een coherent kader voor een groter vertrouwen in de digitale eengemaakte markt voor elektronische handel en onlinediensten” (COM(2011)0942),

gezien het voorstel van 25 januari 2012 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming) (COM(2012)0011),

gezien zijn resolutie van 2 februari 2012: „Op weg naar een samenhangende Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen” (22),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 april 2012 met de titel „Een strategie voor e-aanbesteding” (COM(2012)0179),

gezien de mededeling van de Commissie van 2 mei 2012 met de titel „Europese Strategie voor een beter internet voor kinderen” (COM(2012)0196),

gezien zijn resolutie van 22 mei 2012 over een strategie ter versterking van de rechten van kwetsbare consumenten (23),

gezien zijn resolutie van 22 mei 2012 over het scorebord van de interne markt (24),

gezien de mededeling van de Commissie van 22 mei 2012 aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met de titel „Een Europese consumentenagenda — Vertrouwen en groei stimuleren” (COM(2012)0225),

gezien het werkdocument van de Commissie van 29 mei 2012 met de titel „Consumer Conditions Scoreboard. Consumers at home in the single market” (zevende editie van het scorebord voor de consumentenmarkten) (SWD(2012)0165),

gezien het werkdocument van de Commissie van 7 december 2012 getiteld „Making markets work for consumers”, achtste editie van het scorebord voor de consumentenmarkten (SWD(2012)0432),

gezien het voorstel van 4 juni 2012 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt (COM(2012)0238),

gezien het werkdocument van de Commissie van 19 juli 2012 met de titel „Knowledge-enhancing aspects of consumer empowerment 2012-2014” (SWD(2012)0235),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2012 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met de titel „Akte voor de interne markt II: samen voor nieuwe groei” (COM(2012)0573),

gezien zijn resolutie van 11 december 2012 inzake het voltooien van de digitale interne markt (25),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité, de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met de titel „Een Europese consumentenagenda — Vertrouwen en groei stimuleren” (COM(2012)0225),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0163/2013),

A.

overwegende dat de bevordering van de rechten van consumenten en consumentenbescherming grondbeginselen zijn van de Unie;

B.

overwegende dat consumenten een essentiële rol vervullen in de economie, aangezien consumptie een van de voornaamste aanjagers van groei in de Unie is;

C.

overwegende dat de Europese burger als consument een belangrijke rol toekomt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020 in de vorm van slimme, duurzame en inclusieve groei, en dat in dit verband de rol van de consument als element in het economisch beleid van de Unie moet worden erkend;

D.

overwegende dat in de Unie gestreefd wordt naar een hoog niveau van bewustwording, mondigheid en bescherming van consumenten, alsmede naar het tot stand brengen van een goed evenwicht voor wat het concurrentievermogen van uniale ondernemingen en economieën betreft, met name door het beschermen van de gezondheid, veiligheid en economische belangen van consumenten, evenals door het bevorderen van hun recht op voorlichting, vorming en vereniging;

E.

overwegende dat consumenten geen homogene groep vormen, en dat aan die variabelen recht moet worden gedaan in de Europese consumentenagenda, aangezien er grote verschillen bestaan tussen consumenten voor wat vaardigheden, kennis van de wettelijke voorschriften, assertiviteit en de bereidheid juridisch verhaal te willen halen betreft; overwegende dat bij de toepassing van de Europese consumentenagenda oog moet zijn voor niet-discriminatie en toegankelijkheid;

F.

overwegende dat het van belang is het consumentenvertrouwen, hun vertrouwen in de markt en de kennis over hun rechten te stimuleren, met name wanneer het kwetsbare consumenten betreft, zoals kinderen, ouderen en andere consumenten die zich in een kwetsbare situatie bevinden; overwegende dat het in dit verband van essentieel belang is consumenten in de Unie betere bescherming te bieden ten opzichte van producten en diensten die een gevaar kunnen opleveren voor hun gezondheid of veiligheid;

G.

overwegende dat „ter zake doende en adequate informatie” inhoudt dat deze informatie gemakkelijk toegankelijk, transparant, niet-misleidend en vergelijkbaar is;

H.

overwegende dat de verwezenlijking van een goed functionerende interne markt verenigbaar is met de doelstellingen van de Lissabon-strategie voor meer groei en werkgelegenheid, die de 500 miljoen Europese consumenten ten goede komen;

I.

overwegende dat elektronische handel uiterst nuttig is voor alle consumenten dankzij het enorm grensoverschrijdend potentieel ervan, dat consumenten in staat stelt optimaal te profiteren van de voordelen van de interne markt; overwegende dat elektronische handel ook als integratie-instrument uiterst nuttig is voor consumenten met een handicap of verminderde mobiliteit en consumenten die woonachtig zijn in plattelandsgebieden met geografische handicaps;

J.

overwegende dat onzekerheid over de rechten van de consument met betrekking tot grensoverschrijdende aankopen de voordelen van marktintegratie ondermijnt;

K.

overwegende dat de ontwikkeling van de elektronische handel wordt bemoeilijkt door de nog altijd bestaande digitale kloof tussen de burgers van de Unie, met name voor wat ouderen betreft; overwegende dat de meeste openbare en particuliere websites nog altijd ontoegankelijk zijn voor mensen met een handicap of een lagere digitale geletterdheid;

L.

overwegende dat de versnippering van de digitale interne markt de rechten van de consument in gevaar brengt; overwegende dat sommige websites niet geschikt zijn voor grensoverschrijdende kopers en consumenten; overwegende dat de richtlijn inzake alternatieve geschillenbeslechting en de verordening betreffende onlinegeschillenbeslechting op korte termijn in werking zullen treden en nuttige instrumenten voor de consumenten zullen zijn, met name bij grensoverschrijdende transacties; overwegende dat nader moet worden gekeken naar toereikende regelingen om groepsacties efficiënt te maken;

M.

overwegende dat de recente financiële crisis eens te meer duidelijk heeft gemaakt dat er sterke behoefte is aan bescherming van en informatie voor de consumenten met betrekking tot financiële en bancaire diensten, aangezien de producten van deze sectoren rechtstreeks van invloed kunnen zijn op hun algehele welzijn, alsmede dat er behoefte is aan meer onpartijdig advies voor consumenten;

N.

overwegende dat er op Europees niveau naar wordt gestreefd de consument een centrale rol in het beleid van de Unie te geven als middel voor de verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020;

O.

overwegende dat de huidige economische crisis ook ernstige gevolgen heeft voor de koopkracht van consumenten op de interne markt, met name van consumenten die zich vanwege hun maatschappelijke of financiële positie in een kwetsbare situatie bevinden; overwegende dat de rechten van consumenten derhalve in voldoende mate moeten worden erkend;

P.

overwegende dat de interne markt de consumenten in de Unie toegang biedt tot een breed scala van producten en diensten van hoge kwaliteit die tegen concurrerende prijzen worden verkocht; overwegende dat met de productie van milieuvriendelijke goederen en milieuvriendelijke dienstverlening tot verantwoordelijke consumptie wordt aangemoedigd, waardoor duurzame ontwikkeling, werkgelegenheid en economische groei worden bevorderd; overwegende dat de Commissie zich moet beraden over en verdiepen in nieuwe vormen van consumptie, zoals het delen en weggeven van goederen en consumptie;

Q.

overwegende dat de nodige aanpassingen moeten worden doorgevoerd naarmate de technische en wetenschappelijke kennis vordert, zowel wat betreft de voedselveiligheid als met betrekking tot de overige basisconsumptieproducten;

R.

overwegende dat consumentenverenigingen op alle terreinen een belangrijkere rol moeten gaan spelen, en dat daarvoor de nodige juridische en economische maatregelen moeten worden getroffen en aan capaciteitsopbouw moet worden gedaan; overwegende dat consumentenverenigingen een unieke rol vervullen bij het waarborgen van het vertrouwen in en de ontwikkeling van de interne markt;

S.

overwegende dat reizigers niet voldoende geïnformeerd zijn over hun rechten en de kwaliteit van de dienstverlening die zij mogen verwachten, en dat reizigers dikwijls moeilijkheden ondervinden bij het instellen van rechtsvorderingen en het doen gelden van hun rechten; overwegende dat er richtsnoeren nodig zijn om de toepassing van de verschillende verordeningen betreffende passagiersrechten in alle vervoerswijzen te vergemakkelijken en verbeteren; overwegende dat de Commissie bij de geplande herziening van de richtlijn betreffende pakketreizen grondig moet onderzoeken welke invloed de elektronische handel en de digitale markten hebben op het consumentengedrag in de Europese toeristische sector;

T.

overwegende dat de bestaande EU-wetgeving passagiers in alle vervoerswijzen weliswaar elementaire bescherming biedt, maar dat voor sommige van de passagiersrechten niet in alle vervoerswijzen en niet overal in de Unie is gewaarborgd dat ze goed worden toegepast, gecontroleerd en gehandhaafd, hetgeen het vrije verkeer in de interne markt belemmert, aangezien dit het vertrouwen van reizigers aantast en nadelige gevolgen heeft voor de vrije concurrentie tussen aanbieders van vervoersdiensten;

U.

overwegende dat passagiers in staat moeten zijn het verschil te onderkennen tussen in de prijs van het ticket geïntegreerde niet-optionele operationele kosten enerzijds en te boeken optionele diensten anderzijds, in het kader van geautomatiseerde boekingssystemen zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1008/2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (Herziening) (26), aangezien dit de prijstransparantie in het geval van boekingen via het internet zal vergroten;

V.

overwegende dat de vier belangrijkste doelstellingen van de mededeling van de Commissie over een Europese consumentenagenda erin bestaan: 1) de consumentenveiligheid te versterken; 2) de kennis van de consument te vergroten; 3) de toepassing, handhaving en inachtneming van verhaalmogelijkheden te verbeteren; en 4) de rechten en voornaamste beleidslijnen aan de economische en maatschappelijke veranderingen aan te passen; overwegende dat het Europees Parlement en de nationale parlementen de snelle en doeltreffende omzetting van de wetgeving inzake consumentenbescherming moeten vergemakkelijken;

W.

overwegende dat de Unie ter vermindering van de CO2-uitstoot streefcijfers heeft vastgesteld teneinde de 2020-doelstellingen te kunnen verwezenlijken en te bewerkstelligen dat de energievoorziening tegen 2050 voor het grootste deel afkomstig is van hernieuwbare energiebronnen;

X.

overwegende dat de geformuleerde voorstellen bij de vier bovenvermelde hoofddoelstellingen moeten aansluiten;

Versterking van bewustwording, verbetering van de kennis, veiligheid en rechten van de consument

1.

is verheugd over de alomvattende aanpak van de Europese consumentenagenda, met name het feit dat deze bijna alle voor de consument belangrijke beleidsterreinen omvat, hetgeen nog eens wijst op de grotere rol en betekenis van de veiligheid en rechten van de consument op de interne markt en op de versterking van consumentenverenigingen; onderstreept overigens dat dit ook in de wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen van de Commissie tot uitdrukking moet komen;

2.

verwelkomt de bereidheid van de Commissie om samen met handelaren en tussenpersonen te werken aan het bevorderen van initiatieven op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen, die de veiligheid van de consumenten ten goede komen; is van oordeel dat de Commissie een permanente dialoog met de private sector moet aangaan om ervoor te zorgen dat initiatieven geaccepteerd en in de praktijk toegepast worden;

3.

pleit ervoor dat consumenten gemakkelijk en doeltreffend hun rechten kunnen uitoefenen op basisgebieden zoals voeding, gezondheid, energie en financiële en digitale diensten, toegang tot breedband, gegevensbescherming, vervoer en telecommunicatie;

4.

verzoekt de Commissie nauw met de nationale regeringen samen te werken bij de ontwikkeling en doorvoering van de campagne op Unieniveau gericht op het vergroten van de kennis onder de consumenten van hun rechten en belangen; onderstreept dat deze campagne alleen succesvol kan zijn indien naast de publieke sector en consumentenorganisaties ook de private sector erbij wordt betrokken;

5.

is van oordeel dat gewerkt moet worden aan het bevorderen van e-platforms zoals het European Enterprise Support Network en de website Your Europe, omdat ze bijdragen aan de ontwikkeling van de Europese interne markt en een belangrijke bron van informatie zijn voor de consumenten en kleine en middelgrote ondernemingen;

6.

verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen over het verbeteren van de kennis onder burgers van de financiële sector, zodat mensen over de nodige informatie beschikken alvorens ze besluiten een lening te nemen; is van oordeel dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan jongeren en aan het verschaffen van informatie over kortlopende leningen;

7.

onderstreept dat de voorlichting van consumenten hun risico's ten opzichte van gevaarlijke of vervalste producten, speculatieve financiële producten en misleidende reclame verkleint; is van mening dat voorlichting (met inbegrip van financiële voorlichting) en versterking van de positie van de consument levenslang moeten zijn en op school moeten beginnen; benadrukt dat het geven van te veel informatie moet worden vermeden en dat in plaats daarvan kennistekorten moeten worden aangepakt en de bewustwording van de consument moet worden verbeterd middels betrouwbare, duidelijke, vergelijkbare en gerichte informatie;

8.

onderstreept dat consumenten hun rechten alleen volledig kunnen opeisen indien de rol en voorlichting van ondernemingen niet uit het oog worden verloren; is van oordeel dat een goede kennis van de rechten van consumenten binnen ondernemingen van essentieel belang is om volledig uitvoering te kunnen geven aan de bestaande wetgeving inzake consumentenbescherming; verzoekt de Commissie en de lidstaten hiertoe de noodzakelijke maatregelen te nemen, en daarbij in het bijzonder aandacht te besteden aan kleine en middelgrote ondernemingen;

9.

onderstreept dat uit meerdere onderzoeken blijkt dat consumenten zich op langetermijnbasis zorgen maken over mogelijke verschillen in de kwaliteit van producten van hetzelfde merk en dezelfde verpakking die op de interne markt worden gedistribueerd; is van oordeel dat consumenten in verschillende lidstaten geen toegang hebben tot dezelfde kwaliteit wanneer ze producten van hetzelfde merk en dezelfde verpakking kopen in de interne markt; benadrukt dat elke vorm van discriminatie tussen consumenten onaanvaardbaar is;

10.

verzoekt de Commissie deze kwestie grondig te onderzoeken, zodat kan worden bepaald of de bestaande Uniewetgeving moet worden aangepast; verzoekt de Commissie het Europees Parlement en de consumenten over het resultaat van dit onderzoek op de hoogte te stellen;

11.

verzoekt de Commissie bijgewerkte standaardnormen vast te stellen die een grotere productveiligheid en -echtheid waarborgen; spreekt in ieder geval de hoop uit dat het voorstel tot wijziging van Richtlijn 2001/95/EG inzake algemene productveiligheid een hoog niveau van veiligheid van consumentenproducten zal garanderen;

12.

is verheugd met het voorstel van de Commissie om een juridisch kader voor productveiligheid te ontwikkelen; benadrukt in dit verband het belang van doeltreffend markttoezicht, aangezien er zich nog altijd onveilige producten op de interne markt bevinden, waaronder producten met CE-markering;

13.

pleit ervoor dat consumenten op een veilige manier kunnen profiteren van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en toegang hebben tot informatie, onpartijdig advies en de noodzakelijke instrumenten voor eerlijke en doeltreffende herstelprocedures;

14.

verzoekt de lidstaten en de Commissie te werken aan het bevorderen van initiatieven gericht op het vertalen van de resultaten van wetenschappelijke vooruitgang, technologische ontwikkelingen en andere innovaties in voordelen voor de consumenten, met inachtneming van de wetgeving inzake de veiligheid van consumentenproducten;

15.

pleit voor adequate consumentenbescherming en productveiligheid op de markt voor consumptiegoederen die zijn geproduceerd met behulp van nanotechnologie of genetisch gemodificeerde organismen;

16.

onderstreept dat wetenschappelijke kennis en regelgeving onafhankelijk en transparant moeten zijn, met name op de gebieden gezondheid, milieu en levensmiddelen, met het oog op een zo hoog mogelijk niveau van consumentenbescherming en -vertrouwen;

17.

benadrukt dat de rechten van kwetsbare consumenten, zoals kinderen en ouderen en andere consumenten die zich in een kwetsbare situatie bevinden, beter moeten worden beschermd, met name wat het vervoer, financiële diensten, energie en ICT betreft; benadrukt dat zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau maatregelen moeten worden genomen teneinde adequate waarborgen te bieden voor de bescherming van die consumenten;

18.

onderstreept dat de Commissie en de lidstaten verantwoordelijke en duurzame consumptie moeten bevorderen, overeenkomstig de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, en markten volledig toegankelijk moeten maken voor consumenten vanuit het oogpunt van een zeer concurrerende sociale markteconomie, in een op solidariteit gebaseerde Unie; acht het nodig dat voedselverspilling wordt aangepakt, de levensduur van consumentenproducten wordt verlengd, hergebruik en het gebruik van tweedehandsgoederen worden aangemoedigd, en de energie-efficiëntie van producten op de interne markt wordt vergroot;

Verbetering van de toepassing, handhaving en inachtneming van verhaalmogelijkheden

19.

dringt er bij de Commissie op aan onverminderd toezicht uit te blijven oefenen op de wijze waarop de wetgeving die de ontwikkeling van de interne markt ondersteunt, wordt toegepast; verzoekt de Commissie de noodzakelijke juridische stappen te nemen tegen de lidstaten die de internemarktwetgeving overtreden of niet ten uitvoer leggen, overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

20.

juicht aanvullende wetgevingsinitiatieven toe die gericht zijn op het creëren van een volledig geïntegreerde interne markt, om de mededinging en de efficiëntie te verbeteren en de consumenten in de Unie een uitgebreidere keuze te bieden;

21.

verzoekt de Commissie en de lidstaten in het bijzonder toe te zien op de tijdige en consequente tenuitvoerlegging van het consumentenacquis van de Unie, en met name de richtlijn consumentenrechten (27), de richtlijn oneerlijke handelspraktijken (28) en de richtlijn inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (29); verzoekt de Commissie en de lidstaten daarnaast te onderzoeken hoe het is gesteld met de doeltreffendheid van het consumentenacquis; wijst op de gegevens die erop duiden dat de burgers zich nog altijd niet bewust zijn van hun rechten op de interne markt, en verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband te werken aan het bevorderen van duidelijke en begrijpelijke informatie voor de consumenten als onderdeel van het tenuitvoerleggingsproces, alsook van informatie over de verhaalmogelijkheden waarover zij beschikken;

22.

verzoekt de Commissie actiever te werken aan de beoordeling van de mate waarin burgers in de lidstaten toegang tot een bankrekening hebben; verzoekt de Commissie uiteen te zetten op welke wijze dit probleem wordt aangepakt en om hierover bij het Parlement een verslag in te dienen vóór het eind van het eerste kwartaal van 2014;

23.

vindt dat beter gebruik moet worden gemaakt van de beschikbare informatie over consumentengedrag, en is met name van oordeel dat de gegevens van het consumentenscorebord doeltreffender kunnen worden gebruikt; stelt in dit verband voor dat het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) in het kader van een gefinancierd onderzoekproject analyses en controles verricht om vast te stellen op welke terreinen in de ogen van de burgers hun consumentenrechten in de interne markt prioritair moeten worden verbeterd, alsook dat de inhoud, de vorm en de werkzaamheden van de organisaties die aan consumentenvoorlichting doen in het licht van de resultaten hiervan worden aangepast;

24.

benadrukt dat het beleid van de EU de samenwerking tussen consumentenverenigingen en openbare instellingen op alle terreinen moet stimuleren door te zorgen voor gemakkelijke toegang tot de nodige financiële middelen, en tevens de uitwisseling van beste praktijken en knowhow tussen verenigingen moet bevorderen; is van mening dat er een Europees verenigingenregister moet worden gecreëerd dat de opzet van dergelijke verenigingen mogelijk maakt;

Aanpassing van rechten en voornaamste beleidslijnen aan economische en maatschappelijke veranderingen

25.

is van oordeel dat de Commissie zich niet alleen moet richten op het kopen van digitale inhoud in het digitale milieu, maar ook op de vraag hoe de verkoop van goederen en diensten kan worden bevorderd in de digitale omgeving en hoe het consumentenvertrouwen kan worden vergroot, zodat de consumenten weten hoe zij hun rechten kunnen verdedigen en geschillen kunnen beslechten indien zij een kwalitatief inferieur product of dienst hebben aangeschaft;

26.

verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van de consument bij kortlopende leningen, aangezien het de meest kwetsbaren zijn die in tijden van crisis deze financiële producten gebruiken zonder zich volledig bewust te zijn van hun verplichtingen en de risico's die zij lopen als kredietnemer;

27.

wijst er nog eens op dat adequate en ter zaken doende informatieverschaffing aan de consument aangevuld moet worden met maatregelen ter versterking van de mondigheid van de consument, teneinde de consument in de gelegenheid te stellen ten volle te profiteren van de voordelen van de interne markt;

28.

verzoekt de Commissie met het Europees Parlement en de nationale autoriteiten samen te werken teneinde de consument beter te informeren over wijzen waarop hij of zij het beheer van het huishoudelijk energieverbruik kan verbeteren;

29.

vindt dat gewerkt moet worden aan het bevorderen van de grensoverschrijdende energieprojecten die onderdeel van de Connecting Europe-faciliteit uitmaken, aangezien dit tot meer concurrentie tussen de aanbieders van elektriciteit en gas zal leiden en de autonomie van de energiesector in de lidstaten zal vergroten;

30.

vindt dat het mededingingsbeleid van de Unie moet worden versterkt en dat de bevordering van de consumentenrechten hierin een centrale plaats moet krijgen; beschouwt deze aanpassing met name van belang voor de totstandbrenging van een robuuste interne digitale markt; onderstreept in dit verband het belang van prijsvergelijkingssites, en onderstreept dat hun onafhankelijkheid van groot belang is;

31.

verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten om de nodige middelen goed te keuren voor een doeltreffende toepassing van de agenda, met oog voor het meerjarig financieel kader 2014-2020, en om systematische effectbeoordelingen uit te voeren;

Elektronische handel

32.

onderstreept dat een snelle verdere ontwikkeling van de elektronische handel van essentieel belang is voor de consument, aangezien deze tot meer keuzemogelijkheden leidt, in het bijzonder voor burgers in moeilijk bereikbare, verafgelegen of perifere gebieden, en voor burgers met een verminderde mobiliteit, die zonder elektronische handel in geringere mate toegang tot een breed productpalet hebben;

33.

verzoekt de Commissie iets te doen aan de discriminatie van de consument in de interne markt die ontstaat doordat ondernemingen bij grensoverschrijdende elektronische handel soms verzendrestricties hanteren;

34.

onderstreept dat niet alle consumenten in de gelegenheid zijn of over de nodige vaardigheden beschikken om het internet te gebruiken en dat de consumenten daarom via meerdere kanalen diensten moeten worden aangeboden;

35.

benadrukt dat het consumentenvertrouwen onontbeerlijk is voor de elektronische handel, zowel binnenlands als grensoverschrijdend; benadrukt dat de kwaliteit, veiligheid, traceerbaarheid en echtheid van producten moeten worden gewaarborgd, zonder criminele of oneerlijke praktijken en met eerbiediging van de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, met in voorkomend geval de garantie dat daarbij geïnformeerde en uitdrukkelijke toestemming voor het gebruik van persoonsgegevens is verleend door de consument;

36.

benadrukt dat de bescherming van persoonsgegevens een essentiële voorwaarde voor consumentenbescherming, alsook voor het functioneren en groeien van de digitale interne markt is;

37.

onderstreept dat consumenten bij elektronische handel verwachten dat de levering snel, betrouwbaar en tegen concurrerende voorwaarden geschiedt, en dat goed functionerende leveringsdiensten van groot belang zijn met het oog op het vertrouwen van de consument;

Financiële diensten, beleggingsproducten en de economische crisis

38.

is verheugd met de door de Commissie voorgestelde maatregelen op het gebied van financiële diensten, en onderstreept het belang van een alomvattend juridisch kader dat onafhankelijk advies voor de consument waarborgt, met name op het gebied van financiële diensten; onderstreept dat marktgegevens betrouwbaar, duidelijk en vergelijkbaar moeten zijn, en elektronisch en langs andere wegen toegankelijk moeten zijn; benadrukt dat er juridische stappen moeten worden ondernomen in het geval van oneerlijke handelspraktijken of contractvoorwaarden; onderstreept dat consumenten die in de val van een financieel product zijn gelopen, moeten worden beschermd;

39.

neemt kennis van het nieuwe voorstel (COM(2013)0130, 13 maart 2013) voor een verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en Verordening (EG) nr. 2027/97 betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders met betrekking tot het luchtvervoer van passagiers en hun bagage; wenst dat de lijst met passagiersrechten voor alle vervoerswijzen in beknopte vorm, op grote schaal en in alle officiële talen van de Unie wordt verspreid;

40.

benadrukt dat het recht op toegang tot een basisbetaalrekening voor alle consumenten moet worden vereenvoudigd en dat zij duidelijke en relevante informatie over beleggingsproducten moeten krijgen, zoals onder meer beoogd in het voorstel voor een verordening betreffende essentiële informatiedocumenten voor beleggingsproducten (COM(2012)0352); onderstreept dat er voor een strenge marktregulering moet worden gezorgd; benadrukt dat de huidige economische en financiële crisis de positie van een groot aantal consumenten verzwakt en hen steeds kwetsbaarder maakt, en dat de toename van de arbeidsonzekerheid en werkloosheid en het verlies aan koopkracht groeiende ongelijkheden zijn; verzoekt de Commissie rekening te houden met deze nieuwe ontwikkelingen bij het uitstippelen van beleid;

Samenwerking tussen Europese en nationale autoriteiten en consumentenverenigingen

41.

onderstreept dat Europese, nationale en lokale autoriteiten nauw moeten samenwerken met consumentenverenigingen met het oog op de opzet van overlegmechanismen en de uitvoering van de in de agenda beoogde maatregelen;

42.

verzoekt de Commissie het RAPEX-kennisgevingssysteem transparanter en doeltreffender te maken; benadrukt dat het netwerk van Europese consumentencentra en het samenwerkingsnetwerk voor consumentenbescherming verder moeten worden ontwikkeld; is van mening dat de Commissie zich voor de dienstensector zou moeten beraden over de invoering van een RAPEX-achtig systeem;

Beslechting van en schadeloosstelling bij geschillen

43.

benadrukt dat herstelmechanismen zoals alternatieve en onlinegeschillenbeslechting snel, toegankelijk en doeltreffend moeten zijn; onderstreept dat een doeltreffende toegang tot de rechtbanken in grensoverschrijdende geschillen niet moet worden bemoeilijkt door problemen ten gevolge van het grensoverschrijdende karakter van een geschil, het gebrek aan middelen of het gebrek aan informatie over de toegankelijkheid van juridische bijstand; dringt derhalve aan op een betere tenuitvoerlegging van Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 en, indien nodig, de herziening ervan, teneinde de tekortkomingen weg te nemen;

44.

benadrukt dat mechanismen voor alternatieve en onlinegeschillenbeslechting een collectief verhaalmechanisme niet kunnen vervangen; roept de Commissie derhalve op maatregelen te overwegen die zouden leiden tot de invoering van een consistent mechanisme voor collectief verhaal voor de gehele Unie op het gebied van consumentenbescherming, dat van toepassing zou zijn op grensoverschrijdende gevallen; benadrukt dat ongecoördineerde initiatieven binnen de Unie tot versnippering kunnen leiden; benadrukt dat de Unie-aanpak van collectief verhaal uitsluitend dient te voorzien in collectieve actie in het geval van vertegenwoordigende entiteiten die naar behoren op nationaal niveau zijn erkend (openbare instanties zoals een ombudsman of consumentenorganisaties) teneinde de doeltreffendheid van het systeem te waarborgen en mogelijk misbruik tegen te gaan; wijst er nadrukkelijk op dat de Unie-aanpak van collectief verhaal moet worden gebaseerd op het 'opt in'-beginsel;

45.

hamert er nog eens op dat het belangrijk is dat goederen en diensten in de Unie toegankelijk zijn, waaronder op gebieden als de gebouwde omgeving, vervoer en ICT; spoort de Commissie aan een voorstel in te dienen voor een „toegankelijkheidsplan voor de Unie” met verreikende ambities;

46.

benadrukt het feit dat de Europese consumentenagenda in het volgende meerjarig financieel kader 2014-2020 op voldoende ambitieuze wijze moet worden gefinancierd;

o

o o

47.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede de regeringen en de parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 270 van 7.10.1998, blz. 48.

(2)  PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.

(3)  PB L 404 van 30.12.2006, blz. 39.

(4)  PB L 378 van 27.12.2006, blz. 72.

(5)  PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27.

(6)  PB C 279 E van 19.11.2009, blz. 17.

(7)  PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.

(8)  PB L 170 van 30.6.2009, blz. 1.

(9)  PB L 98 van 16.4.2005, blz. 47.

(10)  PB C 349 van 22.12.2010, blz. 1.

(11)  PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.

(12)  PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 84.

(13)  PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 1.

(14)  PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 19.

(15)  PB C 390 E van 18.12.2012, blz. 145.

(16)  PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 9.

(17)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0371.

(18)  PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 9.

(19)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0099.

(20)  PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.

(21)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0491.

(22)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0021.

(23)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0209.

(24)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0211.

(25)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0468.

(26)  PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3.

(27)  PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64.

(28)  PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.

(29)  PB L 376 van 27.12.2006, blz. 21.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/12


P7_TA(2013)0240

Rechtsbijstand in grensoverschrijdende geschillen van civiel- of handelsrechtelijke aard

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over verbetering van de toegang tot justitie: rechtsbijstand in grensoverschrijdende geschillen van civiel- of handelsrechtelijke aard (2012/2101(INI))

(2016/C 065/02)

Het Europees Parlement,

gezien Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen (1),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 februari 2012 over de toepassing van Richtlijn 2003/8/EG tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen (COM(2012)0071),

gezien artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0161/2013),

A.

overwegende dat artikel 47, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen;

B.

overwegende dat Richtlijn 2003/8/EG van de Raad bepalingen bevat die waarborgen dat burgers bij grensoverschrijdende geschillen toegang hebben tot de rechter;

C.

overwegende dat de belangrijkste bepaling van die richtlijn waarborgt dat rechtsbijstand niet kan worden geweigerd om de enkele reden dat een geschil een grensoverschrijdend karakter heeft, en dat elke lidstaat dus zijn eigen rechtsbijstandssysteem kan organiseren, maar dit moet openstellen voor personen uit andere lidstaten;

D.

overwegende dat de richtlijn tevens de voorwaarden vaststelt waaronder grensoverschrijdende rechtsbijstand kan worden toegekend, en dat deze voorwaarden betrekking hebben op de financiële middelen, de grond van het geschil en het grensoverschrijdende karakter van het geschil;

E.

overwegende dat rechtsbijstand alleen wordt toegekend aan personen wier financiële situatie zodanig is dat zij zonder rechtsbijstand geen toegang tot de rechter hebben;

F.

overwegende dat de economische situatie van een persoon wordt beoordeeld aan de hand van richtsnoeren die van kracht zijn in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld en dat een aantal lidstaten een vaste drempel heeft vastgesteld;

G.

overwegende dat die drempels van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk verschillen en dat een burger die in de ene lidstaat voor rechtsbijstand in aanmerking komt, in een andere lidstaat geacht wordt deze kosten zelf te kunnen dragen; overwegende dat artikel 5, lid 4, van de richtlijn dit probleem enigszins lijkt te erkennen;

H.

overwegende dat, om iets aan deze discrepanties te doen, overwogen moet worden of burgers de mogelijkheid moeten krijgen om in hun lidstaat van verblijf een verzoek om rechtsbijstand in te dienen en het verzoek ook door die lidstaat te laten beoordelen;

I.

overwegende dat het voor burgers en voor de autoriteiten die de richtlijn moeten toepassen veel eenvoudiger is als burgers bij grensoverschrijdende verzoeken om rechtsbijstand mogen kiezen of hun verzoek wordt beoordeeld door hun lidstaat van verblijf of door de lidstaat waar de zaak wordt behandeld of de beslissing ten uitvoer wordt gelegd;

J.

overwegende dat bij een dergelijke vrije keus de autoriteiten van de lidstaten hun eigen criteria kunnen toepassen en het verzoek niet hoeven door te sturen of de voorwaarden en richtsnoeren van andere lidstaten hoeven toe te passen;

K.

overwegende dat aan burgers wier recht op rechtsbijstand is erkend door de lidstaat van verblijf een certificaat kan worden verstrekt, waarvan de geldigheid door de autoriteiten van de lidstaat waar de zaak wordt behandeld of de beslissing ten uitvoer wordt gelegd, wordt erkend;

L.

overwegende dat grensoverschrijdende rechtsbijstand overeenkomstig de richtlijn ook de kosten omvat die verband houden met het grensoverschrijdende karakter van het geschil, zoals de kosten van tolken, kosten voor vertaling en reiskosten;

M.

overwegende dat de uitleg over de beschikbare rechtsbijstand voor burgers in een van de talen van de Unie moet kunnen worden gegeven, om te waarborgen dat de burger wordt geïnformeerd in een taal die hij begrijpt;

N.

overwegende dat het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen vergelijkbare bepalingen bevat op internationaal niveau, maar in slechts 17 van de 27 lidstaten van kracht is;

O.

overwegende dat de overige lidstaten daarom aangespoord moeten worden tot ondertekening of ratificatie van dit verdrag;

Toepassing van Richtlijn 2003/8/EG

1.

complimenteert de Commissie met de indiening van het verslag over de toepassing van Richtlijn 2003/8/EG;

2.

betreurt dat de Commissie niet specifiek ingaat op de Europese procedures waarop de richtlijn inzake rechtsbijstand eveneens van toepassing is, zoals bijvoorbeeld de Europese procedure voor geringe vorderingen, ofschoon de toepassing van de richtlijn op die procedure in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 zeer wel had kunnen worden onderzocht;

3.

stelt met tevredenheid vast dat alle lidstaten de richtlijn hebben omgezet; constateert echter dat er tussen de lidstaten enkele interpretatieverschillen bestaan met betrekking tot de werkingssfeer van de richtlijn;

4.

wijst erop dat in een volgend verslag de aantallen gevallen en hun onderwerp moeten worden vermeld, opgesplitst naar land, zodat een gedetailleerder en preciezer beeld wordt verkregen van de wijze waarop het instrument toepassing vindt;

Meer bekendheid geven aan het recht op grensoverschrijdende rechtsbijstand

5.

betreurt dat relatief weinig burgers en beoefenaars van juridische beroepen op de hoogte zijn van de bij de richtlijn verleende rechten;

6.

verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om meer bekendheid te geven aan het recht op grensoverschrijdende rechtsbijstand in burgerlijke en handelszaken, en daarmee het vrij verkeer van personen te bevorderen;

7.

erkent dat er goed werk is verricht door het Europese e-justitieportaal en het Europees justitieel netwerk, alsook door e-Codex (e-justice Communication via Online Data Exchange), met name wat betreft de beschikbaarheid van de formulieren voor rechtsbijstand op het Europese e-justitieportaal, zoals omschreven in Richtlijn 2003/8/EG van de Raad; dringt echter aan op meer duidelijkheid en gemakkelijke toegang tot deze formulieren voor rechtsbijstand en de nationale formulieren voor rechtsbijstand op al deze platforms, met inbegrip van duidelijke en praktische informatie over hoe men in de verschillende lidstaten het best rechtsbijstand kan aanvragen in grensoverschrijdende geschillen in burgerlijke en handelszaken;

8.

verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts om een doeltreffende informatiecampagne te starten om een groot aantal potentiële begunstigden en beoefenaars van juridische beroepen te kunnen bereiken;

9.

meent dat andere Europese procedures, zoals de Europese procedure voor geringe vorderingen of de Europese betalingsbevelprocedure, weinig bekendheid genieten en zeker niet meer profiel zullen krijgen zolang aan het huidige voorlichtingsbeleid wordt vastgehouden;

10.

wijst erop dat om het publiek toegang te geven tot informatie over rechtsbijstand, gebruik kan worden gemaakt van moderne technologieën en communicatiemiddelen; beveelt de Commissie en de lidstaten derhalve aan gebruik te maken van een groot aantal verschillende communicatiekanalen, waaronder campagnes via internet en interactieve platforms zoals het e-justitieportaal, als kostenefficiënte manieren om de burgers te bereiken;

11.

wijst erop dat de tijdelijke en permanente opslagmogelijkheid voor de nodige formulieren voor rechtsbijstand met het oog op de continuïteit van aanhangige procedures verbetering behoeft, evenals de formulieren voor andere procedures, met name de Europese procedure voor geringe vorderingen en de Europese betalingsbevelprocedure, waarbij er onder meer voor moet worden gezorgd dat zij in alle talen even zichtbaar zijn, ook op de website van de „Europese justitiële atlas voor burgerlijke zaken” en op het Europese e-justitieportaal; dringt bij de Commissie aan op onmiddellijke maatregelen hiervoor;

Het waarborgen van deskundige rechtsbijstand

12.

is van oordeel dat er databanken moeten worden opgezet van beoefenaars van juridische beroepen met voldoende talenkennis en kennis op het gebied van vergelijkend recht om rechtsbijstand in grensoverschrijdende rechtszaken te kunnen verlenen, om er op die manier voor te zorgen dat rechtsbijstand wordt geleverd door personen die daartoe gekwalificeerd zijn; beschouwt bestaande grensoverschrijdende juridische databanken, zoals het platform Find-a-Lawyer, als voorbeelden van goede praktijken op dit gebied en dringt aan op verdere ontwikkeling van deze instrumenten, met als uiteindelijk doel de integratie daarvan in een databank van beoefenaars van juridische beroepen op het e-justitieportaal;

13.

is van oordeel dat het wenselijk is cursussen te organiseren om beoefenaars van juridische beroepen bij te scholen op het gebied van grensoverschrijdende geschillen en daarbij de nadruk te leggen op taalonderwijs en vergelijkend recht; spoort de Commissie aan om met de lidstaten samen te werken ter bevordering van specifieke training voor advocaten die rechtsbijstand verlenen;

14.

ziet in dat rechtsbijstand en bijscholing kosten voor de lidstaten met zich meebrengen, en dat de financieringsmogelijkheden hiervoor in het huidige economische klimaat in veel lidstaten beperkt zullen zijn; verzoekt de Europese Commissie daarom de lidstaten waar mogelijk van financiële middelen te voorzien, om te zorgen voor consistente juridische bijscholing op hoog niveau met betrekking tot grensoverschrijdende rechtsbijstand in burgerlijke en handelszaken;

De toepassing van de richtlijn verbeteren ten bate van de burgers

15.

benadrukt dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat de procedures voor het indienen van een verzoek om rechtsbijstand eenvoudig zijn, zodat burgers dat zelf kunnen doen, zonder hulp van een juridisch adviseur; stelt voor dat de burgers die met deze procedures te maken krijgen automatisch worden ingelicht over het bestaan van het e-justitieportaal, zodat zij gemakkelijker toegang hebben tot relevante informatie;

16.

acht het raadzaam om naar het voorbeeld van bestaande nationale rechtsbijstandstelsels één enkele autoriteit met verantwoordelijkheid voor grensoverschrijdende rechtsbijstand aan te wijzen, met een centraal bureau in elke lidstaat, waar verzoeken om rechtsbijstand in ontvangst worden genomen en verder geleid;

17.

is van oordeel dat voor het vaststellen van de economische criteria voor het verlenen van rechtshulp meer moet worden gelet op de verschillen in kosten voor levensonderhoud in de diverse lidstaten, waarbij de wijze waarop die verschillen worden meegerekend nader moet worden gespecificeerd;

18.

stelt voor personen die een verzoek om rechtsbijstand willen indienen de vrije keus te bieden om dat in hun lidstaat van verblijf of in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld of de beslissing ten uitvoer wordt gelegd te doen; merkt op dat de autoriteiten van elke lidstaat in het kader van een dergelijke regeling bij de beoordeling van verzoeken om rechtsbijstand dan hun eigen criteria kunnen toepassen;

19.

vindt dat een besluit tot toekenning van rechtsbijstand, genomen door de autoriteiten van een lidstaat van verblijf en gestaafd door een gemeenschappelijk certificaat, ook rechtskracht dient te hebben in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld of de beslissing ten uitvoer wordt gelegd;

20.

meent dat de kosten van of in verband met eventuele verplichte verschijning voor een rechter of andere autoriteit die het verzoek om rechtsbijstand beoordeelt eveneens door de rechtsbijstandregeling moeten worden gedekt;

21.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan bijzondere aandacht te schenken aan de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, om erop toe te zien dat met hun behoeften rekening wordt gehouden;

22.

verzoekt de Commissie een voorstel tot wijziging van de richtlijn in te dienen conform het hierboven gestelde, teneinde strengere gemeenschappelijke normen voor grensoverschrijdende rechtsbijstand tot stand te brengen;

Het bevorderen van alternatieve vormen van rechtsbijstand

23.

dringt er bij de lidstaten op aan efficiëntere regelingen voor de samenwerking tussen overheidsinstanties en niet-gouvernementele organisaties te ontwikkelen om rechtsbijstand en juridisch advies voor burgers toegankelijker te maken;

24.

wenst dat er een waarschuwingssysteem wordt opgezet tussen nationale rechterlijke instanties, zodat ook andere lidstaten kennis kunnen nemen van een in een bepaalde lidstaat ingediend verzoek om rechtsbijstand;

25.

stelt voor dat de Commissie, lidstaten en juridische beroepsorganen en -organisaties, zoals de Europese en nationale balies, nauwer samenwerken;

26.

spreekt zijn waardering uit voor de talrijke initiatieven op het gebied van kosteloze rechtsbijstand die hun nut in de praktijk hebben bewezen, waaronder organisaties die pro bono werken of bureaus voor rechtshulp;

27.

spoort de lidstaten aan te zorgen voor beschikbaarheid van en eenvoudige toegang tot rechtsbijstand in de precontentieuze fase, zoals advisering over alternatieve geschillenbeslechting, die vaak veel goedkoper is en sneller verloopt dan een procedure voor de rechter;

De internationale aspecten van rechtsbijstand

28.

verzoekt de lidstaten die het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen nog niet hebben ondertekend en/of geratificeerd dat alsnog te doen, omdat daardoor de toegang van burgers tot de rechter buiten de Europese Unie verbetert;

o

o o

29.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.


(1)  PB L 26 van 31.1.2003, blz. 41.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/16


P7_TA(2013)0245

Georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven (tussentijds verslag) (2012/2117(INI))

(2016/C 065/03)

Het Europees Parlement,

gezien het besluit dat het overeenkomstig artikel 184 van zijn Reglement op 14 maart 2012 heeft genomen met betrekking tot de instelling, de bevoegdheden, de samenstelling en de duur van het mandaat van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen,

gezien zijn besluit van 11 december 2012 om het mandaat van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen te verlengen tot 30 september 2013,

gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 67, hoofdstuk 4 (artikelen 82-86) en hoofdstuk 5 (artikelen 87-89) van titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, inzonderheid de artikelen 5, 6, 8, 32, 38, 41, titel VI (artikelen 47-50) en artikel 52,

gezien de conclusies van de Raad inzake de totstandbrenging en tenuitvoerlegging van een EU-beleidscyclus voor georganiseerde en zware internationale criminaliteit tot vaststelling van een meerjarig proces om de belangrijkste criminele dreigingen op een samenhangende manier aan te pakken via een optimale samenwerking tussen de lidstaten, de EU en derde landen,

gezien de conclusies van de Raad inzake de vaststelling van de EU-prioriteiten ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit voor de periode 2011-2013,

gezien het programma van Stockholm op het gebied van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (1), de mededeling van de Commissie „Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa: Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm” (COM(2010)0171) en de mededeling van de Commissie „De EU-interneveiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa” (COM(2010)0673),

gezien de EU-drugsstrategie (2005-2012) en het EU-drugsactieplan voor 2009-2012,

gezien het VN-Verdrag tegen de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, dat op 15 november 2000 is aangenomen door de Algemene Vergadering (resolutie nr. 55/25), en dat ter ondertekening is opengesteld te Palermo op 12 december 2000, alsmede de bijbehorende protocollen,

gezien het VN-Verdrag tegen corruptie (UNCAC), dat ter ondertekening is opengesteld te Mérida op 9 december 2003,

gezien het VN-Verdrag tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, dat op 20 december 1988 door de Algemene Vergadering is aangenomen (resolutie 1988/8) en van 20 december 1988 tot 28 februari 1989 ter ondertekening is opengesteld te Wenen, en vervolgens te New York tot 20 december 1989,

gezien het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie en het Verdrag inzake de civielrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa, die respectievelijk op 27 januari en 4 november 1999 ter ondertekening zijn opengesteld te Straatsburg, en de resoluties (98) 7 en (99) 5 tot oprichting van de Groep van staten tegen corruptie (Greco), die het Comité van ministers van de Raad van Europa respectievelijk op 5 mei 1998 en 1 mei 1999 heeft aangenomen,

gezien de Akte van de Raad van 26 mei 1997 tot opstelling op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (2),

gezien het Verdrag van de OESO inzake de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties, dat ter ondertekening is opengesteld te Parijs op 17 december 1997, en de latere aanvullingen daarbij,

gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme, dat ter ondertekening is opengesteld te Warschau op 16 mei 2005, en Resolutie CM/Res(2010)12 van het Comité van ministers van de Raad van Europa van 13 oktober 2010 betreffende het Reglement van het Comité van deskundigen inzake de evaluatie van maatregelen ter bestrijding van het witwassen van geld (MONEYVAL),

gezien de veertig aanbevelingen en de negen bijzondere aanbevelingen van de Financiële-actiegroep (FATF) ter bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme en proliferatie,

gezien de werkzaamheden van het Bazels Comité voor Bankentoezicht (BCBS),

gezien Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (3),

gezien Kaderbesluit 2001/500/JBZ van de Raad van 26 juni 2001 inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van misdrijven (4), Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (5), Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen (6), en Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen tot confiscatie (7),

gezien Besluit 2007/845/JBZ van de Raad van 6 december 2007 betreffende de samenwerking tussen de nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen op het gebied van de opsporing en de identificatie van opbrengsten van misdrijven of andere vermogensbestanddelen die hun oorsprong vinden in misdrijven (8), en gezien het verslag van de Commissie op basis van artikel 8 van dat besluit (COM(2011)0176),

gezien Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (9), en de daaropvolgende wijzigingen,

gezien Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams (10), en het verslag van de Commissie over de juridische omzetting van dat kaderbesluit (COM(2004)0858),

gezien Besluit 2009/902/JBZ van de Raad van 30 november 2009 betreffende de oprichting van een Europees netwerk inzake criminaliteitspreventie (ENCP) (11),

gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (12), en de mededeling van de Commissie met als titel „De EU-strategie voor het uitroeien van mensenhandel (2012-2016)” (COM(2012)0286),

gezien het Handvest van de grondrechten en het feit dat de belangen van de kinderen die betrokken zijn bij gevallen van mensenhandel en migratie altijd voorop moeten staan,

gezien Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (13),

gezien Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (14), en het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van die richtlijn (COM(2012)0168),

gezien Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten (15),

gezien Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (16),

gezien Verordening (EG) nr. 1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler (17),

gezien Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de privésector (18) en het verslag van de Commissie aan de Raad op grond van artikel 9 van dat kaderbesluit (COM(2007)0328),

gezien Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (19), en Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten en de daaropvolgende wijzigingen (20),

gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens,

gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (21),

gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (COM(2013)0045),

gezien het voorstel van de Europese Commissie voor een richtlijn betreffende de bevriezing en confiscatie van opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (COM(2012)0085),

gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende aanvallen op informatiesystemen en tot intrekking van kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad (COM(2010)0517),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking” (COM(2012)0722),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Eerste jaarverslag over de tenuitvoerlegging van de EU-interneveiligheidsstrategie” (COM(2011)0790),

gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement „De aanpak van criminaliteit in het digitale tijdperk: Oprichting van een Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit” (COM(2012)0140),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Een breed Europees kader voor onlinegokken” (COM(2012)0596),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Parlement en de Raad „Het meten van criminaliteit in de EU: Actieplan voor statistiek 2011-2015” (COM(2011)0713),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over concrete manieren om de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking, ook in relatie tot derde landen, te versterken (COM(2012)0351),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Werken aan een strafrechtbeleid van de EU: de effectieve uitvoering van EU-beleid waarborgen door middel van strafrecht” (COM(2011)0573),

gezien het verslag van de Commissie aan de Raad van 6 juni 2011 over de wijze van deelname van de Europese Unie aan de Groep van staten tegen corruptie van de Raad van Europa (Greco) (COM(2011)0307),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Opbrengsten van georganiseerde criminaliteit: misdaad mag niet lonen” (COM(2008)0766),

gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over het voorkomen en bestrijden van georganiseerde criminaliteit in de financiële sector (COM(2004)0262),

gezien Aanbeveling 2007/425/EG van de Commissie van 13 juni 2007 betreffende maatregelen tot handhaving van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer,

gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over belastingen en ontwikkeling — samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden (22),

gezien zijn resoluties van 15 september 2011 over de inspanningen van de Europese Unie ter bestrijding van corruptie (23), van 25 oktober 2011 over de georganiseerde criminaliteit in de Europese Unie (24) en van 22 mei 2012 over een EU-aanpak op het gebied van het strafrecht (25),

gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over de bestrijding van illegale visserij op mondiaal niveau — de rol van de EU (26),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over wedstrijdmanipulatie en corruptie in de sportwereld (27),

gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie (28),

gezien zijn resolutie van 7 juni 2005 met een voorstel voor een aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad betreffende de bestrijding van de financiering van terrorisme (29),

gezien het verslag over de dreigingsevaluatie van zware en georganiseerde criminaliteit (SOCTA) van Europol voor 2013,

gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over de strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking en belastingparadijzen (30),

gezien de conclusies van de openbare hoorzittingen, de debatten over de werkdocumenten en de gedachtewisselingen met hooggeplaatste personen, alsook de resultaten van de door de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen van het Parlement afgelegde delegatiebezoeken,

gezien de antwoorden op de naar de nationale parlementen gestuurde vragenlijst, die betrekking had op hun rol in en ervaringen met de bestrijding van georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen,

gezien de thematische bijdragen van de leden Ayala Sender, Díaz de Mera García Consuegra, McClarkin en Mitchell op het gebied van georganiseerde misdaad,

gezien de thematische bijdragen van de leden De Jong, Gabriel, Skylakakis en Weiler op het gebied van corruptie,

gezien de thematische bijdragen van de leden Borghezio en Tavares op het gebied van witwassen,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het tussentijdse verslag van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (A7-0175/2013),

Georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen

A.

overwegende dat de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM) een mandaat heeft gekregen om de omvang van georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen te onderzoeken op basis van de best beschikbare dreigingsevaluaties en om passende maatregelen op EU-niveau voor te stellen om deze dreigingen te voorkomen en aan te pakken en ze op internationaal, Europees en nationaal niveau te bestrijden;

B.

overwegende dat de traditionele misdaadorganisaties hun invloedssfeer geleidelijk op internationale schaal hebben uitgebreid door in te spelen op de nieuwe kansen die hun geboden worden door de openstelling van de interne grenzen van de Europese Unie, de economische globalisering en de nieuwe technologieën, en door met misdaadgroepen uit andere landen allianties te smeden (zoals de Zuid-Amerikaanse drugskartels en de Russische maffia) voor de onderlinge verdeling van markten en invloedssferen; overwegende dat misdaadgroepen hun activiteiten steeds meer diversifiëren, waardoor steeds nauwere banden ontstaan tussen drugshandel, mensenhandel, het faciliteren van illegale immigratie en wapenhandel; overwegende dat terrorisme en georganiseerde criminaliteit steeds meer met elkaar verweven raken;

C.

overwegende dat de wereldwijde economische crisis niet alleen als voedingsbodem en stimulans fungeert voor de illegale activiteiten van bepaalde individuen, maar ook resulteert in nieuwe vormen van georganiseerde criminaliteit, zoals fraude en corruptie in de beroepssport, namaak van alledaagse consumptiegoederen zoals voedingsmiddelen en farmaceutische producten, illegale handel in goedkope arbeidskrachten en mensenhandel; overwegende dat de infiltratie van georganiseerde criminaliteit, fraude en het witwassen van geld in de legale economie een verwoestende uitwerking heeft op de lidstaten;

D.

overwegende dat het slechts zeer zelden voorkomt dat georganiseerde misdaadgroepen niet grensoverschrijdend optreden en dat dit de ernstigste onzichtbare bedreiging vormt voor de veiligheid en welvaart van de Europese burgers, die niet zijn geïnformeerd over de explosieve toename van de grensoverschrijdende criminaliteit of het onvermogen van de nationale wetshandhavingsinstanties om dit verschijnsel anders dan binnen de eigen landsgrenzen te bestrijden;

E.

overwegende dat misdaadorganisaties elkaar steeds meer gaan steunen, zodat zij — mede dank zij hun nieuwe internationale structuren en de diversificatie van hun activiteiten — in staat zijn hun verschillen in termen van taal, etnische oorsprong en commerciële belangen te overstijgen en gezamenlijke handelsactiviteiten te ontwikkelen, zodat ze hun kosten kunnen beperken en hun winsten in een tijd van mondiale economische crisis kunnen maximaliseren;

F.

overwegende dat volgens SOCTA 2013 van Europol er in de EU minstens 3 600 misdaadorganisaties actief zijn, en dat enkele van de belangrijkste kenmerken van deze organisaties erin bestaan dat zij met elkaar verbonden zijn in netwerken en onderling samenwerken, dat zij sterk aanwezig zijn in de internationale legale economie, dat met name de grootste organisaties de neiging vertonen om zich met meerdere criminele activiteiten tegelijk bezig te houden, en dat maar liefst 70 % van de bestaande organisaties leden van verschillende nationaliteiten heeft, waaruit blijkt dat het een transnationaal verschijnsel is;

G.

overwegende dat armoede georganiseerde misdaad in de hand werkt, aangezien misdaadorganisaties armoede in hun voordeel gebruiken;

H.

overwegende dat het van essentieel belang is armoede uit te bannen en de burgers beter toegang te bieden tot werkgelegenheid en sociale zekerheid;

I.

overwegende dat mensenhandel, handel in menselijke organen, gedwongen prostitutie, slavernijpraktijken of het opzetten van werkkampen vaak het werk zijn van grensoverschrijdende misdaadorganisaties; overwegende dat het dringend noodzakelijk is om nauwgezet toezicht te houden op de illegale internationale orgaanhandel en de connecties tussen orgaanhandelaren en criminele organisaties; overwegende dat mensenhandel een vorm van criminaliteit en een snel veranderend fenomeen is dat opbrengsten genereert in de orde van grootte van 25 miljard euro per jaar en alle lidstaten treft;

J.

overwegende dat het totale aantal dwangarbeiders in de lidstaten op 880 000 wordt geraamd, van wie er naar schatting 30 % het slachtoffer zijn van seksuele uitbuiting en 70 % het slachtoffer van uitbuiting in de vorm van dwangarbeid, en dat de meeste slachtoffers in de EU vrouwen zijn; overwegende dat dwangarbeid voor de georganiseerde misdaad bijzonder winstgevend is, resulteert in sociale dumping en schade berokkent aan de maatschappij door gederfde belastinginkomsten;

K.

overwegende dat de slachtoffers van mensenhandel zowel afkomstig zijn uit landen binnen als buiten de EU;

L.

overwegende dat slachtoffers van mensenhandel met geweld, onder dwang of middels bedrieglijke praktijken worden geronseld, vervoerd of vastgehouden om seksueel te worden uitgebuit, dat zij worden onderworpen aan dwangarbeid of gedwongen diensten zoals bedelen, slavendienst of knechtschap, criminele activiteiten, huishoudelijke diensten, adoptie of gedwongen huwelijken, of van hun organen worden beroofd; overwegende dat deze slachtoffers worden uitgebuit en volledig worden onderworpen aan hun smokkelaars of uitbuiters, dat zij verplicht worden hen enorme schulden terug te betalen, waarbij hun identiteitspapieren vaak worden afgenomen en zij worden opgesloten, afgezonderd en bedreigd; dat zij voortdurend in angst leven en vrezen voor vergelding, geen geld hebben en dat hen schrik wordt aangejaagd voor de plaatselijke overheid, waardoor zij alle hoop op ontsnapping en een terugkeer naar hun gewone leven verliezen;

M.

overwegende dat het onmogelijk is om de buitengrenzen van de EU af te sluiten;

N.

overwegende dat er op de Middellandse Zee elk jaar 2 000 mensen het leven laten bij pogingen om de EU binnen te komen;

O.

overwegende dat, hoewel mensenhandel mee-evolueert met de veranderende sociaaleconomische omstandigheden, de slachtoffers hoofdzakelijk uit landen en regio's komen waar slechte economische en sociale omstandigheden heersen en de factoren die hen kwetsbaar maken voor mensenhandel jarenlang niet zijn veranderd; overwegende dat een bloeiende seksindustrie en de vraag naar goedkope arbeidskrachten en producten daarnaast nog enkele andere oorzaken van mensenhandel zijn, en dat slachtoffers van mensenhandel in veel gevallen worden gelokt met de belofte van een betere levenskwaliteit en een beter bestaan voor henzelf en/of hun families;

P.

overwegende dat de illegale handel in en het smokkelen van menselijke organen, wapens, drugs, met inbegrip van CBRN-materialen en -precursoren, alsmede receptgeneesmiddelen, wilde dieren en lichaamsdelen daarvan, sigaretten en tabak, kunstwerken en andere producten, van uiteenlopende bronnen gebruik maken, dat zij in heel Europa nieuwe criminele markten bevoorraden, misdaadorganisaties enorme winstmogelijkheden bieden en de veiligheid van de grenzen van de EU en van de lidstaten, alsook de interne markt en de financiële belangen van de EU aantasten;

Q.

overwegende dat de misdaadgroepen de aanvoerroutes van drugs hebben gediversifieerd en daarnaast ook andere vormen van handel zijn gaan ontplooien; overwegende dat het internet een instrument en een nieuwe route biedt voor zowel de aanvoer van precursoren voor de productie van verdovende middelen, en voor de distributie van psychotrope stoffen; overwegende dat de handel in drugsprecursoren zoals efedrine, pseudo-efedrine en azijnzuuranhydride in de Unie onvoldoende wordt gecontroleerd en een ernstige bedreiging vormt;

R.

overwegende dat strikt toezicht op als precursoren gebruikte chemische stoffen en op apparatuur die wordt gebruikt voor de productie van synthetische drugs van essentieel belang is om het drugsaanbod in te perken;

S.

overwegende dat voor legale doeleinden gebruikte chemische stoffen door misdaadorganisaties aan de legale handel kunnen worden onttrokken om als drugsprecursoren te worden gebruikt; overwegende dat in 2008 75 % van de mondiale inbeslagnames van azijnzuuranhydride — de voornaamste precursor voor heroïne — in de EU plaatsvonden, en overwegende dat in de jaarverslagen van het Internationaal Comité van toezicht op verdovende middelen van de Verenigde Naties nog steeds wordt gewezen op de onvoldoende strikte maatregelen van de EU om te voorkomen dat deze chemische precursor wordt gebruikt voor illegale doeleinden;

T.

overwegende dat veel burgers in de Unie in armoede leven en werkloos zijn, terwijl de grensoverschrijdende misdaad van jaar tot jaar jaar toeneemt;

U.

overwegende dat het aantal reguliere arbeidsplaatsen dat in de Unie verloren gaat aan illegale activiteiten van criminele bendes niet nauwkeurig kan worden berekend omdat criminelen geen jaarverslagen publiceren, maar kan worden geraamd op tientallen miljoenen;

V.

overwegende dat ook het verlies aan belastinginkomsten voor de nationale regeringen en de EU alleen maar kan worden geschat, maar waarschijnlijk honderden miljarden euro per jaar bedraagt en nog blijft toenemen;

W.

overwegende dat de illegale sigarettenhandel jaarlijks tot een fiscaal verlies van ca. 10 miljard euro leidt; overwegende dat de jaarlijkse omzet van de wereldwijde handel in handvuurwapens naar schatting tussen de 170 en 320 miljoen dollar bedraagt en dat er in Europa meer dan tien miljoen illegale wapens circuleren, hetgeen een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid van de burgers en voor de rechtshandhaving; overwegende dat de bovengenoemde vormen van handel verliezen kunnen opleveren voor de staatskas en de fabrikanten schade kunnen berokkenen, en dat zij de verspreiding van andere vormen van georganiseerde misdaad in de hand kunnen werken, wat op zijn beurt een ernstige bedreiging vormt voor de samenleving, aangezien dit fenomeen gemakkelijk zou kunnen uitgroeien tot een bron van financiering voor terrorisme;

X.

overwegende dat de inkomsten uit de handel in wilde dieren en lichaamsdelen daarvan worden geraamd op 18 tot 26 miljard euro per jaar en dat de EU wereldwijd de belangrijkste markt van bestemming is voor deze handel;

Y.

overwegende dat illegale handel verliezen oplevert voor de staatskas, fabrikanten benadeelt en ongunstige gevolgen heeft voor de werkgelegenheid, het openbare en het maatschappelijke leven;

Z.

overwegende dat de infiltratiecapaciteit van misdaadorganisaties zich verder heeft ontwikkeld omdat zij inmiddels actief zijn geworden in tal van sectoren, zoals openbare werken, transport, de grootschalige detailhandel, afvalbeheer, de handel in wilde dieren en natuurlijke hulpbronnen, particuliere beveiliging, volwassenenentertainment en nog veel meer andere sectoren, waarvan de meeste zijn onderworpen aan politieke controle en besluitvorming; overwegende dat de georganiseerde misdaad daardoor steeds meer is gaan lijken op een sterk zakelijk georiënteerde mondiale economische speler, die daardoor ook in staat is tegelijkertijd diverse soorten illegale — maar ook steeds meer legale — goederen en diensten te leveren en daardoor zijn stempel te drukken op de Europese en mondiale economie, een proces waarbij de kosten voor het bedrijfsleven worden becijferd op 870 miljard USD per jaar;

AA.

overwegende dat de criminele activiteiten van de georganiseerde misdaad en de maffia op milieugebied — welke bestaan uit diverse vormen van illegale handel en verwerking van afvalstoffen en de vernietiging van het ecologisch, landschappelijk, artistiek en cultureel erfgoed — inmiddels dusdanige internationale proporties hebben aangenomen dat er behoefte is aan een gezamenlijke inspanning van alle Europese landen om de gemeenschappelijke preventie en bestrijding van milieumaffiapraktijken doeltreffender aan te pakken;

AB.

overwegende dat de enorme bedragen die door de georganiseerde misdaad en maffianetwerken worden gegenereerd, naar bankinstellingen en financiële markten binnen de Europese Unie zelf worden gesluisd, die zich hierdoor medeplichtig maken aan witwasserij;

AC.

overwegende dat de internationale banken een belangrijke rol spelen in het mogelijk maken van witwaspraktijken en rechtstreeks betrokken zijn geweest bij het witwassen van de opbrengsten van georganiseerde misdaad;

AD.

overwegende dat het SOCTA-rapport dat Europol in 2013 heeft uitgebracht, erop wijst dat de vervaardiging van en illegale handel in nagemaakte producten aan het uitgroeien is tot een nieuwe criminele markt, die nog wordt versterkt door de economische crisis; overwegende dat drugssmokkel nog steeds de grootste criminele markt is; overwegende dat de illegale handel in afval en energiefraude aan het uitgroeien zijn tot nieuwe bedreigingen die bijzondere aandacht behoeven;

AE.

overwegende dat voor een doeltreffende bestrijding van alle vormen van georganiseerde misdaad maatregelen nodig zijn die criminele organisaties van hun financiële middelen beroven door waar nodig het bankgeheim op te heffen;

AF.

overwegende dat criminele organisaties kunnen profiteren van frauduleuze grijze contacten met andere partijen, waarbij voor bepaalde operaties sprake is van belangenverstrengeling met witteboordencriminelen (ondernemers, overheidsambtenaren op alle besluitvormingsniveaus, politici, banken, gespecialiseerde deskundigen e.d.), die op zich weliswaar geen deel uitmaken van misdaadorganisaties, maar er wel wederzijdse lucratieve zakelijke betrekkingen mee onderhouden;

AG.

overwegende dat in sommige Europese landen die geen lid zijn van de EU een belangrijk deel van de samenleving nog steeds in een grijze zone opereert en leeft van criminele activiteiten; overwegende dat het daarbij vooral om jongeren gaat;

AH.

overwegende dat naast geweld, intimidatie en terrorisme ook corruptie tot de kenmerkende werkwijzen van de georganiseerde misdaad is gaan behoren; overwegende dat witwassen niet alleen verband kan houden met de kenmerkende activiteiten van de georganiseerde misdaad, maar ook met corruptie en belastingcriminaliteit; overwegende dat belangenvermenging een van de oorzaken van corruptie en fraude is; overwegende dat er tussen georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen, hoewel het om verschillende verschijnselen gaat, derhalve vaak onderlinge banden bestaan; overwegende dat de georganiseerde misdaad soms ook publieke en particuliere organisaties, waaronder non-profitorganisaties, gebruikt als dekmantel voor corruptie en het witwassen van geld;

AI.

overwegende dat onderzoeksjournalisten een cruciale rol spelen in het blootleggen van corruptie, fraude en georganiseerde misdaad en bijgevolg zijn blootgesteld aan specifieke financiële en veiligheidsdreigingen; bij wijze van voorbeeld zij vermeld dat over een periode van vijf jaar in de 27 lidstaten in totaal 233 onderzoeksrapporten zijn gepubliceerd over fraudezaken die te maken hebben met misbruik van EU-middelen (31); overwegende dat aanvullende financiering, met name door de Commissie en andere internationale instellingen, onontbeerlijk is om de onderzoeksjournalistiek te ondersteunen en verder te ontwikkelen;

AJ.

overwegende dat witwassen, corruptie en georganiseerde misdaad door Europese actoren ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkelingslanden en een hinderpaal vormen voor hun ontwikkeling, doordat hun natuurlijke hulpbronnen worden geplunderd, hun belastinginkomsten worden beperkt en hun overheidsschuld wordt vergroot;

AK.

overwegende dat het internet criminele groepen in staat stelt sneller en op grotere schaal te opereren en aldus criminele activiteitspatronen heeft veranderd; overwegende dat cybercriminaliteit, met name in de vorm van fraude en uitbuiting van kinderen, een steeds grotere bedreiging is, en dat criminele organisaties ook op mondiale schaal voorzieningen voor onlinegokken op sportevenementen aanbieden als instrument om winsten te genereren en geld wit te wassen;

AL.

overwegende dat matchfixing een nieuwe vorm van criminaliteit is die hoge winsten oplevert en waarop slechts milde straffen staan, en die mede vanwege het lage detectierisico een lucratieve activiteit is voor criminelen;

Bescherming van de burgers en de legale economie

AM.

overwegende dat de bescherming van de burgers en de instandhouding van een legale, concurrerende economie een zaak is van politieke wil op alle niveaus, die vraagt om krachtige maatregelen ter bestrijding van georganiseerde misdaad, mensenhandel, corruptie en witwassen, verschijnselen die enorme schade toebrengen aan de samenleving en die met name een bedreiging vormen voor het voortbestaan van bonafide ondernemers, voor de veiligheid van de consument en voor de democratische staatsbeginselen;

AN.

overwegende dat criminele groeperingen moderne technologieën, platformen en kansen benutten om het te doen voorkomen alsof zij op een legale manier en met reguliere oogmerken zaken doen; overwegende dat criminele groeperingen over een hoge mate van deskundigheid, organisatievermogen, ervaring en professionaliteit beschikken, en bovendien mobieler kunnen optreden, en kunnen rekenen op betere verbindingsmogelijkheden en reisfaciliteiten; overwegende dat dit ertoe heeft geleid dat de georganiseerde misdaad minder op lokaal niveau opereert en veeleer geneigd is om verschillen in rechtsstelsels en nationale jurisdicties in haar voordeel te benutten;

AO.

overwegende dat volgens het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC) de winsten uit illegale activiteiten op wereldvlak circa 3,6 % van het mondiale bbp uitmaken en dat de witwasstromen momenteel over de hele wereld worden becijferd op ongeveer 2,7 % van het mondiale bbp; overwegende dat de Commissie ervan uitgaat dat de kosten van de corruptie in de Europese Unie jaarlijks op 120 miljard euro moeten worden geschat, wat neerkomt op 1 % van het bbp van de EU; overwegende dat er aldus aanzienlijke hoeveelheden geld worden onttrokken aan de economische en maatschappelijke ontwikkeling, de overheidsfinanciën en het welzijn van de burgers;

AP.

overwegende dat de opbrengsten van illegale activiteiten en financiële netwerken voor het witwassen van geld een nadelig effect hebben op de economie van de Europese Unie doordat ze speculatie en financiële zeepbellen, die de reële economie in gevaar brengen, in de hand werken;

AQ.

overwegende dat corruptie in sommige landen een ernstige bedreiging vormt voor de democratie en een doelmatig en goed bestuur belemmert; overwegende dat corruptie investeringen ontmoedigt, het functioneren van de binnenlandse markten verstoort, eerlijke concurrentie tussen bedrijven in de weg staat en uiteindelijk schadelijk is voor de economische ontwikkeling doordat middelen verkeerd worden besteed, hetgeen met name ten koste gaat van de openbare diensten in het algemeen en de sociale diensten in het bijzonder; overwegende dat de complexe bureaucratische procedures, die nog worden verzwaard door de regels die onnodig veelvuldige voorafgaande vergunningen voorschrijven, ondernemers de moed kunnen ontnemen, legale economische activiteiten kunnen belemmeren en kunnen aanzetten tot het omkopen van ambtenaren of andere vormen van corruptie kunnen teweegbrengen;

AR.

overwegende dat verschillen in wetgeving en rechtshandhaving ten aanzien van omkoping van ambtenaren negatieve gevolgen hebben voor de interne markt, niet alleen omdat er daardoor geen sprake is van eerlijke concurrentievoorwaarden voor ondernemingen, maar ook omdat dergelijke omkopingspraktijken zich ook binnen de Europese Unie voordoen, waarbij in een lidstaat gevestigde ondernemingen ambtenaren van een andere lidstaat omkopen en aldus de werking van de markten verstoren;

AS.

overwegende dat corruptie door 74 % van de Europese burgers wordt ervaren als een ernstig nationaal en supranationaal probleem (32) en dat corruptie kennelijk in alle maatschappelijke sectoren voorkomt; overwegende dat corruptie het vertrouwen van de burgers in de democratische instellingen ondermijnt en de effectieve instandhouding van de rechtsstaat door gekozen regeringen aantast, aangezien daarmee privileges en dus sociale onrechtvaardigheid worden gecreëerd; overwegende dat het wantrouwen jegens politici in tijden van ernstige economische crisis toeneemt;

AT.

overwegende dat het bij de terreinen waarop het aantal gemelde gevallen van kleine corruptie — uitgedrukt als percentage van het aantal omkopingsgevallen per contract — hoger is, doorgaans om de volgende sectoren gaat: medische diensten 6,2 %, kadastrale zaken 5 %, douanediensten 4,8 %, gerechtelijk apparaat 4,2 %, politie 3,8 %, griffie en vergunningsdiensten 3,8 %, onderwijsstelsel 2,5 %, nutsvoorzieningen 2,5 %, belastingontvangsten 1,9 %;

AU.

overwegende dat wanneer er sprake is van hoge criminaliteitscijfers, criminele organisaties zich de middelen van de lokale economie wederrechtelijk toe-eigenen en dat normale zakelijke doeleinden, met inbegrip van investeringen uit andere landen, daardoor worden doorkruist; overwegende dat gezonde bedrijven in dergelijke gebieden meer moeite hebben om aan krediet te komen vanwege de hogere kosten en de striktere garanties die banken eisen; overwegende dat bedrijven in economische moeilijkheden soms worden gedwongen zich tot criminele organisaties te wenden om aan kredieten voor investeringen te geraken;

AV.

overwegende dat lokale georganiseerde criminelen profiteren van leemtes in de legale economie en zich kunnen ontwikkelen tot grote spelers wat betreft het aanbod van gangbare consumptiegoederen; overwegende dat op die manier, naast afpersing en intimidatie — die een bedreiging vormen voor lokale gemeenschappen — ook de legale economie en de gemeenschap als geheel wordt ondermijnd in termen van veiligheid voor bedrijven en burgers; overwegende dat cybercriminaliteit, namaak van of illegale onlinehandel in creatieve inhoud, kinderporno, farmaceutische producten, legale psychotrope stoffen en drugsprecursoren, onderdelen, reserveonderdelen en andere producten voor algemeen dagelijks gebruik, alsook aangelegenheden met betrekking tot relevante rechten en licenties een gevaar betekenen voor de volksgezondheid, de veiligheid, de werkgelegenheid en de sociale stabiliteit, en enorme schade kunnen toebrengen aan ondernemingen in de betrokken sectoren, in een mate die hun voortbestaan in gevaar brengt;

AW.

overwegende dat er steeds meer misdrijven worden gepleegd in de agrofoodsector en dat deze niet alleen een ernstig gevaar betekenen voor de gezondheid van de Europese burgers, maar ook aanzienlijke schade toebrengen aan landen die zich laten voorstaan op de hoge kwaliteit van hun voedingsproducten;

AX.

overwegende dat ook seksuele uitbuiting van kinderen via het internet en kinderpornografie een bijzondere bedreiging vormen; overwegende dat cybercriminaliteit, en met name door winstbejag ingegeven cybercriminaliteit en onrechtmatige toegang tot informatiesystemen, vaak samenhangen met financiële fraude; overwegende dat het aanbieden van „cybercriminele dienstverlening” (Cybercrime as a Service — CaaS) aan het toenemen is en dat ook de hoeveelheid malware drastisch toeneemt; overwegende dat de bij deze aangelegenheden betrokken Europese instanties meer financiële middelen nodig hebben;

AY.

overwegende dat witwassen steeds complexere vormen aanneemt die moeilijk traceerbaar zijn; overwegende dat misdaadorganisaties voor het witwassen van zwart geld steeds vaker — en met name online — gebruikmaken van illegale en soms legale gokcircuits en van matchfixingsystemen, alsook van banken in landen waar onvoldoende toezicht wordt gehouden op geldovermakingen om witwassen en belastingontduiking te voorkomen; overwegende dat matchfixing moet worden gezien als een rendabele vorm van georganiseerde criminaliteit; overwegende dat legale kansspelen als een vorm van ondernemersactiviteit moeten worden ondersteund op basis van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

AZ.

overwegende dat de boekhouding van een onderneming vaak vervalst wordt om niet-officiële liquiditeit te creëren, die de belastbare winst verlaagt en kan worden gebruikt voor corruptie en witwassen en tegelijkertijd eerlijke concurrentie verhindert en het vermogen van de staat om zijn maatschappelijke functie te vervullen inperkt;

BA.

overwegende dat de kosten van belastingfraude voor de lidstaten in deze tijden van bezuiniging geraamd worden op 1 biljoen euro per jaar; overwegende dat belastingontwijking en -ontduiking niet beperkt blijven tot de zwarte markt maar in de reële economie ook voorkomen bij bekende bedrijven;

De behoefte aan een gemeenschappelijke Europese aanpak

BB.

overwegende dat er op Europees niveau reeds aanzienlijke inspanningen worden geleverd om een evenwichtig regelgevings- en rechtskader op het gebied van georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen te garanderen;

BC.

overwegende dat de uiteenlopende methoden die de lidstaten hanteren om de criminaliteit aan te pakken en de verschillen in materieel en procedureel strafrecht — met name in het geval van grensoverschrijdende criminaliteit — lacunes en tekortkomingen in de strafrechtelijke, civielrechtelijke en fiscale rechtsstelsels in de hele Europese Unie kunnen doen ontstaan; overwegende dat belastingparadijzen, landen die er een soepel bankenbeleid op nahouden en separatistische landen waar een sterk centraal gezag ontbreekt essentiële toevluchtsoorden zijn geworden voor de witwaspraktijken van georganiseerde criminelen;

BD.

overwegende dat criminele organisaties vaak een internationale netwerkstructuur hebben en dat deze internationale structuur bijgevolg een grensoverschrijdende reactie vereist, met inbegrip van effectieve en uitgebreide communicatiestructuren en informatie-uitwisseling tussen equivalente nationale en internationale instanties;

BE.

overwegende dat de bescherming van de financiële belangen van de EU en van de euro prioriteit moet krijgen in termen van controle op het om zich heen grijpende fenomeen waarbij criminele organisaties zich wederrechtelijk Europese gelden toe-eigenen via zogenaamde „communautaire fraude” en namaak van de euro;

BF.

overwegende dat er op Europees niveau programma's zoals Hercules, Fiscalis, Douane en Pericles zijn ontwikkeld om de financiële belangen van de Unie te beschermen en transnationale en grensoverschrijdende criminele en illegale activiteiten te bestrijden;

BG.

overwegende dat de verschillen in productiviteit tussen de lidstaten de grootste bedreiging zijn voor de eurozone; overwegende dat deze verschillen op middellange en lange termijn leiden tot een verschil in concurrentievermogen dat niet kan worden opgelost door valutadevaluaties en tot harde en politiek onhoudbare bezuinigingsprogramma's die interne devaluatie ten doel hebben; overwegende dat de stelselmatige corruptie in de overheidssector, die efficiëntie, directe buitenlandse investeringen en innovatie in de weg staat, aldus de goede werking van de monetaire unie belemmert;

BH.

overwegende dat er in de Unie bij de overheidssector minstens 20 miljoen gevallen van kleine corruptie bekend zijn en dat duidelijk is dat dit fenomeen ook een overloopeffect heeft op de sectoren van het overheidsbestuur in de lidstaten (en de daarbij betrokken politici) die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen en voor andere financiële belangensferen;

BI.

overwegende dat er in de EU sprake is van een enorme belastingkloof en dat er elk jaar naar schatting voor1 biljoen euro aan overheidsinkomsten verloren gaat door belastingfraude en belastingontwijking, hetgeen overeenkomt met ongeveer 2 000 euro per EU-burger per jaar;

BJ.

overwegende dat de wetgevers in de lidstaten met het oog op de bestrijding van georganiseerde misdaad in staat moeten zijn om snel en doeltreffend te reageren op veranderende structuren en nieuwe vormen van criminaliteit, en zulks in versterkte mate sinds het Verdrag van Lissabon alle lidstaten ertoe verplicht mee te werken aan de totstandbrenging van een Unie van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid;

BK.

overwegende dat de Europese aanpak ter bestrijding van de georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen moet zijn gebaseerd op de best beschikbare dreigingsevaluaties en op een nauwere justitiële en politiële samenwerking, waarbij moet worden gestreefd naar uitbreiding tot niet-EU-landen van de gemeenschappelijke definities van strafbare feiten, zoals deelneming aan een criminele organisatie of „self laundering”, de strafbaarstelling van alle vormen van corruptie, de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake bepaalde procedureel relevante mechanismen zoals verjaring, de instelling van effectieve vormen van confiscatie en invordering van de opbrengsten van georganiseerde criminaliteit en corruptie, vergroting van de verantwoordingsplicht van de overheid, de politiek, advocaten, notarissen, vastgoedmakelaars en verzekeringsmaatschappijen en andere bedrijven, de scholing van rechters en politiepersoneel en de uitwisseling van optimale praktijken met betrekking tot adequate preventiemethoden;

BL.

overwegende dat wederzijdse erkenning wordt beschouwd als een grondbeginsel van de justitiële samenwerking in civiele en strafzaken tussen de lidstaten van de EU;

BM.

overwegende dat de bestrijding van mensenhandel voor de EU sinds de jaren '90 is uitgegroeid tot een prioriteit, waarbij tal van initiatieven, maatregelen en financieringsprogramma's, en zelfs een speciaal rechtskader zijn ontwikkeld; voorts overwegende dat artikel 5 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie mensenhandel specifiek verbiedt;

BN.

overwegende dat wederzijds vertrouwen tussen de justitiële instanties van de Unie noodzakelijk is voor de samenwerking tussen de lidstaten bij de bestrijding van de criminaliteit en om te waarborgen dat de rechtsstelsels goed functioneren; overwegende dat het beginsel van wederzijds vertrouwen noopt tot de vaststelling van minimale beschermingsnormen op het hoogst mogelijke niveau;

BO.

overwegende dat de strafrechts- en strafprocesrechtsstelsels van de lidstaten zich gedurende eeuwen hebben ontwikkeld; overwegende dat elke lidstaat zijn geheel eigen kenmerken en eigenschappen heeft, en dat bepaalde kerngebieden van het strafrecht bijgevolg aan de lidstaten moeten worden overgelaten;

BP.

in overweging van het substantiële verschil tussen justitiële getuigen en informanten; overwegende dat de lidstaten en de Europese Unie de plicht hebben degenen die hebben besloten zich te verzetten tegen de georganiseerde misdaad en de maffia en daarmee hun eigen leven en dat van hun dierbaren in gevaar brengen te beschermen en te beveiligen;

BQ.

overwegende dat er weliswaar strikt wordt toegezien op aanbestedingen voor overheidsopdrachten, maar dat de gang van zaken bij het uitgavenbeheer achteraf verre van transparant is en dat er sprake is van een grote verscheidenheid tussen de lidstaten omtrent het afleggen van belangenverklaringen;

Naar een homogener en coherenter wetgevingskader

1.

acht het noodzakelijk in Europees verband een adequaat politiek antwoord te formuleren op het bestaan van criminele en maffiose organisaties door op korte termijn met een gedetailleerd actieplan te komen dat voorziet in de nodige wetgevings- en niet-wetgevingsmaatregelen die erop zijn gericht deze organisaties te ontmantelen en alle vormen van directe of indirecte verrijking die aan deze organisaties kunnen worden toegeschreven, op te sporen en terug te vorderen;

2.

is ervan overtuigd dat er, om de georganiseerde en maffiose criminaliteit te verslaan en verschijnselen zoals corruptie en witwaspraktijken waardoor de Europese burgers en toekomstige generaties in hun vrijheid, hun rechten en hun veiligheid worden beknot, uit te roeien, niet alleen repressief moet worden opgetreden maar ook strengere preventieve maatregelen moeten worden getroffen;

3.

verzoekt de Commissie gemeenschappelijke normen van rechtspleging en modellen voor integratie en samenwerking tussen de lidstaten voor te stellen; verzoekt de Commissie in het bijzonder, op basis van een evaluatieverslag over de uitvoering van het kaderbesluit inzake de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en voortbouwend op de meest geavanceerde wetgeving van de lidstaten, met een wetgevingsvoorstel te komen tot vaststelling van een gemeenschappelijke omschrijving van het begrip „georganiseerde misdaad”, waarin o.a. deelname aan een maffiose organisatie als een misdrijf moet worden gedefinieerd, om duidelijk aan te geven dat dergelijke criminele groeperingen bedrijfsgeoriënteerd te werk gaan en intimidatie als machtsmiddel gebruiken, mede gelet op artikel 2 (a) van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad; benadrukt dat de beoogde voorstellen tot invoering van materieel-strafrechtelijke EU-bepalingen wel de grondrechten en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in acht dienen te nemen, alsook de standpunten die het Parlement heeft bepleit in zijn resolutie van 22 mei 2012 over een EU-aanpak van het strafrecht;

4.

dringt bij de Commissie aan op de opstelling van een gemeenschappelijke definitie van corruptie, teneinde een consistent mondiaal beleid ter bestrijding van corruptie te kunnen ontwikkelen; pleit ervoor dat de Commissie bij de opstelling van haar verslag over het optreden van de lidstaten tegen corruptie, dat naar verwachting in 2013 zal worden gepubliceerd, ingaat op alle vormen van corruptie in zowel de publieke als de private sfeer, met inbegrip van non-profitorganisaties, en daarbij aandacht besteedt aan de beste nationale bestrijdingspraktijken, en dat zij een accurate manier definieert om de omvang van het fenomeen te taxeren, en per land met een uitgebreid overzicht komt van de gebieden die kwetsbaar zijn voor corruptie; verzoekt de Commissie regelmatig aan het Parlement en aan de Conferentie van de staten die partij zijn bij Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie verslag uit te brengen over de door zowel de lidstaten als de EU getroffen maatregelen, en de bestaande Europese wetgeving dienovereenkomstig aan te passen;

5.

stelt zich op het standpunt dat een effectief regelgevingskader zowel recht moet doen aan de interactie tussen de bepalingen ter bestrijding van witwaspraktijken als aan het fundamentele recht op bescherming van persoonsgegevens, zodat witwaspraktijken kunnen worden aangepakt zonder afbreuk te doen aan de gevestigde normen voor gegevensbescherming; is wat dit betreft ingenomen met het door Europol gebruikte systeem voor gegevensbescherming;

6.

verzoekt de Commissie om in haar in 2013 in te dienen voorstel tot harmonisatie van de strafrechtelijke bepalingen inzake het witwassen van geld op basis van de optimale praktijken van de lidstaten een gemeenschappelijke definitie op te nemen van „self laundering” als strafbaar feit, en als ernstig te beschouwen delicten welke degenen door wie zij worden begaan wellicht winst opleveren als basisdelicten aan te merken;

7.

verzoekt de Commissie op basis van artikel 18 van de mensenhandelrichtlijn met een voorstel te komen om de lidstaten ertoe aan te sporen het gebruik van de diensten van slachtoffers van elke vorm van uitbuiting van mensenhandel — zowel van seksuele uitbuiting als van uitbuiting van arbeid — strafbaar te stellen;

8.

is van mening dat de omstandigheden en verwoestende gevolgen voor de slachtoffers van mensenhandel, onacceptabel zijn en strafbare overtredingen van de mensenrechten vormen; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook de samenleving mensenhandel te laten veroordelen middels sterke en langdurige bewustmakingscampagnes, met duidelijke en tijdgebonden streefcijfers voor het terugdringen ervan; deze campagnes moeten jaarlijks worden geëvalueerd in het kader van de elk jaar gehouden Europese dag tegen mensenhandel (18 oktober), en ook na vijf jaar, tussen nu en het Europese jaar tegen mensenhandel;

9.

adviseert de lidstaten om, in samenwerking met de Commissie en het Europees Parlement en met de steun van Europol, Eurojust en het Bureau voor de grondrechten, zo uniform en consistent mogelijke EU-indicatoren op te stellen om op zijn minst de omvang en de kosten te bepalen van in de EU voorkomende georganiseerde vormen van criminaliteit, corruptie en witwaspraktijken, alsook de maatschappelijke schade die zij veroorzaken;

10.

verzoekt de Commissie en de Raad zich te beraden over het aanleggen van een EU-lijst van criminele organisaties naar het voorbeeld van de Europese lijst van als terroristisch beschouwde organisaties;

11.

pleit voor de totstandbrenging van een Europees netwerk van universitaire instellingen die zich bezighouden met de problematiek van georganiseerde misdaad, corruptie en witwaspraktijken, teneinde het universitair onderzoek daarnaar te bevorderen;

12.

wijst met nadruk op de noodzaak tot volledige toepassing van de bestaande instrumenten voor wederzijdse erkenning en van de Europese wetgeving die waarborgt dat strafrechtelijke veroordelingen en beslissingen tot confiscatie op het grondgebied van een andere lidstaat dan die waar het arrest of de beslissing genomen is, volledig ten uitvoer worden gelegd; is van mening dat de wederzijdse rechtsbijstand en de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten moet worden verbeterd;

13.

is van mening dat de maatregelen die worden ondernomen ter bestrijding van mensenhandel en dwangarbeid zich moeten richten op de dieper liggende oorzaken, zoals wereldwijde ongelijkheden; verzoekt de lidstaten derhalve zich te houden aan hun verbintenissen op het stuk van ontwikkelingshulp en de millenniumdoelstellingen;

14.

verzoekt de Commissie en de EDEO de externe dimensie van hun maatregelen en programma's, waaronder hun bilaterale overeenkomsten, te verstevigen teneinde mensenhandel te bestrijden middels preventieve maatregelen in de landen van herkomst en de doorreislanden, met bijzondere aandacht voor minderjarigen en kinderen zonder begeleiding;

15.

verzoekt de Commissie een betrouwbaar controlesysteem voor de gehele EU te ontwikkelen om de bewegingen van mensenhandelaren en de slachtoffers van mensenhandel effectiever te kunnen controleren;

16.

verzoekt de Commissie onverwijld een vergelijkbaar en betrouwbaar systeem voor gegevensverzameling voor de gehele EU te ontwikkelen, gebaseerd op overeengekomen en solide gemeenschappelijke indicatoren, in samenwerking met de lidstaten en de internationale instellingen die betrokken zijn bij de bestrijding van mensenhandel; om de zichtbaarheid en het spoedeisende karakter van dit systeem te vergroten, zou het nuttig kunnen zijn om op de al bestaande EU-website tegen mensenhandel een waarnemingscentrum tegen mensenhandel op te zetten, waaraan alle EU-instellingen en de zeven betrokken agentschappen hun gegevens moeten toevoegen, terwijl ngo's en andere instellingen wordt verzocht hetzelfde te doen;

17.

verzoekt de Commissie om de in de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel in de periode 2012-2016 opgenomen aanbevelingen te implementeren;

18.

verzoekt de Commissie om aan de voorwaarden te voldoen die nodig zijn voor het opzetten van een Europese hulplijn voor slachtoffers van mensenhandel, om bij te dragen aan de vergroting van het bewustzijn omtrent hun rechten;

19.

verzoekt de Commissie meer hulpmiddelen toe te wijzen om het gebruik van sociale netwerken en cybercriminaliteit bij mensenhandel tegen te gaan;

20.

verzoekt de Commissie de grensoverschrijdende justitiële en politiële samenwerking tussen de lidstaten en agentschappen van de Unie te intensiveren, aangezien strafzaken in verband met mensenhandel zich niet tot één lidstaat beperken;

21.

dringt aan op krachtigere sancties tegen bank- en financiële instellingen die zich medeplichtig maken aan heling en/of witwassen van inkomsten uit activiteiten van de georganiseerde misdaad;

De georganiseerde misdaad en corruptie een halt toeroepen door opbrengsten en vermogensbestanddelen te confisqueren

22.

verzoekt de lidstaten zich met betrekking tot confiscatiezaken op basis van de meest geavanceerde nationale wetgevingen te beraden over de toepassing van modellen voor de civielrechtelijke verbeurdverklaring van vermogensbestanddelen in gevallen waarin met een voldoende mate van waarschijnlijkheid en onder voorbehoud van rechterlijke instemming kan worden vastgesteld dat vermogensbestanddelen middels criminele activiteiten zijn verkregen dan wel voor criminele activiteiten worden gebruikt; is van mening dat er modellen kunnen worden ontwikkeld voor preventieve confiscatie op basis van een rechterlijke uitspraak, die in overeenstemming zijn met de grondwettelijke nationale garanties en geen afbreuk doen aan het eigendomsrecht en het recht op verweer; spoort de lidstaten er voorts toe aan het gebruik van criminele vermogensbestanddelen voor sociale doeleinden te bevorderen; stelt voor maatregelen te treffen en middelen beschikbaar te stellen ter financiering van bewarende maatregelen om geconfisqueerde vermogensbestanddelen voor aantasting te vrijwaren;

23.

pleit ervoor om marktdeelnemers die bij onherroepelijk vonnis zijn veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie, het witwassen van geld of financiering van terrorisme, deelname aan uitbuiting in de vorm van mensenhandel of kinderarbeid, corruptie of andere ernstige inbreuken op het algemeen belang, ongeacht waar dergelijke delicten leiden tot een verlies aan belastinginkomsten of maatschappelijke schade, dan wel wegens andere vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie als bedoeld in artikel 83, lid 1 VWEU (zgn. „Euromisdrijven”), gedurende ten minste vijf jaar van deelname aan een openbare aanbesteding waar ook in EU moeten worden uitgesloten, en dat deze bepaling moet worden toegepast zelfs wanneer de uitsluitingsgronden zich voordoen in de loop van de aanbestedingsprocedure; is van mening dat de procedures voor overheidsopdrachten moeten zijn gebaseerd op het legaliteitsbeginsel, en dat bovendien in dat verband ook het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving nader moet worden gedefinieerd teneinde de transparantie te waarborgen (hetgeen op zijn minst impliceert dat daarvoor ook een elektronische aanbesteding moet worden uitgeschreven) en om fraude, corruptie en andere ernstige onregelmatigheden te voorkomen; verzoekt de diensten van de Commissie te voorzien in een speciale structuur of in samenwerkingsprogramma's om te komen tot een geïntegreerde aanpak voor de bestrijding van aan overheidsopdrachten gerelateerde corruptiemisdrijven;

24.

merkt op dat er een verband bestaat tussen legitieme en illegale bedrijfsactiviteiten, aangezien illegale activiteiten soms worden gerealiseerd met inzet van reguliere belangen; wijst er met nadruk op dat observatie van het verloop van legitieme belangenpatronen vaak kan helpen bij het opsporen van wederrechtelijk verkregen vermogensbestanddelen;

25.

is van mening dat samenwerking met Eurojust en Europol, maar ook andere vormen van samenwerking met bedrijven in de sectoren vervoer en logistiek, de chemische industrie, internetproviders, banken en financiële dienstverleners in zowel EU- als niet-EU-landen het optreden van justitie en politie bij de bestrijding van drugshandel en andere delicten waarmee de georganiseerde misdaad zich bezighoudt ten goede zouden moeten komen, zonder dat afbreuk hoeft te worden gedaan aan hun geheimhoudingsplicht; onderstreept de noodzaak tot het terugdringen van het drugsaanbod middels strenge controles op drugsprecursoren, en verwelkomt het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 273/2004, waarin methodes worden aangegeven om illegale onttrekking aan de interne EU-handel in azijnzuuranhydride beter tegen te gaan door bijvoorbeeld de registratieverplichting voor dit product ruimer toe te passen;

26.

geeft uiting aan zijn bezorgdheid omtrent het slechte functioneren van de middels de diverse nationale rechtssystemen ter beschikking gestelde onderzoeksinstrumenten, die niet daadwerkelijk voorzien in de behoefte aan een adequaat en specifiek instrumentarium voor de bestrijding van criminele en maffiose organisaties; herhaalt nogmaals het reeds in zijn resolutie van 25 oktober 2011 gedane verzoek aan de Commissie om de speciale onderzoekstechnieken die tegenwoordig in de respectieve lidstaten worden gebruikt te onderwerpen aan een vergelijkende studie die als basis kan dienen voor een Europees initiatief om de bevoegde autoriteiten re voorzien van de nodige onderzoeksinstrumenten op basis van de beste bestaande praktijken;

27.

verzoekt de Commissie, de lidstaten en het bedrijfsleven praktische stappen te ondernemen om de traceerbaarheid van producten (bijvoorbeeld de land van herkomst-etikettering van agroalimentaire producten, CIP-beproevingsstempels voor vuurwapens, of digitale codes voor de fiscale identificatie van sigaretten, alcoholische dranken en receptgeneesmiddelen) te verbeteren om de gezondheid van de consumenten te beschermen, de veiligheid van de burgers te verbeteren, smokkel tegen te gaan en illegale handel doeltreffender te bestrijden; betreurt het dat de lidstaten de traceerbaarheidsregel niet in het douanewetboek van de Unie wilden opnemen bij de modernisering daarvan;

28.

verzoekt de Commissie en de lidstaten in de maritieme sfeer nauwer samen te werken teneinde mensenhandel en de aanvoer van drugs en illegale of namaakproducten via de maritieme binnen- en buitengrenzen van de EU een halt toe te roepen; onderkent dat aan grensbeheer ook migratieaspecten zijn verbonden die te maken hebben met de fundamentele rechten van migranten, eventueel met inbegrip van het recht op asiel, alsmede de bescherming van en bijstandsverlening aan slachtoffers van mensenhandel of dwangarbeid, met name minderjarigen;

29.

is van mening dat er onverwijld een actieplan tot invoering van een EU-breed wetgevingskader voor strafrechtspleging en van operationele instrumenten ter bestrijding van cybercriminaliteit moet worden ontwikkeld met het oog op de intensivering van de internationale samenwerking en met ondersteuning van het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3), teneinde een hoog niveau van veiligheid te waarborgen voor de burgers — met name voor kwetsbare personen — en voor bedrijven en overheden, zonder dat evenwel afbreuk mag worden gedaan aan de vrijheid van informatie en de gegevensbescherming;

30.

wijst met bezorgdheid op de substantiële link die door de gerechtelijke autoriteiten en de politie wordt gelegd tussen georganiseerde misdaad en terrorisme wat betreft de financiering van de illegale activiteiten van terroristische groeperingen via opbrengsten uit de illegale internationale handel; roept de lidstaten op tot het nemen van strengere maatregelen om deze activiteiten te bestrijden;

31.

verzoekt de lidstaten, gelet op het steeds grootschaliger gebruik door de georganiseerde misdaad van het internet en de illegale instrumenten daarvan, om onverwijld hun nationale strategieën op het gebied van internetveiligheid aan te passen;

32.

verzoekt de Commissie een EU-Handvest ter bescherming en ondersteuning van slachtoffers van mensenhandel te ontwikkelen teneinde alle bestaande indicatoren, maatregelen, programma's en hulpbronnen voor de betrokken partijen op een meer consistente, efficiënte en bruikbare manier te verzamelen en de bescherming van de slachtoffers te vergroten; verzoekt de Commissie om een hulplijn in te stellen voor de slachtoffers van mensenhandel;

33.

wijst de Commissie er nogmaals op dat kinderen die slachtoffer zijn geweest van mensenhandel, een speciale behandeling moeten krijgen, en dat minderjarigen zonder begeleiding of kinderen waarvan de eigen familieleden als mensenhandelaren optraden, beter moeten worden beschermd (hiermee moet ook rekening worden gehouden op het moment dat terugkeer naar het land van herkomst wordt voorgesteld, wanneer er voogden moeten worden benoemd, enz.); dringt erop aan niet alleen uit te gaan van een genderspecifieke aanpak, maar ook de rol van gezondheidsproblemen en invaliditeit in aanmerking te nemen;

34.

verzoekt de Commissie de middelen voor gespecialiseerde ngo's, media en onderzoek te verhogen om slachtoffers beter te ondersteunen, te beschermen en bij te staan zodat hun getuigenissen tijdens zittingen minder noodzakelijk worden; verzoekt de Commissie eveneens aandacht te besteden aan zichtbaarheid, bewustmaking en behoeften van slachtoffers, om de vraag naar en het misbruik van slachtoffers van mensenhandel te verminderen en een „nulvisie”tegen seksuele uitbuiting en dwangarbeid te bevorderen;

35.

verzoekt de Commissie een systeem voor efficiëntere en proactieve financiële onderzoeken te ontwikkelen, om zo de druk op slachtoffers van mensenhandel als belangrijke getuigen in rechtszaken tegen mensenhandelaren, ingrijpend te verminderen; verzoekt de Commissie eveneens ervoor te zorgen dat de EU-agentschappen die mensenhandel bestrijden, verbeterde gespecialiseerde opleidingen krijgen en over voldoende middelen beschikken, waaronder grensoverschrijdende samenwerking en samenwerking los van grenzen; herinnert de Commissie eraan dat deze maatregelen een holistische aanpak vereisen, waarbij multidisciplinaire samenwerking op plaatselijk, nationaal en transnationaal niveau wordt bevorderd en lidstaten worden aangemoedigd om, onder andere, specifieke inlichtingeneenheden van de nationale politie op te zetten, en samenwerking tussen overheidsinstanties en wetshandhavingsinstanties te bevorderen;

Versterking van de Europese en internationale justitiële en politiële samenwerking

36.

wijst op de noodzaak tot nauwere samenwerking en verbetering van de transparantie door de ontwikkeling van effectieve systemen voor communicatie en informatie-uitwisseling tussen justitiële en wetshandhavingsinstanties in de lidstaten, Europol, Eurojust, OLAF en ENISA en met de desbetreffende instanties in niet-EU-landen en met name in de buurlanden van de EU, teneinde de systemen voor bewijsgaring te verbeteren en voor het onderzoeken van misdrijven relevante gegevens en informatie te kunnen verkrijgen, ook over inbreuken op de financiële belangen van de EU, zodat deze op een effectieve manier kunnen worden verwerkt en uitgewisseld, zonder op enigerlei wijze afbreuk te doen aan de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en aan de grondrechten van de Unie; verzoekt de bevoegde autoriteiten in de lidstaten in dit verband uitvoering te geven aan de reeds aangenomen instrumenten voor justitiële samenwerking in strafzaken, die van belang zijn voor een doelmatige bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad; verzoekt de Commissie een routekaart op te stellen voor een nog intensievere justitiële en politiële samenwerking middels de oprichting van een strafrechtelijke onderzoeksinstantie die bevoegd is om schendingen en misdrijven binnen de EU te onderzoeken;

37.

verzoekt de Commissie in associatie- en handelsovereenkomsten met derde landen specifieke clausules op te nemen voor samenwerking bij de bestrijding van illegale handel door de georganiseerde misdaad en van witwaspraktijken; wijst op het gebrek aan internationale samenwerking, vooral met transit- of oorsprongslanden die geen deel uitmaken van de EU; onderkent de noodzaak van krachtige diplomatieke stappen om die landen ertoe te bewegen samenwerkingsovereenkomsten met de EU aan te gaan of te voldoen aan de overeenkomsten die zij hebben ondertekend; benadrukt in dat verband het belang van het systeem van rogatoire commissies;

38.

benadrukt dat het bestaande netwerk van nationale anticorruptiemeldpunten dient te worden uitgebreid met en ondersteund door Europol, Eurojust en Cepol; benadrukt dat een meldpunt niet alleen zou moeten functioneren als plek om informatie uit te wisselen, maar dat deze meldpunten ook moeten worden gebruikt om in concrete gevallen van omkoping van buitenlandse overheidsfunctionarissen de bilaterale samenwerking te verbeteren; pleit ervoor dat de meldpunten tevens verschillen in prioriteitsstelling, hulpbronnen en deskundigheid aankaarten, en eventuele problemen signaleren die uit deze verschillen voortvloeien; onderstreept dat het netwerk gecoördineerde acties moet aanmoedigen, indien de bewuste omkoping plaatsvond op filiaalniveau in één lidstaat, terwijl het moederbedrijf of de holdingmaatschappij is gevestigd in een andere lidstaat;

39.

roept de lidstaten ertoe op bestaande EU-voorschriften snel en volledig ten uitvoer te leggen teneinde de gezamenlijke bestrijding van criminaliteit in de Unie mogelijk te maken;

40.

verzoekt alle lidstaten zich in te zetten voor de optimale benutting van Europol en Eurojust, waarvan het functioneren en de resultaten — los van de al in gang gezette hervormingen en de nog aan te brengen verbeteringen — sterk afhankelijk zijn van de nauwe betrokkenheid, het vertrouwen en de samenwerking met de nationale onderzoeks- en justitiële instanties;

41.

benadrukt dat het voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad essentieel is dat er een fundamentele strategie wordt gehanteerd bij het tegengaan van corruptie en georganiseerde criminaliteit op Europees niveau, met inbegrip van opleidingen ten behoeve van de betrokken functionarissen en leidinggevenden bij de politie, met name wat betreft de bewustmaking omtrent nieuwe maar ook minder zichtbare vormen van criminele activiteit; merkt op dat plaatselijke criminaliteit vaak een voedingsbodem vormt voor de internationale criminaliteit;

42.

verzoekt de lidstaten richtsnoeren op te stellen voor de bestrijding van corruptie en witwaspraktijken; pleit ervoor dat die richtsnoeren o.a. betrekking hebben op optimale praktijken (bv. wat betreft de behoefte aan gespecialiseerd personeel, de samenwerking tussen onderzoeksinstanties en justitie, en methoden om de vaak lastige bewijsvoering rond te krijgen), dat zij een indicatie geven omtrent de kritische omvang van de voor een effectieve strafvervolging benodigde personele en andersoortige middelen, en aangeven hoe de internationale samenwerking kan worden bevorderd;

43.

acht het van vitaal belang optimaal gebruik te maken van alle bestaande synergieën tussen het Europees justitieel netwerk en Eurojust, teneinde een zo hoog mogelijk niveau van intra-Europese justitiële samenwerking te bereiken;

44.

onderstreept de noodzaak tot raadpleging van regionale en nationale wetshandhavingsinstanties en van het maatschappelijk middenveld bij het ontwikkelen van wetgevings- en regelgevingskaders;

45.

wijst erop dat het van belang is dat de lidstaten, in samenwerking met de Europese Unie en met de internationale actoren, beschikken over een solide strategisch langetermijnplan voor de aanpak van lokale en mondiale problemen die te maken hebben met de georganiseerde criminaliteit, zodat nieuwe bedreigingen, zwakke plekken in de markt en risicofactoren kunnen worden opgespoord, en om een EU-strategie te kunnen opzetten die gebaseerd is op vooruitplannen, en niet alleen maar op reageren;

46.

verzoekt de lidstaten en de Commissie de rol van rechters, openbare aanklagers en verbindingsofficieren te versterken en te voorzien in opleidingen voor justitiepersoneel, zodat zij alle vormen van georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen — inclusief cybercriminaliteit — kunnen aanpakken, met name door gebruik te maken van Cepol en van het Europees netwerk voor justitiële opleiding en door financiële instrumenten zoals het Fonds voor interne veiligheid voor politiële samenwerking of het Hercules III-programma volledig in te zetten; pleit ervoor om bij de opleiding van politiepersoneel en rechters het onderricht in vreemde talen te bevorderen om de transnationale samenwerking te vergemakkelijken; dringt aan op ondersteuning van het Europees programma voor optimale praktijkuitwisseling en opleiding van rechters en politiepersoneel;

47.

verzoekt de lidstaten en de Commissie hun gemeenschappelijke inspanningen voort te zetten met het oog op de voltooiing van de onderhandelingen over de voorgenomen richtlijn betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, die de grensoverschrijdende verzameling van bewijsmateriaal zal vergemakkelijken, en zodoende een belangrijke stap vormt in de richting van een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;

48.

roept op tot nauwere samenwerking op het gebied van documentenvervalsing en fraude, en dringt aan op gezamenlijk beraad over manieren om de betrouwbaarheid en authenticatie van originele documenten te verbeteren;

49.

pleit ervoor dat op nationaal niveau structuren worden opgericht voor activiteiten op het gebied van onderzoek naar en bestrijding van criminele en maffiaorganisaties, die de mogelijkheid hebben om met steun van Europol een gestroomlijnd en informeel „operationeel antimaffianetwerk” te ontwikkelen voor de uitwisseling van informatie over de structurele connotaties van de aldaar aanwezige maffiabenden, de criminele en financiële projecties, de lokalisatie van vermogens en de pogingen tot infiltratie in overheidsopdrachten;

50.

is van mening dat de mondialisering van de georganiseerde criminaliteit noopt tot nauwere samenwerking tussen de lidstaten en op EU- en internationaal niveau; dringt met het oog op de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, corruptie en witwaspraktijken aan op een nauwere interactie tussen de EU, de VN, de OESO en de Raad van Europa, zodat zij hun beleid beter kunnen integreren en gemeenschappelijke operationele doelstellingen kunnen definiëren; steunt de door de FATF ondernomen initiatieven om witwasbestrijdingsmaatregelen te ondersteunen; spoort de lidstaten ertoe aan alle bestaande internationale instrumenten op dit gebied te ratificeren en volledig ten uitvoer te leggen; roept de Commissie ertoe op de lidstaten effectief te ondersteunen bij hun inspanningen ter bestrijding van de georganiseerde misdaad; beveelt de EU aan zich als volledige deelnemer aan te sluiten bij de Greco;

51.

pleit voor gezamenlijk optreden ter preventie en bestrijding van illegale activiteiten op milieugebied, die verband houden met of voortvloeien uit verschijnselen van georganiseerde of maffiose bedrijvigheid, onder andere door versterking van Europese organen zoals Europol en Eurojust en internationale instanties zoals Interpol en het Interregionaal criminologisch en gerechtelijk onderzoeksinstituut van de Verenigde Naties (UNICRI), alsmede door middel van uitwisseling van werkmethoden en inlichtingen waarover de lidstaten beschikken die zich het meest hebben ingespannen voor de strijd tegen deze vorm van misdaad, met als doel een gemeenschappelijk actieplan te ontwikkelen;

52.

verzoekt de Raad en de lidstaten het Verdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren in internationale zakelijke transacties te ratificeren en volledig ten uitvoer te leggen; wijst op de negatieve effecten die omkoping van buitenlandse ambtenaren heeft op het mensenrechten-, milieu- en ontwikkelingsbeleid van de Unie;

53.

dringt aan op aanscherping van de instrumenten voor de bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, zoals het Europees onderzoeksbevel (EOB) en de gemeenschappelijke onderzoeksteams; roept op tot nauwere samenwerking met de buurlanden van de EU om binnendringing van de georganiseerde criminaliteit in de EU tegen te gaan;

54.

roept de lidstaten ertoe op binnen hun inlichtingendiensten de nodige mondiale informatie-uitwisselingsstrategieën en daarnaast analyses te ontwikkelen ter opsporing van nieuwe trends op het stuk van de georganiseerde misdaad;

55.

wijst op de noodzaak de samenwerking op het gebied van bestrijding van fraude en aantasting van de belangen van de EU tussen de Unie en alle overheidsdiensten op lidstaatniveau — inclusief op regionaal en gemeentelijk niveau — te intensiveren, gelet op de essentiële rol van de bewuste instanties bij het beheer van de fondsen van de Europese Unie;

Naar een efficiënt en corruptiebestendig openbaar bestuur

56.

is van mening dat een effectieve economische en begrotingsunie niet mogelijk is zonder een anticorruptie-unie;

57.

benadrukt dat transparantie de natuurlijke vijand van corruptie is, waarmee misdrijven beginnen, en is ervan overtuigd dat personen met hoge functies of een groot vermogen met hun voorrechten en immuniteiten, tot volledige transparantie in hun werkzaamheden moeten worden verplicht;

58.

is van mening dat een slecht georganiseerd, niet-transparant bureaucratisch apparaat en complexe procedures niet alleen ten koste dreigen te gaan van de effectiviteit van het overheidsbestuur, maar ook de inzichtelijkheid van de besluitvorming ondermijnen en de frustratie onder de bevolking aanwakkeren, en aldus een vruchtbare voedingsbodem voor corruptie vormen; evenzo kunnen de ondoorzichtige geheimhoudingspraktijken van banken en bedrijfsleven als dekmantel dienen om de illegale opbrengsten van corruptie, witwasserij en georganiseerde criminaliteit uit het zicht te houden;

59.

verwijst naar het anticorruptieverdrag van Mérida (2003), en benadrukt dat hoge ambtsdragers of bijzonder welgestelden met hun voorrechten en immuniteiten moeten worden gecontroleerd, onder meer door de fiscus, en dat deze controles nog verder moeten worden verscherpt, zodat de gemeenschap kan rekenen op een correcte en efficiënte dienstverlening en belastingfraude kan worden tegengegaan; bepleit met name dat bekleders van een openbaar ambt worden verplicht tot het indienen van een verklaring omtrent hun vermogenspositie en hun inkomsten, verplichtingen en belangen; dringt aan op maatregelen ter versterking van de transparantie en preventie door middel van een samenhangend bestuursrechtelijk systeem ter regeling van de overheidsuitgaven, de toegang tot documenten en de instelling van de noodzakelijke registers;

60.

pleit voor invoering van striktere mechanismen tot verbetering van de transparantie en tot opheffing van de bureaucratie bij ministeries en andere overheidsorganen door de burgers het recht te waarborgen op toegang tot documenten (en wel met name tot het bijzonder gevoelige terrein van de overheidsaanbestedingen); dringt erop aan dat er een cultuur van legaliteit en integriteit in zowel de overheids- als de particuliere sector wordt bevorderd, niet in de laatste plaats door invoering van een effectieve beschermingsregeling voor klokkenluiders;

61.

steunt de activiteiten van de Commissie met het oog op de erkenning van de rol die de onderzoeksjournalistiek speelt bij het opsporen en aanklagen van met georganiseerde criminaliteit, corruptie en witwaspraktijken verband houdende feiten;

62.

verzoekt de lidstaten de rol van ambtenaren bij de preventie, inlichtingenverstrekking en bestrijding van fraude- en corruptierisico's te versterken;

63.

dringt aan op een duidelijke en evenwichtige regelgeving, die gepaard moet gaan met de nodige handhavings- en controlemechanismen, welke nader moeten worden gespecificeerd in een gedragscode ter voorkoming van zgn. „personeelscarrousels” of „doorschuifcarrières”, zodat overheidsambtenaren die posten met een zekere mate van bestuurlijke of financiële verantwoordelijkheid bekleden niet meer naar de particuliere sector mogen verhuizen voordat een bepaalde periode sinds hun vertrek uit de dienst is verstreken wanneer er een belangenconflict met hun eerder beklede publieke functie dreigt te ontstaan; is daarnaast van mening dat wanneer er zich een belangenconflict dreigt voor te doen, soortgelijke beperkingen ook dienen te gelden voor personen die van de particuliere naar de overheidssector willen overstappen;

64.

verzoekt de Commissie overeenkomstig de aanbevelingen van het Europees Parlement van 15 januari 2013 zo snel mogelijk een voorstel in te dienen betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie;

65.

is van mening dat een register van lobbyisten een nuttig instrument zou zijn ter bevordering van de transparantie; verzoekt de lidstaten een dergelijk instrument in te voeren, indien zij dit nog niet hebben gedaan; dringt er bovendien bij regeringen en overheidsinstanties op aan opname in een lobbyistenregister als voorwaarde te hanteren om te mogen deelnemen aan bijeenkomsten met bedrijfs-, belangen- of lobbyistenorganisaties;

66.

wijst erop dat zelfregulering als standaardoplossing voor het tegengaan van corruptie in de sport en bij sportweddenschappen niet doeltreffend is gebleken; wijst er tevens op dat nationale, regionale en lokale overheden tot de voornaamste sportfinanciers worden gerekend; dringt er bij de lidstaten op aan transparante samenwerkingsverbanden met de sportgemeenschap aan te gaan en te komen met een door de officiële nationale sportorganen opgezet onafhankelijk en volledig onderzoek naar de corruptie in de sport;

67.

is van mening dat volledige transparantie van alle bestuurlijke besluiten op om het even welk overheidsniveau een cruciale voorwaarde is voor de bestrijding van criminele fenomenen en voor de bescherming van de burgers tegen elke vorm van wanbeheer in de overheidssfeer; wijst elke vorm van verzet van overheidszijde tegen volledige controle door de burgers en de pers op met overheidsgeld gefinancierde activiteiten die het belang dienen van de gemeenschap, van de hand; is van mening dat zowel de EU als de lidstaten zich concreet moeten verbinden tot het waarborgen van volledige transparantie en de effectieve ontwikkeling van „open bestuursvormen”, mede op basis van de bestaande optimale praktijken;

68.

benadrukt dat omkoping niet mag worden verhuld door misbruik van de term „faciliterende betalingen”, die door het OESO-Verdrag onder bepaalde, speciale omstandigheden (kleine betalingen, bijvoorbeeld om toestemming te krijgen om goederen te lossen in een haven) aanvaardbaar wordt geacht; verzoekt de lidstaten ermee in te stemmen dit begrip te verwerpen of het uitsluitend in uitzonderlijke omstandigheden te gebruiken en is voorstander van het opstellen van richtsnoeren voor een uniforme interpretatie van dit begrip door de gehele Unie; onderstreept dat smeergeld en faciliterende betalingen niet fiscaal aftrekbaar mogen zijn;

69.

is voorstander van regelmatige controles op de naleving van integriteitsgerelateerde voorschriften of gedragscodes en pleit voor beschikbaarstelling van voldoende middelen voor integriteitsgerelateerde opleidingen voor ambtenaren;

Naar een verantwoordelijker beleid

70.

wijst erop dat de politieke partijen verantwoordelijk zijn voor de voordracht van hun kandidaten of de opstelling van kieslijsten op alle niveaus en dat zij de kandidaten op hun kwaliteit moeten beoordelen, en dat deze met name ook moeten voldoen aan strikte gedragscodes, met inbegrip van een gedragscode met o.a. duidelijke en transparante regels voor schenkingen aan politieke partijen;

71.

stelt zich op het standpunt dat personen die middels een onherroepelijk vonnis zijn veroordeeld wegens medeplichtigheid aan georganiseerde misdrijven, witwaspraktijken, corruptie of andere ernstige economische of financiële delicten die ingaan tegen het algemeen belang, niet gekozen kunnen worden tot lid van het Europees Parlement en niet in aanmerking kunnen komen voor een dienstbetrekking bij andere instellingen of organen van de EU; verzoekt deze regel, onder inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, ook te laten gelden voor het lidmaatschap van nationale parlementen en andere door verkiezing verkregen ambten;

72.

pleit ervoor dat de lidstaten als onderdeel van het sanctiestelsel gronden vaststellen en effectief toepassen waarop personen die veroordeeld zijn voor corruptie onverkiesbaar worden verklaard; is van mening dat deze sanctie ten minste vijf jaar van kracht moet blijven voor alle soorten verkiezingen; pleit er daarnaast voor dat dezelfde diskwalificatietermijn eveneens dient te geelden voor regeringsposten op alle niveaus, inclusief EU-niveau;

73.

pleit er daarnaast voor om personen die zijn veroordeeld wegens delicten die te maken hebben met georganiseerde criminaliteit, corruptie of witwaspraktijken worden gedwongen hun politieke ambt (op regerings- of vergelijkbaar niveau) dan wel hun leidinggevende of bestuurlijke functie neer te leggen;

74.

onderkent dat de immuniteiten die bepaalde categorieën beoefenaars van openbare functies en gekozen vertegenwoordigers genieten, een belangrijke belemmering vormen voor de bestrijding van corruptie; verzoekt de Commissie en de lidstaten het aantal categorieën van functies die deze immuniteiten genieten, drastisch te verminderen;

75.

dringt aan op vaststelling van gedragscodes voor politieke partijen en op grotere transparantie met betrekking tot hun budgetten; pleit ervoor de overheidsfinanciering van partijen beter te controleren en misbruik en verspilling tegen te gaan, waarbij ook beter toezicht en controle moet worden gehouden op financiering uit particuliere bronnen, een en ander ter waarborging van de toerekenbaarheid van politieke partijen en hun donateurs;

76.

dringt er bij de lidstaten op aan het kopen van stemmen te verbieden en te bestraffen, met name gelet op de verwachting dat het voordeel dat in ruil voor een stem wordt gegeven, niet alleen kan bestaan uit geld, maar ook uit andere voordelen, waaronder immateriële voordelen en voordelen voor derden die niet rechtstreeks betrokken zijn bij de onwettige afspraak;

77.

is van mening dat de bekendmaking van de inkomsten en financiële belangen van de leden van het Europees Parlement een goede praktijk is die moet worden uitgebreid naar de nationale parlementsleden en afgevaardigden;

Naar een geloofwaardiger strafrecht

78.

pleit ervoor dat de lidstaten effectieve, goed functionerende, verantwoorde en evenwichtige strafrechtsystemen opzetten die tevens overeenkomstig het Europees Handvest van de grondrechten de instandhouding van de rechten van de verdediging kunnen garanderen; pleit tevens voor de invoering op Europees niveau van een toezichtmechanisme ter beoordeling van de doeltreffendheid van de strafrechtstelsels voor corruptiebestrijding, waarbij regelmatig evaluaties worden uitgevoerd en aanbevelingen worden gepubliceerd;

79.

spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan ook andere dan wetgevingsmaatregelen in overweging te nemen om het vertrouwen tussen de rechtsstelsels van de lidstaten versterken, de cohesie te verbeteren en de totstandkoming te bevorderen van een gemeenschappelijke EU-rechtscultuur op het gebied van misdaadbestrijding;

80.

verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen tot vaststelling van de wettelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen bij financiële misdrijven, en met name van de verantwoordelijkheid van houdstermaatschappijen en moederondernemingen voor de activiteiten van hun dochterondernemingen; onderstreept dat dit voorstel moet beogen duidelijkheid te scheppen omtrent de aansprakelijkheid van natuurlijke personen voor misdrijven die zijn gepleegd door de vennootschap of haar dochterondernemingen, waarvoor zij geheel of gedeeltelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld;

81.

is van mening dat de verschillen in verjaringstermijnen voor corruptiedelicten tussen de lidstaten moeten worden geharmoniseerd, zodat tegelijkertijd recht kan worden gedaan aan de belangen van de verdediging en aan de noodzaak tot het voeren van een effectieve en efficiënte vervolgings- en veroordelingsprocedure, en dat deze verjaringstermijnen moeten worden afgestemd op de procedurestadia of op de betrokken instantie, zodat een misdrijf alleen kan verjaren indien de bewuste fasen of stappen niet binnen een bepaald tijdsbestek zijn voltooid; is tevens van mening dat, onder voorbehoud van het evenredigheidsbeginsel en van de principes van de rechtsstaat, corruptiezaken niet mogen verjaren zolang de strafrechtsprocedures nog daadwerkelijk lopen;

82.

is van mening dat de bestrijding van de georganiseerde misdaad moet zijn gebaseerd op een combinatie van effectieve en afschrikkende mechanismen voor de confiscatie van criminele vermogensbestanddelen, maatregelen om te waarborgen dat voortvluchtigen die zich met opzet aan onderzoeken onttrekken, voor het gerecht worden gebracht en om te beletten dat maffiakopstukken hun organisatie vanuit de gevangenis blijven leiden en hun leden bevelen blijven geven, een en ander zonder afbreuk te doen aan de basisbeginselen inzake de rechten van gedetineerden;

83.

spoort de lidstaten ertoe aan afschrikkende en doeltreffende sancties in te stellen, zowel in de vorm van strafvonnissen als boetes, voor alle soorten ernstige misdrijven die de gezondheid en veiligheid van de burgers schaden, en pleit voor harmonisatie van de sancties;

84.

wijst onverminderd de tekst van paragraaf 80 op de noodzaak tot preventie van criminaliteit en georganiseerde misdaad, en dringt er bij de lidstaten op aan effectieve rechtsinstrumenten en straffen te ontwikkelen en in te voeren bij wijze van alternatief voor gevangenisstraffen, zoals boetes of taakstraffen in de gevallen waar dit is toegestaan en onder inachtneming van alle omstandigheden, inclusief het niet-ernstige karakter van het vergrijp;

Naar een gezonder ondernemersklimaat

85.

dringt er bij het bedrijfsleven op aan door middel van gedragscodes zelfregulering en transparantie te betrachten en oversightprocedures in te voeren, o.a. in de vorm van interne en externe audits en voor het publiek toegankelijke registers van binnen de instellingen opererende lobbyisten teneinde corruptie, collusie en belangenconflicten tussen de overheids- en de particuliere sector tegen te gaan en oneerlijke concurrentie te voorkomen; pleit tevens voor transparantie ten aanzien van sectoren, doelstellingen en financiële informatie, zowel op nationaal als op EU-niveau;

86.

dringt aan op het aanleggen van lijsten van bij overheidsinstanties geaccrediteerde bedrijven en van bedrijven die daarvan moeten worden uitgesloten; laatstgenoemde lijst zou van toepassing moeten zijn op ondernemingen waarvan is gebleken dat zij ernstig tekort zijn geschoten wat betreft hun contractuele verplichtingen of wanneer er in de lidstaten of op EU-niveau sprake is van een belangenconflict;

87.

verzoekt de lidstaten de rol van de kamers van koophandel te versterken door de meest voorkomende witwasrisico's in de zakenwereld te voorkomen, daarover informatie te verstrekken en ze terug te dringen, en door volledige uitvoering te geven aan het actieplan van de Commissie ter opvoering van de strijd tegen belastingfraude en -ontduiking;

88.

wijst erop dat onderzoeksjournalisten, evenals ngo's en de universiteiten die zich bezighouden met aangelegenheden betreffende de activiteiten van de overheid en van ondernemingen, een essentiële positieve rol vervullen bij het opsporen van gevallen van fraude, corruptie of andere vergrijpen;

89.

dringt er bij het bedrijfsleven op aan de interne richtsnoeren voor aanbestedingen effectief toe te passen, zodat de naleving van de wet en optimale transparantie bij de aanbesteding van overheidsopdrachten gewaarborgd zijn, zodat er geen zaken meer worden gedaan met aannemers of leveranciers tegen wie er gerede vermoedens bestaan dat zij smeergeld betalen of die daarom bekend staan, dat bedrijven de nodige zorgvuldigheid in acht nemen bij de beoordeling van potentiële contractanten en leveranciers om te waarborgen dat zij over effectieve corruptiebestrijdingsprogramma's beschikken, dat contractanten en leveranciers bewust worden gemaakt van het gevoerde anticorruptiebeleid, dat toezicht wordt gehouden op hoofdcontractanten en leveranciers in het kader van de periodieke evaluatie van de relaties die een bedrijf met hen onderhoudt en om te kunnen beschikken over een herroepingsrecht voor het geval de bewuste bedrijven smeergeld betalen of zich gedragen op een wijze die onverenigbaar is met het programma van de onderneming;

Naar een transparanter bancair en beroepenstelsel

90.

dringt aan op nauwere samenwerking met en meer transparantie in het bankwezen en bij de beroepsbeoefenaren — waaronder ook de financiële sector en het accountantswezen — in alle lidstaten en niet-EU-landen, teneinde met name te bepalen met behulp van welke IT-hulpmiddelen en wetgevings- en bestuurlijke maatregelen geldstromen kunnen worden getraceerd, criminele activiteiten kunnen worden opgespoord en procedures kunnen worden vastgesteld voor het melden van eventuele delicten;

91.

verzoekt de Commissie en de andere toezichthoudende autoriteiten toe te zien op de toepassing van klantenonderzoeksmaatregelen en de bijbehorende risicoprofielen door banken, verzekeringsmaatschappijen en kredietinstellingen, teneinde te waarborgen dat de in de lidstaten gevestigde rechtspersonen of juridische entiteiten ook van de zijde van offshore belastingparadijzen toereikende, accurate en actuele informatie over hun uiteindelijke begunstigen inwinnen en verkrijgen, en dat ondernemingsregisters regelmatig worden geactualiseerd en op hun kwaliteit getoetst; is van mening dat het inzichtelijk maken van gegevens — ook middels publicatie per land van een register van de reële eigenaars en via grensoverschrijdende samenwerking — kan bijdragen aan de bestrijding van verschijnselen zoals witwaspraktijken, financiering van terrorisme, belastingfraude en belastingontwijking;

92.

verzoekt de lidstaten het begrip „uiteindelijke gerechtigde” op te nemen in hun respectieve bedrijfsregisters, en zich ervoor te beijveren dit concept ook wereldwijd ingang te doen vinden, evenals de mechanismen voor gegevensuitwisseling;

93.

verzoekt de Commissie met het oog op de adequate toepassing van verrekenprijzen een gemeenschappelijk pakket beginselen en bestuurlijke richtsnoeren vast te stellen;

94.

staat volledig achter het voorstel van de Commissie om fiscale delicten uitdrukkelijk te kwalificeren als delicten die aan het witwassen van geld voorafgaan, in overeenstemming met de in 2012 door de Financial Action Task Force (FATF) gedane aanbeveling; dringt er bij de EU op aan de informatie omtrent de uiteindelijke gerechtigden en verplichte klantenonderzoeksprocedures voor antiwitwasdoeleinden transparanter te maken; is voorstander van harmonisering op Unieniveau van het begrip „witwasdelict” en dringt aan op de volledige handhaving van de door Financial Action Task Force (FATF) vastgelegde normen door middel van effectieve controles, evenredige sancties en geloofwaardige garanties;

95.

pleit voor correcte evaluatie van de risico’s die zijn verbonden aan nieuwe bank- en financiële producten die langs anonieme weg of via langeafstandstransacties kunnen worden verhandeld; dringt daarnaast aan op een gemeenschappelijke definitie van het begrip „belastingparadijzen”, aangezien deze vaak door criminele organisaties worden gebruikt voor de uitgifte van obligaties door particuliere bedrijven of banken waarvan de uiteindelijke gerechtigde moeilijk te achterhalen is;

96.

spreekt de hoop uit dat er werkbare oplossingen zullen worden gevonden om te waarborgen dat financiële instellingen en kredietverstrekkers — zonder inbreuk te maken op de wetgeving ter bescherming van persoonsgegevens — de identiteit van aanvragers van transacties kunnen vaststellen, aangezien identiteitsdiefstal soms een voorbode is van witwaspraktijken; is derhalve voorstander van de invoering van een bankenunie;

97.

pleit voor afschaffing van het bankgeheim;

Waarom misdaad niet loont

98.

nodigt alle betrokken publieke en particuliere partijen uit om resoluut de strijd aan te binden met het witwassen van geld; dringt aan op volledige naleving van de antiwitwasverplichtingen door beroepsbeoefenaren en de bevordering van mechanismen voor de melding van verdachte transacties en gedragscodes waarbij de diverse beroepscategorieën en -verenigingen zijn betrokken;

99.

wijst op de essentiële rol van financiële informatiediensten bij de handhaving van strenge internationale normen in de strijd tegen witwaspraktijken; onderkent het belang van de Europese instrumenten voor het traceren van geldstromen om bedreigingen zoals cybercriminaliteit, witwaspraktijken en de financiering van terrorisme tegen te gaan;

100.

pleit voor maatregelen om gokkers stelselmatig te identificeren en te controleren, het gebruik van anonieme betaalmiddelen voor de financiering van onlinekansspelen te verbieden en anonimiteit bij onlinegokken onmogelijk te maken door de hostservers identificeerbaar te maken en IT-systemen te ontwikkelen waarmee alle geldverkeersbewegingen die bij online- of offlinespelen plaatsvinden volledig traceerbaar worden gemaakt;

101.

is ingenomen met het feit dat de voorgestelde werkingssfeer van de vierde antiwitwasrichtlijn met betrekking tot de goksector is verruimd; verzoekt de Commissie een wetgevingskader en adequate maatregelen ter bestrijding van witwaspraktijken in de goksector voor te stellen, met name voor sportweddenschappen, die ook voorzien in de strafbaarstelling van matchfixinggerelateerde gokactiviteiten en in nieuwe, voldoende strenge sancties en die strekken tot bevordering van controlesystemen waarbij ook sportfederaties, sportbonden, online- en offlinegokexploitanten en waar nodig de nationale overheden worden betrokken; dringt er bij sportorganisaties op aan een gedragscode voor alle personeelsleden in te stellen met een ondubbelzinnig verbod op het manipuleren van wedstrijden voor weddenschaps- of andere doeleinden, een gokverbod op eigen wedstrijden en de verplichting om informatie omtrent matchfixingactiviteiten te melden, in combinatie met een adequaat mechanisme ter bescherming van klokkenluiders;

102.

constateert dat witwassen via georganiseerde sportweddenschappen vaak het werk is van de georganiseerde misdaad; verzoekt derhalve de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen met een gemeenschappelijke definitie van corruptie en fraude in sportkringen; verzoekt de lidstaten geen toestemming te geven voor de organisatie van sportweddenschappen op wedstrijden die geen invloed hebben op het klassement en de gevaarlijkste vormen van sportweddenschappen te verbieden; pleit er tevens voor op nationaal niveau voorzieningen te treffen om verdenkingen van corruptie in de sport te kunnen signaleren, naar het voorbeeld van de bestaande meldsystemen voor witwaspraktijken, en waartoe de beheerders van online- of offlinekansspelen en alle betrokkenen in de sportwereld verplicht zouden worden;

103.

benadrukt dat de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten, hun regelgevende organen, Europol en Eurojust moeten worden geïntensiveerd om criminele activiteiten in de sfeer van grensoverschrijdend onlinegokken te bestrijden;

104.

onderkent dat onlinegokken een steeds vaker voorkomende methode is om geld wit te wassen, waarbij de winst vaak belastingvrij is, de grote transactievolumes die zwart geld opleveren heel moeilijk zijn op te sporen en de talrijke betalingsverwerkers het systeem nog gecompliceerder maken; roept op tot het instellen van een regelgevingskader voor de bestrijding van witwassen via allerlei onlinegokspelen;

105.

dringt bij de lidstaten aan op opneming in het strafrecht van een geharmoniseerde definitie van het begrip „getrukeerde uitslagen” en een juridisch instrument te creëren om dit fenomeen tegen te gaan, daarvoor sancties vast te stellen die onder andere voorzien in boetes alsmede inbeslagnames, en om in het kader van de rechtshandhaving een eenheid op te richten die gespecialiseerd is in de bestrijding van het fenomeen „matchfixing” en als platform dient voor de communicatie en samenwerking met de voornaamste belanghebbenden met het oog op verdere onderzoeken en de verwijzing van dergelijke zaken naar de gerechtelijke instanties;

106.

roept op tot meer samenwerking op Europees niveau — die door de Commissie moet worden gecoördineerd — om onlinegokexploitanten die zich bezighouden met wedstrijdvervalsing en andere illegale activiteiten te identificeren en te vervolgen;

107.

dringt er bij de sportbestuursorganen, de lidstaten en de Commissie op aan te investeren in bewustmakingscampagnes voor atleten over wedstrijdvervalsing met betrekking tot de rechtsgevolgen die zijn verbonden aan deze strafbare feiten en over de negatieve effecten daarvan voor de integriteit van de sportcompetities;

108.

dringt aan op harmonisatie van de rol van de financiële inlichtingendiensten van de lidstaten, uitbreiding van hun bevoegdheden en verbetering van hun onderlinge samenwerkingsmechanismen;

109.

stelt voor dat de lidstaten onderling consistent optreden met betrekking tot veroordelingen en sancties, penitentiaire stelsels en de opleiding van gevangenispersoneel;

110.

pleit ervoor met betrekking tot witwaspraktijken een sterkere EU-brede superviserende rol toe te bedelen aan de Europese Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor effecten en markten en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, vooral ook met het oog op de invoering van een echte Europese bankenunie die in staat is corruptie en witwasserij effectief te bestrijden via een geharmoniseerde regeling inzake belangenconflicten en controlesystemen; dringt erop aan om, in afwachting daarvan, de controlecapaciteiten, de expertise en de effectiviteit van de controles op nationaal niveau te verbeteren met het oog op een intensievere samenwerking tussen de nationale autoriteiten;

111.

dringt aan op de toepassing van minimumnormen voor goed bestuur op belastinggebied, met name door middel van gezamenlijke initiatieven van de lidstaten inzake hun betrekkingen met als belastingparadijzen aangemerkte grondgebieden, teneinde met name gemakkelijker toegang te krijgen tot vertrouwelijke informatie in verband met eventueel aldaar gevestigde brievenbusmaatschappijen; wijst met nadruk op het belang van de bovengenoemde mededeling van de Commissie van 6 december 2012 betreffende de versterking van de relatie tussen het fraudebestrijdingsbeleid van de EU en haar ontwikkelings-, fiscaal en handelsbeleid;

112.

dringt bij de Europese Unie aan op het ontplooien van doortastende initiatieven op internationale fora zoals de G8- en G20-bijeenkomsten, om paal en perk te stellen aan delicten die worden gepleegd via belastingparadijzen;

113.

benadrukt dat de fiscale beginselen in overeenstemming moeten worden gebracht met de OESO-aanbevelingen in het rapport met als titel „Addressing base erosion and profit shifting” — dat handelt over de uitholling van de heffingsgrondslag en het naar elders overbrengen van de winsten — en wel zo dat als algemeen fiscaal beginsel dient te gelden dat belastingheffing daar moet plaatsvinden waar de economische activiteiten die inkomsten genereren zich hebben voltrokken, conform het vermogensoorsprongsbeginsel;

114.

is van mening dat het vermogensoorsprongsbeginsel het voor de belastingautoriteiten eenvoudiger maakt effectief belasting te heffen en belastingontduiking tegen te gaan; is van mening dat een rechtvaardig belastingstelsel onontbeerlijk is, met name in crisistijden wanneer de belastingdruk onevenredig zwaar drukt op kleine bedrijven en huishoudens, en dat belastingontduiking ten dele gecreëerd wordt door belastingparadijzen binnen de EU;

115.

onderstreept dat het opvoeren van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking van cruciaal belang is voor het bevorderen van duurzame groei in de EU; wijst er met nadruk op dat minder fraude en ontduiking het groeipotentieel van de economie zou versterken doordat het de openbare financiën gezonder maakt en ertoe leidt dat bedrijven kunnen concurreren op basis van billijke en gelijke voorwaarden;

116.

dringt er bij accountantskantoren en juridisch adviseurs op aan de nationale belastingautoriteiten te waarschuwen wanneer zij signalen opvangen van agressieve fiscale planning van de zijde van gecontroleerde of geadviseerde ondernemingen;

117.

is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de automatische uitwisseling van gegevens te bevorderen; dringt echter nogmaals aan op de sluiting van een internationaal bindende, multilaterale overeenkomst voor de automatische uitwisseling van belastinggegevens, die eveneens van toepassing zou moeten zijn op trusts en stichtingen en die zou moeten voorzien in sancties voor niet-coöperatieve jurisdicties en voor financiële instellingen die met belastingsparadijzen werken; dringt er bij de EU op aan naar het voorbeeld van de Stop Tax Havens Abuse Act van de VS maatregelen te treffen en de mogelijkheid te overwegen om de bankvergunning van financiële instellingen die werken met belastingparadijzen in te trekken; verzoekt de Commissie op basis van strenge criteria een voorstel te doen voor een Europese zwarte lijst van belastingparadijzen en voor Europese sanctieregelingen bij niet-naleving van de regelgeving, dan wel voor intensievere samenwerking indien een EU-aanpak niet mogelijk is;

118.

spoort de lidstaten en het Europees Parlement ertoe aan spoedig tot een akkoord te komen over de EU-richtlijnen met betrekking tot transparantie en financiële administratie; verlangt dat het toepassingsgebied van deze richtlijnen in de toekomst wordt uitgebreid tot alle grote ondernemingen, ongeacht de sector waarin zij actief zijn;

119.

verzoekt de Commissie strenge criteria te ontwikkelen met betrekking tot de wezenlijke aspecten van de bedrijfsvoering om een einde te maken aan het opzetten van lege vennootschappen of brievenbusmaatschappijen voor de beoefening van zowel legale als illegale belastingontwijkings- en ontduikingspraktijken;

120.

verzoekt de Commissie een beoordeling op te maken van de vigerende belastingverdragen tussen lidstaten en derde landen die als belastingparadijzen kunnen worden beschouwd; verzoekt de Commissie tevens met voorstellen te komen voor een oplossing van deze problematiek, o.a. middels een herziening van die overeenkomsten; verzoekt de Commissie tenslotte over haar bevindingen en voorstellen uiterlijk eind 2013 bij het Europees Parlement verslag uit te brengen;

Nieuwe technologieën ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit

121.

is van mening dat de Europese aardobservatiesatellietsystemen behulpzaam kunnen zijn bij de detectie van de routes van schepen die in het geheim illegale goederen vervoeren, lossen of overladen; verzoekt de justitiële autoriteiten derhalve op dit terrein intensiever gebruik te maken van nieuwe technologieën, met inbegrip van satellietobservatiesystemen, aangezien deze behulpzaam kunnen zijn bij de bestrijding van georganiseerde criminele activiteiten;

122.

constateert dat het wereldwijde gebruik van het internet nieuwe mogelijkheden voor cybercriminaliteit heeft doen ontstaan, zoals diefstal van intellectueel eigendom, de aan- en verkoop van namaakproducten en identiteitsdiefstal, hetgeen een bedreiging vormt voor de economie en de veiligheid en gezondheid van de Europese burgers;

123.

constateert dat publieks-, voorlichtings- en bewustmakingscampagnes essentieel zijn voor het aanpakken van de toenemende cybercriminaliteit; benadrukt dat een gebrek aan kennis en vaardigheden bij het publiek de georganiseerde misdaad beter in staat stelt misbruik te maken van het internet en de mogelijkheden die het biedt;

124.

is ingenomen met de oprichting van het Europees centrum inzake cybercriminaliteit van Europol (EC3) en steunt de verdere ontwikkeling van dit bureau, inzonderheid met het oog op de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, ook in grensoverschrijdend verband en in samenwerking met derde landen;

125.

benadrukt dat er dringend behoefte is aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijke, zorgvuldig omschreven definitie van het begrip „cybercriminaliteit”, die voor alle lidstaten van de Europese Unie zou kunnen gelden;

126.

pleit ervoor het onderzoek naar het gebruik van nieuwe technologieën in de diverse controlesystemen die door de lidstaten worden gebruikt te bevorderen en toepassing daarvan mogelijk te maken; dat kan bijvoorbeeld zijn beslag krijgen middels onlineobservatie en -registratie van ter plaatse te verrichten belasting-, douane- en andere controles door gecentraliseerde corruptiebestrijdingsdiensten;

127.

pleit voor het opzetten van een uniform rapportagesysteem van alle fraude- en corruptiezaken waarnaar een onderzoek loopt (met adequate bescherming van persoonsgegevens en van het vermoeden van onschuld);

Slotaanbevelingen

128.

dringt aan op de instelling van een Europees openbaar ministerie, als bedoeld in artikel 86 VWEU, met name voor de bestrijding van, het onderzoek naar en de vervolging en berechting van misdrijven die de financiële belangen van de EU schaden en van ernstige, grensoverschrijdende delicten; pleit ervoor dat het in te stellen Europees openbaar ministerie wordt voorzien van een efficiënte en gestroomlijnde structuur en tot taak krijgt de nationale autoriteiten te coördineren en ruggensteun te geven, zodat de onderzoeken consistenter kunnen worden georganiseerd middels uniforme procedureregels; acht het van cruciaal belang dat de Commissie tegen september 2013 met een heldere definitie komt voor de structuur van het Europees openbaar ministerie, de wijze waarop het rekenschap moet afleggen aan het Europees Parlement, en met name de manier waarop de wisselwerking met Europol, Eurojust, het OLAF en het Bureau voor de grondrechten gestalte moet krijgen, en dat het Europees openbaar ministerie wordt ondersteund door een duidelijk kader voor procedurele rechten en dat de strafbare feiten waarvoor het bevoegd is duidelijk worden omschreven;

129.

is van mening dat Eurojust zich kan blijven bezighouden met strafbare feiten als omschreven in artikel 83, lid 1 VWEU, en — waar nodig — ook met strafbare feiten die zijdelings te maken hebben met de uitvoering van EU-beleid, zoals bedoeld in lid 2 van dat artikel, en tegelijkertijd bij de aanstaande herziening daarvan kan blijven toezien op de vervulling van de verantwoordingsplicht ten aanzien van democratische en fundamentele rechten;

130.

dringt er bij de lidstaten op aan de EU-begroting niet op algemene conjuncturele gronden te verlagen, maar juist extra middelen uit te trekken voor Europol, Eurojust, Frontex en het toekomstige EPPO, omdat de successen van die instanties een multiplicatoreffect hebben bij het terugdringen van de fiscale verliezen voor de lidstaten;

131.

pleit voor een regeling met Liechtenstein om de grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden;

132.

verzoekt de lidstaten met klem Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, zo snel mogelijk om te zetten; verzoekt de Commissie toe te zien op de correcte omzetting daarvan in nationaal recht; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan de routekaart inzake de rechten van verdachten of beklaagden bij strafprocedures te vervolledigen, en een richtlijn inzake voorlopige hechtenis uit te werken;

133.

dringt aan op strengere straffen voor deelname aan een criminele organisatie en betrokkenheid bij misdrijven op het gebied van drugshandel, mensenhandel en handel in menselijke organen;

134.

dringt er bij de lidstaten op aan conform de aanbeveling van het UNCAC wetgevings- en andere maatregelen te nemen tot strafbaarstelling van moedwillig begane illegale verrijking, waarbij een ambtenaar zijn vermogen aanzienlijk vermeerdert zonder dat hij dit redelijkerwijs kan verklaren in verhouding tot zijn of haar legaal inkomen;

135.

geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het feit dat een hele reeks zogenaamde „nieuwsoortige” delicten — zoals illegale handel in afvalstoffen, illegale handel in kunstwerken en beschermde diersoorten en namaak van goederen — inmiddels zijn uitgegroeid tot uitermate lucratieve activiteiten voor misdaadorganisaties, die evenwel bijzonder negatieve gevolgen hebben voor de maatschappij, het milieu en de economie en uitgesproken transnationale kenmerken vertonen, maar nog niet worden gerekend tot de zogenaamde „euromisdrijven”; is van mening dat met dergelijke misdrijven bij de Europese besluitvorming terdege rekening moet worden gehouden en pleit er overigens voor dat de Raad uit hoofde van zijn prerogatieven overeenkomstig artikel 83, lid 1 VWEU, een besluit neemt omtrent de definities van andere vormen van criminaliteit, met inbegrip van de hierboven vermelde delicten;

136.

verzoekt de Commissie zo snel mogelijk een wetgevingsvoorstel in te dienen voor een effectief Europees programma ter bescherming van klokkenluiders in zaken betreffende grensoverschrijdende corruptie die de financiële belangen van de EU schaadt, en voor de bescherming van getuigen en informanten, met name gelet op de moeilijke condities waaronder zij wellicht zullen moeten leven en die variëren van het risico voor vergelding tot het uiteenvallen van hun familiebanden of het feit dat zij hun vertrouwde omgeving moeten verlaten en dat zij maatschappelijk worden uitgesloten en geen werk meer kunnen vinden;

137.

is van mening dat de behandeling van getuigen in rechtszaken en de administratie van beschermingsprogramma's niet door budgettaire factoren mogen worden bepaald, aangezien de waarborging van de veiligheid en integriteit van burgers, in het bijzonder van degenen die hun leven ingrijpend hebben moeten veranderen om de staat terzijde te kunnen staan, een plicht is waaraan de nationale en Europese autoriteiten zich niet mogen onttrekken; verzoekt alle lidstaten de nodige (al dan niet wetgevende) maatregelen te nemen om te waarborgen dat getuigen in rechtszaken en hun familieleden niet alleen verzekerd zijn van hun fysieke veiligheid maar ook het recht behouden op een waardig sociaal, professioneel, relationeel en economisch leven met adequate ondersteuning van de instellingen (die onder meer kunnen voorzien in de mogelijkheid dat dergelijke getuigen worden aangesteld bij de overheid);

138.

verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk alle maatregelen en instrumenten te implementeren die zijn voorgesteld in de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over „De EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016” (COM(2012)0286);

139.

verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel over Europol in te dienen, zoals bedoeld in artikel 88, lid 2, VWEU, teneinde de operationele efficiëntie en doeltreffendheid van Europol op het gebied van de bestrijding van zware en georganiseerde misdaad te verbeteren; onderstreept dat de toekomstige hervorming van het agentschap de unieke rol van de Cepol bij de opleidingsactiviteiten van de EU op het gebied van misdaadbestrijding niet in de weg mag staan;

140.

roept alle lidstaten ertoe op onverwijld alle bestaande Europese en internationale wetgevingsinstrumenten om te zetten in hun nationale wetgeving en in het bijzonder gevolg te geven aan de vele oproepen van de Commissie tot correcte omzetting van de talrijke vigerende kaderbesluiten;

141.

benadrukt dat het noodzakelijk is een cultuur van legaliteit te bevorderen en de burgers meer besef omtrent het maffiafenomeen bij te brengen; erkent in die zin de fundamentele rol die aan verenigingen op cultuur-, recreatie- en sportgebied toekomt bij de bewustmaking van het maatschappelijk middenveld omtrent de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de bevordering van legaliteit en gerechtigheid;

142.

verzoekt de Commissie een Europees actieplan tegen illegale handel in wilde dieren en planten op te stellen, voorzien van duidelijke streefdoelen, zowel binnen als buiten de EU, om de illegale handel in in het wild levende soorten en lichaamsdelen van dieren terug te dringen; verzoekt de Commissie en de Raad gebruik te maken van hun handels- en ontwikkelingsinstrumenten voor het opzetten van specifieke programma's, die voorzien zijn van de nodige financiële middelen, om de tenuitvoerlegging van CITES kracht bij te zetten en middelen te verschaffen voor het opbouwen van de nodige capaciteit om bescherming te bieden tegen stroperij en illegale handel, met name door ondersteuning, versterking en uitbreiding van criminaliteitsbestrijdingsinitiatieven zoals ASEAN-WEN en HA-WEN, die ten doel hebben regionale expertisecentra te creëren en modellen aan te reiken voor samenwerking in de strijd tegen criminaliteit in verband met in het wild levende dieren en planten;

143.

verlangt dat er geharmoniseerde en strenge sancties worden ingesteld voor het smokkelen van wilde dieren en hun lichaamsdelen en van zeldzame planten en bomen naar de Unie;

o

o o

144.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de nationale parlementen, de CEPOL, Europol, Eurojust, het OLAF, de Raad van Europa, de OESO, Interpol, het UNODC, de Wereldbank en de FATF.


(1)  PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.

(2)  PB C 195 van 25.6.1997, blz. 1.

(3)  PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42.

(4)  PB L 182 van 05.7.2001, blz. 1.

(5)  PB L 196 van 2.8.2003, blz. 45.

(6)  PB L 68 van 15.3.2005, blz. 49.

(7)  PB L 328 van 24.11.2006, blz. 59.

(8)  PB L 332 van 18.12.2007, blz. 103.

(9)  PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.

(10)  PB L 162 van 20.6.2002, blz. 1.

(11)  PB L 321 van 08.12.2009, blz. 44.

(12)  PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.

(13)  PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.

(14)  PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.

(15)  PB L 309 van 25.11.2005, blz. 9.

(16)  PB L 47 van 18.2.2004, blz. 1.

(17)  PB L 345 van 8.12.2006, blz. 1.

(18)  PB L 192 van 31.7.2003, blz. 54.

(19)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1.

(20)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.

(21)  PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

(22)  PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 37.

(23)  PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 121.

(24)  PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 66.

(25)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0208.

(26)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0516.

(27)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0098.

(28)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0004.

(29)  PB C 124 E van 25.5.2006, blz. 254.

(30)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0205.

(31)  Europees Parlement, Studie over de afschrikking van fraude met EU-geld door middel van onderzoeksjournalistiek in de EU-27 (PE 490.663) — 17 oktober 2012.

(32)  Speciale Eurobarometer 374 inzake corruptie, februari 2012.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/40


P7_TA(2013)0246

Sociale huisvesting in de Europese Unie

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over sociale huisvesting in de Europese Unie (2012/2293(INI))

(2016/C 065/04)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name artikel 3, lid 3, alsmede het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 9, 14, 148, 151, 153 en 160 en Protocol nr. 26 over diensten van algemeen belang,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 34 en 36,

gezien Protocol nr. 26 bij het VWEU over diensten van algemeen belang,

gezien het herziene Europees Sociaal Handvest, en met name artikel 30 (recht op bescherming tegen armoede en uitsluiting), artikel 31 (recht op huisvesting) en artikel 16 (recht van het gezin op sociale, juridische en economische bescherming),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020: een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied (1),

gezien Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (2),

gezien Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (3),

gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied (4),

gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (5),

gezien Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten (6),

gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld „Naar een banenrijk herstel” (COM(2012)0173),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang” (COM(2010)0758), de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's hierover en zijn resolutie van 15 november 2011 hierover (7),

gezien Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999 (8),

gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (9),

gezien Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1783/1999 (10),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en tot vaststelling van algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 (COM(2011)0615),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en de doelstelling „Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (COM(2011)0614),

gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2008 getiteld „Een Europees economisch herstelplan” (COM(2008)0800),

gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (11) en zijn resolutie van 15 december 2010 hierover (12),

gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (13),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 maart 2011 getiteld „Hervorming van de EU-staatssteunregels voor diensten van algemeen economisch belang” (COM(2011)0146) en zijn resolutie van 15 november 2011 hierover (14),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie” (COM(2010)0573),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020” (COM(2011)0173),

gezien de richtsnoeren van de Commissie van 15 mei 2012 op het gebied van goede praktijken voor het beperken, verzachten en compenseren van bodemafdekking (SWD(2012)0101 definitief),

gezien het verslag van de Commissie over werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa 2012 („Employment and Social Developments in Europe 2012”) van 8 januari 2013 (15),

gezien het maatregelenpakket betreffende sociale investeringen van de Commissie van 20 februari 2013,

gezien de Europese statistieken over inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC) en de persmededeling van Eurostat van 8 februari 2012 (16),

gezien de Europese statistieken in het derde Europese verslag over de levenskwaliteit, en met name hoofdstuk 6 hiervan (17),

gezien het verslag van Eurofound over schuldsaneringsdiensten voor huishoudens in de Europese Unie (18),

gezien het verslag van Eurofound over levensomstandigheden van de Roma: ondermaatse huisvesting en gezondheid (19),

gezien het Besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (20),

gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 maart 2013 in zaak C-415/11 (Mohamed Aziz), dat consumenten die een hypotheek nemen, tegen banken beschermt in geval van oneerlijke contractvoorwaarden (21),

gezien Besluit nr. 1098/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010) (22),

gezien de verklaring van de Raad van 6 december 2010 over „Het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting: samenwerken voor armoedebestrijding in 2010 en daarna” (23),

gezien het verslag van het Comité voor sociale bescherming van 18 februari 2011 getiteld „Beoordeling van de sociale dimensie van de Europa 2020-strategie” (24),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 5 februari 2010 getiteld „Gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale inclusie” (SEC(2010)0098),

gezien het verslag van het Comité voor sociale bescherming van 15 februari 2010 getiteld „Gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale inclusie 2010” (25),

gezien het advies van het Europees Economische en Sociaal Comité over „Uitdagingen bij het definiëren van sociale huisvesting als dienst van algemeen economisch belang” (26),

gezien het advies van het Comité van de Regio's getiteld „Naar een Europese agenda voor sociale huisvesting” (27),

gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over het sociale investeringspact — een reactie op de crisis (28),

gezien zijn resolutie van 16 juni 2010 over Europa 2020 (29),

gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de Lissabon- en EU 2020-doelstellingen (30),

gezien zijn wetgevingsresolutie van 8 september 2010 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten: deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020 (31),

gezien zijn resolutie van 20 oktober 2010 over de financiële, economische en sociale crisis: aanbevelingen voor te nemen maatregelen en initiatieven (32),

gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over de toekomst van sociale diensten van algemeen belang (33),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 mei 2007 over huisvesting en regionaal beleid (34),

gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over een EU-strategie inzake dakloosheid (35),

gezien zijn schriftelijke verklaringen van 22 april 2008 over het uit de wereld helpen van dakloosheid (36) en van 16 december 2010 over een EU-strategie inzake dakloosheid (37),

gezien het verslag van Eurofound getiteld „Het derde Europese onderzoek inzake levenskwaliteit — Levenskwaliteit in Europa: gevolgen van de crisis” (38),

gezien de slotaanbevelingen van de Europese Consensusconferentie over dak- en thuisloosheid van 9 en 10 december 2010,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0155/2013),

A.

overwegende dat toegang tot huisvesting een grondrecht is dat kan worden beschouwd als een voorwaarde voor de uitoefening van en de toegang tot andere grondrechten en voor een menswaardig leven; overwegende dat toegang tot fatsoenlijke en passende huisvesting een internationale verplichting van de lidstaten is waarmee de Unie rekening moet houden, aangezien het recht op toegang tot en ondersteuning bij huisvesting wordt erkend in zowel artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 30 en 31 van het herziene Sociale Handvest van de Raad van Europa als artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het is opgenomen in tal van grondwetten van de lidstaten;

B.

overwegende dat de nationale, regionale en lokale overheden zowel het recht als de plicht hebben om hun eigen huisvestingsbeleid vast te stellen en de nodige maatregelen te treffen opdat dit grondrecht in hun respectieve huisvestingssector wordt gehandhaafd overeenkomstig de behoeften van hun inwoners, zodat iedereen toegang kan krijgen tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting;

C.

overwegende dat betaalbare, geschikte en veilige huisvesting een geschikt instrument is om sociale rechtvaardigheid en samenhang te waarborgen, en dat investeren in betaalbare woningen een voorwaarde vormt voor grotere arbeidsmobiliteit en betere kansen op de arbeidsmarkt, terwijl het bouwen en renoveren van sociale woningen van cruciaal belang is voor het bereiken van de doelstellingen om in de vraag naar woonruimte te voorzien, betaalbare woonruimte voor brede lagen van de bevolking ter beschikking te stellen, de economie te stimuleren, de omvang van vastgoedzeepbellen te verkleinen, energiearmoede te bestrijden en belastinginkomsten voor de lidstaten te verzekeren;

D.

overwegende dat de lidstaten in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel een essentiële rol spelen en over ruime discretionaire bevoegdheid beschikken bij het voorzien, het in opdracht geven en het organiseren van een parallel aanbod aan sociale huisvesting als aanvulling op het spontane aanbod op de markt; overwegende dat het aanbod aan sociale huisvesting moet voorzien in een hoog niveau van kwaliteit, veiligheid en betaalbaarheid, en gelijke behandeling en de rechten van de gebruiker moet bevorderen;

E.

overwegende dat er in de meeste EU-lidstaten een tekort aan sociale woningen en een toenemende behoefte aan betaalbare woonruimte bestaat; overwegende dat het sociale en familiale profiel van de mensen die een beroep doen op sociale huisvesting veranderd is; overwegende dat deze nieuwe sociale factoren in kaart moeten worden gebracht om te bepalen welke huisvestingsstrategieën de lidstaten en hun lokale en regionale overheden moeten toepassen om zo goed mogelijk op de huidige situatie in te spelen;

F.

overwegende dat het beleid inzake sociale woningbouw integraal deel uitmaakt van de diensten van algemeen economisch belang aangezien het helpt aan de behoefte aan huisvesting te voldoen, de toegang tot woningbezit te vergemakkelijken, de kwaliteit van de huisvesting te bevorderen, de bestaande huisvesting te verbeteren en de woonlasten aan te passen aan de gezinssituatie en aan de financiële middelen van de bewoners, en daarbij ook een eigen bijdrage van de bewoners verlangt;

G.

overwegende dat de prijs-kwaliteitverhouding van sociale woningbouw bij koop of huur goed moet zijn, energiebesparing in de woning mogelijk moet zijn, de woning zich moet bevinden in een omgeving met groenvoorzieningen en geschikt moet zijn voor verschillende generaties, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kinderen en ouderen;

H.

overwegende dat om een toename van het aantal daklozen alsook vastgoedcrises in de toekomst te voorkomen, de regels voor hypotheken de consumenten moeten beschermen en een rechtvaardige verdeling van de risico's moeten bevorderen;

I.

overwegende dat sociale huisvesting een centrale rol speelt in de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie — met name de armoededoelstelling, onder meer door te voorkomen dat kansarmheid van generatie op generatie wordt overgedragen — door bij te dragen aan het waarborgen van een hoge mate van werkgelegenheid en sociale inclusie en samenhang, aan de bevordering van beroepsmobiliteit en aan de strijd tegen de klimaatverandering en energiearmoede middels de renovatie van gebouwen;

J.

overwegende dat de combinatie van de financiële en economische crisis, de bezuinigingsmaatregelen, de stijgende huizenprijzen en de dalende inkomens van de huishoudens hebben geleid tot meer werkloosheid en sociale uitsluiting in de EU, met name bij de meest kwetsbare groepen, waardoor er meer vraag is naar sociale voorzieningen; neemt er nota van dat hoewel de overheidssteun voor sociale huisvesting een belangrijke stabiliserende factor is, de recente bezuinigingsmaatregelen dit beleid in een aantal lidstaten hebben verzwakt;

K.

overwegende dat de economische en sociale crisis een directe negatieve weerslag heeft op de activiteiten in en de financiële steun aan de woningbouw en -renovatie en met name wat sociale woningen betreft, door het uiteenspatten van vastgoedzeepbellen, de kredietcrisis, betalingsachterstanden en ook de afname van overheidsopdrachten; overwegende dat deze sector een drijvende kracht kan zijn om op inclusieve wijze permanent uit de crisis te komen en om de klimaat- en energie-uitdagingen aan te pakken;

L.

overwegende dat de bezuinigings- en begrotingsconsolidatiemaatregelen in overeenstemming moeten worden gebracht met een allesomvattende investeringsstrategie ten behoeve van duurzame en inclusieve groei en het volgen van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, ook op het gebied van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting;

M.

overwegende dat huisvesting een basisbehoefte is waarvoor de lidstaten, op grond van hun eigen beleidskeuzen, minimumnormen voor bewoonbaarheid en comfort, specifieke regels voor de (steden)bouw en een bovengrens voor de inspanningen op dit gebied vastleggen, waarvoor sommige lidstaten de ontwikkeling van de prijzen voor woningen in de hand houden en waarvoor lidstaten soms zelfs speciale sociale voorzieningen of fiscale steunregelingen in het leven roepen waardoor deze grootste uitgavenpost van de huishoudens kan worden beïnvloed;

N.

overwegende dat de ernstige economische en sociale gevolgen van de crisis op lange termijn, niet alleen voor de economische groei, de werkgelegenheid en de mate van armoede en sociale uitsluiting, maar ook voor de toegang tot huisvesting en de investeringen in sociale huisvesting in de EU, de lidstaten en de Unie ertoe nopen dringend actie te ondernemen om het recht op toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting te waarborgen; overwegende dat, aangezien huisvesting de grootste uitgavenpost van Europese huishoudens is, de sterke stijging van de prijzen die betrekking hebben op huisvesting (grondbelasting, eigendomsbelasting, huurprijzen, energieverbruik) een bron van instabiliteit en ongerustheid is en als een groot probleem moet worden beschouwd; overwegende dat de werkloosheid in de EU explosief is toegenomen en in januari 2013 tot gemiddeld 10,9 % (EU-27) is gestegen, en dat de Europese bevolking tegelijkertijd vergrijst, waardoor er een aanzienlijk risico is op een toenemende kloof tussen rijk en arm, sociale uitsluiting en dakloosheid, terwijl al 80 miljoen Europeanen het risico lopen arm te worden;

O.

overwegende dat Roma veelal in sterk gesegregeerde gebieden wonen, wat de toegang tot sociale en gezondheidsdiensten bemoeilijkt;

P.

overwegende dat er een duidelijk verband bestaat tussen slechte huisvesting en slechte gezondheid: hypotheekschulden gaan gepaard met een slechtere mentale gezondheidstoestand; overvolle woningen gaan gepaard met psychologische problemen, tuberculose, infecties van de ademhalingswegen en een verhoogd brandrisico en risico van huishoudelijke ongelukken; slechte woonomstandigheden hebben negatieve gevolgen voor de gezondheid en de veiligheid en vergroten de kans op ongevallen in het huishouden; het wonen in een lawaaierige omgeving leidt tot meer gevallen van hoge en verhoogde bloeddruk; overwegende dat dakloosheid met stress en nood gepaard gaat en van negatieve invloed is op levenskwaliteit, gezondheid en welzijn;

Q.

overwegende dat vooral vrouwen — van wie in 2010 24,5 % risico liep op armoede of sociale uitsluiting, in het bijzonder vrouwen met een laag inkomen, alleenstaande moeders, vrouwen met slecht betaalde banen, migrantenvrouwen, weduwen met minderjarigen ten laste en vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld — alsook eenoudergezinnen met een vrouw aan het hoofd, jonge gezinnen, grote gezinnen, studenten, jongeren die aan het begin van hun carrière staan, jonge werkloze stellen, mensen met een handicap, mensen met een lichamelijke of geestelijke aandoening, mensen uit achtergestelde gemeenschappen, waaronder Roma, en ouderen, de gevolgen ondervinden van het gebrek aan betaalbare en geschikte sociale huisvesting; overwegende dat met name deze categorieën het risico lopen dakloos te worden en in veel gevallen verhuizen naar ondermaatse woningen op de particuliere woningmarkt, waardoor de risico's op gezondheidsproblemen aanzienlijk toenemen; overwegende dat deze categorieën vaak alternatieve oplossingen zoeken door in te trekken bij familie, vrienden of bekenden, waardoor een adequate analyse en transparante documentatie van daklozen bemoeilijkt wordt;

R.

overwegende dat vrouwen door de economische crisis en de hoge prijzen op de huizenmarkt moeilijker kunnen scheiden of hun samenlevingsverband beëindigen, waardoor zij in hun vrijheid beperkt worden en kwetsbaarder worden voor seksegebonden huiselijk geweld;

S.

overwegende dat betaalbare huurwoningen van essentieel belang zijn om jongeren in staat te stellen een beroepsopleiding, universitaire studie of stage te volgen of een baan aan te nemen;

T.

overwegende dat de lidstaten als aanvulling op het aanbod op de particuliere markt ook een nevenaanbod van sociale woningen opzetten en organiseren; overwegende dat deze sociale huisvesting door specifiek hiervoor opgerichte non-profitorganisaties ter beschikking wordt gesteld tegen specifieke toegangs- en prijsvoorwaarden; overwegende dat 25 miljoen Europese huishoudens zijn gehuisvest in sociale woningen waarvan de lokale en regionale spreiding, toegangsvoorwaarden en prijzen rechtstreeks onder de bevoegdheid van de overheden van de lidstaten vallen; overwegende dat dit nevenaanbod aan woningen een matigende werking heeft op de omvang van de cycli op de woningmarkt en vastgoedzeepbellen, omdat het stabiel is en de prijzen in de hand worden gehouden;

De sociale en economische rol van sociale huisvesting bevorderen

1.

merkt op dat de spontane werking van de markt, met name in dichtbevolkte stedelijke gebieden, door de huidige economische en sociale crisis steeds minder in de behoefte aan betaalbare huisvesting voorziet en dat de stijging van de woning- en energiekosten het risico van ziekten, armoede en sociale uitsluiting doet toenemen; merkt op dat het aantal uitzettingen en beslagleggingen op woningen door banken in verscheidene lidstaten toeneemt; dringt erop aan dat er maatregelen worden genomen als reactie op deze uitdagingen; is bezorgd over het directe en indirecte effect van sommige bezuinigingsmaatregelen in de context van de huidige sociale en economische crisis — zoals de vermindering van de woonsubsidies en de sociale dienstverlening, het belasten van socialewoningcorporaties, de stopzetting van nieuwe huisvestingsprojecten en het te koop zetten van een deel van de nationale socialewoningbestand — waardoor een vicieuze cirkel van langdurige sociale uitsluiting zou kunnen worden verergerd;

2.

herinnert eraan dat het socialehuisvestingsbeleid door het uitbannen van gezinsarmoede en het voorkomen van de intergenerationele overdracht van sociaal-economische achterstand een belangrijke rol speelt bij de bestrijding van kinderarmoede; merkt op dat ook sociaal geïntegreerde bevolkingsgroepen als gevolg van de sociaaldemografische veranderingen van de gezinsstructuur en de toename van het aantal niet-vaste en tijdelijke arbeidsplaatsen een grotere behoefte hebben gekregen aan betaalbare woningen;

3.

dringt aan op de naleving van artikel 14 van en protocol nr. 26 bij het VWEU, overeenkomstig dewelke overheden vrij zijn om de organisatie, financiering en doelgroep van sociale huisvesting vast te stellen om in de behoeften van de plaatselijke bevolking te voorzien en te voorzien in een hoog niveau van kwaliteit, veiligheid en betaalbaarheid, gelijke behandeling en de bevordering van de rechten van de gebruiker; is van mening dat dit overheden in staat stelt tekortkomingen van de markt te corrigeren teneinde universele toegang tot fatsoenlijke en betaalbare huisvesting te garanderen en zo de artikelen 16, 30 en 31 van het Europees Sociaal Handvest toe te passen;

Naar een Europees beleid voor sociale huisvesting

4.

herinnert de Commissie, de lidstaten en hun lokale en regionale overheden eraan dat uitgaven voor sociale en betaalbare huisvesting het mogelijk maken de grondrechten te waarborgen, op dringende sociale behoeften in te spelen en, als strategische sociale investeringen, op duurzame wijze kunnen bijdragen aan het scheppen van plaatselijke banen die niet kunnen worden gedelokaliseerd, het stabiliseren van de economie door het beperken van het risico op vastgoedzeepbellen en overmatige schuldenlast van huishoudens, het bevorderen van arbeidsmobiliteit, het tegengaan van de klimaatverandering, het bestrijden van energiearmoede en het verlichten van gezondheidsproblemen die het gevolg zijn van overvolle woningen en slechte woonomstandigheden; onderstreept derhalve dat uitgaven voor sociale huisvesting niet als kosten dienen te worden beschouwd waarop moet worden bezuinigd, maar als investeringen die op de lange termijn lonend zijn omdat zij tot een betere gezondheid, meer welzijn en een betere toegang tot de arbeidsmarkt leiden en mensen, met name ouderen, in staat stellen een onafhankelijk leven te leiden;

5.

vraagt de Commissie een Europees actiekader voor sociale huisvesting vast te stellen dat samenhang moet brengen in de verschillende beleidsinstrumenten die de EU hiervoor gebruikt (staatssteun, structuurfondsen, energiebeleid, bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, gezondheidsbeleid);

6.

verzoekt de Commissie de definitie van sociale huisvesting nader te verduidelijken door de uitwisseling van best practices en ervaringen tussen de lidstaten en rekening houdend met het feit dat sociale huisvesting in de respectieve lidstaten, regio's en lokale gemeenschappen op verschillende manieren wordt geconcipieerd en beheerd (vaak als gevolg van flexibele prioriteitsstellingen);

7.

merkt op dat investeringen in sociale huisvesting worden gedaan in het kader van algemenere beleidsmaatregelen voor het organiseren en financieren van openbare sociale, gezondheids- en onderwijsdiensten om sociale grondrechten te waarborgen en in te spelen op nieuwe sociale behoeften en cyclische economische veranderingen;

8.

onderstreept dat sociale investeringen moeten worden gemonitord in het kader van een pact voor sociale investeringen naar het model van het „Euro Plus Pact”, dat het economische en budgettaire bestuurskader van de Unie moet versterken en investeringen in sociale huisvesting moet omvatten; benadrukt ook dat er doelstellingen inzake sociale investeringen voor de lidstaten moeten worden gesteld om de werkgelegenheids-, sociale en onderwijsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie te behalen; stelt met tevredenheid vast dat dit voorstel wordt versterkt door de conclusies van de Europese Raad van december 2012 waarin wordt benadrukt dat „in het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact (…) gebruik [kan] worden gemaakt van de mogelijkheden die het bestaande begrotingskader van de EU biedt om een evenwicht te scheppen tussen de behoeften inzake productieve overheidsinvesteringen en de doelstellingen op het gebied van begrotingsdiscipline”; verzoekt de Commissie deze sociale investeringen beter te volgen aan de hand van een scorebord met indicatoren over de op nationaal en EU-niveau gedane investeringen, waarbij voor de investeringen in sociale huisvesting rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van de huisvestingskosten en van het aantal aanvragers in afwachting van een woning in de lidstaten; vraagt voorts alle lidstaten het herziene Europees Sociaal Handvest te ratificeren, waarvan met name artikel 31 aandacht verdient;

9.

is van mening dat bewoners- en huurdersverenigingen inspraak moeten krijgen bij de uitwerking van de huisvestingsstrategieën die de lidstaten willen toepassen;

10.

benadrukt dat sociale innovatie door het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting en het kaderprogramma voor onderzoek dient te worden bevorderd met het oog de analyse van nieuwe beleidsmaatregelen ter verbetering van de toegang tot huisvesting en de vermindering van dakloosheid;

11.

is verheugd over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2011 (COM(2011)0142) dat beoogt een kader voor woningkredietovereenkomsten vast te stellen en zo een al te zware schuldenlast voor de huishoudens te voorkomen; vraagt dat de best practices die voor consumenten zo gunstig mogelijk zijn, in de Europese regelgeving inzake hypotheken worden opgenomen; vraagt dat er procedures worden opgenomen voor heronderhandeling van schuld of inbetalinggeving voor insolvente schuldenaars en gezinnen; roept de lidstaten op te verhinderen dat reeds uitgezette gezinnen hun hypothecaire kredieten moeten blijven aflossen; verzoekt de Commissie en de lidstaten een oplossing te vinden voor het sociale drama dat de uitzettingen en het verlies van hun woning betekenen voor diegenen die het meest door de economische crisis en de werkloosheid getroffen worden; herinnert er bovendien aan dat dit gebeurt in een context van aanzienlijke staatssteun voor het saneren van het Europese financiële systeem; vraagt de lidstaten te zoeken naar alternatieve oplossingen voor uitzettingen;

12.

vraagt de Commissie de lidstaten in haar specifieke aanbevelingen per land te waarschuwen wanneer hervormingen een bedreiging vormen voor investeringen in sociale of betaalbare huisvesting, en geen aanbevelingen te formuleren over de omvang van de socialehuisvestingssector in afzonderlijke lidstaten; laakt het feit dat bepaalde lidstaten in het kader van de begrotingsconsolidatieprogramma's en in overeenstemming met de specifieke aanbevelingen van de Commissie inzake maatregelen op de woningmarkt de capaciteit van de sector hebben ingeperkt door de verhuurders van sociale woningen te belasten; is voorts bezorgd over de restrictieve definitie van sociale huisvesting door de Commissie in het kader van het mededingingsbeleid, die alleen benadeelde groepen op het oog heeft;

13.

verzoekt de Raad minstens eenmaal per jaar met de ministers van huisvesting van de lidstaten samen te zitten om te discussiëren over de effecten van de verschillende Europese beleidslijnen op het huisvestingsbeleid en ervoor te ijveren in het Europese beleid meer aandacht te besteden aan de economische, sociale en ecologische dimensie van de huisvestingssector door alle belanghebbenden, zoals sociale huisvestingsmaatschappijen, bewonersverenigingen en verenigingen die de toegang tot huisvesting bevorderen, bij het proces te betrekken;

14.

merkt op dat een definitie van sociale huisvesting en van degenen die ervoor in aanmerking komen, het resultaat dient te zijn van een democratisch debat, teneinde rekening te houden met de verschillende tradities in de lidstaten;

15.

verzoekt de Commissie en de lidstaten een sterker accent te leggen op de toegang tot huisvesting en de daarmee samenhangende diensten en door middel van initiatieven die dakloosheid en uitsluiting op de woningmarkt bestrijden, op basis van voor de lidstaten gemeenschappelijke indicatoren, en aan te zetten tot de uitwisseling van good practices voor een effectieve toepassing van het recht op huisvesting;

16.

spoort de lidstaten ertoe aan grotere inspanningen te leveren om investeringen ten behoeve van sociale huisvesting op te nemen in hun begrotingsdoelstellingen voor de middellange en lange termijn, alsmede in hun nationale hervormingsprogramma's en in de strategische hoofdlijnen van hun partnerschapsovereenkomsten voor 2014-2020; verzoekt de Europese Raad en de Commissie er nauwlettend op toe te zien dat de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van sociale zaken worden verwezenlijkt;

17.

merkt op dat beleid en programma's inzake huisvesting verder moeten worden ontwikkeld in overleg met vrouwen met een laag inkomen en uiteenlopende sociale achtergronden om te kunnen bepalen met welke maatregelen het best op hun behoeften kan worden ingespeeld;

Investeringen in lokale werkgelegenheid en de groene economie bevorderen

18.

onderstreept dat huisvesting, en met name sociale huisvesting, een contracyclische economische rol speelt dankzij de vermindering van de energieafhankelijkheid, dankzij steun aan de bouw- en renovatiesector, daaraan verbonden duurzame lokale banen die niet kunnen worden gedelokaliseerd, en in het bijzonder dankzij de arbeidsintensiviteit van de sector, de ontwikkeling van groene sectoren in de lokale economie en stimuleringseffecten op de rest van de economie; is dan ook van mening dat investeringen in sociale huisvesting niet alleen als uitgaven, maar ook als productieve investeringen moeten worden beschouwd; moedigt de lidstaten voorts aan om een dialoog aan te gaan met de bouwsector, teneinde een betere ondernemingsklimaat en betere regelgeving voor sociale huisvesting te ontwikkelen, waarbij de aandacht in het bijzonder dient uit te gaan naar de vaststelling van woningbouwdoelstellingen, de financiering van infrastructuurkosten en de beschikbaarstelling van bouwgrond;

19.

onderstreept dat de rechtstreekse steun van de structuurfondsen aan de socialehuisvestingssector in 2007-2013 een meerwaarde voor de lokale werkgelegenheid en een aanzienlijk hefboomeffect op de investeringen heeft gehad;

20.

is van mening dat de bedragen die aan het Cohesiefonds worden toegekend in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2014-2020 niet lager mogen zijn dan in het huidige MFK, om zo te garanderen dat het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) over voldoende financiering kan beschikken, met name voor de investeringsprioriteit „bevordering van sociale insluiting en bestrijding van armoede: steun voor fysieke en economische sanering van achtergestelde stedelijke en rurale gemeenschappen”;

21.

erkent dat tal van lidstaten reeds doeltreffende beleidsmaatregelen voor sociale huisvesting hebben ingevoerd en is van mening dat voor de EU in dit verband de taak is weggelegd om de uitwisseling van good practices tussen de lidstaten te bevorderen;

22.

neemt nota van de wetgevingsvoorstellen van de Commissie voor het pakket verordeningen betreffende het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020; pleit ervoor om prioritaire investeringen in energie-efficiëntie en gebruik van hernieuwbare energiebronnen in sociale en betaalbare woningen, geïntegreerde acties inzake duurzame stedelijke en ruimtelijke ontwikkeling, gelijke toegang tot huisvesting voor gemarginaliseerde gemeenschappen, bevordering van vertegenwoordigers van de sociale en solidaire economie zoals woningcorporaties zonder winstoogmerk en bedrijven, in aanmerking te laten komen voor steun uit de structuurfondsen en het Cohesiefonds;

23.

moedigt de lidstaten en alle belanghebbende partijen aan om zowel investeringen in sociale en betaalbare huisvesting als de versterking van de non-profit-woningsector een belangrijke plaats te geven in de nationale hervormingsprogramma's en in de strategische hoofdlijnen van de partnerschapsovereenkomsten voor 2014-2020, en ervoor te zorgen dat in de geplande huisvestingsmaatregelen rekening wordt gehouden met hun respectieve nationale strategieën voor integratie van de Roma;

24.

moedigt de lidstaten aan vaker gebruik te maken van privaatrechtelijke instrumenten, zoals erfpacht, om de bouw van sociale woningen te vereenvoudigen, waarbij de grond niet gekocht hoeft te worden, en van het vruchtgebruik voor verhuurders van sociale woningen zodat de particulier er eigenaar van kan blijven;

25.

onderstreept dat woningen en commerciële panden goed zijn voor 40 % van het totale eindverbruik van energie en van de totale CO2-emissie in Europa en dat ecologisch duurzame bouw leidt tot kostenverlagingen en kortere bouwtijden, een drastische vermindering van de milieu-impact en het energieverbruik en, als gevolg daarvan, van de beheerskosten van woningen;

26.

spreekt zijn steun uit voor een toereikende begroting voor het MFK 2014-2020, waarbij het cohesiebeleid wordt beschouwd als een motor om de crisis te boven te komen; onderschrijft de conclusies van het Europees pact voor groei en werkgelegenheid wat betreft de oproep tot de lidstaten om in de programmeringsperiode 2007-2013 de overheveling van niet-gebruikte structuurfondsen naar projecten voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie te vergemakkelijken en te bespoedigen; is van mening dat de socialehuisvestingssector van deze overhevelingen gebruik moet kunnen maken;

27.

vraagt de lidstaten, hun beheersautoriteiten en de Commissie er nauwlettend op toe te zien dat de actoren op het terrein van huisvesting, de bewonersverenigingen en de verenigingen die de toegang tot huisvesting bevorderen, worden opgenomen in de lijst van sociale partners voor de uitwerking, monitoring en evaluatie van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's; benadrukt het nut van nieuwe instrumenten voor geïntegreerde ontwikkeling („community-led local development” en geïntegreerde territoriale investeringen) voor geïntegreerde strategieën ter bevordering van de huisvesting waarin de sociale huisvestingsmaatschappijen en bewoners een doorslaggevende rol vervullen; is van mening dat met betrekking tot de structuurfondsen en het Cohesiefonds de beginselen van partnerschap en meerlagig bestuur efficiënt moeten worden toegepast en dat de lidstaten dienen te worden aangezet tot samenwerking met lokale en regionale overheden om prioriteiten te stellen en te besluiten hoe de middelen moeten worden besteed; is van mening dat bevordering van de synergieën tussen de structuurfondsen en het Cohesiefonds de duurzame ontwikkeling van achtergestelde of landelijke gebieden ten goede kan komen en kan voorkomen dat zij geïsoleerd en ontvolkt raken, waardoor de negatieve gevolgen van sociale segregatie worden voorkomen en heterogeniteit, sociale cohesie en gendergelijkheid worden gestimuleerd;

28.

vraagt de lidstaten specifieke mechanismen voor de financiering van sociale woningbouw te versterken of te ontwikkelen, het gebruik van subsidies van het Horizon 2020-programma en van de financiële instrumenten en de technische ondersteuningsprogramma's van de structuurfondsen, de Europese Investeringsbank (EIB), de Europese Bank voor wederopbouw en ontwikkeling (EBWO), de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa (CEB) en het Europees Fonds voor energie-efficiëntie (EEEF) op gecoördineerde wijze aan te moedigen teneinde kwalitatief hoogwaardige bouw en renovatie van sociale en betaalbare woningen te stimuleren; vraagt de lidstaten voorts te onderzoeken hoe de gewijzigde EFRO-verordening kan worden toegepast om in huisvesting voor gemarginaliseerde gemeenschappen te voorzien;

29.

roept de EIB op om, in nauw overleg met de lokale en regionale overheden, in zijn investeringsprioriteiten een sterker accent te leggen op de sector van sociale en betaalbare huisvesting, met name in die lidstaten waar geen overheidsbank voor woningen bestaat, en daarbij de voorwaarden van verstrekte leningen te verbeteren; vraagt de EIB ook na te gaan in welke mate projectobligaties kunnen worden gebruikt voor de financiering van sociale infrastructuur zoals huisvesting, en rekening te houden met de beoordeling van de proeffase alvorens deze te verlengen;

30.

roept de lidstaten op om de activiteiten van de woningcorporaties te ondersteunen, die een belangrijk hulpmiddel vormen voor de aankoop van een betaalbaar eerste huis; wijst erop dat corporaties daarnaast een doeltreffend instrument zijn voor het bevorderen van initiatieven op het gebied van stadsvernieuwing, waarbij synergieën tot stand worden gebracht met de lokale gemeenschappen en de leegloop van de steden wordt bestreden;

31.

verzoekt de Commissie andere mogelijke financieringsbronnen ter beschikking van de lidstaten te stellen om het aanbod aan en de renovatie van sociale woningen als sociale investeringen te bevorderen, de lidstaten en de regionale en lokale overheden aan te moedigen de beschikbare Europese middelen doeltreffend in te zetten, en het verlaagde btw-tarief te handhaven dat voor die investeringen geldt gezien de arbeidsintensiviteit van de sector en het geringe effect ervan op de intracommunautaire handel; vraagt dat wordt overwogen om op sociale huisvesting dezelfde btw-tarieven toe te passen als voor basisconsumptiegoederen; moedigt de lidstaten aan particulier spaargeld aan te trekken om de toegang tot grondbezit te vergemakkelijken en de bouw en renovatie van sociale woningen aan te moedigen;

32.

moedigt de invoering van geïntegreerde samenwerkingsmodellen aan waarin projectbeheerders, verhuurders van sociale woningen en bouwondernemingen bijeen worden gebracht om thermische renovatie en de bouw van energiezuinige sociale woningen te bevorderen;

33.

is verheugd over de mededeling van de Commissie van 31 juli 2012 over een strategie voor het duurzame concurrentievermogen van de bouwsector en de ondernemingen in die sector (COM(2012)0433); is van mening dat er bovenop de fiscale prikkels en financiële steunmaatregelen om de concurrentiekracht en het innovatieklimaat in deze sector te bevorderen, maatregelen nodig zijn om het kwalificatieniveau van de werknemers te verbeteren teneinde de uitdagingen van een energie-efficiënt Europa en van een koolstofarme economie te kunnen aangaan en de doelstellingen te kunnen behalen die zijn vastgesteld in de richtlijn betreffende energie-efficiëntie (2012/27/EU) (39) en de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen (2010/31/EU) (40);

34.

verzoekt de Commissie om in nauwere samenwerking met de lidstaten en de lokale bevoegde overheden middellange- en langetermijnprognoses op te stellen voor de vaardigheden waaraan de arbeidsmarkt behoefte heeft; vraagt de verantwoordelijke betrokkenen de werkgelegenheidssituatie te volgen om de basisberoepsopleiding en levenslang leren meer af te stemmen op de behoeften; vraagt de lidstaten en de bevoegde lokale overheden hun onderwijs- en opleidingsstelsels, met inbegrip van het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding, spoedig aan te passen door er met name het begrip duurzame economie in op te nemen, en ervoor te zorgen dat de kwalificeringsstelsels de toegang van jongeren tot nieuwe „groene” banen en „groene” sectoren bevorderen; wijst erop dat met de bevordering van groene banen duurzame werkgelegenheid van hoge kwaliteit kan worden gecreëerd, armoede en sociale uitsluiting kunnen worden aangepakt en voor ondersteunende diensten voor arbeidsvoorziening kan worden gezorgd;

35.

merkt op dat de groene sector tal van werkgelegenheidskansen biedt, uiteenlopend van instapbanen en laaggeschoold werk tot aan hooggekwalificeerde banen in de kennissector; in dit verband:

merkt op dat het mkb een belangrijke rol speelt in de werkgelegenheid in de groene economie en wijst op het potentieel van het mkb voor opleidingen, leerlingplaatsen en lokale outreachprogramma's, die werkgelegenheidskansen voor kansarmen kunnen bieden;

verzoekt de lidstaten overgangsfondsen aan te leggen om de behoeften op het gebied van vaardigheden te beheren;

dringt bij de Commissie aan op de opname van een negende kerncompetentie in de kaderstructuur voor een leven lang leren, die betrekking heeft op milieu, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling;

vraagt de lidstaten en de lokale en regionale overheden zich tot het Europees Sociaal Fonds (ESF) te richten om te kunnen investeren in vaardigheden, werkgelegenheid, beroepsopleidingen en omscholing, in het bijzonder in „groene” sectoren zoals de thermische renovatie van gebouwen;

verzoekt de lidstaten de opkomst van mensen met zowel sociale als technische vaardigheden op het gebied van energiebesparing, zoals sociaaltechnische bemiddelaars, te schragen, alsook de inspanningen in technische beroepsopleidingen met een meer sociale benadering van de energie-efficiëntie, of omgekeerd, te ondersteunen;

36.

is ingenomen met het pakket sociale investeringen waarmee de Commissie de lidstaten richtsnoeren biedt voor een efficiënter en doeltreffender sociaal beleid gericht op groei en cohesie;

37.

merkt op dat deze investeringen in sociale huisvesting passen in het kader van een meer algemeen beleid dat gericht is op de organisatie en financiering van een ruim aanbod van publieke sociale en gezondheidsdiensten en van onderwijsdiensten om effectieve sociale grondrechten te waarborgen en in te spelen op de ontwikkeling van de sociale behoeften;

Armoede bestrijden en sociale inclusie en samenhang bevorderen

38.

herinnert eraan dat de erkenning en verwezenlijking van het recht op huisvesting voorwaarden zijn voor de verwezenlijking van de overige grondrechten, met inbegrip van de politieke en sociale rechten; herinnert eraan dat de lidstaat of bevoegde overheid ervoor verantwoordelijk is een effectieve inhoud te geven aan dit recht op huisvesting door via het beleid en de programma's de universele toegang tot huisvesting, in het bijzonder voor kansarmen, te verbeteren aan de hand van een toereikend aanbod van adequate, fatsoenlijke, gezonde en betaalbare woningen;

39.

vraagt het Europees Bureau voor de grondrechten een studie te verrichten over de effectiviteit en de voorwaarden voor de toepassing van het recht op huisvesting en van de bijstand voor huisvesting in de lidstaten, met inspraak van de betrokkenen; vraagt het Bureau de uitwisseling te bevorderen van best practices bij de effectieve tenuitvoerlegging van het recht op huisvesting voor bijzonder kwetsbare groepen, zoals onder meer daklozen; verzoekt de Commissie dergelijke activiteiten te volgen in het pakket sociale investeringen;

40.

vraagt de lidstaten en de Commissie de innoverende en doeltreffende ontwikkeling en uitwisseling van best practices bij de tenuitvoerlegging van het recht op huisvesting voor bijzonder kwetsbare en gemarginaliseerde groepen te ondersteunen en te bevorderen, met bijzondere aandacht voor de bestrijding van huiselijk geweld; constateert tot zijn spijt dat slachtoffers van huiselijk geweld dikwijls geneigd zijn langer in een gewelddadige omgeving te blijven wanneer het voor hen financieel onmogelijk is om geschikte huisvesting te vinden; verzoekt de lidstaten te voorzien in geïntegreerde sociale diensten voor gezinnen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld;

41.

verwacht dat de Commissie onderzoekt of steun in de vorm van huisvestingstoelagen dan wel indirecte steun in de vorm van sociale huisvesting een effectievere maatregel is om sociale groepen van betaalbare huisvesting te voorzien die op de woningmarkt niet aan woonruimte kunnen komen, en in welke mate directe of indirecte steun effectiever is;

42.

vraagt de Commissie en het agentschap Eurofound in 2014 in het kader van het werkprogramma van het agentschap een onderzoek te verrichten naar de kosten van het niet optreden ten aanzien van slechte huisvesting;

43.

wijst er met bezorgdheid op dat veel lidstaten bij de aanpak van de begrotingsonevenwichtigheden diensten, programma's en acties (huursubsidie, hypotheken met rentesubsidie, enz.) hebben opgeschort die tot doel hadden huizenkoop te vergemakkelijken, en dat ze tegelijkertijd, ondanks de erbarmelijke economische situatie, de belasting op onroerend goed tot een buitensporig hoog niveau hebben optrokken waardoor brede bevolkingsgroepen aan armoede en verarming werden blootgesteld;

44.

verzoekt de lidstaten een maatschappelijke effectbeoordeling uit te voeren waarbij de nadruk ligt op een naar geslacht en huishouden uitgesplitste beoordeling van alle maatregelen en programma's op het gebied van huisvesting, waarbij vooral de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op het gebied van inkomen en financiële middelen in aanmerking wordt genomen; benadrukt dat alle statistische gegevens naar geslacht en type huishouden moeten worden uitgesplitst en dat meer onderzoek vereist is om precies te kunnen bepalen hoe huisvestingsbeleid ondersteuning kan bieden aan personen en groepen in kwetsbare situaties, zoals vrouwen (rekening houdend met hun veelzijdige rol als alleenstaande ouder en als verzorger van familieleden en personen met een handicap), gezinnen, jongeren, mensen met een handicap en ouderen, precies kan ondersteunen;

45.

beveelt aan dat de lidstaten en hun lokale en regionale overheden een geïntegreerd beleid ontwikkelen om sociale uitsluiting tegen te gaan en de universele toegang tot fatsoenlijke, gezonde en betaalbare huisvesting te garanderen; stelt in dit verband voor om de volgende maatregelen te nemen:

steun voor gezonde sociale en „zeer sociale” huisvesting van goede kwaliteit, met name door waar nodig een minimumpercentage sociale woningen in te voeren, bijvoorbeeld in dichtbevolkte gebieden waar de vraag het grootst is, hetgeen diversiteit zou bevorderen;

vaststelling van duidelijke minimumnormen voor het bepalen van de huisvestingskwaliteit, met name bij sociale huisvesting;

koppeling van programma's voor de uitbreiding van het socialewoningbestand aan beleid inzake andere essentiële openbare diensten en diensten van algemeen belang, zoals de bouw van openbare sociale, gezondheids-, culturele en sportfaciliteiten (als onderdeel van een geïntegreerde lokale strategie) en beleid om ongebreidelde stadsuitbreiding tegen te gaan (overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie voor de doelstelling dat tegen 2050 geen grondgebied meer bestemd wordt voor bebouwing);

maatregelen tegen de problemen die de meeste kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals migranten en jongeren, vaak hebben om een fatsoenlijke woning te vinden;

regelingen ter versterking van de huurzekerheid;

opstelling van specifieke programma's voor daklozen, op basis van beoordelingen van de plaatselijke situatie, rekening houdend met de Europese typologie van dakloosheid en sociale uitsluiting (ETHOS) om het proces van uitsluiting op huisvestingsgebied te meten, in combinatie met sociale-begeleidingsmaatregelen en met inaanmerkingneming van de specifieke situatie en behoeften van vrouwen, met bijzondere nadruk op huisvesting en steun voor kwetsbare personen en gemarginaliseerde gemeenschappen in plaats van tijdelijke onderkomens;

bevordering en financiering van zelfbouwprogramma's;

46.

vraagt de lidstaten erop toe te zien dat alle burgers zich een woning kunnen veroorloven, en wel doordat huurverhogingen op de objectivering van de huurprijzen worden gebaseerd, waardoor ervoor wordt gezorgd dat verhogingen van de prijzen voor woningen gematigd blijven, en doordat het belastingbeleid zodanig wordt aangepast dat speculatie wordt ingetoomd;

47.

roept de Commissie op de resolutie van het Parlement over een EU-strategie inzake dakloosheid onverwijld ten uitvoer te leggen;

48.

benadrukt dat de verschillende aspecten van dakloosheid onder vrouwen in hun totaliteit moeten worden aangepakt en integraal deel moeten uitmaken van alle EU-beleidskaders; verzoekt de Commissie en de lidstaten systematische gendereffectbeoordelingen uit te voeren en de specifieke situatie en behoeften van dakloze vrouwen kritisch te volgen, de ontwikkeling van projecten voor begeleid wonen te bevorderen, de bouw van betaalbare, aangepaste en energie-efficiënte woningen te stimuleren, en socialewoningbouwprogramma's ook toegankelijk te maken voor middenklassegezinnen, die dikwijls niet in aanmerking komen voor dergelijke regelingen, maar net als andere huishoudens te kampen kunnen krijgen met materiële deprivatie als gevolg van de economische crisis;

49.

moedigt de inrichting van geïntegreerde samenwerkingsmodellen aan waarin de sociale en gezondheidsdiensten, diensten voor de begeleiding van kansarmen, verhuurders van sociale woningen en verenigingen die kwetsbare personen begeleiden bij het vinden en behouden van huisvesting, worden samengebracht;

50.

vraagt de Commissie, de lidstaten en de bevoegde overheden middelen uit de structuurfondsen toe te wijzen aan de huisvesting en opvang van gemarginaliseerde gemeenschappen, met name aan sociale huisvesting, door deze prioriteit in te voeren in de lopende programma's; nodigt met het oog hierop de Commissie en het Bureau voor de grondrechten uit de uitwisseling van good practices tussen de plaatselijke overheden te ontwikkelen op basis van gemeenschappelijke en transparante criteria;

51.

beveelt de lidstaten en de bevoegde overheden aan te investeren in de bouw en aanpassing van betaalbare sociale woningen als reactie op de bouwvalligheid en de gezondheidsrisico's van vervallen woningen, op de diversiteit van de gezinsmodellen, op de vergrijzing van de bevolking en met name op de behoefte van afhankelijke ouderen om zelfstandig te blijven wonen, en op de specifieke behoeften van mensen met een handicap en jongeren, met name op het gebied van woning- en beroepsmobiliteit; beveelt aan voor deze doeleinden voor de volgende programmeringsperiode (2014-2020) een beroep te doen op de structuurfondsen; is van mening dat sociale begeleiding bij de toegang tot huisvesting een factor is voor de creatie van „witte” banen, die onontbeerlijk zijn om te reageren op de huidige en toekomstige maatschappelijke uitdagingen zoals de vergrijzing van de bevolking; onderstreept de positieve rol die het Europees Fonds voor sociaal ondernemerschap kan spelen voor projecten voor begeleiding en integratie in huisvesting;

52.

nodigt de lidstaten en de regionale en lokale overheden uit doeltreffende en stimulerende maatregelen te treffen op basis van prognostische analyses van de behoeften aan woningen, om de langdurige leegstand van woningen aan te pakken, met name in gebieden waar de situatie kritiek is, teneinde de bouwspeculatie te bestrijden en deze woningen beschikbaar te stellen als sociale huisvesting;

53.

onderstreept het belang van een gezondheids- en veiligheidsclassificatiesysteem voor woningen, waarbij de gezondheidrisico's die met betrekking tot de woning bestaan beoordeeld kunnen worden;

54.

beveelt de lidstaten en de bevoegde overheden aan om het aanvragen van een sociale woning te vereenvoudigen en de toewijzing van woningen eerlijker, transparanter en onpartijdiger te maken, rekening houdende met de specifieke sociale, economische en culturele situatie van elke lidstaat, ter voorkoming van discriminatie en ontwijking van de meest kwetsbare groepen, waardoor de ruimtelijke segregatie wordt versterkt en getto's ontstaan; benadrukt in dit opzicht het nut van instrumenten die van kracht zijn in bepaalde lidstaten, zoals een lijst van wettelijke, nauwkeurige en transparante toewijzingscriteria die de sociale verscheidenheid bevorderen, de anonimisering van de aanvragen voor sociale woningen, de openbare bekendmaking van leegstaande woningen, de invoering van rangschikkingssystemen voor aanvraagdossiers, de scheiding van de instanties die de criteria beheren en die de woningen toewijzen, of een adequaat beheer bij de toewijzing om de sociale verscheidenheid op grote schaal te bevorderen;

55.

wijst op de uitdagingen in verband met de vergrijzing en de behoefte aan adequate, fatsoenlijke en toegankelijke woonruimte voor het groeiende aantal ouderen in de EU; stelt vast dat de armoede onder ouderen in alle Europese landen in hoog tempo toeneemt en vraagt daarom dat er binnen het nieuwe Europese innovatiepartnerschap „actief en gezond ouder worden”, dat de onderzoeksinspanningen op dit vlak coördineert, een apart onderdeel gewijd wordt aan het uitwerken van betaalbare oplossingen om ouderen in staat te stellen zo lang mogelijk in hun eigen huis te blijven wonen; daarbij mag niet worden vergeten dat het verbeteren van de toegankelijkheid van bestaande woningen een relevante manier is om hun sociale integratie te bevorderen door hen onafhankelijker te maken; verzoekt de lidstaten daarom in hun nationale hervormingen een apart onderdeel te wijden aan het uitwerken van betaalbare oplossingen om ouderen in staat te stellen zo lang mogelijk in hun eigen huis te blijven wonen, rekening houdend met het feit dat het verbeteren van de toegankelijkheid van bestaande woningen wenselijk is om deze mensen door de bevordering van hun persoonlijke onafhankelijkheid te helpen thuis te blijven wonen en deel te nemen aan het sociale leven;

56.

wijst erop dat sociale huisvesting dusdanig moet zijn georganiseerd dat zowel gentrificatie als gettovorming worden voorkomen; verzoekt om zo nodig financiële prikkels te geven die beogen gemeenschappelijke en gemengde particuliere en sociale woningbouwprojecten te ontwikkelen om segregatie te voorkomen;

57.

hecht bijzonder veel belang aan de inspanningen die de Europese Unie zich getroost ter ondersteuning van kansarme bevolkingsgroepen, met name wat betreft de verschaffing van huisvesting, gelet op de sociale onevenwichtigheden in Europa en met name in de recent tot de Unie toegetreden lidstaten;

58.

beveelt aan dat de lidstaten en de bevoegde autoriteiten stappen nemen om de toegang tot betaalbare woonruimte te verbeteren door het aanbod aan sociale en betaalbare woningen kwantitatief en kwalitatief te verbeteren en de sociale huisvesting in de gemeenschapsgerichte zorg en de sociale dienstverlening te integreren en daartoe gebruik te maken van het ESF en andere structuurfondsen;

59.

onderstreept dat sociale huisvesting, wanneer deze wordt gecoördineerd met een doeltreffende gemeenschapsgerichte zorg en andere sociale diensten, ertoe dient bij te dragen de mogelijkheden voor mensen om een onafhankelijk leven te leiden te ontwikkelen door sociaal kwetsbare of achtergestelde personen te helpen bij de overgang naar een onafhankelijker levensstijl, waarbij zij minder afhankelijk zijn van bijstand en grotere persoonlijke autonomie genieten;

60.

verzoekt de relevante publieke en particuliere instellingen om systematisch modules over de toegankelijkheid van de gebouwde omgeving en „ontwerpen voor iedereen” op te nemen in de opleidingsprogramma's voor ingenieurs, architecten, stedenbouwkundigen en bouwkundigen;

61.

betreurt de wereldwijde trend van beperking van de sociale huisvesting en verzoekt de lidstaten de vaak uitgesloten gezinnen met een middeninkomen in hun socialehuisvestingsprogramma's te integreren, aangezien zij net als andere huishoudens als gevolg van de economische crisis mogelijkerwijs door materiële deprivatie kunnen worden getroffen;

62.

beschouwt de inzet van de Unie voor duurzame geïntegreerde stedelijke ontwikkeling, met name ten behoeve van sociale huisvesting, als een doeltreffend middel om wijken met moeilijkheden te integreren in hun stedelijke omgeving en de armoede en sociale uitsluiting te bestrijden; roept de lidstaten en de bevoegde overheden derhalve op vaker op geïntegreerde wijze een beroep te doen op de structuurfondsen (EFRO, ESF), alsmede op de EIB en op andere financiële oplossingen, en om de onderlinge coördinatie en synergieën te bevorderen; is van mening dat adequate deelname van de bewoners en de ontwikkeling van hun beslissingsbevoegdheden op een hoger niveau en tijdens de bouw en renovatie van sociale woningen bijdragen aan een sterkere integratie en sociale samenhang;

63.

verzoekt de Commissie een onderzoek te verrichten naar de doeltreffendheid van investeringsmodellen met sociale effecten op het gebied van sociale huisvesting, met aandacht voor het potentieel van de structuurfondsen wanneer die worden gebruikt als financieringsinstrumenten en eventueel worden gecombineerd met andere financieringsbronnen, ten behoeve van investeringen met sociale effecten, bijvoorbeeld door de creatie van plaatselijke groene banen of banen voor jongeren, of door sociale inclusie via huisvesting voor gemarginaliseerde gemeenschappen;

64.

constateert tot zijn spijt dat slachtoffers van huiselijk geweld dikwijls langer in een gewelddadige omgeving blijven wanneer zij financieel afhankelijk zijn van de dader en daarom geen geschikte huisvesting voor zichzelf kunnen vinden; verzoekt de EU daarom de ontwikkeling van beleid en programma's te stimuleren die veilige en betaalbare huisvesting toegankelijker maken voor slachtoffers van huiselijk geweld, en dringt erop aan dat de lidstaten zoeken naar betaalbare, alternatieve vormen van nood- en tijdelijke huisvesting en het aantal opvang- en herstelcentra voor slachtoffers en andere aanverwante maatschappelijke diensten zoals geïntegreerde diensten voor gezinnen (bijvoorbeeld centra voor gezin en recht) verhogen;

65.

wijst er nogmaals op dat er in 2009 zeven keer meer alleenstaande moeders dan alleenstaande vaders waren; benadrukt dat alleenstaande moeders derhalve voorrang moeten krijgen bij de toewijzing van sociale woningen, evenals groepen of personen in kwetsbare situaties, zoals alleenstaande ouders, jonge gezinnen, grote gezinnen, jonge mensen aan het begin van hun carrière, migrantenvrouwen, mensen met een handicap en ouderen; merkt op dat de economische crisis aanvankelijk grotere gevolgen had voor mannen dan voor vrouwen, maar dat in een later stadium van de crisis de werkloosheid onder vrouwen sterker is toegenomen dan onder mannen;

Energiearmoede bestrijden

66.

is bezorgd over de toename van de energiearmoede, die tussen 50 en 125 miljoen Europeanen treft, en die hoofdzakelijk het gevolg is van de combinatie van lage inkomens in het huishouden, verwarming en isolatie van slechte kwaliteit, en te hoge energiekosten;

67.

vraagt de Commissie een mededeling over de bestrijding van energiearmoede aan te nemen waarin de lidstaten wordt gevraagd een definitie van energiearmoede vast te stellen die op gemeenschappelijke parameters is gebaseerd, maar per lidstaat kan worden aangepast aan de eigen nationale situatie; herhaalt dat de betaalbaarheid van huisvesting niet alleen in termen van huurprijzen moet worden gezien, maar eveneens in termen van de bijbehorende energierekeningen; is echter van mening dat energiearmoede niet alleen uit het oogpunt van het uitgavenniveau en de energieprijzen dient te worden bekeken, omdat energiearmoede ook een kwalitatieve dimensie heeft die met name samenhangt met het verbruiksgedrag en de verbruiksgewoonten van de bewoners;

68.

vraagt de Commissie en de lidstaten te garanderen dat de verdieping van de interne energiemarkt gepaard gaat met maatregelen ter bescherming van kwetsbare consumenten;

69.

is van mening dat het recht op toegang tot energie van essentieel belang is om een waardig leven te leiden; vraagt de lidstaten hun definitie van „fatsoenlijke woning” te verfijnen om rekening te houden met energie-efficiëntienormen; vraagt de lidstaten energiearmoede met name via de publieke energieregulators te bestrijden en op basis van lokale energieaudits geïntegreerde maatregelen te nemen, zoals:

speciale financiële regelingen voor de energiekosten van de meest kwetsbare huishoudens (zoals billijke energietarieven, ad-hocsteun of in andere sociale uitkeringen geïntegreerde steun, preventie van onbetaalde facturen, bescherming tegen afsluiting);

specifieke nationale of regionale fondsen om de energiearmoede te verminderen, die van middelen kunnen worden voorzien via een financiële bijdrage van de energieleveranciers op basis van hun verplichtingen om het verbruik te verlagen overeenkomstig Richtlijn 2012/27/EU inzake energie-efficiëntie;

steun voor stimulansen en voorlichting of bewoners te helpen energie te besparen;

doeltreffende financiële hefbomen op lange termijn om woningen energie-efficiënter te maken, zowel in stedelijke als in plattelandsgebieden, zonder dat hierdoor de kosten van de woning voor huurders fors stijgen na aftrek van de gerealiseerde energiebesparingen; vraagt de Commissie zich in te zetten voor de coördinatie hiervan en de invoering van stimuleringsmechanismen te onderzoeken;

70.

brengt in herinnering dat de woningsector een van de grootste mogelijkheden voor energiebesparing vormt; onderstreept dat de energie-efficiëntiemaatregelen– voor zover de kosten voor het energiezuiniger maken niet hoger zijn dan de gerealiseerde energiebesparingen — op middellange en lange termijn in de eerste plaats moeten dienen om de koopkracht en hun levenskwaliteit van de huishoudens te vergroten; onderstreept dat deze maatregelen ook zorgen voor een vermindering van de koolstofemissies, het scheppen van banen, ondersteuning van de lokale economie en kostenbesparingen in de gezondheidszorg;

71.

wijst op de potentiële voordelen van met name regelingen voor de subsidiëring van de toepassing van energie-efficiënte en hernieuwbare micro-energieopwekking in sociale woningen, waarmee op de energierekening kan worden bespaard en waarvan de inkomsten rechtvaardig tussen de huurder en de wooncorporatie of eigenaar kunnen worden verdeeld, hetgeen leidt tot een lagere energierekening de huurders en extra middelen voor de verdere renovatie van woningen en de verbetering van het woningaanbod;

72.

is van mening dat de maatregelen voor het energiezuiniger maken van woningen ten behoeve van de bestrijding van de energiearmoede bijdragen aan de preventie van gezondheidsproblemen (zoals aandoeningen van de luchtwegen, hartaandoeningen, allergieën, astma, voedsel- of koolmonoxidevergiftiging, gevolgen voor de mentale gezondheid van de bewoners);

73.

wijst nogmaals op het belang van programma's ter verbetering van de energieprestaties van gebouwen voor het bevorderen van de betaalbaarheid van sociale huisvesting en huisvesting in de particuliere sector; benadrukt dat de Commissie de richtsnoeren voor staatssteun met betrekking tot nationale en EU-fondsen voor desbetreffende renovaties en investeringen dient te verduidelijken en dat het noodzakelijk is waar mogelijk in flexibiliteit te voorzien om ervoor te zorgen dat wooncorporaties en particuliere eigenaren bij dergelijke investeringen ter verwezenlijking van deze tweeledige sociale en milieudoelstelling een beroep kunnen doen op de meest passende financieringsstromen, zonder dat dit indruist tegen de mededingingsregels van de EU;

74.

is verheugd over het feit dat maatregelen ter bevordering van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie in de periode 2014-2020 in aanmerking zullen komen voor het EFRO en het Cohesiefonds; moedigt de lidstaten, de lokale en regionale overheden en alle betrokken partners aan een beroep te doen op het EFRO en het Cohesiefonds voor werkzaamheden ter verbetering van de energieprestaties, met name ten behoeve van de huishoudens die het ergst door energiearmoede getroffen zijn;

75.

wijst met nadruk op de rol die energieleveranciers moeten spelen op het gebied van preventie en de oplossing van geschillen, met name door de installatie van slimme meters, de inrichting van een klantendienst en de verbetering van de prijzentransparantie;

76.

verzoekt de lidstaten de huishoudens beter te informeren door middel van voorlichtingscampagnes opdat zij op een meer verantwoorde wijze omgaan met hulpbronnen en op de hoogte zijn van de steun die zij via een aangepaste sociale begeleiding kunnen krijgen, en om opleidings- en bewustmakingscampagnes te voeren, met name gericht op beroepsbeoefenaren van de sociale sector, over de risico's van energiearmoede;

77.

verzoekt de lidstaten nationale databanken over energiearmoede op te zetten;

o

o o

78.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen en de regeringen van de lidstaten.


(1)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 12.

(3)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 33.

(4)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 8.

(5)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(6)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.

(7)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0495.

(8)  PB L 210 van 31.7.2006, blz. 12.

(9)  PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.

(10)  PB L 210 van 31.7.2006, blz. 1.

(11)  PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1.

(12)  PB C 169 E van 15.6.2012, blz. 66.

(13)  PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

(14)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0494.

(15)  http://ec.europa.eu/social/main/jsp?cat/d=738€largId=en€pubId=7315

(16)  http://epp.eurostat.ec.europa.eu/cache/ITY_PUBLIC/3-08022012-BP/EN/3-08022012-BP-EN.PDF

(17)  http://www.eurofound.europa.eu/publications/htmlfiles/ef1264.htm

(18)  http://www.eurofound.europa.eu/pubdocs/2011/891/en/1/EF11891EN.pdf

(19)  http://www.eurofound.europa.eu/pubdocs/2012/02/en/1/EFI20EN.pdf

(20)  PB L 7 van 11. 1.2012, blz. 3.

(21)  http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=135024&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=1202581)

(22)  PB L 298 van 7.11.2008, blz. 20.

(23)  Raad van de EU, 3053e zitting van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken, Brussel, 6 december 2010.

(24)  Verslag van het Comité voor sociale bescherming aan de Raad, Raad van de EU, 6624/11 ADD 1 SOC 135 ECOFIN 76 SAN 30, van 18 februari 2011.

(25)  Verslag van het Comité voor sociale bescherming aan de Raad, Raad van de EU, 6500/10 SOC 115 ECONFIN 101 FSTR 8 EDUC 31 SAN 33, van 15 februari 2010.

(26)  EESC, 597/2012-TEN/484, 13 december 2012.

(27)  CoR 71/2011 final, ECOS-V/014 https://toad.cor.europa.eu/CORWorkInProgress.aspx

(28)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0419.

(29)  PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 57.

(30)  PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 120.

(31)  PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 116.

(32)  PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 19.

(33)  PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 65.

(34)  PB C 76 E van 27.3.2008, blz. 124.

(35)  PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 101.

(36)  PB C 259 E van 29.10.2009, blz. 19.

(37)  PB C 169 E van 15.6.2012, blz. 139.

(38)  http://www.eurofound.europa.eu/publications/htmlFiles/eFI264.htm

(39)  PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1.

(40)  PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/55


P7_TA(2013)0247

Onderwijs- en beroepsmobiliteit van vrouwen

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over onderwijs- en beroepsmobiliteit van vrouwen in de EU (2013/2009(INI))

(2016/C 065/05)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 2 en 3,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 8, 45, 165 en 166,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 21, 23 en 25,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

gezien Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 met als titel „Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015” (COM(2010)0491),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2010 met als titel „Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen: een Europese bijdrage aan volledige werkgelegenheid” (COM(2010)0682),

gezien de mededeling van de Commissie van 9 juni 2010 getiteld „Een nieuwe impuls voor Europese samenwerking op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding ter ondersteuning van de Europa 2020-strategie” (COM(2010)0296),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over de bevordering van de mobiliteit van werknemers in de Europese Unie (2),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0164/2013),

A.

overwegende dat het recht om te wonen en te werken in een ander land van de Europese Unie een van de fundamentele vrijheden is die door het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de burgers van de Europese Unie worden gewaarborgd en dat mobiliteit een complex verschijnsel is, waaraan economische, sociale of familiale aspecten ten grondslag liggen;

B.

overwegende dat de mobiliteit van werknemers en de onderwijsmobiliteit bijdragen aan een gevoel van betrokkenheid bij het Europees burgerschap en tevens een Europees beginsel zijn die de cohesie en de solidariteit op Europees niveau bevorderen;

C.

overwegende dat het Erasmus-programma, dat sinds 1987 voor meer dan 2,2 miljoen burgers van de Europese Unie een studie in het buitenland mogelijk heeft gemaakt, ook na de opleidingsperiode een bijzonder positieve bijdrage tot de grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers kan leveren, en dat een toename van de beroepsopleiding en -scholing van vrouwen hun mobiliteit bevordert;

D.

overwegende dat de economische en financiële crisis de Europese arbeidsmarkt negatief beïnvloeden, meer bepaald met betrekking tot de arbeidsparticipatie, de mogelijkheid van vrij verkeer en de arbeidskeuze volgens iemands beroeps- en opleidingskwalificaties, waarbij vrouwen een van de sterkst getroffen groepen zijn;

E.

overwegende dat volgens de laatste beschikbare gegevens de werkloosheid onder vrouwen in de Europese Unie 10,7 % bedraagt (22,7 % bij vrouwen onder 25 jaar);

F.

overwegende dat de beroepsmobiliteit een strategische doelstelling van de Europese Unie is, aangezien dit de efficiëntie van de interne markt doet toenemen en bijdraagt tot de groei van de beroepsvaardigheden en de werkgelegenheidsgraad, essentiële elementen voor de economische en sociale vooruitgang;

G.

overwegende dat er belangrijke genderverschillen zijn met betrekking tot de mobiliteit van werknemers binnen de EU: mannen verhuizen vaker en worden vaker overgeplaatst voor hun baan dan vrouwen (44 % tegenover 27 %), terwijl vrouwen vaker verplicht zijn hun loopbaan te onderbreken en over een langere afstand te verhuizen om hun partner te volgen;

H.

overwegende dat gendersegregatie op de arbeidsmarkt, een gebrek aan geschikte arbeidsvoorwaarden, het salarisverschil tussen mannen en vrouwen, ontoereikende maatregelen om werk en gezin met elkaar in evenwicht te brengen, hardnekkige stereotiepen en het risico op gendergerelateerde discriminatie de grootste hinderpalen vormen voor de beroepsmobiliteit van vrouwen; overwegende dat ook factoren die verband houden met het gezin, de grote verschillen in gezinstoelagen naargelang de lidstaat, sociaal netwerk, voorzieningen voor de opvang van kinderen en andere afhankelijke personen — in het bijzonder het gebrek aan toereikende openbare netwerken van kinderdagverblijven, crèches en openbare diensten voor vrijetijdsbesteding voor kinderen — huisvesting en omgevingsomstandigheden en andere belemmeringen (gebrekkige kennis van de taal en de rechten) vrouwen beletten om in heel Europa gebruik te maken van het recht om vrij te reizen, te wonen en te werken;

I.

overwegende dat vrouwen in de loop van hun leven vaker dan mannen worden blootgesteld aan maatschappelijke risico's, wat ertoe leidt dat er steeds meer vrouwen in de armoede belanden; overwegende dat de salarissen van vrouwen in de EU volgens de jongste schattingen gemiddeld 16,4 % lager liggen dan die van mannen en dat er met salarisverschillen van tussen de 1,9 % en 27,6 % aanzienlijke verschillen bestaan tussen de lidstaten (3);

J.

overwegende dat multidimensionale beleidsoplossingen, die levenslang leren, arbeidstijden en een evenwicht tussen werk en privéleven, gezondheid en veiligheid, en vormen van werkorganisatie omvatten, noodzakelijk zijn om de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt te verbeteren; F. overwegende dat multidimensionale beleidsoplossingen, die levenslang leren, arbeidstijden en een evenwicht tussen werk, gezins- en privéleven, gezondheid en veiligheid, en vormen van werkorganisatie omvatten, noodzakelijk zijn om de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt te verbeteren;

K.

overwegende dat een kwaliteitsvolle opleiding vrouwen betere vooruitzichten biedt op de arbeidsmarkt, hen in staat stelt om hun vaardigheden bij te schaven en belangrijke vaardigheden te verwerven in specifieke sectoren en tegelijkertijd hun deelname aan het maatschappelijke leven en aan culturele activiteiten bevordert en hun erkenning op de arbeidsmarkt verbetert;

L.

overwegende dat onderwijsmobiliteit bijdraagt aan de bevordering van beroepsmobiliteit en de verhoging van kansen op de arbeidsmarkt, en voor iedereen beschikbaar moet zijn, inclusief voor vrouwen met een laag kwalificatieniveau;

1.

benadrukt dat in het EU-beleid inzake onderwijs, maatschappelijke integratie, het combineren van werk en gezin, migratie en arbeid, armoede, gezondheidszorg alsook in het socialezekerheidsbeleid meer rekening moet worden gehouden met de situatie van vrouwen in de verschillende leeftijdscategorieën om de rechten van vrouwen te beschermen, gelijkheid en gelijke kansen voor mannen en vrouwen op het vlak van de werkgelegenheid te bevorderen, te zorgen voor veilige arbeidsomstandigheden, gelijke toegang en carrièremogelijkheden te verzekeren, onder meer door dezelfde selectiecriteria toe te passen bij sollicitaties, meer oog te hebben voor de situatie van vrouwen in het besluitvormingsproces en alle vormen van discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden, zoals beroepssegregatie en loondiscriminatie, met name door het bevorderen van levenslang leren, het bestrijden van onzekere arbeid en de bevordering van banen met rechten, werktijden die het evenwicht tussen werk en gezin niet in het gedrang brengen, een openbaar netwerk voor gezondheidszorg, een openbaar socialezekerheidsstelsel en het bieden van de mogelijkheid aan vrouwen om hun werktijden zo te organiseren als zij dat wensen;

2.

wijst op het belang van erkenning van de toegevoegde waarde van de mobiliteit van werknemers en de onderwijsmobiliteit voor de Europese Unie; wijst erop dat het, vanwege de gevolgen van de economische crisis, noodzakelijk is om de beroepskeuze af te stemmen op het aanbod op de arbeidsmarkt en het aanpassingsvermogen van vrouwen te vergroten, zodat zij zich snel kunnen aanpassen aan de eisen van nieuwe carrièremogelijkheden wanneer zij van baan veranderen;

3.

is van mening dat het bevorderen van de onderwijs- en beroepsmobiliteit van vrouwen kan bijdragen aan de verwezenlijking van de centrale doelstelling van „Europa 2020” om de arbeidsparticipatie van vrouwen en mannen in de leeftijdscategorie 20-64 jaar op 75 % te brengen, onder meer door middel van een grotere participatie van jongeren, ouderen en laaggeschoolden en een betere integratie van migranten;

4.

verzoekt de lidstaten bij het opstellen van hun nationale strategieën en hervormingsprogramma's maatregelen in te voeren om te zorgen voor transparantie en een goede geïnformeerdheid over de rechten van vrouwen en hun gezinsleden in het kader van arbeidsmobiliteit;

5.

is van mening dat beroepsmobiliteit geen nadelige gevolgen mag hebben voor de sociale rechten van vrouwen en dat het behoud en de overdracht van de pensioenrechten die werden opgebouwd in het openbare socialezekerheidsstelsel daarom gegarandeerd moeten worden in de verschillende lidstaten; erkent evenwel de heterogeniteit van de pensioenstelsels in de EU;

6.

verzoekt de lidstaten gegevens over de belemmeringen, de schaal en de structuur van de mobiliteit van vrouwen te verzamelen en te analyseren, en de voordelen van beroepsmobiliteit op de nationale markt en van onderwijs- of beroepsmobiliteit in het buitenland meer bekendheid te geven en te promoten; verzoekt de Commissie en de lidstaten toezicht uit te oefenen op de situatie van bureaus en organisaties die werk aanbieden aan werknemers uit andere lidstaten, en potentieel illegaal of zwart werk op te sporen, alsmede bureaus en organisaties die fictieve banen aanbieden;

7.

verzoekt de lidstaten verslag uit te brengen over gendergegevens inzake beroepsmobiliteit en bij de opstelling van hun nationaal beleid en van hun nationale hervormingsprogramma's bepalingen op te nemen die de gendergelijkheid op het gebied van beroepsmobiliteit stimuleren, waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan de programmering en de uitvoering van door het Europees Sociaal Fonds (ESF) gefinancierde operationele programma's op nationaal of regionaal niveau voor de programmeringsperiode 2014-2020 en daarna; herinnert aan zijn resolutie van 23 oktober 2012, waarin het voorstel van de Commissie steunt om 25 % van het totale bedrag voor het cohesiebeleid toe te wijzen aan het ESF (4);

8.

benadrukt dat, indien dit thema binnen deze programma's een specifieke doelstelling of een speciale horizontale prioriteit wordt, er goede praktijken zullen ontstaan en de maatregelen op regionaal en/of lokaal niveau vruchten zullen afwerpen;

9.

wijst erop dat de werkgelegenheid enkel bevorderd kan worden als er meer aandacht wordt geschonken aan grensoverschrijdende samenwerking en aan de uitwisseling van goede praktijken tussen onderwijsinstellingen en beroepsorganisaties in de lidstaten, om zo de gelijkheid en de integratie van de onderwijsstelsels te versterken;

10.

roept de lidstaten op tot meer inspanningen voor en samenwerking in de strijd tegen mensenhandel waarbij internationale netwerken werknemers, en met name vrouwen, ronselen door hun werk in het vooruitzicht te stellen dat er niet is, hetgeen leidt tot situaties van seksuele uitbuiting of dwangarbeid (bedelarij, slavernij of gelijksoortige praktijken, uitbuiting, exploitatie van criminele activiteiten of verwijdering van organen);

11.

wijst erop dat mobiliteit gestoeld moet zijn op een gelijke behandeling van man en vrouw en op de strijd tegen discriminatie op basis van geslacht, ras, afkomst, godsdienst, leeftijd of gezondheidstoestand;

12.

wijst erop dat vrouwen die naar het buitenland verhuizen om huishoudelijk werk te gaan doen waarbij ze voor kinderen, gehandicapten of ouderen moeten zorgen, vaak zonder contract of illegaal tewerkgesteld worden, en bijgevolg geen recht hebben op sociale zekerheid, gezondheidszorg, een passend pensioen of andere voordelen die met pensioenbijdragen verband houden;

13.

verzoekt de sociale partners, de lidstaten en de Commissie zich ervoor in te zetten dat in collectieve arbeidsovereenkomsten krachtiger wordt gestreefd naar gendergelijkheid, onder andere door het recht op flexibele werktijden, kinderopvangvoorzieningen, begeleiding van vrouwelijke werknemers en maatregelen voor een grotere vertegenwoordiging van vrouwen in collectieve onderhandelingen te bevorderen, en door het effect van collectieve arbeidsovereenkomsten op vrouwen te onderzoeken;

14.

verzoekt de lidstaten de situatie van werknemers die voor kinderen en andere afhankelijke personen zorgen te onderzoeken, ervoor te zorgen dat vrouwen die naar het buitenland verhuizen voor het verrichten van dergelijke werkzaamheden in het bezit komen van alle benodigde informatie, met inbegrip van informatie over banen en scholing op dat gebied, over sociale rechten, gezondheidszorg, enz., dat ze advies krijgen omtrent legaal werk en dat ze worden gewaarschuwd voor de mogelijke gevaren van de illegale arbeidsmarkt;

15.

onderstreept dat in het Europees beleid ook rekening moet worden gehouden met de leef- en arbeidsomstandigheden van werknemers die verhuizen om als tijdelijke kracht in de landbouw te werken, met name wat betreft de noodzaak van passende huisvesting, sociale en ziektekostenverzekeringen en gezondheidszorg, de combinatie van werk en gezin en een behoorlijk salaris; benadrukt de noodzaak om situaties van uitbuiting waarin veel van deze vrouwen terechtkomen te bestrijden;

16.

wijst erop dat vrouwen die om arbeidsredenen naar het buitenland verhuizen vaak onderaan de arbeidsmarkt werkzaam zijn wat professionele kwalificatie, loon en aanzien betreft, en dat de arbeidsmigratie van vrouwen vaak is geconcentreerd in een klein aantal „vrouwelijke” beroepen die geassocieerd worden met traditionele genderpatronen; verzoekt daarom de lidstaten ervoor te zorgen dat geschikte contractuele oplossingen worden uitgewerkt en dat het overmatige gebruik van ongewone overeenkomsten wordt ontmoedigd;

17.

verzoekt de lidstaten om samen oplossingen te vinden ter voorkoming en compensatie van bepaalde effecten van de mobiliteit van werknemers in een aantal lidstaten en vakgebieden (bijvoorbeeld medisch personeel — voornamelijk vrouwen) die de mensenrechten in de lidstaat van oorsprong zouden kunnen aantasten;

18.

is van oordeel dat overdraagbaarheid van socialezekerheidsrechten essentieel is om ervoor te zorgen dat vrouwen die naar het buitenland verhuizen daadwerkelijk hun rechten kunnen doen gelden;

19.

wijst op de grote verschillen in gezinstoelagen en sociale rechten naargelang de lidstaat en merkt op dat deze verschillen een echte belemmering kunnen vormen voor de arbeidsmobiliteit van mannen en vrouwen die een gezin ten laste hebben;

20.

verzoekt de lidstaten de wederzijdse erkenning van diploma's en beroepskwalificaties te garanderen en vereenvoudiging van de erkenningsprocedures te bevorderen;

21.

wijst erop dat burgers in gevallen waarin de erkenning op zich niet zozeer een probleem is, maar de omslachtigheid van de erkenningsprocedure tot vertraging leidt, in de nieuwe omgeving in de EU geen goede start kunnen maken;

22.

spreekt zijn bezorgdheid uit over de grote verspilling van talent onder vrouwen in de vorm van onderbenutting van de kwalificaties van migrerende vrouwen, met name in de sterk door vrouwen beheerste sectoren verpleging en huishoudelijk werk;

23.

benadrukt de noodzaak om vrouwen duidelijke regels te garanderen die hun toegang tot de top van ondernemingen bevorderen en vestigt er de aandacht op dat een grotere aanwezigheid van vrouwen in de raden van bestuur de concurrentiekracht verhoogt en de productiviteit doet toenemen; is daarom verheugd over het voorstel van de Europese Commissie om tegen 2020 een minimumquotum te realiseren van 40 % vrouwen bij de niet-uitvoerende leden van de raden van bestuur van beursgenoteerde Europese ondernemingen met 250 of meer medewerkers en met een globale jaarlijkse omzet van meer dan 50 miljoen euro;

24.

verzoekt de Commissie en de lidstaten schendingen van de rechten van vrouwen op de arbeidsmarkt beter vast te stellen en te corrigeren, en deze schendingen effectief te bestraffen, zodat voldoende informatie kan worden verschaft aan vrouwen die in het buitenland wonen voor hun werk, inclusief met betrekking tot de toegang tot banen en beroepsopleiding en hun recht op sociale zekerheid en gezondheidszorg, en advies te geven met betrekking tot arbeidsmogelijkheden en sociale huisvestingsprogramma's zonder extra kosten;

25.

verzoekt de Commissie toezicht te houden op en regelmatig te rapporteren over de manier waarop mannen en vrouwen gebruik maken van de EU-middelen gericht op onderwijs en opleiding, beroeps- en onderwijsmobiliteit en arbeidsmarktparticipatie; verzoekt de lidstaten en de Commissie in het geval van onevenwichtig gebruik snel te reageren;

26.

verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen teneinde de barrières weg te nemen, die vrouwen tegenkomen bij hun professionele en maatschappelijke ontwikkeling in landen waar zij naartoe zijn verhuisd en die niet hun land van herkomst zijn;

27.

herinnert eraan dat vrouwen, inclusief migrantenvrouwen, vaker dan mannen gedwongen worden tot deeltijdarbeid (in 2011 werkte 32,1 % van de vrouwen tegen 9 % van de mannen in de Europese Unie deeltijds); verzoekt de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om deeltijdse indienstneming af te remmen (verplichte rechtvaardiging, schrapping van bepaalde belastingvoordelen, enz.) en de rechten van vrouwen te versterken die zich niet aan deeltijdarbeid kunnen onttrekken (voorkeur bij indienstneming, onzekerheidspremie bij ontslag, enz.);

28.

dringt bij de lidstaten en de Commissie aan op de versterking van het EU-beleid ter bestrijding van directe en indirecte discriminatie van migrerende EU-werknemers, en met name van vrouwen, die in een andere lidstaat verblijven, en het misbruik van hun rechten als gevolg van hun ontoereikende kennis van de talen en/of de wetten die van toepassing zijn op hun tewerkstelling in de gastlidstaat;

29.

nodigt de Commissie en de lidstaten uit om, met de steun van de plaatselijke actoren, sociale partners en de vormingsinstellingen, de vrouwen meer bewust te maken van de door de beroepsmobiliteit geboden kansen, met bijzondere verwijzing naar de persoonlijke ontwikkeling, loopbaanplanning en hun rechten wanneer zij om beroepsredenen van de ene lidstaat naar een andere verhuizen;

30.

verzoekt de lidstaten contactpunten in te stellen voor mobiele werknemers die huishoudelijke en zorgtaken verrichten en een individueel arbeidscontract met hun werkgever hebben, zodat zij in staat worden gesteld een netwerk op te bouwen waardoor zij op de hoogte zijn van hun rechten, alsmede om non-gouvernementele organisaties op dit gebied te ondersteunen;

31.

spoort de lidstaten aan om de lokale en regionale autoriteiten meer mogelijkheden te bieden om:

programma's op te zetten en uit te voeren voor de integratie van vrouwen en mannen in lokale gemeenschappen en de bevordering van interculturele uitwisseling,

vrouwen die hun echtgenoot of partner naar een andere lidstaat volgen passende diensten aan te bieden, zoals cursussen om hun integratie in de nieuwe maatschappelijke en culturele omgeving te vergemakkelijken, bijvoorbeeld taalcursussen of beroepsopleidingen, speciaal gericht op kwetsbare vrouwen,

meer aandacht te besteden aan de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt, met name aan het verwerven en bijhouden van kwalificaties en het verwerven van vaardigheden door vrouwen en aan de uitvoering van het programma voor levenslang leren,

voorzieningen te treffen voor zeer mobiele vrouwen in risicogroepen, zoals huishoudelijk personeel, gezondheidswerkers, schoonmaaksters en vrouwen in de horeca,

bewustmakingscampagnes van non-profitorganisaties te steunen die gericht zijn op vrouwen in internationale gemeenschappen, zoals echtgenotes en partners van expats,

integratiebegeleidingsprogramma's, psychologische begeleiding en integratieprojecten te ontwikkelen; benadrukt hierbij dat concrete maatregelen in de praktijk helpen om problemen te begrijpen en op te lossen;

32.

wijst erop dat salarisverschillen tussen mannen en vrouwen schadelijk zijn voor de economie en nadelig zijn voor individuen; benadrukt dat salarisverschillen tussen mannen en vrouwen voor een deel te wijten zijn aan het feit dat in sectoren waarin vrouwen oververtegenwoordigd zijn, de salarissen vaak lager liggen;

33.

dringt er bij de lidstaten op aan de loonontwikkeling transparanter te maken, onder meer door collectieve arbeidsovereenkomsten te bevorderen, om te voorkomen dat loonsverschillen blijven bestaan of groter worden, inclusief de gevolgen voor de pensioenopbouw in de lidstaat van herkomst en de ontvangende lidstaat, en maatregelen te nemen om de salariskloof te overbruggen; verzoekt de Commissie nieuwe maatregelen voor te stellen om de loonsverschillen tussen mannen en vrouwen te bestraffen en effectief te beperken, en toe te zien op de goede tenuitvoerlegging en de doeltreffendheid van Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (5), alsook de bestaande wetgeving inzake gelijke beloning van mannen en vrouwen (Richtlijn 2006/54/EG) te herzien, zoals het Parlement heeft gevraagd in zijn resolutie van 13 maart 2012; dringt er bij de Commissie en de lidstaten met klem op aan dat zij in samenwerking met sociale partners beleid ontwikkelen om salarisverschillen tussen mannen en vrouwen de wereld uit te helpen en zich te richten op de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt en de bevordering van gelijke kansen op het gebied van mobiliteit;

34.

onderstreept dat de opvoeding van kinderen de gedeelde verantwoordelijkheid moet zijn van de man en de vrouw en van de maatschappij in haar geheel en dringt er bij de lidstaten op aan werknemers die met hun echtgenote of partner en/of kinderen verhuizen, ongeacht hun salaris of hun kwalificaties, te voorzien van informatie over in de ontvangende lidstaat verstrekte gezinstoelagen, openbare opvang voor kinderen en andere afhankelijke personen, peuter- en kleuteronderwijs en medische zorg, naast de vrije toegang tot de openbare diensten voor arbeidsvoorziening volgens de geldende nationale voorschriften om de echtgenoten of partners die naar een andere lidstaat verhuizen te helpen een baan te vinden; wijst er nogmaals op dat het recht op gezinshereniging moet worden gegarandeerd;

35.

roept de lidstaten op om infrastructurele maatregelen te nemen ter ondersteuning van mobiele werknemers en hun gezinnen, waaronder maatregelen inzake de toegang tot onderwijs en kinderopvang, sociale zekerheid en collectieve voorzieningen; verzoekt zowel uitzendende als ontvangende lidstaten mechanismen te ontwikkelen voor de integratie en reïntegratie van zeer mobiele werknemers en hun gezinnen; benadrukt dat werkgevers meer waardering zouden moeten hebben voor de interculturele vaardigheden van vrouwen die naar een ander land verhuizen;

36.

moedigt de lidstaten aan om armoede en sociale uitsluiting onder vrouwen in alle leeftijdscategorieën te bestrijden; roept de Commissie en de lidstaten op om maatregelen te nemen ter voorkoming van de feminisering van armoede, door werkgelegenheid en ondernemingszin onder vrouwen te bevorderen, salarisverschillen te bestrijden en de combinatie van werk- en gezinstaken te vergemakkelijken door de ontwikkeling van kinderopvangfaciliteiten;

37.

verzoekt de lidstaten en de Commissie om speciale aandacht te schenken aan het probleem van armoede onder oudere vrouwen, dat veroorzaakt wordt door het feit dat vrouwen vaak minder pensioen ontvangen, onder meer omdat zij in bepaalde periodes van hun leven niet hebben gewerkt om voor kinderen of hulpbehoevende familieleden te kunnen zorgen;

38.

verzoekt de lidstaten om werkgevers aan te moedigen het werk voor vrouwen flexibeler te maken, met name voor vrouwen met kinderen die in de lidstaat van oorsprong zijn achtergebleven, opdat zij een tastbare en fysieke band met hen kunnen behouden;

39.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om in bedrijven en openbare overheden de toepassing van arbeid op afstand onder billijke loon- en sociale voorwaarden aan te moedigen, zodat vrouwen hun loopbaan niet hoeven te onderbreken vanwege de mobiliteit van hun partner;

40.

verzoekt de lidstaten actief deel te nemen aan de verwijdering van barrières voor de mobiliteit van werknemers door gezinsleden en partners diensten aan te bieden, zoals cursussen, om hun langdurige integratie in de nieuwe sociale en culturele omgeving te vergemakkelijken, bijvoorbeeld taalcursussen en beroepsgerichte cursussen, en op die manier hun onafhankelijkheid en hun waardigheid te garanderen;

41.

benadrukt de noodzaak om vrouwen te stimuleren te kiezen voor onderwijs en opleidingen in wiskunde, informatica, natuurwetenschappen en technologie, teneinde beroepssegregatie en loondiscriminatie uit te bannen; roept de lidstaten op om beroepen waarvoor wetenschappelijke, technische en wiskundige vaardigheden vereist zijn al op jonge leeftijd bij vrouwen onder de aandacht te brengen om de inzetbaarheid van vrouwen op de arbeidsmarkt te verbeteren en de overgang tussen onderwijs, beroepsopleiding en beroepsleven te versoepelen; dringt er daarom bij de lidstaten op aan om hoogwaardige adviesdiensten voor beroepskeuze en loopbaanbegeleiding aan te bieden of verder te ontwikkelen om vrouwen op dit gebied te ondersteunen;

42.

benadrukt dat het in een vroeg stadium aantrekken van vrouwen tot beroepen in cruciale sectoren met een hoog banenpotentieel, in het bijzonder de groene economie, de gezondheidszorg, de sociale dienstverlening en de digitale economie, positieve effecten heeft;

43.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om gendersegregatie in bepaalde sectoren actief tegen te gaan, zowel door individuen al vroeg te motiveren tot een keuze voor die sectoren als door het aanpakken van de omstandigheden die de desbetreffende sectoren minder aantrekkelijk maken voor vrouwen of mannen, zoals arbeidsomstandigheden die onverenigbaar zijn met zorgtaken of de hoogte van de salarissen;

44.

herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om onderwijs- en arbeidsmobiliteit te bevorderen door: (a) het bewustzijn te vergroten en informatie toegankelijker te maken voor iedereen; (b) de nadruk te leggen op de toegevoegde waarde van mobiliteit in de eerste onderwijsjaren; (c) ervoor te zorgen dat de studieresultaten van mobiliteitservaringen tussen de lidstaten worden gevalideerd; (d) de administratieve lasten te beperken en de samenwerking tussen de betrokken overheden in alle lidstaten aan te moedigen; en (e) verblijf in het buitenland te erkennen in de opbouw van pensioen in de lidstaat van herkomst;

45.

roept de Commissie op om de nadruk te leggen op alle dimensies van onderwijs en beroepsopleiding, van hoger onderwijs en volwassenenonderwijs, om zo de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren en betere vooruitzichten te bieden op een baan;

46.

merkt op dat het Erasmus-programma alleen al, sinds de start ervan in 1987, meer dan 2,2 miljoen studenten de kans heeft geboden zich binnen de EU te verplaatsen, en dat het programma een enorme bijdrage heeft geleverd aan de mobiliteit in het Europese hoger onderwijs; hoopt daarom dat binnen de toekomstige financiële vooruitzichten een gepaste financiële dekking is voorbehouden voor alle programma's ter ondersteuning van mobiliteit en vorming; verzoekt de Commissie en de lidstaten de Europese en internationale onderwijs- en studieprogramma's, alsook programma's als Grundtvig, Comenius, Leonardo da Vinci, Jean Monnet en Erasmus te blijven steunen om de onderwijs- en beroepsmobiliteit voor vrouwen in de EU te bevorderen en ook de docenten toe te laten een periode van hun eigen loopbaan in een andere EU-lidstaat door te brengen, wat bijdraagt tot de ontwikkeling van een Europees burgerschaps- en identiteitsgevoel; onderstreept het belang van het nieuwe meerjarenprogramma voor onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport, dat voortbouwt op de positieve ervaringen die zijn opgedaan met alle bestaande Europese programma's op het gebied van mobiliteit en onderwijs;

47.

benadrukt het belang van gendergevoelige onderwijsstelsels, omdat deze aan kinderen een breed scala aan keuzemogelijkheden bieden bij het ontdekken van hun talenten; benadrukt dat onderzoek uitwijst dat sterke genderstereotypen in het onderwijs bijdragen aan gendersegregatie op de arbeidsmarkt, zowel met betrekking tot sectoren als met betrekking tot beroepen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan deze stereotypen te bestrijden;

48.

benadrukt dat het noodzakelijk is om een garantie voor jongeren in te voeren in de lidstaten van de Europese Unie om de toegang van jongeren, en dus ook van vrouwen met een diploma, tot de arbeidsmarkt te verbeteren en de stap van het onderwijs naar de arbeidsmarkt te vergemakkelijken; onderstreept dat mobiliteitspatronen in het begin van de loopbaan bepalend zijn voor het verdere verloop van de carrière; herinnert aan zijn resolutie van 24 mei 2012 over het initiatief „kansen voor jongeren” en die van 16 januari 2013 over een jongerengarantie; verzoekt derhalve de Commissie en de lidstaten om het werkgelegenheidspakket voor jongeren, met name met betrekking tot „Je eerste EURES-baan”, en de jongerengarantie snel uit te voeren om zodoende de onderwijs- en beroepsmobiliteit van jonge vrouwen al vroeg te bevorderen;

49.

verzoekt de Commissie tevens oplossingen te ontwerpen om te zorgen voor de benodigde samenhang tussen het onderwijsniveau dat verworven is met behulp van de mobiliteit van jongeren en het dienovereenkomstige arbeidsaanbod op dat niveau, teneinde de mobiliteit in deze twee fases — onderwijs en werkend leven — te waarborgen;

50.

wijst erop dat het om de werkgelegenheid te bevorderen en langdurige werkloosheid tegen te gaan noodzakelijk is om de mobiliteit van niet enkel studenten en werknemers, maar ook van gespecialiseerde onderwijzers, te ontwikkelen en zo kwaliteitsvol onderwijs te garanderen;

51.

wijst erop dat het belangrijk is de sociale dimensie te versterken en de toegang van vrouwen uit achtergestelde milieus, vrouwen met een laag inkomen, vrouwen met zwangerschapsverlof of alleenstaande moeders tot programma's voor onderwijsmobiliteit te verbeteren;

52.

roept de lidstaten ertoe op om duidelijkheid te scheppen over de mogelijkheden voor vrouwen om financiële steun te krijgen in het kader van onderwijs- en beroepsmobiliteit en om de toegang tot die informatie te vergemakkelijken;

53.

benadrukt dat vrouwen met een handicap, vrouwen zonder kwalificaties of met weinig opleiding en alleenstaande moeders voldoende informatie en bijkomende steun moeten worden verleend om toegang te krijgen tot bestaande programma's voor mobiliteit in opleiding, voortgezette opleiding en onderwijs;

54.

vraagt in het bijzonder aandacht voor vrouwen met een beperking en wijst erop dat er maatregelen getroffen moeten worden om de tweeledige discriminatie van deze vrouwen te bestrijden en om voor deze groep volledig gelijke rechten en kansen te waarborgen;

55.

is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de eerbiediging van de culturele achtergrond en/of tradities van vrouwen uit minderheidsgroepen;

56.

verzoekt de lidstaten nationale, regionale en lokale projecten ter verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen te stimuleren; verzoekt de lidstaten het verrichten van vrijwilligerswerk en liefdadigheidsactiviteiten door mannen en vrouwen te stimuleren;

57.

acht het noodzakelijk dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de ondersteuning van de mobiliteit van vrouwen boven de 45, omdat die zich vaker dan anderen gedwongen zien om onzekere arbeidsomstandigheden te aanvaarden;

58.

benadrukt dat het participatieniveau van vrouwen die naar het buitenland zijn verhuisd in programma's voor levenslang leren, inclusief programma's met betrekking tot de ontwikkeling van vaardigheden, moet worden opgevoerd en dat er eveneens programma's ter versterking van de maatschappelijke integratie moeten worden ingevoerd;

59.

benadrukt dat werkloosheid en moeilijkheden om een baan te vinden vrouwen van alle leeftijden treffen en dat die vrouwen zich snel moeten kunnen aanpassen aan de behoeften van de arbeidsmarkt en verwelkomt de door de Commissie voorgestelde maatregelen om de huidige onaanvaardbaar hoge jeugdwerkloosheidgraad en de graad van sociale uitsluiting aan te pakken en om de jongeren banen, onderwijs en opleiding te bieden; steunt de initiatieven van de Commissie, zoals het „Women Mobility Enhancement mechanism”, en verzoekt haar het bereik van de projecten die zijn gericht op het vergroten van de professionele mobiliteit van vrouwen te vergroten en te verbeteren;

60.

wijst op de conclusies van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties; benadrukt dat vrijwilligerswerk en uitwisselingen van kennis en ervaring tussen vrouwen van verschillende generaties steun moeten krijgen;

61.

roept de Commissie ertoe op om voldoende aandacht te besteden aan een correcte verdeling van de financiële middelen voor programma's die de werkgelegenheid bij vrouwen en de kwaliteit van de opleiding van kansarme groepen bevorderen;

62.

dringt aan op de oprichting van een Europees advies- en dienstverleningsnetwerk om lokale gemeenschappen te helpen bij de aanpak van dit probleem door middel van het verstrekken van informatie, kennis en begeleiding op het gebied van de integratie van vrouwen; pleit voor de bevordering en het gebruik van instrumenten en netwerken en voortzetting van de financiering van bestaande Europese netwerken en instrumenten ter bevordering van de mobiliteit, zoals Eures, Uw Europa en Europe Direct, die het voor vrouwen ook gemakkelijker maken informatie in te winnen over hun rechten en mogelijkheden in de verschillende lidstaten;

63.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.


(1)  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.

(2)  PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 35.

(3)  Eurostat 2010, behalve voor EE, EL (2008). AT, BE, ES, IE, FR, IT, CY: voorlopige bron.

(4)  Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2012 met het oog op het bereiken van een positief resultaat van de goedkeuringsprocedure van het meerjarig financieel kader 2014-2020 (Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0360).

(5)  PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/63


P7_TA(2013)0248

Elektronische tolheffingsdienst en een vignetregeling voor lichte particuliere voertuigen

Resolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over een strategie voor een elektronische tolheffingsdienst en een vignetregeling voor lichte particuliere voertuigen in Europa (2012/2296(INI))

(2016/C 065/06)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met de titel „De toepassing van nationale heffingen voor het gebruik van wegeninfrastructuur die worden opgelegd aan lichte particuliere voertuigen” (COM(2012)0199),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met de titel „Tenuitvoerlegging van de Europese elektronische tolheffingsdienst” (COM(2012)0474),

gezien het witboek inzake vervoer met de titel „Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte — werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem” (COM(2011)0144),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0142/2013),

A.

overwegende dat het huidige, door de Commissie ingevoerde stelsel voor een Europese elektronische tolheffingsdienst niet functioneert en dient te worden herzien; overwegende dat bepaalde marktdeelnemers momenteel geen financieel voordeel zien in de aanneming van een gemeenschappelijk en interoperabel EETS-stelsel;

B.

overwegende dat de inkomsten die de lidstaten verkrijgen uit belastingen en accijnzen in de toekomst hoogstwaarschijnlijk zullen afnemen doordat wordt afgestapt van het gebruik van op aardolie gebaseerde brandstoffen;

C.

overwegende dat het beginsel dat „de gebruiker/vervuiler betaalt” een leidraad moet blijven vormen voor het Europese vervoer;

D.

overwegende dat steeds meer lidstaten in de zeer nabije toekomst wegentol zullen heffen;

E.

overwegende dat zich bij de tenuitvoerlegging van nieuwe tolheffingssystemen in grensoverschrijdende gebieden herhaaldelijk problemen met niet-ingezetenen hebben voorgedaan, die hebben geleid tot vorderingen om schadevergoeding en klachten over discriminatie;

F.

overwegende dat de EU er mee moet voor zorgen dat deze nieuwe ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor het grensoverschrijdend verkeer, het dagelijks leven van de mensen in grensgebieden of de grensoverschrijdende handel;

G.

overwegende dat de EU zich moet uitspreken voor een wegentol die geen discriminatie inhoudt jegens weggebruikers die buiten het tolheffende land wonen;

H.

overwegende dat in de toekomst niet alleen meer middelen moeten worden uitgetrokken voor het aanleggen van nieuwe wegen, maar vooral voor het in stand houden en onderhouden van de bestaande vervoersinfrastructuur;

I.

overwegende dat het de lidstaten vrij moet staan om op afstand dan wel op tijd gebaseerde heffingssystemen in te voeren, maar dat er maatregelen moeten worden getroffen om op afstand gebaseerde stelsels waar mogelijk te bevoordelen, aangezien deze eerlijker en minder discriminerend zijn dan op tijd gebaseerde stelsels;

J.

overwegende dat de technologie om systemen voor wegentolheffing interoperabel te maken reeds voorhanden is;

K.

overwegende dat het grootste probleem met betrekking tot de EETS erin bestaat dat de politieke wil om een dergelijk stelsel ten uitvoer te leggen ontbreekt — met marktgerelateerde of technische kwesties heeft dit niets te maken;

Algemeen kader

1.

merkt op dat de Commissie verklaart dat de twee belangrijkste belanghebbenden de tolheffende instanties en de EETS-aanbieders zijn, maar wijst erop dat de weggebruikers, met name de vervoersmaatschappijen, een derde grote actor zijn; wijst erop dat de gebruikers van particuliere voertuigen potentiële eindgebruikers zijn die de ontwikkeling van de EETS kunnen helpen versnellen;

2.

verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe deze belanghebbenden op de meest efficiënte wijze bij de volgende te nemen stappen kunnen worden betrokken;

3.

erkent dat de bescherming van de persoonsgegevens en van gegevens in het algemeen uiterst belangrijk is en dat iedere nieuwe maatregel moet stroken met de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming en in het bijzonder met Richtlijn 95/46/EG, maar benadrukt dat dit geen obstakel mag vormen voor de interoperabiliteit van systemen;

4.

erkent dat eigenaars van wegen het recht hebben om een passend bedrag te ontvangen voor het gebruik van hun infrastructuur en van de daarmee verband houdende diensten;

De EETS: tot dusver een mislukking, tijd voor een nieuwe koers

5.

is het eens met de Commissie dat de huidige EETS-richtlijn (2004/52/EG) niet heeft geleid tot de verwachte ontwikkeling van een interoperabele Europese elektronische tolheffingsdienst tussen de lidstaten; meent dat het om een mislukking gaat en benadrukt dat drastische maatregelen nodig zijn om het vooropgestelde doel te bereiken;

6.

meent dat de Commissie zo snel mogelijk wetgevingsinitiatieven op het gebied van interoperabiliteit moet overwegen, zodat alle belanghebbenden ertoe worden verplicht werk te maken van het EETS-project;

7.

betreurt dat de lidstaten door de bank genomen weinig interesse hebben getoond voor de uitbouw van de EETS en dat de Commissie niet meer maatregelen treft om handhaving van de EU-wetgeving te waarborgen; dringt er in dit verband op aan dat de Commissie een systeem van stimulansen ontwerpt en voorstelt waarmee de exploitanten en de lidstaten ertoe worden aangespoord om de termijnen voor de tenuitvoerlegging van het systeem te verkorten;

8.

is het eens met de Commissie dat er vraag is naar interoperabele oplossingen met betrekking tot elektronische wegentolheffing, maar meent dat er passende wetgevingsmaatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat belanghebbenden een dergelijk stelsel ook toepassen, aangezien het financiële voordeel van een interoperabel systeem niet voldoende doorweegt voor bepaalde fabrikanten van tolheffingsapparatuur of voor bepaalde wegenexploitanten;

9.

is van mening dat de marktgerichte benadering van de Commissie geen vruchten heeft afgeworpen, en dat er daarom politieke actie nodig is om de tenuitvoerlegging van de EETS te versnellen en in de nabije toekomst tot werkelijkheid te maken;

10.

vindt de regionaliseringsplannen van de Commissie niet zinvol, aangezien zij bijkomende vertragingen tot gevolg kunnen hebben, wat mogelijk nefast is voor de ontwikkeling van de dienst in de hele EU;

11.

is hoe dan ook van mening dat de ontwikkeling van de dienst in de hele Unie het uiteindelijke doel van de EU moet zijn; benadrukt dat, als er toch een regionalisering komt, dit hooguit een overgangsstadium mag zijn;

12.

vindt dat er bredere maatregelen nodig zijn, verzoekt de Commissie om, ten eerste, streng op te treden tegen de lidstaten die de EU-wetgeving niet naar behoren uitvoeren en, ten tweede, onverwijld een analyse te verrichten van alle beschikbare studies ter zake, teneinde een duidelijke grondslag te hebben om keuzes te maken voor de middellange en lange termijn, waarbij ook de optie om tol te heffen via gps/gnss-technologieën aandacht verdient, aangezien de files die ontstaan als gevolg van materiële obstakels op deze manier kunnen worden voorkomen en beperkt, en verlangt dat zij de resultaten van deze analyse uiterlijk eind 2013 presenteert;

13.

is van mening dat de Commissie een studie moet uitvoeren naar de financiële aspecten en voorwaarden die van de EETS een werkbare realiteit zouden maken;

14.

is van mening dat de interoperabiliteitsrichtlijn (2004/52/EG) een adequaat regelgevingskader vormt voor het naast elkaar bestaan van verschillende tolheffingssystemen, waardoor de lidstaten tussen verschillende technologieën kunnen kiezen, afhankelijk van de kenmerken van hun wegennet;

15.

is van mening dat de Commissie, ongeacht het gekozen systeem, alles in het werk moet stellen opdat de consumenten te allen tijde weten hoeveel tol er wordt geheven via de elektronische voorziening of het elektronische tolvignet;

16.

verlangt dat er bij de ontwikkeling van de tolheffingsdienst systematisch rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van beroepschauffeurs en andere bestuurders die een groot aantal lidstaten aandoen, vooral wanneer deze lidstaten in perifere gebieden liggen;

17.

verzoekt de Commissie in haar werkprogramma's voor de trans-Europese vervoersnetwerken te voorzien in de mogelijkheid om projecten te financieren die als basis voor een snellere tenuitvoerlegging van de EETS kunnen dienen;

18.

is van mening dat de marktgerichte benadering niet de verwachte vruchten heeft afgeworpen en dat de oorzaken hiervan moeten worden onderzocht;

19.

is van mening dat de industrie, in het bijzonder de aanbieders van tolheffingsdiensten, tolwegconcessies en fabrikanten van elektronische „vignetten” en aanverwante voorzieningen, geen interesse toont voor een EETS en dat er mogelijk een verordening nodig is om de belanghebbenden te dwingen om de koppen bij elkaar te steken; meent daarom dat de Commissie ondersteunende maatregelen moet treffen om een voor de eindgebruiker efficiënte tolheffingspraktijk tot stand te brengen, met name vanuit de wetenschap dat wegentolheffing in de toekomst op ruimere schaal zal worden toegepast;

20.

verzoekt de Commissie om een gedetailleerde evaluatie op te maken van de huidige projecten voor technische en contractuele interoperabiliteit tussen de lidstaten, en om waar nodig nieuwe, op beste praktijken gebaseerde maatregelen voor te stellen;

21.

is het eens met de Commissie dat de technologie om systemen voor wegentolheffing interoperabel te maken reeds voorhanden is;

22.

vestigt de aandacht op het voornemen van diverse lidstaten om in de komende jaren tolheffingssystemen in te voeren of bestaande concessies te verlengen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze systemen voldoen aan de vereisten inzake interoperabiliteit en te waarborgen dat de tenuitvoerlegging van de tolheffingssystemen in geen geval leidt tot belemmeringen voor het vrij verkeer en dus tot discriminatie jegens niet-ingezetenen;

23.

verzoekt de lidstaten en de exploitanten van tolwegen nauw samen te werken met de buurlanden en hun volledige medewerking te verlenen bij het opzetten van tolsystemen, betalings- en inningsfaciliteiten en bij het verstrekken van informatie aan gebruikers over prijzen, gebruiksvoorwaarden, enz.;

24.

dringt erop aan dat de Commissie bij niet-nakoming inbreukprocedures inleidt;

Wegentolheffing: vignetten, tol, interoperabiliteit en gegevensbescherming

25.

onderstreept dat het de lidstaten zijn die beslissen of ze al dan niet wegentol heffen en welk bedrag ze voor het gebruik van hun wegen aanrekenen, en dat de lidstaten ook het laatste woord moeten hebben over hoe de uit tolheffing verkregen inkomsten worden besteed;

26.

dringt er bij de lidstaten op aan dat zij hun vervoersnetwerken verder verbeteren om ze zo duurzaam, efficiënt, milieuvriendelijk en veilig mogelijk te maken, dit door de uit tolheffing verkregen inkomsten hiervoor aan te wenden;

27.

erkent dat er in de lidstaten momenteel plannen bestaan om ook nieuwe categorieën van voertuigen, waaronder lichte particuliere voertuigen, aan tolheffing te onderwerpen, wat het des te urgenter maakt voor de Commissie om een gecoördineerd en interoperabel tolheffingssysteem in te voeren;

28.

merkt op dat de meer algemene toepassing van tolheffing op alle categorieën van voertuigen op basis van het beginsel dat de vervuiler betaalt een stap in de goede richting is;

29.

roept de lidstaten op rekening te houden met de bijzondere positie van bewoners van grensregio's bij het uitwerken van nationale tolsystemen; benadrukt dat van nationale tolsystemen op geen enkele wijze een discriminerend effect mag uitgaan;

30.

verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem om bij de opstelling van plannen voor tolheffingssystemen voor het wegverkeer rekening te houden met de specifieke positie van grensregio's, opdat de impact voor de mensen in grensgebieden tot een minimum beperkt blijft;

31.

erkent dat de lidstaten zelf beslissen hoe ze hun inkomsten genereren, maar is van mening dat de EU tolsystemen moet bevorderen die gebaseerd zijn op afstand, dus niet op vignetten, aangezien de eerste categorie veel eerlijker is en geen discriminatie inhoudt, terwijl de tweede categorie in het verleden al problemen heeft veroorzaakt op het gebied van efficiëntie en discriminatie en dus waar mogelijk moet worden vermeden;

32.

is van mening dat de Commissie landen met op tijd gebaseerde systemen ertoe moet verplichten om de weggebruikers vignetten op maat aan te bieden die uitgaan van een structuur pro rata, bijvoorbeeld met dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse en jaarlijkse betaalopties, waarbij de weggebruikers de mogelijkheid hebben om tot dertig dagen voor het gebruik van een weg een vignet aan te kopen waarop duidelijk het bedrag staat vermeld dat als administratieve kost wordt geheven, en dat zij er voorts op aanstuurt dat op afstand gebaseerde systemen op grotere schaal worden toegepast, ten nadele van op tijd gebaseerde systemen;

33.

is van mening dat de invoering van elk nieuw heffingsstelsel dat gepaard gaat met het delen van beheerssystemen en gegevens over klanten en hun verplaatsingen slechts aan de orde is als het volledig beantwoordt aan de EU-regelgeving inzake gegevensbescherming, en dat de betrokken gegevens met het oog op de privacy anoniem moeten worden gemaakt; neemt een pragmatische houding aan met betrekking tot gegevensbescherming en is van mening dat, zodra de nodige vrijwaringsmaatregelen zijn getroffen, bekommernissen over gegevensbescherming geen obstakel mogen vormen voor interoperabiliteit;

34.

dringt erop aan dat de Commissie de lidstaten die een vignetregeling toepassen ertoe verplicht de verkoop van vignetten alsmede de toegang tot informatie aanzienlijk te vereenvoudigen en een online betalingssysteem beschikbaar te stellen dat consumenten de kans biedt hun heffing op voorhand te betalen via een voor iedereen toegankelijk platform dat strookt met de voorschriften van het „universeel ontwerp”;

35.

verzoekt de Commissie met klem om betalen met de mobiele telefoon mogelijk te maken voor wat tol- en vignetsystemen betreft;

36.

benadrukt dat er moet worden voorzien in passende en zichtbare signalisatie, opdat weggebruikers ruim op voorhand weten hoeveel tol ze zullen moeten betalen; onderstreept voorts dat informatie over boetes en andere straffen duidelijk aangegeven en gemakkelijk consulteerbaar moet zijn;

37.

erkent de behoeften van bedrijven en kmo's die actief zijn in het wegvervoer, alsook de voordelen die een EETS deze firma's zou bieden voor het op de markt brengen van goederen aan de meest concurrentiële prijzen;

38.

merkt het belang op van deze bedrijven en kmo's voor de economische groei en de werkgelegenheid in Europa en meent dan ook dat het essentieel is onnodige extra heffingen voor deze bedrijven te vermijden; wil in plaats daarvan dat het beginsel dat de vervuiler betaalt op alle categorieën van voertuigen wordt toegepast;

39.

beveelt aan dat de Commissie streng optreedt tegen al wie de huidige interoperabiliteitsrichtlijn veronachtzaamt en dat zij beoordeelt in hoeverre het nodig is een nieuw wetgevingsvoorstel met betrekking tot de EETS en de interoperabiliteit van systemen voor wegentolheffing uit te werken;

o

o o

40.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Woensdag 12 juni 2013

19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/68


P7_TA(2013)0266

Sociale investeringen voor groei en cohesie

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over de mededeling van de Commissie getiteld „Naar sociale investering voor groei en cohesie — inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020” (2013/2607(RSP))

(2016/C 065/07)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 5, 6, 9, 14, 147, 148, 149, 151 en 153, en gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 24, 25, 26, 29, 33, 34, 35 en 36,

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Naar sociale investering voor groei en cohesie — inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020” (COM(2013)0083) van 20 februari 2013,

gezien de Aanbeveling van de Commissie getiteld „Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken” (2013/112/EU) van 20 februari 2013 (1),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Evidence on Demographic and Social Trends: Social Policies" Contribution to Inclusion, Employment and the Economy” (SWD(2013)0038) van 20 februari 2013,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Follow-up on the implementation by the Member States of the 2008 European Commission recommendation on active inclusion of people excluded from the labour market — Towards a social investment approach” (SWD(2013)0039) van 20 februari 2013,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „3rd Biennal Report on Social Services of General Interest” (SWD(2013)0040) van 20 februari 2013,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Long-term care in ageing societies — Challenges and policy options” (SWD(2013)0041) van 20 februari 2013,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Confronting Homelessness in the European Union” (SWD(2013)0042) van 20 februari 2013,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Investing in Health” (SWD(2013)0043) van 20 februari 2013,

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld „Social investment through the European Social Fund” (SWD(2013)0044) van 20 februari 2013,

gezien de mededeling van de Commissie over de jaarlijkse groeianalyse 2013 (COM(2012)0750) van 28 november 2012, en het ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid dat als bijlage is bijgevoegd,

gezien zijn resolutie van 7 februari 2013 over het Europees Semester voor economische beleidscoördinatie: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2013 (2),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Europa 2020: een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020 van 3 maart 2010,

gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld „Naar een banenrijk herstel” (COM(2012)0173),

gezien de vraag voor mondelinge beantwoording aan de Commissie en de begeleidende resolutie van het Parlement van 14 juni 2012 over „Naar een banenrijk herstel” (3),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Een agenda voor nieuwe vaardigheden en werkgelegenheid: een Europese bijdrage aan volledige werkgelegenheid” (COM(2010)0682) van 23 november 2010,

gezien zijn resolutie van 26 oktober 2011 over de Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen (4),

gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2010 getiteld „Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang”(COM(2010)0758), en het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (5) en de resolutie van het Parlement van 15 november 2011 hierover (6),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2011 getiteld „Initiatief „Kansen voor jongeren””(COM(2011)0933),

gezien de vraag voor mondelinge beantwoording aan de Commissie en de begeleidende resolutie van het Parlement van 24 mei 2012 over het „Initiatief „Kansen voor jongeren”” (7),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 december 2012 getiteld „Jongeren aan het werk helpen” (COM(2012)0727),

gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie (8),

gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020), dat op 7 maart 2011 door de Raad is goedgekeurd,

gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2008 over een aanbeveling van de Commissie over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (COM(2008)0639) en zijn resolutie daarover van 6 mei 2009 (9),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over integratie van migranten, de gevolgen daarvan voor de arbeidsmarkt en de externe dimensie van de coördinatie van de sociale zekerheid (10),

gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over de toekomst van sociale diensten van algemeen belang (11),

gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2008 getiteld „Vernieuwde sociale agenda: kansen, toegang en solidariteit in het Europa van de 21e eeuw” (COM(2008)0412) en zijn resolutie hierover van 6 mei 2009 (12),

gezien de mededeling van de Commissie over houdbare overheidsfinanciën op lange termijn voor een economie in herstel (COM(2009)0545), en zijn resolutie daarover van 20 mei 2010 (13),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 (COM(2011)0607 definitief/2 — 2011/0268(COD)) van 14 maart 2012, en de ontwerpwetgevingsresolutie hierover van 20 augustus 2012 (14),

gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over het Initiatief voor sociaal ondernemerschap — Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie (15),

gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over „Maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel” (16),

gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over „Het sociale investeringspact — een reactie op de crisis” (17),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen” (COM(2012)0055) van 16 februari 2012,

gezien IAO-Verdrag nr. 117 over sociaal beleid (fundamentele doelstellingen en normen),

gezien IAO-Aanbeveling nr. 202 over socialebeschermingsminima,

gezien de vraag voor mondelinge beantwoording aan de Commissie over de mededeling van de Commissie getiteld „Naar sociale investering voor groei en cohesie — inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020” (O-000057/2013 — B7-0207/2013),

gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat in veel lidstaten de op begrotingsconsolidatie gerichte maatregelen hebben geleid tot het leggen van de nadruk op uitgaven op korte termijn, ten koste van investeringen in duurzame groei, werkgelegenheid, sociale cohesie en concurrentievermogen in het kader van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

B.

overwegende dat de staatsschuldcrisis in Europa, en met name in de landen van de eurozone, een ernstige economische recessie heeft veroorzaakt met negatieve sociale gevolgen voor de meeste lidstaten in de vorm van oplopende werkloosheid, grotere armoede en meer sociale uitsluiting;

C.

overwegende dat de crisis eens te meer heeft duidelijk gemaakt hoe groot de onderlinge economische afhankelijkheid van de lidstaten is en heeft aangetoond dat niet alle lidstaten even goed in staat zijn op arbeidsmarkt- en sociale uitdagingen te reageren;

D.

overwegende dat de crisis, in combinatie met de demografische ontwikkelingen, de lidstaten dwingt de doeltreffendheid van hun sociale uitgaven te vergroten en met deze doelstelling bij de hervorming van hun socialebeschermingssystemen rekening te houden;

E.

overwegende dat de sociale partners op nationaal niveau een belangrijke rol kunnen spelen bij het financieren en beheren van de socialezekerheidssstelsels;

F.

overwegende dat gerichte en doeltreffende sociale investeringen de economie helpen stabiliseren, de werkgelegenheid stimuleren en de vaardigheden van arbeidskrachten vergroten, waardoor het concurrentievermogen van de EU wordt versterkt;

G.

overwegende dat voor vacatures steeds vaker hooggekwalificeerd personeel wordt gevraagd en toenemende vaardigheden worden verlangd voor sectoren die in de toekomst veel werkgelegenheid zullen bieden, aangepast aan een duurzame economie en samenleving, wat adequate investeringen in onderwijs- en opleidingsprogramma's vereist;

H.

overwegende dat de gemiddelde inkomens van huishoudens in de EU dalen en langdurige werkloosheid, alsmede armoede en sociale uitsluiting, met inbegrip van armoede onder werkenden en maatschappelijke polarisering, in veel lidstaten toenemen;

I.

overwegende dat momenteel 10,5 % van de beroepsbevolking werkloos is;

J.

Overwegende dat de Europese Raad van 30 januari 2012 een verklaring heeft doen uitgaan die luidt: „Groei en werkgelegenheid zullen pas weer opbloeien als we een consequente aanpak volgen die steunt op een brede basis, die een combinatie is van een slimme begrotingsconsolidatie die blijft investeren in toekomstige groei, van gezond macro-economisch beleid en van een actieve werkgelegenheidsstrategie die de sociale cohesie in stand houdt”;

K.

overwegende dat de gevolgen van de economische stagnatie en de aanhoudende staatsschuldcrisis tezamen met de demografische ontwikkelingen een wissel trekken op de socialezekerheidsstelsels en een fatsoenlijke sociale zekerheid, met inbegrip van verplichte en vrijwillige sociale verzekeringen;

L.

overwegende dat op dit moment 22,8 % van de jongeren in de EU geen werk heeft en dat een aantal lidstaten kampt met een jeugdwerkloosheidspercentage van meer dan 50 %;

M.

overwegende dat 8,3 miljoen Europeanen onder de 25 jaar niet werken, en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET); overwegende dat deze aantallen steeds verder stijgen, waarmee er een verloren generatie dreigt te ontstaan;

N.

overwegende dat jongeren met een migrantenachtergrond een groter risico lopen vroegtijdig en zonder bovenbouwdiploma het onderwijs te verlaten of hun opleiding op te geven;

O.

overwegende dat 27 % van de kinderen een armoede- of sociaaluitsluitingsrisico loopt, tegen gemiddeld 24 % van de Europese bevolking als geheel (18);

P.

overwegende dat 8 % van de burgers van de EU in ernstige mate te lijden heeft onder materiële deprivatie en zich een aantal behoeften die in Europa onmisbaar worden geacht voor een menswaardig bestaan, niet kan veroorloven;

Q.

overwegende dat 15 % van alle kinderen de school verlaat zonder het middelbaar onderwijs te hebben afgerond en overwegende dat 10 % van de burgers in de EU in huishoudens woont waar niemand een baan heeft;

R.

overwegende dat het Comité voor Sociale Bescherming (SPC) ervoor waarschuwt dat deze percentages in veel lidstaten blijven stijgen, deels als gevolg van de effecten van budgettaire consolidatiemaatregelen;

S.

overwegende dat de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals ouderen en personen met een handicap, het ergst door de financiële, economische en sociale crisis zijn getroffen;

T.

overwegende dat de bevoegdheid voor sociaal beleid hoofdzakelijk bij de lidstaten berust, en dat het de rol van de EU is de activiteiten van de lidstaten te ondersteunen en te complementeren;

U.

overwegende dat het hebben van een behoorlijke baan écht bescherming tegen armoede biedt;

V.

overwegende dat actief arbeidsmarktbeleid en actieve activeringsstrategieën van cruciaal belang zijn om werklozen te helpen bij het vinden van een behoorlijke baan;

W.

overwegende dat persoonlijke en passende advisering bij het zoeken naar een behoorlijke baan de kans op succes doet toenemen;

X.

overwegende dat bezuinigingsmaatregelen, waaronder het verlagen van de begroting van overheidsdiensten en de socialebijstandsuitkeringen, de situatie van de meest kansarmen niet erger mogen maken en mensen niet onnodig met werkloosheid mogen bedreigen;

Y.

overwegende dat bezuinigingsmaatregelen de beschikbaarheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van gezondheidszorg en langetermijnzorgdiensten niet in gevaar mogen brengen, noch de gezondheidsongelijkheden mogen doen toenemen;

Z.

overwegende dat de economische crisis vrouwen waarschijnlijk meer zal treffen dan mannen; overwegende dat het gevaar bestaat dat de huidige recessie de vooruitgang afremt of zelfs ongedaan maakt en gevolgen op de lange termijn heeft voor de socialezekerheidsstelsels, sociale integratie en demografie;

AA.

overwegende dat bij elk bezuinigingsbeleid verstandig te werk moet worden gegaan en anticyclische investeringen binnen belangrijke politieke prioriteiten, en in overeenstemming met economische prestaties en productiviteit, mogelijk moeten zijn;

AB.

overwegende dat gemarginaliseerde gemeenschappen in betreurenswaardige sociaaleconomische omstandigheden leven en vaak zijn blootgesteld aan ernstige discriminatie en uitsluiting op alle mogelijke terreinen;

AC.

overwegende dat de eerste signalen van schooluitval als een belangrijke voorbode van een spiraal van armoede moeten worden beschouwd;

AD.

overwegende dat dakloosheid in alle lidstaten van de EU een probleem blijft, één van de extreemste vormen van armoede en deprivatie is, de menselijke waardigheid aantast en een schending vormt van het fundamentele recht op huisvesting;

AE.

overwegende dat het garanderen van toegang tot goede huisvesting een internationale verplichting van alle lidstaten is, waarbij moet worden voorzien in sociale huisvesting in combinatie met aanbod via het marktsysteem van vraag en aanbod;

AF.

overwegende dat voor daklozen specifieke maatregelen moeten worden getroffen om ze in de maatschappij te integreren en sociale uitsluiting te voorkomen;

AG.

overwegende dat armoede en sociale uitsluiting een doorslaggevende sociale factor zijn voor de gezondheidstoestand en de leefomstandigheden, met name gelet op de invloed van kinderarmoede op de gezondheid en het welzijn van het kind;

AH.

overwegende dat in de EU nog altijd sprake is van genderdiscriminatie op het werk, een kloof in beloning tussen mannen en vrouwen, en een daaruit voortvloeiende pensioenkloof;

AI.

overwegende dat in de EU slechts 63 % van de vrouwen werkt, vergeleken met 76 % van de mannen, en dat dit deels komt door een gebrek aan opvangfaciliteiten en concrete maatregelen om te helpen bij het combineren van werk en gezinsleven;

AJ.

overwegende dat de genderdimensie van cruciaal belang is voor het behalen van de hoofddoelstellingen van de Europa 2020-strategie omdat vrouwen de grootste onaangesproken arbeidsreserve vormen; overwegende dat dit betekent dat in het kader van het Europees semester concrete maatregelen en specifiek beleid voor gendermainstreaming moeten worden ontwikkeld;

AK.

overwegende dat de meeste gezinshoofden, de meeste alleenstaande ouders en de meeste verzorgers vrouwen zijn, en dat een beleid gericht op actieve inclusie daarom een veelomvattend pakket maatregelen moet omvatten om vrouwen in staat te stellen hun participatie aan de arbeidsmarkt te vergroten;

1.

verwelkomt het pakket sociale investeringsmaatregelen van de Commissie, waarin de nodige koppelingen tot stand worden gebracht tussen nationale socialebeleidsmaatregelen, het proces van hervormingen van het Europees semester en de relevante cohesiefondsen van de EU;

2.

merkt op dat in de mededeling van de Commissie aan de oorspronkelijke functie van welzijnssystemen, namelijk sociale bescherming, de functies sociale investering en stabilisering van de economie worden toegevoegd; onderstreept dat de huidige sociaal-economische crisis duidelijk maakt dat deze drie functies complementair in plaats van concurrerend moeten zijn;

3.

herhaalt nog eens dat het sociaal beleid en het economisch beleid op EU-niveau beter moeten worden gecoördineerd om discrepanties te vermijden, onderlinge synergie-effecten tot stand te brengen en ze in staat te stellen bij te dragen aan de verwezenlijking van elkaars doelstellingen;

4.

onderstreept dat economische groei uiteindelijk het meest doeltreffende instrument is voor het bestrijden van werkloosheid;

5.

betreurt dat de mededeling op slechts één vlak wordt aangevuld met een aanbeveling, terwijl bezuinigingsmaatregelen grote gevolgen hebben op meerdere terreinen van het sociaal beleid;

6.

is ervan overtuigd dat hervormingen van het sociaal beleid moeten stoelen op de beginselen van actieve integratie en activering, waarbij werklozen en de meest kwetsbaren in staat worden gesteld aan de arbeidsmarkt deel te nemen;

7.

herinnert eraan dat sociale investeringen zowel sociaal als economisch rendement genereren door maatschappelijke risico's te voorkomen en aan te pakken; onderstreept dat sociale investeringen zich richten op overheidsmaatregelen en strategieën voor investeringen in menselijk kapitaal in het kader van de overgang naar veranderende arbeidsmarkten, en het verwerven van nieuwe vaardigheden mogelijk maken voor sectoren die in de toekomst veel werkgelegenheid zullen bieden, aangepast aan een duurzame economie en samenleving;

8.

onderstreept dat sociale investering door de lidstaten als een investering moet worden gezien, en dat dit kan resulteren in een dubbel dividend met langetermijnresultaten en anticyclische gevolgen, waarmee het gevaar van negatieve gevolgen wordt gereduceerd; verzoekt de Commissie een analyse te verrichten om vast te stellen welke delen van overheidsuitgaven op het vlak van sociaal beleid als een productieve investering kunnen worden beschouwd;

9.

Is in dit verband van oordeel dat gerichte sociale investeringen een belangrijk onderdeel van het economische en werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten en van het Europees semester moeten vormen om de werkgelegenheids-, sociale en onderwijsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie te kunnen verwezenlijken;

10.

verwelkomt daarom de oproep van de Commissie aan de lidstaten om sociale investeringen op te nemen in hun begrotingsdoelstellingen voor de middellange en lange termijn en in hun nationale hervormingsprogramma's;

11.

herhaalt dat de middelen voor sociaal beleid niet uitsluitend van de overheidssector afkomstig zijn;

12.

onderstreept in dit verband dat de lidstaten bij de financiering op grotere schaal van innovatieve benaderingen gebruik moeten maken, waaronder participatie door de particuliere sector en „financial engineering” middels instrumenten zoals sociale impactobligaties, publiek-private partnerschappen, microfinanciering, het paspoort voor sociale investeringen en op beleid stoelende garanties;

13.

verzoekt de lidstaten derhalve met klem om hier ook sociale ondernemingen bij te betrekken, aangezien zij de inspanningen van de publieke sector kunnen aanvullen;

14.

verzoekt de Commissie in dit verband te overwegen een scorebord van gemeenschappelijke indicatoren voor sociale investeringen te ontwikkelen, als een waarschuwingsmechanisme en het meten van vooruitgang in de lidstaten;

15.

verwelkomt het feit dat de Commissie aandringt op het toewijzen van ten minste 25 % van de middelen van de cohesiefondsen aan menselijk kapitaal en sociale investeringen door middel van het Europees Sociaal Fonds;

16.

roept de lidstaten op te zorgen voor een efficiënt toezicht op de uitgaven voor sociaal beleid, zodat de middelen aan doelgerichte en efficiënte maatregelen worden besteed en onnodige administratieve lasten worden voorkomen;

Duurzaamheid

17.

verzoekt de lidstaten met klem hun beleid inzake sociale investeringen zo snel mogelijk te moderniseren en daar waar nodig structureel te hervormen om de burgers de best mogelijke diensten aan te bieden;

18.

onderstreept dat de lidstaten hun beleid inzake sociale investeringen duurzaam en toekomstbestendig moeten maken door het verbeteren van de efficiëntie en de doeltreffendheid van het systeem en de beschikbare middelen;

19.

onderstreept dat de wil van lidstaten om de duurzaamheid van hun beleid inzake sociale investeringen te verbeteren zich niet noodzakelijkerwijs moet vertalen in „hogere uitgaven”, maar in een „meer efficiënte en doeltreffende besteding van de beschikbare middelen”;

20.

verzoekt de lidstaten dan hun beleid inzake sociale investeringen doelgericht te maken en regelmatig te meten welke vooruitgang er wordt geboekt;

Bestrijding van armoede en sociale uitsluiting

21.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om in de volgende landenspecifieke aanbevelingen aandacht te besteden aan de aanpak van armoede onder werkenden, armoede onder mensen met beperkte of geheel geen banden met de arbeidsmarkt, alsook aan armoede onder ouderen; verzoekt de Europese Raad om deze richtsnoeren tot prioriteit te verheffen;

22.

benadrukt de belangrijke componenten van de Europese strategie voor de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, te weten passende inkomenssteun, inclusieve arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten; vindt het jammer dat nationale strategieën voor actieve integratie te vaak worden gereduceerd tot werkgelegenheidsactivering, waardoor mensen buiten de arbeidsmarkt voor wie een terugkeer naar een baan bijvoorbeeld ten gevolg van hun leeftijd of functiebeperkingen geen optie is, de facto worden uitgesloten;

23.

herinnert de lidstaten eraan dat een beleid gericht op actieve inclusie:

in overeenstemming moet zijn met een levenscyclusbenadering van onderwijs, levenslang leren, en sociaal en werkgelegenheidsbeleid;

op maat gesneden, gericht en behoeftengeoriënteerd moet zijn, en moet stoelen op de beginselen van universele toegang en non-discriminatie;

gebaseerd moet zijn op een geïntegreerde en participatieve benadering;

de hiervoor genoemde voorwaarden, die essentieel zijn voor participatie, moet eerbiedigt en geen voorwaarden moet stellen die het gevaar inhouden dat mensen geen minimuminkomen hebben om van te leven; en

gezien het belang van plaatselijke en regionale omstandigheden, moet aansluiten op de in het kader van het cohesiebeleid gedane inspanningen ter verwezenlijking van economische, sociale en territoriale cohesie;

24.

roept de lidstaten op stelselmatig de impact van bezuinigingsmaatregelen op kwetsbare groepen in het kader van beleid inzake actieve integratie te beoordelen;

25.

roept de lidstaten op toe te zien op de kwaliteit van sociale dienstverlening voor iedereen, met inbegrip van hun beschikbaarheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid, vooral op het gebied van volksgezondheid, langetermijnzorg, onderwijs, huisvesting, energie, water, vervoer en communicatie;

26.

onderstreept de noodzaak van vergroting van de productiviteit van de zorgverlening, van reducering van kwetsbaarheid en handicaps, en van het scheppen van de voorwaarden die ouderen in staat stellen zelfstandig te blijven wonen, ook wanneer zij functiebeperkingen hebben;

27.

roept de lidstaten op te bekijken in hoeverre standaardtarieven voor minder draagkrachtige huishoudens kunnen worden ingesteld voor kwetsbare groepen, bijvoorbeeld op het gebied van energievoorziening, water en openbaar vervoer;

28.

dringt erop aan de organisaties van gemarginaliseerde gemeenschappen actief te betrekken bij het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van op die gemeenschappen gerichte integratiestrategieën, zoals de nationale strategieën voor de integratie van Roma in de periode tot 2020;

29.

betreurt het dat in veel lidstaten te weinig wordt gedaan voor de integratie van migranten; onderstreept dat in passende programma's en diensten, en in doeltreffende informatieverschaffing met betrekking tot de toegang tot deze programma's moet worden geïnvesteerd om de integratie van migranten te verbeteren en het risico van sociale uitsluiting te reduceren;

30.

vraagt de Commissie om een concreet en gedetailleerd stappenplan voor de uitvoering van strategieën voor actieve inclusie; benadrukt dat dit stappenplan tijdschema's en realistische doelstellingen moet bevatten die zijn gebaseerd op specifieke indicatoren en dienen te worden vastgesteld na uitvoerige raadpleging van de belanghebbenden, en nauwlettend gevolgd moet worden door middel van de open coördinatiemethode, met relevante instrumenten en procedures in het geval van niet-naleving;

Bestrijding van kinderarmoede

31.

is verheugd over de aanbeveling van de Commissie over kinderarmoede, zoals aangekondigd in haar mededeling met de titel „Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang”; herinnert voorts aan de rechten van het kind, zoals verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

32.

verwelkomt de brede benadering die in de aanbeveling wordt voorgestaan en die gebaseerd is op drie pijlers, te weten toegang tot adequate middelen, toegang tot kwalitatief hoogwaardige diensten en participatie in de samenleving en het besluitvormingsproces, en waarin kinderen worden erkend als rechthebbenden;

33.

herhaalt dat alle kinderen en jongeren volgens het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind recht op onderwijs hebben, hetgeen tevens geldt voor kinderen en jongeren die niet over een verblijfsvergunning beschikken voor het land waar zij verblijven;

34.

benadrukt dat de strijd tegen armoede bij kinderen meer gericht moet zijn op preventie en vroegtijdig ingrijpen dan op hulpmaatregelen, en uit moet gaan van het beginsel van gelijke toegang tot onderwijs- en opvangvoorzieningen van hoge kwaliteit voor kleine kinderen;

35.

moedigt in dit verband initiatieven aan om meer faciliteiten voor kinderen te creëren, zoals activiteitencentra die zowel tijdens de schoolperiode als in de vakanties geopend zijn, alsmede buitenschoolse culturele en sportactiviteiten, met verstrekking van maaltijden;

36.

benadrukt de noodzaak van afdoende financiële middelen voor deze diensten, en in het bijzonder voor beleid ter ondersteuning van arme en kwetsbare gezinnen, zoals gezinnen met gehandicapte kinderen, eenoudergezinnen en grote gezinnen;

37.

onderstreept het belang van ouder-kindrelaties en van de nodige steun om ouders te helpen hun ouderlijke verantwoordelijkheid uit te oefenen, om zo te voorkomen dat kinderen van hun ouders worden gescheiden en in een zorginrichting worden geplaatst ten gevolge van ernstige armoede;

Aanpak van dakloosheid

38.

verwelkomt het werkdocument van de diensten van de Commissie over de aanpak van dakloosheid;

39.

herinnert aan het verzoek van het Parlement om een concreet en gedetailleerd stappenplan voor de tenuitvoerlegging van de EU-strategie tegen dakloosheid;

40.

benadrukt dat investeringen in sociale huisvesting niet alleen een cruciale rol spelen voor het verlichten van de gevolgen van armoede, maar ook beschouwd moeten worden als sociale investeringen die op lange termijn leiden tot het creëren van fatsoenlijke banen en duurzame groei;

41.

verzoekt de lidstaten onnodige administratieve hobbels bij het aanvragen van sociale huisvesting weg te nemen en een eind te maken aan de discriminatie van minderheden en kwetsbare groepen, om zo een gelijke toegang voor iedereen te waarborgen;

42.

herinnert eraan dat de energiekosten meestal een groot deel van de huishoudelijke uitgaven vertegenwoordigen en roept de lidstaten daarom op hun beleid ter vergroting van de energie-efficiëntie van huishoudens te intensiveren;

43.

verzoekt de lidstaten specifieke programma's voor daklozen te ontwikkelen die stoelen op een beoordeling van de plaatselijke situatie, en bijzondere aandacht te schenken aan huisvesting en langetermijnsteun voor kwetsbare personen en gemarginaliseerde bevolkingsgroepen, en niet alleen aan op de terbeschikkingstelling van een tijdelijk onderkomen;

Jongeren aan werk helpen

44.

onderstreept dat investeren in jeugdwerkgelegenheid een centraal onderdeel moet vormen van de nationale sociale investeringsstrategieën;

45.

dringt er bij de lidstaten op aan krachtige maatregelen te treffen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, met name door preventief optreden tegen vroegtijdige schoolverlating of voortijdige uitval uit opleidings- en stageprogramma's (bijvoorbeeld door een duaal onderwijssysteem of andere kaders met een vergelijkbare doeltreffendheid op te zetten), en omvattende strategieën te ontwikkelen voor jongeren die niet werken of geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's);

46.

benadrukt dat sociale investeringen ten behoeve van NEET's zou leiden tot een verlaging van het huidige economisch verlies ten gevolge van de uitval van jongeren van de arbeidsmarkt, door Eurofound geraamd op 153 miljard EUR, ofwel 1,2 % van het bbp van de EU;

47.

vindt het jammer dat er in het bestaande beleid inzake sociale investeringen onvoldoende de nadruk op wordt gelegd dat de middelen prioritair ter beschikking moeten worden gesteld voor langdurig werklozen, jonge werklozen en oudere werknemers die langdurig werkloos dreigen te worden;

48.

wijst erop dat sociale investeringen in jongeren allerlei vormen kunnen aannemen, waaronder: het ontwikkelen van partnerschappen tussen scholen, opleidingscentra en lokale of regionale bedrijven; het verzorgen van gerichte, kwalitatief goede opleidingen en stageprogramma's voor jongeren; beroepsopleidingen in samenwerking met ondernemingen; mentorschapsregelingen met het oog op de aanwerving en opleiding van jongeren in het bedrijf of op een betere overgang van onderwijs naar werk; bevordering van de maatschappelijke participatie van jongeren; en bevordering van de regionale, Europese en internationale mobiliteit door verdere vooruitgang bij de wederzijdse erkenning van kwalificaties en vaardigheden; onderstreept tevens dat van sociale investeringen doeltreffende prikkels kunnen uitgaan, zoals tewerkstellingssubsidies en verzekeringsbijdragen voor jongeren die behoorlijke woon- en werkomstandigheden garanderen, ten einde openbare en particuliere werkgevers aan te moedigen om jonge mensen in dienst te nemen, zowel in kwalitatief goede banen voor jongeren als in bijscholing en verbetering van hun vaardigheden tijdens hun dienstverband te investeren, en de ondernemingszin bij jongeren aan te wakkeren;

49.

onderstreept de noodzaak van een betere coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels, en met name de pensioenstelsels, om mobiliteit te bevorderen;

50.

benadrukt de behoefte aan statistische informatie om de lidstaten te kunnen vergelijken wat betreft jeugdwerkloosheid en uitgaven ten behoeve van jongeren in het kader van het arbeidsmarktbeleid;

Het scheppen van banen en de arbeidsmarkten

51.

spreekt de waarschuwing uit dat bezuinigingsmaatregelen afbreuk kunnen doen aan de kwaliteit van het werk, de sociale bescherming en de gezondheids- en veiligheidsnormen, en onderstreept dat zij daarom vergezeld moeten gaan van maatregelen ter handhaving van adequate normen;

52.

onderstreept het belang van levenslang leren voor het vergroten van het vermogen van mensen om tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, en langer indien zij dat wensen, aan de samenleving en de arbeidsmarkt deel te nemen;

53.

herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om werkgelegenheidsbevorderende maatregelen te treffen als onderdeel van hun sociale investeringsprogramma's, zoals hervormingen van de belastingen op arbeid die werkgelegenheidsprikkels bevatten, bevordering en ondersteuning van het zelfstandig ondernemerschap en startende ondernemingen, verbetering van het ondernemingsklimaat, bevordering van de toegang van het mkb tot financiering, omvorming van informeel en zwart werk tot reguliere werkgelegenheid, ontwikkeling van stimulansen voor het verbeteren van de arbeidsparticipatie van de sociaal meest kwetsbare groepen, hervorming van de arbeidsmarkt om deze dynamischer en niet-discriminerend te maken, integratie van flexiezekerheid en modernisering van de loonbepalingssystemen om de lonen af te stemmen op de ontwikkelingen van de productiviteit;

54.

onderstreept dat in het kader van Horizon 2020 de kansen op het scheppen van banen in innovatieve sectoren, zoals de duurzame, koolstofvrije economie, de sociale en gezondheidszorg en de digitale, culturele en creatieve sector, moeten worden benut en dat ter ondersteuning daarvan voldoende in nieuwe vaardigheden moet worden geïnvesteerd en gebruik moet worden gemaakt van instrumenten voor sociale investeringen, door toepassing van het concept van „slimme specialisatie” om sterk onderzoek en innovatie te doen aansluiten op marktontwikkelingen;

55.

wijst erop dat naleving van flexiezekerheidsbeginselen zowel een adequate sociale bescherming voor werknemers als toegang tot opleidingen en loopbaanontwikkeling mogelijk maakt, en daarmee de verwerving van nieuwe vaardigheden;

Sociaal ondernemerschap

56.

is verheugd over de aandacht voor sociaal ondernemerschap en de toegang tot microfinanciering, o.a. voor kwetsbare groepen; onderstreept dat dit cruciale aspecten zijn in de context van sociale investeringen, omdat op basis daarvan niet alleen nieuwe, duurzame banen kunnen worden gecreëerd en de sociale, solidaire economie kan worden ontwikkeld, maar ook sociale ondernemingen winsten kunnen behalen en herinvesteren;

57.

onderstreept dat actief en gezond ouder worden als een levenslange opgave moet worden gezien, en dat preventie en revalidatie prioritair zijn om kwaaltjes, functiebeperkingen en handicaps te voorkomen en uit te stellen, respectievelijk op te vangen en ongedaan te maken;

58.

betreurt het dat in de mededeling geen gewag wordt gemaakt van de belangrijke rol van het Grundtvig-programma bij het voorkomen van armoede en maatschappelijke uitsluiting en het bevorderen van sociale investeringen; verzoekt de Commissie meer bekendheid te geven aan programma's voor een leven lang leren, beroepsonderwijs en opleidingen, en verzoekt de lidstaten deze kwalitatief te verbeteren en toegankelijker te maken;

59.

benadrukt de belangrijke rol van de financiële instrumenten van de EU en de Europese sociaalondernemerschapsfondsen, om de toegang van sociale ondernemingen tot de financiële markten te verbeteren;

60.

roept de Commissie op de invoering te overwegen van een gemeenschappelijk Europees kader voor de publicatie van gegevens, dat een waarborg zou vormen voor een duidelijke informatievoorziening over investeringen in sociale ondernemingen in de lidstaten en de intercollegiale druk zou verhogen;

61.

vindt het belangrijk dat maatschappelijk verantwoord ondernemen gericht is op zowel milieunormen als sociale normen om ondernemingen ertoe te brengen zich verantwoordelijk te gedragen;

Genderdimensie

62.

juicht het toe dat in de mededeling van de Commissie over sociale investeringsstrategieën aandacht wordt besteed aan de genderdimensie;

63.

onderstreept dat het aanbod aan kwalitatief hoogwaardige kinderopvang en andere zorgfaciliteiten van cruciaal belang is, omdat dit vrouwen in de gelegenheid stelt een baan te zoeken en voltijds te werken; verzoekt de lidstaten te voorzien in voldoende kinderopvang en andere zorgfaciliteiten, om beide ouders in staat te stellen in de arbeidsmarkt te participeren, en dit eens te meer omdat het aanbod van kinderopvangplaatsen op dit moment vrij ongelijk verdeeld is over de lidstaten;

64.

sluit zich aan bij de oproep van de Commissie aan de lidstaten om te investeren in diensten — zoals betaalbare, voltijdse, kwalitatief goede kinderopvang, dagscholen, ouderenzorg en steun voor informele zorgverleners — die bijdragen aan gendergelijkheid, een beter evenwicht tussen werk en privé voor mannen en vrouwen bevorderen (inclusief vaderschapsverlof voor mannen) en een kader scheppen dat de mogelijkheid biedt om voor het eerst of opnieuw de arbeidsmarkt te betreden, terwijl ervoor wordt gezorgd dat mannen en vrouwen gelijk loon voor gelijk werk ontvangen;

65.

wijst nogmaals op het belang van gendergevoelige onderwijsstelsels waar kinderen hun talenten kunnen ontdekken, zodat gendersegregatie op de arbeidsmarkt op de lange termijn wordt voorkomen;

66.

roept de lidstaten op gendergelijkheid te eerbiedigen en te stimuleren in hun nationale beleidsmaatregelen en nationale hervormingsprogramma's;

EU-middelen

67.

benadrukt de cruciale rol van het cohesiebeleid en de structuurfondsen bij het bevorderen van sociale investeringen; onderstreept in dit verband de belangrijke bijdrage van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) om armoede te voorkomen bij werknemers die door de crisis zijn getroffen, en van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit bij de ondersteuning van het ondernemerschap in de vorm van opleiding, bij- en herscholing van personeel, om mensen weer aan het werk te krijgen;

68.

onderstreept dat de structuurfondsen zich moeten richten op prioritaire gebieden die een duidelijk effect op groei en werkgelegenheid hebben en waarop het cohesiebeleid zich zou moeten concentreren;

69.

onderstreept dat het Europees Sociaal Fonds zich meer moet richten op actieve maatregelen, die aansluiten bij de behoeften van de werkgevers;

70.

verwelkomt de nadruk van de Commissie op het Europees Sociaal Fonds als voornaamste instrument om sociale investeringen te stimuleren; is er in dit verband groot voorstander van dat ten minste 25 % van de middelen voor het cohesiebeleid wordt toegewezen aan het ESF en dat 20 % van de ESF-toewijzingen in elke lidstaat wordt gereserveerd voor bevordering van de maatschappelijke integratie en armoedebestrijding;

71.

verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 in de nodige begrotingsmiddelen voorziet om de sociale investeringen in de EU te kunnen stimuleren en ondersteunen;

72.

doet een dringende oproep tot het vroegtijdig financieren van de 6 miljard EUR die is toegewezen aan het nieuwe initiatief Werkgelegenheid voor de jeugd tijdens de eerste jaren van het meerjarig financieel kader, om de jeugdwerkloosheid aan te pakken en jeugdgaranties te implementeren; onderstreept dat de kosten van implementering van de jeugdgaranties in de eurozone door het IAO worden geraamd op 21 miljard EUR; dringt er daarom op aan dat de toewijzing in het kader van een herziening van het meerjarig financieel kader naar boven wordt bijgesteld; juicht het toe dat de doelgroep voor de jeugdgarantie is uitgebreid tot jongeren onder de 30 jaar;

73.

verwelkomt het voornemen van de Commissie om het gebruik van nieuwe financiële instrumenten te onderzoeken om de hefboomwerking van openbare sociale investeringen te vergroten; verzoekt de Commissie gedetailleerdere voorstellen te doen over dat onderwerp;

Sociale dimensie van de EMU

74.

is van mening dat de begrotingsdiscipline in de eurozone niet alleen mag worden gemeten met behulp van budgettaire en macro-economische ijkpunten, maar dat daarnaast evenveel gewicht moet worden toegekend aan werkgelegenheids- en sociale ijkpunten alsmede aan voortgangsverslagen over structurele hervormingen, met als doel een passende en efficiënte omvang van de sociale investeringen te garanderen en daarmee de duurzaamheid van een sociale Europese Unie op lange termijn;

75.

verzoekt de Commissie met klem om, wanneer ze erover nadenkt hoe de sociale dimensie van een echte economische en monetaire unie kan worden versterkt, te kijken naar de behoefte aan openbare investeringen in de lidstaten, met name die met betrekking tot de sociale en de onderwijsdoelstellingen in het kader van de Europa 2020-strategie;

76.

herhaalt dat een sociaal pakket voor Europa het onderstaande moet bevorderen:

ervoor zorgen dat de verwezenlijking van Europese economische governance wordt aangevuld met een verbeterde sociale governance, waarbij de autonomie van de sociale partners onverkort wordt geëerbiedigd en het belang van de tripartiete sociale dialoog in het oog wordt gehouden;

vaststelling van instrumenten voor de snelle invoering van een Europese jeugdgarantie; een kwaliteitskader voor leer- en stageplaatsen; deugdelijke en toegankelijke openbare dienstverlening; fatsoenlijke lonen, met nationale minimumlonen die armoede onder werkenden voorkomen; sociale bescherming en overdraagbaarheid van pensioenrechten; toegang tot betaalbare en adequate sociale huisvesting; een sociaal vangnet dat gelijke en inkomensonafhankelijke toegang tot elementaire gezondheidsdiensten moet garanderen; de implementatie van een sociaal protocol ter bescherming van fundamentele sociale en arbeidsrechten; gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid; en een hernieuwde gezondheids- en veiligheidsstrategie;

een nieuw wetgevingsinitiatief betreffende het recht van nationale parlementen om van de Commissie een wetgevingsinitiatief te verlangen als „groene kaart” op basis van artikel 352 van het VWEU;

een nieuw recht voor de nationale parlementen om van de Commissie een wetgevingsinitiatief te verlangen als „groene kaart” door middel van een Verdragswijziging;

zorgen voor adequate middelen voor sociale investeringen, o.a. door toewijzing van 25 % van de middelen voor het cohesiebeleid aan het ESF;

77.

verzoekt de lidstaten, indien noodzakelijke vooruitgang ten onrechte wordt belemmerd door blokkerende minderheden, het beginsel van nauwere samenwerking uit te breiden naar het sociale en werkgelegenheidsbeleid;

o

o o

78.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.


(1)  PB L 59 van 2.3.2013, blz. 5.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0053.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0260.

(4)  PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 87.

(5)  PB C 248 van 25.8.2011, blz. 130.

(6)  PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 57.

(7)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0224.

(8)  PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 6.

(9)  PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 23.

(10)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0092.

(11)  PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 65.

(12)  PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 11.

(13)  PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 112.

(14)  Verslag A7-0250/2012 van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van het Parlement.

(15)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0429.

(16)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0050.

(17)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0419.

(18)  http://europa.eu/rapid/press-release_STAT-13-28_en.htm?locale=en


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/79


P7_TA(2013)0267

Regionaal beleid als onderdeel van bredere regelingen voor staatssteun

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over regionaal beleid als onderdeel van bredere regelingen inzake staatssteun (2013/2104(INI))

(2016/C 065/08)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 174 e.v. van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin de doelstelling van economische, sociale en territoriale samenhang is neergelegd en de structurele financieringsinstrumenten voor de verwezenlijking van die doelstelling worden gedefinieerd,

gezien artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU, waarin bepaald wordt dat bepaalde benadeelde gebieden in de Europese Unie in aanmerking komen voor regionale steunmaatregelen om hun economische ontwikkeling te bevorderen,

gezien het voorstel van de Commissie van 6 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (COM(2012)0496), zoals gewijzigd (COM(2013)0146),

gezien zijn resolutie van 17 januari 2013 over modernisering van het staatssteunbeleid (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio's nr. 2232/2012 van 1 februari 2013 over de richtsnoeren inzake regionale overheidssteun,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité INT/653 van 26 maart 2013 inzake de interne markt en regionale staatssteun,

gezien de richtsnoeren van de Commissie inzake regionale steunmaatregelen 2007-2013 (2),

gezien de mededeling van de Commissie van 8 mei 2012 met als titel „De modernisering van het EU-staatssteunbeleid” (COM(2012)0209),

gezien de beslissing van de Commissie C(2012)7542 in de zaak SA 33243 Jornal da Madeira,

gezien de nota van de diensten van DG Mededinging van de Commissie met ontwerprichtsnoeren voor regionale staatssteun voor 2014-2020 (3),

gezien punt 57 van de conclusies van de Europese Raad inzake het meerjarig financieel kader (7—8 februari 2013 — Regionale steunmaatregelen) (4),

gezien de mededeling van de Commissie aan de lidstaten van 1998 over het regionale beleid en het mededingingsbeleid — zorgen voor een sterkere concentratie en een betere coherentie (COM(1998)0673),

gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken T-443/08 en T-455/08T (Mitteldeutsche Flughafen en Flughafen Leipzig/Halle vs Commissie),

gezien de mededeling van de Commissie met als titel „Denk eerst klein — een 'Small Business Act' voor Europa” (COM(2008)0394),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0204/2013),

A.

overwegende dat de Commissie de regels inzake staatssteun aan het moderniseren is met als doel de groei te bevorderen, de nadruk te leggen op de belangrijkste gevallen en de tenuitvoerlegging van de desbetreffende regels te vereenvoudigen, te stroomlijnen en te bespoedigen;

B.

overwegende dat de rechtsgrondslag voor de nieuwe voorstellen, artikel 109 VWEU, alleen voorziet in raadpleging van het Parlement en niet in de toepassing van de gewone wetgevingsprocedure; overwegende dat het Parlement niets in de melk te brokkelen heeft bij de goedkeuring van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen voor 2014-2020;

C.

overwegende dat de gewone wetgevingsprocedure inzake het wetgevingspakket voor het cohesiebeleid met betrekking tot de Europese structuur- en investeringsfondsen 2014-2020 nog niet is afgerond;

D.

overwegende dat de meest gebruikelijke steunregelingen de vorm aannemen van subsidies, belastingverlagingen, ontheffingen, stimuleringspremies, leningen met verlaagde rente, garanties, preferentiële rentevoeten en aandelenparticipatie, toegekend door zowel nationale, regionale en plaatselijke overheden als door de overheid gecontroleerde entiteiten en een toenemend aantal soorten publiek-private partnerschappen;

E.

overwegende dat er een aantal regels inzake staatssteun alsook richtsnoeren zijn die op regionaal, sectorspecifiek of horizontaal niveau gelden, terwijl de lidstaten tot op zekere hoogte zelf mogen uitmaken welk soort steun zij willen verlenen;

F.

overwegende dat de Commissie volgens haar zeggen met haar richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen beoogt mede te zorgen voor een concurrerende en samenhangende interne markt en voor minimale verstoring door dergelijke steun;

G.

overwegende dat staatssteun een aanvulling moet zijn van en in overeenstemming moet zijn met de doelstellingen op andere Europese beleidsterreinen, met name het cohesiebeleid;

H.

overwegende dat de toepassing en de interpretatie van de regels inzake staatssteun eveneens sterk afhankelijk zijn van de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie;

I.

overwegende dat het bestaan van een mechanisme dat een effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van EU-staatssteun waarborgt, een van de algemene ex-antevoorwaarden is die in de ontwerpverordeningen over het cohesiebeleid voor 2014-2020 worden genoemd;

J.

overwegende dat de gevolgen van staatssteun en staatssteuntoezicht voor de lidstaten, de regio's en de lokale autoriteiten, alsook voor het bedrijfsleven, de markten en de economie in het algemeen, onvoldoende bestudeerd zijn, zoals de Rekenkamer opmerkt in haar verslag onder de titel „Waarborgen de procedures van de Commissie een effectief beheer van de controle op staatssteun?” (5);

K.

overwegende dat administratieve lasten het belangrijkste zorgpunt zijn voor begunstigden wanneer zij te maken hebben met de regels inzake staatssteun of het cohesiebeleid;

Coördinatie van de regels inzake staatssteun en het cohesiebeleid

1.

is ingenomen met de ontwerprichtsnoeren voor regionale steun van de Commissie voor 2014-2020, die een integrerend onderdeel vormen van het programma voor de modernisering van de staatssteun (SAM); is nog altijd aanhanger van de benadering waarin de compatibiliteitsregels voor de beoordeling van staatssteun gebaseerd zijn op gemeenschappelijke principes en consistent zijn in de hele groepsvrijstellingsverordening (GBER) (6) en de verschillende richtsnoeren; is voorstander van vereenvoudigde, voorspelbare en efficiëntere regels voor de controle en handhaving van staatssteun op basis van een degelijke economische analyse;

2.

is van mening dat de tenuitvoerlegging van zowel het cohesiebeleid als de staatssteunregelingen ter versterking van plaatselijke en regionale investeringen van cruciaal belang is voor de bevordering van de economische, sociale en territoriale samenhang, de regionale en lokale ontwikkeling, slimme, duurzame en inclusieve groei en de werkgelegenheid; maakt zich echter zorgen over de vraag of de regels inzake staatssteun stroken met de tenuitvoerlegging van de Europese structuur- en investeringsfondsen; verzoekt de Commissie met het oog hierop ervoor te zorgen dat de modernisering van het EU-staatssteunbeleid (SAM) in overeenstemming is met de verordeningen inzake het cohesiebeleid 2014-2020, zodat er geen grote verschillen zijn in de behandeling van gebieden van eenzelfde categorie binnen het kader van het cohesiebeleid;

3.

betreurt het dat artikel 109 VWEU — het verdrag dat de grondslag vormt voor de machtigingsverordening en indirect voor de GBER — alleen voorziet in raadpleging van het Parlement en niet in medebeslissing; is van mening dat deze democratische tekortkoming onaanvaardbaar is; stelt voor deze leemte zo snel mogelijk op te vullen met behulp van interinstitutionele regelingen op het vlak van mededingingsbeleid, en te corrigeren bij de volgende wijziging van het Verdrag; wijst erop dat de blauwdruk van de Commissie voor een diepere economische en monetaire unie voorziet in voorstellen voor een wijziging van het Verdrag die uiterlijk in 2014 moet plaatsvinden; vindt dat een dergelijk voorstel onder andere een specifiek voorstel tot wijziging van artikel 109 VWEU moet omvatten om de in dat artikel genoemde verordeningen aan te nemen in overeenstemming met de gewone wetgevingsprocedure;

4.

spoort de Commissie aan door te gaan met het uitbrengen van richtsnoeren inzake zachte wetgeving op het vlak van mededingingsbeleid, en dan met name staatssteun, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, teneinde een bepaalde mate van rechtszekerheid te garanderen voor de belanghebbenden;

5.

onderstreept dat de primaire doelstelling van het toezicht op de staatssteun erin bestaat gelijke voorwaarden te garanderen in een concurrerende en coherente interne markt; staat volledig achter het algemene doel van de SAM om de regels voor staatssteun af te stemmen op de noodzaak om economische groei in de EU te bevorderen; constateert dat het vooral van belang is economische groei te stimuleren in de meest achtergestelde regio's van de EU en verstorende effecten van steun op de interne markt tot een minimum te beperken;

6.

benadrukt dat zowel de regels inzake staatssteun als de doelstellingen van het cohesiebeleid moeten leiden tot verbetering van de situatie van de regio's en meest achtergestelde gebieden, en dat het proces van modernisering van het staatssteunbeleid de doelstellingen van cohesie in de hele EU moet weerspiegelen, namelijk bijdragen tot de duurzame ontwikkeling van de regio's en tot meer welzijn; is van mening dat de modernisering van de mededingingsregels gebaseerd moet zijn op inzicht in de gevolgen van die regels op subnationaal niveau;

7.

verzoekt de Commissie erop toe te zien dat het bevorderen van slimme, duurzame en inclusieve groei via staatssteun wordt uitgevoerd in volledige overeenstemming met geloofwaardige strategieën voor fiscale consolidatie voor de lange termijn; vindt dat de Commissie beter rekening moet houden met de koppelingen tussen het beleid inzake staatssteun en fiscaal toezicht bij het opstellen van de landgebonden aanbevelingen, en verzoekt de lidstaten ook rekening te houden met deze koppelingen bij het opstellen van hun stabiliteits- en convergentieprogramma’s en hun nationale hervormingsprogramma's; onderstreept de behoefte aan een vereenvoudiging van de regels en minder, maar meer gerichte staatssteun, waarbij in het achterhoofd moet worden gehouden dat staatssteun bedoeld is als uitzondering, niet als regel; benadrukt dat het wedijveren om subsidies tussen de lidstaten moet worden voorkomen en vermeden, vooral in tijden van begrotingsbeperkingen in de hele EU;

8.

is van mening dat regionale steun alleen een doeltreffende rol kan spelen als deze spaarzaam en proportioneel wordt ingezet en toegespitst wordt op de meest achtergestelde regio's van de EU waar de steun het hardst nodig is; benadrukt de structurele bijdrage van steun aan regionale ontwikkeling, vooral in de huidige context van diepe economische crisis; verzoekt de Commissie te erkennen dat het crisiscriterium"ernstige verstoring in de economie van een lidstaat" nog steeds van toepassing is in de reële economie alsook in de financiële sector, en de criteria voor het maken van deze beoordeling te verduidelijken en te standaardiseren;

9.

merkt op dat er een overlappingsmarge bestaat tussen structuurfondsen uit het cohesiebeleid en staatssteun aan bedrijven; benadrukt dat een aanzienlijk deel van de uitgaven in het kader van het cohesiebeleid van de EU in de periode 2014-2020 onder de GBER vallen, en dat niet alleen de regionale steunmaatregelen maar ook andere horizontale of sectorgebonden richtsnoeren van belang zijn in dit verband; merkt op dat al deze instrumenten voor staatssteun onderlinge samenhang moeten vertonen met elkaar en met de doelstellingen van het cohesiebeleid, en dat al deze regels uiteindelijk moeten leiden tot een doeltreffende besteding van overheidsgeld en groei moeten bevorderen;

10.

wijst op het belang van de GBER in het hele moderniseringsproces van de staatssteun, aangezien een groepsvrijstelling van de aanmeldingseis voor bepaalde steuncategorieën de administratieve rompslomp voor lidstaten aanzienlijk kan verminderen en de Commissie daarmee haar hulpbronnen kan inzetten voor de meest omstreden gevallen en beter prioriteiten kan aanbrengen in haar handhavingsactiviteiten; is daarom van mening dat de Commissie het ontwerp van de nieuwe GBER en de bijbehorende reeks gemeenschappelijke beginselen eerder had moeten publiceren dan bepaalde specifieke richtsnoeren;

11.

vindt het goed dat de Commissie er in het moderniseringsproces van de staatssteun naar streeft de beginselen duidelijker en eenvoudiger te maken; is van oordeel dat deze beginselen enerzijds goed gecoördineerd moeten worden met ander EU-beleid en anderzijds duidelijk, voorspelbaar en flexibel genoeg moeten zijn om te voorzien in de behoeften van bepaalde lidstaten en hun regio's die een periode van crisis en ernstige economische moeilijkheden doormaken; verklaart andermaal dat het beseft dat staatssteun en overheidsinvesteringen een rol spelen bij de aanpak van de economische crisis; meent in dit verband dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de in de toekomstige RAG's vervatte steunintensiteitsniveaus niet worden toegepast op overheidssteun uit de Europese structuur- en investeringsfondsen; is bezorgd dat het voorstel zoals dat met het oog op de raadpleging is gepubliceerd onvoldoende onderlegd is en haaks zou kunnen staan op het streven naar vereenvoudiging;

Territoriale dekking van de regionale steunmaatregelen 2014-2020

12.

merkt op dat, in tegenstelling tot andere soorten staatssteun die in de EU kunnen worden verstrekt, regionale steun per definitie een beperkte geografische reikwijdte en dekking van de bevolking heeft;

13.

stelt zich op het standpunt dat de geografische zonering in de nieuwe richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 evenwel moet worden gehandhaafd of moet verdergaan dan het huidige niveau van 45 %, en dat de steunintensiteit moet worden gehandhaafd op het huidige niveau, gezien de politieke, economische en sociale situatie in de lidstaten alsook in het licht van de natuurlijke, geografische en demografische handicaps van bepaalde regio's; wijst erop dat de economieën van de EU en de EER wereldwijd gezien in een nadelige positie zouden kunnen worden geplaatst ten opzichte van derde landen die voordeel halen uit minder strikte werkgelegenheidsregelingen of lagere kosten en zo de aantrekkelijkheid van de EU en de EER in gevaar brengen; wijst erop dat de noodzakelijke balansaanpassingen in de particuliere sector en de economische onzekerheid ten koste gaan van investeringen in de achtergestelde gebieden van de EU en de toegang tot financiering aldaar, waardoor de verschillen tussen regio's verder groeien;

14.

is van mening dat de nieuwe regels geen restrictieve gevolgen mogen hebben voor de investeringen in en de groei van regio's wanneer die van de categorie van de minder ontwikkelde regio's naar die van de meer ontwikkelde regio's promoveren; beseft dat bepaalde regio's die in het huidige systeem voor staatssteun in aanmerking komen in de toekomst misschien niet aan de zoneringscriteria van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen zullen voldoen en misschien van de zoneringsregeling zullen worden uitgesloten; meent dat er voor deze regio's een speciaal veiligheidsstelsel moet komen dat vergelijkbaar is met dat voor de overgangsregio's in het cohesiebeleid, wat zou zorgen voor meer coherentie tussen de verordeningen inzake het cohesiebeleid 2014-2020 en de mededingingsregels en de lidstaten in staat zou stellen zich aan hun nieuwe situatie aan te passen; stelt in dit verband voor dat de regio's die in de periode 2007-2013 als „a”-gebieden zijn beschouwd, voor de periode 2014-2020 de vooraf vastgestelde status van „c”-gebieden krijgen; vraagt de Commissie dat zij ervoor zorgt dat de maximale steunintensiteit in voormalige „a”-gebieden, met inbegrip van de "statistisch-effectregio's en in „c”-gebieden dienovereenkomstig wordt opgetrokken;

15.

benadrukt de rol van staatssteun in economieën die bijzonder hard getroffen zijn door de crisis en waarvoor de steun uit hoofde van het cohesiebeleid de enige bron van investeringen zou kunnen zijn; stelt in dit verband voor dat wordt nagedacht over specifieke regionale derogaties buiten de regionale steunkaart, zodat de lidstaten de weerslag van de crisis kunnen aanpakken merkt op dat wat economische ontwikkeling betreft, de periode 2008-2010 en wat werkloosheid betreft, de periode 2009-2011 door de Commissie als basis moeten worden gebruikt om te bepalen wie in aanmerking komt voor staatssteun, ook al kunnen deze jaren geen maatstaf vormen voor de territoriale effecten van de door de crisis en natuurrampen veroorzaakte verstoring; verzoekt de Commissie gebruik te maken van recentere en meer doelgerichte gegevens; stelt voor dat de Commissie, om te voorkomen dat er een gat valt, de geldigheid van de huidige regionale-steunkaart en de regionale kaarten met ten minste 6 maanden verlengt aangezien de nieuwe kaarden niet tijdig zullen zijn goedgekeurd; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de regionale kaarten van de „c”-gebieden in 2017 aan een tussentijdse herziening te onderwerpen;

16.

verzoekt de Commissie de economische gevolgen van haar besluiten op het vlak van regionale steun in een bredere geografische context te zien, aangezien grensregio's kunnen concurreren met de EER als locatie voor economische bedrijvigheid; beveelt aan dat de Commissie dit punt in aanmerking neemt in haar EU-nabuurschapsbeleid en in de onderhandelingen met kandidaat-lidstaten;

17.

wijst op het standpunt van de Europese Raad die de Commissie opdracht heeft gegeven te zorgen voor een oplossing voor de specifieke situatie van regio's die aan convergentieregio's grenzen; wijst dan ook met het oog op minimalisering van de verschillen in steunintensiteit tussen regio's van verschillende lidstaten met dezelfde grens op het belang van een evenwichtige aanwijzing van zogeheten „a”- en „c”-gebieden; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat niet voor steun in aanmerking komende regio's die grenzen aan „a”-gebieden van een ander land een specifieke toewijzing krijgen in de zin van een „c”-dekking; is van mening dat deze dekking in afwijking van de algehele maximale dekking moet worden toegekend aan de lidstaten, bovenop de dekking voor voorgedefinieerde en niet-voorgedefinieerde „c”-gebieden; pleit uitdrukkelijk voor een beperking van het verschil in steunintensiteit tussen de verschillende categorieën regio's en bedrijfsgroottes tot maximaal 15 %;

18.

attendeert de Commissie op de situatie van de ultraperifere en dunbevolkte regio’s en van de eilandgebieden; meent dat overheidssteun een passende compensatie is voor de beperkingen die voortvloeien uit het insulaire en afgelegen karakter, de kleine oppervlakte, het moeilijk reliëf, het klimaat en de marktomvang van deze gebieden; vraagt dat voor deze gebieden het cohesiewetgevingspakket wordt afgestemd op de bedrijfssteun in het kader van de vereisten inzake het mededingingsbeleid; vraagt dat de Commissie in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen de beginselen van niet-degressiviteit en niet-beperking in de tijd voor staatssteun in deze regio's nog eens duidelijk in de verf zet; vraagt de Commissie dat zij haar definitie van aan ultraperifere regio's verstrekte overheidssteun toelicht met een specifieke verwijzing naar de bijkomende vervoerskosten;

19.

verzoekt de Commissie regio's op NUTS 2-niveau die uitsluitend uit één of enkele eilanden bestaan, op te nemen in de lijst van „voorgedefinieerde „c”-gebieden” overeenkomstig artikel 107, lid 3, letter c VWEU;

20.

meent dat het de lidstaten moet worden toegestaan een groter aantal parameters te gebruiken voor het bepalen van regionale handicaps, zodat naast een geringe bevolkingsdichtheid ook andere criteria zoals ongunstige geografische omstandigheden, demografische belemmeringen of gevoeligheid voor natuurrampen, in aanmerking worden genomen bij de ruimtelijke vaststelling van subsidiabiliteit; is van mening dat steunregelingen een legitieme vorm van compensatie zijn voor de handicaps die verband houden met het insulaire en afgelegen karakter en de kleine oppervlakte van een grondgebied en dat een dergelijke situatie voor de doeleinden van de territoriale dekking van de regionale steunmaatregelen 2014-2020 als een onafhankelijk criterium gehanteerd moet worden om eilanden te helpen hun structurele handicaps te overwinnen en te zorgen voor een goede voedingsbodem voor economische, sociale en territoriale groei;

Administratieve problemen i.v.m. de steunregels in de context van het cohesiebeleid

21.

is van mening dat de toepassing van steunregels in het kader van cohesiebeleidsprogramma's beter bereikt kan worden door nadruk te leggen op grootschalige en meer doelgerichte steun, vereenvoudigde regels met inbegrip van de kennisgevingvoorschriften en uitbreiding van de horizontale categorieën in de machtigingsverordening (7) en van het toepassinggebied van de groepsvrijstellingsregels van de groepsvrijstellingsverordening; stelt voor het de minimis-plafond op te trekken; merkt op dat een verhoging van het de minimis-plafond, met name voor de sectoren landbouw, visserij en vervoer in de ultraperifere regio's en eilandgebieden, ervoor zou kunnen zorgen dat deze gebieden hetzelfde concurrentievermogen bereiken als regio's op het vasteland;

22.

verzoekt de Commissie nogmaals om snel te voorzien in duidelijke instructies voor de bepaling van wat wel en wat niet staatssteun is krachtens artikel 107, lid 1 VWEU, alsook in gedetailleerde criteria voor het maken van onderscheid tussen belangrijke en minder belangrijke gevallen van staatssteun, zoals aangekondigd in de SAM-routekaart;

23.

acht het met het oog op het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken Mitteldeutsche Flughafen en Flughafen Leipzig/Halle vs Commissie van groot belang dat er bij infrastructuurprojecten ten behoeve van de economische bedrijvigheid strikt wordt toegezien op een correcte uitvoering van de regels inzake staatssteun in het kader van het cohesiebeleid, dit teneinde lokale en regionale instanties en/of hun openbare lichamen niet te belasten met extra administratieve rompslomp; benadrukt dat de uitvoering van deze projecten niet in het gedrang mag komen als gevolg van de strenge eisen op het gebied van het financieel beheer, zoals de vrijmakingsvoorschriften in het cohesiebeleid en de klachtenregeling in de staatssteunprocedure;

24.

verzoekt ten behoeve van een vereenvoudigde, maar consistente aanpak andermaal om meer duidelijkheid met betrekking tot de beoordeling van de staatssteun die uit hoofde van de groepsvrijstellingsverordeningen door de lidstaten wordt toegekend, aangezien dit waarschijnlijk in de programmering 2014-2020 van het cohesiebeleid bijzondere moeilijkheden zal opleveren, niet alleen voor de kmo's, maar ook voor de plaatselijke en regionale instanties en hun openbare lichamen; benadrukt evenwel dat de vereenvoudiging niet ten koste mag gaan van de handhaving;

25.

wijst erop dat de ex-antevoorwaarden voor staatssteun binnen het cohesiebeleid vereisen dat de Commissie een proactievere aanpak hanteert ten aanzien van gevallen van staatssteun, vooral als de omvang en reikwijdte van niet aan kennisgeving onderworpen steunmaatregelen toenemen; is het met de Rekenkamer eens dat de Commissie meer bekendheid moet geven aan de kennisgevingplicht, beste praktijken moet bevorderen, gerichte informatie moet verstrekken over de verschillende soorten kennisgevingen, en moet zorgen voor de publicatie van een regelmatig bijgewerkte afdeling „veelgestelde vragen” op haar kennisgevingsite, alsook dat zij een helpdesk in het leven moet roepen die vragen over de interpretatie van de richtlijnen kan beantwoorden;

26.

is van mening dat de lidstaten en regio's hun activiteiten beter moeten coördineren met de Commissie, zowel met betrekking tot de kwaliteit van de informatie die zij verstrekken en de kennisgevingen die zij voorbereiden als ten aanzien van de tijdstippen waarop dat moet gebeuren; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de ex-antevoorwaarden voor staatssteun in het kader van het cohesiebeleid naar behoren worden toegepast en zich strikter te houden aan de nationale staatssteunregels;

27.

verzoekt de Commissie en de lidstaten hun informatiecampagnes over steunregels specifiek te richten op regionale en lokale lichamen, die in veel gevallen slechts sporadisch staatssteun hebben toegekend en dus weinig bekend zijn met de ter zake geldende regels; verzoekt de Commissie hiermee rekening te houden bij de beoordeling van de ex-antevoorwaarden die voor staatssteun in lidstaten gelden;

28.

vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de administratieve en juridische vereisten en de transparantieverplichtingen inzake de uitvoering van de regels inzake staatssteun zo duidelijk mogelijk worden gehouden; is van mening dat sommige van de nieuwe maatregelen die in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 worden voorgesteld — zoals contrafeitelijke scenario's, duidelijk bewijs dat de steun impact heeft op de investeringskeuze, of de voorwaarde dat de werkzaamheden in verband met het project niet mogen beginnen voordat de overheidsinstanties een besluit tot steunverlening hebben genomen — en die de Commissie voor het komende tijdvak zowel voor bedrijven die steun aanvragen als voor de lidstaten en hun subnationale bestuursstructuren wil toepassen — in strijd zijn met het beginsel van vereenvoudiging en „debureaucratisering” dat in het cohesiebeleid en ander EU- en nationaal beleid wordt nagestreefd; verklaart andermaal dat dergelijke regels betekenen dat bepaalde projecten zullen worden uitgesloten van investeringssteun of nooit opgestart raken; meent dat een vereiste tot regelmatige beoordeling van de wenselijkheid van staatssteun aan ultraperifere regio's ten koste zou kunnen gaan van de nodige investeringsveiligheid en voorspelbaarheid voor investeerders en ondernemingen die op zoek zijn naar ondernemingskansen in de betrokken regio's;

Aantrekkelijkheid van regio's en staatssteunregels

29.

benadrukt dat moet worden gezorgd voor duidelijke en eenvoudige regels voor zowel regionale als sectorspecifieke staatssteun voor het aantrekken van buitenlandse investeringen in de EU en haar regio's en voor het waarborgen van hun concurrentievermogen wereldwijd, alsook hun economische, sociale en territoriale cohesie;

30.

is ingenomen met de nieuw voorgestelde regels inzake transparantie (paragrafen 127 en 128 van de ontwerprichtsnoeren); spoort de lidstaten aan deze regels na te leven en op een centrale website volledige en accurate informatie over de verleende steun te publiceren;

31.

dringt er bij de Commissie op aan de toegang tot staatssteun voor kmo's in de meest achtergestelde regio’s eenvoudiger en duidelijker te maken, waarmee ze het belang van deze entiteiten voor regionale ontwikkeling onder ogen ziet; verzoekt de Commissie zich daarnaast meer in te zetten voor haar handhavingsactiviteiten in grotere zaken met een mogelijk ernstiger verstorend effect;

32.

onderkent de door de Commissie gesignaleerde problemen met betrekking tot investeringssteun aan grote ondernemingen, aangezien hiervan geen aantoonbaar stimulerend effect uitgaat; is van mening dat, ofschoon overheidssteun in de eerste plaats naar kmo's moet gaan, het niet terecht is om grotere bedrijven, een categorie die ook familiebedrijven die buiten de definitie van kmo's vallen of bedrijven met middelgroot kapitaal omvat, uit te sluiten van staatssteun in gebieden die onder artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU vallen, gezien hun bijdrage aan de werkgelegenheid, de bevoorradingsketens die zij met kmo's opzetten, hun gebruikelijke activiteiten op het gebied van innovatie, onderzoek en ontwikkeling en de positieve rol die zij spelen in de economische crisis; is van mening dat de aanwezigheid van grote bedrijven vaak de sleutel is tot het succes van kmo's, die profiteren van clusters onder leiding van grote bedrijven en van de activiteiten die door deze bedrijven uitbesteed worden; herinnert eraan dat de Commissie zelf uitdrukkelijk heeft onderkend dat investeringen door grote bedrijven gunstig doorwerken in de economie en de EU toegang verschaffen tot de wereldmarkten; benadrukt dat een besluit om grote ondernemingen in „c”-gebieden uit te sluiten zou kunnen leiden tot banenverlies, inkrimping van de economische bedrijvigheid in de regio's, vermindering van het regionale concurrentievermogen, verslechtering van de aantrekkelijkheid voor buitenlandse investeringen en de verplaatsing van bedrijven naar andere regio's binnen of buiten de EU; meent dan ook dat dergelijke ondernemingen in aanmerking moeten blijven komen voor overheidssteun in „c”-gebieden, maar dat deze steun moet worden onderworpen aan een apart onderzoek dat volgt op de afzonderlijke kennisgeving en aan aanvullende compatibiliteitscriteria inzake stimulerende effecten en de bijdrage aan regionale ontwikkeling via clusters en onderaanneming;

33.

is van mening dat de mogelijkheid van het toekennen van staatssteun aan grote bedrijven niet alleen moet afhangen van de omvang van het bedrijf of de sector waarin het opereert, maar tevens van het aantal banen dat naar schatting kan worden gecreëerd en behouden dankzij de stimuleringsmaatregel, de kwaliteit en de duurzaamheid van de banen of van het desbetreffende project en van de langetermijneffecten op de ontwikkeling van de regio, met inbegrip van de sociale aspecten; benadrukt dat het overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel aan de lidstaten, de betrokken regio's en de plaatselijke overheden moet worden overgelaten te bepalen welke specifieke projecten de meeste mogelijkheden bieden om de doelstellingen van EU-beleid te realiseren;

34.

deelt de mening van de Commissie dat voorkomen moet worden dat staatssteun leidt tot de verplaatsing van een activiteit naar een andere vestiging binnen de EER; plaatst echter vraagtekens bij de voorgestelde ontwerpparagrafen 24, 25 en 122 t/m 124, aangezien ze niet goed zouden aansluiten op het cohesiebeleid en in strijd zouden zijn met de doelstelling van vereenvoudiging; wijst er met name op dat de periode van twee jaar vanzelfsprekend arbitrair is en dat het misschien wel onmogelijk blijkt om deze regel op te leggen, aangezien elk causaal verband en een planning voor over twee jaar moeilijk gestaafd kan worden; vreest dat deze regel niet-Europese bedrijven bevoordeelt ten opzichte van Europese bedrijven met als gevolg dat bedrijven zich verplaatsen buiten de EER als zij met hun activiteiten op die manier kunnen profiteren van regionale steun aan het gesubsidieerde gebied;

35.

wijst erop dat bedrijven die staatssteun krijgen kunnen verhuizen, zowel binnen als buiten de EU, een risico dat zeer reëel is voor de regio's; neemt kennis van de door de Europese Commissie voorgestelde vrijwaringsclausule, die grote ondernemingen en kmo's ertoe zou verplichten om de investeringen die zij gedaan hebben en de werkgelegenheid die zij geschapen hebben in het gebied waarin zij steun hebben ontvangen, in stand te houden, of anders de steun terug te betalen; vestigt de aandacht van de Commissie op de lopende onderhandelingen over de verordeningen voor het cohesiebeleid voor 2014-2020 en vraagt dat de respectieve periodes die in het kader van het cohesiebeleid en het mededingingsbeleid zijn vastgelegd voor het behoud van investeringen en banen door bedrijven die EU-financiering of staatssteun hebben ontvangen, op elkaar worden afgestemd;

36.

plaatst ook vraagtekens bij het feit dat „ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden” (paragraaf 11 van de ontwerprichtsnoeren) niet in aanmerking komen voor regionale steun; is van mening dat bedrijven die een reorganisatie doormaken, niet onderworpen mogen worden aan striktere maatregelen, vooral aangezien een vooraf gegeven negatieve beoordeling van steunaanvragen van deze bedrijven kan leiden tot een verplaatsing buiten de EU; wijst erop dat verantwoordelijke reorganisaties van bedrijven in het huidige onzekere en steeds veranderende bedrijfsklimaat de belangrijkste maatregel is om de duurzaamheid van investeringen, banen en groei op lange termijn te garanderen; merkt op dat de voorgestelde ontwerpregeling niet alleen inconsistent is met de hulp aan bedrijven die getroffen zijn door de economische crisis in gesubsidieerde regio's, maar ook onuitvoerbaar is, aangezien die richtsnoeren geen precieze definitie bevatten van het concept „ondernemingen in moeilijkheden”; herinnert aan zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie inzake informatie aan en raadpleging van werknemers, anticipatie en beheer van herstructurering (8), waarin werd gepleit voor een wet inzake deze aangelegenheden, en verzoekt de Commissie onmiddellijk in actie te komen;

37.

is ervan overtuigd dat het essentieel is dat er een zekere flexibiliteitsmarge wordt aangehouden voor de herziening van de richtsnoeren, als genoemd in paragraaf 177 van het ontwerp, om eventuele in de toekomst vereiste aanpassingen mogelijk te maken, aangezien deze richtsnoeren zijn ontworpen voor een periode van zeven jaar;

o

o o

38.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0026.

(2)  PB C 54 van 4.3.2006, blz. 13.

(3)  Brussel, 2012 (geen datum).

(4)  EUCO 37/13 van 8.2.2013, blz. 22.

(5)  Speciaal verslag nr. 15/2011 van de Rekenkamer: „Waarborgen de procedures van de Commissie een effectief beheer van de controle op staatssteun?”.

(6)  Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening), PB L 214 van 9.8.2008, blz. 3.

(7)  Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 (PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1).

(8)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0005.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/86


P7_TA(2013)0268

Jaarverslag over het mededingingsbeleid

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 inzake het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU (2012/2306(INI))

(2016/C 065/09)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met name de artikelen 101, 102 en 107,

gezien het Commissieverslag over het mededingingsbeleid 2011 (COM(2012)0253) en het begeleidende interne werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2012)0141),

gezien Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (1),

gezien Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de „EG-concentratieverordening”) (2),

gezien de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2008 over de toepassing van de staatssteunregels op maatregelen in het kader van de huidige wereldwijde financiële crisis genomen met betrekking tot financiële instellingen (3) (de mededeling over het bankwezen),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 december 2008 over de herkapitalisatie van financiële instellingen in de huidige financiële crisis: beperking van steun tot het noodzakelijke minimum en bescherming tegen buitensporige mededingingverstoringen (4) (de mededeling over de herkapitalisatie),

gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2009 over de behandeling van aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa in de communautaire banksector (5) (de mededeling over aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 juli 2009 betreffende het herstel van de levensvatbaarheid en de beoordeling van de herstructureringsmaatregelen in de financiële sector in de huidige crisis met inachtneming van de staatssteunregels (6) (de herstructureringsmededeling),

gezien de mededeling van de Commissie van 17 december 2008 over een tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (7) (de oorspronkelijke tijdelijke kaderregeling),

gezien de mededeling van de Commissie van 1 december 2010 over een tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (8) (de nieuwe tijdelijke kaderregeling, die op 31 december 2010 ten einde is gelopen),

gezien het eindverslag van 2 oktober 2012 van de deskundigengroep op hoog niveau inzake structurele bankhervormingen in de EU (9),

gezien de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (10),

gezien het besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (11),

gezien de mededeling van de Commissie over het kaderprogramma van de Europese Unie voor staatssteunregels voor diensten van algemeen economisch belang (2011) (12),

gezien Verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan ondernemingen die DAEB verrichten (13),

gezien de in juni 2011 in opdracht van het Parlement uitgebrachte studie met als titel „State aid — Crisis rules for the financial sector and the real economy” (14),

gezien de in juni 2012 in opdracht van het Parlement uitgebrachte studie met als titel „Collective redress in Antitrust” (15),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie met als titel „Openbare hoorzitting: op weg naar een samenhangende Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen” (SEC(2011)0173),

gezien de mededeling van de Commissie met als titel „De modernisering van het EU-staatssteunbeleid” (COM(2012)0209),

gezien speciaal verslag nr. 15/2011 van de Europese Rekenkamer getiteld „Waarborgen de procedures van de Commissie een effectief beheer van de controle op staatssteun?”,

gezien de richtsnoeren van de Commissie inzake bepaalde staatssteunmaatregelen in de context van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten voor de periode na 2012 (hierna „de ETS-richtsnoeren” genoemd) (16),

gezien de kaderovereenkomst van 20 november 2010 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie (17) (hierna „de kaderovereenkomst” genoemd), en met name de paragrafen 12 (18) en 16 (19) daarvan,

gezien de verklaring van de top van de eurozone van 29 juni 2012 (20),

gezien zijn resoluties van 22 februari 2005 over het 33e verslag van de Commissie inzake het mededingingsbeleid 2003 (21), van 4 april 2006 over het Commissieverslag inzake het mededingingsbeleid 2004 (22), van 19 juni 2007 over het verslag inzake het mededingingsbeleid 2005 (23), van 10 maart 2009 over de verslagen inzake het mededingingsbeleid 2006 en 2007 (24), van 9 maart 2010 over het verslag inzake het mededingingsbeleid 2008 (25), van 20 januari 2011 over het verslag inzake het mededingingsbeleid 2009 (26) en van 2 februari 2012 over het jaarverslag inzake het mededingingsbeleid van de EU (27),

gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over hervorming van de EU-regels inzake staatssteun voor diensten van algemeen economisch belang (28),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie vervoer en toerisme (A7-0143/2013),

A.

overwegende dat het op de beginselen van open markten en een gelijk speelveld in alle sectoren gestoelde mededingingsbeleid een onderdeel van de genetische code van de EU is, alsmede een hoeksteen van de Europese sociale markteconomie, een instrument ten dienste van de Europese consumenten om een sociaal en economisch gezonde interne markt te waarborgen en onrechtmatige praktijken van marktdeelnemers te bestrijden, evenals een sleutelelement met betrekking tot het goede functioneren van de interne markt;

B.

overwegende dat het vrije verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal van essentieel belang is geweest voor Europese groei;

C.

overwegende dat de economische, financiële en staatsschuldencrisis in de herfst van 2008 is begonnen en in 2011 is verergerd, met als gevolg een recessie in de EU-economie;

D.

overwegende dat de Commissie op de crisis heeft gereageerd door, naast andere maatregelen, een speciale regeling voor staatssteun vast te stellen, en het mededingingsbeleid als een crisisbeheersingsinstrument heeft gebruikt; overwegende dat dit was — en nog steeds is — bedoeld als een tijdelijke oplossing;

E.

overwegende dat het mededingingsbeleid van essentieel belang is om de crisis het hoofd te bieden en de Europa 2020-strategie en de interne markt te ondersteunen, alsmede om vooruitgang te boeken in het kader van een bankenunie, een echte economische en monetaire unie en verdergaande integratie en convergentie;

F.

overwegende dat protectionisme de crisis enkel zou verergeren en verlengen en dat strenge handhaving van de mededingingsregels van essentieel belang is om de Europese economie weer op de rails te krijgen;

G.

overwegende dat het jaarverslag over het mededingingsbeleid moet dienen als een instrument om het algemene concurrentievermogen van de Unie te bevorderen door de concurrentie te verruimen en open te stellen voor nieuwe spelers, om zo de interne markt uit te breiden en te verdiepen, en derhalve niet enkel mag gaan over de praktische tenuitvoerlegging van het mededingingsbeleid door de Commissie;

H.

overwegende dat de concurrentie niet in alle lidstaten even tevredenstellend functioneert;

I.

overwegende dat de sectoren met weinig concurrentie vaak ook gekenmerkt worden door een ondermaatse economische productie;

Algemene opmerkingen

1.

neemt kennis van het Commissieverslag over het mededingingsbeleid 2011, en stelt met tevredenheid vast dat in de nieuwe thematische structuur de door het Parlement voorgelegde kwesties worden aangepakt en prioriteiten, doelstellingen en getroffen maatregelen duidelijk kunnen worden vastgesteld;

2.

benadrukt dat het mededingingsbeleid een hoeksteen van de Europese sociale markteconomie is; onderstreept het belang van sterkere antitrustmaatregelen, staatssteunmaatregelen en maatregelen inzake concentratiecontrole om te zorgen voor een efficiënte economie, een goed functionerende interne markt en sociale vooruitgang; benadrukt tevens dat betere toegang tot en de daarmee samenhangende deelname aan de interne markt door kleine en middelgrote bedrijven en de derde sector een actief mededingingsbeleid vereisen dat bestaande belemmeringen wegneemt;

3.

dringt aan op samenhang tussen het mededingingsbeleid van de EU en al het andere EU-beleid, met inbegrip van sectorale regelingen, om ervoor te zorgen dat de interne markt voor producten en diensten goed functioneert in het belang van burgers, het milieu en bedrijven;

4.

verzoekt de Commissie om in samenwerking met de nationale mededingingsautoriteiten de concurrentieverstoringen en de economische gevolgen daarvan aan een grondige beoordeling te onderwerpen; vraagt de Commissie potentiële onevenwichtigheden tussen de lidstaten in deze sector op te sporen, evenals de oorzaken ervan;

5.

benadrukt dat de tenuitvoerlegging van het mededingingsbeleid in ruime zin niet gericht moet zijn op de versterking van gevestigde ondernemingen of aanbieders van goederen en diensten, maar de algemene doelstelling moet hebben om de toegang van nieuwe spelers en de ontwikkeling van nieuwe ideeën en technieken te vergemakkelijken, om zo de EU-burgers maximaal te laten profiteren;

6.

wijst erop dat de verlenging van de speciale crisisregeling voor staatssteun gezien de omstandigheden een noodzakelijke beslissing was en een bijdrage heeft geleverd aan het voorkomen van grotere financiële en economische instabiliteit en van protectionisme, alsmede aan de instelling van een mechanisme voor herstructurering van banken en crisisafwikkeling, ontwikkelingen die allemaal bijzonder nuttig zijn in programmalanden die met ernstige problemen te kampen hebben;

7.

is echter bezorgd over het feit dat de crisisregeling voor staatssteun, die bedoeld was als een tijdelijke oplossing, toch niet zo tijdelijk lijkt te zijn; wijst erop dat het Parlement in zijn jaarlijkse verslag voor de derde maal op rij heeft benadrukt dat deze tijdelijke maatregelen zo snel mogelijk moeten worden beëindigd; betreurt voorts het feit dat deze aanpak in een aantal gevallen heeft gefaald en dringt erop aan dat lessen worden getrokken uit eerdere interventies en dat op basis daarvan werkwijzen worden vastgesteld;

8.

houdt vol dat staatssteun ontvangende banken hun bedrijfsmodel op het uitvoerbare gedeelte van hun activiteiten moeten richten, de toegang tot kredieten voor gezinnen en ondernemingen moeten verbeteren, een bovengrens moeten vaststellen voor beloningen en de gevolgen voor niet-gesteunde concurrenten en Europese belastingbetalers zoveel mogelijk moeten beperken; wijst er in dit verband op dat de voorstellen van de deskundigengroep op hoog niveau inzake structurele bankhervormingen in de EU in overweging moeten worden genomen;

9.

benadrukt dat de huidige consolidatie in de bankensector het marktaandeel van verscheidene grote financiële instellingen juist heeft doen toenemen, en vraagt de Commissie daarom met klem om de sector goed in het oog te houden, met als doel de concurrentie in de Europese bankensectoren te bevorderen;

10.

herinnert aan de verklaring van de top van de eurozone van 29 juni 2012; is het ermee eens dat de vicieuze cirkel tussen banken en overheden moet worden doorbroken en dat zij hun toezeggingen met spoed moeten nakomen;

11.

vraagt de Commissie streng toe te zien op antitrustregels en regels inzake concentratiecontrole, teneinde beter gereguleerde, transparante, open en eerlijke financiële markten te bewerkstelligen; waardeert haar onderzoeken inzake de OTC-derivatenmarkt, in het bijzonder met betrekking tot kredietverzuimswap (CDS), handelsgegevens en -diensten, betalingsdiensten en de verspreiding van financiële informatie op markten;

12.

vraagt de mededingingsautoriteiten van de EU samen te werken met andere rechtsgebieden en toe te zien op het gedrag en de markteffecten van grote financiële spelers en oligopolies zoals kredietbeoordelingsbureaus, evenals perioden van prijsschommelingen in verband met financiële markten, en topprioriteit te geven aan onderzoek naar de vermeende rentemanipulatie bij Libor, Euribor en Tibor;

13.

is van mening dat bovengenoemde kwesties aan een volledig onderzoek moeten worden onderworpen, ook om vast te stellen of alle EU-instrumenten zijn gebruikt om dergelijke voorvallen te voorkomen; verzoekt de Commissie voorts onderzoek te doen naar de effecten van dergelijke verstoringen in prijsontwikkeling in sectoren zoals hypothecair krediet;

Ondersteuning van duurzame groei, banen en concurrentievermogen

14.

erkent dat het mededingingsbeleid een essentieel instrument is voor verdere ontwikkeling en instandhouding van de interne markt, alsmede een belangrijke drijvende kracht voor productiviteit, effectiviteit en mondiaal concurrentievermogen door de grote rol ervan bij de ondersteuning van billijke en open markten, gezonde overheidsfinanciën en de Europa 2020-doelstellingen voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

15.

benadrukt dat felle mededinging, een gezonde verscheidenheid aan economische entiteiten en een proactief industriebeleid noodzakelijk zijn voor de verdieping van de interne markt, het herstel van de economische groei, de aantrekkelijkheid van de Europese markt op wereldniveau, de uitvoering van de Digitale Agenda en de bevordering van onderzoek en innovatie; wijst erop dat alle antitrust-, en staatssteun- instrumenten en concentratiecontrole-instrumenten van essentieel belang zijn voor een betere regulering van de markten, een grotere transparantie en de herstructurering van de economie;

16.

verwacht dat de Commissie het mededingingsbeleid op doeltreffende wijze ten uitvoer legt en milieuvriendelijke technologieën en hulpbronnen bevordert; is van mening dat de nieuwe ETS-richtsnoeren moeten bijdragen aan het voorkomen van koolstoflekken, het behoud van prijssignalen en het zoveel mogelijk beperken van verstoringen; is van mening dat de huidige lage ETS-prijs nauwelijks bijdraagt aan de bevordering van klimaatvriendelijke technologieën en de overgang naar een koolstofarme economie vertraagt;

17.

is van mening dat overheidsoptreden dat gericht is op het verlenen van steun aan slachtoffers van omvangrijke fraude en onwettige financiële praktijken, met als enige doel om verdere schade te voorkomen en hun rechten te herstellen, niet moet worden beschouwd als staatssteun;

Diensten van algemeen economisch belang

18.

merkt op dat Europese burgers een gebiedsdekkende en betaalbare voorziening van noodzakelijke en belangrijke diensten van hoge kwaliteit willen, evenals toenemende concurrentie en bevordering van een gelijker speelveld tussen aanbieders van die diensten, ongeacht de vraag of het openbare of particuliere aanbieders zijn; wijst er in dit verband op dat instandhouding van de mededinging tussen verschillende aanbieders daartoe van cruciaal belang is; benadrukt dat het recente pakket van diensten van algemeen economisch belang kan leiden tot een eenvoudiger, duidelijker en flexibeler kader in dit opzicht; benadrukt de verantwoordelijkheid die de Commissie volgens de mededingingsregels van het VWEU heeft om te waarborgen dat de aan diensten van algemeen economisch belang toegekende compensatie in overeenstemming is met de EU-staatssteunregels teneinde te voorkomen dat de dienstverlening aan het publiek van lage kwaliteit is, doch hoge kosten met zich meebrengt; is bezorgd dat teveel diensten worden vrijgesteld van toezicht door de mededingingsautoriteiten;

19.

vraagt de mededingingsautoriteiten van de EU toe te zien op de markten voor farmaceutische, gezondheids- en verzekeringsdiensten (met name de markten voor generieke en innovatieve geneesmiddelen) door mogelijk misbruik van octrooirechten en discriminerend gedrag op te sporen; merkt op dat, hoewel de organisatie van de gezondheidszorg en sociale bescherming in eerste instantie binnen de bevoegdheid van de lidstaten valt, deze diensten moeten worden gecontroleerd om overheidsfinanciën veilig te stellen en het mededingingsrecht en de rechten van EU-burgers te handhaven;

Verbetering van het welzijn van de consument: sectorale ontwikkelingen

20.

is bezorgd over het feit dat de voedselprijzen sinds medio 2007 aanzienlijk zijn gestegen, met grote schommelingen in de producentenprijzen, en benadrukt dat de voedselprijzen voor consumenten een belangrijke bijdrage leveren aan de algehele inflatie; benadrukt dat het nieuwe kader voor collectieve onderhandelingen in de waardeketen vergezeld moet gaan van het concurrentiebevorderend functioneren van producentenorganisaties en van een platform om toezicht te houden op de voedselprijzen; dringt er bij de Commissie op aan om, in samenwerking met de nationale mededingingsautoriteiten, streng toezicht te houden op de concurrentie in de agro-industriële sector in termen van ondersteuning, transparantie en consumptieprijsontwikkeling in alle lagen van de waardeketen; brengt in herinnering dat de voordelen voor de consument in de levensmiddelensector kunnen worden vermeerderd door de mededinging in alle andere economische sectoren op vergelijkbare wijze te hervormen;

21.

benadrukt dat diensten van algemeen economisch belang en van algemeen sociaal belang een belangrijk onderdeel vormen van de totale dienstverlening in de lidstaten, en dat dit impliceert dat aanzienlijke winst kan worden geboekt door deze diensten efficiënter te maken; onderstreept dat het in dit perspectief essentieel is te waarborgen dat in de regelgeving voor deze diensten prioriteit wordt gegeven aan de bescherming van consumenten;

22.

wijst op de grote rol van speculatie op de voedselmarkten in het veroorzaken van prijsschommelingen; vraagt de Commissie om onderzoek te doen naar deze kwestie in het verslag over het mededingingsbeleid 2012 en om maatregelen te nemen ter bestrijding van de speculatie op de voedselmarkten;

23.

roept de Commissie op om nader in te gaan op de positieve rol van producentenorganisaties en coöperaties in het verbeteren van het welzijn van kleine landbouwers en het versterken van hun onderhandelingspositie tegenover de upstreamindustrie;

24.

kijkt uit naar het verslag van het Europees mededingingsnetwerk (ECN) over deze kwestie; neemt kennis van het feit dat granen en zuivelproducten de meest onderzochte sectoren in antitrustzaken zijn, en moedigt de nationale mededingingsautoriteiten (NMA's) aan meer initiatieven op dit gebied te ontwikkelen; verzoekt de Commissie zich te buigen over de Europese suikerindustrie, die in 2011 en 2012 te maken kreeg met een bijzonder hoge prijsinflatie;

25.

dringt er bij de Commissie nogmaals op aan volledige uitvoering te geven aan het interne energiemarktpakket; spoort haar ertoe aan om, zolang de totstandbrenging van een open en concurrerende interne markt voor energie nog niet volledig is gerealiseerd, nauwlettend toezicht te houden op de concurrentieverhoudingen in de energiemarkten, in concreto waar de privatisering van nutsbedrijven haar oorsprong vindt in een stelsel van monopolistische of oligopolistische markten;

26.

verzoekt de Commissie om de ontwikkelingen op de interne markt voor luchtvracht- en expresdiensten zorgvuldig te onderzoeken; merkt op dat de Verenigde Staten zich in een soort duopolie op de expresmarkt bevinden, en in de praktijk Europese concurrenten de afgelopen tien jaar van de markt hebben geweerd; concludeert dat verdere fusies in de sector slechts één grote Europese expres- en logistiekonderneming zouden overlaten om te concurreren, en dat prijsconcurrentie op de interne markt zeer negatieve gevolgen kan hebben voor de consumenten;

27.

benadrukt dat er op de luchtvaartmarkt van de Verenigde Staten geen sprake is van een gelijk speelveld voor Europese ondernemingen en dat de Europees-Amerikaanse luchtvaartmarkt nog steeds duidelijk uit evenwicht is omdat Europese luchtvrachtmaatschappijen de toegang tot de binnenlandse Amerikaanse markt wordt geweigerd en de concurrentie door de ongunstige omstandigheden maar moeilijk aan kunnen gaan; benadrukt dat deze ongelijke markttoegang de concurrentie verstoort en uiteindelijk schadelijk is voor de Europese logistieksector en zijn klanten;

Bevordering van de legitimiteit en doeltreffendheid van mededingingsbeleid

28.

ondersteunt een actieve rol voor het Parlement bij de vorming van het mededingingsbeleid, met inbegrip van medewetgevende bevoegdheden; is van mening dat de Commissie de volledige verantwoordelijkheid moet hebben en de resoluties van het Parlement moet opvolgen; wenst de lopende gestructureerde dialoog te versterken;

29.

roept de Commissie op haar onpartijdigheid en objectiviteit te behouden en open te staan voor verbeteringen in mededingingszaken; is voorstander van procedurele rechten, met inbegrip van het recht van ondernemingen om alvorens te worden gehoord het dossier van de Commissie in te zien;

30.

moedigt de Commissie aan de cultuur van eerlijke mededinging verder te bevorderen door algemene beginselen vast te stellen en de acties van ondernemingen op dit gebied te ondersteunen, met name door meer interesse te tonen voor en een positievere houding aan te nemen ten opzichte van naleving, omdat hiervan een doorslaggevend preventief effect uitgaat dat het publieke belang dient;

31.

verzoekt de Commissie alternatieve geschillenbeslechting in overweging te nemen en het ernstig vertraagde voorstel in te dienen volgens de gewone wetgevingsprocedure, ter bevordering van individuele en collectieve particuliere schadevorderingen van bedrijven en consumenten als gevolg van inbreuken op de antitrustwetgeving van de EU; is van mening dat een dergelijk voorstel mededinging maar geen ongegronde procesvoering moet bevorderen, kleine en diffuse schade moet dekken, volledig in overeenstemming moet zijn met de Europese transparantieregels, en uitzonderingen in het kader van de clementieregelingen naar behoren en specifiek moet motiveren, in volledige overeenstemming met de openbare handhaving;

32.

verwijst opnieuw naar zijn eerdere resoluties van 2 februari 2012 over het Jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU en het idee van een mogelijk voorstel van de Commissie met betrekking tot collectieve verhaalmechanismen;

33.

staat positief tegenover samenwerking binnen het Europees mededingingsnetwerk (ECN) en met nationale rechtbanken, teneinde de doeltreffendheid en samenhang van het mededingingsbeleid in heel Europa te waarborgen; is voorstander van de effectieve deling van de verantwoordelijkheid tussen ECN-leden, aangezien bepaalde markten een grotere nationale dimensie hebben dan andere als gevolg van verschillende juridische, economische en culturele omstandigheden; verzoekt de Commissie convergentie en samenwerkingsovereenkomsten met andere jurisdicties te bevorderen, met inbegrip van voorzieningen voor informatie-uitwisseling tijdens onderzoeken, onder redelijke voorwaarden;

34.

is zich bewust van de hoge en toenemende werkdruk van de Commissie op het gebied van handhaving van de mededingingsregels, en herhaalt derhalve dat de Commissie meer hulpmiddelen nodig heeft, in het bijzonder via de toewijzing van bestaande hulpmiddelen, om een proactieve en effectievere aanpak te kunnen hanteren;

35.

roept de Commissie op een mededingingscultuur te bevorderen, zowel binnen de EU als daarbuiten;

Boetebeleid

36.

beveelt aan de procedure voor de regeling van geschillen en, in voorkomend geval, ontradende en evenredige boetes te gebruiken, en tegelijkertijd de nadelige economische en maatschappelijke gevolgen te vermijden die voortvloeien uit het uit de markt drukken van ondernemingen die het zwaar hebben;

37.

merkt op dat boetes niet moeten voorkomen dat bedrijven hun directeurs en personeel intern verantwoordelijk houden of, in voorkomend geval, dat de lidstaten kwesties inzake strafrechtelijke aansprakelijkheid aanpakken; verzoekt de Commissie deze aspecten in overweging te nemen en hierover verslag uit te brengen;

38.

is er bezorgd over dat het gebruik van boetes als enig instrument wellicht te beperkt is, niet in de laatste plaats met het oog op mogelijk banenverlies indien bedrijven de boetes niet kunnen betalen, en roept op tot de ontwikkeling van een breder scala aan verfijnder instrumenten, waarmee punten worden aangesproken als de individuele verantwoordelijkheid, transparantie en verantwoordingsplicht van ondernemingen, kortere procedures, het recht op verdediging en een eerlijk proces, mechanismen ter waarborging van een doeltreffende gang van zaken bij clementieverzoeken (met name om de interferentie te ondervangen die veroorzaakt is door de discovery-procedures in de VS), programma's voor naleving van de regelgeving door bedrijven en de ontwikkeling van Europese normen; is voorstander van een ‘wortel en stok’-benadering waarbij slecht gedrag wordt bestraft met sancties die echt afschrikkend werken en goed gedrag in de hand wordt gewerkt met stimulansen;

39.

wijst er opnieuw op dat de methode voor het bepalen van de hoogte van boetes is vastgelegd in een niet-wetgevingsdocument — de boeterichtsnoeren 2006 — en verzoekt de Commissie nogmaals met klem een gedetailleerde, op het legaliteitsbeginsel gestoelde grondslag voor het bepalen van de hoogte van boetes, samen met nieuwe boetebeginselen, op te nemen in Verordening (EG) nr. 1/2003;

40.

herhaalt zijn oproep tot een algemene herziening van de boeterichtsnoeren van de Commissie op basis van zes jaar praktijkervaring; is van mening dat bij deze herziening de rol van programma's voor naleving moet worden onderzocht, de voorwaarden waaronder moederbedrijven die beslissende invloed op een dochter uitoefenen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor inbreuk op de antitrustregels door hun dochters gedetailleerd moeten worden vastgelegd, en de onderwerpen clementie, recidive, de plafonnering van de omzet en de interactie tussen overheids- en particuliere aansprakelijkheid in overweging moeten worden genomen;

41.

wijst opnieuw op het feit dat het aantal verzoeken tot verlaging van de opgelegde boetes wegens onvermogen om te betalen, met name van de zijde van monoproducenten en kmo's, is toegenomen; bevestigt nogmaals dat een systeem van latere betaling en/of betaling in termijnen als een alternatief kan worden gezien voor verlaging van de opgelegde boetes, om te voorkomen dat ondernemingen failliet gaan;

42.

is ingenomen met het feit dat de Commissie in haar besluit van 28 maart 2012 in zaak COMP/39452 rekening heeft gehouden met de specifieke behoeften van monoproducenten;

Sectorspecifieke overwegingen

43.

roept de Commissie en de lidstaten op vorderingen te blijven maken om de interne vervoersmarkt tot stand te brengen, en tegelijkertijd open en eerlijke concurrentie tussen openbare en particuliere marktdeelnemers te verzekeren in de vervoer-, post- en toerismesector; verzoekt hen bovendien daarbij rekening te houden met andere beleidsdoelstellingen van de Unie zoals het gedegen functioneren van vervoers- en mobiliteitsdiensten, beleidsdoelstellingen op het gebied van overheidsdiensten, sociale normen, veiligheid en milieubescherming en de streefdoelen van de EU met betrekking tot de beperking van CO2-emissies en de afhankelijkheid van olie; verwelkomt de aankondiging van het wetgevingspakket voor de interne markt II (Single Market Act II) dat erop is gericht eindelijk het gemeenschappelijk Europees luchtruim te verwezenlijken en voortgang te maken bij de openstelling van de spoorwegmarkt en de totstandbrenging van een gemeenschappelijke spoorwegruimte;

44.

is van mening dat de Commissie de samenhang tussen het mededingingsbeleid en het vervoersbeleid moet versterken, teneinde het concurrentievermogen van de Europese vervoersector te verbeteren;

45.

verzoekt de Commissie zich proactiever op te stellen bij de bevordering van convergentie van mededingingsregels in internationale onderhandelingen, teneinde in de vervoersector gelijke concurrentievoorwaarden voor de EU en derde landen te waarborgen;

46.

benadrukt dat het belangrijk is om op uniforme wijze een Europese vervoersruimte te ontwikkelen en de verschillen tussen de lidstaten met betrekking tot de ontwikkeling van vervoersinfrastructuur en -systemen weg te nemen, teneinde daadwerkelijk een Europese interne markt te verwezenlijken en eerlijke concurrentie op het gebied van vervoer te waarborgen;

47.

benadrukt het effect van belastingverschillen op de concurrentie tussen de verschillende vervoerswijzen en op intermodaal vervoer, en verzoekt de Commissie met een overzicht te komen van de belastingen en de uiteenlopende btw-regelingen voor de verschillende vervoerswijzen;

48.

benadrukt dat de totstandbrenging van vrije en eerlijke concurrentie op Europees niveau de opheffing vereist van fysieke, technische en wettelijke obstakels tussen lidstaten, met name door de ontwikkeling van interoperabele en efficiënte trans-Europese netwerken;

49.

verwelkomt in principe de mededeling van de Commissie inzake passagiersrechten in alle vervoerswijzen, doch benadrukt dat iedere vervoerswijze inherent anders is en dat een eventueel Commissievoorstel niet alleen bestaande passagiersrechten moet waarborgen, maar tevens moet voorzien in een proportionele en flexibele benadering die de verschillen tussen de vervoerswijzen erkent;

50.

dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan om, in het licht van de EU-VS luchtvervoersovereenkomst, hun samenwerking te intensiveren teneinde op elkaar afgestemde regelgevingsbenaderingen te ontwikkelen met betrekking tot concurrentieaangelegenheden tussen allianties van luchtvaartmaatschappijen, en om actief op zoek te gaan naar manieren om de grote allianties sterker te laten concurreren binnen de trans-Atlantische markt;

51.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om de tenuitvoerlegging van de wetgeving met betrekking tot het gemeenschappelijk Europees luchtruim te bespoedigen, teneinde de prijsbepaling van diensten transparanter te maken en zo het toezicht op de naleving van mededingingsregels te vergemakkelijken en het concurrentievermogen en de veiligheid van Europese luchthavens te optimaliseren, en om zich ten behoeve van zowel de economie als de passagiers te blijven inspannen voor de bevordering van het concurrentievermogen van Europese luchthavens;

52.

verzoekt de Commissie een met bewijzen gestaafd overzicht te verstrekken van de gevallen waarin luchtvaartmaatschappijen dankzij bijzondere voorwaarden voordelen ondervinden ten opzichte van andere dienstverleners of waarin zij, zoals wordt beweerd, hun dominante positie in bepaalde luchthavens misbruiken, met name door passagiers de mogelijkheid te ontzeggen om meer dan één stuk handbagage mee te nemen of door andere beperkingen inzake handbagage op te leggen;

53.

wijst erop dat commerciële activiteiten een belangrijke bron van inkomsten voor luchthavens zijn en dat dergelijke agressieve praktijken kunnen worden beschouwd als een vorm van misbruik van de dominante positie van een luchtvaartmaatschappij;

54.

dringt er bij de Commissie op aan het toezicht op de verhandeling, het gebruik en de toewijzing van slots op Europese luchthavens te versterken, teneinde eerlijke concurrentie te waarborgen en regionale verbindingen in heel Europa te beschermen;

55.

verzoekt de Commissie toe te zien op de maatregelen ten aanzien van exploitanten van goedkope luchtvaartmaatschappijen, teneinde ervoor te zorgen dat deze maatregelen geen instrumenten van oneerlijke concurrentie vormen;

56.

dringt er bij de Commissie op aan om bij de herziening van de EU-richtsnoeren inzake staatssteun voor luchtvaartmaatschappijen en luchthavens te waarborgen dat er geen verstoring van de concurrentie optreedt en om te voorzien in gelijke concurrentievoorwaarden voor alle marktdeelnemers;

57.

wijst erop dat er beperkte vooruitgang is geboekt bij de liberalisering van de Europese spoorwegsector en dat deze stand van zaken de spoorwegen in een nadelige positie plaatst ten opzichte van andere vervoerswijzen, vooral in het licht van de bekommernis om het concurrentievermogen van de spoorwegsector in heel Europa;

58.

dringt er bij de Commissie op aan de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke Europese spoorwegruimte te voltooien door de juiste voorwaarden te creëren om de sector open te stellen voor vrije en eerlijke concurrentie, met inbegrip van maatregelen om efficiënte en innovatieve spoorwegmaatschappijen in staat te stellen zonder beperkingen te functioneren en waarbij wordt ingezet op een duidelijke scheiding tussen eigendom van infrastructuur en spoorwegexploitanten, krachtige nationale regelgevende instanties en de harmonisering van bepalingen inzake personeel; verzoekt de Commissie om bij de voorbereiding van de openstelling van de markten voor binnenlandse passagiersvervoersdiensten over het spoor rekening te houden met de verschillende operationele modellen van nationale spoorwegmaatschappijen, en specifieke voorstellen te doen om een eind te maken aan de indirecte concurrentiebeperkingen die voortvloeien uit de inconsistente bepalingen met betrekking tot veiligheid, interoperabiliteit en vergunningen;

59.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de sector van het spoorwegvervoer wordt opengesteld voor eerlijke concurrentie en dat de kwaliteit van de diensten stijgt, zonder dat dit ten koste gaat van de openbare dienstverlening;

60.

benadrukt dat de verdere openstelling van de EU-markt voor internationaal goederenvervoer over de weg alleen aanvaardbaar is indien gelijke concurrentievoorwaarden voor vervoersondernemingen worden gewaarborgd en de bescherming van sociale wetgeving en van de arbeidsomstandigheden van mobiele werknemers in alle lidstaten wordt veiliggesteld;

61.

benadrukt dat oneerlijke concurrentie in de geliberaliseerde sector wegvervoer moet worden voorkomen door te waarborgen dat sociale, veiligheids- en milieuvoorschriften naar behoren worden toegepast, met bijzondere aandacht voor de openstelling van deze markt voor cabotage en dumpingpraktijken;

62.

dringt er bij de Commissie op aan om, in samenwerking met de lidstaten, met specifieke voorstellen te komen, teneinde de aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten weg te nemen op het gebied van sancties voor ernstige inbreuken op het Gemeenschapsrecht met betrekking tot wegvervoer, en aldus een einde te maken aan die concurrentieverstoringen;

63.

verzoekt de lidstaten de derde postrichtlijn ten uitvoer te leggen; moedigt de Commissie aan nauwlettend toe te zien op en te rapporteren over de sociale gevolgen van de liberalisering van de markt voor postdiensten en de verplichting tot universele dienstverlening in deze sector, met inbegrip van de financiering van de universele dienstverlening;

64.

dringt er bij de Commissie op aan om, gezien het Verdrag van Lissabon, de nieuwe geconsolideerde bevoegdheden en het economische potentieel van het toerisme voor de EU, de proactieve samenwerking tussen toerismeondernemingen mogelijk te maken, en de noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat hoogwaardige toeristische bestemmingen in de EU op mondiaal niveau kunnen concurreren; verzoekt de Commissie de procedures met betrekking tot het wetgevingsvoorstel inzake pakketreizen te bespoedigen, teneinde te zorgen voor voldoende concurrentie en een optimaal functionerende markt in de Europese toerismesector;

65.

is van mening dat de tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake staatssteun de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU 2020-strategie als doel moet hebben, in het bijzonder door investeringen in de reële economie mogelijk te maken en een sterkere concentratie van middelen op de gebieden onderzoek, innovatie en duurzame ontwikkeling te bevorderen;

66.

merkt op dat de Europese markt voor elektronische betalingen zowel binnen als over de nationale grenzen van de lidstaten heen nog steeds gefragmenteerd is; dringt aan op maatregelen — en handhaving ervan — die zorgen voor een meer open, transparante, innovatieve en concurrerende interne markt voor betalingen, die voor alle consumenten voordelen en keuzemogelijkheden met zich meebrengt met betrekking tot opties voor kaart-, internet- en mobiele betalingen, alsmede mobiele portemonnees, interoperabiliteit, kosten en portabiliteit; vraagt daarom de Commissie een beoordeling te geven van alle mogelijke manieren om nieuwkomers op de Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen te brengen, en daarbij toekomstige technologische innovaties in deze sector te beschermen; is van mening dat het toezicht op de multilaterale interbancaire tarieven moet worden versterkt en is verheugd over de voorstellen opgenomen in de Single Market Act II voor een herziening van de richtlijn inzake betalingsdiensten en voor een wetgevingsinitiatief inzake multilaterale bankkosten;

67.

steunt het voornemen van de Commissie om oog te blijven houden voor de transparantie van de financiële markten, maar is van oordeel dat meer moet worden gedaan om de tijdige verspreiding van betrouwbare informatie van hoge kwaliteit te waarborgen, in het bijzonder voor de derivatenmarkten;

68.

is van mening dat ondernemingen met elkaar moeten concurreren in een ruimte waarbinnen de naleving van de rechten van de consument effectief wordt gewaarborgd, en dat een regeling voor collectief verhaal en een regeling voor alternatieve geschillenbeslechting noodzakelijke instrumenten zijn voor de verwezenlijking van dit doel;

69.

wijst erop dat de Commissie uitsluitend het misbruik van een marktpositie van een bedrijf beoordeelt; is van mening dat dit op een aantal markten niet voldoende is om het risico van kartelvorming te voorkomen; verzoekt de Commissie te onderzoeken op welke wijze kan worden beoordeeld hoe het gevaar van kartelvorming tot een minimum kan worden teruggebracht en maximale concurrentie kan worden bereikt; dringt er bij de Commissie op aan duidelijke en transparante richtsnoeren op te stellen voor een mededingingsbeleid waarin rekening wordt gehouden met deze beginselen;

70.

dringt er bij de Commissie op aan volledige uitvoering te geven aan het interne energiemarktpakket, aangezien een open en concurrerende interne markt in de energiesector nog niet volledig is bereikt; moedigt de Commissie aan om actief toezicht te houden op de concurrentie op de energiemarkten, in het bijzonder wanneer de privatisering van openbare nutsbedrijven haar oorsprong vindt in monopolistische of oligopolistische markten;

71.

merkt op dat het ontbreken van een doeltreffend juridisch stelsel voor de vergoeding van schade die uit schendingen van voorschriften inzake mededinging voortvloeit nadelig is voor de consument, en dat de boetes voor niet-naleving van deze voorschriften uitsluitend ten goede komen aan de schatkisten van de lidstaten;

72.

roept de Commissie op te zorgen voor gelijke onderhandelingsposities tussen fabrikanten en distributeurs, en onderstreept daarbij:

het belang van bestrijding van discriminerende praktijken op het gebied van onlinedistributie welke onder de verordening betreffende de algemene groepsvrijstelling voor verticale afspraken (Verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie) valt, opdat distributeurs in staat blijven innoverende distributiemethodes, zoals onlineplatforms, te gebruiken en een groter aantal en meer uiteenlopende klanten te bereiken;

de betekenis van de handelaren op de markten voor de verkoop van nieuwe motorvoertuigen nadat Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie op 31 mei 2013 verlopen is; vraagt de Commissie aan te dringen op de ontwikkeling van gedragsregels tussen de fabrikanten en de handelaren met betrekking tot verticale overeenkomsten in de motorvoertuigensector, met name wat betreft de bescherming van investeringen na afloop van contracten en de mogelijkheid om een bedrijf aan een lid van het netwerk over te dragen, om zo de transparantie van de zakelijke en contractuele betrekkingen tussen de partijen te vergroten;

73.

spreekt in dit verband zijn voldoening uit over de inspanningen die de belanghebbenden in de voedselvoorzieningsketen hebben geleverd om tot overeenstemming te komen over beginselen inzake goede methodes in B2B-betrekkingen en inzake uitvoeringsmaatregelen, met inachtneming van vrije en eerlijke concurrentie; roept de Commissie op zich te blijven inzetten voor toezicht op de toepassing van deze beginselen, zoals het Parlement ook zal doen via zijn jaarlijkse detailhandelsronde;

74.

erkent dat franchising onafhankelijke detailhandelszaken een goede formule biedt om in een zeer concurrerende omgeving te overleven; roept de Commissie op toezicht te houden op de ontwikkeling van de betrekkingen tussen franchisegevers en franchisenemers, te zorgen voor gelijke onderhandelingsposities tussen deze partijen en, in voorkomend geval, wetgevingsvoorstellen te doen;

75.

is van mening dat, naast haar betrekkingen met het Parlement en met het Economisch en Sociaal Comité, de Commissie haar samenwerking met de consumentenorganisaties beter moet structureren en dat deze samenwerking moet worden beschouwd als een belangrijk element voor het toezicht op de naleving van de voorschriften inzake mededinging; merkt op dat om deze reden de dialoog tussen het directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie en die organisaties moet worden aangemoedigd en versterkt;

76.

is ingenomen met het beleid van overheidssteun, dat, toen het op banken werd toegepast, heeft bijgedragen tot meer stabiliteit van het financiële stelsel; dringt erop aan dat de publieke banken voor langetermijninvesteringen, waaronder de Europese Investeringsbank, door de Commissie worden opgenomen in de beoordeling van de goede werking van de interne markt;

77.

is van mening dat media-eigendom en -beheer transparant en niet geconcentreerd moeten zijn; roept de Commissie op na te gaan hoe bestaande mededingingsregels zich verhouden tot de toenemende concentratie van commerciële media in de lidstaten; roept de Commissie tevens op de mededingingsregels toe te passen en in te grijpen als er sprake is van een te hoge mediaconcentratie en als het pluralisme van de media wordt bedreigd; vraagt regels op te stellen om belangenconflicten op een afdoende manier aan te pakken en op te lossen;

78.

dringt er bij de Commissie op aan het mededingingsbeleid beter te integreren met betrekking tot de werkgelegenheidsdoelstellingen van de EU 2020-strategie, ter verbetering van de ondersteuning van het MKB dat de meeste banen schept;

79.

verzoekt de Commissie in toekomstige jaarverslagen uitdrukkelijk te wijzen op de gevolgen van mededingingsbeleid voor werkgelegenheid en sociale zaken;

80.

wijst erop dat het concurrentievermogen in de EU moet worden verbeterd met behulp van innovatie en de bijdrage van hooggekwalificeerde arbeidskrachten zonder de lonen en/of pensioenen aan te tasten, door in alle lidstaten een hoog sociaal niveau te handhaven en de binnenlandse vraag te vergroten; doet derhalve een beroep op de lidstaten om meer te investeren in onderwijs, beroepsopleidingen en onderzoek en ontwikkeling;

81.

verzoekt de lidstaten een actief en op integratie gericht arbeidsmarktbeleid te voeren teneinde het concurrentievermogen van de economieën van de Unie te versterken en werkzoekenden vaste en duurzame, kwalitatief hoogwaardige banen aan te bieden;

82.

is ingenomen met de benadering van de Commissie om maatregelen voor de integratie/re-integratie van werknemers op de arbeidsmarkt als diensten van bijzonder belang voor burgers op te nemen in het pakket van diensten van algemeen economisch belang;

83.

dringt er bij de Commissie op aan om eerst te onderzoeken welke gevolgen de lopende herstructurering en privatisering van bedrijven hebben voor de betrokken werknemers, en benadrukt dat het werkgelegenheidsaspect tijdens het privatiseringsproces van wezenlijk belang moet blijven voor nationale overheden alsook de Commissie;

84.

verzoekt de Commissie toezicht te blijven uitoefenen op de regels inzake staatssteun omdat de overloopeffecten van de crisis nog steeds gevoeld worden en onderstreept de noodzaak om diensten van algemeen belang in de lidstaten te handhaven;

85.

verzoekt de Commissie het Parlement jaarlijks verslag uit te blijven brengen van de ontwikkelingen in en gevolgen van de uitvoering van het mededingingsbeleid;

o

o o

86.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten.


(1)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.

(2)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(3)  PB C 270 van 25.10.2008, blz. 8.

(4)  PB C 10 van 15.1.2009, blz. 2.

(5)  PB C 72 van 26.3.2009, blz. 1.

(6)  PB C 195 van 19.8.2009, blz. 9.

(7)  PB C 16 van 22.1.2009, blz. 1.

(8)  PB C 6 van 11.1.2011, blz. 5.

(9)  http://ec.europa.eu/internal_market/bank/docs/high-level_expert_group/report_en.pdf

(10)  PB C 8 van 11.1.2012, blz. 4.

(11)  PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3.

(12)  PB C 8 van 11.1.2012, blz. 15.

(13)  PB L 114 van 26.4.2012, blz. 8.

(14)  http://www.europarl.europa.eu/activities/committees/studies/download.do?language=en&file=42288

(15)  http://www.europarl.europa.eu/committees/en/studiesdownload.html?languageDocument=EN&file=74351

(16)  PB C 158 van 5.6.2012, blz. 4.

(17)  PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.

(18)  „Elk lid van de Commissie ziet toe op een regelmatige en rechtstreekse informatievoorziening tussen het lid van de Commissie en de voorzitter van de betrokken parlementaire commissie.”

(19)  „Binnen drie maanden na de aanneming van een resolutie van het Parlement verstrekt de Commissie het Parlement schriftelijke informatie over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van specifieke verzoeken die het Parlement in resoluties tot haar heeft gericht, ook in gevallen waarin zij zich niet achter de standpunten van het Parlement kon scharen. […]”

(20)  http://consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/ec/131359.pdf

(21)  PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 114.

(22)  PB C 293 E van 2.12.2006, blz. 143.

(23)  PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 105.

(24)  PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 43.

(25)  PB C 349 E van 22.12.2010, blz. 16.

(26)  PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 60.

(27)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0031.

(28)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0494.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/96


P7_TA(2013)0269

Voorbereiding van de Europese Raad (27—28 juni 2013) — Democratische besluitvorming in de toekomstige EMU

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over democratische besluitvorming in de toekomstige EMU (2013/2672(RSP))

(2016/C 065/10)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 23 mei 2013 over „toekomstige wetgevingsvoorstellen inzake de EMU: reactie op de mededelingen van de Commissie” (1) van mening is dat formele voorafgaande coördinatie van hervormingen van het economisch beleid op EU-niveau: i) moet worden versterkt op basis van de communautaire methode, ii) moet worden afgestemd op de instrumenten van het Europees semester voor economische beleidscoördinatie en iii) gepaard moet gaan met nieuwe solidariteits- en op stimuli gebaseerde instrumenten;

B.

overwegende dat de in te stellen mechanismen voor voorafgaande coördinatie moeten gelden voor alle lidstaten van de eurozone en open moeten staan voor alle lidstaten van de Unie;

C.

overwegende dat het Parlement in bovengenoemde resolutie van 23 mei 2013 van mening is dat een nieuw instrument voor convergentie en concurrentievermogen (ICC) dat wordt voorgesteld, overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure moet worden goedgekeurd, op de communautaire methode gebaseerd moet zijn en moet voorzien in adequaat toezicht door het Europees Parlement; overwegende dat het Parlement erop wijst dat een dergelijk mechanisme moet worden gefinancierd met middelen uit een nieuwe faciliteit die volgens de communautaire methode wordt ingesteld en beheerd en integraal deel uitmaakt van de EU-begroting, maar wel buiten de maxima van het meerjarig financieel kader (MFK) blijft, om te waarborgen dat het Europees Parlement hierbij volledig betrokken is; overwegende dat het Parlement het met de Commissie eens is dat ICC's de eerste bouwstenen zijn voor een echte begrotingscapaciteit die steun verleent voor solidariteit en de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen die duurzame groei bevorderen;

D.

overwegende dat de Commissie onverwijld volgens de gewone wetgevingsprocedure voorstellen moet indienen om de toezeggingen die de staatshoofden en regeringsleiders op 28 juni 2012 met betrekking tot een „Pact voor groei en banen” hebben gedaan, om te zetten in secundaire wetgeving;

E.

overwegende dat het Parlement in bovengenoemde resolutie van 23 mei 2013 benadrukte dat er in het kader van het EU-semester een convergentiecode op basis van de Europa 2020-strategie moet worden goedgekeurd, met een sterke sociale pijler;

1.

maakt zich grote zorgen over het feit dat de Raad in zijn reactie op de crisis blijk geeft van een totaal gebrek aan ambitie; is ook bezorgd over de negatieve invloed van de nationale verkiezingscycli op het vermogen van de Unie om autonoom beslissingen te nemen; betreurt dat alle besluiten over de toekomstige architectuur van de EMU verder zijn uitgesteld; betreurt ook dat de Europese Raad zijn verwachte besluiten over de toekomst van de EMU al tweemaal heeft uitgesteld en dat hij dat tijdens de volgende top wellicht nogmaals zal doen;

2.

is uiterst bezorgd over het feit dat de democratische verantwoording in de EMU (de vierde bouwsteen) tot dusver nog niet naar behoren is behandeld tijdens de besprekingen in de Raad; vindt dit zeer betreurenswaardig;

3.

herhaalt nogmaals dat een verder initiatief met het oog op een hechte EMU op basis van stabiliteit, duurzame groei, solidariteit en democratie, absoluut volgens de communautaire methode moet worden vastgesteld; benadrukt dat de Europese instellingen echt met elkaar moeten samenwerken; herinnert de Europese Raad eraan dat hij op grond van de Verdragen geen wetgevend initiatiefrecht heeft en dat hij ermee moet ophouden de Commissie instructies te geven over de vorm en/of inhoud van verdere wetgevingsinitiatieven en voorbij te gaan aan de coördinerende, uitvoerende en beheerstaak van de Commissie die in de Verdragen is vastgelegd;

4.

waarschuwt de Europese Raad in dit verband zich niet ongepast met het proces van het Europees semester te bemoeien en ervoor te zorgen dat de overeengekomen procedures worden gevolgd;

5.

herhaalt dat het met betrekking tot de EMU geen verdere intergouvernementele elementen zal accepteren en dat het binnen zijn bevoegdheden alle nodige stappen zal ondernemen als die waarschuwing in de wind wordt geslagen; herinnert eraan dat artikel 16 van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie bepaalt dat het begrotingspact binnen maximaal vijf jaar in het EU-recht moet worden geïntegreerd op basis van een beoordeling van de ervaring met de tenuitvoerlegging ervan;

6.

herhaalt zijn principiële standpunt dat de versterkte EMU de EU niet mag verdelen, maar integendeel voor een verdere integratie en een sterker bestuur moet zorgen, waaraan ook alle niet-lidstaten van de eurozone op vrijwillige basis kunnen deelnemen;

7.

herinnert de Commissie eraan dat alleen zij wetgevend initiatiefrecht heeft; is dan ook verbijsterd dat de Commissie nog geen wetgevingsvoorstellen heeft ingediend op basis van de voorstellen in haar „Blauwdruk voor een hechte economische en monetaire unie” (COM(2012)0777) en haar verklaring bij de „twopack”-verordeningen; is van mening dat de Commissie haar politieke en uit de Verdragen voortvloeiende verplichtingen van zich afschuift als zij niet dringend een dergelijk initiatief neemt;

8.

verzoekt de Commissie in het kader van het Europees semester een voorstel tot vaststelling van een convergentiecode in te dienen dat op de Europa 2020-strategie is gebaseerd en een sterke sociale pijler tot stand brengt; benadrukt dat de nationale uitvoeringsprogramma's ervoor moeten zorgen dat de convergentiecode door alle lidstaten wordt toegepast en door een op stimuli gebaseerd mechanisme wordt ondersteund;

9.

herhaalt dat de prioriteit van het Parlement is te zorgen dat elk nieuw financieel instrument dat gelinkt is aan het instrument voor convergentie en concurrentievermogen (ICC) een integraal deel van de EU-begroting is en volledig onder de gewone begrotingsprocedure valt;

10.

onderstreept dat de munt van de Unie de euro is, dat het parlement van de Unie het Europees Parlement is en dat de toekomstige architectuur van de EMU recht moet doen aan het feit dat het Europees Parlement op EU-niveau de instantie is waaraan verantwoording moet worden afgelegd; vraagt dat er telkens wanneer nieuwe bevoegdheden worden overgedragen aan of worden gecreëerd op het EU-niveau of wanneer nieuwe EU-instellingen worden opgericht, voor een dienovereenkomstige mate van democratische controle door en verantwoordingsplicht jegens het Europees Parlement wordt gezorgd;

11.

herhaalt nogmaals dat het wenst dat het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) in het communautair acquis wordt geïntegreerd zodat het volgens de communautaire methode kan worden beheerd en verantwoording moet afleggen aan het Parlement; vraagt de Commissie daartoe een voorstel in te dienen; herinnert de Eurogroep eraan dat het Parlement schriftelijke garanties heeft gekregen dat het ESM aan toezicht door het Parlement zal worden onderworpen;

12.

herinnert eraan dat de deelname van de EU aan het „trojka”-systeem aan democratisch toezicht door het Parlement moet worden onderworpen en verantwoording aan het Parlement moet afleggen;

13.

is uiterst bezorgd over de vertraging bij het opzetten van de bankenunie en de praktische regelingen voor de rechtstreekse herkapitalisatie van banken door het ESM; is met name verontrust over de aanhoudende fragmentatie van het bankwezen in de EU; benadrukt dat een solide en ambitieuze bankenunie een essentieel onderdeel van een hechtere EMU vormt en een belangrijk beleidsgebied is waarop het Parlement al meer dan drie jaar lang insisteert, met name sinds het zijn standpunten over de verordening betreffende de Europese Bankautoriteit heeft aangenomen;

14.

dringt erop aan dat de Voorzitter van het Parlement op de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad het standpunt van het Parlement over de jaarlijkse groeianalyse presenteert; is van mening dat er over een interinstitutioneel akkoord moet worden onderhandeld om het Europees Parlement inspraak te geven bij de goedkeuring van de jaarlijkse groeianalyse en de richtsnoeren inzake economisch beleid en werkgelegenheid;

15.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad en de Commissie.


(1)  Aangenomen teksten P7_TA(2013)0222.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/98


P7_TA(2013)0270

Voorbereiding van de Europese Raad (27—28 juni 2013) — Europese maatregelen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over de voorbereidingen voor de bijeenkomst van de Europese Raad (27—28 juni 2013) — Europese maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid (2013/2673(RSP))

(2016/C 065/11)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2011 getiteld Initiatief „Kansen voor jongeren” (COM(2011)0933),

gezien de vraag voor mondelinge beantwoording aan de Commissie en de begeleidende resolutie van het Parlement van 24 mei 2012 over het Initiatief „Kansen voor jongeren” (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 december 2012 getiteld „Jongeren aan het werk helpen” (COM(2012)0727),

gezien zijn resolutie van 16 januari 2013 over een jongerengarantie (2),

gezien de conclusies van de Europese Raad van 7 en 8 februari 2013,

gezien de aanbeveling van de Raad van 28 februari 2013 over de invoering van een jongerengarantie,

gezien de mededeling van de Commissie van 12 maart 2013 over het werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren (COM(2013)0144),

gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over integratie van migranten, de gevolgen daarvan voor de arbeidsmarkt en de externe dimensie van de coördinatie van de sociale zekerheid (3),

gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat in april 2013 23,5 % van de jongeren in de EU werkloos was, waarbij de percentages varieerden van 7,5 % in Duitsland en 8 % in Oostenrijk tot 62,5 % in Griekenland en 56,4 % in Spanje, hetgeen duidt op grote geografische verschillen;

B.

overwegende dat 8,3 miljoen Europeanen onder de 25 jaar niet werken noch onderwijs of een opleiding volgen (NEET's — Not in Employment, Education or Training); overwegende dat deze aantallen blijven stijgen en er aldus een verloren generatie dreigt te ontstaan;

C.

overwegende dat jongeren met een bijzonder kwetsbare achtergrond een groter risico lopen vroegtijdig en zonder bovenbouwdiploma het onderwijs te verlaten of hun opleiding op te geven;

D.

overwegende dat 15 % van alle kinderen de school verlaat zonder het middelbaar onderwijs te hebben afgerond, terwijl 10 % van alle EU-burgers leeft in gezinnen waar niemand een baan heeft;

E.

overwegende dat de eerste signalen die erop wijzen dat een jongere de school waarschijnlijk voortijdig en zonder diploma zal verlaten, een vroege voorbode vormen van een spiraal van armoede;

F.

overwegende dat in 2011 het economische verlies ten gevolge van de inactiviteit van jonge mensen werd geschat op 153 miljard EUR, hetgeen overeenkomt met 1,2 % van het bbp van de EU; overwegende dat dit een aanzienlijke sociale en economische last vormt;

G.

overwegende dat het onderwijs- en opleidingsbeleid een cruciale rol kan spelen bij de bestrijding van de hoge jeugdwerkloosheid en de daadwerkelijke bevordering van integratie en participatie; overwegende dat er meer moet worden geïnvesteerd in beroepsonderwijs en -opleiding, integratie in leerstructuren, hoger onderwijs en onderzoek; overwegende dat bijscholing van essentieel belang is om individuen de nodige vaardigheden mee te geven voor kwalitatieve banen in groeisectoren zoals groene banen, de ICT-sector en de zorgsector;

H.

overwegende dat ondanks het hoge algehele niveau van de jeugdwerkloosheid bepaalde sectoren zoals de ICT- en de zorgsector steeds meer moeite hebben om gekwalificeerd personeel te vinden voor openstaande vacatures;

I.

overwegende dat veel beleid dat van invloed is op jongeren momenteel wordt ontwikkeld zonder de jongeren zelf en andere belanghebbenden erbij te betrekken;

J.

overwegende dat de in sommige lidstaten gehanteerde duale stelsels van beroepsonderwijs en de gecombineerde academische en beroepsopleidingsprogramma's vanwege de nadruk op praktische vaardigheden hun waarde hebben bewezen, met name tijdens de crisis, aangezien zij zijn gericht op een betere inzetbaarheid van jongeren en aldus zorgen voor lagere jeugdwerkloosheidspercentages;

1.

is verheugd over het feit dat de Europese Raad heeft erkend hoe belangrijk de arbeidsparticipatie van jongeren is voor de welvaart van Europa; verzoekt de Europese Raad en de Commissie met klem hun inspanningen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid te intensiveren als onderdeel van een grootschaliger optreden om sociale rechten te bevorderen en sociale onevenwichtigheden binnen de Europese Unie aan te pakken; benadrukt dat het Europees Parlement nauwlettend zal toezien op de vorderingen en zal controleren of de beloofde maatregelen worden uitgevoerd, met name wat de jongerengarantie betreft;

2.

dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op een op rechten gebaseerde benadering van jongeren en werkgelegenheid; benadrukt dat, met name in tijden van ernstige crisis, de kwaliteit van werk voor jongeren niet in het geding mag komen, en dat de fundamentele arbeidsnormen en andere normen inzake de kwaliteit van werk centraal moeten staan;

3.

wijst erop dat de interne onevenwichtigheden tussen de lidstaten, met name wat betreft werkgelegenheid en sociale indicatoren die voornamelijk betrekking hebben op jongeren, toenemen; dringt aan op onmiddellijke maatregelen van de EU om deze onevenwichtigheden in het kader van het Europese semester te verhelpen;

4.

dringt er in dit verband bij de Commissie op aan gemeenschappelijke sociale investeringsindicatoren te ontwikkelen, met name betreffende jeugdwerkloosheid;

5.

benadrukt nogmaals dat de oplossing voor het nijpende probleem van de jeugdwerkloosheid gelegen is in een verbetering van het algehele economische klimaat, zoals de versterking van de interne markt voor diensten en de digitale economie, stimulering van de handel door middel van vrijhandelsovereenkomsten, en de bevordering van de belangen van kmo's en micro-ondernemingen met inachtneming van de fundamentele sociale rechten; benadrukt dat het doeltreffendste instrument om werkloosheid op de lange termijn te bestrijden duurzame economische groei is; is voorts van mening dat specifiek op jongeren gerichte maatregelen belangrijk zijn, doch dat bovenal moet worden gewaarborgd dat de EU berust op een sterke, concurrerende en moderne economie; is ingenomen met de investeringen op de korte en middellange termijn zoals het werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren, maar wijst tegelijkertijd op het gebrek aan structurele langetermijnmaatregelen en het ontbreken van noodzakelijke hervormingen om onderwijsstelsels in bepaalde lidstaten in staat te stellen het hoofd te bieden aan toekomstige uitdagingen en de inzetbaarheid van jongeren te waarborgen;

6.

benadrukt dat het van groot belang is vrijwillige mobiliteit onder jongeren te vergroten door de bestaande obstakels voor grensoverschrijdende leer- en opleidingscontracten en stages weg te nemen, teneinde het aanbod van en de vraag naar werkgerelateerde leermogelijkheden voor jongeren, met name in grensgebieden, beter op elkaar af te stemmen, en door de mogelijkheid om pensioenen en arbeids- en socialebeschermingsrechten mee te nemen te versterken, daarbij rekening houdend met gevaar van een braindrain; dringt er tevens bij de Commissie en de lidstaten op aan alle noodzakelijke stappen te zetten om een braindrain te voorkomen door middel van duurzame maatregelen die ervoor zorgen dat een aanzienlijk percentage hoogopgeleide mensen werkzaam blijft in hun eigen gemeenschap of terugkeert naar hun lidstaat van herkomst, om er aldus voor te zorgen dat deze lidstaten economisch herstel en duurzame groei kunnen bewerkstelligen;

7.

verzoekt de Commissie aanbevelingen op te stellen met betrekking tot de vraag in hoeverre het mogelijk is in de EU een gemeenschappelijk niveau voor werkloosheidsuitkeringen vast te stellen, gerelateerd aan het voormalige salaris van de werkloze;

Jongerengarantie

8.

is ingenomen met de aanbeveling van de Raad van 28 februari 2013 over de invoering van een jongerengarantie; vraagt om de snelle tenuitvoerlegging van jongerengarantieregelingen in alle lidstaten; benadrukt dat de jongerengarantie geen baangarantie is, doch een instrument dat ervoor zorgt dat alle werkloze EU-burgers en legaal in de EU verblijvenden onder de 25 jaar en alle pas afgestudeerden onder de 30 jaar binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of van school zijn gekomen, een goed aanbod voor een baan, voortgezet onderwijs of een stageplaats ontvangen; onderstreept in het bijzonder dat jongerengarantieregelingen voor een daadwerkelijke verbetering moeten zorgen van de situatie van jonge mensen die niet werken, noch onderwijs of een opleiding volgen;

9.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan duidelijke doelstellingen en indicatoren met betrekking tot de jongerengarantieregeling te ontwikkelen, teneinde het effect van dit initiatief effectief te kunnen meten en evalueren; benadrukt dat het voornemens is nauwlettend toe te zien op de activiteiten van alle lidstaten om de jongerengarantie te verwezenlijken, en vraagt jongerenorganisaties het Europees Parlement op de hoogte te houden van hun beoordelingen van het optreden van de lidstaten;

10.

merkt op dat de jongerengarantieregelingen moeten worden onderworpen aan een kwaliteitskader om ervoor te zorgen dat de opleidingen en de banen die worden aangeboden, vergezeld gaan van passende betaling, arbeidsvoorwaarden en gezondheids- en veiligheidsnormen;

EU-financiering

11.

is ingenomen met de 6 miljard EUR die is toegewezen aan het nieuwe werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren en dringt aan op vroegtijdige financiering tijdens de eerste jaren van het meerjarig financieel kader teneinde de jeugdwerkloosheid aan te pakken en jeugdgaranties zo snel mogelijk ten uitvoer te leggen; benadrukt dat de kosten van de tenuitvoerlegging van jeugdgaranties in de hele eurozone door de Internationale Arbeidsorganisatie zijn geschat op 21 miljard EUR en dringt er derhalve op aan de toewijzing in het kader van een herziening van het meerjarig financieel kader naar boven bij te stellen; is blij met de uitbreiding van de doelgroep voor de jeugdgarantie onder de 30 jaar;

12.

is ingenomen met de voorgestelde opvolger van de Progress-microfinancieringsfaciliteit die is opgenomen in het programma voor sociale verandering en innovatie voor de periode 2014-2020 en beschouwt deze als een waardevol instrument om, ook voor jongeren, nieuwe, duurzame en kwalitatief hoogstaande banen te creëren;

13.

benadrukt dat EU-financiering ter bestrijding van jeugdwerkloosheid voor 2014 met name beschikbaar wordt gemaakt door herprogrammering van beschikbare structuurfondsen en door optimale benutting van de 60 miljard EUR van de Europese Investeringsbank als voorzien in het Pact voor groei en banen; is ingenomen met de nieuwe en versnelde toewijzing van 16 miljard EUR aan structuurfondsen om de werkgelegenheidskansen voor jongeren te bevorderen en kmo's te helpen toegang tot financiering te krijgen;

14.

verzoekt de Commissie om in het kader van de bestrijding van jeugdwerkloosheid actief aan te dringen op steun en initiatieven van en andere vormen van samenwerking met de private sector; spoort de Europese Investeringsbank aan bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie, bijvoorbeeld door de toekenning van leningen te koppelen aan het scheppen van banen en opleidingsplaatsen of door de ontwikkeling van duale onderwijsstelsels te ondersteunen; benadrukt evenwel dat de leningen van de EIB moeten worden beschouwd als een aanvulling op de EU-financiering in de vorm van subsidies, en niet als een vervanging hiervoor;

Bestrijding van jeugdwerkloosheid op nationaal niveau

15.

onderstreept dat investeren in werkgelegenheid voor jongeren een centraal onderdeel moet vormen van de sociale investeringsstrategieën van de lidstaten;

16.

roept op tot een ambitieuze, holistische beleidsaanpak waarin op integrale wijze wordt gekeken naar initiatieven op het gebied van onderwijs, opleiding, werkgelegenheid en zelfstandig werk voor alle jongeren op alle verschillende niveaus; wijst erop dat het van essentieel belang is aandacht te besteden aan de overgang tussen de verschillende onderwijs- en opleidingstrajecten en ook competenties te erkennen die via niet-formeel en informeel leren zijn verworven; benadrukt dat inkomenszekerheid en vertrouwen in de arbeidsmarktvooruitzichten essentiële voorwaarden zijn om voor hoger onderwijs te kiezen en dat jongeren met een groter risico op uitsluiting hierdoor nog meer worden getroffen;

17.

is ernstig bezorgd over de bezuinigingen die de lidstaten doorvoeren op het gebied van onderwijs, opleidingen en jeugd, en benadrukt derhalve dat de onderwijsstelsels van de lidstaten met behulp van nationale en EU-middelen moeten worden hervormd, teneinde het jongerenonderwijs kostenefficiënter en competitiever te maken;

18.

dringt er bij de lidstaten op aan krachtige maatregelen te treffen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, met name door preventief op te treden tegen vroegtijdige schoolverlating of voortijdige uitval uit opleidings- en stageprogramma's (bijvoorbeeld door een duaal onderwijssysteem of andere kaders met een vergelijkbare doeltreffendheid op te zetten), en veelomvattende strategieën te ontwikkelen voor jongeren die niet werken, noch onderwijs of een opleiding volgen;

19.

wijst erop dat sociale investeringen in jongeren allerlei vormen kunnen aannemen, waaronder: het ontwikkelen van partnerschappen tussen scholen, opleidingscentra en lokale of regionale bedrijven; het verzorgen van gerichte, kwalitatief hoogwaardige opleidingen en stageprogramma's voor jongeren; beroepsopleidingen in samenwerking met ondernemingen; mentorschapsregelingen gericht op de aanwerving en opleiding van jongeren in het bedrijf of op een betere overgang van onderwijs naar werk; bevordering van de maatschappelijke participatie van jongeren; en bevordering van de regionale, Europese en internationale mobiliteit door verdere vooruitgang bij de wederzijdse erkenning van kwalificaties en vaardigheden; onderstreept tevens dat van sociale investeringen doeltreffende prikkels kunnen uitgaan, zoals werkgelegenheidssubsidies en verzekeringsbijdragen voor jongeren die behoorlijke woon- en werkomstandigheden garanderen, teneinde publieke en particuliere werkgevers aan te sporen om jonge mensen in dienst te nemen, zowel in kwalitatief goede banen voor jongeren als in bijscholing en verbetering van hun vaardigheden tijdens hun dienstverband te investeren, en het ondernemerschap onder jongeren te bevorderen;

20.

roept de lidstaten op goede en beproefde praktijken in overweging te nemen, met name die van lidstaten met lage werkloosheidspercentages, en te onderzoeken of concepten als duaal onderwijs en beroepsopleidingen, evenals reeds ingevoerde jongerengarantieregelingen, in het kader van hun nationale stelsels zouden kunnen worden toegepast; benadrukt dat duale beroepsopleidingenstelsels en tweeledige studies (twin-track studies) wegens de nadruk die hierbij wordt gelegd op praktijkervaring de test van de economische crisis bijzonder goed hebben doorstaan, en dat zij hebben bijgedragen aan de vermindering van de jeugdwerkloosheid door mensen beter inzetbaar te maken, en roept daarom lidstaten die door de crisis zijn getroffen op om hun opleidingsstelsels op deze leest te schoeien;

21.

benadrukt dat de in crisis verkerende landen momenteel met zeer alarmerende jeugdwerkloosheidspercentages kampen; dringt er derhalve bij de Commissie op aan crisismaatregelen te beoordelen op grond van het effect ervan op de jeugdwerkloosheid, en verzoekt de lidstaten en de Commissie te overwegen crisismaatregelen die een negatief effect op de jeugdwerkloosheid hebben, te beëindigen;

22.

dringt er bij de lidstaten op aan de samenwerking tussen het bedrijfsleven en de onderwijssector op alle niveaus te verbeteren teneinde de manier waarop onderwijsprogramma's zijn gekoppeld aan de vraag op de arbeidsmarkt te verbeteren, bijvoorbeeld door de „overeenkomsten voor sectorvaardigheden” en de „kennisovereenkomsten” uit te breiden; benadrukt dat er behoefte bestaat aan flexibelere onderwijsprogramma's om beter te kunnen inspringen op toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt;

23.

onderstreept dat de lidstaten zelfstandig werk onder jongeren op een betere manier moeten ondersteunen waarbij zij tegelijkertijd insolventie en schijnzelfstandigheid moeten voorkomen;

o

o o

24.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Europese Raad en de Raad.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0224.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0016.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0092.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/102


P7_TA(2013)0271

Impasse bij de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001

Resolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over de impasse bij de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 (2013/2637(RSP))

(2016/C 065/12)

Het Europees Parlement,

gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie,

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (COM(2008)0229),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (COM(2011)0137),

gezien artikel 15 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien zijn standpunt van 15 december 2011 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (1),

gezien zijn resolutie van 12 december 2012 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2010-2011) (2),

gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de impasse bij de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang tot documenten (O-00049/2013 — O-00050/2013, O-00051/2013, O-00052/2013, O-00053/2013, O-00054/2013, O-00058/2013 and O-00059/2013),

gezien de verklaring van de Commissie van 21 mei 2013 over de impasse bij de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001,

gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat transparantie een essentieel middel is om de burgers in staat te stellen deel te nemen aan het besluitvormingsproces van de EU en bij te dragen tot het waarborgen van de verantwoordingsplicht van de Europese instellingen ten overstaan van hun burgers, die daardoor meer betrokken raken en meer vertrouwen krijgen;

B.

overwegende dat de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon de transparantieverplichtingen van de EU verder heeft uitgebreid en dat de toegang tot documenten in dat Verdrag als grondrecht is verankerd;

C.

overwegende dat het Parlement bij diverse gelegenheden heeft opgeroepen tot meer transparantie in de wetgevingsprocedure, onder meer met betrekking tot de werkgroepen van de Raad, de publicatie van juridische adviezen in het kader van wetgevingsprocedures, en het verloop van trialogen;

D.

overwegende dat het Parlement ook zijn ongenoegen heeft geuit over het gebrek aan transparantie bij de EU-agentschappen, in internationale onderhandelingen en in de dialoog tussen de Commissie en de lidstaten, met name wanneer er grondrechten of belangen van Europese burger in het geding zijn (3);

E.

overwegende dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de besluiten van de Europese ombudsman de interpretatie van Verordening (EG) nr. 1049/2001 in grote mate beïnvloed hebben; dat die jurisprudentie en besluiten, vooral met betrekking tot de gebruikmaking van gronden voor niet-erkenning in een wetgevingsprocedure, zoals de arresten in de zaken Turco en Access Info, in de wetgeving tot uiting moeten komen;

F.

overwegende dat Verordening (EG) nr. 1049/2001 door de burgers en de publieke opinie in de EU wordt gezien als een essentieel stuk wetgeving dat de middelen aanreikt voor behoorlijk toezicht op het EU-optreden; dat Verordening (EG) nr. 1049/2001 nog beter moet worden toegepast, zoals blijkt uit diverse gevallen die door de ombudsman zijn behandeld;

G.

overwegende dat de Commissie in 2008 een herschikking van Verordening (EG) nr. 1049/2001 heeft voorgesteld en dat zij haar voorstel niet heeft ingetrokken nadat het Verdrag van Lissabon in werking was getreden; dat het Parlement de Commissie duidelijk heeft laten weten dat herschikking niet de juiste procedure is;

H.

overwegende dat de Commissie in 2011 een aanvullend voorstel heeft ingediend waarmee het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1049/2001 alleen impliciet werd uitgebreid tot de instellingen, organen en agentschappen van de EU; dat het Parlement de procedures van 2008 en 2011 tot één procedure heeft samengevoegd;

I.

overwegende dat het Parlement op 15 december 2011 zijn standpunt in eerste lezing heeft vastgesteld en dat er in de eerste helft van 2012 trialogen met het Deense voorzitterschap werden gestart; dat de Commissie het niet eens was met de voorgestelde mogelijke compromissen, wat de voornaamste reden was voor de impasse die nu al meer dan een jaar lang duurt;

J.

overwegende dat het Cypriotische en het Ierse voorzitterschap er niet in zijn geslaagd het dossier in de Raad te deblokkeren en nieuwe onderhandelingen te starten als gevolg van tegenstand van de zijde van de Commissie, hetgeen tot gevolg heeft dat er op bepaalde punten unanimiteit in de Raad is vereist;

K.

overwegende dat een herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 gezien de uitgebreide transparantieverplichtingen die met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in de Verdragen zijn opgenomen niet tot een verlaging van het huidige transparantieniveau mag leiden;

L.

overwegende dat het onvermogen om tot overeenstemming te komen over een nieuwe versie van Verordening (EG) nr. 1049/2001 de burgers een verkeerd signaal zou geven omtrent de aard van de EU, en dat een dergelijk echec de legitimiteit van de EU-besluitvorming zou ondermijnen, vooral met het oog op de uiterst belangrijke Europese verkiezingen die voor de deur staan;

1.

onderstreept opnieuw het belang van het fundamentele recht van toegang tot informatie en documenten en van transparantie en openheid van instellingen en hun besluitvormingsprocessen, die tot de pijlers van de democratie behoren en de burgers dichter bij de EU kunnen brengen;

2.

roept alle instellingen, organen en agentschappen van de EU ertoe op Verordening (EG) nr. 1049/2001 onverkort toe te passen;

3.

is van mening dat de wijziging van Verordening (EG) nr. 1049/2001 een prioriteit zou moeten zijn voor alle instellingen van de EU en betreurt de ontstane impasse; verzoekt alle EU-instellingen samen te werken om zo spoedig mogelijk een uitweg uit deze impasse te vinden;

4.

bevestigt nogmaals dat het bijzonder hecht aan de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001, zodat de burgers van de EU in het algemeen bredere en betere toegang krijgen tot documenten van de EU;

5.

verzoekt de Commissie zich op politiek en technisch niveau volledig in te zetten voor de wijziging van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en de aanpassing daarvan aan het Verdrag van Lissabon of alle nodige maatregelen te nemen om de impasse te doorbreken;

6.

verzoekt de Raad de beraadslagingen over Verordening (EG) nr. 1049/2001 onmiddellijk te hervatten, zijn standpunt in eerste lezing vast te stellen en de onderhandelingen voort te zetten;

7.

bevestigt zijn bovengenoemd standpunt van 15 december 2011 in eerste lezing (4) als uitgangspunt voor onderhandelingen, en benadrukt dat een gewijzigde tekst, overeenkomstig de Verdragen, ten minste: het toepassingsgebied van de verordening uitdrukkelijk moet uitbreiden tot alle instellingen, organen en agentschappen van de EU; voor een transparantere wetgeving moet zorgen, met inbegrip van toegang tot juridische adviezen in wetgevingsprocedures, waarbij het gebruik van uitzonderingen in de wetgevingsprocedure een specifiek met redenen omklede afwijking moet zijn van de algemene regel van wetgevingstransparantie; de verhouding tussen transparantie en gegevensbescherming moet verduidelijken; het Verdrag van Aarhus moet incorporeren; de huidige, ruime definitie van een document als minimummaatstaf voor verdere uitwerking moet beschouwen; passende toegang tot en transparantie van documenten over internationale onderhandelingen en overeenkomsten moet waarborgen; voor financiële transparantie van EU-fondsen moet zorgen; en geen generieke vrijstellingen mag invoeren;

8.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0580.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0500.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0500, paragraaf 18.

(4)  EP-PE_TC1-COD(2008)0090.


Donderdag 13 juni 2013

19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/105


P7_TA(2013)0274

Vrijheid van pers en media in de wereld

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over vrijheid van pers en media in de wereld (2011/2081(INI))

(2016/C 065/13)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 19 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen,

gezien artikel 13 van het VN-verdrag inzake de rechten van het kind, waarin het recht op vrijheid van meningsuiting van kinderen wordt erkend,

gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 28 maart 2008 (7/36) tot verlenging van het mandaat van de speciale rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting (1),

gezien de verslagen van de bijzondere rapporteur van de VN Frank La Rue inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting (2), waarin ook de toepasselijkheid van internationale normen en voorschriften voor mensenrechten betreffende het recht van vrijheid van mening en meningsuiting op het internet als communicatiemiddel wordt benadrukt,

gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 5 juli 2012 met als titel „The promotion, protection and enjoyment of human rights on the Internet” (3), waarin het belang van de bescherming van de mensenrechten en de vrije informatiestroom op het internet wordt erkend,

gezien het verslag van 21 maart 2011 van de bijzondere rapporteur van de VN John Ruggie over mensenrechten en transnationale ondernemingen en andere bedrijven, met de titel „Guiding Principles on Business and Human Rights: Implementing the United Nations 'Protect, Respect and Remedy' Framework” (4),

gezien resolutie S/RES/1738 van 23 december 2006 van de VN-Veiligheidsraad over aanvallen op journalisten, mediaprofessionals en aanverwant personeel in gewapende conflicten (5),

gezien het Verdrag van Genève van 12 augustus 1949 (6), en met name artikel 79 van het aanvullend protocol I betreffende de bescherming van journalisten die gevaarlijke beroepswerkzaamheden verrichten in gebieden waar zich gewapende conflicten voordoen,

gezien het VN-actieplan inzake de veiligheid van journalisten en de kwestie van straffeloosheid, dat op 12 april 2012 goedgekeurd werd door de Coördinatieraad van de hoogste uitvoerende functionarissen van de organisaties binnen het systeem van de Verenigde Naties (7),

gezien de resolutie 1920 (2013) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa met de titel „The State of Media Freedom in Europe” die op 24 januari 2013 aangenomen is,

gezien de verrichte werkzaamheden van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE) op het gebied van mediavrijheid, en met name de verslagen van de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid,

gezien de rapporten van ngo's over de media, zoals die van Verslaggevers zonder Grenzen (index van persvrijheid), de organisatie Freedom House (rapporten onder de naam „Freedom of the Press”) en het International Press Institute („Death Watch” en de jaarlijkse „World Press Freedom Review”),

gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel (8),

gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei (9),

gezien zijn resolutie van 13 december 2012 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake (10),

gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over de komende wereldconferentie over internationale telecommunicatie (WCIT-12) van de Internationale Telecommunicatie-unie en de mogelijke uitbreiding van het toepassingsgebied van internationale telecommunicatieregelgeving (11),

gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU (12),

gezien het nieuwe strategisch kader en het actieplan voor mensenrechten en democratie (11855/2012), dat de Raad op 25 juni 2012 aangenomen heeft,

gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 13 juni 2012 over de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten (13),

gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger, Catherine Ashton, namens de Europese Unie ter gelegenheid van de Dag van de Persvrijheid (14),

gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2011 met als titel „Een centrale plaats voor mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU — Voor een meer doeltreffende aanpak” (COM(2011)0886),

gezien de mededeling van 12 december 2011 van de Commissaris voor Digitale agenda over de „No Disconnect Strategy” (15),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 25 oktober 2011, getiteld „Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen” (COM(2011)0681),

gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie (16),

gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 25 mei 2011 met als titel „Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden” (COM(2011)0303),

gezien zijn resolutie van 16 december 2008 over mediageletterdheid in een digitale wereld (17),

gezien Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (EIDHR) (18) en alle andere EU-instrumenten voor externe financiering,

gezien zijn resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten (19),

gezien zijn resoluties over urgente gevallen van schendingen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, met inbegrip van zijn landenspecifieke resoluties waarin kwesties worden aangekaart met betrekking tot pers- en mediavrijheid, en met name de opsluiting van bloggers en journalisten,

gezien artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name de bepaling dat „de vrijheid en de pluriformiteit van de media worden geëerbiedigd”,

gezien de artikelen 3 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de richtsnoeren van de Europese Unie inzake mensenrechten,

gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens van de Raad van Europa en de lopende onderhandelingen over de toetreding van de EU tot dat verdrag,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0176/2013),

De beginselen en rol van de pers en media

A.

overwegende dat vrijheid van meningsuiting een universeel mensenrecht is waarop democratie is gegrond en van essentieel belang is om andere rechten waar mensen in de hele wereld naar streven, zoals ontwikkeling, en de waardigheid en zelfontplooiing van ieder mens, te kunnen verwezenlijken;

B.

overwegende dat beperkingen van de vrijheid van meningsuiting ernstige gevolgen hebben, deze zeer gering moeten zijn en enkel onder strenge voorwaarden gerechtvaardigd kunnen worden, vastgelegd in wetgeving die in het kader van het internationaal recht als legitiem wordt beschouwd; overwegende dat vrijheid van meningsuiting een grondrecht is dat nauw verbonden is met vrijheid en pluralisme van de pers en media;/overwegende dat staten die het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) ondertekend hebben, de onafhankelijkheid, vrijheid en pluralisme van pers en media moeten waarborgen;

C.

overwegende dat mediaplatforms van cruciaal belang zijn voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting; overwegende dat de onafhankelijke pers, als een collectieve manifestatie van vrije meningsuiting, een van de belangrijkste spelers in het medialandschap is en als waakhond van de democratie optreedt;

D.

overwegende dat persvrijheid, de media, de digitale sector en de journalistiek als collectieve goederen worden beschouwd;

E.

overwegende dat (digitale) mediaplatforms steeds vaker een mondiaal karakter hebben en het aantal gebruikers daarvan toeneemt;

F.

overwegende dat mensenrechtenactivisten het internet en de media als instrument gebruiken;

G.

overwegende dat netneutraliteit een grondbeginsel is van open internet, communicatie bevordert door te zorgen voor concurrentie en transparantie, nieuwe zakelijke mogelijkheden biedt en innovatie, werkgelegenheid en groei stimuleert;

H.

overwegende dat de vrijheid van mening en meningsuiting en die van journalisten en media in de hele wereld bedreigd worden en journalisten dikwijls ook verdedigers van mensenrechten zijn die de vrijheid van vereniging, opinie, godsdienst en geloof bevorderen; overwegende echter dat journalisten dikwijls vervolgd en gevangengezet worden;

I.

overwegende dat nieuwe digitale en online mediaplatforms aan meer diversiteit en pluriformiteit bijgedragen hebben;

J.

overwegende dat de inspanningen en programma's van de EU om de pers- en mediavrijheid wereldwijd te beschermen en bevorderen, optimaal moeten worden benut door voort te bouwen op het waardevolle werk dat door het maatschappelijk middenveld en journalistieke organisaties wordt verricht;

K.

overwegende dat de EU op internationaal niveau enkel geloofwaardig kan overkomen wanneer de pers- en mediavrijheid binnen de Unie zelf gewaarborgd en geëerbiedigd wordt;

Recente ontwikkelingen

1.

onderkent dat regeringen als eerste verantwoordelijk zijn voor het waarborgen en beschermen van de pers- en mediavrijheid; wijst erop dat regeringen tevens de belangrijkste partij zijn die de pers- en mediavrijheid belemmeren, en in de ergste gevallen steeds vaker voor juridische druk kiezen om die vrijheid te beperken, bijvoorbeeld door misbruik te maken van wetgeving ter beteugeling van terrorisme en extremisme en wetten met betrekking tot de nationale veiligheid, verraad of subversie; merkt op dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen kwesties van nationale veiligheid en de vrijheid van informatie teneinde misbruik te voorkomen en de onafhankelijkheid van de pers en de media te waarborgen; stelt tevens vast dat mediaconglomeraten die in handen van politici zijn, soms de taak hebben om desinformatiecampagnes te voeren; benadrukt het cruciale belang dat de pers en de media onafhankelijk moeten kunnen functioneren, zonder aan politieke en financiële druk bloot te staan; maakt zich grote zorgen over de neerwaartse tendens in de beoordelingen van de pers- en mediavrijheid in diverse landen binnen en buiten Europa, volgens de meest recente jaarlijkse indexen en analyseverslagen (zie de lijst in de bijlage aan het eind van verslag A7-0176/2013);

2.

benadrukt dat vrije, onafhankelijke en pluralistische online en traditionele media een hoeksteen van de democratie en de pluriformiteit vormen; erkent het belang van informatiebronnen als werkelijke waarborg voor vrijheid en mediapluralisme; wijst erop dat het handhaven en versterken van de vrijheid en de onafhankelijkheid van de media in de wereld van gemeenschappelijk belang is; merkt op dat vrije en onafhankelijke media en vrije informatie-uitwisseling een cruciale rol spelen in de democratische hervormingen van niet-democratische regimes;

3.

betreurt het dat journalisten over de hele wereld vaak, en veelal straffeloos, verwond of vermoord worden dan wel het slachtoffer worden van ernstige mishandelingen; onderstreept dan ook het belang om straffeloosheid te bestrijden; benadrukt dat de autoriteiten bedreiging van journalisten en tegen hun gericht geweld slechts kunnen aanpakken of hun veiligheid kunnen waarborgen als de politieke, gerechtelijke en politieautoriteiten streng optreden tegen degenen die journalisten en hun werk aanvallen; wijst erop dat straffeloosheid niet alleen gevolgen heeft voor de persvrijheid maar ook voor de dagelijkse werkzaamheden van journalisten alsook een klimaat van angst en zelfcensuur schept; is van mening dat de EU zich krachtdadiger moet opstellen ten opzichte van landen waar dergelijke handelingen ongestraft blijven en dringt er bij alle staten op aan de veiligheid van journalisten te waarborgen;

4.

onderstreept dat wetten, regelgeving, intimidatie, geldboeten of grote eigendomsconcentratie bij politici of anderen met belangenconflicten, de vrije vergaring van en toegang tot informatie kunnen beperken en de vrijheid van meningsuiting in gevaar kunnen brengen;

5.

benadrukt dat regeringen onrechtstreeks druk kunnen uitoefenen op de pers en de media; is van mening dat in landen waar de media sterk afhankelijk zijn van door de overheid betaalde advertenties, deze afhankelijkheid kan worden gebruikt om de media onder druk te zetten en dat ook licenties of fiscale boeten een middel zijn om het functioneren van kritische media te beperken;

6.

betreurt het dat meningsuiting steeds vaker strafbaar wordt gesteld; brengt in herinnering dat in de hele wereld journalisten vanwege hun werkzaamheden dikwijls worden opgesloten; beseft dat wetgeving in verband met laster, heiligschennis en smaad, alsook wetten met betrekking op „aantasting van het imago in het buitenland” of „homoseksuele propaganda”, worden aangewend om journalisten te censureren, op te sluiten en de vrije meningsuiting te belemmeren; betreurt het dat censuur zelfcensuur in de hand werkt; roept op een einde te maken aan de intimidatie van journalisten die hun werk op onafhankelijke wijze, zonder angst voor geweld en tegenbeschuldigingen moeten kunnen uitvoeren, en de onmiddellijke vrijlating van alle journalisten en bloggers die vanwege hun werk onterecht zijn opgesloten;

7.

spreekt zijn scherpe veroordeling uit over het feit dat veel journalisten geen toegang hebben tot juridische bijstand terwijl deze beroepsgroep zich in de strijd voor de mensenrechten steeds vaker, zowel online als offline, in de frontlinie bevindt;

8.

beschouwt de tendens van concentratie van media-eigendom in grote concerns als een bedreiging voor de vrijheid en pluriformiteit van de media, met name indien digitalisering gelijktijdig plaatsvindt; benadrukt het belang van een open en stimulerende onderliggende media-infrastructuur, alsook van het bestaan van onafhankelijke regelgevende instanties;

9.

erkent het potentieel van particuliere stichtingen en ngo's om kwaliteitsjournalistiek te ondersteunen en aan innovatie een impuls te geven;

10.

benadrukt dat bedrijven in een mondiaal en digitaal verbonden wereld niet alleen te maken krijgen met nieuwe verantwoordelijkheden, maar ook met nieuwe uitdagingen op gebieden die van oudsher waren voorbehouden aan overheidsinstellingen; is zich ervan bewust dat het blokkeren door overheden van online inhoud en diensten de redactionele onafhankelijkheid en de continuïteit van de dienstverlening onder druk hebben gezet;

11.

beseft dat media te vaak worden gebruikt als en/of betrokken worden bij traditionele propaganda-instrumenten, en dat financiële en politieke onafhankelijkheid evenals pluriformiteit, met name wat de publieke media betreft, van essentieel belang zijn; benadrukt dat de vrije en onafhankelijke media een cruciale rol spelen bij het verdiepen van de democratie, het zoveel mogelijk betrekken van het maatschappelijk middenveld bij maatschappelijke discussies en aangelegenheden en het versterken van de positie van burgers op de weg naar democratie;

12.

ondersteunt de ontwikkeling van gedragscodes voor journalisten en voor degenen die betrokken zijn bij het beheer van mediakanalen, teneinde de volledige onafhankelijkheid van journalisten en mediaorganen te waarborgen; erkent het belang van de handhaving van dergelijke gedragscodes door de instelling van onafhankelijke regelgevende organen;

Digitalisering

13.

erkent de mogelijke impact van de steeds meer gedigitaliseerde media en hun emanciperende werking op gebruikers door toenemende geïnformeerdheid en kritisch denken en beseft dat deze ontwikkelingen met name autoritaire regimes angst inboezemen;

14.

is zich bewust van de belangrijke rol die digitale en online mediaplatforms de laatste jaren bij de verschillende opstanden tegen dictatoriale regimes hebben gespeeld;

15.

benadrukt dat toegang tot zowel online als offline informatie noodzakelijk is voor de opinievorming en meningsuiting, alsook voor de publicatie en communicatie van inhoud via mediaplatforms, aangezien dit essentiële middelen zijn om de overheid te controleren;

16.

erkent dat de digitalisering van de media en van informatie het bereik en de effecten ervan heeft vergroot, maar ook dat de subtiele scheidslijn tussen informatie en opinie daardoor is vervaagd; wijst op de aanzienlijke toename van door gebruikers gegenereerde inhoud en burgerjournalistiek;

17.

is van oordeel dat de digitalisering van de pers en media nieuwe lagen toevoegt aan het medialandschap, en vragen oproept over toegang, kwaliteit, de objectiviteit van informatie en de bescherming daarvan;

18.

benadrukt dat digitalisering het voor het publiek gemakkelijker maakt om informatie te vergaren en overheidsfunctionarissen te controleren, en ervoor zorgt dat gegevens en documentatie uitgewisseld en verspreid worden en onrecht en corruptie aan het licht worden gebracht;

19.

benadrukt dat wereldwijde interoperabiliteit en passende regelgeving vereist zijn om alle mogelijkheden van IT-infrastructuren te kunnen benutten en dat deze ICT-aspecten in zowel het bestaande als in het zich ontwikkelende medialandschap moeten worden geïntegreerd, tezamen met de basisvoorwaarden onafhankelijkheid, pluriformiteit en diversiteit;

20.

betreurt alle pogingen om verschillende vormen van een „gesloten internet” tot stand te brengen, aangezien dit ernstige schendingen van het recht op informatie opleveren; dringt er bij alle autoriteiten op aan van dergelijke pogingen af te zien;

21.

maakt zich zorgen over grootschalige controle en censuur, en de tendens om te blokkeren en filteren, wat niet alleen gevolgen heeft voor de media en het werk van journalisten en bloggers, maar ook de werkzaamheden van het maatschappelijk middenveld hindert om belangrijke politieke, economische en sociale veranderingen teweeg te brengen; veroordeelt alle arrestaties van bloggers en pogingen daartoe en beschouwt dit als een aanval op de vrijheid van mening en meningsuiting;

22.

betreurt het feit dat talrijke technologieën en diensten die in derde landen worden gebruikt bij mensenrechtenschendingen door censuur van informatie, grootschalig toezicht, controle, en het traceren en opsporen van burgers en hun activiteiten op (mobiele) telefoonnetwerken en het internet, uit de EU afkomstig zijn; dringt er bij de Commissie op aan alle nodige stappen te ondernemen om deze „digitale wapenhandel” een halt toe te roepen;

23.

benadrukt dat meer begrip nodig is van de rol van bemiddelaars en hun verantwoordelijkheden; is van mening dat regulerende instanties kunnen bijdragen aan de instandhouding van de concurrentie, maar dat ook moet worden gezocht naar nieuwe manieren om particuliere spelers in te schakelen, zodat de publieke waarde van informatie behouden blijft; erkent dat zelfregulering bepaalde risico's kan inhouden wanneer er een gebrek is aan (democratisch) toezicht;

24.

wijst erop dat digitale en datagestuurde (computer) platforms of diensten zoals zoekmachines in particulier bezit zijn, en dat transparantie daarvan vereist om de publieke waarde van informatie in stand te houden en beperkingen van de toegang tot informatie en vrijheid van meningsuiting te vermijden;

25.

onderstreept dat klokkenluiders en bronnen moeten worden beschermd en dat de EU zich daartoe op mondiaal niveau moet inzetten;

26.

spreekt zijn scherpe veroordeling uit over elke poging om het internet of andere online mediaplatforms te gebruiken voor de bevordering en ondersteuning van terroristische activiteiten; dringt er bij de autoriteiten op aan in dit verband duidelijk stelling te nemen;

Beleid en externe acties van de EU

27.

onderstreept dat het voor de EU, om als een gemeenschap van waarden beschouwd te worden, het van essentieel belang is om de pers- en mediavrijheid wereldwijd te bevorderen en te beschermen; benadrukt dat de EU optimaal politieke leiderschap moet tonen om te zorgen dat journalisten wereldwijd beschermd worden;

28.

is van mening dat de EU het voorbeeld moet geven door onafhankelijke, pluralistische en diverse media te waarborgen, en de situatie, vrijheid en veiligheid van journalisten en bloggers te beschermen; onderstreept dat de EU zich in dit verband niet moet inlaten met inhoud, maar vooral zou moeten bijdragen aan een gunstig klimaat en aan het op mondiaal niveau terugdringen van beperkingen van de vrijheid van meningsuiting;

29.

stelt met bezorgdheid vast dat in de afgelopen jaren sommige media zelf, met name in de EU, de aandacht hebben getrokken vanwege onethisch en naar verluidt onrechtmatig handelen; is van mening dat de EU enkel een voorbeeldfunctie kan vervullen als zij de problemen binnen haar eigen grenzen aanpakt;

30.

spoort de Commissie aan om nauwlettend op de onafhankelijkheid van de pers en media in de lidstaten toe te zien;

31.

is van oordeel dat de EU zich weliswaar via verschillende beleidsmaatregelen en programma's voor pers- en mediavrijheid inzet, maar het haar nog ontbreekt aan gerichte aandacht voor dit onderwerp in het algemeen, en aan een samenhangende, aansturende visie en streefdoelen;

32.

is van oordeel dat het ontbreken van een alomvattende strategie versnippering tot gevolg heeft en het gevaar met zich meebrengt dat de belangrijke beleidsbeginselen van transparantie en verantwoordingsplicht worden opgegeven;

Strategie

33.

spoort de Commissie en met name DG DEVCO en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) aan om hun samenwerking en programmacoördinatie te verbeteren, met name door politieke en diplomatieke werkzaamheden te bundelen en door gezamenlijk uitvoering te geven aan financiering en projecten, met inbegrip van de controle en evaluatie daarvan; verzoekt de Commissie om de voorgaande, huidige en toekomstige programmering te evalueren, en om de resultaten openbaar te maken;

34.

dringt aan om ad-hocfinanciering van projecten in te ruilen voor een meer duurzame aanpak, waarbij ook particuliere donoren en andere gesprekspartners worden betrokken; erkent dat de programmering gericht moet worden aangepakt, zowel op nationaal als op regionaal niveau;

35.

dringt er bij de EU op aan een grotere rol te spelen in met name de kandidaat-lidstaten, alsook met betrekking tot haar naaste zuidelijke en oostelijke buren en in het kader van handels- en associatieonderhandelingen; verzoekt de EU een strategie vast te stellen om ervoor te zorgen dat wetswijzigingen in derde landen die pluralisme en persvrijheid beperken nauwlettend worden gevolgd en dat daarover een standpunt wordt ingenomen;

36.

benadrukt dat bestaande externe financiële instrumenten, zoals het EIDHR, geografische en andere instrumenten, flexibel moeten worden ingezet om bij te dragen aan de versterking van het maatschappelijk middenveld; benadrukt dat lokale eigen inbreng en capaciteitsopbouw van essentieel belang zijn voor duurzame ontwikkeling en groei;

37.

benadrukt dat de EU steun moet verlenen aan de voorlichting en scholing van beleidsmakers, regelgevende instanties en media in derde landen met het doel de pers- en mediavrijheid evenals passende en technologieneutrale vormen van marktregulering te bevorderen; wijst er hierbij met name op dat in overgangsperioden vrijheden vaak worden ingeperkt onder het mom van stabiliteit en veiligheid;

38.

benadrukt dat de ontwikkeling van de media en de waarborging van vrijheid van meningsuiting een belangrijke rol moeten spelen in de dialoog met de landen; onderstreept dat duidelijke streefdoelen en voorwaarden moeten worden nageleefd in de handels-, partnerschaps-, samenwerkings- en associatieovereenkomsten met derde landen en hulpprogramma's, in overeenstemming met artikel 21 VEU; dringt er bij EDEO en de Commissie op aan de verslagen en aanbevelingen van het Parlement in het kader van de onderhandelingen voor dergelijke overeenkomsten, in acht te nemen en uit te voeren; brengt in herinnering dat voor de geloofwaardigheid en de doeltreffendheid van de EU in haar betrekkingen en interacties met derde landen, de samenhang, consistentie en transparantie met betrekking tot de uitvoering van en het toezicht op deze fundamentele mensenrechten tussen het Europees Parlement, de EDEO en de Commissie van cruciaal belang zijn;

39.

verzoekt de Commissie de bestrijding van straffeloosheid tot een van de prioriteiten van haar programma's voor vrijheid van meningsuiting en de media te maken, ook door steun en deskundigheid te bieden bij onderzoeken naar misdrijven tegen journalisten via de oprichting van fondsen voor rechtsbijstand;

40.

is van mening dat EU-financiering niet beperkt moet blijven tot gespecialiseerde internationale organisaties (bemiddelaars) maar dat ook lokale organisaties daarvoor in aanmerking moeten komen;

41.

verzoekt de Commissie de vertrouwelijkheidsclausules voor de financiering van haar mensenrechtenbeleid ten aanzien van pers en media te herzien, aangezien journalisten, mediakanalen of ngo's daardoor in diskrediet kunnen worden gebracht, en daarmee ook de geloofwaardigheid van EU-mensenrechtenactiviteiten kan worden aangetast, die op zichzelf open en transparant zijn;

42.

meent dat pers- en mediaprogramma's zich ook moeten richten op de verbetering van (juridische en staats-) structuren en op de ondersteuning van lokale mediabedrijven en ondernemingen, teneinde hun transparantie, onafhankelijkheid, duurzaamheidscapaciteit, professionalisme en openheid te vergroten; onderstreept dat in het mediabeleid van de EU naar een zo groot mogelijke pluriformiteit en diversiteit moet worden gestreefd door onafhankelijke media en startende bedrijven te steunen;

43.

herinnert eraan dat vrijheid van meningsuiting en mediapluralisme, ook op het internet, Europese kernwaarden zijn; onderstreept het fundamenteel belang van pers- en mediavrijheid in het uitbreidingsbeleid van de EU en van digitale vrijheden in deze context, aangezien deze vrijheden als mensenrechten worden beschouwd en derhalve deel uitmaken van de politieke criteria van Kopenhagen;

44.

is van oordeel dat de EU steun aan pers en media moet verwerken in haar programma's voor verkiezingsondersteuning, bijvoorbeeld door de samenwerking tussen organen voor toezicht op de verkiezingen in derde landen en de pers te bevorderen, zodat de transparantie en legitimiteit van het verkiezingsproces en van de resultaten worden verbeterd;

45.

is van mening dat de EU zich in overgangslanden in de context van het verzoenings- en wederopbouwproces moet richten op pers- en mediavrijheid;

46.

spreekt zijn grote waardering uit over het belangrijke werk dat een aantal internationale (journalistieke) organisaties verricht die zich bezighouden met pers- en mediavrijheid; dringt erop aan dat deze organisaties de volledige steun van de EU moeten krijgen gezien het cruciale belang van hun netwerkactiviteiten;

47.

verzoekt de EDEO optimaal gebruik te maken van de deelname van de EU aan multilaterale fora die zich richten op de pers, media en digitale vrijheden, bijvoorbeeld in het kader van de Raad van Europa, de OVSE en ook de VN;

48.

verzoekt de Commissie, de Raad en de EDEO zo spoedig mogelijk een strategie voor pers- en mediavrijheid in het kader van het buitenlands beleid van de EU goed te keuren en de aanbevelingen in het onderhavige verslag te verwerken in de komende richtsnoeren voor vrijheid van meningsuiting (online en offline);

49.

verzoekt om het onderhavige verslag in nauwe samenhang met zijn resolutie over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU te lezen en te aanvaarden;

o

o o

50.

verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, Unesco, de Raad van Europa, en de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa.


(1)  http://ap.ohchr.org/Documents/E/HRC/resolutions/A_HRC_RES_7_36.pdf

(2)  Met name die van 16 mei 2011 (A/HRC/17/27), 10 augustus 2011 (A/66/290), 4 juni 2012 (A/HRC/20/17) en 7 september 2012 (A/67/357), te raadplegen via http://www.ohchr.org/EN/Issues/FreedomOpinion/Pages/Annual.aspx

(3)  http://daccess-dds-ny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/G12/153/25/PDF/G1215325.pdf?OpenElement

(4)  http://www.ohchr.org/Documents/Issues/Business/A-HRC-17-31_AEV.pdf

(5)  http://documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N06/681/60/pdf/N0668160.pdf?OpenElement

(6)  http://www.un-documents.net/gc-p1.htm

(7)  http://www.unesco.org/new/fileadmin/MULTIMEDIA/HQ/CI/CI/pdf/official_ documents/un_plan_action_safety_en.pdf

(8)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0050.

(9)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0049.

(10)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0503.

(11)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0451.

(12)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.

(13)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0250.

(14)  http://eeas.europa.eu/top_stories/2012/20120503_world_press_freedom_day_en.htm. http://europa.eu/rapid/press-release_PRES-13-181_nl.htm.

(15)  http://blogs.ec.europa.eu/neelie-kroes/ict-human-rights-guidance

(16)  PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 165.

(17)  PB C 45 E van 23.2.2010, blz. 9.

(18)  PB L 386 van 29.12.2006, blz. 1.

(19)  PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/112


P7_TA(2013)0276

Financiële diensten: gebrek aan vooruitgang in de Raad en vertraging in de Commissie bij de goedkeuring van bepaalde voorstellen

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over financiële diensten: gebrek aan vooruitgang in de Raad en vertraging in de Commissie bij de goedkeuring van bepaalde voorstellen (2013/2658(RSP))

(2016/C 065/14)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie van 12 juli 2010 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende depositogarantiestelsels (herschikking) (COM(2010)0368),

gezien het voorstel van de Commissie van 12 juli 2010 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de beleggerscompensatiestelsels (COM(2010)0371),

gezien het voorstel van de Commissie van 19 januari 2011 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG wat de bevoegdheden van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en van de Europese Autoriteit voor effecten en markten betreft (COM(2011)0008), hierna „Omnibus II/Solvabiliteit II” genoemd,

gezien het voorstel van de Commissie van 20 oktober 2011 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten voor financiële instrumenten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad (herschikking) (COM(2011)0656) en het voorstel van de Commissie van 20 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening [EMIR] betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (COM(2011)0652), hierna de „MiFID-herziening” genoemd,

gezien het voorstel van de Commissie van 20 oktober 2011 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende strafrechtelijke sancties voor handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (COM(2011)0654) en het voorstel van de Commissie van 20 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (COM(2011)0651), hierna „MAD/MAR” genoemd,

gezien het voorstel van de Commissie van 7 maart 2012 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (Central Securities Depositories — csd's) en houdende wijziging van Richtlijn 98/26/EG (COM(2012)0073),

gezien het voorstel van de Commissie van 6 juni 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 77/91/EEG, 82/891/EEG, 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG en 2011/35/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (COM(2012)0280),

gezien het voorstel van de Commissie van 3 juli 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) wat bewaardertaken, beloningsbeleid en sancties betreft (COM(2012)0350), hierna „icbe V” genoemd,

gezien het voorstel van de Commissie van 3 juli 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende verzekeringsbemiddeling (herschikking) (COM(2012)0360), hierna „IMD II” genoemd,

gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 over het werkprogramma van de Commissie voor 2010 (COM(2010)0135), en met name de verwijzing naar de beoogde goedkeuring in 2010 van een wetgevingsvoorstel voor een richtlijn inzake rechtszekerheid in het effectenrecht,

gezien de mededeling van de Commissie van 27 oktober 2010 over het werkprogramma van de Commissie voor 2011 (COM(2010)0623), en met name de verwijzing naar de beoogde goedkeuring in 2011 van een wetgevingsvoorstel voor een richtlijn inzake rechtszekerheid in het effectenrecht,

gezien de mededeling van de Commissie van 15 november 2011 over het werkprogramma van de Commissie voor 2012 (COM(2011)0777), en met name de verwijzing naar de beoogde goedkeuring in 2012 van een wetgevingsvoorstel voor een richtlijn inzake het effectenrecht en een wetgevingsvoorstel voor een herziening van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt (1),

gezien de conclusies die de Europese Raad op zijn bijeenkomst op 1 en 2 maart 2012 heeft goedgekeurd, met name de verwijzing naar de MiFID-herziening,

gezien de aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico's van 20 december 2012 inzake geldmarktfondsen (2),

gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over schaduwbankieren (3),

gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over financiële diensten: gebrek aan vooruitgang in de Raad en vertraging in de Commissie bij de goedkeuring van bepaalde voorstellen (O-000063/2013 — B7-0208/2013 en O-000065/2013 — B7-0209/2013),

gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat voor het herstel van de EU-economie een stabiele financiële sector vereist is die de reële economie op concurrerende wijze van financiering voorziet; overwegende dat het daartoe noodzakelijk is de bankenunie te voltooien, zoals is overeengekomen en bevestigd door de verschillende EU-instellingen die verantwoordelijkheid dragen voor deze cruciale sector van onze economie;

B.

overwegende dat het voorstel voor een herziening van de richtlijn depositogarantiestelsels (DGS) op 12 juli 2010 door de Commissie is goedgekeurd en dat het Parlement na vruchteloze onderhandelingen met de Raad op 16 februari 2012 (4) in eerste lezing over het voorstel heeft gestemd;

C.

overwegende dat het voorstel voor een herziening van de richtlijn beleggerscompensatiestelsels (BCS) op 12 juli 2010 door de Commissie is goedgekeurd en dat het Parlement, gezien het feit dat de Raad niet bereid was een algemene benadering goed te keuren en onderhandelingen aan te gaan, op 5 juli 2011 (5) in eerste lezing over het voorstel heeft gestemd;

D.

overwegende dat de Commissie haar voorstellen voor de MiFID-herziening op 20 oktober 2011 heeft goedgekeurd, waarna het Parlement deze voorstellen snel heeft behandeld en op 26 oktober 2012 (6) amendementen daarop heeft aangenomen, slechts een jaar na de indiening van de voorstellen; overwegende dat het Parlement sindsdien wacht op het begin van de onderhandelingen met de Raad met het oog op een mogelijk akkoord in eerste lezing;

E.

overwegende dat de Europese Raad op zijn bijeenkomst op 1 en 2 maart 2012 besloot dat de medewetgevers uiterlijk in december 2012 overeenstemming moesten bereiken over de voorstellen voor de MiFID-herziening;

F.

overwegende dat de Commissie haar voorstel inzake centrale effectenbewaarinstellingen (csd's) op 7 maart 2012 heeft goedgekeurd en dat de parlementaire Commissie economische en monetaire zaken haar verslag op 4 februari 2013 (A7-0039/2013) heeft goedgekeurd en sindsdien wacht op het begin van de onderhandelingen met de Raad met het oog op een mogelijk akkoord in eerste lezing;

G.

overwegende dat de oorspronkelijke verwachting was dat het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake rechtszekerheid in het effectenrecht in de loop van 2010 zou worden goedgekeurd en dat dit voorstel vervolgens is opgenomen in het wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2011 en 2012, maar nog niet is goedgekeurd;

H.

overwegende dat Richtlijn 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten in de interne markt bepaalt dat de Commissie uiterlijk op 1 november 2012 een verslag moet indienen over de uitvoering en het effect van die richtlijn, eventueel vergezeld van een herzieningsvoorstel; overwegende dat de Commissie dit verslag en dit herzieningsvoorstel nog niet heeft ingediend;

I.

overwegende dat het Parlement in zijn resolutie over schaduwbankieren heeft aangedrongen op aanvullende maatregelen ten aanzien van geldmarktfondsen, met name om de veerkracht van deze fondsen te versterken en het liquiditeitsrisico te dekken, en dat bij deze maatregelen rekening dient te worden gehouden met de kort na die resolutie gepubliceerde aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) om een einde te maken aan geldmarktfondsen die een constante intrinsieke waarde bieden;

J.

overwegende dat de Commissie op grond van artikel 5 van Richtlijn 2011/89/EG (7) een volledige evaluatie moet uitvoeren van Richtlijn 2002/87/EG (richtlijn financiële conglomeraten) (8), waarin met name wordt gekeken naar de werkingssfeer van die richtlijn, de uitbreiding van het toepassingsgebied met niet-gereguleerde entiteiten, de identificatiecriteria voor financiële conglomeraten in handen van meer algemene niet-financiële groepen, systeemrelevante financiële conglomeraten en verplichte stresstesten, en per 31 december 2012 verslag moet uitbrengen aan Parlement en Raad, gevolgd door passende wetgevingsvoorstellen;

K.

overwegende dat de Commissie na deze evaluatie op 20 december 2012 haar verslag heeft ingediend, waarin zij concludeerde dat de criteria voor de definitie en identificatie van een conglomeraat, de identificatie van de moederentiteit die uiteindelijk verantwoordelijk is voor naleving van de voor de hele groep geldende voorschriften en de versterking van de handhavingsinspanningen ten aanzien van die entiteit de belangrijkste punten zijn die in een toekomstige herziening van de richtlijn financiële conglomeraten behandeld zouden kunnen worden, maar dat zij besloten had in 2013 geen daartoe strekkend wetgevingsvoorstel te zullen indienen;

L.

overwegende dat de Commissie heeft toegezegd de situatie permanent te zullen volgen om een passend tijdstip te bepalen voor de goedkeuring van voorstellen voor de herziening van de richtlijn financiële conglomeraten, met name gelet op de lopende onderhandelingen over CRD IV (richtlijn kapitaalvereisten) en één enkel toezichtsmechanisme (SSM);

M.

overwegende dat de Commissie bij diverse gelegenheden heeft aangegeven dat zij van plan is een uitgebreide studie uit te voeren naar de doeltreffendheid en proportionaliteit van de maatregelen die sinds het begin van de financiële crisis zijn genomen in het kader van de financiële regulering;

1.

wijst opnieuw op zijn bereidheid om de eerste lezing van alle Commissievoorstellen over financiële diensten die momenteel op tafel liggen, af te ronden voordat de zittingsperiode in het voorjaar van 2014 afloopt;

2.

benadrukt dat, teneinde de efficiëntie en soliditeit van de financiële markten in de Unie zo snel mogelijk verder te versterken, de hangende Commissievoorstellen spoedig moeten worden goedgekeurd om zo vertraging bij de inwerkingtreding van de relevante wetgeving te vermijden;

3.

onderstreept zijn vaste overtuiging dat stabiliteit in de financiële sector en het welslagen van alle structurele hervormingen van deze sector voorwaarden zijn om duurzame economische groei en werkgelegenheid in de Europese Unie te realiseren;

4.

wijst erop dat het duidelijk blijk heeft gegeven van zijn bereidheid en vermogen om de voorstellen van de Commissie ter regulering van de financiële diensten snel en binnen een zeer kort tijdsbestek te behandelen, bijvoorbeeld in de context van het SSM, Solvabiliteit II en de MiFID-herziening; is van plan dezelfde constructieve en snelle benadering te volgen ten aanzien van de komende Commissievoorstellen;

5.

dringt bij de Commissie aan op een versnelling van haar werktempo waar het gaat om de nog uitstaande wetgevingsinitiatieven op het gebied van de financiële diensten die zij de afgelopen twee jaar heeft aangekondigd; verzoekt de Commissie in het bijzonder om haar voorstel voor een richtlijn inzake het effectenrecht, dat inmiddels meer dan twee jaar vertraging heeft opgelopen, met spoed goed te keuren en zo spoedig mogelijk te komen met de nog uitstaande herziening van de richtlijn betalingsdiensten in de interne markt; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een voorstel inzake geldmarktfondsen goed te keuren en daarbij ten volle rekening te houden met de relevante aanbevelingen van het ESRB;

6.

is van mening dat de Commissie, nu de onderhandelingen over CRD IV en het SSM zijn afgerond, onverwijld voorstellen moet indienen voor een volledige herziening van de richtlijn financiële conglomeraten uit 2002;

7.

herinnert de Commissie aan haar toezegging om vóór het einde van het mandaat een studie met een kosten-batenanalyse uit te voeren naar de doeltreffendheid en proportionaliteit van de vele wetsteksten die sinds het begin van de financiële crisis zijn goedgekeurd, waarbij deze studie een beoordeling moet inhouden van het gezamenlijke effect van alle EU-wetgeving inzake de financiële markt die sinds het begin van het mandaat in de Unie is voorgesteld, goedgekeurd en uitgevoerd; verlangt dat hiermee zo snel mogelijk een begin wordt gemaakt; in de studie moeten ook de gevolgen van het niet voltooien van de bankenunie in de verschillende lidstaten worden geëvalueerd, inclusief het effect op de staatsschuld;

8.

verzoekt de Commissie met name om zo spoedig mogelijk haar voorstellen goed te keuren voor een ontwerpverordening tot invoering van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en inzake de follow-up van de aanbevelingen van de commissie-Liikanen (deskundigengroep op hoog niveau) met betrekking tot de structurele hervorming van de banken; onderstreept dat het belangrijk is dat de medewetgevers deze nieuwe voorstellen op korte termijn via de medebeslissingsprocedure kunnen behandelen, zodat de betrokken maatregelen spoedig in werking kunnen treden;

9.

verzoekt de Commissie de financiële ontwikkelingen adequater weer te geven in haar jaarlijkse groeianalyse, zoals het Parlement heeft gevraagd in zijn resoluties van 15 december 2011 (9) en 18 april 2013 (10);

10.

dringt bij de Raad aan op heropening van de onderhandelingen over DGS, een zaak van cruciale betekenis en rechtstreeks belang voor de burgers van de Europese Unie alsmede voor het vertrouwen in en de stabiliteit van het financiële stelsel; wijst erop dat de noodzaak van snelle goedkeuring van dat voorstel onlangs is bevestigd door de Cypriotische crisis; herinnert eraan dat een gemeenschappelijk Europees depositogarantiefonds met goed functionerende depositogarantiestelsels die berusten op een adequate financiering, waardoor de geloofwaardigheid en het vertrouwen van beleggers worden versterkt, het streefdoel op lange termijn zou kunnen zijn, zodra er een effectief afwikkelingskader en een effectief gemeenschappelijk toezichtmechanisme in werking zijn getreden; benadrukt het belang ervan voor de correcte totstandbrenging van de bankenunie en voor het realiseren van de algemene doelstelling van stabiele financiële markten; is van mening dat het DGS-voorstel parallel moet worden aangenomen met de richtlijn voor de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen;

11.

betreurt het gebrek aan capaciteit en vastberadenheid bij de Raad en de lidstaten om de afspraken te maken die nodig zijn om uitvoering te geven aan de openbare toezeggingen die moeten leiden tot de voltooiing van de bankenunie;

12.

verzoekt de Raad zo spoedig mogelijk een standpunt inzake de BCS-richtlijn in te nemen, zodat de onderhandelingen van start kunnen gaan over een onderwerp dat concrete gevolgen heeft voor de EU-burgers, omdat de richtlijn bedoeld is om de bescherming van de afzonderlijke belegger te versterken;

13.

herinnert aan de toezegging van de G20 dat alle gestandaardiseerde otc-derivatencontracten uiterlijk eind 2012 via beurzen of, waar van toepassing, via elektronische handelsplatforms verhandeld moeten worden en via centrale tegenpartijen verrekend moeten worden; dringt er daarom op aan dat de Raad de tijd die van deze zittingsperiode nog resteert, benut om het werk aan de MiFID-herziening af te ronden, zodat de Commissievoorstellen nog voor de Europese verkiezingen in mei 2014 kunnen worden goedgekeurd;

14.

verzoekt de Raad zijn werk aan de csd-verordening voort te zetten om een spoedig begin van de onderhandelingen met het Parlement en de Commissie mogelijk te maken, dit met het oog op een tijdige tenuitvoerlegging vóór invoering van Target2Securities;

15.

verzoekt de Raad snel tot onderhandelingen met het Parlement over te gaan over andere belangrijke dossiers op het gebied van consumenten- en beleggersbescherming waarover de bevoegde commissie van het Parlement al heeft gestemd of binnenkort zal stemmen, zoals — afgezien van de MiFID-herziening — icbe V en IMD II;

16.

verzoekt de Raad zo spoedig mogelijk tot een standpunt te komen inzake het voorstel van de Commissie voor een richtlijn voor de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, omdat dit een essentieel instrument is om de risico's voor de belastingbetalers in de EU als gevolg van bankfaillissementen in de toekomst te beperken;

17.

verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat hij klaar is om de onderhandelingen met het Parlement over Omnibus II/Solvabiliteit II op korte termijn af te ronden, zodra de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen haar effectbeoordeling van de eerder in de trialoog besproken voorschriften voor langetermijngaranties beschikbaar maakt; dringt aan op snelle goedkeuring van de voorstellen betreffende MAD/MAR;

18.

dringt erop aan dat de Commissie, tijdig genoeg voor een behandeling door het Parlement tijdens de lopende zittingsperiode, met voorstellen komt voor verzekeringsgarantiestelsels en voor een kader voor het herstel en de afwikkeling van andere financiële instellingen dan banken, met inbegrip van een kader dat ten minste van toepassing is op grotere, grensoverschrijdende verzekeringsgroepen en verzekeringsgroepen die zich in aanzienlijke mate bezighouden met niet-traditionele en niet-verzekeringsactiviteiten;

19.

verzoekt de Raad opheldering te geven over de criteria aan de hand waarvan is besloten om dossiers al dan niet verder te behandelen, en uiteen te zetten op welke wijze rekening is gehouden met de kruisverbanden tussen dossiers;

20.

verzoekt de Raad gedetailleerd uiteen te zetten hoe hij te werk gaat om de nodige middelen bijeen te krijgen en de overgang van het ene voorzitterschap naar het andere soepeler en efficiënter te laten verlopen;

21.

verzoekt de Raad — gezien het gebrek aan vooruitgang in de werkgroepen van de Raad — zijn politieke verantwoordelijkheid te nemen en standpunten bij gekwalificeerde meerderheid vast te stellen, zoals bepaald in de Verdragen;

22.

onderstreept de verantwoordelijkheid van de medewetgevers om alle noodzakelijke stappen te nemen om ervoor te zorgen dat de hangende voorstellen zo spoedig mogelijk en, waar van toepassing en haalbaar, nog voor het einde van de lopende zittingsperiode kunnen worden goedgekeurd;

23.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 319 van 5.12.2007, blz. 1.

(2)  PB C 146 van 25.5.2013, blz. 1.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0427.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0049.

(5)  PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 328.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0406 en P7_TA(2012)0407.

(7)  PB L 326 van 8.12.2011, blz. 113.

(8)  PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1.

(9)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0583.

(10)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0188.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/117


P7_TA(2013)0277

Situatie in Turkije

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de situatie in Turkije (2013/2664(RSP))

(2016/C 065/15)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties, en met name die van 18 april 2013 over het voortgangsverslag 2012 over Turkije (1),

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien het kader voor de onderhandelingen met Turkije van 3 oktober 2005,

gezien Besluit 2008/157/EG van de Raad van 18 februari 2008 betreffende de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het toetredingspartnerschap met de Republiek Turkije (2) („het Toetredingspartnerschap”), alsmede de eerdere besluiten van de Raad betreffende het Toetredingspartnerschap van 2001, 2003 en 2006,

gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Turkse politie in de vroege ochtend van vrijdag 31 mei 2013 met extreem geweld heeft geprobeerd een groep demonstranten uiteen te drijven, die de afgelopen weken protesteerden tegen de geplande kap van bomen in het kader van een nieuw bouwproject in het Gezipark op het Taksimplein in Istanbul;

B.

overwegende dat het hardhandige politieoptreden heeft geleid tot gevechten met de betogers, die zich snel hebben uitgebreid naar andere steden in Turkije, en overwegende dat bij deze gevechten vier mensen zijn omgekomen en meer dan duizend werden gewond, dat massale arrestaties zijn verricht en dat ernstige schade is veroorzaakt aan particuliere en publieke eigendom; overwegende dat op grote schaal traangas is ingezet waarbij er traangasgranaten rechtstreeks op de betogers zijn afgevuurd, waardoor ernstige verwondingen werden toegebracht;

C.

overwegende dat de demonstraties werden gesteund vanuit verschillende lagen van de Turkse samenleving; overwegende dat mannen en vrouwen in gelijke mate aan de protesten deelnamen;

D.

overwegende dat de aanvankelijke scherpe veroordeling door de Turkse regering contraproductief lijkt te zijn geweest;

E.

overwegende dat artikel 34 van de Turkse grondwet het recht garandeert om zonder toestemming vreedzame vergaderingen en demonstraties zonder wapens te organiseren; overwegende dat artikel 26 van de Turkse grondwet de vrijheid van meningsuiting garandeert, en de artikelen 27 en 28 van de grondwet de „vrijheid van meningsuiting” alsmede de „ongehinderde verspreiding van gedachtegoed”;

F.

overwegende dat de protesten verband houden met de bezorgdheid in bepaalde groepen binnen de Turkse maatschappij als gevolg van een reeks recente besluiten en wetshandelingen met betrekking tot kwesties als beperkingen op de verkoop van alcohol en hervormingen van het onderwijs;

G.

overwegende dat de demonstranten steeds luider protesteren tegen wat zij voelen als gemis van een minderhedenvertegenwoordiging, tegen het autoritaire bestuur, en tegen misstanden in Turkije waar het gaat om rechtsstatelijkheid, goed bestuur, eerlijk proces en behoorlijke rechtsgang;

H.

overwegende dat de Turkse mainstreammedia zich niet hebben uitgelaten over de demonstraties, en dat Twittergebruikers zijn gearresteerd;

I.

overwegende dat Turkije als kandidaat-land voor toetreding tot de EU verplicht is de democratie te eerbiedigen en te bevorderen en de democratische rechten en vrijheden en de mensenrechten te versterken;

J.

overwegende dat commissaris Füle en HV/VV Catherine Ashton op de gebeurtenissen hebben gereageerd;

K.

overwegende dat de vrijheid van vereniging en vergadering, de vrijheid van meningsuiting (inclusief via sociale media, zowel online als offline) en de persvrijheid fundamentele principes van de EU zijn;

1.

betuigt zijn medeleven met de families van de betogers en de politieagenten die zijn omgekomen en wenst de vele gewonden een spoedig herstel;

2.

spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het buitensporige gebruik van geweld door de Turkse politie als antwoord op de vreedzame, legitieme protesten in het Gezipark in Istanbul en verzoekt de Turkse autoriteiten het politiegeweld grondig te onderzoeken, de aansprakelijke personen voor het gerecht te brengen, en schadevergoeding aan te bieden aan de slachtoffers; waarschuwt de Turkse regering geen harde maatregelen tegen de demonstranten te nemen, en dringt er bij de premier op aan zich als verenigende en verzoenende partij op te stellen teneinde verdere escalatie te voorkomen;

3.

betreurt dat het politiegeweld op en rond het Taksimplein maar doorgaat, ondanks de door de Turkse autoriteiten aangekondigde gesprekken met sommigen van de demonstratieleiders, zodat het uitzicht op gesprekken tussen regering en demonstranten steeds geringer wordt;

4.

verzoekt de Turkse autoriteiten de rechten van alle burgers op vrijheid van meningsuiting, vreedzame vergadering en vreedzaam protest te garanderen en te eerbiedigen; dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van alle vreedzame betogers die in hechtenis zijn genomen; verlangt dat alle arrestanten onbeperkte toegang krijgen tot de advocaat van hun keuze; wenst te worden geïnformeerd omtrent het precieze aantal arrestanten en gewonden;

5.

betreurt de zeer harde reacties van de Turkse regering en premier Erdoğan, wier onwil om stappen te nemen in de richting van verzoening, onvermogen om zijn excuses aan te bieden en onwil om de reacties van een deel van de Turkse bevolking te begrijpen slechts hebben bijgedragen tot een verdere polarisering van de Turkse samenleving;

6.

verheugt zich over de gematigde reactie van president Gül en de door vicepremier Arinç betuigde verontschuldigingen aan de gewonde betogers alsmede over hun dialoog met het Taksimplatform en figuren van de politieke oppositie om spanningen weg te nemen; onderstreept hoezeer het belangrijk is dat tussen de Turkse regering en de vreedzame betogers een dialoog wordt gevoerd;

7.

herinnert Turkije eraan dat in een inclusieve, pluralistische democratie alle burgers zich vertegenwoordigd moeten voelen en het een taak is voor de meerderheid om de oppositie en het maatschappelijk middenveld bij het besluitvormingsproces te betrekken; herinnert ook de oppositiepartijen aan het feit dat het hun taak is hun bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van een democratische politieke cultuur met eerbiediging van andere meningen en standpunten;

8.

maakt zich zorgen over de voortdurende confrontatie tussen de politieke partijen en het gebrek aan bereidheid van de regering en de oppositie om te streven naar consensus over belangrijke hervormingen; dringt er bij alle politieke actoren, de regering en de oppositie op aan samen te werken om de politieke pluraliteit in overheidsinstellingen te vergroten en de modernisering en democratisering van de staat en de samenleving te bevorderen;

9.

wijst op de essentiële rol van een systeem van „checks and balances” (wederzijdse controle) in het bestuur van een moderne, democratische staat, dat in het huidige constitutionele proces moet zijn terug te zien en dat gebaseerd moet zijn op het beginsel van de scheiding der machten en het evenwicht tussen de uitvoerende, wetgevende en de rechterlijke macht, de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden — met name de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid — en een participerende politieke cultuur die een daadwerkelijke afspiegeling biedt van een pluralistische, democratische samenleving; is van mening dat de organisatie van vreedzame en legitieme protesten op zichzelf blijkt geeft van de dynamiek van het Turkse maatschappelijk middenveld; herinnert Turkije eraan hoe belangrijk het is dat de inspanningen tot verdere verbetering van zijn democratische instellingen, de rechtsstaat en de inachtneming van fundamentele vrijheden worden voortgezet;

10.

benadrukt de noodzaak van voortdurende intensieve scholing van de politie en het gerechtelijk apparaat, zowel in het kader van hun formele opleiding als gedurende hun actieve loopbaan, inzake de tenuitvoerlegging van het protocol van Istanbul (een reeks internationale richtsnoeren tegen marteling en mishandeling) alsmede op het gebied van het grote belang van individuele rechten en vrijheden;

11.

dringt er bij de lokale en nationale autoriteiten in Turkije op aan het publiek bij alle plannen voor stads- en regionale ontwikkeling te raadplegen; herinnert eraan dat economische groei in evenwicht moet worden gebracht met sociale, ecologische, culturele en historische factoren; vindt dat alle daarvoor in aanmerking komende projecten in Turkije, zonder uitzondering, aan milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen;

12.

merkt op dat deze ongekende protestgolf ook uiting geeft aan de toenemende onvrede onder delen van de Turkse bevolking over de wijze waarop ook de persoonlijke levensstijl aan regels wordt gebonden; herhaalt dat regeringen, in een democratische bestuursvorm, tolerantie moeten bevorderen en de vrijheid van godsdienst en overtuiging voor alle burgers moeten waarborgen; roept de regering op de pluraliteit en rijkdom van de Turkse samenleving te respecteren en degenen met een seculiere levensstijl te beschermen;

13.

waarschuwt dat de geloofwaardigheid van de regionale rol van Turkije als voorvechter van democratische verandering in de zuidelijke buurlanden door het agressieve politieoptreden wordt ondermijnd;

14.

herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting en de pluriformiteit van de media Europese kernwaarden zijn en dat echte vrijheid van meningsuiting een voorwaarde is voor een daadwerkelijk democratische, vrije en pluralistische samenleving; brengt in herinnering dat de vrijheid van meningsuiting niet alleen geldt voor informatie of ideeën die gunstig worden onthaald of die als ongevaarlijk worden beschouwd, maar ook, overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, voor informatie en ideeën die de staat of een bepaald deel van de bevolking beledigen, schokken of storen;

15.

maakt zich zorgen over de achteruitgang van de persvrijheid, bepaalde gevallen van censuur en de groeiende zelfcensuur in de Turkse media, ook op het internet; verzoekt de Turkse regering het beginsel van persvrijheid hoog te houden; benadrukt dat een onafhankelijke pers van essentieel belang is voor een democratische samenleving, en wijst in dit verband op de cruciale rol van de rechter voor de bescherming en versterking van de persvrijheid, die daarmee een publieke ruimte moet waarborgen voor vrij en voor ieder toegankelijk debat; is bezorgd over het grote aantal journalisten in de gevangenis en de vele lopende rechtszaken tegen journalisten; verlangt vrijlating van actievoerders via de sociale media; beschouwt als zeer betreurenswaardig het besluit van de RTUK (Hoge Raad voor Radio en Televisie) om de TV-zenders die vanaf het begin rapportages hebben gewijd aan de gebeurtenissen rond het Gezipark, te straffen wegens „beschadiging van de fysieke, morele en psychische ontwikkeling van kinderen en jongeren”;

16.

herhaalt zijn zorg over het feit dat de meeste media geconcentreerd zijn in handen van grote conglomeraten met een breed scala aan zakelijke belangen; dringt andermaal aan op de aanneming van een nieuwe mediawet waarin onder meer de kwesties van onafhankelijkheid, eigendom en bestuurlijke controle worden geregeld;

17.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de voorzitter van het Europees Hof voor de rechten van de mens, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Turkije.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0184.

(2)  PB L 51 van 26.2.2008, blz. 4.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/120


P7_TA(2013)0280

Een breder trans-Atlantisch partnerschap

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de rol van de EU bij de bevordering van een breder trans-Atlantisch partnerschap (2012/2287(INI))

(2016/C 065/16)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over trans-Atlantische betrekkingen, met name zijn resolutie van 1 juni 2006 over de verbetering van de betrekkingen tussen de EU en de VS in het kader van een trans-Atlantische partnerschapsovereenkomst (1), zijn resolutie van 26 maart 2009 over de stand van de trans-Atlantische betrekkingen in de nasleep van de VS-verkiezingen (2) en zijn resolutie van 17 november 2011 over de EU-VS-top van 28 november 2011 (3),

gezien de resultaten van de EU-VS-top van 28 november 2011 in Washington, D.C.,

gezien de gemeenschappelijke verklaringen van de 71e trans-Atlantische wetgeversdialoog die in december 2011 in Jacksonville werd gehouden, de 72e trans-Atlantische wetgeversdialoog die in juni 2012 in Kopenhagen en Straatsburg werd gehouden en de 73e trans-Atlantische wetgeversdialoog die in november 2012 in Washington, D.C., plaatsvond,

gezien zijn resolutie van 23 oktober 2012 over handels- en economische betrekkingen met de Verenigde Staten (4), waarin het idee om onderhandelingen te beginnen over een uitgebreide economische overeenkomst wordt ondersteund, en gezien zijn resolutie van 23 mei 2013 (5) over het onderhandelingsmandaat,

gezien de verklaring van 13 februari 2013 van de president van de VS Barack Obama, de voorzitter van de Europese Raad Herman Van Rompuy en de voorzitter van de Europese Commissie José Manuel Barroso, waarin wordt aangekondigd dat zowel de Verenigde Staten als de Europese Unie de interne procedures in gang zullen zetten om de onderhandelingen over een trans-Atlantische handels- en investeringsovereenkomst te beginnen,

gezien de verklaring van de top van de Noord-Atlantische Raad die op 20 mei 2012 in Chicago werd gehouden,

gezien zijn resolutie van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (6), zijn resolutie van 22 november 2012 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (7), en zijn resolutie van 22 november 2012 over cyberveiligheid en -defensie (8),

gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Europese Unie en de Verenigde Staten van 12 juli 2012 over de regio Azië — Stille Oceaan,

gezien het document van het Amerikaanse Ministerie van Defensie van januari 2012 getiteld „Sustaining US Global Leadership: Priorities for 21st century Defense”, waarin de veranderingen in de militaire strategie van de VS uiteen worden gezet,

gezien de tweede inaugurele rede van de president van de VS Barack Obama op 21 januari 2013, zijn „State of the Union”-toespraak op 12 februari 2013 en de opmerkingen van de vicepresident van de VS Joseph Biden tijdens de veiligheidsconferentie in München op 2 februari 2013,

gezien het strategisch partnerschap van de EU met Brazilië (2007) en Mexico (2008), de associatieovereenkomsten van de EU met Mexico, Chili en Midden-Amerika, de handelsovereenkomsten met Colombia en Peru, de lopende onderhandelingen met Canada over een strategische partnerschapsovereenkomst en een uitgebreide economische en handelsovereenkomst, en de huidige onderhandelingen met de Mercosur,

gezien zijn resolutie van 12 juni 2012 over de vaststelling van een nieuwe ontwikkelingssamenwerking met Latijns-Amerika (9), waarin wordt benadrukt dat de EU het regionale integratieproces in Latijns-Amerika steunt, zoals dit wordt vertegenwoordigd door de Celac, de UNASUR, de Mercosur, het SICA, de Caricom en de Pacifische Alliantie,

gezien de geregelde topbijeenkomsten van de EU en de VS met Latijns-Amerikaanse landen, de tweejaarlijkse EU-Celac-top en de top van de Amerika's, die naar verwachting beide in 2015 zullen plaatsvinden,

gezien de betrekkingen van de EU met de aan de Atlantische oceaan gelegen Afrikaanse regionale en subregionale organisaties, zoals met name de Afrikaanse Unie (AU), de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas), de Economische Gemeenschap van Centraal-Afrikaanse Staten (Ceeac) en de Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika (SADC),

gezien de verklaringen van de G20-leiders, het slotdocument van de werkgroep van het VN-stelsel voor de VN-ontwikkelingsagenda na 2015 („Realising the Future We Want for All”), en het slotdocument van de conferentie van de Verenigde Naties betreffende duurzame ontwikkeling („The future we want”),

gezien zijn resoluties over, onder meer, de Arabische lente, Mali, het Midden-Oosten, Syrië, Iran, Afghanistan, het Oostelijk Partnerschap, Rusland en China,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0173/2013),

A.

overwegende dat binnen het hele Atlantische bekken de belangrijkste politieke en economische betrekkingen die tussen de EU en de VS zijn; overwegende dat de nieuwe termijn van het presidentschap van Obama moet worden aangegrepen om deze betrekkingen door middel van een ambitieuze nieuwe agenda te versterken;

B.

overwegende dat het trans-Atlantisch partnerschap berust op sterke politieke, culturele, economische en historische betrekkingen, op gedeelde waarden, zoals vrijheid, democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, en op gemeenschappelijke doelen, zoals welvaart, open en geïntegreerde economieën, sociale vooruitgang en integratie, duurzame ontwikkeling en de vreedzame oplossing van conflicten;

C.

overwegende dat de mondiale economische neergang heeft geleid tot significante bezuinigingen op de defensie-uitgaven in zowel de EU als de VS;

D.

overwegende dat de EU en de VS in een gemondialiseerde, complexe en in toenemende mate multipolaire wereld, ondanks de economische crisis, een belangrijke constructieve rol moeten blijven spelen in de mondiale politiek en de wereldeconomie, alsook bij de vormgeving van het internationale klimaat, en dat zij regionale conflicten en mondiale uitdagingen samen, op een multilaterale basis tegemoet moeten treden, met name in het kader van internationale organisaties; overwegende dat zij met het oog hierop de betrokkenheid moeten waarborgen van nieuwe belangrijke mogendheden, met inbegrip van de twee Latijns-Amerikaanse strategische partners van de EU, Brazilië en Mexico, en van Canada;

E.

overwegende dat, naast de verschuiving in het mondiale landschap als gevolg van de groei van de Aziatische opkomende machten, recentelijk door denktanks, internationale organisaties en enkele regeringen wordt gewezen op het groeiende belang van het Atlantische bekken als geheel, met inbegrip van de zuidelijke dimensie ervan, en op de noodzaak van samenwerking tussen de landen die ertoe behoren, teneinde al deze landen in staat te stellen om te gaan met problemen die zich in de bredere regio voordoen;

F.

overwegende dat Latijns-Amerika een regio is die vele waarden, belangen en historische achtergronden deelt met de EU en de VS, en hiermee steeds nauwere economische betrekkingen onderhoudt; overwegende dat Latijns-Amerikaanse landen een groot aantal regionale of subregionale organisaties hebben opgericht; overwegende dat het nuttig is om na te gaan op welke terreinen er verschillende manieren van trilaterale samenwerking kunnen worden ontwikkeld; overwegende dat samenwerkingsverbanden zouden kunnen worden uitgebreid zodat hierin ook de Afrikaanse landen van het Atlantische bekken kunnen worden opgenomen; overwegende dat het van belang is dat de samenwerking in de transatlantische ruimte berust op compromissen tussen de diverse belangen, en overwegende dat alle partijen het recht moeten behouden om hun eigen nationale prioriteiten en ontwikkelingsaanpak te volgen;

G.

overwegende dat enkele landen, met name China, en ook andere landen zoals India, steeds actiever worden in het Atlantische bekkengebied, met name in de zuidelijke Atlantische Oceaan, waar hun acties worden beïnvloed door hun behoefte aan grondstoffen en voedsel;

H.

overwegende dat het bredere trans-Atlantische partnerschap kwesties als ontwikkeling, veiligheid, energie en immigratie moet aanpakken, alsook een geleidelijke economische en politieke convergentie moet bevorderen;

I.

overwegende dat er andere actuele kwesties en conflicten zijn, die verder reiken dan het bredere Atlantische perspectief, met het oog waarop gecoördineerd optreden van de EU en de VS essentieel is;

J.

overwegende dat een toename van het aantal en de verdere perfectionering van grootschalige cyberaanvallen heeft geleid tot de herziening van gerelateerde wetgeving, in het kader waarvan de VS vrijwillige-meldingsmechanismen hebben ingesteld, terwijl de EU voornemens is striktere verplichte maatregelen aan te nemen;

Bilaterale betrekkingen

1.

feliciteert Barack Obama met zijn herverkiezing als president van de Verenigde Staten van Amerika; nodigt hem uit om de plenaire vergadering van het Europees Parlement in Straatsburg toe te spreken tijdens zijn volgende bezoek aan Europa;

2.

dringt erop aan zo spoedig mogelijk een EU-VS-top te houden teneinde een gemeenschappelijke agenda vast te stellen met korte- en langetermijndoelstellingen met betrekking tot zowel bilaterale aangelegenheden als mondiale en regionale kwesties;

3.

erkent de langetermijngevolgen voor het trans-Atlantische partnerschap van de verschuiving van het zwaartepunt van het geopolitieke beleid van de VS naar Azië; benadrukt de noodzaak van een constructieve, samenhangende en strategische respons van de EU; is van mening dat dit voor de EU tevens een kans vormt om actiever betrokken te raken bij de regio Azië-Stille Oceaan, als autonome wereldspeler, maar in nauwe samenwerking met de VS, en om op deze manier de strategische dimensie van het trans-Atlantische partnerschap te verdiepen;

4.

is ingenomen met de officiële aankondiging van onderhandelingen over een trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap; benadrukt dat deze overeenkomst de economieën van de EU en de VS aanzienlijk zal versterken en de betrekkingen tussen de EU en de VS een nieuwe impuls zal geven; wijst erop dat het mondiale effect van de overeenkomst verder zal reiken dan de bilaterale betrekkingen, aangezien zij voorziet in een gemeenschappelijke benadering ten aanzien van regels en normen met betrekking tot mondiale handel, investeringen en handelsgerelateerde gebieden; benadrukt de noodzaak van een sterke politieke wil en een constructieve houding met het oog op een efficiënt verloop van de onderhandelingen; verwacht dat de onderhandelingen over het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap een nieuw politiek momentum in de trans-Atlantische betrekkingen zal creëren, dat zou kunnen en moeten worden gebruikt om nauwere samenwerking op andere gebieden, waaronder buitenlands beleid, te bevorderen;

5.

verzoekt de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Europese Commissie (hv/vv), de Raad, de Commissie en de EU-lidstaten het EU-beleid ten aanzien van de Amerikaanse regering beter te coördineren, teneinde overtuigend uit te dragen dat de EU een coherente en efficiënte internationale speler is; benadrukt dat het van belang is om ook het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid te versterken, gezien de verschillende crises die kunnen ontstaan in aangrenzende regio's van de EU en gezien de „leading from behind”-doctrine van de VS;

6.

herhaalt zijn suggestie om een Trans-Atlantische Politieke Raad op te richten die moet fungeren als orgaan voor systematisch overleg en coördinatie met betrekking tot buitenlands- en veiligheidsbeleid, onder leiding van de hv/vv en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken;

7.

benadrukt de bijdrage die de trans-Atlantische wetgeversdialoog, als een op inhoud gebaseerd constructief orgaan, levert aan de versterking van de betrekkingen tussen de EU en de VS door een forum voor parlementaire dialoog te bieden, doelstellingen vast te stellen en kwesties van gemeenschappelijke zorg te coördineren; verwelkomt de opening van het verbindingsbureau van het Europees Parlement in Washington en moedigt het Amerikaanse Congres aan hetzelfde te doen in Brussel; dringt aan op voortzetting van de uitwisseling van personeel tussen de beide instellingen;

8.

veroordeelt met klem de terroristische aanslagen in Boston op 15 april 2013; spoort beide partners aan om de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad voort te zetten en om, tegelijkertijd, de mensenrechten en fundamentele vrijheden te eerbiedigen; is diep bezorgd over recente onthullingen over bewakingsactiviteiten en operaties inzake gegevensverzameling van de VS in het kader van her PRISM-programma, en hun gevolgen voor de bescherming van de vrijheden van de EU-burgers; verzoekt de Commissie en de Raad het probleem aan te kaarten tijdens de volgende EU-VS bijeenkomst van de JBZ-ministers van 14 juni 2013; neemt nota van het feit dat de overeenkomst betreffende persoonsgegevens van passagiers en de overeenkomst betreffende het programma voor het opsporen van de financiering van terroristische activiteiten (de SWIFT-overeenkomst), die beide door het Europees Parlement zijn goedgekeurd, reeds in werking zijn getreden; roept de partners op om hun samenwerking met betrekking tot de overeenkomst inzake gegevensprivacy en -bescherming te intensiveren, teneinde de onderhandelingen op zodanige wijze af te ronden dat een passende transparantie van gegevensverwerking en voldoende bescherming van persoonsgegevens worden gewaarborgd;

9.

wijst op het toenemende belang van het gebruik van onbemande vliegtuigen (drones); onderstreept de noodzaak van een krachtig debat over gewapende drones, de beperkingen en de transparantie ervan en de controle erop; is verheugd over het huidige debat in de VS en verwacht dat spoedig een omvattend regelgevingskader zal worden vastgesteld; is in dit opzicht ingenomen met de besluiten die president Obama in zijn toespraak van 23 mei 2013 heeft aangekondigd, namelijk om formeel nieuwe beperkingen in te voeren voor het gebruik van drones als dodelijk wapen en om het Congres mogelijkheden te laten onderzoeken om een beter overzicht te krijgen van dergelijk gebruik; verzoekt beide partners deel te nemen aan intensieve gesprekken over gewapende drones en benadrukt dat er stappen moeten worden gezet naar toekomstige internationale regelgeving op dit gebied, gezien de mondiale gevolgen;

10.

wijst er nogmaals op dat de EU de VS op politiek en technisch niveau moet blijven aanspreken op de langlopende kwestie van de visumplicht voor burgers van vier EU-lidstaten;

11.

wijst andermaal op het toenemende belang van cyberdefensie en is ingenomen met de oprichting, tijdens de top in 2010, van de werkgroep cyberbeveiliging en cybercriminaliteit; is van mening dat de EU en de VS in het bijzonder prioriteit moeten geven aan hun samenwerking op het gebied van cyberveiligheid, met speciale aandacht voor het bestrijden van cyberaanvallen en het gezamenlijk bevorderen van inspanningen op internationaal niveau voor de ontwikkeling van een veelomvattend en transparant internationaal kader dat minimumnormen vaststelt voor beleid inzake cyberveiligheid, waarbij tegelijkertijd de fundamentele vrijheden worden geëerbiedigd;

12.

betreurt dat de EU en de VS van plan zijn om verschillende niveaus van cyberbeveiliging toe te passen in een tijd dat de NAVO aandringt op intensievere samenwerking; benadrukt dat deze inconsistenties niet alleen een bedreiging vormen voor de cyberdefensie, maar tevens handelsgerelateerde problemen kunnen creëren voor ondernemingen die in beide rechtsgebieden actief zijn;

13.

is ingenomen met de hernieuwde belofte van president Obama in zijn toespraak van 23 mei 2013 om Guantánamo te sluiten; herhaalt zijn oproep om de gedetineerden die niets ten laste is gelegd zo spoedig mogelijk naar hun eigen land of een ander veilig land te laten terugkeren, Guantánamo-gedetineerden tegen wie voldoende toelaatbaar bewijsmateriaal bestaat onverwijld in een eerlijke en openbare rechtszitting te laten berechten door een onafhankelijke, onpartijdige rechtbank en te waarborgen dat zij, indien zij worden veroordeeld, in de Verenigde Staten gevangen worden gezet in overeenstemming met de toepasselijke internationale normen en beginselen;

14.

onderstreept het voortdurende belang van de NAVO als hoeksteen van de trans-Atlantische veiligheid; dringt nogmaals aan op versterking van het strategisch partnerschap tussen de EU en de NAVO;

De Atlantische en mondiale agenda

15.

dringt er bij beide partners op aan te kijken naar terreinen waarop en kaders waarbinnen trans-Atlantische samenwerking op pragmatische wijze kan worden vormgegeven, en om samen met andere Atlantische landen te onderzoeken in hoeverre de uitbreiding van deze samenwerking nuttig is; onderstreept dat vanuit het standpunt van de EU mogelijk kan worden samengewerkt op onder meer het gebied van economische en sociale kwesties, mondiaal bestuur, het democratiseringsproces, mensenrechten, ontwikkelingssamenwerking, klimaatverandering, veiligheid en energie; verzoekt de partners de mogelijkheid te onderzoeken om in het kader van deze trilaterale dialogen gebruik te maken van de in Latijns-Amerika opgezette en traditioneel door de EU ondersteunde regionale en subregionale structuren;

16.

pleit voor geregeld onderling overleg tussen de partners met betrekking tot hun respectievelijke toppen met Latijns-Amerikaanse landen in een regionaal kader, te weten de tweejaarlijkse EU-CELAC-top en de door de Organisatie van Amerikaanse Staten georganiseerde „Top van de Amerika's”;

17.

benadrukt dat er reeds diverse multilaterale kaders bestaan voor specifieke kwesties met een sterke trilaterale component, zoals het initiatief inzake regionale veiligheid in Midden-Amerika;

18.

herinnert aan de positieve rol die Canada — waarmee beide partners solide betrekkingen onderhouden — kan spelen in een bredere trans-Atlantische samenwerking;

19.

verzoekt beide partners tevens de mogelijkheid van bredere samenwerking met de aan de Atlantische oceaan gelegen Afrikaanse landen te bestuderen, en om bovendien relevante samenwerkingsterreinen en kaders vast te stellen, daarbij rekening houdend met de relevante Afrikaanse organisaties;

20.

dringt er bij de EU en de VS op aan op gecoördineerde wijze samen te werken teneinde bij te dragen tot een stabiele internationale orde van vrede en samenwerking, gebaseerd op daadwerkelijk multilateralisme met deelname van de opkomende spelers, inclusief de landen aan de zuidelijke Atlantische oceaan; spoort de partners aan te blijven werken aan het VN-hervormingsprogramma, andere Atlantische landen daarbij te betrekken en rekening te houden met de belangen van deze landen; benadrukt de noodzaak van een intensievere samenwerking tussen de EU en de Amerikaanse landen in de VN;

21.

herinnert eraan dat het Internationaal Strafhof een in toenemende mate onontbeerlijk instrument van het internationaal recht is en een fundamenteel element van het buitenlands beleid van de EU vormt voor wat betreft de doelstelling een eind te maken aan straffeloosheid; spreekt, in het kader van het tienjarig bestaan ervan, zijn waardering uit voor het Internationaal Strafhof; is verheugd over de stap van de regering-Obama om opnieuw een werkrelatie met het Hof aan te gaan en verwacht verdere stappen van de VS in de richting van het opnieuw ondertekenen en ratificeren van het Statuut van Rome;

22.

verzoekt de EU en de VS om gezamenlijk te werken aan het versterken van regionale en subregionale organisaties in het Atlantische bekken, gezien de belangrijke rol die deze organisaties spelen bij de bevordering van economische en politieke integratie;

23.

dringt er bij de partners op aan een nieuwe impuls aan de G20 te geven, onder meer door tegelijkertijd de andere Atlantische mogendheden op voet van gelijkheid bij dit forum te betrekken; benadrukt dat, gezien de herverkiezing van president Obama en het aantreden van een groot aantal nieuwe leiders in belangrijke landen van de G20, dit het juiste moment is om de volgende vergadering van de G20 ambitieuzer en operationeler te maken, en verwacht dat deze kwestie tijdens de volgende bilaterale top zal worden besproken;

24.

onderstreept dat de uiteindelijke sluiting van het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap perspectieven creëert voor een brede economische ruimte die Noord-Amerika, de EU en de vele Latijns-Amerikaanse landen waarmee de partners economische overeenkomsten hebben gesloten, omvat;

25.

benadrukt dat de integratie van twee van 's werelds grootste markteconomieën een geopolitiek model voor de bevordering van democratische waarden kan creëren;

26.

benadrukt dat democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten centraal moeten staan voor de landen van het Atlantische bekken; spoort aan tot verdere samenwerking tussen programma's van de EU en de VS ter bevordering van democratie, vrije en eerlijke verkiezingen en de eerbiediging van mensenrechten;

27.

benadrukt het belang van coördinatie bij de bestrijding van de gevaren voor de mondiale veiligheid, zoals terrorisme, mislukte staten, mensenhandel, wapens en drugs, georganiseerde misdaad, piraterij en cybercriminaliteit, allemaal gevaren die op dit moment een bedreiging vormen voor het Atlantische bekken; onderstreept de noodzaak van een intensivering van de uitgebreide samenwerking tussen alle landen van het Atlantische bekken bij de strijd tegen drugshandel, een fenomeen dat in opkomst is in West-Afrika en in de Sahel; is ingenomen met de steun van de partners voor het regionale actieplan inzake drugs van de Ecowas;

28.

wijst met name op de uiterst belangrijke rol die maritieme veiligheid moet spelen in de Atlantische ruimte; verwelkomt de inspanningen van de partners, in nauwe samenwerking met de Ecowas en de Ceeac, om piraterij te bestrijden en de maritieme veiligheid in de Golf van Guinee te bevorderen;

29.

benadrukt het belang van diversifiëring van energieleveranciers, -bronnen en -transportroutes; wijst met klem op de groeiende relevantie van de landen van het Atlantische bekken wat betreft energieproductie en -reserves en grondstoffen, die allemaal aanzienlijke mogelijkheden voor diversifiëring bieden; spoort de Energieraad EU-VS aan om samen met de andere landen van het Atlantische bekken de mogelijkheid te bestuderen samen te werken op het gebied van energieveiligheids- en duurzaamheidskwesties, onder meer wat betreft technologieën voor hernieuwbare energie; pleit tevens voor onderzoek naar de mogelijkheid van nauwere samenwerking op het gebied van efficiënt gebruik van grondstoffen en recycling;

30.

is ingenomen met de aandacht die president Obama in zijn inaugurele rede besteedde aan de hernieuwing van de capaciteit van de Verenigde Staten om crises in het buitenland te beheersen, en spreekt de hoop uit dat de reeds bestaande samenwerking tussen de EU en de VS bij crisisbeheersing, en in toenemende mate crisispreventie, in Oost-Afrika wordt uitgebreid naar de aan de Atlantische oceaan gelegen landen; verzoekt beide partners in dit verband om volledig en constructief gebruik te maken van de kaderovereenkomst van 2011 over de deelname van de VS aan het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; dringt er bij de lidstaten van de EU op aan serieus deel te nemen aan gezamenlijke „pooling and sharing”-projecten, zodat zij op autonome wijze de in artikel 43 van het Verdrag van Lissabon omschreven taken kunnen vervullen;

31.

roept de EU en de VS op om hun dialoog en samenwerking op het gebied van ontwikkeling verder te versterken, teneinde de kwaliteit en de effectiviteit van hun ontwikkelingshulp te verbeteren; dringt er bij beide partners op aan om de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling tegen 2015 te blijven bevorderen; stelt met tevredenheid vast dat de partners een werkgroep hebben opgericht ter voorbereiding van een agenda voor na 2015 met betrekking tot de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling; dringt er bij de partners op aan om in het kader van deze doelstellingen nauw samen te werken met de aan de Atlantische oceaan gelegen landen, gezien het bijzondere belang van de doelstellingen voor deze groep landen; dringt er bij de EU en de VS op aan om in het kader van dit reflectieproces de vraag te onderzoeken hoe de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling voor de periode na 2015 en de duurzame-ontwikkelingsdoelen aan elkaar kunnen worden gekoppeld;

32.

is verheugd over de hernieuwde betrokkenheid van president Obama met betrekking tot de strijd tegen de klimaatverandering; dringt er bij de partners op aan zo spoedig mogelijk, en uiterlijk in 2015, overeenstemming te bereiken over bindende toezeggingen inzake de reductie van broeikasgasemissies overeenkomstig de doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 oC; verwacht dat deze kwestie tijdens de volgende bilaterale top zal worden besproken; benadrukt de noodzaak om de Atlantische landen bij deze inspanningen te betrekken, met name gezien het schadelijke effect van klimaatverandering in deze landen en wereldwijd op de voedselproductie, de biodiversiteit, woestijnvorming en extreme weersomstandigheden; acht het van essentieel belang dat de EU en de VS het voortouw nemen bij het tot stand brengen van een mondiale overeenkomst over de regulering van luchtvaartemissies in het kader van de Algemene Vergadering van de ICAO; herbevestigt de noodzaak van een nauwe trans-Atlantische samenwerking op het gebied van de winning van schaliegas;

33.

verzoekt de EU en de VS om een gemeenschappelijke strategie te volgen op internationale fora, met name de VN, ten aanzien van de vermindering van massavernietigingswapens en conventionele wapens, en om de Atlantische landen bij deze inspanningen te betrekken; verwacht van de VS en Rusland dat zij verdere vooruitgang boeken op het gebied van nucleaire ontwapening; is zeer verheugd over de recente goedkeuring van het wapenhandelsverdrag door de Algemene Vergadering van de VN, en dringt er bij de EU-lidstaten en de VS op aan dit verdrag spoedig te ondertekenen;

34.

moedigt denktanks en onderzoekers aan onderzoek te blijven doen naar bredere trans-Atlantische samenwerking, die tevens bijdraagt aan de idee van een bredere Atlantische gemeenschap;

35.

benadrukt dat culturele uitwisselingen in het kader van onderwijsprogramma's van fundamenteel belang zijn voor de ontwikkeling van gemeenschappelijke waarden en, derhalve, voor het bouwen van bruggen tussen partners binnen het Atlantische bekken;

Actuele kwesties en conflicten

36.

verzoekt de partners prioriteit te geven aan nauwe coördinatie met betrekking tot ondersteuning van de democratische omwenteling in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, op basis van een alomvattende en voorwaardelijke strategie van aan democratische hervormingen gekoppelde hulp en stimulansen; verzoekt de partners om de steun voor de oppositie in Syrië zo nauw mogelijk te coördineren en om druk te blijven uitoefenen op Rusland en China, teneinde zo spoedig mogelijk een politieke oplossing te vinden voor de tragische crisis in het land; steunt de oproep voor een vredesconferentie over Syrië in Genève; onderstreept de noodzaak van een gemeenschappelijk antwoord op de politieke instabiliteit en de dreigende economische crisis in Egypte; spoort aan tot samenwerking bij het ondersteunen van democratiseringsprogramma's in het gebied;

37.

onderstreept de noodzaak van coördinatie tussen de EU, haar lidstaten, de VS, de AU, de Ecowas, de VN en andere actoren teneinde de tenuitvoerlegging van de routekaart voor het overgangsproces in Mali te bevorderen, alsook van financiële en logistieke ondersteuning van de internationale ondersteuningsmissie ten behoeve van Mali onder Afrikaanse leiding (Afisma), die gereed is haar bevoegdheden over te dragen aan de geïntegreerde multidimensionele stabilisatiemissie van de VN in Mali, overeenkomstig resolutie 2100 van de VN-Veiligheidsraad die op 25 april 2013 werd aangenomen;

38.

betreurt het vastlopen van het vredesproces in het Midden-Oosten; is ingenomen met het feit dat president Obama tijdens zijn eerste buitenlandse reis na zijn herverkiezing Israël, de Palestijnse Autoriteit en Jordanië heeft bezocht, alsook met het feit dat het vredesproces in het Midden-Oosten opnieuw een topprioriteit is geworden, zoals blijkt uit de huidige inspanningen van de minister van buitenlandse zaken, John Kerry; is verheugd dat president Obama zich heeft verbonden aan een tweestatenoplossing; verzoekt de VS zich in te zetten voor een bevriezing van de bouw van nederzettingen en samen met de EU te werken aan de hervatting van de rechtstreekse onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen; deelt de visie van president Obama met betrekking tot de voortdurende bouw van nederzettingen door Israël alsook met betrekking tot de noodzaak om de veiligheid van Israël te waarborgen;

39.

dringt er bij de beide partners op aan te blijven werken aan een diplomatieke oplossing voor de Iraanse nucleaire kwestie teneinde spoedig te komen tot een veelomvattend langetermijnakkoord dat het internationale vertrouwen in de uitsluitend vreedzame aard van het Iraanse atoomprogramma versterkt, en dat tegelijkertijd de legitieme rechten van Iran inzake het vreedzaam gebruik van kernenergie overeenkomstig het non-proliferatieverdrag eerbiedigt; verzoekt de EU en de VS om, in het kader van de EU 3+3 (P5+1)-onderhandelingen met Iran, een gecoördineerde en voorwaardelijke verlichting van de sancties te overwegen in ruil voor onderling overeengekomen en verifieerbare stappen door de Iraanse regering die erop zijn gericht alle openstaande kwesties met betrekking tot het Iraanse atoomprogramma op te lossen, waarbij Iran de bepalingen van het non-proliferatieverdrag en de eisen van de Internationale Organisatie voor atoomenergie (IAEA) volledig moet naleven; verzoekt beide partners hun benadering van de betrekkingen met Iran te verbreden en daarbij zowel de mensenrechtensituatie in Iran als het bredere regionale veiligheidsbeeld in aanmerking te nemen, alsook om het maatschappelijk middenveld van Iran en Iraanse ngo's hierbij te betrekken;

40.

dringt er bij de partners op aan om, in samenwerking met de Afghaanse regering, gezamenlijk een alomvattende benadering ten aanzien van Afghanistan uit te werken voor de periode na 2014; onderstreept dat goed getrainde en uitgeruste Afghaanse militaire en politiemachten, in combinatie met humanitaire en sociaaleconomische ontwikkeling, goed bestuur en een op de rechtsstaat gericht beleid, van cruciaal belang zijn voor vrede, stabiliteit en veiligheid in het land, terwijl een veel grotere betrokkenheid van de buurlanden van Afghanistan bij deze doelstellingen eveneens noodzakelijk is; benadrukt tevens de noodzaak van een democratisch en inclusief politiek proces in het land; erkent dat de NAVO een fundamentele rol heeft gespeeld bij de coördinatie van de veiligheidsrespons op de terroristische dreiging in Afghanistan, met inbegrip van wederopbouw en herstel, alsook dat de NAVO ook na 2014 mogelijk een rol zal blijven spelen;

41.

benadrukt het belang van het Oostelijk Partnerschap voor de EU; onderstreept dat het van belang is om de landen van deze naburige regio zowel op politiek als economisch gebied dichter bij de EU en de gedeelde waarden van de trans-Atlantische partners te brengen; dringt aan op actieve coördinatie tussen de EU en de VS op dit gebied en benadrukt de noodzaak van gemeenschappelijke inspanningen om democratische hervormingen te bevorderen, democratische instellingen te consolideren en de vreedzame oplossing van geschillen te versterken; spreekt zijn waardering uit voor de aanhoudende steun van de VS voor het uitbreidingsproces op de westelijke Balkan, en spoort beide partners aan om vast te houden aan een gecoördineerde benadering ten aanzien van de landen in deze regio;

42.

verzoekt beide partners hun beleid ten aanzien van Rusland beter te coördineren en daarbij kritische betrokkenheid als leiddraad te nemen; benadrukt het belang van samenwerking met Rusland op het gebied van mondiale uitdagingen, met inbegrip van ontwapening en non-proliferatie; dringt er bij de EU en de VS op aan een bijdrage te leveren aan het Russische moderniseringsproces, waarbij de nadruk moet liggen op consolidering van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat alsook op bevordering van gediversifieerde en sociaal rechtvaardige economische groei; benadrukt dat het van belang is om persoonlijke contacten te bevorderen; betreurt in dit verband de nieuwe restrictieve wet inzake ngo's en de toenemende druk die door de Russische autoriteiten wordt uitgeoefend op in Rusland gevestigde ngo-kantoren; benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de toezeggingen die Rusland heeft gedaan toen het toetrad tot de WTO een belangrijk onderdeel vormt van de moderniseringsagenda van het land; verzoekt beide partners om constructieve besprekingen met Rusland aan te gaan over vastgelopen conflicten; verwelkomt de goedkeuring van de Magnitsky-lijst door het Amerikaanse Congres en brengt zijn resolutie van oktober 2012 in herinnering;

43.

wijst op de verschuiving van de internationale aandacht richting Oost-Azië als gevolg van de politieke en economische opkomst van de regio Azië/Stille Oceaan; is verheugd over de recente instelling van nauwer overleg tussen de EU en de VS met betrekking tot deze regio en is van mening dat dit kan leiden tot nauwere samenwerking tussen de EU en de VS met betrekking tot Azië; wijst in het bijzonder op de noodzaak van een gecoördineerde respons op kwesties die mogelijk een bedreiging vormen voor de vrede in de regio, met name in het geval van het conflict in de Zuid-Chinese Zee, dat in enkele Aziatische landen een agressieve vorm van nationalisme aanwakkert en de maritieme veiligheid in het gedrang brengt;

44.

veroordeelt krachtig de escalerende oorlogsretoriek van de zijde van Noord-Korea en de rechtstreeks tegen de VS gerichte bedreigingen in reactie op de recente Resolutie 2087 van de VN-Veiligheidsraad, waarmee zwaardere sancties zijn ingesteld; dringt er bij Pyongyang op aan de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, waarin wordt opgeroepen tot stopzetting van zijn nucleaire programma's en programma's voor ballistische raketten, te eerbiedigen; dringt er bij beide zijden op aan om kalm te blijven en langs diplomatieke kanalen naar vrede te streven; dringt er bij de EU, de VS en Zuid-Korea op aan om de dialoog met China te intensiveren teneinde het regime in Pyongyang in het gareel te houden;

45.

dringt bij de EU en de VS aan op gecoördineerde inspanningen om het nieuwe Chinese leiderschap ertoe te bewegen zich actiever bezig te houden met kwesties en conflicten op de mondiale agenda; is ingenomen met het feit dat de EU en China zijn overeengekomen om een regelmatige dialoog over defensie- en veiligheidsbeleid te voeren, en om regelmatige contacten te onderhouden tussen speciale vertegenwoordigers en speciale afgezanten; herinnert eraan dat het van groot belang is een open dialoog met China te blijven voeren over goed bestuur en eerbiediging van de mensenrechten;

o

o o

46.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan de Amerikaanse regering en het Amerikaanse Congres.


(1)  PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 226.

(2)  PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 198.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0510.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0388.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0227.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0334.

(7)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0455.

(8)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0457.

(9)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0235.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/127


P7_TA(2013)0281

Wederopbouw en democratisering van Mali

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de wederopbouw en democratisering van Mali (2013/2587(RSP))

(2016/C 065/17)

Het Europees Parlement,

gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over de situatie in Mali (1) en zijn resolutie van 14 juni 2012 over de mensenrechten en de veiligheidssituatie in het Sahelgebied (2),

gezien de in maart 2011 aangenomen EU-strategie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel,

gezien de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) 2056 (2012) en 2071 (2012) over de situatie in Mali,

gezien de resolutie van de VN-Veiligheidsraad 2085 (2012) waarin toestemming wordt gegeven voor een internationale ondersteuningsmissie ten behoeve van Mali onder Afrikaanse leiding (Afisma),

gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 22 maart, 26 maart, 7 april, 21 december en 23 december 2012, alsmede die van 11 januari, 7 maart en 7 juni 2013 over de situatie in Mali,

gezien de conclusies van de Raad van de EU inzake de Sahel van 23 maart 2012 waarbij de Raad zijn goedkeuring hecht aan het crisisbeheersingsconcept voor een civiele GVDB-missie op het gebied van advies, bijstand en opleiding in de Sahel,

gezien de conclusies van de Raad van de EU van 31 januari, van 18 februari, van 23 april en van 27 mei 2013 inzake Mali,

gezien de brief van 25 maart 2013 van de overgangsinstanties in Mali aan de secretaris-generaal van de VN met het verzoek om een VN-operatie in te zetten teneinde de autoriteit en de soevereiniteit van de Malinese staat in het hele nationale grondgebied te stabiliseren en te herstellen,

gezien de brief van 26 maart 2013 van de voorzitter van de Ecowas-commissie aan de secretaris-generaal van de VN met het verzoek om de omvorming van Afisma in een stabilisatiemissie van de Verenigde Naties,

gezien VN-Resolutie 2100 (2013) die is aangenomen door de Veiligheidsraad tijdens zijn 6952e vergadering op 25 april 2013 voor de oprichting van een vredesmacht,

gezien het transitiestappenplan voor Mali dat op 29 januari 2013 door de nationale vergadering van Mali met algemene stemmen is aangenomen,

gezien het Afrikaanse Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

gezien alle Afrikaanse en internationale mensenrechtenverdragen die door Mali zijn ondertekend,

gezien de schriftelijke vragen O-000040 — B7-0205/2013 en O-000041 — B7-0206/2013 aan de Raad en de Commissie, respectievelijk over de wederopbouw en de democratisering van Mali,

gezien de conferentie voor ontwikkelingsdonors „Samen voor een nieuw Mali”, die op 15 mei 2013 in Brussel werd gehouden,

gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de gevolgen van de militaire staatsgreep in Mali in maart 2012, de bezetting van het noordelijke deel van het land door gewapende jihadistische rebellengroeperingen, en het daaropvolgende gewapende conflict in het noordelijke deel van het land voelbaar zijn tot ver buiten Mali en het Sahelgebied, en dat deze ook elders in Afrika en in Europa repercussies hebben;

B.

overwegende dat Mali een van de tien armste landen ter wereld is en de 182ste plaats inneemt in de groep van 187 landen die op de menselijke ontwikkelingsindex van de UNDP voor 2013 staan; overwegende dat Mali al vóór de huidige crisis gebukt ging onder sociaaleconomische verschillen tussen Noord en Zuid, maar ook last had van zwakke democratische instellingen, slecht bestuur, corruptie en georganiseerde misdaad;

C.

overwegende dat kapitein Amadou Haya Sanogo, die is benoemd tot hoofd van het Militair Comité voor de hervorming van de strijdkrachten en de veiligheid, nog steeds een gevaarlijke figuur is die in staat blijft om veel schade aan te richten, met name in het kader van zijn nieuwe functies, die hem rechtstreekse contacten bezorgen bij het leger;

D.

overwegende dat er een stappenplan voor de transitie is goedgekeurd door de Malinese autoriteiten en dat er een Commissie voor dialoog en verzoening is opgezet; overwegende dat de EU samen met de Malinese overgangsautoriteiten en andere regionale en internationale organisaties met het oog op duurzame vrede een begin hebben gemaakt met de implementatie van het stappenplan;

E.

overwegende dat de politieke dialoog en de verzoening tussen etnische groepen, die ten doel hebben de vrede te bewaren en de verschillende etnische groepen in het land zover te krijgen dat zij bereid zijn samen te leven, een uitdaging vormen voor de wederopbouw van Mali; overwegende dat de situatie in Kidal, dat nog steeds gecontroleerd wordt door de Toearegs van de Nationale Beweging voor de Bevrijding van Azawad (MNLA), het verzoeningsproces in gevaar zou kunnen brengen; overwegende dat alleen groeperingen die de grondwet van Mali en de integriteit van het grondgebied respecteren zullen mogen deelnemen aan de Commissie voor dialoog en verzoening;

F.

overwegende dat op de op 29 januari 2013 door de Afrikaanse Unie (AU) in Addis Abeba georganiseerde donorenconferentie voor een totaalbedrag van 337 200 000 EUR door donoren is toegezegd voor het oplossen van de crisis in Mali, van welk bedrag de EU 50 miljoen euro heeft toegekend voor de Afisma-missie, en dat in het kader van het stabiliteitsinstrument 20 miljoen EUR aan directe steun voor de Malinese rechtshandhavings- en justitiële instanties, de lokale autoriteiten, voor de dialoog- en wederopbouwinitiatieven en de eerste fasen van het voorbereidingsproces voor de komende verkiezingen zijn toegewezen;

G.

overwegende dat de Commissie een geleidelijke hervatting van de ontwikkelingshulp ten bedrage van 250 miljoen EUR heeft aangekondigd voor ondersteuning van gebieden zoals: verzoening en conflictpreventie; het verkiezingsproces; de verstrekking van basisdiensten zoals gezondheidszorg en de toegang tot water en sanitaire voorzieningen; het verbeteren van de voedselzekerheid en het herstel van de economie;

H.

overwegende dat talrijke internationale en niet-gouvernementele organisaties in Mali behulpzaam zijn bij de verstrekking van basisdiensten aan lokale gemeenschappen, met inbegrip van voedselhulp, beschikbaarheid van water en gezondheidszorg;

I.

overwegende dat de internationale gemeenschap en Mali het eens zijn over het feit dat het Plan voor een duurzaam herstel van Mali (PRED) een degelijke basis vormt voor wederzijdse toezeggingen; overwegende dat de uitvoering van het PRED controle op en evaluatie van de geplande programma's en uitgaven vergt; overwegende dat de steun van de donoren voor het PRED afhangt van het feit of Mali zijn toezeggingen nakomt, en vooral of het land de noodzakelijke hervormingen op het vlak van democratisch bestuur doorvoert;

J.

overwegende dat de Franse militaire operatie „Serval”, die op 11 januari 2013 ter ondersteuning van het Malinese leger is gelanceerd naar aanleiding van een offensief van radicale islamistische groeperingen, succesvol is geweest bij de herovering van een aantal door de rebellen ingenomen noordelijke steden en gebieden, en dat de Franse troepen volgens de Franse regering in april 2013 een begin hebben gemaakt met hun gefaseerde terugtrekking uit Mali;

K.

overwegende dat de op grond van een VN-mandaat opererende en onder Afrikaanse leiding staande internationale ondersteuningsmissie in Mali (Afisma) reeds 6 500 troepen in het land heeft; overwegende dat VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon heeft gepleit voor de stationering van een VN-vredesmacht in Mali om het land te stabiliseren;

L.

overwegende dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 25 april 2013 Resolutie 2100 (2013) heeft aangenomen, in de zin van hoofdstuk VII van het VN-Handvest, tot oprichting van de geïntegreerde stabilisatiemissie van de VN in Mali (MINUSMA), conform de aanbevelingen van de secretaris-generaal van de VN; overwegende dat de 12 600-sterke troepenmacht van MINUSMA het op 1 juli 2013 zal overnemen van Afisma, waarbij de Franse troepen, op verzoek van de VN-secretaris-generaal, mogen interveniëren om onderdelen van MINUSMA te ondersteunen wanneer zij zich in onmiddellijk en ernstig gevaar bevinden;

M.

overwegende dat de veiligheidssituatie in Noord-Mali sinds de Franse interventie weliswaar is verbeterd, maar dat de strijd tegen de radicale islamistische groeperingen doorgaat; overwegende dat de strijd tegen geïsoleerde terroristische bedreigingen in sommige noordelijke gebieden — zoals de recente dreigingen in Timboektoe en Gao, die de noodzaak aantoonden van een krachtige stabiliserende reactie en van snelleresponscapaciteiten — onverdroten moet worden voortgezet; overwegende dat de gewapende extremisten steeds vaker hun toevlucht nemen tot asymmetrische tactieken, zoals guerrillahinderlagen, zelfmoordaanslagen, autobommen en het gebruik van antipersoneelmijnen; overwegende dat de handhaving van vrede en veiligheid op de middellange en lange termijn derhalve een bijzonder lastige karwei is;

N.

overwegende dat de situatie in Mali een bedreiging vormt voor de internationale vrede en veiligheid en noopt tot een reactie die verder gaat dan het aanpakken van alleen maar veiligheidsbedreigingen, en ook een langetermijninzet vergt van de zijde van de internationale gemeenschap en een resoluut optreden om de diepgewortelde politieke, bestuurlijke, ontwikkelings- en humanitaire problemen te bestrijden;

O.

overwegende dat er in de afgelopen twee decennia regelmatig verkiezingen zijn gehouden in Mali, en overwegende dat het land vóór de staatsgreep beschouwd werd als een toonbeeld van democratie in Afrika, hoewel de economie van het land nooit voldoende op gang kwam om jonge mensen een betere toekomst te bieden (velen van hen werden gedwongen te migreren) of de levensstandaard van de bevolking als geheel te verhogen;

P.

overwegende dat het herstel van de economische ontwikkeling in Mali noopt tot gerichte hulp die specifiek bedoeld is voor het dekken van de reële behoeften van het land;

Q.

overwegende dat de Malinese crisis vele facetten heeft en complex is, en niet kan worden gereduceerd tot een etnisch conflict; overwegende dat oplossingen daarom allesomvattend moeten zijn en coherent, en zowel het economische, sociale als het milieubeleid, gericht op verhoging van de levensstandaard van de bevolking, moeten omvatten en overwegende dat er, om dit te bereiken, moet worden ingezien welke fouten er in het verleden zijn gemaakt door de interne en externe factoren van de mislukking van de economische ontwikkeling van Mali te analyseren;

R.

overwegende dat een ongrondwettelijke regeringswissel een belangrijke belemmering vormt voor vrede, veiligheid en ontwikkeling; overwegende dat in artikel 25 van het Afrikaanse Handvest met betrekking tot democratie, verkiezingen en bestuur is bepaald dat individuele daders niet wordt toegestaan deel te nemen aan verkiezingen die worden gehouden om de democratische orde te herstellen en verantwoordelijke posities in politieke staatsinstellingen te bekleden;

S.

overwegende dat de mensenrechtensituatie in Mali fors is verslechterd na het begin van de opstand in het noorden van het land en de militaire staatsgreep op 22 maart 2012;

T.

overwegende dat Mali grootschalige humanitaire hulp nodig heeft en dat grofweg een miljoen mensen voedselhulp nodig hebben gehad, waaronder 174 129 vluchtelingen in buurlanden en 300 783 binnenlandse ontheemden; overwegende dat er een geïntegreerde terugkeerstrategie moet worden ontwikkeld tegen de tijd dat de omstandigheden in het noorden bevorderlijk zijn voor een veilige, vrijwillige en waardige terugkeer;

U.

overwegende dat 750 000 mensen directe voedselhulp nodig hebben en dat 660 000 kinderen het risico lopen ondervoed te raken, van wie er 210 000 met ernstige ondervoeding worden bedreigd; overwegende dat de toegang tot sociale basisvoorzieningen beperkt blijft, met name in het noorden;

V.

overwegende dat er in februari 2013 op een door de Unesco georganiseerde bijeenkomst van internationale deskundigen een actieplan is goedgekeurd voor het herstel van het cultureel erfgoed en de bescherming van antieke manuscripten in Mali;

W.

overwegende dat de Europese Unie veel belang hecht aan de eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat de bevolking in het noorden van Mali in een sfeer van angst leeft en dat hun mensenrechten systematisch worden geschonden door radicale islamistische groeperingen;

X.

overwegende dat op 15 mei 2013 in Brussel een donorconferentie op hoog niveau heeft plaatsgevonden ‘Together for a New Mali’, waarop delegaties uit 108 landen aanwezig waren, waaronder 13 staatshoofden en regeringsleiders, een groot aantal ministers van Buitenlandse Zaken en ervaren vertegenwoordigers van regionale en internationale instellingen, alsmede vertegenwoordigers van lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld; overwegende dat de donoren zich ertoe hebben verplicht om in de komende twee jaar 3,25 miljard EUR aan Mali te doneren, waarbij de EU het voortouw nam door 520 miljoen EUR toe te zeggen;

Y.

overwegende dat de EU collectief 1,35 miljard EUR aan steun zal uittrekken voor het Plan voor een duurzaam herstel van Mali (PRED), waaraan de Commissie 523,9 EUR zal bijdragen, inclusief 12 miljoen EUR aan humanitaire hulp om in de meest dringende behoeften te voorzien;

Z.

overwegende dat de situatie in Kidal onzeker blijft en de aanstaande presidentsverkiezingen dreigt te verstoren, ondanks de bemiddelingspogingen van Burkina Faso;

1.

bevestigt nogmaals zijn gehechtheid aan de soevereiniteit, de eenheid en de territoriale integriteit van Mali; staat positief tegenover de Franse interventie ter ondersteuning van deze principes als een eerste stap op weg naar de wederopbouw en democratisering van Mali; dringt aan op een krachtige betrokkenheid van de EU bij dit proces;

2.

steunt het onder Malinese leiding staande politieke proces om het land in staat te stellen op lange termijn politieke stabiliteit en economische welvaart te bereiken; onderstreept het belang van een integratiegerichte nationale dialoog en van het verzoeningsproces als pogingen om een daadwerkelijke en democratische politieke oplossing voor de huidige crisis in het land te vinden; verwelkomt in dit verband de instelling van het Comité voor nationale dialoog en verzoening op 6 maart 2013, en spreekt de hoop uit dat het snel operationeel wordt gemaakt; is verheugd over de benoeming van een vrouw en een Toeareg als ondervoorzitters van dit Comité, als een teken van bereidheid tot integratie en pluralisme in het politieke proces;

3.

is ernstig bezorgd over de situatie in Kidal, waar Toearegs van de MNLA nog steeds weigeren de controle af te staan aan het Malinese leger en daardoor het wederopbouwproces ernstig belemmeren; nodigt de regering en de MNLA uit tot het houden van een oriënterend gesprek over de deelname van de MNLA aan het Comité voor nationale dialoog en verzoening;

4.

dringt ter ondersteuning van de transitie aan op de snelle implementatie van de routekaart, in afwachting dat de constitutionele orde en de rechtsstaat in het hele land zijn hersteld middels de organisatie van democratische, vrije, eerlijke en transparante verkiezingen in 2013; is verheugd over de toezegging van de zijde van de Malinese autoriteiten om de verkiezingen op 28 juli en 11 augustus 2013 te organiseren, alsook over de verklaringen van de leiders van de overgangsregering om zich bij de verkiezingen niet kandidaat te stellen; onderkent de problemen die de organisatie van de verkiezingen met zich meebrengt, met inbegrip van taken zoals het waarborgen van de veiligheid in de noordelijke gebieden, de afgifte van biometrische kiezerskaarten en het registreren van vluchtelingen op de kiezerslijsten, en roept de EU en haar internationale partners ertoe op krachtiger hun steun te betuigen voor het aanstaande verkiezingsproces; verwelkomt in dit verband het voornemen tot het sturen van een EU-verkiezingswaarnemingsmissie, zoals de Malinese regering had gevraagd;

5.

onderschrijft de opvatting dat de presidents- en parlementsverkiezingen worden gezien als een eerste stap naar herstel van de democratie, en dat het houden van de verkiezingen een essentiële voorwaarde is voor het waarborgen van de geloofwaardigheid en legitimiteit van toekomstige regeringen;

6.

is verheugd over de bemiddeling van de president van Burkina Faso bij de lopende onderhandelingen in Ouagadougou tussen de Malinese regering en de Toearegrebellen; vraagt dat de onderhandelingen spoedig worden afgerond en herhaalt dat het vastbesloten is om het herstel van het staatsgezag op het hele Malinese grondgebied en de komende verkiezingen, ook in de Kidal-regio en in vluchtelingenkampen, te steunen;

7.

wijst er met klem op dat politieke oplossingen voor de wederopbouw van Mali gepaard moeten gaan met een duidelijke strategie voor duurzame economische ontwikkeling ter bestrijding van de werkeloosheid opdat de bevolking in haar levensonderhoud kan voorzien, en benadrukt dat de verstrekking van basisdiensten zoals gezondheidszorg, onderwijs, water- en sanitaire voorzieningen moet worden hervat als essentiële voorwaarde voor het herstel van de stabiliteit in het land; is van mening dat institutionele hervormingen noodzakelijk zijn om politieke stabiliteit te garanderen en om de Malinese gemeenschap als geheel te betrekken bij de opbouw van de toekomst van het land; benadrukt tevens de noodzaak tot versterking van de democratische processen en de democratische controleerbaarheid in het hele land als voorwaarde voor het bereiken van betere ontwikkelingsresultaten;

8.

is ingenomen met het plan voor duurzaam herstel voor 2013-2014 dat deel uitmaakt van het stappenplan voor transitie van 29 januari 2013 en het strategisch kader voor groei en armoedebestrijding 2012-2017 van december 2011 (CSCRP 2012-2017);

9.

is ervan overtuigd dat een vereiste voor het succes van het Plan voor het duurzaam herstel van Mali is dat er rekening wordt gehouden met de regionale en subregionale dimensie, vooral via de consolidatie van goed bestuur en meer economische integratie, de ontwikkeling van de economische infrastructuur, de ontwikkeling van het personeel in de gezondheidszorg en het onderwijs, en het opzetten van een partnerschap voor het mobiliseren van hulpbronnen en het controleren van evaluaties;

10.

nodigt de Malinese regering ertoe uit samen te werken met relevante internationale organisaties en ngo's om de bevolking van Mali te kunnen voorzien van adequate en gecoördineerde steun;

11.

is van mening dat de ontwikkelingsproblemen van Mali zowel nopen tot adequate financiering als tot een betere coördinatie, zowel op EU-niveau als met andere internationale donoren; is een sterk voorstander van een aanpak op maat die zich vooral richt op de behoeften van het land en die de vorderingen bij de implementatie van de routekaart en het herstel van de rechtsstaat weerspiegelt;

12.

roept de EU en haar internationale partners ertoe op de West-Afrikaanse regeringen te helpen in hun strijd tegen drugshandel en verspreiding van wapens; roept de landen in de regio ertoe op een evenwichtige en duurzame ontwikkelingsstrategie te verheffen tot de kern van hun ontwikkelingsbeleid, de bevolking in het algemeen openbare basisvoorzieningen te verstrekken en met name voor jongeren werkgelegenheidskansen te scheppen;

13.

roept de EU, de VN en de individuele staten ertoe op logistieke en technische ondersteuning te bieden om de Malinezen bij te staan in hun strijd tegen drugshandel en de verspreiding van wapens; verzoekt alle landen in de Sahelregio hun veiligheidsbeleid onderling te coördineren om een krachtig antwoord te kunnen bieden op de illegale handel;

14.

benadrukt dat veiligheid en ontwikkeling in de Sahel een wederzijds versterkende werking hebben; is ingenomen met de initiële interventie die is ondernomen door Frankrijk, versterkt door de Afisma (en met ingang van 1 juli 2013 de Minusma), om verdere destabilisatie een halt toe te roepen en extremistische krachten tegen te gaan; onderstreept de belangrijke aanvullende rol van de EU-opleidingsmissie (EUTM Mali) bij het verstrekken van essentiële hulp voor de opbouw van de langetermijncapaciteit van het Malinese leger; brengt in herinnering dat de stabiliteit, veiligheid en territoriale integriteit van het land op lange termijn uitsluitend kunnen worden gewaarborgd indien niet alleen gewelddadige radicale extremisten en wapen-, drugs- en mensenhandelaren worden bestreden, maar dat er tevens alternatieven voor illegale activiteiten moeten worden gestimuleerd ten behoeve van arme bevolkingsgroepen en werkloze jongeren;

15.

onderstreept de noodzaak van een regionale oplossing op basis van een regionale overeenkomst die wordt ondersteund door een conferentie van de landen van de subregio, met name Algerije en Mauritanië;

16.

dringt aan op een intensievere hervorming van de Malinese strijdkrachten en op de opbouw van breder opgezette veiligheidsdiensten onder democratisch burgertoezicht om de stabiliteit van het land te waarborgen en het vertrouwen in de rol van de veiligheidssector te versterken ter bevordering van een duurzame vrede en democratie in het land;

17.

roept de Malinese regering ertoe op bijzondere aandacht te besteden aan de bevordering van de mensenrechten op het gehele grondgebied van Mali, en om allen te vervolgen die ernstige schendingen van de mensenrechten hebben begaan, ongeacht of zij behoren tot radicale islamitische groeperingen of tot het Malinese leger;

18.

prijst de inspanningen van de Afrikaanse landen die hebben bijgedragen tot Afisma en is verheugd over de stationering van Afisma in Mali; is eveneens verheugd over de aanneming door de VN-Veiligheidsraad van Resolutie 2100(2013) tot oprichting van de multidimensionele geïntegreerde stabilisatiemissie in Mali (MINUSMA), een operatie met een stevig mandaat om het land te stabiliseren, de tenuitvoerlegging van het stappenplan voor transitie te ondersteunen, burgers te beschermen, de mensenrechten te bevorderen en te beschermen, de levering van noodhulp te ondersteunen, het cultureel erfgoed te helpen beschermen en de rechtspleging op nationaal en internationaal niveau te ondersteunen; drukt de hoop uit dat MINUSMA op korte termijn volledig operationeel zal zijn en dat de veiligheidssituatie zodanig is dat de vredesmacht op 1 juli 2013 gestationeerd kan worden;

19.

is ingenomen met de lancering van de EU-opleidingsmissie ten behoeve van Mali (EUTM) op 18 februari 2013 en met haar taak de hervorming van de Malinese strijdkrachten onder democratisch burgertoezicht te ondersteunen; wijst eens te meer op de dringende noodzaak tot ondersteuning van de Malinese regering om ervoor te zorgen dat zij de territoriale integriteit van het land op langere termijn kan handhaven, waarvoor zij o.a. over de nodige middelen moet beschikken om de essentiële asymmetrische bedreigingen die uitgaan van radicale islamistische groeperingen en van de mensen-, goederen- en wapenhandel het hoofd te bieden; is van mening dat de EU moet overwegen in de opleidingsprogramma's voor de Malinese strijdkrachten ook te voorzien in modules op het gebied van goede praktijken, mensenrechten en corruptiebestrijding;

20.

wijst op de complementaire bijdrage van EUCAP Sahel Niger bij het geven van trainingen ter versterking van de veiligheidssector in de buurlanden en bij de coördinatie met EUTM Mali via een verbindingsofficier in Bamako; verzoekt de VV/HV te voorzien in alternatieve mogelijkheden voor het verstrekken van soortgelijke steun voor de hervorming van de veiligheidssector in Mali in zijn algemeenheid (met inbegrip van de politie, de nationale garde, de gendarmerie en de justitiële sector), onder meer door na te gaan of een en ander niet kan worden bewerkstelligd door uitbreiding van het mandaat van EUTM Mali of EUCAP Sahel Niger, dan wel door een nieuwe GVDB-missie te creëren met het oog op een bredere hervorming van de civiele veiligheidssector;

21.

veroordeelt de schendingen van de mensenrechten en dringt erop aan dat de daders hiervoor aansprakelijk worden gesteld; is verheugd over het besluit van het Internationaal Strafhof (ICC) om hiernaar een onderzoek in te stellen en roept de Malinese autoriteiten ertoe op het ICC daarbij hun medewerking te verlenen; is ingenomen met de stationering van de eerste mensenrechtenwaarnemers in Mali, overeenkomstig de besluiten van de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie en de Ecowas; onderstreept dat de politieke wederopbouw en de geloofwaardigheid daarvan staan of vallen met de invoering van de nodige justitiële overgangsmechanismen;

22.

dringt aan op voortzetting van de humanitaire hulp aan behoeftige burgers en op maatregelen om de vrije en vrijwillige terugkeer van de vluchtelingen te waarborgen; benadrukt de noodzaak een duidelijk onderscheid te blijven maken tussen humanitaire en politieke c.q. veiligheidsagenda's teneinde de onpartijdigheid van het gevoerde humanitaire beleid, de veiligheid van humanitaire hulpverleners en de toegang tot hulp voor mensen in nood te waarborgen;

23.

verzoekt alle veiligheidstroepen in Mali de veiligheid in het land te verzekeren, zodat de humanitaire hulp de gehele bevolking kan bereiken;

24.

spreekt opnieuw zijn veroordeling uit over de plundering en vernietiging van locaties van cultuurhistorisch belang in het land; is verheugd over de recente maatregelen van de Unesco met het oog op het herstel van het cultureel erfgoed van Mali;

25.

is van mening dat de EU in het licht van de Malinese crisis de nodige aanpassingen moet aanbrengen in de Europese strategie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel; onderstreept de noodzaak van een betere integratie tussen de ontwikkelings- en veiligheidspijlers van deze strategie, en van een betere coördinatie van de daarbij ingezette beleidsinstrumenten; onderstreept de noodzaak tot verbetering van de vroegesignaleringssystemen van de EU, zodat zij de preventieve dimensie van deze strategie effectief gestalte kan geven;

26.

is ingenomen met de positieve resultaten en de conclusies van de door de EU en Frankrijk samen met Mali georganiseerde donorconferentie op hoog niveau „Together fo a New Mali” die op 15 mei 2013 in Brussel heeft plaatsgevonden ter ondersteuning van het Plan voor een duurzaam herstel van Mali; roept de EU en haar internationale partners ertoe op hun toezeggingen te effectueren in het kader van een efficiënte en gecoördineerde follow-up van de conferentie; benadrukt in dit verband dat het belangrijk is de aanzet te geven tot een algehele bestuurlijke hervorming in Mali, een nieuw decentralisatiebeleid vast te stellen en de voorwaarden te scheppen voor duurzame economische en sociale ontwikkeling in Mali;

27.

onderstreept de noodzaak tot nauwere regionale samenwerking en is van mening dat de EU haar politieke invloed en haar financieel potentieel moet gebruiken om haar partners in de regio ertoe aan te zetten hun vaak ongecoördineerde politieke, diplomatieke en militaire initiatieven beter op elkaar te doen aansluiten teneinde de veelvoudige problemen waarmee de Sahel af te rekenen heeft effectiever te kunnen aanpakken;

28.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de Nationale Vergadering van Mali, de Afrikaanse Unie, de Ecowas, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties en de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0141.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0263.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/133


P7_TA(2013)0282

Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Afghanistan

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Afghanistan (2013/2665(RSP))

(2016/C 065/18)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere verslagen en resoluties over Afghanistan en met name zijn resolutie van 16 december 2010 over een nieuwe strategie voor Afghanistan (1), zijn resolutie van 15 december 2011 over de begrotingscontrole op de financiële bijstand van de EU aan Afghanistan (2) en zijn resolutie van 15 december 2011 over de situatie van vrouwen in Afghanistan en Pakistan (3),

gezien de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over Afghanistan, waaronder resolutie 2096 van maart 2013,

gezien de conclusies van de internationale conferenties over Afghanistan in 2011 en 2012, waaronder die in Bonn in december 2011, in Chicago in mei 2012, in Kabul in juni 2012 en in Tokio in juli 2012,

gezien de verklaring die op 19 november 2012 door de delegatie van de EU in Afghanistan is afgegeven in overeenstemming met de chefs de poste van de EU, inzake de terechtstelling van ter dood veroordeelden,

gezien het besluit van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU van 27 mei 2013 om de politiemissie van de EU in Afghanistan (EUPOL) te verlengen tot 31 december 2014,

gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de EU de wederopbouw en ontwikkeling van Afghanistan sinds 2002 steunt en zich nog steeds inzet voor een vreedzame overgang en inclusieve en duurzame ontwikkeling in Afghanistan, alsook stabiliteit en veiligheid in de gehele regio;

B.

overwegende dat de EU-bijstand van 2011 tot 2013 geconcentreerd was op essentiële bestuurssectoren (zoals de politie), landbouw, plattelandsontwikkeling, volksgezondheid en sociale bescherming;

C.

overwegende dat de onderhandelingen over een samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de EU en Afghanistan nagenoeg afgerond zijn, en dat de samenwerking daarmee op een nieuw, alomvattend niveau zal worden getild en een nieuw juridisch kader zal krijgen;

D.

overwegende dat het Parlement heeft aangedrongen op een vijfjarenplan voor de afbouw van de opiumteelt in Afghanistan door alternatieve ontwikkeling;

E.

overwegende dat de EU de opleiding van de Afghaanse politie en de capaciteitsopbouw in Afghanistan ondersteunt, en dat de EUPOL-missie sinds 2007 meewerkt aan een duurzame en doeltreffende civiele politiemacht die zal bijdragen tot een strafrechtstelsel onder Afghaans gezag;

F.

overwegende dat het aantal drugsverslaafde Afghaanse burgers volgens UNODC nog steeds toeneemt, met alle sociale gevolgen van dien voor de bevolking;

G.

overwegende dat de EU weliswaar een actieve rol speelt bij de ondersteuning van drugsbestrijding, maar dat er slechts weinig substantiële resultaten geboekt zijn;

H.

overwegende dat de gebrekkige coördinatie tussen de donorlanden en de Afghaanse regering er debet aan is dat de EU-bijdragen voor Afghanistan niet erg effectief zijn;

I.

overwegende dat het Europees Parlement sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon een essentiële rol speelt doordat het de vereiste goedkeuring aan nieuwe samenwerkingsovereenkomsten verleent;

1.

bevestigt zijn aanhoudende steun voor de opbouw van een Afghaanse staat met een sterker democratisch bestel, dat nationale soevereiniteit, staatseenheid, territoriale integriteit en welvaart voor het Afghaanse volk kan garanderen; bevestigt nogmaals dat een vreedzame toekomst voor Afghanistan berust op de opbouw van een stabiele, veilige en economisch levensvatbare staat, vrij van terrorisme en drugs, gebaseerd op de rechtsstaat, een sterker democratisch bestel, naleving van de scheiding der machten, een sterk parlement en eerbiediging van de grondrechten; apprecieert in dit verband de belangrijke bijdrage van de EU-ontwikkelingssamenwerking en van de EUPOL-missie in Afghanistan, en is verheugd over de verlenging van die missie;

2.

juicht de in de afgelopen tien jaar geleverde inspanningen en geboekte vooruitgang toe; blijft evenwel bezorgd over de veiligheidssituatie en het aanhoudende geweld in Afghanistan, dat een bedreiging vormt voor de plaatselijke bevolking, en met name vrouwen en kinderen, de nationale ordehandhavers en het buitenlandse militaire en civiele personeel;

3.

vraagt de Afghaanse regering met nadruk zich voor te bereiden om na de terugtrekking van de internationale strijdkrachten de volle verantwoordelijkheid voor de veiligheid op zich te nemen; verlangt dat de EU en de lidstaten zich sterker inzetten voor militaire en civiele capaciteitsopbouw door de regering en ordehandhavingsautoriteiten in Afghanistan teneinde stabiliteit en veiligheid te realiseren als essentiële basis voor sociaaleconomische ontwikkeling en een vacuüm te voorkomen als het land na 2014 zelf volledig verantwoordelijk is voor zijn veiligheid; wijst op het risico dat de terugtrekking van de internationale strijdkrachten in 2014 een economisch vacuüm zou kunnen creëren;

4.

spreekt zijn steun uit voor de onderhandelingen over een samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling en beklemtoont dat deze overeenkomst moet resulteren in een meer strategische aanpak en steun voor de Afghaanse autoriteiten tijdens en na de terugtrekking van de internationale troepenmacht;

5.

benadrukt hoe belangrijk het is dat deze nieuwe overeenkomst voorziet in een alomvattende en duurzame aanpak van de uitdagingen op het vlak van veiligheid, economie, bestuur en ontwikkeling in Afghanistan, die met elkaar samenhangen;

6.

verzoekt de Afghaanse autoriteiten alle doodvonnissen om te zetten en opnieuw een moratorium op executies in te stellen in het vooruitzicht van de definitieve afschaffing van de doodstraf;

7.

betreurt het gebrek aan politiek elan om de onderhandelingen over de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling af te ronden; roept de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Afghaanse regering er dan ook toe op de onderhandelingen spoedig af te ronden;

8.

verzoekt de EU om in het kader van de nieuwe overeenkomst haar inspanningen ter ondersteuning van de democratische waarden, de rechtsstaat, betrouwbaar bestuur (met inbegrip van de strijd tegen corruptie), een onafhankelijk gerechtelijk apparaat, de mensenrechten en een echt maatschappelijk middenveld voort te zetten;

9.

betreurt dat de EDEO het Parlement onvoldoende over alle onderhandelingsfasen heeft ingelicht, hoewel hij daartoe verplicht was; herinnert eraan dat het Parlement op het gebied van buitenlandse zaken bij het Verdrag van Lissabon nieuwe bevoegdheden heeft gekregen en verlangt dat de EDEO en de Raad in deze kwestie van zulk eminent belang hun volledige medewerking verlenen;

10.

onderstreept de noodzaak van verdere sociaaleconomische ontwikkeling en economische diversificatie; wijst in dit verband op de mogelijkheden om de groei te stimuleren door energiebronnen te exploiteren en een grotere plaats in te ruimen voor de winningsindustrie; onderstreept echter tegelijk dat de winningsindustrie transparant moet functioneren en de in het internationaal initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën vastgestelde normen moet toepassen;

11.

wijst erop dat er de afgelopen tien jaar wel enige vooruitgang is geboekt op het vlak van gendergelijkheid en grondrechten, maar dat vrouwen in Afghanistan nog steeds de meest kwetsbare bevolkingsgroep vormen en blootstaan aan bedreigingen, intimidatie en geweld en onder discriminerende wetten te lijden hebben; wijst op de noodzaak, zowel vanuit juridisch als praktisch oogpunt, van volledige maatschappelijke integratie en volledige participatie van vrouwen, alsook reële mondigheid; spreekt in krachtige termen zijn veroordeling uit over het feit dat veel vrouwen het slachtoffer zijn van voortdurende bedreigingen en geweld en dat er de afgelopen jaren diverse prominent in het Afghaanse openbare leven opererende vrouwen zijn vermoord of dat er pogingen zijn ondernomen om hen van het leven te beroven, terwijl de daders niet zijn berecht;

12.

onderstreept de noodzaak tot voortzetting van de steun voor de ontwikkeling van de infrastructuurvoorzieningen in tal van sectoren, waaronder scholen, ziekenhuizen, transport- en energienetwerken, landbouw en de emancipatie van vrouwen in Afghanistan, geheel in de lijn van de ontwikkelingshulp die de EU ook al vóór de interventie in 2001 leverde;

13.

betreurt dat het drugsbestrijdingsinitiatief van de EU tot dusver geen bevredigend resultaat heeft opgeleverd; wijst erop dat de productie van en de handel in drugs een bron van inkomsten zijn voor „opstandige” groeperingen en de corruptie op verschillende niveaus aanwakkeren; benadrukt dat het accent bij de drugsbestrijding vooral moet komen te liggen op ondersteuning van alternatieve inkomensbronnen voor de boeren; wijst in dit verband op de noodzaak van een bredere strategie met het oog op duurzame plattelandsontwikkeling en waterbeheer;

14.

wijst er nogmaals op dat meer dan 90 % van de heroïne in Europa afkomstig is uit Afghanistan en dat de kosten voor de volksgezondheid in de Europese landen in de miljarden dollars lopen; merkt evenwel op dat de opiumproductie een cruciaal sociaal, economisch en veiligheidsvraagstuk vormt; stelt tot zijn spijt vast dat de opiumproductie in 2011 met 61 % is gestegen ten opzichte van 2010, en in dat jaar 9 % van het bbp van Afghanistan opleverde;

15.

wijst erop dat er van 2009 tot 2011 door de VS en de internationale gemeenschap 1,1 miljard dollar aan drugsbestrijding is uitgegeven, zonder merkbaar effect op productie en handel; wijst er andermaal op dat het Parlement meermalen heeft aangedrongen op de invoering van een vijfjarenplan voor de uitroeiing van de opiumteelt met specifieke termijnen en ijkpunten, uit te voeren door een daartoe op te richten bureau met zijn eigen budget en personeel op basis van samenwerking tussen de EU, de VS en de Russische Federatie, die het voornaamste slachtoffer van de Afghaanse heroïne is en de grootste opiatenmarkt ter wereld vormt;

16.

wijst erop dat de EU van 2002 tot eind 2011 in totaal zo'n 2,5 miljard euro aan steun aan Afghanistan heeft verleend, waarvan 493 miljoen aan humanitaire hulp; constateert tot zijn spijt dat deze gigantische buitenlandse hulp slechts een beperkt effect heeft gehad; verzoekt de Rekenkamer een speciaal verslag op te stellen over de doeltreffendheid van de EU-steun aan Afghanistan tijdens het voorbije decennium, naar het voorbeeld van het verslag over de EULEX-missie in Kosovo;

17.

spreekt zijn extreme bezorgdheid uit over de inefficiëntie van de internationale financiële steun en van de Afghaanse overheidsstructuren, alsook over het gebrek aan transparantie en de beperkte mechanismen om donoren ter verantwoording te roepen;

18.

moet helaas constateren dat een aanzienlijk deel van de Europese en de andere internationale financiële steun ergens in de distributieketen verloren is gegaan, en vestigt de aandacht op de vier voornaamste manieren waarop dit geschiedt: verspilling, te hoge uitgaven ten behoeve van tussenpersonen en veiligheid, overfacturering en corruptie;

19.

wijst er andermaal op dat de EU-steun gecoördineerd moet worden via een gezamenlijke benadering waarbij zowel de lidstaten als de internationale actoren in het kader van een gemeenschappelijke strategie moeten worden betrokken; is ingenomen met de strategische consensus tussen de Afghaanse regering en de internationale gemeenschap inzake een hernieuwd, duurzaam partnerschap voor het komende decennium, zoals vastgelegd in de conclusies van de Afghanistan-conferentie van Tokio en het kader van Tokio voor wederzijdse verantwoording;

20.

onderstreept het belang van een brede en inclusieve aanpak, onder gezag en verantwoordelijkheid van de Afghanen, van de verzoening in Afghanistan voor alle partijen die afzien van geweld, de grondwet — met inbegrip van de bepalingen inzake mensenrechten en met name de rechten van vrouwen — naleven en bereid zijn mee te werken aan de opbouw van een vreedzaam Afghanistan; dringt erop aan dat de politieke oppositie, het maatschappelijk middenveld in het algemeen en vrouwen in het bijzonder worden betrokken bij het vredesproces, dat zo inclusief mogelijk moet zijn; vraagt dat de rol van de Hoge Raad voor de vrede op dit gebied wordt uitgebreid en dat de klemtoon meer komt te liggen op het eigenlijke vredesproces;

21.

herinnert eraan dat de Afghaanse regering op de internationale Afghanistan-conferenties van Kabul en Tokio heeft toegezegd het verkiezingsproces in Afghanistan te zullen versterken en verbeteren, onder meer door blijvende hervormingen, zodat verkiezingen in de toekomst aan de internationale normen voldoen; is verheugd over de bekendmaking van de datum voor de presidents- en de provincieraadsverkiezingen in 2014 en de voorbereidingen van Afghanistan voor die verkiezingen; beklemtoont dat de verkiezingsopkomst gestimuleerd moet worden, hetgeen kan afhangen van de veiligheidssituatie, met name in de provincies in het zuiden en het oosten; herinnert de Afghaanse autoriteiten aan het belang van toezicht door nationale en internationale waarnemers op het nationale kiesregister en op de organisatie en het verloop van de stembusgang bij de komende verkiezingen; vraagt de EU om steun te verlenen bij de organisatie van de komende verkiezingen indien de Afghaanse autoriteiten daarom verzoeken;

22.

benadrukt de noodzaak van regionale samenwerking, die de bevordering van stabiliteit en veiligheid in de grotere regio ten doel heeft; dringt aan op nauwere samenwerking met Rusland, Pakistan, de Centraal-Aziatische landen, India en Iran in een regionaal kader, teneinde veiligheidsproblemen, grensoverschrijdende mensenhandel en handel in goederen, alsook illegale drugsproductie en drugshandel aan te pakken;

23.

dringt aan op betere samenwerking tussen de EDEO en het Parlement wat betreft de EU-steun aan Afghanistan, met inbegrip van de voortgang van de onderhandelingen; wenst dat de EDEO het Parlement volledig informeert over de onderhandelingen en regelmatig verslag uitbrengt eens de overeenkomst is gesloten;

24.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Afghanistan, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.


(1)  PB C 169 E van 15.6.2012, blz. 108.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0578.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0591.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/136


P7_TA(2013)0283

Millenniumontwikkelingsdoelstellingen

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 inzake de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling — vaststelling van het kader voor de periode na 2015 (2012/2289(INI))

(2016/C 065/19)

Het Europees Parlement,

gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000,

gezien de resolutie met de titel „Keeping the promise: United to achieve the Millennium Development Goals”, aangenomen door de Algemene Vergadering tijdens de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de VN over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, tijdens de 65e zitting 2010,

gezien de in september 1995 in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de verklaring van Peking en het in Peking onderschreven actieprogramma (Platform for Action), alsmede de daaropvolgende slotdocumenten die tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking + 5, Peking + 10 en Peking + 15 op respectievelijk 9 juni 2000, 11 maart 2005 en 2 maart 2010 zijn aangenomen en verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de verklaring van Peking en het actieprogramma betreffen, waarin de lidstaten beloofd hebben actie te ondernemen voor de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen op 12 gebieden,

gezien het actieprogramma van Istanboel voor de minst ontwikkelde landen voor de jaren 2011-2020,

gezien de uitvoering van het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD), dat in 1994 werd vastgesteld in Caïro en waarin wordt erkend dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van wezenlijk belang zijn voor duurzame ontwikkeling,

gezien het in januari 2010 gepubliceerde verslag van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) met de titel „Beyond the Midpoint: Achieving the Millenium Development Goals”,

gezien het verslag van het UNDP over de menselijke ontwikkeling in 2010 met de titel „The Real Wealth of Nations: Pathways to Human Development”,

gezien het „Gender Chart 2012” van de VN, waarin de vooruitgang wat betreft de gendergelijkheidsaspecten van de acht millenniumontwikkelingsdoelstellingen worden geëvalueerd,

gezien het verslag van het UNDP over de menselijke ontwikkeling in 2011,

gezien de slotverklaring die is aangenomen tijdens de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20), gehouden in Rio de Janeiro, Brazilië, van 20 t/m 22 juni 2012,

gezien het verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) dat in 1979 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen, waarin wordt vastgesteld wat wordt aangemerkt als discriminatie van vrouwen en een agenda voor nationale actie wordt opgesteld om dergelijke discriminatie een halt toe te roepen,

gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en het wettelijk kader van de mensenrechten,

gezien de werkzaamheden van het System Task Team van de VN in het kader van de VN-ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, gezamenlijk geleid door de VN-afdeling economische en sociale zaken (UN DESA) en het UNDP, met steun van alle VN-organisaties en in overleg met belanghebbenden,

gezien het VN-verslag van juni 2012 gericht aan de secretaris-generaal van de VN, met de titel „Realizing the future we want for all”,

gezien de werkzaamheden van het panel op hoog niveau van vooraanstaande personen van de secretaris-generaal van de VN in het kader van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 en de uitkomst van de Rio+20-conferentie,

gezien de consensus van Monterrey, aangenomen tijdens de internationale conferentie over de financiering van ontwikkeling, die van 18 t/m 22 maart 2002 werd gehouden in Monterrey, Mexico,

gezien de verklaring en het actieplan aangenomen op het forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp gehouden in Busan in december 2011,

gezien de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de Actieagenda van Accra,

gezien de Europese Consensus inzake ontwikkeling (1) en de EU-Gedragscode over complementariteit en arbeidsverdeling in het ontwikkelingsbeleid (2),

gezien artikel 7 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin opnieuw is vastgelegd dat de EU toeziet op de samenhang tussen haar beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen,

gezien artikel 208 VWEU dat bepaalt dat de Unie „bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [houdt] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking”,

gezien de mededeling van de Commissie met de titel „Beleidscoherentie voor ontwikkeling” (COM(2005)0134) van 12 april 2005, en de conclusies van de Raad met de titel „Beleidscoherentie voor ontwikkeling” (3166e Raad Buitenlandse Zaken van 14 mei 2012),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 met de titel „Een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen” (COM(2010)0127),

gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 met de titel „Humanitaire voedselhulp” (COM(2010)0126),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2012 met de titel „De EU-aanpak inzake weerbaarheid: lessen uit de voedselzekerheidscrises” (COM(2012)0586),

gezien de mededeling van de Commissie van 12 maart 2013 met de titel „Betere voeding voor moeders en kinderen in het kader van de buitenlandse hulp: een Europees beleidskader” (COM(2013)0141),

gezien het Europees Ontwikkelingsverslag met de titel „Millennium Development Goals at Midpoint: Where do we stand and where do we need to go?” van 19 september 2008,

gezien de mededeling van de Commissie van 27 februari 2013 met de titel „Een waardig leven voor iedereen: armoede uitroeien en de wereld een duurzame toekomst geven” (COM(2013)0092),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (COM(2011)0843, SEC(2011)1475, SEC(2011)1476),

gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (COM(2011)0840) van 7 december 2011,

gezien de mededeling van de Commissie met de titel „Een begroting voor Europa 2020” (COM(2011)0500) van 29 juni 2011 en het werkdocument van de Commissie met de titel „Een begroting voor Europa 2020: het huidige financieringssysteem, de toekomstige uitdagingen, de resultaten van de raadpleging van belanghebbenden en verschillende opties inzake de belangrijkste horizontale en sectorale kwesties” (SEC(2011)0868) van dezelfde datum,

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met de titel „De rol van Europa in de wereld: een nieuwe aanpak voor de financiering van het externe optreden van de EU” (COM(2011)0865) van 7 december 2011,

gezien de mededeling van de Commissie met de titel „Opstelling van het meerjarig financieel kader betreffende de financiering van de EU-samenwerking met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de landen en gebieden overzee voor de periode 2014-2020” (COM(2011)0837) van 7 december 2011,

gezien de conclusies van de Raad over EU-steun voor duurzame verandering in samenlevingen in een overgangssituatie, 3218e Raad Buitenlandse Zaken van 31 januari 2013,

gezien de conclusies van de Raad met de titel „Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering”, 3166e Raad Buitenlandse Zaken van 14 mei 2012,

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met de titel „Aan de basis van democratie en duurzame ontwikkeling: het maatschappelijke engagement van Europa in de externe betrekkingen” (COM(2012)0492) van 12 september 2012,

gezien de openbare raadplegingen van de Commissie inzake de voorbereiding van een EU-standpunt met betrekking tot een ontwikkelingskader voor de periode na 2015 (3), die van 15 juni 2012 tot 15 september 2012 zijn gehouden en die openstonden voor alle geïnteresseerde belanghebbenden, individuen, (onder andere gouvernementele/niet-gouvernementele, parlementaire, academische, particuliere) organisaties en landen,

gezien de mededeling van de Commissie met de titel „EU-twaalfpuntenplan ter ondersteuning van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling” (COM(2010)0159) van 21 april 2010,

gezien zijn resolutie van 15 juni 2010 over „de vorderingen bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling: tussentijdse herziening ter voorbereiding op de VN-bijeenkomst op hoog niveau in september 2010” (4),

gezien het onderzoek met de titel „Millennium Development Goals and beyond 2015 — a strong EU engagement” van januari 2013,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0165/2013),

A.

overwegende dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's) hebben geleid tot een vergroting van het bewustzijn omtrent de uitbanning van de armoede in de wereld als urgent probleem en prioriteit voor wereldwijde maatregelen dankzij een beperkt aantal concrete en tijdgebonden doelen; overwegende dat er, twee jaar voor de streefdatum van de MDG's, significante vorderingen zijn gemaakt: de doelstelling om extreme armoede met de helft te verminderen is behaald, net zoals de doelstelling om het percentage mensen dat geen betrouwbare toegang heeft tot verbeterde drinkwaterbronnen te halveren, de situatie van meer dan 200 miljoen mensen die in sloppenwijken leven is verbeterd, er zijn nu evenveel meisjes in het basisonderwijs ingeschreven als jongens en er is sprake van een versnelde vooruitgang in het terugdringen van kinder- en moedersterfte; overwegende dat de huidige MDG's evenwel onvoldoende de fundamentele oorzaken van armoede aanpakken, zoals ongelijkheden binnen en tussen landen, sociale uitsluiting, biodiversiteit en bestuur;

B.

overwegende dat de door de Commissie, de Raad en het Parlement ondertekende Europese consensus voor ontwikkeling een acquis communautaire is; herinnerend aan het belang en bereik van dit document, dat de Europese routekaart is geworden op het gebied van ontwikkeling, alsmede het acquis en de richtsnoeren die hieruit voortvloeien;

C.

overwegende dat de MDG’s armoede hebben helpen definiëren als een onvermogen om te voorzien in de noodzakelijke levensbehoeften op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, milieu, voeding, werkgelegenheid, huisvesting en gendergelijkheid;

D.

overwegende dat mondiale uitdagingen blijven bestaan en naar verwachting zullen toenemen — armoede, honger en ondervoeding, een gebrek aan toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg voor iedereen, beperkte toegang tot geneesmiddelen, een gebrek aan behoorlijke, veilige sanitaire voorzieningen en hygiëne, een ontoereikend niveau van basis- en middelbaar onderwijs van goede kwaliteit, hoge werkloosheid, met name onder jongeren, een gebrek aan sociale bescherming en naleving van de mensenrechten, ongelijkheden, onder andere tussen mannen en vrouwen, aantasting van het milieu en klimaatverandering — waardoor de noodzaak ontstaat nieuwe ontwikkelingstrajecten te vinden die kunnen leiden tot inclusieve en duurzame ontwikkeling voor iedereen;

E.

overwegende dat bijna een miljard mensen op de wereld ondervoed en meer dan 200 miljoen mensen werkloos zijn; overwegende dat slechts 28 % van de wereldbevolking wordt gedekt door alomvattende socialebeschermingsstelsels, hetgeen wijst op een hoog niveau van informeel werk, en overwegende dat naar schatting 1,4 miljard mensen geen toegang tot toereikende energiediensten hebben, waardoor zij tot armoede veroordeeld zijn;

F.

overwegende dat door ondervoeding in ontwikkelingslanden naar schatting 2,6 miljoen kinderen per jaar sterven en het aantal ondervoede mensen als gevolg van de klimaatverandering naar verwachting zal toenemen;

G.

overwegende dat voor 2020 naar schatting 140 miljoen meisjes zullen worden uitgehuwelijkt als het aantal gesloten kinderhuwelijken in de komende jaren constant blijft;

H.

overwegende dat driekwart van de armen in de wereld in middeninkomenslanden leeft en dat volgens de World Development Indicators 2008 van de Wereldbank de ongelijkheden in inkomen en welvaart binnen landen sinds het begin van de jaren ’80 zijn toegenomen, ook in landen met een hoog inkomen; overwegende dat inkomens- en werkonzekerheid ook zijn toegenomen als gevolg van door de globalisering veroorzaakte tendensen gebaseerd op uitbesteding van werk en zwakkere arbeidsbescherming;

I.

overwegende dat naar verwachting in 2015 ruim 600 miljoen mensen nog steeds onverbeterde waterbronnen zal gebruiken met risico's voor de volksgezondheid en een miljard mensen, waaronder 70 % vrouwen, zal moeten rondkomen met minder dan 1,25 USD per dag, in met name Afrikaanse landen maar ook in opkomende landen, en dat indien de huidige trends doorzetten, de MDG om het percentage mensen dat leeft zonder elementaire sanitaire voorzieningen te halveren pas in 2049 zal worden gehaald; overwegende dat momenteel bijna 200 miljoen mensen werkloos zijn, waaronder circa 74 miljoen jongeren tussen 15 en 24 jaar, en dat slechts 20 % van de wereldbevolking een toereikende socialezekerheidsdekking geniet, terwijl meer dan helft helemaal geen sociale zekerheid kent; overwegende dat dankzij het uitroepen van 2015 tot het Europees jaar van de ontwikkeling, de Europese burger bewust kan worden gemaakt van het belang van de nieuwe MDG's;

J.

overwegende dat de wereldwijde crises op het gebied van voedsel, energie en financiën in de periode 2007-2010, in combinatie met de wereldwijde economische recessie en de klimaatverandering, de kwetsbaarheid van de mondiale voedselvoorzieningssystemen aan het licht hebben gebracht, evenals de tekortkomingen van de financiële en grondstoffenmarkten en van de mechanismen voor mondiaal bestuur;

K.

overwegende dat duurzaamheidsvraagstukken, onder meer de dringende noodzaak de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en te komen tot billijkere en duurzamere vormen van beheer en bestuur van de natuurlijk hulpbronnen, boven aan de veranderingsagenda staan;

L.

overwegende dat de VN-Verklaring inzake het recht op ontwikkeling van 1986 bevestigt dat ontwikkeling een fundamenteel mensenrecht is; overwegende dat de verklaring een „op mensenrechten gebaseerde” aanpak tot doel stelt, gekenmerkt door de eerbiediging van alle mensenrechten (economische, sociale, culturele, burgerlijke en politieke) en overwegende dat de verklaring de internationale samenwerking beoogt te versterken;

M.

overwegende dat het behalen van de MDG's voor het verstrijken van de streefdatum grotendeels afhangt van de realisatie van het wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling en overwegende dat de EU en haar lidstaten zich aan hun toezeggingen moeten houden en niet mogen toestaan dat de voortgang vanwege de huidige economische en financiële crisis wordt gestaakt;

N.

overwegende dat artikel 208 VWEU vaststelt dat het terugdringen en het op de lange termijn uitbannen van de armoede het hoofddoel van het ontwikkelingsbeleid van de EU is;

O.

overwegende dat 50 jaar donorgestuurd ontwikkelingsbeleid heeft geleid tot een buitensporige verslaafdheid en afhankelijkheid (5);

P.

overwegende dat de VN nauw en op inclusieve wijze samenwerkt met alle belanghebbenden om voort te bouwen op het momentum dat is gecreëerd door de MGD's en verder te gaan met een ambitieuze ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, die gebaseerd moet zijn op betere steun, betere coördinatie en naleving van de beginselen inzake beleidscoherentie;

Q.

overwegende dat de toezegging van de EU om de beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) te waarborgen, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van 2005, is herbevestigd in de conclusies van 14 mei 2012 (6);

R.

overwegende dat de EU, als ’s werelds grootste donor, vastbesloten is om de MDG’s op tijd te verwezenlijken en zeer nauw betrokken is bij de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015;

S.

overwegende dat het Europees Parlement bijzonder belang hecht aan dit proces en van oordeel is dat de EU moet optreden als drijvende kracht achter het kader voor de periode na 2015;

T.

overwegende dat een aanzienlijk aantal kwetsbare of door conflicten getroffen staten nog geen enkele MDG hebben behaald (7);

U.

overwegende dat een gebrek aan vrede, veiligheid, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en politieke stabiliteit, in combinatie met corruptie en schendingen van de mensenrechten, verhindert dat arme landen hun ontwikkelingspotentieel verwezenlijken;

V.

overwegende dat 75 % van de armen in de wereld in middeninkomenslanden (MIC's) leeft, ondanks de groei van deze landen, en dat de specifieke situatie in de MIC's dan ook niet over het hoofd mag worden gezien bij de herziening van de MDG's, waarbij rekening wordt gehouden met het differentiatiebeginsel dat is overeengekomen in de nieuwe ontwikkelingsagenda;

I.    Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en nieuwe uitdagingen

1.

bevestigt dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling die in 2000 zijn vastgesteld tot de vele in de middeninkomenslanden en ontwikkelingslanden behaalde successen behoren, en dat deze resultaten correct moeten worden geanalyseerd met het oog op het toekomstige kader, zodat algemenere en duurzamere resultaten worden geboekt;

2.

onderstreept dat het mondiale landschap in de afgelopen tien jaar sterk is veranderd, net zoals de aard van de armoede, en dat de groeiende kloof en ongelijkheid tussen en binnen landen belangrijke thema's zijn geworden in het kader van de uitbanning van de armoede;

3.

merkt op dat hoewel enkele ontwikkelingslanden donor zijn geworden, deze nog steeds met hoge en stijgende niveaus van ongelijkheid worden geconfronteerd die vergelijkbaar zijn met die in andere ontwikkelingslanden; merkt op dat onder andere klimaatverandering, voedselonzekerheid, migratie, werkloosheid, demografische verandering, corruptie, beperkte middelen, niet-duurzame groei, financiële en economische crises en schendingen van de mensenrechten complexe en onderling samenhangende uitdagingen vormen;

4.

herinnert eraan dat de aantasting van het milieu het bereiken van de MDG’s, waaronder de doelstelling van het uitbannen van extreme armoede en honger, in gevaar brengt; wijst er in het bijzonder op dat blijvende ongelijkheden en onenigheid over schaarse hulpbronnen tot de voornaamste factoren behoren die conflicten, honger, onveiligheid en geweld in de hand werken, die op hun beurt de menselijke ontwikkeling en pogingen om tot een duurzame ontwikkeling te komen belemmeren; dringt aan op een meer holistische aanpak die recht doet aan de resultaten en follow-up van de Rio+20-conferentie over duurzame ontwikkeling;

5.

herinnert eraan dat er samenhang moet bestaan tussen de beleidsmaatregelen van de EU op handelsgebied en op ontwikkelingsgebied, met name wat betreft de ultraperifere gebieden;

6.

verzoekt de EU met klem om tijdens de besprekingen over het kader voor de periode na 2015 tot en met de VN-top de leiding te nemen en krachtig met één stem te spreken, en een gemeenschappelijk, doeltreffend en ambitieus standpunt vast te stellen met betrekking tot de beginselen en doelstellingen die deel moeten uitmaken van het nieuwe ontwikkelingskader voor de periode na 2015; merkt op dat er één alomvattend en geïntegreerd kader met duidelijk benchmarks moet zijn dat de voornaamste ontwikkelings- en duurzaamheidskwesties omvat en dat dit kader tegelijkertijd universeel en mondiaal van aard moet zijn, welvaart, mensenrechten en welzijn voor iedereen moet bevorderen, moet leiden tot directe en actieve betrokkenheid van alle landen bij het opzetten en uitvoeren ervan en rekening moet houden met de rol en de verantwoordelijkheden van de rijkere landen — die verdergaan dan de financiering — bij het welslagen ervan;

7.

wijst erop dat het wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling moet worden aangepast aan de gewijzigde context en nauw moet aanknopen bij de nieuwe dimensies van de agenda voor de periode na 2015; beklemtoont dat een herzien en versterkt wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling essentieel is voor de uitvoering van de agenda voor de periode na 2015 en voor het bestaan van doeltreffende verantwoordingsmechanismen op alle niveaus;

8.

is van oordeel dat deze uniforme benadering vraagt om een deugdelijke coördinatie tussen de EU en de lidstaten voorafgaand aan de presentatie ervan op de herfsttop in New York en om sterke zichtbaarheid tijdens het onderhandelingsproces onder leiding van Europese commissaris voor Ontwikkeling; verzoekt de EU, wereldwijd de belangrijkste donor, om haar rol als belangrijkste speler voor de agenda voor de periode na 2015 ten volle te vervullen;

9.

dringt erop aan dat de doelstellingen van het ontwikkelingskader voor de periode na 2015 zowel de MDG’s als de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) omvatten en welvaart en welzijn voor iedereen bevorderen, met inbegrip van achtergestelde bevolkingsgroepen, zoals vrouwen, kinderen, ouderen en mensen met een handicap; benadrukt dat er sprake moet zijn van echte flexibiliteit bij het naar vermogen vaststellen van nationale doelstellingen met directe en actieve betrokkenheid van ontwikkelingslanden en ontwikkelingspartners, in het bijzonder het maatschappelijk middenveld; wijst erop dat de rijke landen sterke toezeggingen moeten doen, wat betreft zowel hun eigen ontwikkeling als hun beleid dat invloed heeft op andere landen;

10.

benadrukt dat het gebrek aan vorderingen met de MDG's die betrekking hebben op de positie van vrouwen, niet alleen veroorzaakt wordt door financiële of technische obstakels, maar met name te wijten is aan een gebrek aan politieke wil;

II.    Uitbanning van armoede

11.

dringt erop aan dat de uitbanning van de armoede, het hoofddoel van de ontwikkelingssamenwerking van de EU, en de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling op sociaal en milieugebied in de wereld tot de noodzakelijke mondiale prioriteiten voor de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 worden gemaakt;

12.

beklemtoont dat ongelijkheid de economische ontwikkeling en de armoedebestrijding belemmert; wijst er in het bijzonder op dat hoge niveaus van ongelijkheid het opzetten van brede, op herverdeling gebaseerde en fiscaal houdbare socialezekerheidsstelsels die zijn gestoeld op de beginselen van sociale solidariteit, bemoeilijken, en tegelijkertijd kunnen leiden tot een toename van de criminaliteit of gewelddadige conflicten, met name in multi-etnische samenlevingen; is van oordeel dat de structurele oorzaken van armoede moeten worden aangepakt om echte veranderingen in de maatschappij mogelijk te maken;

13.

erkent dat de vraagstukken ontwikkeling en armoedebestrijding verweven zijn met de uitdagingen op het gebied van vrede en veiligheid, het milieu, mensenrechten, gendergelijkheid, democratie en goed bestuur; pleit dan ook voor een vernieuwde aanpak van de uitbanning van de armoede waarin rekening wordt gehouden met het belang van inclusieve economische ontwikkeling en groei, herverdeling van de rijkdom door middel van begrotingsmiddelen, waardig werk, doeltreffende beroepsopleiding, milieuduurzaamheid, mensenrechten en goed bestuur;

14.

pleit voor een verankering van de agenda voor de periode na de MDG’s in de Verklaring inzake het recht op ontwikkeling van 1986, die niet alleen bevestigt dat ontwikkeling een fundamenteel mensenrecht is, maar eveneens ontwikkeling als een proces benadert;

15.

pleit ervoor dat gelijke behandeling van mannen en vrouwen een standaardonderdeel wordt van een op groei gerichte benadering om een einde te maken aan armoede en dat gendergelijkheid wordt opgenomen in alle EU-programma’s, -beleidslijnen en -strategieën en in het gehele kader voor de periode na 2015;

16.

beklemtoont dat inclusiviteit een dynamisch begrip is dat verder gaat dan een strategie die de armen begunstigt en inhoudt dat het aandachtsveld wordt verruimd naar kwetsbare bevolkingsgroepen met zeer onzekere middelen van bestaan, hetgeen ervoor pleit de ontwikkelingsstrategie in het macro-economische kader te verankeren; is van oordeel dat het voor het toezicht op de inclusiviteit en de duurzaamheid van de ontwikkelingsvooruitgang en op de mate waarin rekening wordt gehouden met de behoeften van de minstbedeelde en kwetsbaarste groepen, van cruciaal belang is dat er kwalitatieve indicatoren worden vastgesteld;

17.

verzoekt in dit verband om een bredere definitie van armoede dan een die alleen is gebaseerd op het bruto binnenlands product (BBP); beklemtoont dat mondiale en nationale gemiddelden veel van de armen van de wereld uitsluiten;

Gezondheidszorg, voeding, onderwijs en sociale bescherming

18.

erkent dat voor de bestrijding van ondervoeding bij moeders en kinderen ontwikkelingsstrategieën op lange termijn nodig zijn, waarbij de nadruk ligt op sectoren die de ondervoeding beïnvloeden, zoals gezondheid, onderwijs, water en sanitaire voorzieningen, alsmede de landbouw;

19.

wijst erop dat het feit dat het welzijn van mensen van vele factoren afhankelijk is, volledig moet worden erkend; herinnert er in dit verband aan dat gezondheidszorg, voeding, sociale bescherming, gendergelijkheid en onderwijs aanzienlijk bijdragen aan de uitbanning van armoede en aan inclusieve economische ontwikkeling;

20.

benadrukt dat de genderkloof allereerst in het onderwijs moet worden gedicht, om de gemiddelde kwaliteit van het menselijk kapitaal te verhogen, en in de tweede plaats in de gezondheidszorg, om betere vooruitgang te maken bij het verbeteren van de gezondheid van moeders en het verminderen van de kindersterfte;

21.

vraagt de EU het recht op de hoogst haalbare gezondheidsnorm krachtig te verdedigen, met inbegrip van de seksuele en reproductieve gezondheid en de daaraan verbonden rechten en de integratie van hiv/aids, onder meer door het aanbieden van vrijwillige gezinsplanning, veilige abortus en voorbehoedsmiddelen;

22.

benadrukt dat het MDG-kader voor de periode na 2015 een specifieke doelstelling betreffende de uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen omvat;

23.

benadrukt dat gezondheidszorg voor iedereen — waarbij de nadruk zowel op behandelingen als op preventie ligt -, geschikte en voedzame levensmiddelen voor iedereen en goed onderwijs voor iedereen en op alle niveaus met het oog op tewerkstelling, moeten worden beschouwd als belangrijke doelstellingen van de agenda voor de periode na 2015;

24.

dringt erop aan dat het kader voor de periode na 2015 allereerst doelstellingen omvat op het gebied van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van goede gezondheidszorg waarbij de nadruk ligt op gezondheidsbevordering, preventie en geneesmethoden met inbegrip van de seksuele en reproductieve gezondheid en de daaraan verbonden rechten en hiv/aids als belangrijke onderdelen, evenals concrete maatregelen met het oog op de invoering van elementaire stelsels voor gezondheidszorg die alle mensen toegang bieden tot preventie, behandeling, zorg en ondersteuning, met inbegrip van de meest gemarginaliseerde en kwetsbare groepen, zoals minderheden, gevangenen, migranten, personen zonder geldige verblijfsvergunning, sekswerkers en drugsgebruikers;

25.

dringt aan op wereldwijde versnelde maatregelen om de moedersterfte, sterfte onder pasgeborenen en kindersterfte terug te dringen en wijst eens te meer op het wezenlijke belang van universele toegang tot reproductievegezondheidszorg;

26.

dringt aan op voortzetting van de steun voor onderzoek naar effectievere en duurzame preventie- en behandelingsprogramma's, waaronder het onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot effectieve vormen van medische ingrepen, zoals vaccins, geneesmiddelen en diagnosetechnieken;

27.

benadrukt dat vrouwen, aangezien ze verantwoordelijk zijn voor 80 % van de landbouw in Afrika, een cruciale rol spelen op het vlak van voeding en voedselzekerheid, terwijl ze nog steeds weinig of geen toegang hebben tot de eigendom van het land dat zij bebouwen; onderstreept dat de uitbanning van honger daarom afhangt van de steun aan kleine boeren, zodat zij voldoende voedsel voor zichzelf en hun gezin kunnen produceren; herinnert eraan dat de meerderheid van de kleine boeren vrouw is; dringt aan op een in alle elementen van de programmering inzake voedselzekerheid geïntegreerde gendergevoelige benadering; onderstreept de noodzaak om ondervoeding door middel van wetenschappelijk gefundeerde maatregelen te voorkomen en te behandelen, waarbij prioriteit wordt gegeven aan zwangere vrouwen en jonge kinderen;

28.

onderstreept de noodzaak om ter versterking van de gezondheidsstelsels gezondheidsprogramma's te ontwikkelen en uit te voeren, gezien het feit dat de wereldwijde economische crisis de vooruitgang op het gebied van de bestrijding van hiv/aids, tuberculose, malaria en verwaarloosde tropische ziekten ondermijnd heeft;

29.

benadrukt het belang van de doelstelling met betrekking tot de verbetering van de zwangerschapszorg om de sterfte onder moeders terug te dringen en seksuele en reproductieve gezondheid en gezinsplanning voor iedereen bereikbaar te maken; benadrukt het belang van voorlichting over en bewustzijn van seksuele en reproductieve gezondheid als een onontbeerlijk deel van de agenda voor de gezondheid van vrouwen;

30.

benadrukt dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de opleiding van zowel mannen als vrouwen inzake genderkwesties vanaf een vroeg schoolstadium, zodat attitudes en maatschappelijke stereotypes geleidelijk veranderen en gendergelijkheid overal ter wereld een basisbeginsel wordt;

31.

dringt erop aan dat de door de EU verstrekte humanitaire hulp die bijdraagt aan de verwezenlijking van de MDG's niet onderhevig moet zijn aan de door de Verenigde Staten of andere donoren opgelegde beperkingen op humanitaire hulp, met name door te zorgen voor toegang tot abortus voor vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn van verkrachting in gewapende conflicten;

32.

erkent dat kansen op waardig werk arme huishoudens de mogelijkheid bieden zich aan de armoede te ontworstelen en individuen en gezinnen bij uitstek in staat stellen om hun gevoel van eigenwaarde te versterken, hun gemeenschapsgevoel te vergroten en een productieve bijdrage te leveren; pleit ervoor dat volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk tot een centrale doelstelling van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 worden gemaakt en pleit ervoor dat deze doelstelling wordt gesteund door de invoering van degelijke nationale socialebeschermingsniveaus om de armoede te verminderen en de weerbaarheid te vergroten;

33.

benadrukt dat gezondheidsvoorlichting en -opleiding belangrijke elementen voor een betere volksgezondheid zijn;

34.

dringt erop aan dat bijzondere aandacht wordt geschonken aan het bestrijden van niet-overdraagbare ziekten, zoals kanker;

35.

pleit ervoor dat het MDG-kader voor de periode na 2015 de zelfredzaamheid van vrouwen en de gendergelijkheid bevordert door de genderkloof op alle niveaus van het onderwijs te dichten, middels specifieke doelstellingen, waaronder algemene toegang tot en de voltooiing van goed onderwijs (lager, middelbaar en hoger) en beroepsonderwijs met een beleidskader dat gericht is op het scheppen van jeugdvriendelijke banen, de uitbanning van analfabetisme onder vrouwen, evenals toegang tot uitgebreide seksuele voorlichting, op school en daarbuiten;

III.    Goed bestuur

36.

benadrukt dat het kader voor duurzame ontwikkeling voor de periode na 2015, naleving van het beginsel van democratisch bestuur en de mensenrechten vereist, evenals doeltreffende, transparante en controleerbare instellingen en partners op alle niveaus en een mondig en stelselmatig bij het democratisch proces betrokken maatschappelijk middenveld; benadrukt dat het kader moet uitgaan van de sleutelbegrippen participatiedemocratie en effectief burgerschap door de volledige en betere uitoefening van burgerlijke en politieke rechten;

37.

verzoekt de EU haar ervaring en expertise met de ontwikkelingslanden te delen door toegang te bieden tot relevante kennis op het gebied van duurzame ontwikkeling en met name de ervaringen die de lidstaten met overgangsprocessen hebben, te delen;

38.

is van oordeel dat de lopende onderhandelingen en het lopende debat zodanig moeten worden georganiseerd dat deze leiden tot een duidelijk streven naar democratisch bestuur in het nieuwe ontwikkelingskader;

39.

onderstreept dat de klimaatverandering, de recente voedselprijzencrisis en de wereldwijde financiële crisis in verband kunnen worden gebracht met het gebrek aan behoorlijk mondiaal bestuur; benadrukt derhalve dat mondiaal bestuur een belangrijk onderdeel moet vormen van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015;

40.

betreurt het gebrek aan samenhang tussen instellingen voor mondiaal bestuur, in het bijzonder wat betreft multilaterale handel, financiën en milieustructuren; is van oordeel dat, nu landen bij gebrek aan mondiaal bestuur regionale oplossingen zijn gaan nastreven om te voorzien in regiospecifieke ontwikkelingsbehoeften, dergelijke regelingen moeten worden gecoördineerd om versnipperd beleid dat niet goed aansluit op multilaterale regelingen en internationale normen, te voorkomen; is meer in het algemeen van mening dat maatregelen op mondiaal niveau noodzakelijk zijn ter aanvulling van de nationale inspanningen;

41.

merkt op dat, hoewel de opzet van het MDG-kader het mogelijk heeft gemaakt concrete, tijdgebonden doelstellingen vast te stellen die kunnen worden bewaakt met statistisch onderbouwde indicatoren, de betrokkenen deze doelstellingen nog onvoldoende eigen hebben gemaakt; waarschuwt in dit verband voor het opleggen van een standaardaanpak en is van mening dat mondiale doelstellingen moeten worden toegesneden op en aangepast aan de context en de uitgangssituatie in de verschillende landen en regio’s;

42.

merkt op dat autoriteiten op alle niveaus een cruciale rol spelen bij de uitvoering van een agenda voor duurzame ontwikkeling door hun deelname aan beleidsdebatten, het omzetten van toezeggingen in wetgeving, het ter verantwoording roepen van overheden voor hun sociaal, milieu- en justitieel beleid en door voort te bouwen op het beginsel van eigen inbreng;

43.

spoort de internationale gemeenschap aan zich in het bijzonder te richten op de totstandbrenging van een gunstig participatieklimaat dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld, de particuliere sector, liefdadigheidsinstellingen en andere onafhankelijke ontwikkelingspartners, evenals nationale parlementen en plaatselijke autoriteiten op lokaal, nationaal en regionaal niveau in staat stelt hun verantwoordelijkheden te nemen bij het opstellen van beleid en het houden van toezicht op de uitvoering ervan, en zo effectief bij te dragen aan het kader voor de periode na 2015;

44.

dringt er verder op aan dat jongeren, in het bijzonder meisjes en jonge vrouwen, in staat worden gesteld een vooraanstaande rol te spelen in het kader voor de periode na 2015, en wijst er op dat participatie van jongeren in het bestuur brede voordelen kan hebben, en onder andere democratische besluitvormingsstructuren en -processen kan bevorderen en het welzijn van jongeren en hun gemeenschappen kan verbeteren;

Op mensenrechten gebaseerde aanpak

45.

wenst dat beginselen op het gebied van de mensenrechten ten grondslag komen te liggen aan het kader voor de periode na 2015, dat met name problemen moet aanpakken op het gebied van ongelijkheid, schadelijke traditionele praktijken, discriminatie, gendergerelateerd geweld, participatie en empowerment van gemarginaliseerde en achtergestelde leden van de samenleving, met bijzondere aandacht voor de rechten van jongeren, vrouwen, migranten, mensen met hiv, mensen die vanwege hun kaste worden gediscrimineerd, homo-, bi- en transseksuelen en mensen met een handicap;

46.

pleit in dit verband voor een aparte doelstelling om de aanhoudende ongelijkheden waar vrouwen en meisjes mee te maken hebben aan te pakken, en tegelijkertijd de noodzakelijke politieke bereidheid, middelen en eigen inbreng te bevorderen om duurzame en doeltreffende maatregelen tot stand te brengen;

47.

benadrukt dat de ontwikkelingsagenda van de VN voor de periode na 2015 moet uitgaan van een op de mensenrechten gebaseerde aanpak, waarvan ook sociale en economische rechten deel uitmaken, evenals burgerlijke en politieke rechten die verband houden met vrede en veiligheid, alsook het recht op ontwikkeling;

48.

pleit voor de vaststelling van een overkoepelende gelijkheidsdoelstelling;

49.

spoort de EU aan ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het opbouwen van politieke wil en het opvoeren van hun inspanningen voor de ratificatie en tenuitvoerlegging van rechtsinstrumenten met betrekking tot de mensenrechten gericht op het verbieden van discriminatie of wettelijke, beleids- en regeltechnische obstakels en sanctiebepalingen op basis van leeftijd, gender, ras, etniciteit, kaste, cultuur, godsdienst, overtuiging, echtelijke staat, invaliditeit, hiv-status, nationaliteit, migratiesituatie, taalvaardigheden, seksuele gerichtheid, genderidentiteit of andere factoren en status; spoort de EU eveneens aan ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het opbouwen van passende socialebeschermingsniveaus;

50.

dringt erop aan dat alle landen het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen ratificeren om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen;

Vrede, veiligheid en ontwikkeling

51.

benadrukt dat gewapende conflicten en post-conflictsituaties behoren tot de belangrijkste obstakels voor ontwikkeling en voor de vermindering van armoede, en de democratie in gevaar brengen; benadrukt tevens dat vrede en veiligheid, en ontwikkeling en mensenrechten met elkaar verband houden en elkaar versterken; moedigt de Unie dan ook aan om alle relevante instrumenten te gebruiken, zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de instrumenten beschikbaar in het kader van de overeenkomst van Cotonou, om conflicten beter te kunnen voorkomen;

52.

vraagt in dit verband om capaciteitsopbouw prioriteit te geven in door conflicten getroffen en fragiele staten; is van oordeel dat doeltreffende internationale partnerschappen, methoden voor kennisuitwisseling en capaciteitsontwikkeling gebaseerd op de ervaring met overgangsprocessen van EU-lidstaten, voortbouwend op het model van de nieuwe afspraken voor optreden in fragiele staten dat tijdens het vierde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan is gelanceerd, noodzakelijk zijn voor het stabiliseren en ontwikkelen van deze staten;

53.

vraagt de EU haar nauwe betrokkenheid bij fragiele staten te handhaven door geïntegreerde antwoorden te bieden in het kader van ontwikkelingsbeleid, humanitaire hulp te verstrekken en bij te dragen aan de vermindering van risico's op rampen, conflictpreventie en staatsvorming;

54.

is van oordeel dat het kader voor de periode na 2015 recht moet doen aan de in Busan overeengekomen doelstellingen inzake vredesopbouw en staatsvorming;

55.

benadrukt dat de preventie van geweld en discriminatie, met name seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes, dient te worden opgenomen in het kader voor de periode na 2015 en dat alomvattende beschermingsstelsels die voor iedereen toegankelijk zijn in het leven moeten worden geroepen of moeten worden versterkt;

IV.    Duurzaamheid

56.

verzoekt de EU op inclusieve en transparante wijze bij te dragen aan het versterken van de samenhang tussen de SDG's op sociaal en milieugebied en de ontwikkelingsdoelen voor de periode na 2015;

57.

benadrukt dat het eindresultaat een enkele ontwikkelingsagenda' moet zijn, waarmee doublures van inspanningen en middelen worden vermeden; onderstreept dat, aangezien milieu- en ontwikkelingsvraagstukken op mondiaal niveau doorgaans afzonderlijk worden behandeld, de EU nieuwe manieren moet zoeken om de kloof tussen deze nauw met elkaar verbonden onderwerpen, ook op institutioneel vlak, te overbruggen;

58.

beklemtoont dat duurzaamheid een belangrijke uitdaging is, waarbij het uitblijven van een oplossing alle aspecten van de menselijke ontwikkeling in gevaar brengt; erkent in het bijzonder de verbondenheid van vraagstukken inzake voedsel, duurzame en betrouwbare toegang tot energie, water, duurzaam landgebruik, efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de bescherming van mariene en andere ecosystemen en biodiversiteit, ontbossing en de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering, rampenrisicovermindering, duurzame productie en consumptie, sociale integratie en waardig werk in het armoedebestrijdingskader;

59.

merkt op dat universele toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, als een horizontale elementaire vorm van sociale dienstverlening om alle doelstellingen te verwezenlijken, evenals tot moderne, betrouwbare, betaalbare, klimaatvriendelijke en duurzame energiediensten, een belangrijke drijvende kracht is achter armoedebestrijding en inclusieve duurzame groei;

60.

onderstreept dat voor de verwezenlijking van energiezekerheid behoefte is aan strategieën gericht op de diversificatie van bronnen, waaronder zonne-energie, de bescherming van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen, de vermindering van risico's op rampen, het integrale beheer van watervoorraden en de verbetering van markten, infrastructuur en regelgeving;

61.

pleit tevens voor concrete maatregelen ter bevordering en ontwikkeling van gezonde mariene ecosystemen, duurzame visserij en duurzame aquacultuur, die een belangrijke rol kunnen spelen op het gebied van voedselzekerheid, voeding en duurzame landbouw;

62.

wijst erop dat het differentiatiebeginsel dat is vastgelegd in de nieuwe ontwikkelingsagenda terdege in de praktijk moet worden gebracht; dringt erop aan dat de opkomende landen hun verantwoordelijkheid nemen bij de herverdeling van de inkomsten onder hun burgers via de staatsbegroting om de armoedekloof te dichten;

V.    Naar een EU-standpunt inzake het ontwikkelingskader voor de periode na 2015

Financiering van de MDG's voor de periode na 2015

63.

herinnert aan de gedane toezegging om voor 2015 0,7 % van het bruto nationaal inkomen toe te wijzen aan officiële ontwikkelingshulp (ODA); benadrukt dat dit niveau moet worden gehandhaafd in een toekomstig kader en verzoekt de lidstaten dit te regelen via bindende wetgeving en meerjarige begrotingsschema’s goed te keuren om de doelstelling te bereiken;

64.

benadrukt dat het belangrijk is dat de EU-begroting is opgewassen tegen de uitdagingen waarmee zij wordt geconfronteerd, in het bijzonder in tijden van crisis, vooral voor de financiering van ontwikkeling; pleit in dit opzicht, mede om ervoor te zorgen dat de EU-begroting niet langer wordt gegijzeld door de hoogte van de betalingskredieten alleen, voor het scheppen van eigen middelen, bijvoorbeeld door middel van een belasting op financiële transacties, waarvan een deel moet worden toegewezen aan rubriek IV van de EU-begroting;

65.

benadrukt dat de middelen die worden uitgetrokken voor de bestrijding van de klimaatverandering en de aanpassing aan de gevolgen ervan een echte aanvulling moeten vormen op de bestaande toezeggingen; vraagt de EU derhalve voor te stellen dat andere financieringsbronnen dan officiële ontwikkelingshulp beschikbaar worden gemaakt voor de klimaatfinanciering, zodat tijdens discussies over de periode na 2015 de rol van respectievelijk officiële ontwikkelingshulp en de financiering voor aanpassing bij de duurzame uitbanning van armoede kunnen worden verduidelijkt;

66.

verzoekt de Commissie besprekingen met alle belanghebbenden over financieringsmechanismen te stimuleren teneinde te voldoen aan de financiële behoeften in een ontwikkelingslandschap in de periode na 2015;

67.

herinnert eraan dat tijdens het forum voor ontwikkelingssamenwerking van de VN van 2012 nadrukkelijk werd gewezen op de behoefte aan een betere coördinatie tussen verschillende steunmechanismen en donoren, in plaats van onderlinge wedijver; vraagt de EU te ijveren voor een agenda voor doeltreffende ontwikkelingshulp aangezien de EU en de lidstaten een gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen om de fragmentatie van de ontwikkelingshulp tegen te gaan;

Innovatieve financieringsmechanismen

68.

verzoekt de Commissie om in samenwerking met andere donoren op mondiaal niveau te blijven werken aan andere innovatieve financieringsmechanismen voor ontwikkeling aangezien deze en nieuwe partnerschappen een cruciale rol zullen spelen in een nieuw ontwikkelingslandschap, ter aanvulling van andere bronnen en compromissen op het gebied van de financiering voor duurzame ontwikkeling; verzoekt nogmaals de EU-lidstaten die hebben toegezegd de belasting op financiële transacties in te voeren, een deel van deze middelen te gebruiken voor duurzame ontwikkeling en de bestrijding van klimaatverandering;

69.

merkt op dat de EU een geïntegreerde en complementaire aanpak van financiering, onder meer door middel van publiek-private partnerschappen, moet bevorderen;

70.

vraagt de EU sociale, ethische en milieuvriendelijke overheidsopdrachten op internationaal niveau aan te moedigen als instrument voor het verwezenlijken van het kader voor de periode na 2015;

71.

verzoekt de EU de mechanismen voor het combineren van leningen en subsidies terdege te evalueren — in het bijzonder met betrekking tot ontwikkeling en financiële additionaliteit, transparantie en verantwoordelijkheid, lokale eigen inbreng en schuldenrisico — voordat de mix van leningen en subsidies verder wordt ontwikkeld om financiële middelen voor ontwikkeling te stimuleren en microkrediet te bevorderen; verzoekt de Commissie om richtsnoeren en nauwkeurige criteria bekend te maken die gebaseerd zijn op geharmoniseerde strategieën ter vermindering van armoede en een duidelijke invloed op duurzame ontwikkeling hebben na invoering van de nieuwe regelingen;

Verhogen van de binnenlandse ontvangsten door middel van doeltreffende belastingheffing en het bestrijden van corruptie

72.

herhaalt het verzoek om de bestrijding van corruptie, het witwassen van geld, belastingparadijzen, illegale kapitaalbewegingen en schadelijke belastingstructuren als topprioriteit op de EU-agenda bij internationale financierings- en ontwikkelingsinstellingen te plaatsen, om ontwikkelingslanden in staat te stellen hun binnenlandse inkomsten te verhogen;

73.

wijst erop dat op korte termijn meer binnenlandse middelen moeten worden vrijgemaakt en verzoekt de EU en de internationale gemeenschap dan ook hun steun aan ontwikkelingslanden te verhogen bij het vaststellen van een doeltreffend fiscaal beleid en een duurzame belastinggrondslag en het versterken van de capaciteit, vaardigheden en kwalificaties van hun overheden voor de aanpak van illegale geldstromen, belastingontwijking, belastingontduiking en fraude en voor een betere inning van de belastingen;

74.

herinnert eraan dat de kwaliteit van de financiële verslaglegging van wezenlijk belang is voor een doeltreffende bestrijding van belastingontduiking; onderstreept dan ook het belang van volledige transparantie van de bedrijfsrapportering van de winst en de betaalde belastingen, in het bijzonder — maar niet uitsluitend — door bedrijven die betrokken zijn bij de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen; verzoekt de Commissie te ijveren voor de opname in de International Financial Reporting Standard (internationale standaard voor financiële verslaglegging) van de International Accounting Standards Board van de vereiste dat alle multinationale ondernemingen hun opbrengsten en betaalde belastingen per land rapporteren; wijst er nogmaals op dat een dergelijke vereiste aansluit bij de noodzaak van een grotere sociale verantwoordelijkheid van multinationale ondernemingen;

Toezichtmechanismen en indicatoren

75.

wijst op de dringende behoefte om te komen tot een passende mix van kwantitatieve en kwalitatieve maatstaven voor ontwikkeling;

76.

merkt op dat een nieuwe reeks van indicatoren naast het BBP nodig is om welvaart en ontwikkeling te bereiken en nieuwe problemen op sociaal en milieugebied op te lossen, en indicatoren zoals de index van de menselijke ontwikkeling, de armoederatio per hoofd van de bevolking, de armoedekloofindex en de Gini-coëfficiënt voor inkomens moet omvatten;

77.

merkt op dat duidelijke en meetbare indicatoren, met inbegrip van prestaties en resultaten, cruciaal zijn voor het toezicht houden op en de verslaglegging over de gemaakte vorderingen ten aanzien van onder meer de uitbanning van de armoede en de economische en sociale ontwikkeling en dat deze onder andere betrekking dienen te hebben op gendergelijkheid, werkgelegenheid, sociale bescherming (bijvoorbeeld toegang tot gezondheidszorg en pensioenen, bescherming tegen de risico's van werkloosheid en bescherming tegen inkomensverlies door vrouwen, kinderen en ouderen), invaliditeit, migratie en minderheidsstatussen;

78.

vraagt de EU referentiegegevens, indicatoren en doelstellingen te ontwikkelen voor het meten van de impact van de beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD);

Particuliere sector

79.

benadrukt dat de UN Guiding Principles on Business and Human Rights dringend moeten worden toegepast; roept in dit verband alle landen op een echt regelgevend kader voor het bedrijfsleven vast te stellen, gericht op de bevordering van volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk, de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de ILO-normen, transparantie en sociale en milieunormen;

80.

is van oordeel dat de steun aan de particuliere sector er in de eerste plaats op gericht moet zijn de bevolking van de ontwikkelingslanden uit de armoede te halen en bij te dragen aan de versterking van de particuliere sector in de ontwikkelingslanden, om onevenwichtige ontwikkeling en groei te voorkomen;

81.

spoort in de EU gevestigde ondernemingen met productiefaciliteiten in de ontwikkelingslanden aan hun verplichtingen na te komen met betrekking tot de eerbiediging van mensenrechten en vrijheden, sociale en milieunormen, gendergelijkheid, fundamentele arbeidsnormen, internationale overeenkomsten en de betaling van belastingen op een transparante manier;

82.

wijst op het belang van het beschermen van particulier eigendom om het investeringsklimaat te verbeteren en de rechtsstaat te versterken;

83.

benadrukt dat hoewel de particuliere sector een cruciale rol speelt in de economie, het de hoofdverantwoordelijkheid van de staat is om goede basisdiensten te leveren aan zijn burgers en daardoor bij te dragen aan de bestrijding van de armoede;

84.

benadrukt dat actoren uit de openbare en particuliere sectoren nieuwe manieren moeten vinden om hun belangen, capaciteiten en inspanningen te verenigen voor het verwezenlijken van de agenda voor de periode na 2015;

85.

onderstreept dat economische groei en ontwikkeling duurzaam en inclusief moeten zijn en moeten bijdragen aan het versterken van de productiecapaciteit, het scheppen van waardige banen en sociale inclusie voor iedereen, om ontwikkelingslanden in staat te stellen hun economieën te veranderen; vraagt om de vaststelling van nationale socialebeschermingsniveaus in ontwikkelingslanden en de afschaffing van alle vormen van kinderarbeid;

86.

wijst erop dat Fair Trade een handelspartnerschap is, gebaseerd op dialoog, transparantie en respect, met als doel de internationale handel rechtvaardiger te maken (8); is van mening dat Fair Trade een voorbeeld is van een geslaagd partnerschap, waarbij een groot aantal belanghebbenden overal ter wereld en in verschillende stadia van de toeleveringsketens betrokken zijn, dat ervoor zorgt dat achtergestelde producenten toegang hebben tot de markt, duurzame middelen van bestaan garandeert, arbeidsnormen respecteert, kinderarbeid geleidelijk afschaft en ecologisch verantwoorde landbouw en productiepraktijken aanmoedigt;

Beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) en coördinatie tussen donoren

87.

verzoekt de EU ervoor te zorgen dat PCD stevig is ingebed in het kader voor de periode na 2015 en bijzondere aandacht te blijven besteden aan de volgende prioritaire gebieden: handel en financiën, gezondheid en onderwijs, klimaatverandering, natuurlijke hulpbronnen, landbouw, visserij, gezondheidszorg, voedsel en voedselzekerheid, migratie, energie, vredes- en veiligheidsbeleid en mensenrechten;

88.

merkt op dat handel van groot belang kan zijn voor het verminderen van de armoede, en tevens leidt tot meer rechtvaardigheid en transparantie, en duurzame menselijke ontwikkeling en economische groei bevordert; vraagt de EU met klem om er in dit verband op toe te zien dat haar handelsbeleid goed aansluit op haar ontwikkelingsdoelstellingen;

89.

is van oordeel dat dankzij de MDG’s de aandacht voor ontwikkelingshulp is vergroot, maar dat de nadruk niet uitsluitend op hulp moet liggen; is van mening dat een nieuwe benadering noodzakelijk is die ook mondiaal bestuur omvat, met bijzondere aandacht voor beleidscoherentie voor ontwikkeling en mondiale collectieve voorzieningen;

90.

is van oordeel dat in een ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 essentiële mondiale collectieve voorzieningen moeten worden vastgesteld, moet worden bepaald hoe deze worden gefinancierd en moet wordt aangegeven welke mondiale instellingen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de levering ervan;

91.

is van oordeel dat het uitgangspunt van PCD meer moet behelzen dan het niet berokkenen van schade, zowel in Europa als daarbuiten, en gericht moet zijn op een meer geïntegreerde benadering waarbij de internationale handel, het milieu en het internationaal financieel systeem worden beschouwd als onderdelen van mondiaal overheidsbeleid dat bijdraagt aan mondiale ontwikkelingsdoelstellingen; steunt in dit verband de oprichting van een mondiale economische raad in het kader van de Verenigde Naties;

92.

merkt op dat PCD alleen echte en doeltreffende resultaten kan behalen door middel van een gezamenlijke inspanning en de actieve betrokkenheid van ontwikkelde en ontwikkelingslanden, opkomende economieën en internationale organisaties;

93.

benadrukt dat het toekomstige kader voor ontwikkeling een verwijzing dient te bevatten naar hulp en het concept van de „doeltreffendheid van de ontwikkeling”; is in het bijzonder van mening dat de omschakeling van een agenda voor de „doeltreffendheid van de ontwikkelingshulp” naar een agenda voor de „doeltreffendheid van de ontwikkeling” veronderstelt dat ontwikkelingshulp, hulp bij het verstrekken van mondiale collectieve voorzieningen en aanpassing aan bestaande structuren voor mondiaal bestuur worden gecombineerd om beter te kunnen reageren op mondiale uitdagingen;

94.

spoort de EU aan als een drijvende kracht op te treden en op inclusieve en transparante wijze te zorgen voor complementariteit en taakverdeling binnen het ontwikkelingsproces, onder meer door het gebruik van gezamenlijke programmering te intensiveren;

Uitvoerige richtsnoeren voor een ontwikkelingskader voor de periode na 2015

95.

is ingenomen met de ambitieuze en boeiende mededeling van de Commissie van 27 februari 2013 met de titel „Een waardig leven voor iedereen”;

96.

benadrukt dat rekening dient te worden gehouden met de volgende uitgangspunten bij het vaststellen van een samenhangend EU-standpunt met het oog op de onderhandelingen over een nieuw ontwikkelingskader:

a.

de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 dient rekening te houden met de nieuwe mondiale, regionale, nationale en lokale realiteiten en uitdagingen;

b.

bij het bepalen van de toekomstige agenda moet men zich laten leiden door de volledige participatie en eigen inbreng van de ontwikkelingslanden en de middeninkomenslanden, terwijl de nieuwe verantwoordelijkheden en de gegenereerde lasten gelijkelijk en billijk tussen alle landen moeten worden gedeeld;

c.

de toekomstige agenda moet ambitieus, universeel, mondiaal van aard, breed en flexibel zijn, met doelstellingen die afgestemd zijn op elk land en die eenvoudig, bondig, actiegericht en eenvoudig over te brengen zijn en aansluiten op de lokale, nationale en regionale context, en moet een beperkt aantal concrete en meetbare doelstellingen omvatten;

d.

het is van wezenlijk belang om de beginselen van wederzijdse verantwoordelijkheid, verantwoording, transparantie, democratie, mensenrechten, eigen inbreng, goed bestuur, rechtsstatelijkheid, vrede en veiligheid, gelijkheid en rechtvaardigheid en gendergelijkheid te eerbiedigen en ervoor te zorgen dat deze worden opgenomen in de toekomstige agenda;

e.

de verwezenlijking van de toekomstige doelstellingen hangt af van het vermogen van alle ontwikkelingslanden om hun verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun burgers te vervullen, de meest kwetsbare personen te bevrijden van armoede, ongelijkheid tegen te gaan en tegelijkertijd de mensenrechtenbeginselen te eerbiedigen;

f.

bijzondere aandacht moet worden besteed aan het versneld bereiken van gendergelijkheid en versterken van de zelfredzaamheid van meisjes en vrouwen in alle geledingen van de maatschappij;

g.

het nieuwe kader moet de economische, sociale en ecologische dimensie van duurzame ontwikkeling verenigen;

h.

het is noodzakelijk om alle mogelijke financiële middelen en innovatieve financieringsmechanismen voor ontwikkeling te mobiliseren, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan:

i)

de bestrijding van corruptie, belastingparadijzen, belastingontduiking en -ontwijking en van illegale kapitaalbewegingen;

ii)

de verantwoordelijkheden van opkomende economieën in het kader van de ontwikkelingsagenda en de bevordering van zuid-zuid- en trilaterale samenwerking;

iii)

de verbetering van toezichtmechanismen;

iv)

officiële ontwikkelingshulp;

v)

PCD;

i.

er moet voor worden gezorgd dat het nieuwe kader ook andere partners dan de nationale overheden omvat om een gunstig klimaat tot stand te brengen dat daadwerkelijke, op democratie gebaseerde eigen inbreng bevordert en het maatschappelijk middenveld ondersteunt;

j.

PCD zal absoluut cruciaal zijn voor het welslagen van een toekomstig kader vanwege de veranderende aard van de armoede en de impact van binnenlands beleid in de mondiale context;

k.

duidelijke verantwoordingsmechanismen zijn noodzakelijk om ervoor te zorgen dat landen hun toezeggingen nakomen en de problemen op het gebied van armoede en duurzaamheid aanpakken waarop het kader voor de periode na 2015 betrekking zal hebben;

o

o o

97.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.


(1)  PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.

(2)  Conclusies van de Raad 9558/07 van 15.5.2007.

(3)  http://ec.europa.eu/europeaid/what/millenium-development-goals/index_en.htm

(4)  PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 48.

(5)  http://www.ecdpm-talkingpoints.org/african-consultations-post2015-development-agenda

(6)  Document 9317/12.

(7)  OESO et al., 2011, „Conflict, fragility and armed violence are major factors preventing the achievement of the MDGs”.

(8)  Zie de definitie in het Charter of Fair Trade Principles van de World Fair Trade Organisation.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/150


P7_TA(2013)0284

Rechtsstaat in Rusland

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de rechtsstaat in Rusland (2013/2667(RSP))

(2016/C 065/20)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Rusland, met name die van 17 februari 2011 over de regels van de rechtsstaat in Rusland (1), die van 13 september 2012 over het politieke gebruik van de rechtspleging in Rusland (2) en die van 13 december 2012 met aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de Europese dienst voor extern optreden inzake de onderhandelingen over de nieuwe overeenkomst EU-Rusland (3),

gezien de bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, en de lopende onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland,

gezien het „moderniseringspartnerschap” waartoe in 2010 het startsein werd gegeven in Rostov aan de Don, en de toezegging van de Russische leiders dat zij zich sterk willen maken voor de rechtsstaat als fundament voor de modernisering van Rusland,

gezien de Russische grondwet, en met name artikel 118 daarvan, dat stipuleert dat in de Russische Federatie uitsluitend recht wordt gesproken door rechtbanken, en artikel 120 daarvan, dat stipuleert dat rechters onafhankelijk zijn en uitsluitend ondergeschikt aan de Russische grondwet en de federale wetten,

gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld,

gezien de resultaten van de top EU-Rusland van 3—4 juni 2013 en het overleg over de mensenrechten van 19 mei 2013,

gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de Vereniging Golos, over de situatie van de ngo's in de Russische Federatie en over de zaak Magnitsky,

gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de verklaring van de VN over mensenrechtenactivisten en de verklaring van de VN inzake het recht en de verantwoordelijkheid van individuele personen, groepen en organen van de samenleving om algemeen erkende mensenrechten en fundamentele vrijheden te bevorderen en te beschermen,

gezien het feit dat het Europees Parlement de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken in 2009 heeft toegekend aan Memorial, een Russische niet-gouvernementele organisatie die onder meer campagne voert voor de rechten van politieke gevangenen in Rusland, en gezien de toenemende steun in het Europees Parlement voor Memorial als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Vrede,

gezien de adviezen van de Commissie van Venetië inzake Russische federale wet nr. 65 van 8 juni 2012 betreffende vergaderingen, bijeenkomsten, demonstraties, marsen en het organiseren van stakingsposten en het wetboek van administratieve overtredingen, inzake de Russische federale wet betreffende de bestrijding van extremistische activiteiten en inzake de Russische federale wet betreffende de Federale Veiligheidsdienst (FSB),

gezien de artikelen artikel 122, lid 5, en 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de Europese Unie zich blijft inzetten voor de verdere verdieping en ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Rusland overeenkomstig de beginselen die besloten liggen in het Partnerschap voor modernisering, dat gebaseerd is op een diepe wederzijdse gehechtheid aan de democratische beginselen, de eerbiediging van de grondrechten en de mensenrechten, de rechtsstaat, het vrije woord, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering, en de eerbiediging van de menselijke waardigheid en gelijkheid;

B.

overwegende dat Rusland zich als lid van de Raad van Europa en van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en als ondertekenaar van VN-verklaringen heeft verplicht tot de bescherming en bevordering van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat;

C.

overwegende dat er grote bezorgdheid blijft bestaan over de ontwikkelingen in de Russische Federatie ten aanzien van de eerbiediging en bescherming van de rechten van de mens en de naleving van algemeen aanvaarde democratische beginselen, regels en procedures;

D.

overwegende dat de vrijheid van de pers en de media, zowel online als offline, een essentieel aspect is van een democratische en open samenleving, maar ook van fundamenteel belang is bij het tegengaan van corruptie en de bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat; overwegende dat de onafhankelijke pers, als een collectieve manifestatie van vrije meningsuiting, een van de belangrijkste spelers in het medialandschap is en als waakhond van de democratie optreedt;

E.

overwegende dat diverse onderzoeken en gerechtelijke procedures in de afgelopen jaren, onder andere in de zaken Magnitsky, Chodorkovsky en Politkovskaja, twijfel hebben doen rijzen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de justitiële instellingen van de Russische Federatie; overwegende dat bovengenoemde geruchtmakende zaken slechts de in het buitenland bekendste voorbeelden zijn van het feit dat de Russische staat stelselmatig nalaat de rechtsstaat te handhaven en zijn burgers recht te doen;

F.

overwegende dat Alexei Navalny, een prominente advocaat, corruptiebestrijder en maatschappelijk activist, momenteel in Rusland terechtstaat op beschuldigingen die er naar zijn opvatting op wijzen dat het gaat om een politiek gemotiveerde poging om hem te straffen als een van de meest prominente tegenstanders van de regering; overwegende dat Navalny consequent de enorme corruptie binnen de hoogste niveaus van het Russische staatsapparaat aan de kaak heeft gesteld;

G.

overwegende dat het openbaar ministerie activisten van de oppositie die op 6 mei 2012 — de dag vóór de inauguratie van president Poetin — hadden deelgenomen aan de „Miljoenenmars”, blijft vervolgen; overwegende dat de demonstratie op het Bolotnaya-plein volgens betrouwbare onafhankelijke rapporten met geweld werd verstoord door de oproerpolitie, die de deelnemers onderwierp aan disproportioneel en arbitrair geweld; overwegende dat volgens rapporten van de Presidentiële Raad voor de mensenrechten, de ombudsman voor de mensenrechten en een onafhankelijke onderzoekscommissie bestaande uit hooggeplaatste prominenten zowel de Russische autoriteiten als de politie voor het geweld verantwoordelijk waren;

H.

overwegende dat de wetten die de afgelopen maanden zijn goedgekeurd met betrekking tot de registratie van politieke partijen, de financiering van ngo's, het recht van vergadering, extremisme, laster en de toepassing van internetfiltersystemen aanzienlijk hebben bijgedragen aan de verslechtering van het klimaat ten aanzien van de ontwikkeling van een echte civiele samenleving in Rusland;

I.

overwegende dat het Russische parlement in juli 2012 een wet heeft aangenomen waarin wordt bepaald dat Russische ngo's die zich bezighouden met politieke activiteiten en steun ontvangen uit het buitenland als „buitenlandse agenten” zullen worden geregistreerd; overwegende dat de nieuwe wetten inzake ngo's en inzake het recht van vergadering zijn ingezet om het maatschappelijk middenveld te onderdrukken, afwijkende politieke meningen te doen verstommen en ngo's, democratische oppositie en de media te intimideren;

J.

overwegende dat de federale autoriteiten niets hebben ondernomen om te beletten dat discriminerende wetgeving waarbij een verbod is ingesteld op „het voeren van homoseksuele propaganda” in negen Russische regio's in werking is getreden; overwegende dat de Doema onlangs op nationaal niveau een soortgelijke wet heeft ingevoerd;

K.

overwegende dat leden van de Presidentiële Raad voor de mensenrechten hebben geklaagd over pesterijen, intimidatie, ondervragingen, het doorzoeken van hun kantoren en woningen en andere maatregelen die door de Russische ordehandhavers zijn uitgevoerd;

L.

overwegende dat de verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Rusland wordt tegengehouden doordat Rusland er niet in slaagt de democratische waarden volledig te omarmen en de rechtsstaat te versterken;

1.

herinnert Rusland aan het belang van volledige naleving van zijn internationale wettelijke verplichtingen als lid van de Raad van Europa, alsook van de fundamentele mensenrechten en de rechtsstaat die zijn verankerd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR);

2.

spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de recente repressieve wetten en de willekeurige toepassing daarvan door de Russische autoriteiten, wat vaak leidt tot intimidatie van ngo's, activisten uit het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten en minderheden;

3.

is diep bezorgd over het feit dat Rusland er niet in slaagt zijn internationale wettelijke verplichtingen na te komen om de vrijheid van vereniging, meningsuiting en vergadering te respecteren, hetgeen een bedreiging vormt voor zowel het voortbestaan van de bruisende civiele samenleving in Rusland als voor de samenwerking met de EU;

4.

uit nogmaals zijn teleurstelling over de wet waarbij aan Russische niet-commerciële organisaties die zich bezighouden met politieke activiteiten en die gefinancierd worden uit het buitenland de status van „buitenlandse agent” wordt toegekend; dringt er bij de Russische autoriteiten op aan ngo's niet meer als „buitenlandse agenten” te laten registreren op basis van een wet die het staatstoezicht op ngo's heeft uitgebreid en waarin een vage definitie van politieke activiteiten is opgenomen waardoor ngo's worden gestigmatiseerd en een klimaat wordt gecreëerd dat het maatschappelijk middenveld vijandig gezind is;

5.

is van mening dat de wijdverbreide, gerichte en indringerige inspecties, de confiscatie van eigendommen en het opleggen van administratiefrechtelijke boetes aan Russische ngo's en hun activisten die naar verluidt buitenlandse steun zouden ontvangen, onaanvaardbaar zijn en indruisen tegen het recht op vrijheid van vereniging; hekelt voorts het feit dat er invallen worden uitgevoerd bij en pressie wordt uitgeoefend op een aantal internationale politieke stichtingen; acht het zeer te betreuren dat enkele ngo's reeds voor het gerecht zijn gedaagd, zoals Memorial in Sint-Petersburg, of al zijn veroordeeld, zoals Golos en het Levada Centrum; is bezorgd over de onderzoeken die zijn ingesteld tegen internationale niet-gouvernementele organisaties die actief zijn bij de opbouw van de democratie in Rusland, met inbegrip van internationale instituten;

6.

dringt er bij de Russische autoriteiten op aan deze problemen aan te pakken door de bovengenoemde wetten in overeenstemming te brengen met de internationale normen en de internationale en constitutionele mensenrechtenverplichtingen van Rusland, alsook met zijn eigen grondwet, met name door onnodige wettelijke, administratiefrechtelijke en andere beperkingen op de activiteiten van ngo's te schrappen;

7.

dringt er bij de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, de EDEO en de Commissie op aan tijdens de lopende onderhandelingen over het volgende meerjarig financieel kader en in de loop van de programmeringsfase rekening te houden met de verslechterende situatie van het maatschappelijk middenveld, de gedwongen terugtrekking van andere internationale donoren en de steeds talrijkere verzoeken om steun van de EU, en derhalve te voorzien in een aanzienlijke uitbreiding van de financiële steun van de Unie aan de ngo's en het maatschappelijk middenveld;

8.

is ernstig bezorgd over de negatieve gevolgen van de invoering van een federale wet op „homoseksuele propaganda”, die de discriminatie en het geweld tegen lesbiennes, homo's, biseksuelen, transgenders en interseksuelen zou kunnen doen toenemen;

9.

roept de Russische autoriteiten ertoe op politiek pluralisme, vrije media, de rechtsstaat, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het justitieel apparaat, de vrijheid van meningsuiting en vergadering — ook op het internet — effectieve en onafhankelijke vakbonden en non-discriminatie te waarborgen als een noodzakelijke voorwaarde voor de verdere ontwikkeling en modernisering van Rusland op een zodanige wijze dat het de individuele en collectieve rechten van al haar burgers erkent en beschermt; wijst er nogmaals op dat staten volgens het internationale recht verplicht zijn de financiering van activiteiten van het maatschappelijk middenveld direct of indirect te ondersteunen, met name door het creëren van een gunstig klimaat en zonder hun onafhankelijkheid te belemmeren;

10.

geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over meldingen van politiek gemotiveerde processen, oneerlijke procedures en het niet-onderzoeken van ernstige misdrijven zoals moord, intimidatie en andere gewelddaden, zoals blijkt in de zaken Magnitsky, Chodorkovsky, Politkovskaja en in andere gevallen; dringt er bij de Russische gerechtelijke en rechtshandhavingautoriteiten op aan dat zij hun taken effectief, onpartijdig en onafhankelijk uitvoeren om plegers van misdaden voor het gerecht te brengen;

11.

herinnert aan zijn aanbeveling betreffende gemeenschappelijke visumbeperkingen voor Russische functionarissen die betrokken zijn bij de zaak van Sergej Magnitsky en verzoekt de Raad en de Commissie een EU-breed visumverbod in te stellen tegen — en de in de EU aangehouden financiële tegoeden te bevriezen van — alle functionarissen die betrokken zijn bij de dood van Magnitsky, die postuum wordt vervolgd, alsook jegens andere ernstige mensenrechtenschenders in Rusland; onderstreept dat deze personen niet mogen profiteren van enigerlei visumfaciliteiten in het kader van de desbetreffende overeenkomst tussen de EU en Rusland;

12.

dringt er bij de lidstaten op aan visumaanvragen van vervolgde Russische politieke activisten te vergemakkelijken en positief te beoordelen;

13.

is verheugd over de recente heropening van de procedure in de affaire van de moord op Anna Politkovskaja, meer dan zes jaar nadat ze is neergeschoten, maar deelt de bezorgdheid dat het antwoord op de vraag wie opdracht heeft gegeven tot de moord waarschijnlijk niet aan het licht zal komen;

14.

spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de zaak van Alexei Navalny en betreurt de naar wordt aangenomen politiek gemotiveerde aard van diens vervolging; verzoekt de Russische autoriteiten met klem erop toe te zien dat hem zijn volle rechten worden toegekend en dat zijn proces voldoet aan de internationaal gangbare normen van een eerlijke procesvoering; dringt er in dit verband bij de EU-delegatie en de missies van de lidstaten in Rusland op aan toezicht uit te oefenen op de processen tegen alle mensenrechtenverdedigers, waaronder ook Navalny en anderen, met name op regionaal niveau;

15.

dringt er bij Rusland in verband met de „miljoenenmars” op aan een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de gewelddaden op het Bolotnaya-plein en in het bijzonder een enquête in te stellen naar de beschuldigingen van buitensporig gebruik van geweld tegen demonstranten; uit zijn bezorgdheid over het naar verluidt politiek gemotiveerde karakter van de vervolgingen in verband met de gewelddaden op het Bolotnaya-Plein;

16.

dringt er bij de Russische autoriteiten op aan de vrijheid van de pers en de media zowel online als offline te garanderen, een pluriform medialandschap te bevorderen, zodat mediaplatforms, journalisten en bloggers hun essentiële rol in de Russische samenleving zelfstandig kunnen vervullen, en het vrije verkeer van informatie te waarborgen en de vrijheid van meningsuiting te garanderen; onderstreept het belang van de wetgeving op het gebied van de vrijheid van informatie, die essentieel is voor journalisten en maatschappelijke organisaties om hun rol als waakhonden goed te kunnen vervullen;

17.

roept Rusland op volledig mee te werken aan de speciale procedures van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, onder meer door een permanente uitnodiging te doen uitgaan voor bezoeken aan het land en door positief te reageren op nog in te willigen verzoeken om toegang voor de speciale rapporteurs van de VN inzake de bescherming van mensenrechtenactivisten, de vrijheid van vereniging en vergadering en de vrijheid van meningsuiting in Rusland; roept Rusland ertoe op in te gaan op de aanbevelingen die binnen de Mensenrechtenraad zijn gedaan in het kader van de universele periodieke doorlichting van Rusland om wetgeving die de werkzaamheden van ngo's ongunstig beïnvloedt in te trekken of te herzien en op te houden met de obstructie van mensenrechtenactiviteiten;

18.

verzoekt de Raad de conclusies van de EU-Raad Buitenlandse Zaken inzake de mensenrechten in Rusland aan te nemen, hetgeen bevorderlijk zou zijn om kritische ondersteuning te bieden aan allen die zich in Rusland bezighouden met de bescherming van de mensenrechten en ook om de 27 EU-lidstaten en de EU-instellingen vast te leggen op een gemeenschappelijke boodschap en een gemeenschappelijke strategie met betrekking tot de mensenrechten in Rusland;

19.

dringt er bij Rusland op aan alle mogelijke voorzieningen te treffen om ervoor te zorgen dat alle leden van de Presidentiële Raad voor de mensenrechten, en meer in het algemeen allen die zich inzetten voor de verdediging van de mensenrechten in Rusland, bescherming wordt geboden tegen pesterijen en intimidatie;

20.

spoort de voorzitters van de Raad en de Commissie, alsmede de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, ertoe aan deze zaken van nabij te blijven volgen, deze kwesties binnen verschillende fora en bijeenkomsten met Rusland aan te kaarten en aan het Parlement verslag uit te brengen over hun contacten met de Russische autoriteiten;

21.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.


(1)  PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 37.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0352.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0505.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/154


P7_TA(2013)0285

Azerbeidzjan: de zaak-Ilgar Mammadov

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over Azerbeidzjan: de zaak-Ilgar Mammadov (2013/2668(RSP))

(2016/C 065/21)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Azerbeidzjan, met name die over de mensenrechten en de rechtsstaat,

gezien de gezamenlijke verklaring van 9 februari 2013 van Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en Štefan Füle, commissaris, over de arrestaties van de heer Tofiq Yaqublu, columnist voor een krant en ondervoorzitter van de oppositiepartij Musavat, en van de heer Ilgar Mammadov, leider en presidentskandidaat van de Republikeinse Alternatieve Partij (REAL),

gezien de gezamenlijke verklaring van 7 juni 2013 van de respectieve woordvoerders van Catherine Ashton en commissaris Füle over beteugeling van de vrijheid van meningsuiting in Azerbeidzjan,

gezien de verklaring van 3 mei 2013 van Thorbjørn Jagland, secretaris-generaal van de Raad van Europa, over nieuwe aanklachten tegen de heer Mammadov,

gezien de verklaring van 18 maart 2013 van het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa,

gezien de gezamenlijke verklaring van 52 Azerbeidzjaanse middenveldsorganisaties die om de vrijlating van de heer Mammadov en de heer Yaqublu verzoeken,

gezien de bestaande betrekkingen tussen de EU en Azerbeidzjan, die van 1999 dateren en weerspiegeld worden in de uitvoering van het actieplan in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid (ENB), de oprichting van het Oostelijk Partnerschap, de onderhandelingen over een associatieovereenkomst EU-Azerbeidzjan, en de deelname van Azerbeidzjan aan de Parlementaire Vergadering Euronest,

gezien de lopende onderhandelingen tussen de EU en Azerbeidzjan over een associatieovereenkomst,

gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over „Een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU” (1),

gezien het in het kader van het ENB opgestelde voortgangsverslag 2012 over Azerbeidzjan van 20 maart 2013,

gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de heer Mammadov, leider van de oppositiebeweging REAL en directeur van de politieke hogeschool van de Raad van Europa in Bakoe, en de heer Yaqublu, ondervoorzitter van de oppositiepartij Musavat, op 4 februari 2013 werden gearresteerd door de Azerbeidzjaanse autoriteiten en sindsdien onrechtmatig in hechtenis worden gehouden; overwegende dat de heer Mammadov ervan beschuldigd wordt bij zijn bezoek aan de stad Ismaili te hebben aangezet tot rellen;

B.

overwegende dat zijn initiële voorarrest twee keer werd verlengd met de klaarblijkelijke bedoeling hem tijdens de komende verkiezingen achter de tralies te hebben; overwegende dat Ilgar Mammadov volgens recente berichten in een strafcel is geplaatst, wat doet vermoeden dat hij geviseerd wordt;

C.

overwegende dat de algemene mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan er stelselmatig op achteruit is gegaan de afgelopen jaren, ondanks de goedkeuring van het ENB-actieplan, met toenemende druk op en intimidatie van ngo's en onafhankelijke media, wat heeft gezorgd voor angst bij veel oppositieleden en voorvechters van de mensenrechten, alsook bij jongeren en activisten die actief zijn op sociale netwerken, met zelfcensuur bij journalisten tot gevolg;

D.

overwegende dat de heer Mammadov voor zijn arrestatie was aangewezen als de kandidaat van de oppositiepartij REAL voor de presidentsverkiezingen in Azerbeidzjan in oktober 2013;

E.

overwegende dat mensenrechtenactivisten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld de arrestatie van Mammadov onrechtmatig en politiek gemotiveerd noemen, en spreken van een poging tot intimidatie van de oppositie;

F.

overwegende dat de Commissie, de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en de regeringen van de lidstaten hun ernstige bezorgdheid over deze zaak hebben uitgesproken;

G.

overwegende dat de EU haar ernstige bezorgdheid over de manipulatie van de rechterlijke macht voor politieke doeleinden heeft uitgesproken;

H.

overwegende dat de vertegenwoordiger van de Raad van Europa in Bakoe niet werd toegelaten tot de eerste rechtszitting in februari 2013, en dat een groep ambassadeurs van de Raad van Europa die Azerbeidzjan onlangs bezocht geen toestemming kreeg om Ilgar Mammadov te ontmoeten;

I.

overwegende dat de vrijheid van zowel de digitale als reguliere pers en media een cruciaal onderdeel is van een democratische en open samenleving en essentieel is voor de bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat;

J.

overwegende dat journalisten, bloggers, activisten en andere onafhankelijke denkers onverminderd geconfronteerd worden met ernstige beperkingen van hun vrijheid van meningsuiting in Azerbeidzjan en moeten vrezen voor vervolging op grond van valse aanklachten, voor pesterijen, intimidatie en fysieke aanvallen;

K.

overwegende dat er sinds 2006 niet meer betoogd mag worden in het centrum van Bakoe, en dat er onlangs nieuwe, strenge boetes en langere periodes van administratieve aanhouding zijn ingevoerd voor organisatoren en deelnemers van ongeoorloofde publieke bijeenkomsten;

L.

overwegende dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten onlangs hebben gevraagd de status van de missie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) in Bakoe te verlagen tot „programmacoördinatiebureau”, wat wordt beschouwd als een poging om de verwachte kritiek van de OVSE op de presidentsverkiezingen in oktober 2013 te temperen;

M.

overwegende dat het parlement van Azerbeidzjan, het Milli Mejlis, tegen de gemaakte afspraken in een herziening van de strafwet heeft doorgevoerd die maakt dat smaad op het internet tot drie jaar cel kan leiden, een maatregel die een bijkomende belemmering creëert voor het functioneren van onafhankelijke en onpartijdige media in Azerbeidzjan;

N.

overwegende dat Azerbeidzjan momenteel deelneemt aan het overleg met de Commissie van Venetië van de Raad van Europa over de hervorming van de smaadwetgeving in het land, die zich opdringt naar aanleiding van twee arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mensen ten nadele van Azerbeidzjan; overwegende dat het Azerbeidzjaanse parlement niettemin nieuwe wetswijzigingen heeft aangenomen die de toepassing van smaadbepalingen op online meningsuiting vergemakkelijken;

O.

overwegende dat Azerbeidzjan lid is van de Raad van Europa en in 2014 het roterende voorzitterschap van deze organisatie zal uitoefenen, en overwegende dat het land partij is bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens;

P.

overwegende dat Azerbeidzjan actief deelneemt aan het ENB en het Oostelijk Partnerschap, betrokken is bij de onderhandelingen over een associatieovereenkomst en bij de bevordering van samenwerkingsinitiatieven in het kader van het Oostelijk Partnerschap, een stichtend lid is van Euronest, en zich ertoe verbindt de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat, stuk voor stuk essentiële waarden van deze initiatieven, te eerbiedigen;

Q.

overwegende dat Azerbeidzjan nieuwe wetten heeft aangenomen waarin de definitie van smaad wordt verruimd, de regels betreffende de financiering van ngo's worden aangescherpt, en strengere straffen voor inbreuken in verband met openbare bijeenkomsten worden ingevoerd;

R.

overwegende dat Azerbeidzjan voor de periode 2012-2013 als niet-permanent lid zitting heeft in de VN-Veiligheidsraad en zich ertoe heeft verbonden de in het Handvest van de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de rechten van de mens verankerde waarden in ere te houden;

S.

overwegende dat 2013 een belangrijk verkiezingsjaar is voor Azerbeidzjan, dat zich ertoe heeft verbonden het algemene klimaat voor democratische verkiezingen te verbeteren;

1.

benadrukt dat de volwaardige eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat centraal staat in het kader voor samenwerking met het Oostelijk Partnerschap en in de toezeggingen van Azerbeidzjan binnen de Raad van Europa en de OVSE;

2.

veroordeelt de hechtenis van de heer Mammadov stellig, dringt aan op zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating, roept de Azerbeidzjaanse autoriteiten op de man niet langer te vervolgen en de aanklachten tegen hem op snelle, billijke, transparante en onafhankelijke wijze te onderzoeken;

3.

verzoekt de EU de Republiek Azerbeidzjan bij te staan en verder te ondersteunen in haar inspanningen voor de versterking van de democratie en de rechtsstaat en voor de hervorming van het gerechtelijk apparaat en de rechtshandhavingssystemen, met bijzondere aandacht voor de bescherming van de mensenrechten;

4.

toont zich zeer bezorgd over de berichten van mensenrechtenactivisten en binnenlandse en internationale ngo's over valse aanklachten tegen politici, activisten en journalisten;

5.

veroordeelt de intimidatie, aanhouding, hechtenis en vervolging van leiders en leden van oppositiepartijen, activisten, journalisten en bloggers op grond van het loutere feit dat ze hun mening hebben geuit en hun fundamentele rechten en vrijheden hebben uitgeoefend conform internationale normen;

6.

verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten de vrijheid van zowel de digitale als reguliere pers en media ten volle te eerbiedigen en de vrijheid van meningsuiting te waarborgen;

7.

verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten hun smaadwetgeving te herzien en smaad in de toekomst te bestraffen met evenredige boetes, niet met opsluiting;

8.

verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten de vrijheid van vergadering van de Azerbeidzjaanse bevolking ten volle te eerbiedigen;

9.

ondersteunt de lopende onderhandelingen over een associatieovereenkomst EU-Azerbeidzjan en herhaalt zijn standpunt dat een dergelijke overeenkomst clausules en benchmarks dient te omvatten met betrekking tot de bescherming en de bevordering van de mensenrechten, met name op het vlak van de vrijheid van media, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van vergadering, die aansluiten bij de beginselen en rechten die zijn verankerd in de grondwet van Azerbeidzjan, alsook bij de toezeggingen die Azerbeidzjan deed binnen de Raad van Europa en de OVSE;

10.

roept de Azerbeidjaanse autoriteiten op de verkiezingswetgeving, de vrijheid van vergadering, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van media af te stemmen op de internationale normen en te zorgen voor de volledige handhaving ervan;

11.

verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om het „meer voor meer”-beginsel strikt toe te passen, met bijzondere nadruk op inclusieve, vrije en eerlijke verkiezingen, een onafhankelijke rechterlijke macht, democratische hervormingen, fundamentele rechten en vrijheden, en om duidelijk aan te geven wat de gevolgen zijn indien de nodige hervormingen uitblijven;

12.

dringt er bij de Azerbeidjaanse autoriteiten op aan zich nog meer in te spannen voor een hervorming van alle aspecten van het rechtsstelsel: vervolging, proces, vonnis, hechtenis en beroep;

13.

verzoekt Commissievoorzitter Barroso Azerbeidzjan aan te spreken op de bedenkelijke mensenrechtensituatie in het land, met verwijzing naar het meest recente voortgangsverslag in het kader van het ENB, dit tijdens het geplande bezoek van president Ilham Aliev aan Brussel;

14.

staat achter het werk van de EDEO en roept de EU-delegatie in Bakoe op nauw te blijven toezien op de zorgpunten inzake de mensenrechten tijdens het komende verkiezingsproces, steun te betuigen aan mensenrechtenactivisten door evenementen van het maatschappelijk middenveld bij te wonen en zich namens hen uit te spreken, rechtszaken op de voet te volgen, en de vrijheid van media te bevorderen, onder meer door erop aan te dringen dat onafhankelijke radio- en televisiezenders tijdens de verkiezingscampagne ongestoord kunnen uitzenden;

15.

verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten om het Mensenrechtenhuis van Azerbeidzjan onvoorwaardelijke toestemming te geven zijn activiteiten te hervatten, en om het Centrum voor verkiezingstoezicht en democratische studies en de Mensenrechtenclub officieel te registreren, zonder verder uitstel of administratieve hinderpalen;

16.

roept de Azerbeidzjaanse autoriteiten op alle arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het land na te leven;

17.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Dienst voor extern optreden, de Europese Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de Republiek Azerbeidzjan, de Raad van Europa, de OVSE en de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/157


P7_TA(2013)0286

Situatie van de Rohingya-moslims

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over de situatie van de Rohingya-moslims (2013/2669(RSP))

(2016/C 065/22)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Birma/Myanmar, met name die van 20 april 2012 (1), 13 september 2012 (2) en 22 november 2012 (3),

gezien zijn resolutie van 23 mei 2013 over de hernieuwde toekenning aan Myanmar/Birma van de voordelen van algemene tariefpreferenties (4),

gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU van 22 april 2013 over Myanmar/Birma,

gezien de verklaring van 27 november 2012 van de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, over de resolutie van 2012 van de Algemene Vergadering van de VN over de situatie van de mensenrechten in Myanmar,

gezien de verklaring die de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, op 1 juni 2013 aflegde over de overeenkomst gesloten tussen de regering van Myanmar/Birma en de Onafhankelijkheidsbeweging van Kachin,

gezien de verklaring van 9 augustus 2012 van de commissaris van de EU voor internationale samenwerking, humanitaire hulp en crisisbestrijding, Kristalina Georgieva, over de situatie van de Rohingya-moslims,

gezien het eindverslag van het delegatiebezoek aan Birma/Myanmar van 3 tot 5 april 2013 door de Subcommissie mensenrechten,

gezien de beperkende maatregelen van de Europese Unie, neergelegd in Besluit 2010/232/GBVB van de Raad van 26 april 2010 en laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1083/2011 van de Raad van 27 oktober 2011,

gezien de verklaring die de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, op 23 maart 2013 aflegde over de gewelddadige conflicten in de plaats Meiktila in Birma/Myanmar,

gezien de verklaring die de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, op 2 april 2013 aflegde over het bericht van de dood van 13 kinderen die waren omgekomen bij een brand in een moslimschool in Birma,

gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

gezien het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol hierbij van 1967,

gezien resolutie 67/233 van 24 december 2012 van de Algemene Vergadering van de VN over de situatie van de mensenrechten in Myanmar,

gezien de oproep van de UNHCR van 13 november 2012 aan de regeringen in Zuidoost-Azië om hun grenzen open te houden voor personen die Birma over zee ontvluchten,

gezien het verslag van 6 maart 2013 van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties over de mensenrechtensituatie in Birma/Myanmar, alsmede zijn verklaring van 11 juni 2013 dat „de schendingen van de mensenrechten van de Rohingya's in de staat Rakhine op omvangrijke en stelselmatige wijze worden gepleegd”,

gezien de verklaring van Aun San Suu Kyi van 27 mei 2013 over het „tweekindbeleid” voor Rohingya-moslims,

gezien het besluit van de ASEAN-top van november 2011 om het voorzitterschap van de ASEAN in 2014 toe te kennen aan Birma/Myanmar,

gezien het rapport van Human Rights Watch getiteld „All You Can Do is Pray: Crimes Against Humanity and Ethnic Cleansing of Rohingya Muslims in Burma’s Arakan State” van 22 april 2013,

gelet op de artikelen 122, lid 5, en 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de vervolging van en het geweld tegen de Rohingya-minderheid steeds erger worden, vooral in de vorm van vernietiging van eigendom en van gebedshuizen, massale arrestaties, willekeurige opsluiting, marteling, verkrachting en het beperken van de bewegingsvrijheid, de huwelijksrechten en de toegang tot onderwijs;

B.

overwegende dat het religieus geweld dat begon in de staat Rakhine zich over het land heeft verspreid; overwegende dat tussen maart en mei 2013 verschillende aanvallen op moslims zijn gemeld in de divisie Rangoon, Mandalay en Bago, alsmede in de staten Kachin en Shan, met als gevolg 46 doden en meer dan 14 000 ontheemden;

C.

overwegende dat het sektarisch geweld zich nu heeft verspreid naar een nieuwe regio in Birma, getuige het feit dat winkels in de stad Lashio in de staat Shan op 28 mei 2013 door een menigte in brand zijn gestoken en drie Rohingya-vrouwen in de plaats Parein op 4 juni 2013 door de politie zijn gedood bij een conflict over huisvesting voor leden van de ontheemde minderheid;

D.

overwegende dat meer dan 130 000 ontheemde Rohingya's in kampen en andere gebieden verblijven en de regering van Birma/Myanmar slechts in beperkte en ontoereikende mate humanitaire hulp aan de getroffen Rohingya-bevolking toelaat; overwegende dat veel Rohingya's in gebieden moeten verblijven die regelmatig overstromen, waar zij blootgesteld zijn aan moessonregens en cyclonen; overwegende dat zij niet naar huis terug kunnen keren vanwege het aanhoudende geweld of omdat hun huizen zijn vernietigd, ofwel omdat zij door veiligheidstroepen worden belet de kampen te verlaten waar zij worden vastgehouden;

E.

overwegende dat tienduizenden Rohingya's over zee zijn gevlucht om aan de vervolging te ontkomen, en overwegende dat honderden van hen om het leven zijn gekomen door zinkende boten of doordat zij weer de zee opgejaagd werden; overwegende dat bijna 1 700 Rohingya's die Birma ontvluchtten volgens berichten onder mensonterende omstandigheden worden vastgehouden in Thaise detentiecentra voor immigranten;

F.

overwegende dat de onafhankelijke onderzoekscommissie die in augustus 2012 is opgericht om het sektarisch geweld in de staat Rakhine te onderzoeken op 23 april 2013 een rapport heeft uitgebracht met aanbevelingen om de spanningen te verminderen, maar niettemin heeft geweigerd de Rohingya-identiteit te erkennen, geen verantwoordelijken heeft aangewezen voor de mensenrechtenschendingen tijdens de onlusten, zich uitsprak voor een „tijdelijke scheiding” van de moslim- en boeddhistische gemeenschappen, en de aanbeveling deed om onaanvaardbare geboortebeperkingsprogramma's voor moslims in te voeren;

G.

overwegende dat de president van Myanmar/Birma U Thein Sein in een toespraak op 6 mei 2013 de belofte deed dat zijn regering de grondrechten van moslims in de staat Rakhine zou garanderen, en dat hij weliswaar enkele stappen heeft ondernomen om de burgerrechten in het land uit te breiden, maar dat de dramatische situatie van de Rohingya's, en van de interetnische betrekkingen in het algemeen, het gehele hervormingsproces in Birma/Myanmar in gevaar zou kunnen brengen; overwegende dat geloofwaardige onafhankelijke berichten wijzen op de medeplichtigheid van de autoriteiten van Birma/Myanmar aan misdaden tegen de menselijkheid gericht tegen de Rohingya-bevolking, die ertoe hebben geleid dat de staat Rakhine grotendeels naar religie is opgesplitst;

H.

overwegende dat de regering van Birma/Myanmar onlangs heeft aangekondigd het tweekindbeleid opnieuw te zullen invoeren; overwegende dat dit door de speciale rapporteur van de VN over de mensenrechten in Birma/Myanmar, Tomás Ojea Quintana, is veroordeeld als een discriminerende dwangmaatregel tegen de Rohingya's in de staat Rakhine, die een schending inhoudt van de fundamentele mensenrechten van de Rohingya's en van de internationale verplichtingen en verbintenissen op het gebied van de mensenrechten;

I.

overwegende dat de internationale gemeenschap er bij de regering van Birma/Myanmar op heeft aangedrongen haar wet op het staatsburgerschap van 1982 te herzien, om ervoor te zorgen dat de Rohingya's niet langer staatloos zijn en de diepere oorzaken van de al lang bestaande discriminatie tegen de Rohingya-bevolking worden aangepakt;

J.

overwegende dat dr. Tun Aung, een 65-jarige arts en gerespecteerd leider in de gemeenschap in de staat Rakhine, in juni 2012 werd gearresteerd en veroordeeld tot 17 jaar gevangenisstraf op grond van beschuldigingen die door een groot aantal mensenrechtengroeperingen, waaronder Amnesty International, zijn gekenschetst als politiek gemotiveerd;

K.

overwegende dat volgens het rapport van 22 april 2013 van Human Rights Watch getiteld „All You Can Do is Pray: Crimes Against Humanity and Ethnic Cleansing of Rohingya Muslims in Burma’s Arakan State”, de misdaden die vorig jaar tegen de Rohingya's zijn begaan, naar verluidt ook door overheidsinstanties, neerkomen op misdaden tegen de menselijkheid en etnische zuivering; overwegende dat in dit rapport ook bewijzen worden vermeld voor vier massagraven in de staat Rakhine, daterend uit 2012;

L.

overwegende dat de pers- en mediavrijheid, zowel online als offline, een cruciale rol spelen bij het opsporen en documenteren van mensenrechtenschendingen en het ter verantwoording roepen van regeringen;

M.

overwegende dat volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens eenieder het recht heeft om in geval van vervolging asiel aan te vragen;

1.

veroordeelt de ernstige schendingen van de mensenrechten en het geweld tegen de Rohingya-moslims in Birma/Myanmar en roept alle partijen op zich te onthouden van geweld;

2.

spreekt zijn medeleven uit met de slachtoffers van het geweld en de onrechtmatige vervolging in Birma/Myanmar;

3.

wijst op de stappen die president U Thein Sein en andere hervormers in Birma/Myanmar in de loop van het jaar hebben ondernomen om democratische hervormingen door te voeren; betreurt echter dat de regering niet in staat is geweest om de Rohingya's te beschermen tegen het georganiseerde geweld, en roept de regering en de gehele samenleving van Birma/Myanmar op om ogenblikkelijk een einde te maken aan de mensenrechtenschendingen, en de plegers van de gewelddadige aanvallen en andere gerelateerde misdaden voor het gerecht te brengen;

4.

dringt er bij de regering van Birma/Myanmar op aan ervoor te zorgen dat haar veiligheidsdiensten alles in het werk stellen om de Rohingya-moslims te beschermen tegen gewelddadigheden; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de beschuldigingen dat leden van de veiligheidsdiensten van Birma/Myanmar hebben deelgenomen aan de gewelddadigheden, en herhaalt zijn dringende oproep om met hulp van de Verenigde Naties een volledig en onafhankelijk onderzoek naar deze beschuldigingen uit te voeren;

5.

benadrukt dat dringend maatregelen moeten worden genomen met het oog op de humanitaire risico's waar alle ontheemden in Birma/Myanmar mee te maken hebben, en met name de Rohingya's; herhaalt zijn oproep aan de regering van Birma/Myanmar om VN-agentschappen en humanitaire ngo's, alsmede journalisten en diplomaten, ongehinderd toegang te verlenen tot alle delen van het land, waaronder de staat Rakhine, en onbeperkte en volledige toegang te waarborgen voor humanitaire steun aan alle gemeenschappen die getroffen worden door conflicten en sektarisch geweld; roept de autoriteiten van Myanmar/Birma op de omstandigheden in de ontheemdenkampen van de Rohingya's met spoed te verbeteren;

6.

dringt er bij alle landen in de regio op aan hun internationale verplichtingen met betrekking tot de rechten van vluchtelingen na te komen, hun grenzen open te stellen voor Rohingya's die asiel zoeken en ze tenminste tijdelijke bescherming te bieden, en tevens de regering van Birma/Myanmar te helpen bij het vinden van duurzame, rechtvaardige oplossingen voor de onderliggende oorzaken;

7.

roept de regering van Thailand op onmiddellijk een einde te maken aan de onmenselijke opsluiting van minstens 1 700 Rohingya-asielzoekers en ze toegang te verlenen tot vluchtelingenagentschappen van de VN; betreurt het feit dat de regering van Thailand tot nu toe geen toestemming heeft gegeven aan de UNHCR om onderzoek te doen ter vaststelling van de vluchtelingenstatus van Rohingya-asielzoekers;

8.

dringt er bij de regering van Birma/Myanmar op aan de vestiging van een OHCHR-kantoor toe te staan, met bijkantoren in de staten, om een goede controle van de mensenrechtensituatie in het land mogelijk te maken;

9.

verwelkomt de belofte van president U Thein Sein dat alle geweldplegers vervolgd zullen worden, alsmede zijn inzet voor een multiculturele, multi-etnische en multireligieuze samenleving; roept de president op verdere maatregelen te nemen om de rechtsstaat door te voeren en de achterliggende oorzaken van het geweld aan te pakken;

10.

is ingenomen met de mededeling van president U Thein Sein van 4 juni 2013 dat alle politieke gevangenen in Birma/Myanmar zullen worden vrijgelaten; herhaalt zijn standpunt dat de vrijlating van alle politieke gevangenen, waaronder dr. Tun Aung, onmiddellijk en onvoorwaardelijk moet plaatsvinden, met volledige toekenning van hun rechten en vrijheden;

11.

dringt er bij de regering op aan te blijven werken aan duurzame oplossingen voor de onderliggende oorzaken van de spanningen, waaronder maatregelen om de status van de Rohingya's te regelen, en deze te implementeren; herhaalt zijn eerdere oproepen voor een wijziging of herroeping van de wet op het burgerschap van 1982, om te garanderen dat de Rohingya's gelijke toegang hebben tot het burgerschap van Birma/Myanmar, met zowel rechten als plichten, en de gewijzigde of vervangen wet te laten aansluiten bij internationale normen op het gebied van de mensenrechten en met de verplichtingen van het land uit hoofde van artikel 7 van het VN-Verdrag voor de rechten van het kind;

12.

uit kritiek op de verklaring van de minister van Immigratie Khin Yi van 11 juni 2013, waarin hij zijn steun uitspreekt voor de herinvoering van het tweekindbeleid;

13.

verwelkomt de recente verklaring van oppositieleider Aung San Suu Kyi tegen de herinvoering van het tweekindbeleid voor Rohingya's, en dringt er bij de regering van Birma/Myanmar op aan deze regel ogenblikkelijk in te trekken, tegelijk met andere dwingende of discriminerende beleidsmaatregelen, regels, voorschriften of wetten;

14.

benadrukt het belang van wets- en administratieve wijzigingen om ervoor te zorgen dat een zo groot mogelijk deel van de bevolking van Birma/Myanmar, dus ook minderheden, deelneemt aan de verkiezingen van 2014;

15.

verzoekt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger deze kwestie op het hoogst mogelijke politieke niveau aan te kaarten bij haar ontmoetingen met vertegenwoordigers van Birma/Myanmar en andere ASEAN-landen;

16.

herinnert eraan dat de Europese Unie recentelijk het stelsel van algemene preferenties (SAP) voor Birma/Myanmar opnieuw heeft ingesteld; herhaalt dat deze preferenties zijn gebonden aan voorwaarden op het gebied van de eerbiediging van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten; dringt er bij de Commissie op aan nauwlettend in het oog te houden welke voortgang de autoriteiten van Myanmar/Birma boeken bij de naleving van deze voorwaarden;

17.

verzoekt de Commissie om, wanneer zij bij het Parlement en de Raad een gedelegeerde handeling indient die tot doel heeft de SAP-regelingen voor Birma/Myanmar na 31 december 2013 voort te zetten, dit voorstel vergezeld te laten gaan van een verslag dat aantoont dat er geen sprake is van ernstige en systematische schendingen van de beginselen neergelegd in de verdragen die worden genoemd in de SAP-verordening, met specifieke aandacht voor de Rohingya's;

18.

verzoekt de Commissie om op doeltreffende en omvattende manier te beoordelen wat de gevolgen zijn van de geplande bilaterale investeringovereenkomst voor de mensenrechten, voordat zij haar voorstel voor onderhandelingsrichtsnoeren indient, alsook om het Parlement en maatschappelijke organisaties nauw bij dit proces te betrekken;

19.

verwacht dat de EDEO het Parlement regelmatig raadpleegt en op de hoogte houdt van het proces tot instelling van een mensenrechtendialoog met Birma/Myanmar; vraagt de EDEO en de lidstaten een lijst op te stellen van gedetailleerde normen op het gebied van de mensenrechten om de voortgang van het hervormingsproces in Myanmar/Birma te kunnen beoordelen; benadrukt dat verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en de regering van Birma/Myanmar pas kan plaatsvinden als merkbare vooruitgang wordt geboekt, met name wat betreft de situatie van de Rohingya's;

20.

roept op tot een substantiële en zichtbare betrokkenheid van maatschappelijk organisaties, waarin ook de Rohingya's vertegenwoordigd moeten zijn, bij de Task Force EU-Birma/Myanmar die later dit jaar wordt opgericht, waarbij moet worden voortgebouwd op de ervaringen van de Task Force EU-Egypte;

21.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regering en het parlement van Birma/Myanmar, de vice-voorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van de EU, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Birma/Myanmar, de secretaris-generaal van de ASEAN, de intergouvernementele commissie voor de mensenrechten van de ASEAN, de speciale vertegenwoordiger van de VN voor de mensenrechten in Myanmar/Birma, de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN, de VN-Raad voor de mensenrechten en de regeringen en parlementen van andere landen in de regio.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0142.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0355.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0464.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0218.


AANBEVELINGEN

Europees Parlement

Dinsdag 11 juni 2013

19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/162


P7_TA(2013)0234

Aanbeveling aan de Raad met betrekking tot de 68e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties

Aanbeveling van het Europees Parlement van 11 juni 2013 aan de Raad over de 68e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (2013/2034(INI))

(2016/C 065/23)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en met name de artikelen 21 en 34,

gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad over de 68e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN), ingediend door Alexander Graf Lambsdorff namens de ALDE-Fractie (B7-0083/2013),

gezien Besluit nr. 2011/168/CFSP van de Raad van 21 maart 2011 betreffende het Internationaal Strafhof en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2003/444/CFSP,

gezien de prioriteiten van de EU voor de 66e zitting van de AVVN, vastgesteld door de Raad op 23 juli 2012 (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 10 september 2003 met als titel „De Europese Unie en de Verenigde Naties: kiezen voor multilateralisme” (COM(2003)0526),

gezien de 67e zitting van de AVVN, met name de daarbij aangenomen resoluties over het wapenhandelsverdrag (2), de vierjaarlijkse grondige beleidsevaluatie van de operationele activiteiten voor ontwikkeling van de Verenigde Naties (3), vrijheid van godsdienst en overtuiging (4), bevordering van een democratische en faire internationale orde (5), verbetering van de internationale samenwerking op het vlak van de mensenrechten (6), de rechtsstaat op nationaal en internationaal niveau (7) en vrouwen, ontwapening, non-proliferatie en wapenbeheersing (8),

gezien de resolutie van de AVVN van 3 mei 2011 over de deelname van de Europese Unie aan de werkzaamheden van de Verenigde Naties (9),

gezien de resolutie van de AVVN van 31 oktober 2003, waarbij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie werd aangenomen (10),

gezien resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad (VNVR) over vrouwen, vrede en veiligheid, aangenomen op 31 oktober 2000,

gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 5 juli 2012 over de bevordering en bescherming van en de beschikking over de mensenrechten op het internet, waarin het belang van de bescherming van de mensenrechten en de vrije informatiestroom op het internet wordt erkend,

gezien zijn aanbeveling van 13 juni 2012 aan de Raad over de 67e zitting van de AVVN (11),

gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 18 april 2013 over het VN-beginsel van „verantwoordelijkheid tot bescherming” (Responsibility to Protect, R2P) (12),

gezien zijn resolutie van 11 mei 2011 over de EU als wereldspeler: de rol van de EU in multilaterale organisaties (13),

gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van de democratisering (14),

gezien zijn resolutie van 7 februari 2013 over de 22e zitting van de VN-Mensenrechtenraad (15),

gezien het verslag van de gezamenlijke delegatie van de Commissie buitenlandse zaken en de Subcommissie mensenrechten naar de 67e zitting van de Algemene Vergadering van de VN, van 28—29 oktober 2012,

gezien artikel 121, lid 3, en artikel 97 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0202/2013),

A.

overwegende dat er gezien de toenemende mondialisering en onderlinge verbondenheid van staten en samenlevingen een groeiende behoefte bestaat aan en groeiende mogelijkheden zijn voor gemeenschappelijke regels en besluitvormingsmechanismen om de zich aandienende mondiale uitdagingen gezamenlijk te kunnen aanpakken;

B.

overwegende dat de versplintering van de mondiale beleidsvorming, in combinatie met een toenemend aantal internationale en transnationale fora, nieuwe complicaties schept in internationale betrekkingen;

C.

overwegende dat de EU zich inzet voor effectief multilateralisme met als kern een sterk VN-systeem; overwegende dat de VN in de mondiale governance centraal staat;

D.

overwegende dat een solide en stabiel partnerschap tussen de EU en de VN een belangrijke basis vormt voor en een bijdrage levert aan het werk van de VN voor elk van de drie pijlers — vrede en veiligheid, mensenrechten en ontwikkeling — en dat de EU in deze context haar verantwoordelijkheid moet opnemen en moet meewerken aan de uitwerking van gemeenschappelijke benaderingen voor mondiale uitdagingen;

E.

overwegende dat de eerbiediging, de bevordering en de vrijwaring van de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten hoekstenen zijn van het internationale optreden van de EU; overwegende dat democratie en de rechtsstaat fundamenteel zijn voor een duurzame vrede, die de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden garandeert;

1.

beveelt de Raad het volgende aan:

De EU als wereldspeler

(a)

de samenhang en zichtbaarheid van de EU als wereldspeler binnen de VN permanent te garanderen; de EU beter in staat te stellen om op het wereldtoneel gecoördineerd, snel en grondig te handelen en consequent en tijdig te presteren; te zorgen voor de volledige uitvoering van de resolutie van de AVVN van 3 mei 2011 over de deelname van de EU aan de werkzaamheden van de Verenigde Naties;

(b)

effectief multilateralisme te bevorderen door de representativiteit, transparantie, verantwoordingsplicht, efficiëntie en effectiviteit van de VN te versterken, met het oog op de verbetering van de prestaties van de VN ter plaatse; te denken aan de noodzaak van een nieuw institutioneel evenwicht tussen de steeds belangrijker rol van de G-20, de VN en de VN-agentschappen, en de internationale financiële instellingen;

(c)

actievere betrekkingen te onderhouden met strategische en andere bilaterale en multilaterale partners, met als doel doeltreffende oplossingen te vinden voor problemen en waar mogelijk met het oog op betere resultaten collectieve inspanningen te leveren;

De EU en mondiale governance

(d)

samenwerking met partners te bevorderen om van de VN een effectievere en hechtere organisatie voor de 21e eeuw te maken;

(e)

een grondige en consensuele hervorming van de VNVR te bevorderen; een concreet voorstel te doen voor de verwezenlijking van een belangrijke, langlopende doelstelling van de EU, namelijk een gemeenschappelijke EU-zetel in een uitgebreide VNVR; hiertoe het initiatief te nemen voor de formulering van een gezamenlijk standpunt van de EU-lidstaten; door te gaan met het bevorderen van de transparantie en een betere coördinatie van het beleid en de standpunten van de Europese leden van de VNVR; ervoor te zorgen dat de EU-lidstaten met een permanente zetel in de VNVR de zienswijzen en standpunten van de Unie uitdragen, zodat de EU binnen de VNVR op gecoördineerde wijze kan optreden;

(f)

gecoördineerde inspanningen te blijven leveren om de rol en de invloed van de AVVN te versterken en haar doeltreffendheid en efficiëntie te vergroten, onder meer door haar werkmethoden te verbeteren;

(g)

te zorgen voor meer institutionele betrokkenheid van andere belanghebbenden (vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, de academische wereld) bij het werk van de AVVN; het VN-systeem te versterken door de voorradige civiele deskundigheid te verbreden en te verdiepen;

(h)

stimulansen te verstrekken voor de uitvoering van de plicht van elk land om betalingen van transnationale ondernemingen, met name in de banksector en de ontginningsindustrie, die geregistreerd of genoteerd staan op financiële markten in de nationale rechtsgebieden van partners, openbaar te maken;

Vrede en veiligheid

(i)

de integratie van een vredesopbouwperspectief in vredeshandhavingsoperaties te bevorderen en de coördinatie tussen vredeshandhavingsoperaties en VN-landenteams en ontwikkelingsactoren te verbeteren;

(j)

samen te werken om de rol en het vermogen van regionale organisaties bij vredeshandhaving, conflictpreventie, civiel en militair crisisbeheer en conflictoplossing te versterken; gezamenlijke evaluatiemissies te bevorderen en de samenwerking tussen de EU en haar partners (zoals de Afrikaanse Unie en subregionale organisaties, de NAVO, de OVSE, de Asean, de Celac, de Arabische Liga enz.) bij conflictpreventie en in landen in een postconflictsituatie te versterken;

(k)

de Verenigde Naties op verzoek ondersteuning van de EU-gevechtsgroepen voor vredesafdwingende missies te verlenen en ervoor te zorgen dat de lidstaten ten volle meewerken aan het inzetten van die groepen voor missies waarvoor de VNVR of de AVVN toestemming heeft verleend;

(l)

ervoor te zorgen dat er in de mandaten van vredeshandhavingsmissies rekening wordt gehouden met de noodzakelijke ondersteuning van verkiezingsprocessen en onder meer verkiezingswaarnemingsmissies;

(m)

ernaar te streven het R2P-beginsel tot een nieuwe norm in het internationaal recht te maken binnen het kader dat tijdens de wereldtop van 2005 tussen de VN-lidstaten is overeengekomen;

(n)

ervoor te zorgen dat de eventuele verdere ontwikkeling en toepassing van het R2P-beginsel volledig in overeenstemming zijn met het internationaal humanitair recht, en tegelijkertijd streven naar de universele toepasbaarheid van dit beginsel als een instrument voor preventieve diplomatie en een motor voor menselijke ontwikkeling;

(o)

gevolg te geven aan de voorstellen van het Parlement in zijn aanbeveling aan de Raad inzake het VN-beginsel van „verantwoordelijkheid tot bescherming” (R2P) (16) en samen te werken met partners om ervoor te zorgen dat het R2P-concept gericht is op preventie, bescherming en wederopbouw na conflicten in verband met zorgwekkende situaties inzake genocide, etnische zuivering, oorlogsmisdaden of misdrijven tegen de menselijkheid, maar nooit als voorwendsel wordt gebruikt om particuliere of nationale belangen of de belangen van internationale coalities te bevorderen op basis van geostrategische of economische overwegingen met het oog op een machtswisseling; landen te helpen hiervoor capaciteit op te bouwen;

(p)

criteria op te stellen die bij de tenuitvoerlegging van het R2P-concept en met name de derde pijler, met inbegrip van militaire interventies, in acht moeten worden genomen, zoals proportionaliteit, een voorafgaande verduidelijking van de beleidsdoelstellingen en het gebruik van grondige effectbeoordelingen;

(q)

de politieke rol van de EU op het wereldtoneel te versterken door een actieve rol te spelen op het vlak van preventieve diplomatie;

(r)

te eisen dat alle partijen, of dit nu landen zijn of niet, die rechtstreeks en onrechtstreeks bij gewapende conflicten betrokken zijn, hun verplichtingen uit hoofde van het internationale recht ten volle nakomen en onder meer de humanitaire ruimte veiligstellen en onbelemmerde toegang tot humanitaire hulp garanderen voor mensen die in nood verkeren, met bijzondere aandacht voor de bescherming van burgers, en zich inzetten voor een vreedzame en diplomatieke oplossing van alle soorten conflicten;

(s)

resoluties 1325 (2000) en 1820 (2008) van de VNVR over vrouwen, vrede en veiligheid te ondersteunen; de nadruk te leggen op en te zorgen voor de deelname van vrouwen aan vredesprocessen; te erkennen dat er genderperspectieven moeten worden aangebracht in conflictpreventie, vredeshandhaving, humanitaire hulpverlening en wederopbouw na conflicten;

(t)

met de VN samen te werken om wereldwijde veiligheidsbedreigingen zoals de proliferatie van kernwapens, georganiseerde misdaad en terrorisme aan te pakken; zich meer in te spannen om de onderhandelingen over een alomvattend verdrag over internationaal terrorisme af te ronden;

(u)

samen te werken met multilaterale en bilaterale partners om krachtig en effectief de druk op te voeren om onmiddellijk een eind te maken aan de schending van de mensenrechten en het geweld in Syrië; met partners, in het bijzonder de VS, Turkije en de Arabische Liga, alle opties met betrekking tot de uitvoering van het R2P-beginsel te onderzoeken om het Syrische volk te helpen en het bloedvergieten te stoppen; de Syrische regering en al wie bij de crisis betrokken is onder druk te zetten om het internationale humanitaire recht volledig na te leven en snelle, grensoverschrijdende humanitaire hulpverlening, essentiële openbare dienstverlening en onbeperkte toegang voor humanitaire organisaties mogelijk te maken; de internationale partners ertoe op te roepen hun financiële verbintenissen met betrekking tot hulpverlening aan Syrische vluchtelingen na te komen, zodat de UNHCR en andere organisaties de nodige bijstand kunnen bieden; met partners te overleggen hoe de gevolgen van de Syrische crisis voor de buurlanden zo veel mogelijk kunnen worden beperkt;

(v)

de inspanningen van de regio en de internationale gemeenschap om een politieke oplossing te vinden voor het conflict in Mali te bevorderen, in overeenstemming met de relevante resoluties van de VNVR, en steun te verlenen voor een democratische overgang door de overgangsinstellingen te consolideren, een inclusieve nationale dialoog en verzoening te stimuleren — onder meer door bemiddeling — en vrije, eerlijke en transparante verkiezingen te bevorderen; ook steun te verlenen voor de initiatieven betreffende de territoriale integriteit van Mali en de veiligheid van de bevolking van dit land; het belang te onderstrepen van het handhaven van de stabiliteit in de Sahelregio en van het voorkomen van negatieve gevolgen voor de stabiliteit van de buurlanden van Mali; zijn optreden nauwgezet te coördineren met dat van regionale en internationale partners, onder wie de Afrikaanse Unie en de ECOWAS; steun te verlenen voor de deelname van de EU-lidstaten aan een door de VN geleide vredeshandhavingsmissie, onder meer om binnen de EUTM Mali militaire training te geven aan Malinese strijdkrachten, en de EU-lidstaten hiertoe aan te moedigen; hulp te blijven verlenen aan de Misma (internationale ondersteuningsmissie ten behoeve van Mali onder Afrikaanse leiding);

(w)

zich te verheugen over het wapenhandelsverdrag dat de AVVN op 2 april 2013 heeft aangenomen en dat van toepassing zal zijn op een breed scala van wapens en op munitie; de snelle ondertekening, ratificering en daadwerkelijke en wereldwijde uitvoering van dit wapenhandelsverdrag door alle VN-lidstaten, inclusief de belangrijkste wapenproducerende landen ter wereld, actief te bevorderen; het voortouw te nemen bij de vastlegging van de hoogste gemeenschappelijke normen — onder meer met betrekking tot de situatie van de mensenrechten in ontvangende landen — voor de reglementering van de internationale handel in wapens en voor de bestrijding van de illegale wapenhandel, met als doel conflicten te voorkomen, menselijk lijden en corruptie te verminderen en bij te dragen tot de internationale vrede en veiligheid;

(x)

meer inspanningen te leveren voor multilaterale verbintenissen om het aantal kernwapens te verminderen;

Mensenrechten, democratie en de rechtstaat

(y)

de internationale inspanningen te versterken die erop gericht zijn te bereiken dat alle door VN-verdragen beschermde mensenrechten als universeel, ondeelbaar, van elkaar afhankelijk en met elkaar verbonden worden beschouwd en dat de eerbiediging ervan wordt afgedwongen; zich te verzetten tegen pogingen om het humanitaire recht in het kader van de strijd tegen terrorisme uit te hollen; de algemene opname van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de digitale vrijheden, in alle aspecten van het werk van de VN te bevorderen;

(z)

het proces van de universele periodieke toetsing (Universal Periodic Review, UPR) proberen te versterken door aanbevelingen te integreren in zijn bilaterale en multilaterale dialogen met VN-lidstaten en met name de mensenrechtendialogen; een milieu tot stand te brengen waarin ngo's in staat worden gesteld hun bijdrage te leveren aan de verschillende stadia van het UPR-proces;

(aa)

onverdraagzaamheid, negatieve stereotypering, stigmatisering, discriminatie en aanzetten tot geweld te bestrijden; met grote bezorgdheid de toename van het geweld tegen leden van religieuze en andere gemeenschappen in verschillende delen van de wereld te erkennen;

(ab)

beperkingen van de pers- en mediavrijheid wereldwijd aan te pakken; geweld tegen journalisten en bloggers te bestrijden; de vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, te waarborgen en bevorderen;

(ac)

universele steun voor het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC) te bevorderen en te streven naar een versterking van het functioneringsvermogen van het ICC om de straffeloosheid voor misdrijven tegen de menselijkheid terug te dringen;

(ad)

het engagement voor een op de rechtsstaat gebaseerde internationale orde te stimuleren, aangezien dit essentieel is voor het vreedzaam naast elkaar bestaan van staten en voor de totstandbrenging van staten met een groter herstellingsvermogen en duurzame vrede; in dit verband voor ogen te houden dat ondersteuning van de democratie en eerbiediging van de rechtsstaat niet los van elkaar kunnen worden gezien en dan ook als doelstelling van het buitenlands beleid van de EU moeten worden bevorderd;

(ae)

ondersteuning van staten, op hun verzoek, bij de binnenlandse tenuitvoerlegging van hun respectieve internationale verplichtingen te versterken door betere technische bijstand en de opbouw van instellingen en capaciteit;

(af)

de aanbevelingen op te volgen van de politieke verklaring die in september 2012 werd aangenomen tijdens de vergadering op hoog niveau inzake de rechtsstaat; de oprichting van het gezamenlijke universele aanspreekpunt voor de rechtsstaat te ondersteunen; de rol van de Rule of Law Coordination and Resource Group van de VN bij de algehele coördinatie en samenhang volledig te ondersteunen, onder meer om versnippering tussen diensten te vermijden (Departement politieke zaken, Ontwikkelingsprogramma van de VN enz.);

(ag)

voor ogen te houden dat corruptie een schending van de mensenrechten is en dat de Europese Unie een exclusieve bevoegdheid heeft geëist voor de ondertekening van het VN-verdrag tegen corruptie; de HV/VV te verzoeken een EU-actieplan tegen corruptie voor te leggen om doeltreffend toezicht te houden op de aanbevelingen in het verdrag, bijvoorbeeld door de lidstaten ertoe te verplichten informatie over corruptie bekend te maken en te verspreiden; kanalen voor het melden van dergelijke schendingen in het leven te roepen, een rechtskader voor de bescherming van getuigen tot stand te brengen en mechanismen uit te werken om de deelname van het maatschappelijk middenveld te waarborgen;

Duurzame ontwikkeling

(ah)

bij te dragen tot een betere samenhang van het ontwikkelingsbeleid en tot een verbetering van de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de consequente bestrijding van armoede, aangezien deze kwesties essentieel blijven om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDO's) te halen;

(ai)

de evaluatie en het beheer van de beperking van het risico op rampen verwerken in ontwikkelingsstrategieën, om de levens en bestaansmiddelen van bevolkingen veilig te stellen;

(aj)

de koppeling van noodhulp, rehabilitatie, de beperking van het risico op rampen en ontwikkeling verbeteren en de coördinatie tussen humanitaire en ontwikkelingsactoren versterken om de continuïteit van steun te verzekeren en veerkracht op te bouwen, hetgeen duidelijk nodig is gebleken uit de terugkerende voedselcrises in de Sahel-regio en de Hoorn van Afrika;

(ak)

te streven naar de volledige uitvoering van de resultaten van de Rio+20-conferentie, onder andere door duurzame ontwikkeling te bevorderen als het leidende beginsel voor mondiale ontwikkeling op de lange termijn; de internationale verbintenis van de EU en de lidstaten om ongeacht de impact van de financiële en economische crisis op de EU-27 0,7 % van het bbp aan ontwikkelingshulp te besteden, na te komen;

(al)

samen te werken om het politiek forum op hoog niveau voor duurzame ontwikkeling op tijd operationeel te maken teneinde de continue controle en evaluatie van de vorderingen bij het verwezenlijken van de vooropgestelde doelen te coördineren;

(am)

de algemene toegang tot water en betaalbare en duurzame energiediensten bevorderen, aangezien deze belangrijke drijvende krachten zijn achter armoedebestrijding en inclusieve groei;

(an)

op samenhangende en gecoördineerde wijze te werken aan de agenda voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling voor de periode na 2015; te onderhandelen over één enkel pakket met doelstellingen voor duurzame ontwikkeling die een mondiaal bereik hebben en actiegericht, meetbaar, tijdgebonden en gemakkelijk uit te leggen zijn; te streven naar doelstellingen waarin duurzaamheid, billijkheid en governance zijn opgenomen;

(ao)

het initiatief van de voorzitter van de AVVN te ondersteunen om het maatschappelijk middenveld tijdens de 68e zitting van de AVVN in 2013 in het kader van een speciaal evenement over de verwezenlijking van de MDO's een ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 voor te stellen; een dergelijk evenement zou een goede gelegenheid vormen om de civiele samenleving te raadplegen en mogelijkheden kunnen scheppen om voor wat de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en het ontwikkelingsproces voor de periode na 2015 betreft, een gelijklopend pad in te slaan;

(ap)

het nieuwe samenwerkingskader voor na 2015 voorzien van een voorspelbare en realistische financieringsagenda, die in verhouding staat tot de overeengekomen doelstellingen;

Mondiale samenwerking tussen parlementen

(aq)

het onderlinge contact tussen regeringen en parlementen met betrekking tot mondiale kwesties te bevorderen; mondiale governance te versterken en de burgers en parlementen meer te laten deelnemen aan de VN-activiteiten;

Algemene overwegingen

(ar)

beter gevolg te geven aan de door het Parlement aangenomen aanbevelingen, onder meer door de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) te vragen om het Parlement elk jaar verslag uit te brengen over de resultaten van de zitting van de AVVN;

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en — ter informatie — aan de Commissie.


(1)  Raad van de Europese Unie 9820/1/12.

(2)  Resolutie A/RES/67/234 van de AV van de VN.

(3)  Resolutie A/RES/67/226 van de AV van de VN.

(4)  Resolutie A/RES/67/179 van de AV van de VN.

(5)  Resolutie A/RES/67/175 van de AV van de VN.

(6)  Resolutie A/RES/67/169 van de AV van de VN.

(7)  Resolutie A/RES/67/97 van de AV van de VN.

(8)  Resolutie A/RES/67/48 van de AV van de VN.

(9)  Resolutie A/RES/65/276 van de AV van de VN.

(10)  Resolutie A/RES/58/4 van de AV van de VN.

(11)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0240.

(12)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0180.

(13)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0229.

(14)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0334.

(15)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0055.

(16)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0180.


Donderdag 13 juni 2013

19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/168


P7_TA(2013)0278

Evaluatie van 2013 van de organisatie en het functioneren van de EDEO

Aanbeveling van het Europees Parlement van 13 juni 2013 aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vicevoorzitter van de Commissie, de Raad en de Commissie over de evaluatie in 2013 van de organisatie en het functioneren van de EDEO (2012/2253(INI))

(2016/C 065/24)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 27, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), dat voorziet in de oprichting van een Europese dienst voor extern optreden (EDEO) die de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid bijstaat,

gezien artikel 21, lid 3, VEU waarin is bepaald dat de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de Raad en de Commissie bijstaat om de samenhang tussen de diverse onderdelen van het externe optreden van de Unie te verzekeren,

gezien artikel 26, lid 2, VEU waarin is bepaald dat de Raad en de hoge vertegenwoordiger toezien op de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie,

gezien artikel 35, derde alinea, VEU waarin is bepaald dat de diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie bijdragen tot de uitvoering van het recht op bescherming van de burgers van de Unie op het grondgebied van derde landen,

gezien artikel 36 VEU waarin is bepaald dat de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vicevoorzitter van de Commissie (hierna hv/vv) het Europees Parlement regelmatig raadpleegt over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, het Parlement informeert over de ontwikkeling van de beleidsmaatregelen en erop toeziet dat de opvattingen van het Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen,

gezien artikel 42 TEU waarin is bepaald dat de hv/vv bevoegd is om voorstellen te doen op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, waaronder het opzetten van missies, waarbij gebruik kan worden gemaakt van nationale middelen en van instrumenten van de Unie,

gezien artikel 13, lid 3, van het Besluit van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (hierna EDEO-besluit), waarin is bepaald dat de hoge vertegenwoordiger uiterlijk medio 2013 een evaluatie uitvoert van de organisatie en de werking van de EDEO, onder meer ook de toepassing van artikel 6, leden 6 en 8, met betrekking tot geografisch evenwicht, indien nodig vergezeld van voorstellen tot herziening van dit besluit,

gezien de artikelen 298 en 336 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin de wetgevingsprocedure voor personeelszaken wordt vastgesteld,

gezien de verklaring van de hv/vv over politieke verantwoordingsplicht (hierna hv/vv-verklaring) (1),

gezien het overeenkomstig artikel 6, lid 9, van het EDEO-besluit opgestelde verslag van 24 juli 2012 over de personeelsbezetting van de EDEO voor 2012,

gezien artikel 97 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A7-0147/2013),

A.

overwegende dat het Verdrag van Lissabon de doelstelling vaststelt om de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het externe optreden van de Unie te waarborgen;

B.

overwegende dat de EDEO een nieuwe dienst is met een hybride structuur, die een beroep doet op communautaire en intergouvernementele middelen en in de EU de eerste in zijn soort is; overwegende dat daarom niet kan worden verwacht dat de dienst twee jaar na zijn oprichting reeds optimaal functioneert; overwegende dat een evaluatie van de organisatie en werking van de dienst gebaseerd moet zijn op eerlijke en opbouwende kritiek;

C.

overwegende dat het succes van de EDEO moet worden afgemeten naar zijn vermogen om een integraal antwoord van de EU te bieden op de uitdagingen en verantwoordelijkheden van het extern beleid en om efficiënter gebruik te maken van de schaarse middelen door nauwere samenwerking en schaalvoordelen op Europees en nationaal niveau;

D.

overwegende dat de drieledige rol van de hv/vv de meest tastbare uiting is van dit streven naar een grotere samenhang in het externe optreden van de EU;

E.

overwegende dat de huidige structuur binnen de Commissie niet naar behoren is afgestemd op de specifieke rol van de hv/vv in het externe optreden van de EU;

F.

overwegende dat de uiteenlopende taken die in het Verdrag van Lissabon aan de hv/vv zijn toevertrouwd de aanwijzing van (een) politieke adjunct(en) vereisen om de hv/vv bij de uitoefening van zijn/haar taken bij te staan;

G.

overwegende dat de operationele besluitvorming en beleidsvoering op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid/het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GBVB/GVDB) om structurele en procedurele redenen te langzaam verlopen; overwegende dat dit opnieuw duidelijk is geworden tijdens de crisis in Mali, toen de besluitvorming langzaam verliep en financieringsbesluiten niet onverwijld werden goedgekeurd en uitgevoerd;

H.

overwegende dat de EDEO een gestroomlijnde, resultaatgerichte, efficiënte structuur moet krijgen die steun voor politiek leiderschap kan bieden op het gebied van externe betrekkingen, inzonderheid met betrekking tot het GBVB, en de besluitvorming in de Raad vergemakkelijkt; overwegende dat de EDEO daarom op korte termijn op gecoördineerde wijze expertise moet kunnen verstrekken vanuit verschillende diensten, ook binnen de Commissie; overwegende dat de huidige structuur van de EDEO te topzwaar is en te veel besluitvormingsniveaus telt;

I.

overwegende dat de mogelijkheden voor snelle inzet van de EU-gevechtsgroepen nog niet worden benut;

J.

overwegende dat de in het verleden opgedane ervaring duidelijk aantoont dat voor het uitvoeren van GVDB-missies een permanent hoofdkwartier in Brussel nodig is;

K.

overwegende dat bij de Arabische revoluties duidelijk is geworden dat de EU niet in staat is om op korte termijn een herschikking van de middelen, met inbegrip van personeel, te verzekeren om het hoofd te bieden aan nieuwe politieke prioriteiten; overwegende dat de omvang en beroepsprofielen van de EU-delegaties afgestemd moeten zijn op de strategische belangen van de Unie;

L.

overwegende dat de rol van de EDEO bij de vaststelling van strategische richtsnoeren en de tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU moet worden versterkt overeenkomstig de krachtlijnen van het buitenlands beleid;

M.

overwegende dat het belang van een betere coördinatie en goed bestuur op het gebied van ontwikkelingsaangelegenheden op internationaal niveau moet worden bevestigd, om de EU in staat te stellen met één stem te spreken en aan zichtbaarheid te winnen;

N.

overwegende dat de EDEO met name in een tijd van begrotingsbesparingen een katalysator moet zijn voor meer synergie, niet alleen binnen het institutionele kader van de EU, maar ook tussen de EU en haar lidstaten;

O.

overwegende dat de EDEO, nu de regeringen van de lidstaten hun diplomatieke en consulaire aanwezigheid drastisch verminderen, moet worden gezien en benut als een kans om nauwere samenwerking en synergie te bevorderen;

P.

overwegende dat meer inspanningen moeten worden gedaan om overlappingen in de werkzaamheden en structuur van de EDEO, de Commissie (met name DG DEVCO en het Europees Bureau voor humanitaire hulp ECHO) en het Secretariaat van de Raad te voorkomen;

Q.

overwegende dat de doelstelling dat een derde van het personeel afkomstig moet zijn uit de lidstaten is bereikt; overwegende dat de drie groepen personeelsleden (afkomstig van de Commissie, het Secretariaat van de Raad en de nationale diplomatieke diensten) evenredig over alle niveaus en tussen delegaties en hoofdkwartier moeten worden gespreid;

R.

overwegende dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in AD- en hogere functies, en oververtegenwoordigd zijn in AST-functies;

S.

overwegende dat elke wijziging van de voorschriften met betrekking tot het personeel moet worden goedgekeurd via de gewone wetgevingsprocedure;

T.

overwegende dat de EDEO duidelijk inspanningen moet doen om lessen uit vorige operationele ervaringen te trekken en daarnaar te handelen, met name op het gebied van conflictpreventie, conflictbemiddeling, crisisbeheer, verzoening en vredesopbouw;

U.

overwegende dat nu, tweeënhalf jaar na de goedkeuring van de hv/vv-verklaring, een grondige evaluatie moet worden verricht van de politieke verantwoordingsplicht van de EDEO tegenover het Parlement, met name in hoeverre het Parlement wordt geraadpleegd over strategische besluiten en in welke mate rekening wordt gehouden met zijn standpunten en opmerkingen;

V.

overwegende dat deze evaluatie ook moet onderzoeken hoe verbetering kan worden gebracht in de verantwoording van de hv/vv en EDEO-ambtenaren tegenover het Parlement en zijn organen, en in de manier waarop de EDEO gevolg geeft aan de resoluties van het Parlement;

W.

overwegende dat het van essentieel belang is dat parlementair toezicht wordt uitgeoefend op het buitenlands beleid van de EU opdat het externe optreden van de Unie door haar burgers beter wordt begrepen en gesteund; overwegende dat parlementair toezicht de legitimiteit van het externe optreden versterkt;

X.

overwegende dat de huidige financiële procedures in de delegaties flexibiliteit missen, hetgeen negatieve gevolgen heeft voor de werklast van het personeel;

1.

beveelt de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter, de Raad en de Commissie het volgende aan, rekening houdend met het feit dat aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij het opzetten van de EDEO, maar dat nog meer kan worden gedaan ter bevordering van synergie, coördinatie tussen de instellingen en politiek leiderschap bij de combinatie van de taken van hoge vertegenwoordiger, vicevoorzitter van de Commissie en voorzitter van de Raad Buitenlandse Zaken, door het instrumentele karakter van de dienst te versterken;

Ten aanzien van leiderschap en een rationelere en efficiëntere structuur van de diplomatieke dienst voor de 21e eeuw

2.

de hv/vv te ondersteunen bij de uitoefening van de vele taken die hem/haar overeenkomstig het VEU zijn toevertrouwd, door de aanwijzing van (een) politieke adjunct(en), die verantwoording moet(en) afleggen aan het Parlement en voor de bevoegde commissie van het Parlement verschijnen alvorens zijn hun ambt aanvatten, en die bevoegd zijn om namens de hv/vv op te treden; te waarborgen dat de RELEX-commissarissen de hv/vv kunnen vertegenwoordigen voor parlementaire aangelegenheden en in de internationale betrekkingen; voorts de mogelijkheid te overwegen om de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten te betrekken bij specifieke taken en opdrachten namens de Unie, teneinde de gezamenlijke EU-standpunten kracht bij te zetten;

3.

de hiërarchische structuur van de EDEO te vereenvoudigen en de rol van zijn uitvoerend secretaris-generaal uit te breiden door een duidelijke gezagsstructuur vast te stellen die een doeltreffende besluitvorming en tijdige beleidsrespons mogelijk maakt, in dit verband de taken van directeur-generaal administratie en directeur administratie te rationaliseren, de hiërarchische structuur van de beheersdirectoraten te vereenvoudigen, de bevoegdheden binnen de beheersstructuur van de EDEO duidelijk af te bakenen en de huidige op de Bestuursraad gebaseerde structuur te herzien, om de efficiëntie, transparantie en samenhang van de besluitvorming te verbeteren; in dezelfde geest, ervoor te zorgen dat de hv/vv politiek advies krijgt, bijvoorbeeld via een Politieke Raad, van alle relevante institutionele actoren, dat hem/haar inzicht geeft in de gevolgen van door de EDEO te ondernemen acties;

4.

de coördinerende rol van de hv/vv alsook zijn/haar rol als initiatiefnemer en politiek leiderschap te verbeteren door ervoor te zorgen dat hij/zij binnen de volgende Commissie zijn/haar bevoegdheden als vicevoorzitter van de Commissie ten volle kan uitoefenen en belast wordt met het voorzitterschap van de RELEX-groep, uitgebreid met andere commissarissen die betrokken zijn bij externe betrekkingen, om de praktijk van gezamenlijke voorstellen en gezamenlijke besluiten verder te ontwikkelen;

5.

ten volle gebruik te maken van de synergie van de EDEO en in deze context de mogelijkheid te overwegen van besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over GBVB-zaken, zoals bepaald in artikel 31, lid 2, VEU en na te gaan of de stemming bij gekwalificeerde meerderheid over GBVB-kwesties via de desbetreffende overbruggingsclausule kan worden uitgebreid;

6.

ervoor te zorgen dat de EDEO in overeenstemming met artikel 9, lid 3, van het EDEO-besluit een voortrekkersrol speelt bij het vaststellen van de strategieën voor de relevante externe financieringsinstrumenten en over de nodige expertise beschikt om op dit gebied een leidende rol op zich te nemen;

7.

tegelijkertijd het communautaire karakter van het nabuurschapsbeleid te handhaven, rekening houdend met het feit dat het Parlement de intergouvernementalisering van Uniebeleid afwijst en de Commissie krachtens het Verdrag hoofdverantwoordelijk is om namens de Unie over internationale overeenkomsten te onderhandelen;

8.

de coördinatie tussen de Dienst instrumenten buitenlands beleid en de EDEO verder te verbeteren;

9.

ervoor te zorgen dat de speciale vertegenwoordigers van de Europese Unie (SVEU's) nauw worden betrokken bij het werk van de EDEO door de vertegenwoordigers en hun staf in de structuur van de EDEO te verankeren en hen zo vaak mogelijk ook de taak van hoofd van de EU-delegatie toe te vertrouwen;

10.

een grondige en systematische evaluatie te verrichten met het oog op de harmonisatie van de door de Commissie en het Secretariaat van de Raad opgezette structuren voor extern beleid, teneinde de huidige overlappingen weg te werken en kostenefficiëntie te bevorderen; de resultaten van deze evaluatie voor te leggen aan het Parlement;

11.

in dezelfde geest de praktijk van gemeenschappelijke technische en logistieke diensten van de instellingen verder te ontwikkelen, met het oog op schaalvoordelen en een efficiëntere werking; in eerste instantie de verschillende logistieke diensten van de Commissie en de EDEO voor vroegtijdige waarschuwing, risicobeoordeling en veiligheidstaken met betrekking tot feiten buiten de Unie, samen te brengen in één enkele gezamenlijke structuur, waarin die diensten gehouden zijn om samen te werken;

12.

in overleg met de lidstaten na te gaan hoe op middellange tot lange termijn schaalvoordelen kunnen worden verwezenlijkt tussen de diplomatieke diensten van de lidstaten en de EDEO in derde landen, ook wat betreft het verstrekken van consulaire diensten;

13.

te kiezen voor een samenhangende aanpak wat betreft het voorzitterschap van werkgroepen van de Raad en een einde te maken aan het roulerende voorzitterschap van deze groepen;

14.

in overeenstemming met artikel 24 VEU ervoor te zorgen dat de lidstaten in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun geven aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, het optreden van de Unie eerbiedigen en de EDEO bij de uitvoering van zijn taken ondersteunen;

15.

daartoe nauwere samenwerking met de lidstaten aan te moedigen en gezamenlijke politieke rapportage tussen delegaties en ambassades te bevorderen;

Ten aanzien van de passende structuur voor een geïntegreerde aanpak

16.

de mogelijkheden van het Verdrag van Lissabon ten volle te benutten door te streven naar een geïntegreerde aanpak waarbij diplomatieke, economische en ontwikkelingsinstrumenten alsook — in laatste instantie en in overeenstemming met het VN-Handvest — militaire middelen worden ingezet voor gemeenschappelijke strategische beleidsdoelstellingen, om de veiligheid en welvaart van met name de EU-burgers en het nabije en verdere nabuurschap te beschermen en te bevorderen; in deze context te zorgen voor samenhang tussen maatregelen op korte en langere termijn; er voorts voor te zorgen dat de EDEO de capaciteit heeft voor strategisch denken en om voorstellen te doen voor de tenuitvoerlegging van belangrijke vernieuwingen waarin het Verdrag van Lissabon voorziet, bijvoorbeeld het toevertrouwen van de tenuitvoerlegging van bepaalde taken aan groepen capabele lidstaten en de ontwikkeling van permanente gestructureerde samenwerking, inclusief het gebruik van gevechtsgroepen;

17.

daartoe verder te werken aan het opzetten van een passende structuur (bv. een Crisiscomité) die zowel conflictpreventie, crisisrespons, vredesopbouw, de betrokken externe beleidsinstrumenten en de instrumenten van het veiligheidsbeleid en het GVDB omvat en de coördinatie verzekert met de geografische eenheden, delegaties en andere beleidsondersteunende afdelingen die betrokken zijn bij crisisbeheer, voortbouwend op het concept van het Crisisplatform; algemene samenhang binnen de EDEO te verzekeren en overlappingen te voorkomen; voorts een betere interinstitutionele coördinatie en duidelijke afbakening van de taken te verzekeren;

18.

te zorgen voor een doeltreffende en geïntegreerde planning en snellere besluitvorming voor GVDB-operaties, door de desbetreffende planningscapaciteiten van het Directoraat crisisbeheersing en planning (CMDP) en het civiele plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC) samen te voegen; daarnaast te zorgen voor een permanente uitvoeringsstructuur door de oprichting van een permanent militair operationeel hoofdkwartier, gecombineerd met een civiele uitvoeringscapaciteit, om de doeltreffende uitvoering van militaire en civiele operaties te verzekeren en tegelijk hun respectieve hiërarchische structuren te vrijwaren;

Ten aanzien van de hervorming van de financiële procedures met het oog op doeltreffend extern optreden

19.

ten volle gebruik te maken van de flexibiliteit die het Financieel Reglement biedt met betrekking tot het financieel beheer van administratieve en operationele uitgaven zodat delegatiehoofden, indien de omstandigheden dit vereisen, taken kunnen delegeren aan hun adjunct of aan personeelsleden van de Commissie, hetgeen het beheer en de goede werking van de delegaties ten goede zou komen en delegatiehoofden zou toelaten zich op hun politieke taken te concentreren;

20.

de procedures voor het beheer van GBVB-middelen bij de Dienst instrumenten buitenlands beleid te bespoedigen, teneinde een flexibele en snelle respons in crisissituaties te verzekeren en er met name voor te zorgen dat civiele GVDB-operaties onverwijld en op efficiënte wijze worden uitgevoerd; in dit verband na te gaan of wijzigingen in het Financieel Reglement kunnen worden aangebracht zonder afbreuk te doen aan de transparantie;

21.

de flexibiliteit en reactiviteit van de externe EU-steun te verbeteren door de regels voor de besluitvorming inzake programmering en uitgaven uit hoofde van de externe financieringsinstrumenten te herzien;

22.

de financiële aansprakelijkheid te verbeteren door te zorgen voor volledige transparantie voor alle GBVB-begrotingslijnen, inclusief GVDB-operaties, SVEU's, non-proliferatie en conflictpreventie;

Ten aanzien van de delegaties

23.

de EDEO meer inspraak te geven in de (her)toewijzing van personeelsleden van de Commissie aan de EU-delegaties, om ervoor te zorgen dat de omvang en de beroepsprofielen van de delegaties afgestemd zijn op de strategische belangen en politieke prioriteiten van de Unie;

24.

het nodige te doen om te verzekeren dat hoofden van EU-delegaties worden aangesteld op grond van hun verdiensten en gedegen kennis van de belangen, waarden en beleidsvormen van de Unie, zodat alleen gemotiveerde en uiterst bekwame en efficiënte personen voor deze gevoelige functies worden geselecteerd;

25.

ervoor te zorgen dat het delegatiehoofd met name in delegaties die slechts een beperkt aantal EDEO-personeelsleden tellen, personeel van de Commissie overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het EDEO-besluit ook kan belasten met politieke analyses en politieke rapportage;

26.

in deze context het gezag van de delegatiehoofden uit te breiden tot het volledige personeelsbestand, met inbegrip van het personeel van de Commissie, en ervoor te zorgen dat het delegatiehoofd alle instructies ontvangt die door het hoofdkwartier worden uitgevaardigd;

27.

de mogelijkheden van het EDEO-besluit en het VEU ten volle te benutten, met name door de coördinerende rol van de delegaties te versterken, vooral in crisissituaties, en door hen in staat te stellen consulaire bescherming te bieden aan EU-burgers uit lidstaten die in een bepaald land geen vertegenwoordiging hebben; ervoor te zorgen dat bijkomende taken niet ten koste gaan van de middelen voor bestaande beleidsvormen, instellingen en prioriteiten op EU-niveau;

28.

nu de meeste EU-delegaties een contactpunt voor de mensenrechten hebben, ervoor te zorgen dat de mensenrechten en met name de rechten van de vrouw worden geïntegreerd in de aanpak van elke delegatie en elk bureau in de EU; voorts zichtbaarheid te geven aan de Europese cultuur, op basis van haar verscheidenheid; er waar nodig voor te zorgen dat de EU-delegaties onder hun huidige personeel beschikken over een verbindingsofficier voor het Europees Parlement die ermee wordt belast de delegaties van het Parlement in derde landen passende ondersteuning te bieden en onderzoeken in te stellen, uitgaande van het beginsel dat EU-delegaties alle EU-instellingen op dezelfde wijze vertegenwoordigen;

29.

voorts te verzekeren dat delegaties beschikken over expertise op de beleidsterreinen (bv. klimaatverandering, energiezekerheid, sociaal en arbeidsbeleid, cultuur, enz.) die van belang zijn voor de betrekkingen van de EU met het land in kwestie;

30.

ervoor te zorgen dat, in voorkomend geval, elke delegatie een veiligheids- en defensieattaché heeft, met name waar delegaties in politiek instabiele of wankele situaties moeten werken of waar onlangs een GVDB-missie is afgerond, teneinde continuïteit van de werking en passend toezicht op de politieke situatie te verzekeren;

31.

verzoekt de hv/vv opdracht te geven voor een evaluatie van de veiligheidsmaatregelen en -vereisten bij de EU-delegaties in het buitenland, om te waarborgen dat veiligheidsbesluiten worden genomen door de EDEO en niet door externe veiligheidsondernemingen;

Ten aanzien van de toepassing van de Verklaring over politieke verantwoordingsplicht

32.

in overeenstemming met de in juni 2010 in Madrid gesloten vierpartijenovereenkomst toe te zien op de volledige en daadwerkelijke nakoming van de verplichting van artikel 36 VEU om ervoor te zorgen dat de opvattingen van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen, bijvoorbeeld door een proactieve en systematische raadpleging van de bevoegde commissie van het Parlement vóór de goedkeuring van strategieën en mandaten op het gebied van het GBVB/GVDB;

33.

toe te zien op volledige politieke rapportage van de delegaties van de Unie aan de belangrijkste bevoegde personen in het Parlement, met gereguleerde toegang;

34.

ervoor te zorgen dat het Parlement overeenkomstig artikel 218, lid 10, VWEU in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle wordt geïnformeerd over de onderhandelingen met het oog op internationale overeenkomsten, met inbegrip van overeenkomsten op het gebied van het GBVB;

35.

gezien de positieve ervaringen met het verschijnen van nieuwe delegatiehoofden en SVEU's voor de AFET-commissie alvorens hun taken aan te vatten, deze praktijk uit te breiden tot nieuwe hoofden van GVDB-missies en -operaties;

36.

erop toe te zien dat nieuwe delegatiehoofden na hun aanstelling door de hv/vv door de bevoegde commissie van het Parlement officieel in hun ambt worden bevestigd alvorens zij hun taken aanvatten;

37.

vóór elke bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken systematisch van gedachten te wisselen met de bevoegde commissie van het Parlement en na elke Raadsbijeenkomst bij deze commissie verslag uit te brengen;

Ten aanzien van opleiding en het bevorderen van een Europese diplomatieke korpsgeest

38.

gemeenschappelijke opleidingsprogramma's en andere concrete maatregelen te bevorderen zodat een Europese korpsgeest kan groeien bij het EDEO-personeel dat een uiteenlopende diplomatieke cultuur en institutionele achtergrond heeft, en de mogelijkheid van gezamenlijke opleidingsinitiatieven voor EDEO-personeel en nationale diplomaten te overwegen als permanente bijscholing;

39.

in deze geest de bestaande onderwijs- en opleidingsprogramma's op Europees en nationaal niveau te herzien en te consolideren naast de bestaande opleidingen van de Europese veiligheids- en defensieacademie;

Ten aanzien van de personeelsvoorziening

40.

de inspanningen met het oog op een beter genderevenwicht voort te zetten en te intensiveren, daarbij terdege rekening houdend met verdienste en bekwaamheid; het belang te onderstrepen van een evenwicht op het niveau van de delegatiehoofden en andere managementsfuncties; overgangsmaatregelen in te voeren en een actieplan uit te werken om begeleidingsprogramma's, speciale opleidingen en een gezinsvriendelijke werkomgeving te bevorderen, teneinde de vertegenwoordiging van vrouwen te verbeteren en de structurele hinderpalen voor hun diplomatieke carrière weg te werken;

41.

alle nodige maatregelen te nemen om de geografische vertegenwoordiging in leidinggevende posities en in alle andere rangen en functies gelijk te trekken, met als doel een gedeelde politieke verantwoordelijkheid voor de EDEO bij ambtenaren en personeelsleden uit de lidstaten te bevorderen en aan te moedigen, in overeenstemming met artikel 6, leden 6 en 8, van het EDEO-besluit;

42.

aangezien de doelstelling dat een derde van het personeel afkomstig moet zijn uit de lidstaten is bereikt, ervoor te zorgen er op managementsniveau geen concentratie aan personeel uit de nationale ministeries ontstaat, om aldus carrièremogelijkheden voor iedereen te creëren, en zich nu in de eerste plaats in te zetten voor het aanwerven van nieuw, vast EU-personeel; in dat verband na te gaan wat de mogelijkheden zijn voor nationale diplomaten die bij de EDEO werken om te solliciteren op vaste posten binnen de dienst;

43.

zich te verzetten tegen alle pogingen tot inmenging van de lidstaten in de aanwervingsprocedure voor EDEO-personeel, om een echte Europese korpsgeest te ontwikkelen en te verzekeren dat de dienst alleen gemeenschappelijke Europese belangen nastreeft; ervoor te zorgen dat de EDEO nu de overgangsperiode is afgelopen eigen, onafhankelijke aanwervingsprocedures kan ontwikkelen, die ook open staan voor ambtenaren van alle EU-instellingen en voor externe kandidaten, via algemene vergelijkende onderzoeken;

44.

in het licht van de bijzondere rol die het Parlement speelt bij het bepalen van de doelstellingen en fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de bevoegdheden van het Parlement als begrotingsautoriteit, zijn rol in het democratisch toezicht op het buitenlands beleid en zijn ervaring met parlementaire externe betrekkingen, met name de mogelijkheid te overwegen om ambtenaren van het Europees Parlement per 1 juli 2013 op voet van gelijkheid met ambtenaren van de Raad en de Commissie toe te laten te solliciteren op ambten van de EDEO;

45.

ervoor te zorgen dat de EDEO beschikt over de passende combinatie van vaardigheden voor conflictrespons, met name door het ontwikkelen van vaardigheden op het gebied van bemiddeling en dialoog;

Op langere termijn

46.

vraagt dat, in de context van een toekomstige overeenkomst, de verdere ontwikkeling van het GBVB/GVDB en van de rol van de EDEO, inclusief een naamsverandering, op de agenda wordt geplaatst;

o

o o

47.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB C 210 van 3.8.2010, blz. 1.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/174


P7_TA(2013)0279

Bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of overtuiging

Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 13 juni 2013 over de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging (2013/2082(INI))

(2016/C 065/25)

Het Europees Parlement,

gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad, ingediend door Laima Liucija Andrikienė, namens de PPEFractie, over de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging (B7-0164/2013),

gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en Algemene Opmerking nr. 22 van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties (1),

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien de conclusies van de Raad over intolerantie, discriminatie en geweld op grond van religie of overtuiging van 2009 en 2011 (2),

gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012 door de Raad zijn aangenomen (3),

gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2011 getiteld „Een centrale plaats voor mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU — voor een meer doeltreffende aanpak” (COM(2011)0886),

gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 13 juni 2012 over de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten (4) en het Besluit van de Raad 2012/440/CFSP van 25 juli 2012 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten (5),

gezien zijn resolutie van 13 december 2012 over de herziening van de mensenrechtenstrategie van de EU (6),

gezien zijn resoluties over de jaarverslagen over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake (7),

gezien artikel 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging („de richtsnoeren”),

gezien artikel 121, lid 3, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0203/2013),

A.

overwegende dat in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald dat de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationale recht de leidraad vormen voor al het extern optreden van de EU;

B.

overwegende dat het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, inclusief theïstische, niet-theïstische en atheïstische overtuigingen, het recht om niet te geloven en het recht om van godsdienst of overtuiging te wisselen, een universeel mensenrecht en een fundamentele vrijheid van ieder mens is en sterk verweven met andere mensenrechten en fundamentele vrijheden, zoals vastgelegd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens;

C.

overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen op een ambitieus instrumentarium om de vrijheid van godsdienst en overtuiging een vooraanstaande plaats als onderdeel van het buitenlands beleid van de EU te geven;

D.

overwegende dat het Europees Parlement in dit verband ingenomen was met het voornemen van de EU om richtsnoeren betreffende de vrijheid van godsdienst en overtuiging te formuleren overeenkomstig het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie, en dat het erop aan heeft gedrongen dat het Parlement en maatschappelijke organisaties bij de opstelling van deze richtsnoeren betrokken worden;

E.

overwegende dat alle staten overeenkomstig de internationale rechtsnormen verplicht zijn doeltreffende bescherming te bieden aan al hun burgers en alle andere personen die onder hun respectieve jurisdicties vallen; overwegende dat in sommige delen van de wereld veel melding wordt gemaakt van de vervolging van mensen en hun families, gemeenschappen, gebedshuizen en instellingen, op grond van hun specifieke godsdienst, hun overtuigingen of een rechtmatige openlijke uiting van hun godsdienst of overtuiging; overwegende dat discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging nog altijd overal ter wereld voorkomt, ook in Europa en haar buurlanden, en overwegende dat personen die tot specifieke godsdienstige (minderheids)gemeenschappen behoren, en niet-gelovigen, nog steeds hun rechten worden ontzegd en vaak worden gediscrimineerd, gearresteerd, veroordeeld en in veel landen zelfs geëxecuteerd vanwege hun godsdienst of overtuiging;

1.

beveelt de Raad het volgende aan:

Redenen om maatregelen te nemen

(a)

In het extern beleid van de EU moet prioriteit worden verleend aan de bevordering van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, alsmede aan het voorkomen van inbreuken op dit recht;

(b)

Geweld tegen en vervolging en discriminatie van mensen die tot godsdienstige (minderheids)gemeenschappen behoren, of mensen met niet-religieuze overtuigingen, komen nog steeds voor in grote delen van de wereld; het gebrek aan religieuze tolerantie en de ontbrekende bereidheid tot dialoog en tot oecumenisch samenleven leiden vaak tot politieke onrust, geweld en gewapende conflicten, met het gevolg dat mensenlevens worden bedreigd en de regionale stabiliteit wordt ondermijnd; de krachtige en onmiddellijke veroordeling door de Europese Unie van alle vormen van geweld en discriminatie moet een fundamenteel onderdeel vormen van het EU-beleid op het gebied van vrijheid van godsdienst en overtuiging; er moet bijzondere aandacht worden besteed aan de situatie van personen die van godsdienst of overtuiging wisselen, omdat zij in de praktijk in een aantal landen zijn blootgesteld aan sociale druk, intimidatie of openlijk geweld;

Doel en toepassingsgebied

(c)

Het doel en toepassingsgebied van de EU-richtsnoeren moeten zijn: bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in derde landen, integratie van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in al het extern optreden en het mensenrechtenbeleid van de EU, en ontwikkeling van duidelijke ijkpunten, maatstaven, normen en een praktische oriëntatie om de bevordering van de vrijheid van godsdienst en overtuiging een prominentere plaats in het werk van ambtenaren van de EU-instellingen en de lidstaten te geven, en op deze manier bij te dragen aan meer samenhang, doeltreffendheid en zichtbaarheid van de EU in haar buitenlandse betrekkingen;

Definities

(d)

Aangezien de geslaagde toepassing ervan afhankelijk is, dienen in de richtsnoeren duidelijke definities te worden gehanteerd en het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging op passende en volledige wijze te worden beschermd, in overeenstemming met het internationaal recht, in zowel de individuele als de openbare uitingen ervan alsmede in de individuele, collectieve en institutionele dimensie ervan, inclusief het recht om te geloven of niet te geloven, het recht om van godsdienst of overtuiging te wisselen, de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging, evenals het recht van ouders om hun kinderen volgens hun morele, religieuze of niet-religieuze overtuigingen op te voeden; eveneens zijn er duidelijke definities en volledige bescherming vereist voor wat betreft de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van godsdienstige instellingen en instellingen die een overtuiging uitdragen en de eerbiediging van hun onafhankelijkheid, het recht op gewetensbezwaren, het recht op asiel, het recht om rustdagen in acht te nemen en feestdagen en ceremonies te vieren in overeenstemming met de voorschriften van een godsdienst of overtuiging, en het fundamentele recht op bescherming van eigendom;

Operationele richtsnoeren

(e)

De richtsnoeren moeten stoelen op het internationaal recht en de verdragen die door de internationale gemeenschap erkend en geratificeerd zijn;

Evenredigheid

(f)

Zoals in de ontwerprichtsnoeren wordt gesteld en in overeenstemming met de door de internationale gemeenschap goedgekeurde beginselen, mag niemand worden gedwongen tot het hebben of aanvaarden van een godsdienst of overtuiging en mag de vrijheid van ouders en voogden om te zorgen voor een religieuze en morele opvoeding niet worden ingeperkt. Elke andere uiting van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging kan slechts „in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen” (8); tegelijkertijd moeten de beperkingen strikt worden uitgelegd en in rechtstreekse en passende verhouding staan tot de beschermde rechten van anderen en moet het juiste evenwicht worden bereikt; het evenredigheidscriterium moet derhalve in de richtsnoeren worden benadrukt;

Vrijheid van meningsuiting

(g)

Hoewel de vrijheid van godsdienst en overtuiging en de vrijheid van meningsuiting elkaar versterkende rechten zijn, dient de EU in gevallen waarin deze twee rechten tegenover elkaar komen te staan ook rekening te houden met het feit dat moderne media-instrumenten kunnen zorgen voor grotere onderlinge verbondenheid tussen culturen en geloofsovertuigingen; er moeten derhalve maatregelen worden getroffen ter preventie van intercultureel geweld als reactie op de vrijheid van meningsuiting in de vorm van kritiek en met name spot en hoon; in deze context moet de EU bijdragen aan het verminderen van dergelijke spanningen, bijvoorbeeld door onderling begrip en de dialoog te bevorderen, en iedere gewelddaad die is gepleegd als reactie op dergelijke uitingen krachtig veroordelen, en zich fel kanten tegen elke poging om de vrijheid van meningsuiting in religieuze aangelegenheden strafbaar te stellen, zoals blasfemiewetten;

De collectieve dimensie van de vrijheid van godsdienst en overtuiging

(h)

In de richtsnoeren moet worden benadrukt dat het recht van elk individu om de vrijheid van godsdienst en overtuiging alleen of in gemeenschap met anderen uit te oefenen een onontbeerlijk onderdeel van de vrijheid van godsdienst en overtuiging vormt; dit omvat:

de vrijheid om in verband met een godsdienst of overtuiging erediensten te houden of te vergaderen, en om hiertoe gebedshuizen te bouwen en te onderhouden,

de vrijheid om niet deel te nemen aan een bepaalde religieuze activiteit of manifestatie,

de vrijheid om passende godsdienstige, media-, onderwijs-, gezondheids-, maatschappelijke, liefdadigheids- of humanitaire instellingen te bouwen en te onderhouden,

de vrijheid om vrijwillige financiële en andere bijdragen van individuen en instellingen te vragen en te ontvangen,

de vrijheid om geschikte leiders op te leiden, te benoemen, te verkiezen of door erfopvolging aan te wijzen, overeenkomstig de vereisten en normen van de betreffende godsdienst of overtuiging,

de vrijheid om op nationaal en internationaal niveau contact met individuen en gemeenschappen over kwesties op het gebied van godsdienst en overtuiging tot stand te brengen en te onderhouden; daarnaast moet in de richtsnoeren worden vermeld dat het recht om godsdienst in gemeenschap met anderen uit te oefenen (waarbij de individuele vrijheden altijd moeten worden geëerbiedigd) niet onnodig mag worden beperkt tot officieel erkende gebedshuizen, en dat de EU alle onrechtmatige beperkingen van de vrijheid van vergadering dient te veroordelen; in de richtsnoeren moet worden onderstreept dat staten de plicht hebben neutraal en onpartijdig te blijven ten opzichte van religieuze groeperingen, ook voor wat symbolische of financiële steun betreft;

i)

is van mening dat secularisme, in de zin van een strikte scheiding tussen de godsdienstige en politieke autoriteiten, inhoudt dat elke vorm van religieuze inmenging in het functioneren van de overheid en elke vorm van publieke inmenging in religieuze aangelegenheden worden verworpen, tenzij voor de handhaving van de voorschriften op het gebied van veiligheid en openbare orde (inclusief de eerbiediging van de vrijheid van anderen), en dat secularisme voor iedereen (gelovigen, agnosten of atheïsten) in dezelfde mate het recht op vrijheid van geweten waarborgt;

Inschrijvingsvereisten

(j)

De EU moet maatregelen treffen wanneer het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging op onrechtmatige wijze wordt beperkt in de inschrijvingsvereisten van religieuze organisaties of organisaties met een bepaalde overtuiging. Inschrijving dient niet te worden beschouwd als een voorwaarde voor het genieten van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, omdat dit recht niet afhankelijk kan zijn van administratieve of wettelijke vereisten; de EU moet zich inzetten voor de afschaffing van alle wetgeving die leidt tot discriminatie van mensen met niet-godsdienstige overtuigingen of mensen die van godsdienst of overtuiging zijn gewisseld, zoals de verplichting om de godsdienst van een persoon te vermelden in zijn/haar documenten van de burgerlijke stand;

Opleiding

(k)

Zoals erkend in internationaal aanvaarde normen staat het de ouders of wettelijke voogd van een kind vrij te zorgen voor een religieuze en morele opvoeding voor hun kinderen in overeenstemming met hun eigen overtuigingen, en wordt het kind niet gedwongen om tegen de wens van zijn/haar ouders of wettelijke voogd onderwijs op het gebied van godsdienst of overtuiging te volgen, waarbij het belang van het kind het leidend beginsel is; het recht van ouders om hun kinderen in overeenstemming met hun godsdienstige of niet-godsdienstige overtuigingen op te voeden, omvat het recht om ongepaste inmenging van overheids- en niet-overheidsactoren in hun opvoeding die in strijd is met hun godsdienstige of niet-godsdienstige overtuigingen, te weigeren; in de richtsnoeren moeten deze aspecten van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging worden benadrukt, en middels de richtsnoeren moet ook secularisering in het openbaar onderwijs worden gewaarborgd, en de EU-delegaties moeten passende maatregelen nemen indien dit beginsel wordt geschonden;

Familierecht en sociale wetgeving

(l)

De EU moet bijzondere aandacht besteden aan discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging binnen het familierecht en de sociale wetgeving van derde landen, met name, maar niet uitsluitend, in de context van het recht om te huwen en het gezagsrecht;

Het recht op gewetensbezwaren

(m)

Het recht op gewetensbezwaren tegen militaire dienst moet in de richtsnoeren zijn opgenomen als een rechtmatige uitoefening van het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; de EU moet staten met een verplichte militaire dienst verzoeken om een alternatieve dienst toe te staan met een vreedzaam of civiel karakter, in het algemeen belang en zonder bestraffende aard, en om gewetensbezwaarden niet te straffen, ook niet door middel van een gevangenisstraf, voor het weigeren van militaire dienst;

Asiel

(n)

De EU moet derde landen aansporen om vluchtelingen toe te laten die op grond van hun godsdienst of overtuiging worden vervolgd, en om hen asielbescherming te bieden, in het bijzonder wanneer vluchtelingen worden bedreigd met de dood of met geweld. De EU-lidstaten moeten zich meer inspannen om vluchtelingen toe te laten die op grond van hun godsdienst of overtuiging worden vervolgd;

Steun voor en samenwerking met maatschappelijke organisaties

(o)

Steun voor en samenwerking met een breed scala van maatschappelijke organisaties, inclusief mensenrechtenorganisaties en religieuze groeperingen en groeperingen die een overtuiging uitdragen, is bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de richtsnoeren van het grootste belang voor de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging. De centrale punten voor mensenrechten in de EU-delegaties moeten derhalve regelmatig contact onderhouden met deze organisaties, teneinde potentiële problemen op het gebied van de vrijheid van godsdienst en overtuiging zo snel mogelijk op te sporen in hun respectieve landen;

Toezicht en evaluatie

(p)

De Europese Dienst voor extern optreden moet zorgen voor passende en voortdurende controle en evaluaties van de situatie op het gebied van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in de wereld, onder de verantwoordelijkheid van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en in het EU-jaarverslag over de mensenrechten in de wereld moet een sectie gewijd blijven aan dit onderwerp, met inbegrip van aanbevelingen voor verbetering; het toezicht op de situatie op het gebied van de vrijheid van godsdienst en overtuiging moet een van de belangrijkste punten in de betrekkingen van de EU met derde landen zijn, naast andere mensenrechten en fundamentele vrijheden, met name in de context van het Europees nabuurschapsbeleid; dit moet blijken uit alle overeenkomsten, herzieningen en verslagen; de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten moet tijdens al zijn/haar activiteiten bijzondere aandacht besteden aan kwesties inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, alsmede een zichtbare rol spelen bij de bevordering van deze vrijheid in de externe betrekkingen van de EU; hij/zij moet ook samenwerken met het Europees Parlement en zijn relevante commissies op het gebied van bezorgdheden en de geboekte vooruitgang alsmede contact onderhouden met relevante niet-gouvernementele organisaties;

(q)

Er moet een reeks instrumenten worden goedgekeurd voor de controle, evaluatie en ondersteuning van de EU-richtsnoeren. Deze circulaire moet gericht zijn op operationele instrumenten om beter in te spelen op de in de richtsnoeren beschreven prioritaire actieterreinen, en onder meer:

een gedetailleerde controlelijst voor situatieanalyse omvatten, teneinde de situatie op het gebied van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging in het respectieve land te volgen en te controleren met het oog op het vaststellen van vorderingen/tegenslagen;

de EU-missiehoofden verplichten om regelmatig verslag uit te brengen over kwesties met betrekking tot de vrijheid van godsdienst en overtuiging, met een gedetailleerde evaluatie van de situatie alsmede van het bestaan van inbreuken op het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging evenals van onderdrukking van voorvechters ervan of andere individuen, door specifieke gevallen van duidelijke schending van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging vast te stellen; deze verslagen van de EU-missiehoofden moeten zoveel mogelijk worden gestandaardiseerd, zodat ze kunnen worden vergeleken;

gericht zijn op concreet optreden in internationale fora of ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten die van nut zijn geweest voor de bescherming en bevordering van het recht op vrijheid van godsdienst en overtuiging, inclusief de succesvolle behandeling van specifieke gevallen (individuen, groeperingen, minderheden, instellingen) van discriminatie of vervolging op grond van godsdienst of overtuigingen;

opnieuw benadrukken dat de steun die wordt verleend aan slachtoffers van discriminatie of vervolging op grond van hun godsdienst of overtuigingen veelvoudig kan zijn, inclusief de uitnodiging tot het toelichten van hun situatie in de EU-instellingen;

Deze reeks instrumenten (circulaire) moet in overleg met belanghebbenden worden opgesteld en vóór het einde van 2013 gereed zijn;

Gebruik van externe financiële instrumenten

(r)

De externe financiële instrumenten van de EU moeten ten aanzien van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in een bepaald land als stimulans en als potentiële sanctie (bijvoorbeeld bevriezing van financiering) worden ingezet, omdat dit een integraal onderdeel vormt van de beoordeling van de algemene mensenrechtensituatie in het land; in het geval van een ernstige verslechtering van de mensenrechtensituatie en de vrijheid van godsdienst en overtuiging moet de EU de mensenrechtenbepalingen toepassen die reeds zijn vastgelegd in de externe overeenkomsten tussen de EU en het land in kwestie; het gebruik van mensenrechtenbepalingen in externe EU-overeenkomsten moet een bindend karakter hebben en systematisch in alle overeenkomsten van de EU met derde landen worden geïntegreerd;

EU-optreden in multilaterale fora

(s)

De EU moet haar initiatieven in diverse multilaterale fora voortzetten, met het oog op de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging; in voorkomend geval moet EU derde landen op verzoek ondersteuning bieden bij de opstelling van wetgeving ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging;

Evaluatie

(t)

Krachtens artikel 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie moet het Europees Parlement betrokken worden bij de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren, die binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de richtsnoeren moet worden uitgevoerd; de evaluatie moet gebaseerd zijn op een analyse van de reactie van de EU op concrete situaties die verband houden met de schending van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in derde landen; het Europees Parlement moet regelmatig op de hoogte worden gebracht van door de EU-delegaties vastgestelde problematische gebieden of ontwikkelingen; zijn relevante commissies dienen gedetailleerde informatie te ontvangen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en, ter informatie, aan de Commissie.


(1)  Algemene Opmerking van het Mensenrechtencomité van de VN in de zin van artikel 40, lid 4, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten CCPR/C/21/Rev.1/Add.4, 27 september 1993.

(2)  Raad van de Europese Unie 24.11.2009, 21.2.2011.

(3)  Raad van de Europese Unie 11855/12.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0250.

(5)  PB L 200 van 27.7.2012, blz. 21.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0504.

(7)  Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0489, P7_TA(2012)0126, P7_TA(2012)0503.

(8)  

VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging, art. 1, lid 3, A/RES/36/55.


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europees Parlement

Dinsdag 11 juni 2013

19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/180


P7_TA(2013)0236

Verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van Jacek Olgierd Kurski

Besluit van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jacek Olgierd Kurski (2013/2019(IMM))

(2016/C 065/26)

Het Europees Parlement,

gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Jacek Olgierd Kurski, dat op 16 januari 2013 werd ingediend door de procureur-generaal van de Republiek Polen in verband met een verzoek van 2 januari 2013 van het hoofd van de preventieafdeling van het landelijk hoofdbureau van de politie, handelend in opdracht van de hoofdinspecteur van politie, en van de ontvangst waarvan op 4 februari 2013 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

na Jacek Olgierd Kurski te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,

gezien artikel 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010 en 6 september 2011 (1),

gezien artikel 105 van de grondwet van de Republiek Polen en de artikelen 7, 7b, lid 1, en 7c, juncto artikel 10b, van de Poolse wet van 9 mei 1996 betreffende de uitvoering van het mandaat van parlementslid of senator,

gezien artikel 6, lid 2, en artikel 7 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0187/2013),

A.

overwegende dat de procureur-generaal van de Republiek Polen een verzoek heeft ingediend om opheffing van de parlementaire immuniteit van een lid van het Europees Parlement, Jacek Olgierd Kurski, in verband met mogelijke gerechtelijke stappen wegens een vermeende overtreding;

B.

overwegende dat overeenkomstig artikel 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, de leden, op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend, genieten;

C.

overwegende dat overeenkomstig artikel 105, lid 2, van de grondwet van de Republiek Polen leden van het parlement tijdens de parlementaire zittingsperiode niet strafrechtelijk ter verantwoording kunnen worden geroepen zonder voorafgaande toestemming van het parlement;

D.

overwegende dat Jacek Olgierd Kurski ervan wordt beschuldigd de verkeersregels te hebben overtreden uit hoofde van artikel 92, lid 1, van de wet van 20 mei 1971 tot vaststelling van een register van overtredingen (Pools Staatsblad 2010 nr. 46, rubriek 275, zoals gewijzigd);

E.

overwegende dat de vermeende handelingen geen rechtstreeks duidelijk verband hebben met de uitoefening door Jacek Olgierd Kurski van zijn taken als lid van het Europees Parlement en het niet gaat om een mening of stem uitgebracht in de uitoefening van het ambt van lid van het Europees Parlement in de zin van artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

F.

overwegende dat de beschuldiging duidelijk niet in verband staat met de positie van Jacek Olgierd Kurski als lid van het Europees Parlement;

G.

overwegende dat er geen aanwijzingen bestaan die duiden op fumus persecutionis;

1.

besluit de immuniteit van Jacek Olgierd Kurski op te heffen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de procureur-generaal van de Republiek Polen en aan Jacek Olgierd Kurski.


(1)  Arrest van 12 mei 1964 in zaak 101/63, Wagner/Fohrmann en Krier (Jurispr. 1964, blz. 407); arrest van 10 juli 1986 in zaak 149/85, Wybot/Faure e.a. (Jurispr. 1986, blz. 2391); arrest van 15 oktober 2008 in zaak T-345/05, Mote/Parlement (Jurispr. 2008, blz. II-2849); arrest van 21 oktober 2008 in gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07, Marra/De Gregorio en Clemente (Jurispr. 2008, blz. I-7929); arrest van 19 maart 2010 in zaak T-42/06, Gollnisch/Parlement (Jurispr. 2010, blz. II-1135); arrest van 6 september 2011 in zaak C-163/10, Patriciello (Jurispr. 2011, blz. I-7565).


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/181


P7_TA(2013)0237

Verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van Malgorzata Handzlik

Besluit van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Małgorzata Handzlik (2012/2238(IMM))

(2016/C 065/27)

Het Europees Parlement,

gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Małgorzata Handzlik, dat op 3 juli 2012 is ingediend door de openbaar aanklager van de Poolse Republiek, in samenhang met het onderzoek van het openbaar ministerie van het rechtsgebied Warschau nr. VI DS 312/10, en van de ontvangst waarvan op 10 september 2012 in de plenaire vergadering kennis is gegeven,

na Małgorzata Handzlik te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,

na ook Giovanni Kessler, directeur-generaal van het Europees Bureau voor fraudebestrijding, en Roger Vanhaeren, directeur-generaal Financiën van het Europees Parlement, te hebben gehoord,

gezien artikel 9 van Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010 en 6 september 2011 (1),

gelet op artikel 105 van de grondwet van de Republiek Polen,

gezien artikel 6, lid 2, en artikel 7 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0195/2013),

A.

overwegende dat de openbaar aanklager van de Poolse Republiek heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van een lid van het Europees Parlement, Małgorzata Handzlik, in samenhang met een onderzoek en mogelijke rechtsvervolging voor een ten laste gelegd strafbaar feit;

B.

overwegende dat de leden overeenkomstig artikel 9 van Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend;

C.

overwegende dat er in artikel 105, lid 2, van de grondwet van de Poolse Republiek in is voorzien dat parlementsleden alleen mogen worden vervolgd met instemming van het Parlement;

D.

overwegende dat het verzoek van de openbaar aanklager verband houdt met een procedure betreffende een ten laste gelegd feit dat strafbaar is op grond van het Poolse strafwetboek van 6 juni 1997;

E.

overwegende dat de feitelijke tenlastelegging betrekking heeft op een poging tot schending van de artikelen 270, lid 1, en 286, lid 1, van het genoemde wetboek, die respectievelijk betrekking hebben op fraude en het gebruik van valse stukken;

F.

overwegende dat Małgorzata Handzlik effectief wordt beschuldigd van een poging tot fraude tegen de financiële belangen van de Unie doordat zij valse stukken zou hebben ingediend om terugbetaling te verkrijgen van de kosten van het volgen van een taalcursus die zij in werkelijkheid niet gevolgd heeft;

G.

overwegende dat de ten laste gelegde handelingen geen mening of stem zijn die is uitgebracht in de uitoefening van het ambt van lid van het Europees Parlement in de zin van artikel 8 van Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

H.

overwegende dat, gezien de omstandigheden waarin de zaak tegen Małgorzata Handzlik door de diverse betrokken autoriteiten is behandeld en rekening houdend met het kleine bedrag waarom het gaat en de onzekere status en herkomst van de bewijzen, de procedure evenwel omringd is door ernstige twijfels;

I.

overwegende dat het daarom lijkt te gaan om een zaak waar het bestaan van een fumus persecutionis mag worden aangenomen;

J.

overwegende dat de immuniteit van Małgorzata Handzlik daarom niet mag worden opgeheven;

1.

Besluit de immuniteit van Małgorzata Handzlik niet op te heffen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de openbaar aanklager van de Poolse Republiek en aan Małgorzata Handzlik.


(1)  Arrest van 12 mei 1964 in zaak 101/63, Wagner/Fohrmann en Krier (Jurispr. 1964, blz. 407); arrest van 10 juli 1986 in zaak 149/85, Wybot/Faure e.a. (Jurispr. 1986, blz. 2391); arrest van 15 oktober 2008 in zaak T-345/05, Mote/Parlement (Jurispr. 2008, blz. II-2849); arrest van 21 oktober 2008 in gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07, Marra/De Gregorio en Clemente (Jurispr. 2008, blz. I-7929); arrest van 19 maart 2010 in zaak T-42/06, Gollnisch/Parlement (Jurispr. 2010, blz. II-1135); arrest van 6 september 2011 in zaak C-163/10, Patriciello (Jurispr. 2011, blz. I-7565).


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/182


P7_TA(2013)0238

Verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van Alexander Alvaro

Besluit van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Alexander Alvaro (2013/2106(IMM))

(2016/C 065/28)

Het Europees Parlement,

gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Alexander Alvaro, dat op 8 mei 2013 werd ingediend door het Duitse ministerie van Justitie in verband met een zaak die aanhangig is bij het openbaar ministerie van Keulen (Duitsland), en van de ontvangst waarvan op 23 mei 2013 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

na Alexander Alvaro in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van zijn Reglement,

gezien artikel 9 van het Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gezien artikel 46 van de Duitse Grondwet (Grundgesetz),

gezien artikel 6, lid 2, en artikel 7 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0188/2013),

A.

overwegende dat het openbaar ministerie van Keulen (Duitsland) verzocht heeft de parlementaire immuniteit van Alexander Alvaro, lid en ondervoorzitter van het Europees Parlement, op te heffen in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar een vermoedelijk strafbaar feit;

B.

overwegende dat het verzoek van het openbaar ministerie betrekking heeft op een in te stellen onderzoek naar een ernstig verkeersongeval waarbij Alexander Alvaro betrokken was;

C.

overwegende dat overeenkomstig artikel 9 van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie leden op het grondgebied van hun eigen land de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging van hun land zijn verleend;

D.

overwegende dat overeenkomstig artikel 46, lid 2, van de Duitse grondwet (Grundgesetz) een parlementslid niet kan worden vervolgd wegens een strafbaar feit zonder voorafgaande toestemming voor die vervolging van de Bondsdag, behalve in gevallen waarin hij op heterdaad of de dag volgend op het strafbare feit wordt aangehouden;

E.

overwegende dat dientengevolge de parlementaire immuniteit van Alexander Alvaro moet worden opgeheven voordat het onderzoek tegen hem doorgang kan vinden;

F.

overwegende dat artikel 9 van het protocol betreffende voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 46, lid 2, van het Duitse Grundgesetz niet in de weg staan aan opheffing van de immuniteit van Alexander Alvaro;

G.

overwegende dat het daarom raadzaam is in dit geval de parlementaire immuniteit op te heffen;

1.

besluit de immuniteit van Alexander Alvaro op te heffen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland en Alexander Alvaro.


Woensdag 12 juni 2013

19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/184


P7_TA(2013)0250

Het aantal leden van de vaste commissies

Besluit van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het aantal leden van de vaste commissies (2013/2671(RSO))

(2016/C 065/29)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Conferentie van voorzitters,

gezien zijn besluiten van 15 juli 2009 (1), 14 december 2011 (2) en 18 januari 2012 (3) over het aantal leden van de vaste commissies,

gezien artikel 183 van zijn Reglement,

1.

besluit het aantal leden van de vaste commissies als volgt te wijzigen:

I.

Commissie buitenlandse zaken: 79 leden,

II.

Commissie ontwikkelingssamenwerking: 30 leden,

III.

Commissie internationale handel: 31 leden,

IV.

Begrotingscommissie: 45 leden,

V.

Commissie begrotingscontrole: 31 leden,

VI.

Commissie economische en monetaire zaken: 50 leden,

VII.

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken: 50 leden,

VIII.

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid: 71 leden,

IX.

Commissie industrie, onderzoek en energie: 61 leden,

X.

Commissie interne markt en consumentenbescherming: 41 leden,

XI.

Commissie vervoer en toerisme: 47 leden,

XII.

Commissie regionale ontwikkeling: 50 leden,

XIII.

Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling: 44 leden,

XIV.

Commissie visserij: 25 leden,

XV.

Commissie cultuur en onderwijs: 31 leden,

XVI.

Commissie juridische zaken: 25 leden,

XVII.

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken: 60 leden,

XVIII.

Commissie constitutionele zaken: 26 leden,

XIX.

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid: 35 leden,

XX.

Commissie verzoekschriften: 35 leden;

2.

besluit dat dit besluit in werking zal treden op 1 juli 2013;

3.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 224 E van 19.8.2010, blz. 34.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0570.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0001.


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES PARLEMENT

Dinsdag 11 juni 2013

19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/185


P7_TA(2013)0235

Langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden — 1 ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van 18 december 2008 van de Raad tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden (COM(2012)0021 — C7-0042/2012 — 2012/0013(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2016/C 065/30)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0021),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0042/2012),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij (A7-0141/2013),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


P7_TC1-COD(2012)0013

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (3) heeft de Raad de bevoegdheid gekregen de daarin gespecificeerde maximale visserijsterftecoëfficiënten en de daaraan gerelateerde biomassaniveaus van het paaibestand te controleren en te herzien. [Am. 1]

[Am. 2]

(3)

Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 1342/2008 te wijzigen of aan te vullen moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag aan de Commissie worden overgedragen ten aanzien van de volgende punten:

wijzigingen van de vastgestelde waarden van de maximale visserijsterftecoëfficiënten en de daaraan gerelateerde paaibiomassaniveaus, wanneer het streefcijfer voor visserijsterfte is bereikt;

de voorschriften inzake de aanpassing van de visserijinspanning waarbij een groep vaartuigen wordt uitgesloten van of weer wordt toegelaten tot de visserijinspanningsregeling;

de voorschriften inzake de methode voor de berekening van de in artikel 14, lid 3, bedoelde vangstcapaciteit en de aanpassing van de maximumcapaciteit als gevolg van de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten en capaciteitsoverdrachten;

de voorschriften inzake de berekeningsmethode voor de vaststelling van de maximaal toegestane visserijinspanning in het kader van het quotabeheer;

de voorschriften inzake de berekeningsmethode voor de vaststelling van de maximaal toegestane visserijinspanning naar aanleiding van de overdracht van inspanning tussen inspanningsgroepen;

wijzigingen van de samenstelling van geografische gebieden en van vistuigcategorieën, zoals vastgesteld in bijlage I.

(4)

Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden het nodige overleg pleegt, ook op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen zorgen voor gelijktijdige, tijdige en adequate toezending van de desbetreffende documenten aan het Europees Parlement en de Raad.

[Am. 3]

(6)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1342/2008, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend ten aanzien van de gedetaillerde voorschriften inzake de procedure en het formaat voor de toezending van op grond van de onderhavige verordening gevraagde informatie aan de Commissie, alsmede inzake het formaat van het speciale visdocument en de lijst van vaartuigen die een dergelijk speciaal visdocument hebben. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (4).

[Am. 4]

(8)

Verordening (EG) nr. 1342/2008 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1342/2008 wordt als volgt gewijzigd:

(-1)

In artikel 8 wordt lid 6 vervangen door:

6.     Wanneer de in lid 1 bedoelde kabeljauwbestanden gedurende drie opeenvolgende jaren zijn geëxploiteerd op een niveau dat overeenstemt met een visserijsterfte in de buurt van 0,4, evalueert de Commissie de toepassing van dit artikel. Indien nodig dient de Commissie passende, volgens de gewone wetgevingsprocedure vast te stellen voorstellen tot wijziging van het langetermijnplan in teneinde de exploitatie op basis van de maximale duurzame opbrengst te garanderen. [Am. 5]

(1)

In artikel 10 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 31 bis gedelegeerde handelingen vast om de waarden voor de in artikel 5, lid 2, artikel 6 en artikel 7, lid 2, bepaalde nieuwe waarden vast te stellen wanneer het in artikel 5, lid 2, bedoelde streefcijfer voor visserijsterfte is bereikt of wanneer de Commissie, op basis van een advies van het WTECV en, indien passend, andere wetenschappelijke gegevens en na uitvoerig overleg met de relevante regionale adviesraad, van mening is dat dat streefcijfer of de in artikel 6 bedoelde minimum- en voorzorgsniveaus van de paaibiomassa of de in artikel 7, lid 2, bedoelde visserijsterfte niet langer volstaan om een laag risico van uitputting van bestanden en een maximale duurzame opbrengst te handhaven.”[Am. 6]

(2)

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De lidstaten verstrekken de Commissie jaarlijks passende gegevens om te bewijzen dat de bovengenoemde voorwaarden vervuld zijn en blijven.”;

(b)

de volgende leden worden toegevoegd:

„4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 31 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin voorschriften worden vervat betreffende de aanpassing van de visserijinspanning wanneer overeenkomstig artikel 11, lid 2, een groep vaartuigen wordt uitgesloten van de visserijinspanningsregeling of weer daarin wordt opgenomen en wanneer een vaartuig niet langer aan de in het besluit inzake uitsluiting vermelde eisen voldoet.

5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van gedetailleerde voorschriften inzake de procedure en het formaat voor de toezending aan de Commissie van de in artikel 11, lid 3, bedoelde informatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.”

(2 bis)

Artikel 13, lid 7, wordt vervangen door:

7.     De Commissie verzoekt het WTECV om jaarlijks een vergelijking te maken tussen de vermindering in kabeljauwsterfte die het resultaat zou zijn van de toepassing van lid 2, onder c), en de vermindering die naar de verwachtingen van het WTECV het resultaat zou zijn van de in artikel 12, lid 4, bedoelde aanpassing van de inspanning. De Commissie doet in het licht van de vergelijking, indien nodig, passende voorstellen voor de aanpassing van de visserijinspanning die het volgende jaar voor de betrokken vistuigcategorie kunnen worden toegepast. [Am. 7]

(3)

Aan artikel 14 wordt het volgende lid toegevoegd:

„5.   De lidstaten houden de Commissie op de hoogte van de grondslag voor de berekening van de in lid 3 bedoelde maximale vangstcapaciteit en van de aanpassingen als gevolg van permanente beëindiging van visserijactiviteiten en capaciteitsoverdrachten overeenkomstig artikel 16, lid 3.”

(4)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 14 bis

Bevoegdheden van de Commissie

1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 31 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de voorschriften te specificeren betreffende de in artikel 14, lid 3, bedoelde methode voor de berekening van de vangstcapaciteit en de aanpassing van de maximumcapaciteit als gevolg van definitieve beëindiging van visserijactiviteiten en capaciteitsoverdrachten overeenkomstig artikel 16, lid 3.

2.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen ter bepaling van gedetailleerde voorschriften inzake:

a)

het formaat van het in artikel 14, lid 2, bedoelde speciale visdocument en de procedures overeenkomstig welke de lidstaten de in artikel 14, lid 4, bedoelde lijst van vaartuigen die dat speciale visdocument hebben, beschikbaar stellen;

b)

de procedure en het formaat voor de verzending aan de Commissie van de in artikel 14, lid 5, bedoelde informatie.”

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in aretikel 32, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

(5)

Aan artikel 16 worden de volgende leden toegevoegd:

„4.   De lidstaten houden de Commissie op de hoogte van aanpassingen van de inspanning overeenkomstig dit artikel.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 31 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake voorschriften betreffende de berekeningsmethode waarmee de lidstaten de maximaal toelaatbare visserijinspanning kunnen aanpassen in het kader van het quotabeheer.

6.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van gedetailleerde voorschriften inzake de procedure en het formaat voor de toezending aan de Commissie van de in artikel 4, bedoelde informatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de de in artikel 32, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.”

(6)

Aan artikel 17 worden de volgende leden toegevoegd:

„6.   De lidstaten houden de Commissie op de hoogte van aanpassingen van de inspanning overeenkomstig dit artikel.

7.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 31 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake voorschriften betreffende de berekeningsmethode waarmee de lidstaten de maximaal toelaatbare visserijinspanning kunnen aanpassen naar aanleiding van de overdracht van inspanning tussen inspanningsgroepen.

8.   De Commissie kan uitvoeringsbepalingen vaststellen ter bepaling van gedetailleerde voorschriften inzake de procedure en het formaat voor de toezending aan de Commissie van de in artikel 6 bedoelde informatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.”

(7)

Artikel 30 wordt vervangen door:

„Artikel 30

Besluitvormingsprocedure

Wanneer in de onderhavige verordening is bepaald dat de Raad besluiten moet nemen, handelt de Raad overeenkomstig het Verdrag.”

(8)

In artikel 31 wordt de inleidende formule vervangen door:

„De Commissie is bevpoegd overeenkomstig artikel 31 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I bij deze verordening te wijzigen, met inachtneming van de volgende beginselen:”

(9)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 31 bis

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 10, lid 1, artikel 11, lid 4, artikel 14 bis, lid 1, artikel 16, lid 5, artikel 17, lid 7, en artikel 31 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van drie jaar met ingang van …  (*) . De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van drie jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 8]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 10, lid 1, artikel 11, lid 4, artikel 14 bis, lid 1, artikel 16, lid 5, artikel 17, lid 7 en artikel 31 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastsgesteld, doet zij daaravn gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een krachtens artikel 10, lid 1, artikel 11, lid 4, artikel 14 bis, lid 1, artikel 16, lid 5, artikel 17, lid 7, of artikel 31 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of als zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie vóór het verstrijken van deze termijn heeft meegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”

(*)   Datum van inwerkingtreding van deze verordening. "

(10)

Artikel 32 wordt vervangen door:

„Artikel 32

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de visserij en de aquacultuur ingesteld bij artikel 30 van Verordening (EG) nr. 2371/2002. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (**).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.”

(**)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13."

(11)

Artikel 34 wordt vervangen door:

„Artikel 34

Evaluatie

1.     Uiterlijk in het derde jaar van toepassing van deze verordening en vervolgens om de drie jaar zolang deze verordening van toepassing is, evalueert de Commissie op basis van een advies van het WTECV en na overleg met de betrokken regionale adviesraad de gevolgen van de beheersmaatregelen voor de betrokken kabeljauwbestanden en voor de visserij op die bestanden. Zij dient indien nodig passende, volgens de gewone wetgevingsprocedure vast te stellen voorstellen tot wijziging van het langetermijnplan in.

2.     Lid 1 laat de bepalingen inzake de bevoegdheidsdelegatie in deze verordening onverlet.” [Am. 11]

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. "

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 181 van 21.6.2012, blz. 204.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 juni 2013.

(3)  PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20.

(4)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/190


P7_TA(2013)0241

Handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane ***II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad (06353/1/2013 — C7-0142/2013 — 2011/0137(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

(2016/C 065/31)

Het Europees Parlement,

gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (06353/1/2013 — C7-0142/2013),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0285),

gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 72 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0185/2013),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.

verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  Aangenomen teksten van 3.7.2012, P7_TA(2012)0272.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/191


P7_TA(2013)0242

Levensmiddelen voor zuigelingen en peuters en voeding voor bijzonder medisch gebruik ***II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, de Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (05394/1/2013 — C7-0133/2013 — 2011/0156(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

(2016/C 065/32)

Het Europees Parlement,

gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (05394/1/2013 — C7-0133/2013),

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Italiaanse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 oktober 2011 (1),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing (COM(2013)0241),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0353),

gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 72 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0191/2013),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.

neemt kennis van de bij deze resolutie gevoegde verklaring van de Commissie;

3.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

5.

verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 24 van 28.1.2012, blz. 119.

(2)  Aangenomen teksten van 14.6.2012, P7_TA(2012)0255.


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie over bestrijdingsmiddelen

Bij de uitvoering van artikel 11, lid 1, onder b), zal de Commissie bijzondere aandacht besteden aan bestrijdingsmiddelen die werkzame stoffen, beschermstoffen en synergistische middelen bevatten die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 (1) zijn ingedeeld als mutagene stof van categorie 1A of 1B, kankerverwekkende stof van categorie 1A of 1B, voor de voortplanting giftige stof van categorie 1A of 1B, of die worden geacht hormoonontregelende eigenschappen te bezitten die schadelijk kunnen zijn voor de mens, of die zeer toxisch zijn, of die kritische effecten, met name ontwikkelingsneurotoxische of -immunotoxische effecten, kunnen veroorzaken, met als doel het gebruik daarvan uiteindelijk te vermijden.


(1)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006, PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/192


P7_TA(2013)0243

Minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (twintigste bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (COM(2011)0348 — C7-0191/2011 — 2011/0152(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2016/C 065/33)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2011)0348),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 153, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0191/2011),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 7 december 2011 (1),

na raadpleging van het Comité van de Regio's,

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 10 april 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0009/2013),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 43 van 15.2.2012, blz. 47.


P7_TC1-COD(2011)0152

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/…/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (twintigste bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) en tot intrekking van Richtlijn 2004/40/EG

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2013/35/EU.)


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/193


P7_TA(2013)0244

Langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden — 2 ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden (COM(2012)0498 — C7-0290/2012 — 2012/0236(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2016/C 065/34)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2012)0498),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0290/2012),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 december 2012 (1),

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij (A7-0146/2013),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 44 van 15.2.2013, blz. 125.


P7_TC1-COD(2012)0236

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 11 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De wetenschappelijke evaluatie van de werking van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden (3) door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) heeft een aantal problemen met de toepassing van die verordening aan het licht gebracht.

(2)

De lidstaten hebben verschillende methodes gebruikt om de visserijinspanning tijdens de referentiejaren te berekenen en om de in het kader van het plan gerapporteerde inspanningsbenutting te berekenen. Daardoor kon meer visserijinspanning worden geleverd dan met het plan was beoogd, hetgeen derhalve moet worden gecorrigeerd door de methodes voor de berekening van de inspanning in alle lidstaten te uniformeren . [Am.1]

(3)

Het gebrek aan analytische beoordelingen in sommige geografische gebieden maakt de toepassing van vangstcontroleregels onmogelijk, hetgeen resulteert in een automatische jaarlijkse verlaging van de totaal toegestane vangsten (TAC's) en de inspanning met 25 %. Sinds het begin van de uitvoering van het plan zijn de toewijzingen van visserijinspanning voor de betrokken gebieden aanzienlijk verlaagd. De wetenschappelijke evaluatie door het WTECV wijst erop dat het in sommige gevallen juister zou zijn andere indicatoren dan visserijsterfte te gebruiken om de TAC's vast te stellen, en de TAC's en de inspanning niet automatisch te verlagen.

(3 bis)

Door de visserijsterftecoëfficiënten met behulp van wetenschappelijk advies op een duurzaam niveau te handhaven, zouden de visbestanden zich moeten kunnen herstellen. De lidstaten moeten voorrang geven aan de uitwerking en bevordering van maatregelen en stimulansen die erop gericht zijn ongewenste vangsten te verhinderen. Er moet ook financiële steun worden verleend voor maatregelen ter bevordering van het gebruik van selectief vistuig. [Am. 2]

(4)

In het plan wordt de ruimte gelaten om vaartuigen waarvan de activiteiten niet in belangrijke mate tot de kabeljauwsterfte bijdragen, van de toepassing ervan uit te sluiten. Om te voorkomen dat de visserijinspanning in verband met die activiteiten wordt omgebogen naar de kabeljauwvisserij, moet de uitgangswaarde van de inspanning worden verlaagd. Om de administratieve last van permanente herberekening van de uitgangswaarde van de inspanning te voorkomen, telkens wanneer wordt besloten bepaalde activiteiten uit te sluiten, is het wenselijk duidelijke criteria voor uitsluiting vast te stellen, zodat de uitgangswaarde van de inspanning definitief kan worden vastgesteld.

(5)

Om bij volledig gedocumenteerde visserij, waarbij alle vangsten in mindering worden gebracht op de quota, selectievere visserijactiviteiten te vergemakkelijken, moeten de vaartuigen die aan die proeven deelnemen, van de visserijinspanningsregeling worden vrijgesteld.

(6)

Sinds de inwerkingtreding van het plan zijn de toewijzingen van de maximaal toegestane visserijinspanning voor de voornaamste voor de kabeljauwvisserij bestemde soorten vistuig aanzienlijk verlaagd. Dit kan grote economische en sociale gevolgen hebben voor vlootonderdelen die dezelfde soorten vistuig gebruiken, maar die voornamelijk op andere soorten vissen dan op kabeljauw. Om die sociale en economische problemen aan te pakken moet een mechanisme worden ingevoerd om verdere aanpassingen van de visserijinspanning op te schorten.

(7)

Aangezien de tekst van artikel 13, lid 2, onder b, in één bepaalde taal anders kan worden geïnterpreteerd dan in de andere talen, moet de tekst van die bepaling in het belang van een uniforme toepassing worden gewijzigd.

(8)

Gezien de grote hoeveelheden teruggegooide kabeljauw die in de periode van de uitvoering van het plan is waargenomen, moeten de lidstaten passende actie ondernemen om deze teruggooi tot een minimum te beperken en waar mogelijk geheel te verhinderen , onder meer door hun vangstmogelijkheden zodanig onder de vaartuigen te verdelen dat de quota zoveel mogelijk in overeenstemming worden gebracht met de verwachte vangsten. [Am. 3]

(9)

De in de artikelen 11 en 13 vastgestelde afwijkingen van het plan houden een risico in voor het succes van het plan, indien zij niet juist worden uitgevoerd. Een beoordeling van de toepassing van die afwijkingen heeft aan het licht gebracht dat het toezicht, de controle en de eisen op het gebied van de volledige documentatie op grond waarvan die afwijkingen zijn gerechtvaardigd, stringenter moeten worden. Aangezien het kader voor de visserijcontrole van de Unie risicogebaseerd is, moet een specifiek „zeer hoog risico” worden toegekend aan de activiteiten waarvoor afwijkingen gelden.

(10)

Bij Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (4) is een aantal artikelen van Verordening (EG) nr. 1342/2008, waarin naar de bijlagen II en III werd verwezen, ingetrokken. Aangezien Verordening (EG) nr. 1342/2008 geen andere verwijzingen naar de bijlagen II en III bevat, moeten die bijlagen worden geschrapt.

(11)

Verordening (EG) nr. 1342/2008 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1342/2008 wordt als volgt gewijzigd:

(1)

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

Berekening van de visserijinspanning

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt de visserijinspanning van een groep vaartuigen berekend als de som van de producten van de capaciteit in kW per vaartuig en het aantal dagen dat elk vaartuig aanwezig was in een in bijlage I genoemd gebied. Onder een dag aanwezigheid in het gebied wordt een doorlopende periode van 24 uur (of deel daarvan) verstaan gedurende welke een vaartuig ofwel buitengaats is en aanwezig in het gebied hetzij, in voorkomend geval, zijn vistuig heeft uitgezet in het gebied . [Am. 4]

2.    De lidstaten berekenen de dagen aanwezigheid in het gebied overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen  (*) .

(*)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1. ”. [Am. 5]"

(1 bis)

In artikel 8 wordt het volgende lid ingevoegd:

„5 bis.     Onverminderd de leden 2 tot en met 5, kan de Raad beslissen om een alternatief TAC-niveau vast te stellen wanneer wetenschappelijk advies aangeeft dat dat niveau beter geschikt zou zijn om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken.”. [Am. 6]

(2)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Procedure voor de vaststelling van TAC's

1.   Wanneer er onvoldoende informatie is om de TAC's overeenkomstig artikel 7 vast te stellen, worden de TAC's voor de kabeljauwbestanden in het Kattegat, het gebied ten westen van Schotland en de Ierse Zee vastgesteld op een door wetenschappelijk advies aangegeven niveau. Indien het door wetenschappelijk advies aangegeven niveau echter meer dan 20 % hoger ligt dan de TAC's in het voorgaande jaar, worden zij vastgesteld op een niveau dat 20 % hoger ligt dan de TAC's in het voorgaande jaar, of, indien het door wetenschappelijk advies aangegeven niveau meer 20 % lager ligt dan de TAC's in het voorgaande jaar, op een niveau dat 20 % lager ligt dan de TAC's in het voorgaande jaar.

2.    In afwijking van lid 1 besluit de Raad, wanneer wetenschappelijk advies aangeeft dat gericht vissen niet wenselijk is en:

i)

dat bijvangsten tot een minimum moeten worden beperkt of moeten worden verlaagd tot het door het WTECV of de ICES aanbevolen niveau en/of

ii)

de kabeljauwvangsten moeten worden verlaagd tot het door het WTECV of de ICES aanbevolen niveau,

in het daaropvolgende jaar de jaarlijkse aanpassing van de totaal toegestane vangsten niet toe te passen, op voorwaarde dat de TAC alleen voor bijvangsten is vastgesteld. [Am. 7]

3.   Wanneer er onvoldoende informatie is om de TAC's overeenkomstig artikel 8 vast te stellen, worden de TAC's voor het kabeljauwbestand in de Noordzee, het Skagerrak en het oostelijk deel van het Kanaal vastgesteld door de leden 1 en 2 van dit artikel mutatis mutandis toe te passen, tenzij overleg met Noorwegen resulteert in overeenstemming over een ander niveau van de TAC.”.

(3)

In artikel 11 worden de leden 2 en 3 geschrapt.

(4)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 11 bis

Uitsluiting van in bepaalde gebieden, op bepaalde dieptes of door bepaalde soorten vistuig geleverde visserijinspanning

1.   De visserijinspanning die tijdens een visreis door een vaartuig wordt geleverd, kan door de lidstaten worden uitgesloten zolang aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan : [Am. 9]

a)

het betrokken vaartuig verricht zijn totale visserijactiviteit tijdens die visreis buiten de overeenkomstig lid 2 opgelijste verspreidingsgebieden van kabeljauw;

of

b)

het betrokken vaartuig verricht zijn totale visserijactiviteit tijdens die visreis op een diepte van meer dan 300 m;

of

c)

het betrokken vissersvaartuig gebruikt tijdens die visreis een overeenkomstig lid 2 opgelijst gereglementeerd soort vistuig aan boord; indien het vaartuig tijdens de visreis nog ander vistuig aan boord heeft, dient dat te worden opgeborgen overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. [Am. 10]

2.   Op grond van de informatie die de lidstaten overeenkomstig lid 3 hebben verstrekt, en overeenkomstig wetenschappelijk advies, stelt de Raad een lijst van buiten de verspreidingsgebieden van kabeljauw gelegen gebieden op, alsmede een lijst van vistuig waarvan de technische kenmerken resulteren in kabeljauwvangsten van minder dan 1,5 % van het totale vangstgewicht. Van zodra een vistuig of gebied dat door een bepaalde lidstaat is ingediend, wordt goedgekeurd, kunnen de andere lidstaten daarvan ook gebruik maken. [Am. 11]

3.   De lidstaten verstrekken de juiste informatie om de Commissie in staat te stellen te beoordelen of een bepaald gebied of een bepaald vistuig op de in lid 2 bedoelde lijsten van gebieden of vistuig wordt opgenomen.

4.   De Commissie kan uitvoeringsbepalingen vaststellen ter bepaling van gedailleerde voorschriften betreffende het formaat en de procedure voor de toezending aan de Commissie van de in lid 3 bedoelde informatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32 bedoelde procedure vastgesteld.

Artikel 11 ter

Aanpassing van de uitgangswaarde voor de berekening van de maximaal toegestane visserijinspanning

1.   De in artikel 11 bis, lid 1, bedoelde visserijinspanning die tot de vaststelling van de in artikel 12, lid 2, onder a), bedoelde uitgangswaarde heeft bijgedragen, wordt overeenkomstig dit artikel van de uitgangswaarde afgetrokken.

2.   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december van elk jaar eventuele verzoeken om aanpassing van de in lid 1 bedoelde uitgangswaarde bij de Commissie in. [Am. 12]

3.   De aangepaste uitgangswaarde wordt gebruikt om de maximaal toegestane visserijinspanning voor de betrokken inspanningsgroep te herberekenen door toepassing van de jaarlijkse aanpassingspercentages die sinds de inwerkingtreding van het plan zijn toegepast.

4.   De uitsluiting van de in artikel 11 bis bedoelde visserijinspanning kan pas op de betrokken inspanningsgroep worden toegepast nadat de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig dit artikel is herberekend.

5.   De Commissie kan uitvoeringsbepalingen vaststellen ter bepaling van gedetaillerde voorschriften betreffende het formaat en de procedure voor de toezending aan de Commissie van de in lid 2 bedoelde verzoeken. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32 bedoelde procedure vastgesteld.

Artikel 11 quater

Uitsluiting van vaartuigen die deelnemen aan proeven met een volledig gedocumenteerde visserij

1.   De visserijinspanning die door een vaartuig wordt geleverd tijdens deelname aan proeven met een volledig gedocumenteerde visserij, waarbij alle kabeljauwvangsten, met inbegrip van teruggooi, in mindering worden gebracht op het quotum, mogen door de lidstaten worden uitgesloten van de visserijinspanningsregeling.

2.   Wanneer lid 1 wordt toegepast, passen de lidstaten de overeenkomstig artikel 12, lid 1, voor de betrokken inspanningsgroep vastgestelde maximaal toegestane visserijinspanning aan. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van gedetailleerde voorschriften betreffende de aanpassing van de in de eerste zin bedoelde maximaal toegestane visserijinspanning. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32 bedoelde procedure vastgesteld. [Am. 13]

3.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van elke aanpassing van de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig lid 2. Die kennisgeving omvat nadere gegevens over de uitgesloten vaartuigen en de hoeveelheid visserijinspanning die is afgetrokken, zowel in totaal als per vaartuig.

[Am. 14]

5.   De Commissie kan uitvoeringsbepalingen vastestellen ter bepaling van gedetaillerde voorschriften betreffende het formaat en de procedure voor de in lid 3 bedoelde kennisgeving. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 32 bedoelde procedure vastgesteld.

Artikel 11 quinquies

Maatregelen inzake eerder toegekende uitsluitingen [Am. 15]

Uitsluitingen van de visserijinspanningsregeling die reeds vóór … (**) van kracht waren, blijven van toepassing zolang aan de voorwaarden waaronder die uitsluitingen zijn verleend, wordt voldaan. De lidstaten verstrekken de Commissie jaarlijks alle relevante informatie aan de hand waarvan zij kan vaststellen dat nog steeds aan die voorwaarden wordt voldaan.”. [Am. 16]

(**)   Datum van inwerkingtreding van deze verordening ."

(5)

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Voor geaggregeerde inspanningsgroepen waarvan het overeenkomstig lid 3, onder d), berekende percentage van de totale hoeveelheid gevangen vis ten minste 20 % bedraagt, moet een jaarlijkse aanpassing worden toegepast. De maximaal toegestane visserijinspanning voor de betrokken groepen wordt als volgt berekend:

(a)

wanneer artikel 7 of artikel 8 van toepassing is, wordt op de uitgangswaarde hetzelfde aanpassingspercentage toegepast als het in artikel 7 of artikel 8 voor de visserijsterfte vastgestelde percentage;

(b)

wanneer artikel 9, van toepassing is, wordt op de visserijinspanning hetzelfde aanpassingspercentage toegepast als dat waarmee de TAC ten opzichte van het vorige jaar wordt aangepast.”.

[Am. 17]

b)

Het volgende lid wordt toegevoegd:

„6.   "In afwijking van lid 4, kan de Raad, wanneer de maximaal toegestane visserijinspanning vier achtereenvolgende jaren is verlaagd, besluiten in het volgende jaar of de volgende jaren de maximaal toegestane visserijinspanning niet jaarlijks aan te passen.”.

(5 bis)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 12 bis

Om tot duurzame, op wetenschappelijk advies gebaseerde visserijsterftecoëfficiënten te komen moet teruggooi geleidelijk geëlimineerd worden. Maatregelen betreffende het gebruik van selectief vistuig en andere maatregelen worden door de lidstaten ingevoerd met financiële steun uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij. De lidstaten raadplegen de betrokken Regionale Adviesraad, de ICES en/of het WTECV en de relevante belanghebbenden over de vraag welke maatregelen er moeten worden genomen.”. [Am. 8 en 18]

(6)

Artikel 13, lid 2, onder b), wordt vervangen door:

„b)

resulteert in een vangstsamenstelling, met inbegrip van teruggooi, van minder dan 5 % kabeljauw gedurende de beheersperiode;”.

(7)

In artikel 14 worden de volgende leden toegevoegd:

„5.   Wanneer de wetenschappelijke gegevens erop wijzen dat er voor wat een bepaald vistuig betreft, sprake is van aanzienlijke teruggooi van kabeljauw gedurende de beheersperiode , neemt de betrokken lidstaat onmiddellijk maatregelen om de teruggooi van kabeljauw tot een minimum te beperken. [Am. 19]

6.   De lidstaten stellen systemen op die ervoor moeten zorgen dat de in de artikelen 11 bis, 11 ter, 11 quater en 13 bedoelde voorwaarden worden nageleefd, en nemen deze systemen op in hun nationale controleactieprogramma's als bedoeld in artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. De lidstaten kennen aan vaartuigen die overeenkomstig die artikelen actief zijn een „zeer hoog risiconiveau” toe bij hun risicobeheer als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.”.

(7 bis)

In artikel 16, lid 3, worden de woorden „in 2009” geschrapt. [Am. 20]

(7 ter)

Artikel 17, lid 4, wordt vervangen door:

„4.     Wanneer de vangst per inspanningseenheid van de donerende vistuigcategorie kleiner is dan die van de ontvangende vistuigcategorie, past de lidstaat een correctiefactor toe op de inspanning van de ontvangende vistuigcategorie om de hogere vangst per inspanningseenheid van laatstgenoemde te compenseren. De lidstaten passen deze correctie niet toe wanneer ze kunnen aantonen dat de overdracht plaatsvindt met als doel de vangst van kabeljauw te verhinderen of in het kader van initiatieven ter beperking van de teruggooi die in overeenstemming zijn met de Uniewetgeving betreffende het gebruik van vistuig.”. [Am. 21]

(8)

Artikel 32 wordt vervangen door:

„Artikel 32

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 ingestelde Comité voor de visserij en de aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (***).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

(***)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.”."

(9)

De bijlagen II en III worden geschrapt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 44 van 15.2.2013, blz. 125.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 juni 2013.

(3)  PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20.

(4)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.


Woensdag 12 juni 2013

19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/199


P7_TA(2013)0249

Benoeming van een lid van de Europese Commissie

Besluit van het Europees Parlement van 12 juni 2013 houdende goedkeuring van de benoeming van Neven Mimica als lid van de Commissie (2013/0806(NLE))

(2016/C 065/35)

Het Europees Parlement,

gezien de Akte van toetreding van Kroatïe, en met name artikel 21, lid 1,

gezien het voorstel door de Kroatische regering op 25 april 2013 ingediend met het oog op de benoeming van Neven Mimica als lid van de Commissie,

gezien de brief van de Raad van 2 mei 2013 waarbij de Raad het Parlement heeft geraadpleegd over een besluit tot benoeming van Neven Mimica als lid van de Commissie, dat in onderlinge overeenstemming moet worden genomen met de voorzitter van de Commissie,

gezien de hoorzitting met Neven Mimica op 4 juni 2013, die is geleid door de Commissie interne markt en consumentenbescherming samen met de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, en de na deze hoorzitting opgestelde evaluatieverklaring,

gezien artikel 106 van en bijlage XVII bij zijn Reglement,

1.

hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Neven Mimica als lid van de Commissie voor de verdere duur van de ambtstermijn van de Commissie, tot 31 oktober 2014;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Kroatië.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/199


P7_TA(2013)0251

Benoeming van een lid van de Rekenkamer

Besluit van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over de voordracht van Neven Mates voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C7-0106/2013 — 2013/0804(NLE))

(Raadpleging)

(2016/C 065/36)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0106/2013),

gezien artikel 108 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A7-0182/2013),

A.

overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, in het bijzonder gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.

overwegende dat de Commissie begrotingscontrole op haar vergadering van 27 mei 2013 de kandidaat die de Raad heeft voorgedragen voor benoeming tot lid van de Rekenkamer, heeft gehoord;

1.

brengt negatief advies uit over de voordracht van Neven Mates voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/200


P7_TA(2013)0252

Benoeming van een lid van de Rekenkamer

Besluit van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over de voordracht van George Pufan voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C7-0115/2013 — 2013/0805(NLE))

(Raadpleging)

(2016/C 065/37)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0115/2013),

gezien artikel 108 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A7-0181/2013),

A.

overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.

overwegende dat de Commissie begrotingscontrole het kandidaat-lid van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 27 mei 2013 heeft gehoord;

1.

brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van George Pufan tot lid van de Rekenkamer;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/200


P7_TA(2013)0253

Illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (COM(2012)0332 — C7-0158/2012 — 2012/0162(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2016/C 065/38)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2012)0332),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0158/2012),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2012 (1),

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij (A7-0144/2013),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 351 van 15.11.2012, blz. 90.


P7_TC1-COD(2012)0162

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van een wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2012 (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (3) heeft de Commissie bevoegdheden gekregen om enkele bepalingen van die verordening uit te voeren en zijn bepaalde uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad voorbehouden.

(2)

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moeten bepaalde in het kader van Verordening (EG) nr. 1005/2008 verleende bevoegdheden worden aangepast aan de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(3)

Om sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 1005/2008 te kunnen toepassen moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de volgende punten:

de ontheffing van vissersvaartuigen van de verplichting tot kennisgeving van bepaalde gegevens of de vaststelling van andere kennisgevingstermijnen voor bepaalde categorieën vissersvaartuigen;

de vaststelling van benchmarks voor de inspecties van aanlandings- en overladingsactiviteiten door vissersvaartuigen van derde landen;

de vaststelling van de lijst van producten die worden uitgesloten van het toepassingsgebied van het vangstcertificaat;

de aanpassing van de vangstcertificeringsregeling voor sommige door kleine vissersvaartuigen verkregen visserijproducten, met inbegrip van de mogelijkheid om een vereenvoudigd vangstcertificaat te gebruiken;

de aanpassing van de termijn voor de indiening van het vangstcertificaat op grond van het soort visserijproduct, de afstand tot de plaats van binnenkomst op het grondgebied van de Unie of het gebruikte vervoermiddel;

de vaststelling van regels voor de verlening, de wijziging of de intrekking van de het certificaat van „erkend marktdeelnemer” of voor de schorsing of herroeping van de status van „erkend marktdeelnemer” en inzake de voorwaarden voor de geldigheid van het certificaat van „erkend marktdeelnemer”, en

de vaststelling van criteria van de Unie voor de verificaties in het kader van risicobeheer.

(4)

Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau , om over objectieve, degelijke, volledige en actuele informatie te beschikken . De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. [Am. 1]

(5)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1005/2008 moeten overeenkomstig artikel 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend aan de Commissie ten aanzien van de volgende punten:

de vaststelling van formulieren voor voorafgaande kennisgeving;

de vaststelling van procedures en formulieren voor de aangifte van aanlanding en overlading;

de goedkeuring, in overeenstemming met de vlaggenstaten, van vangstcertificaten die elektronisch worden opgesteld, gevalideerd of ingediend, dan wel op basis van elektronische traceerbaarheidssystemen die hetzelfde niveau van controle door de autoriteiten garanderen;

de vaststelling en wijziging van de lijst met vangstcertificeringsregelingen die door regionale visserijorganisaties zijn vastgesteld en die aan de IOO-verordening van de EU voldoen;

de vaststelling van gemeenschappelijke voorwaarden in alle lidstaten voor procedures en formulieren inzake de aanvraag en de afgifte van het certificaat van „erkend marktdeelnemer”, van de regels inzake de verificatie van erkende marktdeelnemers en van de regels inzake de uitwisseling van informatie tussen de erkende marktdeelnemers en de autoriteiten in de lidstaten, tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie;

de vaststelling van de EU-lijst van IOO-vaartuigen;

de schrapping van vaartuigen van de EU-lijst van IOO-vaartuigen;

de opneming van door de regionale visserijorganisaties goedgekeurde lijsten van IOO-vaartuigen in de EU-lijst van IOO-vaartuigen;

de identificatie van niet-meewerkende derde landen;

de opneming van geïdentificeerde derde landen op een lijst van niet-meewerkende derde landen;

de schrapping van derde landen van de lijst van niet-meewerkende derde landen;

de goedkeuring van noodmaatregelen tegen derde landen in specifieke omstandigheden;

de vaststelling van het formaat voor de indiening door de lidstaten van informatie over waargenomen vissersvaartuigen, en

de vaststelling van regels inzake wederzijdse bijstand.

Wanneer controle door de lidstaten vereist is, moeten die bevoegdheden worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (4).

(6)

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moet artikel 52 worden geschrapt. Dit artikel werd reeds gebruikt voor de vaststelling van het wettelijk kader voor het vereenvoudigde vangstcertificaat en voor de vaststelling van administratieve regelingen met derde landen in het kader van artikel 12, lid 4, en artikel 20, lid 4. De Commissie moet nog de nodige bevoegdheden krijgen om gedelegeerde handelingen voor de aanpassing van de vangstcertificeringsregeling voor bepaalde door kleine vissersvaartuigen verkregen visserijproducten vast te stellen, met inbegrip van de mogelijkheid om een vereenvoudigd vangstcertificaat te gebruiken, en moet bovendien uitvoeringsbevoegdheden krijgen om, in overeenstemming met vlaggenstaten, vangstcertificaten vast te stellen die elektronisch worden opgesteld, gevalideerd en ingediend, dan wel die te vervangen door elektronische traceerbaarheidssystemen die hetzelfde niveau van controle door de autoriteiten garanderen.

(7)

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moet de bepaling inzake tijdelijke maatregelen waarbij is bepaald dat bepaalde maatregelen van de Commissie in bepaalde omstandigheden naar de Raad moeten worden verwezen, worden aangepast.

(8)

In de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1005/2008 betreffende de vaststelling van een lijst van niet-meewerkende derde landen en de schrapping van niet-meewerkende derde landen van die lijst zijn besluitvormingsbevoegdheden aan de Raad toegekend. Als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moeten die bepalingen worden aangepast aan de nieuwe procedures die van toepassing zijn op het gemeenschappelijk visserijbeleid.

(9)

Verordening (EG) nr. 1005/2008 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1005/2008 wordt als volgt gewijzigd:

(1)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„1 bis.   De Commissie mag het in bovenstaand lid 1 bedoelde formulier voor de voorafgaande kennisgeving vaststellen door middel van uitvoeringshandelingen volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”

b)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij bepaalde categorieën vissersvaartuigen van derde landen voor een beperkte, verlengbare periode ontheffing wordt verleend van de in lid 1 bepaalde verplichting, of waarbij een andere aanmeldingstermijn wordt vastgesteld met inaanmerkingneming van, onder meer, het soort visserijproduct, de afstand tussen de visgronden, de aanlandingsplaatsen en de havens waar de betrokken vaartuigen zijn geregistreerd of in een lijst zijn opgenomen.”.

(2)

In artikel 8 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   De procedures en de formulieren voor de aangifte van aanlandingen en overladingen worden vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

(3)

In artikel 9 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De lidstaten inspecteren in hun aangewezen havens jaarlijks ten minste 5 % van de aanlandings- en overladingsactiviteiten die door vissersvaartuigen van derde landen worden verricht, zulks overeenkomstig de benchmarks die worden vastgesteld op basis van risicobeheer en onverminderd hogere percentages die door regionale visserijorganisaties zijn vastgesteld. De Commissie wordt overeenkomstig artikel 54 bis gemachtigd gedelegeerde handelingen ter bepaling van die benchmarks vast te stellen.”.

(4)

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„4 bis .   De Commissie keurt door middel van uitvoeringshandelingen de vangstcertificaten goed die in het kader van de in artikel 20, lid 4, bedoelde samenwerking zijn vastgesteld Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De in bijlage I opgenomen lijst van producten die worden uitgesloten van het toepassingsgebied van het vangstcertificaat kan elk jaar worden herzien. De Commissie wordt overeenkomstig artikel 54 bis gemachtigd om gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de lijst wordt gewijzigd op basis van:

a)

de inspecties van vissersvaartuigen van derde landen in havens van de lidstaten;

b)

de uitvoering van een vangstcertificeringsregeling voor de invoer en uitvoer van visserijproducten;

c)

de tenuitvoerlegging van het alarmeringssysteem van de EU;

d)

de identificatie van vissersvaartuigen die IOO-visserij hebben bedreven;

e)

de identificatie van onderdanen die IOO-visserij of ondersteunen bedrijven;

f)

de tenuitvoerlegging van binnen sommige regionale visserijorganisaties vastgestelde bepalingen betreffende observaties van vissersvaartuigen;

g)

de verslagen van de lidstaten.”;

c)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de vangstcertificeringsregeling wordt aangepast aan door kleine vissersvaartuigen verkregen visserijproducten, zo nodig met inbegrip van een model voor een vereenvoudigd vangstcertificaat.”

(5)

In artikel 13 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De vangstdocumenten en welke daarmee samenhangende documenten dan ook die zijn gevalideerd overeenkomstig door een regionale visserijorganisatie vastgestelde vangstdocumentatieregelingen ten aanzien waarvan door de Commissie is erkend dat zij voldoen aan de in deze verordening gestelde eisen, worden aanvaard als vangstcertificaten voor de visserijproducten die afkomstig zijn van de soorten waarvoor die vangstdocumentatieregelingen gelden, en zijn onderworpen aan de controle- en verificatievoorschriften waaraan de lidstaat van invoer overeenkomstig de artikelen 16 en 17 moet voldoen, en aan de bij artikel 18 vastgestelde bepalingen inzake de weigering van invoer. De lijst van die vangstdocumentatieregelingen wordt vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

(6)

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Het gevalideerde vangstcertificaat wordt door de importeur aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin het product moet worden ingevoerd, overgelegd binnen een termijn die aanvankelijk wordt vastgesteld op ten minste drie werkdagen vóór de geschatte tijd van aankomst op de plaats van binnenkomst op het grondgebied van de Unie. Een dergelijke termijn van drie werkdagen kan door middel van overeenkomstig artikel 54 bis vastgestelde gedelegeerde handelingen worden aangepast naargelang van het soort visserijproduct, de afstand tot de plaats van binnenkomst op het grondgebied van de Unie of het gebruikte vervoermiddel. De bevoegde autoriteiten controleren het vangstcertificaat op basis van risicobeheer in het licht van de informatie die is vervat in de kennisgeving welke overeenkomstig de artikelen 20 en 22 van de vlaggenstaat is ontvangen.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De criteria voor de toekenning van de status van „erkend marktdeelnemer” aan een importeur door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat omvatten onder meer de volgende elementen:

a)

de importeur moet gevestigd zijn op het grondgebied van die lidstaat;

b)

hij moet een toereikend aantal invoeroperaties met een toereikend volume verrichten om te rechtvaardigen dat de in lid 2 bedoelde procedure wordt toegepast;

c)

hij moet een passende staat van dienst hebben op het gebied van de naleving van de vereisten van instandhoudings- en beheersmaatregelen;

d)

hij moet een toereikend systeem hebben voor het beheer van commerciële, en, in voorkomend geval, vervoers- en be- en verwerkingsregisters, waardoor passende controles en verificaties voor de doelstellingen van deze verordening mogelijk zijn;

e)

er moeten voorzieningen zijn wat betreft de verrichting van die controles en verificaties;

f)

in voorkomend geval, praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties die rechtstreeks samenhangen met de verrichte activiteiten; en

g)

in voorkomend geval, aangetoonde financiële solvabiliteit.

De lidstaten delen de Commissie zo spoedig mogelijk na de toekenning van de status van „erkend marktdeelnemer” de namen en adressen mee van de erkende marktdeelnemers. De Commissie stelt deze informatie langs elektronische weg ter beschikking van de lidstaten.”;

c)

de volgende leden worden toegevoegd:

„4.   Op basis van de in lid 3 vastgestelde criteria is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 54 bis gedelegeerde handelingen met de volgende bepalingen vast te stellen:

a)

regels betreffende de schorsing en intrekking van de status van erkende marktdeelnemer;

b)

regels betreffende de voorwaarden voor de geldigheid van het certificaat van „erkend marktdeelnemer”;

c)

regels betreffende de verlening, de wijziging of de intrekking van het certificaat van „erkend marktdeelnemer”.

5.   De Commissie stelt volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast betreffende:

a)

procedures en formulieren inzake de aanvraag en de afgifte van het certificaat van „erkend marktdeelnemer”;

b)

regels over de uitvoering van de verificaties van erkende marktdeelnemers;

c)

regels over de uitwisseling van informatie tussen de erkende marktdeelnemers en de autoriteiten van de lidstaten, tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en de Commissie.”.

(7)

In artikel 17 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   De verificaties worden toegespitst op de risico’s die zijn geïdentificeerd op basis van de criteria die in het kader van het risicobeheer op nationaal of EU-niveau zijn ontwikkeld. De lidstaten stellen de Commissie binnen 30 werkdagen na 29 oktober 2008 van hun nationale criteria in kennis en werken deze informatie bij. De Commissie wordt overeenkomstig artikel 54 bis gemachtigd om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de criteria van de Unie op grond waarvan tijdige risicoanalyses en een globale beoordeling van relevante controle-informatie mogelijk worden gemaakt.”.

(8)

In artikel 27 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De Commissie stelt een EU-lijst van IOO-vaartuigen op door middel van uitvoeringshandelingen die volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure zijn vastgesteld. Deze lijst bevat de vissersvaartuigen waarvoor, na de overeenkomstig de artikelen 25 en 26 genomen maatregelen en op basis van de in diezelfde bepalingen vervatte criteria, aan de hand van de overeenkomstig deze verordening verkregen informatie vast is komen te staan dat zij IOO-visserij als bedoeld in artikel 3 bedrijven, en waarvan de vlaggenstaten geen gevolg hebben gegeven aan de officiële verzoeken als bedoeld in artikel 26, lid 2, onder b) en c), en artikel 26, lid 3, onder b) en c), in antwoord op die IOO-visserij.”.

(9)

In artikel 28 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De Commissie schrapt een vissersvaartuig van de EU-lijst van IOO-vaartuigen door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, indien de vlaggenstaat van het vissersvaartuig aantoont dat:

a)

het vaartuig geen enkele van de IOO-visserijactiviteiten waarvoor het op de lijst is geplaatst, heeft verricht, of

b)

doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties zijn opgelegd als reactie op de betrokken IOO-visserijactiviteiten, met name wat betreft vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009.”.

(10)

In artikel 30 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   Behalve de in artikel 27 bedoelde vissersvaartuigen worden ook de vissersvaartuigen die in de door regionale visserijorganisaties vastgestelde lijsten van IOO-vaartuigen zijn opgenomen, door middel van uitvoeringshandelingen in de EU-lijst van IOO-vaartuigen opgenomen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Die vaartuigen worden van de EU-lijst van IOO-vaartuigen geschrapt overeenkomstig de besluiten die de betrokken regionale visserijorganisatie over hen neemt.”.

(11)

In artikel 31 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De Commissie identificeert door middel van uitvoeringshandelingen op basis van de in dit artikel genoemde criteria de derde landen die naar haar mening niet meewerken aan de bestrijding van IOO-visserij. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

(12)

In artikel 33 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De Commissie neemt overeenkomstig artikel 31, lid 1, geïdentificeerde landen door middel van uitvoeringshandelingen op in een lijst van niet-meewerkende derde landen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

(13)

In artikel 34 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De Commissie schrapt door middel van uitvoeringshandelingen derde landen van de lijst van niet-meewerkende derde landen indien de betrokken derde landen aantonen dat de situatie die de opneming ervan in de lijst rechtvaardigde, is verholpen. Bij het nemen van een besluit tot schrapping wordt ook in aanmerking genomen of de betrokken geïdentificeerde derde landen concrete maatregelen hebben genomen die een blijvende verbetering van de situatie kunnen bewerkstelligen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

(14)

Artikel 36 wordt vervangen door:

„Artikel 36

Tijdelijke maatregelen

1.   Indien er bewijs is dat de door een derde land vastgestelde maatregelen afbreuk doen aan de door een regionale visserijorganisatie aangenomen instandhoudings- en beheersmaatregelen, kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en in overeenstemming met haar internationale verplichtingen tijdelijke maatregelen vaststellen met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden om de effecten van dergelijke door derde landen genomen maatregelen te verzachten. De Commissie kan een nieuw besluit nemen om die tijdelijke maatregelen met ten hoogste zes maanden te verlengen.

2.   De in lid 1 bedoelde tijdelijke maatregelen kunnen het volgende behelzen:

a)

vissersvaartuigen die zijn gemachtigd om te vissen en die de vlag van het betrokken derde land voeren, wordt geen toegang tot de havens van de lidstaten verleend, behalve in geval van overmacht of in noodsituaties als bedoeld in artikel 4, lid 2, voor het verlenen van diensten die strikt noodzakelijk zijn om die situaties te verhelpen;

b)

vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, wordt niet toegestaan deel te nemen aan gezamenlijke visserijactiviteiten met vaartuigen die de vlag van het betrokken land voeren;

c)

vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, wordt niet toegestaan te vissen in maritieme wateren onder de jurisdictie van het betrokken derde land, onverminderd de bepalingen van bilaterale visserijovereenkomsten;

d)

de levering van levende vis ten behoeve van de visteelt in maritieme wateren onder de jurisdictie van de betrokken staat wordt niet toegestaan;

e)

levende vis die is gevangen door vissersvaartuigen die de vlag van het betrokken derde land voeren, wordt niet aanvaard voor de visteelt in maritieme wateren onder de jurisdictie van een lidstaat.

3.   De tijdelijke maatregelen zijn onmiddellijk van kracht. Zij worden ter kennis van de lidstaten en van het betrokken derde land gebracht en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.”.

(15)

In artikel 49 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De lidstaten die genoegzaam gedocumenteerde informatie over waargenomen vissersvaartuigen verkrijgen, zenden die informatie onverwijld door aan de Commissie of aan de door haar aangewezen instantie in het formaat dat door middel van uitvoeringshandelingen is vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.

(16)

In artikel 51 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   De Commissie is bevoegd door middel van uitvoeringshandelingen regels inzake wederzijdse bijstand vast te stellen betreffende:

a)

de administratieve samenwerking tussen de lidstaten, derde landen, de Commissie en de door haar aangewezen instantie, met inbegrip van de bescherming van persoonsgegevens en het gebruik van informatie en de bescherming van het beroepsgeheim en het handelsgeheim;

b)

de kosten voor de uitvoering van bijstandsverzoeken;

c)

aanwijzing van één enkele autoriteit per lidstaat;

d)

mededeling van de door de nationale autoriteiten naar aanleiding van de uitwisseling van informatie genomen follow-upmaatregelen;

e)

verzoeken om bijstand, met inbegrip van verzoeken om informatie, verzoeken om maatregelen en verzoeken om administratieve kennisgevingen en het vaststellen van antwoordtermijnen;

f)

informatieverstrekking zonder voorafgaand verzoek, en

g)

de relaties van de lidstaten met de Commissie en met derde landen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.

(17)

Artikel 52 wordt geschrapt.

(18)

Artikel 54 wordt vervangen door:

„Artikel 54

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 30 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 ingestelde Comité voor de visserij en de aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.”.

(19)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 54 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 6, lid 3, artikel 9, lid 1, artikel 12, leden 5 en 6, artikel 16, leden 1 en 4, en artikel 17, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van drie jaar met ingang van …  (5). De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van drie jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 2]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 3, artikel 9, lid 1, artikel 12, leden 5 en 6, artikel 16, leden 1 en 4, en artikel 17, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 6, lid 3, artikel 9, lid 1, artikel 12, leden 5 en 6, artikel 16, leden 1 en 4, en artikel 17, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.

(5)   Datum van inwerkingtreding van deze verordening. "

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 351 van 15.11.2012, blz. 90.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 12 juni 2013.

(3)  PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.

(4)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/208


P7_TA(2013)0254

Normen voor de opvang van aanvragers van internationale bescherming (herschikking) ***II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) (14654/2/2012 — C7-0165/2013 — 2008/0244(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

(2016/C 065/39)

Het Europees Parlement,

gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (14654/2/2012 — C7-0165/2013),

gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 juli 2009 (1) en van 26 oktober 2011 (2),

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 7 oktober 2009 (3),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (4) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0815),

gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2011)0320),

gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 72 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0214/2013),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.

verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 317 van 23.12.2009, blz. 110.

(2)  PB C 24 van 28.1.2012, blz. 80.

(3)  PB C 79 van 27.3.2010, blz. 58.

(4)  PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 348.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/209


P7_TA(2013)0255

Verzoek om internationale bescherming, in een van de lidstaten ingediend door een onderdaan van een derde land of een statenloze (herschikking) ***II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (15605/3/2012 — C7-0164/2013 — 2008/0243(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

(2016/C 065/40)

Het Europees Parlement,

gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (15605/3/2012 — C7-0164/2013),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 juli 2009 (1),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 7 oktober 2009 (2),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0820),

gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 72 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0216/2013),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.

hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

5.

verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, tezamen met de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

6.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 317 van 23.12.2009, blz. 115.

(2)  PB C 79 van 27.3.2010, blz. 58.

(3)  PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 370.


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gemeenschappelijke verklaring van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie

De Raad en het Europees Parlement verzoeken de Commissie om, onverminderd haar initiatiefrecht, te overwegen om, zodra het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan in zaak C-648/11 (MA en anderen tegen Secretary of State for the Home Department) en uiterlijk binnen de in artikel 46 van de Dublinverordening vermelde termijnen, artikel 8, lid 4, van de herschikking van de Dublinverordening te herzien. Het Europees Parlement en de Raad zullen vervolgens beide hun wetgevende bevoegdheden uitoefenen, waarbij zij de belangen van het kind voor ogen houden.

De Commissie stemt er in een geest van compromis en met het oog op een onverwijlde vaststelling van het voorstel mee in om dit verzoek in overweging te nemen, waarbij zij ervan uitgaat dat het tot deze specifieke omstandigheden beperkt is en geen precedent schept.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/210


P7_TA(2013)0256

Toekenning en intrekking van internationale bescherming (herschikking) ***II

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) (08260/2/2013 — C7-0163/2013 — 2009/0165(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

(2016/C 065/41)

Het Europees Parlement,

gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (08260/2/2013 — C7-0163/2013),

gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 april 2010 (1) en 26 oktober 2011 (2),

gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt (3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2009)0554),

gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2011)0319),

gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 72 van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0217/2013),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.

constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.

verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 18 van 19.1.2011, blz. 80

(2)  PB C 24 van 28.1.2012, blz. 79.

(3)  PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 184.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/212


P7_TA(2013)0257

Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen ***I

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 juni 2013 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (COM(2012)0617 — C7-0358/2012 — 2012/0295(COD)) (1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2016/C 065/42)

Amendement 1

Voorstel voor een verordening

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)

In overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van 17 juni 2010, waarbij de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei werd goedgekeurd, hebben de Unie en de lidstaten zich ten doel gesteld dat tegen 2020 het aantal mensen voor wie armoede en sociale uitsluiting dreigt, met ten minste 20 miljoen moet zijn gedaald.

(1)

In overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van 17 juni 2010, waarbij de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei (de „Europa 2020-strategie”) werd goedgekeurd, hebben de Unie en de lidstaten zich ten doel gesteld dat tegen 2020 het aantal mensen voor wie armoede en sociale uitsluiting dreigt, met ten minste 20 miljoen moet zijn gedaald. Desalniettemin liep in 2010 bijna een kwart van de Europeanen (119,6  miljoen) het risico in een situatie van armoede of sociale uitsluiting te belanden, bijna 4 miljoen méér dan in 2009. Armoede en sociale uitsluiting komen in de Unie echter niet uniform voor en de ernst van de situatie verschilt per lidstaat.

Amendement 2

Voorstel voor een verordening

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)

Het aantal personen in de Unie die zich in een situatie van materiële of zelfs ernstige materiële deprivatie bevinden, neemt toe , en die personen zijn vaak te uitgesloten om te kunnen profiteren van de activeringsmaatregelen van Verordening (EU) nr. […VGB], en met name van Verordening (EU) nr. […ESF].

(2)

Het aantal personen in de Unie die zich in een situatie van materiële of zelfs ernstige materiële deprivatie bevinden, neemt toe , en in 2012 bevond bijna 8 % van de burgers van de Unie zich in een situatie van ernstige materiële deprivatie. Die personen zijn vaak te uitgesloten om te kunnen profiteren van de activeringsmaatregelen van Verordening (EU) nr. […VGB], en met name van Verordening (EU) nr. […ESF].

Amendement 3

Voorstel voor een verordening

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis)

Vrouwen en kinderen zijn oververtegenwoordigd in de groep personen die zich in een situatie van deprivatie bevinden of voor wie armoede of sociale uitsluiting dreigen, terwijl vrouwen vaak verantwoordelijk zijn voor de voedselvoorziening en belast met het garanderen van een inkomen De Commissie en de lidstaten moeten passende maatregelen nemen om elke vorm van discriminatie te voorkomen en ze moeten de gelijkheid van mannen en vrouwen waarborgen, alsmede de samenhangende integratie van het genderperspectief in alle stadia van voorbereiding, programmering, beheer en uitvoering, toezicht en evaluatie van het Fonds, alsook voorlichtings- en bewustmakingscampagnes, en de uitwisseling van goede praktijken;

Amendement 4

Voorstel voor een verordening

Overweging 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 ter)

Artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt dat de waarden waarop de Unie berust, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren zijn.

Amendement 5

Voorstel voor een verordening

Overweging 2 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 quater)

Artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie onderstreept dat de Unie de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vervatte rechten, vrijheden en beginselen erkent.

Amendement 6

Voorstel voor een verordening

Overweging 2 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 quinquies)

Om de marginalisering van kwetsbare groepen en groepen met een laag inkomen te voorkomen en te verhinderen dat het risico op armoede en sociale uitsluiting toeneemt, moeten strategieën worden uitgevoerd waarin actieve integratie wordt bevorderd.

Amendement 7

Voorstel voor een verordening

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)

Het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (hierna het „Fonds” genoemd) moet de sociale samenhang versterken door bij te dragen aan het terugdringen van de armoede in de Unie door ondersteuning van nationale regelingen die niet-financiële bijstand verlenen aan de meest behoeftigen teneinde voedselgebrek , dak- en thuisloosheid en materiële deprivatie bij kinderen te verminderen.

(4)

Het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (hierna het „Fonds” genoemd) moet de sociale samenhang versterken door bij te dragen aan het terugdringen van de armoede in de Unie door ondersteuning van nationale regelingen die niet-financiële bijstand verlenen aan de meest behoeftigen teneinde voedselgebrek en ernstige materiële deprivatie te verminderen.

Amendement 8

Voorstel voor een verordening

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)

De „European tyopology of homelessness” (ETHOS) biedt een potentieel uitgangspunt bij de toewijzing van middelen uit het Fonds aan verschillende categorieën van meest behoeftigen.

Amendement 9

Voorstel voor een verordening

Overweging 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 ter)

Het Fonds moet niet in de plaats komen van overheidsbeleid van de regeringen van de lidstaten gericht op het beperken van de behoefte aan noodvoedselhulp en het ontwikkelen van duurzame doelstellingen en duurzaam beleid voor de volledige bestrijding van honger, armoede en sociale uitsluiting.

Amendement 10

Voorstel voor een verordening

Overweging 4 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 quater)

Gezien het groeiend aantal personen dat het risico op armoede of sociale uitsluiting loopt en het feit dat dit aantal de komende jaren zal blijven stijgen, moeten de middelen voor de financiering van het Fonds als voorzien in het meerjarig financieel kader worden verhoogd.

Amendement 11

Voorstel voor een verordening

Overweging 4 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 quinquies)

Het Fonds moet ook een bijdrage leveren aan de inspanningen van de lidstaten om een einde te maken aan de acute materiële privatie bij dak- en thuislozen.

Amendement 12

Voorstel voor een verordening

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)

Die bepalingen garanderen ook dat de ondersteunde concrete acties in overeenstemming zijn met het recht van de Unie en het nationale recht, met name wat de veiligheid van de aan de meest behoeftigen gedistribueerde goederen betreft.

(6)

Die bepalingen garanderen ook dat de ondersteunde concrete acties in overeenstemming zijn met het recht van de Unie en het nationale recht, met name wat de veiligheid van de levensmiddelen en fundamentele materiële bijstand voor de meest behoeftigen betreft.

Amendement 13

Voorstel voor een verordening

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)

Het operationeel programma van elke lidstaat moet vermelden welke vormen van materiële deprivatie worden aangepakt en de keuze daarvoor rechtvaardigen, en moet de doelstellingen en kenmerken beschrijven van de bijstand aan de meest behoeftigen die zal worden verleend door ondersteuning van nationale regelingen. Het moet ook de elementen bevatten die nodig zijn voor een efficiënte en doeltreffende uitvoering van het operationeel programma .

(8)

Het operationeel programma van elke lidstaat moet vermelden welke vormen van alimentaire en materiële deprivatie worden aangepakt en de keuze daarvoor rechtvaardigen, en moet de doelstellingen en kenmerken beschrijven van de bijstand aan de meest behoeftigen die zal worden verleend door ondersteuning van nationale regelingen. Het moet ook de elementen bevatten die nodig zijn voor de efficiënte en doeltreffende uitvoering van de operationele programma's .

Amendement 14

Voorstel voor een verordening

Overweging 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 bis)

In de Unie bestaat ernstige voedseldeprivatie naast significante voedselverspilling. In het operationeel programma van elke lidstaat moet worden aangegeven op welke wijze de synergie-effecten tussen de verschillende beleidsmaatregelen gebruikt moeten worden voor het — op gecoördineerde wijze — reduceren van voedselverspilling en het bestrijden van voedseldeprivatie. In het operationeel programma van elke lidstaat moet ook worden aangegeven op welke wijze administratieve obstakels kunnen worden weggenomen voor commerciële en niet-commerciële organisaties die voedseloverschotten willen weggeven aan organisaties zonder winstoogmerk die zich met het bestrijden van voedseldeprivatie bezighouden.

Amendement 15

Voorstel voor een verordening

Overweging 8 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 ter)

Met het oog op een efficiënte en doeltreffende uitvoering van de door het Fonds gefinancierde maatregelen moet samenwerking tussen regionale en lokale overheden en organisaties van het maatschappelijk middenveld worden gestimuleerd. De lidstaten moeten daarom de deelname van alle actoren die zijn betrokken bij de uitwerking en toepassing van de door het Fonds gefinancierde maatregelen, bevorderen.

Amendement 16

Voorstel voor een verordening

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)

Om het Fonds zo doeltreffend mogelijk te maken, met name gelet op de nationale omstandigheden, is het wenselijk te voorzien in een procedure om het operationeel programma te wijzigen.

(9)

Om het Fonds zo doeltreffend mogelijk te maken en te zorgen voor optimale synergie met maatregelen van het ESF , met name gelet op mogelijke veranderingen van de nationale omstandigheden, is het wenselijk te voorzien in een procedure om het operationeel programma te wijzigen.

Amendement 17

Voorstel voor een verordening

Overweging 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis)

Om zo effectief en adequaat mogelijk tegemoet te komen aan de verschillende behoeften en de meest behoeftigen beter te helpen, moet het partnerschapsbeginsel in alle schakels van het Fonds van toepassing zijn.

Amendement 18

Voorstel voor een verordening

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)

De uitwisseling van ervaringen en beste praktijken heeft een significante meerwaarde en de Commissie moet die verspreiding vergemakkelijken.

(10)

De uitwisseling van ervaringen en beste praktijken heeft een significante meerwaarde omdat deze het wederzijdse leerproces bevordert, en de Commissie moet die verspreiding vergemakkelijken en bevorderen, en werken aan synergie-effecten met de uitwisseling van goede praktijken in het kader van hieraan gerelateerde fondsen, in het bijzonder het ESF .

Amendement 19

Voorstel voor een verordening

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)

Om toezicht te houden op de voortgang van de uitvoering van de operationele programma's moeten de lidstaten een jaarverslag en een eindverslag over de uitvoering opstellen en voorleggen aan de Commissie, zodat essentiële en actuele informatie beschikbaar is. Tenzij zij anders overeenkomen, moeten de Commissie en de lidstaten om dezelfde reden jaarlijks bijeenkomen voor een bilaterale evaluatie.

(11)

Om toezicht te houden op de voortgang van de uitvoering van de operationele programma's moeten de lidstaten , in samenwerking met de betrokken maatschappelijke organisaties, een jaarverslag en een eindverslag over de uitvoering opstellen en voorleggen aan de Commissie, zodat essentiële en actuele informatie beschikbaar is. Tenzij zij anders overeenkomen, moeten de Commissie en de lidstaten om dezelfde reden jaarlijks bijeenkomen voor een bilaterale evaluatie.

Amendement 20

Voorstel voor een verordening

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)

Om de kwaliteit en het ontwerp van elk operationeel programma te verbeteren en de doeltreffendheid en doelmatigheid van het Fonds te evalueren, moeten ex ante en ex post evaluaties worden uitgevoerd. Die evaluaties moeten worden aangevuld met onderzoeken inzake de meest behoeftigen die hebben geprofiteerd van het operationeel programma en, indien nodig, met evaluaties tijdens de programmeringsperiode. De verantwoordelijkheden van de lidstaten en de Commissie in dit verband moeten worden gespecificeerd.

(12)

Om de kwaliteit en het ontwerp van elk operationeel programma te verbeteren en de doeltreffendheid en doelmatigheid van het Fonds te evalueren, moeten ex ante en ex post evaluaties worden uitgevoerd. Die evaluaties moeten worden aangevuld met onderzoeken inzake de meest behoeftigen die hebben geprofiteerd van het operationeel programma en, indien nodig, met evaluaties tijdens de programmeringsperiode. De evaluaties moeten het recht op privacy van de eindgebruikers respecteren en zo worden uitgevoerd dat de meest behoeftigen niet worden gestigmatiseerd. De verantwoordelijkheden van de lidstaten en de Commissie in dit verband moeten worden gespecificeerd.

Amendement 21

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 bis)

Zoals onderstreept in het onderzoek van Eurostat „Metingen van materiële deprivatie in de EU — Indicatoren voor de gehele bevolking en specifiek voor kinderen” is omvangrijk onderzoek verricht naar materiële deprivatie, waardoor het in de nabije toekomst mogelijk is op gedetailleerdere wijze gegevens te vergaren over huishoudens, volwassenen en kinderen die te kampen hebben met materiële deprivatie.

Amendement 22

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 ter)

Bij het uitvoeren van deze evaluaties, aangevuld met onderzoeken inzake de meest behoeftigen, moet worden ingezien dat deprivatie een complex concept is dat moeilijk te vatten is wanneer een klein aantal indicatoren wordt gebruikt, aangezien ze misleidend kunnen zijn en zodoende tot ondoeltreffend beleid kunnen leiden.

Amendement 23

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 quater)

Zoals benadrukt in de derde Europese enquête van Eurofound (2012) over de kwaliteit van leven betreft de meting van materiële deprivatie in de Unie het niet kunnen betalen van zaken die als essentieel worden beschouwd, ongeacht wat mensen bezitten en hoeveel ze verdienen. Voor de ontwikkeling van een deprivatie-index waarmee materiële deprivatie van huishoudens nauwkeuriger kan worden onderzocht, moeten daarom indicatoren zoals hoogte van inkomens, ongelijkheid van inkomens, het vermogen om rekeningen te betalen, overmatige schulden en tevredenheid met de leefomstandigheden in aanmerking worden genomen.

Amendement 24

Voorstel voor een verordening

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)

De burgers hebben het recht te weten hoe de financiële middelen van de Unie worden besteed en wat het effect daarvan is. Om te zorgen voor een ruime verspreiding van informatie over de resultaten van het Fonds en om te zorgen voor toegankelijkheid en transparantie van de financieringsmogelijkheden, moeten gedetailleerde regels worden vastgesteld over informatie en communicatie, met name in verband met de verantwoordelijkheden van de lidstaten en de begunstigden.

(13)

De burgers hebben het recht te weten hoe de financiële middelen van de Unie worden besteed en wat het effect daarvan is. Om te zorgen voor een ruime verspreiding van informatie over de resultaten van het Fonds en om te zorgen voor toegankelijkheid en transparantie van de financieringsmogelijkheden, moeten gedetailleerde regels worden vastgesteld over informatie en communicatie, met name in verband met de verantwoordelijkheden van de lokale en regionale overheden van de lidstaten en die van de begunstigden.

Amendement 25

Voorstel voor een verordening

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)

Er moet worden voorzien in een maximumniveau voor medefinanciering van de operationele programma's door het Fonds, zodat de middelen van de Unie een multiplicatoreffect hebben , terwijl rekening moet worden gehouden met de situatie van lidstaten die met tijdelijke budgettaire problemen kampen.

(15)

Er moet worden voorzien in een niveau voor medefinanciering van de operationele programma's door het Fonds, zodat de middelen van de Unie een multiplicatoreffect hebben . Er dient ook rekening te worden gehouden met de situatie van lidstaten die met tijdelijke begrotingsproblemen kampen.

Amendement 26

Voorstel voor een verordening

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)

In de hele Unie moeten eenvormige en billijke regels inzake de subsidiabiliteitsperiode, acties en uitgaven voor het Fonds worden toegepast. De subsidiabiliteitsvoorwaarden moeten afgestemd zijn op het specifieke karakter van de doelstellingen en doelgroepen van het Fonds, met name via adequate voorwaarden voor de subsidiabiliteit van de concrete acties en vormen van steun en regels en voorwaarden voor de terugbetaling.

(16)

In de hele Unie moeten eenvormige , eenvoudige en billijke regels inzake de subsidiabiliteitsperiode, acties en uitgaven voor het Fonds worden toegepast. De subsidiabiliteitsvoorwaarden moeten afgestemd zijn op het specifieke karakter van de doelstellingen en doelgroepen van het Fonds, met name via adequate en vereenvoudigde voorwaarden voor de subsidiabiliteit van de concrete acties en vormen van steun en regels en voorwaarden voor de terugbetaling.

Amendement 27

Voorstel voor een verordening

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17)

[Het voorstel voor een] verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”)5 bepaalt dat interventiegoederen kunnen worden afgezet door ze ter beschikking te stellen van de regeling voor voedselverstrekking aan de meest hulpbehoevenden in de Unie, indien die regeling daarin voorziet. Aangezien het verkrijgen van levensmiddelen door het gebruik, de verwerking of de verkoop van dergelijke voorraden in sommige omstandigheden economisch het gunstigst kan zijn, moet deze verordening in die mogelijkheid voorzien. De bedragen die worden verkregen door transacties met betrekking tot de voorraden moeten ten goede komen aan de meest behoeftigen, en mogen niet worden aangewend om de medefinancieringsverplichtingen van de lidstaten voor het programma te verlichten. Om ervoor te zorgen dat de interventievoorraden en de opbrengsten daarvan zo doeltreffend mogelijk worden gebruikt, moet de Commissie overeenkomstig artikel 19, onder e), van Verordening (EU) nr. [GMO] uitvoeringshandelingen vaststellen waarbij procedures worden ingevoerd om goederen uit de interventievoorraden te gebruiken, te verwerken of te verkopen ten behoeve van het programma voor de meest behoeftigen.

(17)

[Het voorstel voor een] verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”)5 bepaalt dat interventiegoederen kunnen worden afgezet door ze ter beschikking te stellen van de regeling voor voedselverstrekking aan de meest hulpbehoevenden in de Unie, indien die regeling daarin voorziet. Aangezien het verkrijgen van levensmiddelen door het gebruik, de verwerking of de verkoop van dergelijke voorraden in sommige omstandigheden economisch het gunstigst kan zijn, moet deze verordening in die mogelijkheid voorzien. De bedragen die worden verkregen door transacties met betrekking tot de voorraden moeten ten goede komen aan de meest behoeftigen, en mogen niet worden aangewend om de medefinancieringsverplichtingen van de lidstaten voor het programma te verlichten. Om ervoor te zorgen dat de interventievoorraden en de opbrengsten daarvan zo doeltreffend mogelijk worden gebruikt, moet de Commissie overeenkomstig artikel 19, onder e), van Verordening (EU) nr. [GMO] uitvoeringshandelingen vaststellen waarbij procedures worden ingevoerd om goederen uit de interventievoorraden te gebruiken, te verwerken of te verkopen ten behoeve van het programma voor de meest behoeftigen. De partnerorganisaties moet worden toegestaan extra levensmiddelen te distribueren die afkomstig zijn uit andere bronnen, inclusief interventievoorraden die ter beschikking worden gesteld overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. …[GMO]

Amendement 28

Voorstel voor een verordening

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18)

Gepreciseerd moet worden welke soorten acties op initiatief van de Commissie en van de lidstaten kunnen worden ondernomen als door het Fonds ondersteunde technische bijstand.

(18)

Gepreciseerd moet worden welke soorten acties op initiatief van de Commissie en van de lidstaten kunnen worden ondernomen als door het Fonds ondersteunde technische bijstand. Hiertoe moet worden besloten in nauwe samenwerking met de beheersautoriteiten en partnerorganisaties.

Amendement 29

Voorstel voor een verordening

Overweging 27

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(27)

De vastlegging van bijdragen uit de begroting van de Unie moet per jaar geschieden. Om een doeltreffend beheer van de programma's te waarborgen, moeten gemeenschappelijke regels voor verzoeken om tussentijdse betalingen, de betaling van het jaarlijkse saldo en het eindsaldo worden vastgesteld.

(27)

De vastlegging van bijdragen uit de begroting van de Unie moet per jaar geschieden. Om een doeltreffend beheer van de programma's te waarborgen, moeten eenvoudige gemeenschappelijke regels voor verzoeken om tussentijdse betalingen, de betaling van het jaarlijkse saldo en het eindsaldo worden vastgesteld.

Amendement 30

Voorstel voor een verordening

Overweging 30

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(30)

Ter vrijwaring van de financiële belangen van de Unie moeten tijdelijke maatregelen worden genomen die de gedelegeerde ordonnateur de mogelijkheid bieden betalingen te schorsen wanneer er aanwijzingen zijn dat er grote tekortkomingen zijn in de werking van het beheers- en controlesysteem of dat er onregelmatigheden in verband met een betalingsverzoek hebben plaatsgevonden, of wanneer de voor het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen bestemde documenten niet zijn ingediend.

(30)

Ter vrijwaring van de financiële belangen van de Unie moeten tijdelijke maatregelen worden genomen die de gedelegeerde ordonnateur de mogelijkheid bieden betalingen te schorsen wanneer er aanwijzingen zijn dat er grote tekortkomingen zijn in de werking van het beheers- en controlesysteem of dat er onregelmatigheden in verband met een betalingsverzoek hebben plaatsgevonden, wanneer de voor het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen bestemde documenten niet zijn ingediend of wanneer er sprake is van grote vertraging bij de uitvoering van een project waarbij er overtuigend bewijs voorligt dat de voor het project vastgestelde doelstellingen niet gehaald zullen worden .

Amendement 31

Voorstel voor een verordening

Overweging 32

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(32)

Om te waarborgen dat de in een bepaald begrotingsjaar uit de begroting van de Unie gefinancierde uitgaven in overeenstemming met de toepasselijke regels worden gebruikt, moet een passend kader voor het jaarlijks onderzoek en de jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen worden ingevoerd. Binnen dit kader moeten de aangewezen instanties voor het operationeel programma een beheersverklaring bij de Commissie indienen, die vergezeld dient te gaan van de gecertificeerde jaarrekeningen, een jaarlijkse samenvatting van de definitieve auditverslagen en van de controles en een onafhankelijk auditoordeel en controleverslag.

(32)

Om te waarborgen dat de in een bepaald begrotingsjaar uit de begroting van de Unie gefinancierde uitgaven in overeenstemming met de toepasselijke regels worden gebruikt, moet een passend en eenvoudig kader voor het jaarlijks onderzoek en de jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen worden ingevoerd. Binnen dit kader moeten de aangewezen instanties voor het operationeel programma een beheersverklaring bij de Commissie indienen, die vergezeld dient te gaan van de gecertificeerde jaarrekeningen, een jaarlijkse samenvatting van de definitieve auditverslagen en van de controles en een onafhankelijk auditoordeel en controleverslag.

Amendement 32

Voorstel voor een verordening

Overweging 35

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(35)

De frequentie van audits van concrete acties moet evenredig zijn aan de omvang van de steun die de Unie uit het Fonds verstrekt. Met name moeten minder audits worden uitgevoerd wanneer de totale subsidiabele uitgaven voor een concrete actie 100 000  EUR niet overschrijden. Desondanks moet het mogelijk zijn te allen tijde een audit uit te voeren wanneer er aanwijzingen zijn dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude, dan wel als onderdeel van een auditsteekproef. Om ervoor te zorgen dat de omvang van de auditing door de Commissie evenredig is aan het risico, moet de Commissie haar auditwerkzaamheden kunnen verminderen voor operationele programma's die geen grote tekortkomingen te zien geven of waarvoor op de auditautoriteit kan worden vertrouwd. Bovendien moet de reikwijdte van de audits ten volle rekening houden met het doel en de kenmerken van de doelgroepen van het Fonds.

(35)

De frequentie van audits van concrete acties moet evenredig zijn aan de omvang van de steun die de Unie uit het Fonds verstrekt. Met name moeten minder audits worden uitgevoerd wanneer de totale subsidiabele uitgaven voor een concrete actie 100 000  EUR niet overschrijden. Desondanks moet het mogelijk zijn te allen tijde een audit uit te voeren wanneer er aanwijzingen zijn dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude, dan wel als onderdeel van een auditsteekproef. Om ervoor te zorgen dat de omvang van de auditing door de Commissie evenredig is aan het risico, moet de Commissie haar auditwerkzaamheden kunnen verminderen voor operationele programma's die geen grote tekortkomingen te zien geven of waarvoor op de auditautoriteit kan worden vertrouwd. Bovendien moet de reikwijdte van de audits ten volle rekening houden met het doel, de kenmerken van de doelgroepen van het Fonds en het feit dat de begunstigde organisaties van het Fonds vrijwilligersorganisaties zijn .

Amendement 33

Voorstel voor een verordening

Overweging 41

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(41)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en is in overeenstemming met de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, met inbegrip van de eerbiediging van de menselijke waardigheid, het privéleven en het familie- en gezinsleven, het recht op de bescherming van persoonsgegevens, de rechten van het kind, de rechten van ouderen, de gelijkheid van mannen en vrouwen en het verbod op discriminatie. Deze verordening moet worden toegepast met inachtneming van deze rechten en beginselen.

(41)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en is in overeenstemming met de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, met inbegrip van de eerbiediging van de menselijke waardigheid, het privéleven en het familie- en gezinsleven, het recht op de bescherming van persoonsgegevens, de rechten van het kind, het recht op sociale bijstand en op huisvesting, de rechten van ouderen, de gelijkheid van mannen en vrouwen en het verbod op discriminatie. Deze verordening moet worden toegepast met inachtneming van deze rechten en beginselen.

Amendement 34

Voorstel voor een verordening

Overweging 42 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(42 bis)

Met het oog op de datum waarop de aanbestedingen moeten worden uitgeschreven, de termijnen voor de aanneming van deze verordening en de voorbereiding van de operationele programma's, moeten voorschriften worden opgesteld om een vlotte overgang in 2014 te verwezenlijken en aldus een onderbreking van de toevoer van levensmiddelen te voorkomen.

Amendement 35

Voorstel voor een verordening

Overweging 42 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(42 ter)

Er moet voor worden gezorgd dat het Fonds in het kader van het ESF gefinancierde programma’s en acties aanvult en zo nauw mogelijk met het ESF wordt gecoördineerd. Het opzetten van parallelle structuren voor armoedebestrijding die de administratieve last verhogen en coördinatie en synergieën bemoeilijken, moet worden vermeden.

Amendement 36

Voorstel voor een verordening

Artikel 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Deze verordening stelt voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (hierna „het Fonds”) in en bepaalt de doelstellingen van het Fonds, de reikwijdte van de steun, de beschikbare financiële middelen en de criteria voor de toewijzing ervan en stelt regels vast om de doeltreffendheid van het Fonds te waarborgen.

1.   Deze verordening stelt voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (hierna „het Fonds”) in en bepaalt de doelstellingen van het Fonds, de reikwijdte van de steun, de beschikbare financiële middelen en de criteria voor de toewijzing ervan en stelt regels vast om de doeltreffendheid en de efficiëntie van het Fonds te waarborgen.

Amendement 37

Voorstel voor een verordening

Artikel 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De volgende definities zijn van toepassing:

Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

(1)

„meest behoeftigen”: natuurlijke personen — individuen, gezinnen, huishoudens of uit dergelijke personen samengestelde groepen — wier behoefte aan hulp is vastgesteld aan de hand van objectieve criteria die door de bevoegde nationale autoriteiten zijn vastgesteld of die door de partnerorganisaties zijn omschreven en door die bevoegde autoriteiten zijn goedgekeurd;

(1)

„meest behoeftigen”: natuurlijke personen — individuen, gezinnen, huishoudens of uit dergelijke personen samengestelde groepen — wier behoefte aan hulp is vastgesteld aan de hand van objectieve criteria die door de bevoegde nationale autoriteiten samen met de betrokken partijen zijn bepaald of die door de partnerorganisaties zijn omschreven en door die bevoegde nationale autoriteiten zijn goedgekeurd;

(2)

„partnerorganisaties”: publiekrechtelijke instanties of organisaties zonder winstoogmerk die rechtstreeks of via andere partnerorganisaties levensmiddelen of goederen leveren aan de meest behoeftigen en wier concrete acties overeenkomstig artikel 29, lid 3, onder b), zijn geselecteerd door de beheersautoriteit;

(2)

„partnerorganisaties”: publiekrechtelijke instanties of organisaties zonder winstoogmerk die rechtstreeks of via andere partnerorganisaties – en in overeenstemming met de subsidiabiliteitscriteria zoals bedoeld in artikel 24 – levensmiddelen en/of fundamentele materiële bijstand leveren aan de meest behoeftigen en wier concrete acties overeenkomstig artikel 29, lid 3, onder b), zijn geselecteerd door de beheersautoriteit;

(3)

„nationale regelingen”: iedere regeling die, althans gedeeltelijk, dezelfde doelstelling heeft als het Fonds en die op nationaal, regionaal of lokaal niveau ten uitvoer wordt gelegd door publiekrechtelijke instanties of organisaties zonder winstoogmerk;

(3)

„nationale regelingen”: iedere regeling die, althans gedeeltelijk, dezelfde doelstelling heeft als het Fonds en die op nationaal, regionaal of lokaal niveau ten uitvoer wordt gelegd door publiekrechtelijke instanties of organisaties zonder winstoogmerk;

(4)

„concrete actie”: een door of onder verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit van het betrokken operationeel programma gekozen project, contract of actie, bijdragend tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het betrokken operationeel programma;

(4)

„concrete actie”: een door of onder verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit van het betrokken operationeel programma gekozen project, contract of actie, bijdragend tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het betrokken operationeel programma;

(5)

„voltooide concrete actie”: een concrete actie die fysiek is voltooid of volledig ten uitvoer is gelegd en waarvoor de begunstigden alle betrokken betalingen hebben verricht en de hulp uit het betrokken operationeel programma aan de begunstigden is betaald;

(5)

„voltooide concrete actie”: een concrete actie die fysiek is voltooid of volledig ten uitvoer is gelegd en waarvoor de begunstigden alle betrokken betalingen hebben verricht en de hulp uit het betrokken operationeel programma aan de begunstigden is betaald;

(6)

„begunstigde”: een publiek- of privaatrechtelijke instantie die belast is met het opzetten of met het opzetten en uitvoeren van concrete acties;

(6)

„begunstigde”: een publiek- of privaatrechtelijke instantie die belast is met het opzetten of met het opzetten en uitvoeren van concrete acties;

(7)

„eindontvanger”: de meest behoeftigen die levensmiddelen of goederen ontvangen en/of gebruikmaken van de begeleidende maatregelen;

(7)

„eindontvanger”: personen die zich in een situatie van voedsel- en/of materiële deprivatie bevinden en die niet-financiële bijstand ontvangen en/of gebruikmaken van de begeleidende maatregelen in het kader van dit fonds ;

 

(7 bis)

„begeleidende maatregelen”: maatregelen die verder gaan dan de verspreiding van voedsel en fundamentele materiële bijstand, die tot doel hebben hen in staat te stellen situaties van sociale uitsluiting te ontstijgen en situaties van sociale nood op een krachtigere en duurzamere manier aan te pakken;

(8)

„overheidssteun”: financiële steun voor een concrete actie, afkomstig uit de begroting van een nationale, regionale of lokale overheid, uit de begroting van de Unie voor het Fonds, uit de begroting van publiekrechtelijke instanties of uit de begroting van verenigingen van overheden of publiekrechtelijke instellingen in de zin van artikel 1, lid 9, van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad;

(8)

„overheidssteun”: financiële steun voor een concrete actie, afkomstig uit de begroting van een nationale, regionale of lokale overheid, uit de begroting van de Unie voor het Fonds, uit de begroting van publiekrechtelijke instanties of uit de begroting van verenigingen van overheden of publiekrechtelijke instellingen in de zin van artikel 1, lid 9, van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad;

(9)

„intermediaire instantie”: elke publiek- of privaatrechtelijke instantie die handelt onder verantwoordelijkheid van een beheers- of certificeringsautoriteit of die namens een dergelijke autoriteit taken verricht ten behoeve van begunstigden die concrete acties uitvoeren;

(9)

„intermediaire instantie”: elke publiek- of privaatrechtelijke instantie die handelt onder verantwoordelijkheid van een beheers- of certificeringsautoriteit of die namens een dergelijke autoriteit taken verricht ten behoeve van begunstigden die concrete acties uitvoeren;

(10)

„boekjaar”: de periode van 1 juli tot en met 30 juni, behalve voor het eerste boekjaar, dat de periode van de begindatum voor subsidiabiliteit van de uitgaven tot en met 30 juni 2015 omvat; het laatste boekjaar loopt van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023;

(10)

„boekjaar”: de periode van 1 juli tot en met 30 juni, behalve voor het eerste boekjaar, dat de periode van de begindatum voor subsidiabiliteit van de uitgaven tot en met 30 juni 2015 omvat; het laatste boekjaar loopt van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023;

(11)

„begrotingsjaar”: het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december;

(11)

„begrotingsjaar”: het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december;

Amendement 73

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 2 bis

 

Alle lidstaten hebben het recht om gebruik te maken van het Fonds.

Amendement 38

Voorstel voor een verordening

Artikel 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Het Fonds bevordert de sociale samenhang in de Unie doordat het een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstelling van de Europa 2020-strategie om ten minste 20 miljoen minder mensen bloot te stellen aan het risico op armoede en sociale uitsluiting. Door het verstrekken van niet-financiële bijstand aan de meest behoeftigen draagt het Fonds bij tot de verwezenlijking van het specifieke doel van verlichting van de ergste vormen van armoede in de Unie . Dit doel wordt afgemeten aan het aantal personen dat door het Fonds wordt geholpen .

1.   Het Fonds bevordert de sociale samenhang, versterkt de sociale inclusie en bestrijdt de armoede in de Unie doordat het een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstelling van de Europa 2020-strategie om ten minste 20 miljoen minder mensen bloot te stellen aan het risico op armoede en sociale uitsluiting , en vormt een aanvulling op het Europees Sociaal Fonds . Door het verstrekken van niet-financiële bijstand aan de meest behoeftigen draagt het Fonds bij tot de verwezenlijking van het specifieke doel van verlichting en uitbanning van de ergste vormen van armoede , in het bijzonder voedselarmoede .

 

2.     Het Fonds draagt bij tot de duurzame uitbanning van voedselarmoede en biedt de meest behoeftige personen het uitzicht op een waardig bestaan. Dit doel en de structurele impact van het Fonds worden kwalitatief en kwantitatief beoordeeld :

 

3.     Het Fonds wordt gebruikt ter aanvulling, en niet ter vervanging of reducering, van nationale strategieën op het gebied van armoedebestrijding en sociale re-integratie, die de verantwoordelijkheid van de lidstaten blijven.

Amendement 39

Voorstel voor een verordening

Artikel 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Het Fonds ondersteunt nationale regelingen op grond waarvan levensmiddelen en basisconsumptiegoederen voor persoonlijk gebruik van dak- of thuislozen of van kinderen via door de lidstaten geselecteerde partnerorganisaties worden verdeeld onder de meest behoeftigen.

1.   Het Fonds ondersteunt nationale regelingen op grond waarvan levensmiddelen en/of fundamentele materiële bijstand, met inbegrip van starterspakketten voor persoonlijk gebruik van eindontvangers via door de lidstaten geselecteerde partnerorganisaties worden verdeeld onder de meest behoeftigen.

2.   Het Fonds kan begeleidende maatregelen ondersteunen die de levering van levensmiddelen en goederen aanvullen en bijdragen tot de sociale inclusie van de meest behoeftigen.

2.   Het Fonds kan begeleidende maatregelen ondersteunen die de levering van levensmiddelen en fundamentele materiële bijstand aanvullen en bijdragen tot de sociale inclusie en een gezond dieet en een geringere algemene afhankelijkheid van de meest behoeftigen. Dergelijke maatregelen moeten goed zijn afgestemd op de plaatselijke activiteiten van het Europees Sociaal Fonds en op de activiteiten van organisaties die zich vooral richten op de uitbanning van armoede.

 

2 bis.     Het Fonds kan begunstigden bijstand verlenen zodat zij doeltreffender gebruik kunnen maken van plaatselijke voedselvoorzieningsketens, waarmee de voedselvoorziening voor de meest behoeftigen wordt vergroot en gediversifieerd, en voedselverspilling wordt teruggedrongen en voorkomen.

3.   Het Fonds bevordert het wederzijds leren, netwerkvorming en de verspreiding van goede praktijken op het gebied van niet-financiële bijstand aan de meest behoeftigen.

3.   Het Fonds bevordert op Europees niveau het wederzijds leren, netwerkvorming en de verspreiding van goede praktijken op het gebied van niet-financiële bijstand aan de meest behoeftigen. Relevante organisaties en projecten die geen gebruik maken van het Fonds, kunnen hier ook bij worden betrokken.

Amendementen 40 en 76

Voorstel voor een verordening

Artikel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Het aan het Fonds toegewezen deel van de begroting van de Unie wordt onder gedeeld beheer door de lidstaten en de Commissie uitgevoerd overeenkomstig artikel 55, lid 1, onder b), van het Financieel Reglement, met uitzondering van technische bijstand op initiatief van de Commissie, die wordt uitgevoerd onder direct beheer overeenkomstig artikel 55, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement.

1.   Het aan het Fonds toegewezen deel van de begroting van de Unie wordt onder gedeeld beheer door de lidstaten en de Commissie uitgevoerd overeenkomstig artikel 55, lid 1, onder b), van het Financieel Reglement, met uitzondering van technische bijstand op initiatief van de Commissie, die wordt uitgevoerd onder direct beheer overeenkomstig artikel 55, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement.

2.   De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat de steun uit het Fonds coherent is met de beleidsmaatregelen en prioriteiten van de Unie en complementair is met de andere instrumenten van de Unie.

2.   De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat de steun uit het Fonds coherent is met de beleidsmaatregelen en prioriteiten van de Unie en complementair is met de andere instrumenten van de Unie.

3.    De tenuitvoerlegging van de steun uit het Fonds gebeurt in nauwe samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten.

3.    Steun uit het Fonds wordt verstrekt in nauwe samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten , alsmede in samenwerking met de bevoegde regionale en plaatselijke overheden en betrokken partnerorganisaties .

4.   De lidstaten en de instanties die zij daartoe hebben aangewezen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van operationele programma's en voor het verrichten van hun taken uit hoofde van deze verordening overeenkomstig het institutionele, wettelijke en financiële kader van de lidstaat en overeenkomstig deze verordening.

4.   De lidstaten en de instanties die zij daartoe hebben aangewezen , of, in voorkomend geval, de regionale bevoegde autoriteiten, zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van operationele programma's en voor het verrichten van hun taken uit hoofde van deze verordening overeenkomstig het institutionele, wettelijke en financiële kader van de lidstaat en overeenkomstig deze verordening.

5.   De regelingen voor de uitvoering en het gebruik van het Fonds, en met name de financiële en administratieve middelen die voor verslaglegging, evaluatie, beheer en controle noodzakelijk zijn, moeten, rekening houdend met de hoogte van de toegewezen steun, in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel.

5.   De regelingen voor de uitvoering en het gebruik van het Fonds, en met name de financiële en administratieve middelen die voor verslaglegging, evaluatie, beheer en controle noodzakelijk zijn, moeten rekening houden met de vaak beperkte administratieve capaciteit van organisaties die voornamelijk afhankelijk zijn van de steun van vrijwilligers, en moeten ervoor waken deze organisaties geen grotere administratieve lasten op te leggen dan het vorige programma deed .

6.   Overeenkomstig hun respectieve verantwoordelijkheden zorgen de Commissie en de lidstaten voor coördinatie met het Europees Sociaal Fonds en met andere beleidsmaatregelen en instrumenten van de Unie.

6.   Overeenkomstig hun respectieve verantwoordelijkheden , en teneinde dubbele financiering te voorkomen, zorgen de Commissie en de lidstaten voor coördinatie met het Europees Sociaal Fonds en met andere beleidsmaatregelen en instrumenten van de Unie , in het bijzonder acties van de Unie op het gebied van gezondheid .

7.   De Commissie, de lidstaten en de begunstigden passen overeenkomstig artikel 26 van het Financieel Reglement het beginsel van goed financieel beheer toe.

7.   De Commissie, de lidstaten en de begunstigden passen overeenkomstig artikel 26 van het Financieel Reglement het beginsel van goed financieel beheer toe.

8.   De Commissie en de lidstaten zien, met name door toezicht, rapportage en evaluatie, toe op de doeltreffendheid van het Fonds.

8.   De Commissie en de lidstaten zien toe op de doeltreffendheid van het Fonds, met name door toezicht, rapportage en evaluatie , alsmede door nauw en regelmatig overleg met plaatselijke en regionale autoriteiten en partnerorganisaties die de maatregelen van het Fonds ten uitvoer leggen bij de effectbeoordelingen .

9.   De Commissie en de lidstaten vervullen hun respectieve rollen met betrekking tot het Fonds teneinde de administratieve belasting van de begunstigden te beperken.

9.   De Commissie en de lidstaten nemen maatregelen om de doeltreffendheid van het Fonds te waarborgen, en vervullen hun respectieve rollen met betrekking tot het Fonds teneinde de administratieve belasting van de begunstigden te beperken;

10.   De Commissie en de lidstaten garanderen dat de gelijkheid van mannen en vrouwen en de integratie van het genderperspectief bevorderd worden in de verschillende stadia van de uitvoering van het Fonds. De Commissie en de lidstaten nemen passende maatregelen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bij de toegang tot het Fonds te voorkomen.

10.   De Commissie en de lidstaten garanderen dat de gelijkheid van mannen en vrouwen en de integratie van het genderperspectief mede in overweging genomen worden in de verschillende stadia van de voorbereiding, programmering, het beheer en de implementatie, het toezicht op en de evaluatie van het Fonds , alsook bij de voorlichtings- en bewustmakingscampagnes, en bij de uitwisseling van goede praktijken, en gebruiken, daar waar mogelijk, naar geslacht uitgesplitste gegevens . De Commissie en de lidstaten nemen passende maatregelen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bij de toegang tot het Fonds en bijbehorende programma's en operaties te voorkomen.

11.   Concrete acties die door het Fonds zijn gefinancierd, moeten in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht van de Unie en van de lidstaten. Het Fonds mag met name alleen worden gebruikt ter ondersteuning van de distributie van levensmiddelen of goederen die in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Unie inzake de veiligheid van consumptiegoederen.

11.   Concrete acties die door het Fonds zijn gefinancierd, moeten in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht van de Unie en van de lidstaten. Het Fonds mag met name alleen worden gebruikt ter ondersteuning van de distributie van levensmiddelen of fundamentele materiële bijstand die in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Unie inzake de veiligheid van consumptiegoederen.

 

11 bis.     Waar van toepassing moet de keuze van levensmiddelen zijn gebaseerd op beginselen van uitgebalanceerde voeding en kwaliteitsvoeding, met inbegrip van verse producten, en bijdragen aan een gezond voedingspatroon van de eindontvangers.

12.   De lidstaten en de begunstigden kiezen de levensmiddelen en de goederen op basis van objectieve criteria. De selectiecriteria voor de levensmiddelen en in voorkomend geval voor de goederen houden eveneens rekening met klimatologische en ecologische aspecten, met name met het oog op de vermindering van voedselverspilling.

12.   De lidstaten en de begunstigden kiezen de levensmiddelen en de fundamentele materiële bijstand op basis van objectieve criteria met betrekking tot de behoeften van de meest behoeftigen .

 

12 bis.     Waar van toepassing moet prioriteit worden toegekend aan paatselijke en regionale producten, met inachtneming van klimaat- en milieu-overwegingen, met name met het oog op het reduceren van voedselverspilling in elk stadium van de distributieketen. Dit kan de vorm hebben van partnerschappen met ondernemingen in de hele voedselketen, in een geest van maatschappelijk verantwoord ondernemen.

 

12 ter.     De Commissie en de lidstaten zien erop toe dat bij de toekenning van steun in het kader van het Fonds rekening wordt gehouden met de waardigheid van de meest behoeftigen.

Amendement 75

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Voor vastlegging ten laste van het Fonds is voor de periode 2014 tot en met 2020 een totaalbedrag van 2 500 000 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2011, beschikbaar, dat over de betrokken jaren wordt verdeeld overeenkomstig bijlage II .

1.   Voor vastlegging ten laste van het Fonds is voor de periode 2014 tot en met 2020 (uitgedrukt in prijzen van 2011) een totaalbedrag beschikbaar dat in reële termen niet lager is dan zeven maal het in de begroting van 2011 goedgekeurde bedrag dat wordt toegewezen voor hulp aan de meest behoeftigen .

Amendement 42

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een besluit vast houdende de jaarlijkse verdeling van de totale middelen over de lidstaten, overeenkomstig artikel 84, lid 5, van Verordening (EU) nr. … (VGB), onverminderd lid 4 van dit artikel, aan de hand van de volgende door Eurostat vastgestelde indicatoren:

3.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een besluit vast houdende de jaarlijkse verdeling van de totale middelen over de lidstaten, overeenkomstig artikel 84, lid 5, van Verordening (EU) nr. … (VGB), onverminderd lid 4 van dit artikel, op basis van de door Eurostat vastgestelde recentste indicatoren betreffende :

(a)

de bevolking die te kampen heeft met ernstige materiële deprivatie;

(a)

de bevolking die te kampen heeft met ernstige materiële deprivatie , uitgedrukt in een percentage van de totale bevolking ;

(b)

de bevolking die behoort tot een huishouden met een zeer lage arbeidsintensiteit.

(b)

veranderingen in de bevolking die behoort tot een huishouden met een zeer lage arbeidsintensiteit.

Amendement 43

Voorstel voor een verordening

Artikel 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Elke lidstaat dient binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie één operationeel programma voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 in, dat de volgende elementen bevat:

1.   Elke lidstaat dient binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie één operationeel programma voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 in, dat de volgende elementen bevat:

 

-

a) een specificering van het te gebruiken bedrag van zijn toegewezen deel;

a)

een identificatie van de soort(en) materiële deprivatie die met het operationeel programma moet(en) worden aangepakt en de rechtvaardiging van die keuze, en voor elke soort materiële deprivatie die wordt aangepakt een beschrijving van de voornaamste kenmerken en doelstellingen van de distributie van levensmiddelen of goederen en de begeleidende maatregelen , rekening houdend met de resultaten van de ex-ante-evaluatie overeenkomstig artikel 14;

a)

een rechtvaardiging van de keuze van de soort(en) materiële deprivatie die moet(en) worden aangepakt en een beschrijving van de voornaamste kenmerken van het operationeel programma , rekening houdend met de resultaten van de ex-ante-evaluatie overeenkomstig artikel 14;

b)

een beschrijving van de overeenkomstige nationale regeling(en) voor elke soort materiële deprivatie die wordt aangepakt;

b)

een beschrijving van de overeenkomstige nationale regeling(en) voor elke soort materiële deprivatie die wordt aangepakt;

c)

een beschrijving van het mechanisme voor de vaststelling van de subsidiabiliteitscriteria voor de meest behoeftigen, zo nodig gedifferentieerd per soort materiële deprivatie die wordt aangepakt;

c)

een beschrijving van het mechanisme voor de vaststelling van de subsidiabiliteitscriteria voor de meest behoeftigen, zo nodig gedifferentieerd per soort materiële deprivatie die wordt aangepakt;

d)

de criteria voor de selectie van concrete acties en een beschrijving van de selectieprocedure, zo nodig gedifferentieerd per soort materiële deprivatie die wordt aangepakt;

d)

de criteria voor de selectie van concrete acties en een beschrijving van de selectieprocedure, zo nodig gedifferentieerd per soort materiële deprivatie die wordt aangepakt;

e)

de criteria voor de selectie van de partnerorganisaties, zo nodig gedifferentieerd per soort materiële deprivatie die wordt aangepakt;

e)

de criteria voor de selectie van de partnerorganisaties, zo nodig gedifferentieerd per soort materiële deprivatie die wordt aangepakt;

f)

een beschrijving van het mechanisme dat zorgt voor complementariteit met het Europees Sociaal Fonds;

f)

een beschrijving van het mechanisme dat zorgt voor complementariteit met het Europees Sociaal Fonds , waarbij duidelijk wordt aangegeven welke activiteiten onder welk fonds vallen ;

 

f bis)

een beschrijving van de concrete maatregelen die zijn gepland en van de toegewezen middelen om uitvoering te geven aan de beginselen van artikel 5;

g)

een beschrijving van de bepalingen ter uitvoering van het operationeel programma, met vermelding van de identiteit van de beheersautoriteit, de eventuele certificeringsautoriteit, de auditautoriteit en het orgaan waaraan de Commissie moet betalen, en een beschrijving van de toezichtsprocedure;

g)

een beschrijving van de bepalingen ter uitvoering van het operationeel programma, met vermelding van de identiteit van de beheersautoriteit, de eventuele certificeringsautoriteit, de auditautoriteit en het orgaan waaraan de Commissie moet betalen, en een beschrijving van de toezichtsprocedure;

h)

een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen om de bevoegde regionale, lokale en andere overheden en instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, en instanties die gelijkheid en non-discriminatie bevorderen te betrekken bij de opstelling van het operationeel programma;

h)

een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen om de bevoegde regionale, lokale en andere overheden en instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, en instanties die gelijkheid en non-discriminatie bevorderen te betrekken bij de opstelling van het operationeel programma;

i)

een beschrijving van het geplande gebruik van technische bijstand overeenkomstig artikel 25, lid 2, met inbegrip van maatregelen ter versterking van de administratieve capaciteit van de begunstigden voor de uitvoering van het operationeel programma;

i)

een beschrijving van het geplande gebruik van technische bijstand overeenkomstig artikel 25, lid 2, met inbegrip van maatregelen ter versterking van de administratieve capaciteit van de begunstigden voor de uitvoering van het operationeel programma;

j)

een financieringsplan met de volgende tabellen:

j)

een financieringsplan met de volgende tabellen:

 

i)

een tabel waarin overeenkomstig artikel 18 het bedrag van de beoogde financiële toewijzing van steun uit het Fonds en de medefinanciering overeenkomstig artikel 18 wordt uitgesplitst;

 

i)

een tabel waarin overeenkomstig artikel 18 het bedrag van de beoogde financiële toewijzing van steun uit het Fonds en de medefinanciering overeenkomstig artikel 18 wordt uitgesplitst;

 

ii)

een tabel waarin voor de hele programmeringsperiode het bedrag van de totale financiële toewijzing met betrekking tot steun uit het operationeel programma is aangegeven per soort materiële deprivatie die wordt aangepakt, alsmede de overeenkomstige begeleidende maatregelen.

 

ii)

een tabel waarin voor de hele programmeringsperiode het bedrag van de totale financiële toewijzing met betrekking tot steun uit het operationeel programma is aangegeven per soort materiële deprivatie die wordt aangepakt, alsmede de overeenkomstige begeleidende maatregelen.

De onder e) bedoelde partnerorganisaties die rechtstreeks levensmiddelen of goederen leveren, ontplooien zelf activiteiten die een aanvulling vormen op de verlening van materiële bijstand, gericht op de sociale inclusie van de meest behoeftigen, ongeacht of deze activiteiten door het Fonds worden gesteund.

De onder e) bedoelde partnerorganisaties die rechtstreeks levensmiddelen en/of materiële basisbijstand leveren, ontplooien zelf of in samenwerking met andere organisaties activiteiten die een aanvulling vormen op de verlening van materiële bijstand, gericht op de sociale inclusie van de meest behoeftigen, ongeacht of deze activiteiten door het Fonds worden gesteund.

2.   Operationele programma's worden opgesteld door de lidstaten of door een door hen aangewezen autoriteit in samenwerking met de bevoegde regionale, lokale en andere overheden , instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen en instanties die gelijkheid en non-discriminatie bevorderen .

2.   Operationele programma's worden opgesteld door de lidstaten of door een door hen aangewezen autoriteit in samenwerking met de bevoegde regionale, lokale en andere overheden en alle belanghebbenden . De lidstaten zorgen ervoor dat de operationele programma's nauw verband houden met de nationale beleidsmaatregelen voor sociale inclusie.

3.   De lidstaten stellen hun operationeel programma op volgens het model in bijlage I.

3.   De lidstaten stellen hun operationeel programma op volgens het model in bijlage I.

Amendement 44

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Een lidstaat kan een verzoek tot wijziging van het operationeel programma indienen. Het verzoek gaat vergezeld van het herziene operationeel programma en de motivatie van de wijziging.

Niet van toepassing op de Nederlandse tekst.

Amendement 45

Voorstel voor een verordening

Artikel 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Platform

Uitwisseling van goede praktijken

De Commissie zet op het niveau van de Unie een platform op om de uitwisseling van ervaring, capaciteitsopbouw en netwerkvorming te bevorderen, alsook de verspreiding van relevante resultaten op het gebied van niet-financiële bijstand aan de meest behoeftigen .

De Commissie bevordert de uitwisseling van ervaring, capaciteitsopbouw, netwerkvorming en sociale innovatie op het niveau van de Unie, waarbij partnerorganisaties en andere belanghebbenden uit alle lidstaten aan elkaar worden gekoppeld .

Bovendien raadpleegt de Commissie ten minste eenmaal per jaar de organisaties die op het niveau van de Unie de partnerorganisaties vertegenwoordigen over de uitvoering van de steun uit het Fonds.

Bovendien raadpleegt de Commissie ten minste eenmaal per jaar de organisaties die op het niveau van de Unie de partnerorganisaties vertegenwoordigen over de uitvoering van de steun uit het Fonds , waarna zij te gepasten tijde verslag uitbrengt bij het Europees Parlement en de Raad .

 

De Commissie bevordert ook de onlineverspreiding van de relevante resultaten , verslagen en informatie in verband met het Fonds.

Amendement 46

Voorstel voor een verordening

Artikel 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Van 2015 tot en met 2022 dienen de lidstaten uiterlijk op 30 juni van elk jaar bij de Commissie een jaarverslag in over de uitvoering van het operationeel programma in het voorafgaande begrotingsjaar.

1.   Van 2015 tot en met 2022 dienen de lidstaten uiterlijk op 30 juni van elk jaar bij de Commissie een jaarverslag in over de uitvoering van het operationeel programma in het voorafgaande begrotingsjaar.

2.   De lidstaten stellen het jaarverslag over de uitvoering op volgens het door de Commissie vastgestelde model, met inbegrip van de lijst van gemeenschappelijke input- en outputindicatoren.

2.   De lidstaten stellen het jaarverslag over de uitvoering op volgens het door de Commissie vastgestelde model, met inbegrip van de lijst van gemeenschappelijke input- en outputindicatoren.

 

Deze indicatoren omvatten:

 

a)

recente veranderingen in de uitgaven voor sociaal beleid met betrekking tot ernstige materiële deprivatie, in absolute termen, in verhouding tot het bbp en in verhouding tot de totale overheidsuitgaven;

 

b)

recente veranderingen in de wetgeving op het gebied van sociaal beleid die betrekking heeft op de toegang tot financiering voor begunstigden en andere organisaties die zich richten op ernstige materiële deprivatie.

3.   De jaarverslagen over de uitvoering zijn ontvankelijk als zij alle gegevens bevatten die worden verlangd in het in lid 2 bedoelde model, met inbegrip van de gemeenschappelijke indicatoren. Als de Commissie een jaarverslag over de uitvoering ontvangt dat niet ontvankelijk is, deelt zij dit binnen 15 werkdagen na de datum van ontvangst mee aan de betrokken lidstaat. Als de Commissie dat niet binnen die termijn meedeelt, wordt het verslag geacht te zijn aanvaard.

3.   De jaarverslagen over de uitvoering zijn ontvankelijk als zij alle gegevens bevatten die worden verlangd in het in lid 2 bedoelde model, met inbegrip van de gemeenschappelijke indicatoren. Als de Commissie een jaarverslag over de uitvoering ontvangt dat niet ontvankelijk is, deelt zij dit binnen 15 werkdagen na de datum van ontvangst mee aan de betrokken lidstaat. Als de Commissie dat niet binnen die termijn meedeelt, wordt het verslag geacht te zijn aanvaard.

4.   De Commissie onderzoekt het jaarverslag over de uitvoering en deelt de lidstaat binnen twee maanden na ontvangst haar opmerkingen mee.

4.   De Commissie onderzoekt het jaarverslag over de uitvoering en deelt de lidstaat binnen twee maanden na ontvangst haar opmerkingen mee.

Als de Commissie geen opmerkingen maakt binnen deze termijn, worden de verslagen geacht te zijn aanvaard.

Als de Commissie geen opmerkingen maakt binnen deze termijn, worden de verslagen geacht te zijn aanvaard.

5.   Uiterlijk op 30 september 2023 dienen de lidstaten een eindverslag in over de uitvoering van de operationele programma's.

5.   Uiterlijk op 30 september 2023 dienen de lidstaten een eindverslag in over de uitvoering van de operationele programma's.

De lidstaten stellen het eindverslag over de uitvoering op volgens het door de Commissie vastgestelde model.

De lidstaten stellen het eindverslag over de uitvoering op volgens het door de Commissie vastgestelde model.

De Commissie onderzoekt het eindverslag over de uitvoering en deelt de lidstaat binnen vijf maanden na ontvangst haar opmerkingen mee.

De Commissie onderzoekt het eindverslag over de uitvoering en deelt de lidstaat binnen vijf maanden na ontvangst haar opmerkingen mee.

Als de Commissie geen opmerkingen maakt binnen deze termijn, worden de verslagen geacht te zijn aanvaard.

Als de Commissie geen opmerkingen maakt binnen deze termijn, worden de verslagen geacht te zijn aanvaard.

6.   De Commissie stelt het model van het jaarverslag over de uitvoering, met inbegrip van de lijst van gemeenschappelijke indicatoren, en het model van het eindverslag over de uitvoering vast door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 60, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

6.   De Commissie stelt het model van het jaarverslag over de uitvoering, met inbegrip van de lijst van gemeenschappelijke indicatoren, en het model van het eindverslag over de uitvoering vast door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 60, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

7.   De Commissie kan opmerkingen over de uitvoering van het operationeel programma meedelen aan de lidstaat. De beheersautoriteit stelt de Commissie binnen drie maanden in kennis van de getroffen corrigerende maatregelen.

7.   De Commissie kan opmerkingen over de uitvoering van het operationeel programma meedelen aan de lidstaat. De beheersautoriteit stelt de Commissie binnen drie maanden in kennis van de getroffen corrigerende maatregelen.

8.   De beheersautoriteit publiceert een samenvatting van de inhoud van de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering.

8.   De beheersautoriteit publiceert een samenvatting van de inhoud van de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering.

 

8 bis.     De Commissie dient te gepasten tijde een samenvatting van de jaarlijkse en de definitieve uitvoeringsverslagen in bij het Europees Parlement en de Raad.

 

8 ter.     De procedure betreffende de uitvoeringsverslagen is niet buitensporig in vergelijking met de toegewezen middelen en met de aard van de steun en veroorzaakt geen onnodige administratieve lasten.

Amendement 47

Voorstel voor een verordening

Artikel 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Bilaterale evaluatievergadering

Bilaterale evaluatievergaderingen

1.   Tenzij anders is overeengekomen, komen de Commissie en elke lidstaat vanaf 2014 tot en met 2022 elk jaar bijeen om de vooruitgang bij de uitvoering van het operationeel programma te onderzoeken, waarbij rekening wordt gehouden met het jaarverslag over de uitvoering en de eventuele opmerkingen van de Commissie, bedoeld in artikel 11, lid 7.

1.   Tenzij anders is overeengekomen, komen de Commissie en elke lidstaat vanaf 2014 tot en met 2022 elk jaar bijeen om de vooruitgang bij de uitvoering van het operationeel programma te onderzoeken, waarbij rekening wordt gehouden met het jaarverslag over de uitvoering en de eventuele opmerkingen van de Commissie, bedoeld in artikel 11, lid 7.

2.   De bilaterale evaluatievergadering wordt voorgezeten door de Commissie.

2.   De bilaterale evaluatievergadering wordt voorgezeten door de Commissie.

3.   De lidstaat zorgt ervoor dat na de vergadering een passend gevolg aan de eventuele opmerkingen van de Commissie wordt gegeven.

3.   De lidstaat zorgt ervoor dat na de vergadering een passend gevolg aan de eventuele opmerkingen van de Commissie wordt gegeven en verwijst daarnaar in het uitvoeringsverslag van het volgende jaar of, in voorkomend geval, van de volgende jaren .

Amendement 48

Voorstel voor een verordening

Artikel 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De lidstaten verstrekken de nodige middelen om evaluaties uit te voeren en zorgen voor procedures voor het produceren en verzamelen van de voor de evaluaties vereiste gegevens, waaronder gegevens over de in artikel 11 bedoelde gemeenschappelijke indicatoren.

1.   De lidstaten verstrekken de nodige middelen om evaluaties uit te voeren en zorgen voor procedures voor het produceren en verzamelen van de voor de evaluaties vereiste gegevens, waaronder gegevens over de in artikel 11 bedoelde gemeenschappelijke indicatoren.

2.   De evaluaties worden uitgevoerd door deskundigen die functioneel onafhankelijk zijn van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het operationeel programma. Alle evaluaties worden volledig openbaar gemaakt.

2.   De evaluaties worden uitgevoerd door deskundigen die functioneel onafhankelijk zijn van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het operationeel programma. Alle evaluaties worden volledig openbaar gemaakt , maar mogen in geen geval gegevens over de identiteit van de eindontvangers bevatten .

 

2 bis.     De evaluaties zijn niet buitensporig in vergelijking met de toegewezen middelen en met de aard van de steun en veroorzaken geen onnodige administratieve lasten.

Amendement 49

Voorstel voor een verordening

Artikel 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De lidstaten verrichten een ex-ante-evaluatie van het operationeel programma.

1.   De lidstaten verrichten een ex-ante-evaluatie van het operationeel programma.

2.   De ex-ante-evaluatie wordt verricht onder verantwoordelijkheid van de autoriteit die verantwoordelijk is voor het opstellen van de operationele programma’s. Zij wordt tegelijkertijd met het operationeel programma bij de Commissie ingediend en gaat vergezeld van een samenvatting.

2.   De ex-ante-evaluatie wordt verricht onder verantwoordelijkheid van de autoriteit die verantwoordelijk is voor het opstellen van de operationele programma’s. Zij wordt tegelijkertijd met het operationeel programma bij de Commissie ingediend en gaat vergezeld van een samenvatting.

3.   De ex-ante-evaluaties omvatten een beoordeling van:

3.   De ex-ante-evaluaties omvatten een beoordeling van:

a)

de bijdrage tot de doelstelling van de Unie om tegen 2020 ten minste 20 miljoen minder mensen bloot te stellen aan het risico op armoede en sociale uitsluiting, gelet op de soort materiële deprivatie die moet worden aangepakt, rekening houdend met de nationale situatie op het gebied van armoede, sociale uitsluiting en materiële deprivatie;

a)

de bijdrage tot de doelstelling van de Unie om tegen 2020 ten minste 20 miljoen minder mensen in armoede te laten leven of bloot te stellen aan het risico op armoede en sociale uitsluiting, gelet op de soort materiële deprivatie die moet worden aangepakt, rekening houdend met de nationale situatie op het gebied van armoede, sociale uitsluiting en materiële deprivatie;

 

a bis)

de bijdrage tot de vermindering van de voedselverspilling;

b)

de interne samenhang van het voorgestelde operationeel programma en het verband met andere relevante financiële instrumenten;

b)

de interne samenhang van het voorgestelde operationeel programma en het verband met andere relevante financiële instrumenten;

c)

de verenigbaarheid van de toewijzing van begrotingsmiddelen met de doelstellingen van het operationeel programma;

c)

de verenigbaarheid van de toewijzing van begrotingsmiddelen met de doelstellingen van het operationeel programma;

d)

de bijdrage van de verwachte outputs tot de resultaten ;

d)

de bijdrage van de verwachte outputs tot de doelstellingen van het Fonds ;

 

d bis)

de effectieve betrokkenheid van de belanghebbenden bij de opstelling en uitvoering van het operationeel programma;

e)

de geschiktheid van de procedures voor het toezicht op het operationeel programma en voor het verzamelen van de gegevens die voor de evaluaties vereist zijn.

e)

de geschiktheid van de procedures voor het toezicht op het operationeel programma en voor het verzamelen van de gegevens die voor de evaluaties vereist zijn.

Amendement 50

Voorstel voor een verordening

Artikel 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Tijdens de programmeringsperiode kan de beheersautoriteit evaluaties uitvoeren om de doeltreffendheid en efficiëntie van het operationeel programma te beoordelen .

1.   Tijdens de programmeringsperiode evalueert de beheersautoriteit de doeltreffendheid en efficiëntie van het operationeel programma.

2.   De beheersautoriteit verricht in 2017 en 2021 een gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers volgens het model van de Commissie. De Commissie stelt dat model bij uitvoeringshandeling vast. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 60, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

2.   De beheersautoriteit verricht in 2017 en 2021 een gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers volgens het model van de Commissie. De Commissie stelt dat model , na raadpleging van de belanghebbenden, door middel van uitvoeringshandelingen vast. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 60, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

3.   De Commissie kan op eigen initiatief evaluaties van operationele programma's uitvoeren .

3.   De Commissie kan op eigen initiatief operationele programma's evalueren .

 

3 bis.     De Commissie dient uiterlijk in maart 2018 een tussentijdse beoordeling van het Fonds in bij het Europees Parlement en de Raad.

Amendement 51

Voorstel voor een verordening

Artikel 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De Commissie verricht op eigen initiatief, in nauwe samenwerking met de lidstaten en met steun van externe deskundigen een ex-postevaluatie van de doeltreffendheid en duurzaamheid van de behaalde resultaten en van de toegevoegde waarde van het Fonds. Die ex-postevaluatie moet uiterlijk op 31 december 2023 voltooid zijn.

De Commissie verricht op eigen initiatief, in nauwe samenwerking met de lidstaten en met steun van externe deskundigen een ex-postevaluatie van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het Fonds en de duurzaamheid van de behaalde resultaten en van de toegevoegde waarde van het Fonds. Die ex-postevaluatie moet uiterlijk op 31 december 2023 voltooid zijn.

Amendement 52

Voorstel voor een verordening

Artikel 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De lidstaten geven informatie over en bekendheid aan de door het Fonds ondersteunde acties. De informatie is gericht op de meest behoeftigen, de media en het grote publiek. Zij benadrukt de rol van de Unie en maakt de bijdrage van het Fonds zichtbaar.

1.    De Commissie en de lidstaten geven informatie over en bekendheid aan de door het Fonds ondersteunde acties. De informatie is in het bijzonder gericht op de meest behoeftigen, alsook op het grote publiek en de media . Zij benadrukt de rol van de Unie en maakt de bijdrage van het Fonds , de lidstaten en de partnerorganisaties aan de doelstellingen van de Unie op het gebied van sociale cohesie zichtbaar , zonder de eindontvangers te stigmatiseren .

2.   Om de transparantie van de steunverlening door het Fonds te garanderen, houdt de beheersautoriteit in CSV- of XML-formaat een via een website toegankelijke lijst bij van door het Fonds ondersteunde concrete acties. De lijst omvat ten minste de naam van de begunstigde, zijn adres en het toegewezen bedrag van de financiering door de Unie, en de soort materiële deprivatie die is aangepakt.

2.   Om de transparantie van de steunverlening door het Fonds te garanderen, houdt de beheersautoriteit in CSV- of XML-formaat een via een website toegankelijke lijst bij van door het Fonds ondersteunde concrete acties. De lijst omvat ten minste de naam van de begunstigde, zijn adres en het toegewezen bedrag van de financiering door de Unie, en de soort materiële deprivatie die is aangepakt.

De lijst van concrete acties wordt ten minste elke twaalf maanden bijgewerkt.

De lijst van concrete acties wordt ten minste elke twaalf maanden bijgewerkt.

3.   Tijdens de uitvoering van een concrete actie lichten de begunstigden en partnerorganisaties het publiek voor over de uit het Fonds ontvangen steun door ten minste één affiche met informatie over de concrete actie (minimaal in A3-formaat), inclusief over de financiële steun van de Unie, uit te hangen op een voor het publiek goed zichtbare plek, op iedere plaats waar levensmiddelen , goederen en eventuele begeleidende maatregelen worden verstrekt, tenzij dit wegens de omstandigheden waarin de verdeling plaatsvindt niet mogelijk is.

3.   Tijdens de uitvoering van een concrete actie lichten de begunstigden en partnerorganisaties het publiek zonder de eindontvangers te stigmatiseren voor over de uit het Fonds ontvangen steun door hetzij ten minste één affiche met informatie over de concrete actie (minimaal in A3-formaat), inclusief over de financiële steun van de Unie, hetzij een vlag van de Unie van redelijke grootte uit te hangen op een voor het publiek goed zichtbare plek, op iedere plaats waar levensmiddelen en/of materiële basisbijstand en eventuele begeleidende maatregelen zonder de eindontvangers te stigmatiseren worden verstrekt, tenzij dit wegens de omstandigheden waarin de verdeling plaatsvindt niet mogelijk is.

Begunstigden en partnerorganisaties die een website hebben, geven daarop een korte beschrijving van de concrete actie, met inbegrip van het doel en de resultaten ervan, en leggen daarbij de nadruk op de financiële steun van de Unie.

Begunstigden en partnerorganisaties die een website hebben, geven daarop een korte beschrijving van de concrete actie, met inbegrip van het doel en de resultaten ervan, en leggen daarbij de nadruk op de financiële steun van de Unie.

4.   Alle voorlichtings- en communicatiemateriaal van de begunstigde en de partnerorganisaties vermeldt de steun uit het Fonds voor de concrete actie door publicatie van het embleem van de Unie en een vermelding van de Unie en het Fonds.

4.   Alle voorlichtings- en communicatiemateriaal van de begunstigde en de partnerorganisaties vermeldt de steun uit het Fonds voor de concrete actie door publicatie van het embleem van de Unie en een vermelding van de Unie en het Fonds.

5.   De beheersautoriteit deelt de begunstigden mee dat de lijst van concrete acties in overeenstemming met lid 2 is gepubliceerd. De beheersautoriteit verstrekt informatie- en publiciteitspakketten, met inbegrip van modellen in elektronisch formaat, om begunstigden en partnerorganisaties te helpen aan de in lid 3 bedoelde verplichtingen te voldoen.

5.   De beheersautoriteit deelt de begunstigden mee dat de lijst van concrete acties in overeenstemming met lid 2 is gepubliceerd. De beheersautoriteit verstrekt informatie- en publiciteitspakketten, met inbegrip van modellen in elektronisch formaat, om begunstigden en partnerorganisaties te helpen aan de in lid 3 bedoelde verplichtingen te voldoen.

6.   Bij de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig dit artikel eerbiedigen de beheersautoriteit, de begunstigden en de partnerorganisaties Richtlijn 95/46/EG.

6.   Bij de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 17 eerbiedigen de beheersautoriteit, de begunstigden en de partnerorganisaties Richtlijn 95/46/EG.

Amendement 53

Voorstel voor een verordening

Artikel 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Het medefinancieringspercentage op het niveau van het operationeel programma bedraagt niet meer dan 85 % van de subsidiabele overheidsuitgaven.

1.   Het medefinancieringspercentage op het niveau van het operationeel programma bedraagt 85 % van de subsidiabele overheidsuitgaven. Het kan worden verhoogd in de in artikel 19, lid 1, beschreven gevallen. De lidstaten zijn vrij om de initiatieven van het Fonds met bijkomende nationale middelen te ondersteunen.

 

1 bis.     Begunstigden meefinancieren in geen geval acties van het Fonds.

2.   Het besluit van de Commissie tot vaststelling van een operationeel programma bepaalt het medefinancieringspercentage voor het operationeel programma en het maximumbedrag van de steun van het Fonds.

2.   Het besluit van de Commissie tot vaststelling van een operationeel programma bepaalt het medefinancieringspercentage voor het operationeel programma en het maximumbedrag van de steun van het Fonds.

3.   Maatregelen op het gebied van technische bijstand die op initiatief van of namens de Commissie worden uitgevoerd, kunnen voor 100 % worden gefinancierd.

3.   Maatregelen op het gebied van technische bijstand die op initiatief van of namens de Commissie worden uitgevoerd, kunnen voor 100 % worden gefinancierd.

Amendement 54

Voorstel voor een verordening

Artikel 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Op verzoek van een lidstaat kunnen tussentijdse betalingen en betalingen van het eindsaldo worden verhoogd met 10 procentpunten boven het medefinancieringspercentage dat van toepassing is op het operationeel programma. Het verhoogde percentage, dat niet meer dan 100 % mag bedragen, is van toepassing op betalingsverzoeken die betrekking hebben op het boekjaar waarin de lidstaat zijn verzoek heeft ingediend, alsmede op latere boekjaren waarin de lidstaat aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

1.   Op verzoek van een lidstaat kunnen tussentijdse betalingen en betalingen van het eindsaldo worden verhoogd met 10 procentpunten boven het medefinancieringspercentage dat van toepassing is op het operationeel programma. Het verhoogde percentage, dat niet meer dan 100 % mag bedragen, is van toepassing op betalingsverzoeken die betrekking hebben op het boekjaar waarin de lidstaat zijn verzoek heeft ingediend, alsmede op latere boekjaren waarin de lidstaat aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

a)

als de betrokken lidstaat de euro heeft ingevoerd, ontvangt hij macrofinanciële bijstand van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad;

a)

als de betrokken lidstaat de euro heeft ingevoerd, ontvangt hij macrofinanciële bijstand van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad;

b)

als de betrokken lidstaat de euro niet heeft ingevoerd, ontvangt hij financiële ondersteuning op middellange termijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad;

b)

als de betrokken lidstaat de euro niet heeft ingevoerd, ontvangt hij financiële ondersteuning op middellange termijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad;

c)

er wordt financiële bijstand ter beschikking van de lidstaat gesteld krachtens het Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme.

c)

er wordt financiële bijstand ter beschikking van de lidstaat gesteld krachtens het Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme.

2.   Onverminderd lid 1 mag de steun van de Unie door middel van tussentijdse betalingen en betalingen van het eindsaldo evenwel niet hoger zijn dan de overheidssteun en het maximale bedrag aan steun uit het Fonds, zoals bepaald in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het operationeel programma.

2.   Onverminderd lid 1 mag de steun van de Unie door middel van tussentijdse betalingen en betalingen van het eindsaldo evenwel niet hoger zijn dan de overheids- en/of particuliere steun en het maximale bedrag aan steun uit het Fonds, zoals bepaald in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het operationeel programma.

Amendement 55

Voorstel voor een verordening

Artikel 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Door het operationeel programma ondersteunde concrete acties moeten worden uitgevoerd in de lidstaat waarop het operationeel programma betrekking heeft.

1.   Door het operationeel programma ondersteunde concrete acties moeten worden uitgevoerd in de lidstaat waarop het operationeel programma betrekking heeft.

2.   Concrete acties kunnen steun uit het operationeel programma ontvangen als zij zijn geselecteerd aan de hand van een eerlijke en transparante procedure, op basis van de criteria in het operationeel programma.

2.   Concrete acties kunnen steun uit het operationeel programma ontvangen als zij zijn geselecteerd aan de hand van een eerlijke en transparante procedure, op basis van de criteria in het operationeel programma.

3.   De levensmiddelen en de goederen voor dak- of thuislozen of voor kinderen kunnen door de partnerorganisaties zelf worden aangekocht.

3.   De levensmiddelen en/of artikelen voor materiële basisbijstand voor persoonlijk gebruik door de eindontvangers kunnen door de partnerorganisaties zelf worden aangekocht.

Zij kunnen ook worden aangekocht door een publiekrechtelijke instantie en kosteloos worden verstrekt aan de partnerorganisaties. In dat geval kunnen de levensmiddelen worden verkregen door het gebruik, de verwerking of de verkoop van goederen uit interventievoorraden die ter beschikking worden gesteld overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. [GMO] , mits dit economisch het gunstigst is en de levering van de levensmiddelen aan de partnerorganisaties niet onnodig vertraagt. Bedragen die worden verkregen door transacties met betrekking tot die voorraden moeten ten goede komen aan de meest behoeftigen, en mogen niet worden aangewend om de in artikel 18 van deze verordening neergelegde medefinancieringsverplichtingen van de lidstaten voor het programma te verlichten.

Zij kunnen ook worden aangekocht door een publiekrechtelijke instantie en kosteloos worden verstrekt aan de partnerorganisaties. De partnerorganisaties kunnen hiernaast levensmiddelen verstrekken die afkomstig zijn uit andere bronnen, inclusief interventievoorraden die ter beschikking worden gesteld overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. [GMO].

Om ervoor te zorgen dat de interventievoorraden en de opbrengsten daarvan zo doeltreffend mogelijk worden gebruikt, hanteert de Commissie de overeenkomstig artikel 19, onder e), van Verordening (EU) nr. [GMO] vastgestelde procedures om goederen uit de interventievoorraden te gebruiken, te verwerken of te verkopen voor de toepassing van deze verordening.

Om ervoor te zorgen dat de interventievoorraden en de opbrengsten daarvan zo doeltreffend mogelijk worden gebruikt, hanteert de Commissie de overeenkomstig artikel 19, onder e), van Verordening (EU) nr. [GMO] vastgestelde procedures om goederen uit de interventievoorraden te gebruiken, te verwerken of te verkopen voor de toepassing van deze verordening.

4.    Die materiële bijstand wordt gratis verstrekt aan de meest behoeftigen.

4.    De levensmiddelen en/of artikelen voor materiële basisbijstand worden zonder enige uitzondering gratis verstrekt aan de meest behoeftigen.

5.   Een door het Fonds ondersteunde concrete actie ontvangt geen steun van andere instrumenten van de Unie.

5.    Om dubbele financiering te voorkomen ontvangt een door het Fonds ondersteunde concrete actie geen steun van andere instrumenten van de Unie. Het wordt de begunstigden evenwel niet belet om aanvragen in te dienen voor het gebruik van andere Europese fondsen, bijvoorbeeld het ESF, om complementaire acties ter bestrijding van armoede en ter bevordering van sociale inclusie te ondernemen.

Amendement 56

Voorstel voor een verordening

Artikel 24

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De voor steun uit het operationeel programma in aanmerking komende kosten zijn:

1.   De voor steun uit het operationeel programma in aanmerking komende kosten zijn:

a)

de kosten van de aankoop van levensmiddelen of basisconsumptiegoederen voor persoonlijk gebruik van dak- of thuislozen of van kinderen ;

a)

de kosten van de aankoop van levensmiddelen en/of artikelen voor materiële basisbijstand voor persoonlijk gebruik door de eindontvangers ;

b)

wanneer een publiekrechtelijke instantie levensmiddelen of basisconsumptiegoederen voor persoonlijk gebruik van dak- of thuislozen of van kinderen aankoopt en verstrekt aan partnerorganisaties, de kosten van het vervoer van de levensmiddelen of goederen naar de opslagplaatsen van de partnerorganisaties ter hoogte van een vast tarief van 1 % van de onder a) bedoelde kosten;

b)

wanneer een publiekrechtelijke instantie levensmiddelen of basisconsumptiegoederen voor persoonlijk gebruik door de eindontvangers aankoopt en verstrekt aan partnerorganisaties, de kosten van het vervoer van de levensmiddelen of artikelen voor materiële basisbijstand naar de opslagplaatsen van de partnerorganisaties ter hoogte van een vast tarief van 1 % van de onder a) bedoelde kosten;

c)

de door de partnerorganisaties gedragen administratie-, transport- en opslagkosten ter hoogte van een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten;

c)

de door de partnerorganisaties gedragen administratie-, transport- en opslagkosten ter hoogte van een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten; of 5 % van de waarde van de interventievoorraden van levensmiddelen die ter beschikking zijn gesteld overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. [GMO];

 

c bis)

de door de partnerorganisaties gedragen administratie-, transport- en opslagkosten in verband met de verzameling van levensmiddelenafval;

d)

de kosten van sociale-inclusieactiviteiten die zijn verricht en aangemeld door de partnerorganisaties die rechtstreeks materiële bijstand verlenen aan de meest behoeftigen ter hoogte van een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten;

d)

de kosten van sociale-inclusieactiviteiten die zijn verricht en aangemeld door de partnerorganisaties die rechtstreeks of onrechtstreeks materiële basisbijstand verlenen aan de eindontvangers ter hoogte van een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten;

e)

overeenkomstig artikel 25 gemaakte kosten.

e)

overeenkomstig artikel 25 gemaakte kosten.

2.   De volgende kosten komen niet in aanmerking voor steun uit het operationeel programma:

2.   De volgende kosten komen niet in aanmerking voor steun uit het operationeel programma:

a)

debetrente;

a)

debetrente;

b)

de kosten van tweedehandsgoederen;

b)

de kosten van tweedehandsgoederen;

c)

belasting over de toegevoegde waarde (btw). Btw-bedragen zijn echter wel subsidiabel als zij niet krachtens de nationale btw-wetgeving terugvorderbaar zijn en betaald worden door een begunstigde die geen niet-belastingplichtige is zoals omschreven in artikel 13, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2006/112/EG.

c)

belasting over de toegevoegde waarde (btw). Btw-bedragen zijn echter wel subsidiabel als zij niet krachtens de nationale btw-wetgeving terugvorderbaar zijn en betaald worden door een begunstigde die geen niet-belastingplichtige is zoals omschreven in artikel 13, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2006/112/EG.

Amendement 57

Voorstel voor een verordening

Artikel 28 — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.   De lidstaten wijzen een nationale openbare autoriteit of instantie als auditautoriteit aan, die functioneel onafhankelijk is van de beheersautoriteit en de certificeringsautoriteit.

4.   De lidstaten wijzen een nationale openbare autoriteit of instantie als auditautoriteit aan, die functioneel onafhankelijk is van de beheersautoriteit en de certificeringsautoriteit. De nationale controle-instantie of de nationale rekenkamer kan als auditautoriteit worden aangewezen.

Amendement 58

Voorstel voor een verordening

Artikel 29 — lid 4 — letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

o)

de in artikel 56 , lid 5, onder a) en b), van het Financieel Reglement bedoelde beheersverklaring en jaarlijkse samenvatting opstellen.

e)

de in artikel 59 , lid 5, onder a) en b), van het Financieel Reglement bedoelde beheersverklaring en jaarlijkse samenvatting opstellen.

Amendement 59

Voorstel voor een verordening

Artikel 30 — alinea 1 — punt 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   de in artikel 56 , lid 5, onder a), van het Financieel Reglement bedoelde jaarrekeningen op te stellen;

2.   de in artikel 59 , lid 5, onder a), van het Financieel Reglement bedoelde jaarrekeningen op te stellen;

Amendement 60

Voorstel voor een verordening

Artikel 30 — alinea 1 — punt 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

8.   een boekhouding bij te houden van de te innen bedragen en van de bedragen die worden geschrapt naar aanleiding van de volledige of gedeeltelijke intrekking van de bijdrage voor een concrete actie. Geïnde bedragen worden vóór de afsluiting van het operationeel programma teruggestort in de algemene begroting van de Unie door ze in mindering te brengen op de volgende uitgavenstaat.

8.   een boekhouding bij te houden van de te innen bedragen en van de bedragen die worden geschrapt naar aanleiding van de volledige of gedeeltelijke intrekking van de bijdrage voor een concrete actie. Geïnde bedragen worden vóór de afsluiting van het operationeel programma teruggestort in het Fonds door ze in mindering te brengen op de volgende uitgavenstaat.

Amendement 61

Voorstel voor een verordening

Artikel 31 — lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.   De auditautoriteit stelt binnen zes maanden na de vaststelling van het operationeel programma een auditstrategie op. In de auditstrategie worden de auditmethoden, de steekproefmethode voor audits van concrete acties en de planning van audits voor het lopende en de twee volgende boekjaren vastgesteld. De auditstrategie wordt van 2016 tot en met 2022 jaarlijks bijgewerkt. Op verzoek verstrekt de auditautoriteit de auditstrategie aan de Commissie.

4.   De auditautoriteit stelt binnen zes maanden na de vaststelling van het operationeel programma een auditstrategie op. In de auditstrategie worden de auditmethoden, de steekproefmethode voor audits van concrete acties en de planning van audits voor het lopende en de twee volgende boekjaren vastgesteld. De auditstrategie wordt van 2016 tot en met 2022 jaarlijks bijgewerkt. De auditautoriteit verstrekt de auditstrategie aan de Commissie. De Commissie krijgt de bevoegdheid om van de auditautoriteit te verlangen haar auditstrategie te wijzigen op een wijze die de Commissie nodig acht om te waarborgen dat de audits op juiste wijze en overeenkomstig internationaal gangbare auditnormen worden uitgevoerd. Hierbij ziet de Commissie erop toe dat voldoende rekening wordt gehouden met prestatie-audits.

Amendement 62

Voorstel voor een verordening

Artikel 31 — lid 5 — alinea 1 — letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

r)

een auditoordeel overeenkomstig artikel 56 , lid 5, van het Financieel Reglement;

a)

een auditoordeel overeenkomstig artikel 59 , lid 5, van het Financieel Reglement;

Amendement 63

Voorstel voor een verordening

Artikel 33 — lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   De Commissie kan verlangen dat een lidstaat de nodige maatregelen neemt om de doeltreffende werking van zijn beheers- en controlesystemen of de juistheid van de uitgaven overeenkomstig deze verordening te waarborgen.

3.   De Commissie verlangt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de doeltreffende werking van hun beheers- en controlesystemen of de juistheid van de uitgaven overeenkomstig deze verordening te waarborgen.

Amendement 64

Voorstel voor een verordening

Artikel 35 — alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De vastleggingen van de Unie voor elk operationeel programma geschieden in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 in jaarlijkse tranches. Het besluit van de Commissie tot vaststelling van het operationeel programma vormt het financieringsbesluit in de zin van artikel 81 , lid 2, van het Financieel Reglement en vormt na kennisgeving aan de betrokken lidstaat een juridische verbintenis in de zin van dat reglement.

De vastleggingen van de Unie voor elk operationeel programma geschieden in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 in jaarlijkse tranches. Het besluit van de Commissie tot vaststelling van het operationeel programma vormt het financieringsbesluit in de zin van artikel 84 , lid 2, van het Financieel Reglement en vormt na kennisgeving aan de betrokken lidstaat een juridische verbintenis in de zin van dat reglement.

Amendement 65

Voorstel voor een verordening

Artikel 45 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   Vanaf 2015 tot en met 2022 dienen de aangewezen instanties elk jaar uiterlijk op 15 februari van het jaar volgend op het einde van het boekjaar overeenkomstig artikel 56 van het Financieel Reglement de volgende documenten en informatie bij de Commissie in:

1.   Vanaf 2015 tot en met 2022 dienen de aangewezen instanties elk jaar uiterlijk op 15 februari van het jaar volgend op het einde van het boekjaar overeenkomstig artikel 59 van het Financieel Reglement de volgende documenten en informatie bij de Commissie in:

dd)

de gecertificeerde jaarrekeningen van de betrokken instanties die overeenkomstig artikel 32 zijn aangewezen, in de zin van artikel 56 , lid 5, van het Financieel Reglement;

a)

de gecertificeerde jaarrekeningen van de betrokken instanties die overeenkomstig artikel 32 zijn aangewezen, in de zin van artikel 59 , lid 5, van het Financieel Reglement;

ee)

de beheersverklaring in de zin van artikel 56 , lid 5, van het Financieel Reglement;

b)

de beheersverklaring in de zin van artikel 59 , lid 5, van het Financieel Reglement;

ff)

een jaarlijkse samenvatting van de definitieve auditverslagen en van de verrrichte controles, met een analyse van de aard en de omvang van fouten en tekortkomingen en met opgave van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen;

c)

een jaarlijkse samenvatting van de definitieve auditverslagen en van de verrrichte controles, met een analyse van de aard en de omvang van fouten en tekortkomingen en met opgave van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen;

gg)

een auditoordeel door de aangewezen onafhankelijke auditinstantie in de zin van artikel 56 , lid 5, van het Financieel Reglement, vergezeld van een controleverslag met de bevindingen van de uitgevoerde audits voor het boekjaar waarop het oordeel betrekking heeft.

d)

een auditoordeel door de aangewezen onafhankelijke auditinstantie in de zin van artikel 59 , lid 5, van het Financieel Reglement, vergezeld van een controleverslag met de bevindingen van de uitgevoerde audits voor het boekjaar waarop het oordeel betrekking heeft.

Amendement 66

Voorstel voor een verordening

Artikel 48 — lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De beheersautoriteit zorgt ervoor dat alle ondersteunende documenten over concrete acties gedurende drie jaar op verzoek aan de Commissie en de Europese Rekenkamer ter beschikking worden gesteld. Deze termijn van drie jaar gaat in op 31 december van het jaar waarin de rekeningen overeenkomstig artikel 47 door de Commissie worden goedgekeurd of uiterlijk op de datum waarop het eindsaldo wordt betaald.

1.   De beheersautoriteit zorgt ervoor dat alle ondersteunende documenten over concrete acties gedurende vijf jaar op verzoek aan de Commissie en de Europese Rekenkamer ter beschikking worden gesteld. Deze termijn van vijf jaar gaat in op de datum waarop het eindsaldo wordt betaald.

In geval van gerechtelijke of administratieve procedures of op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt deze termijn van drie jaar geschorst.

In geval van gerechtelijke of administratieve procedures of op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt deze termijn van vijf jaar geschorst.

Amendement 67

Voorstel voor een verordening

Artikel 60 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 60 bis

 

Overgangsbepalingen

 

De Commissie en de lidstaten zorgen er door middel van overgangsbepalingen voor dat activiteiten die in aanmerking komen voor steun, van start kunnen gaan op 1 januari 2014, al zijn de operationele programma’s nog niet ingediend.

Amendement 68

Voorstel voor een verordening

Artikel 61

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.


(1)  De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe behandeling naar de bevoegde Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0183/2013).


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/246


P7_TA(2013)0258

Instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. […/…] (tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend) en voor verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijking met Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (herschikking) (COM(2012)0254 — C7-0148/2012 — 2008/0242(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — herschikking)

(2016/C 065/43)

Het Europees Parlement,

gezien het gewijzigd voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0254),

gezien artikel 294, lid 2, artikel 78, lid 2 onder e), artikel 87, lid 2 onder a) en artikel 88, lid 2 onder a) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0148/2012),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (1),

gezien de brief d.d. 20 september 2012 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 87, lid 3, van zijn Reglement,

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 27 maart 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de artikelen 87 en 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0432/2012),

A.

overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


P7_TC1-COD(2008)0242

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling van Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 603/2013.)


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/247


P7_TA(2013)0259

Tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 teneinde te voorzien in gemeenschappelijke regels inzake de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen in uitzonderlijke omstandigheden (COM(2011)0560 — C7-0248/2011 — 2011/0242(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2016/C 065/44)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0560),

gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 77, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0248/2011),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Franse Nationale Vergadering, de Nederlandse Eerste Kamer, de Nederlandse Tweede Kamer, het Portugese parlement, de Roemeense Senaat, het Slowaakse parlement en de Zweedse Rijksdag waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 30 mei 2013 om het standpunt van het Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0200/2012),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


P7_TC1-COD(2011)0242

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 teneinde te voorzien in gemeenschappelijke regels inzake de tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen in uitzonderlijke omstandigheden

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1051/2013.)


BIJLAGE BIJ DE ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn verheugd over de vaststelling van de verordening tot wijziging van de Schengengrenscode teneinde te voorzien in gemeenschappelijk regels inzake de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen in uitzonderlijke omstandigheden en van de verordening over de instelling van een evaluatie- en toezichtmechanisme voor de controle van de toepassing van het Schengenacquis. Naar hun mening wordt met deze nieuwe mechanismen op passende wijze gehoor gegeven aan het verzoek van de Europese Raad in zijn conclusies van 24 juni 2011 om de samenwerking en het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten in het Schengengebied te versterken en om een doeltreffend en betrouwbaar evaluatie- en toezichtmechanisme in het leven te roepen met het oog op de handhaving van gemeenschappelijke voorschriften en de versterking, aanpassing en uitbreiding van de criteria die gebaseerd zijn op het EU-acquis; daarbij wordt eraan herinnerd dat de buitengrenzen van Europa doeltreffend en consistent moeten worden beheerd, op basis van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, solidariteit en praktische samenwerking.

Zij verklaren dat deze wijziging van de Schengengrenscode de coördinatie en de samenwerking op Unieniveau zal versterken doordat enerzijds criteria worden vastgesteld voor de herinvoering van elke vorm van grenstoezicht door de lidstaten, terwijl anderzijds een EU-mechanisme wordt ingesteld waarmee gereageerd kan worden op werkelijk kritieke situaties, waarin het algehele functioneren van het gebied zonder binnengrenstoezicht gevaar loopt.

Zij wijzen erop dat dit nieuwe evaluatiesysteem een EU-mechanisme is dat alle aspecten van het Schengenacquis bestrijkt, en dat eraan zal worden meegewerkt door deskundigen uit de lidstaten, van de Commissie en van de betrokken EU-agentschappen.

Zij gaan ervan uit dat elk toekomstig Commissievoorstel tot wijziging van dit evaluatiesysteem voor raadpleging wordt voorgelegd aan het Europees Parlement, om vóór de vaststelling van de definitieve tekst zo veel mogelijk rekening te houden met diens opvattingen.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/249


P7_TA(2013)0260

Instelling van een evaluatiemechanisme voor de controle van de toepassing van het Schengenacquis *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het ontwerp van verordening van de Raad over de instelling van een evaluatiemechanisme om de toepassing van het Schengenacquis te controleren (10273/2013 — C7-0160/2013 — 2010/0312(NLE))

(Bijzondere wetgevingsprocedure — raadpleging)

(2016/C 065/45)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van de Raad (10273/2013),

gezien artikel 70 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het verzoek om advies van de Raad (C7-0160/2013),

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 30 mei 2013 om de handeling vast te stellen in de vorm waarin deze is doorgestuurd aan het Parlement,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0215/2013),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.

hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.


BIJLAGE BIJ DE ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn verheugd over de vaststelling van de verordening tot wijziging van de Schengengrenscode teneinde te voorzien in gemeenschappelijk regels inzake de tijdelijke herinvoering van grenstoezicht aan de binnengrenzen in uitzonderlijke omstandigheden en van de verordening over de instelling van een evaluatie- en toezichtmechanisme voor de controle van de toepassing van het Schengenacquis. Naar hun mening wordt met deze nieuwe mechanismen op passende wijze gehoor gegeven aan het verzoek van de Europese Raad in zijn conclusies van 24 juni 2011 om de samenwerking en het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten in het Schengengebied te versterken en om een doeltreffend en betrouwbaar evaluatie- en toezichtmechanisme in het leven te roepen met het oog op de handhaving van gemeenschappelijke voorschriften en de versterking, aanpassing en uitbreiding van de criteria die gebaseerd zijn op het EU-acquis; daarbij wordt eraan herinnerd dat de buitengrenzen van Europa doeltreffend en consistent moeten worden beheerd, op basis van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, solidariteit en praktische samenwerking.

Zij verklaren dat deze wijziging van de Schengengrenscode de coördinatie en de samenwerking op Unieniveau zal versterken doordat enerzijds criteria worden vastgesteld voor de herinvoering van elke vorm van grenstoezicht door de lidstaten, terwijl anderzijds een EU-mechanisme wordt ingesteld waarmee gereageerd kan worden op werkelijk kritieke situaties, waarin het algehele functioneren van het gebied zonder binnengrenstoezicht gevaar loopt.

Zij wijzen erop dat dit nieuwe evaluatiesysteem een EU-mechanisme is dat alle aspecten van het Schengenacquis bestrijkt, en dat eraan zal worden meegewerkt door deskundigen uit de lidstaten, van de Commissie en van de betrokken EU-agentschappen.

Zij gaan ervan uit dat elk toekomstig Commissievoorstel tot wijziging van dit evaluatiesysteem voor raadpleging wordt voorgelegd aan het Europees Parlement, om vóór de vaststelling van de definitieve tekst zo veel mogelijk rekening te houden met diens opvattingen.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/250


P7_TA(2013)0261

Financiële overzichten en relevante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en relevante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen (COM(2011)0684 — C7-0393/2011 — 2011/0308(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2016/C 065/46)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0684),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 50, lid1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0393/2011),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 maart 2012 (1),

gezien het advies van het Comité de Regio's van 19 juli 2012 (2),

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 17 april 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0278/2012),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 181 van 21.6.2012, blz. 84.

(2)  PB C 277 van 13.9.2012, blz. 171.


P7_TC1-COD(2011)0308

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/…/EU van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en relevante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2013/34/EU.)


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/251


P7_TA(2013)0262

Transparantievereisten voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie (COM(2011)0683 — C7-0380/2011 — 2011/0307(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2016/C 065/47)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0683),

gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 50 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0380/2011),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 10 februari 2012 (1),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2012 (2),

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 29 mei 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie internationale handel (A7-0292/2012),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


(1)  PB C 93 van 30.3.2012, blz. 2.

(2)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 78.


P7_TC1-COD(2011)0307

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/…/EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2013/50/EU.)


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/252


P7_TA(2013)0263

Aanpassingspercentage met betrekking tot de rechtstreekse betalingen voor kalenderjaar 2013, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de vaststelling van een overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 op de rechtstreekse betalingen toe te passen aanpassingspercentage voor kalenderjaar 2013 (COM(2013)0159 — C7-0079/2013 — 2013/0087(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2016/C 065/48)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0159),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0079/2013),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 mei 2013 (1),

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Begrotingscommissie (A7-0186/2013),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


P7_TC1-COD(2013)0087

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake de vaststelling van een overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 op de rechtstreekse betalingen toe te passen aanpassingspercentage voor kalenderjaar 2013

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 11, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (3) mogen de bedragen ter financiering van de marktuitgaven en rechtstreekse betalingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in het begrotingsjaar 2014 niet uitstijgen boven de jaarlijkse maxima die zijn vastgesteld ter uitvoering van de door de Raad overeenkomstig artikel 312, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goedgekeurde verordening. Voorts moet krachtens 11, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 een aanpassing van de rechtstreekse betalingen (financiële discipline) worden vastgesteld wanneer de ramingen voor de financiering van de marktuitgaven en rechtstreekse betalingen, vermeerderd met de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 10 ter en artikel 136 van die verordening, maar vóór de toepassing van artikel 10 bis van die verordening en zonder rekening te houden met de marge van 300 000 000 EUR, erop wijzen dat het jaarlijkse maximum zal worden overschreden. Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 moeten het Europees Parlement en de Raad deze aanpassing op basis van een voorstel dat de Commissie uiterlijk op 31 maart van het kalenderjaar waarop de aanpassing van toepassing is indient, uiterlijk op 30 juni van hetzelfde kalenderjaar vaststellen.

(2)

In afwachting van een verordening tot vaststelling van het meerjarig financieel kader op grond van artikel 312, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, blijft de hoogte van het voor 2014 toepasselijke maximum onzeker. Zolang er geen duidelijkheid bestaat over de hoogte van het toepasselijke maximum kan niet worden vastgesteld of een aanpassing van de rechtstreekse betalingen voor 2013 noodzakelijk is en zo ja, wat het aanpassingspercentage moet zijn. Het bedrag van de vereiste financiële discipline moet door de begrotingsautoriteit worden herzien in het kader van de vaststelling van de begroting voor 2014, onder meer op basis van de nota van wijziging bij de ontwerpbegroting 2014 waarin de Commissie geactualiseerde geraamde behoeften voor marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen opvoert. [Am. 1]

(3)

Landbouwers die een steunaanvraag voor rechtstreekse betalingen voor een bepaald kalenderjaar (N) indienen, ontvangen de betaling doorgaans binnen een vastgestelde betalingstermijn die in begrotingsjaar N+1 valt. De lidstaten hebben echter de mogelijkheid om te eniger tijd en binnen bepaalde grenzen betalingen aan landbouwers te doen nadat deze betalingstermijn is verstreken. Dergelijke betalingen kunnen in een later begrotingsjaar vallen. Bij de toepassing van de financiële discipline voor een bepaald kalenderjaar mag het aanpassingspercentage niet worden toegepast op betalingen in het kader van steunaanvragen uit andere kalenderjaren dan die waarvoor de financiële discipline geldt. Daarom moet met het oog op een gelijke behandeling van landbouwers worden bepaald dat het aanpassingspercentage moet worden toegepast op betalingen in het kader van steunaanvragen die zijn ingediend in het kalenderjaar waarvoor de financiële discipline geldt, ongeacht het moment waarop de betaling aan de landbouwers wordt gedaan.

(4)

Met de hervorming van het GLB in 2003 is, samen met de modulatie, het mechanisme van de financiële discipline ingevoerd. Beide instrumenten voorzien in een lineaire verlaging van het aan landbouwers toe te kennen bedrag aan rechtstreekse betalingen. Vanwege de ongelijke verdeling van de rechtstreekse betalingen over kleine en grote begunstigden is de modulatie toegepast op bedragen die 5 000 EUR overschrijden, teneinde tot een evenwichtigere verdeling van de betalingen te komen. Voor het kalenderjaar 2013 is ten aanzien van de in artikel 10 bis van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde aanpassing van de rechtstreekse betalingen vastgehouden aan een vrijgesteld bedrag dat overkomt met dat van de modulatie. De financiële discipline moet op dezelfde wijze worden toegepast zodat deze eveneens kan bijdragen aan de beoogde evenwichtigere verdeling van de betalingen. Daarom moet worden bepaald dat het aanpassingspercentage alleen geldt voor bedragen die 5 000 EUR overschrijden.

(5)

Op grond van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 mag in het kader van de toepassing van de in artikel 121 van die verordening vastgestelde toenameregeling op alle in de nieuwe lidstaten in de zin van artikel 2, onder g), van die verordening toegekende rechtstreekse betalingen, de financiële discipline voor de nieuwe lidstaten pas van toepassing zijn vanaf het begin van het kalenderjaar waarvoor het in de nieuwe lidstaten geldende niveau van de rechtstreekse betalingen ten minste gelijk is aan het niveau van die betalingen dat dan geldt in de andere lidstaten. Aangezien de rechtstreekse betalingen in het kalenderjaar 2013 in Bulgarije en Roemenië nog aan de toepassing van de toenameregeling onderworpen zijn, mag het bij de onderhavige verordening vast te stellen aanpassingspercentage niet voor betalingen aan landbouwers in die lidstaten gelden.

(6)

Verordening (EG) nr. 73/2009 is bij de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië aangepast. De uit de aanpassing in kwestie voortvloeiende wijzigingen treden alleen in werking onder voorbehoud van en op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie. Aangezien Kroatië in het kalenderjaar 2013 nog onderworpen is aan de toepassing van de toenameregeling waarin artikel 121 van Verordening (EG) nr. 73/2009 voorziet, mag het bij de onderhavige verordening vast te stellen aanpassingspercentage niet voor betalingen aan landbouwers in Kroatië gelden, onder voorbehoud van toetreding en vanaf de datum van toetreding van het land,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De bedragen aan rechtstreekse betalingen in de zin van artikel 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 73/2009 die in verband met een voor het kalenderjaar 2013 ingediende steunaanvraag aan een landbouwer moeten worden toegekend en die 5 000 EUR overschrijden, worden verlaagd met 0,748005  %. [Am. 2]

1 bis.     Indien geen akkoord wordt bereikt over het meerjarig financieel kader 2014-2020 wordt voor het begrotingsjaar 2014 geen financiële discipline toegepast, aangezien het totaalbedrag zal worden berekend op basis van de cijfers van de begroting 2013 plus 2 % inflatie. [Am. 3]

2.   De in lid 1 bedoelde verlaging geldt niet voor Bulgarije, Roemenië en Kroatië.

2 bis.     De in lid 1 bedoelde verlaging geldt niet voor de ultraperifere regio's als bedoeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee  (4) . [Am. 12]

Artikel 1 bis

1.     De artikelen 1 en 2 worden vastgesteld onverminderd de latere vaststelling van Verordening (EU) [nr. XX/XX van … tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020] en het interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer.

2.     Ingeval correctie van het in artikel 1, lid 1, vastgestelde aanpassingspercentage ingevolge de vaststelling van de respectievelijk het in lid 1 bedoelde verordening en interinstitutioneel akkoord noodzakelijk is, dient de Commissie een voorstel in bij het Europees Parlement en de Raad met het oog op de vaststelling van een nieuw aanpassingspercentage.

3.     Het bedrag van de vereiste financiële discipline wordt door de begrotingsautoriteit herzien in het kader van de vaststelling van de begroting voor 2014, onder meer op basis van de nota van wijziging bij de ontwerpbegroting 2014 waarin de Commissie geactualiseerde geraamde behoeften voor marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen opvoert. [Am. 4]

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1, lid 2, is op Kroatië van toepassing onder voorbehoud van en op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding van Kroatië.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  Advies van 22 mei 2013 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 12 juni 2013.

(3)  PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.

(4)   PB L 78 van 20.3.2013, blz. 41.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/255


P7_TA(2013)0264

Wijziging Schengengrenscode en van de overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) en van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord (COM(2011)0118 — C7-0070/2011 — 2011/0051(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2016/C 065/49)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0118),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0070/2011),

gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 19 december 2012 om het standpunt van het Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de artikelen 55 en 37 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0206/2013),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


P7_TC1-COD(2011)0051

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode), en van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, Verordeningen (EG) nr. 1683/95 en (EG) nr. 539/2001 van de Raad en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 610/2013.)


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/256


P7_TA(2013)0265

Ontwerpbesluit van de Europese Raad tot vaststelling van de samenstelling van het Europees Parlement ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 juni 2013 over het ontwerp van besluit van de Europese Raad tot vaststelling van de samenstelling van het Europees Parlement (00110/2013 — C7-0166/2013 — 2013/0900(NLE))

(Goedkeuring)

(2016/C 065/50)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van besluit van de Europese Raad tot vaststelling van de samenstelling van het Europees Parlement (00110/2013),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Europese Raad heeft ingediend krachtens artikel 14, lid 2, alinea 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (C7-0166/2013),

gezien zijn resolutie van 13 maart 2013 over de samenstelling van het Europees Parlement met het oog op de verkiezingen van 2014 en zijn daarbij gevoegde voorstel voor een besluit van de Europese Raad (1),

gezien artikel 74 septies en artikel 81, lid 1, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie constitutionele zaken (A7-0213/2013),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van besluit van de Europese Raad;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Europese Raad en aan de regering en het parlement van de Republiek Kroatië, en, ter informatie aan de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0082.


Donderdag 13 juni 2013

19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/257


P7_TA(2013)0272

Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst EG/Centraal-Afrika ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot sluiting van de interim-overeenkomst met het oog op een economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds (14757/2012 — C7-0369/2012 — 2008/0139(NLE))

(Goedkeuring)

(2016/C 065/51)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (14757/2012),

gezien de ontwerpinterim-overeenkomst met het oog op een economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds (13485/2011),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, artikel 211 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0369/2012),

gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0190/2013),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Kameroen.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/257


P7_TA(2013)0273

Tweede wijziging van de Overeenkomst van Cotonou van 23 juni 2000 ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (16894/2011 — C7-0469/2011 — 2011/0207(NLE))

(Goedkeuring)

(2016/C 065/52)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerpbesluit van de Raad (16894/2011),

gezien de overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (09565/2010) (1),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0469/2011),

gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie internationale handel (A7-0110/2013),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.

heeft ernstige bedenkingen bij delen van de overeenkomst die het standpunt van het Europees Parlement en de waarden van de Unie niet weerspiegelen;

3.

verzoekt alle partijen dringend de ontoereikende bepalingen dienovereenkomstig aan te passen bij een derde herziening van de overeenkomst, waaronder de expliciete opneming van non-discriminatie op grond van seksuele geaardheid in artikel 8, lid 4;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan.


(1)  PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.


19.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/258


P7_TA(2013)0275

Hergebruik van overheidsinformatie ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie (COM(2011)0877 — C7-0502/2011 — 2011/0430(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2016/C 065/53)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0877),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0502/2011),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 april 2012 (1),

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 19 april 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie juridische zaken (A7-0404/2012),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 191 van 29.6.2012, blz. 129.


P7_TC1-COD(2011)0430

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2013 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2013/…/EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2013/37/EU.)