|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
59e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
|
2016/C 027/01 |
|
|
V Bekendmakingen |
|
|
|
GERECHTELIJKE PROCEDURES |
|
|
|
Hof van Justitie |
|
|
2016/C 027/02 |
||
|
2016/C 027/03 |
||
|
2016/C 027/04 |
||
|
2016/C 027/05 |
||
|
2016/C 027/06 |
||
|
2016/C 027/07 |
||
|
2016/C 027/08 |
||
|
2016/C 027/09 |
||
|
2016/C 027/10 |
||
|
2016/C 027/11 |
||
|
2016/C 027/12 |
||
|
2016/C 027/13 |
||
|
2016/C 027/14 |
||
|
2016/C 027/15 |
||
|
2016/C 027/16 |
||
|
2016/C 027/17 |
||
|
2016/C 027/18 |
||
|
2016/C 027/19 |
Zaak C-581/15: Beroep ingesteld op 10 november 2015 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek |
|
|
2016/C 027/20 |
||
|
2016/C 027/21 |
||
|
2016/C 027/22 |
||
|
2016/C 027/23 |
||
|
2016/C 027/24 |
||
|
2016/C 027/25 |
||
|
2016/C 027/26 |
Zaak C-606/15: Beroep ingesteld op 17 november 2015 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek |
|
|
2016/C 027/27 |
||
|
2016/C 027/28 |
||
|
2016/C 027/29 |
||
|
2016/C 027/30 |
||
|
2016/C 027/31 |
||
|
2016/C 027/32 |
||
|
|
Gerecht |
|
|
2016/C 027/33 |
||
|
2016/C 027/34 |
||
|
2016/C 027/35 |
||
|
2016/C 027/36 |
||
|
2016/C 027/37 |
||
|
2016/C 027/38 |
||
|
2016/C 027/39 |
||
|
2016/C 027/40 |
||
|
2016/C 027/41 |
||
|
2016/C 027/42 |
||
|
2016/C 027/43 |
||
|
2016/C 027/44 |
||
|
2016/C 027/45 |
||
|
2016/C 027/46 |
||
|
2016/C 027/47 |
||
|
2016/C 027/48 |
||
|
2016/C 027/49 |
||
|
2016/C 027/50 |
||
|
2016/C 027/51 |
||
|
2016/C 027/52 |
||
|
2016/C 027/53 |
||
|
2016/C 027/54 |
||
|
2016/C 027/55 |
||
|
2016/C 027/56 |
||
|
2016/C 027/57 |
||
|
2016/C 027/58 |
||
|
2016/C 027/59 |
||
|
2016/C 027/60 |
||
|
2016/C 027/61 |
||
|
2016/C 027/62 |
||
|
2016/C 027/63 |
||
|
2016/C 027/64 |
||
|
2016/C 027/65 |
||
|
2016/C 027/66 |
||
|
2016/C 027/67 |
||
|
2016/C 027/68 |
||
|
2016/C 027/69 |
||
|
2016/C 027/70 |
||
|
2016/C 027/71 |
||
|
2016/C 027/72 |
||
|
2016/C 027/73 |
||
|
2016/C 027/74 |
||
|
2016/C 027/75 |
Zaak T-558/15: Beroep ingesteld op 25 september 2015 — Iran Insurance/Raad |
|
|
2016/C 027/76 |
Zaak T-559/15: Beroep ingesteld op 25 september 2015 — Post Bank Iran/Raad |
|
|
2016/C 027/77 |
Zaak T-588/15: Beroep ingesteld op 9 oktober 2015 — GABO:mi/Commissie |
|
|
2016/C 027/78 |
Zaak T-589/15: Beroep ingesteld op 12 oktober 2015 — Eurorail/Commissie en INEA |
|
|
2016/C 027/79 |
||
|
2016/C 027/80 |
Zaak T-605/15: Beroep ingesteld op 23 oktober 2015 — Wirtschaftsvereinigung Stahl e.a./Commissie |
|
|
2016/C 027/81 |
Zaak T-609/15: Beroep ingesteld op 29 oktober 2015 — Repsol/BHIM — Basic (BASIC) |
|
|
2016/C 027/82 |
Zaak T-610/15: Beroep ingesteld op 26 oktober 2015 — British Aggregates/Commissie |
|
|
2016/C 027/83 |
Zaak T-611/15: Beroep ingesteld op 2 november 2015 — Edeka-Handelsgesellschaft Hessenring/Commissie |
|
|
2016/C 027/84 |
Zaak T-615/15: Beroep ingesteld op 2 november 2015 — LL/Parlement |
|
|
2016/C 027/85 |
Zaak T-616/15: Beroep ingesteld op 3 november 2015 — Transtec/Commissie |
|
|
2016/C 027/86 |
Zaak T-619/15: Beroep ingesteld op 6 november 2015 — Badica en Kardiam/Raad |
|
|
2016/C 027/87 |
Zaak T-632/15: Beroep ingesteld op 10 november 2015 — Tillotts Pharma/BHIM — Ferring (OCTASA) |
|
|
2016/C 027/88 |
Zaak T-633/15: Beroep ingesteld op 12 november 2015 — JT International/BHIM — Habanos (PUSH) |
|
|
2016/C 027/89 |
||
|
2016/C 027/90 |
||
|
2016/C 027/91 |
||
|
2016/C 027/92 |
||
|
2016/C 027/93 |
Zaak T-677/15: Beroep ingesteld op 20 november 2015 — Panzeri/Parlement en Commissie |
|
|
2016/C 027/94 |
||
|
2016/C 027/95 |
||
|
2016/C 027/96 |
||
|
2016/C 027/97 |
||
|
|
Gerecht voor ambtenarenzaken |
|
|
2016/C 027/98 |
||
|
2016/C 027/99 |
Zaak F-137/15: Beroep ingesteld op 30 oktober 2015 — ZZ/Raad |
|
|
2016/C 027/00 |
Zaak F-138/15: Beroep ingesteld op 2 november 2015 — ZZ/Parlement |
|
|
2016/C 027/01 |
Zaak F-142/15: Beroep ingesteld op 17 november 2015 — ZZ/Parlement |
|
|
2016/C 027/02 |
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/1 |
Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
(2016/C 027/01)
Laatste publicatie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
V Bekendmakingen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/2 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte Suprema di cassazione (Italië) op 21 februari 2014 — Agenzia delle Entrate/Aquapur Multiservizi SpA
(Zaak C-307/14)
(2016/C 027/02)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte Suprema di cassazione
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Agenzia delle Entrate
Verwerende partij: Aquapur Multiservizi SpA
Prejudiciële vragen
Bij beschikking van 18 november 2015 heeft de president van het Hof de doorhaling van de zaak gelast.
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/2 |
Hogere voorziening ingesteld op 18 september 2015 door Rainer Typke tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 2 juli 2015 in zaak T-214/13, Rainer Typke/Europese Commissie
(Zaak C-491/15 P)
(2016/C 027/03)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Rainer Typke (vertegenwoordiger: C. Cortese, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
punten 2 en 3 van het dictum van het arrest van het Gerecht van 2 juli 2015 in zaak T-214/13, Rainer Typke/Europese Commissie vernietigen; |
|
— |
het besluit van de secretaris-generaal van de Europese Commissie in de procedure Gestdem 2012/3258 nietig verklaren, en |
|
— |
de Commissie verwijzen in de proceskosten in eerste en tweede aanleg van rekwirant. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant één middel aan, dat bestaat uit twee onderdelen.
Ten eerste heeft het Gerecht verordening nr. 1049/2001 (1), en in het bijzonder de artikelen 3, onder a), en 4, lid 6, onjuist uitgelegd, omdat het aannam dat voor de toepassing van de relevante artikelen op genormaliseerde relationele databanken een onderscheid moet worden gemaakt tussen gedeeltelijke toegang tot documenten die in een relationele databank zijn opgeslagen en onbeperkte toegang tot de informatie die zij bevat. Laatstbedoelde toegang zou niet worden gedekt door de bepalingen van de verordening over toegang, aangezien dit zogezegd zou neerkomen op het creëren van een nieuw document. In het bijzonder is het Gerecht ten onrechte in wezen tot de conclusie gekomen dat verordening nr. 1049/2001 een verzoek om toegang tot een genormaliseerde relationele databank waarvoor het nodig is een SQL-zoekterm in te voeren die door de verzochte instelling voordien niet „op een min of meer regelmatige basis voor de databank in kwestie”en„voorgeprogrammeerd” is gebruikt, van haar werkingssfeer zou uitsluiten, aangezien het daarbij niet zou gaan om een zoekopdracht die wordt uitgevoerd met behulp van de voor de databank in kwestie beschikbare zoekfuncties en dit derhalve zou neerkomen op het creëren van een nieuw document.
Ten tweede heeft het Gerecht ten onrechte verklaard dat het verzoek van rekwirant niet naar een bestaand document verwees en in ieder geval niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1049/2001 viel, en wel om de volgende onjuiste aannames:
|
— |
de verzochte instelling zou het verzoek tot toegang niet kunnen inwilligen, aangezien bestaande documenten niet geschikt zouden zijn om aan het verzoek te beantwoorden (uitspraak in eerste aanleg, punt 73) of aangezien rekwirant er zogezegd geen toegang tot had gevraagd (uitspraak in eerste aanleg, punt 67), |
|
— |
het verzoek van rekwirant zou zijn geformuleerd op basis van een niet door de relevante databank ondersteunde classificatie, met name vanwege de gegevensverwerkende operaties die zouden zijn vereist (uitspraak in eerste aanleg, punten 58, 66, 68; 62, 63), |
|
— |
het zou impliceren dat er een nieuw document wordt gecreëerd dat informatie in een nieuwe vorm en volgens door rekwirant gespecificeerde zoekcriteria bevat (uitspraak in eerste aanleg, punten 61 en 67). |
Daarnaast heeft het Gerecht door al zijn hier gelaakte verklaringen blijk gegeven van een onjuiste opvatting van het bij hem ingediende en hem ter beschikking staande bewijsmateriaal. Hetzelfde geldt voor de verklaring van het Gerecht dat in deze zaak sprake zou zijn van een vermoeden van rechtmatigheid met betrekking tot de verklaring van de verzochte instelling dat documenten waartoe om toegang werd verzocht, niet bestonden (uitspraak in eerste aanleg, punt 66).
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/3 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szeged Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) op 22 september 2015 — Euro-Team Kft./Budapest Rendőrfőkapitánya
(Zaak C-497/15)
(2016/C 027/04)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Euro-Team Kft.
Verwerende partij: Budapest Rendőrfőkapitánya
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet het proportionaliteitsvereiste van artikel 9 bis van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (hierna: „Eurovignet-richtlijn”) (1) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een sanctiestelsel als genoemd in bijlage 9 bij besluit 410/2007 van 29 december 2007 betreffende de lijst van verkeersovertredingen die worden bestraft met een bestuurlijke boete, de hoogte van de boete die kan worden opgelegd bij overtreding van de desbetreffende bepalingen, de regeling omtrent de bestemming van de boete en de voorwaarden voor deelname aan controles [a közigazgatási bírsággal sújtandó közlekedési szabályszegések köréről, az e tevékenységekre vonatkozó rendelkezések megsértése esetén kiszabható bírságok összegéről, felhasználásának rendjéről és az ellenőrzésben történő közreműködés feltételeiről szóló 410/2007. (XII. 29.) Korm. rendelet; hierna: „sanctieregeling”], waarbij in geval van niet-naleving van de voorschriften met betrekking tot de aankoop van een trajectticket als boete een forfaitair bedrag wordt opgelegd, ongeacht de ernst van de overtreding? |
|
2) |
Verdraagt de in bijlage 9 bij de sanctieregeling neergelegde boete zich met de in artikel 9 bis van de Eurovignet-richtlijn gestelde eis dat de naar nationaal recht vast te stellen sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn? |
|
3) |
Moet het proportionaliteitsvereiste van artikel 9 bis van de Eurovignet-richtlijn aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een sanctieregeling als in het hoofdgeding, waarbij op overtreders een risicoaansprakelijkheid rust, alsmede tegen de hoogte van de in die regeling voorziene sanctie? |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/4 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szeged Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) op 22 september 2015 — Spirál-Gép Kft./Budapest Rendőrfőkapitánya
(Zaak C-498/15)
(2016/C 027/05)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Spirál-Gép Kft.
Verwerende partij: Budapest Rendőrfőkapitánya
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet het proportionaliteitsvereiste van artikel 9 bis van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (hierna: „Eurovignet-richtlijn”) (1) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een sanctiestelsel als genoemd in bijlage 9 bij besluit 410/2007 van 29 december 2007 betreffende de lijst van verkeersovertredingen die worden bestraft met een bestuurlijke boete, de hoogte van de boete die kan worden opgelegd bij overtreding van de desbetreffende bepalingen, de regeling omtrent de bestemming van de boete en de voorwaarden voor deelname aan controles [a közigazgatási bírsággal sújtandó közlekedési szabályszegések köréről, az e tevékenységekre vonatkozó rendelkezések megsértése esetén kiszabható bírságok összegéről, felhasználásának rendjéről és az ellenőrzésben történő közreműködés feltételeiről szóló 410/2007. (XII. 29.) Korm. rendelet; hierna: „sanctieregeling”], waarbij in geval van niet-naleving van de voorschriften met betrekking tot de aankoop van een trajectticket als boete een forfaitair bedrag wordt opgelegd, ongeacht de ernst van de overtreding? |
|
2) |
Verdraagt de in bijlage 9 bij de sanctieregeling neergelegde boete zich met de in artikel 9 bis van de Eurovignet-richtlijn gestelde eis dat de naar nationaal recht vast te stellen sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn? |
|
3) |
Moet het proportionaliteitsvereiste van artikel 9 bis van de Eurovignet-richtlijn aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een sanctieregeling als in het hoofdgeding, waarbij op overtreders een risicoaansprakelijkheid rust, alsmede tegen de hoogte van de in die regeling voorziene sanctie? |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/5 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Prekršajni Sud u Bjelovaru (Kroatië) op 25 september 2015 — Renata Horžić/Privredna banka Zagreb en Božo Prka
(Zaak C-511/15)
(2016/C 027/06)
Procestaal: Kroatisch
Verwijzende rechter
Prekršajni Sud u Bjelovaru
Partijen in het hoofdgeding
Vervolgende partij: Renata Horžić
Verdachten: Privredna banka Zagreb, Božo Prka
Prejudiciële vragen
|
1) |
Kan de toepassing met terugwerkende kracht van de wet op het consumentenkrediet uitsluitend overeenkomstig het bepaalde in deze wet worden uitgelegd en beoordeeld en is een dergelijke toepassing van de wet op het consumentenkrediet verenigbaar met het recht van de Unie, met name artikel 30 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 (1), waarvan lid 1 uitdrukkelijk bepaalt dat de richtlijn niet van toepassing is op kredietovereenkomsten die zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van de nationale wettelijke regeling tot uitvoering van de richtlijn? |
|
2) |
Kan in het hierboven geschetste kader de strafbepaling van artikel 26, lid 1, punt 28, van de Kroatische wet op het consumentenkrediet overeenkomstig artikel 23 van de richtlijn en in het licht van de overgangsbepalingen van artikel 30 ervan aldus worden uitgelegd dat de sancties die gelden voor inbreuken op een op de grondslag van deze richtlijn vastgestelde nationale bepaling niet kunnen worden opgelegd voor eventuele inbreuken die verband houden met kredietovereenkomsten die op de datum van inwerkingtreding van de nationale uitvoeringsmaatregelen reeds lopen? |
(1) Richtlijn inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133, blz. 66).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/6 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Prekršajni Sud u Bjelovaru (Kroatië) op 25 september 2015 — Siniša Pušić/Privredna banka Zagreb en Božo Prka
(Zaak C-512/15)
(2016/C 027/07)
Procestaal: Kroatisch
Verwijzende rechter
Prekršajni Sud u Bjelovaru
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Siniša Pušić
Verwerende partijen: Privredna banka Zagreb, Božo Prka
Prejudiciële vragen
|
1) |
Kan de toepassing met terugwerkende kracht van de wet op het consumentenkrediet uitsluitend overeenkomstig het bepaalde in deze wet worden uitgelegd en beoordeeld en is een dergelijke toepassing van de wet op het consumentenkrediet verenigbaar met het recht van de Unie, met name artikel 30 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 (1), waarvan lid 1 uitdrukkelijk bepaalt dat de richtlijn niet van toepassing is op kredietovereenkomsten die zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van de nationale wettelijke regeling tot uitvoering van de richtlijn? |
|
2) |
Kan in het hierboven geschetste kader de strafbepaling van artikel 26, lid 1, punt 28, van de Kroatische wet op het consumentenkrediet overeenkomstig artikel 23 van de richtlijn en in het licht van de overgangsbepalingen van artikel 30 ervan aldus worden uitgelegd dat de sancties die gelden voor inbreuken op een op de grondslag van deze richtlijn vastgestelde nationale bepaling niet kunnen worden opgelegd voor eventuele inbreuken die verband houden met kredietovereenkomsten die op de datum van inwerkingtreding van de nationale uitvoeringsmaatregelen reeds lopen? |
(1) Richtlijn inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133, blz. 66).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/6 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Midden-Nederland (Nederland) op 5 oktober 2015 — Stichting Brein tegen Jack Frederik Wullems, handelend onder de naam Filmspeler
(Zaak C-527/15)
(2016/C 027/08)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Midden-Nederland
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Stichting Brein
Verweerder: Jack Frederik Wullems, handelend onder de naam Filmspeler
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 3, lid 1, van de Auteursrecht-richtlijn (1) aldus worden uitgelegd dat er sprake is van „een mededeling aan het publiek” in de zin van die bepaling, wanneer iemand een product (mediaspeler) verkoopt waarin door hem add-ons zijn geïnstalleerd die hyperlinks bevatten naar websites waarop auteursrechtelijke beschermde werken, zoals films, series en live-uitzendingen, zonder toestemming van de rechthebbenden, direct toegankelijk zijn gemaakt? |
|
2) |
Maakt het daarbij verschil
|
|
3) |
Dient artikel 5 van de Auteursrecht-richtlijn […] aldus te worden uitgelegd dat geen sprake is van „rechtmatig gebruik” in de zin van het eerste lid, sub b, van die bepaling, indien een tijdelijke reproductie wordt gemaakt door een eindgebruiker bij het streamen van een auteursrechtelijk beschermd werk van een website van een derde waarop dit auteursrechtelijk beschermde werk zonder toestemming van de rechthebbende(n) wordt aangeboden? |
|
4) |
Indien het antwoord op vraag 1) ontkennend luidt, is het maken van een tijdelijke reproductie door een eindgebruiker bij het streamen van een auteursrechtelijk beschermd werk van een website waarop dit auteursrechtelijk beschermde werk zonder toestemming van de rechthebbende(n) wordt aangeboden, dan strijdig met de „driestappentoets” bedoeld in artikel 5, lid 5, van de Auteursrecht-richtlijn (richtlijn 200l/29/EG)? |
(1) Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/7 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de College van Beroep voor het Bedrijfsleven (Nederland) op 13 oktober 2015 — Tele2 (Netherlands) BV e.a. tegen Autoriteit Consument en Markt (ACM), andere partij: European Directory Assistance NV
(Zaak C-536/15)
(2016/C 027/09)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
College van Beroep voor het Bedrijfsleven
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeksters: Tele2 (Netherlands) BV, Ziggo BV, Vodafone Libertel BV
Verweerster: Autoriteit Consument en Markt (ACM)
Andere partij: European Directory Assistance NV
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 25, tweede lid, van richtlijn 2002/22/EG (1) zo worden uitgelegd dat onder verzoeken ook moet worden begrepen een verzoek van een in een andere lidstaat gevestigde onderneming, die informatie vraagt ten behoeve van het verstrekken van openbare telefooninlichtingendiensten en telefoongidsen die worden aangeboden in die lidstaat en/of in andere lidstaten? |
|
2) |
Als vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: mag de aanbieder die telefoonnummers in gebruik geeft, en die op grond van een nationale regeling gehouden is de abonnee toestemming te vragen voor opname in standaard telefoongidsen en standaard abonnee-informatiediensten, in de vraag om toestemming op grond van het non-discriminatiebeginsel differentiëren naar de lidstaat waarin de onderneming die verzoekt om informatie als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van richtlijn 2002/22/EG, de telefoongids en abonnee-informatiedienst aanbiedt? |
(1) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 51).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/8 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 15 oktober 2015 — Daniel Bowman/Pensionsversicherungsanstalt
(Zaak C-539/15)
(2016/C 027/10)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberster Gerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Daniel Bowman
Verwerende partij: Pensionsversicherungsanstalt
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 21 van het Handvest van de grondrechten junctis de artikelen 2, leden 1 en 2, en 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG (1) aldus worden uitgelegd dat:
|
(1) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/9 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kúria (Hongarije) op 20 oktober 2015 — Interservice d.o.o. Koper/Sándor Horváth
(Zaak C-547/15)
(2016/C 027/11)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Kúria
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Interservice d.o.o. Koper
Verwerende partij: Sándor Horváth
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 96, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 (1) van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat niet alleen degene die met de verkoper een overeenkomst voor het vervoer van de goederen heeft gesloten (contractuele of hoofdvervoerder) als vervoerder van de goederen moet worden aangemerkt, maar ook degene die het vervoer geheel of gedeeltelijk verricht uit hoofde van een andere, met de contractuele of hoofdvervoerder gesloten vervoerovereenkomst (ondervervoerder)? |
|
2) |
Dient, bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag, artikel 96, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus te worden uitgelegd dat in een geval als in het hoofdgeding de ondervervoerder verplicht is, alvorens het vervoer van de goederen voort te zetten, zich er naar behoren van te vergewissen dat de hoofdvervoerder de goederen daadwerkelijk conform de voorschriften heeft aangebracht bij het douanekantoor van bestemming? |
(1) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/9 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 26 oktober 2015 — Undis Servizi Srl/Comune di Sulmona
(Zaak C-553/15)
(2016/C 027/12)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Consiglio di Stato
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Undis Servizi Srl
Verwerende partij: Comune di Sulmona
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet bij het bepalen van de hoofdactiviteit van het lichaam waarop toezicht wordt uitgeoefend ook rekening worden gehouden met de activiteit voor plaatselijke lichamen die geen vennoten zijn, opgelegd door een overheidsdienst die geen vennoot is? |
|
2) |
Moet bij het bepalen van de hoofdactiviteit van het lichaam waarop toezicht wordt uitgeoefend ook rekening worden gehouden met opdrachten die zijn gegund door overheidslichamen die vennoten zijn voordat de vereiste van het zogeheten toezicht zoals op de eigen diensten werd gesteld? |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/10 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Cantabria (Spanje) op 27 oktober 2015 — Luca Jerónimo García Almodóvar en Catalina Molina Moreno/Banco de Caja España de Inversiones, Salamanca y Soria, S.A.U.
(Zaak C-554/15)
(2016/C 027/13)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Audiencia Provincial de Cantabria
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Luca Jerónimo García Almodóvar en Catalina Molina Moreno
Verwerende partij: Banco de Caja España de Inversiones, Salamanca y Soria, S.A.U.
Prejudiciële vragen
|
1) |
Is de beperking van de terugwerkende kracht van een uitspraak waarbij een bodemrentebeding in een consumentenovereenkomst oneerlijk wordt bevonden en dus nietig wordt verklaard, verenigbaar met het beginsel dat oneerlijke bedingen niet bindend zijn en met de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad (1) van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten? |
|
2) |
Is de instandlating van de gevolgen van een in een consumentenovereenkomst opgenomen bodemrentebeding dat oneerlijk wordt bevonden en dus nietig wordt verklaard, verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13]? |
|
3) |
Is het verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13] dat de terugwerkende kracht van een uitspraak waarbij een bodemrentebeding in een consumentenovereenkomst oneerlijk wordt bevonden en dus nietig wordt verklaard, wordt beperkt op grond dat er een risico van ernstige verstoringen van de economische openbare orde bestaat en op grond van de goede trouw? |
|
4) |
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is het verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13] dat, wanneer een consument verzet tegen de executie aantekent op grond van het oneerlijke karakter van een beding in een consumentenovereenkomst dat de grondslag vormt voor de executie of op basis waarvan het verschuldigde bedrag is vastgesteld, het bestaan van een risico van ernstige verstoringen van de economische openbare orde wordt vermoed, of moet dit risico worden onderzocht en beoordeeld aan de hand van concrete economische gegevens waaruit kan worden afgeleid dat de toekenning van terugwerkende kracht aan de uitspraak waarbij een oneerlijk beding nietig wordt verklaard, macro-economische gevolgen heeft? |
|
5) |
En is het, ingeval een consument verzet tegen de executie aantekent op grond van het oneerlijke karakter van een beding in een consumentenovereenkomst dat de grondslag vormt voor de executie of op basis waarvan het verschuldigde bedrag is vastgesteld, verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13] dat het risico van ernstige verstoringen van de economische openbare orde wordt beoordeeld in het licht van de economische gevolgen die het zou hebben als een groot aantal consumenten een individuele vordering of verzet tegen de executie zouden instellen op grond van het oneerlijke karakter van het beding? Of moet dat risico integendeel worden beoordeeld aan de hand van de economische gevolgen van een specifieke verzetprocedure die wordt ingeleid door de geëxecuteerde consument? |
|
6) |
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, is het verenigbaar met de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13] dat de goede trouw wordt beoordeeld op basis van een abstracte beoordeling van het gedrag van een willekeurige verkoper? |
|
7) |
Of moet, overeenkomstig de uitlegging van artikel 6 van richtlijn [93/13], die goede trouw in elk specifiek geval worden onderzocht en beoordeeld in het licht van het concrete gedrag van de verkoper bij het sluiten van de overeenkomst en het hierin opnemen van het oneerlijke beding? |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/11 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d’appel de Paris (Frankrijk) op 4 november 2015 — Carrefour Hypermarchés SAS/ITM Alimentaire International SASU
(Zaak C-562/15)
(2016/C 027/14)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour d’appel de Paris
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Carrefour Hypermarchés SAS
Verwerende partij: ITM Alimentaire International SASU
Prejudiciëlevragen
|
1) |
Moet artikel 4, onder a) en c), van richtlijn 2006/114/EG (1), dat bepaalt dat „[v]ergelijkende reclame […] geoorloofd [is] op voorwaarde dat deze […] niet misleidend is […] [en] op objectieve wijze een of meer wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve kenmerken van [de] goederen en diensten […] met elkaar vergelijkt”, aldus worden uitgelegd dat een vergelijking van de prijzen van door distributieondernemingen verkochte producten enkel geoorloofd is indien deze producten worden verkocht in winkels van hetzelfde type of dezelfde omvang? |
|
2) |
Is de omstandigheid dat de winkels waarvan de prijzen worden vergeleken, verschillend van grootte en opmaak zijn, een essentieel gegeven in de zin van richtlijn 2005/29/EG (2), waarvan de consument noodzakelijkerwijs in kennis dient te worden gesteld? |
|
3) |
Zo ja, in welke mate en/of via welk medium dient dit gegeven aan de consument te worden meegedeeld? |
(1) Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (PB L 376, blz. 21).
(2) Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB L 149, blz. 22).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/12 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vilniaus apygardos teismas (Litouwen) op 9 november 2015 — UAB „LitSpecMet”/UAB Vilniaus lokomotyvų remonto depas
(Zaak C-567/15)
(2016/C 027/15)
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Vilniaus apygardos teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: UAB „LitSpecMet”
Verwerende partij: UAB Vilniaus lokomotyvų remonto depas
Andere partij: UAB „Plienmetas”
Prejudiciële vragen
Moet artikel 1, lid 9, van richtlijn 2004/18/EG (1) aldus worden uitgelegd dat een onderneming:
|
— |
die werd opgericht door een aanbestedende dienst die actief is op het gebied van spoorwegvervoer, meer bepaald het beheer van de openbare spoorweginfrastructuur, passagiers- en vrachtvervoer; |
|
— |
die op autonome wijze economische activiteiten verricht, een bedrijfsplan opstelt, beslissingen neemt met betrekking tot de activiteiten van de onderneming (productmarkt, doelpubliek enzovoort), actief is op een concurrerende markt in de volledige Europese Unie en daarbuiten, diensten verstrekt betreffende de vervaardiging en de reparatie van rollend materieel en deelneemt aan daarmee verband houdende aanbestedingsprocedures, bestellingen tracht te verkrijgen van derden (andere dan de moedermaatschappij); |
|
— |
die haar oprichter bij wege van „in house” transacties diensten verstrekt met betrekking tot de reparatie van rollend materieel en waarbij de waarde van die diensten 90 procent uitmaakt van alle activiteiten van de onderneming; |
|
— |
waarvan de aan haar oprichter geleverde diensten ertoe strekken diens passagiers- en vrachtvervoer te verzekeren; niet dient te worden aangemerkt als een aanbestedende dienst? |
Indien het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt dat de onderneming in omstandigheden zoals die welke supra zijn beschreven, als een aanbestedende dienst moet worden aangemerkt, dient artikel 1, lid 9, van richtlijn 2004/18 dan aldus te worden uitgelegd dat de onderneming de status van aanbestedende dienst verliest wanneer de waarde van de diensten die zij met betrekking tot de reparatie van het rollend materieel via „in house” transacties verstrekt aan de aanbestedende dienst die de onderneming heeft opgericht, vermindert en minder dan 90 procent van de activiteiten van de onderneming dan wel niet meer het grootste gedeelte van haar totale omzet vertegenwoordigt?
(1) Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/13 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Riigikohus (Estland) op 2 november 2015 — F. Hoffmann-La Roche AG/Accord Healthcare OÜ
(Zaak C-572/15)
(2016/C 027/16)
Procestaal: Ests
Verwijzende rechter
Riigikohus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: F. Hoffmann-La Roche AG
Verwerende partij: Accord Healthcare OÜ
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 21, lid 2, van verordening (EG) nr. 469/2009 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (gecodificeerde versie) aldus worden uitgelegd dat de duur van een aanvullend beschermingscertificaat wordt verminderd wanneer bedoeld certificaat in een lidstaat vóór de toetreding ervan tot de Europese Unie op grond van het nationale recht is afgegeven en de duur ervan voor een werkzame stof volgens de gegevens van dit certificaat langer zou zijn dan 15 jaar vanaf het tijdstip van de afgifte van de eerste vergunning voor het in de handel brengen in de Unie van een geneesmiddel dat uit deze werkzame stof is samengesteld of deze bevat? |
|
2) |
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: is artikel 21, lid 2, van verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (gecodificeerde versie) in overeenstemming met het Unierecht, in het bijzonder met de algemene beginselen van het Unierecht inzake de bescherming van verworven rechten, het verbod van terugwerkende kracht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie? |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/13 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Veliko Tarnovo (Bulgarije) op 9 november 2015 — ЕТ „Маya Маrinova”/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” Veliko Tarnovo pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite
(Zaak C-576/15)
(2016/C 027/17)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Veliko Tarnovo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: ЕТ „Маya Маrinova”
Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” Veliko Tarnovo pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moeten de artikelen 273, 2, lid 1, onder a), 9, lid 1, en 14, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG (1) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, in hun onderlinge samenhang beschouwd, gelet op de beginselen van fiscale neutraliteit en evenredigheid, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat het recht heeft om het feitelijke ontbreken van goederen, die aan een belastingplichtige werden bezorgd via belastbare leveringen, te behandelen als naderhand belastbare leveringen ten bezwarende titel van dezelfde goederen door dezelfde persoon zonder dat de ontvanger ervan werd vastgesteld, wanneer daarmee het voorkomen van btw-fraude wordt beoogd? |
|
2) |
Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen, gelet op de beginselen van fiscale neutraliteit en evenredigheid, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat het recht heeft om de ontbrekende boeking van voor de belasting relevante documenten betreffende ontvangen belastbare leveringen van een belastingplichtige, op de hierboven beschreven manier te behandelen wanneer hiermee hetzelfde doel wordt nagestreefd? |
|
3) |
Moeten de artikelen 273, 73 en 80 van richtlijn 2006/112/EG, in hun onderlinge samenhang beschouwd, gelet op de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid, aldus worden uitgelegd dat de lidstaten het recht hebben om, op basis van nationale bepalingen die niet de omzetting van de btw-richtlijn tot doel hebben, voor de door een belastingplichtige verrichte leveringen van goederen maatstaven van heffing vast te stellen die afwijken van de algemene regeling van artikel 73 van de btw-richtlijn en van de uitdrukkelijke uitzonderingsbepalingen van artikel 80 van deze richtlijn, wanneer daarmee enerzijds het voorkomen van btw-fraude en anderzijds de vaststelling van een zo betrouwbaar mogelijke maatstaf van heffing over de betrokken transacties wordt beoogd? |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/14 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Amsterdam (Nederland) op 6 november 2015 — Openbaar Ministerie tegen Daniel Adam Popławski
(Zaak C-579/15)
(2016/C 027/18)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Amsterdam
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Openbaar Ministerie
Verweerder: Daniel Adam Popławski
Prejudiciële vragen
|
1) |
Mag een lidstaat artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ (1) zo omzetten in zijn nationale recht dat:
zodat het risico bestaat dat de uitvoerende lidstaat na weigering van de executieoverlevering de tenuitvoerlegging niet kan overnemen, terwijl dit risico niet afdoet aan de verplichting tot weigering van de executieoverlevering? |
|
2) |
Indien het antwoord op vraag 1) ontkennend luidt,
|
|
3) |
Indien het antwoord op de vragen 1) en 2) b. ontkennend luidt: mag een lidstaat wiens nationale recht voor de overname van de tenuitvoerlegging van de buitenlandse vrijheidsstraf een basis in een daartoe strekkend verdrag eist artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ zo omzetten in zijn nationale recht dat artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ zelf de vereiste verdragsbasis oplevert, teneinde het aan de aan de nationale eis van een verdragsbasis verbonden risico van straffeloosheid te vermijden [zie vraag 1)]? |
|
4) |
Indien het antwoord op de vragen 1) en 2) b. ontkennend luidt: mag een lidstaat artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ zo omzetten in zijn nationale recht, dat: hij voor de weigering van de executieoverlevering van een ingezetene van de uitvoerende lidstaat die onderdaan is van een andere lidstaat als voorwaarde stelt dat de uitvoerende lidstaat rechtsmacht heeft voor de in het EAB [Europees aanhoudingsbevel] bedoelde feiten en dat geen feitelijke beletselen bestaan voor een (eventuele) strafvervolging in de uitvoerende lidstaat van die ingezetene voor die feiten (zoals de weigering van de uitvaardigende lidstaat om het strafdossier over te dragen aan de uitvoerende lidstaat), terwijl hij zo een voorwaarde niet stelt voor de weigering van de executieoverlevering van een onderdaan van de uitvoerende lidstaat? |
(1) Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten — Verklaringen van sommige lidstaten bij de aanneming van het kaderbesluit (PB L 190, blz. 1).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/15 |
Beroep ingesteld op 10 november 2015 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek
(Zaak C-581/15)
(2016/C 027/19)
Procestaal: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: Z. Malůšková, J. Hottiaux, gemachtigden)
Verwerende partij: Tsjechische Republiek
Conclusies
|
— |
vaststellen dat de Tsjechische Republiek, doordat zij geen nationaal elektronisch register van wegvervoerondernemingen in het leven heeft geroepen en dit register niet heeft gekoppeld met de nationale elektronische registers van de overige lidstaten, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten op grond van artikel 16, leden 1 en 5, van verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad, en derhalve dat dat de Tsjechische Republiek, doordat zij heeft toegestaan dat overheidsmiddelen voor het beheer van de spoorweginfrastructuur werden overgedragen naar activiteiten in verband met de exploitatie van vervoersdiensten, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten op grond van richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/440/EEG). |
|
— |
de Tsjechische Republiek verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor de omzetting van de richtlijn is op 30 juni 2015 verstreken.
Verzoekster doet haar beroep steunen op de volgende gronden:
Op 30 juni 2015, toen de in de mededeling van punten van bezwaar gestelde termijn is verstreken, had de Tsjechische Republiek geen nationaal elektronisch register van wegvervoerondernemingen in het leven geroepen en had zij dit register niet gekoppeld met de nationale elektronische registers van de overige lidstaten, hoewel zij daartoe was gehouden op grond van artikel 16, leden 1 en 5, van verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad. (1)
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/16 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Amsterdam (Nederland) op 11 november 2015 — Openbaar Ministerie tegen Gerrit van Vemde
(Zaak C-582/15)
(2016/C 027/20)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Amsterdam
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Openbaar Ministerie
Verweerder: Gerrit van Vemde
Prejudiciële vraag
Moet artikel 28, tweede lid, eerste volzin, van kaderbesluit 2008/909/JBZ (1) zo worden verstaan dat de daar bedoelde verklaring alleen betrekking mag hebben op vonnissen die zijn gewezen vóór 5 december 2011, ongeacht wanneer die vonnissen onherroepelijk zijn geworden, of moet die bepaling zo worden verstaan dat de verklaring alleen betrekking mag hebben op vonnissen die vóór 5 december 2011 onherroepelijk zijn geworden?
(1) Kaderbesluit van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327, blz. 27).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/17 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (Litouwen) op 12 november 2015 — Lietuvos Respublikos transporto priemonių draudikų biuras/Gintaras Dockevičius en Jurgita Dockevičienė
(Zaak C-587/15)
(2016/C 027/21)
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Lietuvos Aukščiausiasis Teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Lietuvos Respublikos transporto priemonių draudikų biuras
Verwerende partijen: Gintaras Dockevičius en Jurgita Dockevičienė
Prejudiciële vragen
|
1) |
Dienen de artikelen 2, 10, leden 1 en 4, en 24, lid 2, van richtlijn 2009/103 (1), de artikelen 3, lid 4, 5, leden 1 en 4, 6, lid 1, en 10, van het Algemeen Reglement (2) en artikel 47 van het Handvest (samen of afzonderlijk, doch zonder beperking tot de bovengenoemde bepalingen) aldus te worden begrepen en uitgelegd, dat, wanneer
de verzoekende partij in die procedure (bureau B) haar vordering tegen de verwerende partijen (de verantwoordelijke persoon en de eigenaar van het voertuig) kan baseren op uitsluitend het feit dat zij aan bureau A de gemaakte kosten heeft betaald en zij (de verzoekende partij) niet verplicht is om te bewijzen dat aan de voorwaarden voor de wettelijke aansprakelijkheid van de verwerende partij/verantwoordelijke persoon was voldaan (diens schuld, onrechtmatige handelingen, oorzakelijk verband en de omvang van de schade), noch verplicht is om te bewijzen dat het buitenlandse recht juist werd toegepast bij het betalen van schadevergoeding aan de benadeelde partij? |
|
2) |
Dienen punt c) van de vijfde alinea van artikel 24, lid 1, van richtlijn 2009/103 en artikel 3, leden 1 en 4, van het Algemeen Reglement (samen of afzonderlijk, doch zonder beperking tot de bovengenoemde bepalingen) aldus te worden begrepen en uitgelegd dat bureau A, alvorens een definitieve beslissing te nemen om de schade van de benadeelde partij te vergoeden, de verantwoordelijke persoon en de eigenaar van het voertuig (indien dit niet dezelfde persoon is) op een duidelijke en begrijpelijke manier (met inbegrip van de taal waarin de informatie wordt verschaft) te informeren over het opstarten en de voortgang van het proces van schade-afhandeling en hem voldoende tijd te geven om opmerkingen te maken over, of bezwaren in te dienen tegen, het te nemen besluit om schadevergoeding te betalen en/of de hoogte van die schadevergoeding? |
|
3) |
Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend is [dat wil zeggen, de verwerende partijen (de verantwoordelijke partij en de eigenaar van het voertuig) kunnen eisen dat de verzoekende partij (bureau B) bewijs overlegt of kunnen bezwaren inbrengen of twijfels uiten met betrekking tot onder andere de omstandigheden van het verkeersongeval, de toepassing van het regelgevingskader betreffende de wettelijke aansprakelijkheid van de verantwoordelijke persoon, de omvang van de schade en de wijze van berekening ervan], dienen de artikelen 2, 10, lid 1 en 24, lid 2, van richtlijn 2009/103 en de tweede alinea van artikel 3, lid 4, van het Algemeen Reglement (samen of afzonderlijk, maar zonder beperking tot de bovengenoemde bepalingen) aldus te worden begrepen en uitgelegd, dat, niettegenstaande het feit dat bureau B, voordat een definitieve beslissing was genomen, bureau A niet om informatie had verzocht over de uitlegging van de wetgeving die van toepassing is in het land waar het verkeersongeval had plaatsgevonden en over de afhandeling van de schadeclaim, bureau A in ieder geval die informatie aan bureau B moet verschaffen, als laatstgenoemde hierom vervolgens verzoekt, samen met elke andere informatie die bureau B nodig heeft om een vordering [tot schadevergoeding] in te stellen tegen de verwerende partijen (de verantwoordelijke persoon en de eigenaar van het voertuig)? |
|
4) |
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend is (dat wil zeggen dat bureau A de verantwoordelijke persoon en de eigenaar van het voertuig moet informeren over het proces van schadeafhandeling en hun de gelegenheid moet bieden om bezwaren in te dienen met betrekking tot de aansprakelijkheid of de omvang van de schade), welke gevolgen zullen dan voortvloeien uit het verzuim van bureau A om te voldoen aan zijn informatieplicht voor:
|
|
5) |
Dienen de artikelen 5, lid 1, en 10 van het Algemeen Reglement aldus te worden begrepen en uitgelegd dat het door bureau A als schadevergoeding aan de benadeelde partij betaalde bedrag moet worden beschouwd als een door bureau A zelf genomen niet-terugbetaalbaar risico (tenzij dat risico door bureau B is genomen), en niet als een geldelijke verplichting van de andere bij het verkeersongeval betrokken persoon, te meer met het oog op de omstandigheden van deze zaak:
|
(1) Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 263, blz. 11).
(2) Algemeen Reglement van de Raad van Bureaus bij de Overeenkomst tussen de bureaus van nationale verzekeraars van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en andere geassocieerde staten als bijlage bij beschikking 2003/564/EG van de Commissie van 28 juli 2003 betreffende de toepassing van richtlijn 72/166/EEG van de Raad wat betreft de controle op de verzekering tegen de aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 192, blz. 23).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/19 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice Queen’s Bench Division (Administrative Court) (Verenigd Koninkrijk) op 13 november 2015 — The Gibraltar Betting and Gaming Association Limited/Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs, Her Majesty’s Treasury
(Zaak C-591/15)
(2016/C 027/22)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
High Court of Justice Queen’s Bench Division (Administrative Court)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: The Gibraltar Betting and Gaming Association Limited
Verwerende partijen: Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs, Her Majesty’s Treasury
Prejudiciële vragen
|
1) |
Voor de toepassing van artikel 56 VWEU en in het licht van de constitutionele verhouding tussen Gibraltar en het Verenigd Koninkrijk:
|
|
2) |
Beperken nationale belastingmaatregelen met kenmerken zoals die van de nieuwe belastingregeling het recht op vrije dienstverrichting in de zin van artikel 56 VWEU? |
|
3) |
Indien de vorige vraag bevestigend moet worden beantwoord, zijn de doelstellingen die volgens de verwijzende rechter met binnenlandse maatregelen (zoals de nieuwe belastingregeling) worden nagestreefd, legitieme doelstellingen die een rechtvaardiging kunnen vormen voor de beperking van het recht op vrije dienstverrichting van artikel 56 VWEU? |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/19 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk) op 13 november 2015 — Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs/British Film Institute
(Zaak C-592/15)
(2016/C 027/23)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
Verwerende partij: British Film Institute
Prejudiciële vragen
|
i. |
Zijn de bewoordingen van artikel 13, A, lid 1, onder n), van de Zesde richtlijn (1) en in het bijzonder de woorden „bepaalde culturele diensten” voldoende duidelijk en nauwkeurig om aan die bepaling rechtstreekse werking te verlenen, wat tot gevolg heeft dat de verrichting van dergelijke culturele diensten door publiekrechtelijke instellingen of andere erkende culturele instellingen — zoals in casu door verweerder — is vrijgesteld, ook al heeft er geen omzetting in nationaal recht plaatsgevonden? |
|
ii. |
Laten de bewoordingen van artikel 13, A, lid 1, onder n), van de Zesde richtlijn en in het bijzonder de woorden „bepaalde culturele diensten”, enige beoordelingsruimte aan de lidstaten bij de omzetting ervan in nationale wetgeving, en zo ja welke beoordelingsruimte? |
|
iii. |
Gelden de antwoorden op de twee vorige vragen evenzeer voor artikel 132, lid 1, onder n), van de btw-basisrichtlijn (2)? |
(1) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).
(2) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/20 |
Hogere voorziening ingesteld op 13 november 2015 door de Slowaakse Republiek tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 14 september 2015 in zaak T-678/14, Slowaakse Republiek/Europese Commissie
(Zaak C-593/15 P)
(2016/C 027/24)
Procestaal: Slowaaks
Partijen
Rekwirante: Slowaakse Republiek (vertegenwoordiger: B. Ricziová, gemachtigde)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
De Slowaakse Republiek verzoekt het Hof:
|
i. |
de beschikking van het Gerecht van 14 september 2015, T-678/14, Slowaakse Republiek/Europese Commissie, houdende niet-ontvankelijkverklaring van het beroep dat Slowakije overeenkomstig artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft ingesteld tegen het in de brief van 15 juli 2014 vervatte besluit van de Europese Commissie, waarbij deze laatste Slowakije aanmaant om haar het met het verlies aan traditionele eigen middelen overeenstemmende bedrag ter beschikking te stellen, in haar geheel te vernietigen; |
|
ii. |
zelf uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep van de Slowaakse Republiek en de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen voor een uitspraak ten gronde, en |
|
iii. |
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten. |
Subsidiair, voor het geval dat het Hof zou oordelen dat het onvoldoende is geïnformeerd om definitief uitspraak te doen over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, verzoekt de Slowaakse Republiek het Hof:
|
i. |
de beschikking van het Gerecht van 14 september 2015, T-678/14, Slowaakse Republiek/Europese Commissie, houdende niet-ontvankelijkverklaring van het beroep dat Slowakije overeenkomstig artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft ingesteld tegen het in de brief van 15 juli 2014 vervatte besluit van de Europese Commissie, waarbij deze laatste Slowakije verzoekt om haar het met het verlies aan traditionele eigen middelen overeenstemmende bedrag ter beschikking te stellen, in haar geheel te vernietigen; |
|
ii. |
de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen voor een uitspraak over de ontvankelijkheid en over de gegrondheid van het beroep van de Slowaakse Republiek, en |
|
iii. |
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Slowaakse Republiek twee middelen aan:
|
1. |
Met haar eerste middel stelt de Slowaakse Republiek dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft: (i) de aard van de gevorderde financiële middelen en de toepasselijkheid van de rechtshandelingen inzake eigen middelen en de desbetreffende rechtspraak, (ii) de vraag of de instelling bevoegd is om te beoordelen of kan worden opgekomen tegen het litigieuze besluit, en (iii) de toegang tot de rechter en de spoedeisendheid van de situatie. |
|
2. |
Met haar subsidiair aangevoerde tweede middel stelt de Slowaakse Republiek dat het Gerecht de bestreden beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd wat betreft (i) de aard van de gevorderde financiële middelen en de toepasselijkheid van de rechtshandelingen inzake eigen middelen en de desbetreffende rechtspraak, en (ii) de toegang tot de rechter en de spoedeisendheid van de situatie, wat blijkt uit het feit dat het Gerecht (iii) dezelfde motivering heeft gegeven voor feitelijk verschillende situaties. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/21 |
Hogere voorziening ingesteld op 13 november 2015 door de Slowaakse Republiek tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 14 september 2015 in zaak T-779/14, Slowaakse Republiek/Europese Commissie
(Zaak C-594/15 P)
(2016/C 027/25)
Procestaal: Slowaaks
Partijen
Rekwirante: Slowaakse Republiek (vertegenwoordiger: B. Ricziová, gemachtigde)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
De Slowaakse Republiek verzoekt het Hof:
|
i. |
de beschikking van het Gerecht van 14 september 2015, T-779/14, Slowaakse Republiek/Europese Commissie, houdende niet-ontvankelijkverklaring van het beroep dat Slowakije overeenkomstig artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft ingesteld tegen het in de brief van 24 september 2014 vervatte besluit van de Europese Commissie, waarbij deze laatste Slowakije aanmaant om haar het met het verlies aan traditionele eigen middelen overeenstemmende bedrag ter beschikking te stellen, in haar geheel te vernietigen; |
|
ii. |
zelf uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep van de Slowaakse Republiek en de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen voor een uitspraak ten gronde, en |
|
iii. |
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten. |
Subsidiair, voor het geval dat het Hof zou oordelen dat het onvoldoende is geïnformeerd om definitief uitspraak te doen over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, verzoekt de Slowaakse Republiek het Hof:
|
i. |
de beschikking van het Gerecht van 14 september 2015, T-779/14, Slowaakse Republiek/Europese Commissie, houdende niet-ontvankelijkverklaring van het beroep dat Slowakije overeenkomstig artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft ingesteld tegen het in de brief van 24 september 2014 vervatte besluit van de Europese Commissie, waarbij deze laatste Slowakije verzoekt om haar het met het verlies aan traditionele eigen middelen overeenstemmende bedrag ter beschikking te stellen, in haar geheel te vernietigen; |
|
ii. |
de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen voor een uitspraak over de ontvankelijkheid en over de gegrondheid van het beroep van de Slowaakse Republiek, en |
|
iii. |
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Slowaakse Republiek twee middelen aan:
|
1. |
Met haar eerste middel stelt de Slowaakse Republiek dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft: (i) de aard van de gevorderde financiële middelen en de toepasselijkheid van de rechtshandelingen inzake eigen middelen en de desbetreffende rechtspraak, (ii) de vraag of de instelling bevoegd is om te beoordelen of kan worden opgekomen tegen het litigieuze besluit, en (iii) de toegang tot de rechter en de spoedeisendheid van de situatie. |
|
2. |
Met haar subsidiair aangevoerde tweede middel stelt de Slowaakse Republiek dat het Gerecht de bestreden beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd wat betreft (i) de aard van de gevorderde financiële middelen en de toepasselijkheid van de rechtshandelingen inzake eigen middelen en de desbetreffende rechtspraak, en (ii) de toegang tot de rechter en de spoedeisendheid van de situatie, wat blijkt uit het feit dat het Gerecht (iii) dezelfde motivering heeft gegeven voor feitelijk verschillende situaties. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/22 |
Beroep ingesteld op 17 november 2015 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek
(Zaak C-606/15)
(2016/C 027/26)
Procestaal: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: Z. Malůšková, J. Hottiaux, gemachtigden)
Verwerende partij: Tsjechische Republiek
Conclusies
|
— |
vaststellen dat:
|
|
— |
de Tsjechische Republiek verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor de omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 30 juni 2015 verstreken.
De Commissie legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag:
De Tsjechische Republiek heeft niet uiterlijk 30 juni 2015, toen de in het met redenen omklede advies gestelde termijn verstreek, mededeling gedaan van wijzigingen in haar nationale wetgeving om ervoor te zorgen dat zij voldeed aan de artikelen 19, lid 1, 21, lid 3, 23, lid 2, en 25, leden 2 en 3, van richtlijn 2004/49/EG. (1)
(1) Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering („Spoorwegveiligheidsrichtlijn”) (PB L 164, blz. 44, met rectificatie in PB L 220, blz. 16).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/23 |
Hogere voorziening ingesteld op 17 november 2015 door Panasonic Corp. tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 9 september 2015 in zaak T-82/13, Panasonic Corp. en MT Picture Display Co. Ltd/Europese Commissie
(Zaak C-608/15 P)
(2016/C 027/27)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Panasonic Corp. (vertegenwoordigers: R. Gerrits, advocaat, M. Hoskins QC, M. Gray, Barrister)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie en MT Picture Display Co. Ltd
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
|
— |
het arrest en de beschikking van het Gerecht te vernietigen: (i) in zoverre in het arrest is vastgesteld dat besluit C(2012) 8839 final van de Commissie van 5 december 2012 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak COMP/39.437 — tv- en computerbeeldbuizen) geen inbreuk maakte op Panasonics rechten van verdediging of op haar recht om te worden gehoord in de periode vóór 10 februari 2003; en/of (ii) in zoverre daarbij de vaststelling uit artikel 1, lid 2, onder c) en e), van het besluit dat Panasonic en MTPD van 1 april 2003 tot en met 12 juni 2006 aan de inbreuk hebben deelgenomen, geheel noch gedeeltelijk nietig is verklaard; |
|
— |
de volgende bepalingen nietig te verklaren: (i) artikel 1, lid 2, onder c), van het besluit, voor zover daarin is vastgesteld dat Panasonic van 15 juli 1999 tot en met 10 februari 2003 aan het CPT-kartel heeft deelgenomen; en/of (ii) artikel 1, lid 2, onder c) en e), van het besluit, wat de periode van 1 april 2003 tot en met 12 juni 2006 betreft; |
|
— |
de bij artikel 2, lid 2, onder f), van het besluit opgelegde geldboete te verlagen; en/of de bij artikel 2, lid 2, onder h) en i), van het besluit aan Panasonic en MTPD opgelegde geldboeten in te trekken of op passende wijze verder te verlagen (te weten te verlagen ten opzichte van de bij dat arrest vastgestelde bedragen van respectievelijk 82 826 000 EUR en 7 530 000 EUR); en voorts of subsidiair |
|
— |
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuw onderzoek overeenkomstig het recht, en |
|
— |
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten die Panasonic in het kader van de onderhavige hogere voorziening heeft gemaakt. |
Middelen en voornaamste argumenten
|
1. |
Het Gerecht heeft ten onrechte vastgesteld dat de Commissie had voldaan aan haar plicht om in de mededeling van punten van bezwaar de wezenlijke elementen tegen Panasonic te preciseren, inclusief de grond voor de stelling dat Panasonic kennis had van het volledige CPT-kartel. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan te nemen dat de Commissie ermee kon volstaan om in de mededeling van punten van bezwaar een van de wezenlijke elementen van de inbreuk impliciet maar onmiskenbaar uiteen te zetten. |
|
2. |
Het Gerecht dient aan Panasonic en MTPD dezelfde verlaging toe te kennen als eventueel aan Toshiba Corporation (hierna: „Toshiba”) zal worden toegekend in het kader van een hogere voorziening die Toshiba kan instellen met betrekking tot de periode waarvoor zij samen met Panasonic en MTPD hoofdelijk aansprakelijk is gesteld. In het arrest T-104/13, Toshiba/Commissie, heeft het Gerecht geoordeeld dat een eventuele nietigverklaring of wijziging van het besluit inzake de toerekening van het onrechtmatige gedrag van de joint venture MTPD aan Panasonic ook Toshiba ten goede moest komen. Derhalve voert Panasonic aan dat het Gerecht, indien het Hof op de hogere voorziening van Toshiba oordeelt dat het arrest van het Gerecht wordt vernietigd voor zover het besluit daarbij niet nietig is verklaard en/of de geldboete niet is ingetrokken of verlaagd met betrekking tot de periode waarvoor Toshiba samen met Panasonic en MTPD hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor een inbreuk, ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door na te laten om aan Panasonic en MTPD dezelfde verlaging toe te kennen als aan Toshiba had moeten worden toegekend. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/24 |
Hogere voorziening ingesteld op 18 november 2015 door Samsung SDI Co. Ltd en Samsung SDI (Malaysia) Bhd tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 9 september 2015 in zaak T-84/13, Samsung SDI Co. Ltd, Samsung SDI Germany GmbH en Samsung SDI (Malaysia) Bhd/Europese Commissie
(Zaak C-615/15 P)
(2016/C 027/28)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Samsung SDI Co. Ltd en Samsung SDI (Malaysia) Bhd (vertegenwoordigers: M. Struys, avocat, L. Eskenazi, avocate, A. Fall, advocate, en C. Erol, avocate)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirantes verzoeken het Hof:
|
— |
het arrest van het Gerecht van 9 september 2015 in zaak T-84/13, Samsung SDI Co. Ltd, Samsung SDI Germany GmbH en Samsung SDI (Malaysia) Bhd/Europese Commissie, te vernietigen; |
|
— |
derhalve artikel 2, leden 1, onder b), en 2, onder b), van het besluit van de Commissie nietig te verklaren voor zover zij rekwirantes betreffen, en de relevante geldboeten te verlagen; |
|
— |
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten van de eerste aanleg en de onderhavige hogere voorziening. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van hun hogere voorziening voeren rekwirantes vier middelen aan. De eerste twee middelen betreffen het CPT-kartel en de laatste twee het CDT-kartel.
Eerste middel: het Gerecht heeft nagelaten om SDI’s middel te behandelen volgens hetwelk de verkopen van producten die geen kartelproducten waren niet hadden mogen worden meegeteld bij de berekening van de boete voor het CPT-kartel. Gesteld al dat de redenering van het Gerecht betreffende het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk een impliciete rechtvaardiging aanreikt voor de afwijzing van SDI’s middel (wat niet het geval is), dan nog is een dergelijke impliciete rechtvaardiging in strijd met de Richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 (1) worden opgelegd (hierna: „richtsnoeren voor de berekening van geldboeten”).
Tweede middel: wat de bepaling van de einddatum van het CPT-kartel betreft, heeft het Gerecht SDI’s middel volgens hetwelk slechts sprake kan zijn van collusie indien ten minste twee ondernemingen zijn betrokken, zonder goede redenen afgewezen, en heeft het voorts artikel 101 VWEU geschonden, voor zover het in zijn arrest heeft geconcludeerd dat SDI alleen aan het CPT-kartel was blijven deelnemen tot 15 november 2006. Bovendien heeft het Gerecht het gelijkheidsbeginsel geschonden doordat het heeft geweigerd de aan SDI opgelegde boete te verlagen.
Derde middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de berekening van de boete die voor het CDT-kartel is opgelegd, SDI’s verkopen aan Samsung Electronics Corporation (SEC) mee te tellen. Het Gerecht heeft het concept EER-verkopen, als bedoeld in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, onjuist toegepast, aangezien het niet heeft bepaald waar de mededinging plaatsvond.
Vierde middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de toepassing van de clementieregeling, als gevolg waarvan SDI’s boete in verband met het CDT-kartel niet met 50 % is verlaagd. De bevindingen van het Gerecht betreffende het CPT-kartel zijn rechtens irrelevant in de context van het CDT-kartel. Bovendien heeft het Gerecht de clementieregeling onjuist toegepast en heeft het ten onrechte de vaststelling van de Commissie bekrachtigd dat het feit dat SDI in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar het marktverdelingsaspect van de inbreuk niet had beschreven, op zich de beoordeling van SDI’s medewerking tijdens de administratieve procedure kon beïnvloeden.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/25 |
Hogere voorziening ingesteld op 19 november 2015 door Koninklijke Philips Electronics NV tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 9 september 2015 in zaak T-92/13, Koninklijke Philips Electronics NV/Europese Commissie
(Zaak C-622/15 P)
(2016/C 027/29)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Koninklijke Philips Electronics NV (vertegenwoordigers: E. Pijnacker Hordijk, J. K. de Pree en S. Molin, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
|
— |
het arrest van het Gerecht in zaak T-92/13 te vernietigen; |
|
— |
artikel 1, leden 1, onder c), en 2, onder f), en artikel 2, leden 1, onder c) en e), en 2, onder c) en e), van het besluit van de Commissie van 5 december 2012 in zaak COMP/39.437 — tv- en computerbeeldbuizen (hierna: „besluit”) geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover zij KPNV betreffen; en/of de aan KPNV bij artikel 2, leden 1, onder c) en e), en 2, onder c) en e), van het besluit opgelegde geldboeten te verlagen; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten van de eerste aanleg en de hogere voorziening. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante de volgende middelen en argumenten aan.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 (1) door aan te nemen dat de Commissie de verkopen van door de LPD-groep vervaardigde Cathode Ray Tubes (hierna: „CRT’s”) aan de Philips-groep (en de LGE-groep) mocht aanmerken als interne verkopen, en door aan te nemen dat de Commissie de waarde van de directe EER-verkopen via verwerkte producten (hierna: „DVVP’s”) mocht meetellen bij de berekening van KPNV’s geldboete, en meer bepaald de verkopen van computerschermen en kleurentelevisies op de stroomafwaartse markt door dochterondernemingen van KPNV die door de LPD-groep geleverde CRT’s integreerden.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de Commissie KPNV’s rechten van de verdediging niet heeft geschonden door ervoor te opteren om — zelfs in de omstandigheden van deze zaak — de LPD-groep niet te betrekken bij de administratieve procedure en de mededeling van punten van bezwaar niet aan haar te richten op grond dat op KPNV een algemene zorgplicht rustte, die haar ertoe verplichtte om in haar boekhouding en haar archieven gegevens over de activiteiten van de LPD-groep bij te houden, zelfs in geval van LPD’s faillissement.
Het Gerecht heeft een beoordelingsfout gemaakt, aangezien het KPNV’s middel inzake de behandeling van de DVVP’s onjuist heeft weergegeven en daardoor nagelaten heeft om een van de voornaamste middelen die KPNV tegen het besluit had aangevoerd, te behandelen. Voorts betoogt rekwirante dat haar de bescherming van het fundamentele gelijkheidsbeginsel is ontzegd, daar het Gerecht heeft nagelaten te erkennen dat bij de bepaling van de basis voor de berekening van de geldboete niet op alle onderneming dezelfde juridische maatstaven zijn toegepast. Die discriminatie had tot gevolg dat aan KPNV een aanzienlijk hogere boete werd opgelegd.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/26 |
Hogere voorziening ingesteld op 20 november 2015 door Toshiba Corp. tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 9 september 2015 in zaak T-104/13, Toshiba Corp./Europese Commissie
(Zaak C-623/15 P)
(2016/C 027/30)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Toshiba Corp. (vertegenwoordigers: J. F. MacLennan, solicitor, A. Schulz, Rechtsanwalt, J. Jourdan, avocat, en A. Kadri, solicitor)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
|
— |
het arrest van het Gerecht in zaak T-104/13 te vernietigen, voor zover het Gerecht daarbij de vaststelling van de Europese Commissie heeft bekrachtigd dat Toshiba hoofdelijk aansprakelijk is voor MTPD’s gedrag; |
|
— |
het besluit van de Europese Commissie in zaak COMP/39.437 (tv- en computerbeeldbuizen) nietig te verklaren, voor zover de Commissie daarin heeft vastgesteld dat Toshiba artikel 101 VWEU heeft geschonden en haar hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor MTPD’s gedrag; |
|
— |
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante één middel aan.
Het Gerecht heeft het concept onderneming onjuist toegepast, doordat het bepaalde elementen ten onrechte heeft aangemerkt als een aanwijzing dat Toshiba beslissende invloed op MTPD kon uitoefenen of dit daadwerkelijk heeft gedaan, en door aan te nemen dat die elementen, samen bezien, afdoende de conclusie staafden dat Toshiba dergelijke invloed op MTPD heeft uitgeoefend.
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/27 |
Hogere voorziening ingesteld op 23 november 2015 door Schniga GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 10 september 2015 in de gevoegde zaken T-91/14 en T-92/14, Schniga GmbH/Communautair Bureau voor plantenrassen
(Zaak C-625/15 P)
(2016/C 027/31)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Schniga GmbH (vertegenwoordigers: G. Würtenberger en R. Kunze, Rechtsanwälte)
Andere partijen in de procedure: Communautair Bureau voor plantenrassen, Brookfield New Zealand Ltd, Elaris SNC
Conclusies
|
— |
het arrest van het Gerecht van 10 september 2015 in de gevoegde zaken T-91/14 en T-92/14 vernietigen; |
|
— |
het CPVO en interveniënten verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 7 van verordening nr. 2100/94 (1) inzake het communautaire kwekersrecht evenals bij de toepassing van de artikelen 22 en 23 van verordening (EG) nr. 1239/95 (2) van de Commissie van 31 mei 1995.
Het Gerecht heeft de bevoegdheid van de voorzitter van het Communautair Bureau voor plantenrassen ter zake van het opnemen van extra eigenschappen in het onderzoeksproces van het ras waarvoor om bescherming van het communautaire kwekersrecht wordt verzocht, onjuist beoordeeld.
Het Gerecht heeft de juridische aard van de technische protocollen en richtsnoeren die moeten worden toegepast in het technische onderzoek van een aangevraagd communautair kwekersrecht onjuist beoordeeld, wat resulteert in een onjuiste beoordeling van het tijdskader waarin de voorzitter van het Communautair Bureau voor plantenrassen kan beslissen dat een nieuwe eigenschap voor de vaststelling van onderscheidbaarheid van het nieuwe ras in overweging mag worden genomen.
Het Gerecht heeft het gevolg van de toepassing van de beginselen van rechtszekerheid, objectiviteit van het Communautair Bureau voor plantenrassen, en gelijke behandeling onjuist beoordeeld met betrekking tot de beslissingen van de voorzitter van het Communautair Bureau voor plantenrassen inzake het onderzoek van een nieuw ras.
(1) Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PB L 227, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1239/95 van de Commissie van 31 mei 1995 houdende voorschriften ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad, betreffende de procedures voor het Communautair Bureau voor Planterassen (PB L 121, blz. 37).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/28 |
Hogere voorziening ingesteld op 2 december 2015 door Hongarije tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 15 september 2015 in zaak T-346/12, Hongarije/Europese Commissie
(Zaak C-644/15 P)
(2016/C 027/32)
Procestaal: Hongaars
Partijen
Rekwirant: Hongarije (vertegenwoordiger: M. Z. Fehér, gemachtigde)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het arrest van het Gerecht in zaak T-346/12 vernietigen; |
|
— |
krachtens artikel 61 van het Statuut van het Hof de zaak zelf afdoen; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Volgens de Hongaarse regering heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de Commissie over een rechtsgrondslag beschikte om in haar besluit inzake de gedeeltelijke communautaire terugbetaling van de nationale financiële steun die — op grond van artikel 103 sexies van verordening (EG) nr. 1234/2007 — aan de producentenorganisaties in de sector groenten en fruit was verleend, het door de Unie te vergoeden bedrag te baseren op de meegedeelde steunbedragen.
Voorts is de Hongaarse regering van mening dat de Commissie volgens de uitlegging die dient te worden gegeven aan de relevante bepalingen van verordening (EG) nr. 1234/2007 (1) en verordening (EG) nr. 1580/2007 (2), in hun onderlinge samenhang beschouwd, niet bevoegd was om in haar besluit inzake de gedeeltelijke communautaire terugbetaling van de nationale financiële steun die aan de producentenorganisaties was verleend, enkel terugbetaling toe te staan van de bedragen die de Hongaarse regering had vermeld in haar verzoek om nationale steun te mogen verlenen, waarin zij als geraamde, verwachte of voorlopige bedragen waren opgegeven.
Volgens verzoeker betreft de toestemming van de Commissie voor het verlenen van de nationale steun overeenkomstig artikel 103 sexies van verordening nr. 1234/2007 de toekenning van de steun en heeft de Commissie daarmee geen plafond voor de toekenbare steun willen invoeren. Deze limiet is ondubbelzinnig vastgesteld in verordening nr. 1234/2007, die bepaalt dat de nationale steun maximaal 80 % van de financiële bijdragen aan de actiefondsen van de leden of de producentenorganisaties mag bedragen. De Commissie kan evenmin, wanneer zij die gedeeltelijke terugbetaling toestaat, op grond van de regels inzake de gedeeltelijke communautaire terugbetaling van de nationale steun bepalen dat het bedrag dat de lidstaat in zijn verzoek om toestemming aan de Commissie heeft opgegeven als het totale bedrag van de steun of als het bedrag van de voor bepaalde producentenorganisaties verwachte steun, als maximum geldt.
In de tekst van artikel 94, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1580/2007 heeft het gebruik van de term „bedrag” — rekening houdend met het feit dat de steun volgens artikel 103 sexies van verordening nr. 1234/2007 ten hoogste 80 % mag bedragen en dat het bedrag van het actiefonds volgens artikel 67 van verordening nr. 1580/2007 met ten hoogste 25 % mag worden verhoogd — tot doel om de Commissie in staat te stellen om reeds vooraf, op het ogenblik van de toestemming, het bedrag van de nationale steun te bepalen dat eventueel kan worden betaald, en dus, in voorkomend geval, ook het bedrag van de terugbetaling. De kennisgeving van de bedragen heeft dus geenszins tot doel om de meegedeelde bedragen te laten goedkeuren, maar om de Commissie inzicht te verschaffen in de omvang van de steun die mogelijkerwijs kan worden betaald overeenkomstig de regels van de basisverordening en de verordening van de Commissie.
(1) Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (PB L 299, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (PB L 350, blz. 1).
Gerecht
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/30 |
Arrest van het Gerecht van 3 december 2015 — Cuallado Martorell/Commissie
(Zaak T-506/12 P) (1)
((„Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Aanwerving - Algemeen vergelijkend onderzoek voor de vorming van een reservelijst van Spaanse juristen-linguïsten - Besluit van de jury houdende bevestiging dat de betrokkene niet is geslaagd voor de laatste schriftelijke toets en niet wordt toegelaten tot de mondelinge toets - Artikel 90, lid 2, van het Statuut - Ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg - Motiveringsplicht - Weigering om rekwirante de gecorrigeerde schriftelijke toetsen toe te sturen - Toegang tot documenten”))
(2016/C 027/33)
Procestaal: Spaans
Partijen
Rekwirante: Eva Cuallado Martorell (Valencia, Spanje) (vertegenwoordiger: C. Pinto Cañón, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz en G. Gattinara, gemachtigden)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 18 september 2012, Cuallado Martorell/Commissie (F-96/09, JurAmbt., EU:F:2012:129), en strekkende tot vernietiging van dat arrest
Dictum
|
1) |
Het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 18 september 2012, Cuallado Martorell/Commissie (F-96/09, JurAmbt., EU:F:2012:129), wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard voor zover het strekt tot nietigverklaring van het besluit houdende weigering om rekwirante toe te laten tot de mondelinge toets en, derhalve, van de reservelijst. |
|
2) |
De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige. |
|
3) |
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken. |
|
4) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/30 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — HK Intertrade/Raad
(Gevoegde zaken T-159/13 en T-372/14) (1)
((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie - Bevriezing van tegoeden - Beroep tot nietigverklaring - Beroepstermijn - Aanvang - Ontvankelijkheid - Recht om te worden gehoord - Verplichting tot kennisgeving - Motiveringsplicht - Rechten van de verdediging - Kennelijk onjuiste beoordeling”))
(2016/C 027/34)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: HK Intertrade Co. Ltd (Wanchai, Hongkong, China) (vertegenwoordigers: J. Grayston, solicitor, P. Gjørtler, G. Pandey, D. Rovetta, N. Pilkington en D. Sellers, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: V. Piessevaux en M. Bishop, gemachtigden)
Voorwerp
In zaak T-159/13, nietigverklaring van besluit 2012/829/GBVB van de Raad van 21 december 2012 houdende wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB L 356, blz. 71) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 1264/2012 van de Raad van 21 december 2012 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 356, blz. 55), en in zaak T-372/14, nietigverklaring van het in de brief van 14 maart 2014 neergelegde besluit van de Raad om de beperkende maatregelen ten aanzien van verzoekster te handhaven
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
HK Intertrade Co. Ltd draagt haar eigen kosten en die van de Raad van de Europese Unie. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/31 |
Arrest van het Gerecht van 4 december 2015 — Rarafraz/Raad
(Zaak T-273/13) (1)
((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Iran - Bevriezing van tegoeden - Beperkingen van binnenkomst op of doorreis via het grondgebied van de Unie - Rechtsgrondslag - Motiveringsplicht - Recht om te worden gehoord - Onjuiste beoordeling - Ne bis in idem - Vrijheid van meningsuiting - Mediavrijheid - Vrijheid van beroep - Vrij verkeer - Eigendomsrecht”))
(2016/C 027/35)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Mohammad Sarafraz (Teheran, Iran) (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Walter, vervolgens J. M. Viñals Camallonga, L. Barriola Urruticoechea en J. L. Iriarte Ángel, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix en Á. de Elera-San Miguel Hurtado, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Stiftung Organisation Justice for Iran (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. Pulles, vervolgens R. Marx, advocaten)
Voorwerp
Verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van besluit 2013/124/GBVB van de Raad van 11 maart 2013 tot wijziging van besluit 2011/235/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Iran (PB L 68, blz. 57), uitvoeringsverordening (EU) nr. 206/2013 van de Raad van 11 maart 2013 tot uitvoering van artikel 12, lid 1, van verordening (EU) nr. 359/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran (PB L 68, blz. 9), besluit 2014/205/GBVB van de Raad van 10 april 2014 houdende wijziging van besluit 2011/235/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Iran (PB L 109, blz. 25), uitvoeringsverordening (EU) nr. 371/2014 van de Raad van 10 april 2014 tot uitvoering van artikel 12, lid 1, van verordening (EU) nr. 359/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran (PB L 109, blz. 9), besluit (GBVB) 2015/555 van de Raad van 7 april 2015 houdende wijziging van besluit 2011/235/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Iran (PB L 92, blz. 91), en uitvoeringsverordening (EU) 2015/548 van de Raad van 7 april 2015 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 359/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran (PB L 92, blz. 1), voor zover die handelingen verzoeker betreffen.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Mohammad Sarafraz zal zijn eigen kosten dragen alsmede die van de Raad van de Europese Unie. |
|
3) |
Stiftung Organisation Justice for Iran zal haar eigen kosten dragen. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/32 |
Arrest van het Gerecht van 4 december 2015 — Emadi/Raad
(Zaak T-274/13) (1)
((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Iran - Bevriezing van tegoeden - Beperkingen van binnenkomst op of doorreis via het grondgebied van de Unie - Rechtsgrondslag - Motiveringsplicht - Recht om te worden gehoord - Onjuiste beoordeling - Ne bis in idem - Vrijheid van meningsuiting - Mediavrijheid - Vrijheid van beroep - Vrij verkeer - Eigendomsrecht”))
(2016/C 027/36)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Hamid Reza Emadi (Teheran, Iran) (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Walter, vervolgens J. M. Viñals Camallonga, L. Barriola Urruticoechea en J. L. Iriarte Ángel, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix en Á. de Elera-San Miguel Hurtado, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Stiftung Organisation Justice for Iran (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. Pulles, vervolgens R. Marx, advocaten)
Voorwerp
Verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van besluit 2013/124/GBVB van de Raad van 11 maart 2013 tot wijziging van besluit 2011/235/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Iran (PB L 68, blz. 57), uitvoeringsverordening (EU) nr. 206/2013 van de Raad van 11 maart 2013 tot uitvoering van artikel 12, lid 1, van verordening (EU) nr. 359/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran (PB L 68, blz. 9), besluit 2014/205/GBVB van de Raad van 10 april 2014 houdende wijziging van besluit 2011/235/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Iran (PB L 109, blz. 25), uitvoeringsverordening (EU) nr. 371/2014 van de Raad van 10 april 2014 tot uitvoering van artikel 12, lid 1, van verordening (EU) nr. 359/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran (PB L 109, blz. 9), voor zover die handelingen verzoeker betreffen.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Hamid Reza Emadi draagt zijn eigen kosten alsook die van de Raad van de Europese Unie. |
|
3) |
Stiftung Organisation Justice for Iran draagt haar eigen kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/33 |
Arrest van het Gerecht van 3 december 2015 — CN/Parlement
(Zaak T-343/13) (1)
((„Niet-contractuele aansprakelijkheid - Tot het Parlement gericht verzoekschrift - Verspreiding van bepaalde persoonsgegevens op de website van het Parlement - Geen voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die rechten toekent aan particulieren”))
(2016/C 027/37)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: CN (Brumath, Frankrijk) (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: N. Lorenz en S. Seyr, gemachtigden)
Interveniënt aan de zijde van verzoekende partij: Europees Toezichthouder voor Gegevensbescherming (ETGB) (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Buchta en V. Pozzato, vervolgens Buchta, M. Pérez Asinari, F. Polverino, M. Guglielmetti en U. Kallenberger, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot vergoeding van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van de verspreiding op de website van het Parlement van bepaalde hem betreffende persoonsgegevens
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
CN draagt de kosten van het Europees Parlement alsmede zijn eigen kosten. |
|
3) |
De Europees Toezichthouder voor Gegevensbescherming (ETGB) draagt zijn eigen kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/33 |
Arrest van het Gerecht van 3 december 2015 — Polen/Commissie
(Zaak T-367/13) (1)
([„EOGFL - Afdeling, Garantie’ - ELGF en Elfpo - Aan financiering onttrokken uitgaven - Plattelandsontwikkeling - Uitgaven van Polen - Artikel 33 ter van verordening (EG) nr. 1257/1999 - Artikel 7 van verordening (EG) nr. 1258/1999 - Artikel 31 van verordening (EG) nr. 1290/2005 - Gemengde financiële correctie - Motiveringsplicht”])
(2016/C 027/38)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Republiek Polen (vertegenwoordigers: B. Majczyna en K. Straś, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Rossi en A. Szmytkowska, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2013/214/EU van de Commissie van 2 mei 2013 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europese Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 123, blz. 11), voor zover de Commissie daarin de correcties van 8 292 783,94 EUR en 71 610 559,39 EUR toepast op door de Republiek Polen uit hoofde van steun aan de semi-zelfvoorzieningsbedrijven gedeclareerde uitgaven
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Republiek Polen wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/34 |
Arrest van het Gerecht van 2 december 2015 — Tsujimoto/BHIM — Kenzo (KENZO ESTATE)
(Zaak T-414/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving waarin de Europese Gemeenschap wordt aangewezen - Woordmerk KENZO ESTATE - Ouder gemeenschapswoordmerk KENZO - Relatieve weigeringsgrond - Bekendheid - Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/39)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Kenzo Tsujimoto (Osaka, Japan) (vertegenwoordigers: A. Wenninger-Lenz, W. von der Osten-Sacken en M. Ring, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: M. Rajh en P. Bullock, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Kenzo (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: P. Roncaglia, G. Lazzeretti, F. Rossi en N. Parrotta, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 22 mei 2013 (zaak R 333/2012-2) inzake een oppositieprocedure tussen Kenzo en K. Tsujimoto
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Kenzo Tsujimoto wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/35 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Giant (China)/Raad
(Zaak T-425/13) (1)
([„Dumping - Invoer van rijwielen van oorsprong uit China - Tussentijds nieuw onderzoek - Artikelen 9, lid 5, en 18 van verordening (EG) nr. 1225/2009 - Individuele behandeling - Geen medewerking - Noodzakelijke inlichtingen - Beschikbare gegevens - Verbonden ondernemingen - Ontwijking”])
(2016/C 027/40)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Giant (China) Co. Ltd (Kunshan, China) (vertegenwoordiger: P. De Baere, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Boelaert, gemachtigde, bijgestaan door B. O’Connor, solicitor, en S. Gubel, advocaat)
Interveniëntes aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J.-F. Brakeland en M. França, gemachtigden) en European Bicycle Manufacturers Association (EBMA) (vertegenwoordigers: L. Ruessmann, advocaat, en J. Beck, solicitor)
Voorwerp
Nietigverklaring van verordening (EU) nr. 502/2013 van de Raad van 29 mei 2013 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB L 153, blz. 17)
Dictum
|
1) |
Verordening (EU) nr. 502/2013 van de Raad van 29 mei 2013 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 1225/2009, wordt nietig verklaard voor zover het Giant (China) Co. Ltd betreft. |
|
2) |
De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten en de kosten van Giant (China). |
|
3) |
De Europese Commissie en European Bicycle Manufacturers Association (EBMA) dragen hun eigen kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/35 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Spanje/Commissie
(Zaak T-461/13) (1)
([„Staatssteun - Digitale televisie - Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden in Spanje - Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk verenigbaar en gedeeltelijk onverenigbaar met de interne markt worden verklaard - Begrip ‚onderneming’ - Economische activiteit - Voordeel - Dienst van algemeen economisch belang - Concurrentievervalsing - Artikel 107, lid 3, onder c), VWEU - Zorgvuldigheidsplicht - Redelijke termijn - Rechtszekerheid - Gelijke behandeling - Evenredigheid - Subsidiariteit - Recht op informatie”])
(2016/C 027/41)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: A. Rubio González, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: É. Gippini Fournier, B. Stromsky en P. Němečková, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van besluit 2014/489/EU van de Commissie van 19 juni 2013 betreffende de door het Koninkrijk Spanje ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.28599 [C 23/10 (ex NN 36/10, ex CP 163/09)] voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden (met uitzondering van Castilië-La Mancha) (PB L 217, blz. 52)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Het Koninkrijk Spanje draagt de kosten van de hoofdprocedure en van de kortgedingprocedure. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/36 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Comunidad Autónoma del País Vasco en Itelazpi/Commissie
(Zaak T-462/13) (1)
([„Staatssteun - Digitale televisie - Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden in Spanje - Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk verenigbaar en gedeeltelijk onverenigbaar met de interne markt worden verklaard - Voordeel - Dienst van algemeen economisch belang - Artikel 107, lid 3, onder c), VWEU - Nieuwe steun”])
(2016/C 027/42)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partijen: Comunidad Autónoma del País Vasco (Spanje) en Itelazpi, SA (Zamudio, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk N. Ruiz García, J. Buendía Sierra, A. Lamadrid de Pablo en M. Muñoz de Juan, vervolgens J. Buendía Sierra en A. Lamadrid de Pablo, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: É. Gippini Fournier, B. Stromsky en P. Němečková, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: SES Astra (Betzdorf, Luxemburg) (vertegenwoordigers: F. González Díaz, F. Salerno en V. Romero Algarra, advocaten)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van besluit 2014/489/EU van de Commissie van 19 juni 2013 betreffende de door het Koninkrijk Spanje ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.28599 [C 23/10 (ex NN 36/10, ex CP 163/09)] voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden (met uitzondering van Castilië-La Mancha) (PB L 217, blz. 52)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Comunidad Autónoma del País Vasco (Spanje) en Itelazpi, SA zullen hun eigen kosten en die van de Europese Commissie en van SES Astra in verband met de hoofdprocedure dragen. |
|
3) |
De Comunidad Autónoma del País Vasco en Itelazpi zullen de kosten van de kortgedingprocedure dragen. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/37 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Comunidad Autónoma de Galicia en Retegal/Commissie
(Gevoegde zaken T-463/13 en T-464/13) (1)
([„Staatssteun - Digitale televisie - Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden in Spanje - Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk verenigbaar en gedeeltelijk onverenigbaar met de interne markt worden verklaard - Begrip ‚onderneming’ - Economische activiteit - Voordeel - Dienst van algemeen economisch belang - Selectiviteit - Artikel 107, lid 3, onder c), VWEU - Motiveringsplicht”])
(2016/C 027/43)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partijen: Comunidad Autónoma de Galicia (Spanje) (vertegenwoordigers: M. Lorenzo Outón en P. Egerique Mosquera, advocaten) (zaak T-463/13) en Redes de Telecomunicación Galegas Retegal SA (Retegal) (Santiago de Compostela, Spanje) (vertegenwoordigers: F. García Martínez en B. Pérez Conde, advocaten) (zaak T-464/13)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: É. Gippini Fournier, B. Stromsky en P. Němečková, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: SES Astra (Betzdorf, Luxemburg) (vertegenwoordigers: F. González Díaz en F. Salerno, en in zaak T-463/13 tevens V. Romero Algarra, advocaten)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van besluit 2014/489/EU van de Commissie van 19 juni 2013 betreffende de door het Koninkrijk Spanje ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.28599 [C 23/10 (ex NN 36/10, ex CP 163/09)] voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden (met uitzondering van Castilië-La Mancha) (PB L 217, blz. 52)
Dictum
|
1) |
De beroepen worden verworpen. |
|
2) |
De Comunidad Autónoma de Galicia (Spanje) en Redes de Telecomunicación Galegas Retegal, SA (Retegal) zullen hun eigen kosten alsmede die van de Europese Commissie en SES Astra dragen. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/38 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Comunidad Autónoma de Cataluña en CTTI/Commissie
(Zaak T-465/13) (1)
([„Staatssteun - Digitale televisie - Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden in Spanje - Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk verenigbaar en gedeeltelijk onverenigbaar met de interne markt worden verklaard - Voordeel - Dienst van algemeen economisch belang - Artikel 107, lid 3, onder c), VWEU - Nieuwe steun”])
(2016/C 027/44)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partijen: Comunidad Autónoma de Cataluña (Spanje) en Centre de Telecomunicacions i Tecnologies de la Informació de la Generalitat de Catalunya (CTTI) (Hospitalet de Llobregat, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Buendía Sierra, N. Ruiz García, M. Muñoz de Juan en M. Reverter Baquer, vervolgens J. Buendía Sierra, N. Ruiz García, M. Reverter Baquer en A. Lamadrid de Pablo, en ten slotte J. Buendía Sierra, M. Reverter Baquer en A. Lamadrid de Pablo, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: É. Gippini Fournier, B. Stromsky en P. Němečková, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: SES Astra (Betzdorf, Luxemburg) (vertegenwoordigers: F. González Díaz, F. Salerno en V. Romero Algarra, advocaten)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van besluit 2014/489/EU van de Commissie van 19 juni 2013 betreffende de door het Koninkrijk Spanje ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.28599 [C 23/10 (ex NN 36/10, ex CP 163/09)] voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden (met uitzondering van Castilië-La Mancha) (PB L 217, blz. 52)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Comunidad Autónoma de Cataluña (Spanje) en het Centre de Telecomunicacions i Tecnologies de la Informació de la Generalitat de Catalunya (CTTI) zullen hun eigen kosten alsmede die van de Europese Commissie en SES Astra dragen. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/38 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Navarra de Servicios y Tecnologías/Commissie
(Zaak T-487/13) (1)
([„Staatssteun - Digitale televisie - Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden in Spanje - Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk verenigbaar en gedeeltelijk onverenigbaar met de interne markt worden verklaard - Staatsmiddelen - Economische activiteit - Voordeel - Ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten en concurrentievervalsing - Dienst van algemeen economisch belang - Artikel 107, lid 3, onder c), VWEU - Misbruik van bevoegdheid”])
(2016/C 027/45)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Navarra de Servicios y Tecnologías, SA (Pamplona, Spanje) (vertegenwoordiger: A. Andérez González, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: É. Gippini Fournier, B. Stromsky en P. Němečková, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: SES Astra (Betzdorf, Luxemburg) (vertegenwoordigers: F. González Díaz, F. Salerno en V. Romero Algarra, advocaten)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van besluit 2014/489/EU van de Commissie van 19 juni 2013 betreffende de door het Koninkrijk Spanje ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.28599 [C 23/10 (ex NN 36/10, ex CP 163/09)] voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden (met uitzondering van Castilië-La Mancha) (PB L 217, blz. 52)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Navarra de Servicios y Tecnologías, SA zal haar eigen kosten alsmede die van de Europese Commissie en SES Astra dragen. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/39 |
Arrest van het Gerecht van 2 december 2015 — Tsujimoto/BHIM — Kenzo (KENZO ESTATE)
(Zaak T-522/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving waarin de Europese Gemeenschap wordt aangewezen - Woordmerk KENZO ESTATE - Ouder gemeenschapswoordmerk KENZO - Relatieve weigeringsgrond - Bekendheid - Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Niet-tijdige overlegging van documenten - Beoordelingsbevoegdheid van de kamer van beroep - Artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 - Gedeeltelijke weigering van inschrijving”])
(2016/C 027/46)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Kenzo Tsujimoto (Osaka, Japan) (vertegenwoordigers: A. Wenninger-Lenz, W. von der Osten-Sacken en M. Ring, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Bullock, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Kenzo (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: P. Roncaglia, G. Lazzeretti, F. Rossi en N. Parrotta, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 3 juli 2013 (zaak R 1363/2012-2) inzake een oppositieprocedure tussen Kenzo en K. Tsujimoto
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Kenzo Tsujimoto wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/40 |
Arrest van het Gerecht van 2 december 2015 — Kenzo/BHIM –Tsujimoto (KENZO ESTATE)
(Zaak T-528/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving waarin de Europese Gemeenschap wordt aangewezen - Woordmerk KENZO ESTATE - Ouder gemeenschapswoordmerk KENZO - Relatieve weigeringsgrond - Bekendheid - Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Motiveringsplicht - Artikel 75 van verordening nr. 207/2009 - Gedeeltelijke afwijzing van de oppositie”])
(2016/C 027/47)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Kenzo (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: P. Roncaglia, G. Lazzeretti, F. Rossi en N. Parrotta, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Bullock, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Kenzo Tsujimoto (Osaka, Japan) (vertegenwoordigers: A. Wenninger-Lenz, W. von der Osten-Sacken en M. Ring, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 3 juli 2013 (zaak R 1363/2012-2) inzake een oppositieprocedure tussen Kenzo en K. Tsujimoto
Dictum
|
1) |
De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 3 juli 2013 (zaak R 1363/2012-2) wordt vernietigd, voor zover daarbij de oppositie wordt afgewezen voor de waren van de klassen 29 tot en met 31 waarop de gevraagde internationale inschrijving betrekking heeft. |
|
2) |
Het BHIM wordt verwezen in de kosten die Kenzo in het kader van deze procedure heeft gemaakt. |
|
3) |
Het BHIM en Kenzo Tsujimoto zullen hun eigen kosten die zij in het kader van deze procedure hebben gemaakt, dragen. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/41 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Abertis Telecom en Retevisión I/Commissie
(Zaak T-541/13) (1)
([„Staatssteun - Digitale televisie - Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden in Spanje - Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk verenigbaar en gedeeltelijk onverenigbaar met de interne markt worden verklaard - Voordeel - Dienst van algemeen economisch belang - Artikel 107, lid 3, onder c), VWEU - Nieuwe steun - Motiveringsplicht”])
(2016/C 027/48)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partijen: Abertis Telecom, SA (Barcelona, Spanje) en Retevisión I, SA (Barcelona) (vertegenwoordigers: aanvankelijk L. Cases Pallarès, J. Buendía Sierra, N. Ruiz García, A. Lamadrid de Pablo, M. Muñoz de Juan en M. Reverter Baquer, vervolgens L. Cases Pallarès, J. Buendía Sierra, A. Lamadrid de Pablo en M. Reverter Baquer, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: É. Gippini Fournier, B. Stromsky en P. Němečková, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: SES Astra (Betzdorf, Luxemburg) (vertegenwoordigers: F. González Díaz, F. Salerno en V. Romero Algarra, advocaten)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van besluit 2014/489/EU van de Commissie van 19 juni 2013 betreffende de door het Koninkrijk Spanje ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.28599 [C 23/10 (ex NN 36/10, ex CP 163/09)] voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden (met uitzondering van Castilië-La Mancha) (PB L 217, blz. 52)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Abertis Telecom, SA en Retevisión I, SA zullen hun eigen kosten alsmede die van de Europese Commissie en SES Astra dragen. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/41 |
Arrest van het Gerecht van 2 december 2015 — European Dynamics Luxembourg en Evropaïki Dynamiki/Gemeenschappelijke onderneming Fusion for Energy
(Zaak T-553/13) (1)
((„Overheidsopdrachten voor diensten - Aanbestedingsprocedure - IT-diensten, adviezen, softwareontwikkeling, internet en ondersteuning - Terzijdelegging van de offerte van een inschrijver en gunning van de opdrachten aan andere inschrijvers - Niet-contractuele aansprakelijkheid”))
(2016/C 027/49)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: European Dynamics Luxembourg SA (Ettelbrück, Luxemburg) en Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: D. Mabger en I. Ampazis, advocaten)
Verwerende partij: Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie (vertegenwoordigers: aanvankelijk H. Jahreiss, R. Hanak, A. Verpont, I. Costin en A. Nagy, vervolgens R. Hanak, A. Verpont, I. Costin en A. Nagy, gemachtigden, bijgestaan door P. Wytinck en B. Hoorelbeke, advocaten)
Voorwerp
Ten eerste, een verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie van 7 augustus 2013, vastgesteld in het kader van aanbestedingsprocedure F4E-ADM-0464 inzake IT-diensten: adviezen, softwareontwikkeling, internet en ondersteuning (PB 2012/S 213-352451), waarbij de offerte van European Dynamics Luxembourg SA terzijde is gelegd en de opdrachten aan andere inschrijvers zijn gegund, en, ten tweede, een schadevordering
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
European Dynamics Luxembourg SA en Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE worden in de kosten verwezen. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/42 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Demp/BHIM (TURBO DRILL)
(Zaak T-50/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk TURBO DRILL - Weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/50)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Demp BV (Vianen, Nederland) (vertegenwoordiger: C. Gehweiler, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Schifko, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 22 november 2013 (zaak R 1254/2013-4) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken TURBO DRILL als gemeenschapsmerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Demp BV wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/43 |
Arrest van het Gerecht van 3 december 2015 — Trekstor/BHIM — Scanlab (iDrive)
(Zaak T-105/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk iDrive - Ouder Duits woordmerk IDRIVE - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/51)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: TrekStor Ltd (Hongkong, Hongkong, China) (vertegenwoordigers: M. Alber en O. Spieker, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniënte voor het Gerecht: Scanlab AG (Puchheim, Duitsland) (vertegenwoordigers: P. Rath, W. Festl-Wietek, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 2 december 2013 (zaak R 2330/2012-1) inzake een oppositieprocedure tussen Scanlab AG en TrekStor Ltd
Dictum
|
1) |
Het door TrekStor Ltd ingediende verzoek tot schorsing van de procedure wordt afgewezen. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
3) |
TrekStor wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/43 |
Arrest van het Gerecht van 3 december 2015 — Sesma Merino/BHIM
(Zaak T-127/14 P) (1)
((„Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Beoordeling - Beoordelingsrapport - Doelstellingen 2011-2012 - Bezwarend besluit - Ontvankelijkheid”))
(2016/C 027/52)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirant: Alvaro Sesma Merino (El Campello, Spanje) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, advocaat)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: P. Saba en D. Botis, gemachtigden)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 11 december 2013, Sesma Merino/BHIM (F-125/12, JurAmbt., EU:F:2013:192), en strekkende tot vernietiging van dat arrest
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Alvaro Sesma Merino wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/44 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Nürburgring/BHIM — Biedermann (Nordschleife)
(Zaak T-181/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Nordschleife - Ouder nationaal woordmerk Management by Nordschleife - Relatieve weigeringsgrond - Gevaar voor verwarring - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/53)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Nürburgring GmbH (Nürburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Viefhues en C. Giersdorf, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: M. Fischer, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Lutz Biedermann (Villingen-Schwenningen, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Jacob en M. Ziliox, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 20 januari 2014 (zaak R 163/2013-4) inzake een oppositieprocedure tussen Lutz Biedermann en Nürburgring GmbH
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Nürburgring GmbH wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/44 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Bionecs/BHIM — Fidia farmaceutici (BIONECS)
(Zaak T-262/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk BIONECS - Ouder internationaal woordmerk BIONECT - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/54)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Bionecs GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Knitter, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: L. Rampini, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Fidia farmaceutici SpA (Abano Terme, Italië) (vertegenwoordiger: R. Kunz-Hallstein, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 6 februari 2014 (zaak R 1179/2013-1) inzake een oppositieprocedure tussen Fidia Farmaceutici SpA en Bionecs GmbH
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Bionecs GmbH wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/45 |
Arrest van het Gerecht van 3 december 2015 — Compagnie des fromages & Richesmonts/BHIM — Grupo Lactalis Iberia (afbeelding van een rood-wit dambord)
(Zaak T-327/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Gemeenschapsbeeldmerk dat een rood-wit dambord weergeeft - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/55)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Compagnie des fromages & Richesmonts (Puteaux, Frankrijk) (vertegenwoordigers: T. Mollet-Viéville en T. Cuche, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk V. Melgar, vervolgens J. Crespo Carillo, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Grupo Lactalis Iberia SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: D. Masson, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 3 maart 2014 (zaak R 1295/2012-4) inzake een nietigheidsprocedure tussen Grupo Lactalis Iberia SA en Compagnie des fromages & Richesmonts
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Compagnie des fromages & Richesmonts wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/46 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — NICO/Raad
(Zaak T-371/14) (1)
((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie - Bevriezing van tegoeden - Motiveringsplicht - Kennelijke beoordelingsfout”))
(2016/C 027/56)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Naftiran Intertrade Co. (NICO) Sàrl (Pully, Zwitserland) (vertegenwoordigers: J. Grayston, solicitor, P. Gjørtler, G. Pandey, D. Rovetta en N. Pilkington, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bishop en I. Rodios, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van het in de brief van 14 maart 2014 vervatte besluit van de Raad waarbij verzoeksters naam is gehandhaafd op de lijsten van personen en entiteiten waarop de beperkende maatregelen van toepassing zijn die zijn opgenomen in bijlage II bij besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB L 195, blz. 39), zoals gewijzigd bij besluit 2012/635/GBVB van de Raad van 15 oktober 2012 (PB L 282, blz. 58), en in bijlage IX bij verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB L 88, blz. 1), zoals uitgevoerd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 945/2012 van de Raad van 15 oktober 2012 (PB L 282, blz. 16)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Naftiran Intertrade Co. (NICO) Sàrl zal haar eigen kosten dragen alsmede die van de Raad van de Europese Unie. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/46 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Établissement Amra/BHIM (KJ KANGOO JUMPS XR)
(Zaak T-390/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapsmerk KJ Kangoo Jumps XR - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/57)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Établissement Amra (Vaduz, Liechtenstein) (vertegenwoordiger: S. Rizzo, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 10 maart 2014 (zaak R 1511/2013-2) inzake een aanvraag tot inschrijving van het „driedimensionale op een vaste plaats aangebrachte” teken KJ Kangoo Jumps XR als gemeenschapsmerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Établissement Amra wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/47 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Junited Autoglas Deutschland/BHIM — United Vehicles (UNITED VEHICLEs)
(Zaak T-404/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk UNITED VEHICLEs - Ouder gemeenschapswoordmerk Junited - Relatieve weigeringsgrond - Gevaar voor verwarring - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/58)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Junited Autoglas Deutschland GmbH & Co. KG (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Weil, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: United Vehicles GmbH (München, Duitsland)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 7 april 2014 (zaak R 859/2013-4), inzake een oppositieprocedure tussen Junited Autoglas Deutschland GmbH & Co. KG en United Vehicles GmbH
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Junited Autoglas Deutschland GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/48 |
Arrest van het Gerecht van 8 december 2015 — Compagnie générale des établissements Michelin/BHIM — Continental Reifen Deutschland (XKING)
(Zaak T-525/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk XKING - Ouder nationaal beeldmerk X - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/59)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Compagnie générale des établissements Michelin (Clermont-Ferrand, Frankrijk) (vertegenwoordigers: aanvankelijk L. Carlini, vervolgens E. Carrillo, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: M. Fischer, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniënte voor het Gerecht: Continental Reifen Deutschland GmbH (Hannover, Duitsland) (vertegenwoordigers: S. Gillert, K. Vanden Bossche, B. Köhn-Gerdes en J. Schumacher, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 5 mei 2014 (zaak R 1522/2013-4) inzake een oppositieprocedure tussen de Compagnie générale des établissements Michelin en Continental Reifen Deutschland GmbH
Dictum
|
1) |
De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 5 mei 2014 (zaak R 1522/2013-4) wordt vernietigd. |
|
2) |
Het BHIM zal zijn eigen kosten dragen alsmede die van de Compagnie générale des établissements Michelin. |
|
3) |
Continental Reifen Deutschland GmbH zal haar eigen kosten dragen. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/48 |
Arrest van het Gerecht van 2 december 2015 — Information Resources/BHIM (Growth Delivered)
(Zaak T-528/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Gemeenschapsmerkaanvraag voor woord Growth Delivered - Merk dat bestaat uit een reclameslogan - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/60)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Information Resources, Inc. (Chicago, Illinois, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: C. Schulte, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: S. Bonne, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 5 mei 2014 (zaak R 1777/2013-4) betreffende een aanvraag tot inschrijving als gemeenschapsmerk van het woordteken Growth Delivered
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Information Resources, Inc. wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/49 |
Arrest van het Gerecht van 2 december 2015 — adp Gauselmann/BHIM (Multi Win)
(Zaak T-529/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Multi Win - Absolute weigeringsgronden - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/61)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: adp Gauselmann GmbH (Lübbecke, Duitsland) (vertegenwoordiger: P. Koch Moreno, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: A. Pohlmann en S. Hanne, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 29 april 2014 (zaak R 1326/2013-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken Multi Win als gemeenschapsmerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
adp Gauselmann GmbH wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/50 |
Arrest van het Gerecht van 8 december 2015 — Giand/BHIM — Flamagas (FLAMINAIRE)
(Zaak T-583/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk FLAMINAIRE - Ouder nationaal en internationaal woordmerk FLAMINAIRE - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Normaal gebruik van het oudere merk - Artikel 42, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Ne bis in idem”])
(2016/C 027/62)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Giand Srl (Rimini, Italië) (vertegenwoordiger: F. Caricato, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Bullock, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniënte voor het Gerecht: Flamagas, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: G. Hinarejos Mulliez, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 11 juni 2014 (zaak R 2117/2011-4) inzake een oppositieprocedure tussen Flamagas, SA en Giand Srl.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Giand Srl est condamnée aux dépens, y compris les frais indispensables exposés par Flamagas, SA aux fins de la procédure devant la chambre de recours de l’Office de l’harmonisation dans le marché intérieur (marques, dessins et modèles) (OHMI). |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/50 |
Arrest van het Gerecht van 3 december 2015 — Hewlett Packard Development Company/BHIM (FORTIFY)
(Zaak T-628/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk FORTIFY - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/63)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Hewlett Packard Development Company LP (Dallas, Texas, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: T. Raab en H. Lauf, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: L. Rampini, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 3 juni 2014 (zaak R 249/2014-2) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken FORTIFY als gemeenschapsmerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Hewlett Packard Development Company LP zal haar eigen kosten dragen alsmede die van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM). |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/51 |
Arrest van het Gerecht van 3 december 2015 — Infusion Brands/BHIM (DUALSAW)
(Zaak T-647/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk DUALSAW - Absolute weigeringsgronden - Gedeeltelijke weigering van inschrijving - Beschrijvend karakter - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/64)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Infusion Brands, Inc. (Myerlake Circle Clearwater, Florida, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: K. Piepenbrink, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk V. Melgar, vervolgens H. O’Neill en M. Rajh, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 1 juli 2014 (zaak R 397/2014-4) inzake een aanvraag tot inschrijving van het beeldteken DUALSAW als gemeenschapsmerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Infusion Brands, Inc. wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/52 |
Arrest van het Gerecht van 3 december 2015 — Infusion Brands/BHIM (DUALTOOLS)
(Zaak T-648/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk DUALTOOLS - Absolute weigeringsgronden - Gedeeltelijke weigering van inschrijving - Beschrijvend karakter - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/65)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Infusion Brands, Inc. (Myerlake Circle Clearwater, Florida, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: K. Piepenbrink, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk V. Melgar, vervolgens H. O’Neill en M. Rajh, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 1 juli 2014 (zaak R 398/2014-4) inzake een aanvraag tot inschrijving van het beeldteken DUALTOOLS als gemeenschapsmerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Infusion Brands, Inc. wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/52 |
Arrest van het Gerecht van 26 november 2015 — Morgan/BHIM
(Zaak T-683/14 P) (1)
((„Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Loopbaanontwikkelingsrapport - Beoordelingsjaar 2010/2011 - Verkeerde opvatting - Motiveringsplicht - Kennelijk onjuiste beoordeling”))
(2016/C 027/66)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Rhys Morgan (Alicante, Spanje) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, advocaat)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Paolacci en A. Lukošiūtė, vervolgens A. Lukošiūtė, gemachtigden)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 8 juli 2014, Morgan/BHIM (F-26/13, JurAmbt., EU:F:2014:180), en strekkende tot vernietiging van dat arrest
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Rhys Morgan draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten die het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) in het kader van deze procedure heeft gemaakt. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/53 |
Arrest van het Gerecht van 3 december 2015 — Omega International/BHIM (afbeelding van een witte cirkel en een witte rechthoek in een zwarte rechthoek)
(Zaak T-695/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor een gemeenschapsbeeldmerk dat een witte cirkel en een witte rechthoek in een zwarte rechthoek weergeeft - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/67)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Omega International GmbH (Bad Oldesloe, Duitsland) (vertegenwoordiger: J. P. Becker, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het BHIM van 18 juli 2014 (zaak R 1037/2014-5) inzake een aanvraag tot inschrijving als gemeenschapsmerk van een beeldteken dat een witte cirkel en een witte rechthoek in een zwarte rechthoek weergeeft
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Omega International GmbH wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/53 |
Arrest van het Gerecht van 30 november 2015 — Hong Kong Group/BHIM — WE Brand (W E)
(Zaak T-718/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk W E - Ouder gemeenschapswoordmerk WE - Relatieve weigeringsgrond - Geen verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/68)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Hong Kong Group Oy (Vantaa, Finland) (vertegenwoordiger: J. H. Spåre, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: S. Bonne, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: WE Brand Sàrl (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordigers: R. van Oerle en E. de Groot, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 4 augustus 2014 (zaak R 2305/2013-2) inzake een oppositieprocedure tussen WE Brand Sàrl en Hong Kong Group Oy.
Dictum
|
1) |
De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 4 augustus 2014 (zaak R 2305/2013-2) inzake een oppositieprocedure tussen WE Brand Sàrl en Hong Kong Group Oy, alsook de beslissing van de oppositieafdeling van het BHIM van 30 september 2013 worden vernietigd. |
|
2) |
De oppositie wordt verworpen. |
|
3) |
Het BHIM en WE Brand dragen hun eigen kosten en worden verwezen in de kosten van Hong Kong Group, daaronder begrepen de kosten die Hong Kong Group heeft gemaakt in de procedure voor kamer van beroep van het BHIM. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/54 |
Arrest van het Gerecht van 4 december 2015 — K-Swiss/BHIM (Weergave van parallelle strepen op een sportschoen)
(Zaak T-3/15) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Gemeenschap - Beeldmerk dat parallelle strepen op een schoen weergeeft - Absolute weigeringsgrond - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 027/69)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: K-Swiss, Inc. (Westlake Village, Californië, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: R. Niebel en M. Hecht, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Geroulakos, vervolgens D. Gája, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 30 oktober 2014 (zaak R 1093/2014-2) inzake de internationale inschrijving, met aanduiding van de Europese Gemeenschap, van een beeldmerk dat parallelle strepen op een schoen weergeeft
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
K-Swiss Inc. wordt verwezen in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/55 |
Beschikking van het Gerecht van 13 november 2015 — Švyturys-Utenos Alus/BHIM — Nordbrand Nordhausen (KISS)
(Zaak T-360/14) (1)
((„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Intrekking van de oppositie - Afdoening zonder beslissing”))
(2016/C 027/70)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Švyturys-Utenos Alus UAB (Utena, Litouwen) (vertegenwoordigers: R. Žabolienė en I. Lukauskienė, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: M. Rajh, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Nordbrand Nordhausen GmbH (Nordhausen, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Düchs, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 17 maart 2014 (zaak R 1302/2013-4) inzake een oppositieprocedure tussen Nordbrand Nordhausen GmbH en Švyturys-Utenos Alus UAB
Dictum
|
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
Švyturys-Utenos Alus UAB en Nordbrand Nordhausen GmbH worden verwezen in hun eigen kosten en elk in de helft van de kosten van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM). |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/55 |
Beschikking van het Gerecht van 27 november 2015 — Italië/Commissie
(Zaak T-636/14) (1)
((„Regeling van het taalgebruik - Kennisgeving van vacature voor de aanwerving van een directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie - Taaleisen in de online sollicitatiemodule - Gesteld verschil met de in het Publicatieblad gepubliceerde kennisgeving van vacature - Beroep kennelijk rechtens ongegrond”))
(2016/C 027/71)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en G. Gattinara, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Republiek Litouwen (vertegenwoordigers: D. Kriaučiūnas, V. Čepaitė en R. Krasuckaitė, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van kennisgeving van vacature COM/2014/10356 voor een post van directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (PB 2014, C 185 A, blz. 1)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Italiaanse Republiek draagt haar eigen kosten en de kosten van de Europese Commissie. |
|
3) |
De Republiek Litouwen draagt haar eigen kosten van haar interventie. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/56 |
Beschikking van het Gerecht van 23 november 2015 — Beul/Parlement en Raad
(Zaak T-640/14) (1)
([„Beroep tot nietigverklaring - Werking van de financiële markten - Verordening (EU) nr. 537/2014 - Wetgevingshandeling - Niet individueel geraakt - Niet-ontvankelijkheid”])
(2016/C 027/72)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Carsten René Beul (Neuwied, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk K.-G. Stümper, vervolgens H.-M. Pott en T. Eckhold, advocaten)
Verwerende partijen: Europees Parlement (vertegenwoordigers: P. Schonard en D. Warin, gemachtigden) en Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: R. Wiemann en N. Rouam, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van besluit 2005/909/EG van de Commissie (PB L 158, blz. 77)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Op het verzoek tot interventie van de Europese Commissie hoeft geen uitspraak te worden gedaan. |
|
3) |
Carsten René Beul draagt zijn eigen kosten en die van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie. |
|
4) |
De Commissie en het Parlement dragen hun eigen kosten in verband met het verzoek tot interventie. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/57 |
Beschikking van het Gerecht van 23 november 2015 — Milchindustrie- Verband en Deutscher Raiffeisenverband/Commissie
(Zaak T-670/14) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 - Vereniging - Geen rechtstreekse geraaktheid van de leden - Niet-ontvankelijkheid”))
(2016/C 027/73)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Milchindustrie- Verband eV (Berlijn, Duitsland) en Deutscher Raiffeisenverband (Berlijn) (vertegenwoordigers: I. Zenke en T. Heymann, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: K. Herrmann, T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van de mededeling van de Commissie van 28 juni 2014 met als opschrift „Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020” (PB C 200, blz. 1), voor zover de sector van zuivelfabrieken en kaasmakerijen (NACE 10.51) niet is vermeld in bijlage 3 bij deze mededeling
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Milchindustrie-Verband eV en Deutscher Raiffeisenverband eV worden verwezen in hun eigen kosten alsmede in die van de Europese Commissie. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/57 |
Beschikking van het Gerecht van 24 november 2015 — Delta Group agroalimentare/Commissie
(Zaak T-163/15) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Italiaanse markt voor slachtpluimvee - Buitengewone steunmaatregelen tot oplossing van specifieke problemen betreffende de Italiaanse markt voor slachtpluimvee - Restituties bij uitvoer van slachtpluimvee naar bepaalde Afrikaanse landen - Afwijzing van verzoeksters verzoek om buitengewone maatregelen - Niet voor beroep vatbare handeling - Niet-ontvankelijkheid”))
(2016/C 027/74)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Delta Group agroalimentare Srl (Porto Viro, Italië) (vertegenwoordiger: V. Migliorini, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Schima en D. Nardi, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van de brief van de Commissie van 9 februari 2015 [Ref. Ares (2015) 528512], gestuurd in antwoord op verzoeksters verzoek tot vaststelling van buitengewone steunmaatregelen tot oplossing van specifieke problemen betreffende de Italiaanse markt voor slachtpluimvee op basis van artikel 219, lid 1, of artikel 221 van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347, blz. 671)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Delta Group agroalimentare Srl zal haar eigen kosten en die van de Europese Commissie dragen. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/58 |
Beroep ingesteld op 25 september 2015 — Iran Insurance/Raad
(Zaak T-558/15)
(2016/C 027/75)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Iran Insurance Company (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: D. Luff, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
de Raad van de Europese Unie veroordelen tot vergoeding aan verzoekster van de materiële en morele schade die zij heeft geleden wegens de onrechtmatige vaststelling door de Raad van beperkende maatregelen jegens haar op grond van de hiernavolgende onrechtmatige handelingen van de Raad: i) besluit 2010/644/GBVB van de Raad van 25 oktober 2010 tot wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (1); ii) verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 (2); iii) besluit 2011/783/GBVB van de Raad van 1 december 2011 houdende wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (3); iv) uitvoeringsverordening (EU) nr. 1245/2011 van de Raad van 1 december 2011 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 961/2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (4), en v) verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (5); |
|
— |
een schadevergoeding toekennen van in totaal: i) 84 767,66 GBP, vermeerderd met ii) 4 774 187,07 EUR en iii) 1 532 688 USD en iv) enig ander bedrag dat in de loop van de procedure komt vast te staan, als vergoeding van de morele en materiële schade die verzoekster wegens de onrechtmatige handelingen van de Raad heeft geleden; |
|
— |
de Raad verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
|
1. |
Verzoekster voert aan dat volgens artikel 340 VWEU degene die door een EU-instelling veroorzaakte schade heeft geleden, een schadevordering tegen die instelling kan instellen. De voorwaarden waaronder dit kan gebeuren zijn in de rechtspraak bepaald en zijn door het Gerecht in zijn arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad (T-384/11, Jurispr., EU:T:2014:986) als volgt samengevat: a) onrechtmatigheid van de gedraging van de instelling; b) werkelijk geleden schade en c) het bestaan van een causaal verband tussen de verweten gedraging en de gestelde schade. |
|
2. |
Volgens verzoekster zijn de drie bovengenoemde voorwaarden in haar geval vervuld. De Raad heeft een „voldoende gekwalificeerde schending begaan van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen in de zin van de rechtspraak”, zoals geoordeeld door het Gerecht in zijn arrest van 6 september 2013, Iran Insurance/Raad (T-12/11, EU:T:2013:401), verzoekster heeft aanzienlijke morele en materiële schade geleden en die schade is een rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige maatregelen. |
|
3. |
Verzoekster betoogt voorts dat, zoals nader uiteengezet in het verzoekschrift, de morele schade die zij heeft geleden is begroot op 1 000 000 EUR en dat de materiële schade, die door onafhankelijke auditoren is begroot, 84 767,66 GBP bedraagt, te vermeerderen met 3 774 187,07 EUR en 1 532 688 USD, onverminderd enig ander bedrag dat in de loop van de procedure komt vast te staan. In totaal verzoekt verzoekster dus om een schadevergoeding van 84 767,66 GBP, vermeerderd met 4 774 187,07 EUR en 1 532 697,01 USD, alsmede met ieder ander bedrag dat in de loop van de procedure komt vast te staan. |
(2) Verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007, PB L 281, blz. 1.
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/59 |
Beroep ingesteld op 25 september 2015 — Post Bank Iran/Raad
(Zaak T-559/15)
(2016/C 027/76)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Post Bank Iran (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: D. Luff, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
de Raad van de Europese Unie veroordelen tot vergoeding aan verzoekster van de materiële en morele schade die zij heeft geleden wegens de onrechtmatige vaststelling door de Raad van beperkende maatregelen jegens haar op grond van de hiernavolgende onrechtmatige handelingen van de Raad: i) besluit 2010/644/GBVB van de Raad van 25 oktober 2010 tot wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (1); ii) verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 (2); iii) besluit 2011/783/GBVB van de Raad van 1 december 2011 houdende wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (3); iv) uitvoeringsverordening (EU) nr. 1245/2011 van de Raad van 1 december 2011 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 961/2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (4), en v) verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (5); |
|
— |
een schadevergoeding toekennen van in totaal 203 695 040 EUR, als vergoeding van de morele en materiële schade die verzoekster wegens de onrechtmatige handelingen van de Raad heeft geleden; |
|
— |
de Raad verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
|
1. |
Verzoekster voert aan dat volgens artikel 340 VWEU degene die door een EU-instelling veroorzaakte schade heeft geleden, een schadevordering tegen die instelling kan instellen. De voorwaarden waaronder dit kan gebeuren zijn in de rechtspraak bepaald en zijn door het Gerecht in zijn arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad (T-384/11, Jurispr., EU:T:2014:986) als volgt samengevat: a) onrechtmatigheid van de gedraging van de instelling; b) werkelijk geleden schade en c) het bestaan van een causaal verband tussen de verweten gedraging en de gestelde schade. |
|
2. |
Volgens verzoekster zijn de drie bovengenoemde voorwaarden in haar geval vervuld. De Raad heeft een „voldoende gekwalificeerde schending begaan van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen in de zin van de rechtspraak”, zoals geoordeeld door het Gerecht in zijn arrest van 6 september 2013, Iran Insurance/Raad (T-12/11, EU:T:2013:401), verzoekster heeft aanzienlijke morele en materiële schade geleden en die schade is een rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige maatregelen. |
|
3. |
Verzoekster betoogt voorts dat, zoals nader uiteengezet in het verzoekschrift, de morele schade die zij heeft geleden is begroot op 1 000 000 EUR en dat de materiële schade, die door onafhankelijke auditoren is begroot, 202 695 040 EUR bedraagt. |
(2) Verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007, PB L 281, blz. 1.
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/60 |
Beroep ingesteld op 9 oktober 2015 — GABO:mi/Commissie
(Zaak T-588/15)
(2016/C 027/77)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: GABO:mi Gesellschaft für Ablauforganisation:milliarium mbH & Co. KG (Munchen, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Ahlhaus en C. Mayer, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van de bestreden besluiten; |
|
— |
verwijzing van verweerster in alle kosten met inbegrip van verzoeksters kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster betwist de besluiten van de Commissie, vervat in de e-mail van 29 juli 2015 en in de brieven van 19 augustus 2015 [Ref. Ares(2015)3466903] en 28 augustus 2015 [Ref. Ares(2015)3557576], houdende opschorting van alle betalingen aan verzoekster van subsidie betreffende het zevende kaderprogramma (FP7), beheerd bij verweersters Directoraat E, namelijk FP7 subsidie-overeenkomst nr. 602299 betreffende project EU-CERT-ICD en FP7 subsidie-overeenkomst nr. 260777 betreffende project HIP-Trial en Directoraat F, namelijk FP7 subsidie-overeenkomst nr. 312117 betreffende project BIOFECTOR.
Verzoekster baseert haar beroep tegen de bestreden besluiten op vijf middelen.
|
1. |
Eerste middel: geen rechtvaardiging in artikel II.5, lid 3, onder d), van bijlage II bij de FP7 subsidie-overeenkomst. |
|
2. |
Tweede middel: verzuim van vorm en procedure en schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. |
|
3. |
Derde middel: ander door verweerster nagestreefd doel dan voorzorgsmaatregelen te nemen, namelijk in feite gevolg te geven aan onwettige compensatie. |
|
4. |
Vierde middel: grondslag in onwettige discretionaire besluiten van verweerster. |
|
5. |
Vijfde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/61 |
Beroep ingesteld op 12 oktober 2015 — Eurorail/Commissie en INEA
(Zaak T-589/15)
(2016/C 027/78)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Eurorail NV (Aalst, België) (vertegenwoordigers: J. Derenne, N. Pourbaix en M. Domecq, advocaten)
Verwerende partijen: Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) en Europese Commissie
Conclusies
|
— |
vast te stellen, krachtens artikel 272 VWEU, dat het besluit van het INEA van 17 juli 2015 om een einde te stellen aan de Grant Agreement (1) en een deel van de aan verzoekster betaalde voorschotten terug te vorderen, ongeldig is en niet kan worden tegengeworpen, en dat het definitieve aan verzoekster verschuldigde subsidiebedrag 951 813,00 EUR bedraagt; |
|
— |
subsidiair, vast te stellen dat de Commissie en het INEA contractueel aansprakelijk zijn voor het door verzoekster geleden verlies als gevolg van het besluit en een schadevergoeding van 581 770,00 EUR (vermeerderd met de rente) te bevelen; |
|
— |
meer subsidiair, te bevelen dat het INEA/de Commissie het besluit intrekken, en; |
|
— |
het INEA/de Commissie te verwijzen in verzoeksters kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster 3 middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: schending door het INEA en de Commissie van hun verbintenissen in het kader van de Grant Agreement. Aldus voert verzoekster aan dat zij onrechtmatig de Grant Agreement hebben beëindigd en de invordering van een deel van de aan verzoekster betaalde voorschotten hebben gelast. |
|
2. |
Tweede middel: het INEA en de Commissie hebben het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten geschonden. |
|
3. |
Derde middel: het INEA en de Commissie hebben verzoeksters gewettigd vertrouwen geschonden. |
(1) Grant Agreement MPO/09/058/SI1.5555667 „RAIL2” (Marco Polo II Call 2009).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/62 |
Beroep ingesteld op 19 oktober 2015 — Europäischer Tier- und Naturschutz en Giesen/Commissie
(Zaak T-595/15)
(2016/C 027/79)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Europäischer Tier- und Naturschutz e.V. (Much, Duitsland) en Horst Giesen (Much) (vertegenwoordiger: P. Brockmann, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
nietig verklaren van het besluit om niet te handelen van de Europese Commissie van 17 augustus 2015, waarvan kennis is gegeven op 24 augustus 2015, ter zake van de creatie van Europees verenigingsrecht door middel van haar niet meer gepubliceerde wetsvoorstel of een, binnen het toegestane kader, aangepaste variant ervan, waarbij grensoverschrijdende activiteiten met ideële doelstellingen gelijk worden gesteld aan op winst gerichte verenigingen, subsidiair ter zake van de harmonisering van nationaal vergaderings- en verenigingsrecht bij grensoverschrijdende activiteiten met ideële doelstellingen; |
|
— |
en bijgevolg de Europese Commissie gelasten een wettige toestand tot stand te brengen in de zin van artikel 266 VWEU, waarbij verdere verslechteringen in de zin van de eerste en tweede vordering waardoor de verwezenlijking van deze toestand verhinderd of moeilijker gemaakt kan worden, achterwege moeten worden gelaten, en |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van het geding en van die van eventuele interveniënten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekende partijen komen op tegen het achterwege blijven van de totstandkoming van een Europees verenigingsrecht en van het afschaffen van de bestaande discriminatie en belemmering van de collectieve en individuele verenigingsvrijheid.
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekende partijen vier middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: schending van artikel 11 EVRM, van artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en van de algemene rechtsbeginselen zoals opgenomen in artikel 6, lid 3, VEU en artikel 20 van de VN-Verklaring van de rechten van de mens. |
|
2. |
Tweede middel: schending van het recht van gelijkheid voor de wet (artikel 20 van het Handvest en artikel 14 EVRM) ten nadele van ideële waarden en ideële verenigingen |
|
3. |
Derde middel: schending van de motiveringsplicht in de zin van artikel 41 van het Handvest |
|
4. |
Vierde middel: beperking van de reikwijdte van vrijheidsrechten door passiviteit, onjuiste uitlegging overeenkomstig de artikelen 52 en 54 van het Handvest |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/63 |
Beroep ingesteld op 23 oktober 2015 — Wirtschaftsvereinigung Stahl e.a./Commissie
(Zaak T-605/15)
(2016/C 027/80)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Wirtschaftsvereinigung Stahl (Düsseldorf, Duitsland), Benteler Steel/Tube GmbH (Paderborn, Duitsland), BGH Edelstahl Freital GmbH (Freital, Duitsland), BGH Edelstahl Lippendorf GmbH (Lippendorf, Duitsland), BGH Edelstahl Siegen GmbH (Siegen, Duitsland), Buderus Edelstahl GmbH (Wetzlar, Duitsland), ESF Elbe-Stahlwerke Feralpi GmbH (Riesa, Duitsland), Friedr. Lohmann GmbH Werk für Spezial- & Edelstähle (Witten, Duitsland), Outokumpu Nirosta GmbH (Krefeld, Duitsland), Rogesa Roheisengesellschaft Saar mbH (Dillingen, Duitsland), Zentralkokerei Saar GmbH (Dillingen), Drahtwerk St. Ingbert GmbH (St. Ingbert, Duitsland), Ilsenburger Grobblech GmbH (Ilsenburg, Duitsland), ThyssenKrupp Electrical Steel GmbH (Gelsenkirchen, Duitsland), ThyssenKrupp Federn und Stabilisatoren GmbH (Hagen, Duitsland), ThyssenKrupp Gerlach GmbH (Homburg, Duitsland), ThyssenKrupp Rasselstein GmbH (Andernach, Duitsland) en Emscher Aufbereitung GmbH (Mühlheim an der Ruhr, Duitsland) (vertegenwoordiger: advocaat H. Janssen)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het bestreden besluit nietig verklaren; |
|
— |
verweerster verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vragen verzoeksters de nietigverklaring van besluit (EU) 2015/1585 van de Commissie van 25 november 2014 betreffende de steunmaatregel SA.33995 (2013/C) (ex 2013/NN) (ten uitvoer gelegd door Duitsland inzake steun voor hernieuwbare elektriciteit en voor energie-intensieve ondernemingen) (1) (kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 8786).
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan, die in wezen identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met die welke zijn aangevoerd in zaak T-319/15, Deutsche Edelstahlwerke/Commissie (2).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/63 |
Beroep ingesteld op 29 oktober 2015 — Repsol/BHIM — Basic (BASIC)
(Zaak T-609/15)
(2016/C 027/81)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Repsol, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Devaureix, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Basic AG Lebensmittelhandel (München, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Houder van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met het woordbestanddeel „BASIC” — gemeenschapsmerk nr. 5 648 159
Procedure voor het BHIM: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 11 augustus 2015 in zaak R 2384/2013-1
Conclusies
|
— |
ontvankelijkverklaring van het beroep, met alle aangehechte documenten, en de corresponderende afschriften; |
|
— |
toelating van de aan dit verzoekschrift gehechte bewijsmiddelen; |
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
verwijzing van verzoekster in de kosten van de procedure. |
Aangevoerde middelen
|
— |
de kamer van beroep heeft de door Basic AG overgelegde bewijsmiddelen over het normale gebruik van de vennootschapsnamen Basic AG en Basic in het economische verkeer in Duitsland onjuist gewaardeerd; |
|
— |
de bestreden beslissing is ten onrechte gegrond op artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 in samenhang met artikel 53, lid 1, onder c), voor zover tussen de beeldmerken „basic” geen verwarringsgevaar bestaat. De term „basic” ontbeert onderscheidend vermogen; |
|
— |
de uitzonderlijke bescherming van niet-ingeschreven handelsnamen door de Duitse merkenwet moet volgens het Verdrag van Rome van 23 maart 1957 en de gemeenschapsrechtspraak strikt worden uitgelegd. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/64 |
Beroep ingesteld op 26 oktober 2015 — British Aggregates/Commissie
(Zaak T-610/15)
(2016/C 027/82)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: British Aggregates Association (Lanark, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: L. Van den Hende, advocaat, en A. White, solicitor)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU van besluit C(2015) 2141 final van 27 maart 2015 van de Commissie in zaak SA.34775 (2013/C) (ex 2012/NN) — Aggregaatheffing; en |
|
— |
verwijzing van de Commissie in verzoeksters kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: de Commissie heeft blijk gegeven van onjuiste beoordelingen door te beslissen dat acht vrijstellingen van de aggregaatheffing („AGL”) in de Finance Act 2001 niet leiden tot selectiviteit en derhalve geen staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, en bij de vaststelling van het beginsel van normale belasting en de doelstelling van de AGL voor de toepassing van het selectiviteitscriterium. |
|
2. |
Tweede middel: de Commissie heeft niet zorgvuldig en onpartijdig onderzocht of de acht kwestieuze vrijstellingen selectief zijn en aldus staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
|
3. |
Derde middel: de Commissie heeft haar motiveringsplicht ingevolge artikel 296 VWEU geschonden omdat de toepassing door de Commissie van het beginsel van normale belasting en doelstelling van de AGL bij de uiteenzetting waarom de acht kwestieuze vrijstellingen niet selectief zijn, in het licht van het litigieuze besluit tegenstrijdig is. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/65 |
Beroep ingesteld op 2 november 2015 — Edeka-Handelsgesellschaft Hessenring/Commissie
(Zaak T-611/15)
(2016/C 027/83)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Edeka-Handelsgesellschaft Hessenring mbH (Melsungen, Duitsland) (vertegenwoordigers: E. Wagner en H. Hoffmeyer, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
volledige nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 3 september 2015 in zaak 2015/4023, waarbij aan verzoekende partij de toegang tot de niet-vertrouwelijke versie van het besluit van de Commissie van 4 december 2013 in kartelzaak AT/39914 — EIRD en tot de inhoudsopgave van het dossier van de Commissie in deze zaak geheel werd geweigerd, of subsidiair nietigverklaring voor zover de Commissie de toegang tot het gedeelte van de niet-vertrouwelijke versie van dit besluit of van deze inhoudsopgave heeft geweigerd, op de vertrouwelijkheid waarvan door de door het besluit getroffen ondernemingen geen aanspraak was gemaakt of nog werd gemaakt; |
|
— |
subsidiair, ingeval het besluit van de Commissie van 3 september 2015 in zaak 2015/4023, waarbij aan verzoekende partij de toegang tot de niet-vertrouwelijke versie van het besluit van de Commissie van 4 december 2013 in kartelzaak AT/39914 — EIRD en tot de inhoudsopgave van het dossier van de Commissie in deze zaak geheel wordt geweigerd, niet nietig wordt verklaard omdat en voor zover de niet-vertrouwelijke versie van het besluit van de Commissie van 4 december 2013 in kartelzaak AT/39914 — EIRD en/of de niet-vertrouwelijke versie van de inhoudsopgave van het dossier van de Commissie betreffende deze zaak niet bestaat, vaststelling dat de Commissie ten onrechte heeft nagelaten een niet-vertrouwelijke versie van haar besluit van 4 december 2013 in kartelzaak AT/39914 — EIRD en/of een niet-vertrouwelijke versie van de inhoudsopgave in deze zaak op te stellen en aan verzoekende partij over te maken; |
|
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij tien middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: schending van het grondrecht op een doeltreffende rechterlijke bescherming, van het grondrecht op behoorlijk bestuur en van de motiveringsplicht door het ontbreken van motivering van het bestreden besluit |
|
2. |
Tweede middel: schending van het grondrecht op een doeltreffende rechterlijke bescherming en van het recht op voorlichting over rechtsmiddelen door het ontbreken van voorlichting over mogelijke rechtsmiddelen |
|
3. |
Derde middel: schending van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening (EG) nr. 1049/2001 (1) |
|
4. |
Vierde middel: schending van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening (EG) nr. 1049/2001 |
|
5. |
Vijfde middel: schending van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 1049/2001 |
|
6. |
Zesde middel: schending van artikel 4, lid 3, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 1049/2001 |
|
7. |
Zevende middel: schending van het grondrecht van toegang tot documenten |
|
8. |
Achtste middel: schending van het grondrecht van toegang tot documenten en van het evenredigheidsbeginsel doordat niet minstens een gedeeltelijke toegang werd verleend tot de akten waarvoor om toegang werd verzocht |
|
9. |
Negende middel: schending van artikel 101 VWEU door de praktische onmogelijkheid dat verzoekende partij kartelrechtelijke rechten op schadevergoeding onderzoekt en eventueel geldend maakt |
|
10. |
Tiende, subsidiaire middel: schending van het recht van verzoekende partij op opstelling van een niet-vertrouwelijke versie van het besluit van de Commissie in kartelzaak AT/39914 — EIRD en van de inhoudsopgave van het dossier van de Commissie betreffende deze zaak [verordening (EG) nr. 1049/2001 en artikel 30, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 (2)] |
In dit verband stelt verzoekende partij dat niet was voldaan aan de voorwaarden van de uitzonderingsbepalingen van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 1049/2001, die ten aanzien van verzoekende partij een niet-onthulling van de door verzoekende partij gevraagde documenten zouden kunnen rechtvaardigen.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
(2) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1).
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/66 |
Beroep ingesteld op 2 november 2015 — LL/Parlement
(Zaak T-615/15)
(2016/C 027/84)
Procestaal: Litouws
Partijen
Verzoekende partij: LL (Vilnius, Litouwen) (vertegenwoordiger: J. Petrulionis, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van besluit D(2014) 15503 van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 17 april 2014 en debetnota nr. 2014-575 van 5 mei 2014, die is vastgesteld op basis van dat besluit; |
|
— |
verwijzing van verweerder in de door verzoekster in verband met de procedure gemaakte kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.
Juistheid van de betaling en geldigheid en wettigheid van de terugvordering van de betaalde som
Verzoekster voert aan dat de secretaris-generaal van het Europees Parlement zich in besluit D(2014) 15503 op volkomen ongefundeerde en onrechtmatige wijze op het standpunt heeft gesteld dat de som van 37 728 EUR onverschuldigd aan verzoekster is betaald en dat hij op een wijze die volgens artikel 68 van de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement en artikel 80 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement ongefundeerd en onrechtmatig is, de rekenplichtige van het Europees Parlement heeft gelast de som van 37 728 EUR van verzoekster terug te vorderen en verzoekster in overeenstemming met de procedurevoorschriften bij debetnota nr. 2014-575 daarvan in kennis te stellen.
Volgens verzoekster heeft de secretaris-generaal van het Europees Parlement bij de vaststelling van het besluit slechts twee zaken in aanmerking genomen: het rapport van OLAF en het feit dat verzoekster niet had bewezen dat de ontvangen som voor het doel was gebruikt waarvoor zij bestemd was. Verzoekster stelt echter dat geen informatie is verzameld die bevestigt dat zij in strijd met artikel 14 van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement de ontvangen som voor andere doeleinden heeft gebruikt dan het doeleinde waarvoor zij bestemd was.
Verjaringstermijn en toepassing van het beginsel van een redelijke termijn, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel
Verzoekster stelt dat bij de vaststelling van besluit D(2014) 15503 van de secretaris-generaal van het Europees Parlement en debetnota nr. 2014-575 de in artikel 81 van het Financieel Reglement en artikel 93 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement bedoelde verjaringstermijn niet in acht is genomen en dat niet is voldaan aan de vereisten van het beginsel van een redelijke termijn, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
Volgens verzoekster hebben de betrokken EU-instellingen op ongefundeerde wijze, onterecht en onredelijk lang getalmd met de uitoefening van hun bevoegdheden en de vaststelling van de betrokken besluiten. Op deze manier zijn verzoeksters rechten geschonden, waaronder het recht op verdediging en de correcte tenuitvoerlegging van dat recht, aangezien verzoekster ten gevolge van de lange periode tussen de onderzochte gebeurtenissen en de vaststelling van de betrokken besluiten feitelijk de mogelijkheid is ontnomen om zich naar behoren te verdedigen tegen de beschuldigingen, bewijzen aan te voeren en alle andere maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de onderhavige zaak billijk wordt beslecht.
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/67 |
Beroep ingesteld op 3 november 2015 — Transtec/Commissie
(Zaak T-616/15)
(2016/C 027/85)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Transtec (Brussel, België) (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
de verrekeningsbesluiten van de Europese Commissie nietig verklaren die zijn vervat in haar brieven van 25 augustus, 27 augustus, 7 september, 16 september en 23 september 2015 en tot invordering van 624 388,73 EUR strekken; |
|
— |
verweerster veroordelen tot betaling van 624 388,73 EUR, vermeerderd met vertragingsrente tegen de door de Europese Centrale Bank vastgestelde rentevoet, vermeerderd met twee punten; |
|
— |
verweerster veroordelen tot vergoeding van de op één symbolische euro begrote immateriële schade; |
|
— |
verweerster verwijzen in alle kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.
|
1. |
Schending van het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de bestreden besluiten geen geldige rechtsgrondslag hebben. |
|
2. |
Schending van het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking, doordat de Commissie is verrijkt met 607 096,08 EUR, vermeerderd met rente, uit verzoeksters vermogen, zonder dat voor die verrijking een rechtsgrondslag bestaat. |
|
3. |
Schending van de artikelen 42, 44, 45 en 47 van het financieel reglement van de Raad van 27 maart 2003 van toepassing op het 9e Europees Ontwikkelingsfonds, doordat de Commissie de haar bij die bepalingen toegekende beoordelingsbevoegdheid niet heeft uitgeoefend, en schending van het evenredigheidsbeginsel. |
|
4. |
Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, doordat de Commissie artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft geschonden. |
|
5. |
Kennelijke beoordelingsfouten van de Commissie. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/68 |
Beroep ingesteld op 6 november 2015 — Badica en Kardiam/Raad
(Zaak T-619/15)
(2016/C 027/86)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Bureau d’achat de diamant Centrafrique (Badica) (Bangui, Centraal-Afrikaanse Republiek), Kardiam (Antwerpen, België) (vertegenwoordigers: D. Luff en L. Defalque, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
artikel 1 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/1485 van de Raad van 2 september 2015 en punt B 1 van de bijlage bij die verordening nietig verklaren voor zover de verzoekende partijen zijn toegevoegd aan bijlage I bij verordening (EU) nr. 224/2014 van de Raad van 10 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek; |
|
— |
de Raad verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen drie middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: schending van de rechten van verdediging, alsook van het recht op een eerlijk proces en een doeltreffende voorziening in rechte. Dit middel bestaat uit twee onderdelen:
|
|
2. |
Tweede middel: onjuiste beoordeling van de feiten ten aanzien van de werkzaamheden van de verzoekende partij, hetgeen heeft geleid tot een onjuiste opvatting van het recht. |
|
3. |
Derde middel: gebreken in het onderzoek door de Raad. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/69 |
Beroep ingesteld op 10 november 2015 — Tillotts Pharma/BHIM — Ferring (OCTASA)
(Zaak T-632/15)
(2016/C 027/87)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Tillotts Pharma AG (Rheinfelden, Zwitserland) (vertegenwoordiger: M. Douglas, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Ferring BV (Hoofddorp, Nederland)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Aanvrager: verzoekende partij
Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „OCTASA” — inschrijvingsaanvraag nr. 8 169 881
Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 7 september 2015 in zaak R 2386/2014-4
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
verwijzing van het BHIM in de kosten. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/70 |
Beroep ingesteld op 12 november 2015 — JT International/BHIM — Habanos (PUSH)
(Zaak T-633/15)
(2016/C 027/88)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: JT International SA (Genève, Zwitserland) (vertegenwoordigers: S. Malynicz, Barrister, K. Gilbert en M. Gilbert, Solicitors)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Corporación Habanos, SA (La Habana, Cuba)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Aanvrager: verzoekende partij
Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „PUSH” — inschrijvingsaanvraag nr. 11 639 903
Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het BHIM van 10 augustus 2015 in zaak R 3046/2014-5
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
verwijzing van het BHIM en de andere partij in de procedure in hun eigen kosten en in die van verzoekster. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/70 |
Beroep ingesteld op 16 november 2015 — Alma-The Soul of Italian Wine/BHIM — Miguel Torres (SOTTO IL SOLE ITALIANO SOTTO il SOLE)
(Zaak T-637/15)
(2016/C 027/89)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Alma-The Soul of Italian Wine LLLP (Coral Gables, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordiger: F. Terrano, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Miguel Torres, SA (Vilafranca del Penedès, Spanje)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met de woordelementen „SOTTO IL SOLE ITALIANO SOTTO il SOLE” — inschrijvingsaanvraag nr. 9 784 539
Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 3 september 2015 in zaak R 356/2015-2
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
verwijzing van het BHIM in de kosten. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van de artikelen 8, lid 5, 64, lid 1, en 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/71 |
Beroep ingesteld op 18 november 2015 — Jema Energy/Gemeenschappelijke Onderneming Fusion for Energy
(Zaak T-668/15)
(2016/C 027/90)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Jema Energy, S.A. (Lasarte-Oria, Spanje) (vertegenwoordiger: N. Rey Rey, advocaat)
Verwerende partij: Europese Gemeenschappelijke Onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van verweersters besluit tot afwijzing van verzoeksters inschrijving; |
|
— |
verwijzing van verweerster in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: onduidelijkheid van de op de procedure toepasselijke voorschriften en schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het transparantiebeginsel
|
|
2. |
Tweede middel: schending van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van gelijke kansen van gegadigden tijdens een procedure
|
|
3. |
Derde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel en kunstmatige beperking van de mededinging
|
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/72 |
Beroep ingesteld op 20 november 2015 — Osho Lotus Commune/BHIM — Osho International Foundation (OSHO)
(Zaak T-670/15)
(2016/C 027/91)
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Osho Lotus Commune e.V. (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Viefhues, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Osho International Foundation (Zürich, Zwitserland)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „OSHO” — inschrijvingsaanvraag nr. 1 224 831
Procedure voor het BHIM: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 22 september 2015 in zaak R 1997/2014-4
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
verwijzing van het BHIM en eventueel de andere partij in de kosten van de procedure. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder b), c) en f), van verordening nr. 207/2009. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/73 |
Beroep ingesteld op 12 november 2015 — Malta Cross Foundation International/BHIM — Malteser Hilfsdienst (Malta Cross International Foundation)
(Zaak T-672/15)
(2016/C 027/92)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Malta Cross Foundation International, Inc. (Hallandale Beach, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: J. Pimenta, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Malteser Hilfsdienst e.V. (Keulen, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Verzoekende partij: verzoekende partij
Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met de woordelementen „Malta Cross International Foundation” — inschrijvingsaanvraag nr. 7 252 554
Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de grote kamer van beroep van het BHIM van 9 juli 2015 in zaak R 863/2011-G
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
verwijzing van het BHIM en, in voorkomend geval, van de interveniërende partij in de kosten van de oppositie- en de beroepsprocedure |
Aangevoerde middelen
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009; |
|
— |
schending van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/74 |
Beroep ingesteld op 20 november 2015 — Panzeri/Parlement en Commissie
(Zaak T-677/15)
(2016/C 027/93)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Pier Antonio Panzeri (Calusco d’Adda, Italië) (vertegenwoordiger: C. Cerami, advocaat)
Verwerende partijen: Europees Parlement en Europese Commissie
Conclusies
|
— |
ten gronde: het onderhavige beroep toewijzen en de bestreden maatregel derhalve nietig verklaren wegens onrechtmatigheid; |
|
— |
subsidiair: de terugverwijzing van de zaak naar de secretaris-generaal van het Europees Parlement gelasten, opdat deze het bedrag waarvan de terugvordering aan de orde is billijk opnieuw vaststelt; |
|
— |
verweerders verwijzen in de kosten; |
|
— |
dit alles onder ieder wettelijk en redelijk voorbehoud, inclusief het voorbehoud om een verzoek in te dienen dat strekt tot veroordeling tot terugbetaling van bedragen die inmiddels zijn uitbetaald op grond van het bestreden bevel, vermeerderd met rente en geherwaardeerd. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep betreft ten eerste nota prot. nr. 315070 van 21 september 2015 van het directoraat-generaal Financiën van het Europees Parlement — Directoraat Financiële en Sociale Rechten van de leden, houdende een tegen verzoeker gerichte debetnota ten bedrage van 83 764 EUR, ten tweede (de in het Engels luidende) nota prot. nr. 312998 van 27 juli 2012 van de secretaris-generaal van het Europees Parlement, waarin de motivering van de voornoemde debetnota is opgenomen, en ten derde ook elke handeling die de twee voornoemde handelingen voorbereidt, ermee samenhangt is of erop volgt.
Tot staving van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan.
|
1. |
Schending van het materiële voorschrift van artikel 81, lid 1, van verordening nr. 966/2012; schending van het beginsel van de redelijke termijn; en verjaring van de schuldvordering van de Unie.
|
|
2. |
Schending van de wezenlijke vormvoorschriften van de artikelen 1, 4, lid 6, 6, lid 5, en 9 van verordening nr. 1073/1999 alsook van overweging 10 van deze verordening; schending van de wezenlijke vormvoorschriften van artikel 4 van het Interinstitutioneel akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door OLAF; onbevoegdheid van OLAF; en schending van de beginselen van evenredigheid en redelijkheid, alsook ontoereikend onderzoek en gebrekkige afweging.
|
|
3. |
Schending van artikel 55 VEU en van de artikelen 20 en 24, lid 4, VWEU; schending van de wezenlijke vormvoorschriften van artikel 7, lid 1, van besluit 2005/684/EG van het Europees Parlement (houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement).
|
|
4. |
Schending van de wezenlijke vormvoorschriften van de artikelen 62 en 68 van het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 19 mei en 9 juli 2008; schending van de wezenlijke vormvoorschriften van artikel 14, lid 2, van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement; ontbreken van de maatregel en geheel ontbreken van een motivering.
|
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/75 |
Beschikking van het Gerecht van 25 november 2015 — Missir Mamachi di Lusignano e.a./Commissie
(Zaak T-494/11) (1)
(2016/C 027/94)
Procestaal: Italiaans
De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/75 |
Beschikking van het Gerecht van 11 november 2015 — salesforce.com/BHIM (MARKETINGCLOUD)
(Zaak T-387/14) (1)
(2016/C 027/95)
Procestaal: Engels
De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/76 |
Beschikking van het Gerecht van 11 november 2015 — salesforce.com/BHIM (MARKETINGCLOUD)
(Zaak T-388/14) (1)
(2016/C 027/96)
Procestaal: Engels
De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/76 |
Beschikking van het Gerecht van 11 november 2015 — salesforce.com/BHIM (MARKETINGCLOUD)
(Zaak T-389/14) (1)
(2016/C 027/97)
Procestaal: Engels
De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
Gerecht voor ambtenarenzaken
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/77 |
Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 30 november 2015 — O’Riain/Commissie
(Zaak F-104/14) (1)
((Openbare dienst - Vergelijkend onderzoek - Aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/241/12 - Besluit om verzoeker niet op de reservelijst op te nemen - Beginsel van gelijke behandeling van kandidaten - Onpartijdigheid van de jury - Beroep kennelijk ongegrond))
(2016/C 027/98)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Donncha O’Riain (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: A. Salerno, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Ehrbar en G. Gattinara, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van het besluit om verzoeker niet op te nemen op de reservelijst van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/241/12 — GA
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. |
|
2) |
O’Riain draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie. |
(1) PB C 7 van 12.1.2015, blz. 52.
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/77 |
Beroep ingesteld op 30 oktober 2015 — ZZ/Raad
(Zaak F-137/15)
(2016/C 027/99)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: J-N. Louis en N. de Montigny, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van de eindbesluiten tot overdracht van de pensioenrechten van de verzoekende partij aan de pensioenregeling van de Unie, waarbij toepassing wordt gegeven aan de nieuwe algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van 3 maart 2011
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van de besluiten van 5 en 7 januari 2015 alsmede van het besluit van 23 februari 2015 houdende berekening van de extra pensioenrechten die de verzoekende partij vóór haar indiensttreding bij de Raad heeft verworven; |
|
— |
voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van 23 juli 2015 tot afwijzing van de klacht van de verzoekende partij, strekkende tot toepassing van de algemene uitvoeringsbepalingen en de actuariële waarden zoals die van toepassing waren op het moment van de indiening van het verzoek om overdracht van haar pensioenrechten; |
|
— |
verwijzing van de Raad van de Europese Unie in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/78 |
Beroep ingesteld op 2 november 2015 — ZZ/Parlement
(Zaak F-138/15)
(2016/C 027/100)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: T. Bontinck en A. Guillerme, advocaten)
Verwerende partij: Europees Parlement
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om verzoekers arbeidsovereenkomst te beëindigen en verzoek om toekenning van een vergoeding voor de immateriële schade die hij zou hebben geleden
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van 19 december 2014 tot beëindiging van verzoekers arbeidsovereenkomst; |
|
— |
veroordeling van het Europees Parlement tot betaling van een vergoeding voor de immateriële schade die verzoeker heeft geleden en welke voorlopig en ex aequo et bono op 20 000 EUR wordt begroot; |
|
— |
verwijzing van de verwerende partij in de kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/78 |
Beroep ingesteld op 17 november 2015 — ZZ/Parlement
(Zaak F-142/15)
(2016/C 027/101)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: A. Tymen, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit van het Parlement om geen gevolg te geven aan verzoeksters verzoek om bijstand en verzoek om vergoeding van de immateriële schade die zij zou hebben geleden
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van 11 april 2015 tot afwijzing van haar verzoek om bijstand van 11 december 2014; |
|
— |
nietigverklaring van het op 24 augustus 2015 ontvangen besluit van 20 augustus 2015 tot afwijzing van haar klacht van 24 april 2015; |
|
— |
veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een vergoeding voor haar immateriële schade welke ex aequo et bono op 50 000 EUR wordt begroot; |
|
— |
verwijzing van het Europees Parlement in alle kosten. |
|
25.1.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 27/79 |
Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 3 december 2015 — Macchia/Commissie
(Zaak F-37/13) (1)
(2016/C 027/102)
Procestaal: Frans
De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
(1) PB C 207 van 20.7.2013, blz. 59.