ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 419

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

58e jaargang
16 december 2015


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

 

EUROPEES PARLEMENT
ZITTING 2012-2013
Vergaderingen van 19 t/m 22 november 2012
De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in PB C 29 E van 31.1.2013
AANGENOMEN TEKSTEN

1


 

I   Resoluties, aanbevelingen en adviezen

 

RESOLUTIES

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 20 november 2012

2015/C 419/01

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (2012/2037(INI))

2

2015/C 419/02

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het sociale investeringspact — een reactie op de crisis (2012/2003(INI))

5

2015/C 419/03

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: welke strategie om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (2012/2077(INI))

10

2015/C 419/04

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het verslag over de uitvoering en de gevolgen van de Volgrechtrichtlijn (2001/84/EG) (2012/2038(INI))

17

2015/C 419/05

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over Naar een geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen (2012/2040(INI))

19

2015/C 419/06

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over schaduwbankieren (2012/2115(INI))

28

2015/C 419/07

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de bescherming van kinderen in de digitale wereld (2012/2068(INI))

33

2015/C 419/08

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het Initiatief voor sociaal ondernemerschap — Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie (2012/2004(INI))

42

2015/C 419/09

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 met aanbevelingen aan de Commissie over het verslag van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep Naar een echte Economische en Monetaire Unie 2012/2151 (INI).

48

2015/C 419/10

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de werkzaamheden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in 2011 (2012/2048(INI))

69

 

Woensdag 21 november 2012

2015/C 419/11

Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het 28e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2010) (2011/2275(INI))

73

2015/C 419/12

Resolutie van het Europees Parlement 21 november 2012 over de gevolgen voor het milieu van de winning van schaliegas en schalieolie (2011/2308(INI))

77

2015/C 419/13

Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over industriële, energetische en andere aspecten van schaliegas en -olie (2011/2309(INI))

87

2015/C 419/14

Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over de activiteiten van de Commissie verzoekschriften 2011 (2011/2317(INI))

94

 

Donderdag 22 november 2012

2015/C 419/15

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de aanvaarding van de toetreding van acht derde landen tot het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (2012/2791(RSP))

100

2015/C 419/16

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de komende wereldconferentie over internationale telecommunicatie (WCIT-12) van de Internationale Telecommunicatie-unie en de mogelijke uitbreiding van het toepassingsgebied van internationale telecommunicatieregelgeving (2012/2881(RSP))

101

2015/C 419/17

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de klimaatconferentie in Doha (Qatar) (COP 18) (2012/2722(RSP))

103

2015/C 419/18

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over uitbreiding: beleid, criteria en de strategische belangen van de EU (2012/2025(INI))

114

2015/C 419/19

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de situatie in Gaza (2012/2883(RSP))

122

2015/C 419/20

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) (12562/2011 — 2012/2138(INI))

124

2015/C 419/21

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de EU-clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit: politieke en operationele dimensie 2012/2223(INI).

138

2015/C 419/22

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over cyberveiligheid en -defensie (2012/2096(INI))

145

2015/C 419/23

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de rol van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid bij klimaatgedreven crises en natuurrampen ((2012/2095(INI))

153

2015/C 419/24

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 met de aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden over de onderhandelingen voor een versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan 2012/2153(INI).

159

2015/C 419/25

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 inzake kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (2011/2292(INI))

167

2015/C 419/26

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (2011/2318(INI))

175

2015/C 419/27

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de verkiezingen van het Europees Parlement in 2014 (2012/2829(RSP))

185

2015/C 419/28

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de mensenrechtensituatie in Iran, met name massa-executies en het recente overlijden van de blogger Sattar Beheshti (2012/2877(RSP))

186

2015/C 419/29

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de situatie in Birma/Myanmar, met name het aanhoudende geweld in de deelstaat Rakhine (2012/2878(RSP))

189

2015/C 419/30

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de situatie van migranten in Libië (2012/2879(RSP))

192


 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europees Parlement

 

Dinsdag 20 november 2012

2015/C 419/31

Besluit van het Europees Parlement van 20 november 2012 tot wijziging van artikel 70 van het Reglement van het Europees Parlement over interinstitutionele onderhandelingen bij wetgevingsprocedures (2011/2298(REG))

196

2015/C 419/32

Besluit van het Europees Parlement van 20 november 2012 tot wijziging van artikel 181 (Volledig verslag) en artikel 182 (Audiovisueel verslag van de vergaderingen) van het Reglement van het Europees Parlement (2012/2080(REG))

200


 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES PARLEMENT

 

Dinsdag 20 november 2012

2015/C 419/33

P7_TA(2012)0412
De rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (COM(2010)0748 — C7-0433/2010 — 2010/0383(COD))
P7_TC1-COD(2010)0383
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikking)

203

2015/C 419/34

P7_TA(2012)0413
Het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven (COM(2010)0473 — C7-0279/2010 — 2010/0246(COD))
P7_TC1-COD(2010)0246
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven

204

2015/C 419/35

P7_TA(2012)0414
Tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Europese Unie ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Europese Unie naar aanleiding van de toetreding van Kroatië (COM(2012)0377 — C7-0216/2012 — 2012/0224(COD))
P7_TC1-COD(2012)0224
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de instelling van tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Europese Unie naar aanleiding van de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie

205

2015/C 419/36

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de toetreding van de Unie tot het protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de ondergrond daarvan (09671/2012 — C7-0144/2012 — 2011/0304(NLE))

206

2015/C 419/37

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de autonome regering van Groenland, anderzijds (11119/2012 — C7-0299/2012 — 2012/0130(NLE))

207

2015/C 419/38

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het ontwerp van richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 93/109/EG van 6 december 1993 inzake de wijze van uitoefening van het passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn (13634/2012 — C7-0293/2012 — 2006/0277(CNS))

208

2015/C 419/39

P7_TA(2012)0424
Goedkeuring van en markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (COM(2010)0542 — C7-0317/2010 — 2010/0271(COD))
P7_TC1-COD(2010)0271
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers

208

2015/C 419/40

P7_TA(2012)0425
Goedkeuring van landbouw- of bosbouwvoertuigen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen (COM(2010)0395 — C7-0204/2010 — 2010/0212(COD))
P7_TC1-COD(2010)0212
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen

209

 

Woensdag 21 november 2012

2015/C 419/41

Besluit van het Europees Parlement van 21 november 2012 houdende goedkeuring van de benoeming van Tonio Borg als lid van de Commissie

211

2015/C 419/42

Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2012 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, afdeling III — Commissie (16398/2012 — C7-0383/2012 — 2012/2242(BUD))

211

2015/C 419/43

Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, overeenkomstig punt 26 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (COM(2012)0538 — C7-0300/2012 — 2012/2237(BUD))

213

2015/C 419/44

P7_TA(2012)0435
Tenuitvoerlegging van de overeenkomsten die door de EU zijn gesloten naar aanleiding van onderhandelingen uit hoofde van artikel XXVIII van de GATT 1994 ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten die door de EU zijn gesloten naar aanleiding van onderhandelingen uit hoofde van artikel XXVIII van de GATT 1994, en tot wijziging en aanvulling van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (COM(2012)0115 — C7-0079/2012 — 2012/0054(COD))
P7_TC1-COD(2012)0054
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en Brazilië uit hoofde van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) 1994 inzake de wijziging van concessies ten aanzien van verwerkt pluimveevlees die zijn opgenomen in de aan de GATT 1994 gehechte EU-lijst, en van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Thailand uit hoofde van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) 1994 inzake de wijziging van concessies ten aanzien van verwerkt pluimveevlees die zijn opgenomen in de aan de GATT 1994 gehechte EU-lijst, en tot wijziging en aanvulling van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief

214

2015/C 419/45

P7_TA(2012)0436
Tariefcontingenten voor de uitvoer van hout uit Rusland naar de EU ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toekenning van tariefcontingenten voor de uitvoer van hout uit de Russische Federatie naar de Europese Unie (COM(2012)0449 — C7-0215/2012 — 2012/0217(COD))
P7_TC1-COD(2012)0217
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toekenning van tariefcontingenten voor de uitvoer van hout uit de Russische Federatie naar de Europese Unie

215

2015/C 419/46

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 betreffende het ontwerpbesluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en Brazilië uit hoofde van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) 1994 inzake de wijziging van concessies ten aanzien van verwerkt pluimveevlees die zijn opgenomen in de aan de GATT 1994 gehechte EU-lijst, en van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en Thailand uit hoofde van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) 1994 inzake de wijziging van concessies ten aanzien van verwerkt pluimveevlees die zijn opgenomen in de aan de GATT 1994 gehechte EU-lijst (07883/2012 — C7-0171/2012 — 2012/0046(NLE))

216

2015/C 419/47

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad inzake de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, tot wijziging van de bijlagen bij de Protocollen nrs. 1 en 2 van de Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds (07433/2012 — C7-0157/2012 — 2011/0457(NLE))

217

2015/C 419/48

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Russische Federatie met betrekking tot het beheer van tariefcontingenten voor de uitvoer van hout uit de Russische Federatie naar de Europese Unie, en van het Protocol tussen de Europese Unie en de regering van de Russische Federatie over technische regels uit hoofde van die overeenkomst (16775/1/2011 — C7-0515/2011 — 2011/0322(NLE))

217

2015/C 419/49

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het ontwerp van verordening van de Raad over de migratie van het Schengeninformatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (herschikking) (11142/1/2012 — C7-0330/2012 — 2012/0033A(NLE))

218

2015/C 419/50

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het ontwerp van verordening van de Raad over de migratie van het Schengen-informatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatie-systeem van de tweede generatie (SIS II) (herschikking) (11143/1/2012 — C7-0331/2012 — 2012/0033B(NLE))

226

 

Donderdag 22 november 2012

2015/C 419/51

P7_TA(2012)0446
Baltisch zalmbestand en de visserijtakken die dat bestand exploiteren ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor het Baltische zalmbestand en de visserijtakken die dat bestand exploiteren (COM(2011)0470 — C7-0220/2011 — 2011/0206(COD))
P7_TC1-COD(2011)0206
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 22 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor het Baltische zalmbestand en de visserijtakken die dat bestand exploiteren

235

2015/C 419/52

P7_TA(2012)0447
Verlening van gedelegeerde bevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen inzake het gemeenschappelijk handelsbeleid ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de verlening van gedelegeerde bevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen (COM(2011)0349 — C7-0162/2011 — 2011/0153(COD))
P7_TC1-COD(2011)0153
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 22 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de verlening van gedelegeerde bevoegdheden en uitvoeringsbevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen [Am. 1]

249

2015/C 419/53

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 22 november 2012 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1288/2009 (COM(2012)0298 — C7-0156/2012 — 2012/0158(COD))

273

2015/C 419/54

P7_TA(2012)0449
Afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1185/2003 van de Raad betreffende het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen (COM(2011)0798 — C7-0431/2011 — 2011/0364(COD))
P7_TC1-COD(2011)0364
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 22 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1185/2003 van de Raad betreffende het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen

301


Verklaring van de gebruikte tekens

*

Raadplegingsprocedure

***

Goedkeuringsprocedure

***I

Gewone wetgevingsprocedure, eerste lezing

***II

Gewone wetgevingsprocedure, tweede lezing

***III

Gewone wetgevingsprocedure, derde lezing

(De aangeduide procedure is gebaseerd op de in de ontwerptekst voorgestelde rechtsgrond)

Amendementen van het Parlement:

Nieuwe tekstdelen worden in vet cursief aangegeven. Geschrapte tekstdelen worden aangegeven met het symbool ▌of worden doorgestreept. Waar tekstdelen worden vervangen, wordt de nieuwe tekst in vet cursief aangegeven, terwijl de vervangen tekst wordt geschrapt of doorgestreept.

NL

 


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/1


EUROPEES PARLEMENT

ZITTING 2012-2013

Vergaderingen van 19 t/m 22 november 2012

De notulen van deze zitting zijn gepubliceerd in PB C 29 E van 31.1.2013

AANGENOMEN TEKSTEN

 


I Resoluties, aanbevelingen en adviezen

RESOLUTIES

Europees Parlement

Dinsdag 20 november 2012

16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/2


P7_TA(2012)0418

Tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake kredietovereenkomsten voor consumenten

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (2012/2037(INI))

(2015/C 419/01)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0343/2012),

A.

overwegende dat openstellen van de nationale markten voor de belangrijke economische sector van het consumentenkrediet, versterken van de mededinging, verhelpen van verschillen in consumentenbescherming, wegnemen van mogelijke concurrentiedistorsies onder de marktdeelnemers en verbeteren van de interne markt een politieke taak is van de EU en in het belang is van de consumenten en de kredietverleners;

B.

overwegende dat met de consumentenkredietrichtlijn, die voorziet in een gerichte en alomvattende harmonisering in 5 onderdelen, met geringe speelruimte voor de lidstaten, die dan hoofdzakelijk nog de verschillende manieren van omzetting betreft, een gemeenschappelijk Europees kader voor de bescherming van de consument tot stand is gebracht;

C.

overwegende dat juridische en feitelijke belemmeringen niettemin blijven bestaan;

D.

overwegende dat, naar uit de studie van het Europees Parlement naar de omzetting van de richtlijn inzake consumentenkredieten blijkt, enkele centrale bepalingen in de richtlijn — bijvoorbeeld artikel 5 over precontractuele informatie — niet de beoogde harmonisatie van de nationale regels inzake consumentenbescherming hebben kunnen bewerkstelligen wegens de verschillende uitlegging en omzetting door de lidstaten;

E.

overwegende dat de omzetting van de consumentenkredietrichtlijn wegens de korte omzettingstermijn en de talloze omvangrijke wetswijzigingen die binnen dat tijdsbestek moesten worden aangebracht, niet in alle lidstaten tijdig of deels niet geheel correct is verlopen;

F.

overwegende dat sinds de inwerkingtreding van de richtlijn de grensoverschrijdende opname van consumentenkredieten volgens de statistieken niet is toegenomen, hetgeen wellicht toe te schrijven is aan verschillende factoren zoals taalbarrières maar ook aan de massieve problemen in de financiële sector en het ontbreken van adequate consumenteninformatie over de mogelijkheden van grensoverschrijdend consumentenkrediet en de rechten die de consument heeft bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten;

G.

overwegende dat adequate gebruiken in de kredietsector ter bescherming van de consument een beduidende rol spelen in de zorg voor financiële stabiliteit; overwegende dat volatiele wisselkoersen beduidende risico's voor de consument opleveren, met name bij financiële crises;

H.

overwegende dat de excessieve toename van leningen in buitenlandse valuta aan consumenten de risico's en verliezen ten laste van de huishoudens heeft doen stijgen;

I.

overwegende dat het Europees Comité voor systeemrisico's op 21 september 2011 een belangrijke aanbeveling heeft doen uitgaan betreffende leningen in vreemde deviezen (ESRB/2011/1);

J.

overwegende dat de Commissie ingevolge artikel 27 van de richtlijn in mei 2013 een eerste toetsing van bepaalde aspecten moet uitvoeren, en dat zij daartoe reeds een studie in opdracht heeft gegeven;

K.

overwegende dat het Europees Parlement er veel belang aan hecht van de tussentijdse resultaten van de toetsing op de hoogte te worden gehouden en de gelegenheid te krijgen zijn standpunt kenbaar te maken;

1.

noemt het verheugend dat de Commissie ter voorbereiding van haar toetsing reeds een studie over de uitwerking op de interne markt en de consumentenbescherming laat uitvoeren, om de grensoverschrijdende betekenis te onderzoeken; betuigt zijn respect voor het vele werk dat de Commissie, de nationale wetgevers en de kredietinstellingen hebben verricht;

2.

wijst erop dat verbetering van de grensoverschrijdende consumentenkredietmarkt de interne markt ten goede komt en in zoverre een Europese meerwaarde kan opleveren; meent dat dit kan worden bereikt door bijvoorbeeld de consument beter te informeren over de mogelijkheid consumentenkrediet in een andere lidstaat op te nemen en over de rechten die zij hebben bij het aangaan van zulke overeenkomsten;

3.

neemt er nota van dat het volume van de grensoverschrijdende opnamen van consumentenkredieten minder dan 2 % van de markt vertegenwoordigt, en dat ongeveer 20 % van die kredieten online wordt opgenomen;

4.

wijst erop dat een van de doelstellingen van de richtlijn erin bestaat de toegang tot informatie te waarborgen en daardoor de werking van de interne markt ook bij het verstrekken van kredieten te bevorderen, en dat derhalve moet worden beoordeeld of het aantal grensoverschrijdende transacties toeneemt;

5.

is van mening dat de voorschriften inzake de precontractuele informatie, de in artikel 5, lid 6, bedoelde toelichting, en de kredietwaardigheidsbeoordeling ingevolge artikel 8 een belangrijke rol spelen waar het erom gaat de consument meer besef bij te brengen van de risico's die aan leningen in buitenlandse valuta zijn verbonden;

6.

verlangt niettemin dat de toezichthoudende autoriteiten van financiële instellingen verlangen dat zij de consumenten gepersonaliseerde, volledige en gemakkelijk te begrijpen uitleg geven over de risico's die met lenen in buitenlandse valuta zijn gemoeid, en de gevolgen voor de afbetalingstermijnen bij ernstige waardevermindering van de munt van de lidstaat waar de consument woont, of bij stijging van de buitenlandse rentevoet; stelt dat die uitleg gegeven moet worden voordat er een contract wordt getekend;

7.

neemt kennis van de bezwaren die in sommige lidstaten bestaan tegen de manier waarop de precontractuele informatie in het Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet (SECCI) aan de consument wordt gepresenteerd, namelijk zo technisch dat de consument moeite heeft die informatie werkelijk te begrijpen; stelt dat de doelmatigheid van het SECCI-formulier een belangrijk punt moet blijven waarop de Commissie bij haar effectbeoordeling van de richtlijn moet letten;

8.

is tevreden over de in september 2011 door de Commissie uitgevoerde controleoperatie „SWEEP”, waarbij werd geconstateerd dat in 70 % van de gecontroleerde websites van financiële instellingen sprake was van reclame met onvolledige informatie, productaanbiedingen waaraan belangrijke gegevens ontbraken, en misleidende kostenberekeningen, en roept de Commissie en de lidstaten op de juiste maatregelen te nemen om een en ander te corrigeren; constateert in dit verband dat de regels inzake representatieve voorbeelden soms niet worden aangewend zoals het hoort, en dat hier ruimte is voor verbetering;

9.

verlangt dat nauwgezet toezicht wordt gehouden op de reclame- en marketingpraktijken van financiële instellingen om misleidende of verkeerde informatie in reclame en marketing voor kredietovereenkomsten tegen te gaan;

10.

constateert dat sommige lidstaten gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om het toepassingsgebied van de richtlijn tot ook andere financiële producten uit te breiden zonder dat dit tot tegenstrijdigheden schijnt te hebben geleid;

11.

onderstreept dat wettelijke voorschriften afgestemd moeten zijn op het normale geval, de doorsnee consument en de doorsnee ondernemer, en niet op het incidentele geval van misbruik waardoor de aan de consument geboden informatie minder begrijpelijk, transparant en vergelijkbaar zou worden;

12.

stelt vast dat een veelheid van regels niet automatisch een hogere consumentenbescherming oplevert en dat juist de onervaren consument door een overvloed aan informatie eerder in verwarring wordt gebracht dan adequaat voorgelicht; heeft in dit verband oog voor de deskundigheid, de hulp en de financiële voorlichting die door consumentenorganisaties worden geboden en voor hun potentiële rol bij de schuldherstructurering ten behoeve van huishoudens in nood;

13.

verlangt dat de consumenten zowel over de kosten van aanvullende diensten ingelicht worden, als over hun recht om aanvullende diensten zoals verzekering bij andere leveranciers te kopen; is van mening dat financiële instellingen verplicht moeten worden dergelijke diensten en de daaraan verbonden kosten te onderscheiden van diensten die deel uitmaken van de basislening en duidelijk te maken welke diensten essentieel zijn voor de verstrekking van een lening en welke de kredietnemer vrij kan kiezen;

14.

is van oordeel dat nader moet worden gekeken naar de problemen die zich kunnen voordoen bij gebruikmaking van het recht van herroeping in geval van verbonden overeenkomsten; acht het belangrijk dat de consument weet, dat hij bij gebruikmaking van zijn herroepingsrecht van een overeenkomst waarbij de leverancier of dienstverrichter het te betalen bedrag rechtstreeks van de kredietgever ontvangt uit hoofde van een verbonden overeenkomst, geen vergoeding, commissie of kosten verschuldigd is terzake van de geleverde financiële dienstverlening;

15.

vraagt de Commissie om de mate van verzuim van de informatieplicht na te gaan voor overeenkomsten waarbij tussenpersonen niet gebonden zijn aan precontractuele informatieverplichtingen, teneinde te bepalen hoe de consument in zo'n geval het best kan worden beschermd;

16.

is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de ingewikkelde regelingen rond vervroegde aflossing;

17.

stelt dat de voorafgaande kennisgeving van een gewijzigd rentetarief de consument voldoende tijd moet laten om de markt te verkennen en naar een andere kredietgever over te stappen voordat het gewijzigde tarief ingaat;

18.

constateert dat verbetering nodig is waar het gaat om de uitlegging van wat een „representatief voorbeeld” is;

19.

onderstreept dat een uniforme berekening van het jaarlijkse kostenpercentage gewaarborgd moet worden, onduidelijkheden moeten worden weggenomen, en voor samenhang met alle andere rechtsinstrumenten gezorgd moet worden;

20.

vraagt de lidstaten erop toe te zien dat nationale toezichthouders alle nodige bevoegdheden en middelen krijgen om zich van hun taak te kunnen kwijten; dringt er bij de nationale toezichthoudende autoriteiten op aan de naleving van de bepalingen van de richtlijn op een effectieve manier te bewaken en de handhaven;

21.

onderstreept dat bij het bepalen van de omzettingstermijn in de toekomst meer rekening moet worden gehouden met de wijzigingen in de nationale wetgeving die de omzetting vergt;

22.

dringt er bij de lidstaten op aan het bestaande niveau van consumentenbescherming uit te breiden tot krediet, ook kortlopend krediet dat wordt aangeboden via internet, sms of andere communicatiemedia op afstand, en dat op de markt voor consumentenkrediet een steeds normaler verschijnsel wordt, en waarbij het om bedragen gaat beneden de drempel van 200€, die thans buiten de werkingssfeer van de richtlijn blijven;

23.

beklemtoont dat er op dit moment geen aanleiding bestaat tot herziening van de richtlijn, maar dat er in de eerste plaats voor moet worden gezorgd dat de richtlijn correct wordt omgezet en gehandhaafd;

24.

is van mening dat met het oog op volledige en correcte omzetting, eerst de praktische effecten van de richtlijn moeten worden geëvalueerd voordat de Commissie met voorstellen komt voor eventuele wijzigingen; verzoekt de Commissie aan het Parlement en de Raad een beoordelingsverslag inzake de uitvoering van de richtlijn en een volledige effectbeoordeling daarvan op het vlak van consumentenbescherming voor te leggen, rekening houdend met de gevolgen van de financiële crisis en het nieuwe wettelijke kader van de EU voor financiële diensten;

25.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/5


P7_TA(2012)0419

Sociaal investeringspact

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het sociale investeringspact — een reactie op de crisis (2012/2003(INI))

(2015/C 419/02)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 5, 6, 9, 147, 149, 151 en 153,

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2010 getiteld „Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen: een Europese bijdrage aan volledige werkgelegenheid” (COM(2010)0682), en gezien zijn resolutie daarover van 26 oktober 2011 (1),

gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2011 over de Jaarlijkse groeianalyse 2012 (JGA) (COM(2011)0815), het als bijlage daaraan gehechte ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid, en zijn resolutie van 15 februari 2012 over werkgelegenheid en sociale aspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2012 (2),

gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld „Naar een banenrijk herstel” (COM(2012)0173),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2008 over een aanbeveling van de Commissie over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (COM(2008)0639) en zijn resolutie daarover van 6 mei 2009 (3),

gezien het Eurostat-onderzoek van januari 2012 en het Eurostat-persbericht van 8 februari 2012 (4),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang” (COM(2010)0758), het desbetreffende standpunt van het Europees Economisch en Sociaal Comité (5) en zijn resolutie daarover van 15 november 2011 (6),

gezien het besluit van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010) (7),

gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2008 getiteld „Vernieuwde sociale agenda: kansen, toegang en solidariteit in het Europa van de 21ste eeuw” (COM(2008)0412), en zijn resolutie daarover van 6 mei 2009 (8),

gezien de mededeling van de Commissie over houdbare overheidsfinanciën op lange termijn voor een economie in herstel (COM(2009)0545), en zijn resolutie daarover van 20 mei 2010 (9),

gezien de mededeling van de Commissie van 9 juni 2010 getiteld „Een nieuwe impuls voor de Europese samenwerking op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding ter ondersteuning van de Europa 2020-strategie” (COM(2010)0296), en zijn resolutie daarover van 8 juni 2011 (10),

gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mobiliteit en integratie van gehandicapten en de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 (11);

gezien zijn resolutie van 1 december 2011 over bestrijding van voortijdig schoolverlaten (12),

gezien het Communiqué van Brugge over intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en opleiding voor de periode 2011-2020, dat op 7 december 2010 is aangenomen (13),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over „Vooruitgang bij de verwezenlijking van de gemeenschappelijke Europese doelstellingen inzake onderwijs en opleiding” (SEC(2011)0526),

gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling (14),

gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie (COM(2011)0609),

gezien het recent aangenomen pakket van 5 verordeningen en één richtlijn over economische governance van de EU (15),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2011 over het initiatief Kansen voor de jeugd (COM(2011)0933),

gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2011 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (COM(2011)0398),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0263/2012),

A.

overwegende dat de huidige economische en financiële crisis nog lang zijn stempel zal blijven drukken, niet alleen op de economische groei, maar ook op de werkgelegenheidsgraad, de armoedecijfers, de sociale uitsluiting, de overheidsbesparingen en de kwantiteit en de kwaliteit van de sociale investeringen in Europa;

B.

overwegende dat de overheidssector de laatste jaren een zware schuldenlast op zich heeft genomen en dat — om buitensporig hoge schulden te voorkomen — de antwoorden op de crisis zich de laatste tijd grotendeels richtten op kortetermijndoelstellingen, namelijk het herstel van de stabiliteit van de overheidsfinanciën, dat cruciaal is voor de bescherming van onze economie, en overwegende dat deze bezuinigings- en begrotingsconsolidatiemaatregelen gepaard moeten gaan met een coherente en ambitieuze investeringsstrategie die zich duurzame groei, werkgelegenheid, sociale cohesie en een solide concurrentiepositie ten doel stelt, alsook sociale governance om te voorzien in een strikt systeem van toezicht en controle op de werkgelegenheid en de sociale doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

C.

overwegende dat de Lissabonstrategie en de Europese werkgelegenheidsstrategie niet in hun opzet geslaagd zijn, en overwegende dat het succes van de Europa 2020-strategie nog onzeker is en een nog grotere inzet van de lidstaten en de Europese instellingen vergt in de vorm van maatregelen ter bevordering van concurrentievermogen, groei en werkgelegenheid;

D.

overwegende dat de recent gepubliceerde jaarlijkse groeianalyse en het daarbij horende ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid laten zien dat de meeste lidstaten onvoldoende aandacht besteden aan de sociale, werkgelegenheids- en onderwijsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie, omdat ze begrotingsconsolidatie nog altijd als prioriteit behandelen en omdat deze nog niet in voldoende mate is gerealiseerd;

E.

overwegende dat de werkloosheid in de EU-27 is opgelopen van 7,1 % in 2008 tot meer dan 10 % in januari 2012, dat er sprake is van duidelijke regionale verschillen, en dat zij vooral hoog is onder jongeren, laaggeschoolde werknemers en langdurig werklozen, en overwegende dat dit samen met de vergrijzing op lange termijn een ernstig risico voor verlies van menselijk kapitaal inhoudt en onomkeerbare gevolgen kan hebben voor de arbeidsmarkt, vooral wat betreft nieuwe banen, economische groei, concurrentiepotentieel en sociale cohesie;

F.

overwegende dat 80 miljoen Europeanen momenteel het risico lopen in armoede te belanden en dat het percentage kinderen en volwassenen in werkloze huishoudens in 2010 bijna 10 % bedroeg; overwegende dat dit, in combinatie met kinderarmoede, de steeds grotere armoede onder werkenden en de hoge werkloosheid onder jongeren in de toekomst tot een nog hoger risico van armoede en sociale uitsluiting zal leiden;

G.

overwegende dat de armoede onder 16- tot 24-jarigen in 2011 in Europa gemiddeld 21,6 % bedroeg en dat jongeren vaker een onzekere baan, een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of een deeltijdse baan hebben en dat zij eveneens vaker het risico lopen werkloos te worden; overwegende dat het aantal onzekere banen de afgelopen jaren sterk is gestegen en dat de werkloosheid in bepaalde landen explosief is toegenomen;

H.

overwegende dat de onderwijs- en opleidingsresultaten in de Europese Unie door het gebrek aan investeringen nog altijd ontoereikend zijn om de noden van de arbeidsmarkt te lenigen en niet het hooggekwalificeerde personeel opleveren dat steeds vaker gevraagd wordt, noch de vaardigheden die verlangd worden in de sectoren die in de toekomst veel werkgelegenheid zullen bieden;

I.

overwegende dat de druk op de stelsels voor sociale bijstand is opgelopen als gevolg van hogere uitgaven, lagere inkomsten en de drang om op kosten te besparen; overwegende dat de zwakke economische groei, de aanhoudend hoge langdurige werkloosheid, het toenemende aantal werkende armen, het feit dat veel in het zwart wordt gewerkt en de toenemende werkloosheid onder jongeren deze tendens wellicht nog zullen doen verergeren;

J.

overwegende dat gerichte sociale investeringen belangrijk zijn om in de toekomst een behoorlijke werkgelegenheidsgraad voor zowel vrouwen als mannen te waarborgen, de economie te stabiliseren, de vaardigheden en kennis van de arbeidskrachten te verbeteren en het concurrentievermogen van de Europese Unie te versterken;

K.

overwegende dat het mkb een groot potentieel herbergt voor het creëren van nieuwe banen en een cruciale rol speelt in de overgang naar een nieuwe, duurzame economie;

Nieuwe strategie voor sociale investeringen in Europa

1.

herinnert eraan dat middels sociale investeringen geldmiddelen worden vrijgemaakt en benut om zowel maatschappelijk als economisch rendement te genereren, dat deze investeringen moeten ingezet worden om nieuw ontstane maatschappelijke risico's en onvervulde behoeften aan te pakken en zich met name richten op overheidsmaatregelen en strategieën voor investeringen in menselijk kapitaal om individuele personen, gezinnen en samenlevingen te helpen zich voor te bereiden op de aanpassing aan de diverse hervormingen en op hun overgang naar veranderende arbeidsmarkten en zich te wapenen voor de andere uitdagingen die op hen afkomen, onder andere door het verwerven van nieuwe vaardigheden die gevraagd zullen worden in sectoren die in de toekomst veel werkgelegenheid zullen bieden;

2.

merkt op dat onder meer de gehele openbare dienstverlening in de welzijns-, gezondheids- en onderwijssector en de particuliere dienstverlening op deze gebieden als sociale investeringen kunnen worden beschouwd en wijst er eens te meer op dat die gebieden volgens de gemaakte afspraken onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen;

3.

benadrukt dat het vermogen om sociale en economische doelstellingen met elkaar te verzoenen een van de voornaamste kenmerken van sociale investeringen is en dat ze daarom niet alleen als uitgaven, maar vooral ook als investeringen met een concreet tweevoudig toekomstig rendement moeten worden beschouwd, mits de middelen op de juiste manier worden besteed;

4.

merkt derhalve op dat gerichte sociale investeringen een belangrijk onderdeel van het economisch en werkgelegenheidsbeleid van de EU en van de lidstaten en van hun reacties op de crisis moeten vormen om de werkgelegenheids-, sociale en onderwijsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie te kunnen verwezenlijken;

5

is van mening dat het bevorderen en centraal stellen van maatschappelijk verantwoord ondernemen en van toegang tot microfinanciering voor kwetsbare groepen en voor degenen die het verst van de arbeidsmarkt verwijderd zijn, essentiële elementen zijn in de context van sociale investeringen, aangezien zij het mogelijk maken nieuwe banen te scheppen en vaak duurzame veranderingen in de economische cyclus bewerkstelligen;

6.

merkt op dat de crisis noopt tot modernisering van het Europees sociaal model, tot heroverweging van het nationale sociale beleid en tot het ombouwen verzorgingsstaten — die zich vooral plegen te richten op het opvangen van de schade die ontstaat door het falen van de markten — tot „activerende verzorgingsstaten”, die investeren in mensen en die instrumenten en stimulansen aanreiken om duurzame banen en duurzame groei te genereren en het ontstaan van sociale misstanden tegen te gaan; merkt op dat de crisis de behoefte aan investeringen in maatschappelijk verantwoord ondernemen nog scherper aan de orde heeft gesteld;

Activerende verzorgingsstaten

7.

dringt er in dit verband bij de lidstaten en de Commissie op aan het evenwicht te bewaren tussen de maatregelen die worden genomen ter bestrijding van de directe gevolgen van de crisis en het beleid op middellange en lange termijn, en daarbij vooral prioriteit te geven aan activiteiten die erop gericht zijn:

a)

werklozen weer aan het werk te krijgen door het creëren van een innovatiegerichte en dynamische omgeving en door het bieden van maatwerkoplossingen en van de nodige opleidingsfaciliteiten; degenen die de arbeidsmarkt betreden te helpen werk te vinden en te randvoorwaarden te creëren voor een soepeler overgang van onderwijs en opleiding naar het beroepsleven,

b)

de jeugdwerkloosheid te bestrijden en duurzame integratie van jongeren in het beroepsleven mogelijk te maken, ook voor jongeren zonder baan, onderwijs of beroepsopleiding,

c)

de economische groei te stimuleren om hoogwaardige en duurzame banen te creëren voor zowel vrouwen als mannen, met name in het midden- en kleinbedrijf; zowel de productiviteit als de werkverdeling te verbeteren,

d)

het werkklimaat te verbeteren en de oorzaken van vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt, zoals arbeidsongevallen, pesten op de werkvloer en andere ongunstige arbeidsomstandigheden weg te nemen,

e)

te investeren in onderwijs en levenslang leren voor alle leeftijdsgroepen door speciaal de nadruk te leggen op vroegschoolse educatie en toegang tot het hoger onderwijs, samenwerking tussen bedrijven en scholen, bedrijfs- en speciale opleidingen voor sectoren met een tekort aan arbeidskrachten, alsmede beroepsonderwijs,

f)

te investeren in innovatie door de ontwikkeling van innovatieve producten en diensten te ondersteunen, in het bijzonder op het gebied van klimaatverandering, energie-efficiëntie, gezondheid en vergrijzing van de bevolking,

g)

de oorzaken van gendersegregatie op de arbeidsmarkt weg te werken,

h)

te zorgen voor meer evenwicht tussen flexibele en vaste arbeidscontracten ter bevordering van de werkgelegenheid en om gezins- en beroepsleven beter met elkaar te kunnen combineren,

i)

de pensioenstelsels af te stemmen op de veranderende economische en demografische omstandigheden, de noodzakelijke hervormingen door te voeren en te zorgen dat deze zowel duurzaam als houdbaar zijn, en de economische afhankelijkheidsgraad te verminderen door bijvoorbeeld de voorwaarden te scheppen voor langer doorwerken op vrijwillige basis, betere gezondheids- en veiligheidsvoorwaarden op het werk, het creëren van diverse stimulansen en flexibele arbeidsmodellen, evenals het bieden van meer werk voor alle leeftijdsgroepen,

j)

armoede en sociale en medische uitsluiting te bestrijden, waarbij vooral de nadruk moet liggen op preventieve en proactieve initiatieven;

8.

roept de lidstaten en de Commissie ertoe op stappen te ondernemen om groei- en werkgelegenheidsgericht beleid te ontwikkelen (bijvoorbeeld door effectievere ondersteuning van mkb-bedrijven, alsook door middel van effectievere, doelgerichtere en activerende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid en sociale bijstandsregelingen), mogelijkheden tot levenslang leren en speciale opleidingen voor sectoren met een tekort aan arbeidskrachten te introduceren, te voorzien in de behoeften van de regionale en lokale arbeidsmarkten en de noodzaak tot herscholing om de inzetbaarheid van langdurig werklozen te ondersteunen en levenslange bij- en nascholing, bedrijfsopleidingen en betaalde stages met bijzondere aandacht voor werkloze jongeren en voor werknemers met een laag opleidingsniveau te bevorderen, die erop gericht moeten zijn voltijdwerkers in staat te stellen van hun werk te leven;

9.

onderstreept dat werkgelegenheid voor jongeren een belangrijk onderdeel moet vormen van de sociale investeringsstrategie; spoort de lidstaten ertoe aan te investeren in en te komen met toekomstgerichte ambitieuze strategieën om te voorkomen dat er een generatie verloren gaat en om de toegang tot de arbeidsmarkt voor jongeren te verbeteren door:

a)

het ontwikkelen van partnerschappen tussen scholen, opleidingscentra en lokale of regionale bedrijven,

b)

het verzorgen van opleidingen en hoogwaardige stageprogramma's voor jongeren, het bieden van beroepsopleidingsmogelijkheden in samenwerking met bedrijven en van mentoringfaciliteiten door oudere werknemers om jongeren in dienst te kunnen nemen en hen binnen het bedrijf zelf te kunnen opleiden,

c)

het bevorderen van ondernemerschap en van een Europees jeugdgarantiestelsel en het creëren van prikkels voor werkgevers om afgestudeerden in dienst te nemen,

d)

te zorgen voor een betere overgang van onderwijs naar werk en Europese en regionale mobiliteit te bevorderen;

10.

wijst daarnaast ook op de persoonlijke verantwoordelijkheid, in die zin dat mensen ook moeten nadenken over wat zij kunnen doen om ervoor te zorgen dat zij in de wedloop om talent tot de winnaars behoren;

11.

dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan alle mogelijke maatregelen te nemen om onderwijsstelsels op alle niveaus te verbeteren door duidelijk de nadruk te leggen op strategieën voor voor- en vroegschoolse educatie, door een integratiegericht schoolklimaat tot stand te brengen, door voortijdig schoolverlaten te voorkomen, door het secundair onderwijs te verbeteren en leerlingen te begeleiden en te adviseren, door betere omstandigheden te scheppen zodat jongeren met succes hoger onderwijs kunnen aanvatten of rechtstreeks toegang krijgen tot de arbeidsmarkt, door instrumenten te ontwikkelen om beter te kunnen anticiperen op toekomstige vaardigheidsbehoeften en de samenwerking tussen onderwijsinstellingen, bedrijven en arbeidsbemiddelingsdiensten te versterken, door de erkenning van beroepskwalificaties te verbeteren en nationale kwalificatiekaders te ontwikkelen;

12.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een goed evenwicht tussen zekerheid en flexibiliteit op de arbeidsmarkt te garanderen door consistente toepassing van flexizekerheidsbeginselen, en arbeidsmarktsegmentering aan te pakken door zowel adequate sociale bescherming te bieden voor mensen die zich in een overgangspositie bevinden of mensen met deeltijdse of halftijdse banen, als toegang te verschaffen tot faciliteiten voor opleiding, loopbaanontwikkeling en voltijds werk; spoort de lidstaten ertoe aan te investeren in diensten als betaalbare, voltijdse en kwalitatief verantwoorde kinderopvang, scholen waar kinderen de hele dag terecht kunnen en tehuizen voor ouderenzorg, die gendergelijkheid helpen bevorderen, zorgen voor een beter evenwicht tussen werk en gezin en een situatie creëren die de mogelijkheid biedt de arbeidsmarkt te betreden of opnieuw aan het werk te gaan;

13.

spoort de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan, ertoe aan de nodige hervormingen door te voeren om hun pensioenstelsels duurzaam, veilig en integratief te maken, en de economische afhankelijkheidsgraad te verlagen om een voldoende groot personeelsbestand te kunnen handhaven, een en ander in combinatie met een constante verbetering van de arbeidsomstandigheden en met levenslange opleidingsprogramma's om gezondere en langere beroepsloopbanen mogelijk te maken;

Betere governance dankzij het sociaal investeringspact

14.

spoort de lidstaten ertoe aan grotere inspanningen te leveren om sociale investeringen op te nemen in hun begrotingsdoelstellingen voor de middellange en lange termijn en in hun nationale hervormingsprogramma's; verzoekt de Europese Raad en de Commissie er nauwlettend op toe te zien dat de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken worden verwezenlijkt;

15.

merkt op dat het recent ontwikkelde systeem voor macro-economisch en begrotingstoezicht in de EU moet aangevuld worden met beter toezicht op het beleid inzake werkgelegenheid en sociale zaken, ten einde de daadwerkelijke verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken te kunnen garanderen; roept de Commissie er daarom toe op zich te beraden over de opstelling van een scorebord met gemeenschappelijke indicatoren voor sociale investeringen waarmee de in de lidstaten en op Unieniveau geboekte vorderingen nauwlettend kunnen worden gevolgd, en om maatschappelijk verantwoord ondernemen op bedrijfsniveau — met name in het midden- en kleinbedrijf — te bevorderen door een Europees sociaal kwaliteitsmerk in te voeren;

16.

verzoekt de lidstaten zich te beraden over de sluiting van een „sociaal investeringspact”, waarbij investeringsdoelstellingen worden vastgelegd en een strikter controlesysteem wordt gecreëerd ter ondersteuning van hun inspanningen om te voldoen aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en onderwijs; het is de bedoeling dat in dit „sociaal investeringspact”, naar het model van onder andere het „Euro Plus-pact”, een lijst wordt opgenomen van specifieke maatregelen die in de vorm van sociale investeringen binnen een bepaald tijdsbestek door de lidstaten moeten worden uitgevoerd om de doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en onderwijs te verwezenlijken in overeenstemming met de jaarlijkse groeianalyse en de nationale hervormingsprogramma's; een en ander moet worden onderworpen aan een regulier toezichtsysteem, waarbij een belangrijke rol wordt toebedeeld aan de Europese Commissie en het Europees Parlement, en waarbij alle relevante formaties van de Raad moeten worden betrokken;

17.

verzoekt de Commissie alle mogelijke stappen te ondernemen om de lidstaten ertoe aan te moedigen dit „sociaal investeringspact” te ondertekenen en om de doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en onderwijs in het kader van het Europees Semester 2013 te evalueren;

18.

verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 in de nodige begrotingsmiddelen voorziet om de sociale investeringen in Europa te kunnen stimuleren en ondersteunen, dat de beschikbare financiering op een rationele en doelmatige wijze gebruikt wordt en dat ook de structuurfondsen, met name het Europees Sociaal Fonds, worden ingeschakeld ter ondersteuning van de sociale investeringen, waarbij moet worden gegarandeerd dat de desbetreffende prioriteiten de specifieke behoeften van de lidstaten weerspiegelen; verzoekt de Commissie om, zo zij dit nodig acht, ook andere mogelijke financieringsbronnen ter beschikking van de lidstaten te stellen voor sociale investeringen;

o

o o

19.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0466.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0047.

(3)  PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 23.

(4)  Eurostat-persbericht 21/2012, blz. 1.

(5)  PB C 248 van 25.8.2011, blz. 130.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0495.

(7)  PB L 298 van 7.11.2008, blz. 20.

(8)  PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 11.

(9)  PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 112.

(10)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0263.

(11)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0453.

(12)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0531.

(13)  IP/10/1673.

(14)  PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 29.

(15)  PB L 306 van 23.11.2011.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/10


P7_TA(2012)0420

Afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: welke strategie om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (2012/2077(INI))

(2015/C 419/03)

Het Europees Parlement,

gezien zijn resolutie van 7 september 2010 inzake billijke inkomens voor de boeren: een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa (1),

gezien de mededeling van de Commissie over afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: een strategie met een belangrijke Europese meerwaarde om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (COM(2012)0148),

gezien het Groenboek van de Commissie over afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: een strategie met een belangrijke Europese meerwaarde om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (COM(2011)0436),

gezien de horizontale regeling voor afzetbevordering, die werd vastgelegd in Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad van 17 december 2007 (2) en de uitvoeringsverordening daartoe, Verordening (EG) nr. 501/2008 van de Commissie van 5 juni 2008 (3),

gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (4),

gezien de studie die in 2011 namens de Commissie werd uitgevoerd genaamd „Evaluation of Promotion and Information Actions for Agricultural Products” (Beoordeling van afzetbevorderings- en voorlichtingsacties voor landbouwproducten) (5),

gezien het verslag van de Commissie betreffende de toepassing van Verordening van de Raad (EG) nr. 3/2008 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen (SEC(2010)1434),

gezien de conclusies van de Raad van 15/16 december 2011 betreffende de toekomst van het beleid inzake afzetbevordering in de landbouw,

gezien de op 12 oktober 2011 ingediende wetgevingsvoorstellen van de Commissie voor de hervorming van het GLB (COM(2011)0625/3, COM(2011)0627/3, COM(2011)0628/3, COM(2011)0629, COM(2011)0630/3, COM(2011)0631/3), en het voorstel voor een integrale-GMO-verordening,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie over afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: een strategie met een belangrijke Europese meerwaarde om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (NAT/560),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het groenboek over afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: een strategie met een belangrijke Europese meerwaarde om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen (NAT/525) (6),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A7-0286/2012),

A.

overwegende dat de Commissie in maart 2012 een mededeling over voorlichting en afzetbevordering heeft gepubliceerd, die naar verwachting eind dit jaar gevolgd zal worden door wetsvoorstellen;

B.

overwegende dat de agrolevensmiddelensector een sterke en vitale sector voor economische groei en innovatie in alle lidstaten kan worden, met name in plattelandsgebieden en op regionaal niveau, en kan zorgen voor hogere landbouwinkomens en meer werkgelegenheid en groei;

C.

overwegende dat voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen in de jaren 80 werden ingevoerd met als doel de landbouwoverschotten weg te werken en later ook werden gebruikt als instrument om crisissituaties in de voedingsindustrie aan te pakken, zoals de uitbraak van boviene spongiforme encefalopathie (BSE) — beter bekend als de gekkekoeienziekte — in 1996 en de dioxinecrisis in 1999;

D.

overwegende dat voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen in deze tijd een grotere en constantere rol moeten spelen en ertoe moeten bijdragen dat producten rendabeler worden, dat de mededinging op externe markten eerlijker wordt en dat de consumenten meer en beter worden voorgelicht;

E.

overwegende dat dit soort steun momenteel gefinancierd wordt in het kader van Verordening (EG) nr. 3/2008, beter bekend als de „horizontale regeling voor afzetbevordering”; overwegende dat een door de Commissie aangevraagde beoordelingsstudie van het afzetbevorderingsbeleid in 2011 tot de conclusie kwam dat een consistente en alomvattende strategie van de Unie inzake voorlichting en afzetbevordering ontbrak;

F.

overwegende dat Verordening (EG) nr. 1234/2007 betreffende de integrale gemeenschappelijke marktordening (iGMO), die momenteel herzien wordt in het kader van het hervormingsproces van het GLB, steun verleent aan specifieke afzetbevorderingsmaatregelen voor de wijn-, fruit- en groentesector als onderdeel van bredere programma's; overwegende dat afzetbevorderingsmaatregelen voor producten die worden gedekt door de voedselkwaliteitsregelingen momenteel gefinancierd worden in het kader van het beleid voor plattelandsontwikkeling;

G.

overwegende dat de wijnconsumptie in de Europese Unie constant daalt en dat er geen Europese maatregelen voor de interne bevordering van dit product bestaan;

H.

overwegende dat de uitgaven voor de horizontale regeling voor afzetbevordering in de begroting van 2012 ongeveer 56 miljoen euro bedragen, wat neerkomt op circa 0,1 % van de totale GLB-uitgaven;

I.

overwegende dat voor de begroting ook rekening moet worden gehouden met de meest recente doelstellingen van het voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid, die niet alleen betrekking hebben op het herstellen van het vertrouwen van de consument na crisissituaties, maar ook op het rendabeler maken van producten, bewerkstelligen van een eerlijkere mededinging op externe markten en het meer en beter voorlichten van consumenten;

J.

overwegende dat de uitgaven voor alle andere afzetbevorderings- en voorlichtingsmaatregelen van het GLB, met name in het kader van de integrale GMO en het beleid inzake plattelandsontwikkeling, tussen de 400 en 500 miljoen euro per jaar bedragen, wat nog steeds minder is dan 1 % van de totale uitgaven voor het GLB, en duidelijk te weinig, vooral om het concurrentievermogen van Europese producten op de wereldmarkt te verbeteren;

K.

overwegende dat een van de sterke punten van de Unie wat betreft voedselproductie de verscheidenheid en specificiteit van haar producten is, die met verschillende geografische gebieden en verschillende traditionele methodes verbonden zijn en unieke smaken bieden, met de gevarieerdheid en authenticiteit waarnaar de consumenten steeds vaker op zoek zijn, zowel binnen de EU als daarbuiten;

L.

overwegende dat het afzetbevorderingsbeleid een belangrijk GLB-instrument is dat kan bijdragen aan het concurrentievermogen en de levensvatbaarheid van de landbouw- en levensmiddelensector op lange termijn;

M.

overwegende dat de EU onlangs een lijst van goedgekeurde voedings- en gezondheidsclaims heeft gepubliceerd die in december 2012 van kracht wordt en aldus een einde maakt aan jaren van onzekerheid voor de voedingsindustrie, omdat ze de afzetinstrumenten biedt die essentieel zijn om de aandacht van de consument te trekken en hem beter in staat te stellen om bewuste keuzes te maken;

N.

overwegende dat het concurrentievermogen van de landbouw- en levensmiddelensector van de EU op wereldniveau nog kan groeien indien de EU in staat is de Europese levensmiddelendiversiteit en het Europese productiemodel, dat aan hoge normen inzake kwaliteit, veiligheid, dierenwelzijn en ecologische duurzaamheid, enz. onderworpen is, te promoten en zo andere landbouwgrootmachten ertoe aanmoedigt dit model over te nemen, zodat er gelijke productievoorwaarden en eerlijke concurrentieverhoudingen ontstaan;

O.

overwegende dat de toenemende globalisering van de handel ontegenzeglijk een aantal uitdagingen meebrengt, maar tegelijkertijd ook nieuwe markten opent en nieuwe groeikansen biedt;

P.

overwegende dat de Raad, in zijn conclusies van december 2011 betreffende het beleid voor afzetbevordering voor landbouwproducten verklaart dat er ook voorlichtings- en afzetbevorderingsacties moeten komen ter stimulering van het potentieel van de lokale landbouw en de distributie via korte kanalen, en dat deze acties moeten worden ingepast in plattelandsontwikkelingsprogramma's, zoals de Commissie al had voorgesteld;

Q.

overwegende dat het noodzakelijk en belangrijk is voldoende middelen uit te trekken voor een beleid dat de afzet van Europese landbouwproducten en levensmiddelen bevordert en bijdraagt tot het concurrentievermogen van de landbouw- en levensmiddelensector door voordeel te trekken uit de diversiteit, de toegevoegde waarde en de kwaliteit van de producten ervan;

R.

overwegende dat er een onlosmakelijke band bestaat tussen de Europese landbouw en de levensmiddelenindustrie, die 70 % van de landbouwgrondstoffen verwerkt en als levensmiddelen verkoopt; dat 99 % van de Europese levensmiddelen- en drankenbedrijven kmo's zijn, waarvan 52 % op het platteland is gevestigd, wat hen tot een drijvende economische en sociale kracht in het Europese plattelandsmilieu maakt;

S.

overwegende dat GLB-steun voor het ontwikkelen van korte voorzieningsketens en lokale markten wordt gefinancierd door het beleid voor plattelandsontwikkeling, wat inderdaad de beste benadering is, aangezien dergelijke initiatieven kleinschalig en erg lokaal zijn en lokale tewerkstelling creëren;

T.

overwegende dat unieke traditionele Europese producten een aanzienlijk groeipotentieel hebben en aantrekkelijk zijn voor consumenten op grotere derde markten, en dat deze producten baat zouden hebben bij doelgerichte en intensievere afzetbevorderingsprogramma's en voor werkgelegenheid en groei in regionale gebieden zouden kunnen zorgen;

U.

overwegende dat een van de doelstellingen van de wetgevingsvoorstellen die momenteel ter tafel liggen in verband met de GLB-hervorming voor de periode na 2013 is ervoor te zorgen dat dit beleid volledig kan bijdragen tot de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie;

V.

overwegende dat Verordening (EG) nr. 1234/2007 betreffende de integrale GMO regels bevat voor de financiering van de schoolfruit- en schoolmelkprogramma's; overwegende dat volgens het huidige voorstel om de gemeenschappelijke marktordening te herzien (COM(2011)0626), het medefinancieringspercentage door de EU voor de schoolfruitregeling verhoogd zou moeten worden van 50 % tot 75 % van de kosten (en van 75 % tot 90 % in convergentieregio's);

W.

overwegende dat de schoolfruit- en schoolmelkprogramma's ook educatieve doelstellingen nastreven, onder andere leerlingen een beter idee geven van de manier waarop voedsel geproduceerd wordt en hoe het leven op een boerderij eruit ziet;

X.

overwegende dat de diverse afzetbevorderingsprogramma's, mits zij effectief worden uitgevoerd, ervoor helpen zorgen dat de Europese landbouwproducten in Europa en de hele wereld erkend worden en dat de consument zich meer bewust wordt van de hoge normen inzake voedselveiligheid, dierenwelzijn en milieubescherming waaraan de Europese landbouwers voldoen en die voortdurend gecontroleerd en verbeterd worden;

Y.

overwegende dat Verordening (EG) nr. 814/2000 ernaar streeft burgers het Europese landbouwmodel te helpen begrijpen en het bewustzijn bij de burgers over deze kwesties te vergroten; overwegende dat er vandaag waarschijnlijk meer onwetendheid en misverstanden over de landbouw zijn dan tijdens eender welke andere periode in de geschiedenis van Europa, en dat een belangrijke factor waarvan het publiek zich het minst bewust is de aanzienlijke stijging van de productiekosten in de landbouw is als gevolg van de door de EU opgelegde verplichtingen inzake voedselveiligheid en -hygiëne, sociaal welzijn van werkenden, instandhouding van het milieu en dierenwelzijn, verplichtingen die in veel gevallen niet gelden voor de rechtstreekse concurrenten van de EU op de landbouwmarkten; overwegende dat een van de belangrijke factoren waarover in de publieke opinie de meeste misverstanden bestaan is dat men zich niet bewust is van de aanzienlijke bijdrage die de landbouw levert aan het terugringen van de broeikasgasemissies, en van de lange lijst van collectieve voordelen die de landbouw oplevert.

Algemene benadering

1.

verwelkomt de mededeling van de Commissie over afzetbevordering en voorlichting ten behoeve van landbouwproducten: een strategie met een belangrijke Europese meerwaarde om de smaken van Europa beter onder de aandacht te brengen", die een eerste stap moet vormen naar de opwaardering van Europese producten in de ogen van zowel de Europeanen als de consumenten in andere werelddelen en naar verhoging van de rentabiliteit ervan;

2.

steunt de vier belangrijkste doelstellingen die in de mededeling werden bepaald, namelijk te zorgen voor een grotere Europese toegevoegde waarde in de voedingssector, een aantrekkelijker en trefzekerder beleid, een eenvoudiger beheer en meer synergie tussen de verschillende afzetbevorderingsinstrumenten;

3.

is van oordeel dat er evenveel aandacht moet worden geschonken aan het afzetbevorderingsbeleid voor de interne als aan dat voor de externe markt, aangezien beide voordelen opleveren voor producenten en consumenten;

4.

benadrukt dat het EU-afzetbevorderingsbeleid intern, op plaatselijk en regionaal niveau en op groeiende wereldmarkten legitiem en belangrijk blijft;

5.

is echter van mening dat de doelstellingen van het afzetbevorderingsbeleid van de EU duidelijker moeten worden en naar behoren moeten worden gedefinieerd; benadrukt dat afzetbevorderingsactiviteiten betrekking moeten hebben op alle landbouwlevensmiddelen die voldoen aan Europese kwaliteitsnormen, aangezien dat zal bijdragen tot de doeltreffendheid van die activiteiten en beantwoordt aan de behoeften van de consument; benadrukt ook dat steun aan een landbouw die voor voedselzekerheid, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en een dynamisch platteland zorgt, goed is voor de groei en de werkgelegenheid;

6.

benadrukt dat er op de interne markt algemene en constante afzetbevordering nodig is om ervoor te zorgen dat de Europese burgers geïnformeerd worden over de kenmerken en de meerwaarde van de Europese landbouwproducten die zij op de markt aantreffen;

7.

benadrukt dat het marktaandeel van Europese landbouwproducten op de externe markt gehandhaafd en vergroot moeten worden en dat er op de nieuwe, opkomende markten moet worden gezocht naar nieuwe afzetmogelijkheden voor deze producten, met meer samenhang tussen het afzetbevorderings- en het handelsbeleid van de EU;

8.

meent dat een duidelijke definitie door de Commissie van de doelstellingen van het afzetbevorderingsbeleid van de EU, in combinatie met de vaststellingen van objectieve richtsnoeren voor de lidstaten, een noodzakelijke eerste stap vormt naar meer beleidssamenhang en synergie tussen de verschillende afzetbevorderingsinstrumenten en absoluut essentieel is voor het waarborgen van een transparantere selectie van programma's op nationaal niveau; wijst erop dat de activiteiten van de Unie op dit vlak nationale initiatieven, alsook initiatieven uit de particuliere sector moeten aanvullen;

9.

is van mening dat de begroting voor verbeterde voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen aanzienlijk verhoogd moet worden, rekening houdend met de meest recente doelstellingen van het voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid, met name voor de horizontale regeling voor afzetbevordering; is ook van mening dat voor die regeling een aparte begrotingslijn moet worden gecreëerd;

10.

benadrukt dat de Europese landbouwsector slechts kans van slagen heeft als hij zijn marktaandeel weet te vergroten en ervoor kan zorgen dat de zeer concurrerende levensmiddelenindustrie haar belangrijke plaats binnen de economie en de handel in de EU behoudt;

11.

benadrukt de noodzaak van brede consumentenvoorlichtingscampagnes in de EU en op externe markten over de productkwaliteitsnormen en certificatiestelsels;

12.

benadrukt dat horizontale maatregelen voor afzetbevordering in het kader van Verordening (EG) nr. 3/2008 moeten bijdragen tot de ontwikkeling van lokale markten en korte voorzieningsketens en tot nieuwe impulsen voor de interne markt en intensivering van de afzetbevordering van Europese producten op externe markten;

13.

is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een vierde soort afzetbevorderingsmaatregel in te voeren die betrekking heeft op technische bijstand; acht dit essentieel voor een effectief afzetbevorderingsbeleid, vooral op externe markten;

14.

is zich bewust van het potentieel van het „paraplu”-systeem voor voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen;

15.

beveelt aan de generieke aard van voorlichtings- en afzetbevorderingsactiviteiten te handhaven;

Lokale, regionale, interne en externe markt

16.

verklaart dat het voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid van de EU drie hoofddoelen moet hebben: op de plaatselijke en regionale markten moet het de verscheidenheid en versheid van producten onder de aandacht brengen, alsook de korte afstand tussen producenten en consumenten, teneinde voor economische heropleving en sociale opwaardering van het plattelandsleven te zorgen; op de interne markt moet het optimaal gebruik maken van de voordelen van de Europese ruimte zonder grenzen en haar 500 miljoen consumenten, teneinde de productie op te voeren en de consumptie van Europese producten te stimuleren; op externe markten moet het profijt trekken uit de hoge normen die het Europese productiemodel kenmerken, teneinde een grotere meerwaarde voor de landbouwlevensmiddelensector te verkrijgen;

17.

stelt voor dat de Commissie korte voorzieningsketens ontwikkelt in de lokale en regionale markten en zo nieuwe kansen schept voor landbouwers en andere producenten in plattelandsgebieden en voor beroepsverenigingen van landbouwers en/of landbouwers en andere bedrijven op het platteland, en dat zij een breed scala aan instrumenten ontwerpt om de ontwikkeling van plattelandsgebieden te stimuleren; acht het voorts wenselijk dat de Commissie gidsen opstelt om landbouwers te helpen om meer en beter te investeren in de kwaliteit en de specifieke waarde van hun producten; is van mening dat ook moet worden gedacht over investeren in informatieverspreiding via de media (met name internet);

18.

stelt de Commissie voor op het niveau van de interne markt meer steun te verlenen aan de inspanningen van Europese producenten om de capaciteit te verwerven die nodig is om te voldoen aan de hogere verwachtingen van de consument op het gebied van kwaliteit, hygiëne en kennis inzake de oorsprong van verse producten en wanneer die het best kunnen worden geconsumeerd, om aldus de verscheidenheid van producten en levensmiddelen te bevorderen en de mogelijkheid te bieden om kennis te maken met nieuwe producten of nieuwe manieren om traditionele producten te presenteren en te gebruiken;

19.

verzoekt daarom om uitbreiding van op specifieke markten of producten gerichte programma's, waarbij de afzetbevorderingsinstrumenten de nadruk moeten leggen op de specifieke kenmerken van productienormen, en altijd de aandacht moeten vestigen op het Europese productiemodel en meer in het bijzonder de Europese kwaliteitsstelsels; acht het ook van belang dat meerlandenprogramma's worden aangemoedigd die betrekking hebben op diverse producten, omdat die enerzijds een ware Europese dimensie geven aan het programma en anderzijds meer specifiek behoefte hebben aan Europese steun; is in dit verband van mening dat voorrang moet worden gegeven aan landen die productieprogramma's uitvoeren waarin rekening wordt gehouden met de marktomstandigheden en het marktpotentieel en tegelijkertijd de Commissie de mogelijkheid geven om de steun voor het aangewezen gebied aan te passen;

20.

dringt erop aan dat afzetbevorderingsmaatregelen aantrekkelijker worden gemaakt voor beroepsorganisaties dankzij meer samenwerking tussen lopende nationale en sectorale activiteiten en betere coördinatie met politieke activiteiten, met name vrijhandelsovereenkomsten;

21.

acht het noodzakelijk te zorgen voor meer flexibiliteit in de programma's, zodat zij kunnen worden aangepast aan de marktschommelingen die zich tijdens de uitvoeringsfase voordoen; meent dat met het oog daarop ook minder details moeten worden geëist bij de indiening van programma's;

22.

meent dat er een betere programmabeoordeling moet komen waarbij gebruik wordt gemaakt van een strak beoordelingssysteem met specifieke indicatoren, zoals stijging van het marktaandeel en groei van de werkgelegenheid; is van mening dat het selectieproces korter moet worden en dat moet worden gedacht aan de mogelijkheid om voorschotten uit te keren aan organisaties;

23.

feliciteert de Commissie met de goede resultaten die met het huidige voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid voor landbouwproducten zijn behaald, maar verzoekt om vereenvoudiging en verbetering van dat beleid, waarbij het bijzonder belangrijk is dat de administratieve lasten worden verlicht, in de allereerste plaats door het aantal rapporten dat de Commissie verlangt, te verminderen; acht het wenselijk dat de Commissie een eenvoudig en volledig handboek opstelt dat potentiële begunstigden helpt om aan de aan dit beleid verbonden regels en procedures te voldoen;

24.

vestigt de aandacht van de Commissie op het feit dat het produceren van kwaliteitslevensmiddelen voor de externe markten op zich niet volstaat om een goede marktpositie te waarborgen en dat het daarom van vitaal belang is te investeren in afzetbevorderingsprogramma's; is van mening dat die programma's vooraf moeten worden gegaan door marktstudies in derde landen, die eventueel kunnen worden gecofinancierd; meent dat ook moet worden gedacht aan de mogelijkheid om proefprojecten te steunen in derde landen die als potentiële nieuwe markten zijn geïdentificeerd;

25.

pleit voor acties om de ontwikkeling van Europese verenigingen en bedrijven te stimuleren en deze aan te moedigen deel te nemen aan wereldfora en concurrerend te zijn dankzij kwaliteit en door prioriteit toe te kennen aan specialisatie en verscheidenheid; meent dat landbouwers en coöperaties daarin moeten worden bijgestaan, onder meer door middel van technische bijstand aan producenten, om hun strategieën uit te voeren en hun exportvermogen te benutten;

26.

wenst dat het mogelijk wordt gemaakt ook de oorsprong van producten zonder kwaliteitsbenaming te promoten en hun kenmerken en kwaliteiten onder de aandacht te brengen;

27.

meent dat er voor het voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid voor Europese producten een eigen label moet komen dat die producten binnen en buiten de EU identificeert;

28.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de consument zich meer bewust wordt van het feit dat de Europese landbouwnormen de strengste ter wereld zijn op gebieden als kwaliteit, veiligheid, dierenwelzijn, ecologische duurzaamheid, enz., en dat dit gevolgen heeft voor de eindprijs van het product; meent dat de consumenten transparante informatie moeten krijgen over hoe zij Europese producten en de eigenschappen daarvan kunnen herkennen, zodat zij niet het risico lopen nagemaakte producten te kopen en in staat worden gesteld om te besluiten wat zij willen kopen;

Oorsprong en kwaliteit

29.

gelooft dat kwaliteitsproducten producten zijn die zijn verbonden aan een specifieke productiemethode, geografische oorsprong, traditie of culturele context, en merkt op dat er al regelingen bestaan om deze te beschermen zoals de beschermde oorsprongsbenaming (BOB), de beschermde geografische aanduiding (BGA), biologische labels en gegarandeerde traditionele specialiteiten (GTS); dringt aan op een nieuwe regeling voor lokale landbouw en directe verkoop ten behoeve van lokale kwaliteitsproducten die bedoeld zijn voor consumptie in de regio waarin ze geproduceerd worden;

30.

is van mening dat de vermelding van de Europese oorsprong moet prevaleren als belangrijkste identiteit in alle afzetbevorderings- en voorlichtingsactiviteiten, zowel op de interne markt als in derde landen; meent dat kan worden overwogen om in derde landen daarnaast ook de nationale oorsprong te vermelden in gevallen waarin die identiteit sterk is en wanneer dat bijdraagt tot het accentueren van de diversiteit van het levensmiddelenaanbod;

31.

benadrukt dat het voor particuliere merken absoluut noodzakelijk is dat er een evenwicht wordt gevonden tussen generieke en merkgebonden bevordering, dat de afzetbevorderingscampagnes in derde landen doeltreffender zal helpen maken; deelt het standpunt van de Commissie dat merken een hefboomeffect kunnen hebben op dit soort activiteiten, en dat het logisch is de generieke bevordering aan te vullen met het samenbrengen van economische spelers via de bevordering van producten en merken, waardoor de impact op importeurs en dus op de consumenten groter wordt; is van mening dat het opnemen van particuliere handelsmerken in de bevorderingsactiviteiten er anderzijds toe zal leiden dat het bedrijfsleven meer belang heeft bij deelname, en dat niet moet worden vergeten dat het per slot van rekening de bedrijven zijn die meebetalen aan deze maatregelen;

32.

wijst erop dat kwaliteitsregelingen landbouwers, voor zover deze georganiseerd zijn, toelaten maatregelen voor aanbodbeheersing en prijsstabilisatie toe te passen, waardoor hun kansen om een fatsoenlijk inkomen uit de landbouw te verdienen, stijgen en dat deze regelingen dus het meest geschikt zijn om de „Europese toegevoegde waarde” te verhogen, in overeenstemming met de prioriteiten van de Commissie;

33.

acht het noodzakelijk dat producten die aan kwaliteitsnormen zijn onderworpen beter beschermd worden tegen de handelspartners van de EU; verzoekt om volledige opname van geografische aanduidingen en om betere bescherming daarvan in het kader van bilaterale en interregionale handelsovereenkomsten en op WTO-niveau;

34.

wijst erop dat de kadervoorschriften inzake financiering voor de afzetbevordering van producten waarvoor kwaliteitsnormen gelden moeten worden gewijzigd met het oog op meer financiële inspanningen van de EU;

35.

merkt op dat de inwerkingtreding van goedgekeurde informatie betreffende het verband tussen specifieke stoffen die in voedingsmiddelen gevonden worden en een betere gezondheid de afzetbevordering van producten om gezondheidsredenen transparanter zullen maken;

36.

is ingenomen met de toenemende vraag naar biologische producten en verzoekt om actievere stimulering van de productie en afzetbevordering ervan;

37.

benadrukt de noodzaak van bevordering van lokale producten van berg- en eilandgebieden en van verhoging van de financiële steun van de EU daarvoor;

38.

roept de Commissie op in haar externe afzetbevorderingsactiviteiten meer nadruk te leggen op de verbintenis van de Europese landbouw voor duurzamere landbouwmethoden, diversiteit en kwaliteit, alsook op de hogere kosten die dit met zich brengt, en ervoor te zorgen dat de afzetbevorderingsprogramma's en logo's van de EU meer bekendheid krijgen;

39.

is voorstander van het verlenen van technische bijstand aan kleine en middelgrote ondernemingen, met name om deze te helpen hun eigen marketingstrategieën uit te stippelen en hun doelmarkten te analyseren;

40.

beveelt aan dat er een internetplatform wordt gecreëerd voor de uitwisseling van potentiële projecten en goede praktijken als middel om het opzetten van reclamecampagnes met een Europese invalshoek aan te moedigen;

41.

benadrukt dat met de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt gestreefd naar betere prestaties op het gebied van organisatie van de productie, duurzaamheid en kwaliteit van de landbouwproducten; meent derhalve dat het afzetbevorderingsbeleid het mogelijk moet maken het volledige potentieel van de levensmiddelensector te ontplooien teneinde de economische groei en de werkgelegenheid in Europa te stimuleren;

42.

verzoekt de Commissie met klem om in haar toekomstige wetgevingsvoorstellen voor de bevordering van de smaken van Europa waar nodig verschillende beheersregelingen vast te stellen voor de interne en de externe markt en voor multinationale of crisisprogramma's;

43.

acht het noodzakelijk een Europese voorlichtings- en afzetbevorderingsstrategie uit te stippelen die nauwkeuriger is afgestemd op de doelmarkten en die producten of boodschappen aanbiedt die onder de aandacht moeten worden gebracht, daarbij rekening houdend met vrijhandelsovereenkomsten en met de markten die het rendabelst zijn, teneinde versnippering van middelen te voorkomen;

Schoolfruit- en schoolmelkregelingen

44.

verwelkomt het voorstel van de Commissie om tegen de achtergrond van de aanhoudende economische crisis de medefinancieringspercentages door de EU van de schoolfruitregeling te verhogen;

45.

vraagt de Commissie stappen te zetten om alle lidstaten aan te moedigen meer nadruk te leggen op het educatieve karakter van de schoolfruit- en schoolmelkregelingen en die regelingen volledig te integreren in de tweede pijler van de landbouwsteun;

Acties in verband met voorlichtingscampagnes over kwaliteitswijnen

46.

verzoekt de Commissie na te gaan of er op de EU-markt voorlichtingscampagnes voor volwassenen kunnen worden gelanceerd over verantwoord drinken van Europese kwaliteitswijnen; is van mening dat in die campagnes de aandacht moet worden gevestigd op matige consumptie van deze wijnen, en daarnaast op de culturele wortels van dit product, de kwalitatieve eigenschappen ervan en de specifieke kenmerken van de Europese wijnen;

o

o o

47.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 22.

(2)  PB L 3 van 5.1.2008, blz. 1.

(3)  PB L 147 van 6.6.2008, blz. 3.

(4)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(5)  http://ec.europa.eu/agriculture/eval/reports/promotion/fulltext_en.pdf.

(6)  PB C 43 van 15.2.2012, blz. 59.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/17


P7_TA(2012)0421

Uitvoering van de Volgrechtrichtlijn

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het verslag over de uitvoering en de gevolgen van de Volgrechtrichtlijn (2001/84/EG) (2012/2038(INI))

(2015/C 419/04)

Het Europees Parlement,

gezien Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (verder „de richtlijn”) (1),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité: Verslag over de uitvoering en de gevolgen van de Volgrechtrichtlijn (2001/84/EG) (COM(2011)0878),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A7-0326/2012),

A.

overwegende dat het volgrecht een auteursrecht is krachtens artikel 14 ter van de Berner Conventie tot bescherming van literaire en artistieke werken;

B.

overwegende dat de richtlijn met het oog op het wegnemen van potentiële obstakels voor de oprichting van de interne markt heeft bijgedragen tot de harmonisering van de essentiële voorwaarden voor de toepassing van het volgrecht;

C.

overwegende dat de aanneming van de richtlijn belangrijk was voor kunstenaars, niet enkel voor hun initiatieven gericht op het verkrijgen van erkenning en eerlijke behandeling als creatieve personen, maar ook voor hun rol als bijdragers van culturele waarden; overwegende dat er echter nog bezorgdheid bestaat over de gevolgen voor de Europese kunstmarkten en in het bijzonder voor de vele kleinere en gespecialiseerde veilinghuizen en handelaren in de EU;

D.

overwegende dat de richtlijn pas op 1 januari 2012 in alle lidstaten volledig is omgezet;

E.

overwegende dat het aandeel van de EU in de wereldmarkt voor werken van levende kunstenaars de afgelopen jaren aanzienlijk is gekrompen;

F.

overwegende dat artistieke schepping bijdraagt tot de voortdurende ontwikkeling van het culturele leven en erfgoed van de EU;

G.

overwegende dat de kunst- en antiekmarkt een aanzienlijke bijdrage levert aan de wereldeconomie, waaronder de bedrijven die ze ondersteunt, in het bijzonder die in de creatieve sectoren;

H.

overwegende dat de richtlijn administratieve lasten voor handelaren met zich meebrengt en handelaren in de EU commercieel benadeelt ten opzichte van handelaren in derde landen;

Ontwikkelingen op de Europese en wereldwijde kunstmarkt

1.

stelt vast dat de kunstmarkt in 2011 een recordjaar heeft geboekt waarin er voor 11,57 miljard USD aan kunst is verkocht en dat dit gelijk staat aan een stijging van meer dan 2 miljard USD ten opzichte van 2010 (2); benadrukt dat de kunst- en antiekmarkt een aanzienlijke bijdrage levert aan de wereldeconomie, waaronder de bedrijven die ze ondersteunt, in het bijzonder in de creatieve sectoren;

2.

wijst erop dat de Europese kunstmarkt in 2011 sterk is gegroeid: het Verenigd Koninkrijk behield een aandeel van 19,4 % in de wereldwijde markt, waarbij het verkoopvolume met 24 % toenam; het marktaandeel van Frankrijk bedroeg 4,5 %, waarbij de omzet met 9 % toenam, en in Duitsland nam de verkoop met 23 % toe, met een marktaandeel van 1,8 % (3);

3.

merkt op dat China 41,4 % van het wereldwijde marktaandeel in 2011 heeft veroverd en daarbij de VS voorbij is gestreefd, waar de omzet met 3 % daalde en het marktaandeel met 6 %: van 29,5 % in 2010 tot 23,5 % in 2011 (4);

4.

onderstreept dat China een indrukwekkende groei vertoont; merkt evenwel op dat de Chinese kunstmarkt momenteel alleen toegankelijk is voor kunstenaars uit het land zelf;

5.

merkt op dat de algehele verschuiving van het zwaartepunt van de kunstmarkt naar de opkomende landen het gevolg is van de mondialisering, de opkomst van Azië en het feit dat er in die landen nieuwe verzamelaars opstaan;

6.

stelt met voldoening vast dat landen buiten de EU overwegen om het volgrecht op te nemen in hun nationale wetgeving; merkt in het bijzonder op dat er in de Verenigde Staten op 12 december 2011 een wetsvoorstel is ingediend teneinde een volgrecht van 7 % in te voeren op de verkoop van hedendaagse kunst; merkt op dat een Chinees wetsvoorstel inzake auteursrechten eveneens voorziet in de invoering van een volgrecht (artikel 11 (13));

Tenuitvoerlegging van de richtlijn

7.

herinnert eraan dat de bedragen van de reproductie- en weergaverechten bij grafische en beeldende kunst verwaarloosbaar zijn en dat de opbrengsten bij deze kunstvormen afkomstig zijn van de verkoop en wederverkoop van fysieke kunstwerken;

8.

benadrukt het feit dat kunstenaars — die aan het begin van hun carrière hun kunstwerken veelal tegen een lage prijs verkopen — dankzij het volgrecht kunnen rekenen op een gestage inkomstenstroom;

9.

herinnert eraan dat niet uit het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging en de effecten van de richtlijn en van de sector zelf afkomstige statistieken blijkt dat het volgrecht een negatief effect heeft op de Europese kunstmarkt;

10.

roept de Commissie op om een beoordeling uit te voeren van het effect op de werking van de kunstmarkt in het algemeen, met inbegrip van de administratieve moeilijkheden die kleinere en gespecialiseerde veilinghuizen en handelaren ondervinden;

11.

herinnert eraan dat het volgrecht dankzij diverse bepalingen van de richtlijn evenwichtig ten uitvoer wordt gelegd en dat daarbij rekening wordt gehouden met de belangen van alle betrokken partijen, in het bijzonder het degressieve karakter van de tarieven, de plafonnering van het volgrecht op 12  500 EUR, de uitsluiting van kleine verkopen en de vrijstelling voor wederverkopen door de eerste koper in het bijzonder; benadrukt echter dat de richtlijn handelaren een administratieve last op de schouders legt;

12.

merkt op dat het volgrecht ten bate van de levende maker van een origineel kunstwerk een bruikbaar instrument kan zijn om te voorkomen dat kunstenaars gediscrimineerd worden;

Conclusies

13.

wijst op het feit dat de kunstmarkt in 2010 naar schatting een omvang had van 10 miljard USD en in 2012 van 12 miljard USD, waarbij het volgrecht slechts 0,03 % van deze bedragen uitmaakt; is van mening dat het om een belangrijke markt gaat waarop kunstenaars en hun erfgenamen een billijke beloning moeten ontvangen;

14.

merkt op dat uit marktonderzoek en statistieken niet naar voren komt dat het volgrecht negatieve gevolgen heeft voor de locatie van de kunstmarkt en de omzet;

15.

brengt in herinnering dat de richtlijn pas op 1 januari 2012 volledig door alle lidstaten was omgezet hoewel het volgrecht in vele lidstaten al tientallen jaren wordt erkend;

16.

onderstreept het belang van het bieden van proactieve ondersteuning aan lokale kunstenaars, met inbegrip van de jongste kunstenaars;

17.

meent dat het te vroeg is om al in 2014 de richtlijn opnieuw onder de loep te nemen, zoals voorgesteld door de Commissie, en stelt voor dat dit onderzoek in 2015 wordt gedaan (d.w.z. vier jaar na de evaluatie van december 2011);

18.

verzoekt de Commissie om in haar volgende evaluatieverslag te onderzoeken in hoeverre de toepasselijke tarieven, de drempels en de indeling van de begunstigden in de richtlijn voldoen;

19.

verzoekt de Commissie om nauw met de belanghebbende partijen samen te werken teneinde de positie van de Europese kunstmarkt te versterken en een aantal problemen, zoals het „cascade-effect” en de administratieve problemen die kleinere en gespecialiseerde veilinghuizen en handelaren ondervinden, te verhelpen;

20.

is ingenomen met de initiatieven van landen buiten de EU tot invoering van het volgrecht en verzoekt de Commissie om zich op internationale fora te blijven inzetten voor versterking van de positie van de Europese kunstmarkt in de wereld;

o

o o

21.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 272 van 13.10.2001, blz. 32.

(2)  Artprice, Art Market Trends 2011, http://imgpublic.artprice.com/pdf/trends2011_fr.pdf

(3)  Idem.

(4)  Idem.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/19


P7_TA(2012)0426

Kaart-, internet- en mobiele betalingen

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over „Naar een geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen” (2012/2040(INI))

(2015/C 419/05)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 26 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het Groenboek van de Commissie van 11 januari 2012 met als titel „Naar een geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen” (COM(2011)0941, verder „het Groenboek”),

gezien de mededeling van de Commissie van 11 januari 2012 met als titel „Een coherent kader voor een groter vertrouwen in de digitale eengemaakte markt voor elektronische handel en onlinediensten” (COM(2011)0942),

gezien de van 11 januari 2012 t/m 11 april 2012 door de Commissie gehouden openbare raadpleging over het Groenboek,

gezien de op 4 mei 2012 door de Commissie gehouden conferentie over kaart-, internet- en mobiele betalingen,

gezien Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (1),

gezien het informatiedocument van maart 2012 over de handhaving van het mededingingsrecht in de betalingssector van de hand van de subgroep bank- en betaaldiensten van het European Competition Network (ECN) (2),

gezien de aanbevelingen van de Europese Centrale Bank van april 2012 inzake de veiligheid van internetbetalingen (3),

gezien het antwoord van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming van 11 april 2012 op de door de Commissie gehouden openbare raadpleging over het Groenboek „Naar een geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen” (4),

gezien het werkdocument van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 mei 2012 over het Groenboek (INT/634),

gezien het besluit van de Commissie van 24 juli 2002 met betrekking tot een procedure krachtens artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst in zaak COMP/29.373 Visa International (5),

gezien het besluit van de Commissie van 19 december 2007 met betrekking tot een procedure krachtens artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst in de zaken COMP/34.579 — MasterCard, COMP/36.518 — EuroCommerce en COMP/38.580 — Commercial Cards (6),

gezien het arrest van het Gerechtshof van 24 mei 2012 in de zaak MasterCard e.a./Commissie (7),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0304/2012),

A.

overwegende dat de Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen momenteel nog versnipperd is langs nationale grenzen en dat slechts een beperkt aantal grote spelers in staat is geaccepteerd te worden door handelaren en hun diensten grensoverschrijdend aan te bieden;

B.

overwegende dat de dominante positie van twee niet-Europese dienstverleners voor kaartbetalingen kan leiden tot buitensporige en ongerechtvaardigde tarieven voor zowel consumenten als handelaren, waarbij de banken van beide partijen (de zogenaamde emitterende en wervende banken) profiteren van deze situatie, zoals de Commissie in haar Groenboek heeft aangegeven;

C.

overwegende dat de ontwikkeling en een breder gebruik van kaart-, internet- en mobiele betalingen kan bijdragen tot de groei en een grotere diversiteit van de e-handel in Europa;

D.

overwegende dat het marktaandeel van internet- en mobiele betalingen en de verscheidenheid aan dergelijke diensten zowel in Europa als wereldwijd gestaag toeneemt;

E.

overwegende dat, als gevolg van technische vooruitgang, systemen voor kaartbetalingen geleidelijk kunnen worden vervangen door andere elektronische en mobiele betalingswijzen;

F.

overwegende dat het Groenboek geen vergelijking maakt tussen de kosten en de maatschappelijke impact van contante betalingen of betalingen per cheque enerzijds en kaart-, internet- en mobiele betalingen anderzijds, waardoor er geen vergelijkende analyse kan worden gemaakt van de economische en maatschappelijke kosten en impact van contante betalingen of betalingen per cheque;

G.

overwegende dat het huidige bedrijfsmodel voor kaartbetalingen exorbitant hoge niveaus van multilaterale afwikkelingsvergoedingen (MIF's) toelaat, die soms de werkelijke financieringskosten van het systeem lijken te overstijgen en een belangrijk obstakel vormen voor concurrentie op de betalingsmarkt;

H.

overwegende dat grensoverschrijdende werving momenteel slechts voor een beperkt aantal spelers een optie is en dat met dit mechanisme de keuzemogelijkheden van handelaren zouden kunnen worden uitgebreid en de concurrentie mogelijk toeneemt en de kosten voor consumenten kunnen dalen;

I.

overwegende dat het in sommige lidstaten niet is toegestaan om toeslagen te heffen voor het gebruik van kaartbetalingen, terwijl dit in andere lidstaten wijd en zijd verbreid is, en dat bovenmatige toeslagen ten koste zijn gegaan van de consumenten omdat betalingsdienstaanbieders vaak geen alternatieven aanbieden voor betalingswijzen met toeslagen;

J.

overwegende dat het betaalkaartensysteem voor de eengemaakte eurobetalingsruimte (SEPA) vereist dat consumenten in staat moeten zijn „algemene kaarten te gebruiken voor betalingen en geldopnames in euro in de SEPA-ruimte met hetzelfde gemak en comfort als in hun thuisland. Het mag niet uitmaken of ze hun kaart(en) in hun thuisland gebruiken of in een ander SEPA-land. Systemen voor algemene kaarten die ontworpen zijn voor exclusief gebruik in één land en betaalkaartensystemen die ontworpen zijn voor exclusief grensoverschrijdend gebruik binnen de SEPA-ruimte moeten worden afgeschaft.”;

K.

overwegende dat een succesvolle SEPA-migratie naar verwachting een impuls zal geven aan de ontwikkeling van innovatieve pan-Europese betalingswijzen;

De verschillende betalingsmethodes

1.

prijst de Commissie voor haar Groenboek, vindt de overwegingen en vragen die daarin aan de orde worden gesteld zeer relevant, en is het volledig eens met de genoemde doelstellingen: meer concurrentie, een ruimere keuze en meer innovatie, betalingszekerheid en consumentenvertrouwen;

2.

is het eens met de Commissie dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen drie verschillende productmarkten bij vierpartijenbankkaartsystemen — ten eerste een markt waarin de diverse kaartsystemen met elkaar concurreren om financiële instellingen als emitterende of wervende klanten binnen te halen; ten tweede een eerste „downstream”-markt waarbij emitterende banken een concurrentiestrijd voeren om de bankkaarthouders („de emitterende markt”); en ten slotte een tweede „downstream”-markt waarbij de wervende banken wedijveren om de handelaren („de wervende markt”) — en is van mening dat vrije concurrentie in de hand moet worden gewerkt op elke markt;

3.

wijst op het belang van marktconforme zelfregulering met de samenwerking van alle belanghebbenden, maar onderkent dat zelfregulering misschien niet binnen een acceptabel tijdsbestek de gewenste resultaten oplevert vanwege tegengestelde belangen; verwacht van de Commissie dat zij de nodige wetgevingsvoorstellen doet om bij te dragen aan de totstandkoming van een echte SEPA-ruimte voor kaart-, internet- en mobiele betalingen, en wijst in dit verband op het belang van de op stapel staande herziening van de richtlijn betalingsdiensten;

4.

onderstreept de behoefte aan een duidelijke en allesomvattende visie over een SEPA-ruimte voor kaart-, internet- en mobiele betalingen en aan de vaststelling van de noodzakelijke richtsnoeren en tijdpaden om het kerndoel te bereiken, namelijk het bannen van om het even welk verschil tussen grensoverschrijdende en nationale betalingen;

5.

onderstreept dat er vorderingen moeten worden geboekt op weg naar een onvertraagd clearing- en afwikkelingssysteem, dat technisch al binnen bereik is en nu al wordt gebruikt voor een aantal betalingen, en benadrukt dat de ontwikkeling van een realtime-economie in de hele SEPA-ruimte een belangrijk doel moet zijn en dat een geavanceerd onvertraagd interbancair systeem overal in de SEPA-ruimte toegankelijk moet zijn;

6.

is daarom van mening dat alle nationale regelingen voor kaart-, internet- en mobiele betalingen moeten worden aangesloten op of worden getransformeerd in een pan-Europees SEPA-conform systeem, zodat alle kaart-, mobiele en internetbetalingen overal in de SEPA-ruimte worden geaccepteerd, en dat hiervoor een overgangsperiode moet worden voorgesteld door de Commissie;

7.

merkt op dat alle betalingsterminals in staat moeten zijn alle kaarten te accepteren en te voldoen aan de vereisten op het vlak van interoperabiliteit, en dat daarom alle technische obstakels vanwege afwijkende vereisten voor functionaliteit en certificering moeten worden verholpen, omdat gemeenschappelijke normen en regels en gestandaardiseerde terminalsoftware de concurrentie kunnen aanwakkeren;

8.

is van mening dat een zelfregulerende benadering voor de geïntegreerde Europese betalingsmarkt niet voldoende is; verzoekt de Commissie wetgeving op te stellen om de veiligheid van betalingen, eerlijke concurrentie, financiële integratie, de bescherming van persoonlijke gegevens en transparantie voor consumenten te waarborgen;

9.

verzoekt de Commissie hervormingen door te voeren in de SEPA-governance om ervoor te zorgen dat het besluitvormingsproces democratisch en transparant verloopt en het algemeen belang dient; wijst erop dat dit een actievere en meer leidende rol van de Commissie en de Europese Centrale Bank (ECB) in de SEPA-governance vereist, evenals een evenwichtige vertegenwoordiging van alle belanghebbenden in alle besluitvormings- en uitvoerende organen van SEPA, waarmee voldoende betrokkenheid van eindgebruikers gegarandeerd wordt;

10.

uit zijn bezorgdheid over een momenteel al te strikte regulering van de markt voor internetbetalingen en mobiele betalingen omdat deze betaalwijzen nog volop in ontwikkeling zijn; is van mening dat bij de karakterisering van regelgevende initiatieven op dit vlak het gevaar bestaat dat er een te grote nadruk wordt gelegd op bestaande betalingsinstrumenten waardoor innovatie in de kiem wordt gesmoord en de markt wordt verstoord nog voordat deze tot volle wasdom is gekomen; verzoekt de Commissie dan ook om bij toekomstige voorstellen over nieuwe internet- en mobiele betalingsmethoden een passende aanpak te kiezen, waarmee een hoog niveau van consumentenbescherming wordt gewaarborgd, vooral voor kwetsbare consumenten;

11.

wijst erop dat hoewel elektronische betalingen een steeds belangrijkere rol spelen in Europa en in de rest van de wereld, er nog steeds ernstige belemmeringen bestaan voor een volledig en effectief geïntegreerde, concurrentiële, innovatieve, veilige, transparante en consumentvriendelijke Europese digitale interne markt voor dat soort betalingen;

12.

benadrukt dat het in de huidige periode van crisis van groot belang is initiatieven te ontwikkelen die de economische groei, de werkgelegenheid en het weer op gang komen van de consumptie bevorderen, dat de digitale markt kansen biedt om deze doelen te verwezenlijken, maar dat de Europese Unie hiervoor in staat moet zijn een complete interne digitale markt te creëren, en dat het opheffen van bestaande belemmeringen enerzijds en het vergroten van het consumentenvertrouwen anderzijds essentieel zijn; is in dat verband van mening dat het bestaan van een Europese interne markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen, die vrije concurrentie en innovatie mogelijk maakt en die neutraal is en veilig, van fundamenteel belang is voor het verwezenlijken van een ware digitale interne markt en in hoge mate kan bijdragen aan een groter consumentenvertrouwen;

13.

benadrukt dat de ontwikkeling van transparante, veilige en effectieve betalingssystemen in de digitale Europese markt een absolute vereiste is voor het bestaan van een ware digitale economie en voor het vergemakkelijken van de grensoverschrijdende elektronische handel;

14.

wijst erop dat een veilig, betrouwbaar en transparant Europees kader voor elektronische betalingen van essentieel belang is om een digitale interne markt te kunnen opzetten; beklemtoont hoe belangrijk informatiecampagnes zijn om de consumenten bewust te maken van de op de markt beschikbare keuzemogelijkheden en van de voorwaarden en vereisten voor veilige elektronische betalingen, en is van mening dat dergelijke campagnes op EU-niveau moeten worden gevoerd, mede om de vaak ongegronde zorgen ten aanzien van dat soort betalingen weg te nemen; is van mening dat, wat dat betreft, consumentvriendelijke contactpunten het vertrouwen in betalingen op afstand zouden kunnen vergroten;

15.

benadrukt dat in dit verband maatregelen moeten worden genomen om een eind te maken aan de discriminatie die Europese burgers vaak ondervinden wanneer hun betalingen bij grensoverschrijdende transacties via internet worden geweigerd vanwege hun herkomst;

16.

betreurt dat de meeste betalingskosten in de huidige situatie niet transparant zijn en wijst erop dat degenen die geen gebruik maken van dure betalingsmethoden nog altijd de kosten daarvan dekken; benadrukt dat elke betalingswijze met de nodige kosten gepaard gaat; verzoekt de Commissie dan ook om in toekomstige stukken over dit onderwerp een vergelijking op te nemen van de kosten, de bijzonderheden en de sociale impact van contante betalingen en betalingen per cheque voor alle spelers op de markt en voor de consumenten, met andere betalingswijzen; wijst er nogmaals op dat alle Europeanen toegang moeten hebben tot fundamentele bancaire diensten; benadrukt dat er maatregelen moeten worden getroffen voor gemeenschappelijke technische normen, gezien het belang, de doeltreffendheid en de toereikendheid van de huidige normen in Europa;

Normalisatie en interoperabiliteit

17.

is van mening dat verdere inspanningen inzake gemeenschappelijke technische normen op basis van toegang voor iedereen de concurrentiekracht van de Europese economie en de werking van de interne markt kunnen verbeteren, en ook de interoperabiliteit kunnen stimuleren en de nodige veiligheidsvoordelen kunnen bieden in de vorm van gemeenschappelijke veiligheidsnormen, iets waar zowel de consument als de handelaar voordeel bij hebben;

18.

constateert dat voor internet- en mobiele betalingen de meeste normen hetzelfde moeten zijn als voor de huidige SEPA-betalingen, maar dat er nieuwe normen nodig zijn voor de veiligheid en de identificatie van klanten en voor „real-time” interbancaire prestaties via internet, en onderstreept dat het ontwikkelen van nieuwe normen alleen niet volstaat, maar dat gecoördineerde uitvoering minstens zo belangrijk is;

19.

benadrukt dat normalisatie niet ten koste mag gaan van de mededinging en de innovatie, maar juist de bestaande obstakels op dit vlak uit de weg moet ruimen om te zorgen voor gelijke mededingingsvoorwaarden voor alle partijen; doet daarom de aanbeveling dat de normen de weg moeten vrijmaken voor innovatie en concurrentie op de markt, aangezien het verplicht stellen van één enkele of een restrictieve norm marktontwikkeling en innovatie zou belemmeren, een onevenredige beperking zou opleggen en niet bevorderlijk zou zijn voor gelijke concurrentievoorwaarden; wijst echter op het kartelonderzoek van de Commissie over het normalisatieproces voor betalingen via internet (e-betalingen), uitgevoerd door de Europese Betalingsraad (EPC);

20.

merkt op dat alle betalingstransacties in feite dezelfde soort gegevens bevatten, en benadrukt dat er veilige datacommunicatie moet zijn voor alle betalingen die automatische end-to-end „real-time” verwerking mogelijk maakt; ziet de voordelen in van het feit dat alle systemen hetzelfde berichtformaat hanteren, en herinnert eraan dat het het meest voor de hand ligt te kiezen voor de oplossing die wordt gebruikt voor overmakingen en automatische afschrijvingen, als bedoeld in de bijlage bij de verordening inzake de einddatum van SEPA (d.w.z. ISO XML 20022); beveelt aan hetzelfde berichtformaat te gebruiken bij alle communicatie over transactiegegevens van de terminal naar de klant met alle relevante informatie;

21.

onderstreept dat, gezien de zich snel ontwikkelende maar nog steeds premature fase waarin de marktontwikkeling voor elektronische en mobiele betalingen zich bevindt, het opleggen van verplichte normen op deze cruciale terreinen voor de versterking van een interne digitale Europese markt het risico op negatieve effecten voor innovatie, concurrentie en groei van de markt met zich meebrengt;

22.

geeft aan dat volgens de feedbackverklaring van de Commissie inzake de openbare raadpleging over het Groenboek de uitvoering van de ontwikkelde normen vaak een enorme uitdaging vormt; verzoekt de Commissie de mogelijkheid van handhavingsmechanismen te onderzoeken, zoals het vastleggen van einddata voor migraties;

23.

merkt op dat voor gebruikers van betalingsdiensten de pinkosten bij een andere bank en met een andere kaartregeling in veel lidstaten vaak torenhoog zijn en in de hele SEPA-ruimte meer op de werkelijke kosten gebaseerd moeten zijn;

24.

benadrukt dat alle normalisatie- en interoperabiliteitsvereisten ten dienste moeten staan van meer concurrentie, transparantie, innovatie, betalingsveiligheid en doeltreffendheid van de Europese betalingssystemen, zodat alle consumenten en andere belanghebbenden er baat bij hebben; benadrukt dat normalisatievereisten geen obstakels mogen opwerpen door onnodige verschillen ten opzichte van de mondiale markt te creëren; is verder van mening dat gemeenschappelijke normen tevens op mondiaal niveau moeten worden nagestreefd, in nauwe samenwerking met de belangrijkste economische partners van de EU;

25.

verzoekt de Commissie na te gaan op welke wijze de entree van nieuwkomers op de betaalkaartenmarkt kan worden bevorderd, waarbij gedacht kan worden aan een gemeenschappelijke betalingsinfrastructuur voor alle transacties, ongeacht de kaartaanbieder;

26.

merkt op dat de mededinging verbeterd kan worden door de betalingsinfrastructuur af te scheiden van de betalingssystemen, en wel omdat kleinere spelers dan niet langer als gevolg van technische beperkingen worden uitgesloten van de markt; benadrukt dat het de betalingsdienstaanbieders vrij moet staan elke mogelijke combinatie van emitterende en wervende diensten te kiezen die beschikbaar is binnen de betalingssystemen op de markt, en dat transacties van verschillende parallelle betalingssystemen voor vergelijkbare instrumenten neutraal moeten worden verwerkt door betalingsinfrastructuren;

27.

benadrukt dat erop moet worden toegezien dat met de maatregelen die in dit verband worden genomen de vrije en eerlijke concurrentie en de vrije toetreding en toegang tot de markt worden geëerbiedigd en dat rekening wordt gehouden met toekomstige technologische innovaties in deze sector zodat het systeem zich kan aanpassen aan toekomstige ontwikkelingen en zodat innovatie en mededinging te allen tijde mogelijk zijn en worden gestimuleerd;

Governance

28.

verzoekt de Commissie een betere SEPA-governance voor te stellen, waarin de organisatorische structuur is opgenomen in verband met de ontwikkeling van de belangrijkste kenmerken van betalingsdiensten en van de invoering van de voorschriften die moeten worden opgevolgd, en waarbij de ontwikkeling van technische en veiligheidsnormen apart wordt georganiseerd ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de gerelateerde regelgeving; roept op tot een evenwichtigere vertegenwoordiging van alle belanghebbenden bij de verdere ontwikkeling van gemeenschappelijke technische normen en gemeenschappelijke veiligheidsnormen voor betalingssystemen; dringt er bij de Commissie op aan in te gaan op zijn eerdere verzoeken voor een hervorming van de SEPA-governance om ervoor te zorgen dat de gebruikers van betalingsdiensten beter vertegenwoordigd zijn in het besluitvormings- en normalisatieproces; merkt op dat deze belanghebbenden onder meer, en dus niet uitsluitend kunnen zijn: de Europese Betalingsraad (EPC), consumentenorganisaties, handelarenorganisaties en grote winkelketens, de Europese Bankautoriteit (EBA), de Commissie, deskundigen uit uiteenlopende vakgebieden, betalingsdienstaanbieders van buiten de banksector, aanbieders van kaart-, internet- en mobiele handel en operatoren van mobiele netwerken; verzoekt deze belanghebbenden hun werkzaamheden te organiseren aan de hand van een nieuwe governancestructuur waarin de SEPA-raad een rol vervult; is van mening dat de SEPA-raad moet worden bijgestaan door diverse technische comités of „taskforces” voor e-betaling, m-betaling, kaarten, contant geld en andere normalisatiekwesties, en door ad-hocwerkgroepen; herinnert de Commissie aan haar toezegging in de verklaring over SEPA-governance bij de goedkeuring van Verordening (EU) nr. 260/2012 om uiterlijk eind 2012 een voorstel in te dienen; verzoekt de Europese normalisatieorganen, zoals het Europees Comité voor Normalisatie (Comité européen de Normalisation, CEN) of het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (European Telecommunications Standards Institute, ETSI), om in samenwerking met de Commissie een actievere rol te spelen bij het normaliseren van kaartbetalingen;

29.

erkent in dit verband dat de SEPA een hoeksteen is voor de oprichting van een geïntegreerde EU-markt voor betalingen, en de basis waarop deze markt verder moet worden ontwikkeld om hem innovatiever en concurrentiëler te maken;

30.

is van mening dat de handhaving van de voorschriften inzake elektronische betalingen vaak op moeilijkheden stuit, ontoereikend is en uiteenloopt in Europa, en dat meer inspanningen ondernomen moeten worden om ervoor te zorgen dat de voorschriften naar behoren en uniform worden gehandhaafd;

31.

bevestigt dat een zelfregulerende aanpak niet volstaat; is van mening dat de Commissie en de ECB, in samenwerking met de lidstaten, een actievere leidersrol moeten spelen en dat alle relevante belanghebbenden, met name consumentenverenigingen, voldoende geraadpleegd moeten worden en betrokken moeten worden bij het besluitvormingsproces;

32.

acht het waarschijnlijk dat de Europese bedrijven die voor hun activiteiten afhankelijk zijn van de mogelijkheid om kaartbetalingen te accepteren, in aantal zullen toenemen; is van mening dat het in het openbaar belang is objectieve regels vast te stellen waarin wordt beschreven onder welke omstandigheden en aan de hand van welke procedures acceptatie in het kader van een kaartbetalingsregeling eenzijdig mag worden geweigerd;

33.

vindt het belangrijk om de SEPA-governance te versterken en de vernieuwde SEPA-raad een sterkere rol toe te bedelen: dit nieuwe bestuursorgaan moet bestaan uit vertegenwoordigers van de belangrijkste belanghebbenden en moet zodanig worden ingericht dat het voorziet in democratische controle door de Commissie en andere EU-instanties; stelt voort dat een vernieuwde SEPA-raad de leiding moet hebben over de werkzaamheden, een tijdschema en werkplan moet opstellen, beslissingen moet nemen over de prioriteiten, en conflicten tussen belanghebbenden moet beslechten; benadrukt dat de democratische controle moet worden gewaarborgd via de Commissie, waarbij de ECB en de EBA een vooraanstaande rol spelen;

34.

is ingenomen met de raadpleging door de Commissie van belanghebbenden als onderdeel van het Groenboek over SEPA-governance, op grond van overweging 5 van Verordening (EU) nr. 260/2012, en kijkt uit naar het voorstel dat de Commissie voornemens is eind dit jaar over dit onderwerp in te dienen; onderstreept dat de onmiddellijke prioriteit van alle SEPA-belanghebbenden de voorbereiding op de SEPA-migratie moet zijn overeenkomstig de voorwaarden die zijn neergelegd in Verordening (EU) nr. 260/2012 om een soepele overgang te garanderen van het gebruik van nationale naar pan-Europese betalingssystemen;

Grensoverschrijdende werving

35.

wijst erop dat verdere normalisatie en een betere afstemming van praktijken om technische obstakels uit de weg te ruimen en nationale afwikkelings- en clearingvoorschriften af te schaffen, kunnen bijdragen aan de verdere bevordering van grensoverschrijdende werving omdat dit de mededinging vergroot, handelaren bijgevolg ruimere keuzemogelijkheden biedt en klanten daardoor de beschikking krijgen over goedkopere betalingsmethodes; is van mening dat handelaren beter moeten worden geïnformeerd over de mogelijkheid van grensoverschrijdende werving;

36.

dringt gezien de voordelen van grensoverschrijdende werving voor de interne markt aan op een verdere actieve bevordering daarvan; uit zijn zorgen over de huidige nationale, juridische en technische barrières, zoals bepaalde licentievoorwaarden, die moeten worden opgeheven zodat een buitenlandse SEPA-conforme werver niet anders wordt behandeld dan een binnenlandse werver in dat land;

37.

benadrukt dat er geen grote verschillen mogen bestaan tussen de wetgeving inzake meerdere betaalrekeningen, en dat de betaler zijn geld via internet of mobiele telefoon moet kunnen overmaken naar elke rekening van een bij SEPA aangesloten financiële instelling;

38.

onderstreept dat alle geautoriseerde betalingsdienstaanbieders dezelfde toegang moeten hebben tot clearing- en afwikkelingfaciliteiten, als ze beschikken over adequate procedures voor risicobeheer, voldoen aan de minimale technische voorschriften en worden geacht stabiel genoeg te zijn om geen risico te vormen, d.w.z. als ze onderworpen zijn aan globaal dezelfde vereisten als banken;

Multilaterale interbancaire tarieven (MIF's)

39.

herinnert eraan dat volgens de uitspraak van het Europees Hof van Justitie in de „Mastercard-zaak” van 24 mei 2012 de multilaterale afwikkelingsvergoeding (MIF) als concurrentieverstorend kan worden beschouwd, en verzoekt de Commissie een voorstel te doen voor de manier waarop rekening moet worden gehouden met deze uitspraak bij de regulering van de bedrijfsmodellen voor kaart-, mobiele of internetbetalingen;

40.

merkt op dat de huidige MIF-inkomsten in veel gevallen te hoog zijn in verhouding tot de kosten die ze moeten dekken; wijst erop dat het eventueel nodig kan zijn om verschillende betalingstarieven te nivelleren zodat kruissubsidiëringspraktijken inefficiënte instrumentkeuzes niet in de hand werken, en verzoekt de Commissie er via een verordening voor te zorgen dat MIF's de concurrentie niet langer verstoren door obstakels op te werpen voor de toetreding van nieuwe spelers op de markt en voor innovatie; verzoekt de Commissie om tegen eind 2012 een effectbeoordeling van de verschillende opties te verrichten; benadrukt het belang van juridische helderheid en rechtszekerheid bij de MIF's;

41.

merkt op dat na de overgangsperiode SEPA-compatibele betalingskaarten van alle EU-onderdanen geaccepteerd moeten worden bij elke betalingsterminal in de SEPA en dat de betaling veilig moet worden gerouteerd; merkt op dat deze vereiste kan impliceren dat MIF's moeten worden gereguleerd met een drempelwaarde, en hamert erop dat dit niet mag resulteren in een verhoging van MIF's in de lidstaten, maar eerder in een verlaging en eventueel zelfs tot nul in een later stadium;

42.

is van mening dat grensoverschrijdende en centrale werving moet worden bevorderd en dat alle technische en juridische obstakels uit de weg moeten worden geruimd, aangezien mede hierdoor de MFI-niveaus en handelarenvergoedingen kunnen worden verlaagd;

43.

acht regulering van MIF's op Europees niveau noodzakelijk, met het oog op een eenvoudigere toegang van nieuwe spelers op de markt tot grensoverschrijdende werving, waardoor handelaren de vrije keuze hebben bij welke betalingssystemen zij zich wensen aan te sluiten; wijst erop dat als het nieuwe wetgevingsvoorstel voorziet in tarieven, er volledige transparantie moet worden gegarandeerd over de elementen waaruit de bedragen zijn opgebouwd; herinnert eraan dat krachtens artikel 5 van Verordening (EU) nr. 260/2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro, na 1 februari 2017 geen MIF's per transactie kunnen worden berekend; verzoekt om dezelfde benadering voor kaartbetalingen;

44.

is van mening dat het bedrijfsmodel voor driepartijen- en gemengde betalingssystemen bezwaren kan doen rijzen op het vlak van concurrentie, net zoals dat het geval is bij vierpartijenbetalingssystemen; is daarom van mening dat alle kaartregelingen, hetzij vierpartij-, driepartij- of gemengde regelingen, en alle nieuwe spelers op de markt gelijkwaardig moeten worden behandeld om gelijke voorwaarden te creëren en om concurrentie en transparantie voor consumenten en handelaren te bevorderen;

Co-badging

45.

merkt op dat co-badging, waartoe de betrokken betalingssystemen op vrijwillige basis zijn toegetreden, ten voordele kan zijn van de consument, doordat deze daardoor minder kaarten in zijn of haar portemonnee heeft, en de toegang van nationale, binnenlandse systemen tot de bredere SEPA-markt kan vergemakkelijken, wat de concurrentie bevordert; wijst er evenwel op dat co-badging niet mag worden gebruikt om binnenlandse systemen te omzeilen door van tevoren te besluiten tot het gebruik van een binnenlands merk;

46.

benadrukt dat de kaarthoudende klanten de vrijheid moeten hebben om te kiezen welke alternatieven voor co-badging geactiveerd zijn op hun specifieke kaarten, en hamert erop dat handelaren het recht moeten hebben te kiezen welke alternatieven voor co-badging ze accepteren, en dat in elke specifieke betalingssituatie de kaarthoudende klanten het recht moeten hebben uit de door de handelaar geaccepteerde opties het co-badgingalternatief van hun voorkeur te kiezen; roept de Commissie op oplossingen voor te stellen waarmee co-badging van meer dan één SEPA-conform systeem wordt aangemoedigd; is van mening dat er goed moet worden stilgestaan bij problemen zoals de compatibiliteit van beheersprocedures, technische interoperabiliteit en de aansprakelijkheid voor kwetsbaarheid inzake veiligheid;

47.

is van mening dat co-badging moet worden ingevoerd onder begeleiding van de juiste consumenteninformatie om consumenten te beschermen en ze niet het risico te laten lopen in misleidende situaties terecht te komen; benadrukt dat het voor alle partijen duidelijk moet zijn wie er verantwoordelijk is voor de bescherming en de vertrouwelijkheid van gegevens van kaarthouders en handelaren en voor het betalingsinstrument dat een aantal merken vertegenwoordigt;

Toeslagen

48.

is van mening dat de wijze waarop toeslagen, kortingen en andere beïnvloedingspraktijken worden toegepast, vaak schadelijk is voor eindgebruikers van betalingsdiensten; merkt op dat het berekenen van toeslagen uitsluitend op grond van de betalingskeuze van de klant, arbitrair kan zijn en misbruikt kan worden om extra inkomsten te genereren in plaats van de kosten te dekken; is van mening dat er een verbod moet komen op de mogelijkheden om buitensporige toeslagen te berekenen bij het tarief dat de handelaar in rekening brengt voor een individuele transactie, en dat er op EU-niveau controle moet worden uitgeoefend op kortingen en vergelijkbare praktijken om consumenten te beïnvloeden; benadrukt daarom dat handelaren één algemeen gebruikt betalingsinstrument moeten accepteren zonder daar een toeslag voor te berekenen (SEPA-conforme debetkaart, e-betaling), en dat toeslagen op andere instrumenten nooit de extra rechtstreekse kosten van die instrumenten mogen overstijgen in vergelijking met het instrument dat wordt geaccepteerd zonder toeslag;

49.

benadrukt dat moet worden aangedrongen op meer transparantie en een betere consumentenvoorlichting als het gaat om de extra kosten die in rekening worden gebracht bij gebruik van betaalmiddelen, daar handelaren normaliter hun transactiekosten doorberekenen in de prijzen van de door hen aangeboden goederen of diensten en de consumenten aldus niet op een behoorlijke manier vooraf worden geïnformeerd over de totale kosten, waardoor zij een hogere prijs moeten betalen voor hun aankopen, wat het consumentenvertrouwen ondermijnt;

50.

merkt op dat het berekenen van toeslagen uitsluitend op grond van de betalingskeuze van de klant, arbitrair kan zijn, misbruikt kan worden om extra inkomsten te genereren in plaats van de kosten te dekken, en over de hele linie ongunstig is voor de ontwikkeling van de interne markt, aangezien dit de concurrentie belemmert en marktversnippering en verwarring bij de consument in de hand werkt;

51.

merkt op dat een mogelijkheid erin kan bestaan de toeslagen te beperken tot de directe kosten voor het gebruik van een betalingsinstrument, evenals in de gehele EU toeslagen te verbieden; dringt er daarom bij de Commissie op aan een effectbeoordeling te verrichten van een verbod op de mogelijkheden om buitensporige toeslagen te berekenen bij het tarief dat de handelaar in rekening brengt, alsook van een verbod op toeslagen in de gehele EU, dit in het licht van artikel 19 van Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten;

Veiligheid van betalingen

52.

benadrukt dat, teneinde het potentieel van elektronische betalingen volledig te kunnen ontwikkelen, het van essentieel belang is het vertrouwen van de consument te waarborgen, wat op zijn beurt een hoog veiligheidsniveau vergt om het risico op fraude te beperken en de gevoelige en persoonsgegevens van consumenten te beschermen;

53.

benadrukt dat de privacy van consumenten in overeenstemming met de Europese en nationale wetgeving moet worden beschermd, dat alle partijen in de betalingsketen alleen toegang mogen hebben tot gegevens die relevant zijn voor de verwerking en dat de rest van de gegevens moet worden versleuteld;

54.

is van mening dat voor internet-, kaart- en mobiele betalingen in alle lidstaten dezelfde minimale veiligheidseisen moeten gelden en dat er een gemeenschappelijk bestuursorgaan moet komen dat de eisen vaststelt; merkt op dat gestandaardiseerde veiligheidsoplossingen klanteninformatie en daardoor ook de manier waarop klanten zich aanpassen aan veiligheidsmaatregelen eenvoudiger kunnen maken en de kosten binnen PSP's kunnen verlagen; stelt daarom voor dat van alle PSP's geëist wordt dat zij in gemeenschappelijke minimale veiligheidsoplossingen voorzien, die uiteraard kunnen worden verbeterd door de PSP's maar daardoor de concurrentie niet in de weg mogen staan;

55.

wijst er nogmaals op dat de eindverantwoordelijkheid voor de veiligheidsmaatregelen met betrekking tot de uiteenlopende betalingsmethodes niet bij de consument mag liggen, maar wel dat de consument geïnformeerd moet worden over veiligheidsvoorzorgsmaatregelen en dat financiële instellingen verantwoordelijk moeten worden gesteld voor fraudekosten, tenzij deze veroorzaakt zijn door een klant „die frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of als gevolg van ernstige nalatigheid een of meer van zijn of haar verplichtingen uit hoofde van artikel 56 van de richtlijn betreffende betalingsdiensten niet is nagekomen”; is daarom van mening dat voorlichtingscampagnes moeten worden aangemoedigd om het publiek met name bewuster te maken van en meer kennis te verschaffen over digitale veiligheidskwesties; verzoekt de Commissie om bij het ontwikkelen van een strategie en instrumenten voor de integratie van de markten voor kaart-, internet- en mobiele betalingen rekening te houden met de normen en aanbevelingen van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming met betrekking tot transparantie, identificatie van de controller/verwerker, evenredigheid en de rechten van de persoon wiens gegevens het betreft; vindt het belangrijk dat alle gevallen van betalingsfraude in SEPA worden gemeld op een gecentraliseerde website voor controle, statistiek en evaluatie, om snel te kunnen reageren op nieuwe veiligheidsdreigingen, en dat de belangrijkste ontwikkelingen openbaar worden gemaakt; verzoekt de Commissie het beginsel van ingebouwde privacy meer te laten omvatten dan authenticatiemechanismen en veiligheidswaarborgen om de minimalisering van gegevens te waarborgen, instellingen voor standaardprivacy te installeren, de toegang tot persoonlijke gegevens te beperken tot het strikt noodzakelijke om de dienst te leveren, en hulpmiddelen aan te reiken waarmee gebruikers hun persoonlijke gegevens beter kunnen beschermen;

56.

is van mening dat de veiligheid van persoonlijke kaartbetalingen reeds hoog is en dat deze dankzij de geleidelijke overgang van magnetische kaarten op chipkaarten, die snel moet worden voltooid, er alleen maar hoger op zal worden; is bezorgd over de veiligheidsproblemen met andere vormen van kaartbetalingen en over het feit dat enkele van de huidige Europese EMV-implementaties misschien niet helemaal consistent zijn, dringt erop aan deze ongewenste situatie op te lossen en herinnert eraan dat er ook verbeterde oplossingen nodig zijn voor kaartbetalingen in een netwerk op afstand; roept de Commissie op onafhankelijke gegevens te verzamelen over fraude met online betalingen en deze op te nemen in de desbetreffende antifraudebepalingen van haar wetgevingsvoorstel;

57.

is van mening dat er de nodige risico's verbonden zijn aan de verstrekking van gegevens over de beschikbaarheid van middelen op bankrekeningen aan derde partijen; merkt op dat een van de risico's kan zijn dat consumenten niet volledig op de hoogte zijn van wie er allemaal toegang heeft tot hun rekeninginformatie, en in welk wettelijk kader, en welke operator verantwoordelijk is voor de betalingsdiensten waar de consument gebruik van maakt; benadrukt dat gegevensbescherming in geen enkel stadium in het gedrang mag komen;

58.

benadrukt dat deze veiligheidsrisico's verlaagd kunnen worden door regulering en technische ontwikkelingen en dat betalingen via niet-bancaire PSP’s even veilig kunnen worden gemaakt als betalingen rechtstreeks vanaf een goed beschermde bankrekening, als er maar veilige systemen beschikbaar zijn en als de legitimiteit van de toegang alsmede de organisaties die toegang aanvragen duidelijk zijn gedefinieerd;

59.

is dan ook geen voorstander van de toegang van derde partijen tot gegevens over de beschikbaarheid van middelen op bankrekeningen tenzij het systeem aantoonbaar veilig is en aan grondige tests onderworpen is; merkt op dat alle regelgeving de toegang van derden moet beperken tot binaire („ja/nee”) informatie over de beschikbaarheid van middelen en dat er speciale aandacht moet worden besteed aan veiligheid, gegevensbescherming en consumentenrechten; is met name van mening dat duidelijk moet worden aangegeven welke partijen zich niet-discriminerend toegang kunnen verschaffen tot welke informatie en onder welke voorwaarden de aldus verkregen gegevens mogen worden opgeslagen, en dat deze bepalingen onderdeel moeten vormen van een contractrelatie tussen de betrokken partijen; benadrukt dat er bij het scheppen van een regelgevingskader inzake toegang voor derden een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen toegang tot informatie over de beschikbaarheid van middelen voor een bepaalde transactie en toegang tot rekeninginformatie van een klant in het algemeen; roept de Commissie op de bescherming van persoonsgegevens te garanderen door na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming duidelijke regelgeving voor te stellen over welke rol elke actor speelt bij de verzameling van gegevens en met welk doel, evenals een duidelijke definitie van de actoren die verantwoordelijk zijn voor het verzamelen, verwerken en bewaren van gegevens; voegt eraan toe dat gebruikers de mogelijkheid moeten hebben hun persoonsgegevens ook in een complexe grensoverschrijdende context te raadplegen en aan te passen; vindt dat aan de eisen voor gegevensbescherming moet worden voldaan volgens het beginsel van „ingebouwde/standaard privacy” en dat bedrijven of consumenten niet verantwoordelijk hoeven te zijn voor de bescherming van hun gegevens;

60.

is van mening dat de rechten van consumenten op terugbetaling versterkt moeten worden, zowel in het geval van betalingen waarvoor geen toestemming is verleend als in het geval van producten of goederen die niet werden geleverd (of niet werden geleverd zoals beloofd), en dat doeltreffende systemen voor collectief verhaal of alternatieve geschillenbeslechting onontbeerlijke instrumenten zijn voor consumentenbescherming, ook op het gebied van elektronische betalingen;

61.

merkt op dat, aangezien veiligheidsdreigingen hand over hand toenemen, er tevens een rol is weggelegd voor CEN en ETSI om actief te worden betrokken bij het ontwikkelen van veiligheidsnormen;

62.

merkt op dat in het geval van betalingssystemen waarbij één of meer van de deelnemers zich in verschillende lidstaten bevinden, van de Commissie wordt verwacht dat ze een verhelderend voorstel indient over welke rechtbank of welk systeem voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting moet worden ingezet bij geschillen en dat de toegang tot en het gebruik van deze organen voor alternatieve geschillenbeslechting laagdrempelig moet zijn voor consumenten;

o

o o

63.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie evenals aan de nationale parlementen.


(1)  PB L 94 van 30.3.2012, blz. 22.

(2)  http://ec.europa.eu/competition/sectors/financial_services/information_paper_payments_en.pdf.

(3)  http://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/other/recommendationsforthesecurityofinternetpaymentsen.pdf.

(4)  http://www.edps.europa.eu/EDPSWEB/webdav/site/mySite/shared/Documents/Consultation/Comments/2012/12-04-11_Mobile_Payments_EN.pdf

(5)  PB L 318 van 22.11.2002, blz. 17.

(6)  http://ec.europa.eu/competition/antitrust/cases/dec_docs/34579/34579_1889_2.pdf; samenvatting besluit in PB C 264 van 6.11.2009, blz. 8.

(7)  Zaak T-111/08, MasterCard e.a./Commissie, nog niet gepubliceerd.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/28


P7_TA(2012)0427

Schaduwbankieren

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over schaduwbankieren (2012/2115(INI))

(2015/C 419/06)

Het Europees Parlement,

gezien de voorstellen van de Commissie en haar mededeling van 12 september 2012 over de bankenunie,

gezien de conclusies van de G20 van 18 juni 2012 waarin wordt opgeroepen tot de voltooiing van de werkzaamheden inzake schaduwbankieren om tot de volledige uitvoering van de hervormingen te komen,

gezien zijn resolutie van 6 juli 2011 over de financiële, economische en sociale crisis: aanbevelingen voor te nemen maatregelen en initiatieven (1),

gezien het tussentijdse verslag van de door de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) opgerichte werkstroom over repo's en het uitlenen van effecten van 27 april 2012, en het raadplegingsverslag over geldmarktfondsen dat op dezelfde dag is gepubliceerd door de International Organization of Securities Commissions (IOSCO),

gezien het gelegenheidsdocument (nr. 133) van de Europese Centrale Bank (ECB) over schaduwbankieren in de eurozone, vrijgegeven op 30 april 2012,

gezien het groenboek van de Commissie over schaduwbankieren (COM(2012)0102),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 juli 2012 met als titel „Instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's): productregels, liquiditeitenbeheer, bewaarnemers, geldmarktfondsen en langetermijninvesteringen”,

gezien het op 27 oktober 2011 door de FSB uitgebrachte verslag over de versterking van het toezicht op en de regulering van schaduwbankieren, in antwoord op de uitnodigingen van de G20 in Seoel in 2010 en in Cannes in 2011,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0354/2012),

A.

overwegende dat de FSB het schaduwbanksysteem heeft omschreven als „het systeem van kredietbemiddeling waarbij entiteiten en activiteiten van buiten het reguliere banksysteem betrokken zijn”;

B.

overwegende dat gereglementeerde entiteiten binnen het reguliere banksysteem uitgebreid deelnemen aan activiteiten die worden beschouwd als behorende tot het schaduwbanksysteem, en in velerlei opzicht onderlinge relaties onderhouden met schaduwbankentiteiten;

C.

overwegende dat een belangrijk deel van de activiteiten van schaduwbanken zich voltrekt binnen de reguliere bankensector en dat die tak van activiteiten volledig onder het bestaande regelgevingskader dient te vallen;

D.

overwegende dat bepaalde elementen die onder het begrip schaduwbankieren vallen van vitaal belang zijn voor de financiering van de reële economie en dat de nodige zorgvuldigheid in acht moet worden genomen bij het bepalen van de werkingssfeer van eventuele nieuwe of uitgebreide toepassingen van bestaande reguleringsmaatregelen;

E.

overwegende dat het maar goed is dat in bepaalde gevallen de risico's bij schaduwbankieren buiten de bankensector worden gehouden en dat er dus ook geen consequenties voor de belastingbetaler of systeemrisico's aan kunnen zijn verbonden; overwegende dat desondanks, met het oog op de financiële stabiliteit, een completer inzicht in de activiteiten van schaduwbanken en hun banden met financiële instellingen noodzakelijk is, evenals regulering die nodig is ter wille van de transparantie, de beperking van systeemrisico's en de uitsluiting van wanpraktijken;

F.

overwegende dat er — om meer inzicht te verkrijgen in het fenomeen schaduwbanken — niet aan te ontkomen valt middels regulering adequate oplossingen te vinden voor de afwikkelbaarheid, complexiteit en ondoorzichtigheid van de financiële activiteiten die zich in die sector voltrekken, met name in crisissituaties;

G.

overwegende dat volgens een schatting van de FSB de omvang van het mondiale schaduwbanksysteem in 2011 ongeveer 51 biljoen EUR bedroeg, tegenover 21 biljoen euro in 2002; overwegende dat dit 25 tot 30 % van het totale financiële stelsel vertegenwoordigt en de helft van de totale omvang van de bankactiva;

H.

overwegende dat schaduwbankieren weliswaar bepaalde positieve effecten kan hebben, zoals een efficiënter financieel systeem, een grotere productdiversiteit en meer concurrentie, maar dat tevens is komen vast te staan dat het een van de voornaamste oorzaken van of factoren achter de financiële crisis is geweest en dat het de stabiliteit van het financiële systeem kan bedreigen; overwegende dat de FSB oproept tot meer toezicht op de uitbreiding van schaduwbankactiviteiten, hetgeen problemen doet rijzen, (i) met betrekking tot systeemrisico's, in het bijzonder als gevolg van looptijd- en/of liquiditeitsaanpassingen, leverageratio's en suboptimale kredietrisico-overdrachten, en (ii) met betrekking tot reguleringsarbitrage;

I.

overwegende dat voorstellen over schaduwbankieren en de structuur van de retail- en beleggingsactiviteiten van kredietverschaffers belangrijke voorwaarden vormen voor de effectieve uitvoering van de in 2008 door de G20 genomen beslissing om alle producten en actoren te reguleren; overwegende dat de Commissie deze materie sneller en kritischer onder de loep moet nemen;

J.

overwegende dat schaduwbankieren een wereldwijd fenomeen is en dus ook een consistente mondiale regulering behoeft, op basis van de aanbevelingen van de FSB (die de komende weken zullen worden gepubliceerd), aangevuld door die van alle andere relevante nationale of supranationale reguleringsorganen;

A.    Definitie van schaduwbankieren

1.

is verheugd over het groenboek van de Commissie als een eerste stap op weg naar strengere monitoring van en een strenger toezicht op schaduwbankieren; ondersteunt de aanpak van de Commissie gebaseerd op indirecte regulering van schaduwbankieren en adequate uitbreiding of herziening van de op dat vlak bestaande regulering; benadrukt eveneens de behoefte aan directe, functionele regulering voorzover de bestaande regulering ontoereikend blijkt te zijn in bepaalde opzichten, waarbij overlap wordt voorkomen en samenhang met bestaande regelgeving wordt gewaarborgd; dringt aan op een integrale benadering van schaduwbankieren, waarbij zowel prudentiële als marktgedragsaspecten van belang zijn; constateert een toenemende verschuiving naar marktfinanciering en retailisering van hoogcomplexe financiële producten; onderstreept derhalve dat marktgedrag en consumentenbescherming hierbij ook moeten worden betrokken;

2.

onderstreept dat een strengere regulering van kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de nodige impulsen zal verschaffen om activiteiten te verleggen naar terreinen die buiten het toepassingsgebied van de bestaande sectorale wetgeving vallen; benadrukt derhalve de noodzaak tot aanscherping van de procedures voor de stelselmatige preventieve evaluatie van de mogelijke effecten die wijzigingen in de financiële regelgeving kunnen teweegbrengen in termen van verlegging van de stroom van risicokapitaalinvesteringen via minder streng gereguleerde of niet-gereguleerde financiële entiteiten, en tot dienovereenkomstige uitbreiding van de regelgeving ter voorkoming van arbitrage;

3.

schaart zich achter de definitie van de FSB van het schaduwbanksysteem als „een systeem van tussenpersonen, instrumenten, entiteiten en financiële contracten dat een combinatie van bankachtige functies vervult, maar buiten de regels valt, aan een minder streng niveau van regulering is onderworpen of aan regulering is onderworpen die op andere aspecten dan op systeemrisico's is gericht, en zonder gegarandeerde toegang tot de liquiditeitsfaciliteiten van centrale banken of openbare kredietwaarborgen”; merkt op dat, in tegenstelling tot wat de term suggereert, schaduwbankieren niet per se te beschouwen is als een ongereguleerde of illegale tak van de financiële sector; benadrukt dat deze definitie zich — mede omdat het stelsel nog steeds zo ondoorzichtig is en het vooralsnog aan informatie over en inzicht in het schaduwbanksysteem ontbreekt — moeilijk laat hanteren waar het monitoring, regelgeving en toezicht betreft;

B.    Het in kaart brengen van data en onderzoek

4.

wijst erop dat sinds het begin van de crisis slechts enkele praktijken van het schaduwbankieren zijn verdwenen; merkt echter op dat het vernieuwende karakter van het schaduwbankieren tot nieuwe ontwikkelingen kan leiden die een bron van systeemrisico kunnen vormen, waartegen de strijd moet worden aangegaan; benadrukt dan ook de behoefte om, op Europees en mondiaal niveau, meer en betere data over transacties, marktdeelnemers, financiële stromen en interconnecties binnen het systeem van schaduwbankieren te verzamelen, teneinde een volledig zicht op deze sector te krijgen;

5.

is van mening dat nauwe internationale samenwerking en de bundeling van krachten op mondiaal niveau absoluut noodzakelijk zijn om een totaalbeeld van het schaduwbanksysteem te krijgen;

6.

is van mening dat door een vollediger zicht op, betere monitoring van en beter onderzoek naar deze sector zowel aspecten van het schaduwbankieren met gunstige effecten voor de reële economie, als problematische aspecten met het oog op systeemrisico en reguleringsarbitrage, aan het licht kunnen worden gebracht; benadrukt de behoefte aan strengere procedures voor risicobeoordeling en aan openbaarmakingsvereisten en toezicht voor alle systeemrelevante instellingen met een sterk risicoprofiel; herinnert aan de toezeggingen die op de G20-top in Los Cabos zijn gedaan om een internationaal systeem voor de identificatie van juridische entiteiten op te richten en benadrukt dat de Europese belangen bij het beheer daarvan adequaat moeten worden behartigd;

7.

merkt op dat de toezichthouders minimaal een algemeen beeld moeten hebben van de omvang van de repo-overeenkomsten, effectenuitleentransacties en alle vormen van vorderings- of terugvorderingsregelingen die instellingen zijn aangegaan; merkt voorts op dat er in het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken over de RKV IV-richtlijn, waarover momenteel met de Raad wordt onderhandeld, op wordt aangedrongen dat deze informatie wordt aangemeld bij een transactieregister of bij een centrale effectenbewaarstelling om deze toegankelijk te maken voor onder andere de EBA, de ESMA, de relevante bevoegde autoriteiten, het ESRB en de relevante centrale banken en het ESCB; wijst er verder op dat er in dit verslag op aangedrongen wordt dat ongeregistreerde terugvorderingsregelingen worden beschouwd als regelingen die bij liquidatieprocedures geen rechtskracht hebben;

8.

staat achter de oprichting en het beheer, mogelijkerwijs door de ECB, van een centrale EU-databank over repotransacties in euro's, die door de respectieve systemen en beherende banken moet worden gevoed naarmate zij repotransacties in hun eigen boeken verdisconteren; meent echter dat een dergelijke databank transacties in alle valuta's zou moeten bestrijken, zodat toezichthouders een volledig beeld van en inzicht in de wereldwijde repomarkt kunnen krijgen; verzoekt de Commissie op korte termijn (tegen begin 2013) met een consistente strategie te komen voor centrale gegevensvergaring, het opsporen van ontbrekende gegevens en het bundelen van de resultaten van reeds bestaande initiatieven van andere instanties en nationale autoriteiten, in het bijzonder de uit hoofde van de EMIR-verordening ingestelde transactieregisters; verzoekt de Commissie (tegen medio 2013) met een verslag te komen dat handelt over — maar zich niet beperkt tot — de vereiste institutionele opzet (bijvoorbeeld middels de ECB, het ESRB, een onafhankelijk centraal register), de inhoud en frequentie van de gegevensenquêtes, in het bijzonder met betrekking tot repotransacties in euro's en de overdracht van financiële risico's, alsmede over de omvang van de vereiste middelen;

9.

is van mening dat de Commissie de beschikbaarheid, tijdigheid en volledigheid van de voor karterings- en monitoringdoeleinden vereiste data moet onderzoeken, in weerwil van de aanzienlijke hoeveelheid gegevens en informatie die uit hoofde van de rapportageverplichting voor repotransacties krachtens de richtlijn kapitaalvereisten is vereist;

10.

is ingenomen met de ontwikkeling van een norm voor de identificatie van juridische entiteiten (LEI) en is van mening dat — naarmate het nut daarvan zichzelf bewijst — soortgelijke gemeenschappelijke normen moeten worden ontwikkeld voor de rapportage over repo- en effectentransacties met betrekking tot hoofdkapitaal, rente, onderpand, waarderingscorrecties, looptijden, tegenpartijen en andere aspecten die bij de berekening van aggregaten van pas komen;

11.

onderstreept dat het, om regelgevers in staat te stellen een gezamenlijke beleidsstrategie voor gegevensanalyses te ontwikkelen en deze met elkaar te delen om waar nodig actie te ondernemen teneinde een accumulatie van systeemrisico's te voorkomen en de financiële stabiliteit te vrijwaren, van essentieel belang is dat er gemeenschappelijke rapportageformaten op basis van open sectornormen worden gehanteerd;

12.

benadrukt eveneens de behoefte aan een vollediger zicht op risico-overdrachten door financiële instellingen, met inbegrip van — doch niet beperkt tot — door middel van derivatentransacties doorgevoerde overdrachten, waarvoor gegevens dienen te worden verstrekt uit hoofde van de EMIR-verordening en de MiFID/MiFIR-richtlijnen, om te kunnen bepalen wie wat van wie heeft gekocht en hoe de overgedragen risico's worden gedragen; wijst er met nadruk op dat moet worden gestreefd naar realtimekartering van transacties voor alle financiële diensten en dat deze vorm van kartering kan worden ondersteund en geautomatiseerd door middel van gestandaardiseerde berichten- en gegevensidentificatoren; verzoekt de Commissie hiertoe om — in overleg met het ESRB en internationale organen zoals de FSB — in haar een verslag over centrale gegevensvergaring de lopende werkzaamheden op het gebied van gestandaardiseerde berichten- en gegevensformaten op te nemen en de haalbaarheid van de oprichting van een centraal register voor risico-overdrachten, dat data betreffende risico-overdrachten in realtime kan inwinnen en monitoren, met volledige gebruikmaking van de informatie die wordt verstrekt in het kader van de rapportageverplichtingen welke voortvloeien uit bestaande en toekomstige financiële wetgeving, inclusief internationaal beschikbare gegevens;

13.

beschouwt bankrapportageverplichtingen als een essentieel en waardevol instrument om zicht te krijgen op schaduwbankactiviteiten; wijst er nogmaals op dat de gehanteerde boekhoudregels de werkelijkheid moeten weerspiegelen en dat de verkregen aggregaatgegevens idealiter zoveel mogelijk op de balans tot uitdrukking moeten komen;

14.

benadrukt dat voor de uitvoering van deze nieuwe taken voldoende nieuwe middelen nodig zijn;

C.    Het bestrijden van de systeemrisico's van schaduwbankieren

15.

benadrukt dat bepaalde schaduwbankactiviteiten en -entiteiten al naar gelang het land in kwestie al dan niet aan regelgeving kunnen worden onderworpen; onderstreept het belang van een gelijk speelveld tussen landen, alsook tussen de banksector en schaduwbankentiteiten, ter voorkoming van reguleringsarbitrage, die zou leiden tot concurrentieverstorende regelgevingsstimulansen; merkt bovendien op dat de onderlinge financiële afhankelijkheid van de banksector en de schaduwbankentiteiten momenteel excessief is;

16.

merkt op dat zorgvuldige regulering, evaluatie en controle momenteel nagenoeg onmogelijk worden gemaakt wanneer er sprake is van kredietrisico- of kasstroomdistorsies;

17.

is van mening dat fondsen en beheerders moeten aantonen dat zij volledig betrouwbaar zijn en dat ingenomen posities inzichtelijk zijn en door een ander kunnen worden overgenomen;

18.

onderstreept dat er meer openheid moet komen omtrent overdrachten van financiële activa uit de balans door de lacunes in de International Financial Reporting Standards op te vullen; wijst nadrukkelijk op de verantwoordelijkheid van financiële poortwachters zoals accountants en interne controleurs voor het signaleren van potentieel negatieve ontwikkelingen en ongunstige risicotendensen;

19.

is van mening dat boekhoudregels de realiteit moeten weerspiegelen en dat de mogelijkheid om activa tegen aanschafwaarde te waarderen terwijl de marktwaarde veel lager ligt, de instabiliteit bij bank- en andere entiteiten in de hand heeft gewerkt en dat dit niet mag worden toegestaan; dringt er bij de Commissie op aan, aanpassingen van de IFRS aan te moedigen, waarbij meer aandacht wordt besteed aan netterings- en risicowegingsvrije aggregaten;

20.

is van mening dat de financiële regelgeving ten doel moet hebben een einde te maken aan de complexiteit en ondoorzichtigheid van financiële diensten en producten, en dat reguleringsmaatregelen zoals hogere kapitaalvereisten en de afschaffing van risicowegingsbeperkingen een rol te vervullen hebben bij het tegengaan van complexe hedgingoperaties met derivaten; is van mening dat nieuwe financiële producten pas op de markt mogen worden gebracht of mogen worden goedgekeurd wanneer jegens de toezichthouders is aangetoond dat zij afwikkelbaar zijn;

21.

pleit voor instelling van een boete op asymmetrische informatieverstrekking, inzonderheid voor bewijsstukken en exoneratieclausules die op financiële diensten en producten betrekking hebben; is van mening dat waar nodig dergelijke exoneratiebedingen dienen te worden onderworpen aan een per pagina en per exoneratie in rekening te brengen „kleineletterheffing”;

22.

benadrukt dat de verslagen van de Commissie economische en monetaire zaken over RKV IV (2), die momenteel met de Raad worden besproken, een belangrijke, positieve bijdrage aan de strijd tegen schaduwbankieren leveren door gestructureerde investeringsvehikels en doorstroomstructuren (zgn. „conduits”) aan kapitaalvereisten voor liquiditeitslijnen te onderwerpen, door voor alle niet-gereguleerde entiteiten een hoge risicogrens (25 % van het eigen vermogen) vast te stellen, hetgeen banken ertoe zal helpen aansporen zich te schikken naar de netto stabiele financieringsratio (NSFR), en door in de prudentiële voorschriften inzake liquiditeitsrisico's het in verhouding tot gereguleerde en niet-financiële entiteiten hogere risico te erkennen van uitzettingen op dergelijke entiteiten;

23.

merkt op dat een van de lessen van de financiële crisis erin bestaat dat er normaliter weliswaar een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen verzekerings- en kredietrisico, maar dat dit onderscheid wellicht niet zo duidelijk is voor bijvoorbeeld kredietverzekeringsproducten; verzoekt de Commissie de wetgeving met betrekking tot het bank- en verzekeringswezen en in het bijzonder tot financiële conglomeraten te herzien teneinde een gelijk speelveld te waarborgen tussen banken en verzekeraars en regulerings- en/of toezichtsarbitrage te voorkomen;

24.

is van mening dat de voorgestelde uitbreiding van bepaalde onderdelen van RKV IV tot bepaalde financiële niet-deposito-instellingen die niet onder de definitie in de verordening kapitaalvereisten (CRR) vallen, noodzakelijk is om specifieke risico's te ondervangen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat sommige bepalingen kunnen worden aangepast aan de specifieke kenmerken van deze entiteiten om onevenredig gevolgen voor dergelijke instellingen te voorkomen;

25.

is van mening dat de schaduwbankensector zich niet aan Europees bankentoezicht kan onttrekken;

26.

benadrukt dat alle schaduwbankentiteiten waarvoor banken verantwoordelijkheid dragen of die met banken verbonden zijn, ten behoeve van prudentiële consolidatie in de balans van de banken in kwestie moeten worden opgenomen; verzoekt de Commissie om, tegen begin 2013, te onderzoeken hoe kan worden gewaarborgd dat entiteiten die in boekhoudkundig opzicht niet geconsolideerd zijn, ten behoeve van prudentiële consolidatie geconsolideerd worden om de financiële stabiliteit in de wereld te verbeteren; spoort de Commissie ertoe aan rekening te houden met eventuele richtsnoeren van de zijde van het BCBS of andere internationale organen met het oog op een betere onderlinge afstemming van de financieel-administratieve en risicogerelateerde aspecten van consolidatie;

27.

benadrukt de noodzaak om sterkere transparantie wat betreft de structuur en de activiteiten van financiële instellingen, te waarborgen; verzoekt de Commissie om, rekening houdend met de conclusies van het verslag-Liikanen, maatregelen voor te stellen betreffende de structuur van de Europese banksector, onder inaanmerkingneming van zowel de voordelen als de potentiële risico's die aan het combineren van retail- en zakenbankactiviteiten zijn verbonden;

28.

neemt kennis van de omvang van de uitleenmarkt voor effecten en de repomarkt; verzoekt de Commissie om, tegen begin 2013, maatregelen te nemen om de transparantie te verhogen, met name voor cliënten, onder andere door bijvoorbeeld melding van een zekerheidsaanduiding en van eventueel hergebruik van zekerheden aan toezichthouders op geaggregeerde basis verplicht te stellen, en door toezichthouders in staat te stellen aanbevolen minimale waarderingscorrecties (zgn.„haircuts”) of margeverplichtingen voor door zekerheden gedekte financieringsmarkten op te leggen, zonder dat dit in standaardisatie resulteert; erkent in dit verband de noodzaak om duidelijk te bepalen wie de eigenaar is van de effecten en om de bescherming daarvan te waarborgen; verzoekt de Commissie niettemin om, naast de sectorale beleidsstrategieën waarmee reeds een begin is gemaakt, een integrale discussie aan te gaan over de te hanteren marges, en om een onderzoek in te stellen naar en zich te beraden over de eventuele instelling van beperkingen van herverpanding van zekerheden; wijst op de noodzaak het faillissementsrecht te herzien met betrekking tot zowel de repomarkt als de uitleenmarkt voor effecten en securitisaties, met het oog op de harmonisatie en afhandeling van statuspreferentiekwesties die van belang zijn voor de resolutie van gereguleerde financiële instellingen; dringt er bij de Commissie op aan zich te beraden over diverse strategieën ter beperking van faillissementsprivileges, inclusief voorstellen om faillissementsprivileges te beperken tot centraal geclearde transacties of tot zekerheden die voldoen aan geharmoniseerde en vooraf gedefinieerde ontvankelijkheidscriteria;

29.

is van mening dat voldoende aandacht moet worden besteed aan stimulering van securitisatie; benadrukt dat de solvabiliteits- en liquiditeitseisen voor securitisaties bevorderlijk zouden moeten zijn voor een hoogwaardige en goed gespreide beleggingsportefeuille, zodat kuddegedrag wordt voorkomen; verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen naar de securitisatiemarkt, en daarbij ook aandacht te besteden aan gedekte obligaties, die voor bankbalansen een risicoverhogend effect kunnen teweegbrengen; verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen om de transparantie ervan aanmerkelijk te verbeteren; verzoekt de Commissie, indien noodzakelijk en uiterlijk tegen begin 2013, de bestaande regulering te herzien om deze in overeenstemming te brengen met het nieuwe BCBS-securitisatiekader dat momenteel wordt besproken; stelt voor een limiet in te stellen op het aantal keren dat een financieel product kan worden gesecuritiseerd, en bijzondere eisen op te leggen aan aanbieders van securitisatie (bijv. initiators of begeleiders) om een gedeelte van de securitisatierisico's aan te houden, om er zo voor te zorgen dat het risico daadwerkelijk bij de aanbieder blijft berusten en niet wordt overgedragen aan de vermogensbeheerder, en maatregelen te nemen ter bevordering van transparantie; dringt met name aan op de invoering van een consistente methode voor de waardering van de onderliggende activa en voor de standaardisatie van securitisatieproducten in de respectieve wetgevingen en jurisdicties;

30.

merkt op dat effectenpakketten via een repotransactie zijn „geherretrocedeerd” en daarbij in sommige gevallen hogere ratings hebben gekregen; benadrukt dat dergelijke transacties niet mogen worden gebruikt als een liquiditeitsreguleringsmaatregel (zie het verslag van de Commissie ECON over RKV IV);

31.

erkent de belangrijke rol van geldmarktfondsen bij de kortetermijnfinanciering van financiële instellingen en op het gebied van risicodiversificatie; erkent de verschillende rol en structuur van de in de EU en in de VS gevestigde geldmarktfondsen; erkent dat op grond van de richtsnoeren uit 2010 van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) geldmarktfondsen aan strengere normen (kredietwaardigheid, looptijd van onderliggende effecten en betere informatie aan beleggers) onderworpen zijn; merkt echter op dat sommige geldmarktfondsen, in het bijzonder de fondsen die beleggers een stabiele intrinsieke waarde bieden, kwetsbaar zijn voor massale runs; benadrukt dan ook dat aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de veerkracht van deze fondsen te versterken en het liquiditeitsrisico te dekken; staat achter de aanbevelingen voor de regulering en het beheer van de geldmarktfondsen in de verschillende jurisdicties opgenomen in het eindverslag van de IOSCO van oktober 2012; is van mening dat geldmarktfondsen die een stabiele intrinsieke waarde bieden moeten worden onderworpen aan maatregelen om de specifieke risico's die gepaard gaan met hun stabiele intrinsieke waarde te beperken en de kosten die uit deze risico's voortvloeien te internaliseren; is van mening dat toezichthouders, indien haalbaar, geldmarktfondsen verplicht moeten stellen een variabele intrinsieke waarde in te voeren en dat anders waarborgen moeten worden ingevoerd om de veerkracht van geldmarktfondsen met een stabiele intrinsieke waarde te versterken, evenals hun vermogen om aanzienlijke geldopvragingen te weerstaan; verzoekt de Commissie tegen het eerste halfjaar van 2013 een herziene versie van het icbe-kader voor te stellen, waarbij speciaal de nadruk moet liggen op de geldmarktfondsenproblematiek, om geldmarktfondsen te verplichten ofwel een variabele waarde van de activa met een dagelijkse waardering in te voeren ofwel, indien aan een constante waarde wordt vastgehouden, een beperkte bankvergunning aan te vragen en zich te onderwerpen aan kapitaalvereisten en andere prudentiële voorschriften; benadrukt dat toezichtsarbitrage tot een minimum moet worden beperkt;

32.

verzoekt de Commissie zich, in het kader van de herziening van de icbe-regelgeving, nader te beraden over de eventuele invoering van specifieke liquiditeitsvoorschriften voor geldmarktfondsen, waarbij minimumeisen worden vastgesteld voor overnight, week- en maandliquiditeitsfaciliteiten (20 %, 40 %, 60 %) en waarbij liquiditeitsprovisies in rekening worden gebracht middels een mechanisme dat ook de verplichting inhoudt tot directe kennisgeving aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit en de ESMA;

33.

erkent de voordelen die indexfondsen (ETF's) bieden door kleine beleggers toegang te geven tot een breder aanbod van activa (in het bijzonder grondstoffen), maar benadrukt de risico's van ETF's in termen van complexiteit, tegenpartijrisico, liquiditeit van producten en mogelijke reguleringsarbitrage; waarschuwt voor de risico's die aan synthetische ETF's zijn verbonden als gevolg van hun toenemende ondoorzichtigheid en complexiteit, met name waar het synthetische ETF's betreft die worden verkocht aan particuliere beleggers; verzoekt de Commissie dan ook deze mogelijke structurele zwakheden te evalueren en aan te pakken in het kader van de lopende zesde herziening van de icbe-regelgeving, onder inaanmerkingneming van de verschillende categorieën cliënten (bijvoorbeeld particuliere, professionele en institutionele beleggers) en hun respectieve risicoprofielen;

34.

verzoekt de Commissie uitgebreide effectbeoordelingen op te maken van de gevolgen van alle nieuwe wetgevingsvoorstellen met betrekking tot de financiering van de reële economie;

o

o o

35.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Raad voor financiële stabiliteit.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0331.

(2)  A7-0170/2012 en A7-0171/2012.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/33


P7_TA(2012)0428

Bescherming van kinderen in de digitale wereld

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de bescherming van kinderen in de digitale wereld (2012/2068(INI))

(2015/C 419/07)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen ter zake van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

gezien Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (1),

gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (2),

gezien Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („Richtlijn inzake elektronische handel”) (3),

gezien Besluit 1718/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (MEDIA 2007) (4),

gezien Aanbeveling 2006/952/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de bescherming van kinderen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten (5),

gezien de conclusies van de Raad over de bescherming van kinderen in de digitale wereld (6),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 15 februari 2011, getiteld „Een EU-agenda voor de rechten van het kind” (COM(2011)0060),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's van 26 augustus 2010, getiteld „Een digitale agenda voor Europa” (COM(2010)0245/2),

gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 28 maart 2012, getiteld "De aanpak van criminaliteit in het digitale tijdperk — Oprichting van een Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (COM(2012)0140),

gezien de strategie voor de rechten van het kind (2012-2015) van de Raad van Europa van 15 februari 2012,

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 2 mei 2012, getiteld „Europese Strategie voor een beter internet voor kinderen” (COM(2012)0196),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 13 september 2011 over de toepassing van de aanbeveling van de Raad van 24 september 1998 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten -Bescherming van kinderen in de digitale wereld (COM(2011)0556),

gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik,

gezien zijn resolutie van 6 juli 2011 over een integrale aanpak van de bescherming van persoonsgegevens in de Europese Unie (7),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0353/2012),

A.

overwegende dat de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld op wetgevingsgebied moet worden aangepakt met efficiëntere maatregelen, onder meer door middel van zelfregulering, door de industrie zo ver te krijgen dat zij haar deel van de verantwoordelijkheid op zich neemt, en op het onderwijs- en opleidingsgebied door kinderen, ouders en leraren te leren hoe kan worden voorkomen dat minderjarigen toegang hebben tot illegale inhoud;

B.

overwegende dat alle vormen van illegale online inhoud moeten worden aangepakt, en dat het specifieke geval van seksueel misbruik van kinderen niet alleen als illegale inhoud moet worden beschouwd, maar ook als een van de meest verwerpelijke vormen van op het internet verspreide inhoud;

C.

overwegende dat een van de hoofddoelstellingen van een doeltreffende strategie ter bescherming van kinderen erin moet bestaan te waarborgen dat alle kinderen, jongeren en ouders en/of verzorgers over de nodige informatie en vaardigheden beschikken om zichzelf online te beschermen;

D.

overwegende dat de snelle ontwikkeling van de technologie vraagt om een snelle reactie in de vorm van zelf- en co-regulering, alsook door de oprichting van vaste instanties die een holistische aanpak voor de verschillende omgevingen kunnen vaststellen;

E.

overwegende dat de digitale wereld tal van onderwijs- en leermogelijkheden biedt; dat de onderwijssector bezig is zich aan te passen aan de digitale wereld, maar met een tempo en op een wijze die achterblijven bij de snelheid waarmee de technologie het leven van minderjarigen verandert, en dat dit problemen oplevert voor ouders en opvoeders wanneer zij proberen de kinderen te leren om de media kritisch te gebruiken, maar vaak in de marge van het virtuele leven van de kinderen blijven;

F.

overwegende dat minderjarigen in het algemeen heel handig zijn met het gebruiken van internet, maar dat zij moeten worden geholpen om het verstandig, verantwoord en veilig te gebruiken;

G.

overwegende dat kinderen niet alleen meer inzicht moeten krijgen in de potentiële gevaren waarmee zij op het internet worden geconfronteerd, maar dat ook het gezin, de school en het maatschappelijk middenveld samen verantwoordelijkheid moeten nemen voor de voorlichting van kinderen en er gezamenlijk voor moeten zorgen dat kinderen naar behoren worden beschermd wanneer zij gebruik maken van het internet en andere nieuwe media;

H.

overwegende dat onderwijs met betrekking tot de media en de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën een belangrijke factor is voor de beleidsontwikkeling op het gebied van de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld en voor het waarborgen van een veilig, goed en kritisch gebruik van deze technologieën;

I.

overwegende dat de ontwikkeling van digitale technologieën een uitgelezen mogelijkheid biedt om kinderen en jongeren mogelijkheden aan de hand te doen om de nieuwe media en het internet doeltreffend te gebruiken op een wijze die hen in staat stelt om met anderen te communiceren en zo online en offline actief deel te nemen aan en een actievere rol te leren spelen in de samenleving;

J.

overwegende dat ook minderjarigen toegang moeten hebben tot pluralistische en veilige digitale instrumenten, diensten en inhoud om het burgerschap uit te oefenen en de daaruit voortvloeiende rechten, zoals deelname aan het culturele, sociale en democratische leven, te genieten;

K.

overwegende dat de maatregelen ter bescherming van minderjarigen niet alleen betrekking moeten hebben op de bestrijding van illegale en ongeschikte inhoud, preventie en interventie, maar ook een aantal andere bedreigingen moeten aanpakken, zoals pesten, discriminatie, beperking van de toegang tot diensten, online bewaking, inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en op de vrijheid van meningsuiting en informatie, en onduidelijkheid omtrent de doelen waarvoor persoonsgegevens worden verzameld;

L.

overwegende dat de nieuwe informatie- en communicatiemogelijkheden die de digitale wereld biedt, zoals computers, TV op verschillende platforms, mobiele telefoons, videogames, tablets, apps, alsook het verspreidingsniveau van verschillende media die in één digitaal systeem zijn ondergebracht, niet alleen een veelvoud aan mogelijkheden en kansen voor kinderen en jongeren bieden, maar ook risico's inhouden, zoals gemakkelijke toegang tot inhoud die illegaal is en ongeschikt of schadelijk voor de ontwikkeling van minderjarigen en de mogelijkheid dat gegevens worden verzameld om kinderen tot consumentendoelgroep te maken, met alle schadelijke en niet-gemeten gevolgen van dien;

M.

overwegende dat het welzijn van minderjarigen en de menselijke waardigheid in het kader van het vrije verkeer van audiovisuele diensten binnen de interne markt belangen zijn die bijzondere rechtsbescherming verdienen;

N.

overwegende dat de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om illegale online inhoud te voorkomen niet altijd doeltreffend zijn en onvermijdelijk leiden tot uiteenlopende benaderingen bij de bestrijding van schadelijke inhoud; dat illegale inhoud onmiddellijk moet worden verwijderd op basis van een deugdelijke rechtsgang;

O.

overwegende dat het feit dat persoonlijke informatie en persoonsgegevens van minderjarigen online kan leiden tot illegale gegevensverwerking, tot uitbuiting van minderjarigen of tot aantasting van hun persoonlijke waardigheid, waardoor hun identiteit, hun geestelijke vermogens en hun sociale inclusie enorme schade kunnen oplopen, vooral omdat die gegevens in verkeerde handen terecht kunnen komen;

P.

overwegende dat de snelle groei van sociale media bepaalde risico's met zich meebrengt voor de veiligheid van de persoonlijke levenssfeer, de persoonsgegevens en de persoonlijke waardigheid van minderjarigen;

Q.

overwegende dat bijna 15 % van alle minderjarige internetgebruikers tussen de 10 en 17 jaar op de één of andere manier seksueel is benaderd en 34 % van hen op seksueel materiaal stuit waar ze niet naar op zoek waren;

R.

overwegende dat de diverse gedragscodes die aanbieders van digitale inhoud en diensten hebben opgesteld niet altijd voldoen aan de vereisten van de Europese of nationale wetgeving inzake transparantie, onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid en verwerking van persoonsgegevens, en het gevaar kunnen inhouden dat er profielen worden gecreëerd voor commerciële doeleinden en andere vormen van uitbuiting, zoals seksueel misbruik en zelfs mensenhandel;

S.

overwegende dat op kinderen gerichte reclame verantwoord en gematigd moet zijn;

T.

overwegende dat minderjarigen moeten worden beschermd tegen de gevaren van de digitale wereld, in overeenstemming met hun leeftijd en hun ontwikkeling; dat de lidstaten moeilijkheden melden bij het coördineren van aspecten in verband met de vaststelling van indelingsklassen voor inhoud op basis van leeftijd en van het risiconiveau van de inhoud;

U.

overwegende dat minderjarigen in de digitale wereld weliswaar met tal van gevaren worden geconfronteerd, maar dat we wel de vele kansen moeten blijven aangrijpen die de digitale wereld biedt voor de ontwikkeling van de kennismaatschappij;

V.

overwegende dat de rol van de ouders bij de bescherming van hun kinderen tegen de gevaren van de digitale wereld zeer belangrijk is;

Een kader voor rechten en beheer

1.

wijst op het feit dat een nieuwe fase in de bescherming van de rechten van het kind in het EU-kader is begonnen met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, in combinatie met het thans juridisch bindende Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat in artikel 24 bepaalt dat de bescherming van het kind een grondrecht is en dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind de eerste overweging moeten vormen; wijst opnieuw op de noodzaak dat de EU de normen naleeft van de internationale instrumenten waarbij de EU als zodanig geen partij is, conform de oproep van het Europees Hof van Justitie in zaak C-540/03, Europees Parlement tegen Raad;

2.

dringt er bij de lidstaten op aan om Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie vlot en tijdig om te zetten en ten uitvoer te leggen; roept de lidstaten ertoe op hun inspanningen op het gebied van de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld zoveel mogelijk te harmoniseren;

3.

herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om — ingeval ze dit nog niet hebben gedaan — over te gaan tot het ondertekenen en ratificeren van de internationale instrumenten inzake de bescherming van kinderen, zoals het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, het Derde Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Europees Verdrag inzake de uitoefening van de rechten van het kind, en deze instrumenten om te zetten met inachtneming van de vereiste rechtszekerheid en helderheid, zoals de rechtsorde van de EU dit verlangt;

4.

verzoekt de Commissie de bestaande interne mechanismen te verbeteren om een coherente en gecoördineerde aanpak op het gebied van de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld te waarborgen; is verheugd over de door de Commissie voorgestelde Europese strategie voor een beter internet voor kinderen en vraagt de Commissie de bestaande interne mechanismen te verbeteren om een coherente en gecoördineerde aanpak op het gebied van onlineveiligheid van kinderen te waarborgen;

5.

benadrukt dat de rechten van kinderen een integraal onderdeel moeten worden van alle beleidsterreinen van de EU, waarbij het effect van de maatregelen op de rechten, de veiligheid en de lichamelijke en geestelijke integriteit van kinderen wordt geanalyseerd, en dat de Commissie ook met het oog daarop duidelijk geformuleerde voorstellen met betrekking tot de digitale wereld moet indienen;

6.

benadrukt dat alleen een alomvattende combinatie van wettelijke, technische en onderwijsmaatregelen, met inbegrip van preventie, ervoor kan zorgen dat passend kan worden gereageerd op de risico's waarmee kinderen online te maken hebben en dat de bescherming van kinderen in de online-omgeving wordt verbeterd;

7.

is verheugd over het nieuwe agentschap voor cyberveiligheid dat bij Europol is gevestigd, en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het kinderbeschermingsteam van het nieuwe centrum over voldoende hulpmiddelen beschikt en doeltreffend samenwerkt met Interpol;

8.

hoopt dat het programma voor een veiliger internet wordt voortgezet en dat er voldoende middelen worden uitgetrokken om de activiteiten die in het kader van dat programma worden ontplooid volledig uit te kunnen voeren en het specifieke karakter ervan te behouden, en verzoekt de Commissie een verslag in te dienen bij het Parlement over de plus- en minpunten van het programma, zodat maximale doeltreffendheid in de toekomst kan worden verzekerd;

9.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om passende maatregelen te treffen, onder meer via het internet, zoals het opzetten, eventueel in samenwerking met de betrokken maatschappelijke organisaties, gezinnen, scholen, audiovisuele diensten, het bedrijfsleven en andere belanghebbenden, van onderzoeks- en onderwijsprogramma's die tot doel hebben het gevaar dat kinderen het slachtoffer worden van internet te verkleinen;

10.

neemt kennis van het feit dat op initiatief van de Commissie de CEO-coalitie is opgericht om de veiligheid van kinderen op het internet te verbeteren; roept in deze context op tot nauwe samenwerking met maatschappelijke verenigingen en organisaties die actief zijn op gebieden als bescherming van minderjarigen, gegevensbescherming en onderwijs, met vertegenwoordigers van ouders en opvoeders, ook op Europees niveau, en met de directoraten-generaal van de Commissie die belast zijn met consumentenbescherming en justitie;

Media en nieuwe media: toegang en educatie

11.

wijst erop dat het internet kinderen en jongeren immens waardevolle hulpmiddelen biedt die ze kunnen gebruiken om hun denkbeelden duidelijk te maken en te doen gelden, om toegang te krijgen tot informatie en scholing en om hun rechten op te eisen, en uitgelezen kansen biedt voor een open kijk op de wereld en persoonlijke groei;

12.

benadrukt niettemin dat de online omgeving en de sociale media grote risico's kunnen inhouden voor de persoonlijke levenssfeer en de waardigheid van kinderen, die tot de meest kwetsbare internetgebruikers behoren;

13.

herinnert eraan dat internet kinderen ook blootstelt aan risico's vanwege verschijnselen als kinderpornografie, de uitwisseling van materiaal over geweld, cybercriminaliteit, intimidatie, pesten, kinderlokkerij online, de mogelijkheid voor kinderen om toegang te krijgen tot goederen en diensten waarvoor wettelijke beperkingen gelden of die ongeschikt zijn voor hun leeftijd of deze te kopen, blootstelling aan niet bij de leeftijd passende, agressieve of misleidende reclame, zwendelpraktijken, identiteitsdiefstal, oplichterij en soortgelijke gevaren van financiële aard die traumatische ervaringen kunnen opleveren;

14.

steunt in dit verband de inspanningen van de lidstaten om stelselmatig educatie en training voor kinderen, ouders, opvoeders, leerkrachten en sociale werkers te bevorderen om hen in staat te stellen de digitale wereld te begrijpen en de gevaren te onderkennen die de lichamelijke of geestelijke integriteit van kinderen zouden kunnen schaden, om de risico's die de digitale media inhouden te verkleinen en informatie te verstrekken over meldpunten en over de wijze waarop minderjarige slachtoffers kunnen worden geholpen; wijst er tevens op dat kinderen moeten beseffen dat hun eigen gebruik van digitale technologie de rechten van anderen kan schaden of zelfs crimineel gedrag kan vormen;

15.

acht het van het grootste belang dat er in een zo vroeg mogelijk stadium training in mediavaardigheden wordt gegeven, in het kader waarvan kinderen en jongeren leren bewust en kritisch te bepalen welke delen van het internet zij willen verkennen en welke liever niet, en waarbij fundamentele waarden betreffende het samenleven en wederzijds respect en tolerantie worden bevorderd;

16.

ziet „media-educatie” als het essentiële instrument om minderjarigen in staat te stellen kritisch gebruik te maken van media en van de mogelijkheden van de digitale wereld, en roept de lidstaten op media-educatie op te nemen in hun leerplannen; herinnert de Commissie eraan dat ook „consumenteneducatie” van belang is vanwege de constante toename van digitale marketing;

17.

wijst opnieuw op het belang van digitale en mediavaardigheden en -geletterdheid voor zowel minderjarigen als hun ouders; benadrukt tevens dat digitale geletterdheid, digitale vaardigheden en veiliger internetgebruik door minderjarigen als prioriteiten van het sociaal, onderwijs- en jeugdbeleid van de lidstaten en de Unie moeten worden beschouwd en als een cruciaal onderdeel van de Europa 2020-strategie;

18.

moedigt een voortgezette digitale scholing aan voor opvoeders die voortdurend werken met leerlingen in de scholen;

19.

onderstreept de noodzaak van een „educatief verbond” tussen gezinnen, school, maatschappelijk middenveld en betrokken partijen, waaronder partijen die betrokken zijn bij audiovisuele diensten, om een evenwichtige en proactieve dynamiek tussen de digitale wereld en minderjarigen te garanderen; moedigt de Commissie aan bewustmakingsinitiatieven te ondersteunen die gericht zijn op ouders en opvoeders, zodat zij kinderen zo goed mogelijk kunnen begeleiden bij het gebruik van de digitale instrumenten en diensten;

20.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan om de gelijke toegang van minderjarigen tot een veilige en hoogwaardige pluralistische digitale inhoud in bestaande en nieuwe programma's en diensten ten behoeve van jongeren en onderwijs, cultuur en kunst, te ondersteunen;

21.

verzoekt de lidstaten, de overheidsinstanties en de aanbieders van internettoegang om hun voorlichtingscampagnes te intensiveren om minderjarigen, jongeren, ouders en opvoeders bewust te maken van ongecontroleerde digitale risico's;

22.

erkent de rol van de publieke media bij de bevordering van een veilige en betrouwbare online-omgeving voor minderjarigen;

23.

dringt er bij de Commissie op aan om van de bescherming van kinderen tegen agressieve of misleidende tv- en internetreclame een van haar hoofdprioriteiten te maken;

24.

benadrukt met name de verantwoordelijkheid van de particuliere sector, het bedrijfsleven en andere belanghebbenden voor deze kwesties, alsook voor het als kindveilig aanmerken van webpagina's en voor het bevorderen van „nettiquette” voor kinderen; benadrukt dat dergelijke maatregelen volledig verenigbaar moeten zijn met de rechtsregels en de rechtszekerheid, rekening moeten houden met de rechten van eindgebruikers en in overeenstemming moeten zijn met bestaande wettelijke en gerechtelijke procedures, alsook met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Handvest van de grondvesten van de Europese Unie en de jurisprudentie van het EHvJ en het EHRM; verzoekt het bedrijfsleven de bestaande gedragscodes en soortgelijke initiatieven, zoals „EU-pledge” en de verklaring van Barcelona van het Forum voor consumentengoederen, volledig na te leven en in praktijk te brengen;

25.

beklemtoont dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de online marketing van schadelijke stoffen als alcohol die jongeren kan bereiken; wijst erop dat het vanwege de aard en het bereik van online-marketingmethoden, bijvoorbeeld via sociale netwerken, voor de afzonderlijke lidstaten heel moeilijk is toezicht te houden op de online marketing van alcohol en dat optreden van de Commissie dus meerwaarde zou opleveren op dit gebied;

26.

benadrukt de efficiëntie van formeel, informeel en niet-formeel onderwijs en educatie door leeftijdsgenoten in de verspreiding van veilige praktijken en kennis over mogelijke gevaren (aan de hand van concrete voorbeelden) voor minderjarigen bij het gebruiken van het internet, sociale netwerken, videogames en mobiele telefoons, en moedigt „European Schoolnet” aan om mentorschap tussen studenten op dit gebied te bevorderen; benadrukt dat ook ouders moeten worden voorgelicht over veilige praktijken en gevaren;

27.

verzoekt de Commissie en de lidstaten programma's op te zetten om kinderen en jongeren de nodige vaardigheden bij te brengen en ervoor te zorgen dat zij met kennis van zaken het internet en de nieuwe media gebruiken, en wijst in dit verband op het belang van het inbouwen van digitale-mediageletterdheid op alle niveaus van het formele en niet-formele onderwijs, met inbegrip van een concept van levenslang leren vanaf een zo vroeg mogelijk stadium;

Recht op bescherming

Bestrijding van illegale inhoud

28.

benadrukt de uitdagingen waarvoor het strafrecht zich geplaatst ziet waar het gaat om het toepassen van de beginselen van rechtszekerheid en rechtmatigheid, het vermoeden van onschuld, de rechten van het slachtoffer en de rechten van de verdachte in de online omgeving; wijst in dit verband op de uitdagingen uit het verleden bij het opstellen van duidelijke definities, zoals voor kinderlokkerij online en kinderpornografie, waarvoor bij voorkeur de term „materiaal betreffende seksueel misbruik van kinderen” wordt gebruikt;

29.

roept de Commissie daarom op om in het kader van haar rapportageverplichting over de omzetting van Richtlijn 2011/92/EU nauwkeurige en heldere gegevens te verzamelen over het misdrijf kinderlokkerij online, waarbij tevens precies wordt aangegeven welke nationale bepalingen dit gedrag als een misdrijf aanmerken; verzoekt de lidstaten en de Commissie om gegevens over dit misdrijf te verzamelen, met name over aantallen strafrechtelijke procedures die aanhangig zijn gemaakt, aantallen veroordelingen en belangrijke nationale jurisprudentie, en beproefde praktijken uit te wisselen op het gebied van vervolging en bestraffing; verzoekt de Commissie ook om de manier waarop statistische gegevens worden verzameld en gepubliceerd sterk te verbeteren zodat een betere beleidsontwikkeling en -evaluatie mogelijk wordt;

30.

onderkent in dit verband de zeer intensieve samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in de lidstaten, evenals tussen deze autoriteiten en Europol en Eurojust, op het gebied van misdrijven die met behulp van digitale media tegen kinderen worden begaan, waarbij operatie 'Icarus' in 2011 tegen netwerken voor het online delen van bestanden met kinderporno als voorbeeld kan worden genoemd;

31.

benadrukt echter dat er, gezien de bestaande belemmeringen die volledige samenwerking en wederzijds vertrouwen in de weg staan, verdere verbeteringen mogelijk zijn in het kader van een verdergaande harmonisering van het strafrecht en de strafrechtelijke procedures in de lidstaten, met inbegrip van de procedurele rechten en de rechten op het gebied van gegevensbescherming van verdachten en eerbiediging van de grondrechten op basis van het EU-Handvest;

32.

is ingenomen met het voorstel van de Commissie om mogelijke wetgevingsmaatregelen te overwegen indien zelfregulering van de industrie onvoldoende resultaten oplevert;

33.

benadrukt echter dat voorstellen voor EU-bepalingen inzake materieel strafrecht volledig in overeenstemming dienen te zijn met het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel, alsook met algemene beginselen van het strafrecht, en aanwijsbaar bedoeld moeten zijn om meerwaarde te creëren dankzij een gemeenschappelijke EU-aanpak bij de bestrijding van zware grensoverschrijdende criminaliteit, zoals in de resolutie van het Parlement van 22 mei 2012 over een EU-aanpak van het strafrecht (8) wordt aangegeven;

34.

verzoekt de Commissie en de lidstaten alles in het werk te stellen om nauwer te gaan samenwerken met derde landen bij het onmiddellijk verwijderen van webpagina's die zich op servers op hun grondgebied bevinden en die illegale inhoud of illegale gedragingen bevatten of verspreiden, alsook bij het bestrijden van cybercriminaliteit; moedigt in dit verband internationale uitwisseling van expertise en beproefde praktijken aan, alsmede het bundelen van ideeën tussen regeringen, wetshandhavinginstanties, in de bestrijding van computercriminaliteit gespecialiseerde politie-eenheden, telefonische hulpdiensten, kinderbeschermingsorganisaties en de internetsector aan;

35.

verzoekt in dit verband om volledige goedkeuring van alle maatregelen die worden genoemd in de routekaart van de Raad van 2009 ter versterking van de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures, evenals om een gemeenschappelijke aanpak ten aanzien van de toelaatbaarheid en de beoordeling van bewijs, om de beletsels voor het vrije verkeer van bewijs dat in een andere lidstaat is verzameld weg te nemen;

36.

is voorstander van de invoering en verdere uitbreiding van telefonische-hulpdienstsystemen voor het melden van misdrijven en illegale inhoud en illegaal gedrag, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met de ervaring van het Europese telefonische meldpunt voor vermiste kinderen, alsook met de nationale vroegtijdige waarschuwingssystemen en het European Child Alert Automated System; benadrukt echter dat bij elk onmiddellijk strafrechtelijk ingrijpen op basis van een aangifte een evenwicht moet worden gevonden tussen enerzijds de rechten van de potentiële slachtoffers en de positieve verplichting van de lidstaat krachtens de artikelen 2 en 8 van het EVRM en, anderzijds, zoals reeds benadrukt in de jurisprudentie van het EVRM, de rechten van de verdachte; verzoekt de lidstaten en de Commissie in dit verband te komen beproefde praktijken uit te wisselen op het gebied van het onderzoek naar en de strafrechtelijke vervolging van misdrijven tegen kinderen in de digitale wereld; herinnert eraan dat artikel 8 van het voorstel van de Commissie voor een algemene verordening inzake gegevensbescherming (COM(2012)0011) specifieke waarborgen bevat voor de verwerking van persoonsgegevens van kinderen, zoals de verplichte toestemming van de ouders voor het verwerken van de gegevens van kinderen jonger dan dertien jaar;

37.

merkt op dat de procedures voor procedures voor kennisgeving en verwijdering („notice and take down”) in sommige lidstaten nog te traag zijn; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om ter zake een effectbeoordeling te publiceren en beveelt aan de doeltreffendheid van deze procedures te vergroten en deze in de lidstaten verder uit te bouwen om tot beproefde praktijken te komen;

38.

verzoekt de Commissie om de doeltreffendheid van de samenwerking tussen de politiediensten op het vlak de bescherming van kinderen tegen online criminaliteit, telefonische hulpdiensten en bestaande overeenkomsten met aanbieders van internetdiensten te evalueren; verzoekt om de totstandbrenging van synergie met andere diensten die op dit gebied actief zijn, zoals politiediensten en jeugdrechtspraakstelsels om minderjarigen te beschermen tegen online criminaliteit, in het bijzonder door telefonische hulpdiensten en contactpunten te coördineren en te integreren;

39.

moedigt de lidstaten aan om nationale telefonische meldpunten en andere contactpunten, zoals „safety buttons”, die aan de INHOPE-normen voldoen, in stand te houden, de integratie tussen deze organisaties te verbeteren en aandachtig de bereikte resultaten te analyseren;

40.

onderstreept dat het belangrijk is dat betrouwbare instrumenten, zoals waarschuwingspagina's of akoestische en optische waarschuwingssignalen, overal toegepast gaan worden, teneinde de rechtstreekse toegang van minderjarigen tot voor hen schadelijke inhoud te beperken;

41.

vraagt de Commissie en de lidstaten om de informatie over telefonische meldpunten en andere contactpunten, zoals „safety buttons” voor kinderen en hun families, te verbeteren en het zo makkelijker maken om illegale inhoud te melden, en verzoekt de lidstaten om meer bekendheid te geven aan het bestaan van telefonische meldpunten waar beelden van seksueel misbruik van kinderen kunnen worden gemeld;

42.

staat achter de toezegging van de aanbieders van digitale inhoud en diensten om conform de geldende regelgeving gedragscodes op te stellen voor het identificeren en voorkomen van illegale inhoud en het verwijderen ervan op basis van gerechtelijke besluiten; moedigt de Commissie en de lidstaten aan op dat gebied evaluaties uit te voeren;

43.

verzoekt de Commissie en de lidstaten een nieuwe campagne te starten die gericht zal zijn op de ouders en hen zal helpen om inzicht te krijgen in het door hun kinderen gehanteerde digitale materiaal, en vooral in de manier waarop zij hun kinderen kunnen beschermen tegen illegaal, ongeschikt of gevaarlijk materiaal;

44.

betreurt dat de overeenkomst die op 9 februari 2009 tussen de Commissie en 17 sociale netwerken op het internet, waaronder Facebook en Myspace, werd ondertekend en die de bescherming en veiligheid van minderjarigen op het internet moest bevorderen, niet wordt nageleefd;

45.

wijst erop dat online criminaliteit vaak grensoverschrijdend is en dat internationale samenwerking tussen bestaande handhavingsinstanties daarom een wezenlijk onderdeel moet vormen van de bestrijding van deze misdrijven;

46.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om bewustmakingscampagnes gericht op kinderen, ouders en opvoeders te steunen en te lanceren om hen van de nodige informatie te voorzien om zich te wapenen tegen cybercriminaliteit en hen aan te moedigen verdachte websites en onlinegedragingen te melden;

47.

verzoekt de lidstaten om de bestaande nationale en internationale procedures voor het verwijderen van websites waarop uitbuiting, dreigementen, misbruik, discriminatie of andere onwenselijke inhoud worden geëtaleerd, naar behoren toe te passen;

Strijd tegen schadelijke inhoud

48.

verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe effectief de diverse systemen voor vrijwillige indeling van niet voor minderjarigen geschikte inhoud zijn en moedigt de Commissie, de lidstaten en de internetbedrijven aan om strategieën en normen te ontwikkelen om kinderen te trainen in het verantwoord gebruik van internet en om hen bewust te maken van en te beschermen tegen online- en offlineblootstelling aan voor hun leeftijd ongeschikte inhoud, zoals geweld, reclame die tot buitensporige uitgaven aanzet en de aanschaf van virtuele goederen of kredieten via hun mobiele telefoons;

49.

is verheugd over technische innovaties waarmee het bedrijfsleven speciale online diensten aanbiedt die een veilig internetgebruik door kinderen mogelijk maken;

50.

verzoekt verenigingen van aanbieders van audiovisuele en digitale diensten om, in samenwerking met andere betrokken verenigingen, de bescherming van minderjarigen op te nemen in hun statuten en bij hun diensten te vermelden voor welke leeftijdsgroep zij geschikt zijn;

51.

moedigt de lidstaten aan tot voortzetting van de dialoog die moet leiden tot harmonisatie van de classificatie van digitale inhoud voor kinderen, in samenwerking met de betrokken marktdeelnemers en verenigingen en met derde landen;

52.

moedigt de Commissie en de lidstaten aan om elektronische spellen met behulp van duidelijke symbolen in te delen naar leeftijdscategorie en vooral ook naar inhoud;

53.

verzoekt de Commissie het „Europees kader voor een veiliger gebruik van mobiele telefoons” voort te zetten door gebruik te maken van de mogelijkheden die ouderlijke controle vergemakkelijken;

54.

benadrukt dat maatschappelijke organisaties goed werk hebben verricht en moedigt deze organisaties aan om grensoverschrijdend samen te werken en als partners op te treden van wetshandhavingsinstanties, de overheid, aanbieders van internetdiensten en het publiek;

Bescherming van de persoonlijke levenssfeer

55.

wijst nogmaals op het belang van gegevensbescherming voor kinderen, met name gezien de snelle toename van het aantal sociale netwerken en chatrooms, waardoor steeds meer persoonsgegevens op digitale media circuleren en toegankelijk zijn;

56.

is ingenomen met het nieuwe voorstel voor een gegevensbeschermingsverordening (COM(2012)0011) en de speciale bepalingen daarin over de toestemming van kinderen en het recht om te worden vergeten, waarmee het verboden wordt om online informatie te bewaren over persoonlijke gegevens van minderjarigen die een risico kunnen opleveren voor hun persoonlijk en beroepsleven, erop wijzend dat het bewaren van internetinformatie en gegevens over kinderen misbruikt kan worden en ten koste kan gaan van hun waardigheid en hun maatschappelijke integratie;

57.

benadrukt dat deze bepalingen op een zodanige manier moeten worden verduidelijkt en uitgewerkt dat gewaarborgd wordt dat ze op het moment van goedkeuring van de nieuwe wetgeving duidelijk en volledig operationeel zijn en de internetvrijheid niet ondermijnen;

58.

is tevens verheugd over het voornemen om een elektronisch systeem voor leeftijdsverificatie op te zetten;

59.

is van mening dat eigenaars en beheerders van webpagina's duidelijk en zichtbaar moeten aangeven welk gegevensbeschermingsbeleid zij voeren en dat zij moeten zorgen dat ouderlijke toestemming verplicht is voor de verwerking van gegevens van kinderen van minder dan dertien jaar; vraagt om opvoering van de inspanningen om de ingebouwde privacy zoveel mogelijk te versterken, teneinde secundaire victimisatie van kinderen te voorkomen;

60.

onderstreept dat het belangrijk is dat gebruikers bewust worden gemaakt van de wijze waarop aanbieders van diensten of sociale netwerken hun persoonsgegevens en gegevens over aan hen verbonden derden verwerken en van de rechtsmiddelen waarover zij beschikken wanneer hun gegevens worden gebruikt voor andere dan de legitieme doelen waarvoor zij door aanbieders en hun partners werden verzameld, en dat deze informatie verschijnt in een aan het profiel van de gebruiker aangepaste taal en vorm, met speciale aandacht voor minderjarige gebruikers; is van mening dat aanbieders bijzondere verantwoordelijkheden hebben op dit gebied en verzoekt hen de gebruikers op heldere, begrijpelijke wijze te informeren over hun bekendmakingsbeleid;

61.

hoopt sterk dat in elke digitale sector technologische opties worden bevorderd waarmee het surfen van kinderen desgewenst binnen traceerbare grenzen kan worden gehouden en de internettoegang aan voorwaarden kan worden verbonden, zodat ouders over een doeltreffend controle-instrument beschikken; tekent daar echter bij aan dat zo'n maatregelen niet in de plaats mogen komen van grondige training in het gebruik van de media;

62.

benadrukt dat het belangrijk is kinderen en jongeren al in een heel vroeg stadium te informeren over hun recht op privacy op het internet en hen te leren de soms subtiele methodes te herkennen waarmee wordt geprobeerd informatie van ze los te krijgen;

Recht op weerwoord in digitale media

63.

verzoekt de lidstaten systemen te ontwikkelen en te harmoniseren betreffende het recht op weerwoord in digitale media en ook de efficiëntie van die systemen te verbeteren;

Recht op digitaal burgerschap

64.

benadrukt dat de digitale wereld een belangrijk opleidingsinstrument op het gebied van burgerschap is aangezien hij de deelname van een groot aantal burgers uit decentrale gebieden mogelijk maakt, en met name van jongeren die nu de mogelijkheid krijgen online volledig gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting en communicatie;

65.

verzoekt de lidstaten digitale platforms te beschouwen als een trainingsplaats voor democratische participatie van alle kinderen, met speciale aandacht voor de meest kwetsbare;

66.

onderstreept de kansen die de nieuwe media bieden om via digitale diensten en inhoud het begrip en de dialoog tussen generaties, geslachten en culturele en etnische groeperingen te bevorderen;

67.

herinnert eraan dat informatie en burgerschap op het internet nauw met elkaar verbonden zijn en dat de grootste bedreiging van de burgerlijke betrokkenheid van jongeren vandaag de dag wordt gevormd door de onverschilligheid voor informatie;

o

o o

68.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.

(2)  PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.

(3)  PB L 178 van 17.07.2000, blz. 1.

(4)  PB L 327 van 24.11.06, blz. 12.

(5)  PB L 378 van 27.12.06, blz. 72.

(6)  PB C 372 van 20.12.2011, blz. 15.

(7)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0323.

(8)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0208.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/42


P7_TA(2012)0429

Initiatief voor sociaal ondernemerschap

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het Initiatief voor sociaal ondernemerschap — Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie (2012/2004(INI))

(2015/C 419/08)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's van 18 april 2012 getiteld „Naar een banenrijk herstel” (COM(2012)0173),

gezien het werkdocument van de sectie voor een eengemaakte markt, productie en consumptie betreffende de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's getiteld „Initiatief voor sociaal ondernemerschap — Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie”, INT/606 van 22 februari 2012,

gezien het voorstel van de Commissie van 8 februari 2012 voor een verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese stichting (FE) (COM(2012)0035),

gezien het voorstel van de Commissie van 20 december 2011 voor een richtlijn betreffende het gunnen van overheidsopdrachten (COM(2011)0896),

gezien het voorstel van de Commissie van 7 december 2011 voor een verordening inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (COM(2011)0862),

gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 getiteld „Initiatief voor sociaal ondernemerschap — Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie” (COM(2011)0682),

gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober inzake een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen (COM(2011)0681),

gezien de mededeling van de Commissie van 13 april 2011 getiteld „Akte voor de interne markt: Twaalf hefbomen voor het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen — „Samen werk maken van een nieuwe groei”” (COM(2011)0206),

gezien de mededeling van de Commissie van 27 oktober 2010 getiteld „Naar een Single Market Act — Voor een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen” (COM(2010)0608),

gezien het voorstel van de Commissie van 6 oktober 2011 inzake een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie (COM(2011)0609),

gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020 — Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

gezien het voorstel van de Commissie van 6 oktober 2011 voor een verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 (COM(2011)0607),

gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2010 getiteld „Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang” (COM(2010)0758),

gezien de publicatie van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en het EMES European Research Network van 2008 getiteld „Social Enterprise: A new model for poverty reduction and employment generation” (1),

gezien het verkennend advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 oktober 2011 getiteld „Sociaal ondernemerschap en sociale ondernemingen” IN/589,

gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de sociale economie (1),

gezien zijn schriftelijke verklaring van 10 maart 2011 (2),

gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 betreffende het statuut voor een Europese coöperatieve vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (3),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en sociale zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0305/2012),

A.

overwegende dat sociale ondernemingen, die in totaal 10 % van de Europese ondernemingen vertegenwoordigen, oftewel 2 miljoen ondernemingen, en die werk bieden aan ruim 11 miljoen mensen binnen de EU, oftewel 6 % van de totale Europese beroepsbevolking, een aanzienlijke bijdrage leveren tot het Europees sociaal model en de Europa 2020-strategie;

B.

overwegende dat verschillende historische ontwikkelingen ertoe geleid hebben dat wettelijke kaders voor ondernemingen, waaronder sociale ondernemingen, tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen vertonen;

C.

overwegende dat de meeste soorten ondernemingen van de sociale economie op Europees niveau niet wettelijk erkend zijn en slechts in bepaalde lidstaten nationaal erkend zijn;

D.

overwegende dat de gevolgen van de huidige sociale, economische en financiële crisis tezamen met de demografische ontwikkelingen, met name de vergrijzing, een wissel trekt op de socialezekerheidsstelsels, met inbegrip van verplichte en vrijwillige sociale verzekeringen, en dat er derhalve stimulansen moeten worden gegeven aan innovatieve systemen om een adequate en fatsoenlijke sociale zekerheid te waarborgen;

E.

overwegende dat de Single Market Act en de Europa 2020-strategie — beide gericht op slimme, duurzame en inclusieve groei, meer en betere banen en armoedebestrijding — onderling sterk verweven zijn en dat sociale ondernemingen een significante bijdrage kunnen leveren doordat ze over innovatiepotentieel beschikken en adequaat inspelen op sociale behoeften;

F.

overwegende dat de Commissie onderkent dat actoren in de sociale economie en sociale ondernemingen de drijvende kracht vormen achter economische groei en sociale innovatie en daarbij tevens duurzame werkgelegenheid creëren en de integratie van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt bevorderen;

G.

overwegende dat de voorstellen van de Commissie voor verordeningen inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen en het programma voor sociale verandering en innovatie instemming verdienen;

H.

overwegende dat sociale ondernemingen essentiële elementen van een verzorgingsstaat zijn en aldus bijdragen tot de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen van de Europese Unie;

I.

overwegende dat vele sociale ondernemingen moeilijkheden ondervinden bij het financieren van uitbreiding van hun activiteiten en derhalve specifieke, toegesneden steun nodig hebben, zoals sociaal bankieren, risicodelingsinstrumenten, liefdadigheidsinstellingen en (micro)krediet, vooral als het om micro-ondernemingen en kmo's gaat; overwegende dat de structuurfondsen en -programma's van de EU in dit verband een belangrijke rol spelen door het bevorderen van toegang tot financiering voor sociale ondernemingen, ook die welke investeringsintensief zijn;

J.

overwegende dat de meeste sociale ondernemingen beleidshervorming bevorderen door bevordering van behoorlijk bestuur, met name door inschakeling van de werknemers, klanten en belanghebbenden, en wederzijds leren en sociale innovatie ondersteunen en aldus inspelen op de toenemende vraag van burgers naar ethisch, sociaal en milieuvriendelijk optreden van ondernemingen;

K.

overwegende dat sociale ondernemingen door hun aard en werkwijze bijdragen tot een samenleving die meer samenhang vertoont en democratischer en actiever is, en veelal betere arbeidsvoorwaarden bieden, en moeten bieden, alsook gelijk loon voor gelijk werk, en gelijke kansen van mannen en vrouwen steunen en aldus het combineren van werk en gezinsleven mogelijk maken;

L.

overwegende dat de Commissie voorstelt om kansarmen toe te voegen aan de categorieën die in aanmerking komen voor voorbehouden opdrachten;

Inleiding

1.

is ingenomen met de mededeling van de Commissie inzake het initiatief voor sociaal ondernemerschap en de mededeling getiteld „Naar een banenrijk herstel” met aanbevelingen aan nationale overheden voor verbetering van de randvoorwaarden voor sociale ondernemingen zodat nieuwe kansen en banen gecreëerd kunnen worden, onder meer in het snelgroeiende gezondheids- en socialezorgsegment (de „witte sector”) en in het milieusegment (de „groene sector”) — twee gebieden die nieuwe mogelijkheden bieden aan de sociale economie en de economie als geheel;

2.

stelt vast dat de sociale economie deel uitmaakt van de ecosociale markteconomie en van de Europese interne markt en wijst erop dat zij goed bestand is tegen crises en solide bedrijfsmodellen hanteert; beklemtoont dat sociale ondernemingen veelal inspelen op sociale en menselijke noden waaraan commerciële bedrijven en de overheid geen of onvoldoende aandacht besteden; wijst erop dat banen in de sociale economie een grotere kans hebben om ter plaatse te blijven;

3.

wijst erop dat een sociale onderneming ongeacht de rechtsvorm een onderneming is die:

a)

als hoofddoel heeft het realiseren van meetbare positieve sociale effecten overeenkomstig haar statuten of elk ander statutair document waarbij de onderneming is opgericht, en:

diensten of goederen levert ten behoeve van kwetsbare, gemarginaliseerde, benadeelde of uitgesloten personen en/of

diensten of goederen levert volgens een productiemethode die haar sociale doelstelling tot uiting brengt;

b)

haar winst in de eerste plaats gebruikt om haar hoofddoelen te realiseren in plaats van winst uit te keren en voor alle omstandigheden waarin winst wordt uitgekeerd aan aandeelhouders en eigenaars, vooraf bepaalde procedures en regels heeft ingesteld die ervoor zorgen dat de verdeling van winst de hoofddoelen niet ondermijnt; alsmede

c)

op verantwoorde en transparante wijze wordt beheerd, in het bijzonder door participatie van de werknemers, klanten en/of belanghebbenden bij de bedrijfsactiviteiten;

Aanbevolen acties voor verschillende soorten ondernemingen

4.

benadrukt dat werk van vrijwilligers in de diverse sectoren van de sociale economie, waaronder jongeren die aan het begin van hun carrière staan en die enthousiasme en nieuwe vaardigheden meebrengen, alsook ouderen die ruime ervaring en beproefde vaardigheden hebben, een belangrijke bijdrage levert tot de economische groei, solidariteit en sociale cohesie en het leven van veel mensen zin geeft; dringt aan op erkenning en adequate financiële en structurele steun op lokaal, nationaal en Europees niveau;

5.

verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat sociale ondernemingen niet benadeeld worden door andere soorten ondernemingen die de winstgevende gebieden wegkapen; wijst erop dat deze gebieden voornamelijk stedelijke gebieden zijn, zodat minder winstgevende gebieden op het platteland en in meer afgelegen streken, waar de logistiek duurder is, het met minder en kwalitatief slechtere dienstverlening moeten doen; beklemtoont dat de gebruiker vrij moet kunnen kiezen uit meerdere dienstverleners;

6.

benadrukt het belang van een strategie en maatregelen ter bevordering van sociaal ondernemerschap en innovatieve sociale ondernemingen, met name met betrekking tot jongeren en gehandicapten, om ervoor te zorgen dat ondernemers, mannen zowel als vrouwen, gemakkelijker gebruik kunnen maken van de programma's en financiering van de EU en de lidstaten; dringt aan op toereikende steun om het programma Erasmus voor jonge ondernemers te continueren en de aantrekkelijkheid en zichtbaarheid van dit programma ook in de sociale economie te vergroten; wijst er wel op dat zelfstandig ondernemerschap gepaard moet gaan met voldoende begeleiding;

7.

wijst op de diversiteit binnen de sociale economie; benadrukt dat de ontwikkeling van nieuwe rechtskaders op EU-niveau facultatief voor de ondernemingen moet zijn en dat er eerst een effectbeoordeling moet plaatsvinden om rekening te houden met de verschillende sociale bedrijfsmodellen in de lidstaten; benadrukt dat maatregelen wel hun Europese meerwaarde moeten bewijzen;

8.

steunt initiatieven op EU-niveau om het reeds sterk ontwikkelde verenigingsleven in de diverse lidstaten uit te breiden en te versterken; dringt aan op een Europese rechtsregeling voor verenigingen, als aanvulling op de bestaande nationale rechtsregelingen;

9.

verwelkomt de intentie van de Commissie om een voorstel te presenteren voor vereenvoudiging van de verordening inzake het statuut voor een Europese coöperatieve vennootschap;

10.

is ingenomen met de studie van de Commissie naar de situatie van de onderlinge maatschappijen in Europa met sterke inbreng van de sector; benadrukt dat onderlinge maatschappijen erkend moeten worden met behulp van een Europees statuut, als een afzonderlijke en belangrijke speler binnen de Europese economie en samenleving; beklemtoont dat de voordelen van een Europees statuut bevorderlijk zouden zijn voor grensoverschrijdende activiteiten van onderlinge maatschappijen; dringt er bij de lidstaten die nog geen nationaal statuut voor onderlinge maatschappijen kennen, op aan een dergelijk statuut alsnog in te voeren;

11.

verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een verordening betreffende het statuut van de Europese stichting;

12.

herinnert eraan dat de Commissie zich in COM(2004)0018 heeft verbonden tot twaalf concrete acties om de ontwikkeling van coöperaties te ondersteunen en betreurt dat er tot nog toe zo weinig vooruitgang is geboekt; verzoekt de Commissie zich ambitieus op te stellen en aansluitend op het initiatief van 2004 nadere maatregelen voor te stellen om de operationele voorwaarden voor coöperaties, onderlinge maatschappijen en stichtingen te verbeteren en aldus de ontwikkeling van de sociale economie in het algemeen te ondersteunen;

13.

verwelkomt de goedkeuring van het herziene pakket van EU-regels voor staatssteun betreffende sociale en lokale diensten, en spoort de Commissie tevens aan de regels verder te verduidelijken zodat ze voor de lagere overheden begrijpelijker en makkelijker toepasbaar worden, met name met betrekking tot de sociale ondernemingen;

Ondernemingen die sociale doelstellingen vervullen of een sociale impact verwezenlijken

14.

wijst erop dat sociale ondernemingen belangrijke leveranciers zijn van diensten van algemeen belang; wijst erop dat dit soort ondernemingen veelal voortkomen uit of nauw verbonden zijn met maatschappelijke organisaties, vrijwilligersorganisaties en/of welzijnsverenigingen die mensgerichte diensten leveren die toegesneden zijn op essentiële menselijke behoeften, met name van gebruikers in een kwetsbare positie; wijst erop dat sociale ondernemingen veelal een middenpositie innemen tussen de traditionele particuliere en publieke dienstverleners, met name in het kader van overheidsopdrachten;

15.

is van oordeel dat het begrip „maatschappelijk verantwoord ondernemen” (mvo) los moet worden gezien van het begrip „sociale economie”, zij het dat bepaalde commerciële bedrijven met een aanzienlijke activiteit op het gebied van mvo sterk verweven kunnen zijn met sociale ondernemingen;

Financiële perspectieven — verbeteren van het wettelijk en fiscaal milieu

16.

is van mening dat het EU-programma voor sociale verandering en innovatie voor 2014-2020, met het aandachtspunt microfinanciering en sociaal ondernemerschap, bijdraagt tot betere toegang tot microkredieten voor micro-ondernemingen van de sociale economie met inachtneming van de uiteenlopende financieringsbehoeften van sociale ondernemingen;

17.

is van oordeel dat er verschillende financieringsinstrumenten nodig zijn — zoals de Europese sociaalondernemerschapsfondsen, de Europese durfkapitaalfondsen en de European Angels Funds (EAF) om de toegang van sociale ondernemingen tot de financiële markten te bevorderen;

18.

benadrukt dat sociale ondernemingen gesteund moeten worden door middel van toereikende financiële instrumenten op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau en wijst op de daarvoor in aanmerking komende fondsen in het kader van het meerjarig financieel kader 2014-2020 (zoals het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, het Europees programma voor sociale verandering en innovatie, het Programma voor onderzoek en innovatie, en Horizon 2020); vraagt uitdrukkelijk om steun voor innovatieve sociale ondernemingen, met name die welke kwaliteitsbanen opleveren, armoede en sociale uitsluiting bestrijden en investeren in onderwijs, scholing en levenslang leren;

19.

beklemtoont dat de toegang tot Europese financiering eenvoudiger wordt terwijl de nodige flexibiliteit op nationaal niveau mogelijk moet blijven, dat er financieringsmogelijkheden moeten worden geboden en dat daaraan duidelijk bekendheid moet worden gegeven en dat er tevens organisatorische, administratieve en boekhoudkundige vereenvoudigingen moeten worden doorgevoerd;

20.

wijst erop dat de invoering van nieuwe vormen van financiële steun zal worden voorafgegaan door een analyse van de huidige instrumenten om de efficiëntie ervan te evalueren, en acht het in dit verband noodzakelijk te kunnen beschikken over hulpmiddelen waarmee het maatschappelijke rendement van investeringen kan worden gemeten en vergeleken, teneinde de ontwikkeling van een transparantere investeringsmarkt te bevorderen;

21.

acht het noodzakelijk omstandigheden te creëren waarin sociale ondernemingen financiële onafhankelijkheid kunnen verwerven en zich kunnen bezighouden met commerciële zakelijke activiteiten;

22.

is van mening dat verantwoorde beheersprocessen, ondersteund door naar behoren gecontroleerde en transparante financieringsmechanismen, noodzakelijk zijn om zich te kunnen blijven concentreren op sociaal ondernemerschap;

Metingen, ondersteuning en promotie

23.

vraagt om een vergelijkende studie op initiatief van de Commissie, uit te voeren in samenwerking met sociale ondernemingen, naar de verschillende rechtskaders in de verschillende EU-landen en de bedrijfsomstandigheden en -karakteristieken voor sociale ondernemingen, waaronder hun omvang, aantal, werkterrein en certificatie- en etiketteringsregelingen;

24.

benadrukt dat er grote verschillen bestaan tussen sociale ondernemingen wat betreft vorm, omvang, activiteiten, financiële situatie en samenwerkingsverbanden; merkt op dat sommige sociale ondernemingen toonaangevend zijn voor de ontwikkeling in hun sector en over voldoende capaciteit beschikken voor hun eigen ontwikkeling, maar dat andere behoefte hebben aan knowhow met betrekking tot de oprichting en de ontwikkeling van een onderneming en de bedrijfsvoering;

25.

is van mening dat het, om de concurrentiekracht van sociale ondernemingen in de gehele EU te vergroten, noodzakelijk is de totstandbrenging te bevorderen van sociale innovatieclusters, waarvan de toegevoegde waarde het lokale niveau overstijgt; is bovendien van oordeel dat sociale ondernemingen, met behulp van passende stimulansen, van essentieel belang kunnen zijn voor de werkgelegenheid van gekwalificeerde werknemers ouder dan 50 jaar die de arbeidsmarkt hebben verlaten;

26.

steunt het voorstel van de Commissie om een meertalig, toegankelijk en gebruikersvriendelijk onlineplatform voor sociale ondernemingen op te zetten, onder meer met het oog op wederzijds leren, uitwisseling van beproefde modellen, ontwikkeling van partnerschappen, bevordering van informatie-uitwisseling omtrent toegang tot financierings- en scholingsmogelijkheden, en met de functie van netwerk voor grensoverschrijdende samenwerking; verzoekt de Commissie en de lidstaten aandacht aan sociale ondernemingen te besteden via de open coördinatiemethode;

27.

steunt het voorstel van de Europese Commissie om een deskundigengroep in te stellen voor sociaal ondernemerschap om de voortgang van de in mededeling COM(2011)0682 beoogde maatregelen te bewaken en evalueren;

28.

verzoekt de Commissie en de lidstaten om de haalbaarheid en wenselijkheid van de ontwikkeling van een „Europees sociaal label” te overwegen dat aan sociale ondernemingen wordt toegekend, teneinde een betere toegang tot sociaal innovatieve overheidsopdrachten te verzekeren zonder de mededingingsregels te overtreden; stelt voor dat ondernemingen met een dergelijk label op gezette tijden gecontroleerd worden om na te gaan of ze nog aan de voorwaarden van het label voldoen;

29.

dringt aan op Europese regels inzake overheidsopdrachten waarbij het beginsel wordt toegepast van „de economisch gunstigste offerte” in plaats van de „laagste kosten” bij het inhuren van dienstverlening;

30.

verzoekt de Commissie te werken aan beter begrip en kennis over sociale ondernemingen en de sociale economie en er ruimere bekendheid aan te geven via ondersteuning van universitair onderzoek, onder meer via het achtste kaderprogramma (Horizon), en een periodiek activiteitenrapport over sociale ondernemingen en hun prestaties te gaan uitbrengen; verzoekt de lidstaten gehoor te geven aan de oproep van de Commissie tot indiening van voorstellen met het oog op betrouwbare statistieken over sociale ondernemingen, afkomstig van de nationale bureaus voor de statistiek;

31.

verzoek de Commissie en de lidstaten sociale ondernemingen een plaats te geven in hun actieplannen voor werkgelegenheid en sociale inclusie en hun steun te geven aan de instelling van een Europese prijs voor sociaal ondernemerschap, warmee de sociale effecten ervan erkenning kunnen krijgen;

32.

wijst erop dat sociale ondernemingen een maximum aan ondersteuning en aanvaarding door middel van voorlichting nodig hebben, niet in de laatste plaats door de niet-economische baten te onderstrepen, en dringt aan op een brede voorlichtingscampagne met steun van de Commissie, de lidstaten en de sociale partners via een toegankelijke, meertalige website waarmee snel informatie kan worden verkregen over sociale producten en diensten ten behoeve van burgers;

33.

verzoekt de lidstaten stil te staan bij de voordelen van opneming van de beginselen van sociaal ondernemerschap en sociale verantwoordelijkheid in de curricula van scholen, universiteiten en andere onderwijsinstellingen, en in de programma's voor „levenslang leren”, met het oog op de ontwikkeling van sociale en burgerschapsvaardigheden en de ondersteuning van aanstellingen in sociale ondernemingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts conventionele en onlinescholing voor sociale ondernemers te ondersteunen en nauwere samenwerking tussen sociale ondernemingen, commerciële bedrijven en universiteiten te bevorderen teneinde begrip voor sociale ondernemingen te kweken en de kennis erover te vergroten en eventuele stereotiepe denkbeelden te bestrijden;

34.

is van mening dat de invoering van een gemeenschappelijk Europees kader voor de publicatie van gegevens een waarborg zal vormen voor duidelijkere en doeltreffendere informatievoorziening over investeringen in sociale ondernemingen;

35.

verwelkomt de toezegging van de Commissie om te onderzoeken en te overwegen of sociale ondernemingen gebruik kunnen maken van slapende octrooien, om zo hun ontwikkeling te bevorderen, en hoopt op concrete maatregelen in de nabije toekomst;

o

o o

36.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  http://www.emes.net/fileadmin/emes/PDF_files/News/2008/11.08_EMES_UNDP_publication.pdf

(1)  PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 16.

(2)  PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 187.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0071.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/48


P7_TA(2012)0430

Naar een echte Economische en Monetaire Unie

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 met aanbevelingen aan de Commissie over het verslag van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep „Naar een echte Economische en Monetaire Unie” 2012/2151 (INI).

(2015/C 419/09)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de conclusies van de Europese Raad van 28 en 29 juni 2012,

gezien de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone van 29 juni 2012,

gezien het verslag van 26 juni 2012 van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep „Naar een echte Economische en Monetaire Unie”,

gezien de artikelen 42 en 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie constitutionele zaken, de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0339/2012),

A.

overwegende dat de Europese Unie sinds de ondertekening van het Verdrag van Rome aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt in de richting van politieke, economische, budgettaire en monetaire integratie;

B.

overwegende dat de Economische en Monetaire Unie (EMU) geen doel op zich is, maar een instrument om de doelstellingen van de Unie en de lidstaten te verwezenlijken, in het bijzonder een evenwichtige en duurzame groei en een hoog niveau van werkgelegenheid; overwegende dat sociale integratie en solidariteit de hoekstenen zijn van het Europees sociaal model en van de Europese integratie als geheel en dan ook per definitie deel moeten uitmaken van iedere toekomstige hervorming van de Unie;

C.

overwegende dat de behoefte aan een nauwere Europese integratie die stoelt op democratische legitimiteit, verantwoordingsplicht, transparantie en steun van de burger in een gemondialiseerde informatiemaatschappij steeds duidelijker wordt;

D.

overwegende dat nauwere Europese integratie gepaard moet gaan met een grotere parlementaire betrokkenheid op zowel nationaal als Unieniveau;

E.

overwegende dat de Unie zich op een tweesprong bevindt en er een duidelijke richting moet worden gekozen, ofwel door de krachten binnen de Unie te bundelen en aan een toekomst te bouwen voor een sterke, door waarden gedreven en op solidariteit gebaseerde Unie in een gemondialiseerde wereld, ofwel door op zichzelf terug te vallen en gedwongen te worden zich passief aan te passen aan de mondialisering;

F.

overwegende dat de economische, financiële en bankencrisis en de huidige economische neergang tot hoge overheids- en particuliere schulden op nationaal niveau en tot overheidsfinancieringsproblemen in diverse lidstaten heeft geleid, en dat een en ander — in combinatie met excessieve macro-economische onevenwichtigheden — de sociaaleconomische ontwikkeling van de eurozone en van de Unie in haar geheel snel en rechtstreeks in het ongerede heeft gebracht;

G.

overwegende dat het werkloosheidspeil in de EU27 in de periode van 2008 tot medio 2012 van ongeveer 7 % gestegen is naar 10,4 %, wat neerkomt op 25 miljoen werklozen, en dat meer dan één op de vijf jongeren zonder werk zit (22 %), en dat de jeugdwerkloosheid in sommige lidstaten de 50 % overschrijdt;

H.

overwegende dat het scheppen van banen, kwaliteitsverbetering en fatsoenlijk werk van cruciaal belang zijn om de huidige crisis te boven te komen;

I.

overwegende dat diverse lidstaten zich momenteel geconfronteerd zien met een bijzonder ernstige economische en financiële situatie, die nog wordt verergerd door aanhoudende druk op de overheidsobligatiemarkten, welke tot uiting komt in ondraaglijk hoge debetrentevoeten voor sommige landen, met daarnaast lage of zelfs negatieve rentevoeten voor sommige andere landen en grootscheepse financiële en economische instabiliteit;

J.

overwegende dat de combinatie van verschillen in concurrentievermogen en een laag groeipotentieel, hoge werkloosheid en hoge overheids- en particuliere schulden niet alleen voor problemen zorgt in sommige lidstaten, maar ook de eurozone als geheel kwetsbaar maakt;

K.

overwegende dat de recente gebeurtenissen duidelijk hebben gemaakt dat de eurozone nog niet voldoende is toegerust om de crisis te boven te komen of adequaat in te spelen op de regionale en mondiale economische schokken;

L.

overwegende dat de belangrijke rol die de euro — zowel binnen de eurozone als op mondiaal niveau — vervult als de op één na belangrijkste internationale reservevaluta noopt tot een krachtige Europese respons en een gecoördineerd Europees optreden om de groei weer aan te zwengelen en de economie weer te stabiliseren;

M.

overwegende dat de euro de burgers van de Europese Unie het afgelopen decennium vele voordelen heeft opgeleverd, zoals prijsstabiliteit, opheffing van valutakosten binnen de eurozone, de onmogelijkheid tot nominale devaluaties uit concurrentiemotieven, lagere rentetarieven, stimulering van integratie van financiële markten en vergemakkelijking van grensoverschrijdend kapitaalverkeer;

N.

overwegende dat de eenheidsmunt van de Unie geen symbool van verdeeldheid mag worden dat een bedreiging vormt voor het gehele Europese project, maar de valuta moet blijven van de gehele Unie, die besluitvaardig kan optreden en in staat is om verstrekkende besluiten te nemen met perspectief op een gezamenlijke en voorspoedige toekomst;

O.

overwegende dat bij de ontwikkeling naar een volwaardige EMU ook rekening moet worden gehouden met de wensen van de lidstaten die vrijwillig hebben besloten zich uit te laten sluiten van de verplichting de euro in te voeren om hun respectieve nationale munten te kunnen behouden;

P.

overwegende dat het lidmaatschap van de eurozone een hoge mate van onderlinge economische en financiële afhankelijkheid tussen de betrokken lidstaten met zich meebrengt, en derhalve noopt tot een veel nauwere coördinatie van het financieel, begrotings-, sociaal en economische beleid tussen lidstaten waarbij bevoegdheden aan de Unie worden overdragen, in combinatie met strengere toezichtinstrumenten en effectievere handhaving; overwegende evenwel dat deze verdergaande integratie van lidstaten die de euro als munt hebben — eventueel aangevuld met een groep andere daartoe bereid zijnde lidstaten — geleidelijk gestalte moet krijgen in het kader van een „Europa van twee snelheden” om te voorkomen dat het gevoerde beleid uiteindelijk in het ontstaan van twee verschillende Europa's resulteert;

Q.

overwegende dat uit de laatste onderzoeksresultaten van de Eurobarometer blijkt dat er zich vanwege de aanhoudende crisis een scherpe daling van het vertrouwen in politieke instellingen op zowel nationaal als Unieniveau heeft voorgedaan, en dat er bovendien sprake is van een duidelijke teruggang in het positieve beeld dat het publiek heeft van de Unie; overwegende dat de Unie volgens de burgers van de Unie niettemin de instantie blijft die het meest effectief is in de aanpak van de economische crisis;

R.

overwegende dat de Unie en de nationale beleidsmakers voortdurend aan hun burgers moeten uitleggen wat de voordelen van Europese integratie zijn en wat de implicaties en consequenties zijn die aan een eenheidsmunt zijn verbonden, maar ook wat de kosten en risico's zijn die gepaard zouden gaan met het uiteenvallen van de eurozone;

S.

overwegende dat 17 lidstaten de eenheidsmunt van de Unie reeds hebben aanvaard en dat de meeste andere lidstaten zich bij de euro zullen aansluiten wanneer zij daar klaar voor zijn;

T.

overwegende dat eventuele twijfels omtrent de toekomst van de EMU in het algemeen — met inbegrip van het onomkeerbare karakter van het lidmaatschap van de eurozoen — en de eenheidsmunt van de Unie in het bijzonder ongefundeerd zijn, aangezien een sterke Unie in het belang is van alle burgers;

U.

overwegende dat herstel van het vertrouwen de voornaamste taak is, om de Europese burgers en ondernemingen ertoe over te halen weer te investeren in de economie en voor financiële instellingen de voorwaarden te creëren om de reële economie opnieuw op een brede maar gezonde basis van krediet te voorzien;

V.

overwegende dat het antwoord op de eurocrisis ingewikkeld is en aanhoudende en veelvuldige inspanningen vergt op alle institutionele en beleidsniveaus;

W.

overwegende dat de instellingen van de Unie en de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten in het algemeen en van de lidstaten van de eurozone in het bijzonder een belangrijke functie vervullen bij de totstandbrenging van een begrotingsunie, waarbij alle crisisbeheersingsmechanismen van de eurozone, zoals het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), zijn ingebed in een institutioneel bestel waarbinnen het Europees Parlement een volwaardige rol als medewetgever speelt; overwegende dat de huidige intergouvernementele structuur een ernstig tekort aan democratische legitimiteit vertoont; overwegende dat de eenheidsmunt pas kan worden gestabiliseerd wanneer de lidstaten bereid zijn begrotingsbevoegdheden aan de Unie over te dragen;

X.

overwegende dat de staatshoofden en regeringsleiders en hun ministers er ter wille van het herstel van het vertrouwen toe gedwongen zijn in hun lidstaten de beleidsbeslissingen te verdedigen en uit te leggen die zij op Unieniveau zijn overeengekomen; overwegende dat wanneer impopulaire beslissingen in bepaalde gevallen ten onrechte aan de Unie worden toegeschreven, er bijzonder riskante percepties worden gecreëerd waardoor de Unie van onderuit dreigt te worden uitgehold, de solidariteit wordt ondermijnd en uiteindelijk de geloofwaardigheid van de nationale leiders zelf en mogelijkerwijs ook het Europees project in zijn totaliteit dreigt te worden aangetast;

Y.

overwegende dat de sociale situatie in de Unie op dit moment fragiel is; overwegende dat verschillende lidstaten uiterst verstrekkende structurele hervormingen en consolidatieprogramma's moeten doorvoeren; overwegende dat een politieke unie uiteindelijk de oplossing is om zich hierdoor heen te slaan, solidariteit in de hand te werken en door te gaan met het Europees project;

Z.

overwegende dat de Europese Raad en de top van de eurozone op 28—29 juni 2012 het vaste voornemen hebben uitgesproken de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om een financieel stabiel, concurrerend en welvarend Europa te bewerkstelligen en aldus de burgers welvarender te maken;

AA.

overwegende dat de steeds breder wordende kloof tussen de kernlanden en de perifere landen van de Unie geen blijvend karakter mag krijgen; overwegende dat er een permanent systeem moet worden gecreëerd om lidstaten die in moeilijkheden verkeren de garantie te bieden dat zij kunnen rekenen op de solidaire steun van andere lidstaten; overwegende dat lidstaten die zich op solidariteit willen beroepen, moeten worden verplicht hun verantwoordelijkheid voor het nakomen van al hun verplichtingen in de budgettaire sfeer en hun landenspecifieke aanbevelingen en andere verplichtingen in het kader van het Europees Semester gestand te doen, in het bijzonder die met betrekking tot het stabiliteits- en groeipact (SGP), het Euro Plus-pact, Europa-2020 en de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden, met inachtneming van de landenspecifieke omstandigheden; overwegende dat de financiële stabiliteit van elke lidstaat van gemeenschappelijk belang is voor alle lidstaten; overwegende dat artikel 121 VWEU bepaalt dat de lidstaten hun economisch beleid dienen te beschouwen als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en dat zij dit moeten coördineren in het kader van de Raad;

AB.

overwegende dat de afronding van de interne markt van cruciaal belang is om de economische groei weer op gang te krijgen; overwegende dat de Commissie zich als hoedster van de Verdragen krachtiger moet beijveren voor de implementatie en naleving van de bestaande internemarktwetgeving; overwegende dat de marktintegratieregelgeving ter wille van een goede werking van de interne markt bij voorkeur dient te zijn gebaseerd op verordeningen en niet op richtlijnen;

AC.

overwegende dat er geen enkele twijfel over bestaat dat de Europese integratie een onomkeerbaar en gestaag vorderend proces is;

Kiezen voor de toekomst: het verslag van de vier voorzitters

AD.

overwegende dat het vanuit democratisch oogpunt en in het licht van al hetgeen in het Verdrag van Lissabon is bepaald onaanvaardbaar is dat de Voorzitter van het Europees Parlement, dat ruim 502 miljoen Europese burgers vertegenwoordigt, niet is betrokken bij de opstelling van het bovengenoemde verslag met als titel „Naar een echte Economische en Monetaire Unie”;

AE.

overwegende dat het tijd is dat de politieke leiders van en in de Europese Unie blijk geven van hun vastberadenheid, creativiteit, moed, veerkracht en leiderschap om de resterende tekortkomingen die de goede werking van de EMU blijven belemmeren weg te werken; overwegende dat de intergouvernementele methode haar grenzen heeft bereikt en niet geschikt is voor democratische en doeltreffende besluitvorming in de 21e eeuw; overwegende dat nu de sprong moet worden gemaakt naar een waarlijk federaal Europa;

AF.

overwegende dat het bovengenoemde verslag met als titel „Naar een echte Economische en Monetaire Unie” ondubbelzinnig kiest voor de toekomst en een poging is om de cirkel van wantrouwen te doorbreken met behulp van structurele maatregelen; overwegende dat in het verslag ook aandacht zou moeten worden besteed aan de sociale dimensie;

AG.

overwegende dat de Europese Raad van 28 en 29 juni 2012 zijn voorzitter heeft verzocht een specifieke en tijdgebonden routekaart te ontwikkelen voor de verwezenlijking van een echte EMU; overwegende dat het ontwikkelen van een globale langetermijnvisie met behulp van een routekaart een belangrijk signaal is dat zou kunnen bijdragen aan het herstel van vertrouwen, dat weer kan groeien naarmate de routekaart stap voor stap wordt uitgevoerd;

AH.

overwegende dat de gestage voortgang bij de tenuitvoerlegging van de langetermijnroutekaart geen onmiddellijke uitweg uit de crisis biedt en de noodzakelijke kortetermijnmaatregelen niet mag vertragen;

AI.

overwegende dat niet kan worden uitgesloten dat er nieuwe aanpassingen in het Verdrag nodig zijn om de democratische legitimiteit van een volledig operationele EMU te versterken; overwegende dat de Commissie een lijst moet opmaken van de bestaande wetgevingsinitiatieven, die niet mogen worden vertraagd door de institutionele ontwikkelingen op de lange termijn;

AJ.

overwegende dat de voltooiing van een echte EMU binnen de Unie op middellange termijn noopt tot het doorvoeren van een verdragswijziging;

AK.

overwegende dat volledige benutting van de procedures en de flexibiliteit van de bestaande Verdragen om het EMU-beleid op korte termijn te kunnen verbeteren in het kader van de totstandbrenging van een daadwerkelijke Europese politieke ruimte een noodzakelijke voorwaarde is om de democratische consensus tot stand te kunnen brengen die nodig is voor een integrale en succesvolle verdragsaanpassing in de toekomst;

AL.

overwegende dat het Parlement het recht heeft bij de Raad voorstellen in te dienen om de Verdragen te wijzigen, die vervolgens dienen te worden behandeld door een conventie, met als doel de structuur voor een echte EMU te voltooien door de bevoegdheden van de Unie op het stuk van economisch beleid uit te breiden en door de eigen middelen en de begrotingscapaciteit van de Unie te vergroten, alsook om de rol en de democratische verantwoordingsplicht van de Commissie en de prerogatieven van het Europees Parlement te versterken;

AM.

overwegende dat het realistisch en opportuun is deze conventie niet te laten plaatsvinden vóór de volgende verkiezingen van het Europees Parlement; overwegende dat met de voorbereidingen voor een dergelijke conventie wel moet worden begonnen vóór deze verkiezing;

AN.

overwegende dat zowel de maatregelen die in het kader van de bestaande Verdragen als die welke in het kader van het toekomstige verdrag worden voorgesteld ruimte moeten laten voor opt-ins voor de lidstaten en dat zij de integriteit van de Unie moeten waarborgen;

AO.

overwegende dat toekomstige verdragswijzigingen geen belemmering mogen vormen voor de spoedige tenuitvoerlegging van wat reeds kan worden bewerkstelligd in het kader van de bestaande Verdragen; overwegende dat de bestaande Verdragen een ruime marge bieden voor substantiële vorderingen op de weg naar een beter en meer geïntegreerd financieel, begrotingstechnisch en economisch beleidskader op EMU-basis met een grotere democratische legitimiteit en meer verantwoordingsplicht;

AP.

overwegende dat het volle potentieel van het Verdrag van Lissabon op het punt van werkgelegenheid en sociaal beleid tot dusver onbenut is gebleven, voornamelijk wat betreft:

artikel 9 VWEU, volgens hetwelk er met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid en de waarborging van adequate sociale bescherming rekening moet worden gehouden bij de vaststelling en tenuitvoerlegging van de beleidsmaatregelen en activiteiten van de Unie;

artikel 151 VWEU, waarin is bepaald dat de Unie en de lidstaten zich „de bevordering van de werkgelegenheid, de gestage verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting” ten doel moeten stellen;

artikel 153, lid 1, VWEU in het algemeen en onder h) in het bijzonder, dat handelt over „de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten”;

AQ.

overwegende dat artikel 48, lid 7, van het VEU voorziet in een specifieke procedure voor de aanneming van een wetgevingshandeling waarvoor het VWEU een bijzondere wetgevingsprocedure voorschrijft in overeenstemming met de gewone wetgevingsprocedure; overwegende dat artikel 333 VWEU ook bepalingen bevat die de mogelijkheid bieden in het kader van een nauwere samenwerking gebruik te maken van de gewone wetgevingsprocedure;

AR.

overwegende dat de ambitie moet zijn dat alle lidstaten gezamenlijk stappen voorwaarts zetten in de richting van meer Europese integratie; overwegende dat besluiten die alleen van toepassing zijn op de eurozone noodzakelijk kunnen zijn indien ze vereist of gerechtvaardigd zijn op basis van het specifieke karakter van de eurozone, en dat dergelijke besluiten zouden moeten voorzien in redelijke en billijke opt-ins voor andere lidstaten, in combinatie met uitgebalanceerde rechten en verplichtingen;

AS.

overwegende dat een gemeenschappelijke Europese jeugdstrategie van essentieel belang is voor het tegengaan van de jeugdwerkloosheid en van de dreigende teloorgang van een hele generatie in Europa;

Bankunie

AT.

overwegende dat de maatregelen die tot nu toe zijn genomen om het financiële systeem te stabiliseren ontoereikend zijn geweest om het vertrouwen te herstellen; overwegende dat de Europese Centrale Bank (ECB) via een reeks buitengewone tijdelijke steunmaatregelen voor zowel lidstaten als banken een sleutelrol heeft gespeeld bij deze reddingsoperaties, zonder echter haar kerndoelstelling — het waarborgen van prijsstabiliteit — uit het oog te verliezen;

AU.

overwegende dat de op het Verdrag gebaseerde operationele onafhankelijkheid van de ECB op het gebied van monetair beleid een hoeksteen blijft voor de geloofwaardigheid van de EMU en de eenheidsmunt;

AV.

overwegende dat de precaire situatie van de bankensector in verscheidene lidstaten en in de Unie als geheel een bedreiging vormt voor de reële economie en de overheidsfinanciën en dat de kosten voor de beheersing van de bankencrisis te zwaar op de belastingbetaler en de ontwikkeling van de reële economie drukken, wat groei in de weg staat; overwegende dat de bestaande mechanismen en structuren ontoereikend zijn om negatieve overloopeffecten te voorkomen;

AW.

overwegende dat de lidstaten te lijden hebben onder een klaarblijkelijke wanverhouding tussen enerzijds de activiteiten van de banken op de Europese markt en anderzijds het feit dat de inherente risico's die daaraan kunnen zijn verbonden moeten worden gedragen door hun overheden; overwegende dat tijdens de huidige crisis volstrekt duidelijk is geworden dat de interrelatie tussen banken en overheid sterker is en kwalijker uitpakt in een monetaire unie waarbinnen de interne wisselkoers vaststaat en er op Unieniveau geen mechanismen voorhanden zijn om de aan de herstructurering van banken verbonden kosten te verlichten;

AX.

overwegende dat het doorbreken van de negatieve terugkoppelingseffecten tussen overheden, banken en reële economie cruciaal is voor het soepel functioneren van de EMU;

AY.

overwegende dat de crisis een diffuus systeem van rentevoeten op leningen heeft doen ontstaan en daardoor de interne markt voor financiële diensten de facto heeft gefragmenteerd;

AZ.

overwegende dat het Parlement herhaaldelijk en consequent heeft betoogd dat er dringend behoefte is aan aanvullende en verstrekkende maatregelen om de crisis in de bankensector op te lossen; overwegende dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen kortetermijnmaatregelen om de acute crisis in de bankensector te stabiliseren en middellange- en langetermijnmaatregelen om een volledig operationele Europese bankunie te kunnen realiseren, waaronder de in G-20-verband aangegane verbintenis om de internationaal overeengekomen regels inzake bankkapitaal, liquiditeit en hefboomfinanciering tijdig, volledig en consistent toe te passen;

BA.

overwegende dat maatregelen die worden getroffen in de context van een dergelijke bankunie in geen geval een belemmering mogen vormen voor de goede werking van de interne markt voor financiële diensten en het vrije verkeer van kapitaal in de toekomst;

BB.

overwegende dat financiële instellingen en hun vertegenwoordigers zich verantwoordelijk en conform strikte ethische normen dienen te gedragen, waarbij het belang van de reële economie voorop moet staan;

BC.

overwegende dat de Unie behoefte heeft aan een gemeenschappelijk Europees toezichtmechanisme voor bankinstellingen; overwegende dat het van essentieel belang is dat er een Europese architectuur wordt gecreëerd voor een gezond en efficiënt depositogarantie- en bankenresolutiestelsel, teneinde het noodzakelijke vertrouwen in de financiële markt en stabiliteit binnen de gemeenschappelijke interne markt voor financiële diensten te waarborgen;

BD.

overwegende dat alle maatregelen ter verwezenlijking van een bankunie gepaard moeten gaan met meer transparantie en controleerbaarheid ten aanzien van de instellingen die daarvoor verantwoordelijk zijn;

BE.

overwegende dat moet worden onderzocht of er — zoals in het rapport-Liikanen wordt aangegeven — behoefte aan is bepaalde bijzonder riskante financiële activiteiten los te koppelen van de depositobanken binnen een bankgroep;

BF.

overwegende dat toezichthoudende autoriteiten in het algemeen problemen in een vroeg stadium moeten opsporen en corrigeren om het ontstaan van crises te voorkomen en financiële stabiliteit en robuustheid te handhaven;

BG.

overwegende dat de meeste bevoegdheden voor bankentoezicht in de Unie nog steeds in handen zijn van de nationale toezichthouders, terwijl de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (EBA) — die is opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 (1) — daarbij een coördinerende rol vervult; overwegende dat het bestaande systeem van nationaal toezicht te diffuus is gebleken om de huidige problemen het hoofd te bieden;

BH.

overwegende dat een hoogwaardig en effectief Europees toezichtmechanisme onontbeerlijk is om te kunnen waarborgen dat problemen energiek worden opgespoord en aangepakt, om een gelijk speelveld voor alle bankinstellingen te garanderen, om het internationale vertrouwen te herstellen en fragmentatie van de interne markt te vermijden;

BI.

overwegende dat er een duidelijke verdeling van operationele verantwoordelijkheden moet worden overeengekomen tussen het Europees toezichtmechanisme en de nationale toezichthoudende autoriteiten, waarbij moet worden uitgegaan van de omvang en het bedrijfsmodel van de betrokken banken en van de aard van de toezichthoudende taken, conform de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit;

BJ.

overwegende dat Europees toezicht op de bankinstellingen binnen de EMU, alsook het versterken van de rol van de EBA bij de instandhouding van de interne markt absoluut van prioritair belang zijn om de crisis te kunnen aanpakken; overwegende dat er evenwel ten behoeve van de stabiliteit op de interne financiële markt op moet worden toegezien dat lidstaten die niet de euro als munt hebben en die besluiten middels nauwe samenwerking deel te nemen aan het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, een participatieformule moet worden aangeboden die garant staat voor symmetrische verhoudingen tussen de aangegane verplichtingen en hun invloed op de besluitvorming;

BK.

overwegende dat het gemeenschappelijk toezichtmechanisme zich vanaf het allereerste begin moet uitstrekken tot de financiële instellingen die directe steun van de Unie nodig hebben en tot systeemrelevante financiële instellingen;

BL.

overwegende dat de onafhankelijkheid van het gemeenschappelijk Europees toezichtmechanisme van politieke of bedrijfsmatige beïnvloeding het niet vrijwaart van de verplichting jegens het Parlement regelmatig en wanneer de situatie daartoe noopt uitleg te geven, zich te rechtvaardigen en verantwoording af te leggen voor de maatregelen en besluiten die het neemt op het gebied van Europees toezicht, gelet op het effect dat toezichtmaatregelen kunnen hebben op overheidsfinanciën, banken, werknemers en klanten; overwegende dat effectieve democratische verantwoordingsplicht onder andere impliceert dat het Parlement zijn fiat moet geven voor de benoeming van de voorzitter van de bestuursraad van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme nadat deze via een openbare selectieprocedure is geselecteerd, dat de voorzitter aan het Parlement verslag moet uitbrengen en door het Parlement kan worden gehoord, dat het Parlement het recht heeft hem schriftelijke of mondelinge vragen te stellen en conform het VWEU te zijnen aanzien over het enquêterecht beschikt;

BM.

overwegende dat het ESM in de toekomst onder bepaalde voorwaarden rechtstreeks banken in moeilijkheden kan financieren; overwegende dat het operationeel maken van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme derhalve bij de verwezenlijking van de bankunie de eerste en urgentste taak is;

BN.

overwegende dat de door de EBA ontwikkelde uniforme regeling („single rule book”) garant moet staan voor een volledig geharmoniseerde regelgeving en de uniforme toepassing daarvan in de hele Unie; overwegende dat de voltooiing van de uniforme regeling voor bankentoezicht en completer geharmoniseerde en strengere prudentiële voorschriften noodzakelijk zijn voor het effectief functioneren van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, aangezien de Europese toezichthouder niet kan werken met onderling afwijkende nationale prudentiële regels;

BO.

overwegende dat de stemregels binnen de EBA na de oprichting van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme zorgvuldig moeten worden aangepast, zodat constructieve samenwerking tussen de lidstaten van de eurozone en die daarbuiten wordt vergemakkelijkt en de belangen van alle lidstaten volledig in aanmerking worden genomen;

BP.

overwegende dat de nog lopende wetgevingsprocedures met betrekking tot het gemeenschappelijk toezichtmechanisme onverwijld moeten worden afgerond;

BQ.

overwegende dat het voor de invoering van de nieuwe financiële architectuur van essentieel belang is dat de onderhandelingen over de richtlijnen inzake depositogarantie- en beleggerscompensatiestelsels — waarvoor de onderhandelingen tussen het Parlement en de Raad zijn opgeschort hoewel deze van cruciaal belang zijn om te kunnen beschikken over gemeenschappelijke bankresolutie- en depositogarantiemechanismen — zo snel mogelijk opnieuw vlot worden getrokken;

BR.

overwegende dat een gemeenschappelijke Europese depositogarantieregeling noopt tot invoering van uniforme, gemeenschappelijke en strikte eisen voor alle depositogarantiestelsels in de Unie, zodat zij dezelfde mate van bescherming en stabiliteit bieden en tevens een gelijk speelveld waarborgen; overwegende dat alleen op die manier de voorwaarden voor de nodige flexibiliteit kunnen worden gecreëerd, zodat afdoende rekening kan worden gehouden met de specifieke nationale omstandigheden in de financiële sector;

BS.

overwegende dat het streefdoel op lange termijn een gemeenschappelijk Europees depositogarantiefonds met goed functionerende, adequaat gefinancierde depositogarantiestelsels zou kunnen zijn waardoor dus de geloofwaardigheid en het vertrouwen van beleggers daadwerkelijk kunnen worden versterkt, van zodra er een effectieve resolutieregeling en een effectief gemeenschappelijk toezichtmechanisme in werking zijn getreden;

BT.

overwegende dat planning vooraf, snel optreden, interventie in een vroeg stadium, inachtneming van de nodige zorgvuldigheid, toegang tot hoogwaardige informatie en geloofwaardigheid essentieel zijn bij het beheersen van bankencrises;

BU.

overwegende dat er een gemeenschappelijke Europese herstel- en resolutieregeling moet worden ingevoerd — bij voorkeur in combinatie met het gemeenschappelijk toezichtmechanisme — met het oog op het herstel van de levensvatbaarheid van banken in moeilijkheden en de afwikkeling van onrendabele financiële instellingen;

BV.

overwegende dat aanneming van het thans door de Commissie voorgestelde crisisbeheersingsplan voor banken die in een crisis verkeren op korte termijn absolute prioriteit heeft;

BW.

overwegende dat het algemene doel van een effectieve resolutieregeling en een effectief herstelplan erin bestaat het potentiële gebruik van belastinggelden die nodig zijn voor het herstel en de afwikkeling van bankinstellingen tot een minimum te beperken;

BX.

overwegende dat het voor de bescherming van particulier spaargeld noodzakelijk is een functionele scheiding te hanteren, terwijl tegelijkertijd een effectieve koppeling moet worden gelegd tussen de Europese depositogarantie-, herstel- en resolutiefondsen;

BY.

overwegende dat er vooraf met name op moet worden toegezien dat de resolutie- en depositogarantiemechanismen over een solide financiële structuur beschikken, die gestoeld is op bijdragen uit de sector zelf, waarbij de bijdrage van een bepaalde financiële instelling het risicogehalte van die instelling moet weerspiegelen, terwijl Europees overheidsgeld uitsluitend mag dienen als een ultiem vangnet en tot een zo laag mogelijk bedrag beperkt moet blijven;

Begrotingsunie

BZ.

overwegende dat het bovengenoemde verslag met als titel „Naar een echte Economische en Monetaire Unie” wat dat betreft een belangrijke stap voorwaarts is, aangezien daarin erkend wordt dat „voor de vlotte werking van de EMU niet alleen een snelle en krachtdadige uitvoering van de reeds overeengekomen maatregelen binnen het kader van de versterkte economische governance nodig is (met name het stabiliteits- en groeipact en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie), maar ook een kwalitatieve sprong naar een budgettaire unie”;

CA.

overwegende dat gezonde overheidsfinanciën, evenwichtige begrotingen gedurende de gehele conjunctuurcyclus en duurzame groeiperspectieven voor de middellange termijn, alsook adequate overheidsinvesteringen een essentiële vereiste zijn voor langdurige economische en financiële stabiliteit, voor de instandhouding van de verzorgingsstaat en voor de financiering van de kosten van de verwachte demografische ontwikkeling;

CB.

overwegende dat de soepele werking van de EMU noopt tot de volledige en snelle tenuitvoerlegging van de maatregelen waartoe reeds is besloten binnen het kader van de verbetering van het economisch bestuur, met name het versterkte stabiliteits- en groeipact en het Europees Semester, in combinatie met een aantal groeibevorderende maatregelen; overwegende dat binnen maximaal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie (VSCB), op basis van een evaluatie van de praktische ervaringen die daarmee worden opgedaan, conform het VEU en het VWEU de nodige stappen moeten worden ondernomen om het VSCB inhoudelijk in het rechtskader van de Unie te integreren;

CC.

overwegende dat in het groei- en werkgelegenheidspact de noodzaak wordt onderstreept om groeibevorderende begrotingsconsolidatie na te streven en in het bijzonder de aandacht wordt gevestigd op de behoefte aan investeringen in toekomstgerichte domeinen; overwegende dat de Commissie voorstellen moet doen om aan te geven welke investeringen binnen de grenzen van de Unie en van de nationale begrotingskaders voorrang dienen te krijgen;

CD.

overwegende dat de crisis duidelijk heeft gemaakt dat er behoefte is aan een kwalitatieve stap in de richting van een robuustere en meer democratisch georiënteerde begrotingsunie met meer eigen middelen van de Unie, effectievere mechanismen voor het corrigeren van onhoudbare begrotingstrajecten en schuldposities en voor het vaststellen van de bovengrenzen voor het begrotingssaldo van de lidstaten;

CE.

overwegende dat een „echte EMU” ook de steun en de acceptatie door de burgers van de Unie vereist; overwegende dat daarom ook met nadruk moet worden gewezen op de noodzaak beleidsmakers, sociale partners en maatschappelijke organisaties hierin op alle politieke niveaus te betrekken;

CF.

overwegende dat te verwachten valt dat het bestaande economische bestuurskader veeleer zal worden versterkt dan verzwakt door aanvullende mechanismen om ervoor te zorgen dat alle lidstaten middels hun individuele begrotingsprocedures hun verplichtingen nakomen; overwegende dat de onafhankelijke rol van de Europese commissaris voor economische en monetaire aangelegenheden dient te worden versterkt en aangevuld met solide mechanismen voor het afleggen van verantwoording aan zowel het Europees Parlement als de Raad; overwegende dat er een Europese schatkist moet worden ingesteld, die onder de leiding moet komen te staan van een Europese minister van Financiën, die individueel verantwoording moet afleggen aan het Europees Parlement;

CG.

overwegende dat de flexibiliteitsclausule (artikel 352 VWEU) kan worden gebruikt om een Europese Thesaurie op te zetten die wordt geleid door een Europese minister van financiën, wat een essentieel kenmerk is van een echte EMU;

CH.

overwegende dat artikel 136 VWEU voorziet in de vaststelling overeenkomstig de relevante wetgevingsprocedure als bedoeld in de artikelen 121 en 126 VWEU, van specifieke maatregelen ter verbetering van de coördinatie van en het toezicht op de begrotingsdiscipline van de lidstaten die de euro als munt hebben; overwegende dat de beoogde wetgeving kan voorzien in delegatie van bevoegdheden aan de Commissie om niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling; overwegende dat het Europees Parlement of de Raad krachtens het VWEU het recht hebben de delegatie van bevoegdheden aan de Commissie in te trekken;

CI.

overwegende dat het volgens de rechtsorde van de Unie algemene regel is dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om erop toe te zien dat bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen de Uniewetgeving wordt nageleefd, tenzij dit nadrukkelijk wordt uitgesloten;

CJ.

overwegende dat de trialoogonderhandelingen over de zogenaamde „two-pack”-verordeningen naar verwachting spoedig zullen resulteren in concrete politieke resultaten;

CK.

overwegende dat het stabiliteits- en groeipact ontworpen is als een cyclisch stabilisatie-instrument dat de lidstaten in staat stelt er een tekort van maximaal 3 % op na te houden om aldus economische schokken in de betrokken lidstaat tegen te gaan en op te vangen; overwegende dat dit anticyclische beleid alleen kan werken als de lidstaten in tijden van voorspoed begrotingsoverschotten realiseren; overwegende dat financiële steunmechanismen zoals het ESM een ultieme noodmaatregel zijn;

CL.

overwegende dat lidstaten die partij zijn bij het VSCB met het oog op de vroegtijdige coördinatie van schuldemissies op Unieniveau aan de Commissie en de Raad verslag moeten uitbrengen over hun plannen voor de uitgifte van overheidsschuldpapier;

CM.

overwegende dat de lidstaten die de euro als munt hebben krachtens de bestaande verdragen een hogere begroting van de Unie in het kader van de eigenmiddelenprocedure kunnen financieren door invoering van specifieke belastingen of heffingen overeenkomstig de procedure van versterkte samenwerking; overwegende dat daarbij specifiek de voorkeur moet worden gegeven aan koppeling van deze procedure met het reeds bestaande begrotingskader van de Unie, zonder afbreuk te doen aan de traditionele functies van de begroting ter financiering van gemeenschappelijke beleid; overwegende dat een zodanig vergrootte begrotingscapaciteit groei en sociale cohesie moet ondersteunen waarbij onevenwichtigheden, structurele verschillen en financiële noodsituaties worden aangepakt die rechtstreeks verband houden met de monetaire unie;

CN.

overwegende dat gezamenlijke schuldemissies op de lange termijn en nadat aan strenge voorwaarden is voldaan, een manier zouden kunnen zijn tot aanvulling van de EMU; overwegende dat gezamenlijke schuldemissies onder gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid in de eurozone tot verdragswijzigingen kunnen nopen;

CO.

overwegende dat er bij wijze van noodzakelijke voorwaarde voor gezamenlijke schuldemissies een duurzaam begrotingskader moet worden gecreëerd dat zowel een beter economisch bestuur als een striktere begrotingsdiscipline en naleving van het stabiliteits- en groeipact beoogt, alsmede de totstandbrenging van toezichtinstrumenten om verkeerde signaalwerking tegen te gaan;

CP.

overwegende dat een hechtere en meer geïntegreerde begrotingsunie ook zou moeten voorzien in de geleidelijke doorrol van schulden naar een aflossingsfonds;

CQ.

overwegende dat als de invoering van gemeenschappelijke schuldemissie-instrumenten niet op een geloofwaardige manier plaatsvindt, dit kan leiden tot onbeheersbare gevolgen en het verlies van het vertrouwen op langere termijn dat de eurozone in staat is om doortastend op te treden;

CR.

overwegende dat de Unie en met name de eurozone naar aanleiding van de schuldencrisis een aantal nieuwe Europese instrumenten voor financiële solidariteit hebben opgezet: de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) en andere projecten in het kader van de routekaart naar een echte EMU; overwegende dat het financieel effect van die instrumenten in termen van bedragen veel groter dan de begroting van de Unie en overwegende dat het innovatieve idee van een door de leden van de eurozone gefinancierde centrale begroting voor de eurozone nu wordt voorgesteld als de ultieme garantie voor deze nieuwe vorm van financiële solidariteit;

CS.

overwegende dat het feit dat er steeds meer van dergelijke solidariteitsinstrumenten in het leven worden geroepen het moeilijk maakt te beoordelen hoeveel elke lidstaat in feite bijdraagt aan de Europese solidariteit, maar dat het totaalbedrag de respectieve financiële contributies van de lidstaten aan de begroting van de Unie verre te boven gaat; tevens overwegende dat het veelvoud aan bestaande instrumenten er in termen van rechtsgrondslagen, wijze van interveniëren en betrokken lidstaten waarschijnlijk toe zal leiden dat het hele systeem voor de Europese leiders lastig aan te sturen valt, voor de Europese burgers in het algemeen moeilijk te begrijpen is en zich aan enigerlei vorm van parlementaire controle onttrekt;

CT.

overwegende dat het ESM ook in het rechtskader van de Unie zou kunnen worden geïntegreerd middels de flexibiliteitsclausule (artikel 352 VWEU), in combinatie met het herziene artikel 136 VWEU;

CU.

overwegende dat het toepassingsgebied van de clausule die reddingsoperaties verbiedt („no bailout clause”) volgens de bestaande Verdragen door de Raad op basis van een voorstel van de Commissie nader kan worden gespecificeerd nadat het Europees Parlement daarover is geraadpleegd (artikel 125, lid 2 VWEU);

CV.

overwegende dat de strenge democratische controlenormen die op niveau van de Unie gangbaar zijn ook voor de Trojka dienen te gelden;

CW.

overwegende dat de activiteiten van de Commissie in de context van de budgettaire en economische unie gebaseerd moeten zijn op een reële sociale dialoog en de autonomie van de sociale partners ten volle moeten respecteren;

CX.

overwegende dat de onafhankelijkheid van het Europees statistisch systeem (ESS) zowel op nationaal als op niveau van de Unie moet worden gevrijwaard met het oog op het behoud van de geloofwaardigheid van de Europese statistieken als essentieel ondersteuningsinstrument voor een volwaardige begrotingsunie (middels strenge kwaliteitsnormen en een systematische aanpak bij de ontwikkeling, productie en verificatie van de juistheid van door de overheid gehanteerde financiële statistieken);

CY.

overwegende dat de boekhoudregels voor overheidsorganisaties in alle lidstaten op een gestandaardiseerde manier moeten worden toegepast en moeten worden onderworpen aan interne en externe auditmechanismen, als noodzakelijke aanvulling op de grotere bevoegdheden van de Commissie en op de uitgebreide coördinerende rol die de Europese Rekenkamer en de nationale rekenkamers vervullen bij de controle op de kwaliteit van de nationale bronnen die worden gebruikt voor de berekening van schuld- en tekortcijfers;

Economische unie

CZ.

overwegende dat tot nu toe bijzonder veel aandacht is besteed aan de monetaire aspecten van de EMU, terwijl er dringend behoefte is aan de totstandbrenging van een waarachtige economische unie, waarbij de Europa 2020-strategie het bindende kader moet vormen voor de opzet en uitvoering van het economisch beleid;

DA.

overwegende dat het Euro Plus-pact, de Europa 2020-strategie en de pacten voor groei en werkgelegenheid in het recht van de Unie moeten worden geïntegreerd en het pad moeten effenen voor de invoering van een convergentiecode voor de economieën van lidstaten;

DB.

overwegende dat het Europees Semester, zoals gedefinieerd in het preventieve gedeelte van het stabiliteits- en groeipact, een geschikt kader vormt voor de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten en hun budgettaire besluitvorming, conform de door de Raad aangenomen landenspecifieke aanbevelingen;

DC.

overwegende dat in artikel 9 VWEU wordt aangedrongen op de bevordering van een hoog werkgelegenheidsniveau, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting en een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid;

DD.

overwegende dat begrotingsconsolidatie, het terugdringen van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden, structuurhervormingen en investeringen noodzakelijk zijn om de crisis te boven te komen en om kwalitatief verantwoorde en duurzame groei en werkgelegenheid te waarborgen in een kennisgestuurde maatschappij, die de reële weerspiegeling moet vormen van het lidmaatschap van de EMU binnen een sociale markteconomie; overwegende dat structuurhervormingen pas op lange termijn resultaat opleveren;

DE.

overwegende dat het pact voor groei en werkgelegenheid dat goedgekeurd is op de Europese top van 28 en 29 juni 2012 een belangrijke bijdrage kan leveren aan groei, werkgelegenheid en een betere Europese concurrentiecapaciteit; overwegende dat de Unie en de lidstaten hun verantwoordelijkheid moeten nemen en snel in actie moeten komen om de interne markt te voltooien en het potentieel ervan te ontplooien; overwegende dat de accentverschuiving die samengaat met de aanneming van het groeipact een positieve ontwikkeling is, ook al gaat het bij de uit de structuurfondsen voor groeibevorderende maatregelen beschikbaar gestelde middelen alleen maar om een herschikking van al bestaande fondsen, waarmee dus geen extra financiële middelen worden gecreëerd;

DF.

overwegende dat de lidstaten onverwijld moeten laten zien dat de overeengekomen hervormingen in hun nationale hervormingsprogramma's terug te vinden zijn, en dat het aan de nationale parlementen is om te bewijzen dat zij wat dat betreft metterdaad tijdig en goed geïnformeerd toezicht uitoefenen op het beleid van hun regeringen;

DG.

overwegende dat de interne markt nog steeds niet volledig kan functioneren als gevolg van de hinderpalen die in sommige lidstaten nog steeds bestaan; overwegende dat, wil de economie van de Unie volledig kunnen profiteren van haar groeipotentieel, de interne markt eerst moet worden voltooid, met name op gebieden zoals diensten, energie, telecommunicatie, standaardisering, vereenvoudiging van de regels voor overheidsopdrachten, netwerkindustrieën, e-handel en auteursrechten;

DH.

overwegende dat de verdere economische en budgettaire integratie zal worden ondermijnd zonder nauwere coördinatie op belastinggebied; overwegende dat indien de unanimiteitsregel op belastinggebied verdere ontwikkelingen op dit gebied in de weg staat, het instrument van nauwere samenwerking vaker moet worden ingezet; overwegende dat in dit verban kan worden verwezen naar het standpunt van het Parlement ten aanzien van de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) en de belasting op financiële transacties (FTT); overwegende dat er op belastinggebied duidelijk behoefte bestaat aan structurele convergentie tussen de belastingstelsels en de belastinggrondslag in de lidstaten; overwegende dat schadelijke belastingconcurrentie tussen lidstaten duidelijk tegen de logica van de interne markt ingaat en moet worden aangepakt;

DI.

overwegende dat het van belang is dat het herstel van de economie gepaard gaat met een arbeidsmarktbeleid dat zoeken naar een baan en ondernemingsgeest stimuleert en dat structurele werkloosheid terugdringt, met name voor jongeren, ouderen en vrouwen, en tegelijk het Europees sociaal model vrijwaart en de rol van de sociale partners en het recht om te onderhandelen en collectieve overeenkomsten te sluiten en te doen naleven of collectieve actie te ondernemen overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijken volledig respecteert; overwegende dat in die zin de integratie van de arbeidsmarkten van de lidstaten moet worden bevorderd om de grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit te vergroten;

DJ.

overwegende dat verplichte coördinatie op Unieniveau moet worden toegepast voor bepaalde essentiële economische beleidskwesties die van bijzonder belang zijn voor groei en werkgelegenheid;

DK.

overwegende dat duurzame overheidsfinanciën niet langer alleen maar een kwestie zijn van economisch omspringen met de schaarse overheidsmiddelen, maar ook van rechtvaardige belastingheffing, van een progressief belastingstelsel, van een goed georganiseerde belastinginning, een betere bestrijding van alle vormen van belastingfraude en belastingontduiking, van fiscale samenwerking en coördinatie ter beperking van schadelijke belastingconcurrentie, en van een goed opgezet belastingstelsel dat bedrijfsontwikkeling en nieuwe werkgelegenheid bevordert;

DL.

overwegende dat de lidstaten verantwoording moeten afleggen voor de manier waarop zij invulling geven aan de Europa 2020-strategie;

DM.

overwegende dat de Europa 2020-strategie moet worden onderworpen aan een tussentijdse evaluatie, waarbij men er niet voor mag terugschrikken de dingen bij hun naam te noemen en moet worden nagegaan of de doelstellingen scherper moeten worden gedefinieerd of aangepast en hoe lidstaten zwaarder onder druk kunnen worden gezet om de doelstellingen te bereiken;

DN.

overwegende dat de beschikbaarheid van kwalitatief hoogwaardige Europese statistieken een centrale rol speelt bij de opzet van het nieuwe economische bestuurssysteem en dat deze statistieken met name essentieel zijn voor het correcte functioneren van de voornaamste controle- en handhavingsprocessen zoals het Europees Semester, de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden en de Europa 2020-strategie;

DO.

overwegende dat er meer werk moet worden gemaakt van de modernisering van de systemen voor de productie van Europese statistieken teneinde hoogwaardige kwaliteitsnormen, kosteneffectiviteit en toereikende middelen te kunnen garanderen en om deze statistieken op een adequate manier te kunnen verspreiden en gemakkelijker toegankelijk te maken voor de overheid, de economische actoren en de burgers;

Via democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht naar een politieke unie

DP.

overwegende dat de Unie haar legitimiteit te danken heeft aan haar democratische waarden, aan de doelstellingen die zij nastreeft en aan haar bevoegdheden, instrumenten en instellingen;

DQ.

overwegende dat deze legitimiteit berust op twee burgerschapscategorieën, namelijk die van de burgers die worden vertegenwoordigd door het Europees Parlement en die van de lidstaten, welke worden vertegenwoordigd door de Raad;

DR.

overwegende dat het debat zich als gevolg van de aanhoudende crisis en de manier waarop bepaalde crisismaatregelen zijn genomen heeft uitgebreid tot de noodzaak meer recht te doen aan het democratische karakter van de besluitvorming binnen de EMU;

DS.

overwegende dat de politieke leiders en vertegenwoordigers van de instellingen, de agentschappen en overige organen van de Unie politiek rekenschap moeten afleggen aan het Parlement; overwegende dat zij over hun werkzaamheden en prognoses regelmatig verslag moeten doen en deze jaarlijks moeten presenteren aan de bevoegde commissie van het Parlement;

DT.

overwegende dat de Europese Raad de afgelopen jaren heeft getracht een uitweg uit de crisis te vinden en tal van voorstellen heeft geformuleerd waarvoor de Unie volgens de Verdragen niet altijd over een duidelijke bevoegdheid beschikt;

DU.

overwegende dat de beslissing van de Europese Raad om de intergouvernementele route te volgen en daarbij het Parlement als belangrijke partij bij het zoeken naar een uitweg uit de crisis niet te betrekken, moet worden betreurd, hoewel zij in sommige gevallen onvermijdelijk is;

DV.

overwegende dat voor voorstellen die onder de bevoegdheid van de Unie vallen, besluiten moeten worden genomen volgens de gewone wetgevingsprocedure, met volledige betrokkenheid van het Parlement;

DW.

overwegende dat de uitvoeringsbevoegdheden van de Commissie volgens de op regels gebaseerde strategie voor het economisch bestuurskader, zoals die met name is vastgesteld in het versterkte stabiliteits- en groeipact en het macro-economisch toezichtmechanisme, ex-post moeten worden onderworpen aan democratische controle door en verantwoordingsplicht jegens het Parlement;

DX.

overwegende dat de intergouvernementele instrumenten die sinds het begin van de crisis in december 2009 in het leven zijn geroepen, moeten worden gecommunautariseerd;

DY.

overwegende dat meer democratisch toezicht, participatie en medebeslissing met betrekking tot het economisch, monetair en sociaal beleid, het belastingstelsel, het meerjarig financieel kader en de eigen middelen noodzakelijk is; overwegende dat de bestaande overbruggingsclausules met dat doel in werking moeten worden gesteld;

DZ.

overwegende dat het niet aanvaardbaar is dat de Voorzitter van het Europees Parlement niet voor de gehele duur van de bijeenkomsten van de Europese Raad en de top van de eurozone aanwezig kan zijn; overwegende dat met spoed een oplossing voor dit gebrek aan democratische legitimiteit moet worden gevonden door middel van een politieke overeenkomst tussen de beide instellingen;

EA.

overwegende dat het dringend zaak is het bestaande democratische tekort van de EMU aan te pakken en iedere verdere stap op weg naar een bankunie, een begrotingsunie en een economische unie te koppelen aan meer democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht op Unieniveau;

EB.

overwegende dat telkens wanneer er nieuwe bevoegdheden worden overgedragen aan of gecreëerd op het niveau van de Unie of wanneer er nieuwe instellingen van de Unie worden opgericht, de dienovereenkomstige legitimiteit, democratische controle door en verantwoordingsplicht jegens het Europees Parlement moeten zijn gegarandeerd;

EC.

overwegende dat hoe dan ook geen parallelle structuren aan die van de Unie moeten worden gecreëerd door middel van intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten; overwegende dat alle overeenkomsten waarbij inter- of supranationale stelsels worden ingesteld, dienen te worden onderworpen aan de volledige democratische controle van het Europees Parlement;

ED.

overwegende dat de productie, verificatie en verspreiding van kwalitatief hoogwaardige Europese statistieken middels een volwaardig ESS een cruciale bijdrage levert aan het stimuleren van volledige transparantie en effectieve publieke verantwoording bij het ontwerp, het beheer, de implementatie en de handhaving van het Uniebeleid op het niveau van de Unie en op nationaal niveau;

EE.

overwegende dat de samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen op basis van protocol nr. 1 gehecht aan het VEU en het VWEU betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie (Protocol nr. 1)moet worden versterkt om de uitwisseling van standpunten en de kwaliteit van de parlementaire activiteiten op het gebied van EMU-bestuur op zowel EU- als nationaal niveau te verbeteren; overwegende dat deze vorm van samenwerking niet moet worden gezien als een manier om een nieuw gemengd parlementair orgaan op te richten, hetgeen vanuit democratisch en constitutioneel oogpunt zowel ineffectief als onwettig zou zijn;

1.

acht het noodzakelijk het EMU-bestuur onder te brengen in het institutionele kader van de Unie, aangezien het anders niet doeltreffend kan zijn, noch de bestaande politieke kloof tussen nationaal en Europees beleid kan overbruggen;

2.

roept alle instellingen op tot snel handelen door de mogelijkheden die de bestaande Verdragen en de daarin vervatte flexibiliteitsinstrumenten bieden optimaal te benutten en zich tegelijkertijd voor te bereiden op de noodzakelijke verdragswijzigingen ter waarborging van rechtszekerheid en democratische legitimiteit; wijst er eens te meer op dat de mogelijkheid van een nieuwe intergouvernementele overeenkomst moet worden uitgesloten;

3.

onderstreept dat beide maatregelen die zowel in het kader van de bestaande Verdragen als van de toekomstige verdragswijzigingen worden voorgesteld ruimte moeten laten voor opt-ins en de integriteit van de Unie moeten waarborgen;

4.

verzoekt de Raad — die de auteurs opdracht heeft gegeven tot opstelling van het bovengenoemde verslag met als titel „Naar een echte Economische en Monetaire Unie” — de Voorzitter van het Europees Parlement onverwijld als gelijkwaardige medeauteur van dit verslag met gelijke rechten te coöpteren om de democratische legitimiteit van het verslag te versterken;

5.

verheugt zich over het feit dat, hoewel de Conferentie van voorzitters van het Parlement daarbij tot dusver slechts informeel is betrokken, zij de bevoegde commissie van het Parlement niettemin heeft verzocht zich gezamenlijk met de drie vertegenwoordigers (sherpa's) die namens het Parlement met de vaste voorzitter van de Europese Raad onderhandelen te beraden over de inhoudelijke voorstellen;

6.

bevestigt dat het ten volle gebruik zal maken van zijn prerogatieven om bij de Raad voorstellen tot wijziging van de Verdragen in te dienen, die vervolgens moeten worden behandeld door een conventie, met als doel de structuur voor een volwaardige EMU te voltooien door de bevoegdheden van de Unie op het stuk van economisch beleid uit te breiden en door de eigen middelen en de begrotingscapaciteit van de Unie uit te breiden, alsook om de rol en de democratische verantwoordingsplicht van de Commissie en de prerogatieven van het Europees Parlement te versterken;

7.

roept de nationale parlementen ertoe op mee te werken aan de voorbereiding van de budgettaire en hervormingsplannen van hun regeringen alvorens deze aan de Unie worden voorgelegd; is voornemens op de conventie voor te stellen deze expliciete verantwoordelijkheid toe te voegen aan de taken van de nationale parlementen in het kader van de bepalingen van artikel 12 VEU;

8.

verzoekt de voorzitter van de Raad om de in de Raad geblokkeerde wetgevingsvoorstellen onmiddellijk, in overleg met het Parlement, volgens de gewone wetgevingsprocedure overeenkomstig het Verdrag van Lissabon af te ronden en aan te nemen, met name die betreffende CRD IV (kapitaalvereisten) en de nationale depositogarantiestelsels;.

9.

beschouwt een aanzienlijke verbetering van de democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht op Unieniveau wat betreft het EMU-bestuur door het Parlement daarbij een grotere rol te laten vervullen als een noodzakelijke voorwaarde om verdere stappen te kunnen ondernemen op weg naar een bankunie, een begrotingsunie en een economische unie;

10.

is van mening dat de coördinatie van en het toezicht op de begrotingsdiscipline van de lidstaten die de euro als munt hebben volgens de bestaande Verdragen bindend kunnen worden gemaakt en louter op basis van artikel 136 VWEU juncto artikel 121, lid 6, kunnen worden onderworpen aan toezicht door het Hof van Justitie van de Europese Unie, maar dat deze stap vanuit constitutioneel oogpunt alleen moet worden overwogen indien daarmee de rol van het Europees Parlement aanzienlijk zou worden versterkt voor wat betreft de precieze tenuitvoerlegging van artikel 121, leden 3 en 4, VWEU, en om de procedure voor multilateraal toezicht met gedelegeerde handelingen op basis van artikel 290 VWEU te vervolledigen en te implementeren; herinnert eraan dat volgens de Verdragen de bevordering van een hoge werkgelegenheid en de waarborging van een adequate sociale bescherming in acht moeten worden genomen bij de bepaling en uitvoering van het beleid en de activiteiten van de Unie, namelijk door voortbouwend op bestaande strategieën een nieuwe reeks richtsnoeren voor de lidstaten te introduceren, met inbegrip van sociale en economische ijkpunten met minimale normen die op de voornaamste pijlers van de economie moeten worden toegepast;

11.

is van mening dat een „volwaardige EMU” niet beperkt mag blijven tot een systeem van regels, maar een grotere begrotingscapaciteit vergt op basis van specifieke eigen middelen (met inbegrip van een FTT), waaruit in het kader van de begroting van de Unie groei en sociale cohesie moeten worden ondersteund ter rechtzetting van onevenwichtigheden, structurele verschillen en financiële noodsituaties die rechtstreeks verband houden met de monetaire unie, zonder dat daarmee haar traditionele functies als financieringsbron voor gemeenschappelijke beleidsvormen mogen worden uitgehold;

12.

is van mening dat artikel 136 van het VWEU de Raad volgens de bestaande Verdragen in staat stelt om op aanbeveling van de Commissie en met medezeggenschap van alleen de lidstaten die de euro als munt hebben, in het kader van het Europees Semester bindende economische beleidsrichtsnoeren vast te stellen voor de landen van de eurozone; onderstreept dat het bindende karakter van de economische beleidscoördinatie zou worden versterkt door gebruikmaking van een stimuleringsmechanisme; dringt aan op sluiting van een interinstitutioneel akkoord om het Parlement te betrekken bij de opstelling en goedkeuring van de jaarlijkse groeianalyse en de richtsnoeren inzake economisch beleid en werkgelegenheid;

13.

bevestigt opnieuw zijn voornemen om de samenwerking met de nationale parlementen te intensiveren op basis van protocol nr. 1, maar benadrukt dat deze samenwerking niet moet worden gezien als een manier om een nieuw gemengd parlementair orgaan te creëren, hetgeen vanuit democratisch en constitutioneel oogpunt zowel ondoeltreffend als onwettig zou zijn; benadrukt het volledig legitieme karakter van de betrokkenheid van het Parlement als parlementair orgaan op Unieniveau bij een sterker en democratisch bestuur van de EMU;

14.

verzoekt de Commissie het Parlement zo spoedig mogelijk na raadpleging van alle betrokken partijen, waarbij het Europees Parlement als medewetgever fungeert, voorstellen voor te leggen voor besluiten ter opvolging van de in bijlage dezes opgenomen gedetailleerde aanbevelingen;

15.

bevestigt dat de aanbevelingen in overeenstemming zijn met het subsidiariteitsbeginsel en de grondrechten van de burgers van de Unie;

16.

verzoekt de Commissie om — in aanvulling op de maatregelen die in het kader van de bestaande Verdragen op korte termijn kunnen en moeten worden genomen — een lijst op te maken van de institutionele ontwikkelingen die noodzakelijk kunnen blijken te zijn om de EMU van een solidere architectuur te voorzien, op basis van de behoefte aan een geïntegreerd financieel kader, een geïntegreerd begrotingskader en een geïntegreerd economisch beleidskader ter versterking van de rol van het Parlement;

17.

is van oordeel dat de financiële implicaties van het verlangde voorstel moeten worden gedekt door de begroting van voldoende middelen te voorzien;

18.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de gedetailleerde aanbevelingen zoals aangegeven in de bijlage te doen toekomen aan de Commissie, de Europese Raad, de Raad, de Europese Centrale Bank, de voorzitter van de Eurogroep, en de parlementen en regeringen van de lidstaten.


(1)  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.


BIJLAGE

GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

1.   Een geïntegreerd financieel kader

Aanbeveling 1.1 betreffende een gemeenschappelijk toezichtmechanisme

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De onderhavige voorstellen van de Commissie inzake het gemeenschappelijk Europees toezichtmechanisme moeten zo spoedig mogelijk worden goedgekeurd met het oog op de daadwerkelijke toepassing van prudentiële regels, risicobeheersings- en crisispreventievoorschriften voor kredietinstellingen in de gehele Unie.

De rechtsgrondslag, vorm en inhoud van het voorstel moeten alle lidstaten in de gelegenheid stellen volledig deel te nemen aan het gemeenschappelijk Europees toezichtmechanisme, in een zodanige vorm dat de volledige betrokkenheid van de deelnemende lidstaten die de euro als munt hebben bij het besluitvormingsproces is gewaarborgd, en wel zo dat er gegarandeerd sprake is van een symmetrische verhouding tussen aangegane verplichtingen en het effect daarvan op de besluitvorming.

De deelname van de lidstaten van de eurozone aan het Europees toezichtmechanisme moet verplicht zijn.

Het voorstel moet worden onderworpen aan volledige en uitgebreide democratische controle door het Europees Parlement binnen de door de Verdragen aangegeven grenzen.

De rechtsgrondslag moet het Europees Parlement als medewetgever bij het toezicht betrekken wanneer de medebeslissende rol van het Parlement niet kan worden verwezenlijkt middels een zogenaamd „toezichtpakket”. Overeenkomstig artikel 263 VWEU gaat het Hof van Justitie van de Europese Unie de wettigheid na van de handelingen van de ECB — voor zover het geen aanbevelingen of adviezen betreft — die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben.

Het voorstel moet garanderen dat alle in Verordening (EU) nr. 1093/2010 genoemde taken van de EBA ook in de toekomst op Unieniveau worden uitgevoerd en dat de voorstellen te verenigen zijn met de goede werking van de Europese toezichthoudende autoriteiten als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Het gemeenschappelijk toezichtmechanisme moet aan het Europees Parlement verantwoording afleggen voor de maatregelen en besluiten die op het gebied van Europees toezicht worden genomen en moet daarover verslag uitbrengen aan de bevoegde commissie van het Europees Parlement. Democratische verantwoordingsplicht impliceert onder andere dat het Parlement zijn fiat moet geven voor de benoeming van de voorzitter van de bestuursraad van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme nadat deze via een openbare selectieprocedure is geselecteerd, dat de voorzitter aan het Parlement verslag moet uitbrengen en door het Parlement kan worden gehoord, dat het Parlement het recht heeft hem schriftelijke of mondelinge vragen te stellen en conform het VWEU te zijnen aanzien over het enquêterecht beschikt;

Het gemeenschappelijk Europees toezichtmechanisme moet onafhankelijk zijn van nationale politieke belangen en er via een mandaat van de Unie en adequaat bestuur voor zorgen dat de belangen van de Unie voorrang hebben boven de nationale belangen.

De besluitvormingsprocessen binnen het algemeen toezichtmechanisme moeten volgens de gewone wetgevingsprocedure in het desbetreffende wetgevingsvoorstel worden gespecificeerd.

De Europese toezichthouder moet de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid hebben om:

toezicht te houden op alle kredietinstellingen binnen de onder het stelsel vallende landen, echter met een duidelijke verdeling van operationele verantwoordelijkheden tussen de Europese en nationale toezichthouders, al naar gelang de omvang en het bedrijfsmodel van de banken en de aard van de toezichthoudende taken;

te handelen op een wijze die verenigbaar is met de noodzaak om de eenheid en integriteit en het internationale concurrentievermogen van de interne markt te handhaven door bijvoorbeeld te garanderen dat er geen concurrentiebarrières bestaan tussen de lidstaten;

naar behoren recht te doen aan de gevolgen van zijn activiteiten voor de mededinging en de innovatie op de interne markt, de integriteit van de Unie als geheel, het mondiale concurrentievermogen van de Unie, de financiële integratie, de bescherming van de consument en de Uniestrategie voor banen en groei;

de stabiliteit en robuustheid van alle delen van het financiële stelsel van de deelnemende lidstaten, de transparantie van de markten en financiële producten en de bescherming van deposanten en investeerders te vrijwaren, met inachtneming van de verschillen qua markten en institutionele vormen;

regelgevingsarbitrage te voorkomen en gelijke concurrentievoorwaarden te garanderen;

de internationale coördinatie van het toezicht te versterken en, in voorkomend geval, de Unie te vertegenwoordigen bij internationale financiële instellingen;

wanneer maatregelen van de bevoegde nationale autoriteiten uitblijven, de nodige maatregelen te nemen tot herstructurering, redding of liquidatie van financiële instellingen die failliet gaan of waarvan het faillissement anders problemen van algemeen belang zou kunnen veroorzaken.

De organen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op supranationaal niveau moeten voldoende middelen krijgen, inclusief personeel, om ervoor te zorgen dat zij over de operationele capaciteiten beschikken die nodig zijn om hun taak uit te voeren.

Aanbeveling 1.2 betreffende depositogarantiestelsels

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de wetgevingsprocedure voor de herschikte richtlijn inzake depositogarantiestelsels zo snel mogelijk op basis van het standpunt van het Europees Parlement van 16 februari 2012 kan worden afgerond.

Gezien de langetermijndoelstelling om een gemeenschappelijke Europese depositobeschermingsregeling tot stand te brengen, moeten er uniforme, stringente voorschriften gelden voor alle depositogarantiestelsels in de Unie, teneinde dezelfde volledige bescherming, dezelfde stabiliteit qua depositogarantiestelsels en gelijke concurrentievoorwaarden te garanderen; Alleen op die manier kunnen de voorwaarden voor de nodige flexibiliteit worden gecreëerd en kan voldoende rekening worden gehouden met specifieke nationale omstandigheden in de financiële sector.

Van zodra er een effectieve resolutieregeling en een effectief gemeenschappelijk toezichtmechanisme in werking zijn getreden, moeten de mogelijkheden worden onderzocht om een gemeenschappelijk Europees depositogarantiefonds in te stellen met goed functionerende, adequaat gefinancierde depositogarantiestelsels, zodat aldus de geloofwaardigheid en het vertrouwen van beleggers kunnen worden versterkt.

Ter bescherming van particuliere spaartegoeden is het noodzakelijk een functionele scheiding te hanteren, terwijl er tegelijkertijd een effectieve koppeling moet worden gelegd tussen de depositogarantie-, herstel- en resolutiefondsen;

Er moet met name op worden toegezien dat de depositogarantiemechanismen, evenals de herstel- en resolutieregelingen, vooraf over een solide financiële structuur beschikken, die gestoeld is op bijdragen uit de sector zelf, waarbij de bijdrage van deze of gene financiële instelling het risicogehalte van die instelling moet weerspiegelen, terwijl overheidsgeld uitsluitend mag dienen als een ultiem vangnet en tot een zo laag mogelijk bedrag beperkt moet blijven.

Aanbeveling 1.3 betreffende herstel en resolutie

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Het onderhavige voorstel voor een richtlijn betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen dient zo snel mogelijk te worden goedgekeurd teneinde een Europese regeling in het leven te roepen voor de uitvoering van afwikkelingsmaatregelen en de weg vrij te maken voor de invoering van een gemeenschappelijke Europese herstel- en resolutieregeling. Er dient echter rekening mee te worden gehouden dat bepaalde banksectoren al over mechanismen voor volledige bescherming en herstel- en afwikkelingsinstrumenten beschikken die in het wetgevingsbesluit moeten worden erkend, ondersteund en gespecificeerd.

Het algehele doel van een doeltreffende resolutie- en herstelregeling moet erin bestaan het potentiële gebruik van de voor het herstel en de afwikkeling van bankinstellingen benodigde fiscale middelen tot een minimum te beperken.

Ter bescherming van particuliere spaartegoeden is het noodzakelijk een functionele scheiding te hanteren, terwijl er tegelijkertijd een effectieve koppeling moet worden gelegd tussen de depositogarantie-, herstel- en resolutiefondsen.

Er moet met name op worden toegezien dat de herstel- en resolutieregelingen, evenals de depositogarantieregelingen, vooraf over een solide financiële structuur beschikken, die gestoeld is op bijdragen uit de sector zelf, waarbij de bijdrage van deze of gene financiële instelling het risicogehalte van die instelling moet weerspiegelen, terwijl overheidsgeld uitsluitend mag dienen als een ultiem vangnet en tot een zo laag mogelijk bedrag beperkt moet blijven.

Het voorstel dient voorts in overeenstemming te zijn met een aantal andere aspecten van de resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2010 met aanbevelingen aan de Commissie inzake grensoverschrijdende crisisbeheersing in de bankensector, zoals harmonisatie van insolventiewetten, gemeenschappelijke risicobeoordelingen, een gemeenschappelijk instrumentarium en een „interventieladder”.

Aanbeveling 1.4 betreffende aanvullende elementen voor een bankunie

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

waar nodig regels om bepaalde bijzonder riskante financiële activiteiten juridisch los te koppelen van de depositobanken binnen een bankgroep, zoals in het rapport-Liikanen wordt aangegeven;

een regelgevingskader dat gebaseerd is op het beginsel dat voor dezelfde risico's dezelfde regels gelden en waarborgt dat niet-banken die op bankactiviteiten lijkende diensten verlenen en die omgaan met banken niet buiten het bereik van de toezichthouders blijven;

geloofwaardige en regelmatige stresstests van de financiële gezondheid van banken, waardoor problemen vroegtijdig kunnen worden opgespoord en effectief op maat gesneden tegenmaatregelen kunnen worden genomen;

een gemeenschappelijke uniforme regeling voor het bedrijfseconomisch toezicht op alle banken en een gemeenschappelijk macroprudentieel kader om verdere financiële fragmentatie te voorkomen.

2.   Een geïntegreerd begrotingskader

Aanbeveling 2.1 betreffende de „two-pack”-verordeningen

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De Commissie moet worden verzocht op de volgende terreinen de compromissen die in het kader van de trialoogonderhandelingen over de „two-pack”-verordeningen tussen het Europees Parlement en de Raad zullen worden bereikt effectief te implementeren:

de opstelling van een gemeenschappelijk budgettair tijdpad;

de hervorming van de nationale begrotingskaders;

de beoordeling van de begrotingsplannen inclusief een kwalitatieve beoordeling van overheidsinvesteringen en -uitgaven in verband met Europa 2020-doelstellingen;

de opstelling van economische partnerschapsprogramma's;

strenger toezicht voor lidstaten die de euro als munt hebben en zich in de procedure bij buitensporige tekorten bevinden;

strenger toezicht voor lidstaten die de euro als munt hebben en dreigen hun verplichting onder de procedure bij buitensporige tekorten niet na te komen;

de verslaglegging betreffende schuldemissies.

het lanceren van een initiatief waarbij een reeks programma's worden gedefinieerd die noodzakelijk zijn voor het aantrekken van meer langetermijninvesteringen ten belope van circa 1 % van het bbp ter bevordering van duurzame groei en ter aanvulling van de vereiste structuurhervormingen.

Aanbeveling 2.2 betreffende de communautarisering van het begrotingspact

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Op basis van een evaluatie van de praktische ervaringen met het begrotingspact en conform het VEU en het VWEU dient het begrotingspact zo snel mogelijk te worden omgezet in secundaire Uniewetgeving.

Aanbeveling 2.3: Belastingen

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Binnen het kader van een steeds hechter wordende economische, fiscale en budgettaire unie moet er meer worden gedaan om de belastingsystemen te harmoniseren en om schadelijke belastingconcurrentie tussen de lidstaten — die duidelijk tegen de logica van een interne markt ingaat — aan te pakken. Wanneer alle besprekingen en pogingen om tot een compromis te komen hebben gefaald, moet allereerst vaker en nauwer worden samengewerkt op het gebied van belastingen (bijvoorbeeld middels de invoering van een CCCTB of een belasting op financiële transacties), aangezien een geharmoniseerde regeling op belastinggebied de integratie van het begrotingsbeleid ten goede zal komen.

Aanbeveling 2.4: Een centrale Europese begroting gefinancierd uit eigen middelen

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De Commissie en de Raad moeten bij het formuleren van beleidsopties rekening houden met de standpunten van het Europees Parlement ten aanzien van het meerjarig financieel kader en de eigen middelen. Het Europees Parlement heeft herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat een herziening van het stelsel van de eigen middelen dringend noodzakelijk is, evenals een terugkeer naar de letter en de geest van het Verdrag, en heeft er daarbij op gewezen dat de begroting van de Unie uitsluitend uit eigen middelen moet worden gefinancierd.

Er moet dringend een oplossing worden gevonden voor de situatie waarbij de behoeften voor de financiering van de begroting van de Unie conflicteren met de noodzaak tot begrotingsconsolidatie in de lidstaten. Daarom is het moment aangebroken voor een geleidelijke terugkeer naar de situatie waarbij de begroting van de Unie wordt gefinancierd uit daadwerkelijke eigen middelen, waardoor de nationale begrotingen dienovereenkomstig zouden worden ontlast. Voorts zij eraan herinnerd dat het Parlement in zijn resoluties van 29 maart 2007, 8 juni 2011, 13 juni 2012 en 23 oktober 2012 zijn standpunten kenbaar heeft gemaakt omtrent de vraag wat een stelsel met echte eigen middelen betekent en hoe dit stelsel op korte termijn compatibel kan worden gemaakt met de noodzakelijke begrotingsconsolidatie op nationaal niveau.

Voor verdergaande begrotingscoördinatie binnen de Unie zijn geconsolideerde gegevens inzake de overheidsrekeningen van de Unie, de lidstaten en de lokale en regionale autoriteiten noodzakelijk, met specifieke aandacht voor de doelstellingen van de Unie; Daarom moet de Commissie in haar nieuw uit te brengen wetgevingsvoorstellen ook voorzien in de opstelling van dergelijke geconsolideerde gegevens.

Aanbeveling 2.5: Geleidelijke doorrol naar een schuldaflossingsfonds

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Voor buitensporige schulden moet een geleidelijke doorrol plaatsvinden naar een schuldaflossingsfonds op basis van het voorstel van de Duitse Raad van economische deskundigen, dat voorziet in de instelling van een tijdelijk fonds waarin alle schulden boven de 60 %-drempel zouden worden opgenomen van de lidstaten die aan bepaalde criteria voldoen; het is de bedoeling dat de schulden worden afgelost over een periode van ca. 25 jaar; aldus zou een fonds worden gecreëerd dat, in combinatie met de handhaving van alle bestaande mechanismen, zal helpen de totale schuldenlast van de lidstaten voortaan onder de drempel van 60 % te houden.

Aanbeveling 2.6 betreffende bestrijding van belastingontduiking

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Het vrije verkeer van kapitaal mag niet worden gebruikt als een middel voor belastingontduiking, in het bijzonder in lidstaten die de euro als munt hebben en die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden wat betreft hun financiële stabiliteit in de eurozone. Derhalve moet de Commissie, conform haar belangrijke initiatief van 27 juni 2012 om de bestrijding van belastingfraude en -ontduiking en agressieve fiscale planning te intensiveren, internationale consensusbijeenkomsten afronden en voorstellen indienen om de coördinatie en samenwerking tussen belastingautoriteiten te verbeteren.

In het kader van de nauwere samenwerking conform de artikelen 326 tot en met 333 VWEU moet er ook een belasting op financiële transacties worden ingevoerd.

Aanbeveling 2.7 betreffende het waarborgen van democratisch toezicht op het ESM

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Het ESM moet zich ontwikkelen naar een vorm van beheer volgens de communautaire methode en moet verantwoording afleggen aan het Europees Parlement. Belangrijke besluiten zoals de toekenning van financiële steun aan een lidstaat of de sluiting van memoranda moeten worden onderworpen aan adequate controle door het Europees Parlement.

De Trojka, die is benoemd om toe te zien op de implementatie van memoranda, moet voordat zij taken op zich neemt door het Europees Parlement worden gehoord en moet worden onderworpen aan regelmatige rapportage aan en democratisch toezicht door het Europees Parlement.

Aanbeveling 2.8 betreffende de waarborging van democratische verantwoordingsplicht en de legitimiteit van begrotingscoördinatie

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Alle nieuw opgerichte mechanismen voor coördinatie van het begrotingsbeleid moeten worden voorzien van adequate bepalingen om democratische verantwoordingsplicht en legitimiteit te waarborgen.

3.   Een geïntegreerd economisch beleidskader

Aanbeveling 3.1 betreffende betere coördinatie vooraf van het economisch beleid en verbetering van het Europees Semester

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De Commissie dient erop toe te zien dat de compromissen die tijdens de „two-pack”-trialoogonderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad worden bereikt integraal worden toegepast.

De mogelijkheden voor toepassing van instrumenten van de Unie voor Europese sociale bescherming en sociale minimumnormen moeten zorgvuldig worden onderzocht, o.a. ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, bijvoorbeeld via de Europese jeugdgarantie.

De Commissie moet onverwijld volgens de gewone wetgevingsprocedure voorstellen indienen om de toezeggingen die de staatshoofden en regeringsleiders op 28 juni 2012 hebben gedaan voor een „Pact voor groei en banen” om te zetten in secundaire wetgeving. In het bijzonder moet via het economische coördinatiekader adequaat gevolg worden gegeven aan de verbintenis van de lidstaten tot „gedifferentieerde groeivriendelijke begrotingsconsolidatie, met naleving van het stabiliteits- en groeipact en met inachtneming van de landenspecifieke omstandigheden” en moeten „investeringen in toekomstgerichte sectoren die rechtstreeks gerelateerd zijn aan het groeipotentieel van de economie” worden bevorderd.

De Commissie dient te komen met een opheldering omtrent de status van de jaarlijkse groeianalyse. Bij het Europees Semester moeten zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen worden betrokken.

Voor verdergaande begrotingscoördinatie binnen de Unie zijn geconsolideerde gegevens inzake de overheidsrekeningen van de Unie, de lidstaten en de lokale en regionale autoriteiten noodzakelijk, met specifieke aandacht voor de doelstellingen van de Unie. Daarom moet de Commissie in haar nieuw uit te brengen wetgevingsvoorstellen ook voorzien in de opstelling van dergelijke geconsolideerde gegevens.

Er moet, uitgaande van de diverse stadia van het Europees Semester zoals die zijn vastgesteld in het uitgebreide stabiliteits- en groeipact en in het macro-economisch toezichtmechanisme, worden nagegaan in hoeverre er behoefte is aan aanvullende wetgeving, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat:

de verdere ontwikkeling en versterking van de interne markt en de bevordering van de internationale handel beslissend zijn voor het stimuleren van duurzame economische groei, de verbetering van het concurrentievermogen en de opheffing van macro-economische onevenwichtigheden; daarom dient de Commissie in haar jaarlijkse groeianalyse rekening te houden met de maatregelen die de lidstaten nog moeten treffen om de interne markt te voltooien;

nationale hervormingsprogramma's (NHP's) en nationale stabiliteitsprogramma's (NSP's) nauw met elkaar verbonden moeten zijn; er adequaat moet worden toegezien op de samenhang tussen NHP's en NSP's;

het Europees Semester ruimte moet laten voor meer synergie tussen de begroting van de Unie en die van de lidstaten met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; daarnaast moet het Europees Semester ook worden uitgebreid met indicatoren om te beoordelen in hoeverre de beschikbare middelen efficiënt worden benut;

de betrokkenheid van regionale en lokale overheden en partners bij de planning en uitvoering van de betreffende programma's moet worden vergroot teneinde op alle niveaus meer draagvlak te kweken voor wat met de strategie wordt beoogd en de doelstellingen en resultaten voor het publiek inzichtelijker te maken;

de Commissie moet voor 1 december van elk jaar de jaarlijkse groeianalyse afronden en het waarschuwingsmechanisme vaststellen, met een speciaal hoofdstuk voor de eurozone; de Commissie moet volledige openheid van zaken geven omtrent haar onderliggende macro-economische methodologieën en aannames;

de Commissie moet in de jaarlijkse groeianalyse de voornaamste economische en budgettaire problemen van de Unie en van de individuele lidstaten helder analyseren, voorstellen doen voor prioritaire maatregelen om die problemen aan te pakken, vaststellen welke initiatieven de Unie en de lidstaten moeten ontplooien ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de investeringen op lange termijn, hindernissen voor duurzame groei wegnemen, de in de Verdragen en in de Europa 2020-strategie neergelegde doelstellingen verwezenlijken, de zeven vlaggenschipinitiatieven ten uitvoer leggen en macro-economische onevenwichtigheden terugdringen;

de lidstaten en hun regio's moeten met name de nationale en regionale parlementen, de sociale partners, de overheidsinstanties en het maatschappelijk middenveld nauwer bij de invulling van de nationale hervormings-, ontwikkelings- en cohesieprogramma's betrekken en hen regelmatig raadplegen;

de Commissie moet in de jaarlijkse groeianalyse nadrukkelijk wijzen op de potentiële grensoverschrijdende overloopeffecten van ingrijpende economische beleidsmaatregelen die op het niveau van de Unie en in de lidstaten worden genomen;

de commissarissen die voor het Europees Semester verantwoordelijk zijn moeten met de ter zake bevoegde commissies van het Europees Parlement over de jaarlijkse groeianalyse in overleg treden zodra deze door de Commissie is goedgekeurd;

de Raad moet eventuele ingrijpende wijzigingen die hij heeft aangebracht in de door de Commissie voorgestelde landenspecifieke aanbevelingen in juli in de bevoegde commissie van het Parlement nader komen toelichten; de Commissie moet aan deze hoorzitting deelnemen om haar kijk op de situatie te geven;

de lidstaten moeten zo gedetailleerd mogelijke informatie verstrekken over de maatregelen en instrumenten in de nationale hervormingsprogramma's ter verwezenlijking van de nationale doelstellingen, inclusief de uitvoeringstermijn, de verwachte gevolgen, de mogelijke overloopeffecten, de risico's wanneer de tenuitvoerlegging mislukt, de kosten, en — indien van toepassing — het gebruik van de structuurfondsen van de Unie;

stimuleringsmechanismen zouden het bindende karakter van de economische beleidscoördinatie versterken.

Aanbeveling 3.2 betreffende een sociaal pact voor Europa

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

Overeenkomstig de Verdragen moet bij de bepaling en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie rekening worden gehouden met de bevordering van een hoge werkgelegenheid en de garantie van adequate sociale bescherming.

De specifieke regels voor bindend toezicht op de begrotingsdiscipline in de eurozone kunnen en moeten ter aanvulling strekken van de budgettaire en macro-economische maatstaven met betrekking tot werkgelegenheid en sociale maatstaven, zodat middels adequate financiële voorschriften van de Unie op een passende manier uitvoering kan worden gegeven aan de bovengenoemde regel.

Er moet een sociaal pact voor Europa worden opgesteld ter bevordering van:

de werkgelegenheid voor jongeren, met inbegrip van initiatieven zoals een Europese jeugdgarantie;

een hoge kwaliteit en adequate financiering van overheidsdiensten;

fatsoenlijke lonen;

toegang tot betaalbare en sociale huisvesting;

een sociaal vangnet dat universele en inkomensonafhankelijke toegang tot elementaire gezondheidsdiensten moet garanderen;

de implementatie van een sociaal protocol ter bescherming van fundamentele sociale en arbeidsrechten;

Europese normen om herstructureringen op een sociale en verantwoorde manier vorm te geven;

een nieuwe gezondheids- en veiligheidsstrategie, ook voor stressgerelateerde aandoeningen;

gelijke beloning voor en gelijke rechten op gelijkwaardige arbeid voor iedereen.

4.   Versterking van de democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht

Aanbeveling 4.1 betreffende de economische dialoog

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De Commissie moet worden verzocht integraal uitvoering te geven aan de compromissen die zullen worden bereikt in het kader van de „two-pack”-trialoogonderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad.

Aanbeveling 4.2 betreffende Europese financiële vangnetten

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

De activiteiten van de EFSF en het ESM en alle soortgelijke toekomstige structuren moeten worden onderworpen aan regelmatige democratische controle en toezicht door het Europees Parlement, en de Rekenkamer en het OLAF moeten daarbij worden betrokken. Het ESM moet worden gecommunautariseerd.

Aanbeveling 4.3 betreffende het vergroten van de rol van het Europees Parlement en de interparlementaire samenwerking in het kader van het Europees Semester

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

de Voorzitter van het Europees Parlement dient op de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad de standpunten van het Parlement omtrent de jaarlijkse groeianalyse te presenteren. Er moet een interinstitutioneel akkoord worden gesloten om het Europees Parlement te betrekken bij de opstelling en goedkeuring van de jaarlijkse groeianalyse en de richtsnoeren inzake economisch beleid en werkgelegenheid;

De Commissie en de Raad moeten aanwezig zijn bij op belangrijke momenten van het Europees Semester (d.w.z. na de bekendmaking van de jaarlijkse groeianalyse en na de bekendmaking van de landenspecifieke aanbevelingen) te houden interparlementaire bijeenkomsten tussen vertegenwoordigers van de nationale parlementen en vertegenwoordigers van het Europees Parlement, zodat met name de nationale parlementen de behandeling van hun nationale begrotingen in de context kunnen plaatsen van een Europees perspectief.

Aanbeveling 4.4 betreffende vergroting van de transparantie, de legitimiteit en de verantwoordingsplicht

Het Europees Parlement is van mening dat de goed te keuren wetgevingshandeling tot doel moet hebben regels vast te leggen zoals hieronder aangegeven:

ter wille van de transparantie moeten de Ecofin-Raad en de Eurogroep worden verzocht belangrijke interne documenten, agenda's en achtergrondmateriaal vóór hun bijeenkomsten door te sturen naar het Europees Parlement; bovendien moet de voorzitter van de Eurogroep regelmatig voor het Europees Parlement verschijnen, bijvoorbeeld in het kader van onder auspiciën van de Commissie economische en monetaire zaken van het Europees Parlement te organiseren hoorzittingen;

het Europees Parlement moet volledig worden betrokken bij de verdere uitwerking van het verslag van de vier voorzitters, conform de communautaire methode; deze betrokkenheid kan gestalte worden gegeven op zowel werkgroepniveau (voor het voorbereidende werk) als voorzittersniveau (voor de besluitvorming);

de Voorzitter van het Europees Parlement moet worden uitgenodigd voor de bijeenkomsten van de Europese Raad en de toppen van de eurozone;

wanneer er nieuwe bevoegdheden worden overgedragen aan of gecreëerd op Unieniveau of wanneer er nieuwe instellingen van de Unie worden opgericht, moet worden gezorgd voor dienovereenkomstige democratische controle door en verantwoording aan het Europees Parlement;

het Europees Parlement moet een hoorzitting houden over en instemmen met de benoeming van de ESM-voorzitter. De ESM-voorzitter moet periodiek verslag uitbrengen aan het Europees Parlement;

de vertegenwoordiger(s) van de Commissie in de Trojka moeten, alvorens zij taken op zich nemen, in het Europees Parlement worden gehoord en dienen periodiek verslag uit te brengen aan het Europees Parlement;

de versterking van de rol van de commissaris voor economische en monetaire zaken of de oprichting van een Europees schatkistbureau moeten gepaard gaan met de beschikbaarstelling van adequate middelen ten behoeve van de democratische verantwoordingsplicht en de legitimiteit, waarvoor officiële goedkeurings- en toezichtprocedures van het Europees Parlement noodzakelijk zijn;

alleen door naleving van de communautaire methode en de Uniewetgeving en door rekening te houden met de instellingen van de Unie kan de eerbiediging van democratische verantwoordingsplicht en legitimiteit in de Unie worden gewaarborgd; krachtens de Verdragen kan de EMU alleen door de Unie worden opgericht;

de munteenheid van de Unie is de euro en het Europees Parlement is het parlement van de Unie; de toekomstige architectuur van de EMU moet recht doen aan het feit dat het Europees Parlement op Unieniveau de instantie is waarbij verantwoording moet worden afgelegd;

overeenkomstig de communautaire methode dient het Europees Parlement ten volle te worden betrokken bij de opmaak van een blauwdruk voor de toekomst van de EMU.

Alle besluiten ter versterking van de EMU moeten worden genomen op basis van het Verdrag betreffende de Europese Unie; elke afwijking van de communautaire methode en intensiever gebruik van intergouvernementele overeenkomsten zouden leiden tot verdeeldheid en verzwakking van de Unie, inclusief de eurozone.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/69


P7_TA(2012)0431

Werkzaamheden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in 2011

Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over de werkzaamheden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in 2011 (2012/2048(INI))

(2015/C 419/10)

Het Europees Parlement,

gezien de partnerschapsovereenkomst tussen enerzijds de groep landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), en anderzijds de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend op 23 juni 2000 in Cotonou (Overeenkomst van Cotonou) (1), herzien in Luxemburg op 25 juni 2005 en in Quagadougou op 22 juni 2010 (2),

gezien het Reglement van de Paritaire Parlementaire Vergadering (PPV) ACS-EU, goedgekeurd op 3 april 2003 (3),in de laatste versie zoals gewijzigd op 18 mei 2011 in Boedapest (Hongarije) (4),

gezien Verordening (EG) nr. 1905/2006 van 18 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (5),

gezien de verklaring over economische partnerschapsovereenkomsten (EPO) voor ontwikkeling, aangenomen door de PPV in Kigali (Rwanda) op 22 november 2007 (6),

gezien de verklaring over de tweede herziening van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst (de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou), door de PPV aangenomen op 3 december 2009 in Luanda (Angola) (7),

gezien de mededeling aangenomen tijdens de regionale PPV-bijeenkomst in de Centraal-Afrikaanse regio in Yaoundé (Kameroen) op 29 april 2011 (8),

gezien de resoluties die door de PPV in Boedapest (mei 2011) zijn aangenomen over: de democratische opstanden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten: consequenties voor de ACS-landen, Europa en de wereld; de situatie in Ivoorkust; uitdagingen voor de toekomst van de democratie en de eerbiediging van de grondwettelijke orde in de ACS- en EU-landen; begrotingssteun als vorm van officiële ontwikkelingshulp (ODA) in ACS-landen, en watervervuiling,

gezien de verklaringen die door de PPV in Boedapest (mei 2011) zijn goedgekeurd inzake: de weg naar het vierde Forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan (Zuid-Korea) eind 2011; eenheid voor universele toegang met het oog op de bijeenkomst op hoog niveau over aids in juni (9),

gezien de resoluties die de PPV in Lomé (november 2011) heeft aangenomen over: de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor het ACS-EU-partnerschap; de gevolgen van schuld voor de ontwikkelingsfinanciering in ACS-landen; de integratie van personen met een handicap in ontwikkelingslanden; de voedselcrisis in de Hoorn van Afrika, vooral in Somalië, en de gevolgen van de Arabische lente voor buurlanden ten zuiden van de Sahara (10),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0328/2012),

A.

overwegende dat de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter heeft verzekerd dat de Raad van de EU vertegenwoordigd moet worden op ministersniveau bij de vergaderingen van de PPV, en heeft verduidelijkt dat het feit dat hij niet vertegenwoordigd was tijdens de twintigste bijeenkomst in 2010 in Kinshasa een eenmalige gebeurtenis betrof; overwegende dat de Raad van de EU op ministersniveau vertegenwoordigd was tijdens beide bijeenkomsten in 2011;

B.

overwegende dat de PPV ACS-EU het grootste parlementaire orgaan vormt van landen uit het noorden en het zuiden;

C.

overwegende dat het Hongaarse voorzitterschap en meerdere plaatselijke overheden een uitstekende bijdrage hebben geleverd aan de organisatie en de inhoud van de éénentwintigste bijeenkomst in Boedapest;

D.

overwegende dat twee onderzoeksmissies zijn georganiseerd in 2011, een naar Oost-Timor en de andere naar het Vierde Forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan (Zuid-Korea);

E.

overwegende dat de herziening van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou in 2010 een waardevolle kans heeft geboden om de rol van de PPV en haar regionale dimensie uit te breiden en in ACS-regio's en -landen parlementaire controle te ontwikkelen; overwegende dat de ratificatie van de herziene overeenkomst eind 2011 niet was voltooid;

F.

overwegende dat in overeenstemming met de Overeenkomst van Cotonou, de politieke dialoog krachtens artikel 8 wordt gevoerd met betrokkenheid van de PPV;

G.

overwegende dat de regionale PPV-bijeenkomst van 2011 in Kameroen een aanzienlijk succes was en heeft geleid tot de aanname van bovengenoemde mededeling van Yaoundé, waarin met name de verontwaardiging van de parlementsleden is verwoord over de toename van seksueel geweld, het gevaar voor banalisering en de algemene straffeloosheid;

H.

overwegende dat het wegens door het Europees Parlement goedgekeurde nieuwe regels inzake dienstreizen van parlementaire medewerkers, niet meer mogelijk is dat deze medewerkers parlementsleden tijdens missies ondersteunen;

1.

spreekt er zijn waardering voor uit dat de PPV in 2011 een kader is blijven bieden voor een open, democratische en diepgaande dialoog tussen de Europese Unie en de ACS-landen over de partnerschapsovereenkomst van Cotonou en de tenuitvoerlegging ervan, met inbegrip van de EPO’s;

2.

onderstreept de toegevoegde waarde van het bij toerbeurt in de EU-lidstaten houden van bijeenkomsten van de PPV, en is van oordeel dat dit toerbeurtsysteem, dat sinds 2003 bestaat, in de toekomst moet worden gehandhaafd;

3.

feliciteert het Hongaarse voorzitterschap met zijn actieve deelname aan de éénentwintigste bijeenkomst, in het bijzonder met de workshops;

4.

benadrukt dat er meer aandacht moet worden geschonken aan de resultaten van de werkzaamheden van de PPV ACS-EU en dat moet worden gezorgd voor samenhang tussen PPV- en EP-resoluties; is bezorgd over de teruglopende deelname van parlementsleden, met name aan vergaderingen van de PPV-commissie, en vraagt om grotere betrokkenheid van leden van het Europees Parlement bij haar vergaderingen en activiteiten; roept op tot meer flexibiliteit bij de toelating van parlementaire medewerkers tot PPV-bijeenkomsten om de kwaliteit van de werkzaamheden van de leden te verbeteren;

5.

herinnert aan de toezegging van de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter dat de Raad van de EU vertegenwoordigd moet worden op ministersniveau bij de vergaderingen van de PPV; juicht het toe dat de Raad van de EU opnieuw aanwezig was bij zijn vergaderingen in 2011 en is tevreden dat de hoge vertegenwoordiger heeft gezorgd voor een verduidelijking van de rol van de Raad van de EU; vraagt om een duidelijker scheiding van verantwoordelijkheden tussen de EDEO en de Commissie wat betreft de tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou;

6.

wijst met name op de doorslaggevende rol die de nationale parlementen van de ACS-landen spelen bij het beheer van en het toezicht op, en die plaatselijke overheden en niet-overheidsactoren spelen bij het toezicht op de nationale en regionale strategiedocumenten en de tenuitvoerlegging van het Europese Ontwikkelingsfonds (EOF), en verzoekt de Commissie en de regeringen van de ACS-landen hun betrokkenheid te waarborgen; wijst voorts op de noodzaak van scherp parlementair toezicht tijdens de onderhandelingen over en de sluiting van EPO;

7.

spreekt zijn bezorgdheid uit over bezuinigingen op de begroting in EU-lidstaten ten koste van de uitgaven voor ontwikkelingsbeleid; doet een beroep op de PPV om druk te blijven uitoefenen op de EU-lidstaten om hun streefcijfer van 0,7 % van het BNI in 2015 te halen; verzoekt de leden van de PPV zich te verdiepen in de vraag hoe middelen meer gericht kunnen worden besteed daar waar ze het meest nodig zijn om armoede te verminderen, en in een differentiering van hulpvormen;

8.

wijst erop dat parlementen bij het democratische proces en de nationale ontwikkelingsstrategieën moeten worden betrokken; onderstreept hun essentiële rol bij het opzetten, volgen en begeleiden van ontwikkelingsbeleid; vraagt de Commissie om de parlementen van de ACS-landen van alle beschikbare informatie te voorzien en in het democratisch toezicht bij te staan, vooral door hun mogelijkheden verder uit te bouwen;

9.

wijst erop dat de vrijheid en onafhankelijkheid van de media moeten worden verdedigd, daar deze van levensbelang zijn ter waarborging van pluralisme en deelname aan het politieke leven van de democratische oppositie en van minderheden;

10.

verzoekt de EU en de ACS-landen om burgers, met een gelijke verdeling van mannen en vrouwen, aan te moedigen deel te nemen aan ontwikkelingsvraagstukken, aangezien zonder de betrokkenheid van de maatschappij geen vooruitgang kan worden geboekt; beseft dat vrouwen het vermogen hebben problemen op te lossen en geschillen bij te leggen en verzoekt de Commissie en de PPV dringend vrouwen aan te moedigen vaker deel te nemen aan speciale interventie-eenheden en werkgroepen, en wijst op de nuttige bijdrage van het Women's Forum in dit verband;

11.

vraagt de parlementen nauwlettend parlementair toezicht op het EOF uit te oefenen, wijst met nadruk op de geprivilegieerde positie van de PPV in deze aangelegenheid en vraagt haar en de ACS-parlementen om er actief in mee te werken, met name bij de ratificatie van de herziene Overeenkomst van Cotonou;

12.

verzoekt de Europese Commissie de PPV bij te praten over de stand van zaken in verband met de ratificatie van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou, zoals deze op 22 juni 2010 is herzien in Ouagadougou;

13.

wijst erop dat in overeenstemming met de Overeenkomst van Cotonou de politieke dialoog krachtens artikel 8 wordt gevoerd met betrokkenheid van de PPV en dat de PPV derhalve naar behoren geïnformeerd en bij de dialoog betrokken moet worden;

14.

wijst nogmaals op het belang van een verbeterde, echte en meer omvattende politieke dialoog over de mensenrechten, met inbegrip van non-discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

15.

verheugt zich over het steeds duidelijker wordende parlementaire en dus ook politieke karakter van de PPV, samen met de steeds actievere inzet van haar leden en de toenemende kwaliteit van haar debatten, die haar een doorslaggevende bijdrage tot het ACS-EU-partnerschap helpen leveren;

16.

spreekt zijn bezorgdheid over de toename van het geweld tegen en de discriminatie van homoseksuelen in bepaalde landen, en verzoekt de PVV deze situatie op de agenda van haar debatten te plaatsen;

17.

wijst erop dat de discussie over de toekomst van de ACS-groep na 2020 al is begonnen en benadrukt de belangrijke rol die de PPV in deze discussie dient te vervullen; wijst er in dit verband op dat de toekomstige rollen en betrekkingen van de verschillende groepen (ACS, AU, MOL, G77, regionale organisaties) moeten worden verduidelijkt; onderstreept de noodzaak van alomvattend paritair parlementair toezicht, los van de definitieve uitkomst;

18.

wijst op het belang dat de PPV toekent aan transparantie bij de winning van en handel in natuurlijke hulpbronnen, en benadrukt dat de PPV zal blijven aandringen op passende wetgeving in dit verband;

19.

verzoekt de PPV de situatie in Noord-Afrika, in ACS-landen die in crisis verkeren, te blijven volgen en nauwlettender aandacht te besteden aan situaties van een fragiele staat;

20.

verzoekt de PPV haar eigen verkiezingswaarnemingsmissies te blijven organiseren op dezelfde grondslag als de geslaagde missie naar Burundi in 2010 voor zover deze de dubbele legitimiteit van de PPV weergeven, en ervoor te zorgen dat haar verkiezingsmissies onafhankelijk zijn en nauw samenwerken met andere regionale waarnemingsorganen;

21.

spreekt er zijn waardering voor uit dat er in 2011 nog een regionale bijeenkomst is gehouden zoals bepaald in de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou en het Reglement van de PPV; is van mening dat deze bijeenkomsten een werkelijke gedachtewisseling over regionale problemen mogelijk maken, met inbegrip van het voorkomen en de bijlegging van geschillen, regionale samenhang en EPO-onderhandelingen; feliciteert de organisatoren van de succesvolle bijeenkomst in Kameroen;

22.

is ingenomen met de conclusie van de werkgroep werkmethoden en de aanneming van een eerste reeks wijzigingen van het Reglement in Boedapest en verzoekt het Bureau van de PPV de resterende aanbevelingen ten uitvoer te brengen teneinde de doelmatigheid en de politieke invloed van de PPV te vergroten, zowel wat betreft de tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou als op het internationale toneel;

23.

wijst op het belang van de tijdens PPV-bijeenkomsten georganiseerde bezoeken in het veld, die een aanvulling vormen op de gedachtewisselingen tijdens de zittingen;

24.

verzoekt de PVV haar discussies over de kosten van de organisatie van haar vergaderingen voort te zetten;

25.

is verheugd over de deelname van vertegenwoordigers van het Europees Parlement en de PPV aan de informele Raad van ministers voor Ontwikkelingssamenwerking die op 14 en 15 juli 2011 in Sopot Leeds werd georganiseerd door het Poolse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie, en drukt de wens uit dat de toekomstige voorzitterschappen van de Raad van de Europese Unie hetzelfde doen;

26.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de ACS-Raad van ministers, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, het Bureau van de PPV, en de regering en het parlement van Hongarije en van Togo.


(1)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(2)  PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.

(3)  PB C 231 van 26.9.2003, blz. 68.

(4)  DV\875101.

(5)  PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.

(6)  PB C 58 van 1.3.2008, blz. 44.

(7)  PB C 68 van 18.3.2010, blz. 43.

(8)  APP 100.945

(9)  PB C 327 van 10.11.2011, blz. 42.

(10)  PB C 145 van 23.5.2012, blz. 21.


Woensdag 21 november 2012

16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/73


P7_TA(2012)0442

Controle op de toepassing van het EU-recht (2010)

Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het 28e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2010) (2011/2275(INI))

(2015/C 419/11)

Het Europees Parlement,

gezien het 28e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2010) (COM(2011)0588),

gezien het verslag van de Commissie „Evaluatieverslag EU-Pilot” (COM(2010)0070),

gezien het verslag van de Commissie „Tweede evaluatieverslag over EU Pilot” (COM(2011)0930),

gezien de mededeling van de Commissie van 5 september 2007„Een Europa van resultaten — toepassing van het gemeenschapsrecht” (COM(2007)0502),

gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2002 betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het gemeenschapsrecht (COM(2002)0141),

gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2012„Tot modernisering van het beheer van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie” (COM(2012)0154),

gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over het 27ste jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht (2009) (1),

gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het 26ste jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht (2008) (2),

gezien de werkdocumenten van de Commissiediensten SEC(2011)0193, SEC(2011)0194 en SEC(2011)1626,

gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over de beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften in 2010 (3),

gezien artikel 48 en artikel 119, lid 1, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie constitutionele zaken en de Commissie verzoekschriften (A7-0330/2012),

A.

overwegende dat met het Verdrag van Lissabon een aantal nieuwe rechtsgronden is ingevoerd die de tenuitvoerlegging, toepassing en handhaving van het EU-recht moeten vereenvoudigen;

B.

overwegende dat overeenkomstig artikel 298 VWEU de instellingen, organen en instanties van de Unie bij de vervulling van hun taken op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat steunen;

C.

overwegende dat milieu, interne markt en belastingzaken de meest inbreukgevoelige beleidsterreinen zijn waar 52 % van alle inbreukzaken zich voordoen,

1.

herinnert eraan dat artikel 17 VEU de Commissie de essentiële rol van „hoedster van de Verdragen” toebedeelt; merkt in dit kader op dat de bevoegdheid en de plicht van de Commissie inbreukprocedures in gang te zetten tegen lidstaten die de krachtens de Verdragen (4) op hen rustende verplichtingen niet nakomen, een hoeksteen van de rechtsorde van de EU is en als zodanig strookt met het concept van een op het beginsel van de rechtstaat gegrondveste Unie;

2.

benadrukt het fundamenteel belang van de rechtsstaat als voorwaarde voor de legitimiteit van iedere vorm van democratisch bestuur en als waarborg voor de burgers dat zij hun rechten ten volle kunnen uitoefenen zoals bij wet voorzien;

3.

steunt de slimme-regelgevingaanpak van de Commissie die gericht is op de integratie van het toezicht op de toepassing van het EU-recht in de bredere beleidscyclus, door de Commissie verzoekschriften gezien als een belangrijke preventieve maatregel;

4.

merkt op dat een inbreukprocedure uit twee fasen bestaat: de administratieve (onderzoeks)fase en de gerechtelijke fase voor het Hof van Justitie; beschouwt de rol van de burgers als klagers tijdens de administratieve fase als van vitaal belang waar het gaat om de handhaving van het Unierecht in de maatschappij;

5.

verwelkomt dat de Commissie een groot aantal instrumenten gebruikt om het omzettingsproces soepeler te doen verlopen (controlelijsten voor omzetting, handboeken of toelichtende notities) en moedigt de Commissie aan om de omzetting van richtlijnen voor het einde van de omzettingstermijn nog nauwkeuriger te volgen, met name wat betreft de lidstaten met een slechte „staat van dienst”, zodat zij snel kan ingrijpen;

6.

wijst erop dat volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie bepalingen van richtlijnen direct toepasbaar zijn als deze voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn („direct effect”);

7.

verzoekt de Commissie en de lidstaten gezamenlijk en consequent op te treden om het probleem van „vergulden” aan te pakken;

8.

merkt op dat de Commissie onlangs een nieuwe mededeling heft uitgebracht over het onderhouden van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie (COM(2012)0154), waarin zij de omstandigheden doorlicht waaronder een klacht wordt geregistreerd en die van invloed zijn op de inbreukprocedure in haar geheel; verzoekt de Commissie met klem bij het regelen van de inbreukprocedure geen gebruik te maken van zachte wetgeving, maar daarvoor de verordening (5) te kiezen, zodat het Parlement als medewetgever volledig betrokken blijft bij een dergelijk belangrijk onderdeel van de rechtsorde van de EU;

9.

betreurt evenwel het enorme aantal zaken wegens niet-mededeling (470 lopende zaken in 2010);

10.

betreurt het gemis in voornoemde nieuwe mededeling van elke vermelding van EU Pilot, door de Commissie zelf omschreven als „werkmethode die zijn degelijkheid heeft bewezen” (6) en die zij bij de behandeling van klachten als eerste stap in de inbreukprocedure gebruikt zodra de mogelijkheid van die procedure zich voordoet (7); merkt op dat EU Pilot in de mededeling nergens wordt genoemd en dat er geen melding wordt gemaakt van de rechten of de bescherming die de klager aan EU Pilot ontleent; concludeert dan ook dat de beslissingen van de Commissie die aan de inbreukprocedure voorafgaan of deze uitsluiten, in die gevallen niet aan de regels inzake transparantie en verantwoordingsplicht beantwoorden, maar volledig op de enkele beoordeling van de Commissie berusten;

11.

vraagt de Commissie de status van het „EU Pilot”-systeem nader toe te lichten en het kader en de regels voor de toepassing ervan duidelijk te omschrijven zodat de burger deze kan begrijpen;

12.

wijst op het aantal lidstaten dat deelneemt aan het EU-Pilotproject (eind 2010 waren dat er 18) en het grote aantal zaken dat kon worden afgesloten nadat het antwoord van de lidstaat als aanvaardbaar werd beoordeeld (81 % van de zaken). benadrukt het belang van de kwaliteit van deze beoordelingen, zowel wat betreft de geldige en gecontroleerde informatie als wat betreft de eerbiediging van de door het Hof van Justitie erkende algemene beginselen van het bestuursrecht;

13.

herhaalt zijn standpunt dat de discretionaire bevoegdheid die de Verdragen de Commissie ten aanzien van de inbreukprocedure toekennen, haar grenzen vindt in de rechtsstatelijkheid, het beginsel van rechtsduidelijkheid, de vereisten van transparantie en openheid en het beginsel van evenredigheid, en dat het doel van die bevoegdheid in geen geval in het gedrang mag komen, namelijk de tijdige en correcte toepassing van het EU-recht te verzekeren (8);

14.

neemt nota van het bemoedigende cijfers waaruit blijkt dat 88 % van de inbreukzaken die in 2010 werden afgesloten „niet aan het Hof van Justitie is voorgelegd, omdat lidstaten de door de Commissie aan de orde gestelde juridische problemen hadden opgelost voordat het nodig was om de volgende fase van de inbreukprocedure in te leiden”; acht het echter zaak dat het doen en laten van de lidstaten steeds nauwlettend in het oog wordt gehouden, omdat sommige verzoekschriften melding maken van problemen die ook blijven voortduren nadat een zaak afgesloten werd (zie bijvoorbeeld verzoekschriften 0808/2006, 1322/2007, 0492/2010, 1060/2010 en 0947/2011);

15.

benadrukt dat, in het algemeen, bijkomende inspanningen nodig zijn om de transparantie en wederkerigheid in de communicatie tussen het Parlement en de Commissie te verbeteren; merkt bijvoorbeeld op dat er ruimere toegang kan worden geboden tot informatie over klachten, inbreukdossiers en andere handhavingsmechanismen zonder dat daarbij het doel van de onderzoeken in gevaar wordt gebracht en dat een zwaarwegend openbaar belang de toegang tot deze informatie zeker zou rechtvaardigen, vooral in gevallen waar de volksgezondheid en onherstelbare schade aan het milieu op het spel staan;

16.

neemt ter kennis dat de Commissie, voor het bedrijfsklaar maken van EU-Pilot, een vertrouwelijke „online databank” heeft ingericht voor de communicatie tussen diensten van de Commissie en autoriteiten in de lidstaten; vestigt nogmaals de aandacht op het gebrek aan transparantie tegenover de klagers in het project EU Pilot en herinnert aan zijn verzoek om toegang tot de databank waarin alle klachten worden opgeslagen, zodat het Parlement zijn functie kan vervullen en toezicht houden op de rol van de Commissie als hoedster van de Verdragen;

17.

betreurt dat geen gevolg is gegeven aan zijn voormelde resolutie over het 27e jaarverslag, en met name niet aan zijn pleidooi voor een procesrechtelijke regeling in de vorm van een verordening op grond van artikel 298 VWEU waarin de verschillende aspecten van de inbreukprocedure en de precontentieuze procedure nader worden geregeld, zoals de kennisgevingen, bindende termijnen, het recht te worden gehoord, de motiveringsplicht, en het recht van toegang tot het eigen dossier, waardoor de rechten van de burger worden versterkt en de transparantie gewaarborgd blijft;

18.

dringt er daarom nogmaals bij de Commissie op aan op grond van de nieuwe rechtsgrondslag van artikel 298 VWEU een procesrechtelijke regeling in de vorm van een verordening voor te stellen;

19.

neemt dienaangaande kennis van de reactie van de Commissie op het aandringen van het Parlement op procesrechtelijke wetgeving, waarin zij zegt te betwijfelen of een verordening op basis van artikel 298 VWEU mogelijk is, gezien de uit hoofde van de Verdragen aan de Commissie toevertrouwde discretionaire bevoegdheid om zelf te bepalen hoe zij inbreukprocedures voert en maatregelen neemt om te waarborgen dat het EU-recht op de juiste wijze wordt toegepast; is ervan overtuigd dat een dergelijke procesrechtelijke wetgeving de discretionaire bevoegdheid van de Commissie geenszins zou beperken, maar uitsluitend zou waarborgen dat de Commissie bij het uitoefenen van haar bevoegdheid de beginselen voor „een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat” eerbiedigt, in de zin van artikel 298 VWEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

20.

benadrukt het belang van transparantie van inbreukprocedures, niet in de laatste plaats met het oog op de mogelijkheid van het Parlement om toezicht te houden op toepassing van het EU-recht; brengt in dit verband in herinnering dat de Commissie in de herziene kaderovereenkomst met het Parlement het op zich neemt om „het Parlement beknopte gegevens ter beschikking [te stellen] over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling, waaronder, zo het Parlement hierom verzoekt, […] de kwesties waarop de inbreukprocedure betrekking heeft” en verwacht dat deze clausule te goeder trouw wordt toegepast;

21.

wijst erop dat verzoekschriften een goed instrument zijn met behulp waarvan burgers, maatschappelijke organisaties en ondernemingen gevallen van niet-naleving van het EU-recht door autoriteiten van de lidstaten op verschillende niveaus kunnen melden; verzoekt de Commissie in dit verband te zorgen voor transparantie in de lopende inbreukprocedures door de burgers tijdig en op passende wijze in kennis te stellen van de maatregelen die naar aanleiding van hun verzoeken worden genomen;

22.

wijst erop dat burgers en maatschappelijke organisaties het stelsel voor verzoekschriften voornamelijk blijven gebruiken om verslag te doen van en klachten in te dienen over gebrekkige naleving van de EU-wetgeving door de verschillende overheidsniveaus van de lidstaten; benadrukt in dat verband de cruciale rol van de Commissie verzoekschriften als doeltreffende schakel tussen de burger, het Parlement en de Commissie;

23.

verwelkomt het specifieke onderdeel betreffende verzoekschriften dat is opgenomen in het 28e jaarlijkse verslag, zoals gevraagd door het Parlement, waarin de Commissie een uitsplitsing geeft van de nieuw ontvangen verzoekschriften; verwelkomt het bericht van de Commissie dat „verzoekschriften aan het Europees Parlement geleid hebben tot inbreukprocedures” op verschillende gebieden; benadrukt dat, zelfs wanneer verzoekschriften niet gaan over inbreuken, deze het Parlement en de Commissie opmerkelijke informatie omtrent de bekommernissen van burgers verschaffen;

24.

benadrukt het aanzienlijke aantal ontvangen verzoekschriften betreffende aangelegenheden in verband met de milieuwetgeving, met name voorzieningen voor afvalbeheer; herhaalt de punten die werden benadrukt door de voorzitter tijdens de conferentie van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving, gehouden op 15 juni 2011, en die verwezen naar een herhaaldelijk gebrek aan degelijke milieueffectbeoordelingen, het negeren van openbare raadplegingen en verschillende andere tekortkomingen in de werking van systemen voor afvalbeheer;

25.

herinnert eraan dat het oorspronkelijke mandaat van het Handvest de codificatie was van de fundamentele rechten die EU-burgers genieten en dat de staatshoofden en regeringsleiders herhaaldelijk plechtig hebben verklaard dat in het Handvest de rechten van de EU-burgers zijn vastgesteld; roept alle lidstaten op de noodzaak van artikel 51 van het Handvest opnieuw in overweging te nemen en moedigt hen aan om eenzijdig te verklaren dat ze de rechten van individuen in hun rechtsgebied niet zullen beperken op grond van de bepalingen in dat artikel;

26.

benadrukt dat burgers, bij het indienen van een verzoekschrift bij het Europees Parlement, verwachten dat ze beschermd zullen worden door de bepalingen van het Handvest, ongeacht de lidstaat waar zij wonen en ongeacht of het EU-recht ten uitvoer wordt gelegd; blijft in dit opzicht bezorgd dat burgers zich misleid voelen omtrent de werkelijke werkingssfeer van het Handvest; vindt het daarom essentieel om het subsidiariteitsbeginsel duidelijk uit te leggen en de werkingssfeer van het Handvest op grond van artikel 51 daarvan te verduidelijken vanuit het oogpunt van het Parlement;

27.

benadrukt dat een wezenlijk deel van de verzoekschriften met betrekking tot de grondrechten verband houdt met het vrij verkeer van personen en dat — zoals duidelijk blijkt uit de mededeling over het EU-burgerschap 2010 — de rechten die voortvloeien uit het EU-burgerschap in het algemeen een belangrijke voorwaarde zijn om de burgers de interne markt volledig te laten benutten; beklemtoont dat, indien de burgers de markt meer benutten, dit het aanzienlijke groeipotentieel van de interne markt kan aanboren en herhaalt daarom, gelet op de huidige economische uitdagingen in Europa, zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten tot grotere inspanningen voor volledige en tijdige omzetting van de EU-wetgeving op dit gebied;

28.

benadrukt voorts dat burgers zich evenzo misleid voelen omtrent de gelding van het gemeenschapsrecht in gevallen van laattijdige omzetting; noemt het een bedroevende waarheid dat burgers voor wie het geldende gemeenschapswetgeving buiten bereik blijft zolang deze door de betrokken lidstaat nog niet is omgezet, zich niet tot enige rechter kunnen wenden om hun rechten te zien erkend;

29.

onderschrijft het standpunt van de Juridische Dienst van het Europees Parlement dat waar het gaat om de ontvankelijkheid van verzoekschriften, de gebieden waar de Europese Unie activiteit kan ontplooien ruimer zijn dan haar bevoegdheden; benadrukt dat deze gedachte als uitgangspunt zou moeten dienen bij de behandeling van verzoekschriften door het Parlement en de Commissie;

30.

herhaalt dat individuele klachten van burgers en ondernemingen nog steeds worden erkend als de belangrijkste bron voor het opsporen van inbreuken tegen het EU-recht en vervolgens voor het inleiden van inbreukprocedures; verzoekt daarom om de invoering van effectievere, juridisch bindende bestuursrechtelijke bepalingen die de procedurele betrekkingen tussen de Commissie en de indieners voor, tijdens en na de inbreukprocedures zeker en betrouwbaar vastleggen en daardoor vooral de positie van de individuele indieners moeten versterken;

31.

noemt het verheugend dat in artikel 260 VWEU als nieuw element is opgenomen dat de Commissie het Hof van Justitie kan verzoeken een lidstaat financiële sancties op te leggen vanwege te late omzetting van een richtlijn wanneer zij bij het Hof een zaak aanhangig maakt op grond van artikel 258 VWEU;

32.

verwelkomt de toezegging van de Commissie dat zij principieel gebruik zal maken van artikel 260, lid 3, VWEU in gevallen van niet-nakoming van een verplichting in de zin van deze bepaling, bestaande in omzetting van een volgens een wetgevingsprocedure aangenomen richtlijn;

33.

acht het van het grootste belang dat de Commissie gebruik maakt van die mogelijkheid, naast alle andere beschikbare middelen om te verzekeren dat de lidstaten de Unie-wetgeving tijdig en correct omzetten; de lidstaten die achterlopen en de wetgeving niet tijdig hebben omgezet, moeten bij name worden genoemd;

34.

wijst erop dat het Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten sinds het uitbrengen van dit verslag overeenstemming hebben bereikt over de kwestie van toelichtende documenten, waarin de verhouding tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige onderdelen van nationale omzettingsinstrumenten („concordantietabellen”) worden beschreven; merkt op dat de drie instellingen en de lidstaten zijn overeengekomen om in richtlijnen een overweging op te nemen met de strekking dat de betrokken lidstaat een concordantietabel moet opstellen indien dit, in een specifiek geval, nodig en evenredig is;

35.

benadrukt dat concordantietabellen een belangrijk instrument vormen waarmee de Commissie en het Parlement toezicht kunnen uitoefenen op de juiste omzetting en toepassing van het recht van de Unie door de lidstaten, aangezien de relatie tussen een richtlijn en de corresponderende nationale bepalingen vaak zeer complex is en soms vrijwel onmogelijk te herleiden;

36.

vraagt de Commissie om het Europees Parlement duidelijke richtsnoeren te doen toekomen voor het opstellen, invoegen en toepassen van correlatie- tabellen voor in de EU-wetgeving, en tevens een transparante evaluatie uit te voeren aan de hand waarvan zich aanzienlijk beter laat beoordelen in hoeverre die wetgeving op lidstaatniveau is uitgevoerd;

37.

stelt vast dat nationale rechtbanken een essentiële rol vervullen bij de toepassing van het EU-recht en stelt zich volledig achter de inspanningen van de EU om justitiële opleidingen voor justitiële, rechterlijke en administratieve autoriteiten en juristen en ambtenaren bij de nationale overheden alsmede voor regionale en plaatselijke autoriteiten op Europees niveau, te bevorderen en te coördineren;

38.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Europese Ombudsman en de parlementen van de lidstaten.


(1)  Aangenomen teksten P7_TA(2011)0377.

(2)  PB C 99 E van 3.4.2012 , bz. 46.

(3)  Aangenomen teksten P7_TA(2011)0382.

(4)  In de artikelen 258 en 260 VWEU wordt de bevoegdheid van de Commissie om inbreukprocedures tegen de lidstaten in gang te zetten omschreven. Meer in het bijzonder staat in artikel 258 dat de Commissie een met redenen omkleed advies uitbrengt indien zij van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

(5)  Zie paragraaf 7, waar het EP pleit voor „procesrechtelijke wetgeving”.

(6)  Tweede evaluatieverslag over EU Pilot (SEC(2011)1626), blz. 7.

(7)  Zie bovengenoemd verslag, blz. 3. Zie reeds aangehaalde resolutie van 25 november 2010.

(8)  Het Parlement heeft in zijn bovengenoemde resolutie van 25 november 2010 verklaard dat „absolute discretie gepaard aan een absoluut gebrek aan transparantie […] volledig in strijd met de rechtsstaat” is.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/77


P7_TA(2012)0443

De gevolgen voor het milieu van de winning van schaliegas en schalieolie

Resolutie van het Europees Parlement 21 november 2012 over de gevolgen voor het milieu van de winning van schaliegas en schalieolie (2011/2308(INI))

(2015/C 419/12)

Het Europees Parlement,

gezien Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen (1),

gezien Richtlijn 92/91/EEG van 3 november 1992 betreffende minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen (2),

gezien Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (3),

gezien Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (4),

gezien Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (5),

gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitat en de wilde flora en fauna (habitatrichtlijn) (6),

gezien Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (7),

gezien Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (8),

gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (waterkaderrichtlijn) (9),

gezien Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (drinkwaterrichtlijn) (10),

gezien Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (grondwaterrichtlijn) (11),

gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (zoals gewijzigd) (12); en Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (13),

gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (REACH-verordening) (14),

gezien Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (als aanpassing van bestaande EU-wetgeving aan het wereldwijd geharmoniseerde systeem (GHS, Globally Harmonised System) van de Verenigde Naties) (15),

gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (biocidenrichtlijn) (16),

gezien Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Seveso II-richtlijn) (17),

gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over een betere waarborging van de veiligheid van offshore olie- en -gasactiviteiten (18),

gezien het in opdracht van het Directoraat-generaal Energie van de Commissie opgestelde verslag over onconventioneel gas in Europa van 8 november 2011 (19),

gezien de begeleidende nota van 26 januari 2012 van het Directoraat-generaal Milieu van de Commissie aan de leden van het Europees Parlement over de EU-milieuwetgeving die van toepassing is op de winning van schaliegas,

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld „Stappenplan Energie 2050” (COM(2011)0885),

gezien verzoekschriften 886/2011 (inzake de risico's die gepaard gaan met de exploratie en winning van schaliegas in Bulgarije) en 1378/2011 (inzake de winning van schaliegas in Polen),

gezien de in juni 2011 door directoraat-generaal Intern beleid, beleidsafdeling A: economisch en wetenschapsbeleid, van het Europees Parlement gepubliceerde studie over de gevolgen voor het milieu en de menselijke gezondheid van de winning van schaliegas en schalieolie („Impacts of shale gas and shale oil extraction on the environment and on human health”),

gezien de artikelen 4, 11, 191, 192, 193 en 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie juridische zaken (A7-0283/2012),

A.

overwegende dat dankzij alle technologische vooruitgang de commerciële winning van onconventionele fossiele brandstoffen in een aantal delen van de wereld een hoge vlucht heeft genomen; overwegende dat er in de EU nog geen winning op commerciële schaal plaatsvindt en dat het potentieel van de reserves en de mogelijke gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid verder moeten worden onderzocht;

B.

overwegende dat de ontwikkeling van schaliegas niet oncontroversieel is binnen de EU noch wereldwijd, waardoor het noodzakelijk is alle effecten (op het milieu, de volksgezondheid en klimaatverandering) grondig te onderzoeken, alvorens deze technologie verder te ontwikkelen;

C.

overwegende dat schaliegas en andere onconventionele bronnen volgens het Stappenplan Energie 2050 in potentie belangrijke nieuwe energiebronnen kunnen worden voor Europa of de landen eromheen; overwegende dat de vervanging van olie en kolen door gas op korte en middellange termijn kan helpen de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, afhankelijk van hun levenscyclus;

D.

overwegende dat gas kan worden gebruikt om energie te leveren aan het basiselektriciteitsnet, maar ook kan dienen als betrouwbare reserve-energiebron voor veranderlijke energiebronnen, zoals de wind en de zon, en deze betrouwbaarheid vermindert het aantal technische uitdagingen bij de balancering van het net; overwegende dat gas ook een efficiënte brandstof is voor verhitting en koeling en talloze andere industriële toepassingen die het concurrentievermogen van de EU vergroten;

E.

overwegende dat horizontale boring en hydrofracturering (fracking), de twee belangrijkste technieken voor de ontsluiting van het potentieel van onconventionele fossiele brandstoffen voor wat betreft schaliegas en koollaagmethaan, pas tien jaar lang met elkaar in combinatie gebruikt worden, en niet mogen worden verward met andere bronexploratietechnieken gebruikt bij de winning van conventionele fossiele brandstoffen, vanwege de combinatie van deze twee technieken en de ermee gepaard gaande mate van interventie;

F.

overwegende dat de EU zich inzet voor een juridisch bindende doelstelling om de broeikasgasemissies te verminderen en het aandeel hernieuwbare energie te vergroten; overwegende dat ieder besluit over de exploitatie van onconventionele fossiele brandstoffen moet worden genomen vanuit de context dat emissies moeten worden teruggedrongen;

G.

overwegende dat er tot nu toe geen EU-(kader)richtlijn voor de regeling van mijnbouwactiviteiten is;

H.

overwegende dat er onvoldoende gegevens zijn over de bij de fracturering gebruikte chemicaliën en de aan hydrofracturering gerelateerde risico's op het gebied van het milieu en de volksgezondheid; overwegende dat er nog steeds omvangrijk onderzoek plaatsvindt en dat er steeds meer behoefte bestaat aan verder, doorlopend onderzoek; overwegende dat hoogstaand onderzoek ten behoeve van degelijke regulering die de volksgezondheid en het milieu dient te beschermen, staat of valt met het bestaan en de transparantie van gegevens, monsters en tests;

I.

overwegende dat er aan elke vorm van winning van fossiele brandstoffen en mineralen risico's kleven voor de volksgezondheid en het milieu; overwegende dat bij de toekomstige besluiten over de ontsluiting van de Europese fossiele brandstofvoorraden het voorzorgsbeginsel en het beginsel „de vervuiler betaalt” in acht moeten worden genomen, rekening houdend met de mogelijke effecten van alle stadia van het exploratie- en exploitatieproces;

J.

overwegende dat er in EU-lidstaten zoals Frankrijk en Bulgarije al een moratorium is ingesteld op de winning van schaliegas vanwege de bezorgdheid omtrent de volksgezondheid en het milieu;

K.

overwegende dat er voor projecten voor schaliegasexploitatie over het algemeen geen milieueffectbeoordeling hoeft te worden uitgevoerd, ook al zijn er ecologische risico's verbonden aan dergelijke projecten;

L.

overwegende dat de EU de taak heeft om binnen alle beleidsterreinen en activiteiten van de Unie de bescherming van de volksgezondheid op een hoog niveau te houden;

M.

overwegende dat veel regeringen in Europa, waaronder die van Frankrijk, Bulgarije, Noord-Rijn-Westfalen in Duitsland, Fribourg en Vaud in Zwitserland, in een aantal staten van de VS (North Carolina, New York, New Jersey en Vermont en bovendien meer dan 100 plaatselijke overheden) en in andere landen van de wereld (Zuid-Afrika, Quebec in Canada, New South Wales in Australië) momenteel een verbod of moratorium hebben ingesteld op hydrofracturering voor de winning van olie en gas uit schalies of andere formaties van „tight” gesteente;

N.

overwegende dat sommige lidstaten, zoals Tsjechië, Roemenië en Duitsland, momenteel een moratorium overwegen op de winning van olie en gas uit schalies of andere formaties van „tight” gesteente;

O.

overwegende dat krachtens de richtlijn betreffende milieuaansprakelijkheid de betrokken partijen niet verplicht zijn om afdoende verzekeringen af te sluiten gelet op de hoge kosten die gepaard gaan met ongevallen binnen de winningsindustrie;

Algemeen kader — regulering, uitvoering, monitoring en samenwerking

1.

verstaat onder de exploratie en winning van schaliegas om het even welke vorm van onconventionele exploratie en winning van koolwaterstoffen die waar ook ter wereld door fossielebrandstofwinningsbedrijven wordt toegepast met gebruikmaking van horizontale boringen en grootschalige hydraulische fractureringstechnieken;

2.

benadrukt dat niettegenstaande het autonome recht van de lidstaten om hun eigen energiebronnen te exploiteren, er bij de exploitatie van onconventionele fossiele brandstoffen altijd gezorgd dient te worden voor eerlijke en gelijke kansen in de hele EU, onder strikte naleving van de veiligheids- en milieuwetgeving van de EU;

3.

is van mening dat een grondige analyse nodig is van het wetgevingskader van de EU inzake de exploratie en exploitatie van onconventionele fossiele brandstoffen; is in dit opzicht ingenomen met de geplande voltooiing van een aantal Commissiestudies over het bepalen van risico's, broeikasgasemissies gedurende de volledige levenscyclus, chemicaliën, water, het landgebruik en de effecten van schaliegas op de energiemarkten van de EU; dringt er bij de lidstaten op aan om zorgvuldigheid te betrachten bij verdere activiteiten omtrent onconventionele fossiele brandstoffen, totdat de lopende analyse van de regelgeving is afgerond, en om alle bestaande wetgeving op een effectieve manier toe te passen, als cruciale manier om de risico's bij alle gaswinningsactiviteiten te beperken;

4.

roept de Commissie op om, na de voltooiing van haar studies, een grondige beoordeling uit te voeren op basis van het Europese regelgevingskader voor de bescherming van de gezondheid en het milieu en om zo snel mogelijk en in overeenstemming met de beginselen van het Verdrag passende maatregelen voor te stellen, met inbegrip van, indien nodig, wetgevingsmaatregelen;

5.

benadrukt dat de winning van onconventionele fossiele brandstoffen — net als die van conventionele fossiele brandstoffen — risico's met zich meebrengt; is van mening dat deze risico's dienen te worden weggenomen met de nodige voorzorgsmaatregelen, zoals goede planning, grondig uitgevoerde tests, toepassing van nieuwe en beste beschikbare technologieën, beste industriepraktijken en continue gegevensvergaring, alsook toezicht en verslaglegging, uitgevoerd in overeenstemming met een robuust wetgevingskader; is van mening dat het cruciaal is om voor aanvang van activiteiten omtrent onconventionele fossiele brandstoffen te vereisen dat bij potentiële boorplekken de basiswaarden worden gemeten van het van nature voorkomende methaan en de chemicaliën in grondwater in waterhoudende grondlagen en dat de huidige luchtkwaliteit wordt gemeten; is bovendien van mening dat regelmatig overleg met de oorspronkelijke fabrikant of gelijkwaardige fabrikant van materiaal ervoor kan zorgen dat de kritieke veiligheids- en milieuapparatuur effectief blijft werken en blijft voldoen aan de veiligheidsnormen;

6.

neemt kennis van de voorlopige analyse van de Commissie van de milieuwetgeving die van toepassing is op hydrofracturering; spoort de Commissie aan om volledig gebruik te maken van al haar bevoegdheden om te zorgen voor een goede omzetting en toepassing van cruciale communautaire milieuwetgeving in alle lidstaten, en onverwijld richtsnoeren uit te vaardigen voor het bepalen van basiswaarden voor het toezicht op water, dat nodig is voor de milieueffectrapportage van de exploratie en exploitatie van schaliegas, alsmede criteria op te stellen die nodig zijn voor de beoordeling van de effecten van hydrofracturering op grondwaterreservoirs in verschillende geologische formaties, waaronder mogelijke lekkage en cumulatieve effecten;

7.

verzoekt de Commissie om een EU-breed kader voor risicobeheer in te voeren voor de exploratie of winning van onconventionele fossiele brandstoffen, opdat de bepalingen voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu binnen alle lidstaten worden geharmoniseerd;

8.

verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten en de bevoegde toezichthouders de ontwikkelingen op dit vlak nauwlettend te volgen en de noodzakelijke maatregelen te treffen om de bestaande communautaire milieuwetgeving aan te vullen en uit te breiden;

9.

merkt op dat methaan een krachtig broeikasgas is, waarvan de emissies volledig dienen te worden gereguleerd overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG of Beschikking 406/2009/EG (de „beschikking over het delen van de inspanningen”);

10.

benadrukt dat de doeltreffendheid van de regelgeving met betrekking tot de opsporing en de winning van onconventionele fossiele brandstoffen — in volledige overeenstemming met de bestaande EU-wetgeving — uiteindelijk afhankelijk is van de bereidheid en de middelen van de desbetreffende nationale autoriteiten; verzoekt de lidstaten daarom te zorgen voor voldoende personeel en technische capaciteiten voor het monitoren, inspecteren en handhaven van de toegestane werkzaamheden, waaronder afdoende scholing voor het personeel van de desbetreffende nationale instanties;

11.

wijst op het belang van het reeds door gerenommeerde instellingen als het Internationaal Energieagentschap (IEA) uitgevoerde werk, zijnde richtsnoeren voor beste praktijken inzake de regulering van onconventioneel gas en hydrofracturering;

12.

pleit voor de ontwikkeling van een omvattende lijst met Europese beste beschikbare technieken voor fracking op basis van goed wetenschappelijke vakmanschap;

13.

verzoekt de nationale autoriteiten die toestemming hebben verleend voor de exploratie van onconventionele fossiele brandstoffen, de bestaande nationale wetgeving voor het slaan van putten voor de winning van conventionele brandstoffen aan een analyse te onderwerpen en de onderdelen daarvan die tevens specifiek verband houden met de winning van onconventionele fossiele brandstoffen te actualiseren;

14.

onderkent dat de sector zelf in de allereerste plaats verantwoordelijk is voor de preventie van en effectieve reactie op ongevallen; vraagt de Commissie te overwegen activiteiten met betrekking tot hydrofracturering op te nemen in bijlage III van de richtlijn betreffende milieuaansprakelijkheid en verzoekt de relevante autoriteiten voldoende financiële garanties te eisen van betrokken partijen voor de aansprakelijkheid voor het milieu en de burgers voor het reageren op ongevallen of onbedoelde negatieve effecten die het gevolg zijn van eigen of aan anderen opgedragen activiteiten; is van mening dat in geval van milieuvervuiling het principe „de vervuiler betaalt” moet worden toegepast; is in dit verband ingenomen met de vooruitgang die de bedrijfstak geboekt heeft bij de invoering van hoge milieu- en veiligheidsnormen; benadrukt het grote belang van toezicht op de naleving daarvan middels regelmatige inspecties door goed opgeleide en onafhankelijke specialisten;

15.

verzoekt de energiebedrijven actief op het gebied van de winning van onconventionele fossiele brandstoffen om te investeren in onderzoek naar het verbeteren van de milieuprestaties van de technologieën voor de winning van onconventionele fossiele brandstoffen; spoort ondernemingen en academische instellingen binnen de Europese Unie aan om de daartoe benodigde gezamenlijke O&O-programma's op te stellen en de kennis over veiligheid en risico's van de exploratie en winning van onconventionele fossiele brandstoffen zo te vergroten;

16.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten nogmaals op aan, vervat in zijn resolutie van 15 maart 2012 over een routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050, zich te blijven inzetten voor een snellere tenuitvoerlegging van het akkoord van de G20 om subsidies voor fossiele brandstoffen af te bouwen; is van mening dat de exploratie en exploitatie van bronnen voor fossiele brandstoffen, met inbegrip van niet-conventionele bronnen, niet mogen worden gesubsidieerd met publieke middelen;

17.

is van mening dat wederzijdse geheimhoudingsovereenkomsten met betrekking tot de schade aan het milieu of de gezondheid van mens of dier, zoals die welke in de Verenigde Staten zijn gesloten tussen eigenaren van land in de buurt van schaliegasputten en exploitanten van schaliegas, niet in overeenstemming zouden zijn met de verplichtingen van de EU en de lidstaten krachtens het Verdrag van Aarhus, de richtlijn toegang tot milieu-informatie (2003/4/EG) en de richtlijn betreffende milieuaansprakelijkheid;

De milieuaspecten van hydrofracturering

18.

onderkent dat schaliegasexploratie en -winning kan resulteren in complexe interacties met het omringende milieu, met name als gevolg van de gebruikte hydraulische fractureringstechnieken, de samenstelling van de fractureringsvloeistoffen, de diepte en bouw van de putten en de omvang van het aangetaste landoppervlak;

19.

onderkent dat de wijze van winning afhankelijk is van het specifieke soort gesteente op de plaats van winning; pleit ervoor de analyse van de uitgangssituatie van het grondwater en de geologische analyse van de diepe en ondiepe aardlagen van mogelijke winningplaatsen van schaalolie en/of -gas verplicht te stellen voordat een vergunning wordt verleend, waarbij tevens rekening wordt gehouden met informatie over mijnactiviteiten in het gebied in het heden of verleden;

20.

benadrukt het belang van wetenschappelijke studies met betrekking tot de langetermijngevolgen voor de volksgezondheid van door fractureren veroorzaakte luchtverontreiniging en vervuiling van water;

21.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de voorschriften met betrekking tot de beoordeling van de invloed van de winning op het milieu daadwerkelijk in de wetgeving van de lidstaten worden opgenomen; benadrukt tegelijkertijd dat iedere beoordeling van de invloed in een open en transparant proces dient plaats te vinden;

22.

brengt in herinnering dat in de op 12 december 2011 door DG Milieu van de Commissie uitgebrachte richtsnoerennota inzake de toepassing van Richtlijn 85/337/EEG op projecten voor de exploratie en winning van onconventionele koolwaterstoffen (ref. Ares (2011)1339393) wordt bevestigd dat Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, zoals gewijzigd en gecodificeerd bij Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (welke bekend staat als de richtlijn milieueffectrapportage of MER-richtlijn) ook van toepassing is op de exploratie en winning van onconventionele koolwaterstoffen; wijst er voorts op dat alle toegepaste hydraulische fractureringstechnieken deel uitmaken van de algemene conventionele en onconventionele koolwaterstofexploratie- en winningsactiviteiten die vallen onder de bovenvermelde EU-milieuwetgeving en onder Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen;

23.

verzoekt de Commissie om met voorstellen te komen om ervoor te zorgen dat de bepalingen van de richtlijn milieueffectrapportage ook betrekking hebben op de specifieke aspecten van de exploratie en de winning van schaliegas, schalieolie en methaan uit kolenlagen; dringt erop aan dat de effecten gedurende de gehele levenscyclus op de lucht-, bodem- en waterkwaliteit, de geologische stabiliteit, het landgebruik en de geluidshinder in de voorafgaande milieueffectbeoordeling zijn opgenomen;

24.

pleit ervoor om projecten waarbij hydrofracturering wordt toegepast, op te nemen in bijlage I van de richtlijn milieueffectrapportage;

25.

merkt op dat er een risico op aardschokken bestaat, zoals aangetoond door de exploratie van schaliegas in noordwest Engeland; steunt de aanbevelingen uit het in opdracht van de regering van het Verenigd Koninkrijk opgestelde rapport dat van exploitanten moet worden verlangd dat zij voldoen aan bepaalde seismische en microseismische normen;

26.

herinnert eraan dat de duurzaamheid van schaliegas nog steeds niet is bewezen; roept de Commissie en de lidstaten op de uitstoot van broeikasgassen tijdens het gehele winnings- en productieproces grondig te onderzoeken, teneinde de milieu-integriteit aan te tonen;

27.

acht het in het kader van de aansprakelijkheid passend om voor exploitanten van schaliegas de bewijslast om te keren wanneer, gezien de aard van de verstoring en de negatieve effecten daarvan, andere mogelijke oorzaken en andere mogelijke omstandigheden, de exploratie en/of winning van schaliegas waarschijnlijk de oorzaak van de milieuschade is;

28.

verzoekt de Commissie om met voorstellen te komen om frackingvloeistoffen expliciet in bijlage III van de Europese richtlijn betreffende afval (2008/98/EG) op te nemen als „gevaarlijk afval”;

29.

is zich bewust van de grote hoeveelheid water die nodig is voor hydrofracturering, rekening houdend met het feit dat water een bijzonder gevoelige hulpbron is in de EU; acht het van groot belang dat er op basis van de lokale waterhuishouding watervoorzieningsplannen worden opgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met plaatselijke waterreserves, de noden van andere plaatselijke watergebruikers en de capaciteiten voor de behandeling van afvalwater;

30.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de geldende Europese milieunormen, in het bijzonder wat betreft het bij hydrofracturering gebruikte water, volledig in acht worden genomen en dat schendingen hiervan op passende wijze worden bestraft;

31.

herinnert eraan dat de kaderrichtlijn water de lidstaten verplicht alle noodzakelijke maatregelen te treffen om de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen, onder meer van puntbronnen, zoals de exploratie en winning van koolwaterstoffen;

32.

roept de sector er — in transparante samenwerking met de nationale wetgevingsinstanties, milieugroeperingen en gemeenschappen — toe op maatregelen te nemen om verslechtering van de kwaliteit van de betrokken grondwaterlichamen te voorkomen, en aldus een goede grondwatertoestand te handhaven, zoals gedefinieerd in de kaderrichtlijn water en de grondwaterrichtlijn;

33.

erkent dat hydrofracturering plaatsvindt ver beneden watervoerende grondlagen; is daarom van mening dat, aangezien de booractiviteiten drinkwaterreserves doorkruisen, de belangrijkste zorg met betrekking tot de vervuiling van grondwater vaak de boorputintegriteit is, m.a.w. de kwaliteit van de binnenbekleding en het cementwerk en de resistentie tegen de hoge druk van de geïnjecteerde vloeistof en de lichte aardschokken;

34.

eist dat een algeheel verbod wordt ingesteld op hydrofracturering in bepaalde gevoelige en bijzonder bedreigde gebieden, zoals in en onder vastgestelde beschermde drinkwaterwingebieden en in steenkoolwinningsgebieden;

35.

benadrukt dat doeltreffende preventie staat of valt met consistent toezicht op de strikte naleving van de hoogste normen en de strikte toepassing van de meest geavanceerde technologieën op het gebied van het slaan en onderhoud van winningputten; is van mening dat verslagen over de putafwerking door de exploitanten moeten worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteiten; onderstreept dat zowel het bedrijfsleven als de bevoegde autoriteiten in alle stadia regelmatige kwaliteitscontroles moeten uitvoeren om na te gaan of de binnenbekleding en het cementwerk nog ongeschonden zijn, alsook basismonsterafnames van grondwater, in nauwe samenwerking met drinkwaterbedrijven, om de kwaliteit van het drinkwater na te gaan; wijst erop dat hiervoor veel mankracht en technische expertise nodig zijn op alle niveaus;

36.

verzoekt de Commissie onverwijld met richtsnoeren te komen voor de vaststelling van zowel de basisgegevens voor de controle op de waterkwaliteit die nodig zijn voor het opmaken van een milieueffectbeoordeling van de exploratie en winning van schaliegas als de criteria die worden gebruikt ter beoordeling van de effecten van hydraulische fracturering op grondwaterreservoirs in verschillende geologische formaties, waaronder potentiële lekkages en cumulatieve effecten;

37.

pleit voor gezamenlijk door exploitanten, toezichthouders en hulpverleningsdiensten op te stellen gestandaardiseerde noodplannen, alsook voor de oprichting van gespecialiseerde calamiteitenteams;

38.

is van mening dat gesloten waterrecyclingsystemen met stalen opslagtanks op het terrein van de winningplaats zelf milieutechnisch de beste afvalwaterzuiveringsmethode vormen omdat de hoeveelheid verbruikt water, de kans op oppervlaktevervuiling en de kosten/verkeersstroom/schade aan wegen in verband met het vervoer van te zuiveren water hiermee worden geminimaliseerd; is van mening dat deze vorm van recyclage zoveel mogelijk dient te worden toegepast; verwerpt de injectie van terugvloeiend, voor verwijdering bestemd afvalwater in geologische formaties, in overeenstemming met de kaderrichtlijn water;

39.

pleit voor een strikte toepassing van de bestaande normen op het gebied van waterzuivering en tenuitvoerlegging van bindende waterbeheersplannen door exploitanten in samenwerking met de drinkwaterbedrijven en de bevoegde autoriteiten; benadrukt echter dat de bestaande zuiveringsinstallaties niet goed zijn toegerust om afvalwater van hydrofracturering te zuiveren en mogelijk verontreinigende stoffen in rivieren en stromen lozen; is in dit verband van mening dat de bevoegde autoriteiten een volledige beoordeling van alle relevante waterzuiveringsinstallaties in de betrokken lidstaten moeten uitvoeren;

40.

benadrukt dat tussen boorputten en waterputten een minimale veiligheidsafstand moet worden aangehouden;

41.

meent dat veel van de huidige geschillen over onconventionele fossiele brandstoffen deels het gevolg zijn van de aanvankelijke weigering van de industrie om de chemische samenstelling van fractureringsvloeistoffen bekend te maken; blijft erbij dat volledige transparantie nodig is, met een verplichting voor alle exploitanten om de chemische samenstelling en concentratie van fractureringsvloeistoffen bekend te maken en de bestaande EU-wetgeving, met name de REACH-verordening, volledig na te leven;

42.

is van mening dat wederzijdse geheimhoudingsovereenkomsten met betrekking tot de schade aan het milieu of de gezondheid van mens of dier, zoals die welke in de Verenigde Staten zijn gesloten tussen eigenaren van land in de buurt van schaliegasputten en exploitanten van schaliegas, niet in overeenstemming zouden zijn met de verplichtingen van de EU en de lidstaten krachtens het Verdrag van Aarhus, de richtlijn toegang van het publiek tot milieu-informatie (2003/4/EG) en de richtlijn betreffende milieuaansprakelijkheid;

43.

merkt op dat er minder beslag gelegd wordt op land en het landschap minder wordt aangetast wanneer er op één enkel punt telkens meerdere horizontale boorputten de grond in gaan;

44.

merkt op dat de productievolumes van schaliegasputten in de Verenigde Staten na de eerste twee jaar een scherpe daling laten zien, wat veel doorlopende booractiviteiten voor nieuwe putten tot gevolg heeft; merkt op dat er door de opslagtanks, de compressorstations en de infrastructuur van de pijpleidingen nog meer veranderingen in het landgebruik ten gevolge van de schaliegasactiviteiten plaatsvinden;

45.

verzoekt de lidstaten die besluiten tot de winning van schaliegas- of andere onconventionele fossiele brandstoffen de Commissie een nationaal plan toe te zenden waarin nauwkeurig wordt beschreven op welke wijze de exploitatie van deze reserves binnen de nationale emissiereductiedoelstellingen in het kader van de EU-beschikking inzake de verdeling van de emissiereductie-inspanningen past;

46.

erkent dat voortdurende technologische verbeteringen op het gebied van hydrofracturering en horizontale boringen de veiligheid van onconventionele fossiele brandstoffen kunnen verbeteren en de mogelijke gevolgen voor het milieu kunnen beperken; moedigt de industrie aan te blijven streven naar verbetering van de technologie en de beste technologische oplossingen te gebruiken bij de ontwikkeling van onconventionele fossiele brandstofbronnen;

47.

verzoekt de bevoegde nationale geologische onderzoeksdiensten vergelijkende seismische controles uit te voeren in gebieden waar veel aardbevingen voorkomen en waar vergunningen zijn verleend voor de winning van schaliegas, ten einde de natuurlijke aardbevingsgevoeligheid vast te stellen en het mogelijk te maken de kans op en de potentiële gevolgen van veroorzaakte aardbevingen te beoordelen;

48.

wijst erop dat als een vergelijking van de broeikasgasbalans voor de levenscycli van schaliegas en steenkool ten gunste is van de eerstgenoemde, dit afhankelijk is van een veronderstelde atmosferische levensduur van honderd jaar; is van mening dat onderzoek over een kortere periode, bijvoorbeeld 20 jaar, geschikter zou zijn omdat de wereldwijde uitstoot in 2020 zijn hoogtepunt moet bereiken; pleit voor nader wetenschappelijk onderzoek naar emissies van ontsnapt methaan teneinde dergelijke emissies in het kader van de rapportage van jaarlijkse inventarislijsten en doelen door de lidstaten in het kader van de EU-beschikking inzake de verdeling van de emissiereductie-inspanningen beter te kunnen verklaren;

49.

dringt er bij de Commissie op aan met wetsvoorstellen te komen om het gebruik van afwerkingsverbrandingsinstallaties („groene afwerking”) verplicht te stellen voor alle schaliegasputten in de EU, om enkel een beroep te doen op affakkelen bij bezorgdheid over de veiligheid en om het laten ontsnappen van schaliegas voor alle putten in zijn geheel te verbieden, in een poging om de uitstoot van ontsnapt methaan en vluchtige organische stoffen die verband houden met schaliegas terug te dringen;

Participatie van het publiek en plaatselijke omstandigheden

50.

onderkent dat booractiviteiten ten koste kunnen gaan van de kwaliteit van de leefomgeving; pleit er daarom voor dat met dit vraagstuk rekening wordt gehouden bij het verlenen van de nodige exploratie- en exploitatievergunningen voor koolwaterstoffen, en dat alle mogelijke maatregelen worden genomen, met name door de sector door de toepassing van beste beschikbare technieken, en door openbare autoriteiten door de toepassing van strenge regelingen, ter minimalisering van de negatieve gevolgen van dergelijke activiteiten;

51.

roept de industrie op om de plaatselijke gemeenschappen bij de activiteiten te betrekken en gemeenschappelijke oplossingen te bespreken teneinde de gevolgen van de winning van schaliegas voor het verkeer, de kwaliteit van de wegen en het lawaai op de plaatsen waar de winningsactiviteiten worden uitgevoerd, tot een minimum te beperken;

52.

vraagt de lidstaten om de plaatselijke gemeenschappen volledig te informeren en bij het proces te betrekken, met name bij behandeling van de vergunningaanvragen voor exploratie en exploitatie; vraagt met name onbegrensde toegang tot milieueffectrapportages en onderzoek naar de volksgezondheid en de plaatselijke economie;

53.

is van mening dat de bevolking bij de winningactiviteiten betrokken moet worden door deze voorafgaand aan elke exploratie- en exploitatiefase goed voor te lichten en te raadplegen; pleit aldus voor grotere transparantie met betrekking tot de effecten en de gebruikte chemische stoffen en technologieën, alsook voor grotere transparantie bij alle inspecties en controlemaatregelen, opdat het publiek kan overzien wat die winning concreet betekent en het meer vertrouwen heeft in de regulering ervan;

54.

erkent dat een betere uitwisseling van informatie tussen de industrie, toezichthouders en het publiek nodig is om alle vraagstukken die verband houden met de onconventionele fossiele brandstoffen aan de orde te stellen;

55.

is wat dit betreft ingenomen met het feit dat de EU-begroting voor 2012 voorziet in financiering van een dergelijke dialoog met het publiek en wil de lidstaten vragen gebruik te maken van dit geld om ervoor te zorgen dat mensen woonachtig in gebieden waar er in de toekomst mogelijk onconventionele fossiele brandstoffen gewonnen zullen worden, beter worden geïnformeerd en effectief kunnen deelnemen aan de besluitvorming binnen hun plaatselijke en nationale bestuursstructuren;

Internationale aspecten

56.

is van mening dat het gebruik van schaliegas en andere fossiele brandstoffen in overeenstemming moet zijn met artikel 2 van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), waarin wordt aangedrongen op „een stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarop gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen”, en onderstreept dat deze internationale doelstelling onhaalbaar zou worden indien op grote schaal een onomkeerbare keuze wordt gemaakt ten gunste van infrastructuur voor fossiele brandstoffen als schaliegas („lock-in”);

57.

wijst erop dat de uitstoot van ontsnapt methaan aanzienlijk zal toenemen als gevolg van de wereldwijde uitbreiding van de exploratie en productie van schaliegas, en constateert dat het algehele broeikaspotentieel („Greenhouse Warming Potential” — GWP) van schaliegas tot dusver niet is geëvalueerd; wijst er daarom met nadruk op dat de exploitatie van niet-conventionele olie- en gasbronnen het bereiken van het millenniumdoel 7 van de VN inzake ecologische duurzaamheid kan belemmeren en de meest recente internationale klimaatverbintenissen van het Akkoord van Kopenhagen kan ondermijnen; merkt op dat nu al de arme landen het meest worden getroffen door de klimaatverandering; benadrukt voorts dat de winning van onconventioneel gas en onconventionele olie niet alleen rechtstreekse gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu heeft maar ook een bedreiging vormt voor de bestaanszekerheid van lokale gemeenschappen, met name in Afrikaanse landen, die grotendeels afhankelijk zijn van natuurlijke hulpbronnen voor landbouw en visserij;

58.

wijst er met klem op dat lering moet worden getrokken uit de ervaringen van de VS inzake de exploitatie van schaliegas; constateert met grote bezorgdheid dat voor de winning van schaliegas zeer grote hoeveelheden water nodig zijn, waardoor het moeilijk wordt de millenniumdoelen (nr. 7) inzake toegang tot schoon water en voedselzekerheid te halen, met name in arme landen die nu reeds met een enorm watertekort kampen;

59.

benadrukt dat landverwerving voor olie- en gaswinning een van de belangrijkste drijfveren is voor het inpikken van land in ontwikkelingslanden en een grote bedreiging vormt voor inheemse gemeenschappen, boeren en armen wat betreft toegang tot water, vruchtbare grond en voedsel; constateert dat de investeringen van hedge- en pensioenfondsen in de winningsindustrie sinds de ineenstorting van de financiële markten in 2008 wereldwijd een grote vlucht hebben genomen, zodat de winningsactiviteiten verder worden opgevoerd; onderstreept derhalve dat alle Europese economische actoren steeds transparant en in nauw overleg met alle betrokken overheidsinstanties en lokale gemeenschappen moeten optreden als het om het pachten of verwerven van land gaat;

60.

merkt op dat het onduidelijk is of het huidige regelgevingskader van de EU-wetgeving een passende waarborg biedt tegen de risico's voor het milieu en de volksgezondheid als gevolg van schaliegasactiviteiten en dat de Commissie derhalve een reeks studies uitvoert, waarvan de resultaten in de loop van dit jaar worden verwacht; is van mening dat uit deze studies over de exploitatie van schaliegas lering moet worden getrokken en desbetreffende aanbevelingen volledig in aanmerking worden genomen door Europese bedrijven in ontwikkelingslanden; is bezorgd over de gevolgen van de activiteiten van oliemaatschappijen voor het milieu, de volksgezondheid en de ontwikkeling, in het bijzonder in Afrika ten zuiden van de Sahara, gezien de beperkte capaciteit in bepaalde landen om wetgeving inzake milieu en bescherming van de volksgezondheid uit te voeren en te handhaven; verklaart voorts dat Europese ondernemingen overal waar zij actief zijn normen voor verantwoorde bedrijfspraktijken dienen te hanteren;

61.

is bezorgd over potentiële investeringen door Europese bedrijven in niet-conventionele olie- of gasbronnen in ontwikkelingslanden;

62.

benadrukt tevens dat de EU de in artikel 208 VWEU vastgelegde verplichting tot het voeren van een samenhangend ontwikkelingsbeleid moet nakomen; is van mening dat gezien het feit dat de EU fungeert als gastland voor bedrijven die investeren in winningsactiviteiten, zij invloed moet uitoefenen op hun gedrag om duurzamere praktijken te stimuleren, bijvoorbeeld door aanscherping van de normen inzake corporate governance en van de regelgeving voor banken en fondsen die hen financieren, onder meer via de „Equator Principles”, de VN-beginselen inzake verantwoord beleggen, en de regels van de Europese Investeringsbank en het Comité van Bazel voor het bankentoezicht;

63.

herinnert eraan dat internationale oliemaatschappijen niet alleen zijn onderworpen aan de regelgeving van de landen waar zij actief zijn, maar ook aan het recht van de landen waar zij op de beurs genoteerd staan; is van mening dat de regelgeving van het land van herkomst in doeltreffende instrumenten moet voorzien ter bescherming van de mensenrechten in situaties waarin sprake is van lacunes met betrekking tot de verantwoordingsplicht, naar het voorbeeld van de Alien Tort Claims Act van de Verenigde Staten;

64.

merkt op dat er veel instrumenten bestaan waarmee de negatieve sociale en ecologische effecten van de activiteiten van winningsindustrieën kunnen worden aangepakt, zoals het Global Reporting Initiative, het VN „Global Compact”-initiatief en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen; wijst er echter op dat vrijwillige richtlijnen onvoldoende zijn om het negatieve effect van winning te beperken;

65.

merkt op dat de Europese jaarrekeningen- en transparantierichtlijnen momenteel aan een herziening worden onderworpen, wat een goede gelegenheid biedt om belastingontwijking en corruptie door winningsindustrieën tegen te gaan;

66.

dringt er bij de Commissie op aan om nieuwe opties te zoeken voor aanscherping van de normen voor de verantwoordelijkheden van transnationale ondernemingen met betrekking tot sociale en milieurechten en voor de mogelijke wijze van toepassing van deze normen;

67.

is bezorgd dat sommige bedrijven die actief zijn op het gebied van onconventionele olie- en gaswinning in andere delen van de wereld andere veiligheidsnormen hanteren; dringt er bij de lidstaten op aan om ondernemingen met hoofdzetel in de EU te verplichten om bij al hun activiteiten wereldwijd Europese normen toe te passen;

o

o o

68.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 164 van 30.6.1994, blz. 3.

(2)  PB L 348 van 28.11.1992, blz. 9.

(3)  PB L 102 van 11.4.2006, blz. 15.

(4)  PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

(5)  PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1.

(6)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

(7)  PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17.

(8)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

(9)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.

(10)  PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.

(11)  PB L 372 van 27.12.2006, blz. 12.

(12)  PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.

(13)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136.

(14)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(15)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.

(16)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(17)  PB L 10 van 14.1.1997, blz. 13.

(18)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0366.

(19)  TREN/R1/350-2008 lot 1, http://ec.europa.eu/energy/studies/doc/2012_unconventional_gas_in_europe.pdf.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/87


P7_TA(2012)0444

De industriële, energie- en andere aspecten van schaliegas en schalieolie

Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over industriële, energetische en andere aspecten van schaliegas en -olie (2011/2309(INI))

(2015/C 419/13)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 194, waarin wordt gesteld dat de toepassing van de bepalingen van dit artikel ter vaststelling van Uniemaatregelen op het gebied van energie onder meer de toepassing van andere bepalingen van de Verdragen onverlet laat, inclusief in het bijzonder artikel 192, lid 2,

gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over een nieuwe energiestrategie voor Europa 2011-2020 (1),

gezien zijn resolutie van 29 september 2011 over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk EU-standpunt voorafgaande aan de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling (Rio+20) (2),

gezien Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen (3),

gezien Verordening (EU) nr. 994/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende intrekking van Richtlijn 2004/67/EG van de Raad (4),

gezien de milieuwetgeving van de EU voor zover deze van belang is voor de ontwikkeling van schaliegas, waaronder: Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (5); Richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (6); Richtlijn 2006/21/EG betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (7); Richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (8); Verordening (EG) nr. 1907/2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (9); Richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden (10); Richtlijn 96/82/EG betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (11); Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (12); Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (13); Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (14); en Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (15),

gezien de conclusies van de Europese Raad van 4 februari 2011,

gezien de conclusies van de Raad van 24 november 2011 met betrekking tot de versterking van de externe dimensie van het energiebeleid van de EU,

gezien de mededeling van de Commissie over het Stappenplan Energie 2050 (16),

gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en houdende intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG (17),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A7-0284/2012),

A.

overwegende dat volgens schattingen van het Internationaal Energie Agentschap de mondiale liquefactiecapaciteit zal toenemen van 380 miljard kubieke meter (m3) in 2011 tot 540 m3 in 2020;

B.

overwegende dat de lidstaten op grond van de EU-verdragen het recht hebben hun eigen energiemix te bepalen;

C.

overwegende dat de ontwikkeling van schaliegas aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de aardgasmarkt voor wat betreft de dynamiek en de prijzen, alsook voor de opwekking van elektriciteit;

D.

overwegende dat chemicaliën die voor hydrofracturering worden gebruikt moeten worden geregistreerd bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen, en niet kunnen worden goedgekeurd tenzij is vastgesteld dat zij niet schadelijk zijn voor het milieu of dat deze schade beperkt blijft (overeenkomstig de verordening inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH-verordening));

E.

overwegende dat onconventionele vormen van gas zoals uit laagpermeabel gesteente gewonnen gas, schaliegas en kolenlaagmethaangas reeds meer dan de helft van de gasproductie in de VS uitmaken, waarbij schaliegas de grootste stijging laat zien;

F.

overwegende dat in Estland reeds olie uit olieschalie wordt geproduceerd en dat er exploraties met betrekking tot olie uit schalieformaties hebben plaatsgevonden in het bekken van Parijs;

Energieaspecten

Mogelijke bronnen

1.

merkt op dat er verschillende schattingen met betrekking tot schaliegasbronnen in Europa zijn gemaakt, onder andere door de Amerikaanse Energy Information Administration en door het Internationaal Energieagentschap (IEA), en dat diverse lidstaten over reserves beschikken; erkent dat deze schattingen weliswaar van nature onnauwkeurig zijn, maar dat zij wijzen op het bestaan van een mogelijk belangrijke inheemse energiebron, waarvan de winning evenwel wellicht niet in alle gevallen economisch haalbaar is; wijst er op dat sommige lidstaten over schalieoliereserves beschikken en dat er nog op bredere schaal onderzoek moet worden gedaan naar andere bronnen van onconventionele olie;

2.

is van mening dat beleidsmakers over nauwkeurigere, actuelere en uitgebreidere wetenschappelijke gegevens zouden moeten beschikken, teneinde hen in staat te stellen weloverwogen keuzes te maken; deelt derhalve de mening van de Europese Raad dat het Europese potentieel voor een duurzame winning en een duurzaam gebruik van schaliegas- en schalieoliebronnen die de beschikbaarheid en kwaliteit van waterbronnen niet in gevaar brengen, beoordeeld en in kaart gebracht zou moeten worden, teneinde de continuïteit van de voorziening te kunnen verbeteren; verwelkomt de door de lidstaten gemaakte beoordelingen en moedigt hen aan hun desbetreffende werkzaamheden voort te zetten, en verzoekt de Commissie om bij te dragen aan de beoordeling van het potentieel van schaliegas- en schalieoliereserves in de EU door de resultaten te verzamelen van de beoordelingen door de lidstaten en de beschikbare resultaten van verkenningsprojecten, alsook door het analyseren en evalueren van de industriële, economische, energie-, milieu- en gezondheidsaspecten van interne schaliegasproductie;

Energiemarkten

3.

wijst erop dat het toenemende gebruik van schaliegas in de VS reeds een aanzienlijk positief effect heeft gehad op de aardgasmarkt en op de gas- en elektriciteitsprijzen, in het bijzonder omdat vloeibaar aardgas dat oorspronkelijk was bestemd voor de Amerikaanse markt elders wordt gebruikt; merkt op dat de Amerikaanse spotmarktprijzen een historisch laagterecord hebben bereikt, hetgeen het prijsverschil tussen de VS en Europa — dat aan langetermijnovereenkomsten is gebonden — nog doet toenemen en van invloed is op het concurrentievermogen van de Europese economie en het Europese bedrijfsleven;

4.

merkt op dat de binnenlandse productie in de VS volgens prognoses van de Amerikaanse Energy Information Administration tegen 2035 46 % van de gasvoorziening zal uitmaken;

5.

wijst erop dat de gasprijzen in de VS nog steeds dalen, hetgeen de EU voor bijkomende uitdagingen op het vlak van de concurrentie plaatst;

6.

merkt op dat aangezien de gasmarkt steeds mondialer wordt en een steeds grotere onderlinge verwevenheid vertoont, de ontwikkeling van schaliegas de wereldwijde concurrentie op de gasmarkt zal doen toenemen en derhalve van grote invloed zal blijven op de prijzen; wijst erop dat schaliegas zal helpen de positie van consumenten ten opzichte van gasleveranciers te versterken en daarom zou moeten leiden tot lagere prijzen;

7.

merkt evenwel op dat voor de aanleg van alle vereiste infrastructuur in verband met boringen, opslag, vervoer en het opwerken van gas en de fracvloeistof forse investeringen nodig zijn die volledig ten laste moeten komen van de sector;

8.

roept de Commissie op om, in het licht van de evolutie van de gasmarkt en de toename van op netwerkknooppunten gebaseerde prijzen (hub-based pricing) in Europa, het mogelijke effect van wereldwijde schaliegasontwikkeling op de markt voor vloeibaar aardgas en de opheffing van mogelijke restricties op de wereldhandel in vloeibaar aardgas aan de orde te stellen op de volgende ontmoeting van de Energieraad EU-VS;

9.

benadrukt dat op EU-niveau met betrekking tot oplossingen op het gebied van de energiemix het subsidiariteitsbeginsel geldt voor de exploratie en/of winning van schaliegas; merkt echter op dat schaliegasexploratie een grensoverschrijdende dimensie kan hebben, met name wanneer boringen worden verricht bij een landsgrens met een andere lidstaat of wanneer deze een nadelige invloed hebben op het grondwater, de lucht of bodem van meerdere landen; dringt aan op volledige openbaarmaking van alle technische en milieuvraagstukken in verband met schaliegasexploratie, alsook op passende samenwerking met alle belanghebbenden voor en ten tijde van concessies;

10.

merkt op dat de wereldwijde consumptie van aardgas momenteel toeneemt en dat Europa nog steeds tot de regio's met de hoogste behoefte aan gasinvoer behoort; wijst erop dat de interne gasproductie in Europa volgens prognoses van het Internationaal Energieagentschap zal dalen en dat de vraag zal stijgen, waardoor de invoer tegen 2035 tot ongeveer 450 miljard kubieke meter zal toenemen; erkent daarom dat de wereldwijde schaliegasproductie een belangrijke rol speelt bij het waarborgen van de energiezekerheid en de diversiteit van energiebronnen en -leveranciers op de middellange en lange termijn; is zich ervan bewust dat de binnenlandse schaliegasproductie sommige lidstaten een mogelijkheid biedt om hun aardgasvoorziening verder te diversifiëren, rekening houdend met de afhankelijkheid van lidstaten van de invoer van gas uit derde landen; erkent dat ten gevolge van de toenemende productie van schaliegas in de VS nu meer LNG-voorraden beschikbaar zijn voor Europa, en dat een combinatie van een grotere binnenlandse aardgasvoorziening en een grotere beschikbaarheid van LNG aantrekkelijke mogelijkheden biedt voor de diversifiëring van de gasvoorziening;

11.

benadrukt evenwel dat het cruciaal is om andere maatregelen inzake de continuïteit van de voorziening te nemen en op dit gebied een ander beleid te voeren met langetermijnperspectieven, zoals een aanzienlijk groter gebruik van hernieuwbare energiebronnen en verbetering van de energie-efficiëntie en de energiebesparingen, en tegelijkertijd te zorgen voor toereikende infrastructuur- en opslagfaciliteiten, gasvoorzieningen en doorvoerroutes te diversifiëren en betrouwbare partnerschappen met leverende, doorvoer- en verbruikende landen op te bouwen op basis van transparantie, wederzijds vertrouwen en niet-discriminatie, overeenkomstig de beginselen van het Energiehandvest en het derde energiepakket van de EU;

12.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om voor het einde van 2013 met een analyse te komen van de toekomstige ontwikkeling van de mondiale en Europese gasmarkt, waarin ook aandacht moet worden besteed aan de gevolgen van reeds geplande gasinfrastructuurprojecten (zoals de projecten in het kader van de zuidelijke corridor), nieuwe LNG-terminals, de gevolgen van schaliegaswinning voor de Amerikaanse gasmarkt (vooral wat betreft de importbehoefte aan LNG), en de gevolgen van eventuele schaliegasontwikkelingen in de EU voor de continuïteit van de gasvoorziening en de prijsstabiliteit in de toekomst; is van mening dat de beoogde analyse de huidige stand van de infrastructuurontwikkeling en de CO2-doelstellingen van de EU voor 2020 moet weerspiegelen en deze als uitgangspunt moet nemen; onderstreept dat alle belanghebbende partijen hierbij moeten worden geraadpleegd;

13.

benadrukt dat een volledig functionerende, onderling verbonden en geïntegreerde interne Europese energiemarkt eveneens essentieel is, onder andere met het oog op een optimale benutting van de mogelijke schaliegasproductie in de EU, die geen negatieve gevolgen mag hebben voor het milieu en de gemeenschappen in de omgeving van dit soort exploitatielocaties; roept de Commissie en de lidstaten op om deze doelstelling krachtdadig na te streven, in het bijzonder door een vlotte overgang te waarborgen evenals de toepassing van de vereisten van het derde EU-energiepakket voor de interne markt en het energie-infrastructuurpakket, teneinde de Europese groothandelsmarkten voor energie tegen 2014 te harmoniseren en volledig te liberaliseren;

Overgang naar een koolstofvrije economie

14.

is het eens met de Commissie dat gas van aanzienlijk belang zal zijn voor de transformatie van het energiesysteem, zoals vermeld in het Stappenplan Energie 2050, aangezien het een snelle, tijdelijke en kostenefficiënte manier vormt om de afhankelijkheid van andere, sterker vervuilende fossiele brandstoffen te verminderen alvorens over te stappen op volledig duurzame koolstofarme energieopwekking, en zo de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, in het bijzonder in de lidstaten die grote hoeveelheden steenkool gebruiken voor het opwekken van energie, voor zover uit de effectbeoordelingen blijkt dat het gebruik van schaliegas geen negatieve gevolgen heeft voor het milieu, en met name voor het grondwater, of voor de aangrenzende lokale gemeenschappen;

15.

dringt er bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie op aan om, gezien het gebrek aan volledige Europese gegevens over de koolstofvoetafdruk van schaliegas, zijn analyse inzake de broeikasgasemissies van schaliegaswinning en –productie tijdens de gehele levenscyclus snel te voltooien zodat daar in de toekomst naar behoren rekening mee kan worden gehouden;

16.

merkt eveneens op dat bepaalde vormen van hernieuwbare energie — bijvoorbeeld windenergie — variabel zijn en ondersteund of gecompenseerd moeten worden door betrouwbare en flexibele energietechnologieën; is van mening dat aardgas — met inbegrip van schaliegas — hiervoor een van de beschikbare opties zou kunnen zijn, naast diverse andere oplossingen zoals een groter aantal onderlinge verbindingen, een beter systeembeheer en betere controle via slimme netten op alle netwerkniveaus, energieopslag en vraagbeheersing; erkent het belang van CO2-afvang en -opslag (CCS) voor het waarborgen van de duurzaamheid op de lange termijn van gas als energiebron;

17.

verzoekt de Commissie om de besparingen van CCS voor gas te analyseren teneinde de ontwikkeling en het gebruik van deze technologie te bespoedigen; verzoekt de Commissie eveneens om te onderzoeken welke effecten CCS-technologie kan hebben op de flexibiliteit van de energieopwekking middels gas en welke ondersteunende rol zij daarom kan vervullen voor hernieuwbare energiebronnen;

18.

dringt er bij de Commissie op aan om, overeenkomstig het Stappenplan Energie 2050, de economische en milieugevolgen van en de vooruitzichten voor onconventioneel gas in de EU te beoordelen, en daarbij rekening te houden met de lessen die kunnen worden getrokken uit de Amerikaanse ervaring en regelgeving op dit gebied, en bovendien te erkennen dat de mate van onconventioneel gasgebruik in de EU uiteindelijk zal worden bepaald door de markt en de besluiten van de lidstaten die opereren binnen het kader van de EU-beleidsdoelstellingen voor de lange termijn op het gebied van klimaat en energie;

19.

roept de overheden op om een regionale beoordeling van de ondergrondse effecten op te stellen teneinde de toewijzing van middelen aan geothermische energie, schaliegas en andere ondergrondse energiebronnen te optimaliseren en op die manier de voordelen voor de maatschappij te maximaliseren;

20.

dringt er bij de Commissie op aan het Europees Milieuagentschap (EEA) te verzoeken een uitvoerige wetenschappelijke milieuanalyse op te stellen met betrekking tot de exploitatie van schaliegas en schalieolie en de mogelijke effecten van de beschikbare technieken;

Industriële en economische aspecten van onconventionele olie en gas

Industriële omgeving

21.

herinnert eraan dat de enorme toename van schaliegasproductie in de VS werd bevorderd door een gevestigde industriële omgeving, met inbegrip van voldoende boorinstallaties, de vereiste mankracht en een ervaren en goed uitgeruste dienstenindustrie; is zich ervan bewust dat het in de EU enige tijd zal duren voordat de benodigde dienstensector voldoende capaciteit heeft opgebouwd en bedrijven het vereiste materiaal en de nodige ervaring hebben vergaard, en dat dit op korte termijn waarschijnlijk ook zal leiden tot een stijging van de kosten; moedigt samenwerking aan tussen de betrokken bedrijven in de EU en de VS met het oog op de toepassing van groene afwerking, de beste beschikbare technieken en milieuvriendelijke industriële processen, terwijl ook de kosten worden verminderd; is van mening dat verwachtingen met betrekking tot het tempo van de ontwikkeling van schaliegas in de EU realistisch moeten blijven en dat eventueel mogelijke commerciële winning gaandeweg in fasen dient te verlopen om hoog- en laagconjunctuur in de economie met grote nadelige lokale effecten, te vermijden;

22.

wijst erop dat een stabiel regelgevingskader essentieel is om het juiste klimaat tot stand te brengen voor investeringen door gasbedrijven in hoognodige infrastructuur en in onderzoek en ontwikkeling, alsook om verstoringen van de markt te voorkomen;

23.

dringt er bij de lidstaten die geïnteresseerd zijn in schaliegasontwikkeling op aan om de vereiste vaardigheden op te nemen in hun reguliere onderwijs- en opleidingssystemen, teneinde de benodigde arbeidskrachten op te leiden;

24.

wijst erop dat exploratie van het schaliegas- en schalieoliepotentieel niet alleen in Europa plaatsvindt en dat er in verschillende landen en regio's in Azië, Noord-Amerika, Latijns-Amerika, Afrika en Australië, grote belangstelling bestaat voor de ontwikkeling van nieuwe olie- en gasbronnen als middel om het economische en energiegerelateerde concurrentievermogen te verbeteren; onderstreept dat het noodzakelijk is om schaliegas en -olie op te nemen in de bilaterale EU-dialoog en in partnerschappen met landen die reeds onconventionele bronnen aan het ontwikkelen zijn of die belangstelling hebben voor de ontwikkeling en/of het gebruik ervan, teneinde expertise en optimale werkwijzen uit te wisselen;

25.

beklemtoont dat het noodzakelijk is open te blijven staan voor alle nieuwe, toekomstige technologieën op het gebied van energieonderzoek; dringt aan op verder onderzoek naar en ontwikkelingsactiviteiten met betrekking tot instrumenten en technologieën, waaronder CCS, om de mogelijkheid van een duurzamere en veiligere ontwikkeling van onconventioneel gas te onderzoeken; erkent in dit verband dat technologie en innovatie in de gassector een grotere bijdrage kunnen leveren aan het vaardighedenbestand en het concurrentievermogen van de EU;

26.

neemt kennis van de technologische ontwikkelingen in Oostenrijk waar de sector voorstelt om fracvloeistoffen te gebruiken die uitsluitend water, zand en maïszetmeel bevatten; beveelt aan dat de andere lidstaten en de Commissie de mogelijkheid onderzoeken om schaliegas te winnen zonder chemicaliën te gebruiken en dringt aan op nadere onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten met betrekking tot dergelijke technieken en/of praktijken die mogelijke effecten op het milieu zouden verzachten;

27.

spoort de Commissie aan om voor alle schaliegasboorputten in de EU met aanbevelingen te komen teneinde de vluchtige methaanemissies te beperken;

Licentiekader

28.

verzoekt de lidstaten een robuust regelgevingskader te creëren en te zorgen voor de nodige middelen voor de administratie van en het toezicht op de duurzame ontwikkeling van alle aan schaliegas gerelateerde activiteiten, met inbegrip van de middelen die op grond van de milieu- en klimaatbeschermingswetgeving van de EU zijn vereist; herinnert eraan dat iedere lidstaat overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel het recht heeft zelf besluiten te nemen over de exploitatie van olie en schaliegas;

29.

merkt op dat de huidige licentieprocedure voor schaliegaswinning wordt gereguleerd door algemene mijnbouw- en koolwaterstofwetgeving; wijst erop dat het wetgevingskader van de EU, volgens het voor de Commissie opgestelde definitieve verslag over onconventioneel gas in Europa van 8 november 2011 en de door de Commissie opgestelde begeleidende nota van 26 januari 2012 betreffende het juridisch kader van de EU voor milieu dat van toepassing is op schaliegasprojecten, alle aspecten van de licentieverlening, vroege exploratie en productie in voldoende mate dekt; merkt evenwel op dat grootschalige schaliegaswinning mogelijk een veelomvattende aanpassing van alle bestaande EU-wetgeving vereist, met inbegrip van de REACH-verordening, zodat hierin de specifieke eigenschappen van de winning van onconventionele fossiele brandstoffen worden opgenomen; dringt er bij de Commissie en overheden in de lidstaten op aan om onverwijld hun regelgevingskaders te controleren en, indien nodig, te verbeteren teneinde zeker te stellen dat deze op adequate wijze zijn afgestemd op schaliegas- en schalieolieprojecten, in het bijzonder met het oog op een mogelijke toekomstige productie op commerciële schaal in Europa, alsook met het oog op de aanpak van milieurisico's;

30.

benadrukt het belang van transparantie en grondige raadpleging van het publiek, in het bijzonder in de context van de invoering van een nieuwe aanpak voor gaswinning; wijst erop dat er in bepaalde lidstaten sprake is van een gebrek aan publieke raadpleging tijdens de fase van de vergunningverlening; dringt er bij de lidstaten op aan hun wetgeving te evalueren om te zien of er naar behoren rekening wordt gehouden met dit aspect, met inbegrip van de volledige toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus en de desbetreffende bepalingen in het Unierecht;

31.

is van mening dat lidstaten die schaliegasprojecten uitvoeren een „one-stop-shop”-aanpak moeten hanteren voor de verlening van vergunningen, de licentiëring en de beoordeling van de naleving van de milieuwetgeving (met inbegrip van een verplichte milieueffectbeoordeling), wat in bepaalde lidstaten de standaardaanpak is voor alle energieprojecten;

32.

verzoekt de Commissie en de lidstaten te waarborgen dat het advies van de betrokken plaatselijke overheden verplicht moet worden ingewonnen om de wijzigingen van het juridisch kader te kunnen doorvoeren die noodzakelijk zijn om licenties te verlenen voor de exploitatie van schaliegas;

Publieke opinie en beste werkwijzen

Houding van het publiek

33.

is zich er terdege van bewust dat de houding van het publiek ten aanzien de ontwikkeling van schaliegas van lidstaat tot lidstaat verschilt en dat een negatieve houding het gevolg kan zijn van een gebrek aan informatie of verkeerde informatie; dringt aan op een verbetering van openbare informatie betreffende schaliegasoperaties die op transparante en objectieve wijze moet worden verstrekt, en ondersteunt de opzet van webportalen die toegang bieden tot een breed scala aan openbare informatie over deze operaties; dringt er bij bedrijven die overwegen schaliegas te winnen in de EU op aan om volledige informatie te verstrekken over hun activiteiten, voorafgaand aan het boren lokale gemeenschappen en overheden te raadplegen, en openbaarheid te geven over alle chemicaliën, inclusief de gehanteerde concentraties, die zij bij hydrofracturering gebruiken, op grond van de beoordeling van de schalieformatie;

34.

is van mening dat een zinvolle en tijdige betrokkenheid van lokale gemeenschappen het beste kan worden gewaarborgd via een verplichte milieueffectbeoordeling, een hoge mate van transparantie en een publieke raadpleging over voorgestelde schaliegasprojecten, ongeacht de duur en schaal van die projecten;

35.

merkt op dat het bijzonder belangrijk is dat schaliegasexploitanten in de EU zich in elke fase van hun activiteiten betrokken tonen bij en sterke relaties opbouwen met lokale gemeenschappen, gezien het feit dat de EU een hogere bevolkingsdichtheid heeft dan de VS en dat landeigenaren in Europa geen eigenaar zijn van de ondergrondse bronnen en daarom niet rechtstreeks profiteren van de gaswinning, zoals in de VS het geval is; dringt er in dit verband op aan kaders vast te stellen die concurrerend zijn voor de sector maar die tegelijkertijd nationale en lokale gemeenschappen in staat stellen van schaliegasbronnen te profiteren; roept schaliegasbedrijven tevens op om maatschappelijk verantwoorde praktijken te hanteren, ervoor te zorgen dat lokale gemeenschappen van de schaliegasontwikkeling profiteren, de toepassing van het „de vervuiler betaalt”-principe te waarborgen, en de kosten te dekken van alle directie of indirecte schade die zij wellicht veroorzaken;

36.

erkent dat er nadruk dient te worden gelegd op een transparante en open dialoog met het maatschappelijk middenveld, zowel gedurende de periode voorafgaand aan de activiteiten als in de toezichtsfase, welke is gebaseerd op beschikbare wetenschappelijke kennis en waarbij vraagstukken als gaslekken en de effecten van de exploitatie van schaliegas voor het grondwater, het landschap, landbouw en toerisme op begrijpelijke wijze aan de orde komen; herinnert eraan dat in de EU-begroting voor 2012 een toewijzing is opgenomen voor de financiering van proefprojecten en andere ondersteunende activiteiten met het oog op de bevordering van een dergelijke dialoog; is van mening dat een dergelijke dialoog op een neutrale manier moet worden georganiseerd, in nauwe samenwerking met de lidstaten, met inbegrip van de nationale autoriteiten, lokale gemeenschappen, het publiek, bedrijven en ngo's;

37.

benadrukt het belang van transparant ondernemingsbestuur bij olie- en gasmaatschappijen die betrokken zijn bij activiteiten rond schaliegas en schalieolie;

Optimale werkwijzen

38.

benadrukt dat van belang is om bij schaliegasexploratie en-productie de hoogste veiligheidsnormen, de beste beschikbare technologieën en de best functionerende methoden te hanteren, terwijl de technologieën en praktijken voortdurend moeten worden verbeterd en de nadelige effecten moeten worden geminimaliseerd; onderstreept in dit verband het belang van aanzienlijke investeringen in onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de sector; verwelkomt initiatieven van het IEA en organisaties van olie- en gasproducenten die erop zijn gericht de optimale werkwijzen met betrekking tot de exploratie en productie van schaliegas en schalieolie vast te stellen;

39.

meent dat op zorgen over de mogelijke schadelijke gevolgen van schaliegasontwikkeling voor de watervoorziening via lekken in boorputten kan worden ingesprongen door tijdens de ontwikkeling en aanleg van boorputten optimale werkwijzen toe te passen, met name bekisting, cementering en drukcontrole, samen met druktests van gecementeerde bekisting en geavanceerde „cement bond logs” (proeven ter controle van de cementhechting) om te waarborgen dat de constructie volledig is geïsoleerd; verzoekt de lidstaten om er, onder meer door middel van inspectie ter plaatse, voor te zorgen dat deze werkwijzen tijdens de schaliegasontwikkeling worden toegepast;

40.

benadrukt dat, door het ontwikkelen van betere technologieën en methoden gebaseerd op krachtige verordeningen, exploitanten en dienstverlenende bedrijven niet alleen de publieke acceptatie van schaliegasprojecten zullen verbeteren, maar dat zij tevens commerciële mogelijkheden en betere exportmogelijkheden zullen creëren, gezien de wereldwijde milieuproblematiek rond onconventionele gaswinning; beveelt de lidstaten daarom aan rekening te houden met de aanbevelingen uit het uitgebreide referentiedocument van het IEA betreffende de beste beschikbare technieken voor hydrofracturering, zodra dit document beschikbaar is;

41.

benadrukt dat het bij de aanleg van boorputten en hydrofracturering noodzakelijk is de strengst mogelijke veiligheids- en milieunormen in acht te nemen en regelmatig inspecties uit te voeren tijdens voor de veiligheid cruciale fasen; onderstreept met name dat exploitanten het affakkelen en ventileren moeten beperken, gas en vluchtige methaanemissies moeten opvangen en afvalwater moeten hergebruiken of zuiveren; dringt er bij de EU op aan het voorbeeld van de VS te volgen en op het gebied van schaliegas milieunormen voor fraccen vast te stellen waarmee bedrijven worden verplicht tot het opvangen van methaan en andere vervuilende gasemissies, zoals deze zijn ingevoerd door het Amerikaans agentschap voor milieubescherming EPA;

42.

verzoekt de schaliegasexloitanten bovendien om voor de watervoorziening gebruikte waterbronnen in de nabijheid van hun boorputten zowel vóór als tijdens de productie te testen en de resultaten van deze tests op een toegankelijke, begrijpelijke en transparante wijze bekend te maken aan het publiek;

43.

benadrukt het belang van exploitanten die gebruikt land terugwinnen en herstellen en die postoperationeel toezicht uitoefenen op de voltooiing van hun activiteiten;

44.

dringt aan op de uitwisseling van optimale werkwijzen en informatie tussen de lidstaten van de EU, maar ook tussen de EU, de VS en Canada; moedigt in het bijzonder samenwerking tussen Europese en Noord-Amerikaanse steden en gemeenten aan die schaliegas hebben ontdekt; benadrukt het belang van de overdracht van kennis betreffende schaliegasontwikkeling van de industrie naar lokale gemeenschappen;

45.

dringt bij de schaliegas- en schalieoliesector aan op eenvormige hantering van de strengste milieu- en veiligheidsnormen, waar ter wereld ondernemingen ook actief zijn; vraagt de Commissie te onderzoeken welke mechanismen geschikt zouden kunnen zijn om ervoor te zorgen dat in de EU gevestigde ondernemingen overal ter wereld volgens de strengste normen te werk gaan; is van oordeel dat verantwoord ondernemerschap eveneens een belangrijke drijfveer dient te zijn op dit gebied, en dat in de licentiestelsels van de lidstaten bij het verlenen van vergunningen rekening zou kunnen worden gehouden met incidenten in de wereld waarbij bedrijven betrokken zijn, mits over deze incidenten grondige informatie beschikbaar is;

46.

wijst erop dat het belangrijk is om activiteiten te steunen en mede te financieren die erop zijn gericht onafhankelijke platforms tot stand te brengen bestaande uit vertegenwoordigers uit de bedrijfswereld en de wetenschap, die adviezen moeten uitbrengen en optimale praktijken kunnen ontwikkelen op het vlak van schone technologieën voor de winning van schaliegas;

47.

herinnert eraan dat het „de vervuiler betaalt”-principe consistent moet worden toegepast op schaliegas- en schalieolieoperaties, met name voor wat betreft de zuivering van het afvalwater, en dat bedrijven volledig aansprakelijk moeten zijn voor directe of indirecte schade die zij mogelijk veroorzaken; dringt er bij de Commissie op aan te evalueren of er behoefte bestaat aan voorstellen om hydrofracturering en andere activiteiten rond schaliegaswinning specifiek op te nemen in de Richtlijn betreffende milieuaansprakelijkheid, en om schaliegasoperatoren ertoe te verplichten financiële zekerheden te verstrekken of verzekeringen af te sluiten in het geval van milieuschade die samenhangt met hun activiteiten, teneinde rechtszekerheid te bieden aan de betrokken bevolking;

o

o o

48.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.


(1)  PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 64.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0430.

(3)  PB L 164 van 30.6.1994, blz. 3.

(4)  PB L 295 van 12.11.2010, blz. 1.

(5)  PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40.

(6)  PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.

(7)  PB L 102 van 11.4.2006, blz. 15.

(8)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.

(9)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(10)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(11)  PB L 10 van 14.1.1997, blz. 13.

(12)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

(13)  PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17.

(14)  PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.

(15)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136.

(16)  COM(2011) 0885.

(17)  COM(2011) 0658.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/94


P7_TA(2012)0445

Activiteiten van de Commissie verzoekschriften 2011

Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over de activiteiten van de Commissie verzoekschriften 2011 (2011/2317(INI))

(2015/C 419/14)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over de beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften,

gezien de artikelen 10 en 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien de artikelen 24, 227, 228, 258 en 260 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien artikel 48 en artikel 202, lid 8, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A7-0240/2012),

A.

overwegende dat, volgens Protocol 30 bij het Verdrag, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie al juridisch bindend is geworden met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon; overwegende dat datzelfde Verdrag tevens de rechtsgrondslag vastlegt voor de toetreding van de EU tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en voor het Europees burgerinitiatief;

B.

overwegende dat de verordening inzake het Europees burgerinitiatief (1) in werking is getreden op 1 april 2012, en overwegende dat het Parlement verantwoordelijk is voor het organiseren van openbare hoorzittingen voor succesvolle initiatieven waarvoor meer dan een miljoen handtekeningen verzameld is uit minstens zeven lidstaten;

C.

overwegende dat de Commissie verzoekschriften de plicht heeft om haar rol voortdurend te evalueren en waar mogelijk te verbeteren, in het bijzonder ten aanzien van de ontwikkeling van democratische beginselen, zoals de grotere deelname van burgers in het besluitvormingsproces van de EU en de bevordering van transparantie en verantwoordingsplicht; overwegende dat de Commissie verzoekschriften in haar dagelijkse activiteiten nauw samenwerkt met de lidstaten, de Europese Commissie, de Europese Ombudsman en andere organen om te zorgen voor naleving van de EU-wetgeving, zowel naar de letter als naar de geest;

D.

is ingenomen met het feit dat via het webportaal „Uw rechten in de EU” één loket is gecreëerd voor de burgers die inlichtingen willen inwinnen, beroep willen aantekenen of een proces willen aanspannen;

E.

is ingenomen met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de uitlegging van artikel 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin in de uitspraak in de zaak ERT wordt gesteld dat de instanties van de lidstaten gebonden zijn aan het Europees voorrangsrecht, zelfs indien zij middels nationale wetgeving beogen beperkingen op te leggen aan de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden;

F.

overwegende dat Europese burgers en inwoners de legitieme verwachting koesteren dat er voor de kwesties die zij aankaarten bij de Commissie verzoekschriften zonder onnodige vertraging een oplossing wordt gevonden binnen het juridische kader van de Europese Unie, waartoe zij zich wenden om hun rechten als burgers van de Unie te laten gelden, en in het bijzonder om hun natuurlijke omgeving, gezondheid, vrij verkeer, waardigheid, grondrechten en fundamentele vrijheden te verdedigen;

G.

overwegende dat de Europese instellingen meer informatie dienen te verstrekken en zich transparanter moeten opstellen in hun betrekkingen met de Europese burgers;

H.

overwegende dat 998 verzoekschriften ontvankelijk waren verklaard waarvan 649 waren doorgestuurd naar de Commissie voor nader onderzoek op grond van de artikelen 258 en 260 van het Verdrag; overwegende dat 416 verzoekschriften niet-ontvankelijk waren verklaard;

I.

overwegende dat de verzoekschriftenprocedure een aanvulling kan vormen op andere Europese instrumenten waartoe burgers hun toevlucht kunnen nemen, zoals de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Europese Ombudsman of bij de Europese Commissie;

J.

overwegende dat het aantal niet-ontvankelijke verzoekschriften hoog bleef in 2011, waaruit wederom blijkt dat het Parlement zich meer moeite moet getroosten om burgers te informeren over zijn beperkte actieradius met betrekking tot het petitierecht; overwegende dat individuen, plaatselijke gemeenschappen en vrijwilligers-, liefdadigheids- en beroepsverenigingen in de juiste positie verkeren om de doeltreffendheid van de voor hen geldende Europese wetgeving te beoordelen en om mogelijke lacunes aan burgers te melden die geanalyseerd moeten worden om een betere en beter vergelijkbare tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving in alle lidstaten te verzekeren;

K.

overwegende dat uit de statistische analyse in dit verslag kan worden geconcludeerd dat Duitse burgers nog altijd het grootste aantal verzoekschriften indienen, hoewel dat aantal verhoudingsgewijs gedaald is, gevolgd door Spaanse en Italiaanse indieners;

L.

overwegende dat het actieterrein en de werkwijzen van het petitierecht voor alle EU-onderdanen en inwoners onder de voorwaarden van het Verdrag verschilt van andere rechtsmiddelen die burgers ter beschikking staan, zoals het indienen van klachten bij de Commissie of de Ombudsman, en overwegende dat de lidstaten die, met de crisis als voorwendsel, dit recht steeds meer negeren, hetgeen een belangrijke bron van zorg is voor Europese burgers;

M.

overwegende dat de belangrijkste bezwaren in verband met het milieu in algemene zin gaan over de slechte en vaak misleidende toepassing van de richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling (2) en van de kaderrichtlijn afval (3) door de lidstaten en hun subnationale instellingen; overwegende dat in verzoekschriften over vermeende inbreuken op de Vogel- en de Habitatrichtlijn vaak bezorgdheid wordt geuit over de teloorgang van de biodiversiteit ten gevolge van grote projecten die gepland zijn in Natura 2000-gebieden, en dat uit verzoekschriften over waterbeheer ernstige gevallen van verontreiniging naar voren zijn gekomen en bezorgdheid is geuit over de mogelijke gevolgen van projecten voor de duurzaamheid en de kwaliteit van aquatische hulpbronnen;

N.

overwegende dat de richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling momenteel herzien wordt en dat het verslag van de Commissie verzoekschriften over afvalkwesties ernstige tekortkomingen aan het licht heeft gebracht in verschillende lidstaten, dat de uitvoering van deze richtlijn nog altijd te wensen overlaat en dat dit probleem niet zal worden opgelost door een herziening maar door meer doeltreffende controle door de Commissie;

O.

overwegende dat het recht van Europese burgers en inwoners op hun wettelijk verkregen eigendom een essentiële kwestie blijft voor vele duizenden mensen, zoals blijkt uit de verzoekschriften die nog steeds worden ingediend over dit onderwerp, en overwegende dat er, als de bevoegde autoriteiten dit probleem niet oplossen, geen uitzicht is op rechtszekerheid van of vertrouwen in de stellige beweringen dat de internationale huizenmarkt zich zal herstellen, hetgeen verstrekkende gevolgen heeft voor de vooruitzichten op economisch herstel, en overwegende dat er in 2011 70 verzoekschriften in behandeling waren over de Spaanse Ley de Costas, waarvan 51 verzoekschriften afkomstig waren van Spaanse burgers of groepen Spaanse burgers en de overige 19 verzoekschriften afkomstig waren van burgers met een andere nationaliteit;

P.

overwegende dat de Commissie verzoekschriften in haar vorige jaarverslag haar grote waardering uitsprak over de samenwerking met de Europese Commissie en de Europese Ombudsman wat betreft de behandeling van verzoekschriften en klachten, en overwegende dat de Commissie verzoekschriften de Europese Commissie meermaals verzocht heeft op de hoogte te worden gehouden van de ontwikkelingen in lopende inbreukprocedures, een onderwerp dat tevens wordt behandeld in verzoekschriften;

Q.

overwegende dat in veel verzoekschriften wordt beweerd dat EU-middelen verkeerd gebruikt of toegewezen worden en dat in andere verzoekschriften klachten worden geuit over vermeend wangedrag bij de EU-administratie, zoals belangenconflicten bij invloedrijke agentschappen of de roep om veranderingen in EU-beleid;

R.

overwegende dat de tekortkomingen en problemen waarmee mensen te kampen hebben ten gevolge van de slechte werking van de interne markt, zoals blijkt uit de verzoekschriften, bevestigd worden door het Verslag van de Commissie over het EU-burgerschap 2010 (4), in het bijzonder op het vlak van het vrije verkeer van EU-burgers en hun familieleden, mits zij volledig legaal in de lidstaat in kwestie verblijven, toegang tot socialezekerheidsrechten, de wederzijdse erkenning van opleidingen, de obstakels waar mensen met een handicap mee te maken hebben, problemen met het familierecht en massale uitzettingen op basis van etnische of nationale afkomst waarvan de Roma het slachtoffer zijn, alsook problemen met dubbele belastingheffing;

S.

overwegende dat er in 2011 ook een groot aantal verzoekschriften werd ingediend door burgers die erop wezen dat het belangrijk is om het onherstelbare verlies van de biodiversiteit in Natura 2000-gebieden tegen te gaan en de bescherming van de gebieden die in de Habitatrichtlijn zijn vastgelegd, te garanderen;

T.

overwegende dat het arrest van het Gerecht van 14 september 2011 in zaak T-308/07 de klacht van de indiener tegen de beslissing van de commissie om zijn verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren gegrond achtte en daarmee duidelijk maakte dat het Parlement het niet-ontvankelijk verklaren van verzoekschriften goed moet onderbouwen;

U.

overwegende dat de doeltreffendheid van de werkzaamheden van de Commissie verzoekschriften voortkomt uit een snelle en nauwgezette afhandeling, maar nog wel voor verbetering vatbaar is, met name door de tijd die gemoeid is met de afhandeling van de verzoekschriften te verkorten en de beoordeling van de verzoekschriften te systematiseren;

1.

merkt op dat in de verzoekschriften die in 2011 waren ontvangen de nadruk nog altijd lag op vermeende schendingen van EU-wetgeving op het vlak van milieu, justitie en de interne markt, waarbij de mening van burgers werd weergegeven over de vraag of de Europese wetgeving, zoals omgezet en uitgevoerd door de lidstaten, wel het verwachte resultaat oplevert en voldoet aan de EU-wetgeving;

2.

merkt op dat er steeds meer verzoekschriften en andere documenten worden ingediend door burgers die gerechtelijke of financiële genoegdoening willen met betrekking tot aangelegenheden die buiten de in artikel 227 van het Verdrag en artikel 51 van het Handvest van de grondrechten bepaalde bevoegdheden van de EU vallen, zoals verzoeken om de berekening van de nationale pensioenen te herzien, besluiten van nationale rechtbanken te herroepen, voorstellen te steunen om de grenzen van Europa opnieuw te trekken, banken te dwingen om een persoonlijke lening te verstrekken, enz.; schaart zich volledig achter de stappen die door de verantwoordelijke directoraten-generaal van het Parlement zijn genomen om een oplossing te vinden voor het behandelen van deze documenten van burgers, rekening houdende met de verplichtingen van het Parlement ten aanzien van zijn correspondentie met burgers;

3.

is van mening dat de rol en de verantwoordelijkheden van de Commissie verzoekschriften het best kunnen worden uitgevoerd en de zichtbaarheid, de efficiëntie, de verantwoordingsplicht en de transparantie het best kunnen worden vergroot als de middelen om kwesties die van belang zijn voor de Europese burgers aan te kunnen kaarten in de plenaire vergadering worden verbeterd, en als de mogelijkheden om getuigen op te roepen, onderzoeken uit te voeren en hoorzittingen ter plaatse te organiseren worden uitgebreid;

4.

wijst er opnieuw op dat wat betreft de procedures voor het organiseren van openbare hoorzittingen over succesvolle Europese burgerinitiatieven, als vastgelegd in artikel 11 van Verordening (EU) nr. 211/2011 het Parlement heeft besloten dat de Commissie verzoekschriften automatisch verbonden wordt aan elke hoorzitting, naast de commissie met wetgevende bevoegdheid voor het onderwerp in kwestie; ziet dit als een bevestiging van zijn rol als de instelling die de meeste ervaring heeft met rechtstreekse contacten met burgers en met een uniforme procedure voor alle succesvolle burgerinitiatieven; verzoekt de Conferentie van voorzitters een verduidelijking van de bevoegdheden van de commissie in deze context goed te keuren in bijlage VII, punt XX van het Reglement; benadrukt tegelijkertijd dat het onderscheid tussen verzoekschriften overeenkomstig artikel 227 VWEU en burgerinitiatieven duidelijk moeten worden uitgelegd aan het publiek;

5.

is ingenomen met de beslissing van het Parlement om een meer gebruiksvriendelijk en zichtbaar portaal voor verzoekschriften op te zetten op zijn website, dat de toegang van burgers tot de procedure voor het indienen van verzoekschriften zal vergemakkelijken binnen de beperkingen van artikel 227 van het Verdrag, artikel 202 van het Reglement van het Parlement en artikel 51 van het Handvest van de grondrechten, hun informatie zal verschaffen en hen in staat zal stellen verzoekschriften in een gebruiksvriendelijkere omgeving in te dienen en elektronisch te ondertekenen; is van mening dat dit portaal tevens praktische links moet bevatten naar andere beroepsmogelijkheden die op Europees en op nationaal of regionaal niveau beschikbaar zijn alsmede een alomvattend overzicht van de bevoegdheden van de Commissie verzoekschriften, en tegelijkertijd een aantal procedurele kaders voor overheidsinstanties moet vaststellen naar het model van CURIA, het officiële portaal voor arresten van het Europese Hof van Justitie;

6.

bevestigt zijn vastbeslotenheid om de grondrechten en vrijheden van burgers te blijven bevorderen en verdedigen door zijn politieke invloed aan te wenden in zaken die ontvankelijk geacht worden binnen de commissie, in nauwe samenwerking met de Europese Commissie en de relevante autoriteiten in de lidstaten van de Unie;

7.

verzoekt de Commissie verzoekschriften de gevolgen van de uitspraken met betrekking tot ERT van het Hof van Justitie van de Europese Unie ten aanzien van de betrouwbaarheid van verzoekschriften te analyseren en goed te bekijken welke concrete hinderpalen de EU-burgers ondervinden als zij in het kader van rechtszaken voor een nationale rechtbank middels een verzoek aan het Europees Hof van Justitie tot een prejudiciële beslissing pogen een betrouwbare uitlegging te verkrijgen van cruciale onderdelen van het Europese recht;

8.

vindt het belangrijk om de op wederkerigheid gebaseerde samenwerking met de parlementen en regeringen van de lidstaten te versterken en om in voorkomend geval de autoriteiten in de lidstaten ertoe aan te sporen om de EU-wetgeving in volledige transparantie om te zetten en toe te passen;

9.

wijst op het belang van samenwerking tussen de Commissie en lidstaten maar betreurt het feit dat een aantal lidstaten de toepassing en de naleving van de Europese milieuwetgeving proberen uit te stellen;

10.

is van mening dat de lidstaten de verzoekschriftenprocedure niet mogen misbruiken voor politieke doeleinden maar dat deze procedure juist objectief moet zijn en de positie van het Europees Parlement moet weergeven;

11.

is ingenomen met de constructieve samenwerking tussen de Commissie verzoekschriften en de diensten van de Europese Ombudsman en herhaalt dat het vastbesloten is om de Ombudsman bij te staan bij het constateren van wanbeheer door en jegens de instellingen van de EU;

12.

verzoekt de Europese Commissie de Commissie verzoekschriften gegevens en een statistische analyse te verschaffen van de klachten van Europese burgers die zij onderzoekt, met inbegrip van de verkregen resultaten en de afkomst van de klager;

13.

is van mening dat de Commissie er ten aanzien van de werking van de inbreukprocedures krachtens artikel 258 en 260 van het VWEU voor dient te zorgen dat bij het Parlement ingediende verzoekschriften en bij de Commissie ingediende klachten met evenveel aandacht behandeld worden;

14.

is van mening dat met nauwkeurigere, op schrift gestelde procedurele voorschriften inzake de interne voorbereiding in de commissie, de verwezenlijking en vooral ook de beoordeling van werkbezoeken, de werkzaamheden van de Commissie verzoekschriften aanzienlijk doeltreffender en coherenter kunnen worden gemaakt;

15.

is van mening dat de correcte tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn inzake afvalstoffen in alle lidstaten cruciaal is en verzoekt daarom de lidstaten die problemen hebben op het gebied van afvalverwerking kordaat en snel op te treden;

16.

herhaalt nogmaals zijn oproep aan het adres van de lidstaten om hun verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2004/38/EG inzake vrij verkeer met betrekking tot het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de EU voor de burgers van de Unie en hun familieleden na te komen; herinnert de lidstaten aan hun verplichting om de binnenkomst en het verblijf te vergemakkelijken zonder daarbij bepaalde burgers, zoals paren van hetzelfde geslacht en hun kinderen, Roma en andere minderheden, te discrimineren;

17.

onderschrijft de onderliggende doelstelling van de Ley de Costas volledig, met name dat het milieu aan de Spaanse kust beschermd moet worden tegen overmatige ontwikkeling om het in stand te houden voor de fauna en flora en voor toekomstige generaties; vindt het echter bezwaarlijk dat die wet een probleem blijft voor indieners van verzoekschriften, en voor Spaanse burgers in het bijzonder; steunt de inspanningen van de indieners van verzoekschriften om problemen omtrent de wet en de toepassing ervan op te lossen, en neemt in het bijzonder kennis van de beslissing van de Commissie verzoekschriften om een werkgroep op te richten om deze kwestie nader te bestuderen;

18.

is van mening dat het momenteel in ieders economische belang is om de rechtsonzekerheid rond eigendom dat mogelijk onder de Ley de Costas valt op te heffen; is ingenomen met de aankondiging van de Spaanse regering dat zij van zins is de Ley de Costas te herzien teneinde de doelstellingen van de toekomstige bescherming van de Spaanse kust en economische groei met elkaar te verenigen en zo vastgoedeigenaren een grotere rechtszekerheid te bieden; dringt er bij de Spaanse regering op aan om de belangen van eenieder die te goeder trouw vastgoed heeft verworven en van de gemeenschappen die altijd op duurzame wijze met de zee hebben samengeleefd te garanderen; dringt er met name op aan het concrete probleem van de toepassing van de wet aan te pakken door geen beslissingen aan te moedigen die arbitrair zijn, met terugwerkende kracht gelden of asymmetrisch zijn, maar in plaats daarvan het recht op een eerlijk proces, een beroepsprocedure, een gepaste schadevergoeding en toegang tot informatie te garanderen;

19.

herinnert eraan dat het Parlement heeft verklaard (5) dat de Ley de Costas particuliere onroerendgoedeigenaren onevenredig zwaar getroffen heeft en tegelijkertijd degenen die werkelijk schuldig zijn aan de vernietiging van kustgebieden doordat ze in veel gevallen verantwoordelijk waren voor ongebreidelde bebouwing langs de kusten, onvoldoende geraakt heeft; verzoekt de Spaanse regering nadrukkelijk ervoor te zorgen dat diegenen wier frauduleuze handelen tal van EU-burgers in een onhoudbare situatie heeft gebracht doordat zij hun woning verloren hebben of dreigen te verliezen, vervolgd worden en moeten betalen voor de schade die zij aangericht hebben;

20.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling meer gewicht in de schaal kan leggen door duidelijke parameters op te stellen voor de onafhankelijkheid van expertiserapporten, gezamenlijke EU-drempels, een maximumtermijn voor het proces, met inbegrip van doeltreffende openbare raadpleging, de eis om beslissingen toe te lichten, de verplichte beoordeling van redelijke alternatieven en een mechanisme voor kwaliteitscontrole;

21.

verzoekt de Commissie verder om te zorgen voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de Habitat- en de Vogelrichtlijn door de lidstaten en voor een betere omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden;

22.

wijst nogmaals op het grote aantal indieners van verzoekschriften dat een individuele klacht bij de Commissie verzoekschriften heeft ingediend over algemene aangelegenheden op het vlak van jeugd- en gezinswelzijn in Duitsland, en over de Duitse instanties voor jeugdwelzijn in het bijzonder, en benadrukt de bereidheid van de Commissie verzoekschriften om binnen haar bevoegdheden en die van de Europese Unie een constructieve bijdrage te leveren aan de opheldering van klachten voor indieners en autoriteiten; wijst er evenwel op dat elke inmenging in de autonome interne overheidsprocedures van de lidstaten uit den boze is;

23.

is vastbesloten de verzoekschriftenprocedure efficiënter, transparanter en onpartijdig te maken, met behoud van het recht op deelname van de leden van de Commissie verzoekschriften, zodat de behandeling van verzoekschriften zelfs op procedureel niveau de rechterlijke toetsing doorstaat;

24.

benadrukt tevens dat het van groot belang is dat de behandeling van verzoekschriften ook aan het begin van een nieuwe legislatuur, met alle daarmee samenhangende personele wijzigingen, niet wordt onderbroken;

25.

beschouwt de deelname van leden van het Parlement aan onderzoeksmissies niet alleen als een recht op parlementaire participatie, maar tevens als een verplichting ten opzichte van de indieners van de verzoekschriften;

26.

pleit, met het oog op de verbetering van de werkzaamheden van de commissie, voor de instelling van een toezichtsprocedure voor onderzoeksmissies, waarmee enerzijds het recht van alle leden van de onderzoeksmissie om de feiten vanuit hun eigen standpunt weer te geven kan worden gegarandeerd en anderzijds alle leden van de commissie de gelegenheid krijgen deel te nemen aan de besluitvormingsprocedure over de door de commissie te trekken conclusies;

27.

benadrukt dat de Commissie verzoekschriften naast de overige organen en instellingen als de onderzoekscommissie, het burgerinitiatief en de Europese Ombudsman, een autonome, vastomlijnde rol heeft als aanspreekpunt voor alle burgers;

28.

verzoekt de Conferentie van voorzitters na te gaan in hoeverre een wijziging van het Reglement geschikt lijkt te zijn voor de naleving van de formele vereisten van de verzoekschriftenprocedure;

29.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het verslag van de Commissie verzoekschriften te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese ombudsman, en aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten, alsmede aan hun verzoekschriftencommissies en hun ombudsmannen of soortgelijke bevoegde organen.


(1)  Verordening (EU) nr. 211/2011 (PB L 65 van 11.3.2011, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(4)  European Citizenship Report 2010: Dismantling the obstacles to EU citizens' rights (COM(2010)0603).

(5)  Zie resolutie van 26 maart 2009, overweging Q en paragraaf 17 (PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 189.)


Donderdag 22 november 2012

16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/100


P7_TA(2012)0450

Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de aanvaarding van de toetreding van acht derde landen tot het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (2012/2791(RSP))

(2015/C 419/15)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 2, lid 2, artikel 3, lid 2, artikel 4, lid 2, onder j), artikel 81, lid 3, en artikel 218, lid 6, letter b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en met name de zaken 22/70 (1) en C-467/98 (2) en advies 1/03 (3),

gezien de voorstellen van de Commissie voor besluiten van de Raad inzake de verklaring van aanvaarding door de lidstaten, in het belang van de Europese Unie, van de toetreding van Gabon (4), Andorra (5), de Seychellen (6), de Russische Federatie (7), Albanië (8), Singapore (9), Marokko (10) en Armenië (11) tot het Verdrag van 's Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen,

gezien het feit dat de Raad het Parlement nog niet om goedkeuring van deze besluiten heeft verzocht,

gezien de vraag met verzoek om mondeling antwoord aan de Commissie over de verklaring van aanvaarding door de lidstaten, in het belang van de Europese Unie, van de toetreding van acht derde landen tot het Verdrag van 's Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (O-000159/2012 — B7-0367/2012),

gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het Verdrag van 's Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van groot belang is, omdat het voorziet in een kader voor samenwerking tussen de deelnemende lidstaten met het oog op het vinden van oplossingen voor internationale kinderontvoeringen, en aangeeft welke rechtbanken bevoegd zijn en welk recht van toepassing is bij het beoordelen van de vraag waar een kind moet verblijven;

B.

overwegende dat dit verdrag er derhalve voor zorgt dat ontvoerde kinderen snel naar hun eigen woonplaats kunnen terugkeren;

C.

overwegende dat het verdrag uitsluitend van toepassing is tussen landen die het hebben bekrachtigd of ertoe zijn toegetreden;

D.

overwegende dat landen die reeds tot het verdrag zijn toegetreden de toetreding van nieuwe landen moeten aanvaarden om het verdrag tussen hen toepassing te doen vinden;

E.

overwegende dat om die reden de aanvaarding van de toetreding van nieuwe landen essentieel is;

F.

overwegende dat de Europese Unie haar interne bevoegdheid op het gebied van internationale kinderontvoeringen reeds eerder heeft uitgeoefend, met name via Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (12);

G.

overwegende dat de Europese Unie bijgevolg op het gebied van internationale kinderontvoeringen een exclusieve externe bevoegdheid heeft verkregen;

H.

overwegende dat het voor internationale organisaties niet mogelijk is tot het verdrag toe te treden en dat de Europese Unie de lidstaten dus moet opdragen bij de aanvaarding van eerdergenoemde toetredingen in het belang van de Unie te handelen;

I.

overwegende dat de Raad derhalve zo spoedig mogelijk stappen moet nemen om de door de Commissie voorgestelde besluiten vast te stellen, onder meer door onverwijld het Parlement te raadplegen;

J.

overwegende dat het erop lijkt dat de Raad, ondanks het spoedeisende karakter van deze materie en de duidelijkheid van de rechtssituatie, besloten heeft het Parlement nog niet te raadplegen en de vaststelling van genoemde besluiten uit te stellen om de uitgangspunten van deze besluiten om juridische redenen aan te vechten;

1.

beveelt de Raad aan om:

a)

de procedure ter vaststelling van bovengenoemde besluiten onverwijld voort te zetten;

b)

met het oog daarop het Parlement over de acht voorgestelde besluiten te raadplegen;

c)

in het belang van de Europese burgers, die van de vaststelling van deze besluiten zullen profiteren, de goede werking van de Europese Unie niet met oneigenlijke juridische argumenten te belemmeren;

2.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad alsmede, ter informatie, aan de Commissie en het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht.


(1)  Zaak 22/70, Commissie/Raad (ERTA), Jurispr. 1971, blz. 263, punt 16.

(2)  Zaak C-467/98, Commissie/Denemarken, Jurispr. 2002, blz. I-9519, punt 77.

(3)  Advies 1/03 van het Hof van 7 februari 2006 over de bevoegdheid van de Gemeenschap tot sluiting van het nieuwe verdrag van Lugano betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Jurispr. 2006, blz. I-1145, punt 126.

(4)  COM(2011)0904.

(5)  COM(2011)0908.

(6)  COM(2011)0909.

(7)  COM(2011)0911.

(8)  COM(2011)0912.

(9)  COM(2011)0915.

(10)  COM(2011)0916.

(11)  COM(2011)0917.

(12)  PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/101


P7_TA(2012)0451

Aanstaande wereldconferentie over internationale telecommunicatie (WCIT-2012) van de Internationale Telecommunicatie-unie, en de mogelijke uitbreiding van het toepassingsgebied van internationale telecommunicatieregelgeving

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de komende wereldconferentie over internationale telecommunicatie (WCIT-12) van de Internationale Telecommunicatie-unie en de mogelijke uitbreiding van het toepassingsgebied van internationale telecommunicatieregelgeving (2012/2881(RSP))

(2015/C 419/16)

Het Europees Parlement,

gezien Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en Richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (1),

gezien Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (2),

gezien Richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (3),

gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over het open internet en netneutraliteit in Europa (4),

gezien zijn resolutie van 15 juni 2010 over internetgovernance: de volgende stappen (5),

gezien resolutie A/HRC/20/L13 van de VN-Mensenrechtenraad,

gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad inzake de vaststelling van het standpunt van de EU over de herziening van het Internationale Telecommunicatiereglement in het kader van de Wereldconferentie over internationale telecommunicatie of de voorbereidende instanties daarvan (COM(2012)0430),

gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het Internationale Telecommunicatiereglement (ITR) in 1988 in Melbourne op de Administratieve Wereldconferentie voor Telefonie en Telegrafie is vastgesteld en sindsdien niet meer is herzien;

B.

overwegende dat de 27 lidstaten van de Europese Unie dit ITR hebben ondertekend;

C.

overwegende dat de Internationale Telecommunicatie-Unie (ITU) van 3 t/m 14 december 2012 in Dubai een vergadering van de zogenoemde Wereldconferentie over internationale telecommunicatie (WCIT) heeft belegd, waar een nieuwe tekst voor het ITR ter goedkeuring zal worden overgelegd;

1.

verzoekt de Raad en de Commissie ervoor te zorgen dat veranderingen in de internationale telecommunicatiereglementen steeds verenigbaar zijn met het EU-acquis en bevorderlijk zijn voor het streven en het belang van de Unie om van het internet een werkelijk openbaar forum te maken waar de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting en vergadering, worden geëerbiedigd en waar de inachtneming van de vrijemarktbeginselen, netneutraliteit en ondernemerschap worden gegarandeerd;

2.

betreurt het gebrek aan transparantie en het ontbreken van een participatieve opzet rond de onderhandelingen in het kader van de WCIT-12, omdat de resultaten van deze vergadering in grote mate van invloed kunnen zijn op het algemeen belang;

3.

is van mening dat de ITU, of enige andere gecentraliseerde internationale instelling, niet het geschikte orgaan is om regelgevend gezag uit te oefenen op het gebied van internetgovernance of internetverkeer;

4.

wijst erop dat een aantal voorstellen voor hervorming van het ITR negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor internet en voor de architectuur, de werking, de inhoud en de veiligheid van internet, alsmede voor online zakelijke betrekkingen, internetgovernance en het vrij verkeer van gegevens online;

5.

is van mening dat sommige van de ingediende voorstellen tot gevolg zouden kunnen hebben dat de ITU zelf de baas wordt over bepaalde aspecten van internet, waarmee er een einde zou komen aan het huidige bottom-upmodel waarin voor verschillende belanghebbenden een rol is weggelegd; is bezorgd dat goedkeuring van deze voorstellen ernstige gevolgen zal hebben voor de ontwikkeling van en de toegang tot online-diensten voor eindgebruikers en voor de digitale economie in haar geheel; stelt zich op het standpunt dat internetgovernance en daarmee samenhangende regelgevingskwesties onverminderd gedefinieerd moeten worden door een breed forum van verschillende belanghebbenden;

6.

is bezorgd over het feit dat de hervormingsvoorstellen van de ITU onder meer betrekking hebben op de vaststelling van nieuwe winstmechanismen, die een ernstige bedreiging kunnen betekenen voor de open en competitieve aard van internet, de prijzen kunnen opdrijven en innovatie en toegang kunnen belemmeren; herinnert eraan dat internet vrij en open moet blijven;

7.

staat achter alle voorstellen die zich richten op handhaving van het huidige toepassingsgebied van het ITR en het huidige mandaat van de ITU; verzet zich tegen alle voorstellen om het toepassingsgebied uit te breiden tot gebieden als internet, waaronder domeinnamen, de toewijzing van IP-adressen, routering van internetverkeer of inhoudsgerelateerde kwesties;

8.

roept de lidstaten op zich te verzetten tegen veranderingen in het ITR die schadelijk kunnen zijn voor het open karakter van internet, netneutraliteit, het „end-to-end”-beginsel, de verplichting tot universele dienstverlening, en participatief bestuur door verschillende actoren zoals regeringen, supranationale instellingen, niet-gouvernementele organisaties, grote en kleine ondernemingen, de technologische gemeenschap en internetgebruikers en consumenten in het algemeen;

9.

verzoekt de Commissie de onderhandelingen over de herziening van het ITR namens de Europese Unie te coördineren op basis van op inclusieve wijze verzamelde input van verschillende belanghebbende partijen, en daarbij een strategie te hanteren die gericht is op het garanderen en behouden van het open karakter van internet en op de bescherming van de rechten en vrijheden van internetgebruikers;

10.

wijst nogmaals op het belang van de instandhouding van een solide „best-effort”-internet, het stimuleren van innovatie en vrijheid van meningsuiting, het waarborgen van mededinging en het vermijden van een nieuwe digitale kloof;

11.

benadrukt dat in het ITR moet worden vastgelegd dat de aanbevelingen van de ITU niet-bindende documenten zijn die slechts beste praktijken bevorderen;

12.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB L 337 van 18.12.2009, blz. 37.

(2)  PB L 337 van 18.12.2009, blz. 11.

(3)  PB L 249 van 17.9.2002, blz. 21.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0511.

(5)  PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 33.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/103


P7_TA(2012)0452

Conferentie over klimaatverandering in Doha (COP 18)

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de klimaatconferentie in Doha (Qatar) (COP 18) (2012/2722(RSP))

(2015/C 419/17)

Het Europees Parlement,

gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

gezien de resultaten van de Conferentie van de Verenigde Naties over de klimaatverandering op Bali in 2007 en het actieplan van Bali (Besluit 1/COP 13),

gezien de vijftiende Conferentie van de partijen (COP 15) bij het UNFCCC en de vijfde Conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (COP/MOP 5), die van 7 tot en met 18 december 2009 in Kopenhagen (Denemarken) hebben plaatsgevonden, en het akkoord van Kopenhagen,

gezien de 16e Conferentie van de partijen (COP 16) bij het UNFCCC en de zesde Conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (COP/MOP 6), die van 29 november t/m 10 december 2010 in Cancún (Mexico) hebben plaatsgevonden, alsmede de akkoorden van Cancún,

gezien de 17e Conferentie van de Partijen (COP 17) bij het UNFCCC en de 7e Conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (COP/MOP 7), die van 28 november t/m 9 december 2011 in Durban (Zuid-Afrika) hebben plaatsgevonden, en met name de genomen besluiten, die het Platform van Durban voor versterkte maatregelen omvatten,

gezien de komende 18e Conferentie van de Partijen (COP 18) bij het UNFCCC en de 8e Conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (COP/MOP 8), die van 26 november t/m 8 december 2012 in Doha (Qatar) zullen plaatsvinden,

gezien het van december 2008 daterende klimaat- en energiepakket van de EU,

gezien Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (1),

gezien zijn resolutie van 4 februari 2009 met de titel „2050: De toekomst begint vandaag — Aanbevelingen voor het toekomstig geïntegreerd beleid van de EU inzake klimaatverandering” (2),

gezien zijn resoluties van 25 november 2009 over de EU-strategie voor de Conferentie van Kopenhagen over klimaatverandering, (COP 15) (3), van 10 februari 2010 over de resultaten van de Conferentie van Kopenhagen over de klimaatverandering (COP 15) (4), van 25 november 2010 over de klimaatveranderingsconferentie in Cancún (COP 16) (5) en van 16 november 2011 over de Conferentie over klimaatverandering in Durban (COP 17) (6),

gezien zijn resolutie van 15 maart 2012 over een routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050 (7),

gezien de conclusies van 9 maart 2012 van de Raad over de follow-up van de 17e zitting van de Conferentie van de Partijen (COP 17) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de 7e zitting van de Conferentie waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (MOP 7) (Durban, Zuid-Afrika, 28 november — 9 december 2011),

gezien de conclusies van de Raad van 15 mei 2012 over klimaatfinanciering — snelstartfinanciering,

gezien de conclusies van de Raad van 18 juli 2011 over de klimaatdiplomatie van de EU,

gezien het samenvattende rapport van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van november 2011 getiteld „Bridging the Emissions Gap”,

gezien de gemeenschappelijke verklaring van 20 december 2005 van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: „De Europese Consensus”, en met name de punten 22, 38, 75, 76 en 105 daarvan (8),

gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000 waarin de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (Millennium Development Goals — MDG's) worden uiteengezet die de internationale gemeenschap gezamenlijk heeft vastgesteld met het oog op de uitbanning van armoede,

gezien de afspraken van de G20 op de topconferentie te Pittsburgh op 24 en 25 september 2009 om de subsidies voor fossiele brandstoffen op middellange termijn geleidelijk af te bouwen en de armste landen gerichte steun te verlenen om zich aan de klimaatverandering aan te passen,

gezien de 11e conferentie van partijen (COP 11) over biodiversiteit van 8 tot 19 oktober 2012 in Hyderabad (India),

gezien mondelinge vragen O-000160/2012 — B7-0364/2012 en O-000161/2012 — B7-0365/2012, die overeenkomstig artikel 115 van zijn Reglement door de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid zijn ingediend, alsmede de verklaringen van de Raad en de Commissie,

gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat in de besluiten die het Platform van Durban voor versterkte maatregelen (het Pakket van Durban) omvatten, wordt erkend dat de klimaatverandering een urgent en potentieel onomkeerbare bedreiging voor de menselijke samenlevingen en de aarde vormt en derhalve op internationaal niveau door alle partijen moet worden aangepakt;

B.

overwegende dat het Pakket van Durban in beginsel de basis heeft gelegd voor een allesomvattende, ambitieuze en internationale bindende overeenkomst van alle partijen, die in 2015 moet worden gesloten en tegen 2020 ten uitvoer moet worden gelegd;

C.

overwegende dat de Conferentie van Doha (COP 18) moet voortbouwen op het elan dat in Durban is bereikt om ervoor te zorgen dat een dergelijke wereldwijde bindende overeenkomst op koers blijft en in 2015 zijn beslag krijgt;

D.

overwegende dat een dergelijke wereldwijde, bindende overeenkomst moet stroken met het beginsel van „gezamenlijke, doch verschillende verantwoordelijkheden en respectieve mogelijkheden”, maar dat hierin ook de noodzaak moet worden erkend dat alle grote vervuilers ambitieuze en toereikende streefcijfers en overeenkomstige beleidsmaatregelen voor de vermindering van de broeikasgasemissies vastleggen die de voortschrijdende mogelijkheden weerspiegelen;

E.

overwegende dat in het Pakket van Durban onvoldoende rekening is gehouden met de noodzaak om vóór 2020 maatregelen te treffen ter afremming van de klimaatverandering en dat de bestaande verplichtingen en toezeggingen niet volstaan om de doelstelling te bereiken, namelijk het beperken van de totale stijging van de gemiddelde jaartemperatuur aan het aardoppervlak wereldwijd tot 2 oC ten opzichte van het niveau vóór de industrialisering („de 2 oC-doelstelling”); overwegende derhalve dat deze kwesties tijdens de Conferentie van Doha absolute prioriteit moeten krijgen;

F.

overwegende dat volgens wetenschappelijk bewijsmateriaal dat door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) is gepresenteerd, de 2 oC-doelstelling impliceert dat de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen tegen 2015 zijn hoogtepunt moet hebben bereikt, dat hij tegen 2050 met ten minste 50 % moet zijn verminderd ten opzichte van 1990 en vervolgens verder moet blijven dalen; overwegende dat de EU derhalve moet aandringen op concrete maatregelen door alle grote vervuilers en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan vóór 2020;

G.

overwegende dat recente wetenschappelijke ontdekkingen erop wijzen dat de gevolgen van de klimaatverandering zich sneller en heviger zullen voordoen dan eerder is voorspeld, bijvoorbeeld in het noordpoolgebied;

H.

overwegende dat het Internationaal Energieagentschap verwacht dat de wereldwijde vraag naar energie van 2010 tot 2035 met een derde zal stijgen; overwegende dat het grootste deel van de stijgende vraag en de dito uitstoot zich zal voordoen in opkomende economieën; overwegende dat subsidies ter waarde van USD 400 miljard het verspillende gebruik van fossiele brandstoffen ondersteunen;

I.

overwegende dat de EU als koploper in de groeiende wereldmarkt voor energiegerelateerde goederen en diensten door toepassing van innovaties voordeel zou hebben bij het koolstofvrij maken van de energiesector en de industrie;

J.

overwegende dat wereldwijde innovatie in de duurzame-energiesector (zowel op productie- als op afnemerniveau) werkgelegenheid creëert, economische groei stimuleert, meer energieonafhankelijkheid bewerkstelligt en zorgt voor een schonere wereld waarin de klimaatverandering wordt afgeremd en een toereikende energievoorziening veiliggesteld is;

K.

overwegende dat investeringen in de energiesector dikwijls 30 jaar of langer meegaan en dat de planning van nieuwe projecten en beleid lang duurt, hetgeen onderstreept dat nieuwe maatregelen op energiegebied overal ter wereld dringend noodzakelijk zijn;

L.

overwegende dat meer onderzoek nodig is voor nuttige innovaties in het energie- en vervoerssysteem;

M.

overwegende dat de EU, gelet op haar technologische en economische mogelijkheden, bij de klimaatbescherming een voortrekkersrol moet spelen, om aan te tonen dat haar inspanningen serieus zijn;

N.

overwegende dat een bindende overeenkomst in 2015 niet tot de mogelijkheden behoort als er geen consensus bestaat over een billijke verdeling van de aanhoudende wereldwijde mitigatie-inspanningen;

O.

overwegende dat de industrielanden in Cancún (COP 16, 2010) toegezegd hebben tot 2020 USD 100 miljard aan nieuwe en aanvullende investeringen te zullen doen om te voorzien in de behoeften in verband met klimaatveranderingen in de ontwikkelingslanden, maar dat het tot dusver ontbreekt aan een definitie van „nieuw en aanvullend” waar men het internationaal over eens is;

P.

overwegende dat de snelstartfinancieringsperiode (drie jaar met een budget van USD 30 miljard, zoals in Kopenhagen overeengekomen) in 2012 afloopt en dat het onzeker is hoeveel geld er daarna beschikbaar komt;

Q.

overwegende dat 20 % van de mondiale uitstoot van broeikasgassen het gevolg is van ontbossing en andere soorten bodemgebruik en veranderingen in het bodemgebruik, en dat agrobosbouw de emissie van CO2 beperkt door een verhoogde koolstofopslag en de armoede vermindert door diversificatie van de inkomsten van lokale gemeenschappen;

R.

overwegende dat verbetering van het bosbeheer een fundamentele voorwaarde is om de ontbossing duurzaam terug te dringen;

Platform van Durban voor verdere maatregelen

1.

is verheugd over de oprichting van de ad-hocwerkgroep inzake het Platform van Durban voor versterkte maatregelen en wijst erop dat deze werkgroep volgens Besluit 1/CP 17 zo snel mogelijk moet beginnen met de opstelling van een protocol, een ander rechtsinstrument of een rechtsgeldig onderhandelingsresultaat in het kader van het verdrag dat op alle partijen van toepassing is, en dat zij haar werkzaamheden zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 2015 moet afsluiten; wijst er voorts op dat zij zich bij haar werkzaamheden moet inspireren op het vijfde evaluatierapport van de IPCC dat in 2014 moet verschijnen; is er tevens mee ingenomen dat het ambitieniveau voor de vóór 2020 te nemen maatregelen steeds hoger komt te liggen;

2.

benadrukt dat het Platform van Durban voor versterkte maatregelen billijkheid en gezamenlijke, doch verschillende verantwoordelijkheden en respectieve mogelijkheden centraal moet stellen, zodat het Platform voldoende resultaten op het gebied van de klimaatbescherming kan boeken;

3.

stelt bovendien vast dat de ad-hocgroep inzake langetermijnsamenwerking (AWG-LCA) volgens het Pakket van Durban haar resultaten vóór de Conferentie van Doha moet hebben bereikt;

4.

benadrukt dat het nieuwe rechtsinstrument zal moeten zorgen voor mitigatiemaatregelen die aansluiten bij een wereldwijd koolstofbudget dat strookt met beperking van de klimaatverandering tot onder de 2 oC ten opzichte van het niveau vóór de industrialisering, alsook voor de middelen voor de vereiste klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden, naast gedegen boekhouding, toezicht en verslaglegging en een solide regeling voor handhaving en naleving;

5.

is derhalve zeer bezorgd over de obstructieve houding van bepaalde partijen tijdens de onderhandelingen in Bonn in mei 2012, maar is tevreden met de kleine maar onmiskenbare stappen richting convergentie die zijn gezet tijdens de extra, informele bijeenkomsten in Bangkok (Thailand) van 30 augustus tot 5 september 2012;

6.

verlangt meer duidelijkheid en overeenstemming over de vergelijkbaarheid van inspanningen en gezamenlijke boekhouding voor industrielanden die het Protocol van Kyoto niet hebben ondertekend, voordat AWG-LCA haar werkzaamheden afrondt;

7.

benadrukt dat de EU het goede voorbeeld moet geven door haar verplichtingen na te komen en ambitie te tonen, zowel op het gebied van mitigatie als op het gebied van financiering; is dan ook van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van alle instellingen van de EU is om voorafgaand aan de Conferentie van Doha te beginnen met intensieve klimaatdiplomatie en het smeden van internationale allianties om ervoor te zorgen dat de verbintenissen van het Pakket van Durban worden nagekomen en dat het UNFCCC-proces wordt gestroomlijnd in de richting van een nieuwe multilaterale regeling die in 2015 moet worden goedgekeurd; beklemtoont dat duidelijk gemaakt moet worden hoe de beginselen van het verdrag in een post-2020-raamwerk zullen worden toegepast, zodat alle partijen verplichtingen op zich nemen; is voorts van mening dat het nieuwe, door COP 17 ontwikkelde marktmechanisme in dit opzicht van bijzonder belang is, en hoopt dat AWG-LCA erin slaagt modaliteiten en procedures voor dit mechanisme te ontwikkelen;

Protocol van Kyoto — tweede verbintenisperiode

8.

neemt kennis van het besluit van de partijen zoals dat tot uiting komt in het Pakket van Durban en in totaal circa 15 % van de wereldwijde uitstoot betreft — reden voor de EU om harder te werken aan oplossingen voor gezamenlijke maatregelen waarmee alle hoofdrolspelers kunnen instemmen — als tussenstap naar een tweede verbintenisperiode voor het Protocol van Kyoto, die op 1 januari 2013 van start moet gaan, en als overgang naar een nieuwe, effectievere en alomvattende internationale regeling die voor alle partijen juridisch bindend is en die in 2020 in werking moet treden;

9.

merkt op dat de VS, Rusland, Japan en Canada zich afzijdig houden van een mogelijke tweede verbintenisperiode voor het Protocol van Kyoto, en dat het onzeker is of Australië en Nieuw-Zeeland zullen deelnemen; wijst er voorts op dat er nog altijd geen emmissiereductiedoelstellingen zijn voor ontwikkelingslanden als China, India, Brazilië en Indonesië;

10.

dringt erop aan dat in Doha de nodige wijzigingen worden goedgekeurd, opdat de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto onmiddellijk op voorlopige basis kan ingaan;

11.

neemt kennis van de toezegging in Besluit 1/CMP 7 van het Pakket van Durban dat de einddatum van de tweede verbintenisperiode tijdens de Conferentie van Doha zal worden vastgelegd, en onderschrijft een verbintenisperiode van 8 jaar die op 31 december 2020 afloopt;

12.

onderstreept dat binnen de huidige operationele structuur van het Protocol van Kyoto de noodzaak bestaat van gekwantificeerde verplichtingen inzake emissiebeperking of -reductie (QELRO's), die in mei 2012 door de partijen zouden worden ingediend en tijdens de Conferentie van Doha als wijzigingen van het Protocol van Kyoto zouden worden aangenomen, overeenkomstig Besluit 1/CMP 7; verzoekt de in bijlage B opgenomen partijen hun QELRO's in te dienen zo zij dit nog niet hebben gedaan, en is verheugd over hetgeen de EU in eerste aanleg heeft ingediend; benadrukt dat overdracht van toegewezen eenheden (AAU's) naar de tweede verbintenisperiode de integriteit van het Protocol van Kyoto zou ondermijnen; wijst erop dat het Protocol van Kyoto geen werkelijk effect op klimaatmitigatie zal hebben als de lidstaten AAU's mogen overdragen;

13.

is ingenomen met het voorstel van de Groep van 77 en China om het gebruik van het overschot effectief in te dammen en zo veel mogelijk terug te dringen; merkt op dat de EU tot dusver geen voorstel heeft ingediend om het overschot aan AAU's aan te pakken; wijst er nogmaals op dat het Verdrag van Lissabon bepaalt dat de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit in geval van algemene maatregelen (artikel 16 VEU) en gedurende de hele procedure voor het onderhandelen over en het sluiten van nieuwe internationale overeenkomsten (artikel 218 VWEU);

14.

pleit nogmaals voor hervorming van het mechanisme voor schone ontwikkeling en invoering van strikte kwaliteitseisen om te garanderen dat de desbetreffende projecten voldoende kwaliteit hebben om de uitstoot op betrouwbare, verifieerbare, reële en additionele wijze te helpen terugdringen en tevens bij te dragen tot de duurzame ontwikkeling van ontwikkelingslanden en te voorkomen dat infrastructuurprojecten met een hoge koolstofuitstoot oneigenlijk van het mechanisme gebruikmaken; is van mening dat het CDM-mechanisme in de toekomst beperkt moet blijven tot de minst ontwikkelde landen (MOL's);

De mitigatiekloof

15.

onderstreept de dringende noodzaak voor alle partijen om ten eerste tussen nu en 2020 hun toezeggingen na te komen, en ten tweede hun ambitieniveau te verhogen teneinde binnen de 2 oC-doelstelling te blijven; wijst er andermaal op dat er dringend vooruitgang moet worden geboekt bij het dichten van de gigatonkloof tussen de wetenschappelijke bevindingen en de huidige toezeggingen van de partijen, en dat er bindende verbintenissen en acties nodig zijn voor emissiereducties die ambitieuzer zijn dan die van het akkoord van Kopenhagen, uitgaande van het beginsel van „gezamenlijke, doch verschillende verantwoordelijkheden en respectieve mogelijkheden”, wat betekent dat armere landen met financiële en technologische hulp, maar ook via maatregelen voor capaciteitsopbouw, direct moeten kunnen overstappen op een geavanceerd, koolstofarm energiestelsel en economisch systeem; roept de partijen met name op met spoed maatregelen te nemen die uiterlijk in 2015 ingaan met het oog op terugdringing van de emissies van het internationale lucht- en zeevervoer en andere betrokken sectoren, en terugdringing van de uitstoot van fluorkoolwaterstoffen (HFK's), zwarte koolstof, methaan en andere soorten klimaatveranderende stoffen met een korte levensduur, teneinde de kloof met de 2 oC-doelstelling te dichten;

16.

verlangt dat er in Doha een besluit wordt genomen over kwantificering van de grootte van de wereldwijde kloof en dat deze nauwlettend in het oog wordt gehouden, zodat de noodzakelijke maatregelen genomen kunnen worden om deze kloof te dichten;

17.

roept de Commissie en het Cypriotisch voorzitterschap op medestanders te vinden voor het dichten van de „gigatonkloof”, d.w.z. het verschil tussen het huidige ambitieniveau en het niveau dat vereist is om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 2 oC;

18.

onderkent dat het effectief afbouwen van subsidies op fossiele brandstoffen aanzienlijk zou bijdragen tot het dichten van de mitigatiekloof;

19.

herinnert eraan dat industrielanden volgens de bevindingen van het vierde evaluatierapport van de IPCC hun nationale emissies tegen 2020 met 25 tot 40 % onder de niveaus van 1990 moeten verlagen, terwijl de ontwikkelingslanden als groep tegen 2020 een substantiële ombuiging in de orde van 15 tot 30 % onder het thans geraamde emissiegroeitempo moeten realiseren; wijst er voorts op dat de totale wereldwijde uitstoot vóór 2020 zijn maximum moet bereiken en roept op tot een open discussie over effectievere beleidsstrategieën met het oog op dichting van de mitigatiekloof;

20.

benadrukt de noodzaak van een betrouwbare wetenschappelijke basis zoals geboden door de IPCC, waarvan de structuur en procedures fundamenteel hervormd zijn, en onderstreept in dit verband hoe belangrijk de bevindingen van het in 2014 uit te brengen vijfde evaluatierapport van de IPCC zullen zijn;

21.

benadrukt dat het streven naar een 30 %-doelstelling voor klimaatverandering tegen 2020 in het eigen belang van de EU is, aangezien aldus duurzame groei tot stand komt, extra banen worden gecreëerd en de afhankelijkheid van energie-invoer wordt beperkt;

22.

is ingenomen met het voorstel om de overeenkomst van Cancún in de EU-wetgeving op te nemen, zodat de ontwikkelde landen koolstofarme ontwikkelingsstrategieën kunnen uitstippelen, en benadrukt hoe belangrijk het is dat ontwikkelingslanden financiële en technische steun krijgen om plannen voor emissiearme ontwikkeling op te stellen en uit te voeren; merkt op dat deze plannen en strategieën een aanzet moeten geven tot beleid en maatregelen waaronder vroegtijdige nationale actie om te voorkomen dat men vastzit aan koolstofintensieve investeringen en infrastructuur, naast energie-efficiëntie en doelstellingen op het gebied van duurzame energie voor de korte en middellange termijn;

Klimaatfinanciering

23.

onderstreept dat het dringend noodzakelijk is na 2012 een financieringskloof te voorkomen (wanneer de snelstartfinancieringsperiode afloopt) en een pad uit te zetten voor het veiligstellen van de klimaatfinanciering uit diverse bronnen van 2013 tot 2020; is van oordeel dat concrete financieringsverbintenissen gedurende de periode 2013-2020 van essentieel belang zijn om het transformatieproces te versnellen, te voorkomen dat de ontwikkelingslanden te weinig mogelijkheden hebben om het gebruik van fossiele brandstoffen los te laten en ondersteuning te bieden voor de inspanningen van ontwikkelingslanden met het oog op mitigatie en aanpassing aan de klimaatverandering; herinnert eraan dat de meerderheid van de lidstaten nog steeds geen toezeggingen heeft gedaan voor de klimaatfinanciering na 2013;

24.

stelt met bezorgdheid vast dat de industrielanden toegezegd hebben tot 2020 USD 100 miljard voor klimaatfinanciering beschikbaar te stellen, maar dat het tot dusver ontbreekt aan een definitie van „nieuw en aanvullend” waar men het internationaal over eens is;

25.

beklemtoont dat meten, verifiëren en controleren van klimaatfondsen, naast de additionaliteit, van essentieel belang is en dat daarvoor een internationaal overeengekomen definitie nodig is; verlangt dat de EU een gezamenlijke benadering ontwikkelt om te bereiken dat de officiële ontwikkelingshulp niet bij bestaande ontwikkelingsdoelen wordt weggehaald maar echt aanvullend is;

26.

is tevreden over de activiteiten van het werkprogramma over langetermijnfinanciering op het gebied van bronnen voor langetermijnfinanciering en financieringsbehoeften in ontwikkelingslanden, en ziet uit naar het in Doha te bespreken verslag van de covoorzitters;

27.

is van mening dat financiering voor klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden gericht moet zijn op de nu al waarneembare negatieve gevolgen van de klimaatverandering, de ontwikkeling van veerkracht moet stimuleren, in het bijzonder in de armste en kwetsbaarste landen, en moet bijdragen tot het dichten van de ambitiekloof op het gebied van mitigatie vóór 2020, waarbij tegelijkertijd duurzame ontwikkeling wordt ondersteund;

28.

wijst er in dit verband op dat er innovatieve, extra financieringsbronnen (belastingen op internationale financiële transacties en op internationaal luchtvervoer en vervoer over zee) moeten worden ontsloten;

29.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de financiering nieuw en aanvullend is, en innovatieve financieringsbronnen te bevorderen;

30.

benadrukt dat afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen veel potentieel biedt in de vorm van kostenbesparing en terugdringing van broeikasgasuitstoot; verlangt dat in Doha plannen worden goedgekeurd voor de afbouw van subsidies op fossiele brandstoffen, zowel in ontwikkelde landen als in ontwikkelingslanden, met voorrang voor de landen van bijlage I;

31.

is ingenomen met de instelling van de raad van bestuur van het Groen Klimaatfonds (GKF) en ziet uit naar een besluit over de tijdelijke onderbrenging van het GKF-secretariaat in Doha; merkt op dat tijdens de Conferentie van Doha verdere besluiten noodzakelijk zijn om het Groen Klimaatfonds in werking te stellen, zoals in Cancún besloten, in het bijzonder wat betreft de eerste kapitalisatie, en benadrukt de noodzaak financiële steun van de partijen te mobiliseren om het Groen Klimaatfonds operationeel te maken; onderkent dat het Groen Klimaatfonds bepalend is voor de mogelijkheden van de MOL's tot mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, en dat concrete financiële toezeggingen in dit verband van het grootste belang zijn;

32.

beklemtoont dat in de akkoorden van Cancún duidelijk staat dat de middelen die via het GKF aan de ontwikkelingslanden worden verstrekt „nieuw” en „aanvullend” op de bestaande ontwikkelingshulp moeten zijn;

33.

wijst er nog eens op dat de arme landen het minst tot de toenemende concentraties broeikasgassen in de atmosfeer hebben bijgedragen maar dat ze wel het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering en over de geringste aanpassingcapaciteit beschikken;

34.

onderstreept dat beleidssamenhang en mainstreaming van milieu in ontwikkelingsprojecten de kern vormen van een doeltreffende EU-strategie ter bestrijding van en aanpassing aan de klimaatverandering;

35.

dringt er bij de EU en lidstaten op aan dat zij maatregelen ten bate van de armen in de ontwikkelingslanden steunen zodat de levensstandaard voor de allerarmsten omhoog gaat; dringt erop aan dat de EU alleen middelen ter beschikking stelt voor de ondersteuning van klimaatvriendelijke ontwikkelingstrajecten, hetgeen inhoudt dat directe of indirecte EU-steun aan op fossiele brandstoffen gebaseerde industrieën (zoals bij de garantieleningen van de EIB, exportkredietinstellingen enz. het geval is) geleidelijk wordt afgeschaft, zoals de EU op de G20-top in 2009 in Pittsburgh heeft beloofd;

36.

benadrukt dat de economische crisis die zich thans voordoet niet gebruikt moet worden als excuus om niet te handelen of om financiering van aanpassingsmaatregelen in ontwikkelingslanden van de hand te wijzen; wijst erop dat de ontwikkeling van een koolstofarme economie veeleer een belangrijke stap is in de richting van oplossing van de crisis;

37.

verzoekt de industrielanden de ontwikkelingslanden voldoende financiële en technologische steun te bieden bij de toepassing van duurzame en efficiënte technologieën;

38.

is van oordeel dat deze maatregelen de belangen en prioriteiten van ontwikkelingslanden, met inbegrip van lokale kennis, moeten eerbiedigen, de Zuid-Zuid-samenwerking en de rol van landbouw op kleine en middelgrote schaal moeten verbeteren — voldoende rekening houdend met het milieu en ecologisch evenwicht;

39.

benadrukt dat financiële middelen voor klimaatbeschermingsmaatregelen moeten worden verstrekt in de vorm van een nieuwe, aanvullende bijdrage boven op de bestaande ontwikkelingshulp;

40.

herinnert de EU en de lidstaten eraan dat de officiële ontwikkelingshulp essentieel is voor kerndoelen van ontwikkeling zoals zorg en onderwijs, en dat ombuiging in de richting van klimaatfinanciering uit den boze is; verzoekt de EU en de lidstaten voldoende middelen voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen te reserveren, naast de nieuwe en aanvullende middelen voor mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering;

Landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF)

41.

is verheugd over de goedkeuring tijdens de Conferentie van Durban van Besluit 2/CMP 7 als een belangrijke stap op weg naar de invoering van gedegen boekhoudregels voor de LULUCF-sector; constateert dat het besluit in een tweejarig werkprogramma voorziet om na te gaan of er behoefte is aan een meer omvattende boekhouding teneinde de milieu-integriteit van de bijdrage van de sector aan emissiereductie te waarborgen;

42.

herinnert eraan dat een aanzienlijk gedeelte van de broeikasgasemissies in ontwikkelingslanden te wijten is aan veranderingen in grondgebruik en landbouwactiviteiten; roept de EU op om met name in de MOL's agrobosbouw en biologische landbouw te bevorderen, omdat daarmee enerzijds de gevolgen van de klimaatverandering worden verlicht en anderzijds armoede wordt teruggedrongen doordat de lokale gemeenschappen hun inkomsten kunnen diversifiëren;

43.

beklemtoont andermaal dat de productie van biobrandstoffen uit landbouwgewassen (oliehoudende zaden, palmolie, suikerriet, suikerbieten, tarwe) tot een enorme vraag naar grond zou kunnen leiden, met alle gevolgen van dien voor de mensen in arme landen die voor hun levensonderhoud van grond en natuurlijke hulpbronnen afhankelijk zijn;

44.

acht het betreurenswaardig dat de „duurzaamheidscriteria” van de Richtlijn hernieuwbare energie en de Richtlijn brandstofkwaliteit met betrekking tot biobrandstoffen een al te beperkte reikwijdte hebben en ontoereikend zijn om de nadelen van de biobrandstoffenhausse in te dammen, met name door indirecte verandering van bodemgebruik (ILUC); verlangt dat de EU de duurzaamheids- en certificeringscriteria voor biobrandstoffen aanscherpt om te kunnen voldoen aan haar belofte van bestrijding van de klimaatverandering en haar wettelijke verplichting tot beleidssamenhang voor het ontwikkelingsbeleid, zoals voorgeschreven door artikel 208 VWEU;

45.

wijst er nogmaals op dat een toenemend gebruik van biomassa zou kunnen leiden tot intensivering van bosbouwmethoden en beperking van de koolstofopslag in bossen, waardoor de 2 oC-doelstelling in gevaar komt; verlangt dat de EU en de lidstaten alleen die biobrandstoffen accepteren die aantoonbaar bijdragen tot vermindering van de broeikasgasuitstoot, geen problemen met bodemgebruik opleveren, de voedselvoorziening niet in gevaar brengen en niet in botsing komen met het natuurbehoud; verzoekt de Commissie in dit verband bindende duurzaamheidscriteria voor biomassa te ontwikkelen, ILUC-berekeningen in de bestaande duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen te verwerken en ILUC- en koolstofschuldberekeningen in de duurzaamheidscriteria voor bio-energie te verwerken;

Terugdringen van emissies ten gevolge van ontbossing en bosdegradatie (REDD+)

46.

is verheugd over de besluiten van Durban inzake financiering, waarborgen en referentieniveaus; is van mening dat in Doha nog meer vooruitgang moet worden geboekt, met name inzake de technische beoordeling van referentieniveaus voor bossen; constateert bovendien dat REDD+ een belangrijke rol moet vervullen bij het terugdringen van de mitigatiekloof met streefjaar 2020;

47.

onderstreept dat REDD+ volgens het UNFCCC-kader met overheidsgeld gefinancierd zal worden en roept de partijen op blijk te geven van sterke politieke betrokkenheid bij de ontwikkeling van innovatieve financieringsoplossingen;

48.

is tegenstander van het verhandelen van boskoolstof en het verwerken van REDD+ in de koolstofmarkten, aangezien dit zou leiden tot overmatige toewijzing van rechten en een verdere daling van de koolstofprijs;

49.

benadrukt dat een succesvolle uitvoering van REDD+ afhankelijk is van transparantie en de ontwikkeling van gedegen toezichtsystemen;

50.

onderkent het belang van REDD+ voor de aanpak van de bosbouwuitstoot; beklemtoont dat REDD+ geen afbreuk mag doen aan hetgeen tot dusverre is bereikt met Flegt (wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw), in het bijzonder ten aanzien van governance in de bosbouw alsmede de beschrijving en erkenning van op het gewoonterecht berustende bezittingen; verlangt dat de EU zich inzet voor sterkere en gedetailleerder sociale, beheers- en milieuwaarborgen voor REDD+-projecten, zoals mechanismen ter waarborging van de rechten van bosbewoners;

51.

is van mening dat voor de bescherming van bossen langdurig bijzonder stabiele geldstromen vereist zijn; benadrukt dat de vernietiging van bossen weer zal beginnen wanneer de financiering onder een bepaald niveau daalt;

Internationaal lucht- en zeevervoer

52.

dringt andermaal aan op internationale instrumenten met wereldwijde emissiereductiedoelstellingen om de gevolgen voor het klimaat van het internationale lucht- en zeevervoer in te dammen; blijft voorstander van de opneming van de luchtvaart in de EU-regeling voor emissierechtenhandel;

53.

verzoekt de lidstaten alle ontvangsten uit de veiling van emissierechten voor de luchtvaart te gebruiken om de klimaatfinanciering in ontwikkelingslanden vanaf 2013 te versterken;

Klimaatbescherming — in het bijzonder in tijden van economische crisis

54.

onderstreept dat de huidige economische crisis duidelijk aan het licht brengt dat alleen een duurzame economie blijvend welvaart kan genereren en dat klimaatbescherming een van de voornaamste pijlers van een duurzame economie is; onderstreept dat het nog nooit zo belangrijk is geweest expliciete argumenten te geven voor politieke actie ter bescherming van het klimaat, namelijk het bereikbaar maken van een hoge levensstandaard voor meer mensen, en daarbij het veiligstellen van de hulpbronnen en de ruimte voor ontwikkeling, ook voor volgende generaties;

55.

wijst er andermaal op dat de uitdaging van de klimaatverandering niet geïsoleerd kan worden bezien, maar dat deze altijd moet worden aangegaan binnen de context van duurzame ontwikkeling en een duurzaam industrie- en hulpbronnenbeleid;

Structurele hervormingen

56.

is van mening dat de Conferentie van Durban onder meer succesvol was omdat hier de basis is gelegd voor het doorbreken van de vroegere strikte scheiding tussen „partijen” en „waarnemers”, „ontwikkelde landen” en „ontwikkelingslanden” en tussen „landen van bijlage I” en „niet in bijlage I opgenomen landen”, en verzoekt daarom alle deelnemers te streven naar een nieuwe, holistische en alomvattende structuur voor toekomstige onderhandelingen,

57.

is van mening dat het huidige systeem van „toezegging en herziening” niet de fundamentele veranderingen tot stand zal brengen die noodzakelijk zijn om de klimaatverandering blijvend tegen te gaan, en verzoekt derhalve alle partijen ook andere benaderingen in overweging te nemen;

58.

onderstreept dat er geen wondermiddel tegen de klimaatverandering bestaat en vestigt daarom de aandacht op de talrijke mogelijkheden om de noodzakelijke emissiereducties te realiseren, en, nog belangrijker, de noodzakelijke mentaliteitsverandering; is in dit verband ingenomen met het feit dat veel landen reeds ambitieuze mitigatiemaatregelen hebben getroffen en verzoekt de UNFCCC een platform te bieden waarmee de praktijksituatie transparanter kan worden;

Omvorming tot een duurzame economie en industrie

59.

is bezorgd over het feit dat uit gegevens van het IEA blijkt dat de wereldwijde CO2-uitstoot door het gebruik van fossiele brandstoffen in 2011 een recordhoogte heeft bereikt; wijst er andermaal op dat de verwachte wereldwijde stijging van de energieconsumptie gebaseerd zal zijn op de groei van alle energiebronnen; is derhalve van mening dat de EU haar inspanningen om haar economie om te vormen tot een duurzame economie gestaag moet voortzetten, waarmee zij concurrentievermogen op het gebied van duurzame technologie en expertise kan opbouwen; is van mening dat de EU de internationale verbreiding van milieuvriendelijke technologieën moet bevorderen, onder meer op het gebied van hernieuwbare energie, innovatieve en efficiënte technologieën voor fossiele brandstoffen, en in het bijzonder energie-efficiënte technologieën;

60.

roept op tot nauwere samenwerking tussen de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), zodat de EU met één stem kan spreken binnen internationale organisaties als het IEA, het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie (Irena), het Internationaal Partnerschap voor samenwerking inzake energie-efficiëntie (IPEEC) en het Internationaal Agentschap voor atoomenergie (IAEA) en aldus een actievere en invloedrijkere rol kan spelen, in het bijzonder bij het nastreven van duurzaam energiebeleid en op energiezekerheid gericht beleid;

61.

wijst erop dat veel landen zich om diverse redenen in de richting van een nieuwe duurzame economie bewegen, zoals klimaatbescherming, schaarste en efficiënt gebruik van grondstoffen, energiezekerheid, innovatie en concurrentievermogen; wijst bijvoorbeeld op de investeringsprogramma's die gericht zijn op energietransitie in landen als China en Zuid-Korea, en roept de Commissie op deze programma's en hun gevolgen voor het concurrentievermogen van de EU in de betreffende sectoren te analyseren;

62.

staat positief tegenover deze ontwikkelingen en wijst er andermaal op dat internationaal gecoördineerde actie helpt koolstoflekkage en bezorgdheid over het concurrentievermogen in de betrokken sectoren, en met name in de energie-intensieve sectoren, tegen te gaan; dringt aan op een overeenkomst om gelijke internationale concurrentieverhoudingen voor koolstofintensieve industrieën te garanderen;

63.

is bezorgd over de toename van zogeheten geïmporteerde emissies, waarbij de uitstoot door geïmporteerde goederen sneller groeit dan de reductie van binnenslands geproduceerde emissies; meent dat wanneer de EU de geïmporteerde emissies beter in het oog kan houden en de aandacht kan vestigen op de toename ervan, industriële concurrenten wellicht aangespoord worden om mee te doen aan een strengere emissiereductieregeling, teneinde hun producten acceptabeler te maken voor de EU-markt;

64.

onderstreept dat het ambitieniveau van de EU en dat van Europese bedrijven, consumenten en lidstaten ten aanzien van de internationale klimaatonderhandelingen in Doha niet moet worden ingeperkt door de financiële en begrotingscrisis in de EU; is van mening dat de EU niet mag versagen in haar streven naar hervorming van de economie, om te voorkomen dat met name groene banen weglekken, en dat de EU haar internationale partners, waaronder China en de VS, moet zien te overtuigen van de voordelen van een internationale overeenkomst, alsmede van het feit dat emissiereducties haalbaar zijn zonder verlies van concurrentievermogen en arbeidsplaatsen, in het bijzonder indien de reducties collectief worden verwezenlijkt;

65.

onderstreept de noodzaak om in alle takken van bedrijvigheid met spoed een holistische grondstoffen- en hulpbronnenstrategie met een efficiënter gebruik van uitgangsmateriaal te ontwikkelen en in praktijk te brengen, zowel in de industrielanden als in de ontwikkelingslanden om blijvend duurzame economieën te realiseren, en roept de EU en de lidstaten ertoe op hierbij het goede voorbeeld te geven; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de ontwikkelingslanden zowel nationaal als lokaal te ondersteunen door kennis en ervaring op het gebied van duurzame mijnbouwpraktijken, een efficiënter gebruik van grondstoffen en hergebruik en recycling beschikbaar te stellen;

66.

is van mening dat een sectorgewijze aanpak, in combinatie met voor de hele economie geldende plafonds in de industrielanden, een bijdrage kan leveren tot een klimaatacties, concurrentiekracht en economische groei; benadrukt, in verband met internationale onderhandelingen, hoe belangrijk het is om voor industriële emissies een sectorgewijze benadering te volgen, in het bijzonder voor de opkomende landen; spreekt de hoop uit dat deze aanpak ook deel zal uitmaken van een internationaal kader voor de klimaataanpak voor de periode na 2012;

67.

merkt op dat de prijzen van verschillende energiebronnen een grote rol spelen voor de bepaling van het gedrag van de spelers op de markt, zoals bedrijfsleven en consumenten, en wijst erop dat het onvermogen van het huidige internationale beleidskader om de externe kosten volledig te internaliseren het voortduren van niet-duurzame consumptiepatronen in de hand werkt; wijst er voorts nogmaals op dat een wereldwijde koolstofmarkt een goede basis zou vormen om zowel substantiële emissiereducties als billijke concurrentieverhoudingen voor de industrie te helpen bewerkstelligen; dringt er bij de EU en haar partners op aan zo snel mogelijk op zoek te gaan naar de effectiefste manier om het systeem van emissierechtenhandel van de EU nauwer te verbinden met andere emissiehandelsystemen met het oog op de totstandbrenging van een mondiale koolstofmarkt, diversifiëring van de reductiemogelijkheden, toename van marktomvang en -liquiditeit, meer transparantie en ten slotte een efficiëntere allocatie van hulpbronnen voor de energiesector en de industrie;

Research en technologie

68.

is teleurgesteld over het feit dat op de top Rio+20 in Rio de Janeiro geen substantiële voortgang is geboekt over toekomstige cruciale kwesties met betrekking tot duurzaamheid; betreurt het ontbreken van concrete doelstellingen, meetbare activiteiten en toezeggingen van wereldleiders; neemt kennis van de resultaten van de bijeenkomst in Durban, waaronder de vorderingen van het Platform van Durban, de voortzetting van het Protocol van Kyoto en de instelling van het Groen Klimaatfonds ten belope van USD 100 miljard, en de verdere ontwikkeling van een technisch uitvoerend comité voor de invoering van koolstofarme technologieën;

69.

benadrukt dat de ontwikkeling en invoering van vernieuwende technologieën cruciaal zijn bij de bestrijding van de klimaatverandering, maar ook om de partners van de EU wereldwijd ervan te overtuigen dat emissiereducties haalbaar zijn zonder concurrentievermogen en banen kwijt te raken; pleit voor een internationale verbintenis om te zorgen voor meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) ten behoeve van baanbrekende technologieën in de betreffende sectoren; acht het essentieel dat de EU het goede voorbeeld geeft door een substantiële verhoging van haar uitgaven voor onderzoek naar klimaatvriendelijke en energie-efficiënte industriële en energietechnologieën en dat de EU op dit gebied nauwe wetenschappelijke samenwerking ontwikkelt met internationale partners zoals de BRIC-landen en de Verenigde Staten;

70.

is van mening dat innovatie essentieel is om de opwarming van de aarde onder 2 oC te houden en merkt op dat er in een markteconomie verschillende manieren zijn om innovatie te stimuleren; verzoekt de Commissie zich te beraden op diverse mechanismen om bedrijven te belonen die vooroplopen en zich onderscheiden in het vermogen om innovatie te genereren en om technologieën wereldwijd te verbreiden en implementeren; pleit voor de erkenning van het recht van ontwikkelingslanden om ten volle gebruik te maken van de flexibele regelingen die in het kader van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs) geboden worden;

71.

wijst met nadruk op het belang van nauwere samenwerking tussen de EU en de MOL's; is van mening dat de EU inspanningen moet ondersteunen die de MOL's in staat stellen partners en financiering te vinden voor investeringen in duurzame energie en groene technologieën, en roept de Commissie op ideeën te poneren voor gemeenschappelijke onderzoeksprogramma's gericht op alternatieve energiebronnen en op de vraag hoe de EU samenwerking tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden in diverse bedrijfstakken kan stimuleren;

Energie, efficiënt gebruik van energie en grondstoffen

72.

wijst op een recent onderzoek van het IEA waaruit blijkt dat een verbetering van de efficiëntie de duidelijkste route is naar beter energiebeheer in de komende decennia, waarbij investeringen in een klimaatvriendelijk traject naar 2050 zich dubbel en dwars zullen terugbetalen, maar waarbij ook intensieve maatregelen en stimulansen door de overheid vereist zijn;

73.

betreurt dat het energiebesparingspotentieel internationaal en binnen de EU niet adequaat wordt benut; wijst erop dat energiebesparingen nieuwe mogelijkheden bieden voor werkgelegenheid, economische besparingen, energiezekerheid, concurrentievermogen en emissiereducties; verlangt dat de EU meer aandacht besteedt aan energiebesparingen bij internationale onderhandelingen over technologieoverdracht, ontwikkelingsplannen voor ontwikkelingslanden of financiële bijstand; onderstreept dat de EU en haar lidstaten de eigen doelstellingen moeten halen om geloofwaardig te zijn;

74.

wijst erop dat naar schatting twee miljard mensen in de wereld nog steeds geen toegang hebben tot duurzame en betaalbare energie; onderstreept de noodzaak om het energiearmoedeprobleem aan te pakken in overeenstemming met de doelstellingen van het klimaatbeleid; wijst erop dat er energietechnologieën bestaan die zowel op de bescherming van het mondiaal milieu gericht zijn als op lokale ontwikkelingsbehoeften;

75.

acht het betreurenswaardig dat het UNFCCC en het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD) niet voldoende gecoördineerd zijn, waardoor middelen worden verspild en de kans op waardevolle en aanvullende beleidsopties verloren gaat; wijst erop dat uit verscheidene studies, waaronder die naar de economische aspecten van ecosystemen en biodiversiteit („Study on The Economics of Ecosystems and Biodiversity”), blijkt dat het behoud van ecosysteemdiensten via een duurzame aanpak vaak goedkoper is dan verloren gegane functies opnieuw creëren via investeringen in vervangende zware infrastructuur en technologische oplossingen; verzoekt de EU en de lidstaten dan ook op de komende COP 11 in Hyderabad hun klimaatveranderingsdoelstellingen nauw te koppelen aan de doelstellingen voor biodiversiteitsbehoud;

76.

beklemtoont dat er moet worden gestreefd naar betere toegang tot en overdracht van uit milieuoogpunt verantwoorde technologieën overal ter wereld, doch met name in de ontwikkelingslanden, met het oog op betere toegang tot technologische informatie, bevordering van uitwisseling en bundeling van intellectuele-eigendomsrechten met behulp van transparante en veilige mechanismen, alsmede de ontwikkeling van nieuwe mechanismen voor het stimuleren van research die de innovatie niet afgeschermd houdt; verzoekt de EU en de lidstaten daarom de intellectuele-eigendomsrechten ter discussie te stellen om te bereiken dat innovaties die essentieel zijn in de strijd tegen de klimaatverandering vlot gerealiseerd en verbreid kunnen worden;

Klimaatdiplomatie

77.

onderstreept dat de EU zich in het kader van de internationale klimaatonderhandelingen constructief moet blijven opstellen en dat de klimaatdiplomatie van de EU voorafgaand aan Doha door alle EU-instellingen verder moet worden uitgebouwd onder de auspiciën van de EDEO teneinde een duidelijker EU-profiel ten aanzien van het klimaatbeleid te presenteren waardoor een nieuwe dynamiek aan de internationale klimaatonderhandelingen wordt verleend en partners in de gehele wereld, met name de grootste vervuilers, worden aangespoord om ook bindende, vergelijkbare en effectieve emissiereductiemaatregelen en passende mitigatie- en aanpassingsmaatregelen in te voeren;

78.

betreurt dat de reductiedoelstelling van de EU niet strookt met de 2 oC-doelstelling die zij zichzelf heeft gesteld, noch met het kosteneffectieve traject richting de emissiereductiedoelstelling voor 2050;

79.

onderstreept hoe belangrijk (submondiale) allianties met de meeste progressieve landen zijn als middel om een verdere impuls te geven aan het onderhandelingsproces en ervoor te zorgen dat de grootste vervuilers zich ambitieuze en adequate doelen stellen met het oog op de terugdringing van broeikasgasemissies;

80.

onderstreept in dit verband hoe belangrijk het is dat de EU als een belangrijke speler tijdens de Conferentie van Doha met één stem spreekt bij het streven naar vooruitgang op weg naar een internationale overeenkomst, en op dit punt verenigd blijft;

81.

roept de partijen op te erkennen dat de betrokkenheid van de wetgevers bij de onderhandelingen cruciaal is voor het welslagen van het intergouvernementele proces voor een mondiale overeenkomst in 2015, aangezien de stand van de nationale klimaatwetgeving van de partijen de politieke voorwaarden creëert voor de multilaterale onderhandelingen en het algemene ambitieniveau ervan kan bevorderen;

82.

onderstreept de cruciale positie van de beide gastlanden: Qatar, een van de grootste olie- en gasproducenten ter wereld, dat zijn voorraden ziet afnemen maar van alle landen ter wereld nog altijd per hoofd de meeste koolstof uitstoot, en Zuid-Korea, koploper op het gebied van „groene technologie” en het eerste land in Azië dat wetgeving op het gebied van klimaatverandering doorvoert en een „cap-and-trade”-beleid implementeert; vraagt beide landen, die momenteel niet opgenomen zijn in bijlage I, het goede voorbeeld te geven en te helpen bij het smeden van nieuwe allianties;

83.

is bezorgd over het feit dat de informele praktijk, waarbij gewacht wordt op consensus tussen alle Raadsdelegaties, de dringend gewenste klimaatmaatregelen ophoudt, en verzoekt de Raad dan ook te allen tijde overeenkomstig de verdragen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen te besluiten, in het bijzonder bij algemene maatregelen overeenkomstig artikel 16, lid 3, VEU, en met name overeenkomstig artikel 218, lid 8, VWEU „tijdens de gehele procedure” bij de sluiting van internationale overeenkomsten;

84.

merkt op dat de Commissie een routekaart heeft voorgesteld voor een koolstofvrij Europa in 2050, wat een zeer ambitieus, maar haalbaar doel is; bevestigt in dit verband nogmaals te willen bijdragen aan de reductie van broeikasgasemissies, ook buiten het kader van een internationale overeenkomst;

85.

wijst erop dat de opwarming van de aarde onderstreept dat alle landen ter wereld onderling afhankelijk zijn; acht het daarom noodzakelijk een wereldwijd geldende overeenkomst te sluiten waarmee een catastrofale verandering met dramatische gevolgen voor de gehele mensheid kan worden afgewend;

Delegatie van het Europees Parlement

86.

is van mening dat de EU-delegatie bij de onderhandelingen over klimaatverandering een cruciale rol vervult, en acht het dan ook onaanvaardbaar dat de leden van het Europees Parlement de EU-coördinatievergaderingen op de vorige Conferentie van de partijen bij de overeenkomst niet konden bijwonen; verwacht dat ten minste de voorzitter van de delegatie van het Parlement de EU-coördinatievergaderingen in Doha zal kunnen bijwonen;

87.

merkt op dat de Commissie volgens het in november 2010 tussen de Commissie en het Parlement gesloten kaderakoord eraan moet meewerken dat leden van het Parlement als waarnemers zitting nemen in delegaties van de Unie bij onderhandelingen over multilaterale overeenkomsten; herinnert eraan dat krachtens het Verdrag van Lissabon (artikel 218 VWEU) de goedkeuring van het Parlement vereist is voor overeenkomsten tussen de Unie en derde landen of internationale organisaties;

o

o o

88.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek dat ze wordt toegezonden aan alle verdragsluitende partijen buiten de EU.


(1)  PB L 8 van 13.1.2009, blz. 3.

(2)  PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 44.

(3)  PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 1.

(4)  PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 25.

(5)  PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 77.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0504.

(7)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0086.

(8)  PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/114


P7_TA(2012)0453

Uitbreiding: beleid, criteria en de strategische belangen van de EU

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over uitbreiding: beleid, criteria en de strategische belangen van de EU (2012/2025(INI))

(2015/C 419/18)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 2, 21 en 49,

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) (COM(2011)0838/4),

gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Kopenhagen van 21 en 22 juni 1993, van de Europese Raad van Madrid van 15 en 16 december 1995, van de Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 en een van de Europese Raad van Brussel van 14 en 15 december 2006,

gezien de conclusies van de Raad van 5 december 2011 over uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces,

gezien de nieuwe consensus over uitbreiding, die door de Raad in 2006 is vastgesteld, en de geconsolideerde uitbreidingsstrategie die vervolgens door de Commissie ten uitvoer is gelegd,

gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2009 getiteld „De EU vijf jaar na de uitbreiding — Economische prestaties en uitdagingen” (COM(2009)0079/3),

gezien zijn resoluties van 13 december 2006 over de mededeling van de Commissie „Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2006–2007” (1), van 10 juli 2008 over het Strategiedocument betreffende de uitbreiding van 2007 van de Commissie (2), en van 26 november 2009 over het Strategiedocument betreffende de uitbreiding van 2009 over de landen van de Westelijke Balkan, IJsland en Turkije (3), alsook de mededelingen van de Commissie over de uitbreidingsstrategie van 2009-2010, 2010-2011 en 2011-2012,

gezien zijn vorige resoluties over de landen van de Westelijke Balkan, IJsland en Turkije,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A7-0274/2012),

A.

overwegende dat overeenkomstig artikel 49 VEU elke Europese staat die de waarden van menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, eerbiedigt en zich ertoe verbindt deze uit te dragen, een aanvraag kan indienen voor het lidmaatschap van de Europese Unie; overwegende dat deze waarden het fundament zijn van de Europese Unie en leidend zijn voor haar internationale optreden, en door alle lidstaten geëerbiedigd en gehandhaafd moeten worden;

B.

overwegende dat uitbreiding al sinds het begin van de jaren zestig op de EU-agenda staat; overwegende dat sinds de eerste uitbreiding in 1973 de EU gestaag gegroeid is van de zes oprichtende lidstaten tot de huidige 27 (binnenkort 28); overwegende dat een aantal andere landen streeft naar het EU-lidmaatschap, als garantie voor een veilige, democratische en voorspoedige toekomst;

C.

overwegende dat het integratiebeleid in het afgelopen decennium heeft aangetoond dat uitbreiding positief is voor de EU als geheel en de Unie in een betere positie brengt om mondiale uitdagingen aan te gaan;

D.

overwegende dat uitbreiding een succes is geweest voor de EU en Europa als geheel, daar mede dankzij de uitbreiding de verdeeldheid van de Koude Oorlog is overwonnen, de vrede, stabiliteit en welvaart in heel Europa zijn vergroot, de conflictpreventie is verbeterd, hervormingen zijn gestimuleerd, alsook de vrijheid, de democratie, de naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat, de ontwikkeling van de markteconomie en de sociaal en ecologisch duurzame ontwikkeling zijn bestendigd;

E.

overwegende dat twintig jaar na de Europese Raad van Kopenhagen van 1993, die de vooruitzichten op het lidmaatschap voor de landen van Midden- en Oost-Europa heeft bevestigd en de toetredingscriteria heeft vastgesteld, het moment is aangebroken voor een herziening van de bestaande procedures en het uitbreidingsbeleid als geheel, onder voorbehoud van de lopende onderhandelingen;

F.

overwegende dat de toetredingscriteria van Kopenhagen de tand des tijds hebben doorstaan en de kern van het uitbreidingsbeleid blijven; overwegende dat de geconsolideerde uitbreidingsstrategie en de nieuwe nadruk op justitie en binnenlandse zaken, de rechtsstaat en eerbiediging van de grondrechten effectief en doeltreffend moeten zijn;

G.

overwegende dat het Europees Parlement met zijn jaarlijkse resoluties over de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten bijdraagt aan verbetering van de transparantie van het uitbreidingsproces en het afleggen van verantwoording daarvoor, door de meningen van de Europese burgers te verwoorden; overwegende dat na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon de rol van het Europees Parlement is vergroot dankzij de erkenning van zijn medewetgevende bevoegdheden, onder meer ten aanzien van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA);

H.

overwegende dat het vooruitzicht op toetreding een belangrijk hervormend effect heeft op het politieke, sociaaleconomische en culturele landschap van de landen die willen toetreden, en een krachtige stimulans is voor politieke, economische en wetgevende hervormingen en de bevordering van vrede, stabiliteit, verzoening en goede nabuurschapsbetrekkingen; overwegende dat de uitbreiding dankzij dit hervormend potentieel de kwintessens is van de „zachte macht” van de EU en een belangrijk element van haar externe optreden;

I.

overwegende dat engagement, naleving van de voorwaarden en geloofwaardigheid kernelementen van het toetredingsproces zijn;

J.

overwegende dat het van het grootste belang is dat de lidstaten de toetredingscriteria en grondrechten volledig blijven naleven en handhaven om de geloofwaardigheid en samenhang van het uitbreidingsproces te versterken en elke vorm van discriminatie van potentiële nieuwe lidstaten te vermijden;

K.

overwegende dat een verbintenis tot politieke, economische en wetgevende hervormingen allereerst in het belang is van de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten en hun burgers;

L.

overwegende dat elk land dat het EU-lidmaatschap nastreeft op zijn eigen merites beoordeeld moet worden wat betreft de uitvoering en naleving van dezelfde criteria; overwegende dat het tempo van het toetredingsproces moet worden bepaald door de mate waarin uitvoering is gegeven en wordt voldaan aan de toetredingscriteria van de EU alsook de mate waarin invulling is gegeven aan de prioriteiten van het toetredingspartnerschap en het onderhandelingskader; overwegende dat de beoordeling of en in welke mate voldaan is aan de vereisten voor lidmaatschap op de meest eerlijke en transparante wijze tot stand moet komen;

M.

overwegende dat het uitbreidingsproces ook een belangrijk effect heeft op de Europese Unie zelf, omdat het een kans biedt haar identiteit, doelen, waarden en beleid nader te definiëren alsook een geschikt moment om haar burgers daarover beter te informeren;

N.

overwegende dat dit proces in overeenstemming met de vernieuwde consensus over uitbreiding van 2006 gebaseerd moet zijn op consolidatie, voorwaardelijkheid en communicatie alsmede de capaciteit van de EU om nieuwe lidstaten op te nemen; overwegende dat de integratiecapaciteit van de EU een belangrijk element en zelfs een voorwaarde is voor een duurzaam uitbreidingsbeleid en het integratieproces als geheel; overwegende dat deze overweging een positieve impuls is geweest voor institutionele verdieping, zoals is gebleken uit de opeenvolgende herzieningen van het Verdrag bij de opeenvolgende uitbreidingsgolven, waarbij de functies en activiteiten van de Unie zijn uitgebreid;

O.

overwegende dat waarachtige verzoening tussen verschillende naties en volkeren, een vreedzame oplossing van conflicten en het aanknopen van goede nabuurschapsbetrekkingen tussen Europese landen van wezenlijk belang zijn voor duurzame vrede en stabiliteit, en een substantiële bijdrage vormen aan een waarlijke Europese integratie en daarom van cruciaal belang zijn voor het uitbreidingsproces; overwegende dat een aantal al dan niet potentiële kandidaat-lidstaten nog altijd onopgeloste kwesties met de buurlanden heeft en dat alle betrokken partijen zich daarom openlijk moeten inzetten voor het oplossen van bilaterale spanningen; overwegende dat deze kwesties moeten worden opgelost vóór toetreding;

Algemene beschouwingen

1.

steunt het uitbreidingsproces krachtig en is van mening dat het uitbreidingsbeleid geloofwaardig moet blijven en gesteund moet worden door het publiek zowel in de EU, als in de (potentiële) kandidaat-lidstaten; onderstreept derhalve dat de EU en de (potentiële) kandidaat-lidstaten aan alle verplichtingen moeten voldoen en alle verbintenissen moeten nakomen, en de voorwaarden moeten scheppen om het welslagen van toekomstige uitbreidingen te verzekeren, onder meer door de betrokken landen te assisteren bij hun pogingen de criteria voor toetreding tot de EU te vervullen;

2.

erkent de voordelen van het uitbreidings- en toetredingsproces voor de burgers van de (potentiële) kandidaat-lidstaten en de burgers van de EU;

3.

is van mening dat de criteria van Kopenhagen nog altijd een fundamentele basis vormen en zij de kern van het uitbreidingsbeleid moeten blijven; benadrukt dat volledige en rigoureuze naleving van deze criteria een absolute vereiste is, dat de nodige aandacht moet worden besteed aan de sociale gevolgen voor de (potentiële) kandidaat-lidstaten, en dat ten volle rekening moet worden gehouden met de integratiecapaciteit van de Unie;

4.

is van mening dat het begrip „integratiecapaciteit” vier elementen inhoudt:

(i)

toetredende staten moeten bijdragen, en niet afdoen aan het vermogen van de Unie om vaart te houden en haar politieke doelen te bereiken;

(ii)

het institutionele kader van de Unie moet in staat zijn tot een doelmatig en effectief bestuur;

(iii)

de financiële middelen van de Unie moeten toereikend zijn om de uitdagingen van de sociale en economische samenhang en van de gemeenschappelijke beleidsterreinen van de Unie op te pakken;

(iv)

er moet een omvattende communicatiestrategie zijn om de publieke opinie voor te lichten over de gevolgen van de uitbreiding;

5.

benadrukt echter dat de Unie verantwoordelijk is voor het verbeteren van haar integratiecapaciteit bij de afweging van de legitieme Europese aspiraties van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten;

6.

wijst op het feit dat de EU mede dankzij de unieke combinatie van economische dynamiek en een sociaal model nog altijd een grote aantrekkingskracht bezit; betreurt het ten zeerste dat deze sociale dimensie zo sterk onderbelicht is in het uitbreidingsproces; verzoekt de Commissie dit punt op te pakken, met name in het kader van hoofdstuk 19 (sociaal beleid en werkgelegenheid), positieve sociale hervormingen in de toekomstige EU-lidstaten te bevorderen en de nodige aandacht aan sociale rechtvaardigheid te schenken;

7.

wijst erop dat het acquis op sociaal gebied minimumnormen omvat op terreinen als het arbeidsrecht, de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, gezondheid en veiligheid op het werk en non-discriminatie, en dat in de EU-Verdragen de gebondenheid aan het Europees Sociaal Handvest van 1961 en het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989 wordt bevestigd, terwijl ook het EU-Handvest van de grondrechten een aantal fundamentele sociale rechten bevat; benadrukt dat wanneer niet voldaan wordt aan de gemeenschappelijke sociale normen van de EU, er sprake is van een soort sociale dumping, die ten koste gaat van zowel het Europese bedrijfsleven als de werkenden, en een kandidaat-lidstaat ervan kan weerhouden deel te nemen aan de binnenmarkt; wijst erop dat sociale partners en met name vakbonden gerichte EU-steun behoeven om hun capaciteiten te versterken;

8.

is van mening dat de toetredingscriteria adequaat moet worden vertaald in heldere, specifieke en meetbare doelstellingen in het IPA ten einde duidelijk het verband te laten zien tussen door de Unie gefinancierde beleidsmaatregelen in de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten en de vorderingen met het voldoen aan de algemene toetredingscriteria;

9.

onderkent dat de economieën van de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten zich in dezelfde richting moeten ontwikkelen als die van de EU-lidstaten met het oog op een soepelere harmonisatie; moedigt de kandidaat-lidstaten daarom aan om haalbare landspecifieke doelstellingen te formuleren voor elk van de hoofddoelen van EU 2020 voor een slimme, duurzame en inclusieve economie;

10.

vestigt de aandacht op het belang van de criteria van Madrid (zoals gedefinieerd door de Europese Raad van december 1995 in Madrid), waarin wordt benadrukt dat kandidaat-lidstaten in staat moeten zijn de regels en procedures van de EU toe te passen; is van mening dat volgens het beginsel van strikte conditionaliteit de vorderingen van een (potentiële) kandidaat-lidstaat met het overnemen en uitvoeren van de hervormingen in elke fase van het toetredingsproces nauwgezet gemeten moeten worden, op basis van een serie duidelijke criteria, alsook dat landen die willen toetreden tot de EU pas van de ene fase naar de andere kunnen overgaan wanneer aan alle voorwaarden van een bepaalde fase voldaan is; benadrukt dat ook de lidstaten zelf de criteria van Kopenhagen volledig moeten eerbiedigen en nakomen, ten einde de geloofwaardigheid en effectiviteit van de uitbreidingsstrategie te vergroten, om te voorkomen dat er van toetredingslanden hogere normen worden geëist dan in bepaalde delen van de EU gelden; benadrukt de noodzaak van een duidelijker omschrijving van de verschillende fasen, van transparante en eerlijke benchmarks gedurende het gehele proces die de algemene criteria voor lidmaatschap moeten omzetten in concrete stappen op weg naar toetreding, en van evaluaties om te meten of aan de noodzakelijke eisen is voldaan; acht het tevens belangrijk dat er geen toetredingsdatum wordt vastgesteld of toegezegd zolang de onderhandelingen niet zijn afgerond; benadrukt dat het tevens duidelijk moet zijn dat een eenmaal bereikte benchmark moet worden aangehouden en dat een terugval een gepaste reactie moet oproepen van degenen die de benchmarks hebben vastgesteld;

11.

benadrukt dat het doel van het toetredingsproces het volwaardige EU-lidmaatschap is;

12.

verzoekt de Commissie het toezicht op de vooruitgang van het toetredingsproces te handhaven en te intensiveren, alsook haar assistentie aan de (potentiële) kandidaat-lidstaten, om te verzekeren dat zij beter op de toetreding zijn voorbereid, hetgeen zowel die landen zelf als de EU ten goede komt;

13.

is van mening dat met het oog op de geloofwaardigheid van het uitbreidingsproces de integratiecapaciteit van de EU in een vroeg stadium moet worden geëvalueerd en duidelijk naar voren moet komen in het advies van de Commissie voor elke (potentiële) kandidaat-lidstaat, met een uiteenzetting van de belangrijkste punten van zorg en de manieren waarop deze kunnen worden opgelost; is van mening dat dit advies vervolgd moet worden met een uitgebreide effectbeoordeling; benadrukt in dit verband dat voor een succesvolle uitbreiding vereist is dat de EU de capaciteit blijft houden om te handelen, te ontwikkelen, democratisch en efficiënt beslissingen te nemen, en over de financiële middelen beschikt om de economische en sociale samenhang te ondersteunen en om haar politieke doelstellingen na te streven;

Uitbreidingsbeleid

14.

is ingenomen met de nieuwe onderhandelingsmethode voor toekomstige onderhandelingskaders, waarin voorrang wordt gegeven aan vraagstukken op het vlak van de rechtspraak en de grondrechten alsook op dat van justitie en binnenlandse zaken; is van mening dat deze kwesties inderdaad reeds in een vroeg stadium van het toetredingsproces moeten worden aangepakt en dat in het algemeen de hoofdstukken 23 en 24 dienovereenkomstig geopend dienen te worden op basis van actieplannen, omdat die een overtuigende reeks wapenfeiten door de tijd heen vereisen; verzoekt de Commissie het Parlement geregeld te informeren over de vooruitgang op dit vlak, alsook om de maandelijkse pretoetredingsverslagen van de EU-delegaties eveneens aan de leden van de Commissie buitenlandse zaken beschikbaar te stellen wanneer zij dit verzoeken; merkt evenwel op dat de aandacht voor de betreffende terreinen niet ten koste mag gaan van de inspanningen en vooruitgang op andere terreinen in de afzonderlijke toetredingsagenda's van de (potentiële) kandidaat-lidstaten;

15.

acht het van groot belang dat er binnen het uitbreidingsbeleid ruime aandacht besteed wordt aan de opbouw van een doeltreffend, onafhankelijk en onpartijdig rechtssysteem en een transparant democratisch politiek systeem die de rechtsstaat kunnen versterken; benadrukt tevens het belang van alle vormen van vrijheid van meningsuiting, en de noodzaak de mediavrijheid bij de wet en in de praktijk te garanderen en corruptie en georganiseerde misdaad effectief te bestrijden;

16.

onderstreept dat visumliberalisering een goed voorbeeld is van EU-voorwaarden waarin politieke en technische criteria worden gecombineerd met een wenselijk doel en concrete voordelen; verwelkomt en steunt daarom de inspanningen van de Commissie en van belanghebbende landen op dit vlak;

17.

verzoekt de Commissie de administratieprocedure te vereenvoudigen en de administratieve lasten voor IPA-financiering te verminderen, met als doel het instrument toegankelijker te maken voor en de deelname te bevorderen van kleinere en decentrale maatschappelijke organisaties, vakbonden en andere begunstigden;

18.

pleit voor grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en niet-overheidsgebonden actoren en sociale partners van zowel de kandidaat-lidstaten als de lidstaten bij het toetredingsproces; dringt er bij de Commissie op aan een continue dialoog met hen te voeren; dringt er bij de (potentiële) kandidaat-lidstaten op aan ervoor te zorgen dat deze groepen in alle stadia bij de uitbreiding worden betrokken; benadrukt dat het maatschappelijk middenveld een belangrijke motor kan zijn voor toenadering met de EU en druk van onderaf kan genereren voor de uitvoering van de Europese agenda, de transparantie van het proces kan vergroten en de democratische steun voor toetreding verstreken; wijst op het belang van adequate financiële steun, onder meer via de faciliteit voor het maatschappelijk middenveld, met name ter versterking van de capaciteit van maatschappelijke organisaties om de uitvoering van het acquis te volgen; wijst op het belang van samenwerking tussen Europese maatschappelijke organisaties en hun tegenhangers in (potentiële) kandidaat-lidstaten;

19.

wijst met nadruk op de noodzaak van uitbreiding van de administratieve capaciteit en personeel om het acquis te kunnen overzetten, uitvoeren en handhaven; is van mening dat processen in het kader van de uitbreiding niet louter 'technisch' moeten zijn en benadrukt de noodzaak om het toetsingsproces nauwer te koppelen aan de werkelijkheid in het veld; verzoekt de Commissie daarom NGO's, vakbonden en grote belanghebbenden in voorkomende gevallen bij deze exercitie te betrekken;

20.

pleit, omdat het de belangrijke rol van de sociale dialoog in de besluitvorming van de EU onderkent, voor meer nadruk op versterking van de capaciteiten van de sociale partners en de rol van de sociale dialoog in het uitbreidingsproces; vraagt verder meer aandacht voor de ontwikkeling van handhavingsmechanismen, zoals de arbeidsinspectie om werknemers te beschermen en de naleving van hun sociale rechten, gezondheids- en veiligheidsnormen te waarborgen, en om uitbuiting van met name zwartwerkers te bestrijden;

21.

dringt aan op grotere betrokkenheid van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) bij het uitbreidingsproces; wijst op de rol van dit comité in de verspreiding van positieve praktijken onder (potentiële) kandidaat-lidstaten en in het verwerven van steun van het maatschappelijk middenveld voor de zaak van de Europese integratie in de EU; steunt de verdere versterking van de dialoog tussen maatschappelijke organisaties in de EU en de kandidaat-lidstaten en pleit voor hechtere samenwerking tussen het EESC, de Commissie en het Europees Parlement;

22.

roept in herinnering dat het bereiken van duurzaam economisch herstel voor de meeste kandidaat-lidstaten een grote uitdaging is en onderstreept de noodzaak om slimme, duurzame en inclusieve groei te bevorderen overeenkomstig de Europa 2020-strategie; dringt aan op meer steun voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's), die van cruciaal belang zijn voor de sociaaleconomische vooruitgang in alle mogelijke nieuwe lidstaten, en dringt er bij de Commissie op aan te dringen op prioritaire hervormingen waarmee een gunstig regelgevingskader voor innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen met een groot potentieel wordt geschapen; benadrukt tegelijkertijd de noodzaak blijvende aandacht te geven aan de problemen van een groeiende informele sector, hoge werkloosheid en integratie van de meest kwetsbare mensen in de samenleving;

23.

acht het van het grootste belang dat er gewerkt wordt aan een klimaat van tolerantie en wederzijds respect, goede nabuurbetrekkingen en regionale en grensoverschrijdende samenwerking, als noodzakelijke voorwaarde voor stabiliteit en als weg om een waarlijke duurzame verzoening te bereiken; is van mening dat in gebieden met een oorlogsverleden de vervolging van oorlogsmisdaden, de vreedzame co-existentie van verschillende etnische, culturele en religieuze gemeenschappen, de bescherming van minderheden en naleving van de mensenrechten, alsmede de herintegratie van vluchtelingen en ontheemden een fundamenteel onderdeel moeten uitmaken van het toetredingsproces; spoort in dit verband de (potentiële) kandidaat-lidstaten die het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden nog moeten ratificeren, dat te doen; oppert dat in deze gevallen bevordering van onderwijs en het leren van elkaars geschiedenis, taal en cultureel erfgoed tijdens en na het toetredingsproces bevorderlijk zou zijn voor het wederzijds begrip en zou bijdragen aan een historische verzoening;

24.

is van mening dat in het uitbreidingsbeleid meer voorrang moet worden gegeven aan gelijke behandeling van mannen en vrouwen en aan antidiscriminatie; benadrukt dat gelijkheid van mannen en vrouwen een grondrecht is, die een kernwaarde van de EU en een belangrijk beginsel van haar externe optreden vormt, en tegelijk ook enorme mogelijkheden inhoudt voor het bereiken van de doelen van Europa 2020 door bij te dragen tot groei en volledige werkgelegenheid; moedigt de deelname van vrouwen in het toetredingsproces aan en onderstreept het belang van mainstreaming van het beleid inzake gendergelijkheid; benadrukt dat discriminatie op alle mogelijke gronden verboden is en dat de beoordelingen van de EU zich ook moeten uitstrekken tot de rechten van de homo-, bi- en transseksuele gemeenschap en de integratie van minderheden in het politieke, sociale en economische leven;

25.

verzoekt de Commissie om de (potentiële) kandidaat-lidstaten te betrekken bij haar initiatieven inzake sociale inclusie, zoals het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma, om het IPA met het oog hierop beter te mobiliseren en om de (potentiële) kandidaat-lidstaten via het mechanisme van het stabilisatie- en associatieproces aan te moedigen deze doelen te realiseren; verzoekt deze landen actief deel te nemen aan het 'Decennium voor Roma-integratie' en hun grondrechten te garanderen, hun sociale en economische positie te verbeteren en hen toegang tot huisvesting te verzekeren;

26.

is van mening dat elke toetredende staat zijn belangrijkste bilaterale problemen en grote conflicten met buurlanden, met name met betrekking tot territoriale kwesties, moet oplossen alvorens te kunnen toetreden tot de Unie; beveelt ten zeerste aan dat deze kwesties zo vroeg mogelijk in het toetredingsproces worden opgepakt, in een constructieve sfeer van nabuurschap en bij voorkeur vóór de opening van de toetredingsonderhandelingen, zodat deze niet negatief worden beïnvloed; acht het in dit verband van essentieel belang rekening te houden met de algemene belangen van de EU, haar waarden, en de verplichting om volledig te voldoen aan het acquis en de beginselen waarop de EU is gegrondvest;

27.

verzoekt de EU om inspanningen te steunen om onopgeloste conflicten, zoals grensgeschillen, nog voor toetreding op te lossen; spoort, in lijn met de bepalingen van het internationaal recht, het VN-Handvest en de betreffende VN-resoluties, alle partijen in geschillen die — indien zij onopgelost blijven — de tenuitvoerlegging van het acquis kunnen belemmeren of een gevaar vormen voor de internationale vrede en veiligheid, aan om constructief te werken aan een vreedzame oplossing, en, als een bilateraal akkoord onmogelijk blijkt, hun zaak voor te leggen aan het Internationaal Gerechtshof of zich te onderwerpen aan een bindende arbitrageprocedure naar keuze of constructief mee te werken aan een intensieve bemiddeling; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de Raad om te beginnen met de ontwikkeling, overeenkomstig de EU-Verdragen, van een algemeen toepasbare arbitrageprocedure voor de beslechting van bilaterale en multilaterale geschillen;

28.

is ingenomen met initiatieven zoals de positieve agenda over Turkije, de toetredingsdialoog op hoog niveau met de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en de gestructureerde dialoog over de rechtsstaat met Kosovo (4); is ingenomen met het voornemen om het hervormingsproces een nieuwe dynamiek te geven, maar benadrukt dat deze initiatieven op geen enkele wijze de formele onderhandelingsprocedures mogen vervangen, en volledig in overeenstemming moeten zijn met het onderhandelingskader;

29.

benadrukt dat (potentiële) kandidaat-lidstaten verbeteringen moeten boeken op het gebied van democratie, de mensenrechten en verzoeningsprocessen, gebieden die in het uitbreidingsproces altijd prioriteit moeten krijgen en die weerspiegeld moeten worden in de financiële instrumenten; wijst in dit verband erop hoe belangrijk het is dat financiële steun rekening houdt met de noodzaak tot herstel van cultureel erfgoed in conflictgebieden, en dat dit een belangrijke rol vervult voor het opbouwen van vertrouwen en de onderlinge integratie van verschillende etnische en religieuze gemeenschappen;

30.

benadrukt dat het uitbreidingsbeleid van de EU een moderniserings-, democratiserings- en stabiliseringsinstrument is, waarmee tevens wordt beoogd de interne en mondiale rol van de EU te versterken; verzoekt de Commissie bij de behandeling van nieuwe aanvragen voor het EU-lidmaatschap alsook bij aanbevelingen tot het openen of — ingeval van fundamenteel gewijzigde omstandigheden — beëindigen van toetredingsonderhandelingen, uitgebreide effectbeoordelingen uit te voeren;

31.

steunt de inzet van de Commissie om de kwaliteit van het toetredingsproces te verhogen door het meer op merites te baseren, meer gebruik te maken van benchmarks en het transparanter te maken; is ervan overtuigd dat het proces hierdoor eerlijker en objectiever meetbaar wordt en dat de geloofwaardigheid ervan stijgt; adviseert in dit verband duidelijker oordelen op te nemen in de voortgangsverslagen; benadrukt evenwel dat de benchmarks niet mogen leiden tot nieuwe toetredingsvoorwaarden voor (potentiële) kandidaat-lidstaten, maar dat deze de algemene criteria voor lidmaatschap en de doelstellingen van de EU-pretoetredingssteun moeten omzetten in concrete stappen en resultaten op weg naar toetreding, in volledige overeenstemming met het onderhandelingskader;

32.

wijst met nadruk erop hoe belangrijk de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad is voor het welslagen van het toetredingsproces; verzoekt de Commissie een nieuwe aanpak voor dit probleem te volgen door de aandacht van de autoriteiten van aspirant-lidstaten te vestigen op individuele gevallen van stelselmatige corruptie; dringt er bij de Commissie op aan nauw samen te werken met de Groep van staten tegen corruptie (GRECO) en met de instanties voor corruptiebestrijding in de betrokken landen; onderstreept dat de nieuwe aanpak een zeer positief effect zou hebben op het imago van de Unie bij de burgers van de aspirant-lidstaten en de corruptiebestrijding waarschijnlijk zou vergemakkelijken;

33.

verzoekt de Commissie met klem ervoor te zorgen dat de totale financiering voor elke begunstigde in reële cijfers niet daalt; wijst erop dat bij deze berekening rekening moet worden gehouden met het feit dat: a) de ratio van de totale geprogrammeerde IPA-steun aan het BBP van elk land niet mag afnemen in relatieve termen, zelfs als de noemer (BBP) voor elk begunstigd land in reële termen een cumulatieve stijging heeft laten zien in de periode 2007-2013; b) het aantal landen dat in aanmerking komt voor financiering door het toekomstige instrument zal dalen als gevolg van de toetreding van Kroatië, hetgeen de comparatieve verdeling binnen de financieringspool waarschijnlijk zal veranderen; c) met de voorgestelde wijzigingen in het nieuwe instrument, die het onderscheid tussen landen op basis van hun kandidaat-status moeten opheffen, meer landen toegang kunnen krijgen tot financiering — die tot nu toe ontoegankelijk was voor niet-kandidaat-landen — bestemd voor beleidsterreinen gericht op sociaal-economische ontwikkeling; beveelt in deze context aan dat geen enkele begunstigde als gevolg van beperkte EU-middelen mag worden uitgesloten van voldoende en eerlijke toegang tot financiering, met name op het beleidsgebied institutionele opbouw;

34.

wijst erop dat de uitbreiding van de EU moet worden ondersteund met een gecoördineerd, doeltreffender en transparanter communicatiebeleid, waarbij alle EU-instellingen, regeringen en parlementen van de lidstaten alsook vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld betrokken worden, ten einde een open en eerlijk debat over de gevolgen van de uitbreiding te starten, die ook de publieke opinie van zowel de EU-lidstaten als de kandidaat-lidstaten omvat; benadrukt dat een soortgelijk communicatiebeleid in samenwerking met alle actoren ook moet worden gevoerd in de kandidaat-lidstaten;

35.

is van mening dat de steun van EU-burgers voor verdere uitbreiding van de EU alleen kan worden vergroot en dat de burgers van de (potentiële) kandidaat-lidstaten de hervormingen in hun land alleen zullen blijven steunen als duidelijk en uitgebreid voorlichting wordt gegeven over de politieke, sociaaleconomische en culturele voordelen van de uitbreiding; acht het van cruciaal belang dat het publiek wordt uitgelegd hoe het uitbreidingsbeleid de oudere lidstaten nieuwe investerings- en uitvoermogelijkheden heeft opgeleverd en hoe het kan helpen bij de verwezenlijking van de EU-doelstellingen wat betreft conflictpreventie, vreedzame oplossing van conflicten, bestrijding van de economische crisis, het scheppen van banen, bevordering van de arbeidsmobiliteit, milieubescherming en vergroting van de veiligheid en beveiliging en tegelijkertijd hervormingen kan versnellen, de toegang tot financiële middelen kan verbeteren en vervolgens de levensomstandigheden in de uitbreidingslanden kan verbeteren ten gunste van alle Europese burgers, en de sociale en economische onevenwichtigheden kan verkleinen; benadrukt dat voorlichting op alle sectoren van de samenleving moet worden gericht, door bevordering van onder meer een specifiek leerplanonderdeel voor de middelbare school of equivalent niveau, over de achtergrond, de doelstellingen en de werking van de Europese Unie, alsmede de uitbreidingsprocessen; benadrukt tevens de noodzaak om voorlichting op de belangrijkste opiniemakers te richten, zoals journalisten, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, en sociaal-economische actoren en vakbonden; is van mening dat soortgelijke inspanningen van (potentiële) kandidaat-lidstaten moeten worden gestimuleerd en steun verdienen;

Vooruitzichten en de strategische belangen van de Europese Unie

36.

is er stellig van overtuigd dat de EU veel strategische voordelen kan hebben van het uitbreidingsbeleid; onderstreept dat het EU-lidmaatschap stabiliteit verschaft in een snel veranderende wereld en dat dit lidmaatschap perspectief blijft bieden op sociale ontwikkeling en welvaart; is van mening dat uitbreiding een strategisch langetermijnbelang van de EU is dat niet noodzakelijkerwijs langs de lat van kortetermijnvoordelen gelegd kan worden; acht het van belang dat terdege rekenschap wordt gegeven van de substantiële en blijvende waarde van dit beleid als een „zachte” doch essentiële machtsfactor voor de EU;

37.

blijft overtuigd voorstander van verdere uitbreiding en verzoekt de lidstaten om het momentum van het uitbreidingsproces te bewaren; is er volledig van overtuigd dat de EU zich dankzij het Verdrag van Lissabon verder kan uitbreiden en tegelijkertijd de integratie verder kan verdiepen;

38.

wijst er nogmaals op dat het proces niet is afgerond met de loutere omzetting van het acquis en onderstreept het belang van een effectieve tenuitvoerlegging en naleving op de lange termijn van zowel het acquis als de criteria van Kopenhagen; is van mening dat met het oog op de geloofwaardigheid van de toetredingsvoorwaarden ook de EU-lidstaten moeten worden beoordeeld of zij nog steeds de fundamentele waarden van de EU naleven en of ze hun verbintenissen betreffende de werking van democratische instellingen en de rechtsstaat nakomen; verzoekt de Commissie een gedetailleerd voorstel uit te werken voor een controlesysteem op basis van artikel 7 VEU en artikel 258 VWEU;

39.

wijst erop dat een geharmoniseerd, vooruitziend uitbreidingsbeleid een waardevol strategisch instrument kan zijn voor de economische ontwikkeling van de EU en van de regio's, en gericht moet zijn op het creëren van begrotingssynergiën en een betere coördinatie tussen de verschillende maatregelen en de soorten bijstand van de EU, de lidstaten en internationale financiële instellingen, alsook met bestaande instrumenten, met name het IPA, waarbij elke mogelijke overlapping of hiaat in de financiering moet worden vermeden, met name in een begrotingsomgeving die onder druk staat;

40.

merkt op dat de mondiale financiële crisis en de problemen in de eurozone duidelijk hebben aangetoond hoezeer nationale economieën, zowel binnen als buiten de Europese Unie, onderling van elkaar afhankelijk zijn; benadrukt daarom het belang van verdere consolidatie van de economische en financiële stabiliteit en bevordering van de economische groei, met inbegrip van die van de (potentiële) kandidaat-lidstaten; wijst erop, gezien de moeilijke omstandigheden, dat er adequate en meer gerichte financiële pretoetredingssteun aan (potentiële) kandidaat-lidstaten moet worden verstrekt; neemt nota van het voorstel van de Commissie voor een nieuw IPA, dat een verhoogde financiële steun inhoudt voor de financiële vooruitzichten van 2014-2020; benadrukt in dit verband dat de verschillende procedures moeten worden vereenvoudigd en versneld en dat de bestuurscapaciteiten van de begunstigde landen moeten worden versterkt om er zo voor te zorgen dat de EU-programma's een brede deelname kennen en de absorptiecapaciteit van de landen wordt vergroot; wijst erop dat het Europees Parlement in de loop van de gewone wetgevingsprocedure een uitgebreid standpunt inzake het IPA zal presenteren; wijst op het belang van nationale fiscale stabiliteit en de toegenomen gerichtheid op EU-niveau op economisch bestuur; beveelt daarom aan dat de kwestie van gezonde overheidsfinanciën naar behoren worden besproken in het pretoetredingsproces;

41.

benadrukt dat de doelstellingen van Europa 2020 gebaseerd zijn op universele beginselen die een krachtige motor zijn geweest voor het economisch welzijn; beveelt daarom aan dat vooruitgang op het gebied van de kerninitiatieven wordt opgenomen in de pretoetredingsdialoog en met bijkomende financiering wordt gestimuleerd, is van mening dat een koolstofarm groeimodel bijzondere aandacht verdient en tijdens het uitbreidingsproces actief moet worden toegepast;

42.

dringt aan op een permanente dialoog onder donoren en, waar nodig, gebruikmaking van passende structuren voor hulpcoördinatie en -beheer; dringt in deze context aan op nader onderzoek van het gebruik van innovatieve financiële instrumenten die coördinatiestructuren vergen, zoals het investeringskader voor de westelijke Balkan, dat de administratieve structuren voor het IPA aanvult en de steun naar prioritaire beleidsgebieden moet aantrekken, bundelen en kanaliseren; benadrukt het hefboompotentieel op financieel en beleidsvlak van projectfinanciering die gebruik maakt van een combinatie van middelen — zowel van de EU en van lidstaten als van internationale financiële instrumenten — op een wijze die zowel de strikte naleving van goede praktijken voor financieel beheer als de coördinatie van essentiële actoren waarborgt;

o

o o

43.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, IJsland, Kosovo, Montenegro, Servië en Turkije.


(1)  PB C 317 E van 23.12.2006, blz. 480.

(2)  PB C 294 van 3.12.2009, blz. 60.

(3)  PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 47.

(4)  Deze aanduiding laat de standpunten over de status onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/122


P7_TA(2012)0454

Situatie in Gaza

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de situatie in Gaza (2012/2883(RSP))

(2015/C 419/19)

Het Europees Parlement,

gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 19 november 2012,

gezien de persverklaringen van de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-Moon, van 18 en 19 november 2012,

gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012, 18 juli en 23 mei 2011, en 8 december 2009 over het vredesproces in het Midden-Oosten,

gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton van 12 november 2012 over de laatste escalatie van het geweld tussen Gaza en Israël, en van 16 november 2012 over de verdere escalatie van het geweld in Israël en Gaza,

gezien het akkoord over een staakt-het-vuren van 21 november 2012,

gezien de vierde Conventie van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,

gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

gezien de interimovereenkomst over de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook van 18 september 1995,

gezien de Akkoorden van Oslo („Declaration of Principles on Interim Self-Government Arrangements”) van 13 september 1993,

gezien artikel 110, lid 2 en lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de recente escalatie van geweld heeft geleid tot verlies van mensenlevens en onaanvaardbaar lijden veroorzaakt onder de burgerbevolking van beide betrokken partijen;

B.

overwegende dat de Egyptische minister van Buitenlandse zaken Mohamed Kamel Amr en de Amerikaanse minister van Buitenlandse zaken Hillary Clinton op 21 november 2012 in de persconferentie te Caïro een staakt-het-vuren hebben bekendgemaakt; overwegende dat, volgens dit staakt-het-vuren, Israël alle vijandigheden in de Gazastrook ter land, ter zee en vanuit de lucht stopt, met inbegrip van invallen en gerichte acties tegen individuen terwijl alle Palestijnse fracties alle vijandigheden vanuit de Gazastrook tegen Israël stoppen, met inbegrip van raketaanvallen en aanvallen langs de grens;

C.

overwegende dat het Parlement herhaaldelijk zijn steun heeft uitgesproken voor de tweestatenoplossing met de staat Israël en een onafhankelijke, democratische en levensvatbare staat Palestina die in vrede en veiligheid zij aan zij leven, en heeft aangedrongen op het creëren van de omstandigheden voor de hervatting van rechtstreekse vredesonderhandelingen tussen de partijen;

D.

overwegende dat de blokkade van en de humanitaire crisis in de Gazastrook voortduren, ondanks de talrijke oproepen van de internationale gemeenschap, onder meer in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012, om de grensovergangen open te stellen voor humanitaire hulp en voor het verkeer van en naar Gaza van goederen en personen;

E.

overwegende dat het Parlement herhaaldelijk duidelijk heeft gemaakt zeer veel belang te hechten aan de veiligheid van de staat Israël; overwegende dat in de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 eveneens de principiële betrokkenheid van de EU en haar lidstaten bij de veiligheid van Israël wordt herhaald, het expliciet op burgers gerichte geweld, met inbegrip van de raketaanvallen vanuit de Gazastrook, in de scherpste bewoordingen wordt veroordeeld en ertoe wordt opgeroepen de smokkel van wapens naar Gaza doeltreffend te verhinderen;

1.

uit zijn ernstige zorg over de situatie in Gaza en Israël en betreurt het vallen van burgerslachtoffers, ook onder vrouwen en kinderen, ten zeerste; verwelkomt het akkoord over een staakt-het-vuren als bekendgemaakt te Caïro en roept op tot een volledige tenuitvoerlegging ervan; benadrukt dat alle aanvallen onmiddellijk moeten worden beëindigd omdat zij onschuldige burgers een niet te rechtvaardigen leed berokkenen, en dringt aan op een onmiddellijke de-escalatie en het staken van de vijandelijkheden; prijst de inspanningen van Egypte en andere spelers om te bemiddelen met het oog op een duurzaam staakt-het-vuren en verwelkomt de missie in de regio van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties;

2.

veroordeelt de raketaanvallen op Israël vanuit de Gazastrook krachtig, en meent dat Hamas en andere gewapende groeperingen in Gaza deze onmiddellijk moeten beëindigen; benadrukt dat Israël het recht heeft zijn bevolking tegen dergelijke aanvallen te beschermen, maar wijst er tegelijkertijd op dat het hierbij proportioneel moet optreden en de bescherming van burgers te allen tijde moet waarborgen; benadrukt dat alle partijen het international humanitair recht volledig moeten eerbiedigen en dat het moedwillig als doelwit kiezen van onschuldige burgers niet kan worden gerechtvaardigd;

3.

veroordeelt de terroristische aanslag op een bus met burgers in Tel Aviv op 21 november 2012

4.

spreekt nogmaals zijn krachtige steun uit voor de tweestatenoplossing met als basis de grenzen van 1967 en Jeruzalem als hoofdstad van beide staten, waarbij de staat Israël en een onafhankelijke, democratische en levensvatbare staat Palestina in vrede en veiligheid zij aan zij leven;

5.

onderstreept eens te meer dat vreedzame en geweldloze middelen de enige manier zijn om een rechtvaardige en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen tot stand te brengen; dringt opnieuw aan op het creëren van de omstandigheden voor de hervatting van rechtstreekse vredesbesprekingen tussen de twee partijen;

6.

steunt in dit verband het Palestijnse verzoek voor toekenning van de status van „niet-lid/waarnemer van de VN”, en beschouwt dit als een belangrijke stap om de Palestijnse eisen zichtbaarder, sterker en doeltreffender te maken; dringt er bijgevolg bij de lidstaten van de EU en de internationale gemeenschap op aan tot een overeenkomst in deze richting te komen;

7.

spoort de EU en haar lidstaten nogmaals aan een actievere politieke rol te vervullen bij de inspanningen om tot een rechtvaardige en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen te komen; steunt de hoge vertegenwoordiger in haar pogingen om een geloofwaardig perspectief te creëren voor de hervatting van het vredesproces;

8.

roept nogmaals op tot opheffing van de blokkade van de Gazastrook, waaraan, met het oog op de legitieme veiligheidsbehoeften van Israël, de voorwaarde moet worden verbonden dat zij gepaard gaat met een effectief controlemechanisme dat een einde maakt aan de smokkel van wapens naar Gaza; dringt tevens aan op stappen om de wederopbouw en het economisch herstel van Gaza mogelijk te maken;

9.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN, de regeringen en de parlementen van de leden van de VN-Veiligheidsraad, de afgezant van het Midden-Oostenkwartet, de Knesset en de regering van Israël, de president van de Palestijnse Autoriteit en de Palestijnse Wetgevende Raad.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/124


P7_TA(2012)0455

Uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) (12562/2011 — 2012/2138(INI))

(2015/C 419/20)

Het Europees Parlement,

gezien de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) (12562/2011),

gezien het verslag van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 23 juli 2012 aan de Raad over het GVDB,

gezien de conclusies van de Raad van 23 juli 2012 over het GVDB,

gezien de conclusies van de Raad van 1 december 2011 over het GVDB,

gezien het capaciteitsinitiatief van Gent dat in september 2010 op de informele vergadering van de ministers van Defensie van de EU is gelanceerd,

gezien de artikelen 2, 3, 24 en 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien paragraaf 43 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (1),

gezien titel V van het VEU en gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de op 9 december 2003 door de Raad goedgekeurde EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens,

gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

gezien de Europese veiligheidsstrategie (EVS) getiteld „Een veilig Europa in een betere wereld”, die op 12 december 2003 door de Europese Raad is aangenomen, en gezien het verslag over de tenuitvoerlegging van de EVS getiteld „Veiligheid in een veranderende wereld”, dat op 11—12 december 2008 is aangenomen door de Europese Raad,

gezien zijn resolutie van 10 maart 2010 over de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (2),

gezien zijn resolutie van 23 november 2010 over civiel-militaire samenwerking en de ontwikkeling van civiel-militaire capaciteiten (3),

gezien zijn resolutie van 11 mei 2011 over de ontwikkeling van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (4),

gezien zijn resolutie van 14 december 2011 inzake de invloed van de financiële crisis op de defensiesector in de EU-lidstaten (5),

gezien de conclusies van de Raad van 15 oktober 2012 over de situatie in Mali,

gezien artikel 119, lid 1, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0357/2012),

A.

overwegende dat zich momenteel belangrijke veranderingen voordoen in de geostrategische context waarvan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het GVDB deel uitmaken, met name als gevolg van de omwentelingen in het Nabije Oosten en Noord-Afrika (waaronder revoluties, conflicten en/of nieuwe regimes in Libië, Tunesië, Egypte en Syrië), van de opkomst van nieuwe spelers met regionale dan wel mondiale ambities op het internationale speelveld, alsmede van de verschuiving van de prioriteiten van het Amerikaanse defensiebeleid naar de regio Azië-Stille Oceaan;

B.

overwegende dat de mondiale veiligheid tegelijkertijd met grotere bedreigingen en uitdagingen wordt geconfronteerd, hetzij als gevolg van de onduidelijke houding van staten en niet-statelijke actoren die zich bezighouden met programma's welke gevaarlijk naar de proliferatie van massavernietigingswapens (met inbegrip van kernmateriaal) neigen, dan wel door het verloop van lokale crises in de nabijheid van de EU die grote gevolgen voor de regio hebben (zoals het huidige conflict in Syrië), door de ups en downs van het proces van overgang in de Arabische landen en de veiligheidsaspecten hiervan (bijvoorbeeld in Libië en op het schiereiland van de Sinaï), door de ontwikkelingen in de regio Pakistan-Afghanistan nu de NAVO-strijdkrachten binnenkort worden teruggetrokken, en door de toename van de terroristische dreiging in Afrika, met name in het Sahel-gebied, de Hoorn van Afrika en Nigeria;

C.

overwegende dat de klimaatverandering veelvuldig erkend wordt als belangrijke aanjager en versterkende factor van een aantal bedreigingen voor de mondiale veiligheid, vrede en stabiliteit;

D.

overwegende dat de Europese Unie antwoord moet geven op deze bedreigingen en uitdagingen, en wel sprekend met één stem om consistentie te waarborgen, door op basis van solidariteit tussen de lidstaten alle middelen en instrumenten waarover zij beschikt aan te wenden om de vrede en veiligheid van de burgers te verzekeren;

E.

overwegende dat het GVDB, dat deel uitmaakt van het GBVB waarvan de doelstellingen in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn neergelegd, de Unie voorziet van operationele capaciteit die bestaat uit zowel civiele als militaire middelen;

F.

overwegende dat de bijdrage van het GVDB aan vrede en stabiliteit in de wereld moet worden geconsolideerd via de in dit kader uitgevoerde missies en operaties, die onderdeel vormen van de brede benadering van de Europese Unie ten opzichte van een land of een regio, en via de multilaterale samenwerking binnen en met internationale organisaties — met name de Verenigde Naties — en regionale organisaties, met inachtneming van het Handvest van de VN;

G.

overwegende dat ontwapening en non-proliferatie integraal deel uitmaken van het GVDB en meer aandacht moeten krijgen in de politieke dialoog van de EU met derde landen en internationale instellingen, en dat zij een verplichting van de EU-lidstaten vormen krachtens internationale overeenkomsten en verdragen; overwegende dat een dergelijke verbintenis uitstekend samengaat met het doel van versterking van de civiele en militaire capaciteiten in het kader van het GVDB;

H.

overwegende dat het Verdrag van Lissabon belangrijke nieuwe aspecten heeft meegebracht die een versterking van het GVDB veronderstellen, maar dat deze nog lang niet ten volle zijn benut;

I.

overwegende dat de Europese Unie sinds 2003 19 civiele missies en 7 militaire operaties in het kader van het Europese veiligheids- en defensiebeleid en daarna van het GVDB heeft gelanceerd, en dat er momenteel 11 civiele missies en 3 militaire operaties lopen;

Een strategisch kader voor het GVDB

Een nieuw strategisch kader

1.

onderstreept dat de Europese Unie een mondiale politieke speler op het wereldtoneel moet zijn, teneinde de mondiale vrede en veiligheid te vergroten, haar belangen in de wereld te beschermen en de veiligheid van haar burgers te waarborgen; is van mening dat de EU in staat moet zijn zich van haar verantwoordelijkheid te kwijten in geval van internationale dreigingen, crises en conflicten, vooral als deze zich in haar nabijheid afspelen; onderstreept in dit verband dat de EU een samenhangend beleid moet voeren en deze verantwoordelijkheid sneller moet nemen en efficiënter in de praktijk moet brengen;

2.

dringt er in dit verband op aan dat de EU haar strategische autonomie bekrachtigt via een robuust en doeltreffend buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid dat haar in staat stelt zo nodig ook op eigen kracht te handelen; onderstreept dat een dergelijke strategische autonomie een illusie blijft als deze niet door een geloofwaardige civiele en militaire capaciteit geschraagd wordt; herinnert eraan dat een dergelijke strategische autonomie tot stand komt met inachtneming van de bestaande allianties, met name de NAVO, en handhaving van de nauwe trans-Atlantische banden, zoals wordt onderstreept in artikel 42 VEU, en uiteraard op basis van eerbied voor en een versterking van effectief multilateralisme als leidmotief van het optreden van de EU bij de aanpak van internationale crises;

3.

is verontrust dat de EU mogelijk aan strategische macht zal inboeten, niet alleen ten gevolge van de afnemende omvang van de defensiebegrotingen als uitvloeisel van de mondiale en Europese financiële en economische crisis, maar ook van de relatieve en toenemende marginalisering van haar instrumenten en capaciteiten voor crisisbeheersing, met name de militaire middelen; wijst ook op de negatieve impact van het gebrek aan inzet van de lidstaten in dit opzicht;

4.

is van oordeel dat voor de Unie een belangrijke rol is weggelegd als hoedster van de veiligheid van lidstaten en burgers; is ervan overtuigd dat de Unie haar eigen veiligheid en die van haar nabuurschap moet versterken en deze taak niet aan anderen moet overlaten; dringt erop aan dat de EU op zinvolle wijze moet kunnen bijdragen aan vredeshandhavingsoperaties in de wereld;

5.

stelt vast dat de in 2003 ontwikkelde en in 2008 herziene Europese veiligheidsstrategie, ondanks het feit dat de hieraan ten grondslag liggende analyses en constateringen nog steeds gelden, wordt ingehaald door de gebeurtenissen en niet meer volstaat om de wereld van vandaag te beoordelen;

6.

roept de Europese Raad dan ook op om de VV/HV opdracht te geven een witboek voor te leggen over de veiligheid en de defensie van de EU, waarin de strategische belangen van de EU worden gedefinieerd in de context van veranderende dreigingen, in het licht van de capaciteiten van de lidstaten op het gebied van veiligheid, het vermogen van de EU-instellingen om effectief op te treden in het kader van het veiligheids- en defensiebeleid, en de partnerschapsbanden van de EU, in het bijzonder met haar buurlanden en de NAVO, en waarin rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van de dreigingen en met het verloop van de betrekkingen met onze bondgenoten en partners, maar ook met de opkomende landen;

7.

onderstreept het belang van een dergelijk strategisch kader, dat het buitenlands beleid van de EU zal sturen en duidelijke prioriteiten voor haar veiligheidsbeleid zal formuleren;

8.

merkt op dat het witboek zowel gebaseerd zou moeten zijn op de concepten die in het kader van de Europese veiligheidsstrategieën van 2003 en 2008 zijn ingevoerd als op de nieuwe veiligheidsconcepten welke de afgelopen jaren zijn ontwikkeld, zoals het beginsel van „verantwoordelijkheid om te beschermen”, veiligheid van mensen en doeltreffend multilateralisme;

9.

onderstreept dat er in het kader van het Europees Defensieagentschap (EDA) en in samenwerking met de NAVO een technische evaluatie van de sterke en zwakke punten van de EU-lidstaten op militair gebied moet worden uitgevoerd; is van mening dat het witboek de basis zal vormen voor de toekomstige strategische aanpak van de EU en op de middellange en lange termijn richting zal geven aan de ontwikkeling en verwerving van civiele en militaire capaciteiten vanuit het perspectief van het GVDB;

10.

verwelkomt de conclusies van de Raad van 23 juli 2012 over het GVDB en de aankondiging van een in de loop van 2013 te houden Europese Raad over defensieaangelegenheden; spoort de lidstaten en de voorzitter van de Europese Raad aan om het Parlement te betrekken bij de voorbereidingen van die bijeenkomst van de Raad;

11.

spreekt zijn voldoening uit over het verslag van de VV/HV over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes van het GBVB, dat ten dele is gewijd aan veiligheids- en defensievraagstukken; onderstreept evenwel dat er een ambitieuzere toekomstvisie voor het GVDB nodig is; roept de lidstaten op met de steun van de VV/HV ten volle gebruik te maken van dit in het Verdrag van Lissabon voorziene instrument in een context van aanhoudende crises, ook voor de poorten van Europa, waarin de Verenigde Staten hun betrokkenheid hoe langer hoe duidelijker aan het heroverwegen zijn;

12.

spreekt zijn voldoening uit over het initiatief van Weimar waarbij Spanje en Italië zich hebben aangesloten, dat tot doel heeft de agenda van het GVDB nieuw leven in te blazen en waardoor de drie essentiële terreinen, namelijk instellingen, operaties en capaciteiten, een nieuwe impuls hebben gekregen; roept deze landen op hun engagement te handhaven en te blijven streven naar een ambitieuze visie voor het GVDB en ziet hun acties als een model dat alle andere lidstaten zouden moeten navolgen;

Het GVDB als kern van een brede benadering

13.

verwelkomt de conclusies van de Raad van 23 juli 2012 over het GVDB en de aankondiging van een door de Europese Commissie en de VV/HV te presenteren gemeenschappelijke mededeling over de brede benadering; herinnert de Commissie en de VV/HV eraan dat het Parlement daarbij moet worden betrokken;

14.

onderstreept dat de kracht van de EU ten opzichte van andere organisaties schuilt in haar unieke potentieel om het volledige scala van politieke, economische, humanitaire en ontwikkelingsinstrumenten in te zetten ter ondersteuning van haar civiele en militaire crisisbeheersing, missies en operaties onder de paraplu van één enkel politiek orgaan — de VV/HV –, en dat deze brede benadering haar een unieke en zeer gewaardeerde flexibiliteit en doeltreffendheid oplevert;

15.

is evenwel van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de brede benadering moet garanderen dat de Unie op specifieke risico's reageert door de juiste civiele en/of militaire middelen in te zetten; dringt erop aan dat de brede benadering evenzeer moet zijn gebaseerd op het GVDB als op andere instrumenten voor extern optreden;

16.

onderstreept dat het GVDB door deze operaties het belangrijkste instrument voor crisisbeheersing van de EU is, dat het optreden van de Unie politieke geloofwaardigheid en zichtbaarheid verleent en daarnaast politieke controle mogelijk maakt;

Uitvoering van het Verdrag van Lissabon

17.

herinnert eraan dat het Verdrag van Lissabon belangrijke nieuwe aspecten met betrekking tot het GVDB heeft meegebracht die nog steeds niet ten uitvoer zijn gelegd; acht het in dit verband betreurenswaardig dat de VV/HV eerdere resoluties van het Parlement, waarin werd gevraagd om meer actieve en samenhangende stappen om de nieuwe instrumenten van het Verdrag van Lissabon ten uitvoer te leggen, heeft genegeerd:

de Raad kan een groep lidstaten een missie toevertrouwen om de waarden van de Unie te beschermen en haar belangen te behartigen;

er kan een permanente gestructureerde samenwerking worden ingesteld voor lidstaten waarvan de militaire capaciteiten voldoen aan strengere criteria en die ter zake verdergaande verbintenissen zijn aangegaan met het oog op de uitvoering van de meest veeleisende taken;

bij het Verdrag zijn een clausule inzake wederzijdse verdediging en een solidariteitsclausule ingevoerd;

het EDA krijgt belangrijke taken opgelegd ter ontwikkeling van de militaire capaciteiten van de lidstaten, met inbegrip van de versterking van de industriële en technologische basis van de defensiesector, het uitstippelen van een Europees capaciteits- en bewapeningsbeleid en de tenuitvoerlegging van de permanente gestructureerde samenwerking;

er moet een opstartfonds worden vastgesteld voor de activiteiten ter voorbereiding van missies die niet ten laste gaan van de EU-begroting;

18.

verzoekt de VV/HV de impuls te geven die nodig is om het potentieel van het Verdrag van Lissabon zodanig te benutten dat de EU op het wereldtoneel in het kader van haar brede benadering over de hele scala van mogelijke acties beschikt, zij het via haar „soft power” dan wel zo nodig met krachtigere maatregelen, en steeds overeenkomstig het Handvest van de VN;

19.

roept de lidstaten op om actief samen te werken met de VV/HV en de Raad om de bepalingen van het Verdrag van Lissabon met betrekking tot het GVDB tot onderdeel van hun nationale defensiestrategieën te maken;

20.

is ingenomen met de uitbreiding van de missies die in het kader van het GVDB kunnen worden uitgevoerd ten opzichte van de vroegere zogeheten Petersberg-missies, zoals in artikel 43 van het VEU wordt aangegeven; stelt echter vast dat deze ambitie niet tot uitdrukking komt in de besluiten die sinds de oprichting van de EDEO zijn genomen;

Civiele en militaire operaties

21.

wijst erop dat het GVDB tot dusver heeft bijgedragen tot crisisbeheersing, vredeshandhaving en de verbetering van de veiligheid in de wereld; onderstreept dat het GVDB nu in staat moet zijn om in alle soorten crises te interveniëren, ook in zeer ernstige conflicten in de nabije omgeving, en voldoende ambitieus moet zijn om ter plaatse een werkelijke impact te hebben;

22.

stelt vast dat er momenteel 14 operaties lopen, waarvan 11 civiele en 3 militaire; is ingenomen met het feit dat er in de zomer van 2012 drie nieuwe civiele operaties van start zijn gegaan, namelijk in de Hoorn van Afrika (EUCAP Nestor), in Niger (EUCAP Sahel Niger) en in Zuid-Soedan (EUAVSEC South Sudan), en dat er een civiele ondersteuningsmissie op stapel staat voor grenstoezicht in Libië, alsook een opleidingsmissie in Mali; is van mening dat deze missies een eerste signaal vormen dat de agenda van het GVDB opnieuw in beweging komt; onderstreept het belang van verbetering van het kader van uit missies en operaties geleerde lessen;

23.

acht het evenwel betreurenswaardig dat de EU de militaire instrumenten van het GVDB niet ten volle benut, hoewel diverse crises een ingrijpen van de Unie wellicht gerechtvaardigd zouden hebben, onder meer in Libië en in Mali; benadrukt dat de verlening van bijstand voor de hervorming van de veiligheidssector aan landen van de Arabische lente moet worden overwogen, met name aan de landen in Noord-Afrika en de Sahelregio; dringt er in dit verband op aan de lopende planning van eventuele militaire operaties verder te verdiepen en verzoekt tegelijkertijd om een herwaardering van lopende missies;

24.

roept de lidstaten ook op om de daad bij het woord te voegen en de bestaande middelen, protocollen en overeenkomsten te gebruiken om hun capaciteiten ter beschikking van het GVDB te stellen, bijvoorbeeld in de vorm van gevechtstroepen of gezamenlijke task forces;

De westelijke Balkan

25.

herinnert aan en verwelkomt de politieke, strategische en symbolische betekenis van het engagement van de EU op de westelijke Balkan, dat heeft bijgedragen tot vrede en veiligheid in de regio; wijst er echter op dat deze regio nog steeds geconfronteerd wordt met een aantal uitdagingen die een geloofwaardigheidstest voor de Unie vormen; roept de VV/HV en de Raad op de bijdrage van de EU op veiligheidsgebied in de westelijke Balkan opnieuw tegen het licht te houden, waarbij de nadruk met name moet liggen op de versterking van de rechtsstaat, de bescherming van minderheidsgemeenschappen en de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en corruptie;

26.

is ingenomen met de resultaten van de eerste civiele EUPM-missie in Bosnië en Herzegovina die op 30 juni 2012 is afgerond en die parallel met de operatie EUFOR Althea heeft bijgedragen tot de dialoog tussen de constituerende krachten in dit land en tot de consolidering van de rechtsstaat;

27.

stelt vast dat de operatie EUFOR Althea in Bosnië en Herzegovina die in 2004 van start is gegaan, steeds minder middelen ter beschikking had; schaart zich dan ook achter de beëindiging van deze missie en pleit voor een nieuw type EU-bijstand op het gebied van capaciteitsopbouw en training voor het leger van Bosnië en Herzegovina;

28.

steunt de rol van de missie EULEX Kosovo, die in een politiek zeer gevoelige situatie moet opereren, en spreekt zijn voldoening uit over de verlenging van het mandaat van deze missie met nog eens twee jaar, tot 14 juni 2014;

29.

wijst op de positieve rol van de missie bij het ondersteunen van Kosovo in de strijd tegen de georganiseerde misdaad op ieder niveau en het totstandbrengen van een rechtsstaat en een rechterlijke macht, een politiekorps en een douanewezen zonder dat hierop politieke invloed wordt uitgeoefend, op basis van internationale en Europese optimale methoden en normen; neemt kennis van de nieuwe configuratie en inkrimping van de missie en ziet dit als een duidelijk teken van de tot nu toe bereikte vooruitgang;

30.

benadrukt evenwel dat er nog grote inspanningen nodig zijn voordat de EULEX-missie de haar toevertrouwde taken volledig heeft uitgevoerd en het vertrouwen van de Kosovaarse bevolking gewonnen heeft, met name dat van de Servische gemeenschap; verzoekt de missie om haar activiteiten in het noorden van Kosovo te versterken en grondiger onderzoek te verrichten naar en vervolging in te stellen tegen gevallen van corruptie op hoog niveau;

31.

verzoekt de speciale task force van de EULEX-missie zo zorgvuldig en correct mogelijk onderzoek te blijven verrichten naar de vragen die in het rapport van de Raad van Europa zijn gesteld over de beschuldigingen van orgaanhandel; verzoekt EULEX met volledige steun van de bijdragende staten een programma ter bescherming van getuigen op te zetten — met inbegrip van bijvoorbeeld herhuisvesting van getuigen — zodat in een strenge gerechtelijke procedure kan worden nagegaan wat er gebeurd is;

32.

stelt vast dat de aanwezigheid van KFOR onontbeerlijk blijft voor de veiligheid in Kosovo en dat de taakverdeling tussen de militaire missie van de NAVO en de civiele missie van de EU aanleiding blijft geven tot vragen over de doeltreffendheid en bestendigheid ervan; verzoekt de VV/HV dan ook regelmatig verslag uit te brengen over de voortgang van de EULEX-missie, waarvan de voortzetting tot 14 juni 2014 een goede zaak wordt geacht, alsmede over de verkregen resultaten en de verhouding tot het militaire apparaat van de NAVO;

Hoorn van Afrika

33.

is ingenomen met de nieuwe EU-strategie voor de Hoorn van Afrika, die voorziet in een brede benadering om de piraterij en de oorzaken ervan aan te pakken, en met de aansturende rol van de Unie als het gaat om veiligheidsvraagstukken in de regio, die de zichtbaarheid en de geloofwaardigheid van de EU wat betreft het beheer van crises vergroot; verwelkomt de activering van het operationeel centrum van de EU in mei 2012 ter ondersteuning van de GVDB-missies in de Hoorn van Afrika;

34.

stelt vast dat er op dit moment drie operaties (EUNAVFOR Atalanta, EUTM Somalia en EUCAP Nestor) ten behoeve van deze regio aan de gang zijn en onderstreept dat het engagement van de EU gekoppeld moet blijven met de inspanningen van de internationale gemeenschap, in de eerste plaats de Afrikaanse Unie (AU), zodat Somalië een functionerende en democratische staat krijgt; is van mening dat het centrum voor EU-operaties de coördinatie in de context van de strategie voor de Hoorn van Afrika ten goede komt;

35.

beveelt gezien de ontwikkelingen in Somalië op politiek en veiligheidsvlak aan dat de lidstaten en de VV/HV, in overleg met de rechtmatige autoriteiten van Somalië, de AU en de Intergouvernementele autoriteit voor ontwikkeling (IGAD) alsook met de Verenigde Staten, de mogelijkheid onderzoeken om een proces voor hervorming van de veiligheidssector (SSR) in te voeren;

36.

is ingenomen met de lancering van de missie EUCAP Nestor en dringt er bij Tanzania op aan akkoord te gaan met deze missie, die bedoeld is ter versterking van de maritieme defensiecapaciteit van Djibouti, Kenia en de Seychellen en ter ondersteuning van de rechtsstaat in Somalië (in eerste instantie Puntland en Somaliland) door middel van de totstandbrenging van een politiemacht voor de kustgebieden die verantwoording moet afleggen en een rechterlijke macht die de rechtsstaat, het beginsel van transparantie en de mensenrechten volledig eerbiedigt;

37.

dringt erop aan dat de EUCAP Nestor-missie wordt gecoördineerd met andere initiatieven op het gebied van veiligheid op zee, zoals MARSIC en MASE, respectievelijk gefinancierd via het Stabiliteitsinstrument en het Europees Ontwikkelingsfonds; beveelt aan de EUCAP Nestor-missie uit te breiden tot andere landen zodra de voorwaarden hiervoor aanwezig zijn;

38.

spreekt zijn waardering uit voor de essentiële bijdrage van de operatie EUNAVFOR Atalanta bij de bestrijding van piraterij in de golf van Aden en in het westelijk deel van de Indische Oceaan, en voor de bijdrage die deze operatie heeft geleverd aan de humanitaire situatie en de maritieme veiligheid, via de bescherming van schepen van het Wereldvoedselprogramma en andere kwetsbare schepen, en stemt in met de uitbreiding van het mandaat hiervan tot en met december 2014; gaat ook akkoord met de uitbreiding van het werkterrein van deze missie tot de kustgebieden en de territoriale wateren, alsmede tot de binnenwateren van Somalië; verzoekt de lidstaten adequate middelen — zowel op zee als in de lucht — voor deze operatie te leveren en roept de handelsschepen op zich aan goede navigatiemethodes te houden om het risico van overvallen te beperken; is ingenomen met de bijdrage van Nederland aan de operatie Atalanta in de vorm van een aan boord meevarend beschermingsteam dat de veiligheid van de passagiers moet waarborgen en roept de overige lidstaten op vergelijkbare bijdragen te leveren;

39.

is van mening dat piraterij gelijk staat aan georganiseerde misdaad en dat er met het oog op de vrijheid van de handel en de bescherming van een essentiële vaarroute voor moet worden gezorgd dat piraterij niet langer economisch interessant is en bij de wortel wordt aangepakt door middel van een langetermijnengagement dat goed bestuur en autonome, legitieme economische kansen voor de bevolking bevordert; verzoekt de Commissie en de Raad alle nodige maatregelen te treffen om de traceerbaarheid van uit deze activiteit voortkomende geldstromen te waarborgen en de uitwisseling van informatie tussen EUNAVFOR Atalanta en Europol te vergemakkelijken;

40.

wijst op de positieve rol die de missie EUTM Somalië in nauwe samenwerking met Oeganda, de AU en de Verenigde Staten heeft vervuld bij het opleiden van meer dan 3  000 Somalische rekruten, waarvan er ca. 2  500 reeds in de Somalische veiligheidstroepen zijn opgenomen, en bij het bevorderen van de rechtsstaat; is van mening dat de missie in aanzienlijke mate heeft bijgedragen aan de verbetering van de situatie in en rond Mogadishu door de versterking van de Somalische veiligheidstroepen en AMISOM; dringt erop aan om de inspanningen van de missies te concentreren op het opzetten van verantwoording verschuldigde, transparante commando- en controlestructuren en een financieel kader dat de regelmatige betaling van lonen mogelijk maakt, en op het minimaliseren van het aantal opgeleide soldaten dat deserteert;

41.

is het eens met de verlenging van het mandaat van de missie EUTM Somalia tot en met december 2012 en de nadruk die wordt gelegd op de commando- en controlecapaciteit, de gespecialiseerde capaciteit en het vermogen van de nationale Somalische veiligheidstroepen om eigen opleidingen te bieden, met het oog op het overdragen van de opleidingstaken aan lokale actoren; stelt vast dat de EU haar opleidingsinspanningen tot na 2012 moet voortzetten en verzoekt de EDEO in dit verband na te gaan of het mogelijk is, zodra de veiligheidssituatie in Somalië dit toelaat, deze opleiding volledig of gedeeltelijk te verleggen naar de gebieden in Somalië die onder controle van de autoriteiten zijn, teneinde de veiligheidssituatie te verbeteren; beveelt aan dat de EUTM Somalia-missie nauwer moet kunnen worden betrokken bij het proces van aanwerving en herintegratie van personeel dat deze militaire opleiding geniet;

42.

onderstreept dat het operatiemodel van de EUTM, dat de EU in ruil voor een vrij bescheiden financiële, materiële en personele investering een belangrijke regionale rol in Oost-Afrika verleent, ook in andere gebieden zou kunnen worden toegepast, met name in de Sahel;

De Sahel

43.

spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het ontstaan van een gebied van instabiliteit in de Sahel, die gekenmerkt wordt door de verwevenheid van criminele activiteiten, met name drugs-, wapen- en mensenhandel alsmede gewapende acties van radicale terroristengroeperingen, die de territoriale integriteit van de staten in deze regio aantasten en die wel eens zouden kunnen leiden tot een blijvende zone van straffeloosheid op een deel van het grondgebied van Mali en tot uitbreiding ervan naar de buurlanden, zodat er een nog grotere bedreiging ontstaat voor de Europese belangen en Europese onderdanen, die nu al geconfronteerd worden met moord en ontvoering; benadrukt dan ook de noodzaak om een stabiele regering in Mali te ondersteunen om het uiteenvallen van het land te voorkomen, alsook het brede overloopeffect dat dit kan hebben in de zin van proliferatie van criminaliteit en conflicten;

44.

onderstreept de veiligheidsdreiging die van deze situatie uitgaat voor de hele Europese regio; dringt er in dit verband bij de VV/HV en de Raad op aan de in maart 2011 goedgekeurde EU-strategie voor de Sahel snel en volledig ten uitvoer te leggen en de nodige inspanningen op veiligheidsgebied te doen, eventueel door middel van GVDB-missies, teneinde de staten in deze regio te helpen hun capaciteiten in de strijd tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en terroristische groeperingen te versterken;

45.

is ingenomen met de lancering van de EUCAP Sahel Niger-missie die tot doel heeft Niger te helpen de veiligheidslacunes aan te pakken; stelt vast dat deze missie volledig past in de brede strategie voor de Sahel, maar acht het betreurenswaardig dat zij slechts op één enkel land is gericht terwijl andere landen in de regio, met name Mali, hun capaciteiten dringend en krachtig moeten uitbreiden en een antwoord moeten bieden op de bedreiging van hun regionale integriteit;

46.

verwelkomt de unanieme goedkeuring door de VN-veiligheidsraad, op 12 oktober 2012, van Resolutie 2071 over Mali; merkt op dat regionale en internationale organisaties, met inbegrip van de EU, in deze resolutie worden verzocht om gecoördineerde bijstand en hulp op het gebied van expertise, opleiding en capaciteitsopbouw te verlenen aan de strijdkrachten en veiligheidstroepen in Mali (…) teneinde het staatsgezag in Mali te herstellen; roept de VN-veiligheidsraad op om een resolutie aan te nemen waarin formeel goedkeuring wordt verleend voor een nieuwe Afrikaanse missie met de steun van de internationale gemeenschap, naar het voorbeeld van de steun aan AMISOM in Somalië;

47.

is ingenomen met de conclusies van de Raad van 15 oktober 2012 over de situatie in Mali, waarin dringend wordt gevraagd de planning van een eventuele militaire GVDB-operatie voort te zetten, met name via het ontwikkeling van een concept voor crisisbeheersing met betrekking tot de reorganisatie en training van de Malinese defensietroepen;

48.

verwelkomt het besluit van de staatshoofden en regeringsleiders van de ECOWAS van 11 november 2012 om een stabilisatiemacht van ten minste 3  200 manschappen in te zetten, met een mandaat van een jaar.

49.

roept op de planning voort te zetten van een operatie ter ondersteuning, in overleg met ECOWAS, van de herstructurering van de strijdkrachten in Mali, met het doel de doeltreffendheid van de veiligheidstroepen van dit land te verbeteren en het in staat te stellen opnieuw controle over zijn grondgebied te krijgen;

Libië

50.

spreekt zijn voldoening uit over de humanitaire hulp en de civiele bescherming die de Commissie en de lidstaten in het verleden aan Libië en zijn buurlanden hebben verleend ter ondersteuning van VN-organisaties; is echter van mening dat de crisis in Libië voor de EU een gelegenheid zou zijn geweest om blijk te geven van haar vermogen om een breder opgezette handelwijze toe te passen, ook in militair opzicht, met volledige eerbiediging van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, indien zich een ernstige crisis voordoet in haar onmiddellijk nabuurschap die de stabiliteit van haar nabije omgeving rechtstreeks beïnvloedt; betreurt het dat het ontbreken van een gemeenschappelijke politieke wil onder de lidstaten en de ideologisch getinte terughoudendheid om de Unie haar eigen capaciteiten te laten inzetten ertoe hebben geleid dat de Unie een bijrol kreeg; stelt vast dat enkele leden van de VN-Veiligheidsraad aarzelden om de EU toestemming te geven voor haar humanitaire militaire operatie in Libië;

51.

roept de VV/HV op alle mogelijke lessen uit de crisis in Libië te trekken, zowel wat betreft het besluitvormingsproces in de EU als het militair ingrijpen van de NAVO, in termen van capaciteit maar ook en vooral in termen van coherentie en politieke solidariteit tussen de lidstaten, als wat betreft de relatie tussen de EU en het GVDB enerzijds en de NAVO anderzijds;

52.

is van oordeel dat de EU een belangrijke rol kan vervullen in het institutionele overgangsproces in Libië, met name op het gebied van demobilisatie en integratie van de leden van de revolutionaire brigades, herstructurering van de strijdkrachten en steun aan toezicht op de maritieme en landsgrenzen; betreurt het dat de bijdrage van de EU aan de veiligheidssector nog steeds niet concreter is geworden en dat de problemen bij het uitwerken en uitvoeren van deze bijdrage alle ruimte bieden voor bilaterale initiatieven waarvan de zichtbaarheid en coherentie te wensen overlaten; schaart zich achter bespoediging van de werkzaamheden voor de planning van een civiele missie ter ondersteuning van het grenstoezicht;

Zuid-Soedan

53.

neemt kennis van de lancering van de EUAVSEC South Sudan-missie die tot doel heeft de veiligheid van de luchthaven van Djouba te verbeteren; vraagt zich evenwel af of het een goede beslissing is geweest om een GVDB-missie in te zetten voor de beveiliging van deze luchthaven, aangezien deze taak ook door de Commissie via het Stabiliteitsinstrument uitgevoerd had kunnen worden;

Democratische Republiek Congo

54.

onderstreept het belang van de Democratische Republiek Congo voor de vrede en stabiliteit in Afrika en spreekt zijn steun uit aan de actie van MONUSCO ter bescherming van de burgerbevolking in het oosten van het land;

55.

is ingenomen met de inspanningen van de EU in het kader van de twee missies — EUSEC RD Congo en EUPOL RD Congo — ter consolidering van de rechtsstaat in dit land; stelt evenwel vast dat de twee missies van onvoldoende middelen zijn voorzien, gemeten aan de omvang van hun respectieve taken, en dat er actieve samenwerking met de Congolese autoriteiten nodig is om tastbare resultaten te verkrijgen;

Afghanistan

56.

is ingenomen met de EUPOL-missie in Afghanistan, die tot taak heeft een civiele politiemacht en een juridisch bestel in het leven te roepen dat de Afghanen in staat stelt eigen verantwoordelijkheid voor deze taken te nemen met het oog op de wederopbouw van de Afghaanse staat; onderstreept dat deze missie, die tot 31 mei 2013 moet duren en eventueel tot 31 december 2014 wordt verlengd, deel uitmaakt van de algemene inspanningen van de internationale gemeenschap om de Afghaanse bevolking in staat te stellen haar lot in eigen handen te nemen zodra de NAVO-troepen zich in 2014 terugtrekken; verzoekt de VV/HV en de Raad zich in overleg met het Europees Parlement grondig te beraden over de ontwikkeling van de algemene inzet van de Unie, en de EUPOL-missie in het bijzonder, in de context van Afghanistan na 2014;

De Palestijnse gebieden

57.

is van mening dat de opleidingsmissie EUPOL COPPS ten behoeve van de civiele Palestijnse politiemacht, die tot doel heeft de Palestijnse Autoriteit bij te staan bij de versterking van de instellingen van een toekomstige Palestijnse staat op het gebied van openbare orde en strafrecht onder Palestijns beheer en overeenkomstig de hoogste internationale normen, een succes is; stelt vast dat deze missie deel uitmaakt van de inspanningen van de EU ten behoeve van de oprichting van een Palestijnse staat die in vrede naast Israël bestaat;

58.

betreurt dat de EUBAM Rafah-missie haar operaties heeft gestaakt sinds Hamas de controle over de Gazastrook heeft overgenomen en dat de omvang ervan is ingeperkt, maar onderstreept dat de aanwezigheid van deze missie in de regio signaleert dat de EU bereid is bij te dragen tot alle acties die de dialoog tussen Israëli's en Palestijnen kunnen vergemakkelijken; betreurt het dat de Israëlische regering het hoofd van de EUPOL COPPS-missie geen toestemming heeft verleend om tegelijkertijd aan het hoofd van de EUBAM Rafah-missie te staan en dat het hoofdkwartier van deze missie in Tel Aviv gevestigd is en niet in Oost-Jeruzalem;

Georgië

59.

onderstreept dat de waarnemingsmissie EUMM Georgia een positieve rol heeft gespeeld, met name bij het ondersteunen van de dialoog en het herstel van de vertrouwen opbouwende maatregelen tussen de partijen, maar betreurt het dat deze missie nog steeds geen toestemming heeft gekregen om de bezette gebieden in Abchazië en Zuid-Ossetië te bezoeken, terwijl Rusland door het Europees Parlement, de NAVO, de Raad van Europa en een aantal lidstaten is aangemerkt als bezettingsmacht;

Irak

60.

stelt vast dat de missie EUJUST LEX-Iraq, waarvan het mandaat tot 31 december 2013 is verlengd, de eerste geïntegreerde missie „Rechtsstaat” van de EU is geweest met als doel een professioneel strafrechtelijk bestel in Irak in te voeren dat is gebaseerd op de rechtsstaat; stelt echter vast dat de situatie in Irak nog verre van stabiel is, zoals blijkt uit de aanslagen die regelmatig in het land plaatsvinden, een situatie die verder wordt verergerd door de uiterst onzekere regionale context;

Uitwisseling van ervaringen

61.

stelt vast hoe belangrijk het is dat er ervaringen worden uitgewisseld over de missies en operaties die in het kader van het GVDB plaatsvinden en spreekt zijn voldoening uit over het werk dat in dit verband verricht is door het directoraat crisisbeheersingsplanning van de EDEO en de EUMS; verzoekt de VV/HV regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de resultaten van deze werkzaamheden;

62.

is van mening dat met name de ervaringen uit civiele missies en operaties belangrijk zijn; wijst erop dat de EU op dit terrein uiterst actief is en opmerkelijke resultaten heeft geboekt; is van mening dat de toegevoegde waarde van de civiele operaties van de EU in aanmerking moet worden genomen bij de coördinatie van de inspanningen met onze partners en bondgenoten in de context van de aanpak van internationale crises;

Capaciteiten en uitvoeringsstructuren voor operaties

63.

stelt vast dat de militaire operaties van de Unie nog steeds maar al te vaak te kampen hebben met problemen in verband met het tot stand brengen van troepen en dat de geloofwaardigheid van het GVDB op het spel staat als gevolg van ontbrekende capaciteiten; roept de lidstaten dan ook op zich gereed te blijven houden om gekwalificeerd personeel en kwalitatief hoogstaand materieel te leveren;

64.

merkt op dat de crisisbeheersingsstructuur binnen de EDEO onderbezet blijft, zowel in civiel als in militair opzicht, hetgeen het reactievermogen beperkt en ertoe bijdraagt dat het GVDB naar de achtergrond schuift; verzoekt de VV/HV zo spoedig mogelijk verandering in deze situatie te brengen; wijst erop dat er een rechtstreeks contact moet zijn tussen de VV/HV en de crisisbeheersingsstructuur van het GVDB;

Civiel personeel en civiele capaciteiten

65.

onderstreept welke moeilijkheden de lidstaten ondervinden bij het beschikbaar stellen van voldoende gekwalificeerd en opgeleid personeel voor de civiele missies die in het kader van het GVDB worden uitgevoerd; verzoekt de Commissie en de EDEO te onderzoeken hoe de lidstaten kunnen worden bijgestaan bij het verhogen van het aantal politiefunctionarissen, rechters en hooggespecialiseerd personeel op het gebied van overheidsadministratie dat kan worden ingezet in civiele GVDB-missies;

66.

neemt kennis van de verlenging van het Civiel hoofddoel 2010 na deze datum en acht het een goede zaak dat er een meerjarig ontwikkelingsprogramma voor civiele capaciteiten is vastgesteld; roept de lidstaten en met name de desbetreffende ministers op alles in het werk te stellen om dit programma ten uitvoer te leggen;

67.

onderstreept de noodzaak om, in aanvulling op de in het Civiel hoofddoel genoemde capaciteiten, die betrekking hebben op politiefunctionarissen, rechters en hooggespecialiseerd personeel op het gebied van overheidsadministratie, effectievere bemiddelingsrichtsnoeren en -capaciteiten te ontwikkelen om tijdig en op gecoördineerde wijze toereikende bemiddelingsinstrumenten ter beschikking te kunnen stellen;

68.

stelt met bezorgdheid vast dat in sommige lidstaten de aanwijzing, coördinatie en inzet van civiel personeel voor GVDB-missies nog steeds hinder ondervindt van de toepassing van uiteenlopende nationale methodes en criteria; dringt aan op meer coördinatie tussen de lidstaten en vaststelling van optimale methodes op dit gebied;

69.

betreurt het in dit verband dat de VV/HV en de lidstaten in het verleden zijn voorbijgegaan aan resoluties van het Europees Parlement waarin werd verzocht om voldoende en bekwaam civiel personeel en substantiële capaciteiten; herinnert in dit verband aan de conclusies van de Raad van 21 maart 2011 over de civiele capaciteiten van het GVDB en is van mening dat deze nog steeds geldig zijn, namelijk:

er moet een opstartfonds worden vastgesteld voor de activiteiten ter voorbereidinaantrekken van voldoende gekwalificeerd en opgeleid personeel;

ontwikkelen van adequate faciliteiten voor missies, waaronder een voltooide versie van Goalkeeper; soepelere voorbereidende maatregelen; betere mechanismen voor het uitrusten van civiele missies (met inbegrip van de totstandbrenging van een permanent opslagsysteem);

verdere uitvoering van voorbereidende activiteiten voor civiele missies, conform de desbetreffende bepalingen van het VEU;

versterken van de effectbeoordeling en van het in de praktijk brengen van de geleerde lessen;

intensiveren van de samenwerking met derde landen en internationale organisaties;

Militair personeel en militaire capaciteiten

70.

stelt vast dat de EU momenteel wordt geconfronteerd met aanzienlijke financiële beperkingen en dat de lidstaten om zowel financiële en budgettaire als politieke redenen, die al dan niet verband houden met de crisis in de eurozone, momenteel naar verlaging of hooguit handhaving van het niveau van hun defensiebudget streven; wijst op de potentiële negatieve gevolgen van deze maatregelen voor hun militaire capaciteiten en bijgevolg voor het vermogen van de EU om zich op effectieve wijze van haar verantwoordelijkheden op het gebied van vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid te kwijten;

71.

stelt vast dat de militaire capaciteiten en de bewapening in Azië, en met name in China, de afgelopen tijd zijn toegenomen; dringt erop aan de dialoog met de regio te verdiepen en meer aandacht te besteden aan veiligheids- en defensievraagstukken;

72.

onderstreept met name dat de toename van het aantal externe operaties in de afgelopen jaren, zij het in Irak, Afghanistan dan wel Afrika — met inbegrip van Libië –, een grote financiële belasting was en is voor de landen die aan deze operaties deelnamen of deelnemen; stelt vast dat deze kosten rechtstreeks van invloed zijn op het personeelsverloop en de voortijdige slijtage van materieel, maar ook op de bereidheid van landen om aan GVDB-operaties deel te nemen, gezien hun budgettaire en capaciteitsbeperkingen;

73.

onderstreept dat de defensiebudgetten van alle lidstaten tezamen absoluut gezien vergelijkbaar zijn met de uitgaven van de belangrijkste opkomende staten en dat het probleem dus minder van budgettaire dan politieke aard is, zowel waar het gaat om het definiëren van een Europese industriële en technologische basis als om het bundelen van bepaalde operationele capaciteiten; wijst erop dat EU-brede consortia, gezamenlijke initiatieven en fusieprojecten tussen Europese ondernemingen kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van een Europese defensie-industrie;

74.

stelt vast dat de militaire actie in Libië die door Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk met steun van de VS werd opgestart en door de NAVO werd overgenomen, de aandacht heeft gevestigd op het vermogen van bepaalde Europese landen om in te grijpen in een hooglopend conflict, maar ook op de moeite die het hen kost om een dergelijke actie te blijven voeren als gevolg van het gebrek aan fundamentele capaciteiten zoals het bijtanken tijdens vluchten, het vergaren van informatie en de inzet van precisiewapens;

75.

herinnert aan zijn resolutie van 14 december 2011 over de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiesector van de lidstaten en onderstreept dat deze aanbevelingen nog steeds gelden voor de ontwikkeling van de militaire capaciteiten van de lidstaten in de zin van het delen en bundelen van middelen;

76.

verwelkomt bilaterale overeenkomsten als het Frans-Britse verdrag over militaire samenwerking en roept de andere lidstaten op om soortgelijke bilaterale en multilaterale overeenkomsten inzake militaire samenwerking en integratie te sluiten, als belangrijk instrument om kosten te besparen, doublures te vermijden en van onderop een proces in gang te zetten voor de opbouw van het GVDB en de toekomstige integratie van de veiligheid in de EU;

77.

is ingenomen met de eerste vooruitgang die is geboekt met het initiatief „pooling and sharing” van de EU en spreekt zijn lof uit voor het werk van het EDA, dat elf prioritaire actieterreinen heeft opgeleverd; onderstreept met name de vooruitgang die op de volgende vier terreinen is geboekt: bijtanken tijdens de vlucht, toezicht op zee, medische ondersteuning en opleiding; dringt er evenwel op aan dit initiatief van een strategisch kader te voorzien;

78.

betreurt het evenwel dat het initiatief tot dusver nog geen van de in het Hoofddoel 2010 vastgestelde lacunes heeft gedicht; neemt kennis van de aarzeling bij de lidstaten om het voortouw te nemen bij een van de driehonderd in april 2011 door de EUMS voorgestelde projecten voor het bundelen en delen van capaciteiten;

79.

verzoekt de lidstaten voorafgaand aan de volgend jaar te houden Europese Raad over defensie de bestaande capaciteiten in de EU te inventariseren en het initiatief uiteindelijk duurzaam te maken teneinde een Europees defensieplanningsproces te kunnen initiëren;

80.

is ingenomen met het voorstel van het EDA om een vrijwillige gedragscode inzake bundelen en delen te ontwikkelen teneinde de samenwerking tussen lidstaten bij verwerving, gebruik en gedeeld beheer van militaire capaciteiten te vergemakkelijken;

81.

spreekt met name zijn steun uit aan het project inzake het bijtanken van vliegtuigen tijdens de vlucht, dat ook een acquisitieaspect omvat; spreekt in dit verband evenwel zijn teleurstelling uit over het naar verwachting beperkte resultaat van deze actie in die zin dat het zal neerkomen op het louter vernieuwen van bestaande capaciteiten, in plaats van het creëren van nieuwe capaciteiten; dringt erop aan dat de lidstaten het Europese karakter van dit initiatief behouden en is van mening dat de „Organisation Conjointe de Coopération en matière d'Armement” (OCCAR) goed gepositioneerd is om dit aspect te beheren;

82.

is ingenomen met het op 27 juli 2012 ondertekende akkoord tussen het Europese Defensieagentschap en de OCCAR, waarmee de betrekkingen tussen de twee agentschappen geïnstitutionaliseerd worden en nauwere samenwerking bij programma's voor ontwikkeling van militaire capaciteiten en uitwisseling van vertrouwelijke informatie mogelijk wordt;

83.

herinnert eraan dat de oorlog in Libië ook heeft laten zien dat er binnen de Europese legers een gebrek aan verkenningsdrones is en stelt vast dat er in Europa momenteel twee concurrerende projecten voor MALE-drones (Medium Altitude Long Endurance) lopen; neemt eveneens kennis van de Frans-Britse samenwerking op het gebied van UCAVs (Unmanned Combat Air Vehicles), die er baat bij zou hebben niet exclusief te blijven en andere Europese partners toe te laten;

84.

is van mening dat de invoering van het European Air Transport Command (EATC) een concreet en geslaagd voorbeeld is van „bundelen en delen” en onderstreept dat de totstandbrenging van een vloot van A400M-vliegtuigen binnen deze structuur de projectiecapaciteiten van de EU en de lidstaten aanzienlijk zou verbeteren; spoort alle deelnemende landen aan om met alle beschikbare transportmiddelen bij te dragen aan het EATC; spoort niet-deelnemende lidstaten aan om deel te nemen aan het EATC;

85.

verzoekt de Commissie, de Raad, de lidstaten en het EDA te overwegen innoverende oplossingen in te zetten om de projectiecapaciteiten van de EU te vergroten, en met name aan een tweesporenbeleid te denken: een publiek-privaat partnerschap op het gebied van luchtvracht, op basis van een kleine vloot van A400M-vliegtuigen, dat het mogelijk maakt zowel humanitaire hulp bij rampen te transporteren als materieel en personeel voor missies en operaties in het kader van het GVDB;

86.

dringt erop aan dat de versterking van de Europese capaciteiten ook via consolidering van de Europese industriële en technologische defensiebasis moet verlopen; herinnert in dit verband aan het belang van een Europese preferentie en van een European Buying Act;

87.

stelt vast dat de financiële en begrotingscrisis waarin de EU en de lidstaten verkeren tot verlies van knowhow zal leiden tenzij er op Europees niveau een omvangrijk programma op bilaterale of multilaterale basis wordt gelanceerd, en dat dit zelfs tot het verdwijnen van een zeer gespecialiseerde industriesector kan leiden; vestigt de aandacht op het feit dat de middelgrote bedrijven in de Europese defensie-industrie ook getroffen worden door de economische en financiële crisis en dat zij bijdragen tot de economie en in sommige lidstaten voor werkgelegenheid zorgen;

88.

verwelkomt het voorstel van de Commissie in het kader van het programma Horizon 2020 voor toekomstig door de EU gefinancierd civiel-militair onderzoek en civiel-militaire aanbestedingen ten behoeve van GVDB-missies; neemt met verontrusting kennis van de afnemende kredieten voor onderzoek en technologie, waardoor op de lange termijn het vermogen van Europa om een geloofwaardige defensiecapaciteit te handhaven op basis van het hele gamma aan wapens en militaire uitrusting wordt aangetast; herinnert de lidstaten aan hun toezegging om de uitgaven voor defensiegerelateerd onderzoek en defensiegerelateerde technologie te verhogen tot ten minste 2 % van de begroting voor defensie en wijst erop dat investeringen in onderzoek en technologie op het vlak van defensie goede resultaten hebben opgeleverd bij civiele toepassingen;

89.

is ingenomen met de recente initiatieven en projecten met betrekking tot cyberdefensie; dringt er bij de lidstaten op aan om nog nauwer samen te werken met het EDA bij het ontwikkelen van defensiecapaciteit, vooral op cybergebied, met name met het oog op het opbouwen van vertrouwen en het bundelen en delen van capaciteit; is verheugd dat cyberdefensie een van de prioriteiten op het gebied van defensieonderzoek en -technologie van het EDA zal worden;

90.

neemt met voldoening kennis van de inspanningen van het EDA om een Europese industriële en technologische defensiebasis (EDTIB) te behouden, alsmede van het Barnier/Tajani-initiatief om binnen de Commissie een task force in het leven te roepen die verantwoordelijk is voor handhaving en ontwikkeling van dit strategische instrument, dat bedoeld is om de autonomie van de EU en de lidstaten op het gebied van defensie te bewaren; verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te houden van de lopende werkzaamheden van de task force en het Parlement in de toekomst bij een en ander te betrekken;

91.

verzoekt de lidstaten de richtlijn inzake overheidsopdrachten op defensiegebied (2009/81/EG) (6) volledig toe te passen om voor meer interoperabiliteit tussen het materieel te zorgen en fragmentering van de markt, waarvan maar al te vaak derde landen profiteren, tegen te gaan;

92.

verwelkomt de mededeling over het industriebeleid van de Commissie van 10 oktober 2012 getiteld „Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel”, waarin wordt erkend dat de defensie-industrie nog steeds een sterk nationaal karakter heeft en wordt aangekondigd dat er een brede strategie zal worden ontwikkeld om het concurrentievermogen van de defensiesector te ondersteunen;

93.

onderstreept de betekenis van het capaciteitsontwikkelingsplan van het EDA; roept de lidstaten op dit plan beter in hun nationale planning te verwerken en meer bereidheid te tonen om zich in te kopen in projecten van het EDA;

94.

is van mening dat de Raad en de lidstaten meer steun moeten verlenen aan het vermogen van de Unie om kosten te besparen door middel van bundeling, waarbij met name te denken valt aan het EDA, het Satellietcentrum van de EU en het Europese veiligheids- en defensiecollege;

95.

dringt er bij de Raad en de lidstaten op aan het EDA te voorzien van adequate budgettaire en personele middelen, zodat het in staat is alle taken die het door het Verdrag van Lissabon heeft gekregen, uit te voeren; benadrukt dat hiermee bij het volgende meerjarig financieel kader rekening moet worden gehouden;

Ruimtevaartbeleid ter ondersteuning van het GVDB

96.

onderstreept de noodzaak voor de operationele en besluitvormingsautonomie van de EU om te kunnen beschikken over adequate satellietinstallaties op het gebied van satellietopnames, informatievergaring, communicatie en bewaking van de ruimte; is van mening dat op deze gebieden meer gebruik zou kunnen worden gemaakt van delen en bundelen dan de bestaande bilaterale of met het Satellietcentrum van de EU voor de programma's Helios, Cosmo-Skymed en SAR-Lupe gesloten akkoorden voorzien; hoopt dat het programma MUSIS, dat de huidige generatie observatiesatellieten zal vervangen, een model van samenwerking tussen Europese landen en met de EDEO en de politiek-militaire organen van de Unie zal zijn;

97.

verzoekt met het oog hierop de Raad en de Commissie na te gaan of financiële participatie van de EU in toekomstige programma's voor ruimteopnames per satelliet mogelijk is, zodat de politiek-militaire organen van de EU en de EDEO satellieten kunnen „tasken” en op verzoek en naar gelang van hun eigen behoeften kunnen beschikken over satellietopnames van crisisgebieden of van gebieden waar een GVDB-missie zal worden uitgevoerd;

98.

herinnert eraan dat er EU-financiering nodig is voor het GMES-project, dat naar het voorbeeld van het GALILEO-programma tot de essentiële infrastructuur van de Europese Unie moet gaan behoren;

Versterking van de snelle-reactiecapaciteit

99.

stelt vast dat er ondanks de in het ATHENA-mechanisme aangebrachte wijzigingen, eerdere resoluties van het Parlement en de doctrine inzake het inzetten van de EU-Battlegroup, zoals bijvoorbeeld in de Weimar-brief is gevraagd, tot dusver geen Battlegroup is ingezet, terwijl deze toch een soort eerste voorhoede zou kunnen vormen, in afwachting van aflossing door troepen die beter uitgerust zijn voor langdurige actie;

100.

is van mening dat deze situatie de geloofwaardigheid van de Battlegroup als tactisch instrument en van het GVDB in het algemeen ondermijnt, terwijl hiervan in het verleden al gebruik gemaakt had kunnen worden; roept de lidstaten op zich paraat te houden en hun verplichtingen met betrekking tot dit instrument na te komen, gezien het feit dat het niet gebruiken ervan hoewel zich hiertoe verschillende mogelijkheden hebben voorgedaan, gelet op de financiële en personele investeringen in de Battlegroups, een financieel verlies vertegenwoordigt;

101.

herhaalt dat het ATHENA-mechanisme verder moet worden aangepast om het aandeel van de gemeenschappelijk kosten te verhogen en op die manier te zorgen voor een eerlijkere verdeling van de lasten van militaire operaties en daarnaast een negatieve prikkel weg te nemen voor lidstaten om een leidende rol in GVDB-missies op zich te nemen;

102.

ondersteunt de herziening van de procedures voor crisisbeheersing, die voor het einde van het jaar zou moeten zijn afgerond en een snellere uitvoering van civiele en militaire GVDB-operaties mogelijk zou moeten maken; is van mening dat procedures voor crisisbeheersing voorbehouden moeten blijven aan GVDB-operaties en dat er geen andere instrumenten zouden mogen worden toegevoegd, die de procedures alleen maar omslachtiger zouden maken; ondersteunt tevens de herziening van de financieringsprocedures om tot grotere flexibiliteit en snelheid te komen bij de mobilisering van middelen;

Structuren en planning

103.

is van mening dat de aan het Operatiecentrum overgedragen taak van coördinatie van missies in de Hoorn van Afrika een eerste stap vormt naar de oprichting van een Europese capaciteit voor de planning en uitvoering van operaties, voorzien van voldoende personeel en communicatie- en controlemiddelen; betreurt het evenwel dat het Operatiecentrum noch permanent is, noch het centrale punt voor de planning en uitvoering van militaire en civiele missies vormt;

104.

pleit andermaal voor de oprichting van een operationeel hoofdkwartier (OHQ) van de EU voor de operationele planning en uitvoering van civiele missies en militaire operaties binnen de EDEO, zo nodig via permanente gestructureerde samenwerking;

105.

neemt kennis van de door de Raad in zijn conclusies van december 2011 uitgesproken wens om de capaciteiten voor anticiperende planning te verbeteren; steunt de uitbreiding van de bevoegdheden van de EUMS in dit opzicht; is van mening dat het Operatiecentrum de EUMS bij deze taak zou kunnen bijstaan;

106.

neemt met belangstelling kennis van de splitsing van het Situatiecentrum in twee nieuwe eenheden, de „Situation Room” en het Intelligence Centre of INTCEN, en is verheugd dat dit laatste moet worden uitgebreid indien de lidstaten het GBVB en het GVDB verder willen ontwikkelen;

107.

pleit voor het creëren van posten voor tijdelijke of vaste veiligheidsdeskundigen in de EU-delegaties die het meest van belang zijn voor het GVDB, teneinde veiligheidskwesties beter te kunnen doorgeven; verzoekt na te gaan welke rol deze deskundigen zouden kunnen spelen in de preventie op het vlak van veiligheid en vroegtijdige waarschuwing;

Partnerschappen

EU — NAVO

108.

stelt vast dat de EU en de NAVO, die door een op de NAVO-top van Chicago bekrachtigd strategisch partnerschap zijn verbonden, op verschillende gemeenschappelijke terreinen, zoals Kosovo, Afghanistan en de strijd tegen piraterij in de golf van Aden en de Indische Oceaan, actief zijn; herinnert in deze context aan het belang van goede samenwerking tussen de EU en de NAVO;

109.

is van mening dat een versterking van de civiele en militaire capaciteiten van de EU ook de NAVO ten goede zal komen en synergieën tussen beide organisaties zal creëren;

110.

stelt vast dat de impasse in het geschil tussen Turkije en Cyprus de twee organisaties niet belet om via adequate kanalen een politieke dialoog te voeren, samen te werken dankzij „staff-to-staff”-contacten en hun activiteiten te coördineren; roept er niettemin toe op dit geschil op te lossen, zodat de samenwerking tussen de twee organisaties verder verbetert;

111.

is ingenomen met de samenwerking tussen de EU en de NAVO op het gebied van militaire capaciteiten, met name om doublures bij het streven naar delen en bundelen van de capaciteiten van de EU en het Smart Defense-initiatief van de NAVO te voorkomen;

112.

onderstreept het belang van praktische samenwerking op het gebied van cyberveiligheid en -defensie die voortbouwt op de bestaande complementariteit in de ontwikkeling van defensiecapaciteit en benadrukt in dit verband de noodzaak van nauwere coördinatie, met name met betrekking tot planning, technologie, opleiding en uitrusting;

113.

betreurt het dat er binnen de NAVO structuren voor civielecrisisbeheersing zijn ontstaan die een onnodige doublure vormen van de bestaande en goed ontwikkelde capaciteiten van de EU;

EU — AU

114.

is ingenomen met de samenwerking tussen de Europese Unie en de Afrikaanse Unie, gericht op handhaving van vrede en stabiliteit op het Afrikaanse continent; stelt vast dat de EU bijdraagt tot de totstandbrenging van randvoorwaarden voor vrede en veiligheid in Afrika, en steunt dan ook het streven naar vrede van de AU en regionale organisaties zoals ECOWAS door middel van bestrijding van instabiliteit, onveiligheid en terroristische dreigingen, van de Hoorn van Afrika tot de Sahel;

115.

herinnert eraan dat de EU de grootste bijdrage levert aan het budget van AMISOM en onderstreept dat er een strategische visie voor de toekomst van deze operatie nodig is;

EU — VN

116.

is ingenomen met de goede samenwerking tussen de EDEO en het departement voor vredeshandhavingsoperaties van de VN; stelt vast dat de EU met haar Battlegroups een voorhoede zou kunnen vormen bij dringende vredeshandhavingsoperaties, totdat VN-troepen de operatie overnemen;

EU — OVSE

117.

onderstreept het belang van samenwerking tussen de EU en de OVSE in regio's van gemeenschappelijk belang en met betrekking tot gemeenschappelijke aangelegenheden als conflictpreventie, crisisbeheer, rehabilitatie na conflicten en bevordering en versterking van de rechtsstaat; spreekt zijn voldoening uit over het feit dat het toepassingsgebied van deze samenwerking zich de afgelopen jaren heeft verbreed en verdiept, maar vraagt om nauwere coördinatie en synergieën bij het optreden in crises en conflicten, waarbij doublures van inspanningen moeten worden vermeden en voor een kostenefficiënte aanpak moet worden gekozen;

EU — derde landen

118.

onderstreept de aanhoudende relevantie van sterke trans-Atlantische banden en is ingenomen met de samenwerking tussen de EU en de VS bij crisisbeheersingsoperaties zoals EUTM Somalia, EUNAVFOR Atalanta, EULEX Kosovo en EUPOL Afghanistan;

119.

is ingenomen met de kaderovereenkomsten die de EU tot dusver heeft gesloten met een twaalftal derde landen zodat zij kunnen deelnemen aan civiele en militaire operaties in het kader van het GVDB;

o

o o

120.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het secretariaat-generaal van de NAVO, de voorzitter van de parlementaire vergadering van de NAVO, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de fungerend voorzitter van de OVSE en de voorzitter van de parlementaire vergadering van de OVSE.


(1)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(2)  PB C 349 E van 22.12.2010, blz. 63.

(3)  PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 7.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0228.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0574.

(6)  PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/138


P7_TA(2012)0456

EU-clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit: politieke en operationele dimensies

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de EU-clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit: politieke en operationele dimensie 2012/2223(INI).

(2015/C 419/21)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 222 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de artikelen 24 en 42, lid 2, VEU, de artikelen 122 en 196 VWEU en Verklaring nr. 37 ad artikel 222 VWEU,

gezien het Handvest van de Verenigde Naties, en met name de bepalingen van hoofdstuk VII en artikel 51 daarvan,

gezien de door de Europese Raad op 12 december 2003 vastgestelde Europese veiligheidsstrategie en het door de Europese Raad op 11 en 12 december 2008 goedgekeurde verslag over de implementatie ervan,

gelet op de interneveiligheidsstrategie voor de EU die op 25—26 maart 2010 door de Europese Raad werd bekrachtigd,

gezien de op 15 en16 december 2005 door de Europese Raad vastgestelde terrorismebestrijdingsstrategie van de Europese Unie,

gezien de artikelen 4 en 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag,

gezien het strategisch concept voor de defensie en veiligheid van de leden van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, dat op 19 en 20 november 2010 op de NAVO-top in Lissabon is goedgekeurd,

gezien het besluit om de West-Europese Unie te ontbinden,

gezien de conclusies van de Raad van 30 november 2009 over een communautair kader voor rampenpreventie in de EU,

gezien de mededeling van de Commissie van 26 oktober 2010 getiteld „Naar een krachtigere Europese respons bij rampen: de rol van civiele bescherming en humanitaire hulp” (COM(2010)0600),

gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2010 getiteld „De EU-interneveiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa” (COM(2010)0673),

gezien de op 30 mei 2012 door het Coreper goedgekeurde conceptnota over de crisiscoördinatieregeling (CCA) op het politieke niveau van de Unie (1),

gezien zijn resoluties van 22 mei 2012 over de interneveiligheidsstrategie van de Europese Unie (2), van 14 december 2011 over de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiesector in de EU-lidstaten (3), van 27 september 2011 getiteld „Naar een krachtigere Europese respons bij rampen: de rol van civiele bescherming en humanitaire hulp” (4), en van 23 november 2010 over civiel-militaire samenwerking en de ontwikkeling van civiel-militaire capaciteiten (5),

gezien het CBRN-actieplan 2009 van de EU (6) en zijn resolutie van 14 december 2010 inzake de aanscherping van de chemische, biologische, radiologische en nucleaire beveiliging in de Europese Unie — een CBRN-actieplan voor de EU (7),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie constitutionele zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0356/2012),

A.

overwegende dat de veiligheid van de EU-lidstaten ondeelbaar is en alle Europese burgers dezelfde veiligheidsgaranties en eenzelfde niveau van bescherming tegen zowel traditionele als niet-conventionele dreigingen moeten hebben; overwegende dat de verdediging van vrede, veiligheid, democratie, mensenrechten, de rechtsstaat en vrijheid in Europa, die voor het welzijn van onze volkeren onontbeerlijk zijn, een fundamentele doelstelling en verantwoordelijkheid van de landen van Europa en de Europese Unie moet blijven;

B.

overwegende dat de huidige uitdagingen op het gebied van veiligheid talrijke complexe en veranderende risico's omvatten, zoals internationaal terrorisme, de proliferatie van massavernietigingswapens, uiteenvallende staten, bevroren conflicten en conflicten zonder einde, georganiseerde misdaad, cyberdreigingen, energieschaarste, de aantasting van het milieu en daarmee verband houdende veiligheidsrisico's, natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen, pandemieën en wat dies meer zij;

C.

overwegende dat de EU een internationale orde erkent die gestoeld is op effectief multilateralisme op basis van het internationaal recht, en dat dit een uiting is van de overtuiging van de Europeanen dat geen enkel land de nieuwe dreigingen alleen aankan;

D.

overwegende dat veiligheid en de bestrijding van het internationaal terrorisme worden beschouwd als prioriteiten van de EU; overwegende dat een gezamenlijke aanpak en een gemeenschappelijke strategie van alle lidstaten nodig zijn;

E.

overwegende dat in de afgelopen decennia natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen, en met name door de klimaatverandering veroorzaakte rampen, in frequentie en omvang zijn toegenomen en naar verwachting met de verergering van de klimaatverandering nog verder zullen toenemen;

F.

overwegende dat de geleidelijke bepaling van een op gemeenschappelijke verdediging gericht gemeenschappelijk defensiebeleid de Europese identiteit en de strategische autonomie van de EU versterkt; overwegende dat een sterkere en slagvaardiger Europese defensie voor de consolidatie van de trans-Atlantische banden van cruciaal belang is, in het licht van structurele geostrategische veranderingen die nog worden versneld door de mondiale economische crisis, met name nu de VS zich strategisch meer en meer herpositioneert in de richting van Azië en het Stille-Zuidzeegebied;

G.

overwegende dat de 21 EU-lidstaten die ook NAVO-lid zijn elkaar kunnen raadplegen wanneer hun territoriale integriteit, hun politieke onafhankelijkheid of hun veiligheid wordt bedreigd, en dat zij in elk geval de verbintenis zijn aangegaan om zich in geval van een gewapende aanval collectief te verdedigen;

H.

overwegende dat de lidstaten weliswaar primair verantwoordelijk blijven voor het crisismanagement op hun grondgebied, maar dat serieuze en complexe bedreigingen van de veiligheid, of het nu gaat om gewapende aanvallen, terrorisme of cyberaanvallen dan wel natuurrampen of CBRN-rampen, meer en meer grensoverschrijdend van aard zijn en het reactievermogen van de lidstaten afzonderlijk gemakkelijk te boven kunnen gaan, zodat bindende solidariteit tussen de lidstaten en een gecoördineerde reactie op dergelijke bedreigingen van levensbelang zijn;

I.

overwegende dat met het Verdrag van Lissabon artikel 42, lid 7, VEU („clausule inzake wederzijdse verdediging” oftewel „wederzijdsebijstandsclausule” (8)) en artikel 222 VWEU („solidariteitsclausule”) zijn ingevoerd om zulke problemen aan te pakken, doch dat er bijna drie jaar na de inwerkingtreding van het verdrag nog steeds geen uitvoeringsregelingen bestaan om deze clausules tot leven te brengen;

Algemene beschouwingen

1.

dringt er bij de lidstaten, de Commissie en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger op aan dat zij het potentieel van alle relevante Verdragsbepalingen, en met name de clausule inzake wederzijdse verdediging en de solidariteitsclausule, ten volle benutten teneinde alle Europese burgers dezelfde veiligheidsgaranties te bieden tegen zowel traditionele als niet-conventionele bedreigingen, uitgaande van de beginselen van ondeelbaarheid van de veiligheid en wederzijdse solidariteit tussen de lidstaten en met inachtneming van de behoefte aan meer kostenefficiëntie en een eerlijke verdeling van lasten en kosten;

2.

onderstreept de noodzaak dat de lidstaten en de Unie een op preventie, paraatheid en respons gebaseerd beleid ontwikkelen met betrekking tot alle grote veiligheidsrisico's, met name die welke worden genoemd in de Europese veiligheidsstrategie, de interneveiligheidsstrategie en de regelmatige verslagen van de EU-coördinator voor terrorismebestrijding aan de Raad;

3.

onderstreept dat de lidstaten en de Unie regelmatig gezamenlijke dreigingsanalyses en risicobeoordelingen moeten uitvoeren op basis van een gezamenlijke analyse van gedeelde inlichtingen, waarbij ten volle gebruik wordt gemaakt van bestaande structuren binnen de EU;

4.

neemt nota van het nieuwe strategische concept van de NAVO, dat inhoudt dat zij niet alleen haar rol als militaire alliantie handhaaft maar ook ernaar streeft om haar vermogen uit te breiden om als politieke en veiligheidgemeenschap op te treden, die in partnerschap met de EU functioneert; wijst erop dat de doelen van de NAVO en die welke zijn neergelegd in artikel 43 VEU complementair zijn; waarschuwt daarom tegen kostbare overlapping van inspanningen tussen beide organisaties en de daaruit voortvloeiende verspilling van middelen, en dringt erop aan dat de hoge vertegenwoordiger van de EU en de secretaris-generaal van de NAVO veel nauwer en regelmatiger politiek samenwerken op gebieden als risicobeoordeling, hulpmiddelenbeheer, beleidsplanning en de uitvoering van zowel civiele als militaire operaties;

5.

bevestigt opnieuw dat de bescherming van de territoriale integriteit en van de burgers de kern blijft vormen van het defensiebeleid, maar verzoekt de Raad de NAVO-aanpak over te nemen, die rekening houdt met onvermijdelijke omstandigheden waarin het verhinderen van externe bedreigingen noodzakelijk is om de veiligheidsbelangen van de bondgenoten te behartigen en wanneer machtsvertoon nodig is;

6.

benadrukt opnieuw dat gebruik van geweld door de EU of haar lidstaten alleen is toegestaan als dit op grond van het VN-Handvest gerechtvaardigd is; benadrukt in dit verband het intrinsieke recht van individuele of collectieve zelfverdediging; onderstreept opnieuw zijn gehechtheid aan de naleving van de richtlijnen van Oslo voor de inzet van buitenlandse militaire en burgerbeschermingsmiddelen bij rampen; onderstreept dat het voorkomen van conflicten, aanvallen en rampen de voorkeur verdient boven het verhelpen van de gevolgen ervan;

7.

wijst erop dat de Unie en de lidstaten over een breed scala aan instrumenten beschikken om in een geest van solidariteit op buitengewone gebeurtenissen te reageren; herinnert aan het nut van artikel 122 VWEU als rechtsgrondslag voor economische en financiële bijstand aan lidstaten die in ernstige moeilijkheden verkeren, en van artikel 196 VWEU als rechtsgrondslag voor maatregelen op het gebied van civiele bescherming;

8.

herinnert aan de verplichting om overeenkomstig artikel 24 VEU stelselmatig wederzijdse politieke solidariteit op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid tot ontwikkeling te brengen; neemt nota van de mogelijkheden die het Verdrag van Lissabon biedt voor nauwere samenwerking in GBVB-verband, zoals de toewijzing van specifieke taken en missies aan clusters van staten, alsook het concept van permanente gestructureerde samenwerking in militaire zaken;

9.

onderstreept dat de clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit niet bedoeld zijn om in de plaats van een van deze instrumenten te treden, doch om een overkoepelend raamwerk te bieden in situaties van buitengewone dreiging of schade en met name in gevallen waarin de reactie op dergelijke situaties politieke coördinatie op het hoogste niveau en militaire inzet vereist, een en ander in overeenstemming met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid;

10.

dringt er bij de Commissie en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger op aan om voor eind 2012 een gezamenlijk voorstel in te dienen voor een besluit van de Raad houdende regelingen voor de toepassing van de solidariteitsclausule overeenkomstig artikel 222, lid 3, van het VWEU, waarin met name de taken en bevoegdheden van de verschillende spelers worden verduidelijkt; verzoekt het Politiek en Veiligheidscomité en het Permanent Comité binnenlandse veiligheid omwille van de coherentie een gezamenlijk advies uit te brengen over de toepassing van de solidariteitsclausule met inachtneming van de politieke en operationele dimensie van de beide clausules, waaronder contacten met de NAVO; merkt op dat de Raad ten aanzien van niet-militaire aspecten van wederzijdse hulp en bijstand bij gekwalificeerde meerderheid moet besluiten; wijst in dit verband op de noodzaak het Parlement volledig te informeren;

Clausule inzake wederzijdse verdediging

Werkingssfeer

11.

herinnert de lidstaten aan hun ondubbelzinnige verplichting om op alle hun ter beschikking staande manieren hulp en bijstand te verlenen wanneer een lidstaat het slachtoffer is van een gewapende aanval op zijn grondgebied; onderstreept dat een grootschalige aanval op een lidstaat in de nabije toekomst weliswaar niet erg waarschijnlijk lijkt, doch dat de traditionele territoriale verdediging alsook de verdediging tegen nieuwe dreigingen hoog op de agenda moeten blijven staan; herinnert er voorts aan dat in het Verdrag wordt bepaald dat de verbintenissen en de samenwerking op dit gebied in overeenstemming moeten zijn met de in het kader van de NAVO aangegane verbintenissen, die, voor de landen die er lid van zijn, de grondslag van hun collectieve defensie en het forum voor de tenuitvoerlegging ervan blijft;

12.

wijst daarnaast op de even zo belangrijke noodzaak om voorbereid te zijn op situaties met consequenties voor EU-lidstaten die geen NAVO-lid zijn dan wel gebiedsdelen van een EU-lidstaat die buiten het NAVO-gebied liggen en derhalve niet onder het Verdrag van Washington vallen, alsook voor situaties waarin binnen de NAVO geen overeenstemming over collectief optreden is bereikt; wijst er in dit verband tevens op dat het mogelijk moet zijn NAVO-capaciteit in het kader van de Berlijn Plus-overeenkomst in te zetten;

13.

is van oordeel dat zelfs ongewapende aanvallen, zoals cyberaanvallen op kritieke infrastructuur, die worden gepleegd om een lidstaat ernstige schade toe te brengen en te ontwrichten en die als van buitenaf komend worden geïdentificeerd, eventueel onder de clausule zouden kunnen vallen, wanneer de veiligheid in de lidstaat door de gevolgen van zo'n aanval aanzienlijk in gevaar wordt gebracht, een en ander met volledige inachtneming van het evenredigheidsbeginsel;

Capaciteit

14.

onderstreept de noodzaak voor Europese landen om over een geloofwaardige militaire capaciteit te beschikken; spoort de lidstaten ertoe aan hun inspanningen met het oog op de gezamenlijke ontwikkeling van militaire capaciteit op te voeren, met name via de complementaire initiatieven „Pooling and Sharing” en „Smart Defence” van EU en NAVO, die in tijden van krappe defensiebudgetten uiterst belangrijke stappen voorwaarts zijn waarbij Europese en regionale synergieën de voorkeur hebben boven een kortzichtige nationale aanpak; herhaalt in dit verband zijn standpunt dat de nationale ministeries van defensie ten volle moeten profiteren van en oog moeten hebben voor het werk van het Europees Defensieagentschap, en spoort de lidstaten en de EDEO aan om het debat over de in het Verdrag van Lissabon voorziene permanente gestructureerde samenwerking voort te zetten;

15.

is van mening dat zowel de NAVO als de EU, willen ze hun samenwerking consolideren, zich moeten concentreren op versterking van hun capaciteit, verbetering van de interoperabiliteit en coördinatie van hun doctrines, planning, technologieën, uitrusting en trainingsmethoden;

16.

dringt andermaal aan op systematische harmonisatie van militaire vereisten en een geharmoniseerd defensieplannings- en aanschafproces in de EU, met inachtneming van de ambities van de Unie en afgestemd op het defensieplanningsproces van de NAVO; spoort de lidstaten in het licht van een hoger niveau van veiligheidsgaranties door de clausule inzake wederzijdse verdediging aan multinationale samenwerking op het gebied van capaciteitsopbouw en, waar zulks zinvol is, specialisatie als grondbeginselen van hun defensieplanning in overweging te nemen;

Structuren en procedures

17.

verzoekt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger praktische regelingen en richtsnoeren voor te stellen ter waarborging van een adequate respons ingeval een lidstaat de clausule inzake wederzijdse verdediging inroept, alsook om een analyse van de rol van de EU-instellingen in zo'n geval; is van oordeel dat de verplichting tot het verlenen van hulp en bijstand, die een uiting van de politieke solidariteit tussen de lidstaten is, een snel besluit van de Raad voor de ondersteuning van de aangevallen lidstaat vereist; is van mening dat raadplegingen overeenkomstig het voorschrift van artikel 32 VEU hiertoe zouden kunnen dienen, onverminderd het recht van elke lidstaat om intussen zelf zijn verdediging ter hand te nemen;

18.

is van oordeel dat, ingeval gezamenlijke actie wordt ondernomen om een aangevallen lidstaat te verdedigen, het mogelijk moet zijn zo nodig van de bestaande EU-crisisbeheersingstructuren gebruik te maken en dat met name de mogelijkheid van activering van een operationeel hoofdkwartier van de EU moet worden overwogen; onderstreept dat een volwaardig permanent operationeel hoofdkwartier van de EU noodzakelijk is om een adequaat niveau van paraatheid en responssnelheid te waarborgen en herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om in het verlengde van het onlangs in bedrijf gestelde EU-operatiecentrum zo'n permanente capaciteit te creëren;

Solidariteitsclausule

Werkingssfeer

19.

herinnert eraan dat, indien een lidstaat getroffen wordt door een terroristische aanval, een natuurramp of een door de mens veroorzaakte ramp, de lidstaten verplicht zijn uit solidariteit gezamenlijk op te treden om hem op verzoek van diens politieke autoriteiten bijstand te verlenen, en dat de Unie in zulke gevallen alle haar ter beschikking staande instrumenten, waaronder de door de lidstaten ter beschikking gestelde militaire middelen, zal inzetten; herinnert er voorts aan dat de Unie de plicht heeft alle instrumenten waarover zij beschikt in te zetten om de dreiging van het terrorisme op het EU-grondgebied te keren en de democratische instellingen en de burgerbevolking tegen een eventuele terroristische aanval te beschermen;

20.

dringt aan op een juist evenwicht tussen flexibiliteit en consistentie voor wat betreft de soorten aanvallen en rampen waarvoor de clausule in werking kan worden gesteld teneinde te garanderen dat belangrijke gevaren, zoals cyberaanvallen, pandemieën of energieschaarste niet over het hoofd worden gezien; merkt op dat de clausule tevens betrekking zou kunnen hebben op ernstige incidenten buiten de Unie die een onmiddellijk en substantieel effect op een lidstaat hebben;

21.

benadrukt dat het nodig is dat de lidstaten investeren in hun eigen veiligheid en rampenbestrijdingscapaciteit en niet al te zeer op de solidariteit van anderen vertrouwen; onderstreept dat de lidstaten primair zelf verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de burgerbevolking en de veiligheid op hun grondgebied;

22.

is van oordeel dat een beroep kan worden gedaan op de solidariteitsclausule in situaties die de responscapaciteiten van de getroffen lidstaat te boven gaan of die een multisectorale reactie vereisen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, maar dat zodra een lidstaat heeft besloten een beroep op de clausule te doen, het voor de andere lidstaten buiten kijf moet staan dat bijstand moet worden verleend; onderstreept dat solidariteit ook de verplichting inhoudt in adequate nationale en Europese capaciteit te investeren;

23.

is van mening dat de solidariteitsclausule de impuls kan vormen om de steun voor de EU onder de Europese burgers te vergroten door zichtbaar bewijs te leveren van de voordelen van een intensievere samenwerking binnen de EU in termen van crisisbeheer en rampenbestrijdingscapaciteit;

Capaciteit en middelen

24.

onderstreept dat de toepassing van de solidariteitsclausule een integraal bestanddeel moet zijn van een permanent crisisrespons-, crisisbeheersings- en crisiscoördinatiesysteem van de EU, dat op de bestaande sectorale instrumenten en capaciteiten gebaseerd is en een doeltreffende inzet ervan garandeert, om zo nodig een gecoördineerde en multisectorale reactie te bewerkstelligen; onderstreept dat er bij toepassing in beginsel geen ad-hocinstrumenten mogen worden gecreëerd;

25.

wijst op de fundamentele rol van het civielebeschermingsmechanisme als een belangrijk op solidariteit gebaseerd instrument voor een snelle reactie op Europees niveau op een breed spectrum aan crises; steunt in grote lijnen het voorstel van de Commissie om het mechanisme te versterken (9), voortbouwend op de mededeling van de Commissie van 2010 getiteld „Naar een krachtigere Europese respons bij rampen” en geïnspireerd op het rapport-Barnier uit 2006;

26.

neemt kennis van de lopende werkzaamheden met het oog op de tenuitvoerlegging van de interneveiligheidsstrategie, met name op het gebied van terrorismebestrijding, bestrijding van cybercriminaliteit en vergroting van de crisis- en rampenbestendigheid; onderstreept dat het er bij de toepassing van de solidariteitsclausule niet alleen om gaat procedures vast te stellen voor het moment dat zich een grote crisis voordoet, maar dat het daarbij eigenlijk om de capaciteitsopbouw, preventie en paraatheid gaat; wijst op het belang van crisisbeheersingsoefeningen die afgestemd zijn op de specifieke noodsituaties die onder de clausule vallen;

27.

stelt vast dat het opzetten van een vrijwillige pool aan beschikbare civielebeschermingscapaciteiten de paraatheid van de EU aanzienlijk zou verbeteren en het mogelijk zou maken bestaande lacunes te identificeren en te dichten; onderstreept het belang van gemeenschappelijke analyses van lacunes om de inspanningen van alle deelnemers zo efficiënt mogelijk te bundelen en ervoor te zorgen dat elke lidstaat een passende bijdrage levert;

28.

is van oordeel dat in geval van kostbare aankopen, met name voor minder waarschijnlijke risico's, het voor lidstaten zinvol is naar oplossingen te zoeken voor gemeenschappelijke investeringen in en de gezamenlijke ontwikkeling van zulke noodzakelijke instrumenten, met name in het licht van de huidige financiële crisis; herinnert in dit verband aan de noodzaak om voort te bouwen op de deskundigheid en ervaring van de Commissie, het Europees Defensieagentschap en andere EU-agentschappen;

29.

onderstreept dat het van belang is de solidariteit te baseren op adequate financieringsmechanismen op EU-niveau die in noodsituaties een toereikende mate aan flexibiliteit bieden; is verheugd over de voorgestelde verhoging van de cofinanciering in het kader van het civielebeschermingsmechanisme, met name voor transportkosten; neemt kennis van de voorschriften voor noodhulp in het kader van het voorgestelde fonds voor interne veiligheid;

30.

wijst erop dat het Solidariteitsfonds financiële steun kan verlenen na een grote ramp; wijst er voorts op dat de Raad overeenkomstig artikel 122, lid 2, VWEU ook financiële bijstand van de Unie kan verlenen, in geval van moeilijkheden of ernstige dreiging van grote moeilijkheden in een lidstaat ten gevolge van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen die deze lidstaat niet kan beheersen;

31.

wijst erop dat de Raad overeenkomstig het bepaalde in artikel 122, lid 1, VWEU kan besluiten in een geest van solidariteit de voor de economische situatie passende maatregelen vast te stellen, met name indien zich bij de voorziening met bepaalde producten, in het bijzonder op energiegebied, ernstige moeilijkheden voordoen; onderstreept hoe belangrijk het is deze bepalingen te zien als onderdeel van een alomvattend instrumentarium van EU-solidariteit om nieuwe grote veiligheidsuitdagingen tegemoet te treden, bijvoorbeeld op het gebied van de energiezekerheid en een gegarandeerde voorziening met andere essentiële producten, met name in geval van blokkades met politiek oogmerk;

Structuren en procedures

32.

onderstreept dat de EU adequate structuren voor crisisrespons moet hebben met een waarnemings- en responscapaciteit die 24 uur per dag operationeel is en alle relevante actoren vroegtijdig kan waarschuwen en tijdig over de situatie kan informeren; stelt vast dat er op EU-niveau talrijke waarnemingscentra zijn en dat dit vragen oproept ten aanzien van een efficiënte coördinatie in geval van complexe crises met een meervoudige dimensie; neemt kennis van de oprichting van een crisiscentrum binnen de Europese Dienst voor extern optreden en het bestaan van een aantal sectorale waarnemingscentra bij de Commissie en gespecialiseerde EU-organen; wijst met name op het Waarnemings- en Informatiecentrum van DG ECHO, de Strategische Analyse- en Responscapaciteit van DG HOME, het Centrum voor het beheer van crisissituaties op het gebied van de volksgezondheid van DG SANCO en het crisiscentrum van Frontex;

33.

onderstreept opnieuw dat onnodige dubbele structuren moeten worden voorkomen en dat er moet worden gezorgd voor coherentie en een doeltreffende coördinatie van de maatregelen, met name in het licht van de huidige krappe financiële middelen; neemt kennis van de diverse filosofieën met betrekking tot de rationalisering van deze veelvoud aan waarnemingscapaciteiten, waarvan sommige uitgaan van de idee van één centraal „loket”, terwijl andere de voorkeur geven aan een betere onderlinge koppeling van de gespecialiseerde faciliteiten;

34.

is van oordeel dat het brede spectrum aan potentiële crises, variërend van overstromingen tot CBRN-aanvallen of -rampen, zonder meer een breed scala aan gespecialiseerde diensten en netwerken vereist en dat samenvoeging niet noodzakelijkerwijs tot meer efficiëntie zal leiden; is tegelijkertijd van oordeel dat alle gespecialiseerde diensten op EU-niveau in een enkel beveiligd informatiesysteem moeten worden geïntegreerd en verzoekt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger naar versterking van het platform voor interne coördinatie Argus toe te werken;

35.

onderstreept de noodzaak van politieke coördinatie bij de Raad in geval van een ernstige crisis; neemt kennis van de toetsing van de EU-regeling voor de coördinatie in crisis- en noodsituaties (CCA) en is verheugd over het akkoord in de Raad over het nieuwe CCA-conceptkader en de gebruikmaking van reguliere procedures van de Raad, met name van het Coreper, in plaats van ad-hocstructuren; onderstreept dat om op het politieke niveau van de EU coherent, efficiënt en tijdig op crises van een dergelijke omvang en aard te reageren, slechts één serie regelingen vereist is; is van oordeel dat de nieuwe CCA ook de solidariteitsclausule moet steunen;

36.

steunt inspanningen met het oog op rationalisatie en betere integratie van de talloze webplatforms voor communicatie en informatie-uitwisseling met betrekking tot noodsituaties, waaronder de CCA-homepage, Argus, het gemeenschappelijke communicatie- en informatiesysteem voor noodsituaties (Cecis) en het informatiesysteem voor crisissituaties op het gebied van de volksgezondheid en epidemieën (Hedis), teneinde een permanente, vrije en doeltreffende informatievoorziening over de sectorale en institutionele grenzen heen mogelijk te maken; neemt kennis van het in de Raad genomen besluit om de CCA-homepage te versterken en deze in te zetten als toekomstig webplatform voor crisissituaties die politieke coördinatie op EU-niveau vereisen;

37.

dringt aan op de ontwikkeling van een gemeenschappelijk situatiebesef, hetgeen bij de beheersing van grote crises met een multisectoraal karakter, wanneer de politieke autoriteiten snel en alomvattend moeten worden geïnformeerd, van essentieel belang is; is verheugd over het feit dat de CCA-toetsing zich op de ontwikkeling van geïntegreerde situatiekennis en -analyse (ISAA) voor EU-instellingen en lidstaten concentreert en verzoekt de Raad zorg te dragen voor tijdige implementatie; wijst erop dat een gemeenschappelijk situatiebesef zonder een cultuur van informatie-uitwisseling nauwelijks mogelijk is en dat ook de ontwikkeling van een cultuur van informatie-uitwisseling zonder een duidelijke rolverdeling nauwelijks mogelijk is;

38.

is verheugd over de geplande opwaardering van het Waarnemings- en Informatiecentrum tot een Europees Responscentrum voor noodsituaties en onderstreept dat dit centrum een van de pijlers moet worden van het onderling gekoppeld EU-snelleresponssysteem; is van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor de coördinatie bij crises met een multisectoraal karakter van geval tot geval overeenkomstig het zwaartepuntbeginsel moet worden vastgesteld;

39.

wijst erop dat in het huidige mondiale kader waarin interdependentie toeneemt, grote crises van een omvang die de inwerkingstelling van de solidariteitsclausule zouden rechtvaardigen, waarschijnlijk multidimensionaal zijn en een internationale dimensie zullen hebben, voor wat betreft de onderdanen van derde landen die hierdoor getroffen worden of de internationale maatregelen die als respons op de crises noodzakelijk zijn; onderstreept dat er in zulke gevallen een belangrijke rol voor de EDEO weggelegd is;

40.

verzoekt de lidstaten hun capaciteiten om hulp te verlenen en te ontvangen te versterken, alsook beste praktijken uit te wisselen om hun nationale procedures voor crisiscoördinatie en de interactie van hun nationale crisiscoördinatiecentra met de EU te stroomlijnen; is van mening dat ook moeten worden overwogen adequate crisisbestrijdingsoefeningen op EU-schaal te plannen en uit te voeren, waarbij zowel nationale crisisbestrijdingsstructuren als de daarvoor in aanmerking komende EU-structuren worden betrokken;

41.

acht het van essentieel belang om de noodzakelijke procedurele en organisatorische verbanden tussen de desbetreffende diensten van de lidstaten te creëren om te waarborgen dat de solidariteitsclausule na activering ook goed functioneert;

42.

onderstreept dat het besluitvormingsproces in de Raad naar aanleiding van een verzoek om bijstand op grond van de solidariteitsclausule niet ten koste mag gaan van het reactievermogen van de EU en dat de crisisrespons via bestaande mechanismen, zoals het civielebeschermingsmechanisme, ongeacht de politieke besluiten, onmiddellijk van start moet kunnen gaan; wijst erop dat de inzet van militaire middelen ter ondersteuning van civielebeschermingsoperaties op operationeel vlak reeds mogelijk is zonder activering van de solidariteitsclausule, getuige de succesvolle samenwerking tussen de Commissie en de Militaire Staf van de EU bij eerdere operaties in Pakistan en Libië;

43.

beklemtoont dat in detail moet worden beschreven welke democratische procedure van toepassing is als er een beroep op de solidariteitsclausule is gedaan, waarbij ook de verantwoordingsplicht voor de genomen beslissingen wordt gewaarborgd evenals een serieuze rol van de nationale parlementen en het Europees Parlement; benadrukt dat onevenredig gebruik van de clausule ten koste van de grondrechten moet worden voorkomen;

44.

wijst erop dat het Europees Parlement en de Raad als EU-wetgever en begrotingsautoriteit op de hoogte moeten worden gehouden van de situatie ter plaatse in geval van een ramp of aanslag die de solidariteitsclausule activeert, maar ook van de oorzaak en de mogelijke gevolgen, zodat op basis van de meest recente en concrete informatie een diepgaande en onpartijdige evaluatie kan worden uitgevoerd, die later opnieuw kan worden geraadpleegd;

45.

wijst erop dat de solidariteitsclausule vereist dat de Europese Raad de dreigingen voor de Unie regelmatig beoordeelt; is van oordeel dat die beoordelingen met de NAVO moeten worden gecoördineerd en ten minste op twee afzonderlijke niveaus moeten worden uitgevoerd, te weten op langetermijnbasis bij de Europese Raad via een proces dat tevens het strategisch denken moet bevorderen met het oog op toekomstige aanpassingen van de Europese veiligheidsstrategie en de interneveiligheidsstrategie, en daarnaast via meer frequente alomvattende evaluaties van actuele bedreigingen;

46.

is van oordeel dat de beoordelingen van dreigingen moeten worden aangevuld met risicobeoordelingen om de dreigingen in het licht van bestaande zwakke punten te analyseren en aldus te achterhalen welke lacunes in de capaciteit het eerst moeten worden aangepakt; herinnert eraan dat de EU in het kader van de tenuitvoerlegging van de interneveiligheidsstrategie uiterlijk in 2014 een coherent risicobeheersingbeleid moet vaststellen in het kader waarvan de beoordelingen van de dreigingen en risico's worden gekoppeld aan de besluitvorming; herinnert er voorts aan dat de Commissie uiterlijk eind 2012 op basis van nationale risicoanalyses een sectoroverschrijdend overzicht moet opstellen van de belangrijkste natuurlijke en door de mens veroorzaakte risico's waarmee de EU in de toekomst kan worden geconfronteerd; spoort de lidstaten ertoe aan hun nationale risicobeoordelingen en risicobeheersplannen uit te wisselen teneinde een gezamenlijke beoordeling van de situatie mogelijk te maken;

47.

onderstreept dat de daaruit resulterende gezamenlijke „multi-hazardbeoordelingen” gebruik moeten maken van het Intelligence Analysis Centre van de EU, dat de inlichtingen afkomstig van alle bij dreigings- en de risicobeoordeling betrokken EU-organen bundelt, zoals de desbetreffende Commissiediensten (waaronder DG HOME, DG ECHO en DG SANCO) en agentschappen van de Unie als Europol, Frontex, Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, e.d.);

o

o o

48.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, de Raad, de Commissie, de parlementen van de lidstaten, de Parlementaire Vergadering van de NAVO en de secretaris-generaal van de NAVO.


(1)  10207/12.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0207.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0574.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0404.

(5)  PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 63.

(6)  Conclusies van de Raad van 12 november 2009 (doc. 15505/1/09 REV).

(7)  PB C 169 E van 15.6.2012, blz. 8.

(8)  Hierna „clausule inzake wederzijdse verdediging” genoemd, ofschoon deze term als zodanig niet in het Verdrag voorkomt; vgl. met name de verplichting tot wederzijdse verdediging in artikel V van het gewijzigde Verdrag van Brussel, die volgens de ondertekenaars onder artikel 42, lid 7, VEU valt (verklaring van het voorzitterschap van de Permanente Raad van de WEU van 31 maart 2010).

(9)  Cf. voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende een EU-mechanisme voor civiele bescherming (COM(2011)0934).


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/145


P7_TA(2012)0457

Cyberveiligheid en -defensie

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over cyberveiligheid en -defensie (2012/2096(INI))

(2015/C 419/22)

Het Europees Parlement,

gezien het verslag over de toepassing van de Europese veiligheidsstrategie, zoals goedgekeurd door de Europese Raad op 11 en 12 december 2008,

gezien het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken van de Raad van Europa, Boedapest van 23 november 2001,

gezien de conclusies van de Raad inzake de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur van 27 mei 2011 en de eerdere conclusies van de Raad inzake cyberveiligheid,

gezien de mededeling van de Commissie getiteld „Een digitale agenda voor Europa” van 19 mei 2010 (COM(2010)0245),

gezien Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (1),

gezien de recente mededeling van de Commissie over de oprichting van een Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit als een prioriteit van de interne veiligheidsstrategie (COM(2012)0140),

gezien zijn resolutie van 10 maart 2010 over de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (2),

gezien zijn resolutie van 11 mei 2011 over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (3),

gezien zijn resolutie van 22 mei 2012 over de interne veiligheidsstrategie van de Europese Unie (4),

gezien zijn resolutie van 27 september 2011 inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1334/2000 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik (5),

gezien zijn resolutie van 12 juni 2012 over de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur — bereikte resultaten en volgende stappen: naar mondiale cyberveiligheid (6),

gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 5 juli 2012 getiteld „The promotion, protection and enjoyment of human rights on the Internet” (7), waarin het belang wordt onderkend van de bescherming van de mensenrechten en de vrije stroom van informatie online,

gezien de conclusies van de top van Chicago van 20 mei 2012,

gezien titel V van het EU-Verdrag,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0335/2012),

A.

overwegende dat de EU en haar lidstaten in de huidige geglobaliseerde wereld in hoge mate afhankelijk zijn geworden van een veilige cyberspace, een veilig gebruik van informatie- en digitale technologie en veerkrachtige en betrouwbare informatiediensten en daaraan gerelateerde infrastructuren;

B.

overwegende dat informatie- en communicatietechnologieën ook worden gebruikt als repressie-instrumenten; overwegende dat de context waarin deze technologieën worden gebruikt voor een groot deel bepaalt of deze kunnen bijdragen ofwel aan positieve ontwikkelingen ofwel aan repressie;

C.

overwegende dat cyberproblemen, -dreigingen en -aanvallen met een enorme snelheid groeien en een grote bedreiging vormen voor de veiligheid, defensie, stabiliteit en concurrentiepositie van de lidstaten en de private sector; overwegende dat dergelijke dreigingen daarom niet mogen worden beschouwd als kwesties voor de toekomst; overwegende dat het merendeel van de uitermate zichtbare en ontwrichtende cyberincidenten momenteel van politieke aard is; overwegende dat de overgrote meerderheid van de cyberincidenten vooralsnog primitief blijft, de bedreigingen voor kritieke infrastructuur steeds geavanceerder worden en vergaande bescherming rechtvaardigen;

D.

overwegende dat de cyberspace, met zijn bijna twee miljard wereldwijd onderling verbonden gebruikers, is uitgegroeid tot een van de meest machtige en efficiënte middelen om democratische ideeën uit te dragen en mensen te organiseren bij hun streven naar vrijheid en hun strijd tegen dictaturen; overwegende dat het gebruik van de cyberspace door ondemocratische en autoritaire regimes een steeds grotere bedreiging vormt voor het recht op vrijheid van meningsuiting en voor het recht op vereniging; overwegende dat het derhalve cruciaal is om te zorgen dat de cyberspace open blijft voor een vrije stroom van ideeën, informatie en meningsuiting;

E.

overwegende dat er binnen de EU en de lidstaten talloze obstakels zijn van politieke, wetgevende en organisatorische aard voor de ontwikkeling van een integrale en gezamenlijke aanpak op het gebied van cyberdefensie en cyberveiligheid; overwegende dat er op het gevoelige en kwetsbare vlak van de cyberveiligheid een gebrek aan gemeenschappelijke definities, normen en gemeenschappelijke maatregelen bestaat;

F.

overwegende dat de uitwisseling van middelen en de coördinatie van het beleid binnen de EU-instellingen en met en tussen de lidstaten, evenals met externe partners, nog altijd ontoereikend is;

G.

overwegende dat op EU- en internationaal niveau duidelijke en geharmoniseerde definities van „cyberveiligheid” en „cyberdefensie” ontbreken; overwegende dat het begrip van de term „cyberveiligheid” en van andere belangrijke termen van land tot land aanzienlijk verschilt;

H.

overwegende dat de EU nog geen eigen samenhangende beleidsmaatregelen heeft geformuleerd ten aanzien van de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur, die een multidisciplinaire aanpak vergt, zodat de veiligheid verbeterd wordt en tegelijkertijd de grondrechten geëerbiedigd worden;

I.

overwegende dat de EU diverse initiatieven heeft voorgesteld ter bestrijding van cybercriminaliteit op civiel vlak, met inbegrip van de oprichting van een nieuw Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit, maar geen concreet plan heeft op het gebied van veiligheid en defensie;

J.

overwegende dat het bouwen aan onderling vertrouwen tussen de private sector en de ordehandhavinginstanties, defensie en andere bevoegde instanties van het allergrootste belang is bij de strijd tegen cybercriminaliteit;

K.

overwegende dat wederzijds vertrouwen in de betrekkingen tussen overheids- en niet-overheidsactoren een voorwaarde is voor betrouwbare cyberveiligheid;

L.

overwegende dat het merendeel van de gevallen van cybercriminaliteit in de publieke en de private sector ongemeld blijft vanwege de gevoelige aard van de informatie en de mogelijke schade aan de reputatie van de desbetreffende ondernemingen;

M.

overwegende dat een groot aantal cyberincidenten plaatsvindt vanwege een gebrek aan veerkracht en betrouwbaarheid van de private en publieke netwerkinfrastructuur, slecht beschermde of beveiligde databestanden en andere gebreken in de kritieke informatie-infrastructuur; overwegende dat slechts een paar lidstaten het beschermen van hun netwerk en informatiesystemen en de daarin opgenomen gegevens tot hun zorgplicht rekenen, wat het gebrek aan investering in geavanceerde beveiligingstechnologie, opleiding en ontwikkeling van relevante richtsnoeren verklaart; overwegende dat een groot aantal lidstaten afhankelijk is van de beveiligingstechnologie van derde landen en dat deze lidstaten hun inspanningen om deze afhankelijkheid te verminderen moeten vergroten;

N.

overwegende dat het merendeel van de plegers van grootschalige cyberaanvallen die de nationale of internationale veiligheid en defensie in gevaar brengen, nooit worden geïdentificeerd en vervolgd; overwegende dat er geen internationaal overeengekomen respons bestaat op een cyberaanval van een staat tegen een andere staat, evenmin als overeenstemming over de vraag of dit als een „casus belli” kan worden beschouwd;

O.

overwegende dat het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA) wordt ingeschakeld als instantie om de lidstaten te ondersteunen bij de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van cyberveiligheid, onder meer door aanbevelingen te doen over de ontwikkeling, de uitvoering en het onderhoud van een strategie inzake cyberveiligheid, alsmede dat dit agentschap een ondersteunende rol vervult bij de nationale strategieën inzake cyberveiligheid, de nationale rampenplannen, de organisatie van pan-Europese en internationale oefeningen op het gebied van de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur, en de ontwikkeling van scenario's voor nationale oefeningen;

P.

overwegende dat slechts tien lidstaten in juni 2012 officieel een nationale strategie inzake cyberveiligheid hadden aangenomen;

Q.

overwegende dat cyberdefensie een van de topprioriteiten is van het EDA, dat uit hoofde van het vermogensontwikkelingsplan een projectteam cyberveiligheid heeft ingesteld, waarbinnen het merendeel van de lidstaten samenwerkt aan het verzamelen van ervaringen en het opstellen van aanbevelingen;

R.

overwegende dat investeringen in cyberveiligheid en defensieonderzoek en -ontwikkeling van cruciaal belang zijn om een hoog niveau van cyberveiligheid en -defensie te bevorderen en te onderhouden; overwegende dat de defensie-uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling zijn afgenomen in plaats van dat ze zijn opgeschroefd naar de overeengekomen 2 % van de algehele defensie-uitgaven;

S.

overwegende dat het vergroten van het bewustzijn onder en het voorlichten van burgers over cyberveiligheid het fundament moeten vormen voor een allesomvattende strategie inzake cyberveiligheid;

T.

overwegende dat een duidelijk evenwicht moet worden gevonden tussen veiligheidsmaatregelen en de rechten van de burgers overeenkomstig het VWEU, zoals het recht op privacy, het recht op gegevensbescherming en het recht op vrijheid van meningsuiting, waarbij geen van beide uit naam van de ander wordt opgeofferd;

U.

overwegende dat het steeds noodzakelijker wordt het recht op privacy zoals vastgelegd in het EU-Handvest en artikel 16 VWEU, beter te eerbiedigen en te beschermen; overwegende dat de noodzaak om de cyberspace op nationaal niveau voor instellingen en defensie-instanties te beveiligen en te verdedigen weliswaar belangrijk is, maar nooit mag worden gebruikt als een excuus om de rechten en vrijheden in de cyberspace en in de informatieruimte op welke manier dan ook in te perken;

V.

overwegende dat het mondiale en grenzeloze karakter van het internet nieuwe vormen van internationale samenwerking en governance met meerdere belanghebbenden vereist;

W.

overwegende dat regeringen in steeds grotere mate voor de beveiliging van hun kritieke infrastructuur gebruik maken van de private sector;

X.

overwegende dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) het vraagstuk „cyberveiligheid” nog niet proactief heeft opgenomen in haar betrekkingen met derde landen;

Y.

overwegende dat het stabiliteitsinstrument tot nu toe het enige EU-programma is dat bedoeld is om te reageren op urgente crises of mondiale/transregionale veiligheidsproblemen, met inbegrip van bedreigingen voor de cyberveiligheid;

Z.

overwegende dat het gezamenlijke optreden tegen bedreigingen voor de cyberveiligheid — door middel van de werkgroep EU-VS voor cyberveiligheid en cybercriminaliteit — een van de prioriteiten is binnen de betrekkingen tussen de EU en de VS;

Acties en coördinatie binnen de EU

1.

merkt op dat cyberdreigingen tegen en cyberaanvallen op overheids-, administratieve, militaire en internationale instanties zowel in de EU als wereldwijd een snel groeiend gevaar vertegenwoordigen en steeds vaker voorkomen, en dat er gegronde redenen zijn voor bezorgdheid over mogelijke aanvallen van staten en andere partijen, in het bijzonder terroristische en criminele organisaties, op kritieke informatie- en communicatiestructuren en -infrastructuren van EU-instellingen en -lidstaten, die grote schade kunnen aanbrengen, waaronder kinetische effecten;

2.

onderstreept derhalve de noodzaak van een mondiale en gecoördineerde aanpak van deze problemen op EU-niveau door middel van de ontwikkeling van een allesomvattende EU-strategie inzake cyberveiligheid, die voorziet in een gemeenschappelijke omschrijving van „cyberveiligheid” en „cyberdefensie” en van een „defensiegerelateerde cyberaanval”, en een gemeenschappelijke operationele visie, en die rekening houdt met de meerwaarde van de bestaande agentschappen en organen, evenals de goede praktijken van de lidstaten die al over een nationale strategie inzake cyberveiligheid beschikken; benadrukt het cruciale belang van coördinatie en het creëren van synergieën op Unie-niveau teneinde de verschillende, zowel militaire als civiele initiatieven, programma's en activiteiten te combineren; benadrukt dat met deze strategie flexibiliteit gegarandeerd moet zijn en dat deze regelmatig moet worden aangepast aan de snelle veranderingen die inherent zijn aan de cyberspace;

3.

verzoekt de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid met klem rekening te houden met een mogelijke ernstige cyberaanval tegen een lidstaat in hun komende voorstel voor regelingen voor de toepassing van de solidariteitsclausule (artikel 222 VWEU); is bovendien van mening dat hoewel cyberaanvallen die een dreiging voor de nationale veiligheid vormen, nog door middel van gemeenschappelijke termen moeten worden omschreven, deze onder de clausule inzake wederzijdse defensie (artikel 42, lid 7, VEU) zouden kunnen vallen, onverminderd het evenredigheidsbeginsel;

4.

benadrukt dat het GVDB moet waarborgen dat troepen die militaire operaties en civiele missies van de EU uitvoeren, beschermd worden tegen cyberaanvallen; onderstreept dat cyberdefensie een actieve mogelijkheid van het GVDB dient te worden;

5.

benadrukt dat al het EU-beleid op het gebied van cyberveiligheid erop gestoeld en gericht dient te zijn dat maximale bescherming en behoud van digitale vrijheden en eerbiediging van de mensenrechten online gewaarborgd worden; is van mening dat het internet en ICT deel moeten uitmaken van het buitenlands beleid en het veiligheidsbeleid van de EU om hieraan bij te dragen;

6.

verzoekt de Commissie en de Raad, de digitale vrijheden eenduidig te erkennen als grondrechten en als een absolute vereiste voor de uitoefening van de universele mensenrechten; benadrukt dat de lidstaten zich ten doel moeten stellen bij het ontwikkelen van hun reacties op cyberdreigingen en -aanvallen nooit de rechten en vrijheden van hun burgers in gevaar te brengen en dat zij in hun wetgeving een duidelijk onderscheid moeten maken tussen cyberincidenten op civiel en op militair vlak; is van oordeel dat voorzichtigheid geboden is bij het opleggen van restricties aan het gebruik dat burgers kunnen maken van informatie- en communicatietechnologie;

7.

verzoekt de Raad en de Commissie, samen met de lidstaten een witboek over cyberdefensie op te stellen waarin heldere definities en criteria worden vastgelegd waarmee een onderscheid kan worden gemaakt tussen cyberaanvallen op civiel en op militair gebied, afhankelijk van de motivatie achter en de gevolgen van de aanval, alsmede de verschillende reactieniveaus, waaronder dat van onderzoek, opsporing en vervolging van daders;

8.

dringt aan op de noodzaak de Europese veiligheidsstrategie te actualiseren, om mogelijkheden te vinden voor de opsporing en vervolging van cyberaanvallers, zowel individuen als netwerken en door een staat gesteunde aanvallers;

EU-niveau

9.

benadrukt het belang van horizontale samenwerking en coördinatie op het vlak van cyberveiligheid binnen en tussen EU-instellingen en agentschappen;

10.

benadrukt dat nieuwe technologieën een uitdaging vormen voor de manier waarop regeringen hun traditionele kerntaken uitvoeren; herhaalt zijn standpunt dat het defensie- en veiligheidsbeleid uiteindelijk tot de bevoegdheden van regeringen hoort, inclusief adequaat democratisch toezicht; neemt kennis van de steeds belangrijkere rol die particuliere partijen spelen bij de uitvoering van veiligheids- en defensietaken, vaak zonder transparantie, verantwoording of democratische toezichtmechanismen;

11.

benadrukt dat regeringen zich bij het gebruik van nieuwe technologieën in het kader van het veiligheids- en defensiebeleid dienen te houden aan fundamentele, internationaal geldende beginselen van het publiek en humanitair recht, zoals de eerbiediging van de soevereiniteit van een staat en de mensenrechten; wijst op de waardevolle ervaring die EU-lidstaten, zoals Estland, hebben opgedaan bij het definiëren en ontwerpen van beleid op het gebied van zowel cyberveiligheid als cyberdefensie;

12.

erkent het belang van een beoordeling van het algehele niveau van cyberaanvallen tegen de EU-informatiesystemen en -infrastructuur; beklemtoont in deze context de noodzaak van een doorlopende beoordeling van de mate van paraatheid van de EU-instellingen om potentiële cyberaanvallen het hoofd te bieden; wijst met name op de noodzaak om de kritieke informatie-infrastructuur te versterken;

13.

benadrukt ook de noodzaak van het verstrekken van informatie over kwetsbaarheden en waarschuwingen voor nieuwe bedreigingen van de informatiesystemen;

14.

merkt op dat recente cyberaanvallen tegen Europese informatienetwerken en overheidsinformatiesystemen reeds hebben gezorgd voor aanzienlijke economische en veiligheidsschade, waarvan de exacte mate nog niet adequaat in kaart is gebracht;

15.

roept de EU-instellingen op om op zo kort mogelijke termijn strategieën inzake cyberveiligheid en rampenplannen te ontwikkelen met betrekking tot hun eigen systemen;

16.

roept de EU-instellingen op om bij hun risicoanalyse- en crisismanagementplannen rekening te houden met cybercrisisbeheer; roept bovendien alle EU-instellingen op voor al het personeel bewustwordingstrainingen inzake cyberveiligheid te organiseren; stelt voor om elk jaar cyberoefeningen te houden, tezamen met de oefeningen voor noodsituaties;

17.

onderstreept het belang van de doelmatige ontwikkeling van het EU-computercrisisteam (EU-CERT) en nationale computercrisisteams (CERT's), evenals van de ontwikkeling van nationale rampenplannen in het geval dat er actie moet worden ondernomen; is verheugd over het feit dat alle lidstaten vóór mei 2012 een nationaal computercrisisteam (CERT) hebben opgezet; dringt aan op de verdere ontwikkeling van nationale computercrisisteams (CERT's) en een EU-computercrisisteam (EU-CERT) die, indien nodig, binnen 24 uur kunnen worden ingezet; benadrukt het belang om de haalbaarheid te onderzoeken van publiek-private partnerschappen op dit gebied;

18.

erkent dat „Cyber Europe 2010”, de eerste pan-Europese oefening ter bescherming van de kritieke informatie-infrastructuur, die is uitgevoerd met de betrokkenheid van diverse lidstaten en die onder leiding stond van het ENISA, een nuttige actie en een voorbeeld van goede praktijk bleek; benadrukt ook de noodzaak om zo spoedig mogelijk het netwerk voor waarschuwing en informatie inzake kritieke infrastructuur op Europees niveau op te richten;

19.

benadrukt het belang van pan-Europese oefeningen om voorbereid te zijn op grootschalige netwerkbeveiligingsincidenten, en van de definitie van één enkele reeks normen voor dreigingsanalyse;

20.

roept de Commissie op om de noodzaak en de uitvoerbaarheid te onderzoeken van een EU-cybercoördinatiepost;

21.

is van mening dat, gezien het hoge niveau van vaardigheden dat nodig is zowel voor een adequate verdediging van cybersystemen en –infrastructuren als voor aanvallen daarop, er moet worden overwogen een zogenaamde „white hat”-strategie te ontwikkelen tussen de Commissie, de Raad en de lidstaten; merkt op dat de kans op „brain drain” in deze gevallen groot is en dat er met name bij minderjarigen die voor dergelijke aanvallen veroordeeld zijn, een groot potentieel bestaat voor zowel rehabilitatie als integratie in defensieagentschappen en –organen;

Europees Defensieagentschap (EDA)

22.

is verheugd over de recente initiatieven en projecten op het gebied van cyberdefensie, in het bijzonder met betrekking tot het verzamelen en in kaart brengen van relevante gegevens, problemen en behoeften inzake cyberveiligheid en –defensie, en dringt erop aan dat de lidstaten op het gebied van cyberdefensie meer samenwerken met het EDA, ook op militair vlak;

23.

onderstreept het belang voor de lidstaten van nauwe samenwerking met het EDA bij de ontwikkeling van nationale cyberdefensievermogens; gelooft dat het creëren van synergieën en het bundelen en uitwisselen van middelen op Europees niveau cruciaal zijn voor effectieve cyberdefensie op Europees en nationaal niveau;

24.

moedigt het EDA aan de samenwerking te intensiveren met de NAVO, de nationale en internationale kenniscentra, het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit van Europol om bij te dragen aan snellere reacties op cyberaanvallen en in het bijzonder met het „Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence” (CCDCOE), en zich te concentreren op vermogensopbouw en opleiding, evenals op de uitwisseling van informatie en praktijken;

25.

stelt met zorg vast dat in 2010 slechts één lidstaat het uitgavenniveau van 2 % voor defensieonderzoek en -ontwikkeling heeft bereikt en dat vijf lidstaten dat jaar in het geheel niets hebben uitgegeven aan onderzoek en ontwikkeling; dringt er bij het EDA en de lidstaten op aan middelen te bundelen en effectief te investeren in samenwerking bij onderzoek en ontwikkeling, met name op het gebied van cyberveiligheid en -defensie;

Lidstaten

26.

roept de lidstaten op onverwijld hun respectieve nationale strategieën inzake cyberveiligheid en -defensie te ontwikkelen en te voltooien, en te zorgen voor een stabiele omgeving voor beleidsvorming en regelgeving, integrale procedures voor risicomanagement en passende voorbereidende maatregelen en mechanismen; roept het ENISA op de lidstaten daarbij te ondersteunen; spreekt zijn steun uit voor de inspanningen van het ENISA voor de ontwikkeling van een gids voor goede praktijken en aanbevelingen over hoe een strategie inzake cyberveiligheid moet worden ontwikkeld, uitgevoerd en onderhouden;

27.

moedigt alle lidstaten aan binnen hun militaire organisatie speciale eenheden voor cyberveiligheid en -defensie op te richten, gericht op samenwerking met vergelijkbare organen in andere EU-lidstaten;

28.

moedigt de lidstaten aan om op regionaal niveau gespecialiseerde rechtbanken op te richten om ervoor te zorgen dat aanvallen op informatiesystemen effectiever worden bestraft; onderstreept dat de aanpassing van nationale wetgeving moet worden bevorderd, om deze te kunnen afstemmen op nieuwe ontwikkelingen in technieken en gebruiksvormen;

29.

roept de Commissie op te blijven werken aan een coherente en efficiënte Europese benadering om overbodige initiatieven te vermijden en de lidstaten bij hun inspanningen aan te moedigen en te ondersteunen om samenwerkingsmechanismen te ontwikkelen en de informatie-uitwisseling te verbeteren; is van mening dat een minimumniveau van verplichte samenwerking en uitwisseling tussen de lidstaten moet worden vastgesteld;

30.

dringt er bij de lidstaten op aan om nationale rampenplannen op te stellen en om in hun crisisbeheersplannen en risicoanalyses ook cybercrisisbeheer op te nemen; benadrukt verder het belang van adequate trainingen op het gebied van essentiële cyberveiligheid voor al het personeel bij overheidsinstellingen, en meer in het bijzonder van het aanbieden van trainingen afgestemd op de leden van gerechtelijke en veiligheidsinstanties binnen de opleidingsinstituten; roept het ENISA en andere relevante organen op de lidstaten te ondersteunen bij hun inspanningen om de middelen te bundelen en uit te wisselen alsmede om dubbel werk te voorkomen;

31.

dringt er bij de lidstaten op aan onderzoek en ontwikkeling tot een van de centrale pijlers van cyberveiligheid en -defensie te maken en de invoering van trainingen voor ingenieurs die gespecialiseerd zijn in de bescherming van informatiesystemen te bevorderen; roept de lidstaten op hun toezeggingen na te komen om de defensie-uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling te verhogen tot ten minste 2 %, in het bijzonder op het gebied van cyberveiligheid en -defensie;

32.

roept de Commissie en de lidstaten op programma's voor te stellen ter bevordering en ter vergroting van het bewustzijn bij zowel particuliere als zakelijke gebruikers van een algeheel veilig gebruik van internet, informatiesystemen en communicatietechnologieën; stelt voor dat de Commissie hiertoe een openbaar pan-Europees onderwijsinitiatief lanceert; roept de lidstaten op onderwijs over cyberveiligheid op een zo vroeg mogelijke leeftijd op te nemen in het lesprogramma van scholen;

Publiek-private samenwerking

33.

onderstreept de cruciale rol van zinvolle en complementaire samenwerking op het gebied van cyberveiligheid tussen overheidsinstellingen en de private sector, zowel op EU- als op nationaal niveau, met als doel te komen tot wederzijds vertrouwen; beseft dat verdere verbetering van de betrouwbaarheid en doelmatigheid van de desbetreffende overheidsinstellingen bijdraagt aan het opbouwen van vertrouwen en het uitwisselen van kritieke informatie;

34.

roept partners uit de private sector op „security-by-design”-oplossingen in overweging te nemen bij het ontwerpen van nieuwe producten, apparatuur, diensten en toepassingen, en te overwegen diegenen aan te moedigen die nieuwe producten, apparatuur, diensten en toepassingen ontwerpen waarbij „security-by-design” voorop staat; verzoekt in het kader van de samenwerking met de private sector ter voorkoming en bestrijding van cyberaanvallen, om minimumeisen op het gebied van transparantie en verantwoordingsmechanismen;

35.

benadrukt dat de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur opgenomen is in de EU-strategie voor interne veiligheid in het kader van het verhogen van de cyberveiligheid van zowel burgers als bedrijven;

36.

verzoekt om de invoering van een permanente dialoog met deze partners over het beste gebruik en het herstellingsvermogen van informatiesystemen en het delen van verantwoordelijkheid vereist voor de veilige en goede werking van deze systemen;

37.

is van mening dat de lidstaten, de EU-instellingen en de private sector in samenwerking met het ENISA maatregelen moeten nemen om de veiligheid en integriteit van informatiesystemen te vergroten om aanvallen te voorkomen en het effect ervan zo klein mogelijk te houden; steunt de Commissie in haar inspanningen om minimumnormen voor cyberveiligheid en certificeringssystemen voor bedrijven voor te stellen, alsmede om inspanningen in de private sector om de beveiliging te verbeteren op juiste wijze te stimuleren;

38.

roept de Commissie en de regeringen van de lidstaten op de private sector en actoren uit het maatschappelijk middenveld aan te moedigen cybercrisisbeheer op te nemen in hun crisisbeheersplannen en risicoanalyses; is verder voorstander van de invoering van bewustwordingstrainingen over essentiële cyberveiligheid en cyberhygiëne voor alle leden van hun personeel;

39.

roept de Commissie op in samenwerking met de lidstaten en de desbetreffende agentschappen en organen kaders en instrumenten te ontwikkelen voor snelle informatie-uitwisselingssystemen die de anonimiteit garanderen bij de melding van cyberincidenten voor de private sector, publieke actoren helpen constant op de hoogte te blijven, en waar nodig ondersteuning bieden;

40.

benadrukt de noodzaak voor de EU om de ontwikkeling van een concurrerende en innovatieve markt voor cyberveiligheid in de EU te bevorderen, om kmo's beter in staat te stellen op dit vlak werkzaam te zijn, hetgeen eveneens zal bijdragen aan het stimuleren van economische groei en het creëren van nieuwe banen;

Internationale samenwerking

41.

roept de EDEO op om een proactieve benadering te hanteren ten aanzien van cyberveiligheid en om cyberveiligheid tot onderdeel te maken van al haar acties, in het bijzonder met betrekking tot derde landen; roept op tot een versnelde samenwerking en informatie-uitwisseling om te bepalen hoe cyberveiligheidskwesties met derde landen moeten worden opgelost;

42.

benadrukt dat de voltooiing van een integrale EU-strategie op het gebied van cyberveiligheid een voorwaarde is voor de totstandbrenging van het soort efficiënte internationale samenwerking op het gebied van cyberveiligheid waar de grensoverschrijdende aard van de cyberdreigingen om vraagt;

43.

roept die lidstaten die het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken van de Raad van Europa (Verdrag van Boedapest) nog niet hebben ondertekend of geratificeerd op om dit onverwijld alsnog te doen; steunt de Commissie en de EDEO in hun inspanningen om dit verdrag en de erin opgenomen waarden onder derde landen te bevorderen;

44.

is zich bewust van de noodzaak van een internationaal overeengekomen en gecoördineerd antwoord op cyberdreigingen; verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten dan ook om binnen alle fora, en in het bijzonder bij de Verenigde Naties, het initiatief te nemen voor het bereiken van bredere, internationale samenwerking en een uiteindelijk akkoord over gedragsnormen in de cyberspace, en om samenwerking te bevorderen met het oog op het sluiten van akkoorden over de beheersing van cyberwapens;

45.

moedigt kennisuitwisseling op het gebied van cyberveiligheid met de BRICS-landen en met andere landen met opkomende economieën aan, met als doel eventuele gemeenschappelijke reacties op de groeiende cybercriminaliteit en cyberdreigingen en -aanvallen, zowel op civiel als op militair gebied, te onderzoeken;

46.

dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan om proactief stelling te nemen binnen de relevante internationale fora en organisaties, in het bijzonder de VN, de OVSE, de OESO en de Wereldbank, met als doel de bestaande internationale wetgeving toe te passen en consensus te bereiken over normen voor verantwoordelijk staatsgedrag inzake cyberveiligheid en -defensie, en door de standpunten van de lidstaten te coördineren teneinde de kernwaarden en beleidsmaatregelen van de EU op het gebied van cyberveiligheid en -defensie te bevorderen;

47.

verzoekt de Raad en de Commissie in hun dialogen, betrekkingen en samenwerkingsovereenkomsten met derde landen, in het bijzonder wanneer het gaat om samenwerking op technologisch gebied of uitwisseling van technologisch materiaal, te volharden in minimumeisen om cybercriminaliteit en cyberaanvallen te voorkomen en te bestrijden, en in minimumnormen voor de veiligheid van informatiesystemen;

48.

roept de Commissie op derde landen, indien nodig, te helpen en bij te staan bij hun inspanningen om hun vermogens op het gebied van cyberveiligheid en cyberdefensie op te bouwen;

Samenwerking met de NAVO

49.

herhaalt dat de EU en de NAVO op basis van hun gemeenschappelijke waarden en strategische belangen een bijzondere verantwoordelijkheid en daarnaast ook de capaciteit hebben om de toenemende cyberveiligheidsproblemen doelmatiger en in hechte samenwerking aan te pakken door te zoeken naar mogelijke complementariteit, zonder dubbel werk en met eerbiediging van de respectieve verantwoordelijkheden;

50.

onderstreept de noodzaak om op praktisch niveau de middelen te bundelen en te delen, rekening houdend met de complementaire aard van de EU- en de NAVO-benadering voor cyberveiligheid en -defensie; benadrukt het belang van sterkere coördinatie, in het bijzonder op het gebied van planning, technologie, training en uitrusting met betrekking tot cyberveiligheid en -defensie;

51.

dringt er, voortbouwend op de bestaande complementaire activiteiten op het gebied van de ontwikkeling van defensievermogens, bij alle relevante organen die zich binnen de EU met cyberveiligheid en -defensie bezighouden, op aan om hun praktische samenwerking met de NAVO te intensiveren met het oog op de uitwisseling van ervaringen en kennis over hoe er moet worden gezorgd voor veerkrachtige EU-systemen;

Samenwerking met de Verenigde Staten

52.

gelooft dat de EU en de VS hun wederzijdse samenwerking moeten opvoeren om cyberaanvallen en cybercriminaliteit te bestrijden, aangezien dit tot prioriteit is gemaakt van de trans-Atlantische betrekkingen naar aanleiding van de top EU-VS in Lissabon van 2010;

53.

is ingenomen met de oprichting van de werkgroep EU-VS voor cyberveiligheid en cybercriminaliteit tijdens de top EU-VS van november 2010 en steunt de inspanningen van de werkgroep om vraagstukken op het gebied van cyberbeveiliging op te nemen in de trans-Atlantische beleidsdialoog;

54.

is verheugd over de gezamenlijke uitwerking door de Commissie en de regering van de VS, in het kader van de werkgroep EU-VS, van een gemeenschappelijk programma en een stappenplan voor gezamenlijke/gesynchroniseerde transcontinentale cyberoefeningen in 2012/2013; neemt kennis van de eerste Atlantische cyberoefening in 2011;

55.

benadrukt de noodzaak voor zowel de VS als de EU, als partijen die het grootste aandeel hebben zowel wat cyberspace als wat gebruikers betreft, om samen te werken voor de bescherming van de rechten en vrijheden van hun burgers wat betreft het gebruik van deze ruimte; benadrukt dat de nationale veiligheid voorop staat, maar dat de cyberspace beveiligd maar ook beschermd moet worden;

o

o o

56.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter, het EDA, het ENISA en de NAVO.


(1)  PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75.

(2)  PB C 349 E van 22.12.2010, blz. 63.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0228.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0207.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0406.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0237.

(7)  http://www.ohchr.org/EN/HRBodies/HRC/RegularSessions/Session20/Pages/ResDecStat.aspx


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/153


P7_TA(2012)0458

De rol van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid bij klimaatgedreven crises en natuurrampen

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de rol van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid bij klimaatgedreven crises en natuurrampen ((2012/2095(INI))

(2015/C 419/23)

Het Europees Parlement,

gezien Titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name de artikelen 42 en 43,

gezien artikel 196 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inzake civiele bescherming en artikel 214 inzake humanitaire hulp,

gezien de conclusies van de Raad inzake EU-diplomatie op klimaatgebied van 18 juli 2011 (1),

gezien de gezamenlijke discussienota van de EDEO en de Commissie inzake diplomatie op klimaatgebied van 9 juli 2011 (2),

gezien het gezamenlijke rapport uit 2008, gepresenteerd door de hoge vertegenwoordiger, de heer Javier Solana, en de Commissie aan de Europese Raad inzake klimaatverandering en internationale veiligheid en de erop volgende aanbevelingen (3),

gezien het verslag van de Commissie, getiteld „Op weg naar een Europese civiele bescherming: Europe Aid” van mei 2006,

gezien de Beschikking van de Raad van 8 november 2007 tot instelling van een communautair mechanisme voor civiele bescherming (4), gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2010 getiteld „Naar een krachtigere Europese respons bij rampen: de rol van civiele bescherming en humanitaire hulp” (COM(2010)0600) en de resolutie van het Europees Parlement van 27 september 2011 (5),

gezien het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2011 betreffende een EU-mechanisme voor civiele bescherming (COM(2011)0934),

gezien de mededeling van de Commissie uit 2008 inzake de Europese Unie en het Arctisch gebied (COM(2008)0763) en de resolutie van 20 januari 2011 inzake een duurzaam EU-beleid voor het hoge noorden (6),

gezien zijn resolutie van 14 december 2011 inzake de invloed van de financiële crisis op de defensiesector in de EU-lidstaten (7),

gezien de conclusies van de conferenties van Berlijn in oktober 2011 getiteld „Van klimaatonderhandeling naar klimaatdiplomatie” en van London in maart 2012 getiteld „Een overleg inzake klimaat en veiligheid voor de 21e eeuw”,

gezien de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad uit juli 2011 inzake klimaatverandering en internationale veiligheid (8),

gezien de verslagen van het milieuprogramma van de Verenigde Naties uit 2011 en 2012, getiteld „Livelihood security: Climate change, conflict and migration in the Sahel” (9),

gezien VN-documenten inzake menselijke veiligheid en inzake verantwoordelijkheid om te beschermen (10),

gezien de VN-richtsnoeren inzake het gebruik van militaire en civiele defensiemiddelen bij rampen (de Oslo-richtsnoeren) (11) en de richtsnoeren van het Permanent Comité van VN-organisaties (IASC) inzake het gebruik van militaire en civiele defensiemiddelen ter ondersteuning van humanitaire VN-activiteiten in complexe noodsituaties (de MCDA-richtsnoeren),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (SEC(2007)0781, SEC(2007)0782, COM(2007)0317) en de gemeenschappelijke verklaring over „De Europese Consensus betreffende humanitaire hulp” (12),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0349/2012),

Algemene beschouwingen

1.

neemt kennis van de gevolgen van de klimaatverandering voor de mondiale veiligheid, vrede en stabiliteit;

2.

betreurt dat het thema klimaatverandering als de grootste bedreiging voor de mondiale veiligheid in de afgelopen vier jaar in het publieke debat in de schaduw van de economische en financiële crisis heeft gestaan, die ook een onmiddellijke mondiale bedreiging vormt;

3.

is van oordeel dat de toename van extreme weersomstandigheden van de afgelopen jaren toenemende kosten met zich meebrengt voor de mondiale economie, niet alleen voor ontwikkelingslanden maar voor de gehele wereld, zowel in de vorm van directe kosten voor wederopbouw en hulp, als indirecte kosten door duurdere verzekeringen en hogere prijzen van producten en diensten; benadrukt dat deze ontwikkeling ook een bedreiging vormt voor de internationale vrede en de veiligheid van mensen;

4.

wijst erop dat natuurrampen, die worden verergerd door klimaatverandering, zeer destabiliserend zijn, in het bijzonder voor kwetsbare staten; merkt echter op dat tot op heden geen enkel conflict uitsluitend aan klimaatverandering kan worden toegeschreven; benadrukt dat bevolkingen met minder toegang tot zoet water en voedingsmiddelen, als gevolg van natuurrampen die zijn verergerd door klimaatverandering, gedwongen worden te migreren en derhalve de economische, sociale en administratieve mogelijkheden van reeds kwetsbare gebieden of falende staten overbelasten en bijgevolg conflicten en een negatieve invloed op de algemene veiligheid creëren; herinnert eraan dat deze ontwikkelingen concurrentie creëren tussen gemeenschappen en landen om schaarse middelen;

5.

erkent dat complexe crises kunnen worden voorspeld en moeten worden voorkomen door middel van een alomvattende aanpak, rekening houdende met de beleidsgebieden waarbij volledig gebruik wordt gemaakt van de instrumenten die in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) ter beschikking staan, alsook met het beleid voor humanitaire en ontwikkelingshulp; merkt tevens op dat de NAVO in 2004 een centrale rol speelde bij het eerste internationale antwoord op door het milieu veroorzaakte veiligheidsuitdagingen, toen het bondgenootschap samen met vijf andere internationale organen (13) het Initiatief Milieu en Veiligheid vormde (ENVSEC) om het hoofd te bieden aan milieuvraagstukken die een bedreiging vormen voor de veiligheid in kwetsbare regio's;

6.

erkent het belang van kritieke infrastructuur die ondersteuning aan het GVDB biedt;

7.

erkent dat de aanpak van de klimaatverandering in verband met veiligheidskwesties zinvol kan zijn, maar dat dit slechts een deel van de EU-maatregelen inzake klimaatverandering is, waarin gepoogd wordt politieke en economische instrumenten te gebruiken ter aanpassing aan en verzachting van de gevolgen van de klimaatverandering;

8.

wijst erop dat de EU in haar strategieën, beleid en instrumenten voor extern optreden rekening dient te houden met de gevolgen van natuurrampen en de klimaatverandering voor de internationale veiligheid; herinnert er verder aan dat het in verband met natuur- en andere rampen belangrijk is om de aandacht speciaal op vrouwen en kinderen te richten omdat zij bijzonder kwetsbaar zijn tijdens crises;

9.

herinnert in dit verband aan het mandaat van de Commissie op het gebied van humanitaire hulpverlening en civiele bescherming en benadrukt de noodzaak tot verdere ontwikkeling en versterking van de bestaande instrumenten;

10.

herinnert in dit opzicht aan het belang van de beperking van het risico op rampen, om de gevolgen van crises voor kwetsbare bevolkingen te beperken;

11.

merkt op dat het essentieel is de invloed van klimaatgedreven crises en hieruit voortvloeiende natuurrampen te integreren in strategieën en operationele plannen voor het GVDB, vóór, tijdens en na natuurlijke of humanitaire crises die zouden kunnen ontstaan, en plannen op te zetten voor bijstandsverlening ter verlichting van de gevolgen van de klimaatverandering, voornamelijk voor de gebieden die het meest gevaar lopen, met inachtneming van de in het Verdrag van Lissabon vastgelegde humanitaire beginselen; roept ook op tot praktische samenwerking, bijvoorbeeld samenwerkingsprojecten;

12.

benadrukt dat het ontwikkelen van een doeltreffende reactie op de gevolgen van de klimaatverandering voor de veiligheid niet alleen gericht moet zijn op de verbetering van conflictpreventie en crisisbeheer, maar ook op onderzoek en het vermogen tot vroegtijdige waarschuwing;

13.

herinnert eraan dat het Verdrag van Lissabon vereist dat de Unie civiele en militaire vermogens voor internationaal crisisbeheer ontwikkelt voor alle taken die in artikel 43 zijn uiteengezet, in het bijzonder conflictpreventie, humanitaire en reddingsmissies, advies en bijstand op militair gebied, vredeshandhaving en stabiliseringstaken na conflicten; is tegelijkertijd van mening dat een verdubbeling van instrumenten moet worden vermeden en dat, overeenkomstig de artikelen 196 en 214 VWEU, een duidelijk onderscheid dient te worden gemaakt tussen instrumenten die binnen en buiten het bereik van het GVDB vallen; herinnert er eveneens aan dat moet worden voorkomen dat reeds lang bestaande instrumenten voor humanitaire hulp en civiele bescherming die niet onder het GVDB vallen, worden verdubbeld;

14.

erkent dat militaire structuren de beschikking hebben over capaciteiten en middelen inzake inlichtingen over het milieu, risicobeoordeling, humanitaire hulpverlening, hulpverlening bij rampen en evacuatie die bij vroegtijdige waarschuwing, klimaatgerelateerd crisisbeheer en het reactievermogen bij rampen van essentieel belang zijn;

15.

wijst erop dat door het Verdrag van Lissabon nieuwe bepalingen (de artikelen 21-23, 27, 39, 41, lid 3, 43-46) zijn geïntroduceerd, met name die verband houden met het startfonds in artikel 41, lid 3, en dat deze nog moeten worden uitgevoerd;

16.

wijst erop dat de EU met het oog op de uitwisseling van analysen en de gezamenlijke aanpak van uitdagingen op het gebied van klimaatverandering verder met de VN, de Afrikaanse Unie (AU) en de OVSE moet samenwerken, ook in het kader van het ENVSEC;

17.

onderstreept de waarde van civiel-militaire synergieën bij crises als die in Haïti, Pakistan en New Orleans; is van mening dat deze synergieën hebben aangetoond hoe militaire troepen een waardevolle bijdrage kunnen leveren bij klimaatgedreven crises en natuurrampen door onmiddellijke en tijdige hulp te verlenen aan de getroffen gebieden en bevolkingen;

18.

juicht toe dat klimaatverandering een steeds centralere plek heeft ingenomen in het mondiale veiligheidsdebat, met name vanaf 2007, toen de VN-Veiligheidsraad voor het eerst had beraadslaagd over klimaatverandering en de implicaties voor de internationale veiligheid; is ingenomen met de inspanningen van de EU en de overheden van haar lidstaten om het probleem in juli 2011 aan de orde te stellen binnen de VN-Veiligheidsraad en in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken met betrekking tot diplomatie op klimaatgebied;

De noodzaak van politieke wil en actie

19.

verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) als verantwoordelijke voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie om:

a)

waar passend, bij het analyseren van crises en de dreiging van conflicten rekening te houden met klimaatverandering en natuurrampen en de gevolgen daarvan op het gebied van veiligheid en defensie;

b)

te beoordelen welke landen en/of gebieden mogelijk het grootste risico lopen op conflicten en instabiliteit als gevolg van de klimaatverandering en natuurrampen; een lijst van dergelijke landen/gebieden op te stellen; als onderdeel van de jaarverslagen van het GBVB informatie te leveren over de tenuitvoerlegging van het beleid en de instrumenten van de EU die gericht zijn op de aanpak van deze uitdagingen in de in de lijst opgenomen landen/gebieden;

c)

het praktische vermogen van de EU te verbeteren om conflictpreventie, crisisbeheer en wederopbouw na crisis te garanderen, de activiteiten nauw te coördineren met de Commissie en het ontwikkelingsbeleid van de EU betreffende de noodzaak om partnerlanden te helpen bij de weerstand tegen klimaatverandering en andere dimensies van aanpassing aan de klimaatverandering;

d)

in nauwe samenwerking met de Commissie de planning op de lange termijn van de EU voor civiele en militaire capaciteiten en vermogens overeenkomstig aan te passen;

20.

meent dat de EU een lijst moet opstellen met uitdagingen waarmee zij wordt geconfronteerd in gebieden zoals het noordpoolgebied, Afrika, de Arabische wereld en de Himalaya en het Tibetaanse Hoogland („de derde pool”), met name de mogelijkheid van conflicten over watervoorziening;

21.

benadrukt het belang van de voortzetting en uitbreiding van de humanitaire en ontwikkelingshulp van de EU die gericht is op het aanpassen aan, verzachten van, reageren op en weerstand bieden aan klimaatgedreven crises en natuurrampen en daarmee verband houdende hulpverlening en opbouw na dergelijke crises; erkent het belang van initiatieven als beperking van het rampenrisico en onderlinge koppeling van hulpverlening, opbouw en ontwikkeling en verzoekt de Commissie om deze programma's en activiteiten horizontaal in haar humanitaire en met name in haar ontwikkelingshulp te integreren; is ingenomen met het voorstel om het EU-mechanisme voor civiele bescherming een grotere rol toe te kennen, met name buiten de Europese Unie;

22.

juicht het Initiatief Milieu en Veiligheid (ENVSEC) van het UNDP, UNEP, de OVSE, de NAVO en REC (14) toe dat voorziet in de aanpak van met de veiligheid van mensen en het milieu verband houdende uitdagingen door het aanbieden van hun gezamenlijke pool van deskundigheid en hulpmiddelen aan landen in Centraal-Azië, de Kaukasus en Zuidoost-Europa; neemt er kennis van dat de algehele doeltreffendheid van ENVSEC nog beperkt is, maar dat het tot nu toe een belangrijk instrument voor institutionele samenwerking en het beginpunt voor de vereenvoudiging van de horizontale integratie van procedures is geweest;

23.

onderstreept dat de EU met belangrijke risicoregio's en met de kwetsbaarste staten moet samenwerken om hun beheerscapaciteit te versterken; benadrukt dat de EU de aanpassing aan en de weerstand tegen de klimaatverandering sterker in de regionale strategieën van de EU (bijvoorbeeld de EU-Afrika-strategie, het proces van Barcelona, de EU-Centraal-Azië-strategie en het actieplan voor het Midden-Oosten) kan integreren;

24.

verzoekt de HV/VV en de Commissie om de potentiële effecten van de klimaatverandering op de veiligheid te verwerken in de belangrijkste strategieën, beleidsdocumenten en financiële instrumenten voor extern optreden en het GVDB;

25.

wijst op het feit dat energiezekerheid nauw verwant is aan klimaatverandering; meent dat de energiezekerheid moet worden verbeterd door de EU minder afhankelijk te maken van fossiele brandstoffen, zoals de via pijpleidingen uit Rusland geïmporteerde brandstoffen; herinnert eraan dat deze pijpleidingen kwetsbaar zullen worden voor onderbrekingen door het smelten van de permafrostgebieden, en benadrukt dat de transformatie van het noordpoolgebied een belangrijk effect van klimaatverandering op de veiligheid van de EU is; benadrukt dat deze risicofactor met behulp van een versterkte EU-strategie voor het Noordpoolgebied moet worden aangepakt, en via een verbeterd beleid voor in de EU gegenereerde hernieuwbare energieën en energie-efficiëntie waarmee de afhankelijkheid van de Unie van externe bronnen aanzienlijk wordt verminderd en haar voorzieningszekerheid wordt verhoogd;

26.

verzoekt het Europese Defensieagentschap (EDA) en de strijdkrachten van de lidstaten om groene en energiebewuste technologieën te ontwikkelen, en het potentieel van hernieuwbare energiebronnen daarbij optimaal te benutten;

27.

is ingenomen met de recente pogingen om de coördinatie tussen de NAVO en de EU op het gebied van vermogensontwikkeling te versterken; erkent dat de wederzijdse voordelen van samenwerking dringend moeten worden vastgesteld, terwijl de specifieke bevoegdheden van beide organisaties worden geëerbiedigd; benadrukt dat er synergieën moeten worden gevonden en gecreëerd op het gebied van „pooling and sharing”-projecten en „smart defence”-projecten (NAVO), die als reactie op natuurrampen en klimaatgedreven crises zouden kunnen worden toegepast;

28.

verzoekt de HV/VV uiterst dringend gebruik te maken van het volledige potentieel van het Verdrag van Lissabon en te komen met voorstellen voor de tenuitvoerlegging van het startfonds (artikel 41, lid 3, VEU) met betrekking tot mogelijke toekomstige „pooling and sharing”-projecten, gezamenlijke vermogens en een gezamenlijke, permanente uitrusting voor civiele crisisoperaties;

Behoefte aan een nieuwe geest: strategische en conceptuele uitdagingen

29.

merkt op dat de negatieve invloed van klimaatverandering en natuurrampen op vrede, veiligheid en stabiliteit zou kunnen worden verwerkt in alle strategische GBVB/GVDB-documenten die dienst doen als richtlijnen voor de planning en het gedrag van individuele beleidslijnen en missies;

30.

merkt op dat capaciteiten voor een vroegtijdige situatiebeoordeling en feitenonderzoek belangrijk zijn om ervoor te zorgen dat de EU op crises kan reageren met inzet van de meest geschikte middelen waarover zij beschikt, waarbij zo vroeg mogelijk multidisciplinaire teams worden ingezet, bestaande uit civiele, militaire en civiel-militaire deskundigen;

31.

onderstreept dat de toegang van de EU tot nauwkeurige en tijdige analyse van wezenlijk belang zal zijn voor de reactie op en voorspelling van onveiligheid door klimaatverandering, waarvoor de capaciteiten van het GVDB een goede informatiebron zijn; meent dat de EU stappen moet nemen om de capaciteiten voor gegevensverzameling en informatieanalyse verder te ontwikkelen door middel van structuren als EU-delegaties, het Satellietcentrum van de EU en het EU-Situatiecentrum;

32.

meent dat vroege waarschuwingen en vroege preventieve acties met betrekking tot de negatieve gevolgen van klimaatverandering en natuurrampen afhangen van voldoende menselijk potentieel en methodologie met betrekking tot het verzamelen en analyseren van gegevens; merkt op dat de relevante EDEO-eenheden die te maken hebben met veiligheid en de relevante diensten van de Commissie en de geografische afdelingen de analyse van de gevolgen van natuurrampen voor de internationale veiligheid en politieke stabiliteit in hun werk moeten integreren; doet de aanbeveling het personeel van EDEO en de Commissie op te leiden voor het monitoren van de gevolgen van natuurrampen voor crisisontwikkeling en politieke stabiliteit en veiligheid; pleit voor de ontwikkeling van gezamenlijke criteria voor analyses, risicobeoordelingen en het opzetten van een gezamenlijk waarschuwingssysteem;

33.

moedigt de relevante organen van de EDEO en de Commissie aan tot verbetering van hun coördinatie voor het analyseren van de situatie en van hun beleidsplanning — en de systematische uitwisseling van informatie — met betrekking tot problemen op het vlak van klimaatverandering en natuurrampen; spoort de relevante EDEO-organen aan tot het gebruiken van permanente kanalen voor de communicatie en de uitwisseling van informatie met de relevante organen van de Commissie, met name met ECHO, maar ook met VN-organisaties en -programma's en de NAVO; wijst erop dat de civiel-militaire structuren, belast met het reageren op door klimaatverandering aangedreven crises en natuurrampen, nauw zouden moeten samenwerken met alle maatschappelijke, humanitaire en niet-gouvernementele organisaties;

34.

dringt bij de Commissie aan op de ontwikkeling van rampenplannen voor de reactie van de EU op de gevolgen van natuurrampen en klimaatgedreven crises die buiten de Unie plaatsvinden, maar directe of indirecte veiligheidsimplicaties voor de Unie hebben (zoals klimaatgedreven migratie);

35.

is zeer ingenomen met de stappen die in 2011 tijdens het Poolse voorzitterschap door de EU-ministers van Buitenlandse Zaken en tijdens het Duitse voorzitterschap binnen de VN-Veiligheidsraad zijn genomen voor het uitwerken van de wisselwerking tussen klimaatverandering en de daaraan verbonden veiligheidsimplicaties;

36.

meent dat de belangrijkste beleidsdocumenten van het GVDB met betrekking tot de implicaties van klimaatverandering kunnen worden aangepast en gewijzigd, zoals het EU-concept voor militaire planning op politiek en strategisch niveau (15), het militaire commando- en controleconcept van de EU (16), het EU-concept voor opbouw van de troepenmacht (17) en het concept snelle militaire reactie van de EU (18), evenals de documenten die relevant zijn voor civiele GVDB-missies, zoals het EU-concept voor ruimtelijke ordening, het EU-concept voor politieplanning en richtlijnen voor de commando- en controlestructuur voor civiele crisisbeheersoperaties van de EU (19);

37.

is van mening dat de civiele en militaire vermogens dusdanig moeten worden ontwikkeld dat ze kunnen worden ingezet om op natuurrampen en klimaatgedreven crises te reageren; gelooft dat er speciale aandacht moet worden besteed aan de ontwikkeling van militaire vermogens en in het bijzonder aan het proces van pooling en sharing; verzoekt in dit opzicht om een grotere rol van het EDA;

Behoefte aan institutionele creativiteit: instrumenten en vermogens

38.

herhaalt dat voor een doeltreffende respons op crises en natuurrampen vaak een beroep moet kunnen worden gedaan op zowel civiele als militaire vermogens en dat daarom nauwere civiel-militaire samenwerking tussenbeide nodig is; herinnert eraan dat het van wezenlijk belang is om niche-specifieke vermogens en tekortkomingen te benoemen waar het militair vermogen van toegevoegde waarde zou kunnen zijn;

39.

benadrukt dat er een specifieke lijst moet worden uitgewerkt met militaire en civiele GVDB-vermogens die van bijzonder belang zijn voor de reactie op klimaatverandering en natuurrampen en voor GVDB-missies; benadrukt dat bij de uitwerking van deze lijst bijzondere aandacht moet worden geschonken aan het werk van de Consultatieve Groep inzake het gebruik van militaire en civiele defensievermogens; merkt op dat deze defensievermogens onder andere ingenieurscapaciteiten zoals de ad-hocopbouw en inbedrijfstelling van de infrastructuur van havens/luchthavens, lucht- en zeebeheer en -vervoer, mobiele ziekenhuizen met intensive care, communicatie-infrastructuur, waterzuivering en brandstofbeheer omvatten; verzoekt de Raad en het EDA in het kader van de herziening van het vermogensontwikkelingsprogramma van 2013 om de huidige catalogi van civiele en militaire vermogens in overeenstemming te brengen met de vereisten om de uitdagingen van klimaatverandering aan te gaan, en om met de nodige voorstellen te komen om bestaande gebreken in deze catalogi te herstellen;

40.

benadrukt de noodzaak om op basis van reeds bestaande capaciteiten, zoals de gevechtsgroepen van de EU en het Europese luchttransportcommando, de mogelijkheid te verkennen voor het creëren van verdere gezamenlijke vermogens die relevant zijn voor activiteiten waarmee wordt gereageerd op de effecten van klimaatverandering of natuurrampen;

41.

benadrukt dat op zoek moet worden gegaan naar manieren ter verbetering van de energie-efficiëntie en het milieubeheer bij de thuis en in het buitenland gestationeerde strijdkrachten, onder meer door het potentieel van hernieuwbare energiebronnen te verkennen; herinnert eraan dat de strijdkrachten van één lidstaat van de EU evenveel energie verbruiken als een grote Europese stad, en dat militaire structuren daarom even innovatief moeten zijn in het verkleinen van hun ecologische voetafdruk; is ingenomen met het verslag „Greening the Blue Helmets: Environment, Natural Resources and UN Peacekeeping Operations” dat in mei 2012 door UNEP, de VN-afdeling Vredesoperaties (UNDPKO) en de VN-afdeling Veldondersteuning (UNDFS) is gepubliceerd; wijst erop dat de strijdkrachten van de VS (20) sinds meerdere jaren actief pogingen hebben ondernomen om de energieonafhankelijkheid te verhogen door het gebruik van duurzame energiebronnen en het verhogen van de energie-efficiëntie bij alle legeroperaties en in de infrastructuur; juicht in dit verband het recente EDA-project GO GREEN toe, dat gericht is op een aanzienlijke verbetering van de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen; onderstreept eveneens de noodzaak om richtsnoeren voor optimale werkmethoden te ontwikkelen op het gebied van het efficiënt gebruik van hulpbronnen en het toezicht op het milieubeheer van GVDB-missies;

42.

benadrukt dat ook de ruimere ontwikkelingen op het gebied van de Europese industriële defensiebasis in lijn moeten worden gebracht met de specifieke vereisten van klimaatgedreven crises en natuurrampen; pleit voor een grotere rol van het EDA, in nauwe samenwerking met het Militair Comité van de EU in dit proces; verzoekt beide GVDB-instellingen ervoor te zorgen dat aanbestedingsprogramma's en vermogensontwikkelingsprogramma's voldoende financiële en andere middelen besteden aan de specifieke behoeften om op klimaatverandering en natuurrampen te reageren;

43.

verzoekt het leger om zijn verantwoordelijkheden op het gebied van ecologische duurzaamheid op zich te nemen en technische deskundigen om mogelijkheden voor groene actie te vinden, van emissievermindering tot aan verbetering van het hergebruik;

44.

onderstreept dat er binnen het volgende meerjarig financieel kader 2014-2020 een integrale aanpak moet worden gehandhaafd en versterkt om natuurrampen en klimaatgedreven crises te verzachten en het hoofd te bieden, met gebruik van alle relevante instrumenten die de Unie ter beschikking staan; is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een hernieuwd stabiliteitsinstrument waarin al rekening wordt gehouden met de negatieve effecten van klimaatverandering en natuurrampen op de veiligheid, vrede en politieke stabiliteit;

45.

verzoekt dat de financiële implicaties van dergelijke voorstellen worden aangegeven en ook in het kader van de evaluatie van de EU-begroting worden beoordeeld;

46.

verzoekt de HV/VV deskundigen op het gebied van klimaatveiligheid naar de EU-afgevaardigden van de meest getroffen landen en gebieden te sturen om de capaciteit van de Unie wat betreft vroege waarschuwingen en informatie over mogelijke opkomende conflicten te versterken;

47.

verzoekt de EDEO om de samenwerking tussen de Unie en haar buurlanden te intensiveren op het gebied van de ontwikkeling van capaciteiten voor de reactie op klimaatgedreven crises;

48.

verzoekt de EDEO te bepleiten dat bij de wereldwijde planning en uitvoering van militaire, civiel-militaire en civiele operaties overal ter wereld rekening wordt gehouden met de aspecten klimaatverandering en milieubescherming;

49.

is ingenomen met het idee een post voor een speciale VN-gezant voor klimaatveiligheid te creëren;

50.

pleit voor het oprichten van coördinatiemechanismen tussen de EU als geheel en de lidstaten die in de toekomst volgens de bepalingen van een permanente gestructureerde samenwerking zouden kunnen handelen om de consistentie van hun optreden met de veelomvattende aanpak van de EU op dit gebied te waarborgen;

51.

is van mening dat de bestudering van de gevolgen van natuurrampen en klimaatgedreven crises voor de internationale en Europese veiligheid moet worden opgenomen in het curriculum van de Europese veiligheids- en defensieacademie;

52.

verzoekt de EU om de veiligheidsimplicaties van klimaatverandering in overleg met derde landen, met name belangrijke partners als India, China en Rusland, te onderzoeken; benadrukt dat voor een werkelijk doeltreffende reactie een multilaterale aanpak en gezamenlijke investeringen met derde landen vereist zijn en dat de EU de samenwerking met legers van derde landen kan ontwikkelen in de vorm van gezamenlijke ontwikkelings- en opleidingsmissies;

o

o o

53.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de parlementen van de EU-lidstaten, de Parlementaire Vergadering van de NAVO, de secretaris-generaal van de NAVO, de Algemene Vergadering van de VN en de secretaris-generaal van de VN.


(1)  http://ec.europa.eu/clima/events/0052/council_conclusions_en.pdf

(2)  http://eeas.europa.eu/environment/docs/2011_joint_paper_euclimate_diplomacy_en.pdf

(3)  http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/reports/99387.pdf

(4)  PB L 314 van 1.12.2007, blz. 9.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0404.

(6)  PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 71.

(7)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0574.

(8)  http://www.un.org/News/Press/docs/2011/sc10332.doc.htm

(9)  www.unep.org/disastersandconflicts

(10)  Paragrafen 138 en 139 van het World Summit Outcome Document van de VN uit 2005, de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van april 2006 (S/RES/1674), het verslag door de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-Moon, inzake het „Implementeren van de verantwoordelijkheid tot bescherming” van 15 september 2009 en de door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen resolutie inzake de verantwoordelijkheid tot bescherming (A/RES/63/308) van 7 oktober 2009.

(11)  http://www.unhcr.org/refworld/docid/47da87822.html

(12)  Gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Europese Commissie (2008/C 25/01).

(13)  Het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP), de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (UNECE) en het Regionaal Milieucentrum voor Midden- en Oost-Europa (REC).

(14)  Het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP), het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (UNECE) en het Regionaal Milieucentrum voor Midden- en Oost-Europa (REC).

(15)  http://register.consilium.europa.eu/pdf/en/08/st10/st10687.en08.pdf

(16)  10688/08 — gerubriceerd.

(17)  http://register.consilium.europa.eu/pdf/en/08/st10/st10690.en08.pdf

(18)  http://register.consilium.europa.eu/pdf/en/09/st05/st05654.en09.pdf

(19)  Doc. 13983/05; doc. 6923/1/02; doc. 9919/07.

(20)  Powering America's Defence: Energy and the Risks to National Security, mei 2009. http://www.cna.org/sites/default/files/Powering%20Americas%20Defense.pdf


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/159


P7_TA(2012)0459

Onderhandelingen over een uitgebreide partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EU-Kazachstan

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 met de aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden over de onderhandelingen voor een versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan 2012/2153(INI).

(2015/C 419/24)

Het Europees Parlement,

gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tot vaststelling van een partnerschap tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en de Republiek Kazachstan anderzijds, die op 1 juli 1999 in werking is getreden (1),

gezien de onderhandelingen waartoe de Raad op 24 mei 2011 de Commissie heeft gemachtigd en die in juni 2011 in Brussel zijn geopend over een uitgebreide partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EU-Kazachstan,

gezien zijn resoluties over Kazachstan, met name zijn resolutie van 15 maart 2012 (2) en van 17 september 2009 over de zaak Yevgeni Zhovtis (3), en zijn resolutie van 7 oktober 2010 over de Werelddag tegen de doodstraf (4),

gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de uitvoering van de EU-strategie voor Centraal-Azië (5),

gezien de EU-strategie voor een nieuw partnerschap met Centraal-Azië: „De Europese Unie en Centraal-Azië: Strategie voor een nieuw partnerschap”, die op 21 en 22 juni 2007 is goedgekeurd door de Europese Raad, en de voortgangsverslagen van de Raad van 24 juni 2008 en 28 juni 2010,

gezien de verklaringen van de EU over Kazachstan in de Permanente Raad van de OVSE op 3 november en 22 december 2011 en op 19 januari, 26 januari en 9 februari 2012, en gezien de verklaringen op 17 januari 2012 van de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de EU Catherine Ashton over de gebeurtenissen in het district Zhanaozen op 17 december 2011 en over de parlementaire verkiezingen in Kazachstan op 15 januari 2012,

gezien de verklaring inzake de voorlopige bevindingen en conclusies van de OVSE/ODIHR-missie met betrekking tot de verkiezingen die op 15 januari 2012 zijn gehouden,

gezien de verklaring van de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid van 25 januari 2012 over de situatie van de media in Kazachstan,

gezien de algemene bepalingen betreffende het externe optreden van de Unie, vastgelegd in artikel 21 VEU, en de procedure voor het sluiten van internationale overeenkomsten van artikel 218 VWEU,

gezien de toezeggingen van de hoge vertegenwoordiger in haar brieven van 24 november 2011 en 11 mei 2012 betreffende een mechanisme voor controle op de uitvoering van de nieuwe PSO EU-Turkmenistan, in het bijzonder artikel 2,

gezien paragraaf 23 van zijn resolutie van 16 februari 2012 over de 19e zitting van de VN-Raad voor de Rechten van de Mens (6),

gezien het nieuwe strategisch kader van de EU en het actieplan inzake de mensenrechten en democratie dat is vastgesteld door de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU, en de conclusies van de 3179e bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken van 25 juni 2012,

gezien de verklaring over Kazachstan aan het Europees Parlement, afgelegd namens de hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton door de Deense minister van Buitenlandse Zaken, Villy Søvndal, op 14 maart 2012 (A 122/12),

gezien artikel 90, lid 4, en artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A7-0355/2012),

A.

overwegende dat de EU en Kazachstan hun betrekkingen willen intensiveren en verbreden; overwegende dat de burgers in de EU en Kazachstan wederzijds profijt moeten hebben van een nauwere samenwerking; overwegende dat de onderhandelingen over de nieuwe PSO moeten uitmonden in een volledig kader voor samenwerking gebaseerd op de mensenrechten en democratische rechten, alsook in mogelijkheden voor sociaal-economische ontwikkeling en voor de noodzakelijke politieke en economische hervormingen; overwegende dat sociale en economische ontwikkeling nauw met elkaar samenhangen;

B.

overwegende dat de Raad weliswaar slechts zelden en alleen gedeeltelijk gebruik heeft gemaakt van opschorting van de uitvoering van een PSO, maar dat dit een toepasselijke optie blijft in geval van ernstige aangetoonde schendingen van de mensenrechten;

C.

overwegende dat Kazachstan een positieve rol heeft gespeeld in Centraal-Azië en zich heeft ingespannen voor de ontwikkeling van goede betrekkingen met zijn buurlanden, de hervatting van de regionale samenwerking en de vreedzame oplossing van alle bilaterale kwesties;

D.

overwegende dat het Europees Parlement om politieke controle uit te kunnen oefenen volledige informatie nodig heeft om de ontwikkelingen in Kazachstan nauwlettend te kunnen volgen, evenals de uitvoering van de PSO overeenkomstig zijn aanbevelingen en resoluties;

E.

overwegende dat Kazachstan is toegelaten tot de Commissie van Venetië van de Raad van Europa; overwegende dat de EU en Kazachstan tijdens de onderhandelingen voor een versterkte PSO overeenstemming moeten bereiken over mensenrechten en democratie;

F.

overwegende dat Kazachstan in 2010 voorzitter was van de OVSE; overwegende dat het land nog niet aan zijn verbintenissen heeft voldaan om het mediarecht in overeenstemming met de internationale normen te brengen, om de registratievereisten voor politieke partijen vóór 2008 te liberaliseren, en om de aanbevelingen van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) van de OVSE in de kieswetgeving op te nemen;

G.

overwegende dat, ondanks het feit dat de regering van Kazachstan heeft aangegeven ernaar te streven het democratische proces te versterken en verkiezingen te houden overeenkomstig de internationale normen, de algemene verkiezingen van 15 januari 2012 volgens de beoordeling van de OVSE niet voldeden aan de internationale normen, gezien de wijdverspreide onregelmatigheden en het feit dat de noodzakelijke voorwaarden voor het houden van werkelijk pluralistische verkiezingen niet aanwezig waren;

H.

overwegende dat na de tragische gebeurtenissen van december 2011 in Zhanaozen, oppositiepartijen, onafhankelijke media en vakbonden doelwit zijn geworden van onderdrukking, waaronder detenties zonder bewezen wetsovertredingen, die als politiek gemotiveerd kunnen worden beschouwd;

I.

overwegende dat er een open en constructieve dialoog gaande is tussen europarlementariërs, officiële vertegenwoordigers van Kazachstan, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en ngo's over vraagstukken van wederzijds belang;

J.

overwegende dat de autoriteiten van Kazachstan zich de afgelopen tijd sterk hebben ingespannen voor de samenwerking met ngo's in het westen van het land om de situatie van de bewoners van de regio, in het bijzonder stakende werknemers, te verbeteren;

K.

overwegende dat 37 mensen terecht hebben gestaan wegens het organiseren van of het deelnemen aan massaprotesten en er 34 zijn veroordeeld, waarvan 13 tot een gevangenisstraf, waaronder vooraanstaande leiders en activisten van de staking van werknemers in de olie-industrie, zoals Talgat Saktaganov, Roza Tuletaeva en Maksat Dosmagambetov; overwegende dat in juli 2012 de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens, mevrouw Navi Pillay, na haar tweedaagse bezoek aan Kazachstan de autoriteiten heeft verzocht een onafhankelijk internationaal onderzoek toe te staan naar de gebeurtenissen in Zhanaozen, de oorzaken en de nasleep ervan;

L.

overwegende dat de internationale waarnemingsmissie van Civic Solidarity in haar voorlopig rapport concludeert dat de processen van Zhanaozen niet voldoen aan de normen van een eerlijk proces en dat het onderzoek naar de gebeurtenissen van december 2011 niet volledig noch onafhankelijk was; overwegende dat de verdachten en een aantal getuigen slachtoffer waren van ernstige schendingen van hun rechten tijdens de fase vóór het proces, zoals het vermeende gebruik van foltering, ontzegging van het recht op een advocaat, intimidatie en vervalsing van bewijsmateriaal; overwegende dat de door de verdachten tijdens het proces afgelegde getuigenissen over slechte behandeling en foltering tijdens de voorlopige hechtenis niet aan een volledig, onafhankelijk en diepgaand onderzoek zijn onderworpen, op basis waarvan de daders aansprakelijk kunnen worden gesteld; overwegende dat Aleksandr Bozhenko, een getuige van de tragische gebeurtenissen in Zhanaozen, op 7 oktober 2012 om het leven werd gebracht;

M.

overwegende dat Vladimir Kozlov, leider van de oppositiepartij ALGA, schuldig is bevonden aan „het aanzetten tot sociale verdeeldheid”, „het oproepen tot de gewelddadige omverwerping van de constitutionele orde” en „het oprichten en leiden van een georganiseerde groep met als doel het plegen van misdrijven”, en is veroordeeld tot zeven en een half jaar gevangenisstraf; overwegende dat Akzhanat Aminov, een werknemer in de olie-industrie van Zhanaozen, en Serik Sapargali, een maatschappelijk activist, schuldig zijn bevonden op soortgelijke gronden en zijn veroordeeld tot voorwaardelijke straffen van vijf respectievelijk vier jaar;

N.

overwegende dat de president van Kazachstan op 17 februari 2012 diverse wetten heeft getekend met als doel de rechtsgrond voor arbeidsverhoudingen, rechten van werknemers en de sociale dialoog te verbeteren, en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te vergroten; overwegende dat ondanks deze pogingen het recht van individuen om zich te verenigen, organisaties op te richten en onafhankelijke vakbonden te registreren, het recht op collectieve onderhandelingen en het stakingsrecht niet volledig geëerbiedigd worden, en dat er geen onafhankelijke rechterlijke macht bestaat; overwegende dat de wijzigingen van het arbeidsrecht, in het bijzonder de gewijzigde artikelen 55, 74, 266, 287, 289, 303 en 305, een achteruitgang betekenen op het gebied van arbeidsverhoudingen, werknemersrechten en de sociale dialoog, evenals een schending van de vereiste arbeidsvoorwaarden van de IAO en andere internationale overeenkomsten;

O.

overwegende dat de EU een uiterst belangrijke handelspartner van Kazachstan is en de grootste investeerder in het land; overwegende dat Kazachstan duidelijk de wens heeft uitgesproken de EU-normen en haar sociale en economische model tot voorbeeld te nemen, hetgeen een diepgaande hervorming van de staat en overheid vereist;

P.

overwegende dat Kazachstan een belangrijke rol speelt in het stabiliseren van de regio en een brug kan vormen tussen de EU en Centraal-Azië;

Q.

overwegende dat Kazachstan belangrijke resultaten heeft geboekt op het gebied van armoedevermindering, volksgezondheid en onderwijs;

R.

overwegende dat de EU voor haar landbouw- en technische productie sterk afhankelijk is van de invoer van fosfaaterts; overwegende dat Kazachstan veel lidstaten witte fosfor levert en dat de Commissie in december 2011 een antidumpingprocedure is begonnen tegen de invoer van witte fosfor uit Kazachstan;

1.

is ingenomen met de politieke wil en praktische verbintenis van Kazachstan om de samenwerking met de EU verder te verdiepen en met de opening van de onderhandelingen over een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de EU en Kazachstan;

2.

richt de volgende aanbevelingen aan de Raad, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter, waarin zij worden opgeroepen:

De onderhandelingen

(a)

ervoor te zorgen dat de nieuwe PSO een omvattend kader is voor de verdere ontwikkeling van de betrekkingen, en alle prioritaire gebieden bestrijkt, met inbegrip van: de mensenrechten, de rechtsstaat, goed bestuur en de democratisering; jeugd en onderwijs; economische ontwikkeling, handel en investeringen; energie en vervoer, ecologische duurzaamheid en water; en de aanpak van gemeenschappelijke bedreigingen en uitdagingen;

Politieke dialoog en samenwerking

(b)

ervoor te zorgen dat de verbintenissen van de EU in overeenstemming zijn met andere beleidsgebieden en dat het „meer voor meer”-beginsel wordt toegepast, met bijzondere nadruk op de ondersteuning van politieke, juridische, economische en sociale hervormingen;

(c)

nauw met Kazachstan samen te werken aan de bevordering van regionale samenwerking en de verbetering van betrekkingen met de buurlanden in Centraal-Azië en ervoor te zorgen dat de PSO bepalingen bevat voor regionale samenwerking met de regio Centraal-Azië, onder andere door de ondersteuning van vertrouwenscheppende maatregelen waar nodig, in het bijzonder op gebieden als het beheer van water en hulpbronnen, grensbeheer, de strijd tegen extremisme en de bestrijding van terrorisme; beveelt daarbij aan dat deze samenwerking de uitwisseling van ervaringen moet bevorderen en rekening moet houden met aanbevelingen van maatschappelijke organisaties in de regio;

(d)

de steun van Kazachstan trachten te verkrijgen om snelle vorderingen te maken met de oprichting van een reguliere dialoog op hoog niveau EU-Centraal-Azië over veiligheid, in een regionale setting, om gezamenlijke uitdagingen en bedreigingen aan te pakken;

(e)

samen te werken met Kazachstan en andere Centraal-Aziatische staten, alsmede met lokale, regionale en internationale actoren om de veiligheid en ontwikkeling in Afghanistan te bevorderen;

(f)

de EU-actie op het gebied van onderwijs, de rechtsstaat, milieu en water te intensiveren, onder meer door nieuw opgerichte steunplatforms en gerichte steun, alsook lokale ngo's en maatschappelijke organisaties, waar nodig en waar mogelijk, te betrekken in de dialoog van de EU met de regering van Kazachstan op die gebieden; dringt er hierbij op aan dat deze dialoog, gezien de huidige problemen bij de registratie van ngo's en maatschappelijke organisaties, niet beperkt blijft tot officieel geregistreerde ngo's en maatschappelijke organisaties;

(g)

Kazachstan aan te moedigen samen te werken met zijn buurlanden om een gezamenlijke oplossing te vinden voor de kwestie rond de status van de Kaspische Zee;

(h)

beleidshervormingen en institutionele-capaciteitsopbouw te ondersteunen door doelgerichte technische bijstand (bijvoorbeeld uitwisseling van deskundigen);

Mensenrechten en fundamentele vrijheden

(i)

ervoor te zorgen dat de PSO clausules en criteria bevat met betrekking tot de bescherming en bevordering van de mensenrechten, zoals vastgelegd in de grondwet van Kazachstan, en daarbij zoveel mogelijk gebruik te maken van de door de Raad van Europa (Commissie van Venetië), de OVSE en de VN vastgestelde normen, waartoe Kazachstan zich heeft verbonden;

(j)

er bij de Kazachse autoriteiten op aan te dringen alles in het werk te stellen om de mensenrechtensituatie in het land te verbeteren;

(k)

te onderstrepen dat de vorderingen van de onderhandelingen over de nieuwe PSO moeten worden gekoppeld aan de vooruitgang die wordt geboekt met de politieke hervormingen; spoort Kazachstan aan zijn toezegging gestand te doen om verdere hervormingen door te voeren teneinde een open en democratische samenleving op te bouwen, met een onafhankelijk maatschappelijk middenveld en een vrije oppositie, waar de grondrechten en de rechtsstaat worden geëerbiedigd; adequate hulp te bieden van de kant van de EU bij de uitvoering van de hervormingen;

(l)

diepe bezorgdheid uit te drukken over de detenties zonder bewezen wetsovertredingen, die als politiek gemotiveerd kunnen worden beschouwd, wat in strijd is met de resolutie van het Parlement van 15 maart 2012 waarin verzocht wordt om de vrijlating van alle personen die op grond van politiek gemotiveerde aanklachten vastzitten;

(m)

de Kazachse autoriteiten in dit verband op te roepen alle vermeende gevallen van foltering en slechte behandeling die verband houden met het in Zhanaozen gebruikte geweld onverwijld en onpartijdig te onderzoeken en hen die zich hieraan schuldig hebben gemaakt voor de rechter te brengen, en de vage strafrechtelijke aanklacht van „aanzetten tot sociale verdeeldheid” in te trekken en het voorarrest van de activisten van de politieke oppositie die op basis van deze aanklacht vastzitten, te beëindigen, en ten slotte de wetgeving inzake vrijheid van vereniging te herzien en deze in overeenstemming te brengen met de internationale verplichtingen van het land inzake vrijheid van vereniging;

(n)

uit zijn ernstige bezorgdheid over de strafzaak die op 20 november 2012 door de procureur-generaal van Kazachstan is ingesteld en waarin wordt gevorderd de niet-geregistreerde oppositiepartij Alg a, de organisatie Khalyk Maidany en een aantal mediaorganisaties van de oppositie als extremistisch te verbieden; benadrukt dat de rechtmatige strijd tegen terrorisme en extremisme niet dient te worden gebruikt als een excuus om activiteiten van de oppositie te verbieden en vrijheid van meningsuiting te belemmeren;

(o)

diepe bezorgdheid te uiten over de vonnissen, na een proces vol tekortkomingen, tegen Vladimir Kozlov, Akzhanat Aminov en Serik Sapargali, die tot gevolg hebben dat de politieke vrijheid voor de oppositie in Kazachstan nog verder wordt ingeperkt; de autoriteiten van Kazachstan op te roepen Kozlov, Aminov en Sapargali een eerlijk en transparant proces in hoger beroep te bieden;

(p)

erop aan te dringen dat Kazachstan zijn actieplan voor de mensenrechten verder omzet in wetgeving en deze volledig blijft implementeren, op basis van de aanbevelingen van de Commissie van Venetië en met behulp van technische bijstand van de EU in het kader van het rechtsstaatinitiatief;

(q)

een beroep te doen op Kazachstan, als lid van de Commissie van Venetië, om blijk te geven van zijn engagement ten aanzien van de normen van de Raad van Europa door samen te werken met de Commissie van Venetië onder meer door specifieke wetsontwerpen en onlangs aangenomen wetten voor commentaar voor te leggen aan de Commissie van Venetië en door de aanbevelingen van de Commissie uit te voeren;

(r)

erop aan te dringen dat de Kazachse autoriteiten bindende toezeggingen doen om het juridisch systeem volledig in overeenstemming te brengen met de internationale normen en ervoor te zorgen dat de implementatie werkelijke mediavrijheid, vrijheid van meningsuiting en vereniging, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Kazachstan vergemakkelijkt;

(s)

erop aan te dringen dat de toegang tot de rechter wordt verbeterd, de rechtspraak onafhankelijk is en het toezicht op en het beheer van penitentiaire inrichtingen weer onder het Ministerie van Justitie wordt gebracht;

(t)

er bij Kazachstan op aan te dringen politieke gevangenen onverwijld vrij te laten en te stoppen met politiek gemotiveerde arrestaties en veroordelingen op basis van vage aanklachten over „aanzetten tot sociale verdeeldheid”;

(u)

er bij de Kazachse autoriteiten op aan te dringen om artikel 164 van het wetboek van strafrecht van Kazachstan over „het aanzetten tot sociale verdeeldheid” te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de internationale wetgeving inzake mensenrechten;

(v)

erop aan te dringen dat Kazachstan de beperkende wijzigingen van het wetboek bestuursrecht en de onlangs aangenomen godsdienstwet herziet en een einde maakt aan willekeurige overvallen, verhoren, bedreigingen en boetes voor religieuze minderheden;

(w)

onderhandelingen te starten over versoepeling van de visumplicht tussen de EU en Kazachstan, aangezien dit tastbare voordelen zou bieden voor economische, culturele en wetenschappelijke uitwisseling, en menselijke contacten zou bevorderen;

(x)

erop aan te dringen dat Kazachstan voldoet aan de aanbevelingen van het VN-Comité tegen foltering en de aanbevelingen van 2009 van de speciale VN-rapporteur inzake foltering; een beroep te doen op Kazachstan ervoor te zorgen dat onafhankelijke ngo's kunnen deelnemen aan raadplegingen over de komende hervorming van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering;

(y)

er bij Kazachstan op aan te dringen om het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof te ondertekenen en te ratificeren;

(z)

aan te dringen op de oprichting van onafhankelijke maatschappelijke platforms om bij te dragen tot inclusieve uitwisselingen in een aantal sectoren om ervoor te zorgen dat de aspiraties en de stem van het maatschappelijk middenveld worden gehoord, en te onderzoeken hoe financiële bijstand kan worden verleend ter verwezenlijking van dit doel;

(aa)

de jaarlijkse mensenrechtendialogen te intensiveren en te versterken om tastbare verbeteringen te bereiken, onder meer door het vaststellen van concrete criteria voor het meten van voortgang, en verslag uit te brengen aan het Europees Parlement;

(ab)

de reikwijdte van de uitwisselingsprogramma's in onderwijs en cultuur te intensiveren en te verbreden; de juridische opleiding van lokale en regionale ambtenaren en personeel van organen voor rechtshandhaving te stimuleren en te ondersteunen volgens EU-normen; Kazachstan aan te moedigen het voortouw te nemen bij de opzet van een speciaal onderwijsprogramma voor zowel academisch als beroepsonderwijs, tussen de EU en Centraal-Azië, en het hierbij te ondersteunen;

Economische samenwerking

(ac)

te benadrukken dat de afsluiting van de onderhandelingen over de nieuwe PSO positieve gevolgen zal hebben voor de verdieping van de economische samenwerking tussen ondernemingen uit de EU en uit Kazachstan, met inbegrip van kmo's;

(ad)

wetgeving aan te moedigen in overeenstemming met de WTO-regels, ook wat betreft de vereisten inzake lokale inhoud krachtens de Overeenkomst inzake met de handel verband houdende investeringsmaatregelen (TRIM's-overeenkomst), en de weg vrij te maken voor structurele hervormingen en de vorming van een werkende markteconomie; en Kazachstan gekwalificeerde technische bijstand te verlenen om de weg te effenen voor verdere structurele hervormingen, versterking van het concurrentievermogen en de ontwikkeling van een sociale markteconomie;

(ae)

op te roepen tot opheffing van tarifaire en non-tarifaire belemmeringen om de handel uit te breiden, in het bijzonder de handel in diensten en buitenlandse investeringen; het streven te ondersteunen om de normen voor de goederenhandel in sterkere mate dan vereist door de WTO te harmoniseren, hetgeen eveneens zal leiden tot een uitbreiding van de handelsmogelijkheden;

(af)

te wijzen op het belang van samenwerking op energiegebied tussen de EU en Kazachstan, in het bijzonder bij de ontwikkeling van de trans-Kaspische energiecorridor; te waarborgen dat de EU oog blijft houden voor de ondersteuning van de verbetering van de energiezekerheid, de ontwikkeling van duurzame energie en het aantrekken van investeringen voor energieprojecten van gemeenschappelijk en regionaal belang;

(ag)

ervoor te zorgen dat de deelname van Kazachstan aan de douane-unie onder Russische leiding en aan de Euraziatische Economische Unie geen belemmering vormt voor de handel of de economische en financiële samenwerking met de EU, of voor het nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde van het WTO-lidmaatschap en een nauwere samenwerking tussen de EU en Kazachstan niet hindert; erop te wijzen dat er concurrentie zal ontstaan als de sluiting van de versterkte partnerschap-en samenwerkingsovereenkomst vertraging oploopt; bereid te zijn eventuele inspanningen van Kazachstan te ondersteunen om moderne economische instellingen te bevorderen;

(ah)

de Kazachse regering aan te moedigen zich opnieuw aan te sluiten bij het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI) en alle wettelijke en reglementaire obstakels voor de succesvolle tenuitvoerlegging van dit initiatief weg te nemen en onafhankelijke maatschappelijke organisaties in staat te stellen volledig aan dit initiatief deel te nemen;

(ai)

een hoofdstuk toe te voegen over de aanpassing van de normen en regelgevingssystemen van Kazachstan aan die van de Europese Unie, in het bijzonder in de sectoren en op de sleutelgebieden die veelbelovend zijn voor de handel tussen de EU en Kazachstan;

(aj)

te benadrukken dat waterkwesties een van de belangrijkste bronnen van spanning en mogelijke conflicten in de regio blijven en het belang te onderstrepen van een regionale aanpak om gezamenlijke waterbronnen te beschermen en adequaat te beheren; in dit verband te wijzen op het belang voor de landen in de regio om de Verdragen van Espoo en Aarhus onverwijld te ondertekenen en te ratificeren, en de betrokkenheid van plaatselijke belanghebbenden bij het besluitvormingsproces te bevorderen;

(ak)

de technische bijstand aan Kazachstan op het gebied van waterbehoud en waterbeheer in het algemeen uit te breiden in het kader van het EU-waterinitiatief voor Centraal-Azië met als doel om eveneens de betrekkingen tussen stroomopwaarts en stroomafwaarts gelegen landen in de regio te verbeteren en tot overeenkomsten over duurzaam gedeeld gebruik van water te komen;

(al)

Kazachstan te ondersteunen en bij te staan in zijn inspanningen het Aralmeer te redden in het kader van het actieprogramma van het Internationale Fonds voor het behoud van het Aralmeer;

(am)

Kazachstan te ondersteunen bij het aannemen van doeltreffende beschermende maatregelen en programma's voor het opruimen van radioactief afval en het bestrijden van radioactieve vervuiling in de streek rond Semey/Semipalatinsk;

(an)

de inspanningen van Kazachstan voor een wereld zonder atoomwapens toe te juichen, evenals zijn voortrekkersrol in het nucleaire-ontwapeningsproces in de wereld en zijn inzet voor een algeheel verbod op kernproeven;

(ao)

de aandacht te vestigen op de kritieke situatie met betrekking tot de democratie, de rechtsstaat (met inbegrip van corruptiebestrijding), mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met name de rechten van werknemers, wat ook oneerlijke concurrentie in de hand werkt; met het oog hierop te benadrukken dat er een bindend hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling in de tekst over handel van de nieuwe overeenkomst moet worden opgenomen;

(ap)

aan te dringen op de invoering van een effectieve regeling voor geschillenbeslechting, om te waarborgen dat de overeenkomst ook zal worden geëerbiedigd;

(aq)

te benadrukken dat een uitvoerig hoofdstuk over dienstverlening en vestiging en aanpassing van Kazachstan aan de EU-normen en -regelgevingssystemen (o.a. SPS, TBT en IPR) leidt tot toenemende handelsstromen en investeringen, wat gunstige gevolgen zou hebben voor de modernisering en diversificatie van de Kazachse economie; te wijzen op het belang van verbeterde vergunningsprocedures in Kazachstan om de dienstverlening en investeringen te faciliteren;

(ar)

de inspanningen van Kazachstan aan te moedigen om alle non-tarifaire belemmeringen die tot dusverre de ontwikkeling van handel en investeringen in het land in de weg hebben gestaan, af te schaffen;

(as)

de steun aan Kazachstan op het gebied van economie en handel te richten op de ontwikkeling van kmo's en steun aan bemiddelingsorganisaties van het bedrijfsleven;

(at)

in het licht van recente beschuldigingen van corruptie jegens in Kazachstan opererende bedrijven uit de EU, drastischere en meer bindende bepalingen met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemerschap;

(au)

zeer sterk belang te hechten aan de eerbiediging door in Europa gevestigde bedrijven die in Kazachstan opereren, in het bijzonder in de winningsindustrie, van de IAO-normen betreffende vakbondsrechten, alsmede de normen op milieugebied en op het gebied van gezondheid en veiligheid;

(av)

er bij de onderhandelingen voor te zorgen dat het gebruik van dumpingpraktijken in verband met de productie en uitvoer van fosfor categorisch wordt uitgesloten, aangezien de belangen van Europese producenten zouden worden geschaad door invoer met dumping en het onmogelijk is om fosfor uit secundaire fosforstromen te herwinnen en hergebruiken;

(aw)

te zorgen voor een adequaat aantal economische en handelsspecialisten in de EU-delegatie in Kazachstan;

Andere bepalingen

(ax)

het EP te raadplegen ten aanzien van de bepalingen inzake parlementaire samenwerking; de rol van het Parlement, de parlementaire samenwerkingscommissies en de interparlementaire bijeenkomsten te versterken bij het toezicht op de onderhandelingen voor, en de tenuitvoerlegging van partnerschapsovereenkomsten; de werkzaamheden van het Parlement ter bevordering van overleg en regelmatige bilaterale en internationale parlementaire samenwerking aan te moedigen;

(ay)

ervoor te zorgen dat de nieuwe PSO de eerbiediging van de democratische beginselen en fundamentele rechten van de mens en van het beginsel van de rechtsstaat als „essentieel element” van de overeenkomst vermeldt, wat inhoudt dat, indien een van de partijen deze beginselen niet in acht neemt, maatregelen kunnen worden genomen en de overeenkomst zelfs kan worden opgeschort;

(az)

samen met de Kazachse autoriteiten duidelijke criteria en bindende termijnen op te nemen voor de uitvoering van de nieuwe PSO en te voorzien in omvattende controlemechanismen, met inbegrip van periodieke verslagen aan het EP, eveneens voorafgaand aan de vergaderingen van de Samenwerkingsraad;

(ba)

te verzoeken om de opzet, na sluiting van de overeenkomst, van een volledig controlemechanisme waarbinnen het Parlement en de EDEO samenwerken voor volledige en regelmatige informatieverstrekking over de uitvoering van de PSO, in het bijzonder de verwezenlijking van de doelstellingen ervan; dit mechanisme moet de volgende elementen bevatten,

(i)

informatievoorziening aan het EP over de doelstellingen van EU-acties en -stand-punten en over alle kwesties betreffende Kazachstan;

(ii)

informatievoorziening aan het EP waarin de resultaten van de acties van de EU en Kazachstan worden getoetst, met speciale nadruk op de situatie van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat in het land, in het bijzonder door

toegang te verlenen volgens de geëigende vertrouwelijkheidprocedures tot de desbetreffende interne stukken van de EDEO;

het Parlement de waarnemersstatus te verlenen tijdens de voorbesprekingen voorafgaande aan de bijeenkomsten van de Samenwerkingsraad, evenals toegang tot de aan de Raad en de Commissie verstrekte documenten;

het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de voorbereiding van deze informatie en de beoordeling van de situatie;

(bb)

het onderhandelaarsteam van de EU aan te moedigen de nauwe samenwerking met het Europees Parlement voort te zetten en actuele informatie, op basis van schriftelijke documentatie, over de voortgang van de onderhandelingen te verstrekken op grond van artikel 218, lid 10, VWEU, waarin staat dat het Parlement in iedere fase van de procedure onverwijld en volledig wordt geïnformeerd;

(bc)

te voorzien in voldoende EU-financiering voor volledige en duurzame samenwerking met de landen in Centraal-Azië, ook voor de succesvolle uitvoering van de nieuwe PSO met Kazachstan;

o

o o

3.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie met aanbevelingen van het Europees Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter en de regering en het parlement van de Republiek Kazachstan.


(1)  PB L 196 van 28.7.1999, blz. 1; PB L 248 van 21.9.1999, blz. 35.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0089.

(3)  PB C 224 E van 19.8.2010, blz. 30.

(4)  PB C 371 E van 20.12.2011, blz. 5.

(5)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0588.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0058.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/167


P7_TA(2012)0460

Kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het GVB

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 inzake kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (2011/2292(INI))

(2015/C 419/25)

Het Europees Parlement,

gezien het gemeenschappelijk visserijbeleid,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met name artikel 43, lid 2 en artikel 349 daarvan,

gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) betreffende maatregelen die de bijzondere kenmerken en beperkingen van ultraperifere gebieden in acht nemen,

gezien het Groenboek van de Commissie onder de titel „Hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid” (COM(2009)0163),

overwegende dat het toekomstige EMFF het recht van de lokale bevolking om voor eigen consumptie, overeenkomstig de specifieke gebruiken, te vissen en om hun traditionele economische activiteiten te beoefenen, moet waarborgen,

gezien Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1),

gezien de regelgeving die van toepassing is op het Europees Visserijfonds, namelijk Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad (2), waarin de criteria en voorwaarden voor de acties (EVF) gedefinieerd zijn,

gezien zijn resolutie van 15 december 2005 over vrouwennetwerken: visserij, landbouw en diversificatie (3),

gezien zijn resolutie van 15 juni 2006 over kustvisserij en de problemen van de vissers in die sector (4),

gezien zijn resolutie van 2 september 2008 over visserij en aquacultuur in de context van het geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa (5),

gezien zijn resolutie van 16 februari 2012 betreffende de bijdrage van het gemeenschappelijk visserijbeleid aan de productie van collectieve goederen (6),

gezien zijn resolutie van 25 februari 2010 over het Groenboek over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (7),

gezien het voorstel voor een nieuwe verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2011)0425),

gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad en Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad, en van Verordening (EU) nr. xxx/2011 van de Raad inzake een geïntegreerd maritiem beleid (COM(2011)0804),

gezien het voorstel voor een nieuwe verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten (COM(2011)0416),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met als titel „Hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid” (COM(2011)0417),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2011)0424),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over verslagleggingsverplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2011)0418),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0291/2012),

A.

overwegende dat kleinschalige visserij (met inbegrip van ambachtelijke visserij en sommige soorten kustvisserij, schelpdiervisserij en andere traditionele vormen van extensieve aquacultuur zoals het natuurlijk kweken van schaaldieren in kustwateren) een erg diverse territoriale, sociale en culturele impact heeft op het vasteland en op eilanden en in ultraperifere gebieden en specifieke eigenschappen en problemen vertoont, die haar onderscheiden van grootschalige visserij en van intensieve of industriële aquacultuur;

B.

overwegende dat, ten behoeve van de nieuwe verordening inzake visserijbeleid, het nodig is te bepalen wat onder ambachtelijke visserij moet worden verstaan en rekening te houden met de repercussies van dit soort visserij op de financiering in het kader van het nieuwe Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij;

C.

overwegende dat de ambachtelijke of kustvloot cruciaal is om tewerkstelling in kustgebieden te behouden en te creëren en bijdraagt tot het garanderen van de zelfvoorziening van de EU op gebied van voedsel, alsook de ontwikkeling van kustgebieden en de voorziening van de Europese markt van visserijproducten;

D.

overwegende dat ongeveer 80 % van de visserij in de Unie wordt beoefend door vaartuigen van minder dan 15 meter, waardoor dit segment van de vloot de belangrijkste speler in het GVB is; overwegende dat het GVB een passend, afdoend en noodzakelijk antwoord moet bieden op de verschillende problemen waarmee, ondanks de opeenvolgende maatregelen die de lidstaten ter beschikking gesteld hebben, een groot deel van de kleinschalige visserij nog steeds geconfronteerd wordt;

E.

overwegende dat de ambachtelijke en de kustvisserij gebruik maken van verouderde vaartuigen die veiliger gemaakt en gemoderniseerd moeten worden, of zelfs vervangen moeten worden door nieuwe vaartuigen die energie-efficiënter zijn en aan de veiligheidsnormen voldoen;

F.

overwegende dat er een schaarste is aan statistische gegevens en indicatoren op Europees niveau wat betreft sociale, economische en territoriale cohesie, en dat het nodig is indicatoren te bevorderen die sociaaleconomische, wetenschappelijke en milieugegevens verschaffen die de geografische, ecologische en sociaaleconomische diversiteit van dit soort visserij weerspiegelen;

G.

overwegende dat het gebrek aan betrouwbare wetenschappelijke gegevens een ernstig probleem blijft met het oog op het bereiken van een duurzaam beheer van de meeste visbestanden;

H.

overwegende dat bij het uitstippelen van een visserijbeleid, naast de essentiële milieudoelstellingen met betrekking tot het behoud van de visbestanden, rekening gehouden moet worden met sociale en economische doelstellingen, aangezien deze tot nu toe niet in acht genomen werden, met name wat betreft de kleinschalige visserij;

I.

overwegende dat het huidige gecentraliseerde beheer van het GVB vaak richtlijnen voortbrengt die niet stroken met de werkelijkheid, slecht begrepen worden door de sector (die niet betrokken wordt bij het onderhandelen over of ontwikkelen van deze regels), moeilijk uit te voeren zijn en vaak tegenovergestelde resultaten opleveren dan beoogd werd;

J.

overwegende dat beheermodellen gebaseerd op visserijrechten niet beschouwd mogen worden als maatregelen om de overbevissing en de overcapaciteit aan te pakken;

K.

overwegende dat een verplichte verkleining van de vloot die uitsluitend wordt bereikt door middel van marktinstrumenten, zoals overdraagbare visserijconcessies (TFC), kan leiden tot een overgewicht van exploitanten die concurrerender zijn vanuit een louter economisch oogpunt en tot nadelige effecten voor de exploitanten en segmenten van de vloot die een kleiner milieueffect hebben en meer (directe en indirecte) tewerkstelling genereren;

L.

overwegende dat de economische en sociale crisis voornamelijk de visserijsector treft en overwegende dat in dit verband de kleinschalige visserij door haar geringe kapitalisatie kwetsbaarder kan zijn; overwegende dat het belangrijk is te zorgen voor de economische en sociale stabiliteit van de kleinschalige vissersgemeenschappen;

M.

overwegende dat de kleinschalige visserij of de ambachtelijke visserij, vanwege de structurele zwakheden die zij vertoont, blootgesteld wordt aan bepaalde soorten economische schokken (zoals een plotse stijging van de brandstofprijzen of een gebrek aan toegang tot krediet) en aan plotse wijzigingen van de beschikbaarheid van hulpmiddelen;

N.

overwegende dat de specifieke eigenschappen van de kleinschalige visserij weliswaar één van de aspecten vormen waarmee rekening moet worden gehouden in het toekomstig GVB, maar tegelijkertijd niet het enige centrale punt in de sociale dimensie van de hervormingen mogen zijn, gelet op de ernstige crisis die de hele sector momenteel treft;

O.

overwegende dat de visprijzen bij eerste verkoop geen gelijke tred houden met de huidige aanzienlijke productiekostenstijging, in het bijzonder bij brandstoffen, en in veel gevallen ofwel stagneren ofwel dalen, waardoor de crisis in de sector nog wordt verergerd;

P.

overwegende dat de markt de positieve sociale en milieueffecten van de kleinschalige visserij onvoldoende beloont; overwegende dat de samenleving als dusdanig erkenning noch beloning biedt voor de met de sector verband houdende activiteiten, ofschoon daarmee de multifunctionaliteit van de sector tot uiting komt en collectieve goederen worden geproduceerd, via onder meer de stimulering van de kuststrook, de gastronomie, de museumsector en de hengelsport, ten bate van de hele samenleving;

Q.

overwegende dat het toekomstige Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) terdege rekening moet houden met de specifieke problemen en behoeften van de ambachtelijke en kleinschalige visserij, zowel in de gebieden aan de kust als landinwaarts, evenals met de gevolgen die zowel voor mannen als vrouwen voortvloeien uit de uitvoering van de maatregelen van de toekomstige hervormingen;

R.

overwegende dat de specifieke ziekten die in de ambachtelijke visserijsector werkende vrouwen treffen, niet als beroepsziekten worden erkend;

S.

overwegende dat een afbakening van de gesloten gebieden met exclusieve toegang bijdraagt tot de ontwikkeling van verantwoorde praktijken, tot duurzaamheid van zowel de mariene ecosystemen aan de kust als van de traditionele visserijactiviteiten, en tot de overleving van de visserijgemeenschappen;

T.

overwegende dat kleinschalige kustvisserij en ambachtelijke visserij sterk uiteenlopende eigenschappen vertonen die verschillen van land tot land en van kust tot kust;

U.

overwegende dat het belang van de kleinschalige visserij voor de bescherming van minderheidstalen in afgezonderde kustgebieden niet miskend kan worden;

V.

overwegende dat de mate waarin de beroepsbeoefenaars in de kleinschalige visserij verenigd en georganiseerd zijn, onvoldoende is en niet in alle lidstaten dezelfde is;

W.

overwegende dat artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verwijst naar de noodzaak specifiek beleid voor de ultraperifere gebieden te bevorderen, met name in de visserijsector;

1.

is van mening dat kleinschalige visserij ambachtelijke visserij en sommige soorten kustvisserij, schelpdiervisserij en andere traditionele vormen van extensieve aquacultuur, zoals het natuurlijk kweken van schaaldieren in kustwateren, omvat;

2.

onderstreept dat de kleinschalige visserij, vanwege haar eigenschappen en gewicht binnen de sector, een centrale rol speelt bij het bereiken van hetgeen het hoofddoel van elk visserijbeleid zou moeten zijn: de voorziening van de consument met vis en de ontwikkeling van de kustgemeenschappen, alsook de bevordering van werkgelegenheid en de verbetering van de levensstandaard van de beroepsmensen in de visserijsector, binnen een context van waarborging van duurzaamheid en goede instandhouding van de hulpbronnen;

3.

is van mening dat de specifieke eigenschappen van de kleinschalige visserijsector onder geen beding een voorwendsel mogen zijn om deze sector uit te sluiten van het algemene kader van het GVB, ofschoon dit beleid voldoende soepel moet zijn om de beheermodellen aan te kunnen passen aan de specifieke eigenschappen en problemen van de ambachtelijke visserij;

4.

wijst erop dat de specifieke eigenschappen van kleinschalige visserij sterk verschillen van lidstaat tot lidstaat en dat de keuze voor een kleinste gemene veelvoud zelden een opbouwende aanpak is gebleken in de Europese besluitvorming;

5.

is van mening dat het uitgangspunt gevormd moet worden door een algemene definitie van ambachtelijke visserij waarmee de sterk uiteenlopende omstandigheden in de visserijsector al naar gelang de visgronden, de beviste bestanden en andere specifieke gebiedskenmerken worden voorkomen, waardoor niet voldaan kan worden aan de doelstellingen inzake vereenvoudiging, duidelijke wetgeving en niet-discriminatie; is tevens van mening dat het GVB maatregelen moet bevatten waarmee een zekere mate van flexibiliteit mogelijk wordt in gevallen waarin wetenschappelijk is aangetoond dat visserij zonder bepaalde aanpassingen van de algemene regels niet mogelijk zou zijn;

6.

vestigt de aandacht op de noodzaak naar behoren rekening te houden met de bestaande wetenschappelijke studies met betrekking tot de kleinschalige visserij; wijst erop dat in een aantal van deze studies een definitie van „kleinschalige visserij” wordt voorgesteld, bijvoorbeeld in het PRESPO-project voor de duurzame ontwikkeling van de ambachtelijke visserij in het Atlantisch gebied, waarin een op numerieke descriptoren gebaseerde benadering wordt voorgesteld bij het definiëren en indelen van de Europese ambachtelijke vissersvloten;

7.

is van mening dat in de definitie van kleinschalige visserij rekening moet worden gehouden met een reeks nationale en regionale eigenschappen en verschillen op bestuurlijk gebied, waaronder de eerbiediging van de in de plaatselijke omgeving gewortelde ambachtelijke tradities, op grond waarvan zowel het eigendom als de activiteiten van vissersbedrijven in handen zijn van families; benadrukt dat het belangrijk is definitiecriteria te formuleren die flexibel zijn en/of gecombineerd kunnen worden met en op een evenwichtige wijze aangepast kunnen worden aan de diversiteit van de bestaande kleinschalige visserij in de EU;

Lokaal beheer

8.

is van mening dat het overgecentraliseerde visserijbeheersmodel dat zo kenmerkend was voor het GVB van de afgelopen dertig jaar, heeft gefaald en dat de huidige hervorming een zinvolle decentralisering moet opleveren; is van oordeel dat met de hervorming van het GVB voorwaarden moeten worden geschapen die lokale, regionale en nationale bijzonderheden toelaten; wijst erop dat een plaatselijk beheer, ondersteund door wetenschappelijke kennis en raadpleging en deelname van de sector bij het opstellen, uitvoeren, medebeheren en evalueren van het beleid, het beste aansluit op de visserijbehoeften en de beste stimulans biedt voor preventief gedrag onder vissers;

9.

is van mening dat de regionale adviesraden (RAR's), in de nieuwe context van een gedecentraliseerd en geregionaliseerde GVB, een grotere rol zouden moeten spelen in het toekomstig gemeenschappelijk visserijbeleid;

10.

acht het essentieel de rol van de adviesraden te versterken en samenwerking alsook medebeheer van bestanden te overwegen, zodat de aard van deze raden kan worden behouden terwijl tegelijkertijd hun waarde wordt vergroot, en ze een beheerforum zonder besluitvormingsbevoegdheid worden, maar waarin belanghebbenden uit de sector en ngo's deelnemen en horizontale vraagstukken ten aanzien van de specifieke kwestie van ambachtelijke visserij kunnen worden aangepakt;

11.

is van mening dat het opleggen van een enkel beheermodel voor alle lidstaten, zoals de overdraagbare visserijconcessies, geen passende oplossing is in het licht van de grote verscheidenheid binnen de visserij in de EU;

12.

beschouwt het als gunstig om verschillende modellen van visserijbeheer aan de lidstaten en/of regio's ter beschikking te stellen in een vrijwillig systeem, waarbij ze vrij zijn om zelf een keuze te maken binnen het kader van een geregionaliseerd GVB;

13.

verwerpt ten stelligste het verplichte karakter van de toepassing van de overdraagbare visserijconcessies voor alle soorten vloten; is van mening dat de beslissing over het al dan niet goedkeuren van overdraagbare visserijconcessies en over de vlootsegmenten die in die regeling opgenomen moeten worden, aan de lidstaten moet worden overgelaten, in samenspraak met de bevoegde regio's, waarbij rekening wordt gehouden met de verscheidenheid aan situaties en de meningen van belanghebbenden; is van mening dat het reeds mogelijk is voor lidstaten om een systeem van overdraagbare visserijconcessies in hun nationale wetgeving op te zetten;

14.

vestigt de aandacht op het feit dat het systeem voor overdraagbare visserijconcessies niet kan worden gezien als een onfeilbare maatregel voor het oplossen van problemen van overbevissing en overcapaciteit; onderstreept dat een regelgevingsaanpak die voor de vereiste aanpassingen van visserijcapaciteit zorgt, altijd een mogelijk alternatief vormt voor een marktgerelateerde aanpak;

15.

is van mening dat zodra de algemene beheerdoelstellingen vastgelegd zijn, de lidstaten en de bevoegde regio's de flexibiliteit moeten krijgen om te beslissen over de meest geschikte beheervoorschriften om die doelstellingen binnen het kader van regionalisering te bereiken, in het bijzonder wanneer het gaat om het recht op toegang tot visbestanden, rekening houdende met de specifieke eigenschappen van hun vloten, visserijtakken en bestanden;

16.

merkt op hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat alle relevante betrokken partijen betrokken zijn bij de ontwikkeling van beleidsmaatregelen inzake kleinschalige kustvisserij en ambachtelijke visserij;

17.

vestigt de aandacht op het belang van de inachtname van niet enkel het aantal vaartuigen maar ook de cumulatieve impact van de vloot op bestanden en de selectiviteit en duurzaamheid van de visserijmethoden ervan; is van mening dat het toekomstige GVB moet aanzetten tot een verbetering van de duurzaamheid van de vloot, zowel op het vlak van milieu als op economische en sociaal vlak (staat van onderhoud en veiligheid, bewoonbaarheid, arbeidsomstandigheden, energie-efficiëntie, visopslag, enz.), door geleidelijk over te stappen op vlootsegmenten en marktdeelnemers die selectieve vistechnieken en selectief vistuig gebruiken die minder schadelijke gevolgen hebben op de bestanden en het mariene milieu en die meer voordelen bieden aan de gemeenschappen waarbinnen zij actief zijn, ten aanzien van de banen die zij creëren en de kwaliteit van die banen; is voorstander van een duurzaam evenwicht tussen het beschermen van bestaande visbestanden in maritieme gebieden en het beschermen van het lokale sociaaleconomische weefsel dat afhankelijk is van visserij en schelpdiervisserij;

Vlooteigenschappen

18.

is gekant tegen een algemene en niet-onderscheidende terugdringing van de vlootcapaciteit en benadrukt dat het, in voorkomend geval, niet enkel en alleen op basis van marktcriteria kan worden aangepast; is van mening dat zulke aanpassingen moeten worden gebaseerd op een ecosysteembenadering waarin de specifieke besluiten voor beheer van de kleinschalige vloot op regionaal niveau worden genomen, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, waarbij wordt gezorgd voor een op maat gesneden visserijregeling die voorrang geeft voor toegang tot bestanden en de kleinschalige lokale vloten beschermt, en waarbij de betrokkenheid van gemeenschappen wordt gewaarborgd; roept op om dringend een studie over de staat van de vlootcapaciteit in de EU uit te voeren;

19.

is gekant tegen een algemene terugdringing van de vlootcapaciteit enkel en alleen op basis van marktcriteria, opgelegd door een mogelijke ongewenste handhaving van overdraagbare visserijconcessies;

20.

wijst op het belang van meer onderzoek naar sociale, economische en territoriale samenhang; wijst op de noodzaak van statistieken en indicatoren op Europees niveau die betrouwbare en voldoende relevante sociaaleconomische, wetenschappelijke en milieugegevens verstrekken, zodat de visbestanden en de door beroepsvissers en amateurvissers gerealiseerde vangsten kunnen worden geëvalueerd en verzoekt om voldoende middelen om ervoor te zorgen dat dit wordt verwezenlijkt; is van mening dat dergelijke gegevens ook de vele geografische, culturele en regionale verschillen zouden moeten weerspiegelen;

21.

verzoekt de Commissie dringend om de capaciteit van de EU-vloot te evalueren en aldus ervoor te zorgen dat de meest geschikte besluiten worden genomen;

22.

roept de Commissie op om maxima voor de vlootcapaciteit voor de lidstaten te bewaken en aan te passen, zodat ze in overeenstemming zijn met betrouwbare gegevens en rekening wordt gehouden met technische verbeteringen;

23.

wijst erop dat het beheer van kleinschalige visserij veeleisender en lastiger is geworden vanwege het grote aantal betrokken vaartuigen en de grote verscheidenheid aan technieken en visserijtakken; benadrukt dat de beschikbaarheid van informatie cruciaal is voor effectief beheer en dat meer en betere informatie over kleinschalige visserij is vereist;

24.

dringt er bij de Commissie op aan om, in samenspraak met de lidstaten, de RAR's en de belanghebbenden, de typering van de kleinschalige visserij en de verdeling ervan in de EU verder uit te werken met het oog op visserijbeheer; dringt er in het bijzonder bij de Commissie op aan om, in samenspraak met de lidstaten, een uitvoerige en nauwkeurige studie uit te voeren over de omvang, kenmerken en verdeling van de verschillende kleinschalige visserijsectoren, waarbij zo nauwkeurig mogelijk wordt geanalyseerd waar, wanneer en hoe bevissing plaatsheeft, om vlootsegmenten waarin sprake is van overcapaciteit alsook de oorzaken ervan te identificeren;

25.

wijst erop dat de Unie op dit moment niet meer dan 50 % medefinanciert van de begroting voor het verzamelen, verwerken en verspreiden van biologische gegevens, die worden gebruikt ter ondersteuning van op kennis gebaseerd beheer; verzoekt de Unie bijgevolg haar inspanningen op dit gebied te vergroten door het maximaal toelaatbare niveau van medefinanciering omhoog te schroeven;

26.

wijst op de noodzaak meer inzicht te verwerven in de huidige positie van sportvisserij en de ontwikkeling ervan, met inbegrip van het economische, sociale en milieueffect; vestigt de aandacht op situaties waarin sportvisserij buiten haar toepassingsgebied treedt en onrechtmatig concurreert met beroepsvisserij in de vangst en afzet van vis, waardoor de marktquota op lokaal en regionaal niveau omlaag gaan en prijzen bij eerste verkoop dalen;

Ondersteunende maatregelen

27.

erkent dat het nieuwe EFMZV is ontwikkeld om de kust- en ambachtelijke vlootsegmenten in het bijzonder de mogelijkheid te bieden financiering te verkrijgen; erkent dat de lidstaten, op grond van het door het EFMZV vergemakkelijkte algemene kader, hun financieringsprioriteiten moeten bepalen om een antwoord te bieden op de specifieke problemen van dit segment en om een plaatselijk, duurzaam beheer van de betrokken visserijtakken te ondersteunen;

28.

pleit ervoor een fonds in stand te houden dat het kapitaal voor uitgebreidere steun voor medegefinancierde activiteiten in de ultraperifere gebieden bevat, alsook de specifieke compensatie-instrumenten te behouden voor de extra kosten die zijn gerelateerd aan visserijactiviteiten inzake en verdeling van visserijproducten, met inachtneming van de structurele beperkingen die van invloed zijn op de visserijsector in deze regio's;

29.

benadrukt dat, gezien de onzekere situatie en de achteruitgang van sommige kustgemeenschappen die afhankelijk zijn van de visserij en gezien het gebrek aan alternatieven voor economische diversificatie, de bestaande instrumenten, fondsen en mechanismen versterkt moeten worden om de samenhang op het vlak van werkgelegenheid en ecologische duurzaamheid veilig te stellen; is van mening dat dit erkend moet worden in het nieuwe GVB en het meerjarig financieel kader; dringt er bovendien op aan om prioriteit te geven aan meer gedeeld beheer en participatie van de ambachtelijke visserijsector in de besluitvorming door plaatselijke en regionale strategieën en grensoverschrijdende samenwerking op dit gebied te bevorderen, zowel met betrekking tot ontwikkeling, onderzoek als opleiding, met toereikende middelen uit het EFMZV, ESF en het EFRO;

30.

verzoekt de lidstaten rekening te houden met het belang van de economische, sociale en culturele rol van vrouwen in de visserijsector, opdat zij toegang krijgen tot sociale voorzieningen; benadrukt dat de actieve participatie van vrouwen in visserijgerelateerde activiteiten helpt ten eerste om de specifieke culturele tradities en praktijken in stand te houden, en ten tweede om ervoor te zorgen dat hun gemeenschappen overleven, waardoor de culturele diversiteit van de betrokken regio's gevrijwaard blijft;

31.

is van mening dat de uitvoeringsbepalingen van het toekomstige EFMZV de mogelijkheid moeten kunnen bieden om maatregelen te financieren op onder meer de volgende gebieden:

de verbetering van de veiligheid, de leef- en arbeidsomstandigheden aan boord en de vangstconservering, alsook van de economische en ecologische duurzaamheid van de vaartuigen (keuze van de technieken, energie-efficiëntie, enz.) zonder de visserijcapaciteit ervan te vergroten;

investeringen in duurzamer vistuig;

bevordering van de verjonging van de sector, door jongeren op te nemen in de visserijsector en hun betrokkenheid te handhaven, via een bijzondere stimulansregeling als antwoord op de uitdagingen op het vlak van de werkgelegenheid en duurzaamheid waarmee de sector te maken heeft, alsook via pakketten voor startende bedrijven om een nieuwe generatie vissers in de kleinschalige visserij veilig te stellen;

bouw van gespecialiseerde vissershavens, specifieke faciliteiten voor de aanlanding, opslag en verkoop van visserijproducten;

steun voor de vereniging, organisatie en coöperatie van mensen die actief zijn in de sector;

bevordering van kwaliteitsbeleid;

het bevorderen van de samenhang van het economische en maatschappelijke weefsel van de kustgemeenschappen die het meeste van de kleinschalige visserij afhankelijk zijn, met bijzondere nadruk op de ultraperifere regio's, teneinde de ontwikkeling van deze kustgebieden te stimuleren;

steun voor duurzame praktijken voor het vangen van schaaldieren, onder andere door bijstand te verlenen aan degenen die deze activiteiten uitvoeren, meestal vrouwen, en die aan werkgerelateerde ziekten lijden;

steun voor de promotie en afzet van ambachtelijke visserij- en extensieve-aquacultuurproducten, middels de oprichting van een Europees keurmerk voor het onderscheiden en identificeren van Europese ambachtelijke visserij- en schelpdierproducten, op voorwaarde dat zij voldoen aan goede praktijken inzake duurzaamheid en aan de beginselen van het gemeenschappelijke visserijbeleid;

steun voor educatieve en marketingcampagnes om consumenten en jongeren bewust te maken van de waarde van het consumeren van vis uit de kleinschalige visserij, met inbegrip van de positieve effecten ervan op de lokale economie en het milieu;

de toewijzing van financiering uit het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij op een wijze die de visserijsector meer vrouwvriendelijk zal maken door herinrichting van de sector en het verschaffen van behoorlijke faciliteiten (zoals kleedkamers op schepen of in havens);

steun voor verenigingen van vrouwen zoals nettenmakers, havenarbeiders en inpakkers;

beroepsopleiding, waaronder opleidingen voor vrouwen die werkzaam zijn in de visserijsector, teneinde hen betere toegang te verlenen tot leidinggevende en technische banen met betrekking tot visserij;

de opwaardering van de rol van vrouwen in de visserij, met name door steun te verlenen aan activiteiten op het land, voor de respectieve werknemers en voor met de visserij verwante activiteiten, zowel „stroomopwaarts” als „stroomafwaarts”;

32.

onderstreept dat toegang tot middelen uit het toekomstige EFMZV ten gunste moet komen aan projecten met geïntegreerde oplossingen die ten goede komen aan kustgemeenschappen in hun geheel in plaats van oplossingen die slechts een klein aantal marktdeelnemers begunstigen; is van mening dat toegang tot middelen uit het EFMZV moet worden gewaarborgd voor de vissers en hun families en niet alleen voor reders;

33.

wijst erop dat de gemeenschappelijke marktordening (GMO) in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur moet bijdragen tot het mogelijk maken van een groter rendement van de kleinschalige visserij, de stabiliteit van de markten, de verbetering van het in de handel brengen van visserijproducten en de verhoging van haar toegevoegde waarde; uit zijn bezorgdheid over de mogelijkheid dat de bestaande overheidsinstrumenten voor de ordening van de markten, publieke regulerende organisaties en steunmechanismen voor opslag op land ontmanteld zouden worden en eist een ambitieuze hervorming, die de instrumenten van de GMO versterkt om de doelstellingen ervan te kunnen verwezenlijken;

34.

stelt voor om een Europees keurmerk in te voeren om ambachtelijke visserijproducten die in overeenstemming met de beginselen van het GVB werden geproduceerd te erkennen, om goede praktijken aan te moedigen;

35.

pleit ervoor mechanismen in het leven te roepen die zorgen voor de erkenning van de zogenaamde positieve externe effecten die door de kleinschalige visserij worden gegenereerd en die niet door de markt worden vergoed — hetzij op het gebied van het milieu, hetzij op dat van de economische en sociale samenhang van de kustgemeenschappen;

36.

acht het van belang dat een rechtvaardige en adequate verdeling van de toegevoegde waarde over de gehele waardeketen van de sector bevorderd moet worden;

37.

verzoekt om streng toezicht op en certificering van uit derde landen ingevoerde visserijproducten om ervoor te zorgen dat ze afkomstig zijn van duurzame visserij en voldoen aan dezelfde eisen die EU-producenten moeten vervullen (bv. met betrekking tot etikettering, traceerbaarheid, fytosanitaire voorschriften en minimummaten);

38.

pleit voor de uitwerking (binnen de werkingssfeer van het EFMZV of in het kader van andere instrumenten) van specifieke en tijdelijke steunmechanismen voor noodsituaties, zoals natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen (olielekken, watervervuiling, enz.), de gedwongen stopzetting van bepaalde activiteiten in het kader van plannen voor het herstel van de bestanden of herstructureringen, of een plotse kortdurende stijging van de brandstofprijzen;

39.

roept de Commissie en de lidstaten op om maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat vrouwen gelijke beloning en andere sociale en economische rechten krijgen, waaronder een verzekering voor het dekken van de risico's waaraan zij zijn blootgesteld door hun werkzaamheden in de visserijsector en erkenning van hun specifieke aandoeningen als beroepsziekten;

40.

erkent dat tijdelijke vangstverboden, ook wel biologische rustperioden genoemd, een belangrijk en beproefd middel zijn om visbestanden in stand te houden alsook een essentieel instrument zijn voor duurzaam beheer van specifieke visserijtakken; erkent dat het instellen van vangstverboden tijdens specifieke kritieke stadia in de levenscyclus van een vissoort bijdraagt tot de ontwikkeling van visbestanden op een manier die vergelijkbaar is met bevissing buiten de rustperiode; is van mening dat het onder deze omstandigheden eerlijk en noodzakelijk is om vissers tijdens de periode van inactiviteit financieel tegemoet te komen, met name via het EFMZV;

41.

roept de Commissie en de lidstaten op manieren te bedenken om positieve discriminatie te bereiken ten gunste van kleinschalige visserij boven grootschalige visserij en vloten van een meer geïndustrialiseerde aard, waarbij ervoor wordt gezorgd dat het beheer van visserij in haar geheel effectief en duurzaam is; is van mening dat het ruimtelijk scheiden van verschillende visserijtechnieken, waarbij gebieden worden afgebakend die uitsluitend voor kleinschalige visserij zijn bestemd, een van de te overwegen opties vormt;

42.

verzoekt de Commissie en lidstaten stappen te ondernemen om een grotere wettelijke en maatschappelijke erkenning van het werk van vrouwen in de visserijsector te bevorderen en te verwezenlijken, en ervoor te zorgen dat vrouwen die vol- of deeltijds voor familiebedrijven werken of hun echtgenoot ondersteunen, en zo bijdragen aan hun eigen economische onderhoud en dat van hun familie, wettelijke erkenning krijgen of sociale voorzieningen die gelijkwaardig zijn aan de voorzieningen voor zelfstandig werkenden, in het bijzonder door toepassing van Richtlijn 2010/41/EU, en dat hun sociale en economische rechten worden gegarandeerd, waaronder gelijke lonen, het recht op werkloosheidsuitkering wanneer zij hun baan (tijdelijk of permanent) verliezen, het recht op een pensioen, evenwicht tussen werk en privéleven, ouderschapsverlof, toegang tot sociale zekerheid en gratis gezondheidszorg, gezondheid en veiligheid op het werk, en andere sociale economische rechten, inclusief een verzekering die zeerisico's dekt;

43.

pleit ervoor dat de regeling voor bijzondere toegang voor de kleinschalige visserij in de zone van twaalf mijl moet worden behouden;

44.

acht het noodzakelijk de kleinschalige visserij, in het bijzonder, op te nemen in uitwisselingen over de ruimtelijke ordening van de zone van twaalf mijl, waar in het algemeen sprake is van meer activiteiten, offshore-windturbines, grindwinning en beschermde mariene zones waar vaak visserijactiviteiten in dezelfde zone plaatsvinden;

45.

vestigt de aandacht op de noodzaak van een grotere betrokkenheid en deelname van beroepsbeoefenaren uit de kleinschalige visserijsector ten aanzien van beheer, bepaling en uitvoering van visserijbeleid; onderstreept hoe belangrijk het is meer steun te verlenen aan groepen en beroepsorganisaties van vissers die bereid zijn de verantwoordelijkheid te delen voor het toepassen van het GVB, met als doel het beleid verder te decentraliseren; dringt er bij marktdeelnemers uit de kleinschalige visserijsector op aan om zich aan te sluiten bij bestaande producentenorganisaties ofwel nieuwe producentenorganisaties op te richten;

o

o o

46.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de regionale adviesraden.


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(2)  PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1.

(3)  PB C 286 E van 23.11.2006, blz. 519.

(4)  PB C 300 E van 9.12.2006, blz. 504.

(5)  PB C 295 E van 4.12.2009, blz. 1.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0052.

(7)  PB C 348 E van 21.12.2010, blz. 15.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/175


P7_TA(2012)0461

De externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (2011/2318(INI))

(2015/C 419/26)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de mededeling van de Commissie van 13 juli 2011 inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2011)0424),

gezien het Verdrag van 10 december 1982 van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee (UNCLOS),

gezien de overeenkomst van 1995 over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van 10 december 1982 van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden,

gezien de gedragscode voor verantwoordelijke visserij van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), goedgekeurd in oktober 1995 door de FAO-conferentie (de gedragscode),

gezien het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, goedgekeurd in juni 1998 in Aarhus,

gezien het internationaal actieplan van de FAO voor het beheer van de vangstcapaciteit van de FAO, goedgekeurd door de Raad van de FAO in november 2000,

gezien het verslag van de FAO over de toestand van de mondiale visserij en aquacultuur in 2010,

gezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (de IOO-verordening) (1) en Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad van 29 september 2008 betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren (de vismachtigingenverordening) (2),

gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (de basisverordening) (COM(2011)0425),

gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over de bestrijding van illegale visserij op mondiaal niveau — de rol van de EU (3),

gezien zijn resolutie van 25 februari 2010 over het Groenboek over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (4),

gezien zijn resolutie van 8 juli 2010 over de regeling inzake de invoer van visserij- en aquacultuurproducten in de EU in het licht van de hervorming van het GVB (5),

gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EU en Mauritanië (6),

gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over het toekomstige protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko (7),

gezien de conclusies van de Raad Landbouw en Visserij van 19 en 20 maart 2012 over de externe dimensie van het GVB,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie internationale handel (A7-0290/2012),

A.

overwegende dat twee derde deel van alle zeeën en oceanen zich buiten de nationale rechtsgebieden bevindt en dat elke alomvattende en uitputtende wettelijke regeling inzake visserijbeheer moet stoelen op het Verdrag van 1982 van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee (UNCLOS) en relevante rechtsinstrumenten; dat duurzaam visserijbeheer van strategisch belang is voor de kustgemeenschappen die afhankelijk zijn van de visserij, alsook voor de voedselzekerheid;

B.

overwegende dat volgens de meest recente beoordeling van de FAO 85 % van de weinige mondiale visbestanden waarover informatie beschikbaar is, volledig wordt geëxploiteerd of overbevist, hoewel het verslag van de FAO van 2010 wijst op wereldwijde verbeteringen met betrekking tot het herstel van overbeviste visbestanden en mariene ecosystemen dankzij de invoering van goede beheerspraktijken;

C.

overwegende dat de EU een van 's werelds belangrijkste spelers in de visserijsector is en van oudsher zeer nadrukkelijk aanwezig en actief is in alle wereldzeeën dankzij een combinatie van vlootinspanningen, investeringen door EU-burgers, bilaterale visserijovereenkomsten en deelname aan alle belangrijke regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's), waar zij aandringt op goede praktijken en eerbiediging van de mensenrechten;

D.

overwegende dat de EU een van de belangrijkste markten voor en 's werelds grootste importeur van visserijproducten is, met een consumptie van 11 % van de mondiale visserijproductie in volume en een invoer van 24 % van de visserijproducten in waarde, hoewel zij slechts 8 % van de mondiale vangsten (2 % als alleen buitenlandse wateren in aanmerking worden genomen) voor haar rekening neemt;

E.

overwegende dat de quota's in de ROVB's hoofdzakelijk zijn gebaseerd op vroegere vangstniveaus, waardoor ontwikkelde landen preferentiële toegang tot de mondiale visbestanden hebben gekregen; dat zij nu rekening moeten gaan houden met de visserijactiviteiten van aan zee gelegen ontwikkelingslanden die generaties lang afhankelijk zijn geweest van nabije visbestanden, een feit dat de EU dient te eerbiedigen;

F.

overwegende dat de EU moet streven naar beleidssamenhang op het gebied van ontwikkeling, waarbij zij zich moet baseren op artikel 208, lid 1, van het VWEU, waarin als volgt wordt bepaald: „De Unie houdt bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking”;

G.

overwegende dat de EU eveneens al haar andere beleid ten aanzien van niet-lidstaten — o.a. visserij, gezondheidszorg, handel, werkgelegenheid, milieu, gemeenschappelijke doelstellingen op het gebied van buitenlands beleid en de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie — op coherente en gecoördineerde wijze moet toepassen;

H.

overwegende dat er voor het garanderen van duurzame visserij in veel gevallen betere gegevens nodig zijn over de bestanden die de EU bevist of die voor de EU-markt bestemd zijn, met name over hun status, en dat er informatie beschikbaar moet worden gesteld over de totale vangst door plaatselijke vloten en vloten van andere derde landen;

I.

overwegende dat er grondige wetenschappelijke studies nodig zullen zijn om vast te stellen in welke visserijtakken de vloot een overcapaciteit vertoont of kan gaan vertonen;

J.

overwegende dat het gemeenschappelijk visserijbeleid een instrument moet zijn waarmee de EU de rest van de wereld kan tonen hoe visserij op verantwoorde wijze kan worden bedreven en hoe het internationale beheer van visgronden kan worden verbeterd door de toepassing van de Europese normen voor vlootbeheer;

K.

overwegende dat de EU een sleutelrol moet spelen bij het mobiliseren van de internationale gemeenschap voor de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij);

1.

verwelkomt de mededeling van de Commissie en de vele positieve voorstellen erin die daarin vervat zijn voor het stimuleren van duurzaamheid van de visserij in het algemeen en daaraan gerelateerde activiteiten van de EU buiten de EU-wateren, met inbegrip van de ultraperifere regio's; is echter van mening dat de reikwijdte van het document niet groot genoeg is omdat het te veel geconcentreerd is op bilaterale overeenkomsten en multilaterale organisaties, en dat het een geïntegreerde benadering zou moeten inhouden van andere activiteiten die gericht zijn op de verwerving van voor de EU-markt bestemde producten;

2.

wijst er met klem op dat de EU moet toewerken naar een coherent Uniebeleid dat gericht is op verbetering van het internationale visserijbeheer;

3.

meent dat coördinatie tussen het buitenlands beleid en het ontwikkelingsbeleid van groot belang is voor de sluiting van overeenkomsten inzake duurzame visserij en de totstandbrenging van de synergieën die nodig zijn om doelmatiger bij te dragen tot de ontwikkeling van geassocieerde derde landen;

4.

is van mening dat de Unie vanwege de omvang van haar markt voor visserijproducten en het geografische gebied dat door vaartuigen die onder de EU-vlag varen van of eigendom zijn van EU-burgers wordt bevist, een hoge mate van verantwoordelijkheid draagt voor de duurzame ecologische voetafdruk en sociaaleconomische impact van haar visserij, voor hoogwaardige visserijproducten voor de consument in Europa en in andere landen waar Europese vis en gerelateerde producten worden verhandeld, en voor de sociaaleconomische structuur van kustvissersgemeenschappen, zowel in de EU als elders;

5.

is van mening dat voor visserijbelangen van de EU binnen en buiten de wateren van de Unie en voor de EU-markt bestemde visserijproducten dezelfde normen op het gebied van ecologische en sociale duurzaamheid en transparantie moeten gelden en dat diezelfde beginselen moeten worden verdedigd tegenover en geëist van derde landen, zowel bilateraal als multilateraal; is van mening dat het teruggooiverbod niet alleen in de EU-wateren moet worden toegepast, maar tegelijkertijd voor dezelfde soorten ook daarbuiten moet gelden, dat de naleving ervan gecontroleerd moet worden door middel van cameratoezicht en door waarnemers, en dat in passende uitzonderingen moet worden voorzien om prijsschommelingen voor lokaal geconsumeerde producten te voorkomen;

6.

herinnert eraan dat EU-beleidsmaatregelen moeten aansluiten bij de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid, zoals bepaald in artikel 208 van het VWEU; merkt op dat hiervoor niet alleen binnen de Commissie zelf coördinatie nodig is, maar ook binnen de regeringen van de lidstaten en tussen de Commissie en de regeringen van de afzonderlijke lidstaten;

7.

herhaalt dat in alle acties van de EU de beleidsaspecten op gebieden als handel, gezondheid, werkgelegenheid, nabuurschap, milieu, maritiem beleid, buitenlands beleid en de verwezenlijking van de EU 2020-strategie moeten worden geïntegreerd, teneinde haar besluiten coherenter te maken;

8.

herinnert eraan dat de EU op grond van het internationaal actieplan voor het beheer van de vangstcapaciteit uiterlijk 2005 een beheerssysteem voor de vangstcapaciteit moest ontwikkelen en toepassen; vraagt de Commissie op te helderen waarom zij tegenstrijdige oplossingen lijkt na te streven met betrekking tot het capaciteitsbeheer door enerzijds voor te stellen de vangstcapaciteit in bepaalde ROVB's te bevriezen en anderzijds om de belangrijkste wettelijke beperkingen op de capaciteit van de EU-vloten af te schaffen; verzoekt de Commissie om bilaterale en multilaterale mechanismen voor de aanpassing van de visserijcapaciteit aan de beschikbare bestanden te bevorderen, die nodig worden geacht voor een duurzame bevissing van bestanden door alle vloten die in deze gebieden opereren;

9.

is van mening dat de doelstellingen en beginselen van de externe dimensie van het GVB moeten worden opgenomen in de basisverordening;

Algemene bepalingen

10.

onderstreept dat de instandhouding van de geldende visserijovereenkomsten en het zoeken van nieuwe visserijkansen in derde landen een prioritaire doelstelling van het externe visserijbeleid zou moeten zijn, en onderkent dat wanneer de vloot van de EU ophoudt de visgronden van een derde land te bevissen, deze vangstmogelijkheden normaliter worden verdeeld over andere vloten die instandhoudings-, beheers- en duurzaamheidsnormen hanteren die ver onder het niveau liggen van de normen die de EU aanbeveelt en verdedigt;

11.

dringt er bij de Commissie op aan om in alle internationale fora waarbij de EU is aangesloten duidelijk omschreven beginselen en doelstellingen voor een ecologisch en sociaal gezien duurzame visserij in volle zee en in wateren die onder de nationale jurisdictie vallen, te ondersteunen en om in die fora genomen besluiten snel en doelmatig ten uitvoer te leggen;

12.

benadrukt dat de EU een specifieke strategie voor de visserij en het beheer van levende mariene hulpbronnen moet ontwikkelen en daarbij alle niet-Europese mediterrane kuststaten moeten betrekken;

13.

verzoekt bij de Commissie met klem haar schouders te zetten onder de mondiale en multilaterale agenda ter bevordering van een duurzame visserij en de instandhouding van de mariene biodiversiteit en haar dialogen met landen die een belangrijke rol spelen in de bevissing van de wereldzeeën, zoals de VS, Japan, Rusland, China en andere derde landen, om te zetten in doeltreffende partnerschappen, teneinde cruciale onderwerpen aan te pakken, zoals de bestrijding van IOO-visserij, het verminderen, waar nodig, van zowel de overbevissing als de vlootcapaciteit en het versterken van de controle over en het bestuur van de volle zee, in overeenstemming met de beginselen van UNCLOS en andere relevante instrumenten;

14.

dringt er bij de Commissie op aan om het internationaal recht te bevorderen, met name UNCLOS en de deelname aan de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), en om de naleving daarvan te bewaken; spoort de Commissie aan om in alle passende fora samen te werken met derde landen, in het bijzonder in de ROVB's;

15.

is van mening dat de EU een initiatief op VN-niveau moet lanceren om voor alle belangrijke vissoorten die internationaal verhandeld worden een mondiale regeling voor het documenteren van vangsten en traceerbaarheid op te stellen, die stoelt op het beginsel van de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat en verenigbaar is met de IOO-regeling, als belangrijk instrument om de naleving van de bestaande instandhoudings- en beheersmaatregelen te versterken en de IOO-visserij te bestrijden en zodoende een verantwoorde consumptie te stimuleren;

16.

verzoekt de Commissie om Verordening (EG) nr. 1005/2008 inzake IOO-visserij daadkrachtiger toe te passen, met name op de verdragsluitende partijen bij de ROVB's die niet actief meewerken aan de vaststelling en toepassing van de belangrijkste mechanismen van de campagne tegen IOO-visserij;

17.

is van mening dat de EU binnen het VN-stelsel actief moet zoeken naar middelen waarmee de wereldgemeenschap:

de behoefte aan een meer geregionaliseerd en geïntegreerd mondiaal zeebeheer van zowel levende mariene hulpbronnen als andere hulpbronnen kan aanpakken,

verontreiniging en de gevolgen van de klimaatverandering voor zeeën en oceanen kan aanpakken, onder meer door waardevolle blauwe koolstofputten te beschermen en te rehabiliteren,

aan de sociale normen en arbeidsomstandigheden kan werken;

18.

wijst op het belang van de onderhandelingen in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) over subsidiediscipline in de visserijsector en roept de EU op een actievere rol te spelen in deze besprekingen;

19.

wijst erop dat er mechanismen moeten worden ingesteld om ecologisch gezien duurzame en sociaal gezien faire visserijproducten binnen en buiten de EU te bevorderen;

20.

wijst erop dat een van de prioritaire doelstellingen van de externe dimensie van het GVB moet bestaan in het veiligstellen van de toekomst van de Europese langeafstandsvloot, vooral in de mate waarin deze over visserijrechten beschikt die de basis hebben gevormd voor de economische en sociale ontwikkeling van de landen waarin zij actief is;

Bilaterale visserijovereenkomsten

21.

is van mening dat bilaterale visserijovereenkomsten, of duurzamevisserijovereenkomsten zoals de Commissie voorstelt ze te noemen, die partners sluiten en correct moeten uitvoeren, gebaseerd moeten zijn op verantwoorde en duurzame exploitatie van bestanden door EU-vaartuigen en in het voordeel moeten zijn van beide partijen, met name door enerzijds te zorgen voor economische hulpmiddelen, technische en wetenschappelijke deskundigheid en steun voor beter visserijbeheer en goed bestuur aan derde landen, en anderzijds de voortzetting mogelijk te maken van visserijactiviteiten die sociaaleconomisch gezien van belang zijn en een belangrijke voorzieningsbron zijn voor de EU en voor de markten van bepaalde ontwikkelingslanden, zowel wat verse vis als verwerkte producten betreft;

22.

wenst dat de EU zo spoedig mogelijk samenwerkingsovereenkomsten voor een duurzame visserij sluit met buurlanden waaraan de EU financiering en technische bijstand verstrekt teneinde de beleidscoördinatie en -coherentie te vergroten, zodat er een geharmoniseerd en duurzaam visserijbeleid ontstaat in alle gedeelde zeegebieden en de doelmatigheid van het GVB in alle betrokken regio's groter wordt; wenst dat deze overeenkomsten worden gesloten in een geest van eerlijke en op gelijkheid stoelende samenwerking en op eerbiediging van de mensenrechten, en dat zij gericht zijn op een eerlijke verdeling van verantwoordelijkheden tussen de Unie en de desbetreffende partnerlanden;

23.

wenst dat de EU er omwille van een betere samenwerking met buurlanden en een beter beheer van gedeelde bestanden naar streeft duurzamevisserijovereenkomsten te sluiten met die landen, niet zozeer om visserijrechten voor EU-vaartuigen te verwerven maar vooral om een situatie te creëren waarin de EU financiële en technische steun kan verstrekken om te bereiken dat in derde partnerlanden regels voor duurzaam beheer worden ingevoerd die vergelijkbaar zijn met die van de EU;

24.

herinnert eraan dat het voor de effectbeoordeling van de duurzamevisserijovereenkomsten, zoals ze nu genoemd worden, belangrijk is een juist onderscheid te maken tussen steun die bestemd is voor de ontwikkeling van de visserijsector in derde landen en steun die voortvloeit uit de betalingen voor visserijrechten;

25.

betreurt echter dat de bilaterale overeenkomsten van de EU deze potentiële voordelen niet altijd teweeg hebben gebracht en benadrukt dat het noodzakelijk is effectbeoordelingen uit te voeren voor de ultraperifere regio's, wanneer deze betrokken zijn, daarbij rekening houdend met artikel 349 van het Verdrag, maar erkent ook dat er sinds de vorige hervorming veel is verbeterd; is van mening dat betere wetenschappelijke bestandenbeoordelingen, meer transparantie, betere aansluiting op de doelstellingen, voordelen voor de plaatselijke bevolking en verbetering van de visserijgovernance doorslaggevend zijn voor succesvolle overeenkomsten;

26.

verwelkomt de intentie van de Commissie om in toekomstige bilaterale overeenkomsten een aantal bepalingen op te nemen, zoals naleving van het beginsel dat de toegang wordt beperkt tot bestanden waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat ze voor de kuststaten een overschot vormen, overeenkomstig de UNCLOS-voorschriften, waarborging van de mensenrechten overeenkomstig internationale mensenrechtenovereenkomsten, en een exclusiviteitclausule, hoewel deze laatste moet worden versterkt en formeel erkend door middel van overeenkomsten, waarbij in alle gevallen wordt gezorgd voor een strikte eerbiediging van de democratische beginselen;

27.

meent dat de bilaterale overeenkomsten van de EU niet alleen artikel 62 van het UNCLOS betreffende overschotbestanden moeten respecteren, maar ook de artikelen 69 en 70 betreffende de rechten van niet aan zee grenzende, geografisch ongunstig gelegen landen in de regio, met name in verband met de en sociaaleconomische en voedingsbehoeften van lokale bevolkingen;

28.

is van mening dat de mensenrechtenclausule op niet-discriminerende wijze moet worden toegepast en gelijkelijk van toepassing moet zijn op alle landen, en dat die clausule niet alleen in visserijovereenkomsten, maar ook in handelsovereenkomsten moet worden opgenomen; meent dat de EU via de WTO moet toewerken naar benadeling van de productie van landen die de mensenrechten nog steeds niet respecteren, waar in fabrieken gebruik wordt maakt van kinderarbeid of waar vrouwen worden gediscrimineerd door hun activiteiten en hun economische bijdrage aan de visserij- en aquacultuursector niet te belonen of te erkennen;

29.

dringt aan op de tenuitvoerlegging van een geïntegreerd, op ecosystemen gebaseerd beheer in het kader van nieuwe en bestaande overeenkomsten;

30.

meent dat de grotere bijdrage van bedrijven aan toekomstige visserijovereenkomsten gepaard moet gaan met meer mogelijkheden om de desbetreffende sector te beïnvloeden door middel van de technische normen en maatregelen waarover de Commissie in het kader van deze overeenkomsten onderhandelt;

31.

is van mening dat de vismachtigingenverordening zo moet worden gewijzigd dat vaartuigen onder de EU-vlag die zich tijdelijk uit het register van een lidstaat hebben uitgeschreven omwille van vangstmogelijkheden elders, wanneer zij zich opnieuw in een EU-register inschrijven, twee jaar lang niet in aanmerking moeten komen voor vangstmogelijkheden onder de duurzamevisserijovereenkomsten en de protocollen daarbij die op het moment van uitschrijving van kracht waren; is van mening dat hetzelfde moet gelden in geval van het tijdelijk omvlaggen tijdens het vissen in het kader van ROVB's;

32.

is van mening dat de sociale clausule die momenteel wordt gebruikt, moet worden versterkt zodat ook de naleving van Verdrag nr. 188 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), IAO-Aanbeveling 199 over werk in de visserij en de acht kernverdragen van de IAO (8) erin wordt opgenomen en wordt gewaarborgd dat de arbeidsvoorwaarden van bemanningsleden die geen ingezetenen van de EU zijn en aan boord van onder EU-vlag varende vaartuigen werken gelijk zijn aan die van bemanningsleden die wel ingezetenen van de EU zijn;

33.

meent dat de duurzamevisserijovereenkomsten moeten bijdragen tot duurzame ontwikkeling in derde partnerlanden en de lokale private sector moeten stimuleren, met speciale nadruk op kleinschalige visserij en kmo's, en vraagt in dit verband om het scheppen van meer arbeidsplaatsen voor lokale vissers en de ontwikkeling van lokale, duurzame verwerkingsindustrieën en marketingactiviteiten;

34.

moedigt de inspanningen van de Commissie aan om van de kuststaten steeds volledigere en betrouwbaardere gegevens te krijgen over alle visserijactiviteiten in hun wateren, met inbegrip van vangsten, om de moeilijke taak van het vaststellen van overschotten en het voorkomen van overexploitatie te kunnen verrichten; merkt op dat het visserij- en ontwikkelingsbeleid van de Unie zou kunnen zorgen voor de nodige verbeteringen in het vermogen van derde landen om dergelijke informatie te verstrekken;

35.

verzoekt de Commissie tevens om grotere transparantie te bevorderen bij het vaststellen van de exploitatieniveaus van de visbestanden in wateren die tot het rechtsgebied van kuststaten behoren.

36.

verklaart nogmaals dat overeenkomstig het beginsel dat de traditionele band tussen kustgemeenschappen en de wateren waarin deze van oudsher vissen moet worden gerespecteerd, EU-vaartuigen niet mogen wedijveren met plaatselijke vissers voor dezelfde bestanden of op de lokale markten, en dat samenwerking tussen plaatselijke en EU-actoren moet worden gefaciliteerd; wijst daarom met klem op de noodzaak van een nauwkeurige berekening van de overschotbestanden;

37.

is van mening dat de EU meer inspanningen moet leveren om derde landen met wie zij bilaterale overeenkomsten sluit, te voorzien van voldoende gegevens en informatie om betrouwbare beoordelingen van de visbestanden uit te voeren, en dat Europese subsidie voor een vaartuig voor wetenschappelijk onderzoek in regio's waar de EU-vloot actief is, in aanzienlijke mate zou bijdragen tot betere wetenschappelijke analyses van visbestanden, wat een absolute voorwaarde is voor elke duurzamevisserijovereenkomst;

38.

wenst dat het onderzoek dat verricht wordt door vaartuigen van verschillende lidstaten in wateren die door de EU-vloot worden bevist, zoveel mogelijk wordt aangemoedigd en wordt uitgevoerd in samenwerking met de betrokken kuststaten, waarvan ook wetenschappers moeten kunnen deelnemen aan de onderzoeksactiviteiten; dringt aan op meer samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie op dit gebied en op meer financiële middelen voor de uitbreiding van het wetenschappelijk onderzoek in wateren buiten de EU;

39.

is van mening dat tegelijkertijd de inspanningen om de nodige gegevens te verkrijgen van derde landen waarmee de EU bilaterale visserijovereenkomsten heeft gesloten, moeten worden opgevoerd om de doelmatigheid van de overeenkomst te kunnen beoordelen en vast te kunnen stellen of aan de voorwaarden wordt voldaan, zoals de voorwaarde dat de plaatselijke bevolking van de overeenkomst moet profiteren;

40.

benadrukt het belang van gezamenlijke wetenschappelijke groepen die zijn belast met het uitbrengen van wetenschappelijke adviezen over de toestand van visbestanden op grond van de beste beschikbare gegevens, ter voorkoming van overbevissing, aangezien de visserijsector, en vooral de ambachtelijke visserij, een essentiële rol speelt voor de voedselzekerheid in tal van ontwikkelingslanden; dringt erop aan dat deze groepen passende financiële, technische en personele middelen tot hun beschikking krijgen om hun taken te vervullen en om samen te werken met de ROVB's;

41.

verzoekt de Commissie de versterking van gerichte wetenschappelijke en technische samenwerking in het algemeen in de ROVB's te bevorderen, onder meer door de rol van de gezamenlijke wetenschappelijke comités meer inhoud te geven; verzoekt ook om inspanningen om de volksgezondheidssituatie in de EU en in derde landen op een vergelijkbaar peil te brengen;

42.

staat volledig achter de gedachte dat financiële compensaties voor toegang tot visserijbestanden los moeten staan van sectorale ontwikkelingssteun; dringt er met klem op aan dat reders een eerlijk en op de markt gebaseerd deel van de kosten betalen wanneer zij toegangsrechten verwerven in het kader van bilaterale visserijovereenkomsten; verzoekt om een gedetailleerde analyse van het aandeel dat de reders moeten betalen voor een vismachtiging, rekening houdend met de potentiële vangsten en de bedrijfskosten; is van mening dat beter toezicht op sectorale steun absoluut noodzakelijk is en dat betalingen moeten kunnen worden opgeschort wanneer een kuststaat zijn verplichtingen niet nakomt;

43.

dringt erop aan dat de financiële post voor de toekenning van sectorale steun doelmatiger wordt gemaakt en meer en betere resultaten oplevert, met name door de steun toe te spitsen op wetenschappelijk onderzoek, gegevensverzameling en op de controle en het beheer van visserijactiviteiten;

44.

verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de middelen voor de sectorale steun in het kader van duurzamevisserijovereenkomsten gericht zijn op ondersteuning van de bestuurlijke en wetenschappelijke capaciteit van derde landen, alsmede op ondersteuning van kmo's, en dat zij de doelstellingen voor ontwikkelingssamenwerking van de EU ten goede komen en aansluiten bij het nationale ontwikkelingsplan van het land waarmee het verdrag wordt gesloten; dringt erop aan dat deze middelen de samenwerking inzake visserij waarin door andere samenwerkingsovereenkomsten of -instrumenten wordt voorzien, niet vervangen maar op een coherente, transparante, doeltreffende en doelgerichtere wijze aanvullen;

45.

dringt er bij de Commissie op aan om er tijdens de onderhandelingen over duurzamevisserijovereenkomsten naar te streven dat de kuststaat een bepaald minimum van de in het kader van de overeenkomst verstrekte sectorale ontwikkelingssteun besteedt aan projecten die ten doel hebben om de rol van vrouwen in de visserijsector te erkennen, te bevorderen en te diversifiëren, waarbij het beginsel van gelijke behandeling van en gelijke kansen voor mannen en vrouwen moet worden toegepast, met name op het gebied van opleiding en de toegang tot financiering en leningen;

46.

is van mening dat de sectorale ontwikkelingssteun in aanmerking moet worden genomen bij het nemen van de desbetreffende besluiten in de toekomst;

47.

dringt erop aan dat de Commissie de uitvoering van de bilaterale overeenkomsten nauwlettend controleert en jaarlijks een verslag doet toekomen aan het Parlement en de Raad, en dat zij evaluaties door externe, onafhankelijke deskundigen tijdig aan de medewetgevers toestuurt voordat wordt onderhandeld over nieuwe protocollen, en dat al die documenten openbaar worden gemaakt, met inachtneming van de toepasselijke gegevensbeschermingsregels en in ten minste drie officiële talen van de EU;

48.

onderstreept dat het Parlement, overeenkomstig het VWEU, naar behoren moet worden betrokken bij voorbereiding van, de onderhandelingen over en de langetermijncontrole en evaluatie van de uitvoering van de bilaterale overeenkomsten; dringt erop aan dat het Parlement onmiddellijk, volledig en op gelijke voet met de Raad in alle fasen van de aan de visserijpartnerschapsovereenkomsten gerelateerde procedure moet worden geïnformeerd, zoals bepaald in artikel 13, lid 2, en artikel 218, lid 10 van het VWEU; spreekt opnieuw zijn overtuiging uit dat waarnemers van het Parlement de vergaderingen van de gemengde commissies waarin de visserijovereenkomsten voorzien, moeten bijwonen, en dringt erop aan dat ook het maatschappelijk middenveld waarnemers naar deze vergaderingen stuurt, waaronder ook vertegenwoordigers van de visserijsector van zowel de EU als de betrokken derde landen;

49.

steunt de invoering van wetenschappelijke audits van de visbestanden voorafgaand aan de onderhandelingen over overeenkomsten en dringt erop aan dat de betrokken derde landen informatie verstrekken over de visserijinspanningen van de vloten van andere landen in hun wateren, zodat deze doelen daadwerkelijk kunnen worden verwezenlijkt;

50.

is ervan overtuigd dat volledige transparantie over vangsten, betalingen en de tenuitvoerlegging van sectorale steun een onmisbaar hulpmiddel zal zijn voor de ontwikkeling van een duurzame en verantwoorde visserij op basis van een goed beheer en voor de strijd tegen oneigenlijk gebruik van EU-subsidies en corruptie;

51.

benadrukt tevens de noodzaak van meer transparantie, zowel tijdens de onderhandelingen als tijdens de looptijd van visserijovereenkomsten, en zowel van de zijde van de EU als van die van derde landen;

52.

dringt erop aan dat de lidstaten de vangsten dagelijks melden aan de kuststaten en dat zij zich volledig houden aan de regels die in de wateren van de partnerlanden gelden;

53.

is ervan overtuigd dat de Commissie ervoor moet zorgen dat onderhandelingen met derde landen over nieuwe overeenkomsten of protocollen bij bilaterale visserijovereenkomsten ruim voor de vervaldatum van die verdragen of protocollen worden gestart; onderstreept in dit verband dat het belangrijk is dat het Parlement in een vroeg stadium bij de onderhandelingen wordt betrokken, om te voorkomen dat de voorlopige toepassing van bepalingen leidt tot niet terug te draaien voldongen feiten die niet in het belang van de EU of het derde land zijn;

54.

meent dat de Europese visserijsector een aanzienlijk deel van de kosten moet dragen wanneer zij in het kader van een bilaterale of multilaterale visserijovereenkomst toegangsrechten tot visserijzones buiten de EU verwerft;

55.

is van mening dat de bilaterale overeenkomsten van de EU, met name die welke gevolgen hebben voor de tonijnvloot, vanuit een regionale invalshoek moeten worden gesloten en uitgevoerd en dat er desgevallend een duidelijk verband moet zijn tussen de bepalingen in deze overeenkomsten en de beheersmaatregelen en -prestaties van de desbetreffende ROVB's;

56.

voelt zich gedwongen de Commissie te laten weten dat het zich, wat het regionale niveau betreft, ongemakkelijk voelt bij de duidelijke beleidsomslag ten aanzien van de aanwerving van zeelieden, aangezien er in de meeste gevallen sprake is van een terugkeer naar het onhoudbare beleid van aanwerving op grond van nationaliteit in plaats van op basis van afkomst uit de ACS-landen in het algemeen;

57.

meent dat er, om EU-investeringen in de visserij in landen waarmee momenteel vanwege het ontbreken van mogelijkheden voor het bevissen van overschotbestanden geen associatieovereenkomsten zijn gesloten, bilaterale verdragen zouden moeten worden gesloten, om op die manier bij te dragen aan een duurzame visserij; meent dat ook in deze gevallen coördinatie tussen de EU-ontwikkelingsfinanciering en de financiering van bilaterale overeenkomsten een topprioriteit moet zijn;

Regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's)

58.

dringt erop aan dat de EU het voortouw neemt in het versterken van de ROVB's zodat zij hun prestaties kunnen verbeteren, onder meer door onafhankelijke instellingen regelmatig te laten controleren in hoeverre zij hun doelstellingen behalen, en ervoor zorgen dat de aanbevelingen die bij dergelijke controles worden gemaakt, snel en volledig worden uitgevoerd; is van mening dat de EU ernaar moet streven dat alle ROVB's een commissie van toezicht hebben en is van mening dat er, wanneer staten de voorschriften aantoonbaar niet naleven, afschrikkende en niet-discriminerende sancties moeten worden opgelegd, zoals verlaging van quota's, inspanningen, toegestane capaciteit, enz.;

59.

vraagt de Commissie meer begrotingsmiddelen toe te wijzen aan de ROVB's, omdat zij een sleutelrol vervullen bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij;

60.

is van mening dat de EU moet toewerken naar een verbeterd besluitvormingsproces in ROVB's dat het mogelijk maakt verder te gaan dan een op de kleinste gemeenschappelijke deler gebaseerde aanpak die het gevolg kan zijn van consensus, in het besef dat er, wanneer consensus niet haalbaar is, een debat moet plaatsvinden voordat er tot stemmen wordt overgegaan; is van mening dat meerjarenprogramma's moeten worden bevorderd;

61.

is van mening dat de Unie haar visserij- en ontwikkelingsbeleid beter moet coördineren en stelselmatig een diepgaande langetermijndialoog en partnerschappen moet aangaan met andere vlaggen-, markt- en kuststaten om het visserijbeheer en de voedselzekerheid wereldwijd te verbeteren;

62.

verzoekt de Commissie het initiatief te nemen tot het opzetten van een breed ROVB-netwerk, zodat alle sectoren van de visserij op volle zee effectief beheerd worden volgens de op ecosystemen en het voorzorgsbeginsel gebaseerde aanpak die de instandhouding van bestanden waarborgt; spreekt in dit verband andermaal zijn steun uit voor de oprichting van nieuwe ROVB's waar die er nog niet zijn en voor verruiming van de bevoegdheden van bestaande ROVB's door middel van herziening van hun oprichtingsovereenkomsten;

63.

merkt op dat als gevolg van de klimaatverandering en verschuivingen in de verspreiding van soorten nieuwe visgronden ontstaan in de Arctische wateren; is van mening dat de EU initiatieven moet nemen met het oog op een doelmatig beheer van visserijactiviteiten (door bestaande of nieuw in te stellen ROVB's), zodat de visbestanden in deze wateren duurzaam worden beheerd en in stand worden gehouden; meent dat de visserij in deze wateren in eerste instantie moet worden beperkt om via wetenschappelijk onderzoek vast te stellen hoe groot de Arctische visbestanden zijn en hoeveel visserijinspanning zij vanuit duurzaamheidsoogpunt aankunnen;

64.

merkt op dat de Zwarte Zee wel zou varen bij een nieuwe ROVB en dringt er bij de Commissie op aan de instelling ervan voor te stellen;

65.

is van mening dat ROVB's duurzamebeheersstelsels moeten ontwikkelen die ervoor moeten zorgen dat de bestanden boven de maximale duurzame opbrengst (MSY — maximum sustainable yield) blijven, dat de middelen worden toegewezen op een transparante en eerlijke manier door gebruik te maken van financiële prikkels op basis van sociale en milieu criteria en van vangsten in het verleden, zodat voor het verkrijgen van visserijmogelijkheden zowel rekening wordt gehouden met de legitieme rechten en aspiraties van ontwikkelingslanden als met de verwachtingen van vloten die duurzaam in deze wateren hebben gevist, en dat zij erop moeten toezien dat de beheers- en instandhoudingsmaatregelen door alle leden volledig worden uitgevoerd;

66.

is er fel op tegen dat de EU de vaststelling van stelsels van overdraagbare visserijconcessies in ROVB's bevordert; is van mening dat in ROVB's vastgestelde, op rechten gebaseerde beheersstelsels nooit ten koste mogen gaan van bevolkingsgroepen in ontwikkelingslanden die voor hun inkomen op de visserij zijn aangewezen;

67.

is van mening dat het betrekken van alle belanghebbende partijen bij het beleid, vanaf de conceptie tot en met de uitvoering ervan, tot goed bestuur zal leiden;

68.

verzoekt om een gedetailleerde beoordeling van de vangstcapaciteit van de EU-vloten die buiten de EU-wateren mogen vissen, op basis van betrouwbare indicatoren van het vangstvermogen van de vaartuigen, rekening houdend met nieuwe technologische ontwikkelingen en uitgaande van de aanbevelingen in de Technische raadpleging over de meting van vangstcapaciteit van de FAO van 1999 (9); is van mening dat de EU moet vaststellen welke ROVB's met overcapaciteit kampen en ervoor moet zorgen dat de vlootcapaciteit wordt bevroren en aangepast, waarbij speciaal rekening wordt gehouden met de rechten van kustlanden;

Andere aspecten van de externe dimensie

69.

is van mening dat de externe activiteiten van EU-bedrijven weliswaar de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid ontstijgen, maar dat handelsactiviteiten en particuliere overeenkomsten tussen EU-reders en derde landen nageleefd en beschermd moeten worden, ook als ze in het kader van bilateraal samenwerkingsbeleid worden uitgevoerd, zolang dat in het raam van het internationale recht gebeurt;

70.

is van mening dat Europese investeringen in visserijactiviteiten naast de visserijovereenkomsten en de ROVB's de derde component van de externe dimensie van het GVB moeten vormen en dat het GVB investeringen in duurzame externe visserij moet aanmoedigen;

71.

is van mening dat het GVB strategieën voor maatschappelijk verantwoord ondernemen moet bevorderen, zodat de EU-strategie 2011-2014 inzake de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven volledig wordt nageleefd;

72.

is van mening dat de lidstaten informatie over particuliere overeenkomsten tussen EU-reders en derde landen, alsook over joint ventures in derde landen, met inbegrip van het aantal en de soorten vaartuigen die in het kader van dergelijke overeenkomsten en joint ventures opereren en hun vangsten, aan de Commissie moeten blijven verstrekken en openbaar moeten maken in overeenstemming met de bepalingen inzake de bescherming van persoons- en handelsgegevens, zoals voorzien in de vismachtigingenverordening;

73.

spoort de EU aan om een mondiale en multilaterale agenda te bevorderen waarin verantwoordelijkheid één van de onderdelen van de ontwikkeling van duurzame visserij vormt;

74.

verzoekt de Commissie en de lidstaten goed na te denken over methoden om het voor vaartuigen die onder de EU-vlag varen zeer aantrekkelijk maken te maken om in het EU-register te blijven, tenzij zij worden omgevlagd naar staten met een goede naam in alle betrokken ROVB's; is van mening dat dit het best kan worden bereikt door te zorgen voor eerlijke mededinging tussen vaartuigen van de EU en die van andere landen door dezelfde normen op het gebied van ecologische en sociale duurzaamheid te eisen van derde landen, zowel in bilateraal als in multilateraal verband, alsook door gebruik te maken van marktgerelateerde maatregelen;

75.

vindt het ergerlijk dat de Commissie nog geen andere vaartuigen aan de IOO-vaartuigenlijst van de EU heeft toegevoegd dan die welke de ROVB's op de lijst hebben gezet, en dat zij evenmin een lijst van niet-samenwerkende landen heeft voorgesteld, hoewel de IOO-verordening al meer dan twee jaar van kracht is; verzoekt de Commissie met klem dit zo spoedig mogelijk te doen; benadrukt dat de steun van onze belangrijkste partners moet worden gezocht om IOO-visserij uit te bannen op alle zeeën en oceanen;

76.

is van mening dat de Commissie, en niet een derde land, de autoriteit moet zijn die aan vaartuigen van derde landen fytosanitaire certificaten afgeeft die de rechtstreekse uitvoer van visserijproducten naar de EU mogelijk maken;

77.

herinnert eraan dat er in samenspraak met de ROVB's een op maat gesneden aanpak moet komen van het beheer van de capaciteitsplafonds van de externe EU-vloot en dat rekening moet worden gehouden met het feit dat dat vlootsegment in een andere context opereert;

78.

moedigt banken en andere leningsverstrekkende instellingen aan om alvorens kapitaal te verschaffen de economische, sociale en ecologische duurzaamheid van de activiteiten te beoordelen, en niet alleen maar te kijken naar de kortetermijnwinst;

79.

is van mening dat de EU er met haar handelsbeleid ook moet toe bijdragen dat wereldwijd duurzaam wordt gevist, door in het kader van preferentiële handelsovereenkomsten de naleving van de internationale verdragen en overeenkomsten op het gebied van visserijbestuur te stimuleren;

80.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat eerlijke, transparante en duurzame handel in vis in de bilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten van de EU wordt bevorderd;

81.

meent dat tegelijkertijd derde landen die de normen van de EU niet delen prikkels moeten krijgen om goede praktijken vast te stellen, en dat in voorkomend geval handelsmaatregelen moeten worden getroffen, zoals een invoerverbod op producten die afkomstig zijn van IOO-visserij en op visserij- en aquacultuurproducten die geproduceerd zijn zonder de mensenrechten en de VN-Verdragen inzake arbeid (IAO) en scheepvaart (IMO) in acht te nemen;

82.

verzoekt de Commissie om de internationale samenwerking in de strijd tegen IOO-visserij te bevorderen en na te gaan of het mogelijk is om de twee andere landen die samen met de EU de grootste markten voor vis van de wereld vormen, te weten de VS en Japan, zo ver te krijgen dat zij deelnemen aan gemeenschappelijke actie in de vorm van de toekenning van een unieke identificatiecode aan alle vaartuigen, waardoor de volledige traceerbaarheid van het product op een volkomen transparante wijze kan worden gewaarborgd;

83.

benadrukt dat ernstige en systematische inbreuken door een partnerland op de door ROVB's vastgestelde doelstellingen of op internationale regelingen met betrekking tot de instandhouding en het beheer van de visbestanden waarbij de EU partij is, kunnen leiden tot een tijdelijke opschorting van preferentiële tarieven; verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de uitvoering van de bepalingen met betrekking tot de instandhouding en het beheer van visbestanden die zijn opgenomen in haar voorstel voor het herziene stelsel van algemene tariefpreferenties (SAP);

84.

is van mening dat de EU moet garanderen dat ingevoerde producten die uit de internationale handel afkomstig zijn, aan dezelfde regels en vereisten voldoen als EU-producten;

85.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat vis en visserijproducten uit derde landen aan dezelfde hygiëne- en gezondheidsnormen voldoen als die uit de EU en het resultaat zijn van duurzame visserij, zodat er gelijke concurrentievoorwaarden ontstaan voor de visserijsector van de EU en die van niet-EU-landen;

86.

verzoekt de Commissie het EU-beleid verder te stroomlijnen voor wat betreft de doelstellingen van het ontwikkelings-, handels- en visserijbeleid;

87.

dringt er op aan dat de bilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten die de EU sluit:

vergezeld gaan van milieueffect- en sociale-effectbeoordelingen in verband met het risico van overexploitatie van visbestanden, zowel voor EU-landen als derde landen, waarbij rekening wordt gehouden met netwerken die al zijn opgezet bij eerdere overeenkomsten,

de oorsprongsregels respecteren,

traceerbaarheid van het product vereisen zodat men zeker is dat het product van legale en duurzame visserijen afkomstig is,

de IOO-verordening of andere bepalingen van het GVB niet ondermijnen,

bepalingen omvatten die ervoor zorgen dat alleen visserijproducten worden verhandeld die afkomstig zijn van goed beheerde visserijactiviteiten,

niet leiden tot een toename van de handel, die overexploitatie en uitputting van bestanden tot gevolg zou hebben,

waarborgen dat niet-duurzaam gevangen producten niet tot de EU-markt worden toegelaten,

bepalingen inzake de opschorting en herziening van de betaling van de financiële bijdrage omvatten, evenals bepalingen inzake de opschorting van de tenuitvoerlegging van het protocol in geval van een inbreuk op essentiële en fundamentele mensenrechtenbepalingen, als neergelegd in bijvoorbeeld artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou, of in geval van niet-naleving van de Verklaring inzake de fundamentele arbeidsbeginselen en –rechten van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

88.

herinnert eraan dat door de verschillende wetgeving van vele handelspartners van de EU, de kwestie van oorsprongsregels en hun cumulatie een controversieel en gevoelig onderwerp is bij handelsbesprekingen; verzoekt de Commissie daarom hier bijzondere aandacht aan te besteden en te onderhandelen over evenwichtige oplossingen die de Europese visserijsectoren niet benadelen;

89.

is ingenomen met de voorstellen van de Commissie voor handelsgerelateerde maatregelen zoals invoerbeperkingen voor vis en visserijproducten die moeten worden opgelegd aan landen die niet-duurzame visserij toestaan, waarbij wordt gegarandeerd dat die beperkingen verenigbaar zijn met de WTO-regels;

90.

dringt er bij de EU op aan om op oceaan- en zeegebieden gebaseerde regionale strategieën te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen, vooral voor die gebieden waar de verwezenlijking van duurzame visserij alleen kan worden gewaarborgd door internationale samenwerking;

o

o o

91.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.

(2)  PB L 286 van 29.10.2008, blz. 33.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0516.

(4)  PB C 348 E van 21.12.2010, blz. 15.

(5)  PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 119.

(6)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0232.

(7)  Aangenomen teksten: P7_TA(2011)0573.

(8)  Het Verdrag betreffende dwangarbeid van 1930 (nr. 29), het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948 (nr. 87), het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, 1949 (nr. 98), het Verdrag betreffende de gelijke beloning, 1951 (nr. 100), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (nr. 105), het Verdrag betreffende discriminatie (in arbeid en beroep), 1958 (nr. 111), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973 (nr. 138) en het Verdrag betreffende de ernstigste vormen van kinderarbeid, 1999 (nr. 182).

(9)  ftp://ftp.fao.org/docrep/fao/007/x4874e/x4874e00.pdf.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/185


P7_TA(2012)0462

Verkiezingen van het Europees Parlement in 2014

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de verkiezingen van het Europees Parlement in 2014 (2012/2829(RSP))

(2015/C 419/27)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 10 en 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

gezien de artikelen 10 en 11 van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, gehecht aan het besluit van de Raad van 20 september 1976, zoals gewijzigd (1),

gezien de verklaring van de Commissie van 22 november 2012 over de verkiezingen van het Europees Parlement in 2014,

gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat burgers op het niveau van de Unie rechtstreeks vertegenwoordigd worden door leden van het Europees Parlement;

B.

overwegende dat politieke partijen op Europees niveau bijdragen tot de vorming van Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie;

C.

overwegende dat de voorzitter van de Commissie wordt gekozen door het Parlement op voordracht van de Europese Raad, die optreedt met een gekwalificeerde meerderheid en rekening moet houden met de uitslag van de verkiezingen van het Parlement en tevens adequaat overleg moet hebben gepleegd alvorens een kandidaat voor te dragen;

D.

overwegende dat de Commissie als college verantwoording aflegt aan het Europees Parlement;

E.

overwegende dat het nieuw gekozen Parlement voldoende tijd nodig heeft om zich te organiseren voordat de verkiezing van de voorzitter van de Commissie plaatsvindt;

F.

overwegende dat om de nieuw gekozen Commissie op 1 november 2014 aan haar ambtsperiode te kunnen laten beginnen, de verkiezing van de voorzitter van de Commissie moet plaatsvinden tijdens de constituerende vergaderperiode van het Parlement in juli 2014;

G.

overwegende dat het Parlement zijn goedkeuring hecht aan de benoeming van het hele college van commissarissen na de kandidaten te hebben gehoord die voorgedragen zijn door de Raad, in goed overleg met de gekozen voorzitter en op grond van suggesties van de lidstaten;

1.

dringt er bij de Europese partijen op aan kandidaten voor te dragen voor het voorzitterschap van de Commissie, en verwacht van deze kandidaten dat ze een leidende rol spelen in de verkiezingscampagne van het Parlement, met name door persoonlijk hun programma in alle lidstaten van de Unie te presenteren; benadrukt dat de politieke legitimiteit van zowel het Parlement als de Commissie moet worden versterkt door de verkiezingen van beide instellingen nauwer af te stemmen op de keuze van het electoraat;

2.

wenst dat zoveel mogelijk leden van de volgende Commissie uit de gelederen van het in 2014 gekozen Europees Parlement komen als afspiegeling van het evenwicht tussen de twee wetgevende machten;

3.

verzoekt de toekomstige voorzitter van de Commissie erop toe te zien dat er in de Europese Commissie een evenwichtige verdeling van de seksen wordt bewerkstelligd; beveelt aan dat iedere lidstaat zowel een vrouwelijke als een mannelijke kandidaat voorstelt voor het volgende college van commissarissen;

4.

is van mening dat, met het oog op de nieuwe regeling voor de verkiezing van de Europese Commissie die is ingevoerd bij het Verdrag van Lissabon en de gewijzigde verhouding tussen de Commissie en het Parlement die daar met ingang van de verkiezingen van 2014 uit zal voortvloeien, betrouwbare meerderheden in het Parlement van het allergrootste belang zijn voor de stabiliteit van de wetgevingsprocedures van de Unie en de goede werking van haar uitvoerende macht, en dringt er derhalve bij de lidstaten op aan dat zij in hun kieswet, in overeenstemming met artikel 3 van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de Vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, passende en evenredige drempels vaststellen voor de toewijzing van de zetels zodat die een goede afspiegeling vormen van de wil van de kiezer, als tot uitdrukking gebracht in de verkiezingen, terwijl ook de werking van het Europees Parlement wordt gewaarborgd;

5.

verzoekt de Raad het Parlement te raadplegen bij het bepalen van de datum van de verkiezingen: van 15 tot en met 18 mei of van 22 tot en met 25 mei 2014;

6.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de parlementen en regeringen van de lidstaten.


(1)  Besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom (PB L 278 van 8.10.1976, blz. 1) van de Raad, zoals gewijzigd bij Besluit 93/81/Euratom, EGKS, EEG van de Raad (PB L 33 van 9.2.1993, blz. 15) en Besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad (PB L 283 van 21.10.2002, blz. 1).


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/186


P7_TA(2012)0463

Mensenrechtensituatie in Iran, met name de massa-executies en het recente overlijden van de blogger Sattar Beheshti

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de mensenrechtensituatie in Iran, met name massa-executies en het recente overlijden van de blogger Sattar Beheshti (2012/2877(RSP))

(2015/C 419/28)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Iran, met name over de mensenrechten,

gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 23 oktober 2012 over tien recente terechtstellingen in Iran,

gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger van 11 november 2012 over het overlijden van de Iraanse blogger Sattar Beheshti in gevangenschap,

gezien het verslag van de speciale rapporteur van de VN van 13 september 2012 over de mensenrechtensituatie in Iran,

gezien de vrijlating van dominee Youcef Nadarkhani uit de gevangenis in september 2012,

gezien de op 18 december 2007 en 18 december 2008 aangenomen resoluties 62/149 respectievelijk 63/168 van de Algemene Vergadering van de VN over een moratorium op de toepassing van de doodstraf,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag voor de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag inzake de rechten van het kind, die alle door Iran zijn ondertekend,

gezien artikel 122, lid 5 en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de huidige mensenrechtensituatie in Iran wordt gekenmerkt door een permanent patroon van systematische schending van de grondrechten; overwegende dat verdedigers van de mensenrechten (met name voorvechters van de rechten van vrouwen, kinderen en minderheden), journalisten, bloggers, kunstenaars, studentenleiders, advocaten, vakbondslui en milieuactivisten nog steeds leven onder grote druk en met een permanent risico van arrestatie;

B.

overwegende dat de blogger Sattar Beheshti, die op internet kritiek op het Iraanse regime had geuit, op 30 oktober 2012 door de FATA, een gespecialiseerde internetpolitie-eenheid, is gearresteerd op beschuldiging van internetmisdrijven, en in gevangenschap is overleden; overwegende dat de precieze omstandigheden van zijn overlijden nog niet zijn vastgesteld en dat van verscheidene kanten wordt bericht dat hij is overleden aan de gevolgen van foltering in een Iraanse gevangenis;

C.

overwegende dat familieleden van Sattar Beheshti die in Iran wonen, zijn bedreigd met arrestatie als zij over zijn dood zouden spreken met de media of klacht zouden indienen tegen de vermoedelijke folteraars;

D.

overwegende dat de dood van Sattar Beheshti alweer een tragisch voorbeeld is van de stelselmatige en onophoudelijke foltering, mishandeling en ontzegging van elementaire rechten waaraan gewetensgevangenen in Iran regelmatig worden blootgesteld, terwijl de veiligheids- en inlichtingendiensten in een sfeer van totale straffeloos te werk gaan;

E.

overwegende dat de mensenrechtenraad van de Iraanse justitie na dagenlang zwijgen over de dood van Sattar Beheshti heeft beloofd alle aspecten van de zaak te onderzoeken en alle schuldigen streng te vervolgen;

F.

overwegende dat de Iraanse parlementsvoorzitter, Hasan Abutorabifard, op 11 november 2012 heeft verklaard dat de Iraanse parlementaire commissie voor nationale veiligheid en buitenlands beleid de zaak zou onderzoeken;

G.

overwegende dat de speciale rapporteurs van de VN over de mensenrechtensituatie in Iran, standrechtelijke executies, foltering en vrijheid van meningsuiting verheugd waren over het besluit van het Iraanse parlement en de Iraanse justitie om een onderzoek naar de dood van de heer Beheshti in te stellen, en ook hebben opgemerkt dat in Iran een aantal gevallen gemeld zijn van gedetineerden die naar verluidt in gevangenschap zijn overleden ten gevolge van mishandeling, foltering, gebrek aan medische behandeling of verwaarlozing;

H.

overwegende dat Saeed Sedighi en negen andere mannen op 22 oktober 2012 zijn terechtgesteld op beschuldiging van drugsmisdrijven; overwegende dat de meeste van deze mannen geen eerlijk proces hebben gekregen en gedurende hun gevangenschap zijn gefolterd;

I.

overwegende dat de autoriteiten na de terechtstelling van de heer Sedighi zijn familie waarschuwden niet met de media te spreken en hen beletten na zijn begrafenis een publieke begrafenisplechtigheid te houden;

J.

overwegende dat het aantal terechtstellingen, ook van jongeren, in Iran de afgelopen jaren opvallend is gestegen en dat er sinds het begin van dit jaar 300 terechtstellingen zijn geregistreerd; overwegende dat de doodstraf regelmatig wordt uitgevoerd in zaken waar de gewettigde procesrechten van de beklaagden met voeten zijn getreden en voor misdrijven die niet onder de categorie van „zeer ernstige misdaden” vallen in de zin van de internationale normen;

K.

overwegende dat de Iraanse autoriteiten blijven proberen een „halalinternet” op te zetten, dat de Iraniërs effectief de toegang tot het world wide web ontzegt, en informatie- en communicatietechnologie blijven gebruiken om de fundamentele vrijheden, zoals de vrijheid van meningsuiting en van vergadering, te beknotten; overwegende dat Iran de internetvrijheid inperkt door de beschikbare bandbreedte te beperken, door de staat beheerde servers, specifieke internetprotocollen (IP's), internetserviceproviders (ISP') en zoekmachines te ontwikkelen en internationale en binnenlandse socialenetwerksites te blokkeren;

L.

overwegende dat de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken in 2012 is uitgereikt aan twee Iraanse activisten, de jurist Nasrin Sotoudeh en de filmregisseur Jafar Panahi; overwegende dat Nasrin Sotoudeh een gevangenisstraf uitzit omdat zij op schendingen van de mensenrechten in Iran heeft gewezen; overwegende dat mevrouw Sotoudeh een hongerstaking is begonnen omdat zij haar man niet mocht bezoeken; overwegende dat Jafar Panahi in hoger beroep is gegaan tegen een veroordeling tot een gevangenisstraf van zes jaren, een twintigjarig verbod op het maken van films en een aan hem opgelegd reisverbod;

1.

spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de voortdurend verslechterende mensenrechtensituatie in Iran, het toenemende aantal politieke gevangenen en gewetensgevangenen, het permanent hoge aantal terechtstellingen, ook van jongeren, de algemeen verspreide praktijken van foltering, oneerlijke processen en buitensporige bedragen voor borgtocht, en de strenge beperking van de vrijheid van informatie, meningsuiting, vergadering, geloof, onderwijs en verkeer;

2.

is uiterst bezorgd over het overlijden van Sattar Beheshti in de gevangenis; dringt erop aan dat de Iraanse autoriteiten de zaak grondig onderzoeken om de precieze omstandigheden van zijn dood vast stellen;

3.

is uiterst bezorgd over de berichten dat Sattar Beheshti in de gevangenis is gefolterd; vraagt de Iraanse autoriteiten ervoor te zorgen dat alle vermoedelijke gevallen van foltering en wrede, onmenselijke of onterende behandeling worden onderzocht en dat de daders ter verantwoording worden geroepen; herinnert eraan dat de toediening van lijfstraffen — hetgeen neerkomt op foltering — onverenigbaar is met artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

4.

veroordeelt krachtig de toepassing van de doodstraf in Iran en vraagt de Iraanse autoriteiten overeenkomstig resoluties 62/149 en 63/168 van de Algemene Vergadering van de VN een moratorium op terechtstellingen af te kondigen in afwachting van de afschaffing van de doodstraf; dringt er bij de Iraanse regering op aan de terechtstelling van jongeren te verbieden en te overwegen alle doodstraffen voor ter dood veroordeelde jongeren om te zetten; vraagt de Iraanse regering statistieken over de doodstraf en feiten over de rechtsbedeling bij terdoodveroordelingen openbaar te maken;

5.

betreurt ten zeerste het gebrek aan rechtvaardigheid en transparantie van de rechtsgang en de ontzegging van het recht op een eerlijke procesgang; vraagt de Iraanse autoriteiten te garanderen dat het recht van alle gedetineerden op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, strikt wordt geëerbiedigd;

6.

vraagt de Iraanse autoriteiten alle politieke gevangenen en gewetensgevangenen vrij te laten, met inbegrip van Nasrin Sotoudeh, die samen met Jafar Panahi de Sacharovprijs won, en hun toe te staan in december 2012 hun prijs in ontvangst te nemen in het Europees Parlement; uit zijn bezorgdheid over de verslechterende gezondheidstoestand van Nasrin Sotoudeh; vraagt de Iraanse justitie en gevangenisautoriteiten een einde te maken aan de mishandeling van Nasrin Sotoudeh; uit zijn sympathie en volledige solidariteit met de verzoeken van Nasrin Sotoudeh; vraagt de Iraanse autoriteiten alle gevangenen toegang te geven tot een advocaat van hun keuze, de nodige gezondheidszorg en familiebezoeken, waarop zij krachtens de internationale mensenrechtenwetgeving recht hebben, en hen met waardigheid en respect te behandelen;

7.

vraagt de Iraanse autoriteiten vreedzaam protest te accepteren en de talrijke problemen waarmee het Iraanse volk te maken krijgt, aan te pakken;

8.

vraagt de Iraanse autoriteiten de vrijheid van godsdienst te garanderen overeenkomstig de Iraanse grondwet en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

9.

vraagt de Iraanse autoriteiten te tonen dat zij zich volledig inzetten voor samenwerking met de internationale gemeenschap om de mensenrechtensituatie in Iran te verbeteren en vraagt de Iraanse regering al haar verplichtingen na te komen, zowel de verplichtingen uit hoofde van het internationale recht als de verplichtingen uit hoofde van de internationale verdragen die zij heeft ondertekend;

10.

meent dat een bezoek van een speciale rapporteur van de VN kan helpen om een overzicht van de mensenrechtensituatie in Iran te krijgen; merkt met bezorgdheid op dat Iran sinds 2005 geen bezoeken van speciale rapporteurs van de VN of van de hoge commissaris voor de mensenrechten meer heeft geaccepteerd; vraagt Iran zijn verklaarde voornemen uit te voeren om in 2012 een bezoek van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten, dr. Ahmed Shaheed, aan Iran toe te staan

11.

verzoekt de Commissie in nauw overleg met het Parlement effectief gebruik te maken van het nieuwe Instrument voor democratie en mensenrechten om de democratie en de naleving van de mensenrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting op internet, te ondersteunen;

12.

vraagt de vertegenwoordigers van de EU en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger de Iraanse autoriteiten aan te moedigen om opnieuw een dialoog over de mensenrechten aan te gaan; verklaart zich nogmaals bereid om met Iran op alle niveaus een dialoog over de mensenrechten aan te gaan op basis van de universele waarden die in het Handvest van de VN en in internationale verdragen zijn vastgelegd;

13.

steunt de tweeledige aanpak van de EU ten aanzien van Iran (een combinatie van sancties en diplomatie), maar is bezorgd over de negatieve gevolgen van verregaande sancties tegen Iran voor het Iraanse volk, zoals stijgende inflatie en tekorten aan noodzakelijke goederen, met name geneesmiddelen;

14.

vraagt de Raad om een verscherping van de gerichte maatregelen tegen Iraanse personen en entiteiten, waaronder overheidsinstellingen, die verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij ernstige schendingen van de fundamentele vrijheden, met name door misbruik van ICT, het internet en mediacensuur; vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat alle eigendommen in de EU, met inbegrip van onroerend goed, van Iraniërs tegen wie de beperkende maatregelen gericht zijn, in beslag worden genomen en worden bevroren;

15.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties en de regering en het parlement van Iran, en deze resolutie in het Farsi te laten vertalen.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/189


P7_TA(2012)0464

Situatie in Birma, met name het aanhoudende geweld in de staat Rakhine

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de situatie in Birma/Myanmar, met name het aanhoudende geweld in de deelstaat Rakhine (2012/2878(RSP))

(2015/C 419/29)

Het Europees Parlement,

gezien zijn eerdere resoluties over Birma/Myanmar, met name die van 20 april 2012 (1) en 13 september 2012 (2),

gezien het verslag van 24 augustus 2012 van de speciale rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Birma/Myanmar,

gezien Besluit nr. 2012/225/GBVB van de Raad van 26 april 2012,

gezien de aan het parlement van Birma/Myanmar toegezonden verklaring van president Thein Sein van 17 augustus 2012 over de situatie in de deelstaat Rakhine,

gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de VN over de situatie in de deelstaat Rakhine van Birma/Myanmar van 25 oktober 2012,

gezien de verklaring van 26 oktober 2012 van de woordvoerder van hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton over het nieuwe geweld in de deelstaat Rakhine in Birma/Myanmar,

gezien de gezamenlijke verklaring die op 3 november 2012 is ondertekend door Commissievoorzitter Jose Manuel Barroso en de minister van het kabinet van de president van Myanmar, U Aung Min, in het vredescentrum van Birma/Myanmar in Yangon,

gezien de oproep van Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten Navi Pillay van 9 november 2012 aan de regering van Birma/Myanmar om de nodige stappen te ondernemen om de Rohingya's burgerrechten en gelijke behandeling te verlenen,

gezien de aan VN-secretaris-generaal Ban Ki Moon toegezonden brief van president Thein Sein van 16 november 2012, waarin de president van Birma/Myanmar toezegt de verlening van staatsburgerschap aan de staatloze Rohingya-moslims te zullen overwegen,

gezien het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol hierbij van 1967,

gezien de artikelen 18 tot en met 21 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

gezien artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

gezien de verklaringen van diverse vertegenwoordigers van de regering en de oppositie van Birma/Myanmar, inclusief Aung San Suu Kyi, waarin de etnische minderheid van de Rohingya's burgerrechten worden ontzegd en de verantwoordelijkheid van de overheid voor de recente gewelddadige confrontaties wordt geminimaliseerd,

gezien de verklaring van de nationale mensenrechtencommissaris van Birma/Myanmar in augustus 2012 dat de vervolging van Rohingya's en de gebeurtenissen in de deelstaat Rakhine niet onder zijn bevoegdheid vallen,

gezien de artikelen 122, lid 5, en 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de regering van Birma/Myanmar begin 2011 aanzienlijke stappen heeft ondernomen om de burgerlijke vrijheden te herstellen, maar dat de recente wreedheden in de deelstaat Rakhine het feit onderstrepen dat nog steeds enorme moeilijkheden moeten worden overwonnen;

B.

overwegende dat de situatie in de deelstaat Rakhine gespannen blijft, met sinds juni 2012 op zijn minst 1 10  000 mensen die gedwongen zijn hun woning te ontvluchten en 89 mensen die gedood zijn en meer dan 5  300 huizen en religieuze gebouwen die vernield zijn sinds het geweld in oktober weer is opgeflakkerd;

C.

overwegende dat de meeste ontheemden Rohingya zijn en wonen in kampen, in onaanvaardbare omstandigheden, met ernstige overbevolking, een alarmerend niveau van ondervoeding bij de kinderen, totaal onaangepaste watervoorziening en sanitaire voorzieningen, zo goed als geen onderwijs en geen adequate toegang voor humanitaire hulp;

D.

overwegende dat de noodtoestand, die de afkondiging mogelijk maakt van de staat van beleg, in de deelstaat Rakhine geldt sinds de gevechten tussen de gemeenschappen in juni 2012 zijn begonnen, en dat de regering eind oktober 2012 in de betrokken gebieden de avondklok heeft ingesteld en bijkomende veiligheidstroepen heeft ontplooid — maatregelen die voorlopig geen einde hebben gemaakt aan het geweld;

E.

overwegende dat de discriminatie tegen de Rohingya-minderheid voortduurt; overwegende dat de plaatselijke autoriteiten volgens berichten medeschuldig zijn aan de aanvallen tegen de Rohingya's en een actief beleid voeren om hen het land uit te zetten; overwegende dat de internationale gemeenschap er bij de regering van Birma/Myanmar op heeft aangedrongen haar wet op het staatsburgerschap van 1982 te herzien, om ervoor te zorgen dat de Rohingya's niet langer staatloos zijn en de wortels van de al lang bestaande discriminatie tegen de Rohingya-bevolking worden aangepakt;

F.

overwegende dat Rakhine de op een na armste deelstaat is van Birma/Myanmar, zelf een van de minst ontwikkelde landen ter wereld, en dat armoede en repressie een rol hebben gespeeld door het geweld tussen de gemeenschappen te voeden, net als de slechte herinneringen van beide gemeenschappen aan gebeurtenissen uit het verleden;

G.

overwegende dat drie VN-deskundigen op 31 oktober 2012 hun ernstige bezorgdheid hebben uitgesproken over het voortdurende geweld tussen de gemeenschappen in de deelstaat Rakhine en de regering hebben opgeroepen met spoed de onderliggende oorzaken van de spanningen en het conflict tussen de boeddhistische en de moslimgemeenschap in de regio aan te pakken;

H.

overwegende dat de regering van Birma/Myanmar in augustus 2012 een onderzoekscommissie heeft opgericht, zonder hierin een vertegenwoordiger van de Rohingya-gemeenschap op te nemen, om een onderzoek te voeren naar de oorzaken van de uitbraak van sektarisch geweld en voorstellen te doen voor een manier om hier een einde aan te maken, maar dat de werkzaamheden van de commissie voorlopig geen resultaten hebben opgeleverd;

I.

overwegende dat als gevolg van het voortdurende geweld in de loop der jaren ongeveer een miljoen Rohingya's zijn gevlucht naar de buurlanden, waarvan ongeveer 3 00  000 naar Bangladesh en 92  000 naar Thailand, alsmede naar schatting 54  000 ongeregistreerde asielzoekers in negen kampen aan de grens tussen Thailand en Birma/Myanmar;

J.

overwegende dat op zijn minst 4  000 mensen per boot zijn gevlucht naar Sittwe, hoofdstad van de deelstaat Rakhine, waar de regering de moslims, inclusief de Rohingya's, heeft gescheiden van de rest van de bevolking en heeft verplaatst naar kampen; en overwegende dat wordt aangenomen dat op zijn minst 3  000 Rohingya's over zee zijn gevlucht naar de grens tussen Birma/Myanmar en Bangladesh, waar de Bengalese veiligheidsdiensten sinds juni de opdracht hebben iedereen die in de buurt komt van de grens, terug te drijven;

K.

overwegende dat Commissievoorzitter Jose Manuel Barroso Birma/Myanmar tijdens zijn bezoek aan 's lands hoofdstad Naypyidaw 78 miljoen EUR aan EU-ontwikkelingshulp heeft geboden en dat hij het feit heeft onderstreept dat de EU bereid is 4 miljoen EUR vrij te maken voor onmiddellijke humanitaire hulp, op voorwaarde dat toegang tot de getroffen gebieden wordt gegarandeerd;

1.

is ontzet door de heropleving van het etnische geweld in Rakhine, dat de oorzaak is van vele overlijdens en verwondingen, de vernieling van eigendom en de ontheemding van lokale bevolkingsgroepen, en is bezorgd dat de gevechten tussen de gemeenschappen een gevaar kunnen vormen voor de overgang van het land naar democratie en ruimere gevolgen kunnen hebben voor de regio als geheel;

2.

erkent dat in Birma/Myanmar politieke hervormingen en hervormingen op het gebied van de burgerrechten aan de gang zijn, maar dringt er bij de autoriteiten op aan hun inspanningen te intensiveren, waarbij zij ook de resterende politieke gevangenen moeten vrijlaten en met spoed het geweld tussen de gemeenschappen en de gevolgen hiervan moeten aanpakken;

3.

is van mening dat de huidige heropleving van het geweld tussen de gemeenschappen in de deelstaat Rakhine het gevolg is van al lang bestaand discriminerend beleid ten aanzien van de Rohingya's; benadrukt het feit dat tot dusver weinig is ondernomen om de spanningen tussen de gemeenschappen en de etnische discriminatie te voorkomen of de diepere oorzaken ervan aan te pakken;

4.

neemt kennis van de verklaringen van de regering dat zij een volledig en onafhankelijk onderzoek naar de gebeurtenissen zal uitvoeren en actie zal ondernemen tegen diegenen die tot het geweld hebben aangezet; verzoekt de regering van Birma/Myanmar onmiddellijk maatregelen te nemen om een einde aan het etnische geweld en de discriminatie te maken en de schuldigen van de gewelddadige confrontaties en andere, hiermee verband houdende wandaden in de deelstaat Rakhine voor het gerecht te brengen;

5.

verzoekt alle partijen duurzame manieren te vinden om de problemen tussen de gemeenschappen op te lossen en herhaalt zijn oproep aan de politieke krachten om een duidelijk standpunt in te nemen voor een pluralistische maatschappij met een inclusieve dialoog met de lokale gemeenschappen;

6.

verzoekt de regering van Birma/Myanmar de discriminerende praktijken ten aanzien van de Rohingya's stop te zetten; herhaalt zijn eerdere oproepen om de wet op het staatsburgerschap van 1982 te wijzigen of in te trekken, om ervoor te zorgen dat de Rohingya's gelijke toegang hebben tot het staatsburgerschap van Birma/Myanmar;

7.

dringt er bij de autoriteiten van Birma/Myanmar op aan krachtigere actie te ondernemen met betrekking tot de kwesties van burgerrechten, met name de toegang tot onderwijs, werkvergunningen en vrij verkeer voor de Rohingya-minderheid;

8.

verzoekt de regering van Birma/Myanmar VN-agentschappen en humanitaire ngo's, alsmede journalisten en diplomaten, onbelemmerde toegang te verlenen tot alle gebieden van het land, inclusief de deelstaat Rakhine, en onbeperkte toegang te verlenen voor humanitaire hulp aan alle getroffen bevolkingsgroepen; verzoekt de autoriteiten van Birma/Myanmar voorts de omstandigheden in de ontheemdenkampen van de Rohingya's met spoed te verbeteren;

9.

verzoekt de EU en de lidstaten humanitaire hulp te verlenen en de regering van Birma/Myanmar te steunen bij haar inspanningen om de situatie te stabiliseren en sneller hervormingsprogramma's uit te voeren, op zulke wijze dat er sprake is van rechtsstaat, eerbiediging van de mensenrechten en politieke vrijheid;

10.

is tevreden met de voorstellen van de Commissie rechtsstaat van het parlement van Birma/Myanmar en dringt er bij de regering op aan snel hervormingen uit te voeren op het gebied van wetgeving, instellingen en beleid om een einde te maken aan de ernstige schendingen van de mensenrechten in de gebieden die getroffen worden door etnische en andere gewapende conflicten en de voortdurende straffeloosheid aan te pakken voor de plegers van mensenrechtenschendingen, met name wanneer deze het werk zijn van overheidstroepen;

11.

is tevreden met de vrijlating op 17 september 2012 van 514 gevangenen, inclusief 90 politieke gevangenen, en met de vrijlating op 19 november 2012 van 66 gevangenen, inclusief op zijn minst 44 politieke gevangenen, in het kader van een verlening van amnestie die samenviel met het bezoek aan Birma/Myanmar van de Amerikaanse president Obama; verzoekt de regering van Birma/Myanmar alle resterende politieke gevangenen vrij te laten, duidelijkheid te verschaffen over het precieze aantal dat nog opgesloten is en stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de vrijgelaten gevangenen opnieuw geïntegreerd worden in de maatschappij;

12.

is tevreden met de conclusies van de Raad inzake Birma/Myanmar van 23 april 2012, met daarin onder andere de opschorting van de beperkende maatregelen ten aanzien van de regering, met uitzondering van het wapenembargo, en de wens van de EU om haar ondersteuning van de overgang van het land voort te zetten; overwegende dat de EU met name aandacht heeft voor de mensenrechtenkwesties: steun voor het hervormingsproces, bijdrage aan de economische, politieke en sociale ontwikkeling en invoering van de rechtsstaat en de fundamentele vrijheden, met name de vrijheid van meningsuiting en vergadering; is in verband hiermee tevreden met het recente bezoek van de Commissievoorzitter en met de onmiddellijke verhoging van de financiële middelen van de Commissie voor humanitaire hulp in 2012 om de mensen in de deelstaat Rakhine te helpen;

13.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Birma/Myanmar, de hoge vertegenwoordiger van de EU, de Commissie, de parlementen en de regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de ASEAN, de intergouvernementele commissie voor de mensenrechten van de ASEAN, de secretaris-generaal van het Gemenebest, de speciale vertegenwoordiger van de VN voor de mensenrechten in Birma/Myanmar, de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN en de VN-Raad voor de mensenrechten.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0142.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0355.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/192


P7_TA(2012)0465

Situatie van migranten in Libië

Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de situatie van migranten in Libië (2012/2879(RSP))

(2015/C 419/30)

Het Europees Parlement,

gezien het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol van 1967,

gezien het feit dat Libië op 25 april 1981 het Verdrag van de Afrikaanse Unie betreffende specifieke aspecten van de vluchtelingenproblematiek in Afrika heeft geratificeerd,

gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en het bijbehorende protocol inzake de oprichting van een Afrikaans Hof voor de rechten van de mens en de volkeren, die Libië respectievelijk op 26 maart 1987 en 19 november 2003 heeft geratificeerd,

onder verwijzing naar zijn voorgaande resoluties over Libië, met name die van 15 september 2011 (1),

gezien het ENB-pakket voor Libië van 15 mei 2012,

gezien zijn resolutie van 14 juni 2012 over de mensenrechten en de veiligheidssituatie in het Sahelgebied (2),

gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 juli 2012,

gezien zijn resolutie van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (3),

gezien de verklaringen die de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) op 19 juli 2012 en 3 november 2012 over Libië heeft afgelegd,

gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN over de ondersteuningsmissie van de Verenigde Naties in Libië, dat op 30 augustus 2012 werd aangenomen,

gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat Libië in juli 2012 op bijzonder vreedzame en ordelijke wijze zijn eerste vrije, democratische verkiezingen heeft gehouden; overwegende dat het land op 9 augustus 2012 voor het eerst in zijn geschiedenis een vreedzame machtsoverdracht beleefde, van de Nationale Overgangsraad aan het Algemeen Nationaal Congres, dat ermee belast is een grondwet en andere essentiële wetgevingshervormingen goed te keuren;

B.

overwegende dat op 14 november 2012, voor het eerst in meer dan vijftig jaar, een na democratische verkiezingen gevormde Libische regering de eed heeft afgelegd;

C.

overwegende dat Libië een post-revolutionaire periode vol uitdagingen doormaakt, gaande van veiligheid (ontwapening, demobilisatie en re-integratie van de revolutionaire milities en hervorming van 's lands leger, politie, grenswacht en andere nationale veiligheidstroepen) over nationale verzoening, overgangsjustitie, handhaving van de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, tot het doorvoeren van veel andere hervormingen van cruciaal belang voor de opbouw van democratische instellingen en een democratische staat;

D.

overwegende dat Libië in het verleden een beroep deed op arbeidsmigranten in sectoren als gezondheidszorg, onderwijs, landbouw en gasten- en schoonmaakdiensten; overwegende dat Libië nog steeds een belangrijke draaischijf is voor asielzoekers en vluchtelingen uit conflictgebieden in Afrika, Azië en het Midden-Oosten;

E.

overwegende dat de capaciteit van de autoriteiten om te controleren wie het land binnenkomt, over het merendeel van de 4  378 km lange Libische landsgrenzen uiterst beperkt is;

F.

overwegende dat in Libië onder het bewind van kolonel Kadhafi tussen 1,5 en 2,5 miljoen buitenlanders werkten; overwegende dat vanaf het begin van de bevrijding op 17 februari 2011 veel migranten gedwongen werden om deel uit te maken van Kadhafi-getrouwe huurlingengroepen, en dat een groot deel van hen nu zonder proces gevangen zit of het land ontvlucht is; overwegende dat volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) eind november 2011 al circa 8 00  000 migranten naar de buurlanden waren gevlucht, maar dat er ondertussen velen zijn teruggekeerd of aangekomen;

G.

overwegende dat migranten, asielzoekers en vluchtelingen in Libië regelmatig het slachtoffer worden van mensenrechtenschendingen en dat buitenlanders zonder papieren gevaar blijven lopen op uitbuiting, racisme, willekeurige hechtenis, afranseling en marteling, ook in gevangenschap;

H.

overwegende dat buitenlanders in Libië nog altijd bijzonder kwetsbaar zijn voor misbruik vanwege het veiligheidsvacuüm, de verspreiding van wapens, het ontbreken van nationale wetgeving inzake asiel en arbeidsmigranten, het ontoereikende rechtsstelsel en zwak bestuur; overwegende dat buitenlanders, onder wie zwangere vrouwen, vrouwen met kleine kinderen en samen met volwassenen vastgehouden onbegeleide kinderen, opgesloten zitten in tal van detentiecentra die speciaal voor illegale migranten zijn opgezet, of rechtstreeks door milities gevangen gehouden worden;

I.

overwegende dat in recente verslagen van de Ιnternationale Federatie voor de Rechten van de Mens, Migreurop, Amnesty International en Justice Without Borders for Migrants (JWBM), op basis van een aantal onderzoeken in Libië in juni 2012, de aandacht wordt gevestigd op de herhaalde mishandeling van migranten die worden vastgehouden in acht detentiecentra in Kufra, Tripoli, Benghazi en het Nafoesagebergte;

J.

overwegende dat Libië het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen nog niet heeft geratificeerd;

K.

overwegende dat het UNHCR nu wel in Libië aanwezig is maar er nog geen rechtsstatus heeft;

L.

overwegende dat enkele EU-lidstaten de gesprekken met Libië over het beheersen van de migratiestromen hebben hervat;

M.

overwegende dat een volwaardig functionerende, democratische regering in Libië voor de EU, de VN en andere internationale partners een voorwaarde is om over samenwerkingsovereenkomsten met Libië te onderhandelen;

1.

verwelkomt de installatie van de eerste democratisch verkozen Libische regering en moedigt de leden ervan aan doortastend op te treden om de grondslagen te leggen van een democratische, verantwoording verschuldigde en functionerende staatsstructuur in Libië; roept alle internationale actoren en met name de EU op klaar te staan om de Libische regering en het Algemeen Nationaal Congres (GNC) bij deze ontzaglijke opgave bij te staan;

2.

verzoekt Libië wetgeving aan te nemen en uit te voeren in overeenstemming met zijn internationale verplichtingen, met name wat betreft het waarborgen van de eerbiediging van de universele mensenrechten; erkent evenwel dat deze inspanningen tijd zullen kosten aangezien de nieuw verkozen regering pas is aangetreden; beseft dat er, om de rampzalige nalatenschap van Kadhafi's schrikbewind te boven te komen, doortastende maatregelen en degelijke opleiding nodig zullen zijn totdat er een rechtsbestel, een gerechtelijk apparaat en een veiligheidsstelsel bestaan die volledige verantwoording verschuldigd zijn en op rechten gebaseerd zijn;

3.

spreekt zijn bezorgdheid uit over de bijzonder kwetsbare veiligheids- en mensenrechtensituatie van de nu in Libië aanwezige buitenlanders, vooral zij die uit subsaharaans en Oost-Afrika komen om er werk te zoeken of politiek asiel aan te vragen, en zij die nog altijd in de gevangenis zitten; is met name bezorgd over de levensomstandigheden en de behandeling van gedetineerde migranten in detentiecentra, met name in Kufra, Tripoli, Benghazi en het Nafoesagebergte;

4.

drukt zijn ernstige bezorgdheid uit over de extreme detentieomstandigheden waaraan buitenlanders, met inbegrip van vrouwen en kinderen, worden onderworpen — wetende dat velen van hen het slachtoffer zijn van seksueel en seksistisch geweld –, en over het feit dat zij verstoken blijven van een geschikt rechtskader en adequate rechtsbescherming, waardoor zij voor onbepaalde tijd opgesloten zitten en tegen hun deportatie geen beroep kunnen aantekenen;

5.

dringt er bij de Libische autoriteiten op aan alle buitenlanders, ongeacht hun immigratiestatus, te beschermen tegen geweld, uitbuiting, bedreigingen, intimidatie en misbruik;

6.

roept de regering van Libië en het GNC op alle nationale en lokale structuren van passende wetgeving en instructies te voorzien om alle vluchtelingen, asielzoekers en migranten een eerlijke behandeling, non-discriminatie en de nodige bescherming te garanderen, met bijzondere aandacht voor de veiligheid en de rechten van vrouwen en kinderen;

7.

verwacht van de nieuwe Libische autoriteiten dat zij onverwijld het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol van 1967 ratificeren en asielwetgeving aannemen in overeenstemming met de internationale rechtsregels en normen;

8.

roept de nieuwe Libische autoriteiten op het UNHCR onmiddellijk rechtsstatus te verlenen en het werk van het commissariaat te vergemakkelijken; moedigt nauwere samenwerking aan tussen de EU, het UNHCR en andere VN-agentschappen die bij de post-conflictsituatie betrokken zijn;

9.

verzoekt de nieuwe Libische autoriteiten het werk te vergemakkelijken voor organisaties die asielzoekers, vluchtelingen en migranten kunnen helpen beschermen en ondersteunen;

10.

roept Libië op wetgeving aan te nemen om de binnenkomst en het verblijf van buitenlandse onderdanen in het land te regelen, met inbegrip van een functionerend asielsysteem; verzoekt de EU haar buurland Libië hierbij technische en politieke bijstand te verlenen, met inbegrip van maatregelen ter verbetering van de huidige detentiecentra;

11.

verzoekt Libië een rechtsstatus voor arbeidsmigranten in Libië in te voeren en ze volledige bescherming te bieden inzake eerbiediging van hun mensenrechten, met inbegrip van arbeidsrechten, overeenkomstig de desbetreffende IAO-normen;

12.

dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan bij onderhandelingen met de nieuwe Libische autoriteiten over toekomstige samenwerkingsovereenkomsten en overeenkomsten inzake migratiebeheersing behoedzaam te werk te gaan en ervoor te zorgen dat dergelijke overeenkomsten doeltreffende toezichtmechanismen ter bescherming van de mensenrechten van migranten, vluchtelingen en asielzoekers omvatten;

13.

roept de buitenlandse, en met name de Europese bedrijven die in Libië actief zijn, op als leidraad in al hun activiteiten toe te zien op de volledige naleving van hun verantwoordelijkheid op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), met name ten aanzien van arbeidsmigranten;

14.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Libische regering en het GNC, de secretaris-generaal van de VN, de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0386.

(2)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0263.

(3)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0334.


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europees Parlement

Dinsdag 20 november 2012

16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/196


P7_TA(2012)0422

Wijziging van artikel 70 van het Reglement over interinstitutionele onderhandelingen bij wetgevingsprocedures

Besluit van het Europees Parlement van 20 november 2012 tot wijziging van artikel 70 van het Reglement van het Europees Parlement over interinstitutionele onderhandelingen bij wetgevingsprocedures (2011/2298(REG))

(2015/C 419/31)

Het Europees Parlement,

gezien de brief van zijn Voorzitter d.d. 18 april 2011,

gezien de artikelen 211 en 212 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A7-0281/2012),

1.

besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;

2.

wijst erop dat deze wijzigingen op de eerste dag van de eerstvolgende vergaderperiode in werking treden;

3.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Amendement 1

Reglement van het Europees Parlement

Artikel 70 — lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.   Onderhandelingen met andere instellingen om in de loop van een wetgevingsprocedure tot overeenstemming te komen worden gevoerd met inachtneming van de gedragscode voor onderhandelingen over dossiers volgens de gewone wetgevingsprocedure .

1.   Onderhandelingen met andere instellingen om in de loop van een wetgevingsprocedure tot overeenstemming te komen worden gevoerd met inachtneming van de door de Conferentie van voorzitters vastgestelde gedragscode.

Amendement 13

Reglement van het Parlement

Artikel 70 — lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.    Alvorens dergelijke onderhandelingen te beginnen, dient de bevoegde commissie in beginsel met de meerderheid van haar leden een besluit te nemen en een mandaat, richtsnoeren of prioriteiten vast te stellen .

2.   Dergelijke onderhandelingen worden pas begonnen nadat de bevoegde commissie van geval tot geval voor elke betrokken wetgevingsprocedure en met de meerderheid van haar leden een besluit tot opening van onderhandelingen heeft genomen . Bij dit besluit worden het mandaat en de samenstelling van het onderhandelingsteam vastgesteld. Dergelijke besluiten worden aan de Voorzitter meegedeeld, die de Conferentie van voorzitters regelmatig op de hoogte houdt.

Amendement 3

Reglement van het Europees Parlement

Artikel 70 — lid 2 — alinea 1 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Het mandaat bestaat uit een verslag dat door de commissie is goedgekeurd en vervolgens ter behandeling aan het Parlement wordt voorgelegd. Wanneer de bevoegde commissie gegronde redenen heeft om onderhandelingen te beginnen vóór goedkeuring van een verslag door de commissie, dan kan het mandaat uitzonderlijkerwijs uit een reeks amendementen of een reeks duidelijk omschreven doelstellingen, prioriteiten of richtsnoeren bestaan.

Amendement 4

Reglement van het Europees Parlement

Artikel 70 — lid 2 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

2 bis.     Het onderhandelingsteam wordt geleid door de rapporteur en voorgezeten door de voorzitter van de bevoegde commissie of een door die voorzitter aangewezen ondervoorzitter. Ook de schaduwrapporteurs van elke fractie maken er in elk geval deel van uit.

Amendement 5 en 18

Reglement van het Europees Parlement

Artikel 70 — lid 2 ter (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

2 ter.     Alle stukken die tijdens een bijeenkomst met de Raad en de Commissie („trialoog”) zullen worden besproken hebben de vorm van documenten waarin de respectieve standpunten van de betrokken instellingen alsook mogelijke compromisoplossingen worden aangegeven, en worden ten minste 48 uur, of in dringende gevallen ten minste 24 uur vóór de desbetreffende trialoog aan het onderhandelingsteam rondgedeeld .

 

Het onderhandelingsteam brengt na elke trialoog de bevoegde commissie in de eerstvolgende vergadering verslag uit. Alle stukken die het resultaat van de laatste trialoog weergeven, worden aan de commissie ter beschikking gesteld .

 

Is het niet mogelijk binnen een redelijke termijn een vergadering van de commissie te beleggen, dan brengt het onderhandelingsteam verslag uit aan de voorzitter, de schaduwrapporteurs en de coördinatoren van de commissie, voor zover van toepassing.

 

De bevoegde commissie kan het mandaat in het licht van de vorderingen bij de onderhandelingen bijstellen.

Amendement 6

Reglement van het Europees Parlement

Artikel 70 — lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.   Wordt in het kader van de onderhandelingen , na goedkeuring van het verslag door de commissie, een compromis met de Raad bereikt, dan wordt de commissie in elk geval vóór de stemming ter plenaire vergadering opnieuw geraadpleegd .

3.   Wordt in het kader van de onderhandelingen een compromis bereikt, dan wordt de bevoegde commissie onverwijld hiervan in kennis gesteld . De overeengekomen tekst wordt ter behandeling aan de bevoegde commissie voorgelegd. De overeengekomen tekst wordt na goedkeuring door een stemming in de commissie, in de juiste vorm, met inbegrip van compromisamendementen, ter behandeling aan het Parlement voorgelegd . Deze tekst kan de vorm hebben van een geconsolideerde tekst, op voorwaarde dat de amendementen op het in behandeling zijnde voorstel voor een wetgevingshandeling hierin duidelijk worden aangegeven.

Amendement 7

Reglement van het Europees Parlement

Artikel 70 — lid 3 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

3 bis.     Wordt de procedure met medeverantwoordelijke commissies of de procedure met gezamenlijke commissievergaderingen gevolgd, dan zijn de artikelen 50 en 51 van toepassing op het besluit tot opening van onderhandelingen en op het voeren van die onderhandelingen.

 

Bij een verschil van mening tussen de betrokken commissies worden de modaliteiten voor het openen van onderhandelingen en het voeren van deze onderhandelingen door de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters overeenkomstig de in genoemde artikelen uiteengezette beginselen bepaald.

Amendement 8

Reglement van het Europees Parlement

Artikel 70 bis (nieuw) — titel

Bestaande tekst

Amendement

 

Amendement 9

Reglement van het Europees Parlement

Artikel 70 bis (nieuw) — lid 1

Bestaande tekst

Amendement

 

1.     Het besluit van een commissie tot opening van onderhandelingen vóór de goedkeuring van een verslag door de commissie wordt in alle officiële talen vertaald, aan alle leden van het Parlement rondgedeeld en aan de Conferentie van voorzitters voorgelegd.

 

Op verzoek van een fractie kan de Conferentie van voorzitters besluiten het onderwerp voor behandeling met debat en stemming in te schrijven op de ontwerpagenda van de eerstvolgende vergaderperiode na ronddeling; in dat geval stelt de Voorzitter een termijn voor de indiening van amendementen vast .

 

Bij ontstentenis van een besluit van de Conferentie van voorzitters om het onderwerp op de ontwerpagenda van die vergaderperiode in te schrijven, wordt het besluit tot opening van onderhandelingen bij de opening van die vergaderperiode door de Voorzitter bekendgemaakt.

Amendement 16

Reglement van het Europees Parlement

Artikel 70 bis (nieuw) — lid 2

Bestaande tekst

Amendement

 

2.     Het onderwerp wordt ingeschreven op de ontwerpagenda van de eerstvolgende vergaderperiode na de bekendmaking, voor de behandeling met debat en stemming, en de Voorzitter stelt een termijn voor de indiening van amendementen vast indien een fractie of ten minste 40 leden hierom binnen 48 uur na de bekendmaking verzoeken.

 

Zo niet, wordt het besluit tot opening van onderhandelingen geacht te zijn goedgekeurd.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/200


P7_TA(2012)0423

Wijziging van artikel 181 (Volledig verslag) en artikel 182 (Audiovisueel verslag van de vergaderingen) van het Reglement

Besluit van het Europees Parlement van 20 november 2012 tot wijziging van artikel 181 (Volledig verslag) en artikel 182 (Audiovisueel verslag van de vergaderingen) van het Reglement van het Europees Parlement (2012/2080(REG))

(2015/C 419/32)

Het Europees Parlement,

gezien de brief van zijn Voorzitter d.d. 13 januari 2012,

gezien zijn resolutie van 26 oktober 2011 over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, zoals gewijzigd door de Raad — alle afdelingen en de nota's van wijzigingen nrs. 1/2012 en 2/2012 bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012 (1),

gezien de artikelen 211 en 212 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A7-0336/2012),

A.

overwegende dat besparingen bij vertaling en vertolking het beginsel van meertaligheid niet op losse schroeven mogen zetten, maar mogelijk zijn dankzij innovatie en nieuwe werkmethoden (2);

1.

besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;

2.

wijst erop dat deze wijzigingen op de eerste dag van de eerstvolgende vergaderperiode in werking treden;

3.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Amendement 1

Reglement van het Parlement

Artikel 181 — lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.   Van elke vergadering wordt een volledig verslag in alle officiële talen opgesteld.

1.   Van elke vergadering wordt een volledig verslag opgesteld in de vorm van een meertalig document waarin alle mondelinge bijdragen in de oorspronkelijke taal worden weergegeven .

Amendement 2

Reglement van het Parlement

Artikel 181 — lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.    De sprekers zijn verplicht correcties op de tekst van hun redevoeringen binnen een week aan het secretariaat toe te zenden .

2.    Binnen een termijn van vijf werkdagen kunnen sprekers correcties op de tekst van hun mondelinge bijdragen aanbrengen. Correcties dienen binnen die termijn aan het secretariaat te worden toegezonden .

Amendement 3

Reglement van het Parlement

Artikel 181 — lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.   Het volledig verslag wordt gepubliceerd als bijlage bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.   Het meertalig volledig verslag wordt gepubliceerd als bijlage bij het Publicatieblad van de Europese Unie en in het archief van het Parlement bewaard .

Amendement 4

Reglement van het Parlement

Artikel 181 — lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.    Leden kunnen verzoeken om vertaling op korte termijn van uittreksels uit het volledig verslag.

4.    Een uittreksel uit het volledig verslag wordt op verzoek van een lid in een officiële taal vertaald . Zo nodig wordt voor vertaling op korte termijn gezorgd .

Amendement 5

Reglement van het Parlement

Artikel 182 — alinea - 1 (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

De vergaderingen van het Parlement worden rechtstreeks in de oorspronkelijke taal, tezamen met de meertalige geluidsopnames van alle werkende tolkencabines, op zijn website uitgezonden.

Amendement 6

Reglement van het Parlement

Artikel 182 — alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Van elke vergadering wordt onmiddellijk na afloop een audiovisueel verslag gemaakt dat met de geluidsopnames van de tolkencabines op internet wordt gezet.

Van elke vergadering wordt onmiddellijk na afloop een geïndexeerd audiovisueel verslag gemaakt dat in de oorspronkelijke taal, tezamen met de meertalige geluidsopnames van alle werkende tolkencabines , op de website van het Parlement wordt gezet; het is toegankelijk gedurende de lopende en de daaropvolgende zittingsperiode, waarna het in het archief van het Parlement wordt bewaard . Het audiovisueel verslag wordt gekoppeld aan het meertalig volledig verslag van de vergaderingen, zodra dit beschikbaar is.


(1)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0461.

(2)  Zie bovengenoemde resolutie van 26 oktober 2011, paragraaf 77.


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES PARLEMENT

Dinsdag 20 november 2012

16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/203


P7_TA(2012)0412

De rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (COM(2010)0748 — C7-0433/2010 — 2010/0383(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure — herschikking)

(2015/C 419/33)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0748) en de door de Commissie uitgevoerde effectbeoordeling (SEC(2010)1547),

gezien artikel 294, lid 2, artikel 67, lid 4, onder a), c) en e), en artikel 81, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0433/2010),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Nederlandse Eerste kamer en de Nederlandse Tweede kamer, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 5 mei 2011 (1),

gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (2),

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 24 oktober 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de artikelen 87 en 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0320/2012),

A.

overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in het voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 218 van 23.7.2011, blz. 78.

(2)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


P7_TC1-COD(2010)0383

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikking)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1215/2012.)


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/204


P7_TA(2012)0413

Het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren van explosieven (COM(2010)0473 — C7-0279/2010 — 2010/0246(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2015/C 419/34)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0473),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0279/2010),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 januari 2011 (1),

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 11 juli 2012 en 17 oktober 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0269/2012),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 84 van 17.3.2011, blz. 25.


P7_TC1-COD(2010)0246

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 98/2013.)


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/205


P7_TA(2012)0414

Tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Europese Unie ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Europese Unie naar aanleiding van de toetreding van Kroatië (COM(2012)0377 — C7-0216/2012 — 2012/0224(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2015/C 419/35)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0377),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 336 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0216/2012),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Hof van Justitie van 12 november 2012 (1),

gezien het advies van de Rekenkamer van 23 oktober 2012 (2),

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 31 oktober 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0359/2012),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.

(2)  Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


P7_TC1-COD(2012)0224

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de instelling van tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Europese Unie naar aanleiding van de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1216/2012.)


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/206


P7_TA(2012)0415

Toetreding van de Unie tot het protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de ondergrond daarvan ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de toetreding van de Unie tot het protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de ondergrond daarvan (09671/2012 — C7-0144/2012 — 2011/0304(NLE))

(Goedkeuring)

(2015/C 419/36)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerpbesluit van de Raad (09671/2012),

gezien het protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de ondergrond daarvan, dat aan bovengenoemd ontwerpbesluit van de Raad is gehecht,

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 192, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0144/2012),

gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0319/2012),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het Protocol;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/207


P7_TA(2012)0416

De vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Regering van Denemarken en de Autonome Regering van Groenland, anderzijds ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de autonome regering van Groenland, anderzijds (11119/2012 — C7-0299/2012 — 2012/0130(NLE))

(Goedkeuring)

(2015/C 419/37)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerpbesluit van de Raad (11119/2012),

gezien het ontwerpprotocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Denemarken en de regering van Groenland (11116/2012),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0299/2012),

gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A7–0358/2012),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.

verzoekt de Commissie het Parlement te voorzien van de conclusies van de vergaderingen en de werkzaamheden van het gemengd comité zoals bedoeld in artikel 10 van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij; verlangt dat vertegenwoordigers van het Parlement als waarnemers de vergaderingen en werkzaamheden van het gemengd comité kunnen bijwonen; verzoekt de Commissie in het laatste jaar van de geldigheid van het protocol en voor de opening van de onderhandelingen voor de verlenging van de overeenkomst bij het Parlement en de Raad een verslag over de uitvoering ervan in te dienen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van Groenland.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/208


P7_TA(2012)0417

Passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de EU-burgers die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het ontwerp van richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 93/109/EG van 6 december 1993 inzake de wijze van uitoefening van het passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn (13634/2012 — C7-0293/2012 — 2006/0277(CNS))

(Bijzondere wetgevingsprocedure — hernieuwde raadpleging)

(2015/C 419/38)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van de Raad (13634/2012),

gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2006)0791),

gezien zijn standpunt van 26 september 2007 (1),

gezien artikel 22, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad opnieuw is geraadpleegd (C7-0293/2012),

gezien de artikel 55, artikel 59, lid 3, en artikel 46, lid 1, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A7-0352/2012),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 219 E van 28.8.2008, blz. 193.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/208


P7_TA(2012)0424

Goedkeuring van en markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (COM(2010)0542 — C7-0317/2010 — 2010/0271(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2015/C 419/39)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0542),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0317/2010),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 januari 2011 (1),

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 28 september 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0445/2011),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


(1)  PB C 84 van 17.3.2011, blz. 30.


P7_TC1-COD(2010)0271

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 168/2013.)


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/209


P7_TA(2012)0425

Goedkeuring van landbouw- of bosbouwvoertuigen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen (COM(2010)0395 — C7-0204/2010 — 2010/0212(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2015/C 419/40)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0395),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0204/2010),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 9 december 2010 (1),

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 28 september 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0446/2011),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 54 van 19.2.2011, blz. 42.


P7_TC1-COD(2010)0212

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 20 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 167/2013.)


Woensdag 21 november 2012

16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/211


P7_TA(2012)0432

Benoeming van een nieuwe commissaris

Besluit van het Europees Parlement van 21 november 2012 houdende goedkeuring van de benoeming van Tonio Borg als lid van de Commissie

(2015/C 419/41)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 246, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

gezien punt 6 van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie (1)

gezien het feit dat John Dalli op 16 oktober 2012 als lid van de Commissie is teruggetreden,

gezien de brief van de Raad van 25 oktober 2012 waarbij de Raad het Parlement heeft geraadpleegd over een besluit tot benoeming van Tonio Borg als lid van de Commissie, dat in onderlinge overeenstemming moet worden genomen met de voorzitter van de Commissie,

gezien de hoorzitting met Tonio Borg op 13 november 2012, die is geleid door de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid met de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, en de door de bedoelde commissies opgestelde evaluatieverklaring,

gezien artikel 106 van en bijlage XVII bij zijn Reglement,

1.

hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Tonio Borg als lid van de Commissie voor de verdere duur van de ambtstermijn van de Commissie, tot 31 oktober 2014;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.


(1)  PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/211


P7_TA(2012)0433

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2012: Solidariteitsfonds naar aanleiding van de aardbevingen in Emilia-Romagna (Italië) en wijziging van de begrotingslijn voor de voorbereidende actie voor het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk 2011

Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2012 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, afdeling III — Commissie (16398/2012 — C7-0383/2012 — 2012/2242(BUD))

(2015/C 419/42)

Het Europees Parlement,

gezien Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 314, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106bis,

gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (1) (hierna "het Financieel Reglement), en met name de artikelen 37 en 38 daarvan,

gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, definitief vastgesteld op 1 december 2011 (2),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (3),

gezien zijn resolutie van 12 juni 2012 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2012 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, afdeling III — Europese Commissie (4), en in het bijzonder paragraaf 2 van deze resolutie,

gezien de gezamenlijke verklaring over betalingskredieten die alle drie de instellingen in het kader van de begrotingsprocedure voor 2012 hebben goedgekeurd,

gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2012 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, ingediend door de Commissie op 19 september 2012 (COM(2012)0536),

gezien het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2012, vastgesteld door de Raad op 20 november 2012 (16398/2012 — C7-0383/2012),

gezien de artikelen 75 ter en 75 sexies van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0381/2012),

A.

overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2012 betrekking heeft op de beschikbaarstelling uit het Solidariteitsfonds van de EU (SFEU) van 67 0 1 92  359 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten in verband met de reeks aardbevingen in de Italiaanse regio Emilia-Romagna in mei 2012;

B.

overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2012 tot doel heeft deze budgettaire aanpassing formeel in de begroting 2012 op te nemen en begrotingslijn 16 05 03 01 (Voorbereidende actie — Europees Jaar van het vrijwilligerswerk 2011) te wijzigen door het streepje voor betalingen naar de lijn te vervangen door de vermelding „pro-memorie”(p.m.), zodat de laatste betalingen kunnen worden verricht;

C.

overwegende dat in het door de Commissie ingediende ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2012 werd voorgesteld om het niveau van de betalingskredieten gezien de algemene schaarste van de betalingskredieten voor 2012 te verhogen;

D.

overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 12 juni 2012 over het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2012, dat verband hield met een andere beschikbaarstelling van middelen uit het SFEU, aangaf ten zeerste te betreuren dat de andere tak van de begrotingsautoriteit voor wat het specifieke geval van de inschakeling van het SFEU betreft, acht weken had gewacht alvorens een standpunt vast te stellen, hierbij zijn eigen interpretatie volgend van protocol 1 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (inzake de uiterste datum voor het inlichten van de parlementen van de lidstaten);

1.

neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2012 zoals ingediend door de Commissie;

2.

acht het bijzonder belangrijk dat er via het SFEU snel financiële steun wordt vrijgemaakt voor door natuurrampen getroffen personen, en verheugt zich bijgevolg ten zeerste over de snelle indiening door de Italiaanse autoriteiten van hun aanvraag tot financiële steun uit het SFEU alsook over de onverwijlde voorlegging door de Commissie van een voorstel inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het SFEU;

3.

verzoekt alle betrokken partijen in de lidstaten, zowel op plaatselijk als op regionaal niveau, en de nationale autoriteiten om de behoeften nog beter te beoordelen en de coördinatie van mogelijke toekomstige aanvragen voor het SFEU nog te verbeteren, met als doel de beschikbaarstelling van middelen uit het SFEU zo snel mogelijk te laten plaatsvinden;

4.

vraagt de Raad nogmaals met aandrang om de inspanningen voor een snellere verstrekking van Uniebijstand niet te dwarsbomen met ongepast laattijdige besluiten over dergelijke gevoelige en dringende kwesties;

5.

herinnert eraan dat de enige reden waarom de begrotingsautoriteit voor de vorige beschikbaarstelling van middelen uit het SFEU (gewijzigde begroting nr. 2/2012 met betrekking tot de overstromingen van oktober 2011 in Ligurië en Toscane) geen nieuw geld heeft moeten vrijmaken, was dat er onverwachts een aantal herschikkingen ter hoogte van het gevraagde bedrag kon worden gedaan; benadrukt dat een dergelijke herschikking van middelen in dit geval wegens de huidige schaarste aan betalingskredieten, die al negatieve gevolgen heeft voor een aantal programma's, met name die programma's die de grondslag vormen voor het op 29 juni 2012 door de Europese Raad goedgekeurde Pact voor groei en banen, volledig uitgesloten is;

6.

hecht zonder wijzigingen zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2012;

7.

verzoekt zijn Voorzitter te verklaren dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2012 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

8.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


(1)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(2)  PB L 56 van 29.2.2012.

(3)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(4)  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0232.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/213


P7_TA(2012)0434

Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie– aardbevingen in Italië

Resolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, overeenkomstig punt 26 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (COM(2012)0538 — C7-0300/2012 — 2012/2237(BUD))

(2015/C 419/43)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0538 — C7-0300/2012),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (1), en met name punt 26 hiervan,

gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (2),

gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, aangenomen tijdens het overleg op 17 juli 2008 over het Solidariteitsfonds,

gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0380/2012),

1.

hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(2)  PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.


BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, overeenkomstig punt 26 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve rechtshandeling: Besluit 2013/108/EU.)


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/214


P7_TA(2012)0435

Tenuitvoerlegging van de overeenkomsten die door de EU zijn gesloten naar aanleiding van onderhandelingen uit hoofde van artikel XXVIII van de GATT 1994 ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten die door de EU zijn gesloten naar aanleiding van onderhandelingen uit hoofde van artikel XXVIII van de GATT 1994, en tot wijziging en aanvulling van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (COM(2012)0115 — C7-0079/2012 — 2012/0054(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2015/C 419/44)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0115),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0079/2012),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 19 november 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A7-0351/2012),

1.

stelt zijn standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


P7_TC1-COD(2012)0054

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en Brazilië uit hoofde van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) 1994 inzake de wijziging van concessies ten aanzien van verwerkt pluimveevlees die zijn opgenomen in de aan de GATT 1994 gehechte EU-lijst, en van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Thailand uit hoofde van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) 1994 inzake de wijziging van concessies ten aanzien van verwerkt pluimveevlees die zijn opgenomen in de aan de GATT 1994 gehechte EU-lijst, en tot wijziging en aanvulling van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1218/2012.)


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/215


P7_TA(2012)0436

Tariefcontingenten voor de uitvoer van hout uit Rusland naar de EU ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toekenning van tariefcontingenten voor de uitvoer van hout uit de Russische Federatie naar de Europese Unie (COM(2012)0449 — C7-0215/2012 — 2012/0217(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2015/C 419/45)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0449),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0215/2012),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 19 november 2012 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 en artikel 46, lid 1, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A7-0329/2012),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


P7_TC1-COD(2012)0217

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 21 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toekenning van tariefcontingenten voor de uitvoer van hout uit de Russische Federatie naar de Europese Unie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1217/2012.)


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/216


P7_TA(2012)0437

Wijziging van concessies ten aanzien van verwerkt pluimveevlees tussen de EU, Brazilië en Thailand ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 betreffende het ontwerpbesluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en Brazilië uit hoofde van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) 1994 inzake de wijziging van concessies ten aanzien van verwerkt pluimveevlees die zijn opgenomen in de aan de GATT 1994 gehechte EU-lijst, en van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en Thailand uit hoofde van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) 1994 inzake de wijziging van concessies ten aanzien van verwerkt pluimveevlees die zijn opgenomen in de aan de GATT 1994 gehechte EU-lijst (07883/2012 — C7-0171/2012 — 2012/0046(NLE))

(Goedkeuring)

(2015/C 419/46)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerpbesluit van de Raad (07883/2012),

gezien de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en Brazilië uit hoofde van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) 1994 inzake de wijziging van concessies ten aanzien van verwerkt pluimveevlees die zijn opgenomen in de aan de GATT 1994 gehechte EU-lijst (07884/2012),

gezien de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en Thailand uit hoofde van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) 1994 inzake de wijziging van concessies ten aanzien van verwerkt pluimveevlees die zijn opgenomen in de aan de GATT 1994 gehechte EU-lijst (07885/2012),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0171/2012),

gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A7-0350/2012),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomsten;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Federale Republiek Brazilië en het Koninkrijk Thailand.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/217


P7_TA(2012)0438

Wijziging van de bijlagen bij de Protocollen nrs. 1 en 2 van de Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de EG en Israël ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad inzake de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, tot wijziging van de bijlagen bij de Protocollen nrs. 1 en 2 van de Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds (07433/2012 — C7-0157/2012 — 2011/0457(NLE))

(Goedkeuring)

(2015/C 419/47)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerpbesluit van de Raad (07433/2012),

gezien de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, tot wijziging van de bijlagen bij de Protocollen nrs. 1 en 2 van de Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds (07470/2012),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0157/2012),

gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A7-0318/2012),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Staat Israël.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/217


P7_TA(2012)0439

Overeenkomst EU-Rusland over het beheer van tariefcontingenten voor de uitvoer van hout ***

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Russische Federatie met betrekking tot het beheer van tariefcontingenten voor de uitvoer van hout uit de Russische Federatie naar de Europese Unie, en van het Protocol tussen de Europese Unie en de regering van de Russische Federatie over technische regels uit hoofde van die overeenkomst (16775/1/2011 — C7-0515/2011 — 2011/0322(NLE))

(Goedkeuring)

(2015/C 419/48)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerpbesluit van de Raad (16775/1/2011),

gezien de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Russische Federatie met betrekking tot het beheer van tariefcontingenten voor de uitvoer van hout uit de Russische Federatie naar de Europese Unie (16776/2011),

gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0515/2011),

gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A7-0177/2012),

1.

hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst en het protocol;

2.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Russische Federatie.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/218


P7_TA(2012)0440

Migratie van het Schengeninformatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) — (met deelneming van het Verenigd Koninkrijk en Ierland) *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het ontwerp van verordening van de Raad over de migratie van het Schengeninformatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (herschikking) (11142/1/2012 — C7-0330/2012 — 2012/0033A(NLE))

(Raadpleging — herschikking)

(2015/C 419/49)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van de Raad (11142/1/2012),

gezien artikel 74 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0330/2012),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (1),

gezien de brief d.d. 12 oktober 2012 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 87, lid 3, van zijn Reglement,

gezien de artikelen 87, 55 en 46, lid 2, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0368/2012),

A.

overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en zoals hieronder gewijzigd;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in zijn ontwerp;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Amendement 1

Ontwerp van verordening

Overweging 6

Ontwerp van de Raad

Amendement

(6)

De ontwikkeling van SIS II moet worden voortgezet en voltooid in het kader van de algemene planning voor SIS II die de Raad op 6 juni 2008 heeft goedgekeurd en die vervolgens in oktober 2009 is gewijzigd op basis van de richtsnoeren van de Raad JBZ van 4 juni 2009. De huidige versie van de algemene planning voor SIS II is in oktober 2010 door de Commissie ingediend bij de Raad en het Europees Parlement.

(6)

De ontwikkeling van SIS II moet worden voortgezet en uiterlijk op 30 juni 2013 worden voltooid.

Amendement 2

Ontwerp van verordening

Overweging 16

Ontwerp van de Raad

Amendement

(16)

Om de lidstaten te steunen bij de keuze van de gunstigste technische en financiële oplossing, dient de Commissie onverwijld te beginnen met de aanpassing van deze verordening door een rechtskader voor de migratie voor te stellen dat beter aansluit bij de technische benadering van de migratie zoals die is uiteengezet in het migratieplan voor het SIS-project (hierna „het migratieplan” genoemd), dat de Commissie heeft aangenomen na een positieve stemming in het SIS/VIS-Comité op 23 februari 2011

Schrappen

Amendement 3

Ontwerp van verordening

Overweging 17

Ontwerp van de Raad

Amendement

(17)

Volgens het migratieplan zullen alle lidstaten binnen de overschakelingsperiode na elkaar met hun nationale toepassing overschakelen van SIS 1+ naar SIS II. Het is technisch wenselijk dat lidstaten die zijn overgeschakeld vanaf dat moment volledig gebruik kunnen maken van SIS II, en niet hoeven te wachten tot andere lidstaten ook zijn overgeschakeld. Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ moeten daarom worden toegepast vanaf het moment dat de eerste lidstaat met de overschakeling begint. Met het oog op rechtszekerheid dient de overschakelingsperiode zo kort mogelijk te zijn en mag zij niet langer dan 12 uur duren. De toepassing van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ betekent niet dat lidstaten die nog niet zijn overgeschakeld, of die om technische redenen van een fallbackmogelijkheid gebruik hebben moeten maken, tijdens de periode van intensieve monitoring geen gebruik zouden kunnen maken van SIS II met een functionaliteit die tot SIS 1+ wordt beperkt. Om in alle lidstaten dezelfde normen en voorwaarden te kunnen toepassen op signaleringen, gegevensverwerking en gegevensbescherming, moet het rechtskader voor SIS II worden toegepast op de operationele SIS-activiteiten van de lidstaten die nog niet zijn overgeschakeld.

(17)

Het is de bedoeling dat alle lidstaten binnen de overschakelingsperiode na elkaar met hun nationale toepassing overschakelen van SIS 1+ naar SIS II. Het is technisch wenselijk dat lidstaten die zijn overgeschakeld vanaf dat moment volledig gebruik kunnen maken van SIS II, en niet hoeven te wachten tot andere lidstaten ook zijn overgeschakeld. Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ moeten daarom worden toegepast vanaf het moment dat de eerste lidstaat met de overschakeling begint. Met het oog op rechtszekerheid dient de overschakelingsperiode zo kort mogelijk te zijn en mag zij niet langer dan 12 uur duren. De toepassing van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ betekent niet dat lidstaten die nog niet zijn overgeschakeld, of die om technische redenen van een fallbackmogelijkheid gebruik hebben moeten maken, tijdens de periode van intensieve monitoring geen gebruik zouden kunnen maken van SIS II met een functionaliteit die tot SIS 1+ wordt beperkt. Om in alle lidstaten dezelfde normen en voorwaarden te kunnen toepassen op signaleringen, gegevensverwerking en gegevensbescherming, moet het rechtskader voor SIS II worden toegepast op de operationele SIS-activiteiten van de lidstaten die nog niet zijn overgeschakeld.

Amendement 4

Ontwerp van verordening

Overweging 19

Ontwerp van de Raad

Amendement

(19)

In Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ wordt bepaald dat voor het centrale SIS II de beste voorhanden zijnde technologie wordt gebruikt, onder voorbehoud van een kosten-batenanalyse. In de bijlage bij de Raadsconclusies van 4—5 juni 2009 over de verder te volgen richting voor SIS II zijn mijlpalen opgenomen waaraan moet worden voldaan om het huidige SIS II-project te kunnen voortzetten. Tegelijkertijd is er een onderzoek uitgevoerd naar het opstellen van een alternatief technisch scenario voor het ontwikkelen van SIS II als verdere uitwerking van SIS 1+ (SIS 1+ RE) in het kader van een noodplan in het geval dat de tests uitwijzen dat niet aan de in de mijlpalen gestelde eisen wordt voldaan. Op basis van deze parameters kan de Raad besluiten dat de Commissie zal worden verzocht over te gaan naar het alternatieve technische scenario.

(19)

In Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ wordt bepaald dat voor het centrale SIS II de beste voorhanden zijnde technologie wordt gebruikt, onder voorbehoud van een kosten-batenanalyse. In de bijlage bij de Raadsconclusies van 4—5 juni 2009 over de verder te volgen richting voor SIS II zijn mijlpalen opgenomen waaraan moet worden voldaan om het huidige SIS II-project te kunnen voortzetten. Tegelijkertijd is er een onderzoek uitgevoerd naar het opstellen van een alternatief technisch scenario voor het ontwikkelen van SIS II als verdere uitwerking van SIS 1+ (SIS 1+ RE) in het kader van een noodplan in het geval dat de tests uitwijzen dat niet aan de in de mijlpalen gestelde eisen wordt voldaan. Op basis van deze parameters kan de Raad besluiten dat de Commissie zal worden verzocht over te gaan naar het alternatieve technische scenario. In dit geval dient de Commissie met een voorstel te komen om deze verordening te herzien.

Amendement 5

Ontwerp van verordening

Overweging 31

Ontwerp van de Raad

Amendement

(31)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is belast met het toezicht op en het verzekeren van de toepassing van Verordening (EG) nr. 45/2001 en is bevoegd toe te zien op de activiteiten van de instellingen en organen van de Unie die verband houden met de verwerking van persoonsgegevens. Deze verordening dient de specifieke bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ ten aanzien van de bescherming en beveiliging van persoonsgegevens onverlet te laten. nieuw

(31)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is belast met het toezicht op en het verzekeren van de toepassing van Verordening (EG) nr. 45/2001 en is bevoegd toe te zien op de activiteiten van de instellingen en organen van de Unie die verband houden met de verwerking van persoonsgegevens. Tot de inwerkingtreding van het rechtskader voor SIS II is de gemeenschappelijke controleautoriteit belast met het toezicht op de technische ondersteunende functie van het huidige SIS 1+. De nationale controleautoriteiten zijn belast met het toezicht op de verwerking van SIS 1+-gegevens op het grondgebied van de respectieve lidstaat en blijven belast met het toezicht op de rechtmatigheid van de verwerking van SIS II-persoonsgegevens op het grondgebied van de lidstaten. Deze verordening dient de specifieke bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ ten aanzien van de bescherming en beveiliging van persoonsgegevens onverlet te laten. nieuw Het rechtskader voor SIS II bepaalt dat de nationale controleautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming instaan voor het gecoördineerde toezicht op SIS II.

Amendement 6

Ontwerp van verordening

Overweging 43 bis (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

(43 bis)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis, waaraan Bulgarije en Roemenië deelnemen overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de Toetredingsakte van 2005 en overeenkomstig Besluit van de Raad 2010/365/EU van 29 juni 2010 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en Roemenië (2).

Amendement 7

Ontwerp van verordening

Artikel 7 — lid 6

Ontwerp van de Raad

Amendement

6.   De in de leden 1 tot en met 3 genoemde activiteiten worden gecoördineerd door de Commissie en door de aan SIS 1+ deelnemende lidstaten in het kader van de Raad.

6.   De in de leden 1 tot en met 3 genoemde activiteiten worden gecoördineerd door de Commissie en door de aan SIS 1+ deelnemende lidstaten in het kader van de Raad. Het Europees Parlement wordt regelmatig over deze activiteiten geïnformeerd.

Amendement 8

Ontwerp van verordening

Artikel 11 — lid - 1 (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

-1.     Voor de aanvang van de migratie controleren de lidstaten of alle persoonsgegevens die naar SIS II moeten worden overgezet, juist, actueel en rechtmatig zijn in overeenstemming met Besluit 2007/533/JBZ.

 

Gegevens die voor de aanvang van de migratie niet kunnen worden geverifieerd, moeten uiterlijk zes maanden na aanvang van de migratie worden geverifieerd.

Amendement 9

Ontwerp van verordening

Artikel 11 — lid 1

Ontwerp van de Raad

Amendement

1.   Voor de migratie van C.SIS naar het centrale SIS II stelt Frankrijk de databank van SIS 1+ beschikbaar; de Commissie voert de databank van SIS 1+ in het centrale SIS II in. De in de databank van SIS 1+ opgenomen gegevens bedoeld in artikel 113, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst worden niet in het centrale SIS II ingevoerd.

1.   Voor de migratie van C.SIS naar het centrale SIS II stelt Frankrijk de databank van SIS 1+ beschikbaar; de Commissie voert de databank van SIS 1+ in het centrale SIS II in. De in de databank van SIS 1+ opgenomen gegevens bedoeld in artikel 113, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst worden niet in het centrale SIS II ingevoerd. Die gegevens worden uiterlijk één maand na afloop van de periode van intensieve monitoring gewist.

Amendement 10

Ontwerp van verordening

Artikel 11 — lid 3 — alinea 1

Ontwerp van de Raad

Amendement

3.   De migratie van het nationale systeem van SIS 1+ naar SIS II begint met het laden van gegevens in N.SIS II, als dat N.SIS II een gegevensbestand (een „nationale kopie”) met een volledige of gedeeltelijke kopie van de SIS II-databank moet bevatten.

3.   De migratie van het nationale systeem van SIS 1+ naar SIS II begint met het laden van gegevens in N.SIS II, als dat N.SIS II een gegevensbestand (een „nationale kopie”) met een volledige of gedeeltelijke kopie van de SIS II-databank moet bevatten. De lidstaten zorgen ervoor dat alle persoonsgegevens die in N.SIS II worden ingevoerd juist, actueel en rechtmatig zijn, in overeenstemming met Besluit 2007/533/JBZ.

Amendement 11

Ontwerp van verordening

Artikel 11 — lid 4 bis (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

4 bis.     Op grond van de door de lidstaten en de ter zake verantwoordelijke toezichthoudende autoriteiten verstrekte informatie brengt de Commissie het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de voltooiing van de migratie, in het bijzonder over de overschakeling van de lidstaten op SIS II. In dit verslag moet de bevestiging worden gegeven dat de migratie, en met name de overschakeling, zowel op centraal als nationaal niveau volledig in overeenstemming met deze verordening zijn verlopen, en dat de verwerking van persoonsgegevens gedurende het gehele migratieproces is geschied overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 en Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. (3)

Amendement 12

Ontwerp van verordening

Artikel 11 — lid 4 ter (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

4 ter.     Een maand na afloop van de periode van intensieve monitoring moeten de SIS 1+-gegevensbank, alle gegevens in die gegevensbank, ongeacht hun drager of locatie, C.SIS, de N.SIS van de lidstaten en alle eventuele kopieën daarvan definitief worden gewist.

Amendement 13

Ontwerp van verordening

Artikel 11 bis (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

Arikel 11 bis

 

Migratie van de Sirene-bureaus

 

De migratie van de Sirene-bureaus naar het S-TESTA-netwerk verloopt parallel met de overschakeling zoals bedoeld in artikel 11, lid 3, en wordt onmiddellijk na de overschakeling voltooid.

Amendement 14

Ontwerp van verordening

Artikel 12 — alinea 2

Ontwerp van de Raad

Amendement

Wanneer de eerste lidstaat overschakelt van N.SIS naar N.SIS II, zoals bedoeld in artikel 11, lid 3, tweede alinea, wordt Besluit 2007/533/JBZ van toepassing.

Wanneer de eerste lidstaat succesvol overschakelt van N.SIS naar N.SIS II, zoals bedoeld in artikel 11, lid 3, tweede alinea, wordt Besluit 2007/533/JBZ van toepassing.

Amendement 15

Ontwerp van verordening

Artikel 15 — lid - 1 (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

-1.     Naast het registreren van automatische bevraging moeten de lidstaten en de Commissie ervoor zorgen dat tijdens de migratie overeenkomstig deze verordening de toepasselijke voorschriften inzake gegevensbescherming volledig worden nageleefd en dat de in artikel 3, onder f, en artikel 11 uiteengezette taken correct worden geregistreerd in het centrale SIS II. De registratie van die activiteiten moet met name de integriteit en de rechtmatigheid van de gegevens tijdens de migratie naar en overschakeling op SIS II verzekeren.

Amendement 16

Ontwerp van verordening

Artikel 15 — lid 4

Ontwerp van de Raad

Amendement

4.   De registers bevatten met name de datum en het tijdstip van de gegevenstransmissie, de voor bevraging gebruikte gegevens, de verwijzing naar de toegezonden gegevens, alsmede de naam van de bevoegde autoriteit die met de verwerking van de gegevens is belast.

4.   De registers bevatten met name de datum en het tijdstip van de gegevenstransmissie, de voor bevraging gebruikte gegevens, de verwijzing naar de toegezonden gegevens, alsmede de naam van de bevoegde autoriteit die met de verwerking van de gegevens is belast en de naam van de eindgebruiker .

Amendement 17

Ontwerp van verordening

Artikel 15 — lid 5

Ontwerp van de Raad

Amendement

5.   De registers mogen alleen voor de in lid 3 genoemde doeleinden worden gebruikt en worden ten vroegste één jaar en uiterlijk drie jaar na de aanleg ervan verwijderd.

Niet van toepassing op de Nederlandse versie

Amendement 18

Ontwerp van verordening

Artikel 15 — lid 7

Ontwerp van de Raad

Amendement

7.   De nationale autoriteiten die belast zijn met het nagaan of de bevraging rechtmatig is, het bewaken van de rechtmatigheid van de gegevensverwerking, de interne controle en de zorg voor de goede werking van het centrale SIS II en de integriteit en de beveiliging van de gegevens, hebben binnen de grenzen van hun bevoegdheid en op verzoek toegang tot deze registers om ervoor te zorgen dat zij hun taken kunnen vervullen.

7.   De bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 60, lid 1, en artikel 61, lid 1, van Besluit 2007/533/JBZ, die belast zijn met het nagaan of de bevraging rechtmatig is, het bewaken van de rechtmatigheid van de gegevensverwerking, de interne controle en de zorg voor de goede werking van het centrale SIS II en de integriteit en de beveiliging van de gegevens, hebben in overeenstemming met de bepalingen van Besluit 2007/533/JBZ binnen de grenzen van hun bevoegdheid en op verzoek toegang tot deze registers om ervoor te zorgen dat zij hun taken kunnen vervullen.

Amendement 19

Ontwerp van verordening

Artikel 15 — lid 7 bis (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

7 bis.     Alle gegevensbeschermingsautoriteiten die belast zijn met SIS 1+ of SIS II moeten nauw worden betrokken bij alle fases van de migratie van SIS 1+ naar SIS II.

Amendement 20

Ontwerp van verordening

Artikel 19

Ontwerp van de Raad

Amendement

De Commissie dient na afloop van iedere periode van zes maanden, en voor het eerst na het eerste halfjaar van 2009, bij het Europees Parlement en de Raad een voortgangsverslag in over de ontwikkeling van SIS II en de migratie van SIS 1+ naar SIS II.

De Commissie dient na afloop van iedere periode van zes maanden, en voor het eerst na het eerste halfjaar van 2009, bij het Europees Parlement en de Raad een voortgangsverslag in over de ontwikkeling van SIS II en de migratie van SIS 1+ naar SIS II. De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de resultaten van de tests als bedoeld in de artikelen 8, 9 en 10.

Amendement 21

Ontwerp van verordening

Artikel 21

Ontwerp van de Raad

Amendement

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij verstrijkt op het ogenblik van de voltooiing van de migratie als bedoeld in artikel 11, lid 3, derde alinea. Indien die datum niet kan worden gehaald door onopgeloste technische problemen in verband met het migratieproces, verstrijkt zij op de datum die door de Raad wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 71, lid 2, van Besluit 2007/533/JBZ.

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij verstrijkt op het ogenblik van de voltooiing van de migratie als bedoeld in artikel 11, lid 3, derde alinea. Indien die datum niet kan worden gehaald door onopgeloste technische problemen in verband met het migratieproces, verstrijkt zij op de datum die door de Raad wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 71, lid 2, van Besluit 2007/533/JBZ en in ieder geval uiterlijk op 30 juni 2013 .


(1)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

(2)   PB L 166 van 1.7.2010, blz. 17

(3)   PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/226


P7_TA(2012)0441

Migratie van het Schengeninformatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) — (zonder deelneming van het Verenigd Koninkrijk en Ierland) *

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 21 november 2012 over het ontwerp van verordening van de Raad over de migratie van het Schengen-informatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatie-systeem van de tweede generatie (SIS II) (herschikking) (11143/1/2012 — C7-0331/2012 — 2012/0033B(NLE))

(Raadpleging — herschikking)

(2015/C 419/50)

Het Europees Parlement,

gezien het ontwerp van de Raad (11143/1/2012),

gezien artikel 74 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0331/2012),

gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (1),

gezien de brief d.d. 12 oktober 2012 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 87, lid 3, van zijn Reglement,

gezien de artikelen 87, 55 en 46, lid 2, van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0370/2012),

A.

overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijziging;

1.

hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en zoals hieronder gewijzigd;

2.

verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.

wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in zijn ontwerp;

4.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Amendement 1

Ontwerp van verordening

Overweging 6

Ontwerp van de Raad

Amendement

(6)

De ontwikkeling van SIS II moet worden voortgezet en voltooid in het kader van de algemene planning voor SIS II die de Raad op 6 juni 2008 heeft goedgekeurd en die vervolgens in oktober 2009 is gewijzigd op basis van de richtsnoeren van de Raad JBZ van 4 juni 2009. De huidige versie van de algemene planning voor SIS II is in oktober 2010 door de Commissie ingediend bij de Raad en het Europees Parlement.

(6)

De ontwikkeling van SIS II moet worden voortgezet en uiterlijk op 30 juni 2013 worden voltooid.

Amendement 2

Ontwerp van verordening

Overweging 16

Ontwerp van de Raad

Amendement

(16)

Om de lidstaten te steunen bij de keuze van de gunstigste technische en financiële oplossing, dient de Commissie onverwijld te beginnen met de aanpassing van deze verordening door een rechtskader voor de migratie voor te stellen dat beter aansluit bij de technische benadering van de migratie zoals die is uiteengezet in het migratieplan voor het SIS-project (hierna „het migratieplan” genoemd), dat de Commissie heeft aangenomen na een positieve stemming in het SIS/VIS-Comité op 23 februari 2011.

Schrappen

Amendement 3

Ontwerp van verordening

Overweging 17

Ontwerp van de Raad

Amendement

(17)

Volgens het migratieplan zullen alle lidstaten binnen de overschakelingsperiode na elkaar met hun nationale toepassing overschakelen van SIS 1+ naar SIS II. Het is technisch wenselijk dat lidstaten die zijn overgeschakeld vanaf dat moment volledig gebruik kunnen maken van SIS II, en niet hoeven te wachten totdat andere lidstaten ook zijn overgeschakeld. Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ moeten daarom worden toegepast vanaf het moment dat de eerste lidstaat met de overschakeling begint. Met het oog op rechtszekerheid dient de overschakelingsperiode zo kort mogelijk te zijn en mag zij niet langer dan 12 uur duren. De toepassing van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ betekent niet dat lidstaten die nog niet zijn overgeschakeld, of die om technische redenen van een fallbackmogelijkheid gebruik hebben moeten maken, tijdens de periode van intensieve monitoring geen gebruik zouden kunnen maken van SIS II met een functionaliteit die tot SIS 1+ wordt beperkt. Om in alle lidstaten dezelfde normen en voorwaarden te kunnen toepassen op signaleringen, gegevensverwerking en gegevensbescherming, moet het rechtskader voor SIS II worden toegepast op de operationele SIS-activiteiten van de lidstaten die nog niet zijn overgeschakeld.

(17)

Het is de bedoeling dat alle lidstaten binnen de overschakelingsperiode na elkaar met hun nationale toepassing overschakelen van SIS 1+ naar SIS II. Het is technisch wenselijk dat lidstaten die zijn overgeschakeld vanaf dat moment volledig gebruik kunnen maken van SIS II, en niet hoeven te wachten totdat andere lidstaten ook zijn overgeschakeld. Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ moeten daarom worden toegepast vanaf het moment dat de eerste lidstaat met de overschakeling begint. Met het oog op rechtszekerheid dient de overschakelingsperiode zo kort mogelijk te zijn en mag zij niet langer dan 12 uur duren. De toepassing van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ betekent niet dat lidstaten die nog niet zijn overgeschakeld, of die om technische redenen van een fallbackmogelijkheid gebruik hebben moeten maken, tijdens de periode van intensieve monitoring geen gebruik zouden kunnen maken van SIS II met een functionaliteit die tot SIS 1+ wordt beperkt. Om in alle lidstaten dezelfde normen en voorwaarden te kunnen toepassen op signaleringen, gegevensverwerking en gegevensbescherming, moet het rechtskader voor SIS II worden toegepast op de operationele SIS-activiteiten van de lidstaten die nog niet zijn overgeschakeld.

Amendement 4

Ontwerp van verordening

Overweging 19

Ontwerp van de Raad

Amendement

(19)

In Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ wordt bepaald dat voor het centrale SIS II de beste voorhanden zijnde technologie wordt gebruikt, onder voorbehoud van een kosten-batenanalyse. In de bijlage bij de Raadsconclusies van 4—5 juni 2009 over de verder te volgen richting voor SIS II zijn mijlpalen opgenomen waaraan moet worden voldaan om het huidige SIS II-project te kunnen voortzetten. Tegelijkertijd is er een onderzoek uitgevoerd naar het opstellen van een alternatief technisch scenario voor het ontwikkelen van SIS II als verdere uitwerking van SIS 1+ (SIS 1+ RE) in het kader van een noodplan in het geval dat de tests uitwijzen dat niet aan de in de mijlpalen gestelde eisen wordt voldaan. Op basis van deze parameters kan de Raad besluiten dat de Commissie zal worden verzocht over te gaan naar het alternatieve technische scenario.

(19)

In Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ wordt bepaald dat voor het centrale SIS II de beste voorhanden zijnde technologie wordt gebruikt, onder voorbehoud van een kosten-batenanalyse. In de bijlage bij de Raadsconclusies van 4—5 juni 2009 over de verder te volgen richting voor SIS II zijn mijlpalen opgenomen waaraan moet worden voldaan om het huidige SIS II-project te kunnen voortzetten. Tegelijkertijd is er een onderzoek uitgevoerd naar het opstellen van een alternatief technisch scenario voor het ontwikkelen van SIS II als verdere uitwerking van SIS 1+ (SIS 1+ RE) in het kader van een noodplan in het geval dat de tests uitwijzen dat niet aan de in de mijlpalen gestelde eisen wordt voldaan. Op basis van deze parameters kan de Raad besluiten dat de Commissie zal worden verzocht over te gaan naar het alternatieve technische scenario. In dit geval dient de Commissie met een voorstel te komen om deze verordening te herzien.

Amendement 5

Ontwerp van verordening

Overweging 31

Ontwerp van de Raad

Amendement

(31)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is belast met het toezicht op en het verzekeren van de toepassing van Verordening (EG) nr. 45/2001 en is bevoegd toe te zien op de activiteiten van de instellingen en organen van de Unie die verband houden met de verwerking van persoonsgegevens. Deze verordening dient de specifieke bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ ten aanzien van de bescherming en beveiliging van persoonsgegevens onverlet te laten.

(31)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is belast met het toezicht op en het verzekeren van de toepassing van Verordening (EG) nr. 45/2001 en is bevoegd toe te zien op de activiteiten van de instellingen en organen van de Unie die verband houden met de verwerking van persoonsgegevens. Tot de inwerkingtreding van het rechtskader voor SIS II is de gemeenschappelijke controleautoriteit belast met het toezicht op de technische ondersteunende functie van het huidige SIS 1+. De nationale controleautoriteiten zijn belast met het toezicht op de verwerking van SIS 1+-gegevens op het grondgebied van de respectieve lidstaten en blijven belast met het toezicht op de rechtmatigheid van de verwerking van SIS II-persoonsgegevens op het grondgebied van de lidstaten. Deze verordening dient de specifieke bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ ten aanzien van de bescherming en beveiliging van persoonsgegevens onverlet te laten. Het rechtskader voor SIS II bepaalt dat de nationale controleautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming instaan voor het gecoördineerde toezicht op SIS II.

Amendement 6

Ontwerp van verordening

Overweging 43 bis (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

(43 bis)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis, waaraan Bulgarije en Roemenië deelnemen overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de Toetredingsakte van 2005 en overeenkomstig Besluit van de Raad 2010/365/EU van 29 juni 2010 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en Roemenië  (2) .

Amendement 7

Ontwerp van verordening

Artikel 7 — lid 6

Ontwerp van de Raad

Amendement

6.   De in de leden 1 tot en met 3 genoemde activiteiten worden gecoördineerd door de Commissie en door de aan SIS 1+ deelnemende lidstaten in het kader van de Raad.

6.   De in de leden 1 tot en met 3 genoemde activiteiten worden gecoördineerd door de Commissie en door de aan SIS 1+ deelnemende lidstaten in het kader van de Raad. Het Europees Parlement wordt regelmatig over deze activiteiten geïnformeerd.

Amendement 8

Ontwerp van verordening

Artikel 11 — lid - 1 (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

-1.     Voor de aanvang van de migratie controleren de lidstaten of alle persoonsgegevens die naar SIS II moeten worden overgezet, juist, actueel en rechtmatig zijn in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1987/2006.

 

Gegevens die voor de aanvang van de migratie niet kunnen worden geverifieerd, moeten uiterlijk zes maanden na aanvang van de migratie worden geverifieerd.

Amendement 9

Ontwerp van verordening

Artikel 11 — lid 1

Ontwerp van de Raad

Amendement

1.   Voor de migratie van C.SIS naar het centrale SIS II stelt Frankrijk de databank van SIS 1+ beschikbaar; de Commissie voert de databank van SIS 1+ in het centrale SIS II in. De in de databank van SIS 1+ opgenomen gegevens bedoeld in artikel 113, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst worden niet in het centrale SIS II ingevoerd.

1.   Voor de migratie van C.SIS naar het centrale SIS II stelt Frankrijk de databank van SIS 1+ beschikbaar; de Commissie voert de databank van SIS 1+ in het centrale SIS II in. De in de databank van SIS 1+ opgenomen gegevens bedoeld in artikel 113, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst worden niet in het centrale SIS II ingevoerd. Die gegevens worden uiterlijk één maand na afloop van de periode van intensieve monitoring gewist.

Amendement 10

Ontwerp van verordening

Artikel 11 — lid 3 — alinea 1

Ontwerp van de Raad

Amendement

3.   De migratie van het nationale systeem van SIS 1+ naar SIS II begint met het laden van gegevens in N.SIS II, als dat N.SIS II een gegevensbestand (een „nationale kopie”) met een volledige of gedeeltelijke kopie van de SIS II-databank moet bevatten.

3.   De migratie van het nationale systeem van SIS 1+ naar SIS II begint met het laden van gegevens in N.SIS II, als dat N.SIS II een gegevensbestand (een „nationale kopie”) met een volledige of gedeeltelijke kopie van de SIS II-databank moet bevatten. De lidstaten zorgen ervoor dat alle persoonsgegevens die in N.SIS II worden ingevoerd juist, actueel en rechtmatig zijn, in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1987/2006.

Amendement 11

Ontwerp van verordening

Artikel 11 — lid 4 bis (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

4 bis.     Op grond van de door de lidstaten en de ter zake verantwoordelijke toezichthoudende autoriteiten verstrekte informatie brengt de Commissie het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de voltooiing van de migratie, in het bijzonder over de overschakeling van de lidstaten op SIS II. In dit verslag moet de bevestiging worden gegeven dat de migratie, en met name de overschakeling, zowel op centraal als nationaal niveau volledig in overeenstemming met deze verordening zijn verlopen, en dat de verwerking van persoonsgegevens gedurende het gehele migratieproces is geschied overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 en Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens  (3) .

Amendement 12

Ontwerp van verordening

Artikel 11 — lid 4 ter (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

4 ter.     Een maand na afloop van de periode van intensieve monitoring moeten de SIS 1+-gegevensbank, alle gegevens in die gegevensbank, ongeacht hun drager of locatie, C.SIS, de N.SIS van de lidstaten en alle eventuele kopieën daarvan definitief worden gewist.

Amendement 13

Ontwerp van verordening

Artikel 11 bis (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

Artikel 11 bis

 

Migratie van de Sirene-bureaus

 

De migratie van de Sirene-bureaus naar het S-TESTA-netwerk verloopt parallel met de overschakeling zoals bedoeld in artikel 11, lid 3, en wordt onmiddellijk na de overschakeling voltooid.

Amendement 14

Ontwerp van verordening

Artikel 12 — lid 2

Ontwerp van de Raad

Amendement

Wanneer de eerste lidstaat overschakelt van N.SIS naar N.SIS II, zoals bedoeld in artikel 11, lid 3, tweede alinea, wordt Verordening (EG) 1987/2006 van toepassing.

Wanneer de eerste lidstaat succesvol overschakelt van N.SIS naar N.SIS II, zoals bedoeld in artikel 11, lid 3, tweede alinea, wordt Verordening (EG) 1987/2006 van toepassing.

Amendement 15

Ontwerp van verordening

Artikel 15 — lid - 1 (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

-1.     Naast het registreren van automatische bevraging moeten de lidstaten en de Commissie ervoor zorgen dat tijdens de migratie overeenkomstig deze verordening de toepasselijke voorschriften inzake gegevensbescherming volledig worden nageleefd en dat de in artikel 3, onder f, en artikel 11 uiteengezette taken correct worden geregistreerd in het centrale SIS II. De registratie van die activiteiten moet met name de integriteit en de rechtmatigheid van de gegevens tijdens de migratie naar en overschakeling op SIS II verzekeren.

Amendement 16

Ontwerp van verordening

Artikel 15 — lid 4

Ontwerp van de Raad

Amendement

4.   De registers bevatten met name de datum en het tijdstip van de gegevenstransmissie, de voor bevraging gebruikte gegevens, de verwijzing naar de toegezonden gegevens, alsmede de naam van de bevoegde autoriteit die met de verwerking van de gegevens is belast.

4.   De registers bevatten met name de datum en het tijdstip van de gegevenstransmissie, de voor bevraging gebruikte gegevens, de verwijzing naar de toegezonden gegevens, alsmede de naam van de bevoegde autoriteit die met de verwerking van de gegevens is belast en de naam van de eindgebruiker .

Amendement 17

Ontwerp van verordening

Artikel 15 — lid 5

Ontwerp van de Raad

Amendement

5.   De registers mogen alleen voor de in lid 3 genoemde doeleinden worden gebruikt en worden ten vroegste één jaar en uiterlijk drie jaar na de aanleg ervan verwijderd.

Niet van toepassing op de Nederlandse versie

Amendement 18

Ontwerp van verordening

Artikel 15 — lid 7

Ontwerp van de Raad

Amendement

7.   De nationale autoriteiten die belast zijn met het nagaan of de bevraging rechtmatig is, het bewaken van de rechtmatigheid van de gegevensverwerking, de interne controle en de zorg voor de goede werking van het centrale SIS II en de integriteit en de beveiliging van de gegevens, hebben binnen de grenzen van hun bevoegdheid en op verzoek toegang tot deze registers om ervoor te zorgen dat zij hun taken kunnen vervullen.

7.   De bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 44, lid 1, en artikel 45, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1987/2006 die belast zijn met het nagaan of de bevraging rechtmatig is, het bewaken van de rechtmatigheid van de gegevensverwerking, de interne controle en de zorg voor de goede werking van het centrale SIS II en de integriteit en de beveiliging van de gegevens, hebben in overeenstemming met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1987/2006 binnen de grenzen van hun bevoegdheid en op verzoek toegang tot deze registers om ervoor te zorgen dat zij hun taken kunnen vervullen.

Amendement 19

Ontwerp van verordening

Artikel 15 — lid 7 bis (nieuw)

Ontwerp van de Raad

Amendement

 

7 bis.     Alle gegevensbeschermingsautoriteiten die belast zijn met SIS 1+ of SIS II moeten nauw worden betrokken bij alle fases van de migratie van SIS 1+ naar SIS II.

Amendement 20

Ontwerp van verordening

Artikel 19

Ontwerp van de Raad

Amendement

De Commissie dient na afloop van iedere periode van zes maanden, en voor het eerst na het eerste halfjaar van 2009, bij het Europees Parlement en de Raad een voortgangsverslag in over de ontwikkeling van SIS II en de migratie van SIS 1+ naar SIS II.

De Commissie dient na afloop van iedere periode van zes maanden, en voor het eerst na het eerste halfjaar van 2009, bij het Europees Parlement en de Raad een voortgangsverslag in over de ontwikkeling van SIS II en de migratie van SIS 1+ naar SIS II. De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de resultaten van de tests als bedoeld in de artikelen 8, 9 en 10.

Amendement 21

Ontwerp van verordening

Artikel 21

Ontwerp van de Raad

Amendement

Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij verstrijkt op het ogenblik van de voltooiing van de migratie als bedoeld in artikel 11, lid 3, derde alinea. Indien die datum niet kan worden gehaald door onopgeloste technische problemen in verband met het migratieproces, verstrijkt zij op de datum die door de Raad wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 55, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1987/2006.

Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij verstrijkt op het ogenblik van de voltooiing van de migratie als bedoeld in artikel 11, lid 3, derde alinea. Indien die datum niet kan worden gehaald door onopgeloste technische problemen in verband met het migratieproces, verstrijkt zij op de datum die door de Raad wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 55, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en in ieder geval uiterlijk op 30 juni 2013 .


(1)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

(2)   PB L 166 van 1.7.2010, blz. 17.

(3)   PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.


Donderdag 22 november 2012

16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/235


P7_TA(2012)0446

Baltisch zalmbestand en de visserijtakken die dat bestand exploiteren ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor het Baltische zalmbestand en de visserijtakken die dat bestand exploiteren (COM(2011)0470 — C7-0220/2011 — 2011/0206(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2015/C 419/51)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0470),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0220/2011),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 januari 2012 (1),

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0239/2012),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


(1)  PB C 68 van 6.3.2012, blz. 47.


P7_TC1-COD(2011)0206

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 22 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor het Baltische zalmbestand en de visserijtakken die dat bestand exploiteren

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het zalmactieplan, dat in 1997 door de Internationale Visserijcommissie voor de Oostzee is vastgesteld, is in 2010 verstreken. Overeenkomstsluitende partijen bij de commissie ter bescherming van het mariene milieu van het Oostzeegebied (HELCOM) hebben de Unie opgeroepen een langetermijnplan voor het beheer van de Baltische zalm te ontwikkelen.

(2)

Uit recent wetenschappelijk advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) komt naar voren dat sommige rivierbestanden Baltische zalm zich buiten biologisch veilige grenzen bevinden en dat een meerjarenplan op Europees niveau moet worden ontwikkeld.

(3)

Overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is de Europese Unie exclusief bevoegd voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kder van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Aangezien zalm een anadrome soort is, kan de instandhouding van de mariene bestanden Baltische zalm niet worden bereikt zonder dat maatregelen zijn genomen om die bestanden tijdens hun in de rivieren levenscyclus te beschermen. Daarom is de Unie ook exclusief bevoegd voor dergelijke maatregelen, zodat de instandhouding van mariene soorten gedurende hun hele migratiecyclus wordt gegarandeerd, en moeten deze maatregelen in het meerjarenplan worden opgenomen.

(4)

In Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (3) is de zalm opgenomen als soort van uniaal belang en op grond van die richtlijn genomen maatregelen moeten zo zijn ontworpen dat de exploitatie daarvan verenigbaar is met een gunstige staat van instandhouding. Er moet derhalve voor worden gezorgd dat in het kader van de onderhavige verordening genomen maatregelen om de zalm te beschermen samenhangen met die welke in het kader van de genoemde richtlijn zijn genomen en onderling gecoördineerd worden. Een verbod op visserij met drijvende beug is eveneens een goede aanpak om de zalmbestanden te bevorderen, aangezien de teruggooi van ondermaatse zalm zo wordt beperkt. [Am. 1]

(5)

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (4) is bedoeld om het aquatische milieu waar de zalm een deel van zijn levenscyclus doorbrengt, te beschermen, in stand te houden en te verbeteren. Het meerjarenplan voor het Baltische zalmbestand moet bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG. Maatregelen die in het kader van laatstgenoemde richtlijn reeds zijn gevraagd, zoals stroomgebiedbeheersplannen, moeten in de onderhavige verordening niet worden herhaald. Er moet echter wel voor worden gezorgd dat de maatregelen ter bescherming en verbetering van de zalmhabitats in de binnenwateren die zijn genomen in het kader van de onderhavige verordening en die welke zijn genomen in het kader van genoemde richtlijn, met elkaar samenhangen en gecoördineerd worden.

(6)

In het uitvoeringsplan dat tijdens de Wereldtop over duurzame ontwikkeling in Johannesburg in 2002 is overeengekomen, is bepaald dat alle commerciële bestanden hersteld moeten worden tot een dusdanig niveau dat zij tegen 2015 een maximale duurzame opbrengst kunnen opleveren. Dit is sinds 1994 een wettelijke vereiste krachtens het Verdrag van de VN inzake het recht van de zee. ICES HELCOM is van mening dat dit niveau voor de rivierbestanden Baltische zalm overeenkomt met een productie van smolt (jonge zalm die voor het eerst naar zee trekt) van tussen de 60 % en 75 % 80 % van de potentiële productiecapaciteit van smolt van de verschillende wildezalmrivieren. Dat wetenschappelijk advies moet de basis vormen voor de vaststelling van doelstellingen en streefcijfers in het meerjarenplan. [Am. 2]

(6 bis)

De productie van smolt geeft een ruwe indicatie van de gezondheid van het zalmbestand in een bepaalde rivier. Er moet echter aan een reeks voorwaarden zijn voldaan om de smoltproductie als een indicator te kunnen gebruiken. Bovendien wordt het niveau van de smoltproductie beïnvloed door een aantal factoren die maken dat de precieze correlatie tussen de smoltproductie en de gezondheid van het zalmbestand moeilijk te bepalen is. Daarom moet er een betrouwbare tweede indicator voor de gezondheid van het zalmbestand worden gehanteerd, met name het aantal naar de rivieren terugkerende vrouwelijke zalmexemplaren. [Am. 3]

(7)

Er is wetenschappelijk advies dat erop wijst dat de genetische vervuiling van de Baltische zalmbestanden kan leiden tot een vermindering van het overlevingspercentage en de omvang van de inheemse populaties, en tot de teloorgang van de genetische bestandheid tegen ziekten en veranderende plaatselijke milieuomstandigheden. Daarom speelt het bewaren van de genetische integriteit en diversiteit van de Baltische zalmbestanden een cruciale rol bij de instandhouding van die bestanden en moet deze als doelstelling worden opgenomen in het meerjarenplan.

(8)

Toepassing van de visserijsterftecoëfficiënt op zee- en rivierenbestanden moet leiden tot een bestandsomvang wilde zalm die de maximale duurzame opbrengst produceert in overeenstemming met de vastgestelde streefcijfers en termijnen. De visserijsterftecoëfficiënt voor zeebestanden moet worden vastgesteld op basis van advies door het WTECV.

(9)

Voor een effectieve uitvoering van het plan en om een doelgerichter antwoord op de specifieke problemen van ieder rivierbestand zalm te kunnen krijgen, moeten de betrokken lidstaten de bevoegdheid krijgen de mate van zalmvisserijsterfte, de totaal toegestane vangst en bepaalde technische instandhoudingsmaatregelen in hun rivieren vast te stellen overeenkomstig artikel 2, lid 1, VWEU.

(10)

Wanneer in het kader van de onderhavige verordening maatregelen worden vastgesteld, moeten de lidstaten daarbij hun internationale verplichtingen volledig naleven, met name die welke voortvloeien uit artikel 66 van het verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 (5), op grond waarvan de staat van oorsprong van anadrome bestanden en andere betrokken staten moeten samenwerken met het oog op de instandhouding en het beheer van deze bestanden.

(11)

Er moeten voorzieningen worden getroffen om de Commissie in staat te stellen op basis van de in het meerjarenplan vastgestelde streefcijfers en doelstellingen de adequaatheid en de doeltreffendheid van de maatregelen van de lidstaten periodiek te beoordelen.

(12)

Volgens wetenschappelijk advies kan het onverantwoord aangroeigericht uitzetten van zalmen aanmerkelijke gevolgen hebben voor de genetische diversiteit van de Baltische zalmbestanden en Voorts bestaat er een risico dat het grote aantal gekweekte vissen dat elk jaar in de Oostzee wordt vrijgelaten, de genetische integriteit van de wilde zalm beïnvloedt, en zou het uitzetten moeten worden uitgefaseerd. Daarom moeten wildezalmbestanden kan beïnvloeden . Het is dan ook noodzakelijk dat het aangroeigericht uitzetten beter wordt gecontroleerd. Bovendien moeten de voorwaarden voor het vrijlaten van zalm selecteren van genetisch materiaal voor het kweken van voor uitzet bestemde zalm, alsook de voorwaarden voor het uitzetproces in dit meerjarenplan worden vastgesteld , om te garanderen dat het uitzetten geen negatieve gevolgen heeft voor de genetische diversiteit . [Am. 4]

(13)

Het heraangroeigericht uitzetten van zalm in potentiële zalmrivieren wordt onder specifieke voorwaarden als instandhoudingsmaatregel beschouwd; aangezien dit kan leiden tot de reïntroductie van zichzelf in stand houdende zalmpopulaties, heeft het een positief effect op het totale aantal zalmen en op de visserij. Er moeten maatregelen worden getroffen om heraangroeigerichte uitzet die aan deze voorwaarden voldoet, toe te staan en in aanmerking te laten komen voor financiering overeenkomstig artikel 38, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (6).

(14)

Aangezien het vrijlaten van zalm op dit moment in bepaalde lidstaten echter verplicht kan zijn, en om de lidstaten de tijd te geven zich aan deze eisen aan te passen, Na een periode van tien jaar moeten andere vormen van vrijlaten van zalm dan aangroeigerichte uitzet en heraangroeigerichte uitzet gedurende een overgangsperiode van zeven jaar na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening worden toegestaan. niet langer worden toegestaan wanneer de productie van wilde smolt in een bepaalde rivier op dat moment 80 % bedraagt van de potentiële productiecapaciteit van smolt in die rivier . Indien dat streefcijfer niet gehaald wordt, blijft het vrijlaten van zalm in andere vormen dan aangroeigerichte uitzet en heraangroeigerichte uitzet nog toegelaten tot en met tien jaar nadat de betrokken lidstaat de oorzaken van het niet-halen van het streefcijfer heeft onderzocht en weggenomen. Op dit moment kan het vrijlaten van zalm in bepaalde lidstaten verplicht zijn, en dus moeten de lidstaten de tijd krijgen om zich aan de nieuwe eisen aan te passen. [Am. 5]

(15)

Met het oog op de naleving van de in deze verordening vastgestelde maatregelen moeten specifieke controlebepalingen worden vastgesteld in aanvulling op die van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (7).

(15 bis)

Om tot duurzame visserij te komen, moeten het vertrouwen tussen de belanghebbenden en de methoden die zij hanteren om met elkaar te communiceren worden verbeterd. [Am. 6]

(16)

Een aanzienlijk aantal van de kustvaartuigen die op zalm vissen is minder dan 10 m lang. Om die reden moet het gebruik van een visserijlogboek zoals vereist op grond van artikel 14 en de verplichting tot voorafgaande kennisgeving zoals vereist op grond van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009, voor alle commerciële vissersvaartuigen en dienstvaartuigen gaan gelden. [Am. 7]

(17)

Om ervoor te zorgen dat de zalmvangst niet verkeerd wordt aangegeven als zeeforel en dus aan echte controle ontsnapt, moet de verplichting om voorafgaande kennisgevingen overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 in te dienen ook gaan gelden voor alle vaartuigen die zeeforel aan boord hebben.

(17 bis)

De lidstaten moeten zich inspannen voor de versterking van hun regelingen op het gebied van controle van en voorafgaande kennisgeving door recreatievaartuigen die met hengels en ander vistuig vissen, ten einde deze systemen eenvoudiger en doeltreffender te maken en duurzame visserij te bevorderen. [Am. 8]

(17 ter)

In afwijking van artikel 14 en bijlage IV van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont  (8) moet er een minimummaat bij aanlanding van zeeforel (Salmo trutta) en zalm (Salmo salars) worden vastgesteld in de ICES-deelsectoren 22-32. [Am. 9]

(18)

Om betere en meer wetenschappelijke gegevens over het zalmbestand te verkrijgen moet de elektrovisserij worden toegestaan.

(19)

In recent wetenschappelijk advies wordt erop gewezen dat de recreatiezalmvisserij op zee een aanzienlijk effect heeft op de zalmbestanden, hoewel hierover geen zeer precieze gegevens voorhanden zijn. Met name recreatievisserij vanaf vaartuigen die worden uitgebaat door ondernemingen die hun diensten met winstoogmerk aanbieden zou een belangrijk aandeel in de vangsten van Baltische zalm kunnen hebben. Om ervoor te zorgen dat het meerjarenplan goed functionnert is het daarom passend om bepaalde specifieke beheersmaatregelen te introduceren om dergelijke activiteiten recreatievisserijactiviteiten te beheersen. [Am. 10]

(19 bis)

Teneinde de rapportage te vereenvoudigen, moet de oprichting van online rapportagesystemen in of tussen de lidstaten worden aangemoedigd en ondersteund. De informatie over de gemelde vangsten moet openbaar zijn. De specifieke visgrond van de vangst mag evenwel niet worden bekendgemaakt, want dit zou vissers ertoe kunnen aanzetten zich op bepaalde visgronden te concentreren. [Am. 11]

(20)

Om de in de onderhavige verordening vastgestelde streefcijfers op een efficiënte manier te bereiken en om snel op veranderingen in de toestand van de bestanden te kunnen reageren, moet de bevoegdheid om wetgevingshandelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden overgedragen wat bepaalde niet-essentiële onderdelen van de onderhavige verordening betreft, zoals bepaald in de artikelen 6, 7, 11 en 25 daarvan. Die bevoegdheden moeten de mogelijkheid omvatten om de visserijsterftecoëfficiënt voor de mariene bestanden te wijzigen, om de lijst van wildezalmrivieren en bepaalde technische informatie in de bijlagen bij de onderhavige verordening te wijzigen en om maatregelen goed te keuren voor Baltische rivierbestanden, wanneer de lidstaten geen maatregelen hebben genomen op grond van de in overweging 9 genoemde bevoegdheid of wanneer die maatregelen als ondoeltreffend worden beschouwd.

(20 bis)

De Commissie moet ervoor zorgen dat de lidstaten de nodige administratieve of strafrechtelijke stappen ondernemen om het probleem van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij tegen te gaan. [Am. 12]

(21)

Bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen dient de Commissie erop toe te zien dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op passende wijze bij het Europees Parlement en de Raad worden ingediend.

(22)

Om voor gelijkvormige voorwaarden voor de uitvoering van de in artikel 12 van de onderhavige verordening vastgestelde bepalingen inzake het aangroeigericht uitzetten van zalm te zorgen, moeten de uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (9),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening wordt een langetermijnplan voor de instandhouding en het beheer van het Baltische zalmbestand vastgesteld („het plan”).

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Het plan is van toepassing op:

a)

de commerciële visserij en de recreatievisserij in de Oostzee en op met de Oostzee in verbinding staande rivieren op het grondgebied van lidstaten („de betrokken lidstaten”);. [Am. 13]

b)

recreatievisserij op zalm in de Oostzee, wanneer die visserij door dienstvaartuigen plaatsvindt. [Am. 14]

Artikel 3

Definities

1.   Voor de uitvoering van de onderhavige verordening zijn de definities van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (10), artikel 2 van Richtlijn 2000/60/EG en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van toepassing.

2.   Voorts wordt verstaan onder:

a)

„de Oostzee”: ICES-deelsectoren 22-32;

b)

„Baltische rivieren”: de met de Oostzee in verbinding staande rivieren op het grondgebied van lidstaten;

c)

„Baltische zalmbestand”: alle zalmbestanden in de Oostzee en in de Baltische rivieren, zowel wilde als gekweekte;

d)

„wildezalmrivier”: een in bijlage I opgenomen rivier met zichzelf in stand houdende wildezalmpopulaties waarin geen of slechts beperkte hoeveelheden gekweekte zalm wordt vrijgelaten;

e)

„potentiële zalmrivier”: een rivier met historische wildezalmpopulaties waarin momenteel geen of weinig natuurlijke voortplanting plaatsvindt, maar die het potentieel heeft voor reïntroductie van een zichzelf in stand houdende wildezalmpopulatie;

f)

„potentiële capaciteit voor de productie van smolt”: productiecapaciteit van smolt (jonge zalm die voor het eerst naar zee trekt), berekend voor elke rivier op basis van relevante rivierspecifieke parameters;

g)

„technische instandhoudingsmaatregelen”: maatregelen die de soortensamenstelling en de groottesamenstelling van de vangsten, alsmede de effecten van visserijactiviteiten op onderdelen van de ecosystemen reguleren door het verbinden van voorwaarden aan het gebruik en de structuur van vistuig en door het beperken van de toegang tot de visserijgebieden;

h)

„aangroeigericht uitzetten” of „aangroeigerichte uitzet”: het doelbewust vrijlaten van gekweekte smolt of van gekweekte zalm in eerdere levensstadia in wildezalmrivieren;

h bis)

recreatievisserij : niettegenstaande artikel 4, lid 28, van Verordening (EG) nr. 1224/2009, niet-industriële visserijactiviteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillende soorten vissersvaartuigen en vistuig, al dan niet met winstoogmerk; [Am. 15]

i)

„heraangroeigericht uitzetten” of „heraangroeigerichte uitzet”: het vrijlaten van gekweekte smolt of van gekweekte zalm in eerdere levensstadia in potentiële zalmrivieren;

j)

„dienstvaartuig”: een vaartuig dat door een onderneming wordt uitgebaat en dat diensten aanbiedt, met inbegrip van het verstrekken van visuitrusting, vervoer en/of begeleiding, voor de recreatievisserij op zalm in de Oostzee;

k)

„totaal toegestane vangst (TAC)”: de hoeveelheid Baltische zalm die in een gegeven jaar van het bestand mag worden gevangen en aangeland.

HOOFDSTUK II

DOELSTELLINGEN

Artikel 4

Doelstellingen

Met het plan wordt beoogd:

a)

het Baltische zalmbestand duurzaam te exploiteren volgens het beginsel van de maximale duurzame opbrengst;

b)

de genetische integriteit en diversiteit van het Baltische zalmbestand te beschermen.

HOOFDSTUK III

STREEFCIJFERS

Artikel 5

Streefcijfers voor rivierbestanden wilde zalm

1.   Wildezalmrivieren die 50 % van de potentiële capaciteit voor de productie van smolt hebben bereikt tegen … (*), moeten tegen … (**) elk een wildesmoltproductie van 75 % 80 % van de potentiële capaciteit voor de productie van smolt hebben bereikt. [Am. 16]

2.   Wildezalmrivieren die nog geen 50 % van de potentiële capaciteit voor de productie van smolt hebben bereikt tegen … (***), moeten elk een productie van wilde smolt van 50 % tegen … (****) en van 75 % 80 % tegen …  (*****) van de potentiële capaciteit voor de productie van smolt hebben bereikt. [Am. 17]

3.   Met ingang van … (*****) moet de productie van wilde smolt in elke wildezalmrivier op een niveau van ten minste 75 % 80 % van de potentiële productie van smolt worden gehandhaafd. [Am. 18]

4.   De betrokken lidstaten mogen voor elke wildezalmrivier andere, stringentere streefcijfers vaststellen , bijvoorbeeld op basis van het aantal terugkerende paaiers . [Am. 19]

De betrokken lidstaten verstrekken en publiceren gegevens over het aantal naar hun rivieren terugkerende vrouwelijke zalmexemplaren. [Am. 20]

HOOFDSTUK IV

VANGSTVOORSCHRIFTEN

Artikel 6

Vaststelling van de TAC voor de riviervisserij

1.   De jaarlijkse TAC voor zalmbestanden in wildezalmrivieren bedraagt niet meer dan de hoeveelheid die overeenkomt met de in lid 2 bedoelde visserijsterftecoëfficiënt.

2.   De visserijsterftecoëfficiënt voor zalmbestanden in wildezalmrivieren wordt door elke lidstaat vastgesteld overeenkomstig de in artikel 5 bepaalde streefcijfers en de deskundigenadviezen van het WTECV en ICES en wordt regelmatig opnieuw door die instanties geëvalueerd wanneer meer informatie beschikbaar komt of wanneer de kenmerken van de rivier zich wijzigen. Daartoe houden de lidstaten rekening met de potentiële productiecapaciteit van smolt die door ICES op basis van relevante rivierspecifieke parameters voor elke rivier is berekend en regelmatig opnieuw door die instantie wordt geëvalueerd wanneer meer informatie beschikbaar komt of wanneer de kenmerken van de rivier wijzigen.

3.   De betrokken lidstaten maken de visserijsterftecoëfficiënt voor wildezalmrivieren en de dienovereenkomstige zalm-TAC bekend op het voor het publiek toegankelijke deel van hun officiële website die uiterlijk tegen … (******) overeenkomstig artikel 114 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 moet zijn opgezet, en herzien deze coëfficiënten jaarlijks.

4.   De Commissie beoordeelt om de drie jaar jaarlijks op basis van de in de artikelen 4 en 5 vastgestelde doelstellingen en streefcijfers de verenigbaarheid en de doeltreffendheid van de op grond van het onderhavige artikel door de lidstaten genomen maatregelen. [Am. 21]

5.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen ten aanzien van de visserijsterftecoëfficiënt en/of de dienovereenkomstige TAC voor wildezalmrivieren en/of de sluiting van de betrokken visserij indien de lidstaten de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde maatregelen niet bekendmaken vóór de vastgestelde uiterste datum.

6.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen ten aanzien van de visserijsterftecoëfficiënt en/of de dienovereenkomstige TAC voor wildezalmrivieren en/of de sluiting van de betrokken visserij indien een beoordeling overeenkomstig lid 4 erop wijst dat de maatregelen van de lidstaten onverenigbaar worden bevonden met de in de artikelen 4 en 5 vastgestelde doelstellingen en streefcijfers of inadequaat worden bevonden om deze doelstellingen en streefcijfers te halen.

7.   De door de Commissie vastgestelde maatregelen zijn erop gericht te garanderen dat de in de artikelen 4 en 5 vastgestelde doelstellingen en streefcijfers worden gehaald. Op het moment waarop de gedelegeerde handeling door de Commissie wordt vastgesteld, verliezen de maatregelen van de lidstaten hun geldigheid.

Artikel 7

Vaststelling van de TAC voor de zeevisserij

1.   De jaarlijkse TAC voor mariene zalmbestanden bedragen niet meer dan het niveau dat overeenkomt met een visserijsterftecoëfficiënt van 0,1.

2.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen ten aanzien om de in lid 1 bedoelde visserijsterftecoëfficiënt voor de mariene bestanden wijzigen wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn dat de toestand van de bestanden is veranderd en/of dat de bestaande visserijsterftecoëfficiënt niet toereikend is om de in artikel 4 vastgestelde doelstellingen te bereiken.

3.   In geval van een plotselinge uitbraak van ziekten, gevaarlijk lage overlevingspercentages van jonge zalm in het post-smoltstadium of andere onvoorziene ontwikkelingen, stelt de Raad een TAC vast die lager is dan de TAC die voorvloeit uit de toepassing van de in lid 1 bedoelde visserijsterftecoëfficiënt.

Artikel 8

Gebruik van de nationale quota door dienstvaartuigen in het kader van de recreatievisserij [Am. 22]

Op zee vanaf dienstvaartuigen gevangen zalm Zalm die in het kader van recreatievisserij gevangen wordt op zee, vanaf de kust en op rivieren wordt in mindering gebracht op het nationale quotum. [Am. 23]

HOOFDSTUK IV BIS

MINIMUMMAAT BIJ AANLANDING VAN ZALM EN ZEEFOREL

Artikel 8 bis

In afwijking van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 2187/2005 bedraagt de minimummaat bij aanlanding van zalm 60 centimeter en de minimummaat bij aanlanding van zeeforel 50 centimeter, en dit in elk van de in artikel 3, lid 2, onder a),van deze verordening bedoelde ICES-deelsectoren. [Am. 26]

HOOFDSTUK V

TECHNISCHE INSTANDHOUDINGSMAATREGELEN

Artikel 9

Maatregelen van de lidstaten ter bescherming van zwakke rivierbestanden zalm

1.   Voor wildezalmrivieren die uiterlijk op … (*******) nog geen 50 % van de potentiële capaciteit voor de productie van smolt hebben bereikt, moeten de betrokken lidstaten uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening op …  (********) nationale technische instandhoudingsmaatregelen vaststellen , handhaven en zo nodig verbeteren . [Am. 24]

2.   De in lid 1 bedoelde technische instandhoudingsmaatregelen zijn gebaseerd op rivierspecifieke eisen om adequaat bij te dragen aan het bereiken van de in de artikelen 4 en 5 vastgestelde doelstellingen en streefcijfers. De plaats van toepassing van dergelijke maatregelen wordt bepaald aan de hand van de beste beschikbare informatie inzake de mariene migratieroutes van de zalm.

Artikel 10

Maatregelen ter bescherming van andere rivierbestanden zalm

De lidstaten kunnen in hun Baltische rivieren nationale technische instandhoudingsmaatregelen vaststellen voor rivierbestanden zalm die niet onder artikel 9 vallen. Die maatregelen dragen bij tot het bereiken van de in de artikelen 4 en 5 vastgestelde doelstellingen en streefcijfers.

De Commissie herziet de richtsnoeren inzake staatssteun om het de lidstaten gemakkelijker te maken compensatie te verlenen aan vissers die schade hebben geleden door zeehonden en aalscholvers. [Am. 25]

Artikel 11

Maatregelen van de Commissie

1.   De Commissie beoordeelt om de drie jaar jaarlijks op basis van de in de artikelen 4 en 5 vastgestelde doelstellingen en streefcijfers de verenigbaarheid en de doeltreffendheid van de op grond van de artikelen 9 en 10 door de lidstaten genomen maatregelen, met name in die gevallen waarin wildezalmrivieren door verschillende lidstaten lopen. [Am. 27]

2.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen om noodzakelijke technische instandhoudingsmaatregelen te bepalen indien de betrokken lidstaten dergelijke maatregelen niet overeenkomstig artikel 9 vaststellen vóór de vastgestelde uiterste datum na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening.

3.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen ten aanzien van noodzakelijke technische instandhoudingsmaatregelen indien een beoordeling overeenkomstig lid 1 erop wijst dat de maatregelen van de lidstaten onverenigbaar worden bevonden met de in de artikelen 4 en 5 vastgestelde doelstellingen en streefcijfers of inadequaat worden bevonden om deze doelstellingen en streefcijfers te halen.

4.   De door de Commissie vastgestelde maatregelen zijn erop gericht te garanderen dat de in de artikelen 4 en 5 vastgestelde doelstellingen en streefcijfers worden gehaald. Op het moment waarop de gedelegeerde handeling door de Commissie wordt vastgesteld, verliezen de maatregelen van de lidstaten hun geldigheid.

HOOFDSTUK VI

HET VRIJLATEN VAN JONGE ZALM

Artikel 12

Aangroeigericht uitzetten

1.   Zalm mag alleen aangroeigericht worden uitgezet in wildezalmrivieren. Het aantal vrijgelaten smolts in elke rivier mag niet meer bedragen dan de geraamde potentiële capaciteit voor de productie van smolt van die rivier. wanneer dit nodig is om de uitroeiing van de lokale bestanden te voorkomen . [Am. 28]

2.   Het aangroeigericht uitzetten moet zodanig plaatsvinden dat de genetische diversiteit en variabiliteit van de verschillende rivierbestanden zalm wordt beschermd, rekening houdend met de bestaande vispopulaties in de rivier waarin de zalm aangroeigericht wordt uitgezet, alsmede in naburige rivieren, en het effect van het aangroeigericht uitzetten moet worden gemaximaliseerd. De smolt moet van de dichtstbijzijnde wildezalmrivier komen. [Am. 29]

2 bis.     De voor aangroeigerichte uitzet bestemde smolt wordt gemerkt, met name door zijn vetvinnen te knippen. [Am. 30]

3.   De Commissie kan stelt uiterlijk op …  (*********) uitvoeringshandelingen vast met nadere bepalingen ter uitvoering van dit artikel. vaststellen door middel van Die uitvoeringshandelingen die overeenkomstig worden volgens de in artikel 28, lid 2, genoemde bedoelde onderzoeksprocedure worden vastgesteld. [Am. 31]

Artikel 13

Heraangroeigericht uitzetten

Het heraangroeigericht uitzetten in potentiële zalmrivieren mag alleen worden gedaan op voorwaarde dat:

a)

de rivier of zijn bijrivieren de migratie van zalmen toelaat, toelaten, de waterkwaliteit juist is en de habitat geschikt voor de voortplanting en de groei van zalmen; [Am. 32]

b)

het doel van de heraangroeigerichte uitzet is om een levensvatbare, zichzelf in stand houdende wildezalmpopulatie te introduceren of te versterken;

c)

er een controle- en evaluatieprogramma voor de periode vóór en na het uitzetten is;

d)

er geschikte en toereikende instandhoudings- en beheersmaatregelen zijn om de reïntroductie van een zichzelf in stand houdende zalmpopulatie in de rivier te vergemakkelijken;

d bis)

het aangroeigericht uitzetten zodanig plaatsvindt dat de genetische diversiteit van de verschillende rivierbestanden zalm wordt beschermd, rekening houdend met de bestaande vispopulaties in de rivier waarin de zalm aangroeigericht wordt uitgezet, alsmede in naburige rivieren, terwijl het effect van het aangroeigericht uitzetten wordt gemaximaliseerd; [Am. 34]

d ter)

de voor aangroeigerichte uitzet bestemde smolt wordt gemerkt, met name door zijn vetvinnen te knippen. [Am. 35]

Het beginsel dat de vervuiler betaalt, vormt de leidraad bij de sanering van waterlopen. Het heraangroeigericht uitzetten overeenkomstig lid 1 wordt ook geacht een instandhoudingsmaatregel te zijn voor de doeleinden van artikel 38, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1198/2006. [Am. 36]

Artikel 13 bis

Oorsprong van volwassen exemplaren en smolt

Volwassen exemplaren en smolt moeten van dezelfde wildezalmrivier afkomstig zijn of, als dat niet mogelijk is, van het dichtstbijzijnde stroomgebied van wilde zalm. [Am. 33]

Artikel 14

Overgangsperiode

Het vrijlaten van zalm, anders dan overeenkomstig de artikelen 12 en 13, mag worden voortgezet tot en met 7 jaar na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening. (**********) en wordt nauwgezet geëvalueerd . Voor de uitfasering wordt per rivier een afzonderlijke aanpak vastgesteld. De lokale, regionale en/of nationale agentschappen van de lidstaten plegen hiervoor overleg met plaatselijke belanghebbenden, die onder meer op het gebied van biotoopherstel expertise kunnen voorleggen. De lidstaten stellen nieuwe, juridisch bindende besluiten vast om ervoor te zorgen dat de economische middelen die momenteel worden besteed aan uitzetgerelateerde doeleinden, voortaan worden ingezet ter ondersteuning van vissers die mogelijk te lijden zullen hebben onder de uitfasering van deze praktijk. [Am. 37]

HOOFDSTUK VII

CONTROLE EN HANDHAVING

Artikel 15

Verband met Verordening (EG) nr. 1224/2009

Behalve de in dit hoofdstuk vastgestelde controlemaatregelen zijn die van Verordening (EG) nr. 1224/2009 onverminderd van toepassing, tenzij in de artikelen van dit hoofdstuk anders is bepaald.

Daarnaast zijn artikel 55, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en de artikelen 64 en 65 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad  (11) op overeenkomstige wijze van toepassing op alle recreatiezalmvisserij in de Oostzee. [Am. 38]

Artikel 16

Logboeken

In afwijking van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 moeten zowel kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie, ongeacht de lengte van die vaartuigen, die over een visvergunning voor zalm beschikken, als kapiteins van dienstvaartuigen die met hengels en ander vistuig vissen , een logboek bijhouden van hun activiteiten overeenkomstig de in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde regels. [Am. 39]

Artikel 17

Voorafgaande kennisgevingen

In afwijking van de inleidende zin van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 stellen zowel kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie, ongeacht de lengte van die vaartuigen, als kapiteins van dienstvaartuigen die zalm en/of zeeforel aan boord hebben, de bevoegde autoriteiten van hun vlaggenlidstaat onmiddellijk na de visserijactiviteit in kennis van de in artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde informatie. [Am. 40]

Artikel 18

Machtigingen voor speciale activiteiten

1.   Dienstvaartuigen mogen slechts op zalm vissen, indien zij beschikken over een machtiging voor speciale activiteiten overeenkomstig bijlage II van de onderhavige verordening.

2.   De betrokken lidstaten moeten de machtigingen voor speciale activiteiten opnemen in de lijst van vismachtigingen in het elektronische gegevensbestand dat overeenkomstig artikel 116, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1224/2009 is ingesteld. Bovendien moeten zij de gegevens over de machtigingen voor speciale activiteiten invoeren in het in artikel 109 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde geautomatiseerde valideringssysteem.

Artikel 19

Vangstaangifte voor recreatievisserij [Am. 41]

1.   De kapitein van een dienstvaartuig vult Voor alle vormen van recreatievisserijvaartuigen wordt een vangstaangifte overeenkomstig bijlage III in en dient deze uiterlijk op de laatste dag van elke maand in ingevuld, en wordt verslag uitgebracht bij de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat van het dienstvaartuig. [Am. 42]

2.   Uiterlijk op de vijftiende dag van elke maand registreren de betrokken lidstaten de informatie die in de vangstaangiften over de vorige maand is vastgelegd, in hun elektronische gegevensbestand dat overeenkomstig artikel 116, lid 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 1224/2009 is ingesteld, alsmede in hun in artikel 109 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde geautomatiseerde valideringssysteem. De elektronische gegevens en de vangstaangiften worden 3 jaar lang bewaard.

Artikel 20

Inspecties van de aanlandingen

De betrokken lidstaten verifiëren de juistheid van de informatie die in de vangstaangiften is geregistreerd, door middel van inspecties van de aanlandingen. Bij dergelijke inspecties van de aanlandingen moet ten minste 10 % 20 % van het totale aantal aanlandingen worden geïnspecteerd. Het Europees Bureau voor visserijcontrole verricht doeltreffende controles en spoort de lidstaten aan tot intensievere, doelgerichtere inspecties in gebieden waarvan vermoed of gemeld wordt dat er illegale, ongemelde of ongereglementeerde visserijactiviteiten plaatsvinden. [Am. 43]

Artikel 20 bis

Controle op de recreatievisserij

De controle op de recreatievisserij in het kader van deze verordening steunt in het bijzonder op artikel 55 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en op de artikelen 64 en 65 van Verordening (EU) nr. 404/2011. [Am. 44]

Artikel 21

Nationale controleactieprogramma’s

De in artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voorgeschreven nationale controleactieprogramma’s omvatten minimaal ook:

a)

de toepassing van technische instandhoudingsmaatregelen die overeenkomstig hoofdstuk V van de onderhavige verordening zijn vastgesteld;

b)

de naleving van de regels inzake het gebruik van de quota, de machtiging voor activiteiten en de vangstaangiften door dienstvaartuigen en recreatievisserij met alle soorten vistuig ; [Am. 45]

c)

de controle van de regels inzake aangroeigerichte en heraangroeigerichte uitzet.

HOOFDSTUK VIII

VERZAMELING VAN GEGEVENS

Artikel 22

Voor de doeleinden van gegevensverzameling kan ieder cohort jonge zalm in alle wildezalmrivieren vóór de smoltificatie door middel van elektrovisserij worden onderzocht.

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen die gedetailleerde en op de meest recente wetenschappelijke gegevens berustende voorwaarden bevatten voor de toepassing van elektrovisserij. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 28, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. [Am. 46]

Artikel 22 bis

Uiterlijk op …  (***********) bezorgt de Commissie aan het Parlement en de Raad de resultaten van een wetenschappelijk onderzoek naar de invloed van roofdieren, in het bijzonder zeehonden en aalscholvers, op het Baltische zalmbestand. Deze resultaten dienen als basis voor een beheersplan van de Commissie met betrekking tot roofdierenpopulaties die de Baltische zalmbestanden beïnvloeden. Dit plan treedt uiterlijk in 2016 in werking. [Am. 47]

Artikel 22 ter

Uiterlijk op …  (************) bezorgt de Commissie het Parlement en de Raad de bevindingen van het wetenschappelijk onderzoek naar teruggegooide vangsten en bijvangsten van zalm in alle relevante takken van de Oostzeevisserij. [Am. 48]

HOOFDSTUK IX

FOLLOW-UP

Artikel 23

Verslaglegging door de lidstaten

1.   De betrokken lidstaten rapporteren in het derde jaar na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening op …  (*************) en vervolgens om de drie jaar op jaarbasis aan de Commissie over de overeenkomstig hoofdstuk V vastgestelde technische instandhoudingsmaatregelen en over de verwezenlijking van de in artikel 5 vastgestelde doelstellingen. [Am. 49]

2.   De betrokken lidstaten rapporteren in … (**************) en vervolgens om de zes drie jaar aan de Commissie over de tenuitvoerlegging van de onderhavige verordening en over de verwezenlijking van de in lid 5 vastgestelde doelstellingen. De rapportage van de lidstaten bevat met name de volgende informatie:

[Am. 50]

a)

de ontwikkeling van de nationale visserij, met inbegrip van het aandeel vangsten op volle zee, in de kustwateren en in de rivieren, en het aandeel daarin van commerciële vissers, bedrijven van dienstvaartuigen en andere recreatievissers;

b)

voor elke wildezalmrivier de productie van parr (jonge zalm in het zoetwaterstadium) en smolt, en de beste beschikbare raming van de potentiële productiecapaciteit van smolt;

c)

voor elk rivierbestand wilde zalm de beschikbare genetische informatie;

d)

het aangroeigericht uitzetten en het heraangroeigericht uitzetten van zalm;

e)

de uitvoering van het in artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde nationale controleactieprogramma.

Artikel 24

Evaluatie van het plan

In het jaar na dat waarin de Commissie rapporten van de lidstaten ontvangt, evalueert zij op basis van de in artikel 23 bedoelde rapportage door de lidstaten en op basis van wetenschappelijk advies het effect van de beheersmaatregelen op het Baltische zalmbestand en op de visserijtakken die dat bestand bevissen.

HOOFDSTUK X

WIJZIGINGEN VAN DE BIJLAGEN

Artikel 25

Wijzigingen van de bijlagen

1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen die de lijst van wildezalmrivieren van bijlage I wijzigen, om deze aan te passen aan de meest recente wetenschappelijke informatie.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen die de bijlagen II en III wijzigen om voor doeltreffende controle te zorgen.

HOOFDSTUK XI

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 26

Uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel nnergelegde voorwaarden.

2.   De in de artikelen 6, 7, 11 en 25 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd .

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 6, 7, 11 en 25, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aanhet Europees Parlement en de Raad.

5.   Een krachtens de artikelen 6, 7, 11 en 25 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van die termijn heeft meegedeeld dat zij geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee maanden worden verlengd.

Artikel 27

Intrekking van bevoegdheid

Wanneer een betrokken lidstaat de in de artikelen 6 of 11 bedoelde maatregelen op de vastgestelde uiterste datum niet heeft vastgesteld of bekendgemaakt, of wanneer die maatregelen inadequaat en/of ondoeltreffend worden bevonden naar aanleiding van een in artikel 6, lid 4, of artikel 11, lid 1, bedoelde beoordeling, wordt de in de artikelen 6 of 11 bedoelde bevoegdheid van de betrokken lidstaat door de Commissie ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. [Am. 51]

Artikel 28

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de visserij en de aquacultuur ingesteld bij artikel 30 van Verordening (EG) nr. 2371/2002. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK XII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 29

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing vanaf XXX.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 68 van 6.3.2012, blz. 47 .

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 22 november 2012.

(3)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

(4)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.

(5)  PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1.

(6)  PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1.

(7)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(8)   PB L 349 van 31.12.2005, blz. 1.

(9)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(10)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(*)  Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(**)  Zeven jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(***)  Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(****)  Vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(*****)  Twaalf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(******)  Eén jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(*******)  Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(********)   Twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

(*********)   Drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

(**********)   Tien jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

(11)   PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1.

(***********)   Drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

(************)   Drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

(*************)   Eén jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

(**************)   Drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

BIJLAGE I

Wildezalmrivieren in het Oostzeegebied

Finland

Simojoki

Finland/Zweden

Tornionjoki/Torneälven

Zweden

Kalixälven, Råneälven, Piteälven, Åbyälven, Byskeälven, Rickleån, Sävarån, Ume/Vindelälven, Öreälven, Lögdeälven, Emån, Mörrumsån, Ljungan

Estland

Pärnu, Kunda, Keila, Vasalemma

Letland

Salaca, Vitrupe, Peterupe, Irbe, Uzava, Saka

Letland/Litouwen

Barta/Bartuva

Litouwen

stroomgebied van de Nemunas (Žeimena)

BIJLAGE II

MINIMALE INFORMATIE VOOR DE MACHTIGINGEN VOOR SPECIALE ACTIVITEITEN

1.   VAARTUIGGEGEVENS

Naam van het vaartuig (1)

Vlaggenstaat

Haven van registratie (naam en nationale code)

Externe kentekens

Internationale radioroepnaam (IRCS (2))

2.   HOUDER VAN DE MACHTIGING, EIGENAAR VAN HET VAARTUIG EN KAPITEIN (3)

Naam en adres van de natuurlijke of rechtspersoon

3.   KENMERKEN VAN HET VAARTUIG

Motorvermogen (kW) (4)

Tonnage (BT)

Lengte over alles

4.   VOORWAARDEN VOOR DE UITOEFENING VAN DE VISSERIJ

1.

Datum van afgifte:

2.

Geldigheidsduur:

3.

Aan de machtiging verbonden voorwaarden betreffende, in voorkomend geval, soort, gebied en vistuig:


(1)  Voor vaartuigen met een naam.

(2)  Voor vaartuigen die een internationale radioroepnaam hebben aangevraagd.

(3)  Te vermelden voor elke persoon waarop dit van toepassing is.

(4)  Overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad (PB L 274 van 25.9.1986, blz. 1).

BIJLAGE III

VANGSTAANGIFTEN

Elke betrokken lidstaat geeft voor zijn dienstvaartuigen een officieel formulier af dat als vangstaangifte moet worden ingevuld. Dit formulier bevat minimaal de volgende informatie:

a)

referentienummer van de machtiging voor speciale activiteiten die overeenkomstig artikel 18 is afgegeven;

b)

naam van de natuurlijke of rechtspersoon die houder is van de overeenkomstig artikel 18 afgegeven machtiging voor speciale activiteiten;

c)

naam en handtekening van de kapitein van het dienstvaartuig;

d)

datum en tijd van het vertrek uit en de aankomst in de haven en de duur van de visreis;

e)

voor elke visreis: plaats en tijdstip van aanlanding;

f)

vistuig dat bij de visserijactiviteiten is gebruikt;

g)

hoeveelheden aangelande vis per soort en per visreis;

h)

hoeveelheden teruggegooide vis per soort en per visreis;

i)

gebied van de vangsten per visreis, uitgedrukt als statistische vakken van ICES.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/249


P7_TA(2012)0447

Verlening van gedelegeerde bevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen inzake het gemeenschappelijk handelsbeleid ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de verlening van gedelegeerde bevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen (COM(2011)0349 — C7-0162/2011 — 2011/0153(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2015/C 419/52)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0349),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0162/2011),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A7-0096/2012),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


P7_TC1-COD(2011)0153

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 22 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van bepaalde verordeningen in verband met het gemeenschappelijke handelsbeleid wat betreft de verlening van gedelegeerde bevoegdheden en uitvoeringsbevoegdheden voor de vaststelling van bepaalde maatregelen [Am. 1]

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een aantal basisverordeningen met betrekking tot het gemeenschappelijke handelsbeleid bepalen dat handelingen moeten worden vastgesteld op basis van de procedures, vastgesteld in Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (2).

(2)

Een onderzoek van de van kracht zijnde wetgevingshandelingen die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon niet aan de regelgevingsprocedure met toetsing waren aangepast, is nodig om te zorgen voor de nodige samenhang met de door dat Verdrag ingevoerde bepalingen. In sommige gevallen is het dienstig dat dergelijke handelingen worden gewijzigd om de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) gedelegeerde bevoegdheden te verlenen. Ook is het in sommige gevallen wenselijk bepaalde procedures toe te passen zoals omgeschreven in Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren  (3) . [Am. 2]

(3)

De volgende verordeningen moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd:

Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad van 12 oktober 1993 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen (4),

Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere, communautaire regeling (5),

Verordening (EG) nr. 953/2003 van de Raad van 26 mei 2003 ter voorkoming van verlegging van het handelsverkeer in bepaalde belangrijke geneesmiddelen naar de Europese Unie (6),

Verordening (EG) nr. 673/2005 van de Raad van 25 april 2005 tot vaststelling van aanvullende douanerechten op de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (7),

Verordening (EG) nr. 1342/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 betreffende het beheer van bepaalde beperkingen op de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten uit de Russische Federatie (8),

Verordening (EG) nr. 1528/2007 van de Raad van 20 december 2007 tot toepassing van de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), die zijn opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst (9),

Verordening (EG) nr. 55/2008 van de Raad van 21 januari 2008 tot invoering van autonome handelspreferenties voor de Republiek Moldavië en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 980/2005 en Besluit 2005/924/EG van de Commissie (10),

Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad van 22 juli 2008 betreffende de toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 552/97 en (EG) nr. 1933/2006 van de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1100/2006 en (EG) nr. 964/2007 van de Commissie  (11), [Am. 3]

Verordening (EG) nr. 1340/2008 van de Raad van 8 december 2008 betreffende de handel in bepaalde ijzer- en staalproducten tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kazachstan (12),

Verordening (EG) nr. 1215/2009 van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van uitzonderlijke handelsmaatregelen ten behoeve van de landen en gebieden die deelnemen aan of verbonden zijn met het stabilisatie- en associatieproces van de Europese Unie  (13). [Am. 4]

(4)

Ter waarborging van de rechtszekerheid moet deze verordening de procedures voor de vaststelling van maatregelen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening geïnitieerd maar niet afgerond zijn, onverlet laten,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De verordeningen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening worden overeenkomstig de bijlage aangepast aan artikel 290 van het VWEU of aan de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU) nr. 182/2011 . [Am. 5]

Artikel 2

De verwijzingen naar bepalingen van de in de bijlage vermelde verordeningen moeten worden gelezen als verwijzingen naar die bepalingen zoals bij deze verordening gewijzigd.

Artikel 3

Deze verordening laat de procedures voor de vaststelling van de in de verordeningen in de bijlage vermelde maatregelen die geïnitieerd maar niet afgerond zijn vóór de inwerkingtreding van deze verordening, onverlet.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dertigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 22 november 2012.

(2)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(3)   PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(4)  PB L 275 van 8.11.1993, blz. 1.

(5)  PB L 67 van 10.3.1994, blz. 1.

(6)  PB L 135 van 3.6.2003, blz. 5.

(7)  PB L 110 van 30.4.2005, blz. 1.

(8)  PB L 300 van 17.11.2007, blz. 1.

(9)  PB L 348 van 31.12.2007, blz. 1.

(10)  PB L 20 van 24.1.2008, blz. 1.

(11)   PB L 211 van 6.8.2008, blz. 1.

(12)  PB L 348 van 24.12.2008, blz. 1.

(13)   PB L 328 van 15.12.2009, blz. 1.

BIJLAGE

LIJST VAN VERORDENINGEN DIE ONDER HET GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSBELEID VALLEN EN WORDEN AANGEPAST AAN ARTIKEL 290 VWEU OF AAN DE TOEPASSELIJKE BEPALINGEN VAN VERORDENING (EU) NR. 182/2011.

1.   Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad van 12 oktober 1993 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen  (1),

In Verordening (EEG) nr. 3030/93 moet, om te zorgen voor het goed functioneren van het systeem voor het beheer van de invoer van bepaalde textielproducten, de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden gedelegeerd voor de nodige wijzigingen in de bijlagen bij de verordening. Bovendien moten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om de maatregelen vast te stellen voor de tenuitvoerlegging van deze verordening in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011.

Bijgevolg wordt Verordening (EEG) nr. 3030/93 als volgt gewijzigd:

1.

In Verordening (EEG) nr. 3030/93 worden verwijzingen naar „artikel 17” wordt vervangen door „artikel 17, lid 2,” [Am. 7]

1bis.

De volgende overwegingen 15 bis en 15 ter wordt ingevoegd:

„overwegende dat, teneinde te zorgen voor het goed functioneren van het systeem voor het beheer van de invoer van bepaalde textielproducten, aan de Commissie de bevoegdheid moet worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijzigingen van de bijlagen, en aanvullende mogelijkheden moet bieden voor import door invoering of aanpassing van kwantitatieve beperkingen en door invoering van vrijwaringsmaatregelen en een stelsel van toezicht in overeenstemming met deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. De Commissie moet volledige gegevens en documentatie verstrekken aangaande de bijeenkomsten met nationale deskundigen die zij belegt in het kader van haar werkzaamheden ter voorbereiding en tenuitvoerlegging van gedelegeerde handelingen. In dit verband moet de Commissie ervoor zorgen dat het Europees Parlement naar behoren bij het proces wordt betrokken, volgens optimale werkmethoden zoals die zijn gebleken uit eerdere ervaring op andere beleidsterreinen, om zo de beste voorwaarden te creëren voor het toekomstig toezicht van het Europees Parlement op gedelegeerde handelingen; [Am. 6]

overwegende dat, om eenvormige voorwoorden te waarborgen voor de vaststelling van bepaalde maatregelen voor de uitvoering van deze verordening, uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie moeten worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de voorschriften en algemene beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren  (*) ;

(*)   PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.”. "

[Am. 8]

1.

Artikel 2, lid 6, komt als volgt te luiden:

„6.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 16 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanpassing van de definitie van kwantitatieve maxima, als vastgesteld in bijlage V, en de categorieën producten waarop zij van toepassing zijn, indien dit noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat latere wijzigingen van de gecombineerde nomenclatuur (GN) of besluiten tot wijziging van de indeling van deze producten niet tot een vermindering van deze kwantitatieve maxima leiden.”.

2.

Artikel 6, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 16 bis gedelegeerde handelingen tot wijziging van de bijlagen vast te stellen om de in lid 1 bedoelde situatie te verhelpen, waarbij de in de desbetreffende bilaterale overeenkomsten vervatte termijnen en voorwaarden naar behoren in acht worden genomen.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”.

3.

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de eerste alinea komt als volgt te luiden:

„Wanneer het in bepaalde omstandigheden nodig blijkt voor een of meer productcategorieën grotere hoeveelheden in te voeren dan de in bijlage V vermelde hoeveelheden, kan de Commissie worden gemachtigd om overeenkomstig artikel 16 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om voor een bepaald contingentjaar extra invoermogelijkheden toe te staan.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld. De Commissie neemt een besluit binnen 15 werkdagen na ontvangst van een verzoek van een lidstaat.”;

b)

De voorlaatste alinea wordt geschrapt.

4.

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 7 wordt punt b) geschrapt;

b)

lid 13 komt als volgt te luiden:

„13.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 16 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de in de leden 3 en 19 bedoelde maatregelen.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld. De Commissie neemt een besluit binnen 10 werkdagen na ontvangst van een verzoek van een lidstaat.”

5.

Artikel 10 bis wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 bis wordt geschrapt;

b)

lid 3 komt als volgt te luiden:

„3.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 16 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de in lid 1 bedoelde maatregelen, met uitzondering van de aanvang van het overleg, als bedoeld in lid 1, onder a).

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”

6.

In artikel 13, lid 3, wordt de tweede alinea vervangen door:

„De Commissie besluit tot instelling van een systeem voor toezicht vooraf of achteraf. De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 16 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de instelling van het systeem voor toezicht vooraf.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig het tweede lid worden vastgesteld.”.

7.

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 komt als volgt te luiden:

„3.   Indien de Unie en het leverende land binnen de in artikel 16 vastgestelde termijn geen bevredigende oplossing kunnen vinden en indien de Commissie constateert dat er voldoende bewijs van ontwijking is, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig de procedure van artikel 16 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om een gelijkwaardige hoeveelheid producten van oorsprong uit het betrokken leverende land in mindering te brengen op de kwantitatieve maxima.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”;

b)

lid 5 komt als volgt te luiden:

„5.   Wanneer bovendien bewezen wordt dat het hierbij gaat om het grondgebied van niet in bijlage V genoemde derde landen die lid zijn van de WTO, vraagt de Commissie, overeenkomstig de in artikel 16 omschreven procedure overleg aan met het betrokken derde land of de betrokken derde landen teneinde de maatregelen te nemen die nodig zijn om het probleem op te lossen. De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 16 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om kwantitatieve maxima in te stellen voor het betrokken derde land of de betrokken derde landen of om de in lid 1 bedoelde situatie te verhelpen.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”.

7 bis.

In artikel 16, lid 1, wordt de inleidende formule vervangen door:

„1.     De Commissie, handelend in overeenstemming met de raadplegingsprocedure als bedoeld in artikel 17, lid 1 bis, voert de in deze verordening bedoelde raadplegingen uit in overeenstemming met de volgende regels:”.

[Am. 9]

8.

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 16 bis

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De bevoegdheid, als bedoeld in artikel 2, lid 6, artikel 6, lid 2, artikel 8, artikel 10, lid 13, artikel 10 bis, lid 3, artikel 13, lid 3, artikel 15, leden 3 en 5, en artikel 19 van deze verordening en in artikel 4, lid 3, van bijlage IV en artikel 2 en artikel 3, leden 1 en 3, van bijlage VII bij deze verordening, om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie voor onbepaalde tijd toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van …  (**). De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen deze verlenging verzet . [Am. 10]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, lid 6, artikel 6, lid 2, artikel 8, artikel 10, lid 13, artikel 10 bis, lid 3, artikel 13, lid 3, artikel 15, leden 3 en 5, en artikel 19 van deze verordening en in artikel 4, lid 3, van bijlage IV en artikel 2 en artikel 3, leden 1 en 3, van bijlage VII bij deze verordening bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 2, lid 6, artikel 6, lid 2, artikel 8, artikel 10, lid 13, artikel 10 bis, lid 3, artikel 13, lid 3, artikel 15, leden 3 en 5, en artikel 19 van deze verordening en artikel 4, lid 3, van bijlage IV en artikel 2 en artikel 3, leden 1 en 3, van bijlage VII bij deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie hebben medegedeeldt dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden vier maanden erlengd. [Am. 11]

Artikel 16 ter

Spoedprocedure

1.   Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel16 bis, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dit geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.”.

8 bis.

In artikel 17, lid 2, wordt het volgende lid ingevoegd:

„1 bis.     Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Het adviescomité brengt binnen een maand na de datum van indiening zijn advies uit. [Am. 12]

2.     Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Het onderzoekscomité brengt zijn advies uit binnen een maand na de datum van indiening. [Am. 13]

2 bis.     Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, door de voorzitter van het comité daartoe wordt besloten of door een meerderheid van de leden van het comité daarom wordt verzocht.”.

[Am. 14]

8 ter.

Artikel 17 bis wordt geschrapt. [Am. 15]

9.

Artikel 19 komt als volgt te luiden:

„Artikel 19

De Commissie wordt gemachtigd om gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 16 bis vast te stellen om zo nodig de relevante bijlagen te wijzigen om rekening te houden met de conclusie, de wijziging of de afloop van overeenkomsten, protocollen of regelingen met derde landen of wijzigingen in de regels van de Unie inzake statistieken, douaneregelingen of gemeenschappelijke regels voor invoer”.

9 bis.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 19 bis

Verslag

1.     De Commissie dient halfjaarlijks bij het Europees Parlement een verslag in over de toepassing van deze verordening.

2.     Het verslag bevat informatie over de tenuitvoerlegging van deze verordening.

3.     Het Europees Parlement kan de Commissie binnen een maand nadat deze het verslag heeft ingediend, op een ad-hocvergadering van zijn bevoegde commissie uitnodigen om alle aspecten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze verordening uiteen te zetten en toe te lichten.

4.     Uiterlijk zes maanden na de indiening van het verslag bij het Europees Parlement maakt de Commissie het verslag openbaar.”.

[Am. 16]

10.

Artikel 4, lid 3, van bijlage IV wordt vervangen door:

„3.   Wanneer is vastgesteld dat de bepalingen van deze verordening zijn geschonden, wordt de Commissie gemachtigd om in overeenstemming met het betrokken leveranciersland en overeenkomstig artikel 16 bis van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de wijziging van de relevante bijlagen bij deze verordening, die nodig zijn om een herhaling van dergelijke schendingen te voorkomen.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter van deze verordening bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”.

11.

In bijlage VII wordt artikel 2 vervangen door:

„Artikel 2

De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 16 bis van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijzondere kwantitatieve maxima in te voeren voor de wederinvoer van producten waarop deze bijlage niet van toepassing is, mits op deze producten de in artikel 2 van deze verordening bedoelde kwantitatieve maxima van toepassing zijn.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”.

12.

In bijlage VII wordt artikel 3 als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 komt als volgt te luiden:

„1.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 16 bis van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om overboeking tussen categorieën, vervroegde benutting of overdracht van gedeelten van bijzondere kwantitatieve maxima naar het volgende jaar toe te staan.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter van deze verordening bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”;

b)

lid 3 komt als volgt te luiden:

„3.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 16 bis van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijzondere kwantitatieve maxima aan te passen, wanneer aan extra invoer behoefte bestaat.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter van deze verordening bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”.

2.   Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere, communautaire regeling  (2)

In Verordening (EG) nr. 517/94 moet, om te zorgen voor het goed functioneren van het systeem voor het beheer van de invoer van bepaalde textielproducten, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere, EU-regeling de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de nodige wijzigingen in de bijlagen bij deze verordening. Bovendien moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om de maatregelen vast te stellen voor de tenuitvoerlegging van deze verordening in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 517/94 als volgt gewijzigd:

1.

De volgende overwegingen 22 bis, 22 ter en 22 quater worden ingevoegd:

„Overwegende dat teneinde te zorgen voor het goed functioneren van het systeem voor het beheer van de invoer van bepaalde textielproducten, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder andere, specifieke importregelingen van de EU. aan de Commissie de bevoegdheid moet worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van wijzigingen in de bijlagen bij de verordening, wijziging van de importvoorschriften en toepassing van de vrijwarings- en toezichtmaatregelen op de in onderhavige verordening vastgelegde voorwaarden Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer met deskundigen. Bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen moet de Commissie ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op adequate wijze worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. De Commissie moet volledige gegevens en documentatie verstrekken aangaande de bijeenkomsten met nationale deskundigen die zij belegt in het kader van haar werkzaamheden ter voorbereiding en tenuitvoerlegging van gedelegeerde handelingen. In dit verband moet de Commissie ervoor zorgen dat het Europees Parlement naar behoren bij het proces wordt betrokken, volgens optimale werkmethoden zoals die zijn gebleken uit eerdere ervaring op andere beleidsterreinen, om zo de beste voorwaarden te creëren voor het toekomstig toezicht van het Europees Parlement op gedelegeerde handelingen; [Am. 17]

Overwegende dat om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden moeten worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de voorschriften en algemene beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren  (***) ; [Am. 18]

Overwegende dat het wenselijk is dat voor de vaststelling van toezichtmaatregelen de raadplegingsprocedure wordt toegepast, gelet op de effecten van de deze maatregelen en de gevolgtijdelijke logica ervan in verhouding tot de vaststelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen; [Am. 19]

(***)   PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.”. "

1.

Artikel 3, lid 3, komt als volgt te luiden:

„3.   Alle in bijlage V genoemde textielproducten die van oorsprong zijn uit de aldaar genoemde landen, mogen in de Unie worden ingevoerd, op voorwaarde dat daarvoor door de Commissie een jaarlijks kwantitatief maximum is vastgesteld. De Commissie wordt gemachtigd om gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de relevante bijlagen overeenkomstig artikel 25 bis betreffende de vaststelling van dergelijke jaarlijkse kwantitatieve maxima.”.

2.

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt geschrapt; [Am. 20]

b)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De Commissie wordt gemachtigd om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 25 bis betreffende de vereiste maatregelen om de bijlagen III tot en met VII aan te passen.”.

2 bis.

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1, wordt de inleidende formule vervangen door:

„1.     Wanneer de Commissie op grond van de ontvangen inlichtingen van oordeel is dat er voldoende redenen zijn om over te gaan tot een onderzoek van de voorwaarden waarop de in artikel 1 bedoelde producten worden ingevoerd, gaat zij als volgt te werk:”;

[Am. 21]

b)

in lid 2, wordt de eerste alinea vervangen door:

„2.     Naast de gegevens die zij uit hoofde van artikel 6 heeft ontvangen, wint de Commissie alle andere inlichtingen in die zij nodig acht en verifieert zij deze inlichtingen, indien nodig, bij importeurs, handelaars, vertegenwoordigers, producenten en handelsverenigingen of -organisaties.”.

[Am. 22]

2 ter.

Artikel 8, lid 2, wordt vervangen door:

Indien de Commissie van oordeel is dat het niet nodig is toezicht van de Unie in te stellen of vrijwaringsmaatregelen te nemen, maakt zij in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend dat het onderzoek is afgesloten en geeft zij hierin een samenvatting van haar belangrijkste conclusies.”. [Am. 23]

2 quater.

In artikel 11, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1, punten a) en b), worden vervangen door:

„a)

besluiten tot toezicht van de Unie achteraf op bepaalde ingevoerde producten, overeenkomstig de in artikel 25, lid 1 bis, aangewezen raadplegingsprocedure;. [Am. 24]

b)

besluiten de invoer van bepaalde producten van een voorafgaand toezicht van de Unie afhankelijk te stellen, teneinde de ontwikkelingen van deze invoer te kunnen volgen, overeenkomstig de in artikel 25, lid 1 bis, aangewezen raadplegingsprocedure.”;

[Am. 25]

b)

in lid 2, worden punten a) en b) vervangen door:

„a)

besluiten tot toezicht van de Unie achteraf op bepaalde ingevoerde producten, overeenkomstig de in artikel 25, lid 1 bis, aangewezen raadplegingsprocedure;[Am. 26]

b)

besluiten de invoer van bepaalde producten van een voorafgaand toezicht van de Unie afhankelijk te stellen, teneinde de ontwikkelingen van deze invoer te kunnen volgen, overeenkomstig de in artikel 25, lid 1 bis, aangewezen raadplegingsprocedure.”.

[Am. 27]

3.

Artikel 12, lid 3, komt als volgt te luiden:

„3.   De Commissie is bevoegd overeenkomst artikel 25 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen.”.

4.

Artikel 13 komt als volgt te luiden:

„Artikel 13

Wanneer dringende redenen daartoe noodzaken ingeval de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat, constateert dat aan de voorwaarden van artikel 12, leden 1 en 2, is voldaan en van oordeel is dat voor een bepaalde, in bijlage I genoemde categorie producten waarop geen kwantitatieve beperkingen van toepassing zijn, een kwantitatief contingent, voorafgaand toezicht of toezicht achteraf moet worden ingesteld, wordt zij gemachtigd om overeenkomstig artikel 25 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in artikel 12, leden 1 en 2, bedoelde maatregelen in te stellen.”.

4 bis.

In artikel 15 wordt de inleidende formule vervangen door:

„Overeenkomstig de in artikel 25, lid 1 bis, aangewezen raadplegingsprocedure kan de Commissie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, wanneer de in artikel 12, lid 2, bedoelde situatie zich dreigt voor te doen:”.

[Am. 28]

5.

In Artikel 16 wordt de derde alinea wordt vervangen door:

„De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de in de eerste alinea bedoelde maatregelen.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 25 ter bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig het derde lid worden vastgesteld.”.

6.

in artikel 25, leden 2, 3 en 4, worden vervangen door:

„1 bis.     Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Het adviescomité brengt binnen een maand na de datum van indiening zijn advies uit.; [Am. 29]

2.     Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Het onderzoekscomité brengt zijn advies uit binnen een maand na de datum van indiening. [Am. 30]

3.     Als het advies van het comité moet worden verkregen volgens een schriftelijke procedure, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien de voorzitter van het comité binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies — daartoe besluit of een meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.”;

[Am. 31]

7.

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 25 bis

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 3, artikel 5, lid 2, artikel 12, lid 3, artikel 13, artikel 16 en artikel 28, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd verleend een periode van vijf jaar met ingang van …  (****) . De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 32]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 3, artikel 5, lid 2, artikel 12, lid 3, artikel 13, artikel 16 en artikel 28 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de de in dat besluit genoemde bevoegdhed. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 3, lid 3, artikel 5, lid 2, artikel 12, lid 3, artikel 13, artikel 16 en artikel 28 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden vier maanden verlengd. [Am. 33]

Artikel 25 ter

1.   Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling, treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt aangetekend overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 25 bis, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.”.

7 bis.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 26 bis

1.     De Commissie dient halfjaarlijks bij het Europees Parlement een verslag in over de toepassing van deze verordening.

2.     Het verslag bevat informatie over de tenuitvoerlegging van deze verordening.

3.     Het Europees Parlement kan de Commissie binnen een maand nadat deze het verslag heeft ingediend, op een ad-hocvergadering van zijn bevoegde commissie uitnodigen om alle aspecten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze verordening uiteen te zetten en toe te lichten.

4.     Uiterlijk zes maanden na indiening van het verslag bij het Europees Parlement maakt de Commissie het verslag openbaar.”.

[Am. 34]

8.

Artikel 28 komt als volgt te luiden:

„Artikel 28

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 bis gedelegeerde handelingen om zo nodig de relevante bijlagen te wijzigen om rekening te houden met de conclusie, de wijziging of de afloop van overeenkomsten of regelingen met derde landen of wijzigingen in de regels van de Unie inzake statistieken, douaneregelingen of gemeenschappelijke regels voor invoer”.

3.   Verordening (EG) nr. 953/2003 van de Raad van 26 mei 2003 ter voorkoming van verlegging van het handelsverkeer in bepaalde belangrijke geneesmiddelen naar de Europese Unie  (3)

In Verordening (EG) nr. 953/2003 moet voor de toevoeging van producten aan de lijst van de onder die verordening vallende producten de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden gedelegeerd om de bijlage bij die verordening te wijzigen.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 953/2003 als volgt gewijzigd:

-1.

Overweging 12 wordt vervangen door:

„(12)

Teneinde producten toe te voegen aan de lijst van producten waarop onderhavige verordening van toepassing is, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot het wijzigen van de bijlagen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer met deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. De Commissie moet volledige gegevens en documentatie verstrekken over de bijeenkomsten met nationale deskundigen die zij belegt in het kader van haar werkzaamheden ter voorbereiding en tenuitvoerlegging van gedelegeerde handelingen. In dit verband moet de Commissie ervoor zorgen dat het Europees Parlement naar behoren bij het proces wordt betrokken, volgens optimale werkmethoden zoals die zijn gebleken uit eerdere ervaring op andere beleidsterreinen, om zo de beste voorwaarden te creëren voor het toekomstig toezicht van het Europees Parlement op gedelegeerde handelingen.”.
[Ams.35 en 36]

1.

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 en lid 4 worden vervangen door:

„3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 5 gedelegeerde handelingen vast te stellen om te bepalen of een product aan de criteria van deze verordening voldoet.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 5 bis bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.

4.   Wanneer aan de in deze verordening gestelde eisen wordt voldaan, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 5 gedelegeerde handelingen vast te stellen om het betrokken product bij de eerstvolgende bijwerking aan bijlage I toe te voegen. De aanvrager wordt binnen 15 dagen op de hoogte gebracht van het besluit van de Commissie.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 5 bis bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”;

b)

lid 9 wordt vervangen door:

„9.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 5 gedelegeerde handelingen vast te stellen om zo nodig de bijlagen II, III en IV aan te passen in het licht van onder meer de bij de toepassing daarvan opgedane ervaring of om op een gezondheidscrisis te reageren.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 5 bis bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”.

2.

Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel gestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 4 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend voor een termijn van vijf jaar met ingang van …  (*****). De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 37]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 4 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.

5.   Een krachtens artikel 4 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden vier maanden verlengd.”.

[Am. 38]

3.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 5 bis

1.   Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelgeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt aangetekend overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 5, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dit geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.”.

4.

Artikel 11, lid 2, komt als volgt te luiden:

„2.   De Commissie brengt regelmatig halfjaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoer van geneesmiddelen die in het kader van de prijsdifferentiatie tegen sterk gereduceerde prijzen worden verkocht, alsmede over de hoeveelheden die in het kader van een partnerschap tussen de fabrikant en de regering van een land van bestemming worden verkocht. In dat verslag moeten de landen en ziekten, alsmede de algemene criteria voor de implementatie van artikel 3 worden getoetst. [Am. 39]

3.     Het Europees Parlement kan de Commissie binnen een maand nadat deze het verslag heeft ingediend, op een ad-hocvergadering van zijn bevoegde commissie uitnodigen om alle aspecten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze verordening uiteen te zetten en toe te lichten. [Am. 40]

4.     Uiterlijk zes maanden na indiening van het verslag bij het Europees Parlement en de Raad maakt de Commissie het openbaar.”.

[Am. 41]

4.   Verordening (EG) nr. 673/2005 van de Raad van 25 april 2005 tot vaststelling van aanvullende douanerechten op de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika  (4)

In Verordening (EG) nr. 673/2005 moet, om de nodige aanpassingen in de in die verordening vastgestelde maatregelen aan te brengen, de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van die aanpassingen.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 673/2005 als volgt gewijzigd:

-1.

Overweging 7 wordt vervangen door:

„(7)

Teneinde de noodzakelijke aanpassingen aan te brengen op de maatregelen uit hoofde van deze verordening moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van het percentage van de aanvullende douanerechten of van de lijsten in de bijlagen I en II op de in onderhavige verordening bepaalde voorwaarden. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer met deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. De Commissie moet volledige gegevens en documentatie verstrekken over de bijeenkomsten met nationale deskundigen die zij belegt in het kader van haar werkzaamheden ter voorbereiding en tenuitvoerlegging van gedelegeerde handelingen. In dit verband moet de Commissie ervoor zorgen dat het Europees Parlement naar behoren bij het proces wordt betrokken, volgens optimale werkmethoden zoals die zijn gebleken uit eerdere ervaring op andere beleidsterreinen, om zo de beste voorwaarden te creëren voor het toekomstig toezicht van het Europees Parlement op gedelegeerde handelingen.”.

[Am. 42]

1.

Artikel 3, lid 3, komt als volgt te luiden:

„3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 4 gedelegeerde handelingen vast te stellen om krachtens dit artikel aanpassingen en wijzigingen aan te brengen.

Wanneer, in geval van aanpassingen en wijzigingen in de bijlagen, dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 4 bis bedoelde procedure van toepassing op overeenkomstig dit lid vastgestelde gedelegeerde handelingen.”.

2.

Artikel 4 komt als volgt te luiden:

„Artikel 4

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend onder de in dit artikel gestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend voor de duur van vijf jaar met ingang van …  (******). De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 43]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.

5.   Een overeenkomst artikel 3, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of als zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden vier maanden verlengd.”.

[Am. 44]

3.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 4 bis

1.   Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en zijn van toepassing zolang geen bezwaar wordt aangetekend overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 4, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dit geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.”.

3 bis.

Artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot intrekking van deze verordening in, zodra de Verenigde Staten van Amerika de aanbevelingen van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO volledig hebben uitgevoerd.”.

[Am. 45]

5.   Verordening (EG) nr. 1342/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 betreffende het beheer van bepaalde beperkingen op de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten uit de Russische Federatie  (5)

In Verordening (EG) nr. 1342/2007 moet, om het doeltreffende beheer via aanpassingen van de beperkingen op de invoer van bepaalde staalproducten mogelijk te maken, de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de wijzigingen in bijlage V.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 1342/2007 als volgt gewijzigd:

-1.

De volgende overweging wordt ingevoegd:

„(10 bis)

Ten einde doeltreffend beheer via vaststelling van aanpassingen van de beperkingen op de invoer van bepaalde staalproducten mogelijk te maken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vast te stellen ten aanzien van de wijzigingen in bijlage V. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer met deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. De Commissie moet volledige gegevens en documentatie verstrekken over de bijeenkomsten met nationale deskundigen die zij belegt in het kader van haar werkzaamheden ter voorbereiding en tenuitvoerlegging van gedelegeerde handelingen. In dit verband moet de Commissie ervoor zorgen dat het Europees Parlement naar behoren bij het proces wordt betrokken, volgens optimale werkmethoden zoals die zijn gebleken uit eerdere ervaring op andere beleidsterreinen, om zo de beste voorwaarden te creëren voor het toekomstig toezicht van het Europees Parlement op gedelegeerde handelingen.”.

[Am. 46]

1.

Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

Voor de toepassing van artikel 3, leden 3 en 4, en artikel 10, lid 1, tweede alinea, van de overeenkomst, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 31 bis van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om de nodige aanpassingen in de kwantitatieve maxima in bijlage V aan te brengen.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 31bis bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”.

2.

Artikel 6, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Indien de Unie en de Russische Federatie geen bevredigende oplossing kunnen vinden en de Commissie vaststelt dat duidelijk bewijs van ontwijking voorhanden is, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 31 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende aanpassingen in bijlage V om een gelijkwaardige hoeveelheid producten van oorsprong uit de Rusische Federatie in mindering te brengen op de kwantitatieve maxima.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 31 bis bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”.

3.

Artikel 12 wordt vervangen door:

„Wanneer een overeenkomstig de in artikel 11 bedoelde EU-procedures genomen indelingsbesluit betrekking heeft op een productgroep waarop een kwantitatieve beperking van toepassing is, opent de Commissie indien nodig onverwijld het in artikel 9 bedoelde overleg teneinde tot overeenstemming te komen over de eventueel vereiste aanpassing van de desbetreffende kwantitatieve beperkingen van bijlage V. De Commissie is bevoegd daartoe overeenkomstig artikel 31 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende aanpassingen in bijlage V.”.

4.

De volgende artikelen worden ingevoegd na de titel van hoofdstuk IV:

„Artikel 31 bis

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend onder de in dit artikel gestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 5, artikel 6, lid 3, en artikel 12 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend voor een termijn van vijf jaar met ingang van …  (*******). De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 47]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, artikel 6, lid 3, en artikel 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 5, artikel 6, lid 3, en artikel 12 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving daartegen bezwaar heeft gemaakt, of als zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden vier maanden verlengd. [Am. 48]

Artikel 31 ter

1.   Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 25 bis, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dit geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit van het Europees Parlement of de Raad om bezwaar aan te tekenen.”.

6.   Verordening (EG) nr. 1528/2007 van de Raad van 20 December 2007 tot toepassing van de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), die zijn opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst  (6)

In Verordening (EG) nr. 1528/2007 moet, om technische aanpassingen aan te brengen in de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de technische wijzigingen in die verordening.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 1528/2007 als volgt gewijzigd:

-1.

De volgende overweging wordt ingevoegd:

„(16 bis)

Ten einde de bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de toepassing van deze verordening moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijzigingen in bijlage I om regio's of staten toe te voegen of te schrappen en met betrekking tot de invoering van technische wijzigingen in bijlage II, die noodzakelijk zijn wegens de toepassing van deze bijlage. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer met deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en opgepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad. De Commissie moet volledige gegevens en documentatie verstrekken over de bijeenkomsten met nationale deskundigen die zij belegt in het kader van haar werkzaamheden ter voorbereiding en tenuitvoerlegging van gedelegeerde handelingen. In dit verband moet de Commissie ervoor zorgen dat het Europees Parlement naar behoren bij het proces wordt betrokken, volgens optimale werkmethoden zoals die zijn gebleken uit eerdere ervaring op andere beleidsterreinen, om zo de beste voorwaarden te creëren voor het toekomstig toezicht van het Europees Parlement op gedelegeerde handelingen.”.

[Am. 49]

-1bis.

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.     De Commissie wijzigt bijlage I door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 24 bis om regio's en staten uit de ACS-groep van staten toe te voegen die onderhandelingen hebben afgesloten over een overeenkomst met de Unie, alsook regio's en staten die ten minste voldoen aan de eisen van artikel XXIV van de GATT 1994.”:

[Am. 50]

b)

in lid 3 wordt de inleidende zin vervangen door:

„3.     Deze regio of staat blijft op de lijst in bijlage I staan, tenzij de Commissie overeenkomstig artikel 24 bis een gedelegeerde handeling aanneemt tot wijziging van bijlage I om een regio of staat uit deze bijlage te verwijderen, met name indien:”.

[Am. 51]

1.

Artikel 4, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De Commissie houdt toezicht op de uitvoering en toepassing van bijlage II en wordt hierbij bijgestaan door het Comité Douanewetboek, dat is ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (********).

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel [het nummer van het (de) artikel(en) tot vaststelling van de procedure voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen invoegen, momenteel de artikelen 24 bis, 24 ter en 24 quarter van voorstel COM(2011) 82 definitief] artikel 24 bis betreffende de technische wijzigingen in bijlage II die nodig zijn als gevolg van de toepassing van die bijlage. [Am. 52]

5.   Besluiten inzake het beheer van bijlage II kunnen worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van de artikelen 247 en 247 bis van Verordening (EEG) nr. 2913/92

(********)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.”."

2.

Artikel 23 komt als volgt te luiden:

„Artikel 23

Aanpassing aan technische ontwikkelingen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel [het nummer van het (de) artikel(en) tot vaststelling van de procedure voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen invoegen, momenteel de artikelen 24 bis, 24 ter en 24 quarter van voorstel COM(2011) 82 definitief] artikel 24 bis betreffende de technische aanpassingen in de artikelen 5 en 8 tot en met 22 aan te brengen die nodig zijn als gevolg van de verschillen tussen deze verordening en ondertekende overeenkomsten met voorlopige toepassing of overeenkomsten die overeenkomstig artikel 218 VWEU zijn gesloten met de in bijlage I opgenomen regio's of staten.”.

[Am. 53]

2 bis.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 24 bis

Uitoefening van de delegatie

1.     De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.     De in artikel 2, leden 2 en 3, artikel 4, lid 4, en artikel 23 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor de duur van vijf jaar met ingang van …  (*********) . De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.     Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, leden 2 en 3, artikel 4, lid 4, en artikel 23 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit bedoelde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.     Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij daar gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.     Een overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 3, artikel 4, lid 4, en artikel 23 aangenomen gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen twee maanden na kennisgeving van deze handeling aan het Europees Parlement of de Raad daartegen geen bezwaar hebben gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie beiden hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met vier maanden verlengd.”.

[Am. 54]

7.   Verordening (EG) nr. 55/2008 van de Raad van 21 januari 2008 tot invoering van autonome handelspreferenties voor de Republiek Moldavië en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 980/2005 en Besluit 2005/924/EG van de Commissie  (7)

In Verordening (EG) nr. 55/2008 moet, om de aanpassing van de verordening mogelijk te maken, de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de vereiste wijzigingen in het licht van veranderingen in douanecodes of voor het sluiten van overeenkomsten met Moldavië.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 55/2008 als volgt gewijzigd:

-1.

De volgende overweging wordt ingevoegd:

„(12 bis)

Ten einde aanpassing van onderhavige verordening mogelijk te maken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen die vereist zijn als gevolg van veranderingen in de douanewetgeving of voor het sluiten van overeenkomsten met Moldavië. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer met deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. De Commissie moet volledige gegevens en documentatie verstrekken over de bijeenkomsten met nationale deskundigen die zij belegt in het kader van haar werkzaamheden ter voorbereiding en tenuitvoerlegging van gedelegeerde handelingen. In dit verband moet de Commissie ervoor zorgen dat het Europees Parlement naar behoren bij het proces wordt betrokken, volgens optimale werkmethoden zoals die zijn gebleken uit eerdere ervaring op andere beleidsterreinen, om zo de beste voorwaarden te creëren voor het toekomstig toezicht van het Europees Parlement op gedelegeerde handelingen.”.

[Am. 55]

1.

Artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

Verlening van bevoegdheden

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 8 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen om de nodige wijzigingen en aanpassingen aan te brengen in de bepalingen van de verordening als gevolg van:

a)

wijzigingen in de codes van de gecombineerde nomenclatuur en de Taric-onderverdelingen;

b)

de sluiting van andere overeenkomsten tussen de Unie en Moldavië.”

2.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 8 ter

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel gestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van …  (**********). De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen deze verlenging verzet . [Am. 56]

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 7 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of als zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden vier maanden verlengd.”.

[Am. 57]

2 bis.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 12 bis

Verslag

1.     De Commissie dient halfjaarlijks bij het Europees Parlement een verslag in over de toepassing van deze verordening.

2.     Het verslag bevat informatie over de tenuitvoerlegging van deze verordening.

3.     Het Europees Parlement kan de Commissie binnen een maand nadat deze het verslag heeft ingediend, op een ad-hocvergadering van zijn bevoegde commissie uitnodigen om alle aspecten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze verordening uiteen te zetten en toe te lichten.

4.     Uiterlijk zes maanden na indiening van het verslag bij het Europees Parlement maakt de Commissie het verslag openbaar.”.

[Am. 58]

8.     Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad van 22 juli 2008 betreffende de toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 552/97 en (EG) nr. 1933/2006 van de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1100/2006 en (EG) nr. 964/2007 van de Commissie  (8)

In Verordening (EG) nr. 732/2008 moet, om de bijlagen aan de ontwikkelingen aan te passen, de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van bepaalde aanpassingen in de bijlagen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden het nodige overleg pleegt, ook op deskundigenniveau.

Bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen dient de Commissie erop toe te zien dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op passende wijze bij het Europees Parlement en de Raad worden ingediend.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 732/2008 als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 10, lid 2, komt als volgt te luiden:

„2.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 27 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om na onderzoek van het verzoek te beslissen of zij een verzoekende land de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur toekent en om bijlage I dienovereenkomstig te wijzigen.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 27 ter bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”

2.

Artikel 11, lid 8, komt als volgt te luiden:

„8.   Wanneer een land door de Verenigde Naties van de lijst van minst ontwikkelde landen wordt verwijderd, wordt het van de lijst van begunstigde landen van deze regeling geschrapt. De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 27 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om een land van de regeling uit te sluiten door wijziging van bijlage I en om een overgangsperiode van ten minste drie jaar vast te stellen.”

3.

Artikel 25 komt als volgt te luiden:

„Artikel 25

De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 27 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om wijzigingen in de bijlagen vast te stellen die nodig zijn als gevolg van:

a)

wijzigingen in de gecombineerde nomenclatuur;

b)

wijzigingen in de internationale status of indeling van landen of gebieden;

c)

de toepassing van artikel 3, lid 2;

d)

het feit dat een land de in artikel 3, lid 1, vastgestelde drempels heeft bereikt.”

4.

De volgende artikelen 27 bis en 27 ter worden ingevoegd:

„Artikel 27 bis

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend onder de in dit artikel gestelde voorwaarden.

2.   De delegatie van de bevoegdheid, als bedoeld in artikel 10, lid 2, artikel 11, lid 8, en artikel 25 wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend.

3.   De delegatie van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 10, lid 2, artikel 11, lid 8, en artikel 25, kan door het Europees Parlement of de Raad te allen tijde worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij daar tegelijkertijd het Europees Parlement en de Raad van in kennis.

5.   Een krachtens artikel 10, lid 2, artikel 11, lid 8, en artikel 25 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als noch het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt of als zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van deze termijn heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee maanden worden verlengd.

Artikel 27 ter

Spoedprocedure

1.   Gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit artikel worden vastgesteld, treden onmiddellijk in werking en zijn van toepassing zolang geen bezwaar wordt aangetekend overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 27 bis, lid 5, bedoelde procedure bezwaar aantekenen tegen een gedelegeerde handeling. In dit geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit van het Europees Parlement of de Raad om bezwaar aan te tekenen.”

[Am. 59]

9.   Verordening (EG) nr. 1340/2008 van de Raad van 8 december 2008 betreffende de handel in bepaalde ijzer- en staalproducten tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kazachstan  (9)

In Verordening (EG) nr. 1340/2008 moet, om het doeltreffende beheer van bepaalde beperkingen mogelijk te maken, de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de wijzigingen in bijlage V.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 1340/2008 als volgt gewijzigd:

-1.

De volgende overweging wordt ingevoegd:

„(9 bis)

Ten einde het mogelijk te maken dat een aantal beperkingen daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van wijzigingen op bijlage V. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer met deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. De Commissie moet volledige gegevens en documentatie verstrekken over de bijeenkomsten met nationale deskundigen die zij belegt in het kader van haar werkzaamheden ter voorbereiding en tenuitvoerlegging van gedelegeerde handelingen. In dit verband moet de Commissie ervoor zorgen dat het Europees Parlement naar behoren bij het proces wordt betrokken, volgens optimale werkmethoden zoals die zijn gebleken uit eerdere ervaring op andere beleidsterreinen, om zo de beste voorwaarden te creëren voor het toekomstig toezicht van het Europees Parlement op gedelegeerde handelingen.”.

[Am. 60]

1.

Artikel 5, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Indien de Unie en de Republiek Kazachstan geen bevredigende oplossing kunnen vinden en de Commissie vaststelt dat duidelijk bewijs van ontwijking voorhanden is, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 16 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om op de kwantitatieve maxima een gelijkwaardige hoeveelheid producten van oorsprong uit de Republiek Kazachstan in mindering te brengen en om bijlage V dienovereenkomstig te wijzigen.

Wanneer een vertraging bij de instelling van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen is en daarom dwingende urgente redenen dat vereisen, is de in artikel 16 ter bedoelde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit lid worden vastgesteld.”.

2.

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 16 bis

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel gestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 5, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt voor onbepaalde tijd toegekend voor de duur van vijf jaar met ingang van …  (***********). De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 61].

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 3, bedoelde bevoegdheid te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 5, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden vier maanden verlengd. [Am. 62]

Artikel 16 ter

1.   Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt aangetekend overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 16 bis, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dit geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit van het Europees Parlement of de Raad om bezwaar aan te tekenen.”

10.     Verordening (EG) nr. 1215/2009 van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van uitzonderlijke handelsmaatregelen ten behoeve van de landen en gebieden die deelnemen aan of verbonden zijn met het stabilisatie- en associatieproces van de Europese Unie  (10)

In Verordening (EG) nr. 1215/2009 moet, om de aanpassing van de verordening mogelijk te maken, de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de vereiste wijzigingen in het licht van veranderingen in douanecodes of voor het sluiten van overeenkomsten met de onder die verordening vallende landen en gebieden. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden het nodige overleg pleegt, ook op deskundigenniveau.

Bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen dient de Commissie erop toe te zien dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op passende wijze bij het Europees Parlement en de Raad worden ingediend.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 1215/2009 als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 7 komt als volgt te luiden:

„Artikel 7

Verlening van bevoegdheden

De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 8 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen om de nodige wijzigingen en aanpassingen aan te brengen in de bepalingen van deze verordening als gevolg van:

a)

wijzigingen in de codes van de gecombineerde nomenclatuur en de Taric-onderverdelingen;

b)

de sluiting van andere overeenkomsten tussen de Unie en de in artikel 1 genoemde landen en gebieden.”

2.

Het volgende artikel 8 ter wordt ingevoegd:

„Artikel 8 ter

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.   De delegatie van de bevoegdheid, als bedoeld in artikel 7, wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend.

3.   De in artikel 7 bedoelde delegatie van bevoegdheden kan te allen tijde door het Europees Parlement of door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij daar tegelijkertijd het Europees Parlement en de Raad van in kennis.

5.   Een krachtens artikel 7 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als noch het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of als zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van deze termijn heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee maanden worden verlengd.”

[Am.63]

(1)  PB L 275 van 8.11.1993, blz. 1.

(**)   Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(2)  PB L 67 van 10.3.1994, blz. 1.

(****)   Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(3)  PB L 135 van 3.6.2003, blz. 5.

(*****)   Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(4)  PB L 110 van 30.4.2005, blz. 1.

(******)   Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(5)  PB L 300 van 17.11.2007, blz. 1.

(*******)   Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(6)  PB L 348 van 31.12.2007, blz. 1.

(*********)   Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(7)  PB L 20 van 24.1.2008, blz. 1.

(**********)   Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(8)   PB L 211 van 6.2.2008, blz. 1.

(9)  PB L 348 van 24.12.2008, blz. 1.

(***********)   Datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(10)   PB L 328 van 15.12.2009, blz. 1.


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/273


P7_TA(2012)0448

Instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen ***I

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 22 november 2012 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1288/2009 (COM(2012)0298 — C7-0156/2012 — 2012/0158(COD)) (1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2015/C 419/53)

[Amendement 32]


(1)  De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe behandeling naar de bevoegde Commissie uit hoofde van artikel 57, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A7-0342/2012).

(*)  Amendementen: nieuwe of gewijzigde tekst wordt in vet cursief weergegeven; schrappingen worden aangeduid met het symbool ▌.


VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN VAN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1434/98 tot vaststelling van de voorwaarden waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1288/2009 van de Raad van 27 november 2009 tot vaststelling van technische overgangsmaatregelen van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2011 (2), namelijk Verordening (EU) nr. 579/2011 van het Europees parlement en van de Raad van 8 juni 2011 (3), voorzien, op voorlopige basis tot en met 31 december 2012, in de voortzetting van bepaalde technische maatregelen die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 43/2009 van de Raad van 16 januari 2009 tot vaststelling, voor 2009, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn (4), en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften.

(2)

Het wachten is op een nieuw raamwerk voor technische instandhoudingsmaatregelen dat in het kader van de lopende hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) zal worden ingesteld. Dit nieuwe raamwerk zal eind 2012 waarschijnlijk nog niet beschikbaar zijn en daarom is het gerechtvaardigd de bovengenoemde technische overgangsmaatregelen langer toe te passen.

(3)

Om een adequate instandhouding en een adequaat beheer van de biologische rijkdommen van de zee te blijven garanderen, moeten de voorlopige technische maatregelen worden opgenomen in Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad (5) en dient de verordening derhalve te worden bijgewerkt.

(3 bis)

Om een adequate instandhouding en een adequaat beheer van de biologische rijkdommen van de Zwarte Zee te blijven garanderen, moeten de minimummaten bij aanlanding en de minimummaaswijdten voor de tarbotvisserij die reeds eerder in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld, in Verordening (EG) nr. 85098 worden opgenomen.

 

(5)

Het verbod op highgrading in alle ICES-gebieden moet gehandhaafd blijven om de teruggooi van quotasoorten te verminderen .

(5 bis)

Om ongewenste vangsten te beperken moet, op basis van het overleg dat in 2009 tussen de Unie, Noorwegen en de Faeröer heeft plaatsgevonden, een verbod worden ingesteld op het terugzetten of uitgeleiden van sommige soorten en moet een verplichting worden ingevoerd om van visgrond te veranderen zodra 10 % van de vangst ondermaatse vis bevat.

(5 ter)

In het licht van het advies van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) moeten de beperkingen voor het aanlanden of aan boord houden van in ICES-sector IIa gevangen haring gehandhaafd blijven.

(6)

In het licht van het advies van het WTECV is de gebiedssluiting ter bescherming van paaiende haring in ICES-sector VIa niet langer nodig om de duurzame exploitatie van deze soort te garanderen en moet deze sluiting worden ingetrokken.

(7)

In het licht van het advies van het WTECV waarin het geringe voortplantingssucces van de drieteenmeeuw in verband wordt gebracht met de geringe aanwezigheid van zandspieringen, moet de gebiedssluiting in ICES-deelgebied IV gehandhaafd blijven, behalve voor een beperkte visserij per jaar die tot doel heeft het bestand te monitoren.

(8)

In het licht van het advies van het WTECV moet het gebruik van vistuig waarmee geen langoustines worden gevangen, kunnen worden toegestaan in bepaalde gebieden waar het vissen op langoustines is verboden.

 

(11)

In het licht van het advies van het WTECV moet de gebiedssluiting in ICES-sector VIb gehandhaafd blijven om jonge schelvis te beschermen.

(11 bis)

In het licht van het advies van de ICES en het WTECV moeten bepaalde technische instandhoudingsmaatregelen in de wateren ten westen van Schotland (ICES-sector VIa) om kabeljauw-, schelvis- en wijtingbestanden te beschermen, gehandhaafd blijven om aan de instandhouding van die visbestanden bij te dragen.

(11 ter)

In het licht van het advies van het WTECV moet het gebruik van handlijnen en gemechaniseerde peurlijnen voor het vissen op koolvis in ICES-sector VIa worden toegestaan.

(11 quater)

In het licht van het advies van het WTECV over de ruimtelijke spreiding van kabeljauw in ICES-sector VIa, waaruit blijkt dat de grote meerderheid van kabeljauwvangsten plaatsvinden ten noorden van 59oNB, moet het gebruik van kieuwnetten ten zuiden van die lijn worden toegestaan.

(11 quinquies)

In het licht van het advies van het WTECV moet het gebruik van kieuwnetten voor het vissen op hondshaai in ICES-sector VIa worden toegestaan.

(11 sexies)

De gepastheid van de kenmerken van vistuigen in het kader van de afwijking voor het vissen met trawls, bodemzegens of soortgelijke vistuigen in ICES-sector VIa moet op gezette tijden in het licht van wetenschappelijk advies opnieuw worden bezien teneinde deze kenmerken te wijzigen of de vermelding ervan in te trekken.

(11 septies)

In het licht van het advies van het WTECV moet een gebiedssluiting in ICES-sector VIa worden ingevoerd om jonge kabeljauw te beschermen.

(11 octies)

De gepastheid van het verbodop de visserij op kabeljauw, schelvis en wijting in ICES-deelgebied VI, moet periodiek worden getoetst in het licht van wetenschappelijk advies, met het oog op de wijziging of intrekking van dat artikel.

(11 nonies)

In het licht van het advies van de ICES en het WTECV moeten maatregelen ter bescherming van kabeljauwbestanden in de Keltische Zee (ICES-sectoren VIIf en VIIg) gehandhaafd blijven.

(12)

In het licht van het advies van het WTECV moeten de maatregelen om de paaibestanden van blauwe leng in ICES-sector VIa te beschermen, gehandhaafd blijven.

(13)

De maatregelen die in 2011 door de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) zijn vastgesteld om roodbaarzen in de internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en II te beschermen, moeten gehandhaafd blijven.

(14)

De maatregelen die de NEAFC in 2011 heeft vastgesteld om roodbaarzen in de Irminger Zee en aangrenzende wateren te beschermen, moeten gehandhaafd blijven.

(15)

In het licht van het advies van het WTECV moet het vissen met de boomkor met elektrische stroom („pulse trawling”) onder voorwaarden verder worden toegestaan in de ICES-sectoren IVc en IVb zuid.

(16)

Sommige maatregelen ter beperking van de capaciteit voor het behandelen en lozen van vangsten van pelagische vaartuigen die in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan op makrelen, haring en horsmakrelen vissen, dienen, ▌ op basis van het overleg dat in 2009 tussen de Unie, Noorwegen en de Faeröer heeft plaatsgevonden , permanent te worden toegepast.

(17)

In het licht van het advies van het WTECV moeten de technische instandhoudingsmaatregelen om bestanden volwassen kabeljauw in de Ierse Zee tijdens het paaiseizoen te beschermen, gehandhaafd blijven.

(17 bis)

In het licht van het advies van het WTECV moet het gebruik van sorteerroosters in een beperkt gebied in ICES-sector VIIa worden toegestaan.

(18)

In het licht van het advies van het WTECV mag het vissen met kieuw- en warnetten in de ICES-sectoren IIIa, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk en de ICES-deelgebieden VIII, IX, X en XII ten oosten van 27oWL in wateren met een kaartdiepte van meer dan 200 meter, maar minder dan 600 meter, alleen worden toegestaan onder bepaalde voorwaarden die de biologisch kwetsbare diepzeesoorten bescherming bieden.

(18 bis)

De interactie tussen de verschillende regelingen voor visserij met kieuwnetten behoeft verduidelijking, in het bijzonder wat ICES-deelgebied VII betreft. Met name moet gespecificeerd worden dat de bijzondere afwijkingsregeling voor visserij met kieuwnetten met een maaswijdte van 100 mm of meer in ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk en de daaraan verbonden specifieke voorwaarden, alleen gelden in wateren met een kaartdiepte van meer dan 200 maar minder dan 600 meter, wat betekent dat in ICES-sectoren VIIa, VIId, VIIe, VIIf, VIIg en VIIh en in wateren met een kaartdiepte van minder dan 200 meter in ICES-sectoren IIIa, IVa, V, VIa, VIB, VIIb, c, j en k de in Verordening (EG) nr. 850/98 vastgestelde standaardregels betreffende de maaswijdteklasse en de vangstsamenstelling van toepassing zijn.

(18 ter)

In het licht van het advies van het WTECV dient in ICES-deelgebied IX in wateren met een kaartdiepte van meer dan 200 maar minder dan 600 meter het gebruik van schakelnetten te worden toegestaan.

(19)

Het gebruik van bepaald selectief vistuig in de Golf van Biskaje moet verder worden toegestaan om de duurzame exploitatie van de heek- en de langoustinebestanden te garanderen en de teruggooi van deze soorten te verminderen.

(20)

De beperkingen op het vissen in bepaalde gebieden om kwetsbare diepzeehabitats te beschermen die de NEAFC in 2004 voor het gereglementeerde NEAFC-gebied heeft vastgesteld en de beperkingen die de Unie in 2008 heeft vastgesteld voor bepaalde gebieden van de ICES-sectoren VIIc, VIIj en VIIk en ICES-sector VIIIc, moeten gehandhaafd blijven.

(21)

Volgens het advies van een gezamenlijke werkgroep Unie/Noorwegen inzake technische maatregelen draagt het weekendverbod op de visserij op haring, makrelen of sprot met sleepnetten of ringzegens in het Skagerrak en het Kattegat niet langer bij aan de instandhouding van de pelagische visbestanden als gevolg van de wijzigingen in de visserijpatronen. Derhalve moet dit verbod, op basis van het overleg dat in 2011 tussen de Unie, Noorwegen en de Faeröer heeft plaatsgevonden , worden opgeheven.

(22)

Duidelijkheidshalve en met het oog op een betere regelgeving moeten bepaalde verouderde bepalingen worden geschrapt.

(22 bis)

De maaswijdteklassen, de doelsoorten en de vereiste vangstpercentages die in het Skagerrak en het Kattegat in het licht van gewijzigde visserijtendensen van toepassing zijn, en de verplichting om selectiever vistuig te gaan gebruiken moeten gehandhaafd blijven.

(23)

De minimummaat van Japanse tapijtschelp moet worden herzien in het licht van de biologische gegevens.

(24)

Om bij te dragen aan de instandhouding van de octopus, en met name om de jonge exemplaren te beschermen, moet een minimummaat worden vastgesteld voor octopus die wordt gevangen in de wateren onder de soevereiniteit of de jurisdictie van derde landen in het gebied van de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijke deel van de Atlantische Oceaan (CECAF).

(24 bis)

Voor ansjovis moet een maatstaf worden ingevoerd die gelijkwaardig is met de minimummaat bij aanlanding en die wordt uitgedrukt in aantal vissen per kilogram, aangezien dat het werk aan boord van de vaartuigen die gericht op deze soort vissen, zou vereenvoudigen en de controlemaatregelen aan land zou faciliteren.

(25)

▌De specificaties voor sorteerroosters ▌, die ten doel hebben de bijvangst in de langoustinevisserij in ICES-sector IIIa , ICES-deelgebied VI en ICES-sector VIIa te verminderen, moeten gehandhaafd blijven .

(26)

De specificaties voor panelen met vierkante mazen die onder bepaalde voorwaarden moeten worden gebruikt voor de visserij met bepaald gesleept vistuig in de Golf van Biskaje, moeten gehandhaafd blijven.

(27)

▌Het gebruik van panelen met vierkante mazen van 2 meter in vaartuigen met een motorvermogen van minder dan 112 kW in een afgebakend deel van ICES-sector VIa moet worden toegestaan.

(27 bis)

Ten gevolge van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 moet het woord „Gemeenschap” in het regelgevend gedeelte van Verordening (EG) nr. 850/98 worden gewijzigd.

(27 ter)

Teneinde te waarborgen dat eenvormige voorwaarden gelden voor de toepassing van vistuigen met een gelijkwaardige hoge selectiviteit bij de visserij op langoustine in ICES-sector VIa en dat een ontheffing van het verbod op het gebruik van kieuw-, war- en schakelnetten in ICES-deelgebieden VIII, IX en X, aan bepaalde visserijtakken van een lidstaat kan worden toegekend indien het niveau van bijvangst en teruggooi van haaien zeer laag is, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend zonder dat Verordening (EU) nr. 182/2011  (6) wordt toegepast.

(29)

Verordening (EG) nr. 850/98 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

(29 bis)

Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad stelt voorwaarden vast waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie. Een specifieke afwijking van de voorwaarden voor bijvangsten van haring, waarbij aanlanding is toegestaan voor de visserij met fijnmazig vistuig in ICES-sector IIIa, deelgebied IV, sector VIId en in EU-wateren van ICES-sector IIa, die eerder reeds in andere handelingen van de Unie is opgenomen, moet in voornoemde verordening worden opgenomen. Verordening (EG) nr. 1434/98 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 850/98

Verordening (EG) nr. 850/98 wordt als volgt gewijzigd:

(-1 bis)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 1 bis

In artikel 4, lid 2, onder c), artikel 46, lid 1, onder b), en bijlage I, voetnoot 5, wordt het substantief „Gemeenschap”, of het daarmee overeenstemmend adjectief, vervangen door het substantief „Unie”, of het daarmee overeenstemmend adjectief, en worden de grammaticale aanpassingen aangebracht die als gevolg van deze vervanging nodig zijn.”;

(-1 ter)

in artikel 2, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

„i)

Gebied 9

alle wateren van de Zwarte Zee die overeenkomen met geografisch deelgebied 29 als gedefinieerd in bijlage I van Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee)  (*) en in Resolutie GFCM/33/2009/2.

(*)   PB L 347 van 30.12.2011, blz. 44.” "

(-1 quater)

in artikel 11, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Deze afwijking is van toepassing onverminderd artikel 34 ter, lid 2, onder c).”;

(-1 quinquies)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 11 bis

In Gebied 9 bedraagt de minimummaaswijdte van geankerde kieuwnetten voor de visserij op tarbot 400 mm.”

(1 quinquies)

artikel 17 wordt vervangen door:

„Mariene organismen zijn ondermaats als zij kleiner zijn dan de minimummaat die in bijlage XII en bijlage XII bis voor de betrokken soort en de betrokken geografische zone is vastgesteld.”

(1 sexies)

aan artikel 19 wordt het volgende ingevoegd:

„4.     De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing in Gebied 9.”;

2)

de volgende titel wordt ingevoegd:

„TITEL III bis

MAATREGELEN OM TERUGGOOI TE VERMINDEREN

Artikel 19 bis

Verbod op highgrading

1.    In de gebieden 1, 2, 3 en 4 is het verboden aan een quotaregeling onderworpen soorten die tijdens visserijactiviteiten legaal kunnen worden aangeland, terug te gooien.

2.   De in lid 1 bedoelde bepalingen gelden onverminderd de verplichtingen die in deze verordening of in andere rechtshandelingen van de Unie op het gebied van de visserij zijn vastgesteld.

Artikel 19 ter

Gebiedsbepalingen en verbod op uitgeleiding

1.   Indien in de gebieden 1, 2, 3 en 4 de hoeveelheid ondermaatse makrelen, haring of horsmakrelen groter is dan 10 % van de in een enkele trek gevangen totale hoeveelheid, verandert het vaartuig van visgrond.

2.     In de gebieden 1, 2, 3 en 4 geldt een verbod op het terugzetten van makrelen, haring en horsmakrelen voordat het net volledig is binnengehaald indien zulks tot een verlies van dode of stervende vissen leidt.”;

3)

in artikel 20, lid 1, wordt punt d) geschrapt;

3 bis)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

Artikel 20 bis

Beperking van de haringvangst in EU-wateren van ICES-sector IIa

In de tijdvakken van 1 januari tot en met 28 februari en van 16 mei tot en met 31 december is het verboden in de EU-wateren van ICES-sector IIa haring aan te landen of aan boord te houden.”;

4)

artikel 29 bis wordt vervangen door:

„Artikel 29 bis

Sluiting van een gebied voor de visserij op zandspieringen in ICES-deelgebied IV

1.    Het is verboden zandspieringen aan te landen of aan boord te houden die gevangen zijn in het geografische gebied dat wordt begrensd door de oostkust van Engeland en Schotland en de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

de oostkust van Engeland op 55o30' NB,

55o30' NB, 01o00' WL,

58o00' NB, 01o00' WL,

58o00' NB, 02o00' WL,

de oostkust van Schotland op 02o00' WL.

2.     Visserij voor wetenschappelijke doeleinden is toegestaan om het zandspieringenbestand in het gebied en de gevolgen van de sluiting te monitoren.”;

5)

artikel 29 ter, lid 3, wordt als volgt gewijzigd:

„3.   In afwijking van het verbod in lid 1 is het vissen met korven waarmee geen langoustine wordt gevangen, toegestaan in de in genoemd lid genoemde geografisch gebieden en perioden.”;

6)

de volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 29 quater

Rockall-schelvisbox in ICES-deelgebied VI

1.   Elke vorm van visserij op Rockall-schelvis, met uitzondering van die met de beug, is verboden in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

57o00' NB, 15o00' WL,

57o00' NB, 14o00' WL,

56o30' NB, 14o00' WL,

56o30' NB, 15o00' WL,

57o00' NB, 15o00' WL.

Artikel 29 quinquies

Beperkingen op de visserij op kabeljauw, schelvis en wijting in ICES-deelgebied VI

1.   Elke vorm van visserij op kabeljauw, schelvis en wijting is verboden in het deel van ICES-sector VIa ten oosten of ten zuiden van de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

54o30' NB, 10o35' WL,

55o20' NB, 09o59' WL,

55o30' NB, 09o20' WL,

56o40' NB, 08o55' WL,

57o00' NB, 09o00' WL,

57o20' NB, 09o20' WL,

57o50' NB, 09o20' WL,

58o10' NB, 09o00' WL,

58o40' NB, 07o40' WL,

59o00' NB, 07o30' WL,

59o20' NB, 06o30' WL,

59o40' NB, 06o05' WL,

59o40' NB, 05o30' WL,

60o00' NB, 04o50' WL,

60o15' NB, 04o00' WL.

2.   Elk vissersvaartuig dat zich in het in lid 1 van dit artikel bedoelde gebied bevindt, ziet erop toe dat meegevoerd vistuig is vastgemaakt en opgeborgen overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (**).

3.   In afwijking van lid 1 is de visserij met vaste, aan palen bevestigde kustnetten, kamschelpkorren, mosselkorren, handlijnen, gemechaniseerde peurlijnen, sleepnetten en strandzegens, kommen en korven in het in lid 1 bedoelde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

(a)

geen ander vistuig dan vaste, aan palen bevestigde kustnetten, kamschelpkorren, mosselkorren, handlijnen, gemechaniseerde peurlijnen, sleepnetten en strandzegens, kommen en korven aan boord wordt gehouden of uitgezet; en

(b)

geen andere vissoorten dan makrelen, pollak, koolvis of zalm en geen andere schelpdieren dan weekdieren of schaaldieren aan boord worden gehouden, worden aangeland of aan land worden gebracht.

4.   In afwijking van lid 1 is de visserij met netten met een maaswijdte van minder dan 55 mm in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

(a)

geen netten met een maaswijdte van 55 mm of meer aan boord worden gehouden; en

(b)

geen andere vissoorten dan haring, makrelen, sardine, gouden sardinelle, horsmakrelen, sprot, blauwe wijting, evervis en zilversmelten aan boord worden gehouden.

4 bis.     In afwijking van lid 1 is de visserij met kieuwnetten met een maaswijdte van meer dan 120 mm in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

a)

deze netten alleen worden uitgezet in het gebied ten zuiden van 59oNB;

b)

maximaal 20 kilometer kieuwnet per vaartuig wordt uitgezet;

c)

de uitzettijd ten hoogste 24 uur bedraagt, en

d)

niet meer dan 5 % van de vangst uit wijting en kabeljauw bestaat.

4 ter.     In afwijking van lid 1 is de visserij met kieuwnetten met een maaswijdte van meer dan 90 mm in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

(a)

deze netten worden uitgezet binnen 3 zeemijlen uit de kust, gedurende maximaal 10 dagen per kalendermaand;

(b)

maximaal 1000 meter kieuwnet wordt uitgezet;

(c)

de uitzettijd ten hoogste 24 uur bedraagt, en

(d)

minstens 70 % van de vangst uit hondshaai bestaat.

5.   In afwijking van lid 1 is de visserij op langoustine in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

(a)

het gebruikte vistuig is uitgerust met een sorteerrooster overeenkomstig bijlage XIV bis, punten 2 tot en met 5, of met een paneel met vierkante mazen als omschreven in bijlage XIV quater, of met ander vistuig met een gelijkwaardige hoge selectiviteit

(b)

het vistuig is vervaardigd met een minimummaaswijdte van 80 mm;

(c)

de aan boord gehouden vangst in gewicht voor ten minste 30 % uit langoustine bestaat.

Op basis van een gunstig advies van het WTECV stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen de vistuigen vast die een gelijkwaardige hoge selectiviteit hebben voor de toepassing van punt a).

6.   Lid 5 is niet van toepassing in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

59o05' NB, 06o45' WL,

59o30' NB, 06o00' WL,

59o40' NB, 05o00' WL,

60o00' NB, 04o00' WL,

59o30' NB, 04o00' WL,

59o05' NB, 06o45' WL.

7.   In afwijking van lid 1 is de visserij met trawls, bodemzegens of soortgelijke vistuigen in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

(a)

alle netten aan boord van het vaartuig zijn vervaardigd met een minimummaaswijdte van 120 mm voor vaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter, respectievelijk 110 mm voor alle andere vaartuigen;

 

(c)

wanneer de aan boord gehouden vangst minder dan 90 % koolvis bevat, het gebruikte vistuig is uitgerust met een paneel met vierkante mazen als omschreven in bijlage XIV quater, en

d)

wanneer de lengte over alles van het vaartuig 15 meter of minder bedraagt, het gebruikte vistuig — ongeacht de aan boord gehouden hoeveelheden gevangen koolvis — is uitgerust met een paneel met vierkante mazen als omschreven in bijlage XIV quinquies.

7 bis.     Uiterlijk op 1 januari 2015 en vervolgens uiterlijk om de twee jaar beoordeelt de Commissie in het licht van het wetenschappelijk advies van het WTECV de kenmerken van de in lid 7 beschreven vistuigen en dient zij in voorkomend geval bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot wijziging van lid 7 in.

8.   Lid 7 is niet van toepassing in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

59o05' NB, 06o45' WL,

59o30' NB, 06o00' WL,

59o40' NB, 05o00' WL,

60o00' NB, 04o00' WL,

59o30' NB, 04o00' WL,

59o05' NB, 06o45' WL.

8 ter.     Jaarlijks v anaf 1 januari tot en met 31 maart en vanaf 1 oktober tot en met 31december is elke vorm van visserij verboden waarbij gebruik wordt gemaakt van vistuig dat is gespecificeerd in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden  (***) in het gebied als gespecificeerd in ICES-gebied VIa dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden:

7o07 WL, 55o25 NB,

7o00 WL, 55o25 NB,

6o50 WL, 55o18 NB,

6o50 WL, 55o17 NB,

6o52 WL, 55o17 NB,

7o07 WL, 55o25 NB.

De kapitein van een vissersvaartuig noch andere personen aan boord mogen een persoon aan boord ertoe aanzetten of toestaan te pogen in het bedoelde gebied te vissen dan wel in het bedoelde gebied gevangen vis aan te landen, over te laden of aan boord te hebben.

9.   Elke betrokken lidstaat voert elk jaar van 1 januari tot en met 31 december een programma voor waarnemers aan boord uit om de vangsten en de teruggooi te bemonsteren van vaartuigen die gebruik maken van de afwijkingen van de leden 4 bis, 4 ter 5 en 7. De waarnemingsprogramma's worden uitgevoerd zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen uit hoofde van de desbetreffende voorschriften en dienen ter raming van de vangsten en de teruggooi van kabeljauw, schelvis en wijting, met een foutmarge van minstens 20 %.

10   De betrokken lidstaten ▌maken een verslag over de totale vangsten en de totale teruggooi van de onder het waarnemingsprogramma vallende vaartuigen gedurende elk kalenderjaar en zij dienen dit verslag uiterlijk 1 februari van het volgende kalenderjaar bij de Commissie in ▌.

10 bis.     Uiterlijk 1 januari 2015 en vervolgens uiterlijk om de twee jaar beoordeelt de Commissie in het licht van het wetenschappelijk advies van het WTECV de situatie van de kabeljauw-, schelvis- en wijtingbestanden in het in lid 1 bepaalde gebied, en dient zij in voorkomend geval bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot wijziging van dit artikel in.

Artikel 29 sexies

Beperkingen op de kabeljauwvisserij in ICES-deelgebied VII

1.   Jaarlijks van 1 februari tot en met 31 maart is elke vorm van visserij verboden in het deel van ICES-deelgebied VII dat bestaat uit de statistische ICES-rechthoeken 30E4, 31E4, 32E3. Dit verbod is niet van toepassing binnen zes zeemijl vanaf de basislijn.

2.   In afwijking van lid 1 is de visserij met vaste, aan palen bevestigde kustnetten, kamschelpkorren, mosselkorren, sleepnetten en strandzegens, handlijnen, gemechaniseerde peurlijnen, kommen en korven in de in dat lid bedoelde gebieden en perioden toegestaan op voorwaarde dat:

(a)

geen ander vistuig dan vaste, aan palen bevestigde kustnetten, kamschelpkorren, mosselkorren, sleepnetten en strandzegens, handlijnen, gemechaniseerde peurlijnen, kommen en korven aan boord wordt gehouden of uitgezet; en

(b)

geen andere vissoorten dan makrelen, pollak of zalm en geen andere schelpdieren dan weekdieren of schaaldieren worden aangeland, aan boord worden gehouden of aan land worden gebracht.

3.   In afwijking van lid 1 is de visserij met netten met een maaswijdte van minder dan 55 mm in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

a)

geen netten met een maaswijdte van 55 mm of meer aan boord worden gehouden; en

b)

geen andere vissoorten dan haring, makrelen, sardine, gouden sardinelle, horsmakrelen, sprot, blauwe wijting, evervis en zilversmelten aan boord worden gehouden.

Artikel 29 septies

Bijzondere voorschriften voor de bescherming van blauwe leng

1.   Jaarlijks van 1 maart tot en met 31 mei is het verboden per visreis meer dan 6 ton blauwe leng aan boord te hebben in het gebied van ICES-sector VIa dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

(a)

a) rand van het Schotse continentale plat

59o58' NB 07o00' WL,

59o55' NB 06o47' WL,

59o51 NB 06o28' WL,

59o45' NB, 06o38' WL,

59o27' NB, 06o42' WL,

59o22' NB, 06o47' WL,

59o15' NB, 07o15' WL,

59o07' NB, 07o31' WL,

58o52' NB, 07o44' WL,

58o44' NB, 08o11' WL,

58o43' NB, 08o27' WL,

58o28' NB, 09o16' WL,

58o15' NB, 09o32' WL,

58o15' NB, 09o45' WL,

58o30' NB, 09o45' WL,

59o30' NB, 07o00' WL,

59o58' NB 07o00' WL.

(b)

rand van de Rosemary bank

60o00' NB, 11o00' WL,

59o00' NB, 11o00' WL,

59o00' NB, 09o00' WL,

59o30' NB, 09o00' WL,

59o30' NB, 10o00' WL,

60o00' NB, 10o00' WL,

60o00' NB, 11o00' WL.

Niet inbegrepen is het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

59o15' NB, 10o24' WL,

59o10' NB, 10o22' WL,

59o08' NB, 10o07' WL,

59o11' NB, 09o59' WL,

59o15' NB, 09o58' WL,

59o22' NB, 10o02' WL,

59o23' NB, 10o11' WL,

59o20' NB, 10o19' WL,

59o15' NB, 10o24' WL.

2.   Bij het binnenvaren of verlaten van de in lid 1 bedoelde gebieden registreert de kapitein van het vissersvaartuig in het logboek op welke dag, welke tijd en welke plaats het vaartuig het gebied binnenvaart of verlaat.

3.   Als een vaartuig in een van de twee in lid 1 bedoelde gebieden de hoeveelheid van 6 ton blauwe leng bereikt:

(a)

zet het de visserij onmiddellijk stop en verlaat het onmiddellijk het gebied waarin het zich bevindt;

(b)

mag het beide gebieden pas na aanlanding van zijn vangst weer binnenvaren;

(c)

mag het geen blauwe leng overboord zetten.

4.   De in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften (****) bedoelde waarnemers die zijn toegewezen aan vissersvaartuigen die zich in een van de in lid 1 omschreven gebieden bevinden, verrichten de uit lid 4 van dat artikel voortvloeiende taken, maar meten ook, bij adequate monsters van de gevangen blauwe leng, de lengte van de vis en bepalen het stadium van geslachtsrijpheid van de submonsters. Op basis van het advies van het WTECV stellen de lidstaten gedetailleerde bemonsteringsprotocollen op en collationeren zij de resultaten.

5.   Jaarlijks van 15 februari tot en met 15 april is het verboden bodemtrawls, beuglijnen en kieuwnetten te gebruiken in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

60o58.76' NB, 27o27.32' WL,

60o56.02' NB, 27o31.16' WL,

60o59.76' NB, 27o43.48' WL,

61o03.00' NB, 27o39.41' WL,

60o58.76' NB, 27o27.32' WL.

Artikel 29 octies

Maatregelen voor de visserij op roodbaarzen in de internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en II

1.   Het gericht vissen op roodbaarzen in de internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en II is enkel toegestaan jaarlijks van 15 augustus tot en met 30 november voor vaartuigen die al eerder hebben gevist in het gereglementeerde NEAFC-gebied op roodbaarzen, als omschreven in artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1236/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 tot vaststelling van een controle- en handhavingsregeling voor het gebied dat onder het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan valt (*****).

2.   De vaartuigen beperken hun bijvangsten van roodbaarzen in andere visserijtakken tot maximaal 1 % van de totale aan boord gehouden vangst.

3.   De omrekeningsfactor voor bij deze visserij gevangen roodbaarzen die zijn ontdaan van kop en ingewanden, bedraagt, ook in het geval van Japanse versnijding, 1,70.

4.   In afwijking van artikel 9, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1236/2010 rapporteren de kapiteins van vissersvaartuigen die bij deze visserij betrokken zijn, dagelijks hun vangsten.

5.   Afgezien van het bepaalde in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1236/2010 is een machtiging om op roodbaarzen te vissen uitsluitend geldig indien de door de vaartuigen verzonden vangstaangiften in overeenstemming zijn met artikel 9, lid 1, van genoemde verordening en worden opgeslagen overeenkomstig artikel 9, lid 3, van genoemde verordening.

6.   De lidstaten zien erop toe dat er aan boord van vaartuigen die hun vlag voeren, wetenschappelijke informatie wordt verzameld door wetenschappelijk waarnemers. De verzamelde informatie dient ten minste representatieve geslachts-, leeftijds- en lengtegegevens met betrekking tot de samenstelling van de visbestanden per diepte te bevatten. De bevoegde autoriteiten in de lidstaten delen deze informatie aan de ICES mee.

7.   De Commissie stelt de lidstaten in kennis van de datum waarop het secretariaat van de NEAFC de verdragsluitende partijen van de NEAFC heeft meegedeeld dat de totaal toegestane vangst (TAC) volledig is opgebruikt. Vanaf die datum verbieden de lidstaten het gericht vissen op roodbaarzen door vaartuigen die hun vlag voeren.

Artikel 29 nonies

Maatregelen voor de visserij op roodbaarzen in de Irminger Zee en aangrenzende wateren

1.   Het is verboden roodbaarzen te vangen ▌in de internationale wateren van ICES-deelgebied V en in de EU-wateren van de ICES-deelgebieden XII en XIV behalve jaarlijks van 11 mei tot en met 31 december en uitsluitend in het gebied dat worden ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden, gemeten volgens het WGS84-systeem („het beschermingsgebied voor roodbaarzen”):

64o45' NB, 28o30' WL,

62o50' NB, 25o45' WL,

61o55' NB, 26o45' WL,

61o00' NB, 26o30' WL,

59o00' NB, 30o00' WL,

59o00' NB, 34o00' WL,

61o30' NB, 34o00' WL,

62o50' NB, 36o00' WL,

64o45' NB, 28o30' WL.

1 bis.     Niettegenstaande lid 1 mag visserij op roodbaarzen bij een rechtsshandeling van de Unie jaarlijks van 11 mei tot en met 31 december buiten het beschermingsgebied voor roodbaarzen in de Irminger Zee en aangrenzende wateren worden toegestaan op basis van wetenschappelijk advies en op voorwaarde dat de NEAFC voor het roodbaarzenbestand in dat geografische gebied een herstelplan heeft opgesteld. Alleen EU-vaartuigen die door hun lidstaat overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1236/2010 naar behoren zijn gemachtigd en bij de Commissie zijn aangemeld, nemen aan de visserij deel.

2.   Het gebruik van sleepnetten met een maaswijdte van minder dan 100 mm is verboden.

3.   De omrekeningsfactor voor bij deze visserij gevangen roodbaarzen die zijn ontdaan van kop en ingewanden, bedraagt, ook in het geval van Japanse versnijding, 1,70.

4.   De kapitein van een vissersvaartuig dat betrokken is bij de visserij buiten het beschermingsgebied voor roodbaarzen zendt dagelijks na afsluiting van de visserijactiviteiten van die kalenderdag een vangstaangifte door als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1236/2010. Hierin worden de sinds de laatste mededeling van vangstgegevens aan boord genomen vangsten aangegeven.

5.   Afgezien van het bepaalde in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1236/2010 is een machtiging om op roodbaarzen te vissen uitsluitend geldig indien de door de vaartuigen verzonden vangstaangiften in overeenstemming zijn met artikel 9, lid 1, van genoemde verordening en worden opgeslagen overeenkomstig artikel 9, lid 3, van genoemde verordening.

6.   De in lid 5 bedoelde vangstaangiften worden volgens de toepasselijke voorschriften opgesteld.

(**)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1."

(***)  PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20."

(****)  PB L 351 van 28.12.2002, blz. 6."

(*****)  PB L 348 van 31.12.2010, blz. 17.”;"

6 bis)

in artikel 30 wordt het volgende lid ingevoegd:

„1 bis)     Lid 1 is niet van toepassing op Gebied 9.”;

7)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 31 bis

Elektrische visserij in de ICES-sectoren IVc en IVb

1.   In afwijking van artikel 31 wordt vissen met de boomkor met elektrische stroom („pulse trawling”) toegestaan in de ICES-sectoren IVc en IVb bezuiden een loxodroom die de onderstaande punten met elkaar verbindt, gemeten volgens het WGS84-coördinatensysteem:

een punt op de oostkust van het Verenigd Koninkrijk op 55oNB,

dan oostwaarts tot 55oNB, 5oOL,

dan noordwaarts tot 56oNB,

en ten slotte op een punt op de westkust van Denemarken op 56oNB.

2.   Het vissen met elektrische stroom wordt alleen toegestaan onder de volgende voorwaarden:

(a)

per lidstaat vist ten hoogste 5 % van de boomkottervloot met de boomkor met elektrische stroom;

(b)

de maximale elektrische stroom in kW bedraagt voor elke boomkor niet meer dan de lengte in meter van de boomkor vermenigvuldigd met 1,25;

(c)

het werkelijke voltage tussen de elektroden bedraagt ten hoogste 15V;

(d)

het vaartuig is uitgerust met een automatisch computergestuurd beheerssysteem dat de maximale stroom per boom en het werkelijke voltage tussen de elektroden van ten minste de laatste 100 trekken registreert. Niet-bevoegde personen kunnen dit automatische computergestuurde beheerssysteem niet wijzigen;

(e)

het is verboden om vóór de klossenpees één of meer kietelaars („tickler chains”) te bevestigen.”;

8)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 32 bis

Beperkingen op het behandelen en lozen van vangsten voor pelagische vaartuigen

1.   De maximumafstand tussen de staven in de waterafscheider aan boord van pelagische vissersvaartuigen die op makrelen, haring en horsmakrelen vissen in het NEAFC-verdragsgebied als omschreven in artikel 3, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1236/2010, is 10 mm.

De staven worden ter plaatse gelast. Als de waterafscheider niet met staven functioneert, maar met gaten, mag de diameter van die gaten ten hoogste 10 mm bedragen. De diameter van de gaten in de glijgoten vóór de waterafscheider mag ten hoogste 15 mm bedragen.

2.   Het is alle pelagische vaartuigen die actief zijn in het NEAFC-verdragsgebied, verboden vis uit buffertanks of tanks met gekoeld zeewater onder de waterlijn van het vaartuig te lozen.

3.   De door de bevoegde autoriteiten van de vlaglidstaten gecertificeerde plannen van de installaties voor vangstbehandeling en –lozing van pelagische vaartuigen die in het NEAFC-verdragsgebied op makrelen, haring en horsmakrelen vissen, en de wijzigingen daarvan moeten door de kapitein van het vaartuig aan de bevoegde visserijautoriteiten van de vlaglidstaat worden toegezonden. De bevoegde autoriteiten van de vlaglidstaat van de vaartuigen controleren regelmatig de juistheid van de voorgelegde plannen. Er moeten te allen tijde kopieën van de plannen aan boord van het vaartuig zijn.”;

9)

de volgende artikelen worden ingevoegd:

Artikel 34 bis

Technische instandhoudingsmaatregelen in de Ierse Zee

1.   Van 14 februari tot en met 30 april is het verboden bodemtrawls, zegennetten of soortgelijke sleepnetten, kieuwnetten, schakelnetten, warnetten of soortgelijke staande netten of vistuig met haken te gebruiken in het gedeelte van ICES-sector VIIa dat wordt begrensd door:

de oostkust van Ierland en de oostkust van Noord-Ierland, en

rechte lijnen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

een punt op de oostkust van het schiereiland Ards in Noord-Ierland op 54o30' NB,

54o30' NB, 04o50' WL,

53o15' NB, 04o50' WL,

een punt op de oostkust van Ierland op 53o15' NB.

2.   In afwijking van lid 1 is in het gebied en de periode die in dat lid zijn bepaald:

(a)

het gebruik van bodemtrawls toegestaan, op voorwaarde dat geen ander type vistuig aan boord is en dat die netten:

een maaswijdte van hetzij 70-79 mm, hetzij 80-99 mm hebben;

tot slechts één van de toegestane maaswijdteklassen behoren;

op geen enkele plaats in het net een afzonderlijke maas bevatten waarvan de wijdte groter is dan 300 mm; en

alleen worden uitgezet in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

53o30' NB, 05o30' WL,

53o30' NB, 05o20' WL,

54o20' NB, 04o50' WL,

54o30' NB, 05o10' WL,

54o30' NB, 05o20' WL,

54o00' NB, 05o50' WL,

54o00' NB, 06o10' WL,

53o45' NB, 06o10' WL,

53o45' NB, 05o30' WL,

53o30' NB, 05o30' WL;

(b)

het gebruik van bodemtrawls, zegennetten of soortgelijke sleepnetten die met een scheidingspaneel of sorteerrooster zijn uitgerust, toegestaan op voorwaarde dat geen ander type vistuig aan boord is en dat die netten:

in overeenstemming zijn met de in lid 2, onder a), gestelde voorwaarden;

als er een scheidingspaneel is, zijn vervaardigd volgens de technische details van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 254/2002 van de Raad van 12 februari 2002 tot vaststelling van maatregelen voor 2002 voor het herstel van het kabeljauwbestand in de Ierse Zee (ICES-sector VIIa) (******); en

indien er sorteerroosters zijn, die in overeenstemming zijn met bijlage XIV bis, punten 2 tot en met 5, van deze verordening .

(c)

Voorts mogen bodemtrawls, zegennetten of soortgelijke sleepnetten met een scheidingspaneel of een sorteerrooster ook worden gebruikt in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

53o45' NB, 06o00' WL,

53o45' NB, 05o30' WL,

53o30' NB, 05o30' WL,

53o30' NB, 06o00' WL,

53o45' NB, 06o00' WL.

Artikel 34 ter

Gebruik van kieuwnetten in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj, en VIIk en in de ICES-deelgebieden VIII, IX, X en XII ten oosten van 27oWL

1.   Het is vaartuigen van de Unie niet toegestaan in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk, de ICES-deelgebieden VIII, IX en X en ICES-deelgebied XII ten oosten van 27oWL geankerde kieuwnetten, warnetten en schakelnetten te gebruiken op plaatsen waar de kaartdiepte meer dan 200 meter bedraagt.

3.   In afwijking van lid 1 is het gebruik toegestaan van:

(a)

kieuwnetten met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 120 mm en kleiner dan 150 mm in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk en ICES-deelgebied XII ten oosten van 27o WL, of met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 100 mm en kleiner dan 130 mm in de ICES-sectoren VIIIa, VIIIb en VIIId en ICES-deelgebied X, of met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm en kleiner dan 110 mm in ICES-sector VIIIc en ICES-deelgebied IX op voorwaarde dat:

zij worden uitgezet in wateren waar de kaartdiepte minder dan 600 meter bedraagt,

zij niet meer dan 100 mazen diep zijn en een verdelingsverhouding van ten minste 0,5 hebben,

zij voorzien zijn van vlotters of soortgelijke drijfvoorzieningen,

zij elk een lengte van ten hoogste 5 zeemijl hebben, en dat de totale lengte van alle op enig moment uitgezette netten ten hoogste 25 km per vaartuig bedraagt,

de uitzettijd ten hoogste 24 uur bedraagt; of

(b)

warnetten met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 250 mm, op voorwaarde dat:

zij worden uitgezet in wateren waar de kaartdiepte minder dan 600 meter bedraagt,

zij niet meer dan 15 mazen diep zijn en een verdelingsverhouding van ten minste 0,33 hebben,

zij niet voorzien zijn van vlotters of soortgelijke drijfvoorzieningen,

zij elk een lengte van ten hoogste 10 km hebben en dat de totale lengte van alle op enig moment uitgezette netten ten hoogste 100 km per vaartuig bedraagt,

de uitzettijd ten hoogste 72 uur bedraagt;

(c)

kieuwnetten met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 100 mm en kleiner dan 130 mm in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk en ICES-deelgebied XII ten oosten van 27o WL, op voorwaarde dat:

zij worden uitgezet in wateren waar de kaartdiepte meer dan 200 en minder dan 600 meter bedraagt,

zij niet meer dan 100 mazen diep zijn en een verdelingsverhouding van ten minste 0,5 hebben,

zij voorzien zijn van vlotters of soortgelijke drijfvoorzieningen,

zij elk een lengte van ten hoogste vier zeemijl hebben en dat de totale lengte van alle op enig moment uitgezette netten ten hoogste 20 km per vaartuig bedraagt;

de uitzettijd ten hoogste 24 uur bedraagt,

de aan boord gehouden vangst in gewicht ten minste voor 85 % uit heek bestaat;

het aantal vaartuigen dat aan de visserij deelneemt, niet hoger is dan het in 2008 opgetekende aantal,

de kapitein van het vaartuig dat aan de visserij deelneemt, vóór het verlaten van de haven in het logboek de hoeveelheid en de totale lengte van het tuig aan boord van het vaartuig vermeldt. Bij ten minste 15 % van de afvaarten vindt inspectie plaats,

de kapitein van het vaartuig bij het aanlanden ten minste 90 % van de in het EU -logboek voor die reis opgetekende hoeveelheid tuig aan boord heeft , en

de hoeveelheid van alle gevangen soorten van meer dan 50 kg, inclusief alle teruggegooide hoeveelheden van meer dan 50 kg, zijn vermeld in het EU -logboek.

(cbis)

warnetten in ICES-deelgebied IX met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 220 mm, op voorwaarde dat:

zij worden uitgezet in wateren waar de kaartdiepte minder dan 600 meter bedraagt,

zij niet meer dan 30 mazen diep zijn en een verdelingsverhouding van ten minste 0,44 hebben,

zij niet voorzien zijn van vlotters of soortgelijke drijfvoorzieningen,

zij elk een lengte van ten hoogste 5 km hebben en dat de totale lengte van alle op enig moment uitgezette netten ten hoogste 20 km per vaartuig bedraagt,

de uitzettijd ten hoogste 72 uur bedraagt.

4.   Deze afwijking geldt evenwel niet in het gereglementeerde NEAFC-gebied .

4bis.     Aan alle vaartuigen die in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk en de ICES-deelgebieden VIII, IX en X en ICES-deelgebied XII ten oosten van 27o WL op plaatsen waar de kaartdiepte meer dan 200 meter bedraagt, geankerde kieuwnetten, warnetten of schakelnetten uitzetten, wordt een speciale vismachtiging overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 verstrekt.

5.   Vaartuigen mogen op enig moment slechts één van de in lid 3, onder a), ▌b) of d) , vermelde vistuigen aan boord hebben. Vaartuigen mogen netten aan boord hebben waarvan de totale lengte 20 % meer bedraagt dan de maximale lengte van de netten die op enig moment mogen worden uitgezet.

6.   De kapitein van een vaartuig dat beschikt over een vismachtiging als bedoeld in lid 4bis , noteert in het logboek het aantal en de lengte van de vistuigen die het vaartuig vóór het verlaten van de haven en bij het terugkeren in de haven aan boord heeft, en verantwoordt elk verschil tussen de twee waarden.

8.   De bevoegde autoriteiten hebben het recht onbeheerd op zee achtergelaten vistuig in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk, de ICES-deelgebieden VIII, IX en X en ICES-deelgebied XII ten oosten van 27o WL te verwijderen in de volgende gevallen:

(a)

het tuig is niet naar behoren gemerkt;

(b)

uit de merken op de boei of de VMS-gegevens blijkt dat de eigenaar ervan gedurende meer dan 120 uur niet meer op een afstand van minder dan 100 zeemijl van het tuig is geweest;

c)

het tuig is uitgezet in wateren waarvan de kaartdiepte groter is dan toegestaan;

(d)

het tuig heeft een illegale maaswijdte.

9.   De kapitein van een vaartuig dat beschikt over een vismachtiging als bedoeld in lid 4bis , noteert gedurende elke visreis de volgende gegevens in het logboek:

de maaswijdte van het uitgezette net,

de nominale lengte van het net,

het aantal netten per uitzetting,

het totale aantal uitzettingen,

de positie van elke uitzetting,

de diepte van elke uitzetting,

de uitzettijd per uitzetting,

een kwantificering van verloren gegaan vistuig, de laatste bekende positie daarvan en de datum van het verlies.

10.   Vaartuigen die vissen met een vismachtiging als bedoeld in lid 4bis , mogen slechts aanlanden in de havens die overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2347/2002 door de lidstaten zijn aangewezen.

11.   De hoeveelheid haaien aan boord van vaartuigen die vissen met het in lid 3, onder b) en d), beschreven vistuig, mag niet meer bedragen dan 5 % levend gewicht van de totale hoeveelheid aan boord gehouden mariene organismen.

11bis.     De Commissie kan, na overleg met het WTECV, besluiten door middel van uitvoeringshandelingen bepaalde visserijtakken van een lidstaat in ICES-deelgebieden VIII, IX en X, van de toepassing van de leden 1 tot en met 10 vrij te stellen op voorwaarde dat uit de door de lidstaten verstrekte gegevens blijkt dat het niveau van bijvangst en teruggooi van haaien zeer laag is.

Artikel 34 quater

Voorwaarden voor de in de Golf van Biskaje toegestane visserij met bepaalde soorten gesleept vistuig

1.   In afwijking van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 494/2002 van de Commissie van 19 maart 2002 tot vaststelling van aanvullende technische maatregelen voor het herstel van het heekbestand in de ICES-deelgebieden III, IV, V, VI en VII en in de ICES-sectoren VIIIa, b, d, e (*******) van de Commissie mag in het in artikel 5, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 494/2002 omschreven gebied worden gevist met sleepnetten, Deense zegennetten en soortgelijk vistuig, met uitzondering van boomkorren, met een maaswijdte van 70-99 mm als het vistuig is voorzien van een paneel met vierkante mazen overeenkomstig bijlage XIV ter.

2.   Bij het vissen in de ICES-sectoren VIIIa en VIIIb mag gebruik worden gemaakt van een selectief rooster, met toebehoren, vóór de kuil en/of een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 60 mm in het onderste deel van de tunnel vóór de kuil. Artikel 4, lid 1, artikel 6 en artikel 9, lid 1, van de onderhavige verordening alsook artikel 3, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 494/2002 zijn niet van toepassing op het gedeelte van de trawl waarin deze selectieve voorzieningen zijn aangebracht.

Artikel 34 quinquies

Maatregelen ter bescherming van kwetsbare diepzeehabitats in het gereglementeerde NEAFC-gebied

1.   De visserij met bodemtrawls en met staand vistuig, met inbegrip van geankerde kieuwnetten en grond beugen, is verboden in de gebieden die worden ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

een deel van de Reykjanes Ridge:

55o04.5327' NB, 36o49.0135' WL,

55o05.4804' NB, 35o58.9784' WL,

54o58.9914' NB, 34o41.3634' WL,

54o41.1841' NB, 34o00.0514' WL,

54o00' NB, 34o00' WL,

53o54.6406' NB, 34o49.9842' WL,

53o58.9668' NB, 36o39.1260' WL,

55o04.5327' NB, 36o49.0135' WL

het noordelijke deel van de Mid-Atlantische rug:

59 o 45' NB, 33 o 30' WL,

57 o 30' NB, 27 o 30' WL,

56 o 45' NB, 28 o 30' WL,

59 o 15' NB, 34 o 30' WL,

59 o 45' NB, 33 o 30' WL,

het centrale deel van de Mid-Atlantische rug (breukzone Charlie-Gibbs en subpolaire frontale regio):

53 o 30' NB, 38 o 00' WL,

53 o 30' NB, 36 o 49' WL,

55 o 04.5327' NB, 36 o 49' WL,

54 o 58.9914' NB, 34 o 41.3634' WL,

54 o 41.1841' NB, 34 o 00' WL,

53 o 30' NB, 30 o 00' WL,

51 o 30' NB, 28 o 00' WL,

49 o 00' NB, 26 o 30' WL,

49 o 00' NB, 30 o 30' WL,

51 o 30' NB, 32 o 00' WL,

51 o 30' NB, 38 o 00' WL,

53 o 30' NB, 38 o 00' WL,

het zuidelijke deel van de Mid-Atlantische rug:

44o o 30' NB, 30 o 30' WL,

44 o 30' NB, 27 o 00' WL,

43 o 15' NB, 27 o 15' WL,

43 o 15' NB, 31 o 00' WL,

44 o 30' NB, 30 o 30' WL,

de Altair Seamounts:

45 o 00' NB, 34 o 35' WL,

45 o 00' NB, 33 o 45' WL,

44 o 25' NB, 33 o 45' WL,

44 o 25' NB, 34 o 35' WL,

45 o 00' NB, 34 o 35' WL,

de Antialtair Seamounts:

43 o 45' NB, 22 o 50' WL,

43 o 45' NB, 22 o 05' WL,

43 o 25' NB, 22 o 05' WL,

43 o 25' NB, 22 o 50' WL,

43 o 45' NB, 22 o 50' WL,

de Hatton Bank:

59o26' NB, 14o30' WL,

59o12' NB, 15o08' WL,

59o01' NB, 17o00' WL,

58o50' NB, 17o38' WL,

58o30' NB, 17o52' WL,

58o30' NB, 18o22' WL,

58o03' NB, 18o22' WL,

58o03' NB, 17o30' WL,

57o55' NB, 17o30' WL,

57o45' NB, 19o15' WL,

58o11.15' NB, 18o57.51' WL,

58o11.57' NB, 19o11.97' WL,

58o27.75' NB, 19o11.65' WL,

58o39.09' NB, 19o14.28' WL,

58o38.11' NB, 19o01.29' WL,

58o53.14' NB, 18o43.54' WL,

59o00.29' NB, 18o01.31' WL,

59o08.01' NB, 17o49.31' WL,

59o08.75' NB, 18o01.47' WL,

59o15.16' NB, 18o01.56' WL,

59o24.17' NB, 17o31.22' WL,

59o21.77' NB, 17o15.36' WL,

59o26.91' NB, 17o01.66' WL,

59o42.69' NB, 16o45.96' WL,

59o20.97' NB, 15o44.75' WL,

59o21' NB, 15o40' WL,

59o26' NB, 14o30' WL,

het noordwestelijke deel van Rockall:

57o00' NB, 14o53' WL,

57o37' NB, 14o42' WL,

57o55' NB, 14o24' WL,

58o15' NB, 13o50' WL,

57o57' NB, 13o09' WL,

57o50' NB, 13o14' WL,

57o57' NB, 13o45' WL,

57o49' NB, 14o06' WL,

57o29' NB, 14o19' WL,

57o22' NB, 14o19' WL,

57o00' NB, 14o34' WL,

56o56' NB, 14o36' WL,

56o56' NB, 14o51' WL,

57 o 00' NB, 14 o 53' WL,

het zuidwestelijke deel van Rockall (Empress of Britain Bank):

56o24' NB, 15o37' WL,

56o21' NB, 14o58' WL,

56o04' NB, 15o10' WL,

55o51' NB, 15o37' WL,

56o10' NB, 15o52' WL,

56 o 24' NB, 15 o 37' WL,

de Logachev Mound:

55o17' NB, 16o10' WL,

55o34' NB, 15o07' WL,

55o50' NB, 15o15' WL,

55o33' NB, 16o16' WL,

55o17' NB, 16o10' WL,

de West Rockall Mound:

57o20' NB, 16o30' WL,

57o05' NB, 15o58' WL,

56o21' NB, 17o17' WL,

56o40' NB, 17o50' WL,

57 o 20' NB, 16 o 30' WL.

2.   Wanneer tijdens visserijactiviteiten in nieuwe en bestaande bodemvisserijgebieden in het gereglementeerde NEAFC-gebied de hoeveelheid levend koraal of levende sponzen per uitzetting meer dan 60 kg levend koraal en/of 800 kg levende sponzen bedraagt, brengt het vaartuig zijn vlagstaat daarvan op de hoogte, staakt het het vissen en verwijdert het zich ten minste 2 zeemijl van de positie die volgens de beschikbare gegevens het dichtst is gelegen bij de exacte locatie waar deze vangst is gedaan.

Artikel 34 sexies

Maatregelen ter bescherming van kwetsbare diepzeehabitats in de ICES-sectoren VIIc, VIIj en VIIk

1.   De visserij met bodemtrawls en met staand vistuig, met inbegrip van geankerde kieuwnetten en grond beugen, is verboden in de gebieden die worden ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-coördinatensysteem):

Belgica Mound Province:

51o29.4' NB, 11o51.6' WL,

51o32.4' NB, 11o41.4' WL,

51o15.6' NB, 11o33.0' WL,

51o13.8' NB, 11o44.4' WL,

51 o 29.4' NB, 11 o 51.6' WL,

Hovland Mound Province:

52o16.2' NB, 13o12.6' WL,

52o24.0' NB, 12o58.2' WL,

52o16.8' NB, 12o54.0' WL,

52o16.8' NB, 12o29.4' WL,

52o04.2' NB, 12o29.4' WL,

52o04.2' NB, 12o52.8' WL,

52o09.0' NB, 12o56.4' WL,

52o09.0' NB, 13o10.8' WL,

52 o 16.2' NB, 13 o 12.6' WL,

het noordwestelijke deel van de Porcupine Bank — gebied I:

53o30.6' NB, 14o32.4' WL,

53o35.4' NB, 14o27.6' WL,

53o40.8' NB, 14o15.6' WL,

53o34.2' NB, 14o11.4' WL,

53o31.8' NB, 14o14.4' WL,

53o24.0' NB, 14o28.8' WL,

53 o 30.6' NB, 14 o 32.4' WL,

het noordwestelijke deel van de Porcupine Bank — gebied II:

53o43.2' NB, 14o10.8' WL,

53o51.6' NB, 13o53.4' WL,

53o45.6' NB, 13o49.8' WL,

53o36.6' NB, 14o07.2' WL,

53 o 43.2' NB, 14 o 10.8' WL,

het zuidwestelijke deel van de Porcupine Bank:

51o54.6' NB, 15o07.2' WL,

51o54.6' NB, 14o55.2' WL,

51o42.0' NB, 14o55.2' WL,

51o42.0' NB, 15o10.2' WL,

51o49.2' NB, 15o06.0' WL,

51 o 54.6' NB, 15 o 07.2' WL.

2.   Alle pelagische vaartuigen die vissen in de in lid 1 vermelde gebieden voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats, worden opgenomen in een lijst van toegestane vaartuigen en beschikken over een ▌vismachtiging overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009▌. Vaartuigen die op de lijst van toegestane vaartuigen voorkomen, mogen uitsluitend pelagisch vistuig aan boord hebben.

3.   Pelagische vaartuigen die van plan zijn om te vissen in een in lid 1 van dit artikel vermeld gebied voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats, melden hun voornemen om in dat gebied binnen te varen, vier uur tevoren bij het Ierse visserijcontrolecentrum, als omschreven in artikel 4, lid 15, van Verordening (EG) nr. 1224/2009. Tegelijkertijd moeten zij de aan boord gehouden hoeveelheden vis aangeven.

4.   Pelagische vaartuigen die vissen in een in lid 1 vermeld gebied voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats, beschikken , wanneer zij zich in een dergelijk gebied bevinden, over een operationeel, volledig functionerend, veilig satellietvolgsysteem voor vaartuigen (VMS) dat volledig beantwoordt aan de toepasselijke voorschriften.

5.   Pelagische vaartuigen die in een in lid 1 vermeld gebied voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats vissen, verzenden elk uur VMS-meldingen.

6.   Pelagische vaartuigen die hun visserijactiviteit in een in lid 1 vermeld gebied voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats hebben beëindigd, stellen het Ierse visserijcontrolecentrum in kennis van hun vertrek uit het gebied. Tegelijkertijd geven zij aan welke hoeveelheden vis zij aan boord houden.

7.   Visserij op pelagische soorten in een in lid 1 vermeld gebied voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats is uitsluitend toegestaan indien er aan boord enkel netten met een maaswijdte van 16-31 mm of 32-54 mm aanwezig zijn, of indien enkel met dergelijke netten wordt gevist.

Artikel 34 septies

Maatregelen ter bescherming van een kwetsbaar diepzeehabitat in ICES-sector VIIIc

1.   De visserij met bodemtrawls en met staand vistuig, met inbegrip van geankerde kieuwnetten en grond beugen, is verboden in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

El Cachucho:

44o12' NB, 05o16' WL,

44o12' NB, 04o26' WL,

43o53' NB, 04o26' WL,

43o 53' NB, 05o16' WL,

44o12' NB, 05o16' WL.

2.   In afwijking van het in lid 1 ingestelde verbod, kunnen vaartuigen die in 2006, 2007 en 2008 met grondbeugen gericht op gaffelkabeljauw hebben gevist, van hun visserijautoriteiten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 een ▌vismachtiging verkrijgen om die visserij verder te kunnen blijven uitoefenen in het gebied ten zuiden van 44o00,00' NB. Alle vaartuigen die deze ▌vismachtiging hebben verkregen, gebruiken, ongeacht hun lengte over alles, bij het vissen in het in lid 1 genoemde gebied een operationeel, volledig functionerend, veilig VMS, dat volledig beantwoordt aan de toepasselijke voorschriften.

(******)  PB L 41 van 13.2.2002, blz. 1."

(*******)  PB L 77 van 20.3.2002, blz. 8.”;"

10)

artikel 38 wordt geschrapt;

11)

artikel 47 wordt geschrapt;

11 bis)

bijlagen I, IV, XII en XIV bij Verordening (EG) nr. 850/98 worden overeenkomstig de bijlage bij deze verordening gewijzigd.

11 ter)

bijlagen XII bis en XIV bis tot en met XIV quinquies worden ingevoegd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1434/98 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„(1 bis)     Lid 1 is niet van toepassing op haring die is gevangen in ICES-sector IIIa, deelgebied IV, sector VIId en in EU-wateren van ICES-sector IIa.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2013 .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 351 van 15.11.2012, blz. 83.

(2)  PB L 347 van 24.12.2009, blz. 6.

(3)  PB L 165 van 24.6.2011, blz. 1.

(4)  PB L 22 van 26.1.2009, blz. 1.

(5)  PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1.

(6)  PB L 55 van 28.2.2011, p. 13.

BIJLAGE

Bijlagen bij Verordening (EG) nr. 850/98 worden als volgt gewijzigd

1)

In bijlage I wordt voetnoot 6 bij de tabel geschrapt.

2)

In bijlage IV wordt de tabel door de onderstaande tabel vervangen:

„Gesleept vistuig: Skagerrak en Kattegat

Maaswijdteklasse, doelsoorten en vereiste vangstpercentages die gelden bij het gebruik van één maaswijdteklasse

Soort

Maaswijdteklasse (mm)

<16

16-31

32-69

35-69

70-89 (5)

≥90

Minimumpercentage van de doelsoort

50 %

 (6)

50 %

 (6)

20 %

 (6)

50 %

 (6)

20 %

 (6)

20 %

 (7)

30 %

 (8)

geen

Zandspieringen (Ammodytidae) (3)

X

X

X

X

X

X

X

X

Zandspieringen (Ammodytidae) (4)

 

X

 

X

X

X

X

X

Kever (Trisopterus esmarkii)

 

X

 

X

X

X

X

X

Blauwe wijting (Micromesistius poutassou)

 

X

 

X

X

X

X

X

Grote pieterman (Trachinus draco) (1)

 

X

 

X

X

X

X

X

Weekdieren (uitgezonderd Sepia) (1)

 

X

 

X

X

X

X

X

Geep (Belone belone) (1)

 

X

 

X

X

X

X

X

Grauwe poon (Eutrigla gurnardus) (1)

 

X

 

X

X

X

X

X

Zilversmelten (Argentina spp.)

 

 

 

X

X

X

X

X

Sprot (Sprattus sprattus)

 

X

 

X

X

X

X

X

Europese paling of aal (Anguilla Anguilla)

 

 

X

X

X

X

X

X

Garnalen/roodsprietgarnaal (Crangon spp., Palaemon adspersus) (1)

 

 

X

X

X

X

X

X

Makrelen (Scomber spp.)

 

 

 

X

 

 

X

X

Horsmakrelen (Trachurus spp.)

 

 

 

X

 

 

X

X

Haring (Clupea harengus)

 

 

 

X

 

 

X

X

Noorse garnaal (Pandalus borealis)

 

 

 

 

 

X

X

X

Garnalen/roodsprietgarnaal (Crangon spp., Palaemon adspersus) (2)

 

 

 

 

X

 

X

X

Wijting (Merlangius merlangus)

 

 

 

 

 

 

X

X

Langoustine (Nephrops norvegicus)

 

 

 

 

 

 

X

X

Alle andere mariene organismen

 

 

 

 

 

 

 

X

3)

De tabel in bijlage XII wordt als volgt gewijzigd:

a)

de rijen met betrekking tot de Japanse tapijtschelp en de octopus worden vervangen door:

Soort

Minimummaat

Gebieden 1 tot en met 5, met uitzondering van Skagerrak/Kattegat

Skagerrak/Kattegat

Japanse tapijtschelp (Venerupis philippinarum)

35mm

 


Soort

Minimummaat: Gebieden 1 tot en met 5, met uitzondering van Skagerrak/Kattegat

Octopus (Octopus Vulgaris)

Het hele gebied, met uitzondering van de wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van gebied 5: 750 gram

De wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van gebied 5: 450 gram (gestript)

”;

b)

de rijen met betrekking tot de ansjovis worden vervangen door:

Soort

Minimummaat: Gebieden 1 tot en met 5, met uitzondering van Skagerrak/Kattegat

Ansjovis (Engraulis encrasicolus)

Gehele zone, met uitzondering van ICES-sector IXa ten oosten van 7o23'48'' westerlengte: 12 cm of 90 vissen per kilo

ICES-sector IXa ten oosten van 7o23'48'' westerlengte: 10 cm

4)

De volgende bijlage wordt ingevoegd:

BIJLAGE XII BIS

MINIMUMMATEN VOOR GEBIED 9

Soort

Minimummaat: Gebied 9

Tarbot (Psetta maxima)

45 cm

5)

In bijlage XIV wordt het volgende ingevoegd, alfabetisch gerangschikt op de Nederlandse naam:

NEDERLANDSE NAAM

WETENSCHAPPELIJKE NAAM

Evervis

Capros aper

Gaffelkabeljauw

Phycis blennoides

Gouden sardinelle

Sardinella aurita

Roodbaarzen

Sebastes spp.

”;

6)

De volgende bijlagen worden ingevoegd:

„BIJLAGE XIV bis

SPECIFICATIES VOOR EEN SORTEERROOSTER

-1.

Het soortselectieve rooster wordt bevestigd in trawls met een kuil die volledig uit vierkante mazen bestaat met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 70 mm en kleiner dan 90 mm. De minimumlengte van de kuil bedraagt 8 meter. Het is verboden sleepnetten te gebruiken met meer dan 100 vierkante mazen in de omtrek van de kuil, de aanslag en de naadlijn niet meegerekend. Het gebruik van de kuil met vierkante mazen is alleen verplicht in het Skagerrak en het Kattegat.

1.

Het rooster moet rechthoekig zijn. De staven van het rooster lopen evenwijdig aan de lengteas van het rooster. De afstand tussen de staven bedraagt maximaal 35 mm. Het is toegestaan om hierin een of meer scharnieren aan te brengen om de opslag van het rooster op de nettentrommel te vergemakkelijken.

2.

Het rooster moet diagonaal en met de achterzijde omhoog in de trawl worden aangebracht op om het even welke plaats tussen onmiddellijk vóór de kuil en het vooreind van het cilindrische gedeelte. Alle zijden van het rooster moeten aan de trawl worden bevestigd.

3.

In het rugpaneel van de trawl moet onmiddellijk boven het rooster een vrije uitlaat voor vis worden aangebracht. De opening van deze uitlaat moet aan de achterzijde even breed zijn als het rooster en moet naar voren toe aan beide zijden puntvormig zijn uitgesneden langs de zijden van de mazen.

4.

Het is toegestaan vóór het rooster een trechter aan te brengen om de vis naar de bodem van de trawl en het rooster te geleiden. De minimale maaswijdte van de trechter moet gelijk zijn aan 70 mm. De verticale opening van de trechter die de vis naar het rooster leidt, moet ten minste 15 cm bedragen. De breedte van deze trechter moet gelijk zijn aan de breedte van het rooster.

Image

Schematisch beeld van een naar soort en grootte selectieve trawl. De vis die binnenkomt, wordt door een trechter naar de bodem van de trawl en naar een rooster geleid. Grotere vissen worden vervolgens via het rooster uit de trawl geleid terwijl kleinere vissen en langoustine door het rooster in de kuil terechtkomen. Doordat het cilindrische gedeelte volledig uit vierkante mazen bestaat, is het voor kleinere vissen en ondermaatse langoustine makkelijker om te ontsnappen. De hierboven geschetste kuil met vierkante mazen is alleen vereist in het Skagerrak en het Kattegat.

BIJLAGE XIV ter

VOORWAARDEN VOOR DE IN DE GOLF VAN BISKAJE TOEGESTANE VISSERIJ MET BEPAALDE SOORTEN GESLEEPT VISTUIG

1.   Voorschriften voor het bovenpaneel met vierkante mazen

Het ontsnappingspaneel bestaat uit een rechthoekig stuk net. Er is slechts één ontsnappingspaneel. Het mag op geen enkele wijze worden geblokkeerd door aan de binnen- of buitenzijde aangebrachte voorzieningen.

2.   Plaats van bevestiging van het paneel

Het paneel wordt midden in het rugpaneel van het achterste trechtervormige gedeelte van de trawl aangebracht, juist voor het cilindrische gedeelte bestaande uit de tunnel en kuil.

Het paneel eindigt niet meer dan 12 mazen van de rij handgebreide mazen tussen het achterste trechtervormige gedeelte en de tunnel.

3.   Grootte van het paneel

Het paneel is ten minste 2 meter lang en 1 meter breed.

4.   Netwerk

De mazen in het ontsnappingspaneel hebben een maaswijdte van ten minste 100 mm. Het moeten vierkante mazen zijn, d.w.z. alle vier zijden van het paneel hebben de AB-snit.

Het netwerk moet zo worden aangebracht dat de benen evenwijdig lopen met, respectievelijk loodrecht staan op, de lengterichting van de kuil.

Het netwerk moet zijn vervaardigd uit enkelvoudig getwijnd garen. De twijndikte bedraagt maximaal 4 mm.

5.   Bevestiging van het paneel in het netwerk met ruitvormige mazen

Het is toegestaan het netwerk aan vier zijden te voorzien van een naadlijn. De diameter van deze naadlijn bedraagt maximaal 12 mm.

De lengte van het paneel in gestrekte toestand moet gelijk zijn aan de lengte in gestrekte toestand van het netwerk aan weerszijden van het paneel.

Het aantal ruitvormige mazen van het rugpaneel dat is vastgemaakt aan de kleinste zijkant van het paneel (zijkant van een meter die loodrecht staat op de lengteas van de kuil) bedraagt ten minste het aantal ruitvormige mazen dat is vastgemaakt aan de lengterichting van het paneel, gedeeld door 0,7.

6.   Onderstaande illustratie geeft aan op welke wijze het ontsnappingspaneel in het netwerk wordt bevestigd.

Image

BIJLAGE XIV quater

PANEEL MET VIERKANTE MAZEN VOOR VAARTUIGEN LANGER DAN 15 METER

1.   Voorschriften voor het bovenpaneel met vierkante mazen

Het ontsnappingspaneel bestaat uit een rechthoekig stuk net. Het netwerk moet zijn vervaardigd uit enkelvoudig getwijnd garen. Het moeten vierkante mazen zijn, d.w.z. alle vier zijden van het paneel hebben de AB-snit. De maaswijdte bedraagt 120 mm of meer. De lengte van het paneel is ten minste drie meter, behalve als de panelen deel uitmaken van netten die worden gesleept door vaartuigen met een vermogen van minder dan 112 kilowatt, in welk geval de lengte ten minste twee meter bedraagt.

2.   Plaats van bevestiging van het paneel

Het paneel wordt in het bovenpaneel van de kuil bevestigd. De achterste rand van het paneel eindigt maximaal 12 meter van de pooklijn als omschreven in artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 3440/84 van de Commissie van 6 december 1984 inzake voorzieningen aan sleepnetten, Deense zegennetten (snurrevod) en soortgelijke netten.

3.   Bevestiging van het paneel in het netwerk met ruitvormige mazen

Er mogen zich niet meer dan twee open ruitvormige mazen bevinden tussen de lange zijde van het paneel en de naastliggende naadlijn.

De lengte van het paneel in gestrekte toestand moet gelijk zijn aan de lengte in gestrekte toestand van het netwerk aan weerszijden van het paneel. De verhouding tussen de ruitvormige mazen van het bovenpaneel van de kuil en de kortste zijde van het paneel is drie ruitvormige mazen per vierkante maas voor een 80 mm-kuil of twee ruitvormige mazen per vierkante maas voor een 120 mm-kuil, met uitzondering van de benen aan het uiteinde van het paneel aan beide zijden.

BIJLAGE XIV quinquies

PANEEL MET VIERKANTE MAZEN VOOR VAARTUIGEN VAN MINDER DAN 15 METER

1.   Voorschriften voor het bovenpaneel met vierkante mazen

Het ontsnappingspaneel bestaat uit een rechthoekig stuk net. Het netwerk moet zijn vervaardigd uit enkelvoudig getwijnd garen. Het moeten vierkante mazen zijn, d.w.z. alle vier zijden van het paneel hebben de AB-snit. De maaswijdte bedraagt 110 mm of meer. De lengte van het paneel is ten minste drie meter, behalve als de panelen deel uitmaken van netten die worden gesleept door vaartuigen met een vermogen van minder dan 112 kilowatt, in welk geval de lengte ten minste twee meter bedraagt.

2.   Plaats van bevestiging van het paneel

Het paneel wordt in het bovenpaneel van de kuil bevestigd. De achterste rand van het paneel eindigt maximaal 12 meter van de pooklijn als omschreven in artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 3440/84 (*).

3.   Bevestiging van het paneel in het netwerk met ruitvormige mazen

Er mogen zich niet meer dan twee open ruitvormige mazen bevinden tussen de lange zijde van het paneel en de naastliggende naadlijn. De lengte van het paneel in gestrekte toestand moet gelijk zijn aan de lengte in gestrekte toestand van het netwerk aan weerszijden van het paneel. De verhouding tussen de ruitvormige mazen van het bovenpaneel van de kuil en de kortste zijde van het paneel is twee ruitvormige mazen per vierkante maas, met uitzondering van de benen aan het uiteinde van het paneel aan beide zijden.

(*)  PB L 318 van 7.12.1984, blz. 23.”"


(1)   Alleen binnen vier mijl vanaf de basislijnen.

(2)   Buiten vier mijl vanaf de basislijnen.

(3)   Van 1 maart tot en met 31 oktober in het Skagerrak en van 1 maart tot en met 31 juli in het Kattegat.

(4)   Van 1 november tot en met de laatste dag van februari in het Skagerrak en van 1 augustus tot en met de laatste dag van februari in het Kattegat.

(5)   Bij toepassing van deze maaswijdteklasse is de kuil vervaardigd uit vierkant gemaasde panelen en voorzien van een sorteerrooster overeenkomstig bijlage XIVa bij deze verordening.

(6)   Het aandeel van de soorten kabeljauw, schelvis, heek, schol, witje, tongschar, tong, tarbot, griet, bot, makrelen, schartong, wijting, schar, koolvis, langoustine en kreeft in de aan boord gehouden vangst mag in totaal ten hoogste 10 % bedragen.

(7)   Het aandeel van de soorten kabeljauw, schelvis, heek, schol, witje, tongschar, tong, tarbot, griet, bot, haring, makrelen, schartong, schar, koolvis, langoustine en kreeft in de aan boord gehouden vangst mag in totaal ten hoogste 50 % bedragen.

(8)   Het aandeel van de soorten kabeljauw, schelvis, heek, schol, witje, tongschar, tong, tarbot, griet, bot, schartong, wijting, schar, koolvis en kreeft in de aan boord gehouden vangst mag in totaal ten hoogste 60 % bedragen.”


16.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 419/301


P7_TA(2012)0449

Afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen ***I

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1185/2003 van de Raad betreffende het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen (COM(2011)0798 — C7-0431/2011 — 2011/0364(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

(2015/C 419/54)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0798),

gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0431/2011),

gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012 (1),

gezien artikel 55 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0295/2012),

1.

stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


(1)  PB C 181 van 21.6.2012, blz. 195.


P7_TC1-COD(2011)0364

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 22 november 2012 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. …/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1185/2003 van de Raad betreffende het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 605/2013.)