|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
58e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
I Resoluties, aanbevelingen en adviezen |
|
|
|
ADVIEZEN |
|
|
|
Europees Economisch en Sociaal Comité |
|
|
|
503e zitting van het EESC van 10 en 11 December 2014 |
|
|
2015/C 230/01 |
||
|
2015/C 230/02 |
||
|
2015/C 230/03 |
||
|
2015/C 230/04 |
||
|
2015/C 230/05 |
||
|
2015/C 230/06 |
||
|
2015/C 230/07 |
||
|
2015/C 230/08 |
|
|
III Voorbereidende handelingen |
|
|
|
EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ |
|
|
|
503e zitting van het EESC van 10 en 11 December 2014 |
|
|
2015/C 230/09 |
||
|
2015/C 230/10 |
||
|
2015/C 230/11 |
||
|
2015/C 230/12 |
||
|
2015/C 230/13 |
||
|
2015/C 230/14 |
||
|
2015/C 230/15 |
||
|
2015/C 230/16 |
||
|
2015/C 230/17 |
||
|
2015/C 230/18 |
||
|
2015/C 230/19 |
||
|
2015/C 230/20 |
||
|
2015/C 230/21 |
||
|
2015/C 230/22 |
||
|
2015/C 230/23 |
||
|
2015/C 230/24 |
||
|
2015/C 230/25 |
||
|
2015/C 230/26 |
||
|
2015/C 230/27 |
||
|
2015/C 230/28 |
||
|
2015/C 230/29 |
||
|
2015/C 230/30 |
|
NL |
|
I Resoluties, aanbevelingen en adviezen
ADVIEZEN
Europees Economisch en Sociaal Comité
503e zitting van het EESC van 10 en 11 December 2014
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/1 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) als instrument van het cohesiebeleid 2014-2020 voor de ontwikkeling van plaatselijke gemeenschappen, plattelandsgebieden, stedelijke en voorstedelijke regio’s
(verkennend advies op verzoek van het Griekse voorzitterschap)
(2015/C 230/01)
|
Rapporteur: |
M Roman HAKEN |
De heer Theodoros N. Sotiropoulos, ambassadeur en voorzitter van het Comité van permanente vertegenwoordigers, heeft bij schrijven van 2 april 2014 namens het Griekse voorzitterschap van de Raad het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) verzocht om een verkennend advies op te stellen over
„vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) als instrument van het cohesiebeleid 2014-2020 voor de ontwikkeling van plaatselijke gemeenschappen, plattelandsgebieden, stedelijke en voorstedelijke regio’s”.
De afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 18 november 2014 goedgekeurd.
Het EESC heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 11 december 2014) het volgende advies uitgebracht, dat met 133 stemmen vóór en 2 tegen, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC is zich ervan bewust dat de Leader-methode de afgelopen twintig jaar haar levensvatbaarheid heeft bewezen. Deze benadering heeft actoren op het platteland geholpen om inzicht te verkrijgen in de mogelijkheden van hun regio voor de lange termijn, en is een doelmatig en doeltreffend instrument gebleken voor de uitvoering van ontwikkelingsbeleid. De Commissie heeft de partnerschapsmethode voor de financiering van projecten tevens gepromoot middels de communautaire initiatieven Urban, Urbact en Equal alsmede via de Lokale Agenda 21, Transition Towns en territoriale werkgelegenheidspacten. Zo is vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD, Community Led Local Development) ontstaan, een upgrade van de Leader-methode, wat in zekere zin een transitoire verandering is. |
|
1.2. |
CLLD is een specifiek instrument voor het bestuursniveau onder dat van regio’s en vormt een aanvulling op andere lokale ontwikkelingsinstrumenten. CLLD kan lokale gemeenschappen en organisaties mobiliseren en ertoe aanzetten bij te dragen aan de verwezenlijking van een slimme, duurzame en inclusieve groei. Het instrument vergroot de territoriale samenhang en maakt het mogelijk specifieke beleidsdoelstellingen te verwezenlijken, ook in het kader van de betrekkingen met partners uit derde landen. Het instrument maakt het mogelijk om een duurzame groei te realiseren dankzij een doeltreffender gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF), met het oog op het scheppen van nieuwe hoogwaardige arbeidsplaatsen en ondernemingen en met behulp van vanuit de gemeenschap geleide activiteiten op het gebied van klimaatverandering en duurzame ontwikkeling, overeenkomstig de Europa 2020-strategie. |
|
1.3. |
CLLD moet zo snel mogelijk worden omgevormd tot een „SMART”-instrument, zodat het lokale actoren kan helpen de sociaaleconomische crisis te boven te komen en hun vertrouwen in het beleid van de Europese Unie kan herstellen. Hierbij moet de nadruk worden gelegd op innovatieve projecten en op nieuwe hoogwaardige arbeidsplaatsen en ondernemingen, en moeten de maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering en ter bevordering van duurzame ontwikkeling en sociale inclusie meer aandacht krijgen, overeenkomstig de nieuwe Europa 2020-strategie. CLLD is een nieuw soort partnerschap, ter ondersteuning van sociale innovatie. |
|
1.4. |
De meeste lidstaten hebben CLLD opgenomen in hun partnerschapsovereenkomsten, wat duidt op het belang dat momenteel aan lokale ontwikkeling wordt gehecht (1). Dit multilaterale beheer zou moeten worden uitgebreid tot alle activiteiten die met ESIF-middelen worden gefinancierd, eventueel met de vaststelling van een verplicht gebruiksniveau (van minimaal 5 %) voor alle fondsen. Het EESC is er voorstander van dat alle lidstaten van de EU dit instrument geleidelijk gaan gebruiken, op basis van het partnerschapsbeginsel en de uitwisseling van beste praktijken. |
|
1.5. |
Het EESC is ermee ingenomen dat het Griekse en het Italiaanse EU-voorzitterschap in 2014 veel belang hechten aan het cohesiebeleid als een nuttig instrument om duurzame groei te bevorderen en de economische crisis in Europa te overwinnen. |
|
1.6. |
Het EESC gaat ervan uit dat dit advies als uitgangspunt zal dienen voor de (mede door de Europese Commissie gefinancierde) uitvoering van proefprojecten om het CLLD-instrument in te zetten daar waar dat momenteel nog niet het geval is, te weten in voorstedelijke en met name stedelijke gebieden, en zo de gebruiksmogelijkheden van dit instrument uit te breiden. Indien er in de periode 2014-2020 belangstelling is voor de CLLD-methode, steunt het EESC de toepassing ervan op alle fondsen en in zowel plattelands- als stedelijke gebieden. Het gaat om een combinatie van de representatieve democratie en de participatiedemocratie. Het is met andere woorden een instrument dat overheidsvertegenwoordigers in staat stelt partnerschappen aan te gaan met maatschappelijke organisaties en burgers. |
|
1.7. |
Het EESC is ervan overtuigd dat het zinvol is om lokale actoren — burgers, economische en sociale partners, ngo’s en non-profitorganisaties en lokale overheden — in staat te stellen om door middel van CLLD deel te nemen aan lokale ontwikkelingsstrategieën op hun grondgebied. Ook is het zaak om op basis van de ervaringen die in plattelandsgebieden zijn opgedaan met de Leader-benadering, de stedelijke CLLD een concrete invulling te geven, zodat steden en burgers zich bewust worden van de maatregelen die kunnen worden voorgesteld in steden. |
|
1.8. |
Het EESC betreurt dat overheidsactoren en territoriale overheden vaak geen voorstander zijn van de CLLD-methode, ondanks de doeltreffendheid ervan. Er moet een informatiestrategie worden opgezet die alle actoren informeert en beroepshalve bijstuurt. Deze moet met name worden gericht op overheidsactoren en moet ervoor zorgen dat meer gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden om lokale ontwikkelingsstrategieën uit te stippelen en uit te voeren. De vraag of deze groepen zich deze resultaten eigen maken is van essentieel belang voor de stabiliteit van de ontwikkelingsstrategieën op lange termijn en voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Om succesvol te zijn is het van essentieel belang dat dit instrument politiek wordt gesteund, op alle niveaus (EU, nationaal, regionaal en lokaal). |
|
1.9. |
Het EESC wijst erop dat de sociale en economische partners en de maatschappelijke organisaties meer moeten worden betrokken bij CLLD, op voorwaarde dat hun capaciteiten om deze rol te kunnen vervullen worden versterkt. Om de belangen en behoeften van de burgers goed te vertegenwoordigen moeten alle partners rechtstreeks kunnen deelnemen aan de partnerschappen met de overheid. |
|
1.10. |
Het EESC is van mening dat CLLD een innovatie is op het gebied van regionaal beleid en dat het instrument onvoldoende bekend is, noch op lokaal niveau, noch bij sommige lidstaten, noch bij de platforms waarin potentiële gebruikers van deze benadering verenigd zijn. Om te helpen het nieuwe CLLD-instrument toe te passen in het kader van Europees beleid is het zaak om in detail te analyseren hoe iedere lidstaat hierbij te werk gaat, en aanbevelingen te formuleren met het oog op een doeltreffende toepassing ervan. Daarmee zullen we ook beschikken over een studie waarin niet alleen voorbeelden van goede praktijken worden gegeven, maar ook de mislukkingen worden beschreven waarvoor in de toekomst moet worden gewaakt. Het EESC wenst bij te dragen aan deze studie, samen met de bevoegde diensten van de Europese Commissie, het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de Regio’s. Deze studie zou het uitgangspunt kunnen zijn voor de oprichting van een intergroep CLLD, als interinstitutioneel platform. |
|
1.11. |
Wat de vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling betreft, is het EESC voorstander van:
|
|
1.12. |
De CLLD-methode kan perfect worden toegepast, niet alleen op de toewijzing van ESIF-middelen maar ook op de herverdeling van eigen middelen (afkomstig van lokale, regionale en nationale overheden). Daarom is het van belang dat de ontwikkelingsstrategieën, de concrete projecten en de tenuitvoerlegging daarvan niet afhankelijk worden gemaakt van de EU-middelen die daarvoor worden uitgetrokken, maar dat zij de echte behoeften weerspiegelen als het gaat om de kwaliteit van het bestaan van de lokale gemeenschap. |
|
1.13. |
Het EESC acht het van essentieel belang dat de basisbeginselen van de CLLD-methode strikt in acht worden genomen. Het bestaan van een evenwichtig partnerschap waaraan wordt deelgenomen door plaatselijke gemeenschappen, zou dan ook een ex-antevoorwaarde moeten zijn voor het verkrijgen van steun. Voor een doeltreffende lokale ontwikkeling mogen louter formele partnerschappen, die slechts worden aangegaan met het oog op het verkrijgen van voldoende middelen zonder dat deze ook echt in de praktijk wordt gebracht, niet worden getolereerd. Er moet dus een doeltreffend controle- en toezichtsysteem worden ontwikkeld om dit tegen te gaan. |
|
1.14. |
Belangrijke aspecten die volgens het EESC niet over het hoofd mogen worden gezien — niet alleen in tijden van economische crisis —, zijn de transparantie van de geldstromen die afkomstig zijn van de overheidsbegroting, het vergroten van het vertrouwen tussen overheidsorganen en de burgers, en de doeltreffendheid van de investeringen. De VN, de OESO, de Wereldbank en andere instellingen hanteren vergelijkbare partnerschapsbenaderingen. Het gaat om een uitgebreide benadering, ter ondersteuning van het gebruik van de CLLD-methode buiten Europa, bijvoorbeeld in het kader van toetredingsonderhandelingen of ontwikkelingsbeleid of van inspanningen om de doelstellingen inzake duurzame groei na 2015 te verwezenlijken en de verbintenissen op het gebied van klimaatverandering na te komen. |
|
1.15. |
Het EESC onderscheidt de volgende mogelijke uitdagingen voor de komende periode op het gebied van CLLD, waarbij het erom gaat de administratieve rompslomp te verlichten:
|
|
1.16. |
Het EESC beveelt aan een aparte terminologie te gebruiken om de verschillende toepassingen van CLLD te onderscheiden, net als bij LAG’s en LAGV’s het geval is. Voor „stedelijke LAG’s” stellen wij de benaming „stedelijk partnerschap” voor, voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling in steden stellen wij de afkorting CLLD-U (met de U van urban) voor. Dit zou helpen om beter te onderscheiden om welke context het gaat, welke financiële middelen er zijn en waarvoor zij bestemd zijn. Ook bevelen wij aan dat, naar het voorbeeld van het succesvolle Leader-programma, een nieuwe benaming en een afkorting worden gezocht voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling, die beter worden opgepikt door alle actoren. De benaming maakt onlosmakelijk deel uit van de promotiecampagne, en de uitdrukking „vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling” (CLLD) kan in een voetnoot vermeld blijven. |
2. Inleiding in de problematiek: oprichting van het CLLD-instrument (Leader-programma) — ontstaansgeschiedenis, gevolgen en standpunten van de Europese instellingen
|
2.1. |
Basisbeginselen en toegevoegde waarde van de Leader-methode en toepassing daarvan in het kader van de CLLD-methode: |
2.1.1. Gebiedsgerichte benadering
Voor een duurzame ontwikkeling van een bepaald kleiner gebied maakt het programma gebruik van het werkelijke potentieel van dat gebied. Het houdt rekening met zijn plus- en minpunten, en de uitgewerkte ontwikkelingsstrategie beantwoordt aan de werkelijke behoeften. De grenzen van het gebied worden niet alleen bepaald door administratieve grenzen, en zijn flexibel.
2.1.2. Bottom-upbenadering
De lokale overheden en de burgers moeten worden betrokken bij het uitstippelen van lokale ontwikkelingsstrategieën en het vaststellen van prioriteiten. De nadruk die wordt gelegd op het laagste niveau, is het belangrijkste van de zeven programmapunten. Het is niet de bedoeling van het programma dat het hoogste nationale niveau buiten spel wordt gezet, maar wel dat er meer uitwisseling plaatsvindt tussen de twee niveaus.
2.1.3. Lokale actiegroepen
Een belangrijk onderdeel van het programma is de steun aan lokale actiegroepen. Deze lokale groepen moeten partners uit de openbare, particuliere en vrijwilligerssector bijeenbrengen, en een dialoog op gang brengen over de richting die de lokale ontwikkeling moet uitgaan.
2.1.4. Innovatieve benadering
Het programma steunt innovatie. Het is erop gericht nieuwe producten, processen, organisaties en markten te creëren. Innovatie wordt bereikt door de lokale actiegroepen zo veel mogelijk flexibiliteit te geven.
2.1.5. Geïntegreerde en multisectorale benadering
Het programma legt de nadruk op de integratie van verschillende sectoren. Het streeft ernaar economische, sociale, culturele en milieukwesties te coördineren en deze te integreren in alomvattende projecten.
2.1.6. Netwerkvorming
Het programma steunt de oprichting van netwerken waarin de deelnemers hun ervaringen kunnen uitwisselen. Deze netwerken hebben ofwel een institutioneel karakter wanneer zij door de Europese Commissie worden gefinancierd, of zijn minder formeel wanneer het gaat om nationale, regionale en lokale netwerken.
2.1.7. Samenwerking
De samenwerking in dit programma gaat verder dan de uitwisseling van ervaringen. De lokale groepen kunnen rechtstreeks samenwerken rond een thematisch project.
2.1.8. Acties op het terrein
Om echt iets te doen voor de burgers van een bepaald gebied, moeten zij niet alleen worden geïnformeerd, maar moet ook worden gezorgd voor een goede communicatie en moeten de burgers vertrouwen krijgen in het beginsel dat hun ideeën objectief zullen worden beoordeeld en uitgewerkt.
|
2.2. |
Het Comité van de Regio’s beschouwt CLLD als een belangrijk middel om tot een harmonieuze ontwikkeling van stedelijke en landelijke gebieden te komen en betere kansen te bieden voor het ontwikkelen van banden met omliggende peri-urbane en landelijke gebieden (3). |
|
2.3. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft verschillende adviezen uitgebracht over samenwerking en participatie in partnerschapsverband, waarvan enkele in onderstaande voetnoot worden genoemd (4). |
|
2.4. |
Europese Commissie — documenten over de tenuitvoerlegging van CLLD, op basis van de ervaringen met Leader: „European Structural and Investment Funds, Guidance for Member States and Programme Authorities, Guidance for Beneficiaries — Guidance on Community-Led Local Development for Local Actors” (5) en „Guidance on Community-led Local Development in European Structural and Investment Funds” (6). |
|
2.5. |
Deze documenten zouden op doeltreffende wijze moeten worden verspreid, in het kader van een echt proactieve informatiestrategie. Tegelijkertijd moet ruimte worden voorzien voor gezamenlijke vergaderingen van CLLD-actoren en deskundigen, om van gedachten te kunnen wisselen en de benaderingen van verschillende regio’s in de EU met elkaar te kunnen vergelijken. De hiervoor benodigde infrastructuur zou bijvoorbeeld door het EESC ter beschikking kunnen worden gesteld. |
3. Lokale actiegroepen (LAG’s) in landelijke gebieden en ondersteuning van hun rol in de periode 2014-2020 — overheidsbegroting onder overheidscontrole
|
3.1. |
De lokale actiegroep (LAG) is de basiseenheid van het Leader-programma. Het betreft een lokaal partnerschap, waarin zowel de sectoren als de actieterreinen evenredig vertegenwoordigd zijn. De LAG heeft rechtspersoonlijkheid en beschikt over beheers- en besluitvormingsprocedures. Het totale aantal LAG’s in de EU dat door plattelandsontwikkelingsprogramma’s en andere maatregelen van het Leader-type wordt gesteund, bedraagt 2 402; zij bestrijken 77 % van het totale grondgebied van de EU (7), oftewel bijna 90 % van de landelijke gebieden en meer dan 50 % van de bevolking in de EU (8). |
|
3.2. |
De Leader-methode heeft zich zodanig goed bewezen dat ze nu zo veel mogelijk zou moeten worden uitgebreid tot alle plattelandsgebieden in de EU. Tegelijkertijd moet worden toegezien op de verenigbaarheid van de regels betreffende de internationale samenwerking tussen LAG’s die in verschillende lidstaten zijn opgericht. |
|
3.3. |
De belangrijkste voorgestelde prioriteiten van het programma voor de periode 2014-2020 zijn:
|
4. Voorstedelijke gebieden en lokale actiegroepen voor de visserij — specifieke uitdagingen
|
4.1. |
De gebieden waar stad en platteland dicht tegen elkaar aan liggen, vormen een ruimte waar CLLD doeltreffend kan worden toegepast. Dit type instrument maakt het mogelijk om in te spelen op veranderingen in de manier waarop de ruimte wordt gebruikt en rekening te houden met functionele banden in een bepaald grondgebied. De banden tussen de stad en het omringende platteland zijn zeer sterk en verdienen een specifieke benadering. |
|
4.2. |
De voorstedelijke ruimte kent specifieke problemen (uitdagingen), die kunnen worden opgelost met behulp van CLLD. De voornaamste uitdagingen zijn te zorgen voor een duurzame mobiliteit, de totstandkoming van een sociaal samenhangende samenleving, en de vaststelling van prioriteiten voor het ruimtebeslag. De voorstedelijke ruimte is de ruimte rondom steden met meer dan 25 000 inwoners. Er dient te worden gewezen op het gemeenschappelijk onderzoeksproject „Rurban” van de OESO en de Europese Commissie, dat is bedoeld om de formele en informele partnerschappen tussen stad en platteland en hun bijdrage aan de lokale ontwikkeling te evalueren (9). |
|
4.3. |
CLLD wordt sinds 2007 ook toegepast in het kader van het Europees Fonds voor visserij om de duurzame ontwikkeling van vissersgemeenschappen te bevorderen, door middel van LAGV’s. |
5. Stedelijke gebieden — mobiliseren van de bevolking en waarborgen van de financiering van de lokale ontwikkeling
|
5.1. |
Er bestaat niet één definitie van het begrip „stedelijk gebied”, wij gaan dan ook uit van nationale en lokale bepalingen en gebruiken. Voor plattelandsgebieden geldt dat de daarin liggende steden niet meer dan 25 000 inwoners mogen tellen. Dit criterium kan bij analogie worden uitgebreid tot stedelijke gebieden (in dat geval gelden drempels van minimaal 10 000 en maximaal 1 50 000 inwoners). De overheid zou vertegenwoordigd moeten zijn door personen met verantwoordelijkheden op de betreffende gebieden, liefst een combinatie van vertegenwoordigers van het centrale gemeentebestuur en één of meerdere stadswijken of andere eenheden (bv. bepaalde districten, sociaal geïsoleerde gebieden, stadsgebieden met specifieke problemen). |
|
5.2. |
De concrete ervaringen van steden die hebben deelgenomen aan het operationele programma (OP) Urbact II, European Knowledge Development Platform (10) (en binnenkort ook het Urban Development Platform (11)), kunnen als bron van inspiratie worden gebruikt. Ook moet worden gewezen op de ervaringen met Transition Towns en Permaculture Communities, in het kader waarvan duizenden lokale gemeenschappen in de hele EU met succes een vanuit de gemeenschap geleide duurzame ontwikkeling promoten. |
|
5.3. |
Twintig jaar ervaring op het platteland betekent ook dat de steden kunnen leren van het platteland. Na een overgangsperiode zal dan een beoordeling plaatsvinden. In de praktijk zal er, met de hulp van deskundigen en een vorm van coaching, een succesvolle overdracht van goede methoden moeten plaatsvinden. |
|
5.4. |
Reeds in de programmeringsperiode 2007-2013 zijn op stedelijk niveau adviesorganen opgericht in de vorm van lokale ondersteunende groepen (Urbact Local Support Groups), die werden betrokken bij de opstelling van lokale actieplannen. Maar anders dan bij de Leader- en CLLD-methoden ging het hierbij slechts om relatief informele deskundigengroepen, waarbij geen strikte vertegenwoordiging van de verschillende sectoren vereist was. De samenstelling van deze groepen hing af van het thema van het betreffende project. Het operationele programma Urbact II verstrekte geen financiële steun aan de werkzaamheden van de lokale ondersteunende groepen. Om de doeltreffende werking van het partnerschapsbeginsel ook in stedelijke gebieden te vergroten zouden partnerschappen moeten worden opgericht op basis van CLLD, en zouden hiervoor de nodige financiële middelen moeten worden uitgetrokken. „Deze aanpak kan ook worden toegepast in stedelijke gebieden en in kleine en middelgrote steden en hun functionele achterland, in de rol van lokale en subregionale centra” (12). |
|
5.5. |
Wat betreft de problemen waar steden mee kampen, zijn verschillende operationele programma’s geschikt voor de financiering van proefprojecten met CLLD. Daarom stellen wij voor om voor de CLLD-methode en de toepassing daarvan in proefprojecten gebruik te maken van de bestaande financiering voor stedelijke gebieden (bijvoorbeeld voor het milieu, de bescherming van monumenten en cultureel erfgoed enz.) (13). |
|
5.6. |
Het zou nuttig zijn voorbeelden van goede praktijken van verschillende lidstaten te verzamelen inzake de ontwikkeling van steden dankzij de partnerschapsbenadering, en deze te verwerken in de in paragraaf 1.10 genoemde studie. Een handleiding voor het werken in partnerschapsverband zou het volgende werkdocument kunnen zijn: „Het partnerschapsbeginsel bij de tenuitvoerlegging van de onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallende fondsen — elementen voor een Europese gedragscode inzake partnerschap” (14). |
6. Hoe kan CLLD algemener en vaker worden toegepast?
|
6.1. |
Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling moet de burgers helpen hun gemeenten en steden op betekenisvolle en duurzame wijze te ontwikkelen. Dankzij CLLD kunnen de burgers rechtstreeks bijdragen aan de verbetering van de levenskwaliteit in hun gemeenschap, in de zin van een echte inclusieve groei met zichtbare resultaten op lokaal niveau. Het spreekt voor zich dat om CLLD in de praktijk te brengen, middelen moeten worden uitgetrokken voor capaciteitsopbouw, zodat alle partners hun rol kunnen uitoefenen en niet slechts waarnemers bij het proces zijn, en ze actief kunnen deelnemen aan het horizontale partnerschap, in de geest van de multilevel governance. Verder is het zaak dat de coaching en mentoring worden ondersteund door ervaren actoren en deskundigen, oftewel door onderwijs en opleiding. In het onderhavige voorstel zou enerzijds moeten worden gekeken waarom de Leader-methode zo doeltreffend en succesvol is gebleken, en zou anderzijds moeten worden gemotiveerd waarom de CLLD-methode dient te worden uitgebreid tot alle met ESIF-middelen gefinancierde programma’s om een succesvol cohesiebeleid te kunnen voeren. |
|
6.2. |
Daar waar de methode nog niet wordt toegepast, zou een tussentijdse evaluatie moeten worden uitgevoerd om deze aanpak te lanceren in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) voor de periode 2014-2020. |
|
6.3. |
Een belangrijk aspect is de uitwisseling van deskundige kennis tussen sociaaleconomische partners, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de lokale, regionale en nationale overheden, wat multilateraal moet worden gesteund. |
|
6.4. |
De ontwikkeling van CLLD-strategieën vergt enige tijd; toch moet er voldoende tijd worden voorzien voor de tenuitvoerlegging, en moeten er voldoende middelen worden uitgetrokken om de afzonderlijke maatregelen te kunnen financieren. Een te lange voorbereiding, zonder territoriale impact (in de vorm van uitgevoerde projecten), leidt, net als een overhaaste financiering van activiteiten (wegens het naderen van de uiterste datum), tot een gebrek aan vertrouwen in dit instrument. |
|
6.5. |
Andere problemen die moeten worden opgelost voor een correct gebruik van CLLD, zijn de bureaucratische rompslomp en de excessieve administratieve lasten, de late terugbetaling van de kosten, en de voorfinanciering van projecten met eigen middelen of leningen waarvan de rente voor rekening van de uiteindelijke begunstigden komt. Als model voor participatieve financiering kan worden gedacht aan een publiek-private financiering, met participatie van de bankensector en een garantie van de staat. |
|
6.6. |
Vaak voeren de lidstaten, bovenop de voorschriften van de Europese Commissie, nationale bureaucratische bepalingen in die het gebruik van subsidies aanzienlijk bemoeilijken en die potentiële begunstigden ontmoedigen vanwege het complexe karakter en de mogelijke gevolgen. Sommige nationale autoriteiten trachten bovendien de kosten voor acties op het terrein en de administratie van kleinere LAG’s zo laag mogelijk te houden. Dit dreigt de werking van het hele systeem echter in de war te sturen |
|
6.7. |
Het EESC dringt aan op cursussen voor opleiders: de scholing van nationale/regionale actoren zou in het kader van de technische bijstand gewaarborgd moeten zijn op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, houdende algemene bepalingen. Ook is het zaak dat de voorwaarden worden gecreëerd voor een doeltreffende ontwikkeling en benutting van netwerken op regionaal, nationaal en internationaal niveau, aangezien het werken in netwerkverband een aanzienlijke toegevoegde waarde biedt. |
|
6.8. |
Het zou nuttig zijn voorbeelden van goede praktijken van verschillende lidstaten te verzamelen, om deze te verwerken in de in paragraaf 1.10 genoemde studie. |
Brussel, 11 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) In Verordening (EU) nr. 1303/2013 worden voor de periode 2014-2020 drie verschillende geïntegreerde benaderingen vastgesteld: CLLD is er één van, samen met geïntegreerde territoriale investeringen (ITI’s) en gezamenlijke actieplannen.
(2) Verplichtstellen en waarborgen van gelijke voorwaarden voor de werking van het CLLD-instrument in de lidstaten, overeenkomstig de beginselen van de methode en rekening houdend met nationale en regionale specifieke omstandigheden.
(3) CvdR-advies „Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (PB C 17 van 19.1.2013, blz. 18).
(4) EESC-advies: „Governance en partnerschap op nationaal en regionaal niveau en als basis voor projecten op het gebied van regionaal beleid” (PB C 77 van 31.3.2009, blz. 143), „Cohesiebeleidsstrategieën en -programma’s voor de programmeringsperiode 2007-2013” (PB C 228 van 22.9.2009, blz. 141), „Het bevorderen van een doelmatige samenwerking bij het beheer van de programma's van het cohesiebeleid op basis van goede praktijken in de periode 2007-2013” (PB C 44 van 11.2.2011, blz. 1), „De rol en prioriteiten van het cohesiebeleid binnen de EU 2020-strategie” (PB C 248 van 25.8.2011, blz. 1), „Bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020-strategie” (PB C 318 van 29.10.2011, blz. 82), „Leader als instrument voor lokale ontwikkeling” (PB C 376 van 22.12.2011, blz. 15), „Structuurfondsen — Algemene bepalingen” (PB C 191 van 29.6.2012, blz. 30).
(5) http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docgener/informat/2014/guidance_clld_local_actors.pdf
(6) http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docgener/informat/2014/guidance_community_local_development.pdf
(7) European Network for Rural Development (ENRD), LEADER Infographic.
(8) Van Depoele, L., „Local Development Strategies in the EU”, The Case of LEADER in Rural Development, p. 4: http://www.eurolocaldevelopment.org/wp-content/uploads/2013/03/local_development_strategies_in_the_eu-.pdf
(9) http://www.oecd.org//regional/rurbanrural-urbanpartnerships.htm
(10) www.eukn.org
(11) http://www.emi-network.eu/Sharing_knowledge/News_on_EU_policy/Cohesion_Policy_2014_2020_negotiations_about_the_urban_dimension
(12) Vereniging van Poolse gemeenten, januari 2014, http://ldnet.eu/CLLD+in+urban+areas
(13) Een ander belangrijk geïntegreerd instrument naast CLLD is de geïntegreerde territoriale investering (ITI). De gelijktijdige toepassing hiervan zal synergie opwekken.
(14) http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docoffic/working/strategic_framework/swd_2012_106_nl.pdf
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/9 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een EU-strategie voor het Alpengebied
(verkennend advies)
(2015/C 230/02)
|
Rapporteur: |
Stefano PALMIERI |
In een brief d.d. 27 oktober 2014 heeft de Europese Commissie het Europees Economisch en Sociaal Comité verzocht overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een verkennend advies op te stellen over een
„EU-strategie voor het Alpengebied (EUSALP)”.
De afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 18 november 2014 goedgekeurd.
Het EESC heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 132 stemmen vóór, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Gelet op de uitdagingen die niet op bevredigende wijze met de gebruikelijke middelen door de afzonderlijke lidstaten of regio’s kunnen worden aangepakt, verheugt het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) zich erover dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de opstelling van een EU-strategie voor het Alpengebied (EUSALP) ter ondersteuning van de samenhang en het concurrentievermogen. |
|
1.2. |
Het wijst erop hoezeer de ontwikkelingsdynamiek van het Alpengebied samenhangt met de bergketen, ook wat aspecten van identiteit en herkenbaarheid betreft. De bergketen vormt de verbindingsschakel tussen alle gebieden die op economisch, sociaal of milieuvlak bij de strategie betrokken zijn. |
|
1.3. |
De betrokken landen getuigen van een krachtig politiek engagement, alsook van een hoog niveau van bekendheid met en deelname aan EUSALP, op zowel nationaal als regionaal niveau. Deze gevoeligheid is te danken aan een samenwerkingsproces dat sinds de jaren '70 in het gebied op gang is gebracht. |
|
1.4. |
Volgens het EESC is een aantal specifieke kenmerken bepalend voor het Alpengebied. Zo zij gedacht aan de territoriale systemen die tot de meest concurrerende ter wereld behoren, de economische en sociale onevenwichtigheden tussen enerzijds plattelands- en berggebieden en anderzijds stedelijke gebieden en steden, het natuurlijk en cultureel erfgoed en de enorme concentratie van vervoersstromen. |
|
1.5. |
Het EESC is wel te vinden voor de algemene opzet van de strategie, met doelstellingen, pijlers en prioriteiten die aansluiten bij hetgeen in het discussiestuk is aangegeven, maar vindt toch dat deze in het actieplan zouden moeten worden geïntegreerd en verbeterd. |
|
1.6. |
Het territoriale gebied dat onder EUSALP zal vallen wordt gekenmerkt door niveaus van economische ontwikkeling, milieuduurzaamheid en sociale samenhang die duidelijk boven het Europese gemiddelde liggen. Niettemin stellen de economische en financiële crisis alsook de veranderingen die door de mondialisering van de economie en de markten zijn teweeggebracht, de betrokken macroregio voor belangrijke uitdagingen. Om het economisch concurrentievermogen en de sociale samenhang in Europa te ondersteunen is het daarom volgens het EESC van bijzonder belang de algemene doelstelling van EUSALP te verwezenlijken, nl. te verzekeren dat deze regio een van de meest aantrekkelijke regio’s van Europa blijft, zijn troeven beter exploiteert en de kansen grijpt voor duurzame en innoverende ontwikkeling (1). |
|
1.7. |
Het is absoluut zaak de in EUSALP geschetste alomvattende ontwikkelingsaanpak kracht bij de zetten via de definiëring van nieuwe en beter gekwalificeerde doelstellingen zoals in paragraaf 4.4 wordt aangegeven. |
|
1.8. |
Het EESC zou graag zien dat bij de vaststelling van het actieplan van EUSALP de onderlinge koppeling en samenhang worden versterkt tussen de prioriteiten die betrekking hebben op enerzijds het concurrentievermogen (eerste pijler) en anderzijds de duurzaamheid (derde pijler). Zo kan worden verzekerd dat de ontwikkelingsdoelstellingen worden gehaald zonder de behoeften en kansen van toekomstige generaties op de helling te zetten. |
|
1.9. |
Wat de eerste pijler betreft, is het volgens het EESC van cruciaal belang duurzame groei te waarborgen en werk te maken van volledige werkgelegenheid, innovatie, concurrentievermogen en samenhang in het Alpengebied via wederzijdse solidariteit tussen berg- en stedelijke gebieden. Wat de prioriteiten betreft, zij verwezen naar paragraaf 5.2. |
|
1.10. |
Ten aanzien van de tweede pijler is het EESC voorstander van bevordering van territoriale ontwikkeling op basis van samenwerking tussen interne en externe territoriale systemen, toegankelijkheid van diensten, duurzame mobiliteit en verbetering van vervoer en communicatie-infrastructuur. Wat de prioriteiten betreft, zij verwezen naar paragraaf 5.3. |
|
1.11. |
Met betrekking tot de derde pijler is het volgens het EESC zaak de inspanningen met het oog op duurzaam milieubeheer en -bescherming op te voeren alsook optimaal gebruik te maken van het territoriaal kapitaal van het gebied. Wat de prioriteiten betreft, zij verwezen naar paragraaf 5.4. |
|
1.12. |
Het EESC vreest dat EUSALP zonder een sterke governance en specifieke financiële middelen ter ondersteuning van activiteiten voor capaciteitsopbouw, aan doeltreffendheid en strategisch belang dreigt in te boeten. Aansluitend bij de conclusies van de Raad hoopt het in dit verband dat een actieplan zal worden opgezet met oog voor de complementariteit van financieringsprogramma’s, de coördinatie van institutionele instrumenten en de vaststelling van nieuwe projecten met macroregionale draagwijdte (2). |
|
1.13. |
Het EESC herinnert aan de conclusies van het advies Governance van de macroregionale strategieën (3) en is van mening dat de vaststelling en tenuitvoerlegging van EUSALP een specifiek governancesysteem vergt dat gebaseerd is op samenwerking en coördinatie. Om ervoor te zorgen dat de strategie doel treft, is het volgens het EESC in dit verband zaak EUSALP te voorzien van een effectieve multilevel governance (4), die aandacht schenkt aan de horizontale dimensie (deelname van het maatschappelijk middenveld), maar tegelijk ook de verticale dimensie (deelname van regio’s en lokale overheden) integreert en kwalificeert, met volledige inachtneming van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel (5). |
|
1.14. |
Het EESC zou graag zien dat het maatschappelijk middenveld betrokken wordt bij de initiatieven voor capaciteitsopbouw en is ingenomen met de lancering van een permanent forum ter vertegenwoordiging en ondersteuning van de sociaaleconomische actoren van het Alpengebied. |
|
1.15. |
Het is volgens hem absoluut zaak de werkgelegenheid te ondersteunen, met bijzondere aandacht voor jongeren en langdurig werklozen, alsook steun te geven aan initiatieven ter bevordering van sociale investeringen en aanpassing van socialebeschermingsregelingen. |
2. EU-strategie voor het Alpengebied: algemene opmerkingen
|
2.1. |
Met dit advies wordt beoogd een evaluatie te maken van het document voor de openbare raadpleging over de EU-strategie voor het Alpengebied (6) (EUSALP), ook met verwijzing naar de reeds eerder door het Comité goedgekeurde adviezen over macroregionale strategieën. |
|
2.2. |
Het Alpengebied betreft vijf lidstaten (Italië, Frankrijk, Oostenrijk, Duitsland en Slovenië) en twee derde landen (Zwitserland en Liechtenstein) en strekt zich uit over een oppervlakte van 4 50 000 km2 waarop 70 miljoen mensen wonen. |
|
2.2.1. |
De territoriale systemen die onder EUSALP vallen, zijn nauw verbonden met de Alpen, die niet alleen een identiteitskenmerk en een herkenningsfactor zijn maar ook vanuit economisch, logistiek en milieuoogpunt de verbindingsschakel tussen al die gebieden vormen (7). |
|
2.3. |
Wat het macroregionale beleid van de EU sinds 2009 betreft, is de geografische context van EUSALP van strategisch belang in het kader van het Europese cohesiebeleid en zorgt de strategie voor continuïteit ten aanzien van de Strategie voor de Oostzee — EUSBR (8), de Strategie voor het Donaugebied — EUSDR (9) en de Strategie voor de Adriatische en de Ionische regio — EUSAIR (10). Voorts is ze van cruciaal belang om het begrip macroregionaliteit in het westelijke Middellandse Zeegebied (11) grotere verspreiding te geven. |
|
2.4. |
Sinds de jaren '70 hebben de regio’s in het Alpengebied — over de nationale grenzen heen waardoor ze van oudsher van elkaar gescheiden zijn — het gemeenschappelijke bewustzijn ontwikkeld dat hun territoriale systeem moet worden beschouwd als een unieke entiteit die moet worden behouden en opgewaardeerd. Juist om die reden is een aantal initiatieven inzake interregionale, transnationale en grensoverschrijdende samenwerking gelanceerd met onder meer als belangrijke doelstelling het wederzijdse begrip tussen de betrokken volkeren te verbeteren om zo de taal-, sociaaleconomische en etnische verschillen te kunnen overbruggen en een betere integratie op Europees niveau te bevorderen (12). |
|
2.5. |
Mijlpalen in het lanceringsproces van EUSALP, dat moet worden afgerond met de eind 2015 geplande goedkeuring door de Raad (13), waren de Alpenconferentie van Bad Ragaz (juni 2012) en de conferentie van Grenoble (oktober 2013). |
|
2.5.1. |
Tijdens de conferentie van Grenoble (14) en de vaststelling van de Politieke resolutie voor de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor het Alpengebied zijn de doelstellingen, de te grijpen kansen en de aan te pakken uitdagingen geïdentificeerd ten aanzien van drie hoofdthema’s: concurrentievermogen en innovatie, landbouw en bosbouw en toerisme; water, energie, milieu en klimaat; toegankelijkheid, communicatie en vervoer. |
3. Algemeen kader, strekking en doelstellingen van het raadplegingsdocument
|
3.1. |
In de EUSALP-strategie is de bergketen het kenmerkende element van de hele samenwerkingszone. De grote territoriale heterogeniteit is een van de belangrijkste kenmerken die het Alpengebied van andere delen van Europa onderscheidt: er zijn berggebieden en omliggende gebieden aan de voet van bergen, toegankelijke en afgelegen valleien, laag- en hoogvlakten, grootstedelijke gebieden en steden. |
|
3.1.1. |
Om de terreinen waarop de doelstellingen en prioriteiten van EUSALP moeten worden toegespitst, beter te omschrijven, dient melding gemaakt van de volgende vijf typen van territoriale omgevingen die het Alpengebied kenmerken: grootsteden in berggebied, steden in berggebied, groeiende plattelandsgebieden, achteruitgaande plattelandsgebieden, toeristische gebieden. |
|
3.2. |
Het Alpengebied heeft veel specifieke kenmerken die bijzondere aandacht verdienen en EUSALP onderscheiden van de macroregionale strategieën voor de Oostzee, het Donaugebied en de Adriatische en Ionische regio: het Alpengebied staat voor een van de meest ontwikkelde regio’s ter wereld, met concurrerende economieën, een hoge levensstandaard, sociale en politieke stabiliteit; er zijn duidelijke sociaaleconomische onevenwichtigheden tussen plattelandsgebieden, vlakten en stedelijke gebieden; het beschikt over een uniek natuurlijk erfgoed en unieke ecosystemen; zijn cultureel erfgoed is van cruciaal belang voor de sociale samenhang en voor de ontwikkeling van het gebied zelf; de concentratie van verkeersstromen zorgt voor problemen op het gebied van verkeerscongestie en milieubescherming. |
|
3.3. |
Algemeen doel van de EUSALP-strategie is te verzekeren dat deze regio een van de meest aantrekkelijke regio’s in Europa blijft, door de eigen hulpmiddelen zo goed mogelijk te benutten en alle kansen op duurzame en innovatieve ontwikkeling aan te grijpen. |
|
3.3.1. |
Deze doelstelling kan worden verwezenlijkt door middel van activiteiten rond de drie „thematische pijlers”: verbetering van het concurrentievermogen, de welvaart en de samenhang; waarborging van toegankelijkheid en connectiviteit voor alle inwoners; verzekering van duurzaamheid. |
3.3.2.
|
3.3.2.1. |
Ook al is het Alpengebied het grootste economische en productieve centrum van Europa, met een hoog ontwikkelingspotentieel, toch vormt het gebrek aan economische, sociale en territoriale samenhang nog een probleem. De bergen vormen een uitdaging voor de homogene ontwikkeling van het gebied. EUSALP beoogt de innovatieve economische ontwikkeling van het gebied te ondersteunen door een evenwichtiger model te definiëren dat tegelijkertijd rekening houdt met diversiteit en specificiteit van de regio’s. Het is zaak een concurrerende economie te ondersteunen die welvaart, energie-efficiëntie, levenskwaliteit en traditionele waarden die het gebied kenmerken, aan elkaar koppelt. |
3.3.3.
|
3.3.3.1. |
Een evenwichtige territoriale ontwikkeling moet worden ondersteund via milieuvriendelijke mobiliteitsmodellen, duurzame vervoerssystemen, communicatiediensten en infrastructuur. In het Europese vervoerskader neemt het Alpengebied een strategische positie in daar het op het snijpunt ligt van de noord-zuid- en de oost-west-assen. In het gebied liggen de belangrijkste Europese verkeersknooppunten alsook tal van bergpassen die deel uitmaken van territoriale systemen die door een specifieke milieukwetsbaarheid gekenmerkt worden. Er moet een gecoördineerd beleid worden gevoerd dat tegemoet kan komen aan de vervoerseisen, alsook het welzijn van de bevolking en een evenwicht in het milieu kan verzekeren. Gelet op de heterogeniteit van het Alpengebied en de territoriale complexiteit in al zijn aspecten, moet het concept van connectiviteit ook gelden voor de infrastructuur en de communicatiediensten. |
3.3.4.
|
3.3.4.1. |
Voor de regio is het onontbeerlijk het Alpenerfgoed te behouden en duurzaam gebruik van natuurlijke en culturele hulpmiddelen te bevorderen. Water, minerale rijkdommen, tal van landschappen met een grote biodiversiteit en een rijk en gediversifieerd cultureel erfgoed zijn specifieke kenmerken die moeten worden beschermd en opgewaardeerd. Als het potentieel van hulpmiddelen als water en biomassa op milieuvriendelijke wijze wordt benut, is dit van cruciaal belang voor de ondersteuning van het concurrentievermogen en de samenhang in het gebied, en wordt tevens een bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van strategische doelstellingen als energie-onafhankelijkheid en regionale capaciteit voor energieopslag. |
4. Bijzondere opmerkingen over de macroregionale dimensie van de Alpenregio
|
4.1. |
De strategie voor de Alpenregio leeft enorm in de politiek en onder de bevolking van de betrokken landen. Voor de EU is zij niet alleen een uitdaging, maar ook een grote kans. EUSALP is gericht op de ontwikkeling van de economie, verbinding van regio’s en bescherming van het milieu in een voor het Europees concurrentievermogen en de sociale cohesie uiterst belangrijk gebied. |
|
4.2. |
De tenuitvoerlegging van EUSALP vergt een gestructureerde dialoog tussen de diverse actoren om samen de specifieke behoeften in kaart te brengen en aan te pakken. Er moet zorgvuldig rekening worden gehouden met de milieu-, culturele, economische en sociale kenmerken, alsook met de sterke verwevenheid van stad en platteland. Er moet dus een brede en open dialoog op gang komen tussen stakeholders voor de uitwerking van een breed gedragen strategie. |
|
4.2.1. |
Het is van belang dat het beleid gecoördineerd wordt uit het oogpunt van territoriale cohesie. Sommige kwesties, betreffende economische innovatie, wijze van vervoer en milieu, hangen onderling samen en kunnen niet apart op lokaal niveau worden aangepakt. Zij hebben een breder perspectief nodig, hetgeen het macroregionale niveau kan bieden. |
|
4.2.2. |
Verwijzend naar de mededeling „Governance van macroregionale strategieën” (15) is het geboden de multilevel governance van EUSALP te voorzien van een doeltreffende „horizontale dimensie” (deelname van maatschappelijk middenveld) die de „verticale dimensie” (deelname van regio’s en lokale overheden) integreert en benut, met volledige inachtneming van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel. |
|
4.3. |
Volgens het EESC is EUSALP van fundamenteel belang om acties van de Alpenregio te steunen op terreinen als de economische globalisering, klimaatverandering, de informatiemaatschappij, de kenniseconomie, vergrijzing en de mobiliteit van goederen en personen. |
|
4.4. |
Met EUSALP kan de ontwikkeling van de Alpenregio in beeld worden gebracht, aan de hand van een holistische benadering die de economische, milieu- en sociale dimensie onderling functioneel en samenhangend kan maken. Vanuit die optiek heeft het EESC, om de holistische aanpak met specifieke doelen weer te geven, vijf strategische doelstellingen omschreven die in het actieplan opgenomen zouden moeten worden:
|
|
4.4.1. |
Stimulering van een dynamisch mkb en bloeiend ondernemerschap die de werkgelegenheid steunen. EUSALP zal de capaciteiten van de betrokken territoriale systemen moeten steunen om zich met de wereldeconomie te kunnen meten, waarbij bestaande banen behouden blijven en nieuwe banen geschapen worden. |
|
4.4.2. |
Uitbreiding van capaciteiten op basis van tradities en sociale diversiteit. EUSALP zal het behoud moeten steunen van de waarden die kenmerkend zijn voor de betrokken gebieden, waarbij tegelijk de lokale kennis en tradities als hefboom benut worden voor economische ontwikkeling en sociale inclusie. |
|
4.4.3. |
Bevordering van evenwichtige en billijke toegang tot diensten van algemeen belang in de gehele Alpenregio. Met EUSALP worden het behoud en de aanpassing gesteund van een kader voor diensten van algemeen belang om te voldoen aan de behoeften van de lokale bewoners, met name voor degenen die in ‘geografisch benadeelde’ gebieden wonen. |
|
4.4.4. |
Steun voor gedeelde verantwoordelijkheid en samenwerking tussen de Alpengebieden. Met EUSALP moeten nieuwe benaderingen van gedeelde verantwoordelijkheid en billijke samenwerking tussen de gebieden in de Alpenregio worden gesteund, zoals verticale verbanden tussen metropolen, toeristische en plattelandsgebieden. |
|
4.4.5. |
Steun voor de bescherming en het duurzaam beheer van biodiversiteit, landschappen en natuurlijke hulpbronnen. EUSALP moet de bescherming en het duurzame beheer van de biodiversiteit, landschappen en natuurlijke hulpbronnen ten goede komen door een evenwicht te vinden tussen maatregelen voor behoud en maatregelen voor een rationeel gebruik van ecosysteemdiensten en -producten. Voorts moet de invoering worden bevorderd van ecocompatibele beheersmodellen voor een betere verdeling van de voordelen van het gebruik van ecosysteemdiensten en -producten tussen de diverse territoriale dimensies van de Alpenregio. |
|
4.5. |
EUSALP moet volgens het EESC uitgevoerd worden conform de besluiten van de Raad, volgens wie een macroregionale strategie geen extra geld, geen nadere voorschriften, noch beheersorganen mag vergen (de „driemaal neen”). Er moet wèl een actieplan worden uitgewerkt, gebaseerd op de complementariteit van financieringsprogramma’s, coördinatie van institutionele instrumenten en de definitie van nieuwe macroregionale projecten. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar capaciteitsopbouw. |
|
4.5.1. |
Het is essentieel dat bij de activiteiten voor capaciteitsopbouw behalve overheidsdiensten ook vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld worden betrokken. Die activiteiten kunnen ook plaatsvinden door de oprichting van een „permanent forum” dat sociale en economische partijen vertegenwoordigt. |
|
4.5.2. |
Het EESC vindt dat het aanzienlijke budget dat de EU reeds via de Europese structuur- en investeringsfondsen voor 2014-2020 (16) ter beschikking heeft gesteld voor regionale programma’s, adequaat is en efficiënt moet worden gebruikt voor de uitvoering van de strategie via meer gecoördineerde actie en bovenal via een eenvormige strategische aanpak. In de programmeringsperiode 2014-2020 zullen er meer financieringsopties zijn aan de hand van communautaire instrumenten als Horizon 2020 (17), Cosme (18)., CEF (19), EaSI (20), Erasmus+ (21) en Life (22). |
5. Specifieke opmerkingen over de drie pijlers
|
5.1. |
Om de in de discussienota vermelde strategische doelstellingen gestalte te geven, alsook de in paragraaf 4 van dit advies vermelde specifieke doelstellingen, is het volgens het EESC essentieel om meer toegespitste prioriteiten te omschrijven voor de drie pijlers van de EUSALP. |
|
5.1.1. |
Grootste uitdaging voor de strategie voor de Alpenregio is de harmonisatie en het beter op elkaar afstemmen van de doelstellingen voor economische, milieu- en sociale duurzaamheid. |
5.2. Eerste pijler: Ontwikkeling van de Alpen — Verbetering van concurrentievermogen, welvaart en cohesie in het Alpengebied
|
5.2.1. |
Het EESC acht het van cruciaal belang duurzame groei te waarborgen en werk te maken van volledige werkgelegenheid, innovatie, concurrentievermogen en samenhang in het Alpengebied door specifieke economische activiteiten te consolideren en te diversifiëren, met het oog op wederzijdse solidariteit tussen berg- en stedelijke gebieden. |
5.2.2.
|
5.2.2.1. |
Steun aan innovatie en concurrentievermogen van het mkb door verbetering van regelingen voor toegang tot krediet, uitbreiding van het vermogen van ondernemingen om gebruik te maken van de opties van de communautaire programma’s voor 2014-2020 en de regeling voor aanbestedingen voor innovatie (specifieke verwijzing naar „precommerciële aanbestedingen” (23)). |
|
5.2.2.2. |
Ruimere steun voor de ontwikkeling van de „groene economie”, ook door oprichting van nieuwe ondernemingen die als hefboom werken voor specifieke milieukenmerken van de Alpenregio en het sterke productie- en innovatievermogen van dit gebied. |
|
5.2.2.3. |
Promotie van de producten van de Alpenregio, met een beleid voor „merkbekendheid”, ofwel individuele merken, met nadruk op afkomst en territoriale marketing. Benutting van „ecosysteemproducten en –diensten” (24) is ook een meerwaarde die het concurrentievermogen van het gebied verbetert. |
|
5.2.2.4. |
Meer samenwerking tussen wetenschaps- en technologieparken, universiteiten, onderzoekscentra en het mkb, uitbreiding van de infrastructuur voor onderzoek en de betrekkingen met leidende instellingen op mondiaal niveau. Het is wenselijk dat in het actieplan van EUSALP een transversale prioriteit wordt opgenomen ter ondersteuning van „onderzoek en innovatie”. |
|
5.2.2.5. |
Ontwikkeling van een gemeenschappelijke strategie om de macroregio Alpen om te vormen tot een duurzame toeristische bestemming van topniveau, die als hefboom werkt op de exploitatie van het natuurlijk, cultureel en historisch erfgoed. |
|
5.2.2.6. |
Behoud van „werk” als centrale prioriteit in EUSALP, met bijzondere aandacht voor jongeren en andere, langdurige werklozen. Het scheppen van nieuwe stabiele en hoogwaardige banen is fundamenteel. Zo wordt ook het probleem van seizoenswerkloosheid aangepakt, dat vooral de toeristische berg- en plattelandsgebieden in de Alpenregio kenmerkt. |
|
5.2.2.7. |
Steun aan initiatieven voor het scheppen van één ruimte voor werk, voor mobiliteit van werknemers, stimuleren van (transnationale) stages, omschrijven van opleidingstrajecten en loopbanen in diverse landen, volledige erkenning van studiediploma’s en beroepskwalificaties. Bijzondere aandacht verdient de kwalificatie van werknemers in de toeristische sector, die het meest te maken hebben met het seizoensgebonden karakter van hun werk. |
|
5.2.2.8. |
Steun aan de samenwerking tussen de diverse territoriale dimensies van de Alpenregio en uitbreiding van de rol van de metropolitane gebieden en steden als hefboom voor concurrentievermogen en sociale cohesie. |
|
5.2.2.9. |
Steun aan de uitvoering van maatregelen voor sociale investeringen en aanpassing van stelsels voor sociale zekerheid aan de hand van beleid conform de mededeling van de Commissie „Naar sociale investering voor groei en cohesie” (25). |
|
5.2.2.10. |
Steun voor acties voor de integratie van gehandicapten en ter voorkoming van discriminatie op grond van ras of etnische afkomst, leeftijd, seksuele geaardheid of geslacht. |
5.3. Tweede pijler: De Alpen verbinden — Waarborging van toegankelijkheid en connectiviteit voor alle inwoners van het Alpengebied
|
5.3.1. |
Het EESC is voorstander van bevordering van territoriale ontwikkeling op basis van samenwerking tussen interne en externe territoriale systemen, toegankelijkheid van diensten, duurzame mobiliteit en verbetering van het vervoer en communicatie-infrastructuur. |
5.3.2.
|
5.3.2.1. |
Steun aan innovatieve oplossingen voor het garanderen van basisdiensten voor de berg- en plattelandsgebieden (onderwijs, medische zorg, sociale diensten en mobiliteit), voor het dichten van de digitale kloof en de ontwikkeling van ultrabreedband in het gehele gebied. |
|
5.3.2.2. |
Ruimere toepassing van ICT op alle gebieden van algemeen belang (administratie, medische zorg, onderzoeksdiensten voor kansen op werk, onderwijs op afstand, elektronische handel in producten uit de Alpen, enz.); waarborging van een niveau van openbare diensten dat tegemoetkomt aan de behoeften van de diverse territoriale systemen in de Alpenregio, waarbij het aanbod en de toegankelijkheid van die diensten in evenwicht zijn. |
|
5.3.2.3. |
Bevordering van systemen van geïntegreerd vervoer, door uitwisseling tussen diverse territoriale systemen te steunen; verbetering van het beheer van vervoer van goederen en personen om de milieu-impact terug te dringen en de voordelen voor de plaatselijke gemeenschappen te vergroten. Een fundamenteel aspect dat de duurzame ontwikkeling van het vervoer in de Alpenregio ten goede kan komen, is verschuiving van het vervoer van goederen van de auto naar de trein, alsook maatregelen die het gebruik van secundaire Alpenwegen beperken (bv. één toltarief voor alle transitroutes door de Alpen). |
|
5.3.2.4. |
Plannen ontwikkelen voor logistieke interoperabiliteit op macroregionaal niveau en uitbreiding van plurimodale verbindingen van infrastructurele knooppunten (havens, luchthavens, vrachtterminals) met het mondiale netwerk en verbindingen met binnenlandse waterwegen. |
|
5.3.2.5. |
Bevordering van transnationale thematische netwerken voor aspecten die voor het gebied relevant zijn, zoals risicobeheer, toerisme, sport, bos- en landbouw, energie en technologische diensten. |
|
5.3.2.6. |
Alpiene governance gestalte geven door actievere deelname van maatschappelijke organisaties, waarbij tegelijk meer wordt gedaan voor bewustmaking en kennis bij de burgers van de belangrijkste thema’s van het Alpengebied. |
5.4. Derde pijler: Bescherming van het Alpengebied — Verzekering van duurzaamheid in het Alpengebied
|
5.4.1. |
Het is volgens het EESC zaak de inspanningen met het oog op duurzaam milieubeheer en milieubescherming op te voeren alsook optimaal gebruik te maken van het territoriaal kapitaal van het gebied. |
5.4.2.
|
5.4.2.1. |
Afstemming van de acties voor de economische ontwikkeling van de Alpenregio op verplichtingen inzake de bestrijding van klimaatverandering, waarbij groei en concurrentievermogen van de bij EUSALP betrokken territoriale systemen worden losgekoppeld van het verbruik van natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen. |
|
5.4.2.2. |
Bewustmaking van de lokale gemeenschappen van de Alpenregio wat betreft de waarde van ecosysteemdiensten en een billijk en duurzaam beheer van natuurlijk kapitaal. De Alpen vormen het belangrijkste waterwingebied van Europa: het is dus essentieel meer maatregelen te treffen voor een beter beheer van de waterreserve en de stroomgebieden in deze regio. |
|
5.4.2.3. |
Steun voor initiatieven ter harmonisatie van maatregelen voor het behoud van biodiversiteit en landschappen van de Alpenregio, en voor een ecocompatibel gebruik daarvan. |
|
5.4.2.4. |
Ontwikkeling van transnationale instrumenten en procedures om risico’s (overstromingen, aardverschuivingen, lawines, bosbranden) te voorkomen of terug te dringen, geïntegreerd bosbeheer (hetzij uit ecologisch en natuurlijk oogpunt, hetzij als economische hulpbron) en problemen in verband met bodemgebruik (bodemverdichting en stedelijke wildgroei). |
|
5.4.2.5. |
Bijdragen aan de overschakeling op een energiesysteem „post-steenkool”, met behulp van initiatieven voor energie-efficiëntie, netwerken voor decentrale distributie, gebaseerd op hernieuwbare hulpbronnen, benutting van vestigingsmodellen en openbaar vervoer op basis van energiebesparing. |
|
5.4.2.6. |
Ontwikkeling en uitvoering van systemen voor geïntegreerde mobiliteit om minder afhankelijk te worden van de auto, door het openbaar vervoer te steunen als dienst van algemeen belang en waar mogelijk vormen van mobiliteit met „hernieuwbare” aandrijving. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) Europese Commissie, raadplegingsdocument „EU-strategie voor het Alpengebied (EUSALP)”.
(2) Conclusies van de Europese Raad, EUCO 23/1/11 REV 1, 23 en 24 juni 2011.
(3) PB C 12 van 15.1.2015, blz. 64.
(4) Witboek van het Comité van de Regio’s over multilevel governance (CONST-IV/020, 2009).
(5) Europese Commissie: Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (COM(2013) 9651 final).
(6) http://ec.europa.eu/regional_policy/en/newsroom/consultations/eusalp/
(7) http://ec.europa.eu/regional_policy/en/newsroom/consultations/eusalp/
(8) http://www.balticsea-region-strategy.eu
(9) http://www.danube-region.eu
(10) http://www.ai-macroregion.eu
(11) EESC-advies „Uitwerking van een macroregionale EU-strategie voor de ontwikkeling van de economische, sociale en territoriale samenhang in het Middellandse Zeegebied” (PB C 170 van 5.6.2014, blz. 1).
(12) Arge-Alp; Alpe-Adria; Alp-Med; Euregio Tirol-Alto Adige-Trentino; Alpenovereenkomst; Alpenruimprogramma; grensoverschrijdende samenwerking.
(13) Europese Raad, 19 en 20 december 2013, blz. 26.
(14) Conferentie te Grenoble van 18 oktober 2013 waaraan werd deelgenomen door bij EUSALP betrokken regeringsvertegenwoordigers en voorzitters van regioraden.
(15) Governance van macroregionale strategieën (COM(2014) 284 final).
(16) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013.
(17) Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013.
(18) Verordening (EU) nr. 1287/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013.
(19) Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013.
(20) Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013.
(21) Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013.
(22) Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013.
(23) Artikel 131 van het Financieel Reglement van de EU, nr. 966/2012.
(24) Producten van ecosystemen zijn onder andere voedsel, water, brandstof en hout; tot de diensten behoren watervoorziening, luchtzuivering, natuurlijke afvalrecyclage, bodemvorming, bestuiving en vele andere natuurlijke regulerende mechanismen.
(25) COM(2013) 83 final.
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/17 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over luchthavencapaciteit in de EU
(verkennend advies op verzoek van de Europese Commissie)
(2015/C 230/03)
|
Rapporteur: |
de heer KRAWCZYK |
De Europese Commissie heeft op 4 september 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over
„Luchthavencapaciteit in de EU” (verkennend advies).
De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 november 2014 goedgekeurd.
Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 117 stemmen vóór, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Om capaciteitstekorten op te vangen moeten de bestaande strategische bedrijfsmiddelen van de luchthavens in de EU efficiënter gebruikt worden. Meer intermodaliteit, betere connectiviteit, efficiënter gebruik van secundaire hubs en kleine luchthavens, grotere vliegtuigen en procesoptimalisatie zouden uitkomst kunnen bieden, net als de goedkeuring van het luchthavenpakket, de totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim (Single European Sky — SES) en de implementatie van Sesar. Luchthavencapaciteit moet een volwaardige pijler van het SES worden. |
|
1.2. |
Op langere termijn is luchthavencapaciteit in de vorm van infrastructuur, zoals terminals en start- en landingsbanen, nodig. De uitbreiding van luchthavens dient er in de eerste plaats op gericht te zijn de connectiviteit op een duurzame economische basis te verbeteren. Hubs in de EU moeten adequate mogelijkheden krijgen om aan de groeiende vraag te voldoen. Dit betekent onder meer dat planningsprocedures verkort moeten worden, zodat hubs in geval van een stijging van de vraag snel kunnen reageren. |
|
1.3. |
Uitbreidingen van luchthavens — wanneer deze gerechtvaardigd zijn — moeten deel uitmaken van een evenwichtige aanpak. Ten eerste moeten luchthavens een positief economisch effect op het omliggende gebied hebben; dit is voor het EESC een noodzakelijke voorwaarde. In de tweede plaats moeten milieuaspecten op transparante wijze beoordeeld worden. Ten derde hebben uitbreidingen van luchthavens een maatschappelijke dimensie. Dit betekent dat een publieke dialoog tussen bijvoorbeeld luchtverkeersleiding, luchthavenautoriteiten, luchtvaartmaatschappijen, regionale partijen, omwonenden en overheden noodzakelijk is. |
|
1.4. |
Het EESC acht het beslist noodzakelijk dat de lidstaten onverwijld maatregelen op het vlak van ruimtelijke ordening en beheer nemen. Gebeurt dit niet, dan zal de ontwikkeling van luchthavens gehinderd worden door vele onvoorziene en onnodige obstakels en zal in sommige gevallen ook bestaande luchthavencapaciteit bedreigd worden. |
|
1.5. |
Bestaande regionale luchthavens zouden alleen verder ontwikkeld moeten worden als er een duidelijke vraag naar meer verkeer is. De regeringen van de lidstaten zouden capaciteitsproblemen in kaart moeten brengen en strategieën moeten uitwerken om ze op te lossen. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zou de EU de financiering van de ontwikkeling van geheel nieuwe regionale capaciteit moeten stopzetten, behalve wanneer de openbaredienstverlening in het geding is. |
|
1.6. |
Het EESC acht de nieuwe EU-richtsnoeren inzake staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen van grote waarde omdat ze rechtszekerheid bieden. Het voortbestaan van niet-rendabele regionale luchthavens zal uiteindelijk op basis van gemeenschappelijke criteria tegen het licht worden gehouden. |
|
1.7. |
Wil de capaciteitsschaarste door luchthavens met vertrouwen worden aangepakt, dan is een consistente en duidelijke wettelijke behandeling van cruciaal belang om langetermijninvesteringen in infrastructuur de noodzakelijke impulsen te geven. |
|
1.8. |
Luchthavencapaciteit heeft ook een politieke dimensie. Het EESC gelooft ten zeerste dat de EU, samen met lidstaten en stakeholders, waaronder de sociale partners, een algemeen strategisch besluit moet nemen over welke luchthavens belangrijk zijn voor het vervoerssysteem en de komende jaren de aandacht verdienen. De EU-luchtvaart kan haar concurrentievermogen op de mondiale markten alleen handhaven als er op korte termijn een geïntegreerde Europese luchtvaartstrategie wordt ontwikkeld, waarbij niet alleen naar economische, sociale en milieuaspecten maar ook naar het scheppen van banen wordt gekeken. |
|
1.9. |
Luchthaveninfrastructuurprojecten die de afgelopen jaren medefinanciering van de EU hebben ontvangen, moeten geëvalueerd worden. Het EESC is verheugd dat de Europese Rekenkamer voornemens is deze belangrijke taak op zich te nemen. Over de conclusies en aanbevelingen van deze evaluatie zou een publiek debat gehouden moeten worden. |
|
1.10. |
Het EESC vindt dat de Commissie de structuren die belast zijn met het beheer van de luchtvaart en in het bijzonder het beheer van de luchthavens in de EU, moet vereenvoudigen en stroomlijnen. De Commissie moet over volledige en betrouwbare gegevens en informatie over de verrichtingen van de luchthavens in de EU beschikken. Dergelijke gegevens zijn vooralsnog niet voorhanden. Het EESC roept luchthavenbeheerders en overheden op deze gegevens te verstrekken. |
2. Inleiding
|
2.1. |
Luchthavens in de EU zijn kostbare activa. Toch zullen meerdere grote luchthavens de komende jaren te kampen krijgen met congestie, terwijl veel andere luchthavens onderbenut zullen blijven. Er valt aan te voeren dat de EU als geheel over voldoende capaciteit beschikt. De vraag is echter of die capaciteit zich op de juiste plaats bevindt. |
|
2.2. |
Het publieke debat over de capaciteit van luchthavens stond de afgelopen jaren vooral in het teken van twee ontwikkelingen: enerzijds het feit dat centraal gelegen luchthavens hun knooppuntfunctie kwijtraken aan concurrenten buiten de EU/Europa, zoals in Turkije en de Golfstaten, en anderzijds het „Ryanair syndroom”, d.w.z. dat goedkope luchtvaartmaatschappijen een snelle toename van het vliegverkeer op kleinere regionale luchthavens opleveren, maar op de lange termijn geen stabiele gebruikers zijn. De problemen zijn echter veel dieper geworteld. |
|
2.3. |
In 2007 publiceerde de Commissie de mededeling „Actieplan inzake de capaciteit, efficiëntie en veiligheid van de Europese luchthavens”, waarin zij constateerde dat de kloof tussen capaciteit en vraag op een aantal van de hubs in de EU steeds groter zal worden (1) en zij diverse maatregelen voorstelde om de bestaande capaciteit beter te benutten. In 2007 keurde het Europees Parlement (EP) een initiatiefverslag over het actieplan van de Commissie goed, waarin het zich verheugd toonde over de Commissiemededeling en de capaciteitsschaarste op luchthavens als belangrijk punt aan de orde stelde. |
|
2.4. |
In 2011 publiceerde de Commissie als onderdeel van het zogenaamde. „betere luchthavens”-pakket nog een mededeling (2) over capaciteit, waarin capaciteit en kwaliteit als de grootste uitdagingen voor Europese luchthavens werden aangemerkt. |
|
2.5. |
In 2004, en vervolgens ook in 2008 en 2013, publiceerde Eurocontrol de studie „Challenges of Growth”, waarin werd voorspeld dat er de komende 20 jaar een tekort aan capaciteit zou ontstaan. |
|
2.6. |
Het feit dat er zoveel activiteiten worden ontplooid geeft wel aan hoe urgent de capaciteitsproblematiek is. De luchthavensector heeft inmiddels al belangrijke resultaten geboekt. Op alle actieterreinen is gewerkt aan optimalisatie van de capaciteit en de efficiency. Zo zijn bijvoorbeeld de volgende verbeteringen doorgevoerd:
|
|
2.6.1. |
Sinds 2004 wordt er met het SES-initiatief naar gestreefd het Europese luchtruim beter te benutten door de negatieve gevolgen van de versnippering van het luchtruim op te vangen. Luchthavens die bij het SES zijn betrokken dragen ook bij aan de SES-doelstellingen binnen het programma Single European Sky Air Traffic Management Research (Sesar). Zonder de nodige capaciteit op de grond dreigt het SES te mislukken. |
|
2.7. |
De Commissie buigt zich momenteel samen met belanghebbenden binnen het communautaire waarnemingscentrum voor luchthavencapaciteit over gedetailleerde ideeën voor de toekomstige luchthavenstrategie. Dit waarnemingscentrum heeft een drieledige taak:
|
Het EESC is ingenomen met de oprichting van dit waarnemingscentrum en moedigt het aan om zijn werkzaamheden, die hun waarde reeds hebben bewezen, voort te zetten.
3. Ontwikkeling van Europese luchthavens de afgelopen tien jaar
|
3.1. |
Hoewel Europa meer dan 450 luchthavens telt, hangt de Europese luchthavens een tekort aan capaciteit boven het hoofd. |
|
3.2. |
De Airports Council International Europe (ACI) hanteert de volgende onderverdeling van luchthavens: |
|
ACI-categorie |
Grootte (× miljoen reizigers per jaar) |
Aantal luchthavens in Europa |
|
1 |
> 25 |
14 |
|
2 |
10-25 |
23 |
|
3 |
5-10 |
34 |
|
4 |
< 5 |
390 |
Een groot deel van het vliegverkeer wordt door een relatief klein aantal luchthavens verwerkt. Dit kan worden verklaard door de verschillende luchthavenmodellen. Luchthavens die tot categorie 3 en 4 behoren zijn vrij klein en nemen „point-to-point”-verbindingen, de toevoer aan grotere luchthavens en openbare dienstverlening op zich. Dit betekent dat veel grote luchthavens steunen op kleine luchthavens.
Een „hub and spokes”-luchthaven is een luchthaven waarop een of meer luchtvaartmaatschappijen een geïntegreerd netwerk van frequente verbindingen naar een breed scala aan bestemmingen bieden (definitie volgens de Association of European Airports, Brussel, 1995, blz. 23).
|
3.2.1. |
In een „point-to-point”-systeem vliegen reizigers rechtstreeks, zonder over te stappen, naar hun bestemming. |
|
3.2.2. |
De twee systemen vullen elkaar aan. Zij hebben alleen andere doelstellingen: terwijl het „hub and spokes”-systeem op een zo groot mogelijke connectiviteit is gericht, is het „point-to-point”-systeem bedoeld om een zo groot mogelijke mate van mobiliteit en flexibiliteit te bieden. |
|
3.3. |
De EU heeft een buitengewoon groot aantal luchthavengerelateerde infrastructuurprojecten gefinancierd. Zowel over deze investeringen zelf als over de mate waarin men dankzij deze investeringen over betere connectiviteit en efficiency beschikt, is echter te weinig openbare informatie beschikbaar. |
|
3.4. |
Het EESC acht de recentelijk ingevoerde EU-richtsnoeren (3) inzake staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen van grote waarde omdat ze rechtszekerheid bieden. Bovendien wordt in de richtsnoeren onderscheid gemaakt tussen luchthavens die noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld voor de openbare dienstverlening, en luchthavens die overtollig zijn, d.w.z. luchthavens die hun exploitatiekosten niet kunnen dekken en ook niet noodzakelijk zijn voor de openbare dienstverlening. |
4. Toekomstige groeiverwachtingen
|
4.1. |
De luchtvaartmarkten van de toekomst bevinden zich in Azië en de Pacific, Latijns-Amerika, Afrika en het Midden-Oosten. In die regio’s zullen de passagiersstromen tot 2032 jaarlijks met gemiddeld 6 à 7 % groeien. In Europa en Noord-Amerika zal de gemiddelde groei ongeveer 3 % bedragen. |
Daar komt bij dat buiten de EU enorme capaciteiten worden gecreëerd. China heeft bijna 80 luchthavens aangelegd. In Turkije, Dubai en Singapore worden momenteel gigantische platforms gebouwd die tot wel 160 miljoen passagiers kunnen verwerken — aanzienlijk meer dan de grootste luchthaven ter wereld nu (Atlanta, 96 miljoen passagiers).
|
4.2. |
Eurocontrol wees in 2013 in zijn laatste „Challenges of Growth”-rapport op een capaciteitstekort de komende 20 jaar. Volgens het meest waarschijnlijke scenario zullen in 2035 vanwege capaciteitsproblemen 1,9 miljoen vluchten niet worden uitgevoerd. Dit is 12 % van de vraag. 20 Europese luchthavens zullen dagelijks meer dan zes uur met grote congestie te kampen hebben. Nu geldt dit slechts voor drie luchthavens. |
|
4.2.1. |
De capaciteitsgroei die plaatsvindt, zal niet voor alle Europese luchthavens dezelfde zijn. Ze zal het grootst zijn in Oost-Europa, terwijl het vliegverkeer binnen Europa en het aandeel van Noordwest-Europa zullen afnemen. Het EESC neemt kennis van deze ontwikkeling en vindt dat de Europese luchthavens daartegen in het geweer moeten komen. |
5. Uitdagingen voor groei
|
5.1. |
Het EESC acht het van essentieel belang dat de Europese luchtvaartsector concurrerender en aantrekkelijker voor investeerders wordt. Capaciteit op de grond is in dit verband essentieel. |
|
5.2. |
Het EESC is ervan overtuigd dat het SES al lang had moeten worden geïmplementeerd en dat daarmee de capaciteitsschaarste had moeten worden aangepakt. Alleen al het minimaliseren van vertragingen zou direct invloed hebben op capaciteit en luchthavens. Het EESC is het met de ACI eens dat de capaciteit op de grond een volwaardige pijler van het SES zou moeten worden, en dat doelstellingen voor grondcapaciteit op de SES-doelstellingen zouden moeten worden afgestemd. |
|
5.3. |
In de „Challenges of Growth”-studie van Eurocontrol worden zes maatregelen voorgesteld die tezamen de niet-vervulde vraag in 2035 met 42 % zouden kunnen doen verminderen. Dat komt neer op 8 00 000 extra vluchten die dan zouden kunnen worden uitgevoerd (50 miljoen passagiers). De maatregelen zijn:
|
|
5.3.1. |
Het EESC begrijpt dat deze maatregelen nodig zijn om de niet-vervulde vraag te verminderen, maar denkt dat ze wellicht niet volstaan om aan de totale toekomstige vraag te voldoen. Bovendien zijn ze niet allemaal geschikt voor iedere luchthaven in de EU. |
|
5.4. |
Het EESC denkt dat de goedkeuring van het door de Commissie voorgestelde luchthavenpakket ook zou helpen om bestaande strategische bedrijfsmiddelen van de luchthavens beter te benutten. Zoals het ook in zijn advies (4) over het luchthavenpakket te kennen heeft gegeven, zou het EESC graag zien dat de lopende werkzaamheden in het EP en de Raad ambitieuze resultaten opleveren. |
|
5.5. |
Uiteindelijk zal het tekort aan luchthavencapaciteit ook moeten worden opgelost door nieuwe capaciteit te creëren, naast het optimaliseren van bestaande capaciteit. Dit is lastig omdat veel luchthavens niet meer in staat zijn in nieuwe capaciteit te investeren. In zijn „Challenges of Growth”-rapport van 2013 stelt Eurocontrol dat een gebrek aan inkomsten, financieringsproblemen en een groeiende weerstand tegen vervoersinfrastructuurprojecten ertoe hebben geleid dat sommige luchthavens hun expansieplannen heroverwegen. |
|
5.6. |
Het EESC beveelt nadrukkelijk aan te onderzoeken hoe waardevol EU-investeringen in luchthavengerelateerde infrastructuur tot nu toe zijn geweest. Het is dan ook ingenomen met de aankondiging van de Europese Rekenkamer daarmee bezig te zijn, en raadt aan een brede steekproef te gebruiken. |
6. Belemmeringen voor de uitbreiding van luchthaveninfrastructuur
|
6.1. |
Als luchthavens hun infrastructuur willen uitbreiden, krijgen zij met een aantal problemen te maken. Die kunnen als volgt worden onderverdeeld:
|
|
6.1.1. |
Door de recente economische crisis zijn luchthavens erg voorzichtig om te investeren. Enerzijds lopen hun inkomsten vaak terug, anderzijds stijgen hun operationele kosten (voor veiligheid en beveiliging). Met de onlangs aangescherpte besluiten inzake staatssteun en de nieuwe richtsnoeren hierover wordt het voor kleinere luchthavens een grotere uitdaging om het hoofd boven water te houden. Het is voor luchthavens inmiddels een hele klus om de financiering voor infrastructuurprojecten rond te krijgen. |
|
6.1.2. |
Wat wet- en regelgeving betreft, moeten luchthavens aan een massa eisen voldoen. Administratieve procedures zijn zeer complex, met name die op het vlak van beveiliging en milieu. Het EESC ontkent het belang van milieueisen allerminst, maar die dienen wel te getuigen van een evenwichtige aanpak. In dit opzicht is de Commissie al een stuk op de goede weg, bijvooorbeeld met Verordening (EU) nr. 598/2014 inzake de vaststelling van regels en procedures voor de invoering van geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen op luchthavens in de Unie binnen het kader van een evenwichtige aanpak. De Europese luchtvaart is een geschikte sector om „groene groei” te realiseren. Het EESC waarschuwt de Commissie met name tegen het gebruik van op zichzelf staande oplossingen bij de bestrijding van milieuproblemen. Er zijn nadrukkelijk geïntegreerde en globale oplossingen nodig. De Commissie zou een nuttige eerste stap in die richting kunnen zetten door opdracht te geven voor een grootschalig project om bestaande milieubeperkingen met gevolgen voor de capaciteit van luchthavens in kaart te brengen en te documenteren. |
|
6.1.3. |
Een relatief nieuwe belemmering voor de uitbreiding van luchthavens is de groeiende weerstand onder de bevolking tegen infrastructuurprojecten. Uitbreidingsprojecten van belangrijke Europese hubs zijn soms al meer dan tien jaar opgeschort, bijvoorbeeld een mogelijk derde luchthaven bij Parijs en extra start- en landingsbanen voor de luchthavens van Frankfurt en München. Te denken valt ook aan de voortdurende discussie in het Verenigd Koninkrijk en Londen over hoe de capaciteit in een multimodale grootstedelijke omgeving het beste kan worden vergroot. |
|
6.1.4. |
De weerstand onder de bevolking als gevolg van o.a. geluidsoverlast neemt toe. Daar staat tegenover dat luchthavens en luchtvaartmaatschappijen enorme bedragen uitgeven aan geluidsbeperkende maatregelen. Zo heeft de luchthaven van Wenen een plan opgesteld om 12 000 huishoudens tegen geluidsoverlast te beschermen. De totale kosten hiervan worden geraamd op zo’n 51 miljoen EUR, waarvan 37 miljoen EUR rechtstreeks voor rekening van Flughafen Wien AG komt. De luchthavens van Luik en Charleroi hebben 444 miljoen EUR uitgetrokken voor het opkopen of isoleren van 20 816 woningen. London Heathrow gaf tussen 2007 en 2011 37 miljoen EUR uit aan geluidsbeperkende maatregelen. |
|
6.1.5. |
De regeringen van de lidstaten zouden capaciteitsproblemen in kaart moeten brengen en strategieën moeten uitwerken om ze op te lossen. In dit verband bestaat duidelijk behoefte aan een krachtige Europese aansturing om de nationale strategieën op elkaar af te stemmen en waar nodig financiële begeleiding en steun te bieden. Voor de financiering door de EU van geheel nieuwe strategische bedrijfsmiddelen zouden zeer strenge criteria moeten gelden. De EU zou de desbetreffende projecten alleen mogen steunen als ze financieel haalbaar zijn of als sprake is van openbare dienstverplichtingen. |
|
6.1.6. |
Het EESC wijst erop dat de capaciteitsdiscussie ook een politieke dimensie kent. Het gelooft ten zeerste dat de EU, samen met lidstaten en stakeholders, waaronder de sociale partners, een algemeen strategisch besluit moet nemen over welke luchthavens belangrijk zijn voor het vervoerssysteem en de komende jaren de aandacht verdienen. De balans in de EU-prioriteiten t.a.v. het hub- en het „point-to-point”-systeem moet geëvalueerd en zo nodig herzien worden. Er is meer dan ooit behoefte aan een geïntegreerd Europees beleid waarbij zowel aandacht uitgaat naar economische, sociale en milieuaspecten als naar het scheppen van banen. |
|
6.1.7. |
Daar komt nog bij dat binnen de Commissie meerdere DG’s, zoals MOVE, EMPL, COMP en JUST, zich bezighouden met aanverwante zaken. Wat hun bevoegdheden zijn hangt af van het beleidsterrein in kwestie, maar er bestaan veel dwarsverbanden met andere gebieden, zoals internationale betrekkingen, staatssteun, SES en multimodaliteit. Dit blijkt niet efficiënt te zijn bij het streven naar een geïntegreerde aanpak voor de gehele waardeketen van de EU-luchtvaart, die nu geboden is. De werkzaamheden van de Commissie t.a.v. luchtvaart en met name luchthavens moeten dringend veel beter geïntegreerd worden. |
|
6.2. |
NET als in elk productieproces is ook de fysieke capaciteit van luchthavens aan beperkingen onderhevig, d.w.z. afhankelijk van factoren die de feitelijke capaciteit verkleinen. Bij start- en landingsbanen gaat het daarbij om:
|
|
6.2.1. |
Daarnaast hebben luchthavens vaak te maken met operationele procedures en voorschriften, bijvoorbeeld speciale aanvlieg- en vertrekprocedures of vereisten i.v.m. luchtruimgebruik omwille van de beperking van geluidsoverlast. De feitelijke capaciteit van een luchthaven is daarom meestal veel kleiner dan de fysieke capaciteit. De „evenwichtige aanpak” van de Internationale Burgerluchtvaart Organisatie (ICAO) biedt de doeltreffendste methode om de geluidsoverlast op en rond luchthavens op een milieubewuste en economisch verantwoorde wijze aan te pakken. |
|
6.2.2. |
Als de Commissie het heeft over luchthavencapaciteit is ze geneigd om alleen te kijken naar de capaciteit qua start- en landingsbanen. Uit het voorgaande blijkt dat zo’n benadering tekortschiet. Het EESC roept de Commissie daarom op ook andere belangrijke factoren in aanmerking te nemen, zoals de luchtruimcapaciteit bij omliggende luchthavens. De interactie tussen luchthavens en luchtruim (of verleners van luchtvaartnavigatiediensten) is cruciaal voor de aanpak van de capaciteitsschaarste op luchthavens. Tussen de manieren waarop die interactie is geregeld bestaan echter in de EU en soms zelfs binnen de lidstaten grote verschillen. |
|
6.2.3. |
Het is van essentieel belang dat de lidstaten maatregelen nemen op het vlak van ruimtelijke ordening en beheer. Dergelijke maatregelen vallen vaak onder de bevoegdheid van lokale of regionale overheden, die oog zouden moeten hebben voor de rol van luchthavens in nationale en Europese netwerken, vooral in centrale hub-gebieden waar sprake is van grote druk om grond voor andere doeleinden te gebruiken. De EU dient in dit verband overeenstemming te bereiken over gemeenschappelijke beginselen en te voorzien in een consistent kader voor planning en regelgeving, zodat besluiten over nieuwe capaciteit geoptimaliseerd kunnen worden. |
|
6.3. |
Binnen de EU moet zich een sterke interne burgerluchtvaartmarkt ontwikkelen. Het EESC waarschuwt echter dat hubs niet ten koste van regionale luchthavens mogen worden bevoordeeld. Beide vullen elkaar aan en zouden integrerend deel moeten blijven uitmaken van wat in het TEN-V-beleid het kern- en het uitgebreide netwerk wordt genoemd. Dat leidt er soms toe dat congestie en groei hand in hand gaan. |
|
6.4. |
Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om de problematiek rond de capaciteit van het Europese luchtruim te beschouwen als van belang voor zowel het internationale concurrentievermogen (dat uiteraard essentieel is) als voor een onbelemmerd functioneren van de interne markt. Door de capaciteit van regionale luchthavens beter en rationeler te benutten zou de druk op zwaarbelaste hubs kunnen worden verminderd. De lopende experimenten met verkeerstorens op afstand (bv. in Zweden) zijn in dit verband interessant: op deze manier zouden de bedrijfskosten op regionale luchthavens verlaagd kunnen worden terwijl de veiligheid op het hoogste niveau blijft. |
|
6.5. |
De Commissie speelt een cruciale rol. Die is echter niet tot in detail beschreven. Wil zij meer doen dan alleen monitoren en alle spelers aansporen tot efficiëntie, dan heeft zij in de eerste plaats volledige en betrouwbare gegevens en informatie nodig over alle activiteiten op EU-luchthavens. Zulke gegevens zijn momenteel niet voorhanden, evenmin zijn er criteria om te bepalen wanneer een luchthaven efficiënt is en ook ontbreken officiële cijfers over EU-steun voor luchthavens. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) COM(2006) 819 final, blz. 2.
(2) COM(2011) 823 final.
(3) PB C 451 van 16.12.2014, blz. 123.
(4) PB C 181 van 21.6.2012, blz. 173.
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/24 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Voltooiing van de EMU — Rol van het belastingbeleid
(initiatiefadvies)
(2015/C 230/04)
|
Rapporteur: |
Carlos TRIAS PINTÓ |
|
Corapporteur: |
Petru Sorin DANDEA |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 27 februari 2014 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over
„Voltooiing van de EMU — Rol van het belastingbeleid”.
De afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 18 november 2014 goedgekeurd.
Het EESC heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 164 stemmen vóór en 53 tegen, bij 11 onthoudingen, is goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Dat het herstel in Europa trager is dan in de rest van de wereld is tekenend voor de slechte functionering van het systeem. Dit moet worden verholpen door een diepere Economische en Monetaire Unie tot stand te brengen. Het EESC steunt in dit advies de verdieping van de EMU, met name in de eurozone, en kijkt naar de rol die belastingheffing hierbij kan spelen. De coördinatie van de rechtstreekse belastingen is en blijft moeilijk omdat dit een bevoegdheid van de lidstaten blijft en afhangt van de wijze die iedere lidstaat door de eeuwen heen heeft gekozen om de benodigde overheidsuitgaven te financieren. Iedere verandering van een belasting moet resulteren in een belastingstelsel dat wereldwijd concurrerender en duurzamer is. |
|
1.2. |
Voor een goede werking van de Economische en Monetaire Unie moeten tijdens de nieuwe legislatuur de grondslagen worden gelegd voor en geleidelijk worden toegewerkt naar een begrotingsunie die in staat is een einde te maken aan de grote verscheidenheid aan nationale regels die een echte integratie en de voltooiing van de eengemaakte markt in de weg staan. Daarnaast moet de weg worden vrijgemaakt voor een hogere gemeenschappelijke begroting voor de eurozone. |
|
1.3. |
Samen met de monetaire pijler van de ECB zou er op middellange termijn ook een „pijler gemeenschappelijke begroting” moeten komen, die moet zorgen voor macro-economische stabilisatie in de EMU, met name in het geval van „asymmetrische schokken”. |
|
1.4. |
Om de tekortkomingen en gebreken van het belastingbeleid te verhelpen moeten in de eurozone ambitieuzere stappen worden gezet om het aantal verschillende belastingen te beperken en te harmoniseren, de heffingsgrondslagen te verbreden en de belastingtarieven meer op één lijn te brengen. Ook moeten de instrumenten voor samenwerking en uitwisseling van informatie worden versterkt met het oog op de bestrijding van fraude en belastingontduiking. |
|
1.5. |
Tijdens de nieuwe legislatuur moet nauw worden samengewerkt met de OESO en de G20 om snel een oplossing te vinden voor de uitholling van de belastinggrondslag en de winstverschuiving, een wereldwijd probleem. De OESO heeft veel vooruitgang geboekt met de invoering van een wereldwijd model voor vennootschapsbelasting, waarbij de belasting wordt geheven op de plaats waar zich de economisch substantie bevindt. Het zou de basis moeten vormen voor een vennootschapsbelasting in de EU. |
|
1.6. |
Om een diepere begrotingsunie tot stand te brengen is het absoluut zaak dat het begrotingstoezicht in het kader van het two-pack wordt voorgezet, en dat snel een fonds met eigen middelen voor de eurozone in het leven wordt geroepen, om de macro-economische onevenwichtigheden te kunnen rechttrekken (1). |
|
1.7. |
Het EESC staat volledig achter de voortzetting van het Europees Semester, dat wel zou moeten worden herzien om doeltreffend te zijn. De individuele landenspecifieke aanbevelingen zouden een instrument kunnen zijn om een gemeenschappelijke basis te creëren. |
|
1.8. |
De magere gemeenschappelijke begroting, die nauwelijks 1 % van het bbp van de EU bedraagt, moet worden verhoogd, met name in de eurozone. De voorzitter van de Commissie, J.-C. Juncker, pleit in zijn beleidsrichtsnoeren „Een nieuwe start voor Europa” voor een begroting die gericht is op banenschepping, groei en concurrentievermogen. Het EESC steunt deze aanpak en benadrukt dat de voor eind 2016 geplande herziening van het meerjarig financieel kader moet worden aangegrepen om de grondslagen te leggen voor een grotere begroting, om de behoorlijke werking van de monetaire unie mogelijk te maken. |
|
1.9. |
De Commissie zou een vervolg moeten geven aan haar Mededeling uit maart 2013 „Naar een hechte Economische en Monetaire Unie” (2), en een instrument voor convergentie en concurrentievermogen in het leven moeten roepen, met contractuele afspraken voor lidstaten om de hervormingen door te voeren die nodig zijn om onevenwichtigheden aan te pakken — waar zowel de lidstaten zelf als Europa als geheel bij gebaat zijn — en die zonder financiële bijstand onmogelijk zouden zijn. Dit fonds zou moeten uitmonden in een begrotingscapaciteit met eigen middelen, ten einde tijdelijke bijstand te kunnen verlenen om regionale schokken op te vangen (3). |
|
1.10. |
De begroting voor de eurozone zou de monetaire unie helpen om beter te functioneren, zou begrotingsondersteuning geven om een volledige bankenunie tot stand te brengen, en zou helpen om asymmetrische schokken op te vangen. Deze functies ontbraken toen de economische crisis toesloeg, waardoor de ongelijkheden dramatisch zijn toegenomen en begrotingsmaatregelen noodzakelijk werden. |
|
1.11. |
Het EESC is zich bewust van de complexiteit van dit thema, en stelt een reeks maatregelen voor die stap voor stap zouden moeten worden uitgevoerd, overeenkomstig de in de Europese verdragen vastgelegde doelstellingen (4). Op korte termijn (6 tot 18 maanden):
Op middellange termijn (18 maanden tot 5 jaar):
|
2. Begrotings- en belastingkader van de EMU
2.1. Raamwerk
|
2.1.1. |
Alle 28 EU-lidstaten zijn de weg van de integratie ingeslagen, waarbij de eurolanden strengere verbintenissen en verplichtingen zijn overeengekomen door een monetaire unie te vormen, die nu wordt versterkt met de ontwikkeling van de bankenunie en het intergouvernementele Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie. |
|
2.1.2. |
Het fiscaal beleid bestrijkt momenteel meer dan 600 verschillende belastingen. Deze zijn goed voor het leeuwendeel van de inkomsten, waarvan de som (belastingen en sociale premies) gelijk is aan 39,4 % van het bbp van de lidstaten (13) en 40,4 % in de eurozone. Er is behoefte aan meer coördinatie van het belastingbeleid van de lidstaten in de eurozone, in aanvulling op het gezamenlijk monetair beleid van de ECB. |
|
2.1.3. |
De totstandbrenging van een begrotingsunie betekent voor de eurozone dat zij kan terugvallen op eigen middelen en een begin kan maken met het op doeltreffende wijze ondersteunen van belangrijke structurele hervormingen van economieën die in moeilijkheden verkeren, en dat zij op solidariteit gebaseerde herverdelingsmaatregelen kan nemen, die van essentieel belang zijn om asymmetrische schokken op te vangen. |
|
2.1.4. |
Vergeleken met andere geavanceerde economieën laat de EU, en de eurozone in het bijzonder, lagere groei- (bbp) en werkgelegenheidspercentages zien. De meeste theorieën inzake economische integratie stellen een model voor dat zowel een monetaire als een begrotingsunie omvat. Het VWEU bepaalt echter dat de besluitvorming inzake belastingen met eenparigheid van stemmen moet gebeuren, wat de goedkeuring van wetgeving op dit gebied veel moeilijker maakt. |
|
2.1.5. |
Het gebrek aan macro-economische efficiëntie in de eurozone kan deels worden toegeschreven aan de dualiteit tussen het begrotingsbeleid, dat sterk gedecentraliseerd is en onder de bevoegdheid van de lidstaten valt, en het monetair beleid, dat in de landen van de eurozone steeds meer gecentraliseerd wordt en onder toezicht van de ECB wordt gebracht. |
|
2.1.6. |
De beperkte bevoegdheden van de ECB maken dat zij begrotingstekorten niet kan financieren met nieuwe geldemissies. Dit kan positief zijn voor de prijsstabiliteit en de waarde van de munt, maar niet voor de groei, werkgelegenheid en andere doelstellingen. Sinds de monetaire unie is er in de EU nog maar heel weinig vooruitgang geboekt met de verwezenlijking van een begrotingsunie. Dit bemoeilijkt de mobiliteit van arbeid en kapitaal, en maakt het lastig om in te spelen op de crisis en asymmetrische schokken op te vangen. |
2.2. Ontwikkeling en problemen in verband met inkomsten en uitgaven
|
2.2.1. |
De minimale coördinatie van het belastingbeleid waarvan momenteel sprake is volstaat nauwelijks om concurrentievervalsing tussen lidstaten te voorkomen en de belastingwedloop af te zwakken, die vooral betrekking heeft op de nominale en effectieve belastingtarieven van de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting. Dit zou positief zijn als alle lidstaten hierbij op één lijn zouden zitten. Helaas is het vooralsnog een spel met alleen maar negatieve uitkomsten, waarvan de rente op kapitaal en zeer mobiele arbeidskrachten profiteren, terwijl de grote meerderheid erop achteruitgaat. |
|
2.2.2. |
Hoewel budgettaire integratie een systeem van overdrachten en een autoriteit vergt, bedraagt de EU-begroting slechts 1 % van het bbp. De netto-overdrachten vormen een zeer klein deel van deze middelen, ondanks de doelstellingen van de Europa 2020-strategie en het Europa 2030-project. |
|
2.2.3. |
Het stappenplan voor een echte Economische en Monetaire Unie, dat is opgesteld in 2012 (14), behelst dat op middellange termijn een economische, monetaire en budgettaire unie tot stand wordt gebracht, onder meer aan de hand van specifieke initiatieven, terwijl voor de korte termijn wordt voorgesteld het budgettair en economisch bestuur te versterken (six-pack, begrotingspact en two-pack), evenals het Europees Semester en diens aanbevelingen, en ten slotte het intergouvernementele Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie, dat door 25 landen is ondertekend, buiten het VWEU om. Dit systeem werkt echter in één richting, is star en onpraktisch, en biedt onvoldoende flexibiliteit om snel te kunnen inspelen op onmiddellijke economische crisissituaties en een gezamenlijk beleid voor de eurozone in te voeren. |
|
2.2.4. |
Het is opmerkelijk dat tot nu toe alleen maatregelen aan de uitgavenzijde zijn genomen, terwijl de inkomstenzijde van de begrotingsunie geheel buiten beschouwing is gelaten. |
|
2.2.5. |
Naast het ontbreken van een toezichthoudende begrotingsautoriteit heeft de trojka een omstreden rol gespeeld bij de besparingsplannen die werden opgelegd aan de steunbehoevende landen, wat op kritiek van het Europees Parlement (15) en het EESC is komen te staan, wegens het gebrek aan efficiëntie en transparantie. |
|
2.2.6. |
Het EESC steunt de beleidsrichtsnoeren van Commissievoorzitter Juncker, „Een nieuwe start voor Europa”, waarin hij erop aandringt de trojka te vervangen door een op de EU-instellingen gebaseerde structuur met een grotere democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht en een sterkere controle door zowel het EP als de nationale parlementen. |
|
2.2.7. |
Het beleid van fiscale devaluatie waartoe sommige van de meest kwetsbare landen van de eurozone zijn overgegaan, heeft eerder geleid tot een devaluatie van het Europees sociaal model (16) dan tot een herstel van het concurrentievermogen, aangezien de lagere arbeidslasten nauwelijks hebben bijgedragen aan een verbetering van de werkgelegenheid, groei en schuldenlast, en juist een onnodige derving van belastinginkomsten hebben veroorzaakt. Het lijkt erop dat in sommige lidstaten de correctie van enkele onevenwichtigheden echter vruchten begint af te werpen. |
3. Opmerkingen
3.1. Belang van de belastingheffing op financiële en digitale diensten
|
3.1.1. |
Op het gebied van financiële transacties en transacties in de digitale economie is het zeer moeilijk gebleken om vooruitgang te boeken met de fiscale integratie. De Commissie dient nu snel met een antwoord te komen, in de lijn van het onderzoek van DG Mededinging, de aanbevelingen van de deskundigengroep Belasting van digitale economie (17) en de eerste voorstellen van de OESO (18) voor een gecoördineerde internationale aanpak om belastingontduiking door multinationale ondernemingen te voorkomen, in het kader van het OESO/G20-project tegen grondslaguitholling en winstverschuiving (bedoeld om één stel internationale belastingvoorschriften in te voeren die een einde moeten maken aan de grondslaguitholling en de kunstmatige verschuiving van winsten naar andere landen, met als doel belastingen te ontduiken). |
|
3.1.2. |
De geplande EU-brede belasting op financiële transacties is tot op heden niet verder gevorderd dan de in februari 2013 gepubliceerde richtlijn inzake nauwere samenwerking, die slechts door 11 landen van de eurozone is overgenomen (19). Daarom moet de toepassing van deze belasting in ieder geval worden uitgebreid tot de andere landen van de eurozone (om de achterstand van de afgelopen maanden goed te maken). |
|
3.1.3. |
Het EESC is ingenomen met het voorstel tot wijziging van de Richtlijn belastingheffing op spaargelden (20), om de kwaliteit van de informatie te verbeteren en belastingontduiking beter te kunnen voorkómen. |
3.2. Belastingstructuren: grondslagen, tarieven en vrijstellingen
|
3.2.1. |
De EU loopt ieder jaar veel meer belastinginkomsten mis dan de VS en andere landen waar de schaduweconomie, belastingfraude, zwartwerk en belastingontduiking een kleinere rol spelen (21). Om disfuncties zoals belastingparadijzen te vermijden, vragen de uitgebreide en complexe belastingstructuren meer homogeniteit, vereenvoudiging en harmonisatie tussen de landen. Dit proces zou een aanvang moeten nemen in de eurozone, en door de Commissie en de Eurogroep moeten worden gecoördineerd, door een vereenvoudigingsbureau op te richten zoals dat in sommige landen al bestaat (22). |
|
3.2.2. |
Ook denkt het EESC dat de convergentie van het belastingbeleid tot prioriteit moet worden verheven in het kader van het Europees semester (gebruikmakend van enkele landenspecifieke aanbevelingen), aangezien dit de plaats is waar de inspanningen van economisch beleid tussen de lidstaten worden gecoördineerd ten einde de doelstellingen van Europa 2020 te verwezenlijken, samen met andere beleidsterreinen. |
|
3.2.3. |
Het EESC pleit voor een doeltreffender en eerlijker systeem, en beveelt aan de belastinghervorming en -harmonisatie te richten op meer transparantie, een verbreding van de belastinggrondslag en het voorkómen van agressieve belastingontduiking, zodat de belastingtarieven kunnen worden verlaagd en de belastingdruk kan worden herverdeeld. |
|
3.2.4. |
Het EESC beveelt aan het systeem van vrijstellingen te beperken, afhankelijk van het soort belasting, en deze te onderwerpen aan strenge sociaaleconomische kosten-batenanalyses volgens de in 1968 geconsolideerde internationale doctrine inzake „tax expenditures” (belastinguitgaven). Er moet rekening worden gehouden met het feit dat de stelsels voor belastingvermindering tijdens de afgelopen vijf crisisjaren de toename van de ongelijkheid op de markt in de meeste EU-lidstaten aanzienlijk hebben weten te beperken, zoals onderzoek van de Commissie heeft aangetoond (23). |
|
3.2.5. |
Het EESC dringt erop aan dat de EU, via vertegenwoordigers van de eurozone, actiever deelneemt aan de debatten om de harmonisatie en vereenvoudiging te coördineren met de OESO (24), het IMF (25) en de G20 (26), om te beginnen door de verrekenprijzen, de fraude, de schaduweconomie en vooral ook de problemen in verband met de billijke verdeling van de belastingdruk aan te pakken. |
|
3.2.6. |
Het EESC is van mening dat het BEPS-actieplan (27) (Base Erosion and Profit Shifting, grondslaguitholling en winstverschuiving) van fundamenteel belang zal zijn om op mondiaal niveau een vuist te maken tegen belastingontduiking en agressieve belastingplanning. Het spoort de G20, de OESO en alle Europese lidstaten dan ook aan dit project verder te ontwikkelen en een Europees agentschap te creëren dat fungeert als btw-clearing house en dat optreedt tegen belastingfraude, om een einde te maken aan het probleem van carrouselfraude (28) in intracommunautaire transacties, dat nog schadelijker is dan de schaduweconomie zelf. |
|
3.2.7. |
Aangezien belastingvrijstellingen en -ontheffingen ertoe leiden dat de effectieve belastingtarieven veel lager zijn dan de nominale tarieven, moeten deze ten slotte worden gecoördineerd met de Europese doelstellingen op het gebied van de werkgelegenheid, productieve investeringen, het concurrentievermogen van het bedrijfsleven en de sociale inclusie, en met het beleid van de Unie voor de totstandkoming van het Europees sociaal model. |
3.3. Vennootschapsbelasting
|
3.3.1. |
Het EESC dringt erop aan prioriteit te geven aan de harmonisatie van de vennootschapsbelasting en voort te gaan „op weg naar een samenhangende begrotings- en belastingunie” (29), om te voorkomen dat kleine en middelgrote ondernemingen de hoogste effectieve belastingtarieven betalen. Bovendien is het EESC ten zeerste gekant tegen de praktijken van enkele lidstaten die speciale belastingvoordelen bieden aan bepaalde multinationals, zonder het grote publiek daarvan in kennis te stellen, en roept het derhalve de Commissie op alles in het werk te stellen om een einde te maken aan dergelijke praktijken. Deze situatie werkt concurrentieverstoring in de hand en is onverenigbaar met de geest van de interne markt. |
|
3.3.1.1. |
Een van de eerste en belangrijkste stappen zou de invoering van een „gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag” moeten zijn. Dit standpunt werd in 2006 (30) officieel ingenomen door het Comité, en later (31) nog eens bevestigd. Reeds in 1992 werd in het verslag Ruding gewezen op de noodzaak van gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de heffingsgrondslag, te beginnen met minimum- en maximumtarieven. |
|
3.3.1.2. |
In de geest van de „monetaire slang” die vóór de invoering van de euro was ontworpen om wisselkoersschommelingen op te vangen, stelt het Comité voor dat de bevoegde autoriteiten worden aangemoedigd om samen te werken ten einde minimum- en maximumbelastingtarieven vast te stellen voor de vennootschapsbelasting. Ook zouden de vrijstellingen die het minst bijdragen aan een toename van de werkgelegenheid en de productiviteit, op gecoördineerde wijze moeten worden afgeschaft. |
|
3.3.2. |
Het EESC stemt in met het voorstel voor een richtlijn inzake moederbedrijven en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, een van de 34 maatregelen die zijn opgenomen in het eind 2012 door de Commissie gepresenteerde Actieplan om de bestrijding van belastingfraude en -ontduiking te versterken (32). Wel had het liever gezien dat hiervoor een verordening werd opgesteld. |
|
3.3.3. |
Op het gebied van de intracommunautaire handel in goederen en diensten, is de harmonisatie van de heffingsgrondslagen voor de btw al verder gevorderd, hoewel er nog grote verschillen zijn in de hoogte van de tarieven. |
|
3.3.4. |
Gelet op het strategisch belang hiervan beveelt het EESC aan prioriteit te geven aan belastingprikkels voor het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling (33). |
|
3.3.5. |
Bij alle geplande maatregelen moet erop worden gelet dat zij het concurrentievermogen van Europese ondernemingen geen schade berokkenen. |
3.4. Belasting van personen en huishoudens
|
3.4.1. |
Natuurlijke personen moeten zowel directe als indirecte belastingen betalen. We mogen niet uit het oog verliezen dat indirecte belastingen regressief van aard zijn en dat met name een opwaartse harmonisatie van de indirecte belastingen een regressief karakter heeft en zonder koopkrachtondersteunende maatregelen drastische gevolgen kan hebben voor de bevolkingsgroepen met de laagste inkomens. |
|
3.4.2. |
De harmonisatie van de directe belastingheffing op natuurlijke personen beperkt zich tot specifieke gevallen, en het convergentieproces van de belastingdruk is tot stilstand gekomen. |
|
3.4.3. |
In ieder geval in de eurozone is het zaak het aantal schijven in de inkomstenbelasting en de kosten van de sociale premies te herzien, om sociale dumping te voorkomen, de belastingdruk op de factor arbeid meer gelijk te trekken en zo de arbeidsmobiliteit te vergemakkelijken (34). De progressiviteit van de belastingheffing moet worden uitgebreid tot belastingen op inkomsten uit kapitaal en vermogens, waarmee onroerendgoedbelastingen, successie- en schenkingsrechten nieuw leven wordt ingeblazen als controle-instrumenten. Bovendien hebben deze belastingen een minder temperend effect op de vraag dan belastingen op arbeid. |
|
3.4.4. |
De noodzaak om meer aandacht te besteden aan investeringen dan aan de consumptie vergt een harmonisatie en de vaststelling van bandbreedten („convergentieslangen”) voor belastingen op inkomsten uit spaargelden (35), dividendontvangsten van natuurlijke personen en grensoverschrijdende pensioenuitkeringen. |
|
3.4.5. |
Het EESC steunt de Commissie in haar zoektocht naar manieren om belastingstructuren meer groeivriendelijk te maken, en te kijken naar de rol die belastingen kunnen spelen om te voldoen aan de consolidatiebehoeften, door een verbreding van de belastinggrondslag van bijvoorbeeld de onroerendgoedbelasting. De aanbevelingen van de Europese Commissie aan de lidstaten in het kader van het Europees Semester waren dan ook om méér gebruik te maken van terugkerende belastingen op onroerend goed, met het oog op de consolidatie of om de belastingdruk op arbeid te helpen verlagen (36). |
|
3.4.6. |
Het EESC stelt bovendien voor bijkomende maatregelen goed te keuren om de milieubelastingen te harmoniseren, op basis van het door de Commissie voorgestelde kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030. |
|
3.4.7. |
De burgers zullen helpen om het grote probleem van belasting- en arbeidsfraude te bestrijden, als zij hiertoe worden gestimuleerd. Instrumenten als dienstencheques en belastingvrijstellingen of -verminderingen voor vormen van persoonlijke dienstverlening moeten worden versterkt, omdat zij de doelstellingen van maatschappelijk welzijn combineren met de bestrijding van de schaduweconomie. |
|
3.4.8. |
Om de schaduweconomie te bestrijden stelt het EESC voor fiscale prikkels in te voeren voor het gebruik van betaalmiddelen die een spoor nalaten en die de financiële en digitale inclusie bevorderen, zoals betaalkaarten en betalingen per mobiele telefoon, door middel van geharmoniseerde belastingverminderingen of vrijstellingen voor personen en ondernemingen die het gebruik van contant geld terugdringen. |
|
3.4.9. |
De bereidheid van de burgers om mee te werken zou nog kunnen worden versterkt door economische prikkels te geven voor de opsporing van frauduleuze transacties, iets wat in de VS een gangbare praktijk is. |
3.5. Territoriale belastingen (regio’s, staten en EU)
|
3.5.1. |
De grote verscheidenheid aan belastingen werkt fraude en corruptie in de hand en houdt de schaduweconomie in stand. Het EESC dringt er bij de lidstaten van de eurozone op aan om zichzelf meer bevoegdheden toe te kennen als het gaat om de vier belangrijkste belastingpijlers: directe belastingen voor natuurlijke en rechtspersonen (inclusief de belasting op inkomsten uit kapitaal, de onroerendgoedbelasting en andere aan rijkdom gerelateerde belastingen), en indirecte belastingen zoals btw en speciale belastingen. |
|
3.5.2. |
Om vooruitgang te boeken met de budgettaire governance is het onvermijdelijk dat de lidstaten geleidelijk hun fiscale soevereiniteit uit handen geven. Zo zou de belastinginning overwegend door de staat kunnen blijven gebeuren, terwijl de controle, inspectie en verdeling van de inkomsten door de Unie en de lidstaten gezamenlijk zouden worden gedaan. Het EESC stelt dan ook voor een Europese belastingautoriteit in het leven te roepen, om te beginnen voor de eurozone. |
|
3.5.3. |
Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moeten de lokale belastingen worden gerespecteerd, maar het EESC beveelt aan de bestaande belastingen te vereenvoudigen door ze te verlagen, groeperen en stroomlijnen. |
3.6. Externe dimensie en verband met het overheidsbeleid
|
3.6.1. |
Een supranationaal begrotingsbeleid (37) zou het enige doeltreffende instrument zijn om de doelstellingen van de Verdragen, met name op het gebied van het cohesie- en duurzaamheidsbeleid, te verwezenlijken. |
|
3.6.2. |
Het EESC pleit voor een bijkomende federale begroting, in ieder geval in de eurozone, om belastingen te kunnen innen en om beleid dat beter gemeenschappelijk kan worden gevoerd, zoals werkloosheidsverzekeringen, gekoppeld aan een actief arbeidsmarktbeleid (38), onderzoek en ontwikkeling, defensie en de vaststelling van een gemeenschappelijk mechanisme ter compensatie van de rentelast van de overheidsschuld (39), geleidelijk onder Europese vlag te brengen. |
|
3.6.3. |
Ten slotte spreekt het EESC zijn krachtige steun uit voor de initiatieven van de OESO en de G-20 op het gebied van internationale samenwerking inzake fiscale aangelegenheden en bestrijding van belastingfraude, en dringt het erop aan dat de automatische uitwisseling van fiscale informatie tot internationale standaard wordt verheven. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) Dit systeem is echter overdreven star en onpraktisch, en biedt onvoldoende flexibiliteit om snel te kunnen inspelen op onmiddellijke economische omstandigheden en met een beleidsmix van de eurozone op de proppen te komen, in een situatie waarin de lidstaten onvoldoende manoeuvreerruimte over hebben om economische herstelplannen te lanceren. Het gevolg is een krachtige financiële instabiliteit.
(2) COM(2013) 165 final.
(3) EESC-advies over CCI/Belangrijke hervormingen van het economische beleid (PB C 271 van 19.9.2013 blz. 45).
(4) Zie met name de artikelen 113 en 115 van het VWEU.
(5) Zie de voor de afdeling ECO relevante hoogtepunten uit de beleidsrichtsnoeren voor de komende Europese Commissie, gepresenteerd aan het Europees Parlement door Jean-Claude Juncker. Zie ook Juncker: Een nieuwe start voor Europa: mijn agenda […], blz. 6.
(6) EESC-advies over CCCTB (PB C 24 van 28.1.2012, blz. 63).
(7) COM(2011) 121 final.
(8) www.eurofisc.eu
(9) Fictieve verkopen in de lidstaat van bestemming die voor de schatkist potentieel oneindig grote verliezen betekenen.
(10) Richtlijn 2011/16/EU.
(11) Zie de EESC-adviezen over Begrotingsbeleid: groei en begrotingsaanpassing (PB C 248 van 25.8.2011, blz. 8) en Voltooiing van de EMU — De volgende Europese legislatuur, en de Blauwdruk voor een hechte Economische en Monetaire Unie (COM(2012) 777 final/2, paragraaf 3).
(12) Zie EESC-advies over Voltooiing van de EMU —- De volgende Europese legislatuur (PB C 451 van 16.12.2014, blz. 10).
(13) Gegevens van 2012, die door Eurostat zijn gepubliceerd op 16 juni 2014 (92/2014).
(14) COM(2012) 777 final/2.
(15) Alejandro Cercas, Verslag: PE528.091v02-00 l.
(16) http://www.eurofound.europa.eu/publications/annual-report/2014/eurofound-yearbook-2013-living-and-working-in-europe
(17) Zie het verslag — De Commissie heeft op 22 oktober 2013 een besluit tot oprichting van een deskundigengroep goedgekeurd, die datzelfde jaar haar werkterrein heeft afgebakend en een Routekaart heeft vastgesteld. Haar eindverslag werd gepubliceerd op 28 mei 2014.
(18) http://www.oecd.org/tax/beps-2014-deliverables.htm
(19) COM(2013) 71 final, 03/0045 (CNS): België, Duitsland, Estland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Portugal, Slovenië en Slowakije.
(20) Richtlijn belastingheffing op spaargelden — Europese Commissie.
(21) Friedrich Schneider, „Shadow Economies and Corruption all over the World: Empirical Results for 1999 to 2003”, in: special issue of the International Journal of Social Economics (IJSE), Serie 1, Vol. 35, Nummer 9, 2008.
(22) Bijvoorbeeld: The Office of Tax Simplification, HM Treasury, dat deel uitmaakt van de regering van het Verenigd Koninkrijk.
(23) European Commission Research note 02/2013 „The effect of tax-benefit changes on income distribution in EU countries since the beginning of the economic crisis”.
(24) OECD project on Base Erosion and Profit Shifting (BEPS).
(25) Rol van het IMF bij de internationale belastingheffing.
(26) https://www.g20.org/sites/default/files/g20_resources/library/Saint_Petersburg_Declaration_ENG.pdf
(27) Centre for Tax Policy and Administration — OECD.
(28) Fictieve verkopen in de lidstaat van bestemming die voor de schatkist potentieel oneindig grote verliezen betekenen.
(29) Zie de EESC-verklaring Een actieplan voor Europa, goedgekeurd tijdens de zitting van 29 en 30 april 2014. Zie ook het EESC-advies Slimme strategieën voor begrotingsconsolidatie — Opsporing van groeistimulerende factoren in Europa (PB C 248 van 25.8.2011, blz. 8).
(30) EESC-advies Invoering van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting in de EU (PB C 88 van 11.4.2006 blz. 48).
(31) EESC-advies Gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) (PB C 24 van 28.1.2012 blz. 63).
(32) COM(2012) 722 final.
(33) Zie: Placing taxation at the service of research and development.
(34) Verklaring van de Eurogroep van 8 juli 2014: Structural reform agenda — Thematic discussions on growth and jobs — Reduction of the tax wedge.
(35) http://europa.eu/legislation_summaries/taxation/l31050_en.htm
(36) Europese Commissie (2014), Tax reforms in EU Member States, blz. 112.
(37) Stefan Collignon, Taking European integration seriously.
(38) Zie de EESC-adviezen over Voltooiing van de EMU — De volgende Europese legislatuur en Voor een sociale dimensie van de Europese EMU (PB C 271 van 19.9.2013, blz. 1).
(39) Zie EESC-advies Een nieuwe impuls voor groei (PB C 143 van 22.5.2012, blz. 10).
BIJLAGE
bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Onderstaand wijzigingsvoorstel werd verworpen, maar kreeg minstens een kwart van de uitgebrachte stemmen (artikel 54, lid 3, van het reglement van orde):
Paragraaf 1.4
Als volgt te wijzigen:
|
|
„Om de tekortkomingen en gebreken van het belastingbeleid te verhelpen, moeten in de eurozone ambitieuzere stappen worden gezet om het aantal verschillende belastingen te beperken en te harmoniseren, de heffingsgrondslagen te verbreden en de belastingtarieven meer op één lijn te brengen. Ook moeten de instrumenten voor samenwerking en uitwisseling van informatie worden versterkt met het oog op de bestrijding van fraude en belastingontduiking. Daarbij moet ervoor worden opgepast dat de totale belastingdruk in de eurozone niet hoger is dan de belastingdruk in de omringende landen. ”. |
Motivering
Aangezien in het advies ook nieuwe belastingen worden voorgesteld, is het van belang dat de totale belastingdruk in de eurozone de belastingdruk in de omringende landen niet overstijgt. Anders kan deze hoge belastingdruk negatief uitpakken voor de eurozone, en ertoe leiden dat meer en meer ondernemingen naar andere landen verhuizen en arbeidskrachten meenemen.
Stemuitslag
|
Voor: |
80 |
|
Tegen: |
129 |
|
Onthoudingen: |
17 |
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/33 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over industriële reconversie in de Europese verpakkingsindustrie
(initiatiefadvies)
(2015/C 230/05)
|
Rapporteur: |
Gonçalo LOBO XAVIER |
|
Corapporteur: |
Nicola KONSTANTINOU |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna „het EESC” genoemd) heeft op 22 januari 2014 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over
Industriële reconversie in de Europese verpakkingsindustrie.
De adviescommissie Industriële Reconversie (hierna „de CCMI” genoemd), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 13 november 2014.
Het EESC heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) onderstaand advies uitgebracht, dat met 119 stemmen vóór en 1 tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1 |
De Europese verpakkingsindustrie staat voor meerdere uitdagingen. Vanwege haar doorslaggevende rol in een aantal sectoren vervult de verpakkingsindustrie een spilfunctie voor het concurrentievermogen van de Europese economie. Europa moet zijn leiderspositie op dit gebied behouden en trends t.a.v. verpakkingen hooghouden die het milieu, de veiligheid en merken betreffen. Die leiderspositie moet volgens het EESC op de volgende vier pijlers worden gegrondvest: hulpbronnenefficiëntie; O&O en innovatie; de sociale dialoog, en duurzaamheid en aanpassingsvermogen. |
1.1.1 Hulpbronnenefficiëntie
De verpakkingsindustrie heeft een doorslaggevende rol te spelen in het streven naar meer recyclage in de lidstaten van de EU, omdat de producten van deze industrie worden gebruikt om andere consumptiegoederen te bewaren, te beschermen en te conserveren en achteraf vaak worden verwijderd. Dit neemt niet weg dat ondernemingen uit de verpakkingsindustrie nog steeds steun nodig hebben om dit doel te bereiken. Volgens het EESC kan de Commissie hulp bieden door meer informatie over voorbeelden van geslaagde methoden en de optimale benutting van de beschikbare middelen te geven. Een andere manier om te helpen, is dat steun wordt gegeven aan het streven naar de inachtneming van milieuvraagstukken door álle belanghebbenden, ook in het geval van belanghebbenden wier activiteiten buiten Europa zijn gevestigd. Hulpbronnenefficiëntie is zowel voor de verpakkingsindustrie als voor het milieu van cruciaal belang. De Commissie zou een beleidskader kunnen uitwerken om de voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie benodigde omschakeling te begeleiden en om het milieubewustzijn van de verpakkingsindustrie te hernieuwen en een duurzaam karakter te geven.
1.1.2 Uitdagingen
Door de stijging van de energieprijzen is de verpakkingsindustrie voor nieuwe uitdagingen komen te staan. Dit geldt niet alleen voor de dagelijkse productie, maar ook voor recyclage. De voor de verpakkingsindustrie zo belangrijke recyclage wordt in, maar ook buiten de Europese Unie georganiseerd. De EU zou in het geval van de verpakkingsindustrie voorrang moeten geven aan een beleid dat op een evenwichtige energieprijsvorming is gericht.
Alle sectoren van de verpakkingsindustrie zouden zich realistische streefcijfers voor recyclage ten doel moeten stellen (die overeenkomen met de EU-wetten, c.q. de richtlijn inzake verpakkingen en verpakkingsafval en de kaderrichtlijn betreffende afval, en aan de Europa 2020-strategie zijn gerelateerd) en daarna jaarlijks verklaringen moeten uitbrengen, zodat de vorderingen op dit gebied kunnen worden gemeten. Daarmee leveren zij een verdere bijdrage aan het streven van de EU om de CO2-emissies te verminderen. In weerwil van alle pogingen van de lidstaten om de jaarlijks door Eurostat te publiceren gegevens te verschaffen, ontbreekt er nog steeds een schakel in de vergaring van de benodigde informatie. Dat er meer verpakkingen worden gebruikt dan nodig is, levert afval op. Daaraan moet iets worden gedaan door de verpakkingsindustrie. Consumenten moeten zich van dit probleem bewust zijn. Een mogelijke methode bestaat erin om een voorlichtingscampagne te voeren waardoor extra de nadruk wordt gelegd op de in de richtlijn verpakkingen en verpakkingsafval vastgelegde „essentiële eisen” in verband met „over”-verpakkingen. Zo zou de Commissie een nauwgezet tijdschema moeten vaststellen om te vragen om een verbod op eenmalig te gebruiken plastic wegwerpzakken ten gunste van herbruikbare of biologisch afbreekbare zakken. In dit tijdschema zou moeten zijn verdisconteerd dat de sociale partners worden geraadpleegd en dat maatregelen worden genomen om de omschakeling van de sector te begeleiden.
1.1.3 O&O en innovatie
In de loop van het aan dit advies voorafgaande onderzoek en tijdens gesprekken met belanghebbenden en vertegenwoordigers van de Commissie is duidelijk geworden dat er over een aantal cruciale vraagstukken te weinig informatie voorhanden is. De Commissie zou er goed aan doen om verbetering te brengen in de wijze waarop gegevens over de verpakkingsindustrie worden vergaard, zodat de sociale partners van de nodige informatie worden voorzien om het voortbestaan van de verpakkingsindustrie ook op de lange termijn te garanderen. De grootste uitdagingen op het gebied van O&O waarvoor de verpakkingsindustrie is komen te staan, betreffen de efficiëntie van het vervoer en de traceerbaarheid van goederen, terugdringing van de kosten, regelgeving en veiligheid, ecologisch ontwerp en de levenscyclusprestaties van verpakkingen. Gezien die specifieke behoeften en de door de verpakkingsindustrie gevolgde aanpak is het van groot belang dat de middelen die in Horizon 2020 voor innovatie zijn uitgetrokken, door de verpakkingsindustrie als een prioriteit en een kans worden beschouwd. Organisaties in de verpakkingsindustrie, evenals de gebruikelijke belanghebbenden, moeten ondernemingen ertoe aanmoedigen om deel te nemen aan Europese consortia die innovatie bevorderen.
Van doorslaggevend belang zijn de investeringen die nodig zijn om aan al die uitdagingen het hoofd te bieden. Het voortbestaan van de verpakkingsindustrie hangt op de lange termijn af van de combinatie van kapitaalinvesteringen met investeringen in de werkgelegenheid van de sector. Om een en ander te bewerkstelligen, moeten er in overleg met werknemers, werkgevers, regeringen, Europese instellingen en belanghebbenden in bredere maatschappelijke zin (waaronder nationale onderwijsinstellingen) deugdelijke plannen worden gemaakt.
Dat de verpakkingsindustrie onder druk van nieuwe ontwikkelingen (bv. de e-handel) evolueert, staat buiten kijf. Uit bevindingen van Eurobarometer 2013, nl. dat nagenoeg de helft van alle burgers van Europa in de afgelopen zes maanden een onlineaankoop had gedaan (1), blijkt dat de e-handel in opkomst is. Volgens de Commissie is de e-handel „een van de belangrijkste motoren voor ontwikkeling en kan ze bijdragen aan economische groei en werkgelegenheid. Verwacht wordt dat e-handel in de EU tussen 2013 en 2016 jaarlijks met ruim 10 procent zal groeien” (2). Deze ontwikkeling kan een prikkel vormen om nieuwe oplossingen voor de vermindering van soorten afval (karton, plastic e.d.) toe te passen. Bij O&O-activiteiten moeten deze trends in aanmerking worden genomen.
Gebleken is ook dat innovatie in de verpakkingsindustrie jongeren kansen op werk biedt. Voor industriële ontwerpers, materiaalingenieurs en beoefenaars van andere nieuwe beroepen liggen er tal van uiteenlopende kansen op de toekomstige markt. Volgens het EESC kan — qua duurzaamheid en ontwerp — worden geïnnoveerd in sectoren waar uitgebreid gebruik wordt gemaakt van verpakkingen.
1.1.4 Inzet van burgers, sociale dialoog met werknemers, duurzaamheid en aanpassingsvermogen
Waar het voor de werkgevers en werknemers op aankomt, is dat het concurrentievoordeel van de verpakkingsindustrie bewaard blijft en dat de verpakkingsindustrie onverkort gebruikmaakt van technologische vernieuwingen en duurzame kwaliteitsgoederen produceert. Belanghebbenden moeten nagaan welke nieuwe vaardigheden in de toekomst nodig zullen zijn voor de verpakkingsindustrie, zodat onderwijssystemen kunnen worden aangepast om aan deze cruciale uitdaging het hoofd te bieden. Nieuwe ontwikkelingen zoals onlineverkoop en de invloed en gevolgen daarvan moeten zorgvuldig worden onderzocht en geanalyseerd.
De meeste verpakkingsondernemingen en hun werknemers zijn bereid om zich aan veranderingen aan te passen, maar hebben meer informatie nodig om voor hun sector en werkgelegenheid de juiste beslissingen te kunnen nemen. Van die aanpassingen aan veranderingen op de markt moeten de werknemers worden gevrijwaard, maar dat niet alleen: er mag ook niet worden voorbijgegaan aan de dreiging van snelle ontwikkelingen en bedrijfsverplaatsingen.
De discussie over het voortbestaan van de verpakkingsindustrie moet zowel in de lidstaten als in EU-verband in een dialoog met maatschappelijke organisaties en in een sociale dialoog worden gehouden. Een kans daartoe kan worden geboden door de oprichting van een comité voor een sectorale sociale dialoog.
2. Inleiding
Onderhavig advies is vooral bedoeld om de Europese instellingen op de hoogte te brengen van een aantal aanbevelingen die het EESC/de CCMI als van doorslaggevend belang beschouwt voor de stimulering van de Europese economie in het algemeen en van de verpakkingsindustrie in het bijzonder. Europa moet het voortouw nemen en aandringen op de naleving van wetten die de economie echt vooruithelpen en op duurzame wijze worden toegepast om de werking van de interne markt te verbeteren; niet „bescherming”, maar „vertrouwen en toepassing van wettelijke voorschriften” moet het devies zijn.
|
2.1 |
De verpakkingsindustrie is op tal van manieren nuttig in ons dagelijks leven. De daarmee nagestreefde doelstellingen zijn velerlei: bescherming (door verpakkingen wordt voorkomen dat goederen breken, bederven of besmet raken en kunnen goederen langer worden opgeslagen); verkoopbevordering (ingrediënten, verschijningsvormen, reclameboodschappen en merken); voorlichting (informatie over de identiteit, de bereidingswijze en het gebruik van een product, gegevens over de voedingswaarde en duur van de opslag, op veiligheid gerichte waarschuwingen, contactgegevens, instructies voor het openen van de verpakking en afvalverwerking); gemak (bereiding, opdiening, opslag en opdeling van het product); gebruik (voorzieningen voor consumenten, kleinhandelaren en vervoersbedrijven); productbehandeling (vervoer van producent naar kleinhandel, inrichting van het verkooppunt); afvalvermindering (verwerking, hergebruik van nevenproducten, opslag en vervoer van energie). |
|
2.2 |
De verpakkingsindustrie is zo rijk geschakeerd dat beleid ervoor ook breed opgezet en gevarieerd moet zijn. Voor deze waardevolle industrie moet behoedzaam te werk worden gegaan en rekening worden gehouden met de noodzaak om zich aan regels en wetten te houden en moeten de verscheidenheid en — uiteraard — het concurrentievermogen ervan in aanmerking worden genomen. |
|
2.3 |
Naast problemen die de meeste sectoren gemeen hebben, kampen afzonderlijke subsectoren natuurlijk ook nog met geheel eigen, specifieke moeilijkheden. De verklaring daarvoor is dat aan verschillende producten verschillende eisen worden gesteld, vooral als het gaat om normen en certificaten. |
|
2.4 |
Dat verpakkingen kunnen worden gebruikt om bekendheid te geven aan innoverende en kwaliteitsproducten, is een kans voor Europa. Vandaar dat meerdere maatregelen tot doel hebben om duidelijk aan te geven dat de verpakte goederen innoverend en van hoge kwaliteit zijn. Waar het altijd weer op neerkomt, is dat producten uit de EU moeten worden onderscheiden van producten die uit andere delen van de wereld komen. |
|
2.5 |
Andere onmisbare aandachtspunten in deze discussie zijn de logistiek in de verpakkingsindustrie en de toegang tot de voor deze industrie benodigde grondstoffen. Uit voorgaande aandachtspunten kan moeiteloos worden afgeleid dat de Europese verpakkingsindustrie voor enorme uitdagingen staat. Onderhavig advies is vooral bedoeld om de Europese instellingen op de hoogte te brengen van een aantal aanbevelingen die het EESC/de CCMI als van doorslaggevend belang beschouwt voor de stimulering van de Europese economie in het algemeen en van de verpakkingsindustrie in het bijzonder. Net als op andere gebieden moet Europa ook hier weer het voortouw nemen en aandringen op de naleving van regels en wetten die de economie echt vooruithelpen en op duurzame wijze worden toegepast om de interne markt nieuw leven in te blazen; niet „bescherming”, maar „vertrouwen en toepassing van wettelijke voorschriften” moet het devies zijn. |
|
2.6 |
Het heikele vraagstuk van de in de verpakkingsindustrie gebruikte grondstoffen vraagt om een zorgvuldige analyse waarvan het doel is om de open markt onverlet te laten en voor gelijke concurrentievoorwaarden voor alle marktspelers te zorgen. |
|
2.7 |
Voorwaarde voor de instandhouding van behoorlijke werkgelegenheid op lange termijn in de verpakkingsindustrie is dat er tussen belanghebbenden een gecoördineerde en inclusieve dialoog op gang wordt gebracht. Door die dialoog kan de verpakkingsindustrie ook beter inspelen op veranderingen en zich beter aanpassen aan de behoeften van consumenten en de vraag in een bredere maatschappelijke context. De mogelijkheden van de sociale dialoog om de sector te consolideren, worden nu nog onvoldoende benut; daar moet dringend iets aan worden gedaan. |
|
2.8 |
Duurzaamheid en billijke oplossingen voor als de verpakkingsindustrie zich aan veranderingen moet aanpassen of tot omschakeling moet overgaan om aan de vraag op de markt te voldoen, zijn alleen mogelijk als belanghebbenden voor hun inzet een groot aantal verschillende kanalen wordt geboden. De Commissie zou moeten stimuleren dat er een behoorlijk gestructureerde en georganiseerde sociale dialoog over aan de verpakkingsindustrie gerelateerde vraagstukken wordt gevoerd. Daarbij gaat het om de structuur van de verpakkingsindustrie, maar ook om het concurrentievermogen ervan en alle daarmee verband houdende kwesties, zoals werkgelegenheid, vaardigheden, aanpassingsvermogen en het voortbestaan van (de banen in) de verpakkingsindustrie. Daarnaast zou er een kanaal moeten worden gecreëerd waarin de diverse actoren en instellingen over en weer kunnen communiceren. Dit kanaal kan dan dienen als platform voor blijken van belangstelling uit bredere kring (maatschappelijke bewegingen, consumenten, werknemers, werkgevers, regeringen enz.). Hierdoor kunnen alle belanghebbende partijen een rol gaan spelen in de verpakkingsindustrie en kunnen zij bij de meer algemene maatschappelijke spilfunctie van die industrie worden betrokken. |
3. Analyse/beleidskader
|
3.1 |
De Europese verpakkingsindustrie bestrijkt een groot aantal verschillende activiteiten en heeft veel vergelijkbare problemen met andere sectoren gemeen, maar staat — nu en op de korte en de middellange termijn — ook voor geheel eigen grote uitdagingen. De Europese verpakkingsindustrie bestaat uit ondernemingen die verpakkingen van glas, metaal, plastic, hout en papier produceren en samen goed zijn voor 6,5 miljoen banen in Europa (3) (Eurostat). |
|
3.2 |
Die ondernemingen produceren niet alleen uiteenlopende producten, maar passen ook tal van verschillende procedés toe om voor specifieke markten en bijzondere gebruiksdoeleinden producten te creëren. Elk van die producten vraagt om aparte randvoorwaarden en brengt allerhande problemen en kenmerken met zich mee. Zo is het energieverbruik een aanzienlijke kostenfactor voor ondernemingen die glazen verpakkingen produceren. Ook dragen juist die ondernemingen veel bij aan de verwezenlijking van de streefcijfers van de EU voor de vermindering van afval (omdat 80 % van de grondstoffen wordt gerecycled) en aan de verkleining van de ecologische voetafdruk van hun regio. |
|
3.3 |
Een ander belangrijk aspect is het verband tussen de grondstoffen die voor verpakkingen worden gebruikt en de hogere kosten voor het vervoer van voor verpakkingen bestemde grondstoffen (zoals golfkarton en -buizen), dat nadelig heeft uitgewerkt op de verpakkingsindustrie. De gevolgen van de energiekosten in de toeleveringsketen — let op de afstand die producten (bv. gedrukt materiaal) afleggen alvorens in de verpakkingsindustrie te worden gebruikt — werken dus door in de verpakkingsindustrie. |
|
3.4 |
Metaal kan keer op keer worden gerecycled zonder dat de kwaliteit erop achteruitgaat. Vandaar dat de sector een nog grotere bijdrage levert aan de verwezenlijking van de Europese streefcijfers voor recyclage. |
|
3.5 |
Van glas worden flessen en potten en andere houders van producten gemaakt. Daarmee maakt de productie van glazen verpakkingen (volgens Eurostat 60 % van de hele glasproductie en 90 000 werknemers) het leeuwendeel uit van de glasindustrie in de EU. Door de toegenomen automatisering, de consolidering en de concurrentie op lage kosten is de werkgelegenheid in de hele glasindustrie afgenomen. Invoer vanuit landen buiten de EU verhevigt de concurrentie. Het aantal fabrieken dat niet ver van of aan de grens met de EU ligt en gevestigd is in landen waar de arbeidskosten lager zijn en de regelgeving minder streng is, is toegenomen. Als gevolg daarvan is er overcapaciteit op de korte termijn en worden de prijzen onder druk gezet. De grootste producenten in de EU zijn Frankrijk, Duitsland en Italië, waarop andere landen volgen. Glas is een hulpbronnenefficiënte stof en kan eindeloos worden gerecycled. Zo is het energieverbruik — meer dan in andere ondernemingen — een aanzienlijke kostenfactor voor ondernemingen die glazen verpakkingen produceren. Ook dragen juist die ondernemingen veel bij aan de verwezenlijking van de streefcijfers van de EU voor de vermindering van afval (omdat 80 % van de grondstoffen wordt gerecycled) en aan de verkleining van de ecologische voetafdruk van hun regio. Andere segmenten van de sector zijn, vanwege het materiaal dat zij gebruiken en de producten die zij produceren, minder afhankelijk van energie. |
|
3.6 |
Dat de toeleveringsketen van de verpakkingsindustrie complex is, komt doordat ondernemingen die papieren en kartonnen verpakkingen (karton, golfkarton, dunne kartonnen en golfkartonnen platen e.d.) leveren, zelf vaak ook papier produceren en onderdeel zijn van een kringloop waarin papierpulp wordt gemaakt en de inkt uit gebruikt materiaal wordt gehaald, maar waarin ook basisproducten van hout worden gebruikt. |
|
3.7 |
Dat neemt niet weg dat plastic verpakkingen ook hun eigen kenmerken hebben; in tal van industriële organisaties zijn niet alle subsectoren vertegenwoordigd. Plastic verpakkingen worden geleverd op andere dan bovenvermelde markten, te weten aan eindgebruikers zoals autofabrikanten, cosmeticabedrijven en bedrijven die gezondheidsbevorderende goederen en houders voor voorverpakt voedsel produceren. Toch wordt deze subsector maar door één organisatie vertegenwoordigd. Bij plastic verpakkingen spelen ook milieuoverwegingen een rol: de productie van plastic boodschappentassen, de moeilijkheden bij de verwijdering van plastic afval en de afbraak van de bestanddelen ervan. |
|
3.8 |
De productie van verpakkingen is zo gevarieerd dat er een overvloed aan organisaties is opgericht om al die verschillende producties te vertegenwoordigen. Dat op zich werpt al belemmeringen op voor samenwerking tussen ondernemingen en werknemers t.a.v. belangrijke vraagstukken als de duurzaamheid van het milieu en het in goede banen leiden van veranderingen. Het grote aantal handelsorganisaties dat verpakkingsondernemingen vertegenwoordigt, is tekenend voor het gesegmenteerde karakter van de verpakkingsindustrie. Zo produceren bedrijven die aluminium leveren, vaak ook aluminiumverpakkingen en hebben zij hun eigen handelsorganisatie (European Aluminium Organisation). Maar ook bedrijven die in metalen verpakkingen zijn gespecialiseerd en blikken voor dranken (van staal en aluminium) produceren, hebben hun eigen handelsorganisatie, terwijl ondernemingen die in stalen producten zijn gespecialiseerd, weer een andere handelsorganisatie hebben. |
|
3.9 |
Gezien het belang van de verpakkingsindustrie (qua bijdrage aan het bbp en aan de werkgelegenheid) moet bijzondere aandacht worden geschonken aan deze sectorspecifieke vraagstukken. De verpakkingsindustrie is dermate gesegmenteerd dat daarmee bedrijven in de bovenloop worden bediend die de hele economie bestrijken en veel verder gaan dan de traditionele markten. |
|
3.10 |
Verpakkingen voldoen aan een aantal behoeften en zorgen voor productbescherming (door verpakkingen wordt voorkomen dat goederen breken, bederven of besmet raken), verkoopbevordering (informatie over de identiteit, de bereidingswijze en het gebruik van een product, merken, gegevens over voedingswaarde en op de veiligheid gerichte waarschuwingen), voorlichting over productbehandeling (vervoer en inrichting van verkooppunten) en vermindering van verpakkingsafval (verwerking, opslag en vervoer van energie). Verder is het ontwerp van verpakkingen vooral van belang vanwege de pogingen die worden ondernomen om de CO2-emissies terug te dringen, omdat het ontwerp van verpakkingen er mede toe bijdraagt dat de voor het vervoer van goederen beschikbare ruimte een zo groot mogelijk aantal goederen kan omvatten. De rol die verpakkingen in de vermindering van de hoeveelheid afval spelen, heeft aan belang gewonnen doordat onlinebedrijven, zoals Amazon, heel veel verpakkingen zijn gaan gebruiken. De vraag wie de „verantwoordelijke partij” is, moet dan ook worden gesteld. Zo gebruikt Amazon systemen om verpakkingen gemakkelijk te openen. Door vanaf 2008 niet langer van plastic en riemen gebruik te maken, heeft Amazon drastisch verandering gebracht in de behandeling van 2 00 000 producten van 2 000 fabrikanten. Dit heeft geleid tot een vermindering van het verbruik van karton met 5,4 miljoen m2, van het verbruik van generiek materiaal met 11 203,7 ton en van het totale volume aan dozen met 4 10 000 m3. Uiteindelijk draagt de consument de eindverantwoordelijkheid voor verpakkingsafval, maar de producent, of tussentijdse gebruiker, moet er belang bij hebben dat verpakkingen zo weinig mogelijk afval opleveren. |
|
3.11 |
Onderstaande vraagstukken moeten grondig worden onderzocht om inzicht te verkrijgen in de huidige stand van zaken en mogelijke oplossingen aan te dragen waardoor de Europese verpakkingsindustrie concurrerend en duurzaam kan blijven en behoorlijke banen kan blijven bieden aan duizenden werknemers die daarvan afhangen. |
|
3.12 |
Veranderingen in de beschikbaarheid van grondstoffen zullen van invloed zijn op de prijzen en op de beschikbaarheid van eindproducten van de verpakkingsindustrie en kunnen de activiteiten van die industrie dus ernstig verstoren. Daarom moet onderzoek worden gedaan naar de aanjagers en trends die bepalend zijn voor de beschikbaarheid van grondstoffen. Dan kan de industrie vooruitlopen op toekomstige veranderingen en daaraan verbonden mogelijke verstoringen voorkomen. Zo staan ondernemingen die metalen verpakkingen produceren, zwaar onder druk vanwege scherpe stijgingen in de prijzen voor grondstoffen en energie. |
|
3.13 |
De Commissie heeft in 2012 het Europees innovatiepartnerschap voor grondstoffen gelanceerd als oplossing voor de problemen bij de toelevering van houtachtige en minerale grondstoffen. |
|
3.14 |
De prijs voor secundaire grondstoffen voor papieren verpakkingen is omhooggestuwd door de — voornamelijk uit Azië afkomstige — vraag. De producenten van die verpakkingen kunnen deze extra kosten niet eenvoudigweg aan hun klanten doorberekenen. De vraag uit China heeft zwaar doorgewogen in de stijging van de prijs voor gerecycled materiaal voor papieren verpakkingen (de prijs voor hergebruikt papier is sinds 2006 bijna verdubbeld, terwijl de prijs voor gerecycled papier in diezelfde tijd met nagenoeg 50 % is gestegen). De kans is groot dat die prijzen in de nabije toekomst zullen blijven stijgen. |
4. Trends in de verpakkingsindustrie en wat voor die industrie nodig is
|
4.1 |
Volgens Eurostat werken er in Europa zo’n 60 000 mensen voor ondernemingen die metalen verpakkingen (staal en aluminium) produceren, tegen 3 55 000 mensen in de algemene Europese staalindustrie. Metal Packaging for Europe raamt het aantal mensen dat in de aluminiumindustrie werkt, op 80 000, waardoor het aantal mensen dat voor de hele Europese waardeketen voor aluminium werkt, uitkomt op 2 55 000. Er zijn in de verpakkingsindustrie al banen verloren gegaan en het einde daarvan is nog niet in zicht. Die banen gingen verloren vanwege consolidatie in de sector of de concurrentie met overzeese landen (4). |
|
4.2 |
Van belang voor werkgevers en werknemers is dat de Europese verpakkingsindustrie haar concurrentievoordeel behoudt, technologische innovaties onverkort gebruikt en duurzame kwaliteitsgoederen produceert. |
|
4.3 |
Overzeese concurrentie blijft neerwaartse druk uitoefenen op de arbeidsvoorwaarden voor werknemers in de verpakkingsindustrie, terwijl we juist van die werknemers verwachten dat zij welvaart genereren, innoverende technologie toepassen en — daar komt het uiteindelijk op neer — de verpakkingsindustrie levensvatbaar houden en de komende generaties een toekomst blijven bieden. |
|
4.4 |
De Europese verpakkingsindustrie blijft gebukt gaan onder overcapaciteit. Die overcapaciteit versterkt nog eens de neerwaartse druk van de overzeese concurrentie op de lonen en de arbeidsvoorwaarden. Kortom, de neerwaartse druk op de werkgelegenheid in de verpakkingsindustrie is het gecombineerde resultaat van concurrentie en overcapaciteit. |
|
4.5 |
De verpakkingsindustrie kan materiaal recycleren en bergt daardoor mogelijkheden in zich om de lidstaten van de EU meer economische voordelen te bieden. Verpakkingen worden steeds vaker gerecycled of zijn zelf gemaakt van gerecycled materiaal uit andere sectoren. Dat recyclage goed is voor het milieu, behoeft geen betoog en wordt in documenten van de Commissie maar al te vaak benadrukt. Dat neemt niet weg dat de verpakkingsindustrie de resultaten op dit gebied nog kan verbeteren voor de lidstaten. Daarnaast kan de verpakkingsindustrie de kringloopeconomie vervolmaken door de uitvoer van twijfelachtig afval te voorkomen en invoerders van verpakkingen die niet volgens de milieuvriendelijkste methoden zijn geproduceerd, de toegang tot de Europese markten te ontzeggen (5). Bedrijven die metalen of aluminiumverpakkingen produceren en samen goed zijn voor 16 % van alle in Europa geproduceerde aluminiumproducten, zijn afhankelijk van de winning van grondstoffen (bauxiet) en de recyclage van metaalafval. |
|
4.6 |
Consumentenbescherming doordat cruciale productinformatie of advies over het gebruik van een product wordt gegeven, is een ander betekenisvol en belangrijk aspect van de verpakkingsindustrie in Europa. Consumenten rekenen er terecht op dat de goederen die zij aanschaffen, door verpakkingen worden beschermd en dat verpakkingen dienen om voedsel en dranken te conserveren en gezondheidsrisico’s als gevolg van besmet voedsel te voorkomen. Kleinhandelaren hebben vergelijkbare verwachtingen, maar willen bovendien dat goederen door hun verpakkingen langer in de schappen kunnen blijven liggen. |
|
4.7 |
Vorm en structuur van de industrie van de toekomst hangen in meer of mindere mate af van innovatie en investeringen in technologie; zo biedt 3D-printing een kans voor de sector en consumenten, maar hangt het welslagen van de invoering en de toepassing ervan in de sector in hoge mate af van de samenwerking in de sector en de verwachtingen van de consumenten. De industrie moet gebruikmaken van de beschikbare technologie en moet zich — middels een naar behoren gevoerde dialoog — aanpassen. |
|
4.8 |
Er wordt gewerkt aan de geschiktste methoden om de verpakkingsindustrie om te schakelen en aan veranderingen aan te passen, maar het potentieel daarvan kan alleen ten volle worden benut als de Europese instellingen daarbij helpen. Die hulp kan de vorm krijgen van financiële steun of van de oprichting van een forum waar de sociale partners verder kunnen discussiëren. De verpakkingsindustrie zou die weg verder moeten bewandelen met de EU. |
|
4.9 |
Duurzame en haalbare oplossingen kunnen alleen worden bereikt als werknemers en werkgevers in de verpakkingsindustrie samenwerken en als de sociale dialoog in de lidstaten en in EU-verband daar de weg vrij voor maakt. Daarom is de oprichting van een comité voor een sectorale sociale dialoog voor de verpakkingsindustrie van cruciaal belang voor de oplossing van een aantal van de in onderhavig advies aangekaarte problemen. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) Eurobarometer 398 voor de interne markt (oktober 2013).
(2) MEMO-13-1151 van de Commissie, aangehaald in de mededeling van de Commissie over „Een stappenplan voor de voltooiing van de interne markt voor pakketbezorging” (COM(2013) 886 final).
(3) 7 00 000 rechtstreekse banen.
(4) Uit de Eurostat-cijfers blijkt dat de werkgelegenheid in de industrie voor golfkartonnen, plastic, metalen, glazen en houten verpakkingen de afgelopen tien jaar gestaag is afgenomen. Sinds 2003 is de totale werkgelegenheid in deze subsectoren van de verpakkingsindustrie met 1,2 miljoen banen afgenomen.
(5) Europese verpakkingsondernemingen houden zich aan de wetten die zijn uitgevaardigd om ervoor te zorgen dat verpakkingen aan milieunormen voldoen, maar ook aan een aantal richtsnoeren om de emissies te verminderen en geslaagde milieumethoden te promoten. Concurrenten uit landen buiten Europa moeten zich dan wel houden aan Europese wetgeving, maar hoeven die vrijwillige gedragscodes of de normen die Europese bedrijven in acht nemen, niet toe te passen.
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/39 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de bijdrage van de houtbewerkingssector aan de koolstofbalans
(initiatiefadvies)
(2015/C 230/06)
|
Rapporteur: |
de heer Ludvík JÍROVEC |
|
Corapporteur: |
de heer Patrizio PESCI |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 27 februari 2014 overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde besloten een initiatiefadvies op te stellen over de
„Bijdrage van de houtbewerkingssector aan de koolstofbalans”.
De Adviescommissie industriële reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 13 november 2014 goedgekeurd.
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 503e zitting van 10 en 11 december 2014 (vergadering van 10 december) het volgende advies met 119 stemmen vóór en 1 tegen, bij 5 onthoudingen, goedgekeurd:
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Om de voordelen van houtproducten voor de koolstofbalans optimaal te benutten en om het concurrentievermogen van de Europese houtbewerkingsindustrie (1) en haar vermogen om innovatie te stimuleren, te verbeteren, heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité de volgende aanbevelingen geformuleerd. |
|
1.2. |
Het EESC beseft dat Europese en nationale wetgeving van grote invloed is op de houtbewerkingssector. Daarom verzoekt het EESC de lidstaten alle opties te verkennen om hout als milieuvriendelijk materiaal te gebruiken, om het concurrentievermogen van de sector te verbeteren, banen te scheppen en investeringen in onderzoek en innovatie te steunen. |
|
1.3. |
Het EESC verzoekt de Commissie om na raadpleging van de betrokken partijen Europese richtsnoeren uit te werken om de houtaanvoer te bevorderen en om een duurzaam gebruik van hout als hulpbron te stimuleren. Hiertoe behoren beginselen inzake hulpbronnenefficiëntie. De aanbevelingen van de „Good practice guidance on the sustainable mobilisation of wood in Europe” (2010) zouden moeten worden aangegrepen en eventueel worden uitgebreid. |
|
1.4. |
Het EESC herinnert aan het belang om „pallets en herwonnen postconsumptiehout” uit te sluiten van de definitie van ‘tertiaire biomassa’. |
|
1.5. |
Zoals het EESC al had opgemerkt in zijn in oktober 2011 (2) goedgekeurde advies „Een concurrerender Europese sector houtbewerking en meubels: kansen en uitdagingen”, en conform de beginselen die uiteengezet zijn in de recente Commissiemededeling „Naar een circulaire economie: een afvalvrij programma voor Europa”, benadrukt het EESC dat het cascadebeginsel (gebruik, hergebruik, recycling, terugwinnen van energie), mits economisch en technisch haalbaar op grond van specifieke nationale en regionale kenmerken, de optimale manier is om hout efficiënt te gebruiken. Het verheugt het EESC dat na zijn verzoek om het belang te erkennen van het cascadegebruik van hout, dit principe is overgenomen in diverse EU-documenten, zoals „Voor een heropleving van de Europese industrie”, „Een nieuwe EU-bosstrategie” en het werkdocument van de Commissie „A Blueprint for the EU forest-based industries (woodworking, furniture, pulp & paper manufacturing and converting, printing)”, dat is toegevoegd aan de mededeling „Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector”. Het EESC kan zich echter niet vinden in juridisch bindende regels en is voor een marktgerichte aanpak en contractuele vrijheid van marktdeelnemers. |
|
1.6. |
Tot de opties voor het beheer van bouwmateriaal zouden maatregelen moeten horen die voorkomen dat recycleerbaar materiaal, zoals hout, op de vuilnisbelt terecht komt. Het EESC verzoekt de Commissie en geïnteresseerde stakeholders om richtsnoeren en aanbevelingen voor de inzameling van houtafval te formuleren, alsook oplossingen voor de behandeling van postconsumptiehout. |
|
1.7. |
Het EESC verzoekt de Commissie een norm in te voeren die de akoestische kenmerken van gesloten ruimten adequaat weergeeft, aangezien hout een essentiële rol kan spelen in akoestische isolatie. In feite kan hout ruimten akoestisch voor extern geluid afsluiten en de nagalmtijd verminderen. De opties in verband met houttoepassingen zouden verkend moeten worden. |
|
1.8. |
Het EESC verzoekt de lidstaten en geïnteresseerde stakeholders om nationale actieplannen op te stellen voor een ruimere toepassing van hout in de bouw en groene infrastructuur. Lokale overheden moeten rechtstreeks betrokken worden bij de uitvoering van deze actieplannen. |
|
1.9. |
Het EESC ziet in dat hout onder bouwers en architecten niet zo populair is als andere materialen; daarom verzoekt het de lidstaten initiatieven te ontplooien om een houtcultuur te promoten. Voorts zouden vertegenwoordigers van de Europese houtbewerkingssector en de Europese sociale partners gecoördineerde nationale campagnes kunnen opzetten om het imago van de sector op te vijzelen. |
2. Beschrijving van de Europese houtbewerkingssector Uitdagingen en kansen Eventuele gevolgen van EU-wetgeving voor het concurrentievermogen van de sector
|
2.1. |
De Europese houtbewerkingssector behaalt jaarlijks een omzet van circa 122 miljard EUR op basis van een productiewaarde van ruim 115 miljard EUR. Volgens Eurostat omvatte deze sector in 2012 meer dan 3 11 000 ondernemingen. Ook zijn er circa 1 26 000 ondernemingen actief in de meubelbranche. In de houtbewerkingssector in strikte zin zijn er ongeveer 40 000 houtzagerijen, terwijl andere subsectoren voor houtbewerking goed zijn voor circa 1 45 000 ondernemingen. Ondanks verbeteringen geven deze cijfers misschien niet de feitelijke situatie weer, omdat niet alle kleine ondernemingen meegerekend worden, afhankelijk van de rapporterende lidstaat. Ook de meubel- en bouwelementensector telt een aanzienlijk aantal kleine ondernemingen. Daarom kan het feitelijke aantal ondernemingen geraamd worden op ruim 3 75 000. |
|
2.2. |
In de gehele EU heeft de houtbewerkingssector in 2012 het aantal banen fors zien dalen. De gemiddelde daling bedroeg 4,4 %, maar de cijfers varieerden van 3,2 % in Duitsland tot liefst 13,7 % in Spanje. In Kroatië en Denemarken steeg het aantal banen het meest, terwijl Spanje (13,7 %), Cyprus (13,1 %) en Slowakije (11,5 %) in 2012 met de grootste daling te kampen hadden. Het Europese en nationale beleid is van grote invloed op het concurrentievermogen van de sector. Zoals uiteengezet in het EU-verslag over concurrentievermogen van 2014 liggen productie-, arbeids- en grondstofkosten in Europa meestal veel hoger dan in andere regio’s, waardoor grote delen van de sector naar elders dreigen uit te wijken. Daarom zou Europa moeten eisen dat producten die op de Europese markt komen, aan dezelfde sociale, milieu- en veiligheidsnormen voldoen als in Europa vervaardigde producten. Voorts benadrukt het EESC dat de Europese houtbewerkingssector blijft kampen met stijgende productiekosten, met name wat betreft harsen en energie. De energie kost in Europa drie keer zoveel als in de VS. |
|
2.3. |
De ontwikkeling van hernieuwbare energie en desbetreffende subsidies vermindert de hoeveelheid houtgrondstof en doet de prijs daarvan stijgen. In 2012 was circa 15 % ofwel 182 miljoen m3 van de totale hoeveelheid geoogst hout in de ECE-regio brandhout. Uit de meest recente Joint Wood Energy Enquiry (JWEE 2011) van de ECE/FAO blijkt dat hout als energiebron het belangrijkste bestanddeel is van hernieuwbare energie en goed is voor een aandeel van 38,4 %. Volgens de recente Europese „Study on the wood raw material supply and demand for the EU wood-processing industries”, uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie door Indufor (3), zou de hoeveelheid voor energiedoeleinden gebruikt hout in de EU gelijk zijn aan de huidige totale hoeveelheid geoogst hout, als de doelstelling voor hernieuwbare energie tegen 2020 gehaald wordt. Tegen 2016 verwachten de lidstaten een tekort van 63 miljoen m3 hout in vergelijking met de behoefte aan hout, zoals geraamd in hun nationale plannen voor hernieuwbare energie. |
|
2.4. |
Gelet op de nieuwe Mededeling over het energie- en klimaatkader 2030 en de eis om het aandeel van hernieuwbare energie in 2030 te laten stijgen tot ten minste 27 %, meent het EESC dat er diverse manieren bekeken moeten worden om de houtmobilisatie in de EU te verbeteren — door bijvoorbeeld te kijken naar de aanbevelingen van de in 2010 gepubliceerde „Good practice guidance on the sustainable mobilisation of wood in Europe” — en om oplossingen te vinden om oneerlijke concurrentieverhoudingen tussen de verschillende gebruikers van hulpbronnen voor biomassa te vermijden. |
|
2.5. |
Daarom roept het EESC de lidstaten op om na te gaan hoeveel houtbiomassa er per land of regio expliciet als energiebron gebruikt kan worden en welke hoeveelheid de houtindustrie nu al als grondstof gebruikt. |
|
2.6. |
Voorts betreurt het EESC het dat diverse lidstaten nog steeds bepalingen hanteren die het gebruik van hout in gebouwen met diverse verdiepingen beperken, alsook discriminerende brandweervoorschriften. Op grond van brandweervoorschriften vormen de belangrijkste belemmering voor het gebruik van hout in gebouwen in veel landen. Er zijn Europese normen voor brandveiligheid in gebouwen overeengekomen, maar brandveiligheid blijft wel een verantwoordelijkheid van de lidstaten. Deze voorschriften zouden direct opgeheven moeten worden, omdat ze de ruimere toepassing van houtproducten in de bouwsector duidelijk belemmeren (4). |
|
2.7. |
Tot slot is het teleurstellend dat de Europese houtpaneel- en zagerijsectoren niet meer op de lijst staan van sectoren die kwetsbaar geacht worden voor koolstoflekkage. Het schrappen van deze sectoren van de lijst zal het reeds plaatsvindende proces van verplaatsing van deze productiesectoren naar landen buiten de EU hoogstwaarschijnlijk in de hand werken. Handhaving van beide sectoren op de lijst is vitaal om de negatieve impact te beperken van de concurrentiedruk die alle ondernemingen ondervinden vanwege de houtprijzen, die enorm gestegen zijn door de concurrentie met de sector voor biomassa-energie. Tussen 2008-2013 gingen er in de Europese sector voor houtpanelen alleen al 51 vestigingen dicht, wat leidde tot een verlies van 10 386 miljoen m3. Sommige van deze vestigingen zijn ontmanteld en buiten de Europese Unie weer opgebouwd. Het behoud van productie-industrieën in Europa moet voor alle beleidsmakers een prioriteit zijn, met name voor de Commissie. Daarom zouden de betrokken algemene directoraten van de Commissie maatregelen moeten nemen om het concurrentievermogen van de Europese industrieën te waarborgen en om overplaatsing van de productiesector te vermijden. |
|
2.8. |
Een doeltreffende maatregel om het concurrentievermogen van de Europese industrie veilig te stellen en om productieverplaatsing te voorkomen is een nieuwe energie-/koolstofbelasting die een einde zou maken aan de discriminatie van Europese producenten. |
3. Stimulering van het gebruik van houtproducten met het oog op een lagere CO2-uitstoot om klimaatverandering tegen te gaan
|
3.1. |
De opwarming van de aarde is een punt van grote politieke zorg. Deze heeft zeker ernstige gevolgen voor de menselijke gezondheid en de natuurlijke hulpbronnen. De materiaalkeuzes die we maken, kunnen van grote invloed zijn op de uitstoot van koolstofdioxide, één van de belangrijkste oorzaken van de opwarming van de aarde. De termen „groene” en/of „milieuvriendelijke” producten vinden onder producenten en consumenten steeds meer ingang. Tegelijkertijd wordt nationaal en Europees beleid uitgewerkt om deze producten te promoten. Het EESC beschouwt LCA (Life Cycle Assessments) (5) als het geschikte instrument voor het milieubeheer van de toekomst. |
|
3.2. |
Europa kan de CO2-uitstoot drastisch verminderen door de door bossen geschapen koolstofput te vergroten (door optimaal bosbeheer) en door meer gebruik te maken van duurzaam geproduceerde houtproducten. Het is wetenschappelijk bewezen dat het gebruik van houtproducten in de bouw en het dagelijks leven het klimaat positief beïnvloedt. De hoeveelheid in bomen en aanverwante houtproducten opgeslagen koolstof hangt af van de boomsoort, de groeicondities omgevingsfactoren), de leeftijd van de boom en de omringende boomdichtheid. Toch is aangetoond dat als er een kubieke meter hout wordt gebruikt ter vervanging van een ander bouwmateriaal, dit leidt tot een gemiddelde besparing van 0,75-1 ton CO2. Eén m3 hout is bovendien goed voor een opslag van 0,9 ton CO2. |
|
3.3. |
Uit een recent onderzoek van de Universiteit van Yale, getiteld „Carbon, fossil fuel and biodiversity mitigation with wood and forests” (6), bleek dat het gebruik van meer hout in gebouwen en bruggen de mondiale CO2-uitstoot en het verbruik van fossiele brandstof fors zou terugdringen. De onderzoekers stelden vast dat optrekking van het gebruik van houtproducten tot 34 % of meer van de jaarlijkse houtaanwas ingrijpende en positieve gevolgen zou hebben. De mondiale CO2-uitstoot kan 14 à 31 % dalen door CO2 op te slaan in de cellulose en lignine van houtproducten. |
|
3.4. |
Het EESC verzoekt de Commissie om de lidstaten en de Europese bosbouw te steunen bij de formulering en invoering van maatregelen en eventuele stimuli voor het gebruik van geoogste houtproducten met een lange levenscyclus (7). Hoe langer hout wordt (her)gebruikt, hoe langer koolstofdioxide blijft opgeslagen. Houtafval in strikte zin kan vrijwel vermeden worden, vooral omdat alle houten delen efficiënt kunnen worden (her)gebruikt. Uiteindelijk kan het altijd verbrand worden om energie te leveren (8). Wil Europa de klimaatverandering serieus aanpakken, dan moeten de lidstaten en de Europese instellingen het gebruik van houtproducten bevorderen en een politiek gunstige context scheppen waarin hout zo lang mogelijk meegaat. |
4. Hout in de bouwsector
|
4.1. |
Het construeren en beheren van gebouwen heeft grote milieuvoordelen. Wereldwijd zijn gebouwen verantwoordelijk voor 20 % van al het waterverbruik, 25-40 % van het energieverbruik en 30-40 % van de uitstoot van broeikasgas. De keuze van producten voor de bouw of renovatie heeft aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Daarom ziet het EESC in dat hout een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling van duurzame en milieuvriendelijke gebouwen. De kansen in verband met het gebruik van hout in de bouw worden niet allemaal aangegrepen; dit beïnvloedt het concurrentievermogen van de houtbewerkingsindustrie. Het EESC wil nagaan hoe iets aan deze situatie kan worden gedaan zonder nadelige gevolgen voor andere materialen te scheppen. |
|
4.2. |
Hout wordt allang erkend als een milieuvriendelijk materiaal voor een brede reeks van producten. Wereldwijd onderzoek naar beoordelingen van levenscycli toont aan dat houtproducten grote milieuvoordelen bieden. Hout is een van de weinige bouwmaterialen die geheel hernieuwbaar zijn, CO2 opslaan en van nature isolerend zijn dankzij de luchtzakjes in de celstructuur. Het is een veilig, stevig en betrouwbaar materiaal; zelfs onder extreme omstandigheden zoals wervelstormen, aardbevingen en brand. |
|
4.3. |
Tot de opties voor afgedankt bouwmateriaal behoren hergebruik, recycling en herwinning. Op dit moment blijkt veel bouwafval op de vuilnisbelt te belanden, wat een extra belasting inhoudt, ook voor het beheer. Materialen zoals hout kunnen direct tot hetzelfde product worden gerecycleerd of opnieuw worden samengesteld tot een ander bruikbaar product. Het EESC merkt op dat recyclage een vorm van herverwerking vereist die gewoonlijk economisch niet haalbaar is, tenzij bij de materiaalbron efficiënte inzameling plaatsvindt. Daarom verzoekt het EESC de Commissie en geïnteresseerde stakeholders om goede praktijken op nationaal niveau te verzamelen om richtsnoeren en aanbevelingen voor de inzameling van houtafval te formuleren, alsook oplossingen voor de behandeling van postconsumptiehout. Terugdringing en recyclage van bouw- en sloopafval kan ook de totale kosten voor de bouw en de verwerking doen dalen. |
|
4.4. |
De bouwindustrie is de grootste afnemer van houtproducten. In Finland bijvoorbeeld wordt circa 70-80 % van de Finse houtproducten in de bouwsector gebruikt. Bouwen met houten panelen heeft recentelijk in diverse Europese landen terrein gewonnen, met name in het VK, Ierland en Frankrijk. Niettemin beseft het EESC dat het gebruik van hout de ontwikkeling van de groene economie kan stimuleren. Daarom zou het gebruik gestimuleerd moeten worden. |
|
4.5. |
Het EESC ziet in dat de kennis van de voordelen van houtgebruik in de bouw tamelijk beperkt is. Dit geldt niet alleen voor architecten; ook eindgebruikers weten niet genoeg over de eigenschappen van hout. Deze beperkte kennis leidt vaak tot minder gebruik van hout en dus tot problemen die het imago van hout negatief beïnvloeden. Bovendien is het gebrek aan personeel dat ervaring heeft met woningbouw met houtpanelen fnuikend voor de ontwikkeling van deze bouwmethode in tal van Europese landen. |
|
4.6. |
Voorts dringt het EESC er bij de Europese houtbewerkingssector en de betrokken sociale partners op aan om gecoördineerde nationale campagnes op te zetten om het imago van de sector op te vijzelen. Jongeren moeten aangemoedigd worden om onderwijs en opleidingen te volgen die hen degelijk voorbereiden op een loopbaan in de houtbewerkingssector. |
5. Sociale aspecten in verband met een ruimer gebruik van houtmateriaal en een groter aandeel van de houtbewerkingssector in de economie (9)
|
5.1. |
Het EESC benadrukt dat de meeste houtbewerkers op de werkplaats worden opgeleid en informeel vaardigheden opdoen van ervaren werknemers. De meesten leren de basisvaardigheden voor het omgaan met machines en andere essentiële taken in een paar maanden, maar een ervaren houtbewerker worden, vergt vaak twee of meer jaar. Werkgelegenheid wordt ook gecreëerd door werknemers opleiding en onderwijs te verstrekken die zijn afgestemd op de behoeften en de vraag van de arbeidsmarkt. Verder herhaalt het EESC dat onderzoeks- en innovatieprogramma’s voor meer banen en groei in de EU zullen zorgen. Daarom wordt de houtbewerkingssector aangemoedigd om de mogelijkheden van het Horizon 2020-programma te bekijken. |
|
5.2. |
Het CvdR pleit ervoor dat de lidstaten de recente Mededeling van de Commissie over hulpbronnenefficiëntie in de bouwsector voortvarend uitvoeren om te zorgen voor investeringen in gebouwenrenovatie en nieuwe werkgelegenheid. |
|
5.3. |
Het EESC beseft dat geluidsoverlast in openbare ruimten de menselijke gezondheid ernstig beïnvloedt (10). Hout is niet alleen een milieuvriendelijk materiaal, maar kan diverse sociale en gezondheidsvoordelen opleveren bij gebruik als isolatiemateriaal. Hout kan dus een essentiële rol vervullen voor geluidsisolatie en als absorberend materiaal. Hout kan ruimten akoestisch voor extern geluid afsluiten en de nagalmtijd verminderen. Het EESC verzoekt de Commissie een norm in te voeren die de akoestische kenmerken van gesloten ruimten adequaat weergeeft. Aangezien hout geluid kan produceren (door erop te slaan) en geluidsgolven van andere lichamen kan versterken of absorberen, zouden de opties in verband met houttoepassingen verkend moeten worden. Hout heeft tevens wetenschappelijk bewezen positieve gevolgen voor de luchtkwaliteit/het luchtcomfort in gesloten ruimten. |
|
5.4. |
Op nationaal niveau zijn er diverse initiatieven om mensen voor te lichten over de mogelijkheden om hout als milieuvriendelijk materiaal te gebruiken, maar het schort aan echte coördinatie. Stijging van het gebruik van houtproducten is zeker gerelateerd aan voorlichtingscampagnes, die op nationaal niveau gevoerd moeten worden. Voorlichtingscampagnes voor hout zijn in de eerste plaats bedoeld om — technisch en cultureel — een positieve houding t.o.v. hout te bewerkstelligen. |
|
5.5. |
Het EESC wijst op het initiatief „WOODDAYS” als interessant voorbeeld van een goede praktijk. Het evenement (11) werd op 21 maart 2014 te Milaan gelanceerd. Dit was een tiendaags programma, gericht op groeiende steden en slimme, efficiënte aanplant van hout in de stad. Het evenement moest hout als bouwmateriaal met tot nu toe onbekende mogelijkheden in de schijnwerpers zetten, in een context waar houten constructies in de toekomst een grote rol zullen spelen, pal in het centrum van onze steden. Dit evenement wordt herhaald in andere Europese steden: Bratislava, Ljubljana en Brussel. |
|
5.6. |
Het EESC wil erop wijzen dat het gebruik van houtproducten in de belangrijkste groene bouwprogramma’s enigszins varieert. Soms ligt de nadruk op prestaties in plaats van op het gebruikte materiaal. Andere programma’s leggen „beperkingen” op aan hout als aanvaardbaar materiaal (zonder dergelijke „eisen” op te leggen aan andere bouwproducten). Verder zou ruimere toepassing van hout de EU-economie op diverse manieren positief beïnvloeden. Het EESC pleit dan ook voor verplichte doelstellingen voor het gebruik van hout in de bouw, in navolging van Frankrijk. |
6. Houtmobilisatie
|
6.1. |
Het stijgende gebruik van hout in de bouw en het dagelijks leven vereist oplossingen en maatregelen voor meer houtmobilisatie (inclusief oplossingen om meer hout, houtproducten en restafval van industrieel en postconsumptiehout terug te winnen voor hergebruik en recycling) en voor verlenging van de levensduur van houtproducten. |
|
6.2. |
Een duurzame en permanente aanvoer van ruw hout is cruciaal voor het behoud van een competitieve industrie voor houtproducten. De aanbevelingen van de „Good practice guidance on the sustainable mobilisation of wood in Europe” (2010) zouden moeten worden aangegrepen en eventueel worden uitgebreid. |
|
6.3. |
De laatste jaren is de aanvoer van hout sterk onder druk komen te staan, voornamelijk vanwege Europese en nationale maatregelen voor meer gebruik van hernieuwbare energiebronnen, wat soms leidde tot het verbranden van hout. Het EESC herinnert aan het belang om „pallets en herwonnen postconsumptiehout” uit te sluiten van de definitie van „tertiaire biomassa”. Het gaat hier om belangrijke grondstoffen voor verschillende typen producten van houtpaneelfabrieken; soms is dit materiaal goed voor 95 % van de houtbijdrage (12). |
|
6.4. |
Het EESC wil hier benadrukken dat het beginsel van „cascadegebruik” (gebruik, hergebruik, recycling, terugwinnen van energie) — indien economisch en technisch haalbaar op grond van specifieke nationale en regionale kenmerken en gelet op de balans tussen vraag en aanbod van hout — de beste manier is voor een optimaal hulpmiddelenefficiënt gebruik van hout als natuurlijke grondstof. Het EESC kan zich echter niet vinden in juridisch bindende regels en is voor een marktgerichte aanpak en contractuele vrijheid van marktdeelnemers. Hout toepassen via „cascadegebruik”’ waarborgt niet alleen een optimaal economisch gebruik van de grondstof, maar levert ook grote klimaatvoordelen op door de permanente koolstofopslag en het vervangingseffect voordat het hout als energiebron wordt gebruikt. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) Het EESC volgt de definitie van „houtbewerkingssector” van de Europese Classificatie van economische activiteiten (NACE), afdeling C16: Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout en van kurk, exclusief meubelen; vervaardiging van artikelen van riet en van vlechtwerk. Zagen en schaven van hout. Vervaardiging van artikelen van hout, kurk, riet of vlechtwerk. Vervaardiging van fineer en van panelen op basis van hout. Vervaardiging van parketvloeren. Vervaardiging van ander schrijn- en timmerwerk. Vervaardiging van houten emballage. Vervaardiging van artikelen van hout, kurk, riet of vlechtwerk.
(2) Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een concurrerender Europese sector houtbewerking en meubels: kansen en uitdagingen (initiatiefadvies) (PB C 24 van 28.1.2012, blz. 18).
(3) Indufor is een onafhankelijk internationaal adviesbureau met vestigingen in Finland en Nieuw-Zeeland. Het verleent advies aan zowel particuliere als publieke opdrachtgevers. Hun benadering omvat alle aspecten van duurzame ontwikkeling: het economische, sociale en milieuaspect. Hun werkterrein omvat duurzaam bosbeheer, hout- en plantage-investeringen, waardebepaling van bossen en zorgvuldigheidsonderzoeken, hout- en vezelindustrie, bioproducten, evaluatie en in kaart brengen van bosbestanden, klimaatverandering en ecosysteemdiensten in bosgebieden, bosbouwbeleid en strategische studies, alsmede duurzaamheids- en ontwikkelingsadvies in verband met duurzaam bosbeheer en grondgebruik.
(4) In veel landen is op grond van nationale bouwvoorschriften het gebruik van houten panelen in gebouwen met diverse verdiepingen slechts beperkt mogelijk. Veel landen zijn gestopt met de toepassing van brandbaar materiaal vanwege het brandgevaar in gebouwen. Uitgebreid onderzoek en ontwikkeling tonen aan dat materiaalneutrale bouwvoorschriften de voorkeur verdienen en dat in veel landen al meer dan tien jaar functionele voorschriften in gebruik zijn. Hout brandt, maar op een beheerste manier; na een uur branden is het zelfs mogelijk om te schatten hoeveel van de doorsnede niet door het vuur is aangetast. Timmerhout is zeer goed bestand tegen brand. Brandt het, dan ontstaat er een laag houtskool, die de sterkte en structurele integriteit van het binnenste hout beschermt, waardoor de kans op volledig instorten afneemt.
(5) LCA is een instrument om emissies in het milieu in kaart te brengen en de daaraan gelieerde gevolgen, veroorzaakt door een proces, product of activiteit, te beoordelen. Het is ook zinvol voor de industrie, die zoekt naar praktische en gebruiksvriendelijke modellen voor besluitvorming voor ecologisch verantwoorde productontwikkeling.
(6) Journal of Sustainable Forestry 33: 248-275, 2014.
(7) Zoals erkend wordt in het Europees Besluit COM(2012) 93 final inzake boekhoudregels met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen als gevolg van activiteiten met betrekking tot landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw en inzake informatie betreffende acties met betrekking tot deze activiteiten, kan een ruimer duurzaam gebruik van geoogste houtproducten fors bijdragen aan beperking van de uitstoot in de atmosfeer, alsook aan de verwijdering van broeikasgassen daaruit.
(8) . Uit de gegevens van de recente Italiaanse studie „Analyse van de evaluatie van de levenscyclus (LCA) en vergelijking tussen het gebruik van postconsumptiehout voor de productie van spaanplaat en voor hernieuwbare energie” komt naar voren dat, wat betreft de impact op de klimaatverandering, gebruik van gerecycled onbewerkt houtmateriaal in een onderneming die panelen maakt, voordeliger is dan verbranding in een biomassacentrale. Dit onderzoek is uitgevoerd door het Italiaanse onderzoeksinstituut „eAmbiente-c/o Parco Scientifico Tecnologico VEGA”. De resultaten werden gepresenteerd tijdens de EESC-hoorzitting over de bijdrage van de houtbewerkingssector aan de koolstofbalans, gehouden in Mestre (Italië) op 19 september 2014.
(9) . Het EESC meent dat de sociale aspecten en opmerkingen uit het EESC-advies over „Een concurrerender Europese sector houtbewerking en meubels: kansen en uitdagingen” nog steeds geldig zijn.
(10) . „Gezondheidseffecten van geluid zijn te wijten aan hoge geluidsniveaus. Veel lawaai op de werkplaats of ander lawaai kan gehoorschade opleveren en leiden tot hoge bloeddruk, ischemische hartziekte, irritatie en slaapproblemen. Veranderingen in het immuunsysteem en geboorteafwijkingen zijn toegeschreven aan de blootstelling aan lawaai.” (Vermeld in Passchier-Vermeer W, Passchier WF (2000). Noise exposure and public health. Environ. Health Perspect. 108 Suppl 1: 123–31. doi:10.2307/3454637. JSTOR 3454637. PMC 1637786. PMID 10698728).
(11) „WOODDAYS” is een initiatief van pro-Holz Austria, in samenwerking met de afdeling Houtconstructies van de Technische Universiteit München en met steun van de European Organisation of the Sawmill Industry (EOS) en de European Panel Federation (EPF).
(12) De Italiaanse groep Saviola — bekend van de slogan „Help ons de bomen redden” — is wereldwijd leider in de verwerking van houtafval, met een jaarlijkse recyclecapaciteit van 1,5 miljoen ton postconsumptiehout. De productiefilosofie gaat uit van herwinning en hergebruik van secundaire grondstoffen die opnieuw bruikbaar zijn zonder nieuwe bomen te kappen via een economisch en ecologisch duurzaam proces. Typen hout die de groep verzamelt, zijn pallets, fruitkratten en verzenddozen.
BIJLAGE
bij het CCMI-advies
Onderstaande paragraaf uit het CCMI-advies is door de CCMI verworpen ten gunste van het ingediende wijzigingsvoorstel ter zake, maar kreeg wel meer dan een kwart van de uitgebrachte stemmen.
Paragraaf 6.4
|
6.4. |
Het EESC wil hier benadrukken dat het beginsel van „cascadegebruik” (gebruik, hergebruik, recycling, terugwinnen van energie) — indien economisch en technisch haalbaar conform specifieke regionale kenmerken — de beste manier is voor een optimaal hulpmiddelenefficiënt gebruik van hout als natuurlijke grondstof. Geschikte houtassortimenten zouden fysiek, en niet als brandstof, gebruikt moeten worden. Hout toepassen via ‘cascadegebruik’ waarborgt niet alleen een optimaal economisch gebruik van de grondstof, maar levert ook grote klimaatvoordelen op door de permanente koolstofopslag en het vervangingseffect voordat het hout als energiebron wordt gebruikt. |
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/47 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Europese film in het digitale tijdperk
(initiatiefadvies)
(2015/C 230/07)
|
Rapporteur: |
Anna Maria DARMANIN |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 6 november 2014 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over
„De Europese film in het digitale tijdperk”.
De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 november 2014 goedgekeurd.
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 190 stemmen vóór en geen stemmen tegen, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd.
1. Aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC is ingenomen met de mededeling van de Europese Commissie getiteld „De Europese film in het digitale tijdperk — Een brug slaan tussen culturele diversiteit en concurrentievermogen” (COM(2014) 272 final), omdat daarin steekhoudende punten worden aangedragen voor discussie en reflectie over een voor Europa zeer belangrijke sector. |
|
1.2. |
Er dient sprake te zijn van een passend evenwicht tussen de zakelijke en commerciële waarde van de audiovisuele sector en de waarde ervan voor het Europese culturele erfgoed. Deze twee aspecten kunnen in wezen niet los van elkaar worden behandeld. |
|
1.3. |
Het is de hoogste tijd dat openlijk gediscussieerd wordt over één of meer nieuwe innovatieve bedrijfsmodellen voor de Europese filmsector, om de kansen van de digitale wereld te benutten. Het EESC moedigt die sector, de Commissie en de nationale regeringen daarom aan zich open op te stellen en zulke bedrijfsmodellen te bespreken en te promoten. |
|
1.4. |
Ook zou naar het financieringsaspect moeten worden gekeken. Getracht moet worden concurrerend te zijn, maar niet ten koste van de culturele dimensie van de Europese film. Het financieringsaspect is met name een zaak van de lidstaten. Niettemin zou openlijk moeten worden gesproken over methoden om zo veel mogelijk financiering te krijgen en over alternatieve financieringsmethoden. In dit verband moet gedacht worden aan het gebruik van overheidsfinanciering voor het aantrekken van particuliere financiering, rationelere benutting van publieke middelen, complementariteit van nationale en Europese financiering en particuliere financiering van nieuwe spelers zoals internetaanbieders en telecombedrijven. |
|
1.5. |
Versterking van de creatieve omgeving zou ook een kernprioriteit van het plan van aanpak voor de Europese filmsector moeten worden. Over dergelijke versterking zou in de Commissiemededeling moeten worden gesproken met aandacht voor onderwijs, arbeidsomstandigheden in de sector, ontwikkeling van creatief talent, creatieve uitingen, het genereren van meerwaarde, Europese cinematografische kennis en taal. |
|
1.6. |
Het EESC staat achter de idee dat het publiek centraal moet staan in de discussies over de audiovisuele sector, want dat is niet alleen de begunstigde ervan, maar bepaalt ook de ontwikkeling van de sector en is dus trendsettend. |
|
1.7. |
Het EESC is van mening dat gegevensverzameling op Europees niveau meer aandacht verdient om een beter inzicht in de filmindustrie te krijgen. |
|
1.8. |
Het EESC benadrukt dat in de Commissiemededeling ook de huidige arbeidsomstandigheden voor werknemers, zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemers in de Europese filmsector zouden moeten worden genoemd als een van de uitdagingen. Het werk van deze betrokkenen heeft soms, in verschillende opzichten, een onzeker karakter, deels door de bijzondere omstandigheden in de sector zelf, maar ook door het gebrek aan concurrentievermogen, waardoor wordt getracht op arbeidskosten te besparen. |
|
1.9. |
Het EESC beschouwt cinematografische kennis als heel belangrijk om meer Europeanen Europese films te laten waarderen en te doen bezoeken. Het beveelt daarom aan om op EU- en nationaal niveau te beginnen met het bevorderen van Europese cinematografische kennis. |
|
1.10. |
Toegankelijkheid is een ander aspect dat meer aandacht zou moeten krijgen. Daarom zouden onderzoek en innovatie moeten worden gericht op het uit de weg ruimen van belemmeringen ten gevolge van bijvoorbeeld taalverschillen of handicaps. |
|
1.11. |
Het door de Commissie voorgestelde Europees Filmforum zou alle belanghebbenden uit de audiovisuele sector moeten omvatten. Dat forum is een belangrijk instrument om die hele sector samen te brengen teneinde gemeenschappelijke uitdagingen aan te gaan. Het EESC steunt dit langverwachte adviesforum en benadrukt dat alle belanghebbenden uit de sector er op gelijke voet bij moeten worden betrokken, dus ook de kleinere groepen belanghebbenden en vertegenwoordigers van consumenten en werknemers. |
|
1.12. |
Het Europees Filmforum zou zich moeten concentreren op de grote problemen en kansen van het digitale tijdperk en beleid en strategieën moeten vertalen in specifieke sectorale maatregelen. |
|
1.13. |
Verder wijst het EESC erop dat de digitale wereld enorm veel kansen voor de filmindustrie biedt (o.a. het perspectief op satellietcommunicatie overeenkomstig de EU-plannen voor 2020), ook al verandert deze wereld snel en kan ze door de sector als uitdagend worden ervaren. |
2. Samenvatting van de Commissiemededeling
|
2.1. |
De filmindustrie in Europa is een instrument voor de Europese culturele diversiteit, ze is zeer divers en ook bijzonder creatief. Ze is een waardevol element van het rijke Europese culturele erfgoed, maar ook een sector die door een reeks uitdagingen ernstig wordt bedreigd. |
|
2.2. |
De Commissie heeft in het verleden een aantal richtlijnen opgesteld over specifieke onderdelen van de filmindustrie, zoals intellectuele eigendom. De nu verschenen mededeling is het eerste document sinds lange tijd over de sector in zijn geheel. |
|
2.3. |
In de mededeling wordt gewezen op de bijzondere omstandigheden waarmee de Europese filmindustrie te maken heeft:
|
|
2.4. |
De daarmee gepaard gaande uitdagingen worden in het Commissiedocument afgebakend en besproken als aanzet tot verdere discussie. Deze uitdagingen betreffen:
|
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC staat achter het initiatief van de Commissie om de basis te leggen voor verdere discussie tussen alle belanghebbenden en andere spelers uit de audiovisuele sector in Europa. Dergelijke dialoog is al lange tijd nodig en dient absoluut gevoerd te worden, niet alleen om te profiteren van de veranderende digitale wereld en nieuwe technologieën, maar ook om de gevarieerde en complexe Europese filmindustrie te versterken. |
|
3.2. |
Het EESC kan zich vinden in de specifieke uitdagingen die de Commissie in haar mededeling noemt, maar zou er nog één aan willen toevoegen: de huidige arbeidsomstandigheden van werknemers, zelfstandigen en ondernemers die in de Europese filmsector actief zijn. |
|
3.3. |
Als het gaat over de hoofdthema’s van de te voeren discussie, is het EESC het eens met de in de mededeling aangesneden onderwerpen. Het vindt echter dat ook de volgende thema’s aan bod dienen te komen:
|
|
3.4. |
Verder wijst het EESC erop dat de digitale wereld enorm veel kansen voor de filmindustrie biedt, ook al verandert deze wereld snel en kan ze door de sector als uitdagend worden ervaren. Hierbij valt o.a. te denken aan het perspectief op satellietcommunicatie overeenkomstig de EU-plannen voor 2020 inzake satellietinfrastructuur en aan het gebruik van satellieten om films op een gemakkelijkere, milieuvriendelijkere en kostenefficiëntere manier aan bioscopen toe te sturen. |
4. Specifieke opmerkingen
Financieringskader van de audiovisuele sector
|
4.1. |
Het EESC steunt de gedachte dat de overheidssteun voor de sector niet per se hoeft te worden verhoogd, maar veeleer moet worden geoptimaliseerd om de meerwaarde voor de filmindustrie te vergroten. Overheidssteun is een zaak van de lidstaten. EU-steun zou de doeltreffendheid van de lokale steun ten goede moeten komen. Al deze publieke financiering zou echter ook moeten worden gebruikt om meer particuliere financiering aan te trekken. |
|
4.2. |
Het financieringsmodel van de audiovisuele sector moet zijn gebaseerd op steun voor verschillende soorten producten en een mix van rechtstreekse subsidies en hefboomfinanciering om het particuliere investeerders gemakkelijker te maken zich op de markt te begeven. Het is essentieel dat overheidssteun fungeert als financiële hefboom. Aldus kan publiek geld rationeler worden ingezet en de aandacht worden gericht op culturele producten. |
|
4.3. |
Het EESC wijst op het fragiele evenwicht tussen concurrentievermogen en creativiteit. Overheidssteun zou niet voor het één óf het ander moeten zijn bestemd, maar op gepaste wijze moeten worden verdeeld. |
|
4.4. |
Als aanvulling op de vragen die de Commissie t.a.v. overheidsfinanciering opwerpt als discussiebasis, zou het EESC het volgende willen opmerken:
|
|
4.5. |
De Commissie spreekt in haar mededeling over particuliere investeringen als financieringsmiddel. Het EESC zou graag zien dat nieuwe spelers in de digitale wereld bijdragen aan de financiering van de sector. Zulke spelers zijn bijvoorbeeld telecombedrijven en aanbieders van inhoud. |
|
4.6. |
Losse initiatieven volstaan niet. Regeringen en de EU moeten een financiële infrastructuur voor de audiovisuele sector ontwikkelen die is gericht op levering en stimulering van meerdere financiële en niet-financiële diensten — o.a. op het vlak van capaciteitsopbouw — voor de hele sectorale keten van ontwikkeling, productie en distributie. |
Innovatief ondernemingsklimaat
|
4.7. |
Het EESC heeft deelgenomen aan de discussies over intellectuele-eigendomsrechten, de digitale interne markt en de AVMS-richtlijn. Toch staat het achter het idee om na te denken over niet-alledaagse bedrijfsmodellen die passen bij het huidige digitale tijdperk met al zijn technologische veranderingen. Het onderstreept ook dat het al bestaande beleid voor de audiovisuele sector beter dient te worden gestroomlijnd. |
|
4.8. |
Nieuwe bedrijfsmodellen moeten worden onderzocht en doortastende besluitvorming moet worden aangemoedigd. Dat vereist wel dat alle belanghebbenden open en volledig bij de discussies over de verandering van bedrijfsmodellen worden betrokken. Die discussies dienen bovendien vanuit de sector zelf te komen. |
|
4.9. |
Het EESC gelooft ten stelligste dat het ondernemingsklimaat cruciaal is voor het succes van de sector. Daarom roept het alle belanghebbenden op open te staan voor nieuwe innovatieve bedrijfsmodellen, niet alleen om ten volle te profiteren van het digitale tijdperk, maar ook om zich aan te aanpassen aan de snel veranderende consumptiepatronen. |
|
4.10. |
Bij de producenten en omroeporganisaties is een mentaliteitsverandering nodig. Omdat film- en televisieproducties in de toekomst naast multimediaproducten zullen bestaan, moeten deze spelers verschillende bedrijfsmodellen ontwikkelen afhankelijk van het soort product. Ze zouden verschillende budgetten en releasestrategieën moeten overwegen naar gelang van het karakter en commerciële potentieel van specifieke producties. Tegelijkertijd moeten regeringen het model van overheidsfinanciering herzien met het oog op een evenwichtigere mix van diverse soorten steun. |
|
4.11. |
Het EESC waarschuwt dat bestaande bedrijfspraktijken niet zomaar mogen worden overgenomen zonder de hele bedrijfsvoering vanuit een totaal andere, innovatieve invalshoek te bekijken. Het vaststellen van flexibelere releaseperiodes bijvoorbeeld, hoeft niet noodzakelijkerwijs een van de bedrijfsoplossingen te zijn waar het digitale tijdperk om vraagt. |
Versterking van de creatieve omgeving
|
4.12. |
Het EESC vindt samenwerking tussen filmscholen essentieel om de sector verder te versterken. Het onderstreept bovendien dat ook deze belanghebbenden bij de op Europees niveau gehouden discussies van de filmindustrie moeten worden betrokken. |
|
4.13. |
Een feit uit de praktijk waar in dit verband grondig naar zou moeten worden gekeken, is dat de technologie zo snel verandert dat filmscholen vaak alweer gedateerde technologie gebruiken om hun studenten op te leiden. Dit stelt die scholen voor grote problemen en leidt in veel gevallen tot afgestudeerde producers die niet voorbereid zijn op de techniek waarmee zij in de sector te maken krijgen. |
Toegankelijkheid en het bereiken van nieuw publiek
|
4.14. |
Het EESC staat achter de idee dat het publiek absoluut de drijvende kracht moet zijn in de Europese filmsector. Het onderstreept daarom dat op Europees niveau adequate gegevens ter zake nodig zijn en dat ook consumentenorganisaties bij de discussies van belanghebbenden moeten worden betrokken, zoals het Europees Filmforum. |
Gegevensverzameling en -analyse
|
4.15. |
Het EESC is van mening dat gegevensverzameling op Europees niveau meer aandacht verdient om een beter inzicht in de filmindustrie te krijgen. Er zouden niet alleen over het filmpubliek gegevens moeten worden verzameld, maar ook over de benutting van financiering op diverse niveaus, het concurrentievermogen van de sector en de werkomgeving en arbeidsomstandigheden. |
|
4.16. |
Het EESC beseft ook dat op nationaal en EU-niveau een gegevensbron nodig is met onder meer data die financiële tussenpersonen gebruiken om investeringsrisico’s te beoordelen en te beheren. |
Werkomgeving en arbeidsomstandigheden
|
4.17. |
Het EESC vindt dat de werkomgeving en arbeidsomstandigheden in de filmsector zeker punten van aandacht en discussie moeten zijn. Omdat de sector zo divers is, zijn er vaak weinig gegevens hierover voorhanden met weinig aandacht voor dit aspect tot gevolg. |
|
4.18. |
Helaas komt onzeker werk nog altijd meer en meer in de filmsector voor, deels door de bijzondere omstandigheden in de sector zelf (bijv. productie binnen een kort tijdsbestek), maar ook door het gebrek aan concurrentievermogen, waardoor wordt getracht op arbeidskosten te besparen. |
|
4.19. |
Het EESC dringt er daarom bij de Commissie op aan om ook deze problematiek in de mededeling te noemen als een van de uitdagingen en daar tijdens discussies aandacht aan te besteden. Vertegenwoordigers van de werknemers in de filmsector zouden bij de discussies van belanghebbenden en het Europees Filmforum moeten worden betrokken. |
Europees Filmforum
|
4.20. |
Het EESC steunt het initiatief van de Commissie tot oprichting van het Europees Filmforum. Het is de hoogste tijd dat de sector zich verenigt om te discussiëren over het concurrentievermogen van de filmindustrie in het digitale tijdperk. |
|
4.21. |
Het EESC benadrukt dat alle belanghebbenden op gelijke voet bij dit forum moeten worden betrokken, dus ook de kleinere en „minder machtige” groepen belanghebbenden alsmede vertegenwoordigers van consumenten en werknemers. |
|
4.22. |
Voor de televisiewereld zijn de gevolgen van het digitale tijdperk minder ingrijpend dan voor de filmindustrie, maar toch zou ook zij, als belangrijke component van de audiovisuele sector, bij het forum en het algemene debat moeten worden betrokken. |
Bevordering van Europese cinematografische kennis
|
4.23. |
Het EESC beschouwt cinematografische kennis als heel belangrijk om meer Europeanen Europese films te laten waarderen en te doen bezoeken. Het beveelt daarom aan om op EU- en nationaal niveau te beginnen met het bevorderen van Europese cinematografische kennis. Daarvan zou niet alleen de filmsector zelf profiteren, maar dit zou ook een belangrijk element van de Europese culturele diversiteit voor het voetlicht brengen. Het specifieke model dat op scholen voor filmbesprekingen wordt gebruikt, is in dit verband minder geschikt. Volgens het EESC zouden modellen en campagnes moeten worden ontwikkeld die de aandacht vestigen op de successen, schoonheid en kunstwaarde van de Europese film. |
Toegankelijkheid
|
4.24. |
Taal kan worden gezien als een obstakel om in Europa en wereldwijd filmpubliek te bereiken. Taal is een fysieke barrière maar ook een onderdeel van de culturele diversiteit. Bovendien is het bekijken van films een goede manier om vreemde talen te leren. Toch vindt het EESC dat Horizon 2020-steun ook zou moeten worden aangewend voor innovatieve en kostenefficiënte manieren van nasynchronisatie m.b.v. toonaangevende en opkomende technologieën. |
|
4.25. |
Verder beveelt het EESC de audiovisuele sector nadrukkelijk aan om zijn producten met de daarvoor beschikbare middelen toegankelijk te maken voor publiek met visuele en/of auditieve beperkingen. Ook zou moeten worden onderzocht hoe de middelen daartoe kostenefficiënter kunnen worden gemaakt. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/52 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het maatschappelijk middenveld in Rusland
(initiatiefadvies)
(2015/C 230/08)
|
Rapporteur: |
Mall HELLAM |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn zitting van 22 januari 2014 besloten om, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde, een initiatiefadvies op te stellen over
„Het maatschappelijk middenveld in Rusland”
(initiatiefadvies).
De afdeling Externe Betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 17 november 2014 goedgekeurd.
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) onderstaand advies uitgebracht, dat met 118 stemmen vóór en 6 tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.
1. Algemene aanbevelingen
|
1.1 |
Het ontwikkelen van wederzijds vertrouwen, het waarborgen van ongehinderde contacten tussen het maatschappelijk middenveld in Rusland en de EU en het zorgen voor een maximale ondersteuning van onafhankelijke Russische maatschappelijke organisaties — dit alles is momenteel actueler dan ooit. |
|
1.2 |
Het EU-kader voor mensenrechten en democratie zal actiever verbreid moeten worden en de politieke rol van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten moet worden opgewaardeerd. Kwesties op het gebied van het maatschappelijk middenveld en de mensenrechten zouden bij alle vormen van bi- en multilaterale dialoog met Rusland aan de orde moeten worden gesteld. Er moet onverkort worden vastgehouden aan de mensenrechtendialoog en actoren uit het maatschappelijk middenveld die over relevante expertise beschikken, dienen hier waar mogelijk bij betrokken te worden. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid zal bij elk bezoek aan Rusland vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en zijn organisaties moeten treffen. |
|
1.3 |
De EU zal haar beleid moeten coördineren en met één stem moeten spreken bij het aangaan van de politieke uitdagingen en het aan de kaak stellen van het repressieve optreden tegen non-gouvernementele organisaties (hierna „ngo’s” genoemd) en de media in Rusland. Het EESC doet een beroep op de EU om nauw toe te zien op en zich regelmatig uit te spreken over de verschillende aspecten van de situatie waarin het maatschappelijk middenveld in Rusland zich bevindt. |
|
1.4 |
Tegelijkertijd zal het belang van een bilaterale aanpak als middel om vooruitgang te boeken in de besprekingen met Rusland niet mogen worden onderschat. De EU zal moeten vasthouden aan een duidelijk standpunt over de sancties en aan haar verantwoordelijkheid jegens het maatschappelijk middenveld waartegen een repressief beleid wordt gevoerd. Wel zal er heel wat flexibiliteit betracht moeten worden om uit het dal te komen waarin de betrekkingen tussen de EU en Rusland zich momenteel bevinden. Een bilaterale aanpak zal wellicht helpen om de betrekkingen weer op de rails te krijgen. |
|
1.5 |
Als we samenwerking tussen het maatschappelijk middenveld in de EU en Rusland gaan zien als mogelijk onderdeel van een toekomstige Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst (hierna „PSO” genoemd) (1) en er een aparte financieringslijn voor het onafhankelijke platform voor dialoog tussen maatschappelijke organisaties in de EU en Rusland wordt opgezet, zou ook dit een waardevolle strategische investering kunnen zijn. Ondanks de uitzonderlijke politieke toestand zou de EU zich moeten blijven bedienen van „softe en intelligente machtsmiddelen” (2) om de situatie te normaliseren en te verhinderen dat Rusland verder afglijdt richting (zelf)isolatie. In dit opzicht zou kunnen worden teruggegrepen op de aanbevelingen in eerdere EESC-adviezen over de noordelijke dimensie (3) (incl. het beleid ten aanzien van het Noordpoolgebied (4)), de Oostzeestrategie (5), de Synergie voor het Zwarte Zeegebied (6), het Oostelijk Partnerschap (7) en de Donaustrategie. |
|
1.6 |
De EU zal nauwlettend moeten blijven toezien op het verloop van het democratische proces en op de uitdagingen waarmee de deelnemers aan de dialoog worden geconfronteerd. De snel verslechterende situatie op het gebied van rechten en vrijheden zoals die zich de afgelopen twee jaar in Rusland ontwikkeld heeft, zal nu onder ogen gezien en tegengegaan moeten worden. De Europese instellingen en de lidstaten, vooral ook de landen die zich tot nu toe afzijdig hebben gehouden, zouden moeten investeren in en steun moeten geven aan uitwisselingsprogramma’s en programma’s op het gebied van samenwerking met het maatschappelijk middenveld in Rusland, alsmede ondersteuning moeten bieden aan Russische ngo’s die democratisch georiënteerd zijn en zich op specifieke thema’s toeleggen, zoals mensenrechtenorganisaties, milieugroeperingen, consumentenverenigingen, sociale partners en andere onafhankelijke beroeps- en belangenorganisaties. Er zouden passende maatregelen moeten worden genomen om, als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, het visumregime te vereenvoudigen en te versoepelen. |
|
1.7 |
Diversiteit vormt de basis voor een gezond Europees maatschappelijk middenveld. De EU zou contacten moeten leggen met een breed scala aan actoren uit het maatschappelijk middenveld die actief zijn op verschillende gebieden en in verschillende regio’s, dit ondanks of juist in het licht van de huidige situatie die wordt gekenmerkt door toenemende monopolisering in Rusland en isolering van het land en waarbij de toevlucht wordt genomen tot autoritaire handelwijzen. Het EESC pleit voor meer intermenselijke contacten en m.n. voor de uitbreiding van grootschalige uitwisselingen op het gebied van onderwijs en interculturele dialoog als middel om het wederzijdse begrip en vertrouwen te vergroten. Nieuwe platforms en vormen van samenwerking tussen maatschappelijke organisaties uit de EU en Rusland dienen tot ontwikkeling te worden gebracht. Het Forum van het maatschappelijk middenveld voor de EU en Rusland (vergelijkbaar met dat voor het Oostelijk Partnerschap) kan worden gezien als een van de reeds bestaande ontwikkelingsplatforms die hier goed geschikt voor zijn. Er zal ook ruimte moeten zijn voor deelname van de sociale partners aan dit of een vergelijkbaar platform. |
|
1.8 |
De EU zal de procedures voor toekenning van financiële steun aan ngo’s via het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (hierna „het EIDHR” genoemd) moeten heroverwegen. In het licht van de huidige door repressie en vervolging gekenmerkte campagne is een relatief hoog cofinancieringspercentage voor veel Russische ngo’s en hun partners een zware belasting. Het is dan ook nodig om de mogelijkheden voor financiering uit te breiden en te zorgen voor een veilige manier waarop Russische ngo’s en coalities van ngo’s hier toegang toe kunnen krijgen. Zo wordt voorgesteld om het via het EIDHR voor de Russische Federatie bestemde budget op te trekken (van 3 naar 9 miljoen EUR per jaar). Om de steunmechanismen soepeler en toegankelijker te maken, kunnen modellen voor indirecte steun worden overwogen. |
|
1.9 |
Ook zou het een goed idee kunnen zijn om het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) toegankelijk te maken voor Russische deelnemers in het kader van grensoverschrijdende en multilaterale programma’s waaraan zusterorganisaties uit de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap meewerken. Ook beveelt het EESC aan om maatschappelijke instellingen in aanmerking te laten komen voor middelen uit het partnerschapsinstrument, in het kader waarvan momenteel 10 miljoen EUR per jaar beschikbaar wordt gesteld voor samenwerking met Rusland. Ten slotte kan ook het Europees Fonds voor democratie worden uitgebreid tot Rusland. In de desbetreffende regionale en grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s zou de steun voor het maatschappelijk middenveld moeten worden opgevoerd. |
|
1.10 |
Het huidige financieringsbeleid van de EU zou zich niet mogen beperken tot hulpprojecten. Institutionele steun en professionele modernisering zijn essentieel voor een duurzame ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld in overgangseconomieën als de Russische. Voor een verdere ontwikkeling van het Russische maatschappelijk middenveld is het noodzakelijk dat er gewerkt wordt aan de capaciteitsopbouw van maatschappelijke organisaties, m.i.v. de sociale partners, dat de ontwikkeling van technische, IT- en managersvaardigheden wordt ondersteund en dat de samenwerking met zusterorganisaties in de EU wordt aangehaald. |
|
1.11 |
Het EESC roept op tot de ontwikkeling van een systeem voor snelle waarschuwingen en reacties ter ondersteuning van groepen en individuen die in gevaar verkeren of onmiddellijk hulp behoeven. In dit verband kan bijvoorbeeld gedacht worden aan vlottere asielprocedures en toekennning/verlenging van visa, beurzen e.d. Verder is het van het grootste belang dat maatschappelijke activisten die al eerder om politieke redenen door Rusland zijn uitgewezen, worden bijgestaan en ondersteund. |
|
1.12 |
Het EESC dringt aan op uitbreiding van de uitwisselingen en contacten tussen actoren van het Russische en het Oekraïense maatschappelijk middenveld, zulks onder structurele aanvoering en met ondersteuning van de EU. Het EESC stelt voor naar mogelijkheden te kijken om Russische partners te betrekken bij grote regionale projecten met de landen van het Oostelijk Partnerschap, vooral op het gebied van democratie, milieu, volksgezondheid, vervoer, energie-efficiëntie e.d. |
|
1.13 |
De EU zou meer moeten inzetten op een gestructureerde deelname van onafhankelijke vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld aan gesprekken op regeringsniveau tussen de EU en Rusland over onderwerpen die voor beide partijen van belang zijn, zoals migratie, interculturele betrekkingen, klimaatverandering, gegevensbeveiliging, informatieveiligheid e.d. De EU zou ook nieuwe interactieve en transparante vormen van burgerparticipatie moeten ontwikkelen, zowel in Europa als in Rusland. Een ontmoeting van de hoge vertegenwoordiger van de EU met maatschappelijke actoren die actief zijn buiten de EU, zou in dit verband een baanbrekend initiatief kunnen zijn. |
2 De rol van het EESC
|
2.1 |
Het EESC en onafhankelijke maatschappelijke organisaties uit Rusland zouden samen moeten kijken naar een manier om de mensenrechtendialoog tussen de EU en Rusland op een hoger plan te tillen en naar nieuwe wegen voor voortzetting van de dialoog te zoeken. |
|
2.2 |
Ter intensivering van de contacten tussen Europese en Russische maatschappelijke organisaties zouden de volgende stappen moeten worden genomen: |
|
2.2.1 |
het eventueel verruimen van de taken van het follow-upcomité EU-Rusland, waardoor meer leden de mogelijkheid krijgen om deel te nemen aan de uitwisselingen met Russische partners; |
|
2.2.2 |
het versterken van de samenwerking tussen het EESC en het Forum van het maatschappelijk middenveld voor de EU en Rusland, met het doel om de ontwikkelingen in het Russische maatschappelijk middenveld te volgen en na te gaan op welke wijze de dialoog tussen de EU en onafhankelijke Russische maatschappelijke organisaties (waaronder milieu-, consumenten-, landbouw-, sociale en andere beroeps- en thematische organisaties) kan worden verbeterd; |
|
2.2.3 |
het leggen en verder ontwikkelen van contacten met een breed scala aan onafhankelijke sociale partners (zoals werkgeversorganisaties en vakbonden) in Rusland; |
|
2.2.4 |
het steunen, uitbreiden en prioriteren van inspanningen ter bevordering van de samenwerking en versterking van het maatschappelijk middenveld in Rusland, Oekraïne en de andere landen van het Oostelijk Partnerschap, met o.a. aandacht voor de arbeidsverhoudingen, alsmede het overwegen van een speciale rol voor het EESC bij het opzetten van samenwerking tussen Rusland en Oekraïne op maatschappelijkmiddenveldniveau; |
|
2.2.5 |
in verband met de politieke situatie heeft het EESC de activiteiten van de gezamenlijke workshops met de Civiele Kamer van de Russische Federatie (CCRF) opgeschort. Wel onderhoudt het EESC nog contacten met de CCRF over specifieke thema’s en zal het ook contact leggen met de Russische ombudsdienst en andere relevante instellingen en professionals. |
3. Inleidende opmerkingen
|
3.1 |
Begin maart 2014 heeft de Russische Federatie actieve stappen ondernomen om de Autonome Republiek van de Krim in Oekraïne te annexeren. Sinds april 2014 wordt Rusland verondersteld een verkapte oorlog te voeren in Oost-Oekraïne door zijn steun aan de pro-Russische separatisten in de pseudovolksrepublieken van Donetsk en Loegansk op te voeren en ook daadwerkelijk zelf het grondgebied van Oekraïne binnen te vallen. Daardoor worden het Europese veiligheidssysteem zoals dat decennia lang heeft gefunctioneerd, en meer in het algemeen de internationale akkoorden die na de Tweede Wereldoorlog zijn gesloten, op de proef gesteld. In de zomer van 2014 zijn de EU en de VS begonnen met het instellen van een reeks sancties tegen bepaalde Russische individuen en bedrijven als reactie op de annexatie van de Krim en de crisis in Oost-Oekraïne. Op 21 september 2014 zijn in Moskou en andere grote steden de naar alle waarschijnlijkheid grootste antioorlogsdemonstraties in jaren gehouden (schattingen variëren van 25 000 tot 50 000 deelnemers). |
|
3.2 |
President Vladimir Poetin en de Russische regering hebben in 2013 en 2014 steeds meer macht naar zich toe getrokken en elke mogelijke oppositie uitgeschakeld. De afgelopen jaren heeft de Russische regering er een serie zeer strenge wetten doorgedrukt als antwoord op de massale protesten tussen december 2011 en medio 2012. Tekenend voor het repressieve klimaat zijn de wetten die de controle op ngo’s en het internet verscherpen, de exorbitant gestegen boeten voor deelname aan straatprotesten waarvoor geen toestemming is verleend, en de ruimere interpretatie van het begrip „landverraad”. |
|
3.3 |
De situatie in de Russische Federatie op het gebied van mensenrechten en maatschappelijk middenveld verslechtert. De wijzigingen op de wet betreffende organisaties zonder winstoogmerk (ook wel de „buitenlandseagentenwet” genoemd) en andere juridische noviteiten maken maatschappelijk activisme strafbaar, demoniseren ngo’s in de ogen van het publiek en zetten daarom een rem op de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld. De recente toename van het aantal processen tegen maatschappelijke organisaties stemt tot zorg. Het algehele sociale en politieke klimaat is zodanig dat het publiek steeds vijandiger is komen te staan tegenover ngo’s en mensen met een onafhankelijke mening. |
|
3.4 |
Andere restrictieve wetgeving, zoals het verbod op het propageren van „niet-traditionele seksuele betrekkingen” onder minderjarigen, werkt stigmatisering in de hand en leidt tot meer discriminatie en homofoob geweld. Daarnaast is er onlangs een aantal repressieve juridische en administratieve maatregelen genomen tegen de onafhankelijke media in Rusland. |
|
3.5 |
In zijn conclusies van 16 juli 2014 verzoekt de Europese Raad aan de Commissie om „de programma’s voor samenwerking tussen de EU en Rusland te herbekijken en per geval te beslissen over de opschorting van de uitvoering van de bilaterale en regionale samenwerkingsprogramma’s van de EU. Dit geldt echter niet voor de projecten die uitsluitend grensoverschrijdende samenwerking en het maatschappelijk middenveld betreffen”. Onder de gegeven omstandigheden is het noodzakelijk om na te gaan hoe de Europese instellingen en maatschappelijke organisaties kunnen bijdragen tot een verbetering van de situatie voor maatschappelijke groeperingen in Rusland en tot versterking van een waarachtige civiele en sociale dialoog. |
4. Algehele situatie van het maatschappelijk middenveld
|
4.1 |
Toonaangevende internationale spelers — uit kringen van de VN, de EU, het Europees Parlement, de Raad van Europa en de OVSE — hebben de voorbije jaren hun bezorgdheid geuit over het feit dat het maatschappelijk middenveld in Rusland steeds minder vrijheid van handelen heeft. |
|
4.2 |
Sinds het begin van de jaren negentig heeft het Russische maatschappelijk middenveld — in de brede zin van het woord, inclusief allerlei verenigingen zonder winstoogmerk — een ingrijpende verandering doorgemaakt. Meer recentelijk hebben ngo’s het gezelschap gekregen van een hele schare losjes georganiseerde verbanden en groepen van burgers die zich aaneen hebben gesloten om zich in te zetten op gebieden als liefdadigheidswerk, educatie en voorlichting over burgerrechten, ook al moet het maatschappelijk middenveld van tegenwoordig, vergeleken met de periode waarin het gestalte begon te krijgen (ongeveer twintig jaar geleden), opereren in een klimaat dat vijandig staat tegenover individuele initiatieven en sociaal activisme. |
|
4.3 |
Sinds Vladimir Poetin in mei 2012 weer is teruggekeerd in het Kremlin, is er een toevloed van repressieve wetten geweest en hebben de autoriteiten zeer uitgebreide bevoegdheden gekregen om de fundamentele vrijheden in te perken. Om enkele voorbeelden te noemen: op grond van de gewijzigde definitie van „landverraad” is het mogelijk geworden om het bepleiten van de naleving van internationaal vastgelegde mensenrechten strafbaar te stellen; op deelname aan „onwettige” samenscholingen staan nu zware boeten; de wet die „het propageren van homoseksualiteit” verbiedt, betekent een ernstige discriminatie van LHBT’ers; bestuurders van niet-gouvernementele organisaties kunnen in principe persoonlijk strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld als ze zich niet houden aan de gewijzigde bepalingen van de ngo-wetgeving. |
|
4.4 |
In wezen ziet het maatschappelijk middenveld zich voor een existentieel dilemma geplaatst (8). Volgens enkele waarnemers op het gebied van mensenrechten is de omvang van de hetze tegen het Russische maatschappelijk middenveld „sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie nog niet eerder vertoond in de geschiedenis van het land”, en is zij nog „heviger geworden sinds het uitbreken van de crisis in Oekraïne” (9). Tegelijkertijd heeft de staat veel financiële middelen ter beschikking gesteld aan zogenaamde „sociaal georiënteerde” groeperingen, waarmee opnieuw getracht wordt een wig te drijven tussen verschillende ngo’s. |
|
4.5 |
Er is momenteel sprake van een politiek gemotiveerde vervolging van activisten en een meedogenloze behandeling van oppositieleden en critici van het bewind. Opgemerkt zij dat verschillende politieke gevangenen in 2014, aan de vooravond van de Olympische spelen in Sotsji, amnestie hebben gekregen en zijn vrijgelaten (onder wie Michail Chodorkovski en leden van de punkband „Pussy Riot”). Daarentegen zijn in dezelfde periode enkele tientallen deelnemers aan de protestdemonstratie op het Bolotnajaplein in Moskou op 6 mei 2012 voor het gerecht gedaagd en in staat van beschuldiging gesteld wegens het „organiseren van massale onlusten” en het gebruik van geweld tegen de politie (10). Plaatselijke en internationale mensenrechtenorganisaties hebben voortdurend vraagtekens geplaatst bij deze beschuldigingen, die in hun ogen buiten alle proporties zijn en nergens op slaan. |
|
4.6 |
De wijziging van de bestaande ngo-wetgeving (de „buitenlandseagentenwet”), die in november 2012 van kracht werd (11), is een van de belangrijkste wapens in de hetze tegen het maatschappelijk middenveld in Rusland geworden en heeft het startsein gegeven voor een campagne om Russische ngo’s te marginaliseren. |
|
4.7 |
Verontrustend is ook dat deze wet betreffende „buitenlandse agenten” en tal van andere repressieve wetten die hierop gevolgd zijn, op negatieve wijze de toon hebben gezet voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld in de omliggende regio (12). De term „buitenlandse agent” alleen al wekt onmiddellijk reminiscenties aan de zwaarbeladen en hatelijke retoriek uit het Sovjettijdperk en associeert ngo’s onmiskenbaar met „spionnen” („agenten”). |
|
4.8 |
De nieuwe wet voorzag erin dat alle ngo’s die vanuit het buitenland gefinancierd worden en zich bezighouden met zg. „politieke activiteiten” (oftewel maatschappelijk activisme), zich bij de autoriteiten verplicht dienen te registreren als „buitenlandse agenten”. Werd dit niet gedaan, dan werden de activiteiten van de organisaties geacht illegaal te zijn en automatisch, zonder rechterlijke uitspraak opgeschort. De implementatie van de wet in februari 2013 ging van start met een landelijke campagne in het kader waarvan meer dan duizend ngo’s werden gecontroleerd (13) (achteraf zou Vladimir Poetin n.a.v. kritiek op de gang van zaken erkennen dat er hier en daar wat „excessen” waren geweest bij de toepassing van de wet). |
|
4.9 |
Meer dan zestig mensenrechtengroeperingen en maatschappelijke organisaties — met een veelal prominente positie in de samenleving — werden aangeklaagd op grond van „administratieve vergrijpen” en hebben beroep aangetekend tegen de aanklachten en boeten n.a.v. de controles (met wisselend succes). De in Moskou gevestigde ngo „Golos”, de meest compromisloze organisatie op het gebied van verkiezingswaarneming, heeft samen met een paar andere ngo’s haar activiteiten moeten staken. Zonder op het vonnis van de rechter te wachten hebben dertien ngo’s reeds een klacht ingediend bij het Europees Hof voor de bescherming van de rechten van de mens. Geen enkele ngo heeft zich uit eigen beweging laten registreren (14). |
|
4.10 |
In juni 2014 werd de wet opnieuw gewijzigd, waarbij het ministerie van Justitie het recht kreeg om ngo’s naar eigen goeddunken, zonder het doorlopen van een juridische procedure, aan te merken als „buitenlands agent”. De eerste zes groeperingen werden bijna onmiddellijk na het van kracht worden van de wet genoemd op de website van het ministerie (15). Per 1 oktober 2014 werden 15 ngo’s, veelal gespecialiseerd in het voeren van strategische rechtszaken en het verlenen van juridische bijstand, toegevoegd aan de lijst (16). |
|
4.11 |
Er zijn maar heel weinig overheidsinstanties in Rusland die zich bezighouden met kwesties op het gebied van het maatschappelijk middenveld en mensenrechten. Te noemen vallen alleen: het kantoor van de Nationale Ombudsman, de Presidentiële Raad voor het Maatschappelijk Middenveld en in zeker opzicht ook de Civiele Kamer (17). Deze laatste instantie is ook opgetreden als partner van het EESC bij het leggen van formele contacten met het Russische kamp (18). Genoemde instanties missen echter de capaciteit om iets te doen aan de meest recente negatieve ontwikkelingen m.b.t. ngo’s en maatschappelijke groeperingen in Rusland. |
5. Sociale dialoog
|
5.1 |
Het Tripartiete Comité is Ruslands officiële orgaan voor overleg over de arbeidsverhoudingen (naar IAO-model). Hierin hebben voor elk van de drie partijen — de Algemene Unie van vakbonden in de Russische Federatie, de Russische regering en werkgeversorganisaties — dertig vertegenwoordigers zitting Op dit ogenblik voert het Comité zijn activiteiten uit in het kader van de door de partijen gesloten Algemene Overeenkomst voor 2014-2016 (19). De onderhandelingen over de collectieve arbeidsovereenkomsten en de ondertekening ervan vinden plaats op het niveau van afzonderlijke bedrijfstakken. |
|
5.2 |
Zowel de werkgevers als de vakbonden laten zich in het Comité vertegenwoordigen door grote belangenorganisaties. De Russische Unie van Industriëlen en Ondernemers (RSPP) (20) is een toonaangevende organisatie waarin 361 werkgevers uit de belangrijkste bedrijfstakken verenigd zijn. Het zijn vertegenwoordigers van de RSPP die tijdens de vergaderingen van het Tripartiete Comité de belangen van de werkgevers behartigen. De RSPP biedt haar leden bemiddeling aan bij geschillen en ondersteunt de zakelijke samenwerking met ondernemingen in de EU. De leden van de RSPP hebben bij elkaar ongeveer zes miljoen werknemers in dienst. Ze heeft het Sociale Handvest van het Russische Bedrijfsleven ondertekend en zich aangesloten bij Global Compact van de VN en het General Reporting Initiative (GRI). Verbonden van werkgevers zijn o.a. de Kamer van Koophandel en Industrie (21) en „Opora Rossii” (voor het midden- en kleinbedrijf). |
|
5.3 |
De vakbeweging heeft als onafhankelijke factor in het tegenwoordige Rusland tot nu toe nauwelijks een rol van betekenis gespeeld. Niettemin zijn er ook ontwikkelingen die hoopvol stemmen, m.n. binnen de automobielindustrie. |
|
5.4 |
De toonaangevende speler op dit gebied is de Federatie van Onafhankelijke Vakbonden in Rusland (FNPR), geënt op het model van het „verbond der verbonden” zoals dat in het Sovjettijdperk bestond (de VTsSPS). De FNPR heeft geprobeerd te fungeren als een brug tussen vakbonden en autoriteiten, maar tegelijkertijd is de organisatie bekritiseerd om haar uitgesproken proregeringsstandpunten en totale afwezigheid bij stakingen, demonstraties e.d. Een andere belangrijke alliantie van vakbonden is de Russische Arbeidsconfederatie (KTR) (22). Verder zijn er nog wat kleinere federaties, zoals „Sotsprof” en de Unie van Russische Vakbonden (SPR). |
|
5.5 |
Hoewel Rusland alle belangrijke IAO-verdragen heeft ondertekend, blijft de naleving van de sociaaleconomische en arbeidsrechten in Rusland een punt van zorg, ook voor het EESC. |
|
5.6 |
De vrijheid van vereniging als een recht van werknemers is een zeer heikel terrein. Volgens vakbondsactivisten is het schier onmogelijk om in staking te gaan zonder de wet te overtreden (23). Ook is het zo dat de Russische wetgeving geen duidelijke definitie van discriminatie kent, zodat werkgevers zonder problemen sollicitanten en werknemers kunnen discrimineren op grond van geslacht, leeftijd en lidmaatschap van een vakbond. Kansarme categorieën werknemers, zoals gedetineerden of vertegenwoordigers van minderheden, zijn in het bijzonder kwetsbaar, terwijl vakbondsactivisten geen effectieve wettelijke bescherming genieten als er druk op hen wordt uitgeoefend of als zij blootstaan aan vervolging (24). |
|
5.7 |
Het Centrum voor Sociale en Arbeidsrechten, Ruslands enige denktank op dit gebied, heeft in de periode 2007-2013 1 395 gevallen van arbeidsgerelateerde protesten gesignaleerd en dit aantal neemt nog jaarlijks toe (25). |
6. Media en vrijheid van meningsuiting
|
6.1 |
De persvrijheid in Rusland ligt onder vuur. Nadat „smaad” opnieuw werd opgenomen in het wetboek van strafrecht, is er in 2014 een heel pakket wetgevende maatregelen ter inperking van de persvrijheid en het gebruik van internet goedgekeurd. Verschillende onafhankelijke media die informatie verspreidden via het geschreven woord, de radio of het internet, werden verboden of zijn gedwongen akkoord te gaan met een nieuwe eigenaar, personele bezetting of redactionele richting. Deze recente acties staan naar letter en geest in schrijnend contrast met de door Rusland aangegane internationale verplichtingen. |
|
6.2 |
De wet op Informatie en Informatietechnologie (gewijzigd in februari 2014) maakt het nu mogelijk dat websites op verzoek van de procureur-generaal worden geblokkeerd als ze zogenaamd „extremistische” inhoud bevatten of oproepen tot massale onlusten en samenscholingen waarvoor geen toestemming is verleend. |
|
6.3 |
De antiterrorismewetgeving is in mei uitgebreid met nieuwe bepalingen waardoor bloggers wier teksten dagelijks meer dan 3 000 maal bezocht worden, nu ook hieronder zijn komen te vallen. Deze bloggers moeten zich voortaan laten registreren bij Roskomnadzor en zullen zich daarna in hun blogs moeten houden aan de Russische wetgeving inzake massamedia (m.i.v. restricties tijdens verkiezingen e.d.). Ze kunnen ook worden verplicht om hun eigen naam bekend te maken en andere informatie te verschaffen en kunnen verantwoordelijk worden gesteld voor reacties van andere personen op hun blogs. Wie in gebreke blijft om zich te laten registeren, kan worden beboet. |
|
6.4 |
De EU en de internationale gemeenschap zijn ernstig bezorgd over nog een ander wetgevend voorstel op grond waarvan buitenlandse investeringen in Russische mediamaatschappijen per januari 2016 beperkt dienen te blijven tot 20 %. |
Gedaan te Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) Rusland en de EU hebben al enkele jaren onderhandelingen gevoerd over een nieuwe Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst (PSO) als fundament voor de institutionele betrekkingen en het proces van samenwerking tussen de twee partijen. De vorige, voor een periode van tien jaar afgesloten PSO is in 1997 van kracht geworden en is na verloop van deze periode telkens voor een jaar automatisch verlengd. Vastgesteld moet worden dat deze overeenkomst niet langer beantwoordt aan de huidige realiteit van de betrekkingen tussen de EU en Rusland.
(2) Dit begrip werd op het vlak van internationale betrekkingen geïntroduceerd door prof. Joseph Nye van Harvard. Volgens Nye zijn zowel harde (militaire) als zachte (allerlei soorten diplomatieke) machtsmiddelen nodig om de internationale betrekkingen efficiënter te maken.
(3) De toekomst van de noordelijke dimensie, 5 juli 2006, rapporteur: Filip HAMRO-DROTZ (PB C 309 van 16.12.2006, blz. 91-95).
(4) Het EU-beleid ten aanzien van het Noordpoolgebied. Zie ook http://ec.europa.eu/maritimeaffairs/policy/sea_basins/arctic_ocean/index_en.htm
(5) De Oostzeeregio: rol van het maatschappelijk middenveld bij het verbeteren van de regionale samenwerking en het vaststellen van een strategie voor de regio, 13 mei 2009, rapporteur: Maqrja-Liisa PELTOLA (PB C 277 van 17.11.2009, blz. 42-48).
(6) Het opzetten van netwerken van maatschappelijke organisaties in de Zwarte Zeeregio, 9 juli 2008, rapporteurs: Mihai MANOLIU en Vesselin MITOV (PB C 27 van 3.2.2009, blz. 144-151).
(7) Betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het Oostelijk Partnerschap, 13 mei 2009, rapporteur: Ivan VOLEŠ (PB C 277 van 17.11.2009, blz. 30-36).
(8) Anna Sevortian. European Human Rights Advocacy Centre Bulletin, Winter 2013. http://ehracmos.memo.ru/files/WinterBulletin2013ENGWEB.pdf
(9) http://www.hrw.org/news/2013/04/24/russia-worst-human-rights-climate-post-soviet-era
(10) Een van de beklaagden werd voorwaardelijk veroordeeld en kreeg reisbeperkingen opgelegd; een andere werd veroordeeld tot dwangopname van onbeperkte duur in een psychiatrische inrichting en de rest kreeg gevangenisstraffen van tweeënhalf tot vierenhalf jaar. Op dit moment lopen er nog processen tegen vier mensen die worden beschuldigd van het organiseren van massale onlusten en het gebruik van geweld tegen de politie.
(11) De wet werd in 2014 nogmaals bekrachtigd in een uitspraak van het Constitutionele Hof.
(12) In september 2013 werd bijv. een vergelijkbaar „buitenlandseagentenvoorstel” gepresenteerd in het parlement van Kirgizië, terwijl dezelfde soort ideeën ter discussie staan in Kazachstan.
(13) Voor de meeste ngo’s bleef het niet bij één „bezoekje”. Vaak kreeg men hele teams van inspecteurs over de vloer: vertegenwoordigers van het kantoor van de openbare aanklager, de registratiediensten, de migratie- of belastingautoriteiten, de politie, de brandweer en zelfs een televisieploeg. In juni 2013 werd een nieuw wetsvoorstel ter kennis gebracht van de leden van de Doema, dat voorziet in een uitbreiding van de lijst met redenen op grond waarvan zonder voorafgaande aankondiging naar believen controles van ngo’s kunnen worden uitgevoerd.
(14) http://www.hrw.org/reports/2013/04/24/laws-attrition
(15) Het gaat om de vereniging „Golos” (Moskou), de regionale „Golos” (Moskou), het Centrum voor Sociaal Beleid en Genderstudies (Saratov), „Vrouwen van de Don” (Novotsjerkassk) en het Centrum van Kostroma ter Ondersteuning van Maatschappelijke Initiatieven (Kostroma).
(16) Zie de lijst van het ministerie van Justitie op: http://unro.minjust.ru/NKOForeignAgent.aspx
(17) De Civiele Kamer werd in 2005 opgericht als een overheidsinstantie met raadgevende bevoegdheden die geacht werd toezicht te houden op en advies te geven over parlementaire initiatieven en overheidsmaatregelen. Zij telt 126 leden die gekozen worden voor een termijn van twee jaar. Ter gelegenheid van de eerste zitting van de Kamer heeft president Poetin een derde van de leden benoemd. Het optreden van de Kamer is niet onomstreden.
Bij de vorige ledenverkiezingen kreeg de Kamer een nieuwe directeur, Aleksandr Brechalov, de voorzitter van „Opora Rossii”, een landelijke overheidsorganisatie voor kleine en middelgrote ondernemingen. Nadere informatie is te vinden op http://www.oprf.ru/en
(18) Op basis van het Memorandum van Overeenstemming uit 2008.
(19) http://www.unionstoday.ru/news/social/2013/12/25/18878
(20) De RSPP onderhoudt formele contacten met BusinessEurope en is lid van de IOE en de IAO.
(21) De Kamer van Koophandel en Industrie van de Russische Federatie is lid van Eurochambers.
(22) Zowel de FNPR als de KTR is aangesloten bij de Internationale Vakbondsconfederatie (ITUC) en haar regionale afdeling voor Europa: de pan-Europese regionale raad (PERC).
(23) http://www.unionstoday.ru/news/actual-18/2013/09/26/18592
(24) De Presidentiële Raad voor Mensenrechten heeft zich onlangs, op 18 april 2014, over deze kwestie gebogen.
(25) http://trudprava.ru/expert/analytics/protestanalyt/1047
III Voorbereidende handelingen
EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
503e zitting van het EESC van 10 en 11 December 2014
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/59 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Onderzoek en innovatie: de bronnen van toekomstige groei
(COM(2014) 339 final — SWD(2014) 181 final)
(2015/C 230/09)
|
Rapporteur: |
Gerd WOLF |
Op 10 juni 2014 heeft de Commissie besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de
„Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Onderzoek en innovatie: de bronnen van toekomstige groei”
COM(2014) 339 final — SWD(2014) 181 final.
De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 19 november 2014 goedgekeurd.
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 11 december 2014) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
1. Samenvatting en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité onderschrijft het doel dat de Commissie voor ogen heeft en de maatregelen waarmee zij dit tracht te bereiken. De uitvoering van deze maatregelen ligt echter grotendeels in handen van de lidstaten. |
|
1.2. |
Aangezien de Commissie onvoldoende in staat is om het beleid van de lidstaten op dit gebied naar een hoger plan te tillen, hoopt het EESC dat alle betrokkenen goede wil, een constructieve houding en besluitvaardigheid aan de dag zullen leggen en zich onverwijld over deze dringende doch moeilijke taak zullen buigen, om deze vervolgens vastberaden en zonder extra bureaucratische rompslomp tot een goed einde te brengen. |
|
1.3. |
Volgens het Comité moeten daartoe de volgende stappen worden ondernomen:
|
|
1.4. |
Deze punten worden uitgebreid toegelicht in de hiernavolgende paragrafen. |
2. De mededeling van de Commissie in het kort
|
2.1. |
In deze mededeling wordt nagegaan hoe het potentieel van onderzoek en innovatie (O&I) als aanjagers van hernieuwde groei kan worden gemaximaliseerd door de kwaliteit van de investeringen die noodzakelijk zijn binnen de groeivriendelijke begrotingsconsolidatiestrategieën van de lidstaten te verhogen. |
|
2.2. |
De Commissie stelt het volgende voor:
|
|
2.3. |
De Commissie wil de lidstaten daarbij ondersteunen en gebruikmaken van de ervaringen die zijn opgedaan met het vlaggenschipinitiatief (1) Innovatie-Unie en de Europese onderzoeksruimte. |
|
2.4. |
Bovendien is het absoluut noodzakelijk dat het bredere ecosysteem voor innovatie wordt versterkt en dat daarnaast de juiste randvoorwaarden voor Europese bedrijven worden geschapen. |
|
2.5. |
Sinds de lancering van de Innovatie-Unie is er weliswaar belangrijke vooruitgang geboekt, maar er zijn verdere inspanningen nodig voor
|
|
2.6. |
De Commissie nodigt de Raad uit om zich over dit thema te buigen en de voorstellen die zij in deze mededeling doet in overweging te nemen. |
3. Algemene opmerkingen van het EESC
|
3.1. |
Als onderdeel van het historisch proces van de Verlichting (2) hebben onderzoek en innovatie de mensheid in korte tijd de grootste toename van kennis, gezondheid, technische vaardigheden en welvaart ooit bezorgd. Onderzoek en innovatie zijn de aanjagers van meer economische groei en sociale vooruitgang. |
|
3.2. |
Dat hebben ook de landen buiten Europa ingezien. De wereldwijde concurrentie op het gebied van kennis en innovatie wordt dan ook steeds scherper. Ondertussen ontstaan er vooral in Azië belangrijke wetenschappelijke en technologische centra, en nemen de uitgaven voor onderzoek en de uitbreiding van de innovatiecapaciteit daar een hoge vlucht. |
|
3.3. |
Het EESC is onomwonden voorstander van het in de mededeling van de Commissie omschreven doel en de hiertoe voorgestelde maatregelen, waarmee gevolg wordt gegeven aan zijn meermaals geformuleerde aanbevelingen (3). |
|
3.4. |
Des te dringender is derhalve de vraag hoe we de voorgestelde maatregelen gaan uitvoeren en met welke middelen. Zoals door de Commissie wordt opgemerkt, behoren de betreffende problemen en de bijbehorende oplossingen in de eerste plaats tot de bevoegdheid van de lidstaten. |
|
3.5. |
Om financieel en doelgericht invloed uit te oefenen op het beleid van de lidstaten inzake onderzoek en innovatie kan de Commissie in de eerste plaats een beroep doen op de middelen van het programma Horizon 2020. Het EESC heeft er al eerder op gewezen dat deze middelen slechts een beperkte hefboomwerking kunnen hebben. |
|
3.6. |
Daarom hoopt het EESC dat alle betrokkenen goede wil, een constructieve houding en besluitvaardigheid aan de dag zullen leggen en zich onverwijld over deze dringende taak zullen buigen, om deze vervolgens stapsgewijs, vastberaden en zonder bijkomende bureaucratische rompslomp tot een goed einde te brengen. |
|
3.7. |
Daarbij kunnen alle EU-lidstaten wel wat hulp gebruiken. Het is vooral belangrijk dat er in alle lidstaten, met name in de lidstaten die op dit gebied minder vergevorderd zijn, moderne excellente onderzoeks- en ontwikkelingscapaciteit en innovatiecentra tot stand worden gebracht en dat de universitaire opleidingen en faciliteiten hierop worden afgestemd. Europa heeft universiteiten van wereldklasse nodig. Daarom moet de aandacht in de eerste plaats uitgaan naar universiteiten en onderzoekscentra waar innovatieve personen en ideeën de ruimte krijgen. |
|
3.8. |
Dit vereist vooral passende structurele hervormingen (met inbegrip van internationale kwaliteitsbeoordeling), waarvoor bovendien ook de middelen uit de structuurfondsen en het Cohesiefonds van de EU doelgericht moeten worden uitgetrokken en worden gebruikt. De Commissie moet erop toezien dat dit ook echt gebeurt. Daardoor kan er synergie ontstaan en kan de innovatiekloof binnen Europa worden gedicht. |
|
3.9. |
Waar nog geen modern en succesvol systeem voor wetenschappelijk onderzoek bestaat, moet dat door de uitwisseling van ervaringen en door van elkaars „best practices” te leren worden opgezet. Hiertoe moet een beroep worden gedaan op gerenommeerde en ervaren instanties die de nodige verantwoordelijkheid, speelruimte en een gegarandeerde hoeveelheid financiële middelen moeten krijgen. Ook partnerschappen tussen reeds bestaande expertisecentra — „Twinning of Excellence”— kunnen hierbij een nuttige rol spelen. |
|
3.9.1. |
Het EESC waarschuwt echter voor een te grote uniformering en het daarmee verband houdende verlies van systemische concurrentie, een noodzakelijke voedingsbodem voor toekomstige innovatie. In het verlengde hiervan waarschuwt het ook voor te geformaliseerde beoordelingscriteria. Daar staat tegenover dat een internationaal „Peer Review” het beste beschikbare en onmisbare instrument is om de vereiste kwaliteit van onderzoek en ontwikkeling in heel Europa te beoordelen en te garanderen, ook al kan het soms lastig zijn om revolutionaire ideeën op deze manier te evalueren. |
|
3.10. |
Soms gaat er buitengewoon veel tijd overheen voordat de innovatie die het gevolg is van O&I-investeringen succes oplevert, en daardoor is het causale verband tussen het een en het ander bijzonder moeilijk te voorzien en te beoordelen. |
|
3.11. |
Nochtans is het al lang bekend dat de economische capaciteit en welvaart van een land, voor zover deze niet in de eerste plaats gebaseerd zijn op de beschikbaarheid van grondstofreserves, bijzonder nauw samenhangen met investeringen in O&I en het hieruit voortvloeiende innovatievermogen. |
|
3.12. |
Tegen deze achtergrond heeft Europa behoefte aan een sterke, open en voor de beste talenten van overal ter wereld aantrekkelijke gemeenschappelijke onderzoeksruimte en een immigratiebeleid dat hierbij aansluit; in die ruimte moeten de onderliggende nationale wetenschappelijke stelsels op Europees niveau effectiever samenwerken en hechtere banden aangaan met de meest succesvolle internationale centra. |
|
3.13. |
Europa heeft eveneens behoefte aan politieke inspanningen en een maatschappelijk draagvlak voor de bevordering, acceptatie en beloning van innovatie en voor het scheppen van de voorwaarden voor geëngageerd ondernemerschap. Dat maakt het o.a. noodzakelijk om de administratieve, economische en maatschappelijke obstakels in kaart te brengen, te beoordelen en, waar nodig, te verminderen of uit de weg te ruimen en het ecosysteem voor innovatie te verbeteren en te versterken. |
|
3.14. |
Dit vergt een onderzoeks- en innovatiebeleid van de EU-lidstaten dat nationale activiteiten met Europese en internationale initiatieven verbindt en tot samenwerking tussen politiek, wetenschap, economie en maatschappelijke organisaties leidt, ook op Europees vlak, maar dat ook met lokale of regionale initiatieven verbonden is. |
|
3.15. |
Want naast de met openbare middelen gefinancierde O&I zijn het vooral ondernemingen die op beslissende wijze in onderzoek en ontwikkeling investeren, die met nieuwe producten, diensten en methoden succesvol zijn op de markt. Deze ondernemingen, ook de ondernemingen in de sociale economie, dragen er in belangrijke mate toe bij dat de positie van Europa op de wereldmarkt door middel van innovatie wordt veiliggesteld en dat arbeidsplaatsen worden gecreëerd of behouden in Europa. |
|
3.16. |
Dat geldt echter niet voor alle grote bedrijven. Een oorzaak kan zijn dat het management een door het systeem bepaalde angst koestert jegens de marktrisico’s (4) die verbonden zijn aan de zg. „disruptive technologies”. Het vliegtuig werd ook niet uitgevonden of doorontwikkeld door de scheepsbouw- of spoorwegindustrie en de innovaties die door Microsoft en Apple werden ontwikkeld, waren ook niet afkomstig van de elektronicabedrijven die destijds de dienst uitmaakten op de markt. |
|
3.17. |
Daarom zijn nieuwe ideeën vaak afkomstig van ondernemende types en interdisciplinaire teams of zelfs van buitenstaanders of worden zij door hen op de markt gebracht. Kleine en middelgrote ondernemingen, start-ups en ondernemingen uit de sociale economie spelen hierbij dan ook een bijzonder belangrijke rol. Deze bedrijven voldoende stimuleren en beschermen moet derhalve een speerpunt van elk doeltreffend innovatiebeleid zijn. |
|
3.18. |
Zoals reeds uitvoerig werd besproken in het advies over de Innovatie-Unie (5), ligt er ook een groot potentieel voor innovatie in het hele spectrum van maatschappelijke verbanden en organisatievormen, ook in de sociale economie. Deze omvatten het hele scala van wetenschappelijke, economische en sociale activiteiten, zoals in de overige paragrafen wordt besproken. Daarbij hoeven innovaties niet noodzakelijkerwijze het product van systematisch onderzoek en ontwikkeling te zijn, maar kunnen zij ook ontstaan uit veldwerk en aldus opgedane ervaringen. Daarbij valt vooral te denken aan:
Het EESC bepleitte wederom (6) het door de Europese Commissie beoogde doel, om innovatie in breder perspectief te zien en te stimuleren. |
4. Specifieke opmerkingen van het EESC
|
4.1. |
Het EESC herhaalt dat er weliswaar overlappingen bestaan tussen onderzoek en ontwikkeling, maar dat onderzoek en ontwikkeling ook zeer uiteenlopende specifieke kenmerken hebben en in verschillende arbeidsomstandigheden (7) gedijen. Het gaat erom het eigen karakter van deze verschillende arbeidsomstandigheden te erkennen, maar deze ook zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. |
|
4.2. |
Met betrekking tot de aanwending van overheidsmiddelen — ofwel de middelen uit het belastinggeld van burgers en ondernemingen, die via democratische processen worden toegekend — heeft het EESC onlangs (8) duidelijk gemaakt dat alle financiële steun die de Commissie verstrekt (en die gefinancierd wordt met overheidsmiddelen) gericht moet zijn op taken die minder in aanmerking komen voor particuliere financiële steun, en wel om één van de volgende mogelijke kenmerkende redenen:
|
|
4.3. |
Ten aanzien van de bevordering van onderzoek en ontwikkeling vat het EESC zijn standpunt als volgt samen. Het is zaak:
|
|
4.3.1. |
Het EESC herhaalt zijn oproep (10) om de sociale nadelen die aan de noodzakelijke en gewenste grensoverschrijdende mobiliteit kleven en het gevolg zijn van het gebrek aan stabiele arbeidsplaatsen te verhelpen. Daarom is het ingenomen met het jongste initiatief (RESAVER) van de Commissie (11) om de mobiliteit van onderzoekers in Europa door middel van een nieuw pan-Europees pensioenfonds te bevorderen. Dit initiatief zal onderzoekers de mogelijkheid bieden om vrijelijk van de ene naar de andere lidstaat te reizen zonder zich zorgen te moeten maken over het behoud van hun pensioenrechten. Het moet nog blijken of de gekozen benadering geschikt is, maar het EESC ziet hierin een stap in de juiste richting. |
|
4.3.2. |
Het EESC behandelt in dit advies geen specifieke onderzoeksthema’s omdat deze al uitvoerig zijn besproken in zijn advies over het Horizon 2020-programma. Het benadrukt ook hier weer dat de lidstaten wel wat hulp kunnen gebruiken bij het halen van hun programmadoelen. |
|
4.4. |
Ten aanzien van de bevordering van innovatie vat het EESC zijn standpunt als volgt samen. Innovatie ontstaat in de regel:
|
|
4.5. |
Vaak worden deze ideeën pas omgezet in innovaties en innovatieve producten door nieuwe bedrijven. Een van de belangrijkste politieke maatregelen ter bevordering van innovatie is daarom de oprichting van dergelijke nieuwe bedrijven te stimuleren en hen gedurende de kritische eerste vijf tot tien jaar te ondersteunen en te helpen. |
|
4.6. |
Hoewel innovaties altijd nuttig zijn geweest voor de samenleving, en daarmee een doorslaggevende bijdrage hebben geleverd aan de welvaart en het concurrentievermogen, stuiten zij vaak op grote maatschappelijke en economische obstakels omdat nieuwigheden vaak eerst argwanend worden bekeken door bedrijven, handel, maatschappij en beleidsmakers. |
|
4.7. |
Innovaties kunnen inderdaad verstrekkende economische of zelfs maatschappelijke gevolgen hebben, bepaalde sectoren en bedrijven doen verdwijnen, arbeidsplaatsen vernietigen of dominante sociale klassen verzwakken, en het kan pas na verloop van tijd volledig duidelijk worden wat hun nut is voor de samenleving. Voorbeelden zijn de mechanische weefstoel, de invoering van sociaal partnerschap, gentechnologie, Google, Amazon of de invoering van technologieën voor duurzame energie. Bovendien kan het aanpassingsvermogen van de samenleving en economie op de proef worden gesteld door te snelle veranderingen als gevolg van innovatie (afschrijvingstermijnen). |
|
4.8. |
Gezien de bezorgdheid die dit heeft veroorzaakt bij bepaalde groepen in de samenleving heeft de Commissie het begrip „Responsible Research and Innovation” (13) ingevoerd (14). Maar als we kijken naar wat onderzoek en innovatie teweeg hebben gebracht als motor en basis van de huidige levensstandaard en wetenschappelijke kennis, en als belangrijke voedingsbodem voor de Verlichting, waaruit de gedachten en ideeën aangaande mensenrechten en de scheiding der machten zijn voortgekomen, moeten we constateren dat dit een misleidend en beperkt begrip is. Daarom raadt het EESC aan om na te denken over het effect ervan op de maatschappelijke waarde van onderzoek en innovatie. |
|
4.8.1. |
Het spreekt voor zich dat onderzoek en innovatie aan de geldende wetgeving en de ethische basisbeginselen moeten voldoen. |
|
4.8.2. |
Bovenstaande eis geldt echter ook voor alle andere maatschappelijk relevante activiteiten, bv. in de geneeskunde, economie, journalistiek, wetgeving, politiek of rechtspraak. Het EESC acht het derhalve niet passend het begrip „verantwoordelijk handelen” uitsluitend en expliciet aan O&I te koppelen. |
|
4.9. |
Behalve met deze meer fundamentele obstakels hebben jonge innovatieve bedrijven ook grote moeite met de naleving van de uitgebreide, en binnen Europa bovendien gefragmenteerde, regelgeving en worstelen zij met kritische financieringskwesties. |
|
4.9.1. |
Daarom herhaalt het EESC zijn aanbeveling (15) om start-ups die kleiner zijn dan een bepaalde kritische omvang gedurende een bepaalde periode de tijd te gunnen om zich verder te ontwikkelen. Dit kan worden bereikt middels een uitzonderingsclausule, op grond waarvan zij gedurende deze periode worden vrijgesteld van het merendeel van het gebruikelijke scala aan administratieve formaliteiten en regelgeving, zodat zij hun economisch-technische kansen op succes kunnen aantonen. |
|
4.10. |
Zoals in eerdere adviezen werd benadrukt — waarin uitvoeriger aanbevelingen zijn opgenomen, bv. op het gebied van sociale innovatie, waarnaar het expliciet verwijst —, staat het EESC vierkant achter het doel van de Commissie om „om het bredere ecosysteem voor innovatie te versterken en de juiste randvoorwaarden tot stand te brengen”. Dit betekent met name dat factoren die innovatie in de weg staan, moeten worden onderkend en uitgeschakeld. |
|
4.10.1. |
Zo kunnen veel te gedetailleerde voorschriften en beperkingen als een knellend korset werken en innovatie verhinderen. Dit moet in gedachten worden gehouden, bv. bij de gedetailleerde voorschriften van het initiatief van de Commissie op het gebied van energie-efficiëntie. |
|
4.10.2. |
Deze inspanningen moeten erop gericht zijn de welvaart, de gezondheid en de veiligheid van burgers en consumenten ook in de toekomst zo goed mogelijk en op duurzame wijze te waarborgen. |
|
4.10.3. |
Ook moet aan de hand van historische voorbeelden worden nagegaan of een te strikte toepassing van het voorzorgsbeginsel, bv. in het mededingingsrecht of bij de ontwikkeling van nieuwe medische procedures, iets kan afdoen aan de bereidheid om risico’s te nemen in de zoektocht naar nieuwe oplossingen. |
|
4.11. |
Volgens het EESC vergt dit — ondanks onbetwistbaar Europees succes in onderzoek en ontwikkeling, alsook in tal van economische sectoren — niet alleen de voltooiing van de interne markt en de Europese onderzoeksruimte, maar ook een analyse van de meer fundamentele redenen waarom het bedrijfsklimaat in Europa in vergelijking met bv. de VS of bepaalde Aziatische landen veel minder innovatievriendelijk is. Waarom zijn Google, Microsoft, Facebook of Monsanto geen Europese bedrijven? Of waarom heeft Europa geen „beter” Google of Monsanto voortgebracht die meer oog hebben voor de zorgen van de burger en onder de invloed van de Europese politiek groot geworden zijn? |
|
4.12. |
Er moet een cultuuromslag plaatsvinden in de zin dat innovatie niet vooral wordt gezien als een risico of een bedreiging, maar als een opstap naar verdere ontwikkeling, meer banen, Europese economische groei en concurrentiekracht, en naar de totstandbrenging van een Europees sociaal model. Er moet een nieuw en beter evenwicht worden gevonden tussen voorzichtigheid en durf, tussen kleine risico’s en grote gevaren, tussen regulering en ruimte voor initiatief. |
Brussel, 11 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) COM(2010) 546 final.
(2) Science as Public Culture — Jan Golinski — Cambridge University Press.
(3) Bv. PB C 132 van 3.5.2011, blz. 39, PB C 181 van 21.6.2012, blz. 111, PB C 44 van 15.2.2013, blz. 88, PB C 76 van 14.3.2013, blz. 31, PB C 76 van 14.3.2013, blz. 43, PB C 341 van 21.11.2013, blz. 35, PB C 67 van 6.3.2014, blz. 132.
(4) Zie bv. B. Clayton en M. Christensen, The Innovator's Dilemma, Harper Business.
(5) PB C 132 van 3.5.2011, blz. 39.
(6) Zie voetnoot 3.
(7) PB C 218 van 11.9.2009, blz. 8.
(8) PB C 67 van 6.3.2014, blz. 132.
(9) PB C 218 van 11.9.2009, blz. 8.
(10) PB C 110 van 30.4.2004, blz. 3 en PB C 76 van 14.3.2013, blz. 31.
(11) Persmededeling van de Commissie van 1 oktober 2014.
(12) http://home.web.cern.ch/topics/birth-web.
(13) COM: Towards Responsible Research and Innovation in the Information and Communication Technologies and Security Technologies Fields, ISBN 978-92-79-20404-3.
(14) Bv. www.consider-project.eu.
(15) PB C 132 van 3.5.2011, blz. 39.
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/66 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten
(COM(2014) 368 final)
(2015/C 230/10)
|
Rapporteur: |
Denis MEYNENT |
De Europese Commissie heeft op 1 oktober 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de
„Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten”
COM(2014) 368 final.
De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 19 november 2014 goedgekeurd.
Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) het volgende advies uitgebracht, dat met 136 stemmen vóór en 2 tegen, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC neemt kennis van de stand van zaken betreffende de uitvoering van het REFIT-programma van de Commissie. Het is verheugd dat de Commissie het verloop en de instrumenten ervan tracht te verbeteren. Wat het principe betreft herinnert het EESC aan zijn eerdere adviezen (1). |
|
1.2. |
Het EESC is voorstander van het verminderen van de lasten voor kleine en middelgrote ondernemingen en microbedrijven (kmo-test) en voor burgers wanneer er een eenvoudigere manier is om het streven en de doelstellingen van de desbetreffende regelgeving te bereiken. Een goede openbare governance vereist echter dat de nodige essentiële informatie en gegevens voorhanden zijn om beleidsmaatregelen te kunnen invoeren, controleren en evalueren. |
|
1.3. |
Het EESC herinnert eraan dat het beginsel van Think Small First niet inhoudt noch mag inhouden dat microbedrijven en kmo’s de wetgeving niet hoeven toe te passen. De bedoeling is dat bij het opstellen van wetgeving rekening wordt gehouden met het feit dat deze ook zal gelden voor kleine entiteiten. De verwezenlijking van de beoogde doelstelling van de wetgeving mag daardoor echter niet in het gedrang komen. |
|
1.3.1. |
Het EESC benadrukt dat de toepassing van dit beginsel niet in strijd mag zijn met het algemeen belang, op grond waarvan burgers, werknemers en consumenten beschermd moeten worden tegen de risico’s die zij lopen. |
|
1.4. |
De constateringen met betrekking tot de tekortkomingen van de effectbeoordelingen op sociaal en milieugebied en met betrekking tot het gevolg dat aan de raadplegingen wordt gegeven, baren het EESC grote zorgen. Het verzoekt de Commissie transparanter te zijn en toe te lichten waarom deze of gene (voorgestelde) bepaling al dan niet aan een effectbeoordeling en/of ex-postevaluatie wordt onderworpen. |
|
1.5. |
Het EESC verzoekt de Commissie om geïntegreerde beoordelingen en evaluaties op te stellen waarbij de drie dimensies (economische, sociale en milieudimensie) met elkaar in evenwicht zijn. De door de Commissie beoogde doelstellingen zijn namelijk alleen haalbaar indien al deze dimensies alsook de zorgen van alle belanghebbende partijen in acht worden genomen. |
|
1.6. |
Slimme regelgeving betekent volgens het EESC niet dat men zich mag onttrekken aan de regelgeving inzake de bescherming van burgers, consumenten en werknemers, de voorschriften inzake gelijkheid van vrouwen en mannen en de milieuvoorschriften. Evenmin mag slimme regelgeving verbeteringen in de weg staan. |
|
1.7. |
Het EESC vindt dat slimme wetgeving geen afbreuk mag doen aan de sociale dimensie van de eengemaakte markt, zoals voorzien in het Verdrag, met name wat betreft de omzetting van de overeenkomsten die in het kader van de Europese sociale dialoog zijn gesloten. |
|
1.8. |
Het EESC verzoekt de Commissie om beter rekening te houden met de standpunten die tijdens de raadplegingen zijn verwoord en aan te geven hoe zij dat heeft gedaan (c.q. waarom zij dat niet heeft gedaan). Meer algemeen stelt het de Commissie voor om de raadplegingen een interinstitutionele en representatieve grondslag te geven, waarbij de capaciteiten van reeds bestaande representatieve of daarmee gelijkgestelde organen, zowel op Europees als op nationaal en regionaal niveau, worden benut. |
|
1.9. |
Het EESC is voornemens gehoor te geven aan de algemene oproep tot samenwerking van de Commissie aan de sociale partners en het maatschappelijk middenveld. Het is bereid om actiever aan het programma deel te nemen, zonder daarbij afbreuk te doen aan andere vormen van de Europese sociale dialoog. |
|
1.10. |
Het EESC kan instemmen met de door de Commissie voorgestelde ex-postevaluaties, mits deze pas na enige tijd worden uitgevoerd. Gebeurt dit niet, dan zou REFIT een bron van voortdurende instabiliteit en rechtsonzekerheid voor burgers en bedrijven zijn. |
|
1.11. |
Volgens het EESC beschikt de Commissie inmiddels zelf over de nodige deskundigheid om het proces te verbeteren. Het EESC kan zich alleen vinden in het voorstel van de Commissie om een groep op hoog niveau op te richten die toekomstige werkzaamheden moet begeleiden, indien deze groep een echte meerwaarde oplevert. |
2. Samenvatting van het Commissiedocument — Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten
|
2.1. |
In aansluiting op haar eerdere REFIT-mededelingen (2) in samenhang met haar mededelingen over „Beter wetgeven” (3) en „Slimme regelgeving” herinnert de Commissie eraan dat de regelgeving van de Europese Unie een cruciale rol bij de ondersteuning van groei en werkgelegenheid speelt. |
|
2.2. |
Zij benadrukt dat dit allerlei verwachtingen wekt, zowel bij ondernemingen (gelijk speelveld en bevordering van het concurrentievermogen) als bij het publiek (bescherming van zijn belangen, met name op het vlak van gezondheid en veiligheid, de kwaliteit van het milieu en het recht op privacy). |
|
2.3. |
Het gaat erom deze wetgeving eenvoudig te houden. Er mag niet verder worden gegaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is om beleidsdoelstellingen te realiseren en overlapping van regelgevingsniveaus te voorkomen. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC steunt de algemene doelstellingen van het door de Commissie ontwikkelde REFIT-programma en verwijst met name naar zijn adviezen (4) over het programma „Beter wetgeven” en „Slimme regelgeving”, waarbij ook aandacht uitgaat naar de behoeften van kmo’s. |
|
3.2. |
Het EESC is voorstander van het beperken van de kosten en lasten voor kleine, middelgrote en microbedrijven en burgers. De Commissie zou meer oog voor kwaliteit in plaats van kwantiteit moeten hebben en prioriteit moeten geven aan vermindering van de administratieve lasten, die niet alleen kosten inhouden voor ondernemingen, maar ook hun concurrentievermogen aantasten en innovatie en nieuwe banen in de weg staan. Het spreekt voor zich dat daarbij rekening moet worden gehouden met het streven en de doelstellingen die aan de invoering van verplichtingen ten grondslag liggen. |
|
3.3. |
Terwijl voorkomen moet worden dat allerlei overbodige informatie wordt verlangd, vereist een goed openbaar bestuur wel dat de nodige essentiële informatie en gegevens voorhanden zijn om beleidsmaatregelen te kunnen invoeren, controleren en evalueren. |
|
3.4. |
Het EESC is het met de Commissie eens dat de noodzaak van rechtszekerheid en voorspelbaarheid tegen snelle oplossingen en op het eerste gezicht aanlokkelijke regelingen pleit. Ter wille van de voorspelbaarheid, rechtszekerheid en transparantie dient iedere herziening van de wetgeving zorgvuldig te worden overwogen en gericht te zijn op de lange termijn. |
|
3.5. |
Het EESC herinnert eraan dat slimme regelgeving niet betekent dat men zich mag onttrekken aan de regelgeving inzake de bescherming van burgers, consumenten en werknemers („de rechten van werknemers niet mag ondermijnen en hun basisniveau van bescherming, uit het oogpunt van met name gezondheid en veiligheid op het werk, niet mag verminderen” (5)), de voorschriften inzake gelijkheid van vrouwen en mannen en de milieuvoorschriften. Slimme regelgeving moet verdere ontwikkeling en verbetering mogelijk maken. |
|
3.6. |
De Commissie wijst erop dat het REFIT-programma vastgestelde beleidsdoelstellingen onverlet moet laat en ook niet ten koste mag gaan van de gezondheid en veiligheid van burgers, consumenten, werknemers of het milieu. Het EESC is hier weliswaar mee ingenomen, maar benadrukt dat het er niet slechts om gaat te voorkomen dat de gezondheid van burgers wordt aangetast; de bedoeling is dat wordt opgetreden uit hoofde van het algemeen belang en van een adequate bescherming van burgers tegen alle risico’s die zij lopen, al dan niet wat hun gezondheid betreft. De Europese Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 26—27 juni 2014 en 4 februari 2014 soortgelijke zorgen geuit (6). |
|
3.7. |
Het EESC vindt dat slimme wetgeving geen afbreuk mag doen aan de sociale dimensie van de eengemaakte markt, zoals voorzien in het Verdrag, met name wat betreft de omzetting van de overeenkomsten die in het kader van de Europese sociale dialoog tussen de sociale partners zijn gesloten. |
|
3.8. |
REFIT moet volgens het EESC een gemeenschappelijk doel van de EU, de lidstaten, de sociale partners en andere belanghebbende partijen worden, zoals de Commissie ook voor ogen heeft. Het is van cruciaal belang vertrouwen te wekken en ervoor te zorgen dat er geen enkel misverstand over de doelstellingen van het programma bestaat. Feit is namelijk dat sommige belanghebbende partijen en burgers door bepaalde aangekondigde of getroffen maatregelen (7) wantrouwig zijn geworden. |
|
3.9. |
Volgens het EESC zijn de door de Commissie beoogde doelstellingen namelijk alleen haalbaar indien de zorgen van alle belanghebbende partijen in acht worden genomen. |
4. Uitvoering van het programma
|
4.1. |
Het EESC neemt kennis van de stand van zaken betreffende de uitvoering van het REFIT-programma. Het is in het bijzonder verheugd dat de Commissie de instrumenten ervan tracht te verbeteren, met name door een raadpleging over het uitvoeren van effectbeoordelingen en over het raadplegingsproces zelf te houden. Het is immers van cruciaal belang dat deze horizontale elementen van REFIT boven alle kritiek zijn verheven. |
|
4.2. |
Nevenschikking van ex-postevaluaties en effectbeoordelingen mag niet tot gevolg hebben dat democratisch goedgekeurde regels in de praktijk niet worden toegepast. Het EESC kan instemmen met de door de Commissie voorgestelde ex-postevaluaties, mits deze pas na enige tijd worden uitgevoerd. Een ex-postevaluatie heeft namelijk pas zin als deze enkele jaren na het verstrijken van de omzettingstermijn plaatsvindt. Gebeurt dit niet, dan zou REFIT een bron van voortdurende instabiliteit en rechtsonzekerheid voor burgers en bedrijven zijn. |
|
4.3. |
Het EESC is ingenomen met het feit dat de Commissie herhaaldelijk aangeeft dat de sociale partners, het maatschappelijk middenveld en het midden- en kleinbedrijf (mkb) bij een en ander betrokken moeten worden. Tot op heden is eerder sprake geweest van een beginselverklaring dan van een gestructureerde praktijk om de voorstellen van de sociale partners te bespreken en in aanmerking te nemen. |
|
4.3.1. |
Zo ook acht het EESC het onontbeerlijk dat de vertegenwoordigende organisaties van het maatschappelijk middelveld, de vakbonden en het mkb via de aangewezen kanalen worden betrokken en geraadpleegd. |
4.4. De effectbeoordelingen
|
4.4.1. |
In de verslagen (8) van de dienst voor effectbeoordelingen over 2012 en 2013 wordt aangegeven waar in het proces ruimte is voor verbetering en wat er in dat opzicht is gedaan. De belangrijkste punten zijn:
|
|
4.4.2. |
In zijn verslag over 2013 wijst de dienst voor effectbeoordelingen erop dat hij veel minder adviezen over de beoordeling van de effecten op kmo’s en microbedrijven heeft uitgebracht. Hij schrijft dit toe aan het feit dat de Commissie beter rekening met deze effecten houdt, met name wat de toepassing van de omgekeerde bewijslast voor microbedrijven betreft. De dienst voor effectbeoordelingen benadrukt dat het aantal beoordelingen van de effecten op het concurrentievermogen ten opzichte van 2012 aanzienlijk is gestegen (met 30 %). Opnieuw wijst de dienst voor effectbeoordelingen op het gebrek aan transparantie over de standpunten en kritiek die tijdens de raadplegingen zijn verwoord, evenals op de noodzaak om beter uit te leggen hoe de zorgen die naar voren zijn gebracht, in aanmerking zijn genomen. |
|
4.4.3. |
Het EESC verheugt zich over het feit dat de Commissie en de dienst voor effectbeoordelingen de kwaliteit van het proces trachten te verbeteren. Het wijst erop dat de beoordelingen van de effecten op kmo’s en microbedrijven inmiddels veel meer in aanmerking lijken te worden genomen, iets waarop het in zijn eerdere adviezen over de beginselen van de Small Business Act, van Think Small First en van de kmo-test ook heeft aangedrongen. Deze inspanningen dienen voortgezet te worden. Het EESC herinnert eraan dat het beginsel van Think Small First niet inhoudt noch mag inhouden dat microbedrijven en kmo’s de wetgeving niet hoeven toe te passen. De bedoeling is dat bij het opstellen van wetgeving rekening wordt gehouden met het feit dat deze ook zal gelden voor kleine entiteiten. De verwezenlijking van de doelstelling van de wetgeving mag daardoor echter niet in het gedrang komen. Deze beginselen betekenen niet dat het toepassingsgebied van een regeling uitsluitend afhangt van de ondernemingsgrootte en zij mogen ook niet in strijd zijn met het algemeen belang, op grond waarvan burgers, werknemers en consumenten beschermd moeten worden tegen de risico’s die zij lopen. |
|
4.4.4. |
Een aantal van de genoemde constateringen baren het Comité zeer grote zorgen. Het blijkt namelijk dat niet alleen de effecten op economisch, sociaal en milieugebied, maar ook op een hele reeks andere terreinen worden beoordeeld (9), ondanks het feit dat de kwaliteit van de analyses van de sociale en milieuaspecten volgens de dienst voor effectbeoordelingen soms te wensen overlaat. Het EESC wil zich er dan ook van vergewissen dat de Commissie over de nodige middelen beschikt om bij al deze analyses grondig te werk te gaan, zonder dat dit ten koste gaat van de aangegeven kwaliteit, verhoudingen, doelstellingen, meetinstrumenten en parameters. |
|
4.4.5. |
Tot slot is het niet duidelijk waarom sommige projecten of voorstellen, met name op Ecofin-gebied (twopack, sixpack) niet aan een effectbeoordeling zijn onderworpen. Dit versterkt bij sommige belanghebbende partijen de indruk dat het proces meer gericht is op economische aspecten (en concurrentievermogen) dan op de twee andere pijlers. Zoals de Commissie benadrukt is vereenvoudiging een doel dat door iedereen onderschreven en gedeeld moet worden, op basis van solide en geloofwaardige analyses. |
|
4.4.6. |
Het EESC verlangt dan ook van de Commissie:
|
|
4.4.7. |
Het EESC betreurt dat de Commissie in haar mededeling niet expliciet verwijst naar zijn rol als adviesorgaan van het maatschappelijk middenveld, dat adviezen over essentiële aspecten van de EU-wetgeving uitbrengt. Het is voornemens gehoor te geven aan de meer algemene oproep tot samenwerking van de Commissie aan de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, en is dan ook bereid om door middel van raadpleging of zijn deskundige inbreng een actievere bijdrage aan de verbetering van het proces te leveren. |
4.5. Het raadplegingsproces
|
4.5.1. |
Hoewel de Commissie de essentiële rol van de raadpleging van de belanghebbende partijen in het proces benadrukt, wordt het resultaat ervan niet altijd in aanmerking genomen. Bovendien wordt de kwaliteit van het proces aangetast door de lage respons op open raadplegingen van de Commissie, de representativiteit van de respondenten en daarmee de soms weinig representatieve aard van de antwoorden. Het EESC vraagt zich af of dit verklaard kan worden door de toename van het aantal raadplegingen; het vergt immers tijd, personeel en geld om deze zorgvuldig in te vullen. Overigens lijken de vragen soms suggestief te zijn, hetgeen een schaduw kan werpen op de objectiviteit en de onpartijdigheid van het proces. |
|
4.5.2. |
„Raadpleging” vormt de grondslag van gedegen, op wetenschappelijke feiten gebaseerde wetgevingsvoorstellen. Een vroegtijdige en toereikende raadpleging van ondernemingen, met name kmo’s, en hun vertegenwoordigers maakt het mogelijk om besluiten te nemen op basis van de feiten en de ervaringen en standpunten van degenen tot wie de wetgeving is gericht en die bij de implementatie van de wetgeving zijn betrokken. Hetzelfde geldt voor de raadpleging van de verschillende organisaties die burgers vertegenwoordigen (werknemers en uitkeringsgerechtigden, consumenten, enz.). |
|
4.5.3. |
Het EESC dringt erop aan dat de hoogste prioriteit uitgaat naar de sociale partners en de betrokken vertegenwoordigende organisaties. Het is gebleken dat het rechtstreeks en individueel raadplegen van kmo’s en consumenten inefficiënt is en anekdotes in plaats van representatieve resultaten oplevert. De betrokken organisaties moeten bovendien werkelijk de mogelijkheid krijgen om deel te nemen aan het opstellen van de raadplegingen en enquêtes. |
|
4.5.4. |
Het EESC vraagt zich dan ook af of het niet beter zou zijn om de raadpleging een interinstitutionele en representatieve grondslag te geven, waarbij de hulpbronnen van reeds bestaande representatieve organen worden benut en zo nodig nieuwe worden gecreëerd. |
|
4.5.5. |
Het stelt voor dat de raadplegingen mede uitgaan van de bestaande representatieve organisaties op EU- en lidstaatniveau. Mochten dergelijke organisaties ontbreken, dan kan in plaats daarvan gebruik worden gemaakt van de raadplegingsstructuren die voorhanden zijn. |
|
4.5.6. |
Het EESC beveelt aan de expertise en het potentieel van de Europese federaties van werkgevers, ondernemingen, vakbonden en ngo’s te benutten en ook het uitvoeren van de nodige enquêtes en studies aan hen over te laten in plaats van alleen aan particuliere consultants. |
|
4.5.7. |
Het EESC is in ieder geval bereid om in dit verband zijn verantwoordelijkheid te nemen, zonder daarbij afbreuk te willen doen aan andere vormen van de Europese sociale dialoog. |
5. Specifieke opmerkingen
|
5.1. |
Het EESC vindt dat het REFIT-programma zowel ambitieus als eenvoudig, helder en transparant moet zijn. |
|
5.2. |
Het feit dat agenda’s en programma’s steeds vaker een naam krijgen (beter wetgeven, slimme regelgeving, Think Small First enz.) heeft tot enige verwarring geleid. |
De rangorde van en verbanden tussen deze programma’s en projecten moeten worden verduidelijkt, zodat het publiek begrijpt tot wie ze gericht zijn.
|
5.3. |
De sterke toename van het aantal organen dat aan het proces deelneemt, alsook van het aantal kanalen voor raadpleging over en behandeling van de voorstellen maakt de werkzaamheden er niet transparanter op. |
|
5.4. |
Gezien het streven naar efficiëntie en transparantie en gezien de bestaande mechanismen, o.a. binnen het Europees Parlement, zal het EESC zich alleen kunnen vinden in het voorstel van de Commissie om een groep op hoog niveau op te richten die toekomstige werkzaamheden moet begeleiden, indien wordt aangetoond dat deze groep een echte meerwaarde oplevert. Volgens het EESC beschikt de Commissie inmiddels zelf over de nodige deskundigheid om het proces te verbeteren. |
|
5.5. |
De Commissie vindt dat alle stadia van het wetgevingsproces — ook amendementen die door de medewetgevers worden ingediend — aan een effectbeoordeling onderworpen moeten worden. In een bestel met twee medewetgevers waarin in het algemeen een compromis wordt nagestreefd, lijkt het niet wenselijk dat een van hen het laatste woord heeft waar het om effectbeoordelingen gaat (gevaar voor ondergraving van de besluitvormingsregels in het Verdrag). |
|
5.6. |
Het EESC herinnert er overigens aan dat het doel van het REFIT-programma ook betrekking heeft op de toepassing van het recht in de EU. Volgens de richtsnoeren inzake effectbeoordelingen van de Commissie moet namelijk in bepaalde gevallen worden nagegaan of het desbetreffende probleem in sommige gevallen niet ook opgelost kan worden door het recht daadwerkelijk toe te passen. |
|
5.7. |
Het EESC is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om de concrete omzetting van richtlijnen in de lidstaten te begeleiden en te controleren. Het wijst op de constateringen in het 30e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (10), waarin wordt gesteld dat gevallen van achterstand en niet-naleving vooral voorkomen op het gebied van milieu, vervoer en belastingen. Het EESC is bezorgd over het feit dat de problemen zich in 2012 hoofdzakelijk voordeden op het vlak van vervoer, gevolgd door gezondheid, consumenten, milieu, interne markt en diensten. |
|
5.8. |
Het EESC is van mening dat allerlei uitzonderingen in willekeurige sectoren ertoe zullen leiden dat lidstaten „à la carte” nationale regels gaan opstellen, waardoor de regelgeving complexer zal worden en de rechtsonzekerheid op de interne markt zal toenemen. In eerdere adviezen heeft het EESC er al voor gepleit om, waar dat gepast is, systematischer gebruik te maken van verordeningen; hiermee zou dit probleem deels worden opgelost en bovendien voor een grotere rechtszekerheid worden gezorgd. |
|
5.9. |
Het EESC heeft in zijn adviezen over „gold-plating” en slimme regelgeving reeds aangedrongen op een betere kwaliteit van de wetgevingsteksten die worden goedgekeurd. Op dit vlak moeten nadere stappen worden gezet, zodat de beleidsdoelstellingen van de Europese Unie op doeltreffende wijze gerealiseerd kunnen worden. |
|
5.10. |
Het EESC herinnert er tevens aan dat zelfregulering en/of coregulering in sommige gevallen een doeltreffende preventieve methode of nuttige aanvulling op wetgevingsmaatregelen kan zijn, mits er sprake is van een uitgebreid, duidelijk en strak omlijnd wetgevingskader dat gebaseerd is op de beginselen van transparantie, onafhankelijkheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) PB C 48 van 15.2.2011, blz. 107, PB C 248 van 25.8.2011, blz. 87 en PB C 327 van 12.11.2013, blz. 33.
(2) „Gezonde EU-regelgeving” COM(2012) 746 final en „Gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): resultaten en volgende stappen” COM(2013) 685 final.
(3) „Derde strategische evaluatie van betere regelgeving in de Europese Unie” COM(2009) 15 final, mededeling van de Commissie „Slimme regelgeving in de Europese Unie” COM(2010) 543 final, mededeling van de Commissie „Slimme regelgeving — Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen” COM(2013) 122 final.
(4) PB C 327 van 12.11.2013, blz. 33, PB C 248 van 25.8.2011, blz. 87 en PB C 48 van 15.2.2011, blz. 107.
(5) PB C 327 van 12.11.2013, blz. 33.
(6) Resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2014 over gezonde EU-regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid — negentiende verslag „De wetgeving verbeteren” 2011, waarin niet alleen wordt onderstreept dat wetgeving eenvoudig, doeltreffend en efficiënt, gemakkelijk begrijpelijk tegen minimale kosten toegankelijk moet zijn, maar ook dat „de effectbeoordeling van nieuwe regelgeving betreffende kmo’s en grote bedrijven niet mag leiden tot discriminatie van werknemers op grond van de omvang van het bedrijf waar zij in dienst zijn noch tot de verslechtering van de grondrechten van werknemers, met inbegrip van de rechten op informatie en raadpleging, of van hun arbeidsomstandigheden, het welzijn op het werk en de rechten op het gebied van sociale zekerheid, en eveneens geen belemmering mag vormen voor de verbetering van deze rechten of hun bescherming op de werkplek tegen bestaande en nieuwe beroepsrisico’s”.
Ook de Europese Raad van 26 en 27 juni 2014 heeft „de Commissie, de andere EU-instellingen en de lidstaten […] verzocht het Refitprogramma op ambitieuze wijze te blijven uitvoeren, rekening houdend met de bescherming van consumenten en werknemers, en met gezondheids- en milieuoverwegingen”.
(7) Men name maatregelen die betrekking hebben op Reach, het milieu, het acquis op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk, de bescherming van zwangere werkneemsters en een betere toegang tot ouderschapsverlof, gezondheid en veiligheid op het werk in kapsalons, spier- en skeletaandoeningen, carcinogene of mutagene agentia, tachografen, werktijden, deeltijdwerk, tijdelijk werk, informatie en raadpleging, informatie inzake arbeidscontracten, etikettering van voedingsmiddelen en milieukeuren, bijsluiters bij geneesmiddelen en de verplichtingen inzake het verstrekken van informatie over de kosten van financiële diensten.
(8) IAB Report 2012, IAB Report 2013.
(9) Op de site van de Commissie staan de volgende referentiedocumenten op het gebied van effectbeoordelingen (in het Engels): Commission Impact Assessment Guidelines (January 2009) Guidelines; Annexes 1-13; andere referentiedocumenten van de DG’s Operational Guidelines to Assess Impacts on Micro-Enterprises (secretariaat-generaal + DG Ondernemingen en Industrie); Operational Guidance for Assessing Impacts on Sectoral Competitiveness within the Commission Impact Assessment System — A „Competitiveness Proofing” Toolkit for use in Impact Assessments; Operational Guidance on taking account of Fundamental Rights in Commission Impact Assessments; Assessing Social Impacts; Assessing Territorial Impacts: Operational guidance on how to assess regional and local impacts within the Commission Impact Assessment System.
(10) http://ec.europa.eu/eu_law/docs/docs_infringements/annual_report_30/com_2013_726_nl.pdf
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/72 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité „Naar een hernieuwde consensus over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten: een EU-actieplan”
(COM(2014) 392 final)
(2015/C 230/11)
|
Rapporteur: |
Pedro Augusto ALMEIDA FREIRE |
Op 16 juli 2014 heeft de Commissie besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de
„Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité „Naar een hernieuwde consensus over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten: een EU-actieplan””
COM(2014) 392 final.
De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 19 november 2014 goedgekeurd.
Het EESC heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) onderstaand advies uitgebracht, dat met 144 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC steunt de algemene benadering van de Commissie die bestaat uit goedkeuring van
Uitgangspunt daarbij is dat inbreuken op IER een wereldwijd verschijnsel zijn en daarom een totaalaanpak vergen. |
|
1.2. |
Het EESC staat achter de doelstelling van het actieplan (bestrijding van commerciële inbreuken op IER) omdat die inbreuken schadelijk zijn voor investeringen in innovatie en voor het scheppen van duurzame werkgelegenheid in de Europese Unie en tevens de inkomsten van de schatkist aantasten. |
|
1.3. |
Verder neemt het kennis van de steeds crucialere rol die het Harmonisatiebureau voor de interne markt (HBIM) speelt bij het ontwerpen en flankeren van de strategieën van de Commissie ter bevordering en bescherming van de IER, waaronder dit actieplan waarin een „meersporenbeleid” wordt voorgesteld. |
|
1.4. |
Ook steunt het EESC de pragmatische benadering van de Commissie: zij wil zowel meer ruimte maken voor de „follow the money”-aanpak als de belanghebbenden bij de maatregelen betrekken. |
|
1.5. |
Het EESC steunt het meersporenbeleid van de Commissie mits de verschillende maatregelen in kwantitatief en kwalitatief opzicht beter worden omschreven en gespecificeerd, en is vooral blij dat het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten (hierna het „Waarnemingscentrum”) voorlichtingscampagnes heeft opgezet om niet alleen jongeren (1) bewust te maken van de gevolgen van schending van de intellectuele-eigendomsrechten, maar ook rechters en juridische beroepsbeoefenaars (2). |
|
1.6. |
Daarnaast heeft de Commissie, tot genoegen van het EESC, oog voor de vergemakkelijking van de toegang tot de rechter voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s/mkb) (3) en schaart het EESC zich achter het Europese project IPorta, een ondersteuningssysteem voor deze ondernemingen, waarbij gekeken wordt naar kwesties in verband met de bescherming van IER en nationale bijstand wordt gecoördineerd. |
|
1.7. |
Het EESC verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de middelen voor toegang tot en effectieve bescherming van intellectuele eigendom in Europa toegankelijk zijn — ook in financieel opzicht — voor alle bedrijven, ongeacht hun omvang. |
|
1.8. |
Wel valt het te betreuren dat de Commissie zich beperkt tot instrumenten van niet-wetgevende aard en niet eens de vraag stelt of het niet nuttig zou zijn om de bestaande wetgevingsinstrumenten te evalueren en eventueel te herzien. Op dit punt had zij wel wat ambitieuzer kunnen zijn en ook dit aspect in overweging kunnen nemen. |
|
1.9. |
Verder heeft het EESC zijn twijfels bij het belang dat de Commissie lijkt te hechten aan de toepassing van vrijblijvende maatregelen als vrijwillige overeenkomsten en goede praktijken op een terrein dat te lijden heeft onder namaak en piraterij. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Het voorgestelde actieplan omvat tien specifieke maatregelen, waarmee de Commissie een nieuw beleid wil voeren: instrumenten ontwikkelen en gebruiken om vooral inbreuken op commerciële schaal op IER te bestrijden. Die inbreuken zijn van het meest schadelijke soort en belichamen een grote uitdaging voor de EU omdat zij een negatief effect hebben op investeringen in innovatie en het scheppen van duurzame werkgelegenheid en ook belastinginkomsten verloren doen gaan. |
|
2.2. |
Het nieuwe instrumentarium, voor het moment bestaande uit maatregelen van niet-wetgevende aard, omvat een reeks maatregelen die op de „follow the money”-benadering zijn gebaseerd. Doel is „commerciële” inbreukmakers weg te houden van middelen om nagemaakte producten te promoten en te verspreiden en hun opbrengsten te ontnemen. |
|
2.3. |
Onderhavig actieplan en de strategie voor de bescherming en handhaving van IER in derde landen hebben gemeenschappelijke doelstellingen:
|
|
2.4. |
Daarnaast vormt bewustmaking, via discussies en voorlichting, van consumenten en producenten van de gevolgen van schendingen van IER een ander belangrijk onderdeel van de voorgestelde maatregelen. |
|
2.5. |
Op Europees niveau zullen de maatregelen ten uitvoer worden gelegd door de Commissie en waar passend in samenwerking met het HBIM, dat sinds juni 2012 ook het Waarnemingscentrum herbergt (4). Uit een door het Waarnemingscentrum op 25 november 2013 uitgebrachte studie (5) blijkt dat de respondenten, en vooral de jongeren, zich slechts in geringe mate bewust zijn van de impact die IER-schendingen kunnen hebben op het behouden en scheppen van banen die verband houden met intellectuele eigendom. Ook bleek dat jonge Europeanen het gevoel hebben dat vooral grote bedrijven profiteren van de IE-regelingen. |
|
2.6. |
De Commissie heeft dus gekozen voor een meersporenbeleid, en dat is mede ingegeven door de analyse van de redenen waarom nagemaakte goederen steeds populairder worden bij de „IT-generatie”. Haar strategie omvat ook de ontwikkeling door het Waarnemingscentrum van communicatiemiddelen om de Europese burgers bewust te maken van de negatieve gevolgen van IER-inbreuken voor met name de werkgelegenheid en de economie. |
3. Bijzondere opmerkingen
|
3.1. |
De Commissie gaat tot op heden nog niet gedetailleerd in op de inhoud van de maatregelen, maar zij zal wel tot raadpleging overgaan over de instrumenten van niet-wetgevende aard, waaronder de „follow the money”-benadering. Zoals opgemerkt strekt die benadering ertoe commerciële inbreukmakers weg te houden van de middelen om vervalste producten te promoten en te verspreiden en hun opbrengsten te ontnemen. Die instrumenten zullen transparant en zorgvuldig worden ontwikkeld, zodat zij efficiënt kunnen worden ingezet bij de bestrijding van IER-schendingen. |
|
3.2. |
Het geheel zal worden geschraagd door coördinatie tussen de Europese autoriteiten en discussies en onderhandelingen met derde landen. Het gaat er bv. om, „de invoer en verspreiding van namaakproducten op de interne markt en die van derde landen met alle mogelijke middelen effectief te ontmoedigen en te verhinderen”. |
|
3.3. |
Deze instrumenten van niet-wetgevende aard berusten op de goede wil van betrokkenen. Verder zullen zij stoelen op bestaande wetgevingsinstrumenten en wordt er dus niet naar nieuwe gegrepen. Het voordeel van dergelijke onderhandelde oplossingen schuilt in de snelheid van tenuitvoerlegging. Ook kan middels deze preventieve maatregelen efficiënter een beroep op de civiele rechter worden gedaan. Maar daartoe moeten de maatregelen wel transparant worden ontworpen en dient er tevens rekening te worden gehouden met de in het geding zijnde openbare belangen. |
|
3.4. |
Het EESC vindt dat deze beperkte aanpak in de vorm van zelfregulering („vrijwillige overeenkomsten” of „goede praktijken”) wetgeving niet kan vervangen op gebieden waar doeltreffende regelgeving geboden is. |
4. De notie „op commerciële schaal”
|
4.1. |
Deze notie, waarvoor de maatregelen uit het actieplan zijn bedoeld, is veel ruimer dan op het eerste gezicht zou lijken. De Commissie toont zich in dit verband in haar plan overigens tamelijk laconiek, maar het EESC wijst erop dat de notie reeds bestaat in de EU-regelgeving en dat zij kan worden gebruikt om het effect van rechterlijke bevelen en civiele sancties op te voeren. |
|
4.2. |
Ook benadrukt het EESC dat „commerciële schaal” betrekking kan hebben op transacties die niet noodzakelijkerwijs een „commercieel doel” hebben. |
|
4.3. |
De notie is te vinden in Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (6) en vormt de basis voor het inleiden van bepaalde civiele procedures. Zo kan de nationale rechter aan de hand van het criterium „op commerciële schaal” conservatoire maatregelen opleggen, zoals conservatoir beslag op roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden (artikel 9, lid 2, van de Richtlijn). In bepaalde lidstaten wordt het criterium ook gebruikt om strafrechtelijke sancties op te leggen, maar het EU-recht bevat dit criterium niet. |
|
4.4. |
Er zijn nog meer EU-regelingen die soortgelijke noties als „commerciële schaal” kennen. Zo bevat Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (7) de concepten „commerciële aard”, „commercieel oogmerk”, „direct of indirect economisch of commercieel voordeel” of „commercieel gebruik”. Artikel 13, lid 1, onder a), van Richtlijn 98/71/EG van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen (8) heeft betrekking op beperkingen op het modelrecht en luidt als volgt: „De rechten op een ingeschreven model mogen niet geldend worden gemaakt voor handelingen in de particuliere sfeer en voor niet-commerciële doeleinden.”. |
|
4.5. |
Kortom, de rechter zal zich dus van geval tot geval moeten uitspreken, hetgeen zou kunnen resulteren in een gebrek aan samenhang en pertinentie en dus aan onzekerheid. |
|
4.6. |
De diensten van de Commissie zijn zich bewust van de dubbelzinnigheid van de notie en de daaruit voortvloeiende rechtsonzekerheid. Zij hebben het Waarnemingscentrum dan ook gevraagd om de nationale rechtspraak betreffende schendingen van de IER te verzamelen en zulks onder meer om het concept te verfijnen. Verder werd er op 19 september 2014 een eerste economische workshop georganiseerd nadat er een oproep tot indienen van blijken van belangstelling om de economische concepten van de IE te analyseren naar de universitaire kringen was uitgegaan. Bij die gelegenheid hebben een aantal specialisten van gedachten gewisseld over de aanwending in de praktijk van de concepten „op commerciële schaal” en „commercieel oogmerk” en zulks in de context van inbreuken op IE (9) en middelen om deze in een economisch perspectief te plaatsen. |
|
4.7. |
Gegeven het belang van deze kwestie zou het EESC graag zien dat de diensten van de Commissie de zaak onderzoeken en hun bevindingen meedelen aan de belanghebbenden, het maatschappelijk middenveld inbegrepen. |
5. „Follow the money”
|
5.1. |
De mededeling heeft betrekking op verspreiding via zowel internet als fysieke kanalen. Zij gaat over de inbreuk op IER op digitale en non-digitale producten die afbreuk doen aan creatie, promotie, verspreiding en gebruik ervan. De „follow the money”-benadering is er dus op gericht om inbreukmakers van illegale handel af te schrikken. |
|
5.2. |
Bedoeling is ook dat alle belanghebbenden bij IE-intensieve producten de nodige voorzorgsmaatregelen nemen om hun marktpositie te handhaven. Investeringen in creatieve en innovatieve activiteiten dienen het hoofdstreven op deze markten te blijven, want innovatie is het sleutelwoord. |
|
5.3. |
Op die manier zou het vertrouwen in de digitale markten moeten worden versterkt en de verspreiding van competitieve IE-intensieve producten moeten worden vergemakkelijkt; ook zou de verdere bloei van die markten erbij gebaat zijn. De Commissie wil dus overstappen van een beleid dat gericht is op sancties en schadevergoeding/herstel in geval van schending van IER naar een meer preventief en inclusief beleid, waarbij de EU-consument een breder scala aan IE-intensieve producten wordt geboden. |
|
5.4. |
Verder stelt zij voor dat er om de twee jaar een uitvoeringsverslag wordt uitgebracht. Hopelijk gebeurt dat tijdig en bevat het document de juiste indicatoren. |
|
5.5. |
Ook zouden de bescherming van de consument en zijn vertrouwen in de interne markt kunnen worden opgevoerd door de veiligheid van betalingsdiensten en klachtmogelijkheden in geval van ongewilde aankoop van namaakproducten te verbeteren. De Commissie wil in dit verband overgaan tot publieke raadpleging over de regelingen aangaande consumentenbescherming in verband met de bestrijding van commerciële inbreuken op IER. |
|
5.6. |
De twee initiatieven van de Commissie zijn nauw verweven en de „follow the money”-benadering is belangrijk. Daarom wenst het EESC dat zij overgaat tot een brede raadpleging over de cruciale kwestie van consumentenbescherming bij betalingsdiensten en dat zij genoemde benadering op meer terreinen loslaat. |
|
5.7. |
Het EESC verzoekt de diensten van de Commissie ook om betrokkenen te raadplegen over de vraag hoe en in welke mate er bij schadevergoeding wegens namaak rekening wordt gehouden met de opbrengsten van de inbreukmaker (10). |
6. Het midden- en kleinbedrijf
|
6.1. |
In sommige lidstaten heeft ongeveer één op twee kmo’s (54 %) niets met IE te maken. De rest (46 %) wel, maar zij beschouwen de materie als duur, ingewikkeld en met lange procedures omgeven. Dit wekt verbazing in een kenniseconomie waar immateriële goederen als knowhow, reputatie, design of imago van kapitaal belang zijn (11). |
|
6.2. |
Verder blijkt uit een aantal cijfers dat kmo’s die IE in hun ontwikkelingsstrategie hebben opgenomen, beter presteren dan de rest. Zo hebben in Frankrijk de 32 winnaars van INPI-innovatieprijzen 2010 (Institut de la propriété industrielle) in de categorie mkb sinds 2006 614 banen gecreëerd, hun omzet tussen 2006 en 2009 vervijfvoudigd en hun export verdubbeld. Tegelijkertijd voerden die bedrijven hun O&O-inspanningen op door hun desbetreffend budget met 65,6 % te verhogen (12). |
|
6.3. |
Het EESC steunt dus het streven van de Commissie om de toegang voor kmo’s tot de rechter in het algemeen (13) en meer specifiek in IE-geschillen te vergemakkelijken. Het is namelijk zo dat de kosten en de complexiteit van gerechtelijke procedures innovatieve kmo’s vaak ontmoedigen om zich in rechte op hun IER (waaronder essentiële standaardoctrooien) te beroepen. |
|
6.4. |
Het kostenplaatje is voor Europese bedrijven een doorslaggevende factor om al dan niet in innovatie te investeren. Daarom moeten de bescherming van IE en de verlenging en bescherming van IER betaalbaar zijn. Met het Europees octrooi zouden ondernemingen, ook kmo’s, jonge ondernemers en start-ups hun uitvindingen kunnen beschermen, mits dit octrooi tegen een redelijke, niet onoverkomelijke prijs te verkrijgen is. Ondernemingen zouden zich ook tegen redelijke kosten tot de rechter moeten kunnen wenden, inclusief tot het eengemaakt octrooigerecht. |
|
6.5. |
Kmo’s moeten tevens marketings- of distributiestrategieën opstellen, maar veel ondernemingen doen dat niet efficiënt wegens een gebrek aan de nodige deskundigheid om hun IER doeltreffend te beschermen en te promoten, zoals de Commissie terecht in haar actieplan opmerkt. |
|
6.6. |
Het EESC steunt in dit verband het IPorta-project. Dat is een ondersteuningssysteem (14) waarin ook naar IE-kwesties wordt gekeken en de nationale bijstand wordt gecoördineerd. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) https://oami.europa.eu/ohimportal/nl/web/observatory/news/-/action/view/1251336
(2) Seminar van rechters over namaak en witwaspraktijken op 16 en 17 oktober 2014, Harmonisatiebureau voor de interne markt (HBIM) https://oami.europa.eu/ohimportal/nl/web/observatory/news/-/action/view/1574263 Zie PB L 354 van 28.12.2013, blz. 73 en COM(2014) 144 final.
(3) http://ec.europa.eu/enterprise/initiatives/ipr/what-are-iprs/index_en.htm
(4) Verordening (EU) nr. 386/2012 van 19 april 2012 belast het HBIM met diverse taken die gericht zijn op de bevordering en ondersteuning van de activiteiten van nationale autoriteiten, de particuliere sector en EU-instellingen in het kader van de strijd tegen IER-inbreuken. Deelname aan door nationale autoriteiten uitgevoerde individuele operaties of onderzoeken behoort niet tot deze taken. Aangelegenheden waarop titel V van deel III van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betrekking heeft (zoals justitiële en politiële samenwerking), vallen evenmin daaronder.
(5) Zie oami.europa.eu. De studie was gebaseerd op literatuuronderzoek, een kwalitatieve enquête onder ongeveer 250 Europeanen van 15 tot 65 jaar oud en op een kwantitatieve rondvraag waarbij meer dan 26 000 Europeanen telefonisch hun mening gaven.
(6) PB L 195 van 16.6.2004, blz. 16.
(7) PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.
(8) PB L 289 van 28.10.1998, blz. 28.
(9) http://ec.europa.eu/internal_market/iprenforcement/docs/workshops/140919-workshop_en.pdf
(10) Dit beginsel bestaat bv. al in Frankrijk (vgl. Wet nr. 2014-315 van 11 maart 2014, die op 14 maart 2014 in werking is getreden). Artikel L615-7 van de Franse wet op de intellectuele eigendom (CPI), zoals gewijzigd bij artikel 2 van de eerder genoemde wet, bepaalt dat bij de berekening van de schadevergoeding duidelijk rekening moet worden gehouden met de negatieve economische gevolgen, de morele schade en de opbrengsten voor de inbreukmaker, inclusief de besparingen op intellectuele en materiële investeringen en op uitgaven promotionele doeleinden. In de praktijk blijkt dit echter problemen op te leveren omdat het vaak lastig is om te bewijzen wat de opbrengsten voor de inbreukmaker zijn.
(11) http://www.picarre.be/assets/Documents/Rapport-PIPICARR-tlchargeable3.pdf
(12) http://www.journaldunet.com/economie/magazine/propriete-industrielle.shtml
(13) De Commissie heeft onlangs voorstellen gedaan voor de verbetering van de huidige Europese procedure voor geringe vorderingen, een uniforme procedure die in alle lidstaten bestaat (Verordening (EG) nr. 861/2007). Zie PB C 226 van 16.7.2014, blz. 43.
(14) http://ec.europa.eu/enterprise/initiatives/ipr/what-are-iprs/index_en.htm
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/77 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het witboek Naar een effectievere EU-concentratiecontrole
(COM(2014) 449 final)
(2015/C 230/12)
|
Rapporteur: |
Juan MENDOZA CASTRO |
Op 16 juli 2014 heeft de Europese Commissie besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het
„Witboek Naar een effectievere EU-concentratiecontrole”
COM(2014) 449 final.
De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 19 november 2014 goedgekeurd.
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) onderstaand advies uitgebracht, dat met 137 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC is zeer te spreken over het witboek omdat het een van de pijlers van het mededingingsbeleid van de Unie versterkt en de procedures vereenvoudigt. |
|
1.2. |
In dit witboek zoekt de Commissie naar een balans tussen het publieke belang bij het dichten van een lacune in de regelgeving en het belang van bedrijven bij het behouden van een zo laag mogelijke kostenniveau. Wat echter moet worden vermeden, is dat met de wijzigingen van de concentratieverordening het tegenovergestelde effect wordt bereikt. Ook moet rekening worden gehouden met de voordelen die concentraties opleveren voor bedrijven. |
|
1.3. |
Op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) en de administratieve praktijk stelt het EESC voor dat, overeenkomstig het „schadeleerstuk” waarop het witboek is gebaseerd:
|
|
1.4. |
Het EESC pleit ervoor om in het nieuwe regelgevingskader ook rekening te houden met de sociale gevolgen, vooral voor de werkgelegenheid en het internationale concurrentievermogen van bedrijven. |
|
1.5. |
In het systeem van „gerichte” transparantie dat de Commissie voorstelt, zouden de volgende begrippen naar behoren moeten worden verduidelijkt: „concurrent” (volgens het criterium dat van toepassing is op antitrustmaatregelen), „verticaal verbonden onderneming” (gezien de vaststelling van drempelwaarden), de aard van de band die moet bestaan, wil de verwerving van deelnemingen als „significant” worden bestempeld en het geval van concerns die in verschillende sectoren actief zijn. |
|
1.6. |
Het EESC vindt het belangrijk dat de reputatie van het EU-stelsel voor concentratiecontrole wordt behouden en nog wordt verbeterd. |
|
1.7. |
Hoewel met het witboek een stap in de goede richting wordt gezet, moet worden nagedacht over een eventuele bredere aanpak die recht doet aan de veranderingen die zich in de afgelopen 25 jaar hebben voorgedaan (toename van het aantal gevallen en van het aantal controleautoriteiten) en aan de behoeften van de Europese economie in de 21e eeuw. |
|
1.8. |
Momenteel bestaan er 28 controleautoriteiten in de EU (31 als de hele EER wordt meegeteld), die verschillende criteria hanteren. Het EESC stelt dan ook voor om het witboek opnieuw te bekijken en te streven naar:
|
|
1.9. |
In het witboek worden wijzigingen in de procedurevoorschriften aangekondigd, die door het EESC worden onderschreven. Deze wijzigingen betreffen:
|
|
1.9.1. |
Het EESC kan zich eveneens vinden in de maatregelen ter vereenvoudiging van de procedures, die volgen op de maatregelen die in het „vereenvoudigingspakket” van 2013 zijn ingevoerd, vooral in het geval van gemeenschappelijke ondernemingen (joint ventures) die buiten de EER zijn gevestigd. |
2. Inhoud van het witboek
|
2.1. |
In dit witboek geeft de Commissie, tien jaar na de ingrijpende herziening van de concentratieverordening in 2004 (1), een stand van zaken van de wijze waarop het materieelrechtelijke toetsingscriterium „significante belemmering van daadwerkelijke mededinging” is toegepast. Tegelijk blikt zij vooruit om te kijken hoe convergentie en samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten verder kan worden bevorderd. Daarnaast doet de Commissie voorstellen voor specifieke aanpassingen die de EU-concentratiecontrole effectiever moeten maken. |
|
2.2. |
Bij deze voorstellen gaat het enerzijds om de vraag hoe ervoor te zorgen dat de concentratieverordening een oplossing biedt voor alle oorzaken van mogelijke schade voor de mededinging — en dus ook voor consumenten — die ontstaat door concentraties of herschikkingen van ondernemingen, óók die welke voortvloeien uit het verwerven van minderheidsdeelnemingen die geen overwegende zeggenschap opleveren. |
|
2.3. |
Anderzijds wordt nagegaan hoe het best nauwe samenwerking tussen de Commissie en nationale mededingingsautoriteiten kan worden gegarandeerd en hoe een geschikte taakverdeling op het gebied van concentratiecontrole kan worden bereikt, met name door het stroomlijnen van de regels voor het overdragen van concentratiezaken van de lidstaten naar de Commissie, en omgekeerd. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC is zeer te spreken over het witboek omdat de voorstellen die erin worden gedaan een van de pijlers van het mededingingsbeleid beogen te versterken en vooral omdat het maatregelen bevat die bijdragen tot een vereenvoudiging van de procedures. |
|
3.2. |
De Commissie baseert het belangrijkste voorstel van het witboek — haar bevoegdheid uitbreiden zodat zij ook minderheidsdeelnemingen die de mededinging kunnen schaden kan controleren — op de redenering dat Verordening (EG) nr. 139/2004 alleen van toepassing is op concentraties die tot „een duurzame wijziging van zeggenschap” leiden (artikel 3, lid 1), hetgeen hier niet het geval is. Bovendien is zij van mening dat de artikelen 101 en 102 van het VWEU alleen niet voldoende rechtsgrondslag bieden om het geval van minderheidsdeelnemingen aan te pakken. |
|
3.3. |
In algemene zin zoekt de Commissie met dit witboek naar een balans tussen het publieke belang bij het dichten van een lacune in de regelgeving voor bedrijfsconcentraties en het belang van bedrijven bij het behouden van zo laag mogelijke administratieve kosten. |
|
3.4. |
Maar zoals de voorstellen nu zijn geformuleerd, zullen de uitgaven uiteindelijk alleen maar toenemen, zo vreest het EESC, en dat moet worden vermeden. Het feit dat de nieuwe bepalingen ook voordelen opleveren voor bedrijven, kan hierop echter nieuw licht werpen. |
|
3.5. |
Het EESC vindt ook dat bepaalde aspecten van het witboek moeten worden verduidelijkt om te voorkomen dat het resultaat in strijd is met het doel, nl. de concentratiecontrole vergemakkelijken zonder de regeldruk te vergroten. |
|
3.6. |
Als criterium voor de beoordeling van concentraties wordt in het witboek het „schadeleerstuk” genoemd, dat sinds 2002, na enige juridische tegenspoed, door de Commissie wordt gehanteerd (2). Toepassing van het „schadeleerstuk” vereist dat:
|
|
3.6.1. |
Deze beginselen, die worden geschraagd door de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de administratieve praktijk van de Commissie (4), moeten ook worden toegepast op minderheidsdeelnemingen. |
|
3.7. |
Aangezien de bevoegdheden van de Commissie in het witboek aanzienlijk worden uitgebreid, raadt het EESC aan om bij de beoordeling van concentraties ook rekening te houden met de sociale gevolgen en, in het bijzonder, met de gevolgen voor de werkgelegenheid. |
4. De EU heeft behoefte aan een Europese ruimte voor concentratiecontrole die voldoet aan de behoeften van de interne markt van de 21e eeuw
|
4.1. |
Het EU-stelsel voor concentratiecontrole heeft in de loop der jaren prestige verworven en fungeert als model voor dat van andere landen. Het EESC vindt het belangrijk dat dit prestige wordt behouden en, bij voorkeur, nog groter wordt. |
|
4.2. |
Het is dan ook een goede zaak dat in het witboek wordt voorgesteld om de coördinatie tussen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten te verbeteren en naar een „Europese ruimte voor concentratiecontrole” toe te werken, waarin het gemakkelijker is om concentraties op dezelfde manier te behandelen en waar meer rechtszekerheid heerst. Maar de voorgestelde maatregelen moeten verdergaan dan de aanpassing van details in de verordening: het hele huidige controlesysteem moet nl. op de schop. |
|
4.3. |
In de afgelopen 25 jaar is de concentratiecontrole in de EU aanzienlijk toegenomen. Tegelijkertijd zijn de Europese bedrijven ook aanzienlijk groter en internationaler geworden. In 1989 waren er slechts drie ter zake bevoegde nationale instanties; in het jaar 2000 waren dat er 14, de Commissie inbegrepen. Momenteel zijn het er 28 (en weldra 31, als we de EER meetellen). |
|
4.4. |
De verschillende normen en toepassingscriteria zijn een extra last voor bedrijven, die in veel gevallen onnodig is: minder dan 5 % van de concentraties die bij de Commissie worden aangemeld, vormt een potentiële bedreiging voor de mededinging (5). Het controlesysteem moet de bescherming van consumenten en gebruikers zien te verenigen met de absolute noodzaak dat Europese bedrijven op de wereldmarkt concurreren. |
|
4.5. |
Het EESC stelt derhalve voor om het witboek opnieuw te bekijken en op een bredere leest te schoeien, waarbij aandacht wordt besteed aan:
|
5. Specifieke opmerkingen
5.1. Een systeem van „gerichte” transparantie
|
5.1.1. |
De Commissie stelt een systeem van „gerichte” transparantie voor; dit betekent dat aan twee criteria moet worden voldaan voordat kan worden vastgesteld of er al dan niet sprake is van een „significante belemmering van daadwerkelijke mededinging”:
|
|
5.1.2. |
Het EESC beveelt aan om bij het opstellen van de gewijzigde tekst van de verordening de volgende aspecten te verduidelijken:
|
5.2. Vereenvoudiging van het systeem van verwijzingen van lidstaten naar de Commissie vóór aanmelding
|
5.2.1. |
Het EESC is ingenomen met het voorstel om de tweestapsprocedure op grond van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 139/2004 (gemotiveerde kennisgeving gevolgd door een aanmelding) af te schaffen en te vervangen door een directe aanmelding bij de Commissie. Deze wijziging, die de procedure zal versnellen, wordt gerechtvaardigd door het feit dat lidstaten slechts in een beperkt aantal gevallen het recht hebben om een veto te stellen. |
|
5.2.2. |
Positief is ook het voorstel om de informatie-uitwisseling tussen de lidstaten en de Commissie te bevorderen door de initiële briefing van de partijen of het verzoek om toewijzing van de zaak naar de lidstaten te zenden, zodat reeds tijdens de prenotificatiecontacten hun aandacht wordt gevestigd op de transactie. |
5.3. Verwijzingen van de Commissie naar een lidstaat vóór aanmelding
|
5.3.1. |
Voorgesteld wordt om „element van zelfbeschuldiging” te schrappen uit artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 139/2004; dit houdt in dat de partijen die bij een fusie of overname zijn betrokken, de Commissie een gemotiveerde kennisgeving kunnen sturen waarin zij aangeven dat de concentratie significante gevolgen kan hebben voor de mededinging op een bepaalde markt in een lidstaat. Na de herziening zou het volstaan om aan te tonen dat de transactie belangrijke gevolgen kan hebben voor deze markt. |
|
5.3.2. |
De Commissie denkt dat als deze eis wordt geschrapt, er vaker gebruik zal worden gemaakt van deze vrijwillige verklaring. Het EESC sluit zich hierbij aan. |
5.4. Verwijzingen van lidstaten naar de Commissie ná aanmelding
|
5.4.1. |
In het witboek wordt voorgesteld om artikel 22 van de verordening te wijzigen: alleen lidstaten die bevoegd zijn om een transactie aan hun nationale wetgeving te toetsen, zouden nog binnen 15 werkdagen om een verwijzing naar de Commissie mogen verzoeken (nu kan dat door „één of meer lidstaten” worden gedaan). De Commissie zou kunnen beslissen of zij al dan niet instemt met het verzoek tot verwijzing. Indien zij instemt, dan zou zij bevoegd zijn voor de hele EER. Indien echter één of meer bevoegde lidstaten zich verzetten tegen de verwijzing (zonder hiervoor redenen te hoeven geven), zou de Commissie afzien van haar bevoegdheid voor de hele EER en zouden de lidstaten hun bevoegdheid behouden. |
|
5.4.2. |
Hoewel dit voorstel de procedure kan vereenvoudigen, is het effect ervan volgens het EESC beperkt omdat in de EU alleen Duitsland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk deze bevoegdheid hebben erkend in het geval van de verwerving van minderheidsdeelnemingen die geen overwegende zeggenschap opleveren. |
|
5.4.3. |
De veranderingen in de verwijzingen na aanmelding leiden er ook toe dat de Commissie meer bevoegdheid krijgt. Dat vindt het EESC een goede zaak: als andere lidstaten geen bezwaar maken en de Commissie de aanbeveling overneemt, dan zou zij bevoegd zijn om de transactie in de hele EER te onderzoeken en niet alleen op het grondgebied van de lidstaat in kwestie (tenzij de autoriteit van de lidstaat de transactie op haar grondgebied al heeft goedgekeurd voordat de Commissie daartoe bevoegdheid heeft gekregen). |
5.5. Andere wijzigingen
|
5.5.1. |
Na de goedkeuring van het „vereenvoudigingspakket” van 2013 (6) worden in het witboek nog andere maatregelen met hetzelfde doel voorgesteld, die het EESC van harte toejuicht. |
|
5.5.2. |
Het meest opmerkelijke voorstel betreft het voornemen om de verordening niet van toepassing te verklaren op de oprichting van gemeenschappelijke ondernemingen (joint ventures) die volledig buiten de EER gevestigd én actief zijn (en die geen impact zouden hebben op EER-markten). |
|
5.5.3. |
Daarnaast zou de Commissie bepaalde categorieën transacties die in de regel geen mededingingsbezwaren doen rijzen, vrij kunnen stellen van de verplichting tot voorafgaande aanmelding. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) Verordening (EG) nr. 139/2004 van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1).
(2) Met name de zaken T-342/99 Airtours plc vs. Europese Commissie, Jurispr. 2002 blz. II-2585; T-310/01 Schneider Electric SA vs. Europese Commissie, Jurispr. 2002 blz. II-4071; en T-5/02 Tetra Laval vs. Europese Commissie, Jurispr. 2002 blz. II-4381.
(3) V. Hans Zenger and Mike Walker: Theories of Harm in European Competition Law: A Progress Report, http://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=2009296
(4) Zaak IV/M.938 Guinness/Grand Metropolitan (15.10.1997) en zaak IV/M.1524 Airtours/First Choice (22.9.1999).
(5) http://ec.europa.eu/competition/mergers/statistics.pdf
(6) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1269/2013 van de Commissie van 5 december 2013 (PB L 336 van 14.12.2013, blz. 1) en mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5, gerectificeerd in PB C 11 van 15.1.2014, blz. 6).
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/82 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s inzake een strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020
(COM(2014) 332 final)
(2015/C 230/13)
|
Rapporteur: |
Carlos TRINDADE |
Op 6 juni 2014 heeft de Commissie besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) overeenkomstig artikel 304 van het VWEU te raadplegen over de
„Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s inzake een strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020”
(COM(2014) 332 final).
De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 20 november 2014.
Het EESC heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 11 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 189 stemmen vóór en 23 tegen, bij 20 onthoudingen, werd goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC is ermee ingenomen dat de EU beschikt over een breed economisch en sociaal kader, dat wordt aangevuld door meerjarige Europese strategieën die de lidstaten aan hun eigen situatie aanpassen. Niettemin is er ook nog steeds sprake van obstakels, gebreken en nieuwe problemen, waarvoor oplossingen nodig zijn. |
|
1.2. |
Het is een goede zaak dat de Commissie zich wil richten op preventie, vereenvoudiging van de regelgeving (zonder afbreuk te doen aan de huidige beschermingsniveaus) en de juiste toepassing hiervan. De strategie moet zorgen voor de juiste balans tussen een hoog niveau van bescherming van werknemers en de administratieve lasten van bedrijven. |
|
1.3. |
Ook positief is dat de Commissie aandacht besteedt aan kleine en middelgrote bedrijven, die zij met behulp van ICT raad, informatie en richtsnoeren verschaft, en dat zij de coördinatie van de openbare diensten ter ondersteuning van kmo’s verbetert. |
|
1.4. |
Er moeten meer arbeidsinspecteurs komen — in bijna de helft van de lidstaten zijn er minder dan door de IAO wordt aanbevolen (1 inspecteur per 10 000 werknemers) — en zij moeten beter opgeleid worden. |
|
1.5. |
Gezien het belang van een preventiecultuur onder jongeren, pas afgestudeerden, stagiairs en jongeren met een leercontract zou de Commissie ervoor moeten zorgen dat zij goede en praktische voorlichting en opleidingen krijgen. |
|
1.6. |
Het EESC begrijpt hoe belangrijk het is om in preventie te investeren en is het er zonder meer mee eens dat dit niet alleen door het bedrijfsleven, maar ook door de lidstaten moet gebeuren. Het bedrijfsleven en de lidstaten zouden meer moeten investeren, met de garantie dat werknemers daarbij betrokken worden. |
|
1.7. |
Over het onderwerp in kwestie zijn maar weinig gegevens voorhanden. De Commissie zou snel moeten zorgen voor statistieken en indicatoren die met name betrekking hebben op de sekse en de carrière van werknemers. Er moeten Europese regels komen voor de opstelling van een lijst van beroepsziekten, met inbegrip van ongevallen tijdens de werkuren, de verslaglegging ter zake en het analyseren van deze statistische gegevens. Het is aan te bevelen om de werkzaamheden van de speciale instanties uit te breiden en er ruime ruchtbaarheid aan te geven. Ten behoeve van een sterkere cultuur van preventie zouden bovendien informatie en goede praktijken verspreid moeten worden. Er is meer onderzoek nodig naar nieuwe risico’s, en de resultaten hiervan zouden in passende maatregelen (al dan niet van wetgevende aard) moeten uitmonden. |
|
1.8. |
Voor een goede uitvoering van de strategie is de betrokkenheid van de werknemers en de sociale partners op alle niveaus — ook op de werkplek — van fundamenteel belang. De Commissie zou intensiever overleg met de sociale partners moeten gaan voeren en gezamenlijke maatregelen moeten uitwerken. De lidstaten zouden het sociaal overleg en het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten moeten stimuleren. |
|
1.9. |
Helaas noemt de Commissie geen streefcijfers voor de preventie van arbeidsongevallen en beroepsziekten op Europees niveau. De lidstaten zouden in hun nationale strategieën wel zulke streefcijfers moeten opnemen. |
2. Het belang van gezondheid en veiligheid op het werk
|
2.1. |
Het strategische belang van gezondheid en veiligheid op het werk in Europa wordt expliciet onderkend in de artikelen 151 en 153 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarin onder meer staat dat naar een geharmoniseerde verbetering van de arbeidsvoorwaarden moet worden gestreefd. |
|
2.2. |
Uit een enquête van de Eurobarometer bleek onlangs dat de meeste werknemers (85 %) tevreden zijn over de veiligheid en gezondheid op het werk en dat volgens 77 % van hen over dit onderwerp informatie op de werkplek aanwezig is en/of cursussen worden aangeboden. Niettemin is er ruimte voor verbetering, want de situatie is in feite alarmerend: jaarlijks komen in de EU meer dan vierduizend werknemers door arbeidsongevallen om het leven, terwijl ruim drie miljoen werknemers het slachtoffer worden van zulke ernstige ongevallen dat ze langer dan drie dagen met ziekteverlof moeten. Eén op de vier werknemers denkt dat zijn gezondheid en veiligheid door zijn werk gevaar lopen of dat zijn werk per saldo slecht is voor zijn gezondheid. In Duitsland leidden 460 miljoen dagen ziekteverlof tot een geschat productiviteitsverlies van 3,1 % van het bbp, en in het Verenigd Koninkrijk bedroegen in het boekjaar 2010-2011 de nettokosten voor de overheid zo’n 2,381 miljard pond. |
|
2.3. |
Volgens de IAO stierven in de EU in 2008 circa 1 60 000 mensen aan beroepsziekten. Kanker was daarbij de belangrijkste doodsoorzaak (zo’n 96 000 mensen). Naar schatting overlijdt in Europa iedere 3,5 minuut iemand aan een arbeidsongeval of aan de gevolgen van een beroepsziekte. Dat neemt niet weg dat Europa nog altijd voorop loopt als het op gezondheid en veiligheid op het werk aankomt. |
|
2.4. |
De kosten die met de gezondheid en veiligheid op het werk gemoeid zijn, moeten worden gezien als een investering en niet slechts als een uitgave. Volgens recente schattingen, zo schrijft de Commissie, kunnen investeringen op dit terrein bijzonder rendabel zijn, met een gemiddelde rentabiliteitswaarde van 2,2 en een bereik van 1,29 tot 2,89. Bovendien krijgen bedrijven met kosten te maken als hun arbeidsomstandigheden te wensen overlaten, en betalen bedrijven waar zich geen arbeidsongevallen voordoen in sommige landen lagere verzekeringspremies. |
|
2.5. |
Met de Europese strategie voor gezondheid en veiligheid op het werk voor de periode 2007-2012 (1) is wel het nodige bereikt — zo heeft de regelgeving van de EU aan duidelijkheid gewonnen en hebben de lidstaten een grotere inbreng gekregen — maar de incidentie van beroepsziekten is niet gedaald, wat wel de bedoeling was, en kleine en middelgrote bedrijven kunnen door een gebrek aan financiële middelen, technische capaciteit en mankracht nauwelijks aan de eisen voldoen. Daar komt bij dat dat de preventie van beroepsziekten en werkgerelateerde ziekten tekortschiet, er te weinig statistische gegevens voorhanden zijn, er te weinig monitoringinstrumenten ontwikkeld zijn, de interactie tussen gezondheid en veiligheid op het werk enerzijds en het milieu en chemische stoffen anderzijds te wensen overlaat en de sociale partners te weinig bij een en ander worden betrokken. Nog veel minder is er bekend over de gezondheid en veiligheid van zwartwerkers en mensen in atypische dienstverbanden (met name in tal van bedrijven in de landbouw, de industrie en de dienstensector), van telewerkers, zelfstandigen en mensen die huishoudelijk werk verrichten. |
|
2.6. |
Een gedeeltelijke verklaring voor het feit dat het aantal arbeidsongevallen de laatste jaren in Europa gedaald is, zou kunnen zijn dat de werkgelegenheid is teruggelopen in de sectoren waar de risico’s het grootst zijn. In de meeste lidstaten is namelijk fors bezuinigd op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk, vooral wat naleving van de regelgeving, inspectie en preventie betreft. |
|
2.7. |
Het EESC is het eens met de opsomming van de belangrijkste taken voor de EU en dringt bij de Commissie aan op ferme (beleids)maatregelen om deze te kunnen uitvoeren. Deze taken zijn: verbeteren van de implementatiestatus van de lidstaten, met name door micro- en kleine ondernemingen beter in staat te stellen om doeltreffende en efficiënte risicopreventiemaatregelen te nemen, verbeteren van de preventie van arbeidsgerelateerde ziekten door bestaande, nieuwe en opkomende risico’s aan te pakken, en efficiënt omgaan met demografische veranderingen. |
|
2.8. |
Niet alleen slagen de lidstaten er gezamenlijk in om het aantal beroepsziekten en arbeidsongevallen te doen dalen, zij beschermen ook het menselijk kapitaal: zij voorkomen namelijk dat gezondheidszorg en sociale zekerheid duurder worden, wat het maatschappelijk welzijn ten goede komt. |
3. Context van de Europese strategie voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020
|
3.1. |
Degelijke gezondheids-en veiligheidsomstandigheden op het werk, conform de Europa 2020-strategie, kunnen een belangrijke stap zijn op weg naar slimme, duurzame en inclusieve groei. Het strategisch EU-kader en de EU-verordeningen staan samen met de strategieën en regelingen van de lidstaten borg voor de gezondheid en veiligheid van werknemers. Helaas heeft de mededeling lang op zich laten wachten en zijn de voorstellen uit het advies dat het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats (dat drie verschillende belangen in de EU vertegenwoordigt) unaniem heeft aangenomen er niet in verwerkt. |
|
3.2. |
Verder merkt het EESC op dat de Commissie de wetgeving ongemoeid laat, vooral als het op spier- en skeletaandoeningen aankomt. Ook de richtlijn over de bescherming van werknemers tegen kankerverwekkende stoffen is aan herziening toe. Bovendien ontbreekt een verwijzing naar de invoering van een rechtskader voor de anticipatie op veranderingen, iets waar het Europees Parlement ook al op heeft aangedrongen. De Commissie moet snel een oplossing vinden voor deze zaken. |
|
3.3. |
Het EESC, dat zich indertijd schaarde achter de doelstelling om de totale incidentie van arbeidsongevallen met 25 % te verminderen (2), betreurt het dat deze doelstelling voor de periode 2014-2020 niet gekwantificeerd is. Het EESC had ook kritiek op het ontbreken van een dergelijke doelstelling voor beroepsziekten. De onderhavige mededeling brengt daar helaas geen verandering in. Er moeten statistische hulpmiddelen worden ontwikkeld om arbeidsongevallen, beroepsziekten en de blootstelling aan beroepsrisico’s in kaart te brengen. |
|
3.4. |
De sociale partners en de rest van de samenleving zijn het er in ruime mate over eens dat de wet- en regelgeving van de EU en de lidstaten beter moet worden toegepast. Micro-ondernemingen en het midden- en kleinbedrijf moeten beter in staat worden gesteld om ter uitvoering van de wetgeving efficiënte preventiemaatregelen te nemen. Dit zijn prioritaire maatregelen die overheden moeten ondersteunen met meer stimulansen en op maat gesneden technische adviezen. |
|
3.5. |
Door technologische innovaties en nieuwe arbeidsvormen, met name de atypische arbeidsregelingen, ontstaan nieuwe situaties met nieuwe problemen, maar ook nieuwe risico’s die nog niet goed in kaart zijn gebracht. Het in kaart brengen van deze risico’s en de preventie ervan, alsmede de definitie van bestaande en nieuwe beroepsziekten, zijn taken die geen uitstel dulden. Er dienen snel oplossingen te worden gevonden door de huidige wetgeving aan te passen of voor nieuwe wetgeving te zorgen die op de risico’s is afgestemd. |
|
3.6. |
De vooruitgang die is geboekt met betrekking tot de levensverwachting leidt tot een andere Europese bevolkingsopbouw, maar het is niet gezegd dat de extra levensjaren ook in goede gezondheid worden doorgebracht. Arbeidsomstandigheden kunnen in hoge mate bijdragen aan het ontstaan van gezondheidsproblemen, die door het cumulatieve effect van bepaalde beroepsrisico’s meestal toenemen met de leeftijd. Een betere preventie tijdens het hele werkzame leven van werknemers zou de door de demografische veranderingen veroorzaakte problemen kunnen helpen oplossen. Om een goed beeld te kunnen krijgen van de belangrijkste kwesties die spelen op dit gebied moet er financiering komen voor nationaal en Europees onderzoek. |
|
3.7. |
Volgens het EESC is de veiligheid van werknemers in de EU afgenomen en is atypisch werk toegenomen. Door de economische crisis hebben een aantal lidstaten en bepaalde bedrijven die zich aan hun sociale verantwoordelijkheden onttrekken fors gekort op maatregelen in verband met de gezondheid en veiligheid op het werk. Deze situatie is onaanvaardbaar. |
|
3.8. |
Anderzijds is het ook zo dat sommige ondernemingen vrijwillig verder gaan dan hun wettelijke verplichtingen en maatregelen nemen om de gezondheid, de veiligheid en het welzijn van hun werknemers te verbeteren. Zij geven daarmee blijk van sociale verantwoordelijkheid, een instelling die erkenning en steun verdient van de Commissie en de lidstaten, zodat geleidelijk aan een cultuur van sociale en milieuverantwoordelijkheid tot stand komt in het hele Europese bedrijfsleven. |
|
3.9. |
In de EU is er al geruime tijd sprake van economische stagnatie en hoge werkloosheid. Werkloosheid neemt een bijzondere plaats in in de problematiek van gezondheid op het werk: in sommige gevallen is er immers een verband met psychische aandoeningen. Ook zwartwerkers lopen hogere risico’s en krijgen vaker te maken met arbeidsongevallen. Naast structurele investeringen is de verbetering van de levensomstandigheden, vooral wat de gezondheid en veiligheid op het werk betreft, van groot belang voor een duurzame economische groei, meer hoogwaardige banen en een grotere sociale cohesie. |
4. Algemene opmerkingen
|
4.1. |
Voor een duurzame economische groei is het van fundamenteel belang dat een algemeen kader voor de gezondheid en veiligheid op het werk gestalte krijgt en in de hele Europese Unie wordt toegepast. De meeste respondenten (93 %) bij de door de EU gehouden openbare raadpleging (3) vonden dat de coördinatie op EU-niveau moet worden voortgezet en dat ongeacht de omvang van een bedrijf gestreefd moet blijven worden naar een strikte naleving van de gezondheids- en veiligheidsregels. |
|
4.2. |
Hoewel er in diverse lidstaten in de afgelopen maanden vooral wat het aantal arbeidsongevallen betreft wel sprake was van enige verbetering, misschien mede door de daling van de werkgelegenheid, is er in de EU geen preventiecultuur van de grond gekomen. Kleine en middelgrote bedrijven hebben hiervoor te weinig middelen en capaciteit, een probleem dat alleen kan worden verholpen als de overheid voorlichting geeft, opleidingen verzorgt, technische ondersteuning biedt en advies verschaft. Deze overheidsmaatregelen moeten worden afgestemd op datgene waar de diverse bedrijfstakken behoefte aan hebben en voor elk van deze takken worden gespecificeerd. |
|
4.3. |
De inbreng van vertegenwoordigers van werknemers, op het niveau van het bedrijf of de werkplek, in de aanpak van beroepsrisico’s is een essentieel onderdeel van de sociale dialoog. Bedrijven mogen alleen financiële steun krijgen als zij zich houden aan de regels inzake de gezondheid en veiligheid op het werk. In verschillende Europese landen is gebleken hoe belangrijk overeenkomsten tussen de sociale partners zijn. Deze bieden een basis voor regionale en sectorale vormen van vertegenwoordiging en zijn bevorderlijk voor de sociale dialoog en preventie. |
|
4.4. |
De verschillende op het gebied van gezondheid en veiligheid actieve overheidsdiensten werken te veel langs elkaar heen. Ook zijn er niet genoeg efficiënte mechanismen om de sociale partners op alle niveaus bij een en ander te betrekken, om te onderhandelen en om sectorspecifieke afspraken te maken, of wordt daarvan te weinig gebruikgemaakt. Hierin moet verandering komen. Als diensten op het gebied van de volksgezondheid en preventie bij maatregelen voor de werkomgeving van werknemers systematischer gaan samenwerken, dan komt dat de preventie en de opsporing van beroepsziekten ten goede. In de lidstaten moeten bij overheden centrale contactpunten komen voor kleine en middelgrote bedrijven. |
|
4.5. |
Door de begrotingsproblemen krijgen diensten voor de gezondheid en veiligheid op het werk minder geld en personeel van de lidstaten. Dit geldt vooral voor arbeidsinspectiediensten, die veel minder inspecties kunnen uitvoeren en bedrijven ook veel minder steun en goede raad kunnen geven. Deze onaanvaardbare ontwikkeling moet worden gekeerd, temeer omdat er steeds meer beroepsrisico’s bijkomen en de levensomstandigheden en arbeidszekerheid van werknemers erop achteruitgaan (het toenemende risico op psychosociale problemen is ten dele te wijten aan werkloosheid en onzekerheid). |
|
4.6. |
De lidstaten moeten een stimulans geven aan onderhandelingen en cao’s. De sociale partners moeten een belangrijke rol krijgen bij het uitwerken en uitvoeren van gezondheids-en veiligheidsbeleid en bij het bevorderen van een veilige en gezonde werkomgeving. |
|
4.7. |
Wat Europese statistieken over gezondheid en veiligheid betreft, wordt er maar weinig vooruitgang geboekt. Op EU-niveau moeten zo snel mogelijk uniforme definities en systemen voor erkenning en verslaglegging worden uitgewerkt. |
|
4.8. |
Het EESC is het met de Commissie eens dat de inbreng van de sociale partners op alle niveaus garant staat voor efficiënt ontworpen en uitgevoerde maatregelen en strategieën voor de gezondheid en veiligheid op het werk. In dit verband is voor de Europese structuren voor sociaal overleg en voor het drieledig samengesteld raadgevend comité inzake veiligheid en gezondheid op het werk een belangrijke rol weggelegd. Bij het bepalen van haar prioriteiten zou de Commissie meer gebruik moeten maken van de voorstellen die dit comité vaak unaniem heeft aangenomen. |
|
4.9. |
De Commissie moet dringend nagaan of de kaderovereenkomsten voor de Europese sociale dialoog representatief zijn en stroken met het Gemeenschapsrecht, en moet dus ook bereid zijn de nodige maatregelen te nemen om naleving van de overeenkomsten af te dwingen. |
|
4.10. |
De lidstaten doen er goed aan om het Europees Sociaal Fonds en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) aan te spreken voor de financiering van maatregelen met betrekking tot de gezondheid en veiligheid op het werk. |
|
4.11. |
De Commissie is terecht van mening dat actiever dient te worden gezocht naar synergieën tussen het beleid voor gezondheid en veiligheid op het werk en andere beleidsterreinen. In de meeste lidstaten is er wat dit betreft nog maar zeer weinig bereikt. |
5. Specifieke opmerkingen
5.1. Nationale strategieën, naleving van de wetgeving en controle
|
5.1.1. |
Het EESC is het eens met de Commissie dat de lidstaten hun strategieën in het licht van het nieuwe strategische EU-kader in overleg met de sociale partners moeten herzien. Wel zou goed moeten worden nagegaan welk effect de voorgaande nationale strategieën hebben gehad. Alle lidstaten dienen het cruciale belang ervan in te zien dat de sociale partners zich sterk betrokken voelen bij de strategie 2014-2020. Er moeten homogene indicatoren en criteria komen die systematische controles en evaluaties mogelijk maken en aan de hand waarvan zich de mate van deze betrokkenheid laat bepalen. |
|
5.1.2. |
Het EESC deelt de mening van de Commissie dat de lidstaten in samenwerking met het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA) een database over gezondheid en veiligheid op het werk zouden moeten opzetten en op gezette tijden (minstens twee keer per jaar) moeten vergaderen met het EU-OSHA, het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de werkplek (ACSH) en het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie (SLIC). |
|
5.1.3. |
In de lidstaten is het van essentieel belang om het midden- en kleinbedrijf bij het gebruik van de OiRA en van andere IT-instrumenten in financiële en technische zin bij te staan. Vooral in prioritaire sectoren zou deze hulp gegeven moeten worden. Om een beslissende rol te kunnen spelen, moet het EU-OSHA meer geld en personeel krijgen. Het is betreurenswaardig dat het ESF in de lidstaten maar heel weinig is gebruikt voor de financiering van onderwijs en opleidingen. |
|
5.1.4. |
Bij het vaststellen van goede praktijken en specifieke richtsnoeren, met name voor het midden- en kleinbedrijf, moet rekening worden gehouden met de kenmerken van elke sector en de aard van de bedrijfsactiviteiten. Het EU-OSHA moet zich hier meer laten gelden en werk maken van een preventiecultuur. |
|
5.1.5. |
In diverse lidstaten is het optreden van de arbeidsinspectie in bedrijven aan verbetering toe, vooral als het aankomt op voorlichting, raadpleging, nieuwe risico’s, pogingen om naleving van de wetgeving te vergemakkelijken en het opsporen en ontmoedigen van zwartwerk. Arbeidsinspectiediensten zouden daarom meer middelen en bevoegdheden moeten krijgen. |
|
5.1.6. |
Het EESC steunt de evaluatie van het programma voor de uitwisseling en opleiding van arbeidsinspecteurs en maatregelen om binnen het SLIC de samenwerking tussen arbeidsinspectiediensten te verbeteren. |
|
5.1.7. |
Het EESC is het met het SLIC eens dat gezondheid en veiligheid op het werk strategische EU-prioriteiten zijn, vooral als het gaat om spier- en skeletaandoeningen, ziekten die zich pas na lange tijd openbaren (door de werkomgeving veroorzaakte vormen van kanker, en chronische ziekten, zoals werkgerelateerde longziekten), een juiste toepassing van REACH en met het werk samenhangende psychosociale risico’s (4). Wat kleine en middelgrote bedrijven betreft, is het zaak hun kennis van gezondheid en veiligheid te vergroten, hen beter aan de eisen te laten voldoen, hun actuele en begrijpelijke informatie en adviezen te geven en ervoor te zorgen dat grote ondernemingen de verantwoordelijkheid op zich nemen om de kleine en middelgrote bedrijven waarmee zij werken beter te laten presteren. |
5.2. Vereenvoudiging van de wetgeving
|
5.2.1. |
Een eventuele vereenvoudiging van de EU-wetgeving mag in geen geval de gezondheid en veiligheid op het werk en de voortdurende verbeteringen op dat vlak ondermijnen. Uit de openbare raadpleging van de EU blijkt dat de sociale partners van mening verschillen over de vraag of maatregelen voor de vereenvoudiging van de wetgeving moeten worden opgenomen in een nieuw Europees beleidsinstrument: van de werknemersorganisaties was 73,4 % tegen zo’n vereenvoudiging, maar van de werkgeversorganisaties slechts 4,3 % (5). Van alle respondenten (523 in totaal) was 40,5 % voor de vereenvoudiging, 46,1 % tegen en had 13,4 % geen mening. Het EESC is van oordeel dat de administratieve lasten voor ondernemingen tot op zekere hoogte kunnen worden verlicht, op voorwaarde dat de gezondheid en veiligheid van de werknemers niet in het gedrang komen. |
|
5.2.2. |
Volgens de Europese bedrijvenenquête naar nieuwe en opkomende risico’s (ESENER) zijn de belangrijkste redenen waarom bedrijven zich met de gezondheid en veiligheid op het werk bezighouden „nakomen van wettelijke verplichtingen” (90 %), „druk van de werknemers” (76 %) en „druk van de arbeidsinspectie” (60 %). Van al deze factoren gaat een aanzienlijke druk uit. Van de bedrijven die de veiligheid niet periodiek controleren, voerde slechts 37 % de „zeer ingewikkelde wettelijke verplichtingen” als reden voor dit verzuim aan. |
|
5.2.3. |
Eventuele vereenvoudigingen en/of verminderingen van onnodige administratieve lasten voor bedrijven zouden, na een analyse van de vigerende wetgeving, de uitkomst moeten zijn van een brede discussie, met inbreng van en onderhandelingen met de sociale partners op alle niveaus. Overeenkomstig artikel 153 van het Verdrag kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld en mogen de lidstaten regels voor een betere bescherming van werknemers handhaven of invoeren. Op die manier kan er vooruitgang worden geboekt en worden vooruitgelopen op Europese initiatieven. Zo kondigden diverse lidstaten al een asbestverbod af nog voordat de Commissie een besluit in die richting had genomen. |
5.3. Nieuwe en opkomende risico’s
|
5.3.1. |
Om direct of indirect met het werk samenhangende ziekten te kunnen voorkomen, is er grote behoefte aan meer wetenschappelijke kennis over nieuwe risico’s. Onderzoeksactiviteiten zouden vooral in EU-verband moeten plaatsvinden. Meer samenwerking/coördinatie tussen verschillende Europese en nationale instellingen is van cruciaal belang om tot de juiste strategieën en wettelijke maatregelen te komen voor de aanpak van nieuwe risico’s. Gezien de bestaande instellingen is er volgens het EESC geen nieuw onafhankelijk wetenschappelijk overlegorgaan nodig. |
|
5.3.2. |
Het EESC heeft er altijd consequent op gewezen dat gezorgd moet worden voor een betere gezondheid en veiligheid van bepaalde groepen werknemers (jongeren, vrouwen, ouderen, migranten, werknemers met atypische contracten en gehandicapten) en dat de uit de veranderende aard van het werk voortvloeiende problemen (vooral stress en psychische aandoeningen) moeten worden aangepakt. Het belang hiervan wordt breed onderkend door de lidstaten, de sociale partners en de samenleving als geheel. Deze problemen moeten worden aangepakt, omdat ze toenemen en de economie en de samenleving schade berokkenen. Dankzij het genderperspectief kan het beleid inzake gezondheid en veiligheid op het werk worden afgestemd op de vorderingen op het gebied van gelijke behandeling. |
5.4. Statistische gegevens
|
5.4.1. |
Het grote gebrek aan betrouwbare, actuele en vergelijkbare statistische gegevens op Europees niveau is een van de ernstigste problemen als het om gezondheid en veiligheid op het werk gaat. Aan deze jammerlijke situatie, die vreemd genoeg al jaren duurt, moet een eind worden gemaakt. Het EESC steunt de pogingen van de Commissie om deze problemen aan te pakken. Samen met de lidstaten moet zij hier een hoge prioriteit aan toekennen. De lidstaten zelf zouden indien zij dit wensen bijkomende, meer gedetailleerde statistieken kunnen opstellen die zijn toegespitst op de nationale situatie. Samenwerking met de WGO om de gegevens over de ICD-10 uit te breiden kan het gebruik mogelijk maken van bestanden met gegevens over de gezondheidszorg. Daardoor kunnen gegevens sneller en efficiënter worden verzameld. |
|
5.4.2. |
Helaas is de verwerking van Europese statistische gegevens over beroepsziekten stopgezet. Het statistische onderzoek naar blootstelling aan kankerverwekkende stoffen op het werk zou moeten worden hervat, naar het voorbeeld van het CAREX-project uit de jaren negentig. Positief is dat de Commissie onlangs van start is gegaan met de oprichting van een gegevensbank en de ontwikkeling van een model om een beeld te krijgen van de blootstelling van werknemers in de EU en de EVA/EER-landen aan een aantal gevaarlijke chemische producten (HAZCHEM-project). |
5.5. Samenwerking met internationale instellingen
|
5.5.1. |
Om wereldwijd het aantal arbeidsongevallen terug te dringen en beroepsziekten te bestrijden, dient intensievere samenwerking met internationale organisaties, vooral de IAO, de WGO en de OESO, prioriteit te krijgen. |
|
5.5.2. |
De tekorten op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk in mondiale toeleveringsketens dient speciale aandacht te krijgen, zodat de werkomgeving niet alleen in Europa, maar op alle continenten veiliger wordt. In de overeenkomsten die de EU sluit zou hiervoor plaats moeten worden ingeruimd om ervoor te zorgen dat de partners van de EU zich houden aan de IAO-afspraken en -aanbevelingen. Onder verwijzing naar zijn eerdere adviezen over asbest dringt het EESC er bij de Commissie op aan een concreet standpunt in te nemen om zo bij te dragen aan een wereldwijd verbod op deze stof. |
|
5.5.3. |
De lidstaten doen er goed aan om zich te houden aan internationale normen en overeenkomsten. De Commissie zou systematisch verslag moeten doen van de naleving door de lidstaten. |
Brussel, 11 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) Tussen 2007 en 2011 is de incidentie van ongevallen in de EU die leidden tot een verzuim van meer dan drie dagen met 27,9 % afgenomen.
(2) Zie PB C 224 van 30.8.2008, blz. 88.
(3) „Public consultation on the new occupacional health and safety policy framework”, Werkgelegenheid, Sociale Zaken en inclusie, juni 2014.
(4) „Priorités stratégiques de l'UE, 2013-2020”, Doc. 2091_FR, februari 2012.
(5) „Public consultation on the new occupational health and safety policy framework”, juni 2014.
BIJLAGE
bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité
De volgende wijzigingsvoorstellen, waarvoor ten minste een kwart van de stemmen is uitgebracht, zijn tijdens de beraadslagingen verworpen:
Paragraaf 1.8
Als volgt wijzigen:
|
|
„Voor een goede uitvoering van de strategie is de betrokkenheid van de werknemers en de sociale partners op alle niveaus — ook op de werkplek — van fundamenteel belang. De Commissie zou intensiever overleg met de sociale partners moeten gaan voeren en gezamenlijke maatregelen moeten uitwerken. De lidstaten zouden werkgevers en vertegenwoordigers van werknemers moeten aanzetten tot het sociaal overleg over gezondheid en veiligheid en het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten moeten stimuleren.”. |
Stemuitslag:
|
Stemmen voor |
: |
66 |
|
Stemmen tegen |
: |
143 |
|
Onthoudingen |
: |
17 |
Paragraaf 3.2
Als volgt wijzigen:
|
|
„Verder merkt het EESC op dat de Commissie de wetgeving ongemoeid laat, vooral als het op spier- en skeletaandoeningen aankomt. Ook de Richtlijn over de bescherming van werknemers tegen kankerverwekkende stoffen is aan herziening toe. Bovendien ontbreekt een verwijzing naar de invoering van een rechtskader voor de anticipatie op veranderingen, iets waar het Europees Parlement ook al op heeft aangedrongen. De Commissie moet snel een oplossing vinden voor deze zaken.”. |
Stemuitslag:
|
Stemmen voor |
: |
60 |
|
Stemmen tegen |
: |
141 |
|
Onthoudingen |
: |
13 |
Paragraaf 3.5
Als volgt wijzigen:
|
|
„Door technologische innovaties en nieuwe arbeidsvormen, met name de atypische arbeidsregelingen, ontstaan nieuwe situaties met nieuwe problemen; in bepaalde gevallen kunnen zich echter ook , maar ook nieuwe risico’s voordoen die nog niet goed in kaart zijn gebracht. Het in kaart brengen van deze risico’s en de preventie ervan, alsmede de definitie van bestaande en nieuwe beroepsziekten, zijn taken die geen uitstel dulden. Er dienen snel oplossingen te worden gevonden door voor aanpassing aan de huidige wetgeving aan te passen of invoering van voor nieuwe wetgeving te zorgen die op de risico’s is afgestemd.”. |
Stemuitslag:
|
Stemmen voor |
: |
77 |
|
Stemmen tegen |
: |
140 |
|
Onthoudingen |
: |
10 |
Paragraaf 3.9
Als volgt wijzigen:
|
|
„In de EU is er al geruime tijd sprake van economische stagnatie en hoge werkloosheid. Werkloosheid neemt een bijzondere plaats in in de problematiek van gezondheid op het werk: in sommige gevallen is er immers een verband met psychische aandoeningen. Ook zwartwerkers kunnen in bepaalde gevallen lopen hogere risico’s lopen en krijgen vaker te maken krijgen met arbeidsongevallen. Naast structurele investeringen is de verbetering van de levensomstandigheden, vooral wat de gezondheid en veiligheid op het werk betreft, van groot belang voor een duurzame economische groei, meer hoogwaardige banen en een grotere sociale cohesie.”. |
Stemuitslag:
|
Stemmen voor |
: |
62 |
|
Stemmen tegen |
: |
145 |
|
Onthoudingen |
: |
10 |
Paragraaf 4.6
Als volgt wijzigen:
|
|
„De lidstaten moeten een stimulans geven aan sociaal overleg tussen werkgevers en vertegenwoordigers van werknemers onderhandelingen en cao’s. De sociale partners moeten een belangrijke rol krijgen bij het uitwerken en uitvoeren van gezondheids- en veiligheidsbeleid en bij het bevorderen van een veilige en gezonde werkomgeving.”. |
Stemuitslag:
|
Stemmen voor |
: |
66 |
|
Stemmen tegen |
: |
141 |
|
Onthoudingen |
: |
17 |
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/91 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over mogelijkheden voor hulpbronnen-efficiëntie in de bouwsector
(COM(2014) 445 final),
de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Naar een circulaire economie: een afvalvrij programma voor Europa”
(COM(2014) 398 final)
en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval, 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen, 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
(COM(2014) 397 final — 2014/0201 (COD))
(2015/C 230/14)
|
Rapporteur: |
An LE NOUAIL MARLIÈRE |
De Commissie, het Europees Parlement en de Raad hebben op respectievelijk 14 juli, 28 juli en 20 oktober 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) overeenkomstig artikel 43, lid 2, en artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de
„Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over mogelijkheden voor hulpbronnen-efficiëntie in de bouwsector”
COM(2014) 445 final,
de
„Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Naar een circulaire economie: een afvalvrij programma voor Europa””
COM(2014) 398 final
en het
„Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval, 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen, 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur”
COM(2014) 397 final — 2014/0201 (COD).
De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 12 november 2014 goedgekeurd.
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) het volgende advies uitgebracht, dat met 129 stemmen vóór en 3 tegen, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC is ingenomen met de twee mededelingen en het pakket wijzigingen op de afvalstoffenrichtlijnen. Het steunt de campagne om alle bedrijven en de consumenten erop te wijzen dat er geleidelijk aan een eind moet komen aan het huidige lineaire economische model waarin het gaat om „pakken, maken, consumeren en verwijderen”, en dat vaart moet worden gezet achter de transitie naar een circulair model dat regenererend van opzet is en op duurzame energie is gebaseerd, teneinde zo weinig mogelijk natuurlijke hulpbronnen te gebruiken. |
|
1.2. |
Het EESC schaart zich achter de doelstelling om voor deze transitie een kader te scheppen dat de gehele levenscyclus van producten omspant, van de grondstoffenvoorziening tot ecologisch ontwerp, detailhandel, bedrijfsmodellen en consumptiepatronen, hergebruik en herproductie, en het gebruik van afval als hulpbron. |
|
1.3. |
Wel is het jammer dat in de specifieke Commissievoorstellen te veel de nadruk ligt op afvalbeleid en -wetgeving, terwijl dergelijke specifieke voorstellen voor gebieden hogerop in de keten om de gehele levenscyclus van producten te verbeteren, ontbreken. De Commissie zou er goed aan doen om zowel een stappenplan voor dergelijke maatregelen op te stellen met duidelijke aanwijzingen voor een tijdschema, werkwijze en budget, als om voorstellen in te dienen betreffende het gebruik van innovatieve financieringsinstrumenten, zoals groene obligaties. |
|
1.4. |
Het EESC verzoekt de Commissie ook om het ondersteunende kader voor een circulaire economie te integreren met ander Europees beleid, zoals het energie- en klimaatbeleid en het industriebeleid, inclusief het streven van de EU naar herindustrialisering. Het EESC is er voorstander van dat de kerndoelen van de Europa 2020-strategie worden aangevuld met een kerndoel inzake hulpbronnenefficiëntie, zoals het Europees platform voor efficiënt hulpbronnengebruik heeft voorgesteld en in de mededeling „Naar een circulaire economie” is vermeld. |
|
1.5. |
Weliswaar heeft de Commissie in het beleidspakket voor de circulaire economie de algemene voordelen voor de werkgelegenheid in overweging genomen en ook een initiatief voor groene werkgelegenheid opgenomen, maar het EESC betreurt dat de kans niet is aangegrepen om de gevolgen, risico’s en baten op werkgelegenheidsgebied specifieker te onderzoeken. Zo is geen aandacht geschonken aan het banenpotentieel van afvalpreventie, hergebruik en herproductie. Verder zou er ook meer aandacht moeten uitgaan naar het garanderen van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en naar het verbeteren van de veiligheids- en gezondheidsnormen voor de betrokken werknemers. |
|
1.6. |
Het door de Europese Commissie voorgestelde kader zou ervoor moeten zorgen dat het werk dat nodig is om tot bewustwording en een cultuuromslag te komen, eerlijk wordt verdeeld tussen de diverse partijen. Zo dient er met het oog op de toekomst een evenwicht te worden gevonden tussen het boeken van wetenschappelijke vooruitgang, het invoeren van innovatieve toepassingen en het beschermen van het Europese concurrentievermogen en het gemeenschappelijk belang. |
|
1.7. |
Consumenten en producenten moeten bewust worden gemaakt van hun verantwoordelijkheden. Consumenten dienen te worden voorgelicht zodat ze op weloverwogen wijze aankopen kunnen doen. De traceerbaarheid moet optimaal zijn en producenten moeten rekenschap kunnen afleggen. |
|
1.8. |
De Commissie stelt terecht voor om het storten van recycleerbaar afval geleidelijk uit te bannen en om hogere streefcijfers voor afvalrecycling vast te stellen. Dit zijn essentiële voorwaarden om de overgang naar een circulaire economie mogelijk te maken. De Commissie zou ook maatschappelijk draagvlak moeten creëren door geloofwaardige doelstellingen te formuleren. Deze moeten aanvaardbaar en proportioneel zijn en kwalitatief goed in elkaar zitten. |
|
1.9. |
Voorts is het EESC ingenomen met de maatregelen van de Commissie om de toepassing van de afvalwetgeving van de EU te verbeteren, met name door betere monitoring- en governance-instrumenten in te voeren. Om het percentage stedelijk afval dat in de EU wordt gerecycleerd te verhogen van de huidige 42 % naar 50 % in 2020 en 70 % in 2030, moet erop worden aangedrongen dat sommige landen beter hun best doen en geavanceerde afvalbeheersmaatregelen toepassen. Er moeten ook stappen worden gezet om de kwaliteit van de oorspronkelijke producten en hun bestanddelen, alsook het recyclingproces in zijn geheel te verbeteren. |
|
1.10. |
De Commissievoorstellen zijn niet in overeenstemming met de afvalhiërarchie uit de kaderrichtlijn afvalstoffen, waarin de volgende rangorde is vastgelegd: afvalpreventie, voorbereiding voor hergebruik, recycling, andere vormen van nuttige toepassing (energie) en verwijdering. Er is verzuimd om grondig na te gaan of er afvalpreventiedoelen en andere afvalpreventiemaatregelen kunnen worden vastgesteld, nog afgezien van een niet-bindend streefcijfer voor de vermindering van voedselafval. Ter wille van het milieu moet er hoe dan ook naar worden toegewerkt dat de totale hoeveelheid verbruikt materiaal en het resterende afval beheerst en verminderd wordt. |
|
1.11. |
Net als hergebruik (op productniveau) heeft meervoudige recycling (op materiaalniveau) als voordeel dat wordt bespaard op primaire grondstoffen, dat minder energie wordt verbruikt en dat minder broeikasgassen worden uitgestoten. De herziening van het pakket afvalstoffen is een unieke gelegenheid om het beginsel van meervoudige recycling voor duurzaam materiaal toe te passen. |
|
1.12. |
De circulaire economie moet niet alleen worden afgemeten aan de hoeveelheid afval die wordt geproduceerd, maar moet mensen er ook toe aanzetten om materiële en menselijke hulpbronnen in de gehele waardeketen te beschermen, waarbij tevens moet worden gestreefd naar het uitbannen van alle processen die schadelijk zijn voor mens of milieu. |
|
1.13. |
Het EESC pleit ervoor het beleidspakket aan te vullen met maatregelen die er specifiek op zijn gericht om te stimuleren dat gebruikte producten worden voorbereid voor hergebruik. In haar recyclingdoelstellingen stelt de Commissie voorbereiding voor hergebruik op gelijke voet met recycling, wat indruist tegen de afvalhiërarchie. Voorrang moet worden gegeven aan korte kringlopen. Door hergebruik van producten, voorbereiding voor hergebruik en herproductie kan de in producten opgesloten waarde optimaal worden benut en ontstaan er meer mogelijkheden om waardeketens in de EU te behouden, territoriale ontwikkeling te steunen en arbeidsplaatsen te creëren. |
|
1.14. |
In dit licht zou de EU alle lidstaten ook moeten aansporen om hun afvalplannen om te smeden tot territoriale plannen voor de circulaire economie, waarbij de aandacht vooral moet uitgaan naar maatregelen die bevorderen dat op materiële hulpbronnen wordt bespaard en het menselijk welzijn behouden blijft. |
|
1.15. |
Tot slot zou het EESC ook graag zien dat de sectorale benadering om de circulaire economie te promoten wordt verbreed. |
2. Inleiding
|
2.1. |
De Europese Commissie heeft op 2 juli 2014 een pakket van vijf voorstellen (1) ingediend, bestaande uit:
|
De Commissie heeft tevens aangekondigd dat ze later met een mededeling over duurzame voeding zal komen.
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Hoe kunnen we er bij de productie van goederen en diensten voor zorgen dat we het gebruik en de verspilling van grondstoffen en energie uit niet-hernieuwbare bron beperken? Buiten kijf staat dat het in de loop van de industriële geschiedenis van de 20e eeuw steeds goedkoper is geworden om delfstoffen en natuurlijke energetische hulpbronnen te winnen en te exploiteren. Dat komt vooral doordat de productiviteit gestaag is toegenomen. |
|
3.2. |
Nu we aan het begin van de 21e eeuw zijn, vertoont dit lineaire model echter haperingen. Het dreigt op termijn zelfs onhoudbaar te worden, omdat de hulpbronnen van onze planeet uitgeput beginnen te raken. De klok staat op vijf voor twaalf en het komt er nu niet meer op aan om na te denken over de vraag hoe we het economische model zouden kunnen veranderen, maar om dringend een nieuw model in te voeren. |
|
3.3. |
De cyclus van winning, productie, consumptie, verwijdering en recycling moet ingrijpend worden veranderd om de zelfvoorziening van gemeenschappen en hun sociale en duurzame ontwikkeling op lange termijn te verzekeren. |
|
3.4. |
Momenteel wordt er in bijna alle samenlevingen een ontwikkelingsmodel gehanteerd waarin vrijwel ongecontroleerd roofbouw wordt gepleegd. De rekening wordt doorgeschoven naar de groepen die het meest door de exploitatie en overexploitatie van hun hulpbronnen en de gevolgen van klimaatverandering en vervuiling worden getroffen, en naar de komende generaties. |
|
3.5. |
Iedereen zou zich vragen moeten stellen bij dit model, dat door de wereldwijde financiële, economische, sociale, politieke, energie- en milieucrisis is gaan wankelen. |
|
3.6. |
Om een ommekeer in productie- en consumptiemethoden teweeg te brengen, probeert de Europese Commissie via haar benadering van een circulaire economie perspectieven te openen die de gehele samenleving aangaan, maar die nog wel gerealiseerd moeten worden. |
4. Specifieke opmerkingen bij document COM(2014) 398 final
|
4.1. |
De Commissie legt in haar document „Naar een circulaire economie” uit wat het algemene concept „circulaire economie” inhoudt en wat de voordelen ervan zijn voor de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid. |
|
4.2. |
De algemene doelstellingen ervan zijn duidelijk, en we moeten absoluut meer doen om ze te verwezenlijken. Ons productie- en consumptiemodel moet op de schop. We moeten ons gebruik van hulpbronnen en materialen verminderen en er dus verstandiger mee omgaan. |
|
4.3. |
Hamvraag is nu hoe deze doelstellingen kunnen worden bereikt en hoe ze kunnen worden ingepast in een algemeen en alomvattend beleidskader. De tekortkomingen en onvolmaaktheden van de markt moeten en kunnen op verschillende manieren worden aangepakt: via marktprikkels (prijssignalen, fiscale signalen), regelgeving (vaststelling van bindende streefcijfers, waarbij de betrokkenen zelf mogen bepalen hoe ze die willen bereiken) en oplegging van normen aan de betrokkenen. |
|
4.4. |
Een algemeen beleidskader veronderstelt ook dat alle noodzakelijke voorwaarden (op economisch, sociaal, werkgelegenheids-, gezondheids- en veiligheidsgebied) aanwezig zijn. |
|
4.5. |
Volgens de Commissiemededeling is het de bedoeling een „ondersteunend beleidskader” vast te stellen om ontwerpen en innovaties voor een circulaire economie te promoten, investeringen aan te boren en activiteiten van bedrijven en consumenten aan te wenden. |
4.6. Een ondersteunend kader voor de circulaire economie
|
4.6.1. |
Het EESC schaart zich achter het streven om samen met alle betrokken partijen een kader voor de circulaire economie tot stand te brengen, zodat zich een nieuw economisch model kan ontwikkelen dat geleidelijk aan de plaats zal innemen van het heersende model van lineaire economische groei. Het streven naar een circulaire economie houdt in dat naar de hele levenscyclus van producten wordt gekeken, van de grondstoffenvoorziening tot ecologisch ontwerp, detailhandel, bedrijfsmodellen en consumptiepatronen, hergebruik, herproductie, en terugwinning en verwijdering van afval. In principe wordt ook in de Commissiemededeling uitgegaan van een dergelijke brede aanpak. In de praktijk evenwel blijkt het evenwicht zoek, aangezien de concrete beleidsvoorstellen hoofdzakelijk betrekking hebben op de afvalsector. De Commissie kondigt dan wel aan dat zij een ondersteunend kader voor de circulaire economie zal ontwikkelen (3), maar details over tijdschema en werkwijze ontbreken. Het EESC dringt erop aan dat de Commissie hiervoor zo snel mogelijk een duidelijk en transparant voorstel indient. |
|
4.6.2. |
Het begrip circulaire economie is gebaseerd op een analyse van het gebruik van hulpbronnen waarbij de hele levenscyclus in aanmerking wordt genomen. De circulaire economie richt zich op recycling, de vervanging van bepaalde hulpmiddelen, duurzaamheid en hergebruik van producten, tegengaan van verspilling in alle fasen van de keten, dus ook bij de bron, en ecologisch ontworpen producten en diensten en nieuwe bedrijfsmodellen. Voorts impliceert een circulaire economie dat nieuwe vormen van governance worden ingevoerd waarbij het hele maatschappelijk middenveld wordt betrokken. Het EESC verzoekt de Commissie een gedetailleerde beleidsstrategie uit te werken voor de overschakeling op een circulaire economie. Ook zou het graag zien dat de Commissie zich minder op de vlakte houdt in haar beleidsvoorstellen inzake de bevordering van ecologisch ontwerp, innovatie en investeringen, en dringt het erop aan dat zij duidelijke voorstellen indient en daarbij ook aangeeft welke middelen zullen worden uitgetrokken ter ondersteuning van de circulaire economie en hoe gebruik zal worden gemaakt van innovatieve financiële instrumenten, zoals groene obligaties. De Commissie moet haar inspanningen dus voortzetten en met name:
|
|
4.6.3. |
Het EESC herinnert in dit verband aan zijn advies uit april 2012 over „meer duurzame productie en consumptie in de EU”, waarin het pleit „voor een nieuwe gemeenschappelijke visie op het economische model waarbij alle partijen van het georganiseerde maatschappelijke middenveld bijeen worden gebracht” (4). |
4.7. Afbakening van het toepassingsgebied
|
4.7.1. |
De Commissie geeft niet aan hoe de circulaire economie kan worden ontwikkeld op lokaal en regionaal niveau. Het EESC is van oordeel dat strategieën op het gebied van de circulaire economie steeds moeten opgesteld vanuit het perspectief van een territoriale hiërarchie, waarbij wordt uitgegaan van de lokale autoriteiten om over het regionale, nationale en Europese niveau tot het mondiale niveau te komen, en waarbij zo veel mogelijk voorrang wordt gegeven aan korte kringlopen en korte ketens. |
|
4.7.2. |
De mogelijke sociaaleconomische voordelen van de circulaire economie worden eerst voelbaar op lokaal niveau (duurzame wijken, groene steden), vervolgens op het niveau van de (EU-)regio’s, en pas daarna op nationaal en internationaal niveau. |
|
4.7.3. |
De strijd tegen internationale sociale en milieudumping en dus ook de mogelijkheid van kleinschalige verplaatsing van een groot gedeelte van de economie maken deel uit van deze lokale benadering. Voor een optimaal afvalbeheer moeten ook de lokale en regionale verantwoordelijken initiatief nemen: gescheiden inzamelen van afval, en oprichten van milieuparken, sorteercentra en netwerken die zich bezighouden met herstel, doorverkoop en hergebruik enz. Het spreekt vanzelf dat korte toeleveringsketens met het oog op een beter beheer van bioafval de voorrang moeten krijgen, ook vanuit de optiek van werkgelegenheid. |
|
4.7.4. |
De EU zou daarom alle lidstaten ertoe moeten aanzetten om hun afvalplannen om te smeden tot territoriale plannen voor de circulaire economie. |
4.8. Nagaan van de sociaaleconomische impact
|
4.8.1. |
Hoewel het pakket van de Commissie het verband legt tussen milieu (afvalbeheer) en economie (groene banen, actieplan mkb), komen de volgende punten niet systematisch aan de orde:
|
4.9. Een bredere sectorale benadering
|
4.9.1. |
Niet alleen zou de nieuwe strategie voor een circulaire economie meer haar stempel moeten drukken op de sector afvalbeheer, het EESC zou graag zien dat ook in andere sectoren dan duurzaam bouwen in dit verband vooruitgang wordt geboekt. |
|
4.9.2. |
Zo zou de sectorale benadering moeten worden aangevuld met voorstellen die niet alleen betrekking hebben op duurzame voeding en constructie, maar ook op andere sectoren zoals de productie-industrie. |
5. Specifieke aanbevelingen bij document COM(2014) 397 final
5.1. Een wetgevingsvoorstel dat uitbreiding behoeft
|
5.1.1. |
Het EESC onderschrijft de algemene strekking van de wijzigingen die gericht zijn op:
|
|
5.1.2. |
Bepaalde aanvullende opties (zoals het vastleggen van specifieke streefcijfers voor preventie en hergebruik, of het verplichten van statiegeld voor bepaalde producten) worden in de effectbeoordeling al te lichtvaardig van tafel geveegd. De Commissie gaat voorbij aan de afvalhiërarchie uit de kaderrichtlijn afvalstoffen (5), waarin de volgende rangorde is vastgelegd: afvalpreventie, voorbereiding voor hergebruik, recycling, en andere vormen van nuttige toepassing en verwijdering. |
|
5.1.3. |
In artikel 9, onder c), van de kaderrichtlijn afvalstoffen wordt bepaald dat de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag moet voorleggen dat indien van toepassing vergezeld gaat van voorstellen voor maatregelen met het oog op de vaststelling van afvalpreventie- en ontkoppelingsdoelstellingen voor 2020, met inbegrip van indicatoren voor afvalpreventiemaatregelen. Aangezien afvalpreventie onlosmakelijk verbonden is met de circulaire economie, was het logisch geweest dit verslag samen met het pakket circulaire economie te presenteren. In de effectbeoordeling waarmee de huidige reeks maatregelen voor de circulaire economie gepaard gaat, staat te lezen dat de vaststelling van een algemeen streefcijfer voor afvalpreventie werd verworpen zonder dat daarnaar degelijk onderzoek werd verricht. |
|
5.1.4. |
Ook de toekomst van het ecologisch ontwerpen van producten en diensten lijkt op losse schroeven te staan. Onder meer de volgende maatregelen zouden een oplossing kunnen bieden:
|
|
5.1.5. |
De kwestie van geplande veroudering verdient een specifieke strategie die maatregelen van technologische, commerciële, normatieve, educatieve en informatieve aard combineert (6). |
5.2. Vervollediging van de streefcijfers
|
5.2.1. |
Streefcijfers inzake preventie zijn zogoed als onmisbaar voor een correcte toepassing van de afvalhiërarchie, zoals al is opgemerkt door het Europees Parlement en het Comité van de Regio’s alsook in een auditverslag van de Europese Rekenkamer. De Commissie zou dergelijke streefcijfers moeten vastleggen aan de hand van de door de lidstaten ingediende nationale preventieprogramma’s. |
|
5.2.2. |
De door het Comité van de Regio’s naar voren gebrachte doelstelling om het stedelijk afval met 10 % te verminderen zou zorgvuldig moeten worden onderzocht (7). Ook zou studie moeten worden gemaakt van de regionale en nationale ervaringen met maxima voor huishoudelijk afval, om op basis daarvan een Europese grens vast te stellen (in de orde van 200 à 300 kg per inwoner per jaar). |
|
5.2.3. |
Stedelijk afval (artikel 3 van de kaderrichtlijn afvalstoffen) moet strikt worden gedefinieerd als huishoudelijk afval; de definitie ervan mag niet worden uitgebreid tot commercieel en industrieel afval of afval dat onder de regeling inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid valt; de verschillende taken en verantwoordelijkheden moeten immers duidelijk afgebakend zijn. |
|
5.2.4. |
Commercieel en industrieel afval mag niet worden beschouwd als huishoudelijk afval, zodat een afzonderlijk streefcijfer voor recycling kan worden vastgelegd. |
|
5.2.5. |
Gebruik van afval als opvulmateriaal valt niet altijd onder „terugwinning”; dat moet blijken uit de definitie. Overigens zou deze techniek moeten worden verboden als het gaat om gevaarlijk afval en beperkt moeten blijven tot bouw- en sloopafval (artikel 3 van de kaderrichtlijn afvalstoffen). |
|
5.2.6. |
Het Commissievoorstel voor een streefcijfer voor de preventie van voedselverspilling moet gepaard gaan met een streefdoel voor de beperking van verpakkingsafval. |
|
5.2.7. |
Het EESC pleit ervoor het beleidspakket aan te vullen met specifieke maatregelen ter ondersteuning van de voorbereiding voor hergebruik van gebruikte producten. In haar recyclingdoelstellingen stelt de Commissie voorbereiding voor hergebruik op gelijke voet met recycling, wat indruist tegen de afvalhiërarchie. Modernisering van producten en onderdelen kan niet alleen het gebruik van die producten en materialen aanzienlijk efficiënter maken, maar kan ook voor heel wat nieuwe banen zorgen op lokaal en regionaal niveau. Voorts mogen de voorbereidende activiteiten voor hergebruik (voorbereiden van het hergebruik van verpakking, elektrische en elektronische apparatuur, maar ook van producten als speelgoed en luiers) niet worden gelijkgesteld met recyclingactiviteiten: er moet een specifiek streefcijfer — bijvoorbeeld 5 % — worden vastgelegd. |
|
5.2.8. |
In het wetgevingsvoorstel wordt bepaald dat recycling/hergebruik van stedelijk afval en van verpakkingsafval tegen 2030 tot respectievelijk 70 en 80 % moet zijn gestegen, het storten van recycleerbaar afval tegen 2025 uitgebannen moet zijn en voedselverspilling in de EU tegen 2025 met 30 % moet zijn afgenomen. Het gaat hier om cruciale doelstellingen die de nodige steun verdienen. |
|
5.2.9. |
Streefdoelen horen integrerend deel uit te maken van de bedrijfsmodellen van de economische actoren (met name in de verpakkingsindustrie en de handel), die zelf moeten bekijken wat de meest efficiënte manier is om deze te bereiken. Wel dient er steeds op te worden toegezien dat andere, niet minder belangrijke beginselen en criteria door deze overstap niet in het gedrang komen. Grootste punt van zorg zijn de arbeidsomstandigheden en de regels inzake gezondheid en veiligheid van de betrokken werknemers. Vooral in de sectoren verpakking en afvalbeheer kunnen zich op dit vlak problemen voordoen, wat te maken heeft met de lastige arbeidsomstandigheden, de onzekerheid en de veiligheids- en gezondheidsrisico’s. De verwezenlijking van deze ambitieuze streefcijfers mag in geen geval een verslechtering van de arbeidsomstandigheden tot gevolg hebben, en zou integendeel moeten leiden tot een verbetering (8). |
|
5.2.10. |
Voor de lokale autoriteiten moet een financieringskader worden vastgelegd, zodat zij daadwerkelijk kunnen beschikken over de nodige financiële middelen om de vooropgezette doelstellingen te verwezenlijken. Als de overheden al te strikte regels op het gebied van schulden krijgen opgelegd, zullen zij de noodzakelijke nieuwe investeringen, bijvoorbeeld op het vlak van afvalbeheer, gaan compenseren door minder uit te geven aan andere cruciale activiteiten. Het beleidskader moet een gunstig financieel klimaat creëren, indien nodig met behulp van specifieke middelen, bijvoorbeeld uit de EU-structuurfondsen of de Europa 2020-strategie. |
|
5.2.11. |
Voorts moet erop worden toegezien dat de strijd tegen voedselverspilling de voedselveiligheid niet ondermijnt, en dat de regels inzake consumentenbescherming in acht worden genomen. Het zou nuttig zijn hierover overleg te plegen met de consumentenorganisaties en de instanties voor voedselveiligheid. |
|
5.2.12. |
Bij voedselafval gaat het om organische grondstoffen, die zo veel mogelijk verwerkt of in ongewijzigde toestand opnieuw voor de landbouwproductie gebruikt zouden moeten worden. Bepaalde soorten voedselafval zijn vanwege hun aard zeer geschikt om te worden hergebruikt als veevoeder of als bodemverbeteraar. Momenteel wordt dit echter wegens allerlei beperkende voorschriften belemmerd. Daarom verzoekt het EESC de Commissie na te gaan of deze beperkingen wel gepast zijn. |
6. Specifieke opmerkingen bij COM(2014) 445 final
|
6.1. |
De mededeling over de mogelijkheden voor hulpbronnenefficiëntie in de bouwsector is erop gericht de totale impact die gebouwen hun hele levenscyclus lang hebben op het milieu, terug te dringen. Zo presenteert de Commissie een serie indicatoren voor de beoordeling van de milieuprestaties van gebouwen, zodat ontwerpers, fabrikanten, aannemers, overheden en gebruikers met kennis van zaken een keuze kunnen maken. Een transparant kader, met name geharmoniseerde statistische gegevens en een reeks vergelijkbare en gebruiksvriendelijke indicatoren, is in dit verband van kapitaal belang. |
|
6.2. |
Het pakket circulaire economie moet ook vraaggestuurde stimuleringsmaatregelen bevatten, zodat een zelfvoorzienende markt van secundaire grondstoffen tot stand komt (bijvoorbeeld producten met een minimumgehalte aan gerecycleerd materiaal). We moeten een toestand creëren waarin afval als grondstof met een goede marktliquiditeit kan worden verhandeld, tegen een passende prijs vanuit economisch, menselijk en milieuoogpunt. Een betere stimulans voor het inzamelen van afval is er niet. |
6.3. Uitdagingen in verband met de kwalificatie van producten — preventie van seriële schade
|
6.3.1. |
Preventie van seriële schade is voor de verzekeringssector van enorm belang: als er iets mis is met een voorwerp waarvan er tienduizenden exemplaren worden gebruikt, dan kunnen de directe en indirecte kosten van het herstel oplopen tot tientallen of zelfs honderden miljoenen euro. Als we kijken naar de meest opvallende voorbeelden van seriële schade van de laatste twintig jaar, dan blijkt dat de problemen steevast terug te voeren zijn op het feit dat de verschillende bestanddelen van het bouwmateriaal in kwestie scheikundig gezien niet compatibel zijn. |
|
6.3.2. |
Dit soort seriële schade wordt over het algemeen veroorzaakt door een reactie die in de loop der tijd ontstaat als gevolg van externe parameters zoals vochtigheid of temperatuur. In bepaalde gevallen houdt de schade verband met bepaalde kenmerken van importproducten waarover onvoldoende informatie werd verstrekt. |
|
6.3.3. |
Het gebruik van recyclagemateriaal bij de productie van bouwmateriaal hoeft op zich geen probleem te vormen. Het is echter wel van belang dat de fysisch-chemische kenmerken van het te recycleren materiaal volledig bekend zijn, zodat incompatibiliteit bij hergebruik uitgesloten is. Het te recycleren materiaal moet correct worden beschreven en er moet worden gewaakt over de homogeniteit van een voor hergebruik bestemde partij producten, wat niet vanzelfsprekend is. |
|
6.3.4. |
De herziening van het pakket afvalstoffen biedt een unieke kans om het beginsel van meervoudige recycling toe te passen en zo de hulpbronnenefficiëntie te vergroten. Meervoudige recycling heeft betrekking op materiaal dat niet structureel wordt afgebroken tijdens het recyclingproces — duurzaam materiaal dus — maar dat telkens opnieuw kan worden gebruikt; op die manier wordt de circulaire economie gestimuleerd en wordt geen bruikbaar materiaal verspild, verbrand of gestort. Duurzaam materiaal kan op die manier tot in lengte van dagen worden gebruikt. |
|
6.3.5. |
Een systeem voor het traceren van bouwmateriaal tijdens de eerste levenscyclus zou problemen bij hergebruik kunnen voorkomen. Voorts zouden regels moeten worden uitgewerkt voor de indeling van materiaal, rekening houdend met de toekomstige bestemming ervan; de klemtoon moet daarbij liggen op een hoge mate van biologische afbreekbaarheid en de invoering van kwaliteitsnormen. |
|
6.4. |
Om dumping tegen te gaan, zou de Commissie moeten overwegen bindende bepalingen en sancties in te voeren, om zo te vermijden dat materiaal dat niet langer nuttig is naar derde landen wordt uitgevoerd. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) http://ec.europa.eu/environment/circular-economy/
(2) Zie bladzijde 99 van dit Publicatieblad.
(3) COM(2014) 398 final, blz. 3.
(4) PB C 191 van 29.6.2012, blz. 6.
(5) PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.
(6) PB C 67 van 6.3.2014, blz. 23.
(7) http://cor.europa.eu/nl/news/regional/Pages/cities-and-regions-eu-waste.aspx
(8) Voor gedetailleerde kanttekeningen bij afvalbeheer, zie nummer 2014/9 van HesaMag van het Europees Vakbondsinstituut ETUI): http://www.etui.org/en/Topics/Health-Safety/HesaMag
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/99 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Groen actieplan voor het mkb: het mkb in staat stellen om milieu-uitdagingen om te zetten in zakenkansen”
(COM(2014) 440 final)
en de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten”
(COM(2014) 446 final)
(2015/C 230/15)
|
Rapporteur: |
Antonello PEZZINI |
De Europese Commissie heeft op 16 juli 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over de
„Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Groen actieplan voor het mkb: het mkb in staat stellen om milieu-uitdagingen om te zetten in zakenkansen””
COM(2014) 440 final
en de
„Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten””
COM(2014) 446 final.
De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 12 november 2014 goedgekeurd.
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 503e zitting van 10 en 11 december 2014 (vergadering van 10 december) het volgende advies met 135 stemmen vóór en 1 tegen, bij 1 onthouding, goedgekeurd:
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) acht de optie op een kringloopeconomie relevant voor het concurrentievermogen van de EU, mits deze gebaseerd wordt op een Europese strategische visie die actief ondersteund wordt door het bedrijfsleven, de overheid, de werkgevers, de werknemers, de consumenten en de wet- en regelgevende overheden op de verschillende niveaus. |
|
1.2. |
Voor het EESC staat het vast dat de overgang naar een Europese kringloopeconomie positieve vooruitzichten biedt voor de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; zij kan de motor worden voor groei, nieuwe banen en groene competenties en het vermogen versterken om duurzaam met natuurlijke hulpbronnen om te springen, in een duurzame en concurrerende economie. |
|
1.3. |
Het Comité wil dat er een participatief initiatief komt met het oog op een prospectieve analyse op Europees niveau teneinde gestalte te geven aan een gemeenschappelijke visie van alle publieke en private actoren om op EU-, nationaal en regionaal niveau coherent beleid en instrumenten voor te bereiden voor een breed gedragen overgang naar de kringloopeconomie en om een concrete aanzet te geven tot de agenda voor groene innovatie. Netwerken van maatschappelijke organisaties die pleiten voor de overgang naar een kringloopeconomie, moeten worden ondersteund. Het Comité zou zulke netwerken actief kunnen bevorderen en kunnen overwegen om een Europees platform voor de kringloopeconomie op te richten en te beheren. |
|
1.4. |
Tegelijk acht het EESC het fundamenteel dat er een structurele dialoog komt voor de aparte sectoren met ondersteunende, experimentele acties die als voorbeeld dienen en de opties tonen van de duurzaamste praktijken, met volledige deelname van consumentenorganisaties, micro- en kleine ondernemingen en de sociale economie. |
|
1.5. |
Aan de hand van een kosten-batenanalyse zou bekeken moeten worden wie een systematische reconversie van de productie-, commerciële, distributie- en consumptiepatronen voor zijn rekening kan nemen, waarbij geplande veroudering plaats maakt voor nieuwe gebruiks- en consumptiekwaliteit, voor producten en onderdelen die hun meerwaarde behouden en zo lang mogelijk hergebruikt kunnen worden. |
|
1.6. |
Volgens het Comité kan de overstap naar een nieuw model van kringloopeconomie, met inbegrip van herproductie en herconsumptie, niet los worden gekoppeld van de algemene verspreiding van methoden van sociaal verantwoord werkende regio’s die als hefboom fungeren voor de ontwikkeling van een breed gedragen, innovatief-participatieve cultuur. |
|
1.7. |
De EU zou moeten overwegen om volgens welomschreven criteria een relevant aantal goed afgebakende innovatiezones aan te duiden — smart cities, vrijhavens, clusters, green deals — waar geëxperimenteerd kan worden met de overgang naar een kringloopeconomie. Daarbij kan ook gebruikgemaakt worden van de positieve ervaringen van Europese instrumenten als het Burgemeestersconvenant. |
|
1.8. |
Het EESC is dus ingenomen met de voorstellen van het groen actieplan voor het mkb (midden- en kleinbedrijf) en het initiatief voor groene banen, maar betreurt het dat er weinig concrete acties en praktische gidsen zijn die het mkb duurzamer en groener zouden kunnen maken. Voorts zou het graag zien dat het beginsel „Think Small First” in het actieplan centraal komt te staan, in aansluiting op de Small Business Act. |
|
1.9. |
Het EESC acht met name een actieve rol voor sociale partners en maatschappelijke organisaties essentieel in de formulering, uitvoering en monitoring van nationaal beleid voor duurzame ontwikkeling en in de overstap naar een kringloopeconomie met hoge milieuduurzaamheid, veel startende bedrijven en veel „groene” banen. |
|
1.10. |
De voorgestelde maatregelen om de huidige hiaten in „groene” competenties op te heffen, moeten volgens het EESC worden aangevuld met een efficiënt en gericht gebruik van structurele middelen, met name van het Europees Sociaal Fonds, het Regionaal Fonds en de fondsen voor landbouw en visserij, en innovatieve instrumenten, zoals Horizon 2020, Cosme en Life, maar ook met het EIB-loket voor groene microfinanciering. |
|
1.10.1. |
Het is raadzaam om ook te zorgen voor:
|
|
1.11. |
Voor het EESC staat het vast dat een breed gesteunde overgang naar een Europese kringloopeconomie tal van opties kan bieden voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en voor de sociale economie; zij kan een belangrijke motor worden voor de groei, zowel op de binnenlandse als internationale markt. In dat verband moet prioriteit uitgaan naar:
|
|
1.12. |
Het Comité is ervan overtuigd dat de weg naar een kringloopeconomie alle steun verdient, vooral voor het Europese continent. Daarom is het geboden om:
|
2. Inleiding
|
2.1. |
In tegenstelling tot een lineaire economie (nemen-produceren-gebruiken-weggooien) komt het begrip kringloopeconomie voort uit de noodzaak om tot duurzame groei te komen met als doel om producten zo lang mogelijk hun meerwaarde te laten behouden en, wat de onderdelen betreft, deze zoveel mogelijk productief opnieuw te gebruiken zodat er steeds minder afval ontstaat en verwijderd moet worden en de milieudruk afneemt. |
|
2.2. |
McKinsey stelt dat 60-80 % van de hulpbronnen verloren gaat na het lineaire traject winning-productie-consumptieafval. In een wereld waarin 3 miljard mensen op het punt staan tot de middenklasse toe te treden, is dit niet langer houdbaar. |
|
2.3. |
De overgang naar een kringloopeconomie behelst veel ingrijpende veranderingen: in de mentaliteit van producenten, werknemers, consumenten en burgers, in het gebruik van hulpbronnen en grondstoffen, in het ontwerp van producten, markt- en bedrijfsmodellen en in het onderzoek naar nieuwe methoden om afval in hulpbronnen om te zetten. |
|
2.4. |
De vereiste technologie die de levensduur van materialen in de waardeketen in beeld brengt, bestaat. Verder worden hulpbronnen steeds schaarser en stijgen de prijzen van de aangeboden goederen. Voor de consument is stipte dienstverlening wellicht interessanter dan het eenvoudigweg bezitten van een product. |
|
2.5. |
Een dergelijk model voor groene groei vergt niet alleen een heuse cultuurwijziging, met sterke nadruk op innovatie en onderzoek, maar ook forse investeringen in technologie, onderwijs en organisatie, kwalificatie voor nieuwe beroepsprofielen, nieuwe financieringsmethoden en passend beleid. |
|
2.6. |
Een geïntegreerde beleidsaanpak is essentieel om op basis van passende toegang tot de nieuwe profielen het werkgelegenheidspotentieel te benutten en om de uitdagingen aan te gaan die voortvloeien uit de overgang naar een cyclische, niet-lineaire economie. Hierover moet tevens meer worden gecommuniceerd, om de grote problemen ook met nieuwe opleidings-, arbeids- en organisatiemodellen aan te pakken. |
|
2.7. |
Voor het toekomstige concurrentievermogen van de Europese industrie is het essentieel dat er meer duurzame producten kunnen worden gemaakt waarvoor minder grondstof, minder energie en minder water nodig is en waarbij afgedankte hulpbronnen ter plaatse herwonnen worden. We moeten producten ontwerpen en maken die opnieuw gebruikt, gerepareerd, geregenereerd en gerecycleerd kunnen worden en hierop gerichte functionele diensten opzetten. |
|
2.8. |
Het afval van een bewerking zou omgezet moeten kunnen worden in hulpbronnen voor andere activiteiten en, eventueel, als meststoffen voor boerderijen in het betreffende gebied. Warmte moet niet verspild, maar opgevangen worden voor andere toepassingen, zoals verwarming van huizen of kassen. |
|
2.9. |
Kringloopmodel: het moet mogelijk zijn om uit elke ton materiaal, elke joule energie, elke hectare terrein een grotere meerwaarde en grotere voordelen te halen door minder materiaal te gebruiken, intensiever gebruik en recyclage. |
|
2.10. |
Om profijt te trekken van de overgang naar een kringloopeconomie is het volgende vereist: |
|
2.10.1. |
de opheffing van systeemobstakels die de invoering van kringloopmodellen door het mkb in de weg staan; het efficiënte gebruik van materiaal uit afvalstromen, sectorale en intersectorale informatienetwerken, ook op EU-niveau; |
|
2.10.2. |
de uitwerking van nieuwe beroepsprofielen voor de werknemers die met deze processen belast worden, daar onderwijs en opleiding om het werk groener te maken berusten op een goede basisopleiding en levenslang leren; ook een opleiding voor milieubewustzijn moet hiervan deel uitmaken (1); |
|
2.10.3. |
het beschikken over adequate financiële instrumenten, vooral voor onderzoek en innovatie, capaciteitsopbouw en marktanalyse, met inzet van instrumenten als Horizon 2020, de structuurfondsen, EIB en PPP; |
|
2.10.4. |
de vereenvoudiging en aanpassing van regelgeving door overheden op diverse niveaus: van verbodssystemen naar een proactieve aanpak om de oprichting en ontwikkeling van groene bedrijven te begunstigen, die gekwalificeerde en blijvende arbeid scheppen, in samenhang met de Small Business Act; |
|
2.10.5. |
de uitwerking van een actieve rol voor sociale partners en maatschappelijke organisaties in de formulering, uitvoering en monitoring van nationaal beleid voor duurzame ontwikkeling, en in de overstap naar een kringloopeconomie met hoge milieuduurzaamheid en veel „groene” banen; |
|
2.10.6. |
het verschaffen van richtsnoeren en concrete technische steun voor micro-, kleine en middelgrote bedrijven en coöperaties; met behulp van sociale krachten aangeven hoe de eigen productieprocedures kunnen worden vergroend, in de vorm van een „toolbox” voor nieuwe bedrijfsmodellen en uitwisseling van goede praktijken; |
|
2.10.7. |
de bevordering van een cultuur van dialoog en samenwerking op de arbeidsplaats voor een rationeler gebruik van hulpbronnen, minder afval, inzet van schone en ongevaarlijke technologie en werkmethoden en voor hoogwaardige arbeid. |
|
2.11. |
De vergroening van arbeidsplaatsen en bevordering van groen werk in traditionele en opkomende sectoren zouden moeten leiden tot een ecologisch duurzame, concurrerende economie met een kleine koolstofvoetafdruk, alsook tot duurzame consumptie- en productiemethoden die bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering. |
|
2.12. |
Het EESC is in diverse adviezen (2) herhaaldelijk op deze brede thematiek ingegaan. Het heeft onder meer het volgende opgemerkt:
|
|
2.12.1. |
Een groot deel van de vooruitgang die de industrie de laatste dertig jaar heeft geboekt, is te danken aan wet- en regelgeving die de industrie verplichtte vervuiling aan te pakken en naar nieuwe manieren te zoeken om afval voordelig te benutten. Er moeten nieuwe fiscale regels komen die een evenwicht scheppen tussen energiebesparing en -verbruik, en adequate voorschriften waarmee de industrie de gehele productcyclus verantwoord op zich kan nemen. |
|
2.13. |
Voorts stelde het EESC in een recent advies: „Gezien de ingrijpende veranderingen die er op productie- en consumptiegebied nodig zijn, is het absoluut zaak dat het maatschappelijk middenveld op alle niveaus betrokken wordt bij het hele overgangsproces naar een inclusieve groene economie, met name op sectoraal en territoriaal (Europees, nationaal en regionaal) niveau.” (3) |
|
2.14. |
Het Europees Parlement van zijn kant heeft op 12 december 2013 een resolutie goedgekeurd over eco-innovatie — Werkgelegenheid en groei via het milieubeleid (4), waarin het
|
|
2.15. |
In oktober 2011 heeft het Comité van de Regio’s (CvdR) een advies goedgekeurd over het vlaggenschipinitiatief „Efficiënt gebruik van hulpbronnen”, waarin het CvdR zijn steun uitspreekt voor de oprichting van „een overgangsplatform voor hulpbronnenefficiëntie, waar verschillende actoren […] samenkomen”, dat ook „beleidsmakers van diverse bestuursniveaus, dus ook regionale en lokale niveaus” zou moeten omvatten. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het Comité is ingenomen met het voorgelegde pakket Kringloopeconomie, met name met de twee initiatieven voor groene werkgelegenheid en voor het actieplan voor het mkb, die in dit advies centraal staan, in het overgangsproces naar de kringloopeconomie. |
|
3.2. |
Tegelijk is het EESC echter bezorgd over dergelijke initiatieven, met name het actieplan voor het mkb, omdat er veel informatie verstrekt wordt zonder concrete acties of praktijkgidsen voor het mkb en voor de betrokken werknemers over hoe productieprocessen en diensten efficiënt groen kunnen worden gemaakt, met beperkte kosten en verbeterde arbeidskwaliteit zonder dat het concurrentievermogen achteruitgaat. |
|
3.3. |
Volgens het EESC is de overgang naar de kringloopeconomie onmogelijk zonder productie-, arbeids- en consumentenstructuren erbij te betrekken; ook politieke instanties en overheden op diverse niveaus dienen hun zegje te kunnen doen, om te beginnen op EU-niveau. Van een benadering met verboden zou men over moeten gaan op een coherente proactieve aanpak die de overschakeling steunt, ook door gebruik te maken van „groene” bestekken in heel het aanbestedingenstelsel. |
|
3.4. |
Het gaat immers niet alleen om nieuwe begrippen voor productie en de bijhorende noodzaak, voor werkgevers en werknemers, om nieuwe vaardigheden te verwerven, om ontwikkeling van innovatieve organisatie- en marktsystemen, om verwerving van nieuwe gebruiks- en consumptiekwaliteiten, maar ook om een nieuwe industriële en dienstencultuur, en misschien vooral, een wettelijke en administratieve cultuur. |
|
3.5. |
Het Comité verzoekt nadrukkelijk dat er, in het kader van Horizon 2020, een grootschalig participatief initiatief komt voor een prospectieve analyse op Europees niveau teneinde gestalte te geven aan een gemeenschappelijke visie van alle publieke en private actoren om op EU-, nationaal en regionaal niveau coherent beleid en instrumenten voor te bereiden voor een breed gedragen, coherente overgang naar de kringloopeconomie, die verder gaat dan het positieve werk van het Europese platform voor efficiënt grondstoffengebruik (EREP). |
|
3.5.1. |
Burgers, werknemers, consumenten en ondernemingen moeten met speciale innovatieve, ook individuele instrumenten aangezet worden tot gedrag en acties die beloond worden. |
|
3.5.2. |
Door de EU mogelijk gemaakte regels en financiële kaders moeten de ecologische en sociale duurzaamheid bevorderen, alsmede de innovatie en investeringen in menselijk, sociaal en milieukapitaal. |
|
3.5.3. |
Er dient een vereenvoudigd en samenhangend institutioneel kader te komen waarbinnen ondernemingen, werknemers, beleggers en consumenten actief kunnen deelnemen aan de overschakeling. |
|
3.5.4. |
Adequate financiële middelen op EU-, nationaal en regionaal niveau moeten de toegang tot krediet veiligstellen, vooral voor micro-ondernemingen. |
|
3.5.5. |
Gunstige gerichte fiscale maatregelen moeten worden bevorderd, alsook innovatieve publiek-private partnerschappen, een „groen” beleid voor overheidsaanbestedingen, verspreiding van goede praktijken die de toegang tot economische afzetgebieden bevorderen en de arbeidsmarkt inclusiever maken, met behoud van de hulpmiddelen op territoriaal niveau. |
|
3.5.6. |
Er moet blijvende interactie op gang komen tussen de arbeids- en bedrijfswereld en onderwijs en opleiding ten aanzien van productie, consumptie en groene banen (5). |
|
3.5.7. |
Assistentie en begeleiding moeten worden geboden aan micro-, kleine en middelgrote bedrijven via Europese netwerken en excellentiecentra voor de ontwikkeling van kennis, vaardigheden en markten, maar vooral via financiële en opleidingssteun. |
|
3.6. |
Tegelijk acht het EESC het fundamenteel dat er een structurele dialoog komt voor de aparte sectoren, met ondersteunende, experimentele acties die als voorbeeld dienen en de opties tonen van de duurzaamste praktijken, met volledige deelname van sociale partners, consumentenorganisaties, micro- en kleine ondernemingen en de sociale economie. |
|
3.7. |
Alvorens met acties te komen voor het scheppen van nieuwe, fatsoenlijke, groene, duurzame banen en voor de ontwikkeling van een groen actieplan voor het mkb, is het volgens het Comité zinvol een plan uit te werken voor de bestrijding van de geprogrammeerde veroudering van producten. |
|
3.8. |
De kosten van de industriële sectoren voor recyclage en hergebruik, de kwaliteit en zekerheid van aldus gecreëerde banen mogen niet uitsluitend beschouwd worden als een door het milieubeleid opgelegde eis, maar vergen complexe systemen voor proactieve governance, met geïntegreerde acties in veel strategische sectoren, alsmede op gebieden in verband met consumenten, vervoer, landbouw en energie (6). |
|
3.9. |
De innovatie op markten voor recyclagemateriaal moet kunnen rekenen op vernieuwde en coherente Europese regelgeving, met impulsen die productinnovatie relateren aan het gebruik ervan, ter bestrijding van de huidige tendens om afvalmateriaal en onderdelen in lagelonenlanden te verwerken, waar de veiligheid en gezondheid van de werknemers weinig aandacht krijgen (7). |
|
3.10. |
Volgens het Comité kan de overstap naar een nieuw model van kringloopeconomie, met inbegrip van herproductie en herconsumptie, niet worden losgekoppeld van de algemene verspreiding van het begrip maatschappelijk verantwoord gebied (MVG). |
4. De kringloopeconomie en het scheppen van arbeidsplaatsen
|
4.1. |
De voorgestelde maatregelen voor het opheffen van het huidige gebrek aan „groene” vaardigheden acht het EESC ontoereikend; de uitwisseling van goede praktijken binnen netwerken lijkt niet garant te staan voor een betere beoordeling van ontwikkelingen met betrekking tot vaardigheden en arbeid. Een betere Europese omschrijving van „groene” vaardigheden en arbeid zou, ook voor betere statistische gegevens — met actieve inbreng van de sociale partners, het mkb en de sociale economie — duidelijkere analyses en gerichtere foresightacties mogelijk maken. Dit geldt niet alleen voor nieuwe beroepsprofielen, maar ook voor de reconversie — ook wat betreft flexizekerheid en de invoering van een Europees kwaliteitskader (8) — van verouderde beroepsprofielen. |
|
4.2. |
Volgens het Comité is een efficiënte en gerichte inzet van de structuurfondsen en van innovatie-instrumenten als Horizon 2020, Cosme en Life, maar ook van het EIB-loket voor groene microfinanciering, essentieel voor het stimuleren van gekwalificeerde arbeid, vooral voor de kleine onderneming en de sociale economie, mits gesteund door het op consensus gebaseerde foresightproces dat het Comité onderschrijft. In dit verband moet het volgende gebeuren: |
|
4.2.1. |
een reële kwantificatie van mogelijkheden voor duurzame en niet-verplaatsbare werkgelegenheid op lokaal, sectoraal en intersectoraal niveau, die de overgang naar een kringloopeconomie kan opleveren, ook in verband met de dringende noodzaak voor de Europese economie om duurzaam te groeien en banen te scheppen; |
|
4.2.2. |
zorgen voor een billijk en duurzaam verloop van het proces; de overgang mag niet sociaal onrechtvaardig zijn voor werknemers, micro- en kleine ondernemingen en de sociale economie; |
|
4.2.3. |
een gestructureerde sociale dialoog op diverse niveaus, die volwaardig deel uitmaakt van een gedeelde strategische visie en een gedeeld geïntegreerd beleid, die er moeten komen om de kringloopeconomie gelijktijdig te laten beschikken over professionele vaardigheden en werknemers die de ontwikkeling ervan kunnen volgen; |
|
4.2.4. |
nauwe interactie tussen bedrijfsleven, onderwijs en opleiding voor een positieve ontwikkeling van vaardigheden, met degelijke stelsels voor technische en beroepsopleidingen en -onderwijs, waarbij de sociale partners rechtstreeks betrokken zijn (9). |
5. Het groen actieplan voor kleine en middelgrote ondernemingen
|
5.1. |
Voor het EESC staat het vast dat de overgang naar een Europese kringloopeconomie tal van opties kan bieden voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en voor de sociale economie; zij kan een belangrijke motor worden voor de groei, zowel op de binnenlandse als internationale markt, voor de uitbreiding van hun vermogen om natuurlijke hulpbronnen duurzaam te beheren, en om nieuwe hoogwaardige arbeid te scheppen. |
|
5.2. |
Het Comité wil dat tijdens de gehele opzet en uitvoering van het groen actieplan voor het mkb het beginsel „Think Small First” wordt gehanteerd, met bijzondere aandacht voor de wetgeving inzake het efficiënte gebruik van hulpbronnen en in aansluiting op de Small Business Act, en met toepassing van de „mkb-test” als criterium voor de overschakeling op de kringloopeconomie. |
|
5.3. |
Volgens het EESC moeten de instrumenten voor steun aan kleine bedrijven en de sociale economie dus op een nieuwe leest geschoeid worden omdat eerdere instrumenten, zoals het actieplan voor eco-innovatie, tot beperkte resultaten hebben geleid. |
|
5.4. |
Van de 34 acties die in het bij het voorstel gevoegde werkdocument (10) van de Commissie beschreven zijn, verdienen volgens het Comité de volgende prioriteit: |
|
5.4.1. |
uitbreiding en algemene invoering van vrijwillige, experimentele groene audits door het mkb, met EU-steun, voor diverse controles van milieutechnologie (ETV) voor eco-ontwerpen en -processen, met eventueel een „groen” EU-keurmerk (type Ecolabel II); |
|
5.4.2. |
ruimere toegang tot krediet: grotere rol voor de EIB voor deze toegang voor ondernemingen, voor de overgang naar de kringloopeconomie, door uitbreiding van het loket Natural Capital Financing Facility (NCFF); invoering van systemen met speciale garanties voor micro- en kleine ondernemingen voor snelle en eenvoudige toegang tot krediet, microkrediet, durfkapitaal en Private Finance for Energy Efficiency (PF4EE), die in de gehele EU ingevoerd moeten worden; |
|
5.4.3. |
financiering van eco-innovatie voor micro- en kleine ondernemingen: gemakkelijkere inzet van nieuwe instrumenten voor het mkb uit Horizon 2020, de fondsen van het EFRO, het EFMZV, Life en Elfpo, voor innovatieve EU-demonstratie-experimenten met één programmaoverschrijdend loket en op welomschreven en afgebakende gebieden, zoals Systemic Eco-Innovation Demonstrator (SEIDEM) — op gebieden als smart cities, territoriale clusters, vrijzones — waar acties, faciliteiten en vrijstellingen moeten worden geconcentreerd, met tussentijdse meetbare en heel zichtbare doelstellingen: |
|
5.4.4. |
uitbreiding van acties voor ondernemerschapsopleidingen en begeleiding in het bedrijf: voorrang geven aan opleiding in het bedrijf via digitale ondersteuning — met steun van het netwerk EEN en het op te richten expertisecentrum voor hulpmiddelenefficiëntie — en begeleiding door specialisten met EU-financiering voor beroepsorganisaties van micro- en kleine ondernemingen uit de regio, gebruikmakend van Erasmus Plus en Cosme voor geselecteerde projecten; |
|
5.4.5. |
oprichting van een kringloopmarkt voor materialen, onderdelen en halffabrikaten: lancering van een vlot toegankelijk en beveiligd Circular eBay voor groene micro- en kleine ondernemingen en de sociale economie, op basis van uitwisselingen op grond van strikte technische normen (CEN-Cenelec-ETSI en ISO). |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) PB C 318 van 29.10.2011, blz. 142-149.
(2) PB C 224 van 30.8.2008, blz. 1-7, PB C 226 van 16.7.2014, blz. 1-9, PB C 67 van 6.3.2014, blz. 23-26 en PB C 44 van 11.2.2011, blz. 110-117.
(3) PB C 271 van 19.9.2013, blz. 18-22.
(4) http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+TA+P7-TA-2013-0584+0+DOC+XML+V0//NL
(5) PB C 311 van 12.9.2014, blz. 7-14.
(6) PB C 24 van 28.1.2012, blz. 11-17.
(7) PB C 107 van 6.4.2011, blz. 1-6.
(8) PB C 451 van 16.12.2014, blz. 116.
(9) PB C 311 van 12.9.2014, blz. 7-14.
(10) SWD(2014) 213 final.
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/107 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Een beter situationeel bewustzijn dankzij nauwere samenwerking tussen autoriteiten voor maritieme bewaking: volgende stappen in het kader van de gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur (CISE) voor het maritieme gebied van de EU”
(COM(2014) 451 final)
(2015/C 230/16)
|
Rapporteur: |
de heer POLYZOGOPOULOS |
Op 20 november 2013 heeft de Commissie besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité in overeenstemming met artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over de:
„Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Een beter situationeel bewustzijn dankzij nauwere samenwerking tussen autoriteiten voor maritieme bewaking: volgende stappen in het kader van de gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur (CISE) voor het maritieme gebied van de EU””
COM(2014) 451 final.
De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 november 2014 goedgekeurd.
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) onderstaand advies uitgebracht, dat unaniem werd goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC is ingenomen met de mededeling en beschouwt deze als een logisch vervolg in het streven naar een efficiënt en economisch doelmatiger maritiem toezicht, een strategische doelstelling van het geïntegreerde maritieme beleid (GMB). Het benadrukt dat een verbeterde uitwisseling van gegevens tussen overheden voor maritieme bewaking vitaal samenhangt met de bescherming, veiligheid, economie en de toekomst van het milieu van de Unie. |
Het EESC neemt kennis van de voortgang die is geboekt op Europees en nationaal niveau, na de uitwerking van de routekaart in 2010 (1), maar meent dat het heel nuttig zou zijn om een duidelijker beeld te schetsen van de vooruitgang inzake de doelstellingen, de zes stappen van de kaart en van de mededeling van 15 oktober 2009 (2).
|
1.2. |
Nu het EESC onlangs heeft gewezen (3) op de toenemende geopolitieke, strategische en milieuproblemen op het gebied van maritieme veiligheid, spoort het de Commissie aan om onverwijld en concreet werk te maken van het volgens planning tegen 2018 te voltooien „evaluatieproces om de uitvoering van een maritieme CISE en de noodzaak van verdere actie te beoordelen” (4). |
|
1.3. |
Voor de verdere ontwikkeling van de CISE („gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur”) beveelt het EESC aan gebruik te maken van het verbrede toepassingsgebied en de mogelijkheden van de recente gezamenlijke mededeling van het EP en de Raad over de maritieme veiligheidsstrategie van de EU (MVEU) (5), gericht op een geüpdatete, coherente en alomvattende aanpak van maritieme bewaking. |
|
1.4. |
Het EESC roept de Commissie op duidelijk te maken hoe zij de lidstaten wil „aanmoedigen om vaart te blijven maken met de modernisering van IT-apparatuur (informatietechnologie)” zonder extra middelen, afgezien van „enige financiële ondersteuning […] aan kleine verbeteringen” (6) en beveelt aan een deel van de besparingen over te hevelen naar/opnieuw te investeren in de hiaten van de CISE en de algemene verbetering ervan. |
|
1.5. |
Gezien het vrijwillige karakter van de operatie, het belang van politieke wil, alsook van culturele obstakels die voortvloeien uit vastgeroeste meningen, stereotypen, werkwijzen e.d., spoort het EESC de Commissie aan zich te richten op acties voor onderwijs/opleiding en initiatieven om vertrouwen te winnen door gebruik te maken van bestaande geslaagde ervaringen, zoals het Forum van de Noord-Atlantische Kustwacht (North Atlantic Coast Guard Forum) of de internationale vereniging voor maritieme ondersteuning van navigatie en vuurtoreninstanties (IALA: International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities). |
|
1.6. |
Het verzoekt de Commissie tevens de beleidsmix duidelijker uit te werken waarmee zij op de korte en lange termijn de wettelijke en technische belemmeringen denkt aan te pakken, die de invoering van een doeltreffende CISE bemoeilijken. |
|
1.7. |
Het EESC tekent aan dat de zeer snelle ontwikkeling van IT-apparatuur een omgeving voor de uitwisseling van gevoelige gegevens, zoals de CISE, blootstelt aan aanvallen (7) van computercriminelen en terroristen, met niet in te schatten potentiële gevolgen voor de veiligheid van het vervoer, de handel, havens, schepen, bemanningen en de lading; derhalve verzoekt het de Commissie om direct de veiligheid van de cyberspace voor de uitwisseling van maritieme gegevens te onderzoeken en maatregelen te formuleren ter bescherming van de CISE. Het verslag uit 2014 van het Government Accountability Office van de VS betreffende „de bescherming van essentiële maritieme infrastructuur” duidt op de urgentie van de situatie (http://gao.gov/products/GAO-14-459). |
|
1.8. |
Het EESC benadrukt dat betere kennis van de situatie en meer samenwerking door overheden voor maritieme bewaking via CISE ook bijdraagt tot de bescherming van de ecologische integriteit van het maritieme gebied van de EU, een betere bescherming van de biodiversiteit en de maritieme hulpbronnen tegen nucleaire ongevallen, het illegaal storten van giftig afval, ernstige ongevallen met verontreinigende stoffen en klimaatverandering. Verbeterde veiligheid van onderzeese kabels en pijpleidingen zal verder de energie-efficiëntie ten goede komen. |
2. Inleiding
|
2.1. |
Tijdige toegang tot precieze gegevens en een gemeenschappelijk betrouwbaar beeld van de situatie op zee zijn van cruciaal belang voor de bestrijding van gevaren en bedreigingen. Integratie van verschillende gegevensbronnen en de coördinatie van bevoegde overheden dragen bij tot een beter begrip van wat er op zee gebeurt en leveren een meerwaarde op door beperkte middelen doeltreffend in te zetten. |
|
2.2. |
In dit kader is optimale gegevensuitwisseling tussen overheden voor maritieme bewaking een van de strategische doelen van het geïntegreerde maritieme beleid. De ontwikkeling van een gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur voor het maritieme gebied van de EU is door de Commissie in twee mededelingen, uit 2009 en 2010 (8), uiteengezet. |
|
2.3. |
Verbetering van de maritieme veiligheid aan de hand van geïntegreerd maritiem toezicht was in 2012 een kernelement op de agenda voor blauwe ontwikkeling, gericht op het scheppen van werk in de maritieme economie (9). |
|
2.4. |
De recente (2014) gezamenlijke mededeling voor een maritieme veiligheidsstrategie (10) van de EU bevestigt en documenteert het belang van maritieme bewaking en de gegevensuitwisseling over maritieme zaken als kernelement voor de maritieme veiligheid. |
3. Beknopte inhoud van de Commissiemededeling
|
3.1. |
De mededeling schetst de vooruitgang op Europees en nationaal niveau na goedkeuring van de routekaart voor de CISE, die langdurige en vrijwillige samenwerking betreft en gericht is op verbetering van de kennis, de efficiëntie, de kwaliteit, het reactievermogen en de coördinatie van bewakingsoperaties op maritiem gebied van de EU en de bevordering van innovatie. |
|
3.2. |
Afgezien van de eenvoudige uitwisseling van gegevens streeft CISE naar meervoudig rationeel gebruik ervan door diverse gemeenschappen van gebruikers, zonder overlapping, op basis van een decentraal netwerk van maritieme monitoring conform bepalingen inzake gegevensbescherming en internationale regels. CISE is geen vervanger van bestaande systemen en platformen voor gegevensuitwisseling, noch heeft het invloed op de betreffende structuren en wetgeving in de lidstaten. |
|
3.3. |
De routekaart (11) bepaalde de ontwikkeling van CISE met name in zes stappen: in kaart brengen van de gebruikersgemeenschappen, alsook van gegevensreeksen en hiaten in gegevensuitwisseling, gemeenschappelijke gegevensclassificatieniveaus definiëren, een ondersteunend kader voor CISE tot stand brengen, de toegangsrechten definiëren, en een samenhangend rechtskader tot stand brengen. |
|
3.4. |
De CISE betreft de volgende sectorale functies: 1) maritieme veiligheid (met inbegrip van zoek- en reddingsacties), maritieme beveiliging en voorkoming van verontreiniging door schepen; 2) visserijcontrole; 3) paraatheid en reactie met betrekking tot mariene verontreiniging, en bescherming van het mariene milieu; 4) douane; 5) grenscontrole; 6) wetshandhaving, en 7) defensiebeleid. |
|
3.5. |
De potentiële besparing op administratieve en operationele uitgaven voor de Europese economie beloopt jaarlijks circa 400 miljoen EUR; het directe voordeel voor de publieke overheden bedraagt jaarlijks ongeveer 40 miljoen EUR. De betreffende investeringen in de eerste tien jaar worden geraamd op 10 miljoen EUR per jaar. |
4. Algemene opmerkingen
|
4.1. |
Verwijzend naar de omvang en het belang van de Europese scheepvaart voor de werkgelegenheid en de economie heeft het EESC in eerdere adviezen relevante opmerkingen en aanbevelingen geformuleerd over een reeks onderwerpen in verband met het Europees maritiem beleid (12) en heeft het zich gedetailleerd uitgesproken over algemene kwesties m.b.t. maritieme veiligheid, alsook in het bijzonder over de geïntegreerde maritieme bewaking, daarbij wijzend op de noodzaak van een geïntegreerd maritiem bewakingssysteem (13). |
|
4.2. |
Het EESC staat achter een transsectorale benadering voor maritiem beheer en heeft benadrukt dat een daadwerkelijk geïntegreerde maritieme markt noopt tot nauwere samenwerking van nationale inspectiediensten, de kustwacht en de marines van de lidstaten. Dit veronderstelt een gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur en de totstandkoming van een geïntegreerd maritiem bewakingssysteem (14). |
|
4.3. |
Het EESC heeft zich ook uitgesproken voor een gemeenschappelijk bewakingsmechanisme voor het hele EU-grondgebied op basis van een geharmoniseerd wettelijk kader dat de uitwisseling van al dan niet gevoelige gegevens waarborgt tussen overheden, diensten en gebruikers (15) in de lidstaten. |
|
4.4. |
Het EESC hecht een bijzonder belang aan de verduidelijking en beveiliging van de governancestructuren en de middelen voor de haalbaarheid van het onderhavige, bijzonder ingewikkelde en ambitieuze project, waarbij circa 400 overheden betrokken zijn, die een enorme hoeveelheid gegevens inzake maritieme bewaking beheren en waartoe overheden van de lidstaten en de EER behoren, alsook diverse organen van de EU, zoals het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA), het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex), het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) en het Europees Defensieagentschap (EDA). |
|
4.5. |
Benadrukt zij dat aangezien de actie op vrijwilligheid berust en het subsidiariteitsbeginsel geldt, de lidstaten, in de context van bezuinigingen en crisis, een centrale rol vervullen, met extra lasten voor hun bevoegde overheden en grote bedragen voor de modernisering of het compatibel maken van hun IT-apparatuur, waarvan een groot deel (circa een vierde) op starre en verouderde architectuur berust. In dit verband wordt verwezen naar het werkdocument van de diensten van de Commissie, SWD(2014) 224 final, „Analyse d’impact”, en naar Gartner, 2013, „Duurzaamheid en efficiëntie van gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur (CISE)”, van het directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij van de Europese Commissie. |
|
4.6. |
Gelet op de risicobeoordeling voor het maritieme gebied van de EU voor de komende 15 jaar, meent het EESC dat de doeltreffende afbakening van gevaren, bedreigingen en zwakke plekken op deelgebieden en maritieme regio’s, maar ook in het algemeen, een prioriteit moet zijn in de rangorde van uit te wisselen gegevens. In dit verband kan gewezen worden op de „Risk Assessment Study as an Integral Part of the Impact Assessment in Support of a CISE for the EU Maritime Domain”, van Wise Pens International (2013, op verzoek van het directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij van de Europese Commissie). |
|
4.7. |
Hoe dan ook, de betrouwbaarheid en de bescherming van persoonlijke en commercieel gevoelige gegevens zijn van essentieel belang. Volgens het EESC behoeft dit onderwerp zorgvuldigheid en nadere specificatie en het verwijst dan ook naar eerdere opmerkingen en aanbevelingen. |
|
4.8. |
Het EESC is ingenomen met de vooruitgang in de uitvoering van de routekaart, via de programma’s BlueMassMed, MARSUNO en CoopP, die de operationele noodzaak bevestigden van de intersectorale uitwisseling van gegevens en bijdroegen tot een verduidelijking ervan. De Commissie wordt verzocht op deze weg verder te gaan. |
|
4.9. |
Bemoedigend is eveneens de vooruitgang die is gemaakt met de toepassing van tal van systemen (16) voor doeleinden van diverse beleidsgebieden en die zich in sommige gevallen tot meer dan een gebied uitstrekken. |
|
4.10. |
Het EESC benadrukt de unieke maritieme geografie van de EU, met zes maritieme gebieden, de ultraperifere gebieden van Europa en de kenmerken van de eilandgebieden, en stelt dat er, in tijden van intensivering van mondiale bedreigingen en gevaren, geen sprake kan zijn van een versterking van de kennis en de doeltreffendheid van CISE zonder uitgebreidere internationale, regionale en grensoverschrijdende samenwerking. Ook is de nodige voorzichtigheid geboden bij het uitwisselen van geselecteerde gegevens met derde landen, en moet worden gekeken naar de veiligheid en de wederkerigheid van deze gegevens. |
|
4.11. |
Het EESC meent dat een coherente benadering van de maritieme bewaking op EU- en internationaal vlak rekening moet houden met de opzet en uitvoering van missies en operaties van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB). |
|
4.12. |
Het EESC is ingenomen met de verbeterde gegevensuitwisseling tussen politieke en militaire gebruikersgemeenschappen die gerekend worden tot de belangrijkste houders van gegevens over maritieme bewaking; het verzoekt de Commissie te bekijken hoe de NAVO-middelen doelgerichter kunnen worden ingezet. Het herinnert aan de goede praktijken van politiek-militaire samenwerking op nationaal en Europees niveau, die ontwikkeld zijn in het kader van het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur). |
|
4.13. |
Het EESC spoort de Commissie aan te streven naar een ruimere inzet van ruimtesystemen en -gegevens voor de ontwikkeling van de CISE aangezien maritiem toezicht een toepassingsgebied is van satellietsystemen van de EU. Zo ondersteunen de maritieme bewakingsdiensten van Copernicus (het voormalige GMES — „wereldwijde monitoring van het milieu en de veiligheid”) ook acties voor de bestrijding van piraterij, drugshandel, illegale visserij of het storten van giftig afval, in samenwerking met diensten als Frontex, EMSA en het satellietcentrum van de EU voor grensbewaking op het vasteland, en dragen zij bij tot veiligheidstoepassingen in verband met de bewaking van de maritieme buitengrenzen van de EU. |
|
4.14. |
Het EESC verzoekt de Commissie cyberveiligheid in maritiem vervoer onverwijld te onderzoeken en om maatregelen uit te werken ter bescherming van CISE. Daarbij mag niet uit het oog verloren worden dat bijzonder effectieve horizontale coördinatie van de betrokken overheden geboden is. |
5. Specifieke kwesties
|
5.1. |
Het EESC wil dat de Commissie meer gaat doen aan onderzoek, ontwikkeling en innovatie voor de aanpak van ernstige technische problemen van interoperabiliteit en architectuur van de toepassingen, systemen en diensten; de wisselende kwaliteit van de gegevens in de verschillende software en systemen hebben bijv. belangrijke gevolgen voor de efficiënte toepassing en betrouwbaarheid van CISE (17). |
|
5.2. |
Het EESC meent dat de oprichting van een gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur voor het maritieme gebied van de EU kansen biedt voor de werkgelegenheid en voor innovatief ondernemerschap, vooral voor de informatie- en communicatietechnologie (ICT). Het verzoekt de Commissie dan ook dit relevante aspect in het licht te stellen. |
|
5.3. |
Ηet EESC roept de Commissie op intensiever te werk te gaan om culturele obstakels in de uitwisseling en de verspreiding van informatie op te heffen en meent dat het, om vertrouwen te scheppen en een mentaliteit van „zorg voor uitwisseling voor meer kennis” (care to share to be aware), zowel in als tussen sectoren, ontoereikend is om een niet-bindend handboek uit te brengen met aanbevelingen voor goede praktijken voor de toepassing van CISE. |
|
5.4. |
De intersectorale verschillen in de integratie van maritieme bewaking leiden tot forse discrepanties in het streven naar aansluiting met het CISE. Zo hebben sommige landen besloten tot vereenvoudiging van de computersystemen voor deze bewaking, terwijl andere landen dat niet hebben gedaan. Bepaalde landen hebben heel wat werk gemaakt van intersectorale elektronische samenwerking op hun grondgebied, terwijl andere landen over sectorale IT-systemen beschikken die gesloten zijn. |
|
5.5. |
Het EESC is ingenomen met de initiatieven van de Commissie voor de uitwerking van normen die moeten uitmonden in een gemeenschappelijk gegevensmodel, dat wil zeggen: een lijst van termen, definities, naamgevingsconventies, gegevensformaten en relaties tussen gegevens, die zal fungeren als „vertaalinstrument’ tussen informatiesystemen voor maritieme bewaking, met name tussen civiele en militaire systemen. |
|
5.6. |
Het EESC is verheugd over de voortgang met de invoering in de lidstaten van één nationaal loket dat een nationaal, centraal platform voor gegevensuitwisseling vormt voor de indiening van verklaringen en voor het delen van gegevens over schepen. Deze loketten zullen gekoppeld worden aan het communautaire systeem voor uitwisseling van maritieme gegevens, maar ook aan andere systemen. Goede praktijken die in dit verband zijn vastgesteld door de economische commissie van de VN voor Europa (ECE/VN), evenals aanbeveling nr. 33 daarvan, voor een vlottere handel en vervoer, vormen voor de CISE zinvolle aanknopingspunten. |
|
5.7. |
Volgens het EESC moet de afhankelijkheid van IT-apparatuur van één leverancier (vendor lock-in) goed aangepakt worden, daar deze afhankelijkheid de interoperabiliteit in de weg staat, terwijl in de lidstaten circa 85 % van de IT-systemen voor maritieme bewaking specifiek en niet standaard is, zodat een eventuele upgrade of aanpassing daarvan van dezelfde leverancier afhangt. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) Ontwerproutekaart voor „de oprichting van de gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur voor de bewaking van het maritieme gebied in de EU” (COM(2010) 584 final).
(2) Naar de integratie van de maritieme bewaking: Een gemeenschappelijke gegevensuitwisselingstructuur voor het maritieme gebied van de EU (COM(2009) 538 final).
(3) Advies van het EESC over de EU-strategie voor maritieme veiligheid (PB C 458 van 19.12.2014, blz. 61).
(4) COM(2014) 451 final, blz. 9.
(5) Voor een open en veilig mondiaal maritiem domein: onderdelen voor een maritieme veiligheidsstrategie van de Europese Unie (JOIN(2014) 9 final).
(6) COM(2014) 451 final, blz. 8.
(7) Advies van het EESC over cyberaanvallen in de EU (PB C 451 van 16.12.2014, blz. 31).
(8) COM(2009) 538 final en COM(2010) 584 final.
(9) COM(2012) 494 final.
(10) JOIN(2014) 9 final, blz. 8-10.
(11) COM(2010) 584 final.
(12) Zie met name: PB C 211 van 19.8.2008, blz. 31-36; PB C 128 van 18.5.2010, blz. 131-135; PB C 107 van 6.4.2011, blz. 64-67; PB C 161 van 6.6.2013, blz. 87-92; PB C 255 van 22.9.2010, blz. 103-109.
(13) Zie met name: PB C 44 van 11.2.2011, blz. 173-177; PB C 67 van 6.3.2014, blz. 32-46; PB C 76 van 14.3.2013, blz. 15-19; PB C 168 van 20.7.2007, blz. 57-62; PB C 32 van 5.2.2004, blz. 21-27; PB C 61 van 14.3.2003, blz. 174-183; PB C 458 van 19.12.2014, blz. 61.
(14) PB C 107 van 6.4.2011, blz. 64-67.
(15) PB C 44 van 11.2.2011, blz. 173-177.
(16) COM(2014) 451 final, blz. 5.
(17) COM(2014) 451 final.
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/112 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over handel, groei en intellectuele eigendom — Strategie voor de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen (mededeling)
(COM(2014) 389 final)
(2015/C 230/17)
|
Rapporteur: |
Jacques LEMERCIER |
De Commissie heeft op 16 juli 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de
„Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité — Handel, groei en intellectuele eigendom — Strategie voor de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen”
COM(2014) 389 final.
De afdeling Externe betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 17 november 2014 goedgekeurd.
Het EESC heeft tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) onderstaand advies uitgebracht, dat met 127 stemmen vóór en 0 tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC staat achter deze mededeling, waarin de Commissie maatregelen voorstelt om de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen te verbeteren. |
|
1.2. |
Het vindt dat de Commissie er goed aan doet om de strijd aan te binden tegen namaak in derde landen — iets wat prioriteit verdient. |
|
1.3. |
In deze nieuwe aanpak is gezocht naar een evenwicht tussen het behoud van Europese steun en het opleggen van sancties in geval van bewezen inbreuken in derde landen; het EESC vindt dat dit goed gelukt is. |
|
1.4. |
De lokale bevolking mag in geen geval de dupe zijn van een eventuele reductie van bepaalde financieringsstromen van de EU. |
|
1.5. |
Het maatschappelijk middenveld in de Unie en daarbuiten moet beter worden voorgelicht over de gevolgen van schendingen van intellectuele-eigendomsrechten (IER). Het is niet alleen de sector van luxeproducten die door vervalsingen wordt geplaagd. Namaak is ook een probleem in uiteenlopende sectoren als de automobielbranche, de luchtvaart en de geneesmiddelensector, en in het geval van gewasbeschermingsmiddelen, artikelen voor persoonlijke hygiëne en populaire consumentenproducten als speelgoed en elektrische apparatuur. |
|
1.6. |
Verder is het EESC ervan overtuigd dat naast internationale akkoorden over de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten, bilaterale handelsakkoorden die worden geflankeerd door technische bijstand aan derde landen het beste middel zijn om belanghebbenden te beschermen. |
|
1.7. |
Het EESC steunt de „follow-the-money”-benadering die door de Commissie voor IER op EU-niveau wordt gehanteerd, maar vraagt zich wel af in hoeverre deze werkelijk soelaas biedt. Zulks los van de lovenswaardige vrijwillige pogingen van de belangrijkste tussenpersonen in de waardeketen van het internet. |
|
1.8. |
Tot slot vindt het EESC dat de Commissie, die er niet in is geslaagd om het publiek bewust te maken van het belang van de naleving van intellectuele-eigendomsrechten, nieuwe maatregelen moet nemen om dit te verhelpen. |
2. Essentie van de mededeling
|
2.1. |
In deze mededeling wordt een nieuwe strategie voor de bescherming en handhaving van intellectuele- eigendomsrechten in derde landen voorgesteld, waarmee de sinds 2004 door de Commissie gevolgde strategie wordt aangepast. In de afgelopen 10 jaar hebben er niet alleen belangrijke technologische veranderingen plaatsgevonden, maar zijn ook de uitdagingen en risico’s voor Europese bedrijven op het gebied van intellectuele eigendom (IE) fors gewijzigd. Daarnaast is ook de relatie tussen samenleving en IER ingrijpend veranderd. De Commissie draagt oplossingen aan om de intellectuele eigendom in derde landen beter te beschermen en namaak doelgerichter te bestrijden. |
2.2. Een gewichtige constatering: wederrechtelijke toe-eigening van IE remt de groei af
|
2.2.1. |
De IER-intensieve sectoren zijn goed voor ongeveer 39 % van het bbp van de Unie (oftewel zo’n 4,7 biljoen EUR per jaar) en voor ongeveer 35 % van de directe en indirecte werkgelegenheid. |
|
2.2.2. |
Volgens sommige, door de Commissie geciteerde, ramingen verliest de EU jaarlijks ongeveer 8 miljard EUR van haar bbp als gevolg van namaak en piraterij. Wereldwijd zouden in 2015 de kosten kunnen oplopen tot 1,3 biljoen EUR. |
|
2.2.3. |
Het aandeel van de BRIC-landen (1) in de wereldhandel is gestegen van 8 % in 2000 tot 18,2 % in 2010, en naar verwachting zullen de ontwikkelingslanden in 2030 goed zijn voor bijna 60 % van het mondiale bbp. Daarmee bestaat het risico dat reeds wijdverbreide namaak, piraterij, IE-diefstal en andere vormen van wederrechtelijke toe-eigening van IE nog zullen toenemen. |
|
2.2.4. |
Het internet is cruciaal voor tal van sectoren en de interneteconomie heeft tussen 2006 en 2011 meer dan 20 % van de groei van het bbp in de G-8-landen gegenereerd. Door de bloei van digitale technologieën wordt op ongekende schaal inbreuken gemaakt op IER. Geschat wordt dat de omzet in nagemaakte en door piraterij verkregen goederen in 2008 2 % van de wereldhandel bedroeg. |
|
2.2.5. |
De inbreuken betreffen niet alleen digitale cultuurgoederen, maar ook fysieke goederen die in toenemende mate worden verhandeld op platforms voor elektronische handel. |
2.3. Daarom moet er een echte „IE-infrastructuur” tot stand worden gebracht
|
2.3.1. |
Weliswaar heeft de regelgeving in derde landen talloze wijzigingen ondergaan als gevolg van de WTO-overeenkomst inzake de handelsaspecten van intellectuele-eigendomsrechten (TRIPS), maar de inspanningen werden vaak gefrustreerd door een gebrek aan politieke wil, ambtenaren met te weinig opleiding, te lange juridische procedures en rechters die te lage straffen oplegden. Bovendien kent het internet — in tegenstelling tot IE-wetgeving — geen grenzen. Dat maakt het moeilijk om evenwichtige beleidsplannen op te stellen en werpt vragen op over de aansprakelijkheid van tussenpersonen als internetproviders wanneer dezen bijv. inbreukmakende sites hosten, en dat met name als zij gevestigd zijn in derde landen die geen doeltreffende wetgeving hebben en/of niet bereid zijn op te treden. |
|
2.3.2. |
Wat de toegang tot betaalbare, veilige en doeltreffende medicijnen betreft, voert de EU beleid om de handel in zowel innovatieve als generieke geneesmiddelen te stimuleren. Daarbij blijft het een van haar doelstellingen, de handel in nagemaakte en vervalste medicijnen, die gevaarlijk voor de patiënt kunnen zijn, te bestrijden. |
|
2.3.3. |
De Commissie herhaalt dat de EU over een hele reeks „instrumenten” beschikt om hiertegen in het geweer te komen, maar dat de efficiëntie ervan te vaak afhankelijk is van de wil in derde landen om deze EIR te handhaven. |
2.4. De communicatie met belanghebbenden verbeteren
|
2.4.1. |
Er zij op gewezen dat respect voor grondrechten en „internetvrijheden” ertoe hebben geleid dat de voorgestelde handelsovereenkomst ter bestrijding van namaak (ACTA) in Europa werd verworpen, en dat ook de „Stop Online Piracy Act” (SOPA — bestrijding van digitale piraterij) en de „Protect IP Act” (PIPA — bescherming van de IE) het in de VS niet hebben gehaald. Hieruit blijkt hoe moeilijk het is om respect voor de IER tot een „public issue’ te maken. Zo vinden bepaalde groepen in Europa namaak en piraterij geen delicten of hebben zij geen oog voor de economische gevolgen van schendingen van IER. Daarom moet meer uitleg worden verschaft over de doelstellingen van de EU, de impact van inbreuken op de IER in derde landen en de inspanningen van de Unie om de IER in die landen beter te doen handhaven ten gunste van de bescherming van de rechten van uitvinders. |
2.5. Betere gegevens verschaffen
|
2.5.1. |
Bepaalde gegevens, zoals de omvang en de gevolgen van IER-inbreuken, blijven moeilijk te verkrijgen. |
|
2.5.2. |
De oprichting van een Europees Waarnemingscentrum voor inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten is in dit verband een belangrijk feit: het centrum verschaft informatie over de handhaving van IER in derde landen zodat prioriteiten kunnen worden gesteld en belanghebbenden kunnen worden voorgelicht. |
2.6. De Europese wetgeving harmoniseren ten behoeve van meer invloed in derde landen
Een geharmoniseerde IER-wetgeving in de Unie zal de onderhandelingen met derde landen vergemakkelijken, omdat deze een duidelijke basis biedt voor het vaststellen van de onderhandelingspositie van de EU.
2.7. Verbetering van de samenwerking binnen de EU
Onderzocht moet worden hoeveel speelruimte er is voor verdere verbetering van de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten (met name op het gebied van informatie-uitwisseling). Hierbij kan bijv. worden voortgebouwd op het partnerschap dat de Commissie met de lidstaten en het bedrijfsleven is aangegaan bij de tenuitvoerlegging van de markttoegangsstrategie, om zo efficiënter met de hulpbronnen om te gaan.
2.8. Een betere bescherming en handhaving van IER in derde landen
Volgens de evaluatie van 2010 „heeft de Commissie weliswaar actief bijgedragen aan de handhaving van de IE op multinationaal niveau, met name bij de TRIPS-Raad van de WTO, maar is zij daarvoor maar weinig beloond, vooral door tegenstand uit derde landen”.
2.9. Geschillenbeslechting en andere corrigerende maatregelen
|
2.9.1. |
De geschillenbeslechtingsprocedures van de WTO kunnen worden aangewend wanneer de TRIPS-overeenkomst wordt geschonden. |
|
2.9.2. |
Ten aanzien van landen die voortdurend internationale verbintenissen inzake IE-voorschriften schenden, kan de Commissie overwegen om hun deelname aan bepaalde, door de EU gesteunde, specifieke programma’s voor technische bijstand te reduceren of de in het kader van die programma’s verstrekte financiële bijdragen te verminderen. |
|
2.9.3. |
Verschillende lidstaten hebben „IE-attachés” (2) in hun delegaties in de belangrijkste derde landen opgenomen om de dialoog te verbeteren en over meer expertise ter plaatse te beschikken. Doel is bijstand te verlenen aan Europese rechthebbenden in derde landen. |
2.10. Geografische focus
Om de twee jaar actualiseert de Unie haar lijst van prioritaire landen waar de IER worden geschonden.
3. Belangrijke overwegingen
|
3.1. |
In de laatste studie van genoemd Waarnemingscentrum en van het Europees Octrooibureau wordt ingegaan op Europese IER-intensieve sectoren. Daarbij werd gekeken naar hun bijdrage aan de economische prestaties van en de handel binnen de Unie en wordt per lidstaat een analyse gemaakt voor de periode 2008-2010. |
|
3.2. |
De sectoren in kwestie bleken gedurende die periode goed voor het grootste deel van de handel van de Unie met de rest van de wereld en ook toonden zij een handelsoverschot. Voorts bestond 88 % van de invoer in de Unie uit IER-intensieve goederen; voor de uitvoer bedroeg het percentage 90 %. De IER-intensieve sectoren dragen dus positief bij aan de handelspositie van de EU. |
|
3.3. |
Verder bleken deze sectoren qua directe werkgelegenheid goed voor 26 % (ongeveer 56 miljoen) van alle arbeidsplaatsen in de Unie en leveren zij 20 miljoen indirecte banen op. In totaal houdt dus één op de drie arbeidsplaatsen in de EU verband met IER-intensieve sectoren. |
|
3.4. |
Het zou dus wel eens van belang kunnen zijn om de economische en sociale impact van IER-inbreuken in de lidstaten en derde landen te meten. Zulks temeer gegeven de economische en sociale problemen waar de Unie momenteel mee te maken heeft. |
3.5. Sommige sectoren blijven zeer kwetsbaar, bijv. de geneesmiddelensector
|
3.5.1. |
Het EESC vestigt in dit verband de aandacht op het speciale geval van dwanglicenties in de internationale handel. Die licenties worden gedefinieerd in artikel 31 van de TRIPS-overeenkomst en vormen een mechanisme om het voorwerp van een octrooi zonder toestemming van de rechthebbende te gebruiken voor bijv. doeleinden op het gebied van de volksgezondheid. |
|
3.5.2. |
In principe staat het de octrooihouder vrij om zijn beschermde uitvinding zelf te exploiteren of een ander daartoe toestemming te verlenen. Maar de nationale publieke autoriteiten kunnen om redenen van algemeen belang een derde toestemming tot exploitatie verlenen en dat zonder de instemming van de octrooihouder. |
|
3.5.3. |
Deze bepaling kan worden toegepast in een derde land dat partij is bij de TRIPS-overeenkomst en door de EU-lidstaten wanneer stoffen die de volksgezondheid kunnen verbeteren tegen buitensporige prijzen door een in een derde land gevestigde onderneming op de markt worden gebracht. |
4. Opmerkingen van het EESC
|
4.1. |
Het EESC staat achter deze mededeling, waarin de Commissie maatregelen voorstelt om de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen te verbeteren. |
|
4.2. |
In deze nieuwe aanpak is gezocht naar een evenwicht tussen het behoud van Europese steun en het opleggen van sancties in geval van bewezen inbreuken in derde landen. Het EESC vindt dat dit goed gelukt is en valt toe te juichen. |
|
4.3. |
De lokale bevolking mag in geen geval de dupe zijn van een eventuele reductie van bepaalde financieringsstromen van de EU. |
|
4.4. |
De Europese Raad concludeerde in maart 2014 terecht dat intellectuele eigendom een belangrijke aanjager is van groei en innovatie. |
|
4.5. |
Het EESC steunt de Commissie dus in haar bestrijding van namaak, een strijd die prioriteit verdient. |
|
4.6. |
Niet alleen de sector van luxeproducten (kleding, parfum, lederwaren enz.) heeft onder namaak te lijden. Namaak van onderdelen voor de automobielindustrie, van pesticiden (met daardoor een vaak zeer gevaarlijke samenstelling) en van courante consumentenartikelen voor lichaamshygiëne neemt alarmerende vormen aan met alle directe gevolgen van dien voor gezondheid en veiligheid. |
|
4.7. |
Het EESC wijst erop dat IER-intensieve sectoren goed zijn voor 90 % van de export van de EU. De gevolgen daarvan voor economie en werkgelegenheid mogen bepaald niet onderschat worden. |
|
4.8. |
Verder neemt het nota van de nieuwe maatregelen om schending van de regels voor de internationale handel te bestrijden. |
|
4.9. |
Ook staat het EESC achter het idee om regelmatig systematisch onderzoek te doen teneinde vast te stellen welke bedrijven of staten zich schuldig maken aan die inbreuken. |
|
4.10. |
Daarnaast is het voorstander van proportionele maatregelen tegen aldus geïdentificeerde overtreders. |
|
4.11. |
Het is dus ook vóór beleid dat erop is gericht om inbreukmakers op commerciële schaal de opbrengsten te ontnemen van hun onrechtmatige handel, die een integrale schending van de IER vormt en rampzalige consequenties heeft voor groei, innovatie en werkgelegenheid. |
|
4.12. |
Met het oog hierop is het wenselijk dat de notie „op commerciële schaal” zo nauwkeurig mogelijk wordt gedefinieerd teneinde te voorkomen dat de reikwijdte van sanctiebepalingen tekortschiet of dat de uitvoeringstermijnen significant langer worden. |
|
4.13. |
Het EESC onderstreept het belang van goede samenwerking met de lidstaten en wijst met name op het werk dat de lidstaten hebben verricht ten behoeve van de bescherming en handhaving van IER in derde landen. |
|
4.14. |
Tot slot vindt het EESC dat de Commissie er niet in geslaagd is het publiek bewust te maken van intellectuele-eigendomsrechten en spoort het haar aan tot het nemen van nieuwe maatregelen om dit te verhelpen. |
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika.
(2) Attachés intellectuele eigendom.
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/117 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoer in de Unie van landbouwproducten van oorsprong uit Turkije (codificatie)
(COM(2014) 586 final — 2014/0272 (COD))
(2015/C 230/18)
Op 20 oktober 2014 heeft het Europees Parlement besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité in overeenstemming met artikel 207, lid 2, van het VWEU te raadplegen over het
„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoer in de Unie van landbouwproducten van oorsprong uit Turkije (codificatie)”
COM(2014) 586 final — 2014/0272 (COD).
Aangezien het EESC volledig instemt met onderhavig voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december) met 144 stemmen voor en 3 stemmen tegen, bij 2 onthoudingen, besloten om er een positief advies over uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/118 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot schorsing van bepaalde concessies betreffende de invoer in de Unie van landbouwproducten van oorsprong uit Turkije (codificatie)
(COM(2014) 593 final — 2014/0275 (COD))
(2015/C 230/19)
Het Europees Parlement heeft op 20 oktober 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van Europese Unie te raadplegen over het
„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot schorsing van bepaalde concessies betreffende de invoer in de Unie van landbouwproducten van oorsprong uit Turkije (codificatie)”
COM(2014) 593 final — 2014/0275 (COD).
Aangezien het EESC volledig instemt met onderhavig voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december) met 145 stemmen voor en 2 stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, besloten om er een positief advies over uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/119 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten van de Unie voor kwaliteitsrundvlees, varkensvlees, slachtpluimvee, tarwe en mengkoren, en zemelen, slijpsel en andere resten (codificatie)
(COM(2014) 594 final — 2014/0276 (COD))
(2015/C 230/20)
Op 20 oktober 2014 heeft het Europees Parlement besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) overeenkomstig artikel 207, lid 2, van het VWEU te raadplegen over het
„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten van de Unie voor kwaliteitsrundvlees, varkensvlees, slachtpluimvee, tarwe en mengkoren, en zemelen, slijpsel en andere resten (codificatie)”
COM(2014) 594 final — 2014/0276 (COD).
Aangezien het EESC volledig instemt met onderhavig voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) met 150 stemmen voor en 2 stemmen tegen, bij 6 onthoudingen, besloten om er een positief advies over uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/120 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad
(COM(2014) 614 final — 2014/0285 (COD))
(2015/C 230/21)
Het Europees Parlement en de Raad hebben respectievelijk op 20 oktober 2014 en 27 oktober 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) overeenkomstig artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het
„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad”
COM(2014) 614 final — 2014/0285 (COD).
Aangezien het EESC volledig instemt met onderhavig voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) met 152 stemmen voor en 1 stem tegen, bij 2 onthoudingen, besloten om er een positief advies over uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/121 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek IJsland (codificatie)
(COM(2014) 308 final — 2014/0160 (COD))
(2015/C 230/22)
Op 15 september 2014 heeft het Europees Parlement besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het
„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek IJsland (codificatie)”
COM(2014) 308 final — 2014/0160 (COD).
Aangezien het EESC volledig instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) met 157 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, besloten om er een positief advies over uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/122 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de uitvoer (codificatie)
(COM(2014) 322 final — 2014/0167 (COD))
(2015/C 230/23)
Op 15 september 2014 heeft het Europees Parlement besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het
„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de uitvoer (codificatie)”
COM(2014) 322 final — 2014/0167 (COD).
Aangezien het EESC instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) met 147 stemmen vóór en 1 tegen, bij 4 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/123 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (codificatie)
(COM(2014) 321 final — 2014/0166 (COD))
(2015/C 230/24)
Het Europees Parlement heeft op 15 september 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het
„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de uitvoer (codificatie)”
COM(2014) 321 final — 2014/0166 (COD)
Aangezien het Comité instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) met 150 stemmen vóór en 1 tegen, bij 5 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/124 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (herschikking)
(COM(2014) 323 final — 2014/0168 (COD))
(2015/C 230/25)
Het Europees Parlement en de Raad hebben op respectievelijk 15 september 2014 en 8 oktober 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het
„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (herschikking)”
COM(2014) 323 final — 2014/0168 (COD).
Aangezien het Comité instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december) met 145 stemmen vóór en 3 tegen, bij 7 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/125 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere regeling van de Unie (herschikking)
(COM(2014) 345 final — 2014/0177 (COD))
(2015/C 230/26)
De Raad heeft op 8 oktober 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het
„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere regeling van de Unie (herschikking)”
COM(2014) 345 final — 2014/0177 (COD).
Aangezien het Comité instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) met 151 stemmen vóór en 2 tegen, bij 5 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/126 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van procedures van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Unie ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (codificatie)
(COM(2014) 341 final — 2014/0174 (COD))
(2015/C 230/27)
Het Europees Parlement heeft op 15 september 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het
„Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van procedures van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Unie ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (codificatie)”
COM(2014) 341 final — 2014/0174 (COD).
Aangezien het Comité instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) met 150 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 1 onthouding, besloten om een positief advies uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/127 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de maatregelen die de Unie kan nemen naar aanleiding van een rapport van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO betreffende antidumping- en antisubsidiemaatregelen (codificatie)
(COM(2014) 317 final — 2014/0163 (COD))
(2015/C 230/28)
Het Europees Parlement heeft op 20 oktober 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het
„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de maatregelen die de Unie kan nemen naar aanleiding van een rapport van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO betreffende antidumping- en antisubsidiemaatregelen (codificatie)”
COM(2014) 317 final — 2014/0163 (COD).
Aangezien het Comité instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december) met 148 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 6 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/128 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Montenegro, anderzijds (codificatie)”
(COM(2014) 374 final — 2014/0190 (COD))
(2015/C 230/29)
Het Europees Parlement heeft op 20 oktober 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over
„het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Montenegro, anderzijds (codificatie)”
COM(2014) 374 final — 2014/0190 (COD).
Aangezien het Comité instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december 2014) met 152 stemmen vóór en 1 tegen, bij 6 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.
Gedaan te Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 230/129 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (codificatie)
(COM(2014) 660 final — 2014/0305 (COD))
(2015/C 230/30)
Op 12 november 2014 heeft het Europees Parlement besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité in overeenstemming met artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het
„Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (codificatie)”
COM(2014) 660 final — 2014/0305 (COD).
Aangezien het Comité instemt met dit voorstel en er geen commentaar op heeft, heeft het tijdens zijn op 10 en 11 december 2014 gehouden 503e zitting (vergadering van 10 december) met 154 stemmen vóór en 3 tegen, bij 5 onthoudingen, besloten om een positief advies uit te brengen.
Brussel, 10 december 2014.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE