|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
58e jaargang |
|
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
|
2015/C 190/01 |
|
|
|
|
|
(*1) Informatie gewist of vervangen in het kader van de bescherming van persoonsgegevens en/of vertrouwelijkheid. |
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/1 |
Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
(2015/C 190/01)
Laatste publicatie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in:
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
V Bekendmakingen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/2 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (Verenigd Koninkrijk) op 13 maart 2015 — Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs/National Exhibition Centre Limited
(Zaak C-130/15)
(2015/C 190/02)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
Verwerende partij: National Exhibition Centre Limited
Prejudiciële vragen
|
1) |
Wat zijn, voor de btw-vrijstelling in artikel 13B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag) (1) zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in het arrest Sparekassernes Datacenter/Skatteministeriet, C-2/95 (EU:C: 1997:278), de relevante beginselen die moeten worden toegepast bij de bepaling of een dienst „leid[t] tot een overmaking van geld en [...] dus juridische en financiële wijzigingen meebreng[t]” in de zin van punt 66 van dat arrest? In het bijzonder:
|
|
2) |
Wat zijn de relevante beginselen die moeten worden toegepast om te bepalen of een dienst zoals die in de onderhavige zaak door de belastingplichtige wordt verricht, al dan niet onder de werkingssfeer van de uitzondering voor de „invordering van schuldvorderingen” in artikel 13B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn? Inzonderheid, als een dienst waarbij betalingen worden verricht via een bepaalde methode (zoals een debet of kredietkaart) volgens de beginselen van het arrest Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs/AXA UK plc, C-175/09 (EU:C:2010:646) zou bestaan in de „invordering van schuldvorderingen” wanneer deze dienst wordt verleend aan degene aan wie de betaling verschuldigd is (de ontvanger), bestaat die dienst dan ook in de „invordering van schuldvorderingen” wanneer de dienst wordt verleend aan degene die de betaling verschuldigd is (de betaler)? Meer in het bijzonder, is er in de omstandigheden van de voorliggende zaak überhaupt sprake van „invordering” van een „schuldvordering”? |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/3 |
Hogere voorziening ingesteld op 23 maart 2015 door Teva Pharma BV en Teva Pharmaceuticals Europe BV tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 22 januari 2015 in zaak T-140/12, Teva Pharma BV en Teva Pharmaceuticals Europe BV/Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)
(Zaak C-138/15 P)
(2015/C 190/03)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Teva Pharma BV en Teva Pharmaceuticals Europe BV (vertegenwoordigers: G. Morgan, solicitor, K. Bacon, barrister, en E. S. Mackenzie, solicitor)
Andere partijen in de procedure: Europees Geneesmiddelenbureau en Europese Commissie
Conclusies
|
— |
vernietiging van het arrest van het Gerecht; |
|
— |
nietigverklaring van het in de brief van 24 januari 2012 vervatte besluit van het EMA tot weigering om rekwirantes’ aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen te valideren; |
|
— |
verwijzing van het EMA in rekwirantes’ kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwirantes één enkel middel aan, namelijk dat het Gerecht bij de uitlegging van artikel 8 van verordening (EG) nr. 141/2000 (1) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, en wel op drie punten. Ten eerste heeft het Gerecht artikel 8, lid 3, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onjuist uitgelegd doordat het heeft miskend dat aan een tweede, vergelijkbaar weesgeneesmiddel waarvoor op grond van een afwijking als bedoeld in artikel 8, lid 3, een vergunning is verleend, niet de marktexclusiviteit kan worden toegekend die het eerste weesgeneesmiddel op grond van artikel 8, lid 1, geniet.
Ten tweede was het Gerecht ten onrechte van oordeel dat de gegeven uitlegging van artikel 8 niet tot gevolg heeft dat de marktexclusiviteit van het eerste geneesmiddel wordt verlengd.
Ten derde heeft het Gerecht een onjuiste weergave gegeven van rekwirantes’ subsidiaire betoog dat zag op het oorspronkelijke middel tot nietigverklaring en waarin gesteld werd dat zelfs indien het tweede geneesmiddel in beginsel een eigen periode van marktexclusiviteit zou genieten, die exclusiviteit niet ertoe zou mogen leiden dat een generieke versie van het eerste geneesmiddel van de markt wordt uitgesloten. Derhalve is het Gerecht niet naar behoren ingegaan op dat betoog.
Rekwirantes verzoeken het Hof de zaak zelf af te doen en het bestreden besluit nietig te verklaren.
(1) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen (PB 2000, L 18, blz. 1).
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/4 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal administratif de Rennes (Frankrijk) op 25 maart 2015 — Doux SA, Maître Sophie Gautier, in de hoedanigheid van beheerder van de insolventieprocedure van Doux SA, SCP Valliot-Le Guenevé-Abittbol, vertegenwoordigd door Maître Valliot, in de hoedanigheid van beheerder van de insolventieprocedure van Doux SA/Etablissement national des produits de l’agriculture et de la mer (FranceAgriMer)
(Zaak C-141/15)
(2015/C 190/04)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Tribunal administratif de Rennes
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Doux SA, Maître Sophie Gautier, in de hoedanigheid van beheerder van de insolventieprocedure van Doux SA, SCP Valliot-Le Guenevé-Abittbol, vertegenwoordigd door Maître Valliot, in de hoedanigheid van beheerder van de insolventieprocedure van Doux SA
Verwerende partij: Etablissement national des produits de l’agriculture et de la mer (FranceAgriMer)
Prejudiciële vragen
|
1) |
Vormt het maximale watergehalte dat in artikel 15 van verordening (EG) nr. 543/2008 (1) en in de bijlagen VI en VII bij deze verordening is vastgesteld, een vereiste betreffende de „gezonde handelskwaliteit” van de producten in de zin van artikel 28, lid 1, van verordening (EG) nr. 612/2009 van het Commissie (2) en van het arrest Nowaco Germany GmbH/Hauptzollamt Hamburg-Jonas [van het Hof] van 7 september 2006 [C-353/04, EU:C:2006:522)]? |
|
2) |
Mag diepgevroren pluimvee waarvan het watergehalte meer bedraagt dan de maximumgrens die in artikel 15 van verordening nr. 543/2008 en de bijlagen VI en VII bij deze verordening is vastgesteld en waarvoor een door de bevoegde autoriteit afgegeven gezondheidscertificaat is verkregen, in normale omstandigheden op het grondgebied van de Unie in de handel worden gebracht in de zin van artikel 28 van verordening nr. 612/2009, en zo ja, onder welke voorwaarden? |
|
3) |
Is het maximale watergehalte van 5,1 % dat nog steeds in bijlage VI bij verordening nr. 543/2008 is opgenomen en dat in de loop van de laatste decennia niet is gewijzigd ondanks de ontwikkelingen in de stand van de kweekmethoden en de kritiek die in bepaalde wetenschappelijke studies op de economische veroudering van die bovengrens is geuit, al dan niet in overeenstemming met het recht van de Europese Unie en inzonderheid met het rechtzekerheidsbeginsel? |
|
4) |
Zijn de bijlagen VI en VII bij verordening nr. 543/2008 in toereikende mate nauwkeurig voor het verrichten van de controles waarin artikel 15 van deze verordening voorziet, of dient Frankrijk de „praktische regelingen voor het verrichten van controles in alle afzetstadia” vast te stellen, zodat de controles die tijdens de fase van de uitvoer van de producten worden verricht, niet aan de belanghebbenden kunnen worden tegengeworpen zolang dat niet het geval is? |
|
5) |
Kan de mogelijkheid om volgens artikel 16, leden 2 en 5, van verordening nr. 543/2008 met betrekking tot de resultaten van de controles in slachterijen een tegenanalyse aan te vragen, worden uitgebreid tot de controles die in het stadium van de verhandeling van de uitgevoerde producten worden verricht, met name, overeenkomstig artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in aanwezigheid van partijen? |
(1) Verordening (EG) nr. 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee (PB L 157, blz. 46).
(2) Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie 2009 van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 186, blz. 1).
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/5 |
Hogere voorziening ingesteld op 24 maart 2015 door SolarWorld AG tegen de beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 14 januari 2015 in zaak T-507/13, SolarWorld AG en anderen/Europese Commissie
(Zaak C-142/15 P)
(2015/C 190/05)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: SolarWorld AG (vertegenwoordigers: L. Ruessmann, avocat, J. Beck, solicitor)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie,
Brandoni solare SpA,
Global Sun Ltd,
Silicio Solar, SAU,
Solaria Energia y Medio Ambiente, SA
Conclusies
|
— |
De hogere voorziening ontvankelijk en gegrond verklaren; |
|
— |
de beschikking van het Gerecht in zaak T-507/13 vernietigen; |
|
— |
het verzoek tot nietigverklaring in zaak T-507/13 ontvankelijk verklaren en; |
|
— |
de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een beslissing ten gronde op het verzoek tot nietigverklaring. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante de volgende argumenten aan:
Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat rekwirante niet rechtstreeks wordt geraakt door besluit 2013/423/EU (1) van de Commissie omdat dit besluit haar rechtspositie niet rechtstreeks raakt en uitvoeringsmaatregelen met zich bracht.
|
— |
Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat rekwirante niet rechtstreeks wordt geraakt door besluit 2013/423/EU van de Commissie omdat het is uitgevoerd bij verordening (EU) nr. 748/2013 (2). Verordening nr. 748/2013 is een bevestigende handeling ten opzichte van besluit 2013/423/EU. Rekwirante kon dus rechtstreeks beroep instellen tegen besluit 2013/423/EU. |
|
— |
Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat besluit 2013/423/EU uitvoeringsmaatregelen met zich brengt, voor zover het niet heeft onderzocht of de Commissie beoordelingsbevoegdheid had bij de vaststelling van verordening nr. 748/2013 dan wel of de uitvoering van besluit 2013/423/EU wat rekwirante betreft automatisch was, wat in feite het geval was. |
(1) Besluit van de Commissie van 2 augustus 2013 tot aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB L 209, blz. 26).
(2) Verordening van de Commissie van 2 augustus 2013 tot wijziging van verordening (EU) nr. 513/2013 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB L 209, blz. 1).
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/6 |
Hogere voorziening ingesteld op 30 maart 2015 door Naftiran Intertrade Co. (NICO) Sàrl tegen de beschikking van het Gerecht (Zevende kamer) van 20 januari 2015 in zaak T-6/13, Naftiran Intertrade Co. (NICO) Sàrl/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-153/15 P)
(2015/C 190/06)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Naftiran Intertrade Co. (NICO) Sàrl (vertegenwoordigers: J. Grayston, solicitor, P. Gjørtler, advokat, G. Pandey, advocaat, D. Rovetta, avocat, M. Gambardella, avvocato)
Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof
|
— |
de beschikking van het Gerecht van 20 januari 2015 in zaak T-6/13, Naftiran Intertrade Co. (NICO) Sàrl/Raad van de Europese Unie te vernietigen en het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk te verklaren; |
|
— |
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en |
|
— |
de Raad te verwijzen in de kosten van deze hogerevoorzieningsprocedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert twee grieven aan: het Gerecht heeft de bestreden beschikking gestoeld op kennelijke beoordelingsfouten en onjuiste rechtsopvattingen.
Rekwirante is van mening, dat het Gerecht kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt door vast te stellen dat ten eerste een volledige individuele kennisgeving heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2012, en ten tweede deze kennisgeving plaatsvond vóór het verschijnen van een algemene kennisgeving in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie op 16 oktober 2012.
Rekwirante is voorts van mening, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door ten eerste geen rekening te houden met het vereiste dat een kennisgeving een motivering dient te bevatten, ten tweede door vast te stellen dat een individuele kennisgeving zou kunnen leiden tot inkorting van de termijn voor juridische stappen tegen een rechtshandeling van de Europese Unie, ten derde door de rechtsgevolgen van de keuzes die de Raad heeft gemaakt met betrekking tot de kennisgevingsprocedure buiten beschouwing te laten, en ten vierde door geen rekening te houden met de wijze waarop van het recht op het moment van de indiening van het verzoekschrift moest worden opgevat.
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/7 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State (België) op 9 april 2015 — Abdelhafid Bensada Benallal/Belgische Staat
(Zaak C-161/15)
(2015/C 190/07)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Abdelhafid Bensada Benallal
Verwerende partij: Belgische Staat
Prejudiciële vraag
Heeft het algemene Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging, waarvan deel uitmaakt het recht van een persoon om door een overheidsinstantie te worden gehoord voordat die instantie een besluit neemt dat de belangen van de betrokkene op nadelige wijze kan beïnvloeden, zoals een besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning, in de rechtsorde van de Europese Unie dezelfde waarde als die welke voorschriften van openbare orde van Belgisch recht in intern recht hebben en vereist het gelijkwaardigheidsbeginsel dat het middel dat is ontleend aan schending van het algemene Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging, voor het eerst kan worden aangevoerd voor de Raad van State, uitspraak doende als cassatierechter, zoals in intern recht is toegestaan voor middelen van openbare orde?
Gerecht
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/8 |
Arrest van het Gerecht van 22 april 2015 — Planet/Commissie
(Zaak T-320/09) (1)
([„Bescherming van de financiële belangen van de Unie - Systeem voor vroegtijdige waarschuwing (EWS) tot identificatie van het risiconiveau van de gekozen inschrijvers - OLAF-onderzoek naar de uitvoering van een overheidsopdracht betreffende een project tot institutionele modernisering in Syrië - Besluiten tot activering van een W1a- en een W1b-waarschuwing - Rechtsgrondslag - Fundamentele rechten - Motiveringsplicht”])
(2015/C 190/08)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Planet AE Anonymi Etaireia Parochis Symvouleftikon Ypiresion (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: V. Christianos, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Triantafyllou en F. Dintilhac, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van de besluiten van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) waarbij is verzocht om verzoeksters registratie in het systeem voor vroegtijdige waarschuwing (EWS) en de besluiten van de Commissie tot activering van een W1a-waarschuwing en vervolgens van een W1b-waarschuwing
Dictum
|
1) |
De besluiten van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) waarbij is verzocht om de registratie van Planet AE Anonymi Etaireia Parochis Symvouleftikon Ypiresion in het systeem voor vroegtijdige waarschuwing (EWS) en de besluiten van de Europese Commissie tot activering van een W1a- en een W1b-waarschuwing over die vennootschap, worden nietig verklaard. |
|
2) |
De Commissie wordt verwezen in de kosten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/8 |
Arrest van het Gerecht van 22 april 2015 — Evropaïki Dynamiki/Frontex
(Zaak T-554/10) (1)
((„Overheidsopdrachten voor diensten - Aanbestedingsprocedure - IT-diensten, hardware en softwarelicenties - Afwijzing van de offertes van een inschrijver - Motiveringsplicht - Selectie- en gunningscriteria - Kennelijk onjuiste beoordeling - Niet-contractuele aansprakelijkheid”))
(2015/C 190/09)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: N. Korogiannakis en M. Dermitzakis, advocaten)
Verwerende partij: Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex) (vertegenwoordigers: S. Vuorensola en H. Caniard, gemachtigden, bijgestaan door J. Stuyck en A.-M. Vandromme, advocaten)
Voorwerp
Ten eerste, een verzoek tot nietigverklaring van de besluiten tot afwijzing van de offertes die verzoekster had ingediend in het kader van aanbesteding Frontex/PB/87/2010 betreffende een raamovereenkomst voor „IT-diensten” op het gebied van technologieën voor beheer en beveiliging van informatie (PB 2010/S 66-098323), en aanbesteding Frontex/PB/98/2010 betreffende het grote pilootproject Eurosur op het gebied van coördinatie van informatietechnologieën en communicaties (PB 2010/S 90-134098), alsmede van alle ermee samenhangende besluiten, daaronder begrepen de besluiten om de opdrachten aan andere inschrijvers te gunnen, en, ten tweede, een beroep tot vergoeding van de schade die zou zijn geleden wegens de toekenning van de opdrachten aan die andere inschrijvers.
Dictum
|
1) |
Het besluit van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex) van 18 oktober 2010 tot afwijzing van de offerte die door Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE was ingediend in het kader van aanbesteding 2010/S 66-098323, voor perceel nr. 1 (informaticadiensten), voor het verstrekken van IT-diensten, hardware en softwarelicenties, wordt nietig verklaard. |
|
2) |
Het besluit van Frontex van 18 oktober 2010 tot afwijzing van de offerte die door Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE was ingediend in het kader van aanbesteding 2010/S 66-098323, voor perceel nr. 6 (contentmanagementsystemen), voor het verstrekken van IT-diensten, hardware en softwarelicenties, wordt nietig verklaard. |
|
3) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
4) |
Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE zal 50 % van haar eigen kosten dragen en 50 % van die van Frontex, en Frontex zal 50 % van zijn eigen kosten dragen en 50 % van die van Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/9 |
Arrest van het Gerecht van 16 april 2015 — Schenker Customs Agency/Commissie
(Zaak T-576/11) (1)
([„Douane-unie - Navordering van rechten bij invoer - Invoer van glyfosaat van oorsprong uit Taiwan - Verzoek van een douane-expediteur tot kwijtschelding van de rechten bij invoer - Artikel 239 van verordening (EEG) nr. 2913/92 - Billijkheidsclausule - Bestaan van bijzondere omstandigheden - Aangiften voor het in het vrije verkeer brengen - Onjuiste certificaten van oorsprong - Begrip „klaarblijkelijke nalatigheid” - Besluit van de Commissie waarbij kwijtschelding van de rechten niet gerechtvaardigd wordt geacht”])
(2015/C 190/10)
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partij: Schenker Customs Agency BV (Rotterdam, Nederland) (vertegenwoordigers: J. Biermasz en A. Jansen, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk L. Keppenne en F. Wilman, vervolgens A. Caeiros en B.-R. Killmann, gemachtigden, bijgestaan door Y. Van Gerven, advocaat)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van besluit C(2011) 5208 definitief van de Commissie van 27 juli 2011, waarbij het ter zake van een specifiek geval niet gerechtvaardigd wordt geacht over te gaan tot kwijtschelding van de rechten bij invoer (zaak REM 01/2010)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Schenker Customs Agency BV wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in die van de Europese Commissie. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/10 |
Arrest van het Gerecht van 22 april 2015 — Tomana e.a./Raad en Commissie
(Zaak T-190/12) (1)
((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten wegens de situatie in Zimbabwe - Beperkingen van binnenkomst op of doorreis via het grondgebied van de Unie - Bevriezing van tegoeden - Rechtsgrondslag - Kennelijk onjuiste beoordeling - Motiveringsplicht - Rechten van verdediging - Grondrechten - Evenredigheid”))
(2015/C 190/11)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Johannes Tomana (Harare, Zimbabwe) en de 120 andere verzoekers wier namen in de bijlage zijn vermeld (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Vaughan, QC, M. Lester, R. Lööf, barristers, en M. O’Kane, solicitor, vervolgens D. Vaughan, M. Lester en R. Lööf)
Verwerende partijen: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: B. Driessen, M. Veiga en A. Vitro, gemachtigden) en Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Konstantinidis, T. Scharf en E. Georgieva, gemachtigden)
Interveniënt aan de zijde van verwerende partijen: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: E. Jenkinson, C. Murrell en M. Holt, gemachtigden, bijgestaan door S. Lee, barrister)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van besluit 2012/97/GBVB van de Raad van 17 februari 2012 houdende wijziging van besluit 2011/101/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB L 47, blz. 50), uitvoeringsverordening (EU) nr. 151/2012 van de Commissie van 21 februari 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad inzake bepaalde beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB L 49, blz. 2), en uitvoeringsbesluit 2012/124/GBVB van de Raad van 27 februari 2012 tot uitvoering van besluit 2011/101/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB L 54, blz. 20), voor zover zij verzoekers betreffen
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Johannes Tomana en de 120 andere verzoekers wier namen in de bijlage zijn vermeld, zullen hun eigen kosten dragen alsmede die van de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie. |
|
3) |
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zal zijn eigen kosten dragen. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/11 |
Arrest van het Gerecht van 22 april 2015 — Polen/Commissie
(Zaak T-290/12) (1)
((„Landbouw - Gemeenschappelijke ordening van de markten - Sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit - Steun aan producentengroeperingen - Beperking van de financiële bijdrage van de Unie - Rechtszekerheid - Gewettigd vertrouwen - Motiveringsplicht - Loyale samenwerking”))
(2015/C 190/12)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Republiek Polen (vertegenwoordigers: aanvankelijk B. Majczyna en M. Szpunar, vervolgens B. Majczyna en K. Straś, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk N. Donnelly, B. Schima en D. Milanowska, vervolgens B. Schima en D. Milanowska, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van artikel 1, leden 2 tot en met 4, 6, 12 en 13, en artikel 2, leden 1 tot en met 3, juncto artikel 3, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 302/2012 van de Commissie van 4 april 2012 houdende wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (PB L 99, blz. 21) alsook bijlagen I en II erbij
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Republiek Polen zal haar eigen kosten dragen alsook die van de Europese Commissie. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/11 |
Arrest van het Gerecht van 16 april 2015 — Schlyter/Commissie
(Zaak T-402/12) (1)
([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Artikel 4, lid 2, derde streepje - Uitzondering inzake de bescherming van het doel van onderzoeken - Verordening (EG) nr. 1367/2006 - Artikel 6, lid 1 - Uitvoerig gemotiveerde mening van de Commissie over een ontwerp van besluit betreffende de jaarlijkse opgave van stoffen die nanodeeltjes bevatten, door de Franse autoriteiten aan de Commissie meegedeeld op grond van richtlijn 98/34/EG - Weigering van toegang”])
(2015/C 190/13)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Carl Schlyter (Linköping, Zweden) (vertegenwoordigers: O. Brouwer en S. Schubert, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Costa de Oliveira, A. Tokár en C. Zadra, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van verzoekende partij: Republiek Finland (vertegenwoordiger: S. Hartikainen, gemachtigde); Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Falk, C. Meyer-Seitz, U. Persson, C. Stege, S. Johannesson en H. Karlsson, vervolgens A. Falk, C. Meyer-Seitz, U. Persson, E. Karlsson, L. Swedenborg en C. Hagerman, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: B. Beaupère-Manokha, D. Colas en F. Fize, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 27 juni 2012, waarbij zij tijdens de status-quoperiode toegang heeft geweigerd tot haar uitvoerig gemotiveerde mening over een ontwerp van besluit betreffende de inhoud en de voorwaarden voor indiening van de jaarlijkse opgave van stoffen die nanodeeltjes bevatten (2011/673/F), dat haar door de Franse autoriteiten was meegedeeld op grond van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB L 204, blz. 37), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Parlement en de Raad van 20 juli 1998 (PB L 217, blz. 18)
Dictum
|
1) |
Het besluit van de Europese Commissie van 27 juni 2012, waarbij zij tijdens de status-quoperiode toegang heeft geweigerd tot haar uitvoerig gemotiveerde mening over een ontwerp van besluit betreffende de inhoud en de voorwaarden voor indiening van de jaarlijkse opgave van stoffen die nanodeeltjes bevatten (2011/673/F), dat haar door de Franse autoriteiten was meegedeeld op grond van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Parlement en de Raad van 20 juli 1998, wordt nietig verklaard. |
|
2) |
De Commissie wordt, behalve in haar eigen kosten, verwezen in de kosten van Carl Schlyter. |
|
3) |
De Franse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden dragen hun eigen kosten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/12 |
Arrest van het Gerecht van 16 april 2015 — Matratzen Concord/BHIM — KBT (ARKTIS)
(Zaak T-258/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Procedure tot vervallenverklaring - Gemeenschapswoordmerk ARKTIS - Normaal gebruik van het merk - Artikel 15, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Gebruiksvorm van het merk - Bewijs van het gebruik voor de ingeschreven waren - Toestemming van de merkhouder”])
(2015/C 190/14)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Matratzen Concord GmbH (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordigers: I. Selting en J. Mertens, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Schifko, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: KBT & Co. Ernst Kruchen agenzia commerciale sociétá in accomandita (Locarno, Zwitserland) (vertegenwoordiger: K. Schulze Horn, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 4 maart 2013 (zaak R 2133/2011-4), betreffende een procedure tot vervallenverklaring tussen Matratzen Concord GmbH en KBT & Co. Ernst Kruchen agenzia commerciale sociétá in accomandita
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Matratzen Concord GmbH wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen de door KBT & Co. Ernst Kruchen agenzia commerciale sociétá in accomandita in verband met de procedure voor de kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) gemaakte noodzakelijke kosten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/13 |
Arrest van het Gerecht van 23 april 2015 — Iglotex/BHIM — Iglo Foods Group (IGLOTEX)
(Zaak T-282/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk IGLOTEX - Ouder gemeenschapswoordmerk IGLO - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2015/C 190/15)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Iglotex S.A. (Skórcz, Polen) (vertegenwoordigers: I.-M. Helbig P. Hansmersmann en S. Rengshausen, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Schifko, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Iglo Foods Group Ltd (Feltham, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Hawkes, solicitor, vervolgens B. Brandreth en C. Hall, barristers)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 1 maart 2013 (zaak R 67/2012-2) inzake een oppositieprocedure tussen Iglo Foods Group Ltd en Iglotex S.A.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Iglotex S.A. wordt verwezen in de kosten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/14 |
Arrest van het Gerecht van 23 april 2015 — BX/Commissie
(Zaak T-352/13 P) (1)
((„Hogere voorziening - Openbare dienst - Aanwerving - Aankondiging van vergelijkend onderzoek - Algemeen vergelijkend onderzoek - Vorming van een reserve voor de aanwerving van Bulgaarse en Roemeense administrateurs (AD) van de rang 5 op het gebied van het recht - Besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek om verzoeker niet op de reservelijst te plaatsen - Bewijslast - Vergelijkende beoordeling - Gelijke behandeling - Stabiliteit van de samenstelling van de jury - Artikel 3, vijfde alinea, van bijlage III bij het Statuut - Verkeerde opvatting van de feiten en het bewijsmateriaal - Beroep tot schadevergoeding - Beslissing over de kosten”))
(2015/C 190/16)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: BX (Washington, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: R. Rata, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en B. Eggers, gemachtigden)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 24 april 2013, BX/Commissie (F-88/11, JurAmbt., EU:F:2013:51), en strekkende tot vernietiging van dat arrest
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
BX draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten die de Europese Commissie in het kader van deze procedure heeft gemaakt. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/14 |
Arrest van het Gerecht van 16 april 2015 — Drogenhilfe Köln Projekt/BHIM (Rauschbrille)
(Zaak T-319/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Rauschbrille - Absolute weigeringsgronden - Beschrijvend karakter - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2015/C 190/17)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Drogenhilfe Köln Projekt gGmbH (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordiger: V. Schoene, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 29 januari 2014 (zaak R 1356/2013-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken Rauschbrille als gemeenschapsmerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Drogenhilfe Köln Projekt gGmbH wordt verwezen in de kosten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/15 |
Arrest van het Gerecht van 22 april 2015 — Rezon/BHIM — mobile.international (mobile.de proMotor)
(Zaak T-337/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Gemeenschapswoordmerk mobile.de proMotor - Ouder nationaal beeldmerk mobile - Afwijzing van de vordering tot nietigverklaring - Artikel 165, lid 4, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2015/C 190/18)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Rezon OOD (Sofia, Bulgarije) (vertegenwoordigers: P. Kanchev en T. Ignatova, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: M. Fischer, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: mobile.international GmbH (Kleinmachnow, Duitsland)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 19 februari 2014 (zaak R 950/2013-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Rezon OOD en mobile.international GmbH
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Rezon OOD wordt verwezen in de kosten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/15 |
Beroep ingesteld op 24 maart 2015 — Parker Hannifin Manufacturing en Parker-Hannifin/Commissie
(Zaak T-137/15)
(2015/C 190/19)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Parker Hannifin Manufacturing Srl (Corsico, Italië), en Parker-Hannifin Corp. (Mayfield Heights, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: B. Amory, F. Marchini Camia en É. Barbier de La Serre, lawyers)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het beroep ontvankelijk verklaren; |
|
— |
het bestreden besluit nietig verklaren voor zover daarbij vertragingsrente ter hoogte van 1 8 59 949,04 EUR in rekening is gebracht; |
|
— |
subsidiair, de vertragingsrente op passende wijze verlagen, en |
|
— |
de Commissie verwijzen in haar eigen kosten en die van verzoeksters. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters één principaal middel en zeven subsidiaire middelen aan.
|
1. |
Eerste middel, inhoudend dat het bestreden besluit in strijd is met het ultra-vires-verbod
|
|
2. |
Tweede middel, inhoudend dat het bestreden besluit niet dan wel ondeugdelijk is gemotiveerd
|
|
3. |
Derde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel
|
|
4. |
Vierde middel, ontleend aan schending van het verbod van discriminatie
|
|
5. |
Vijfde middel, ontleend aan schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel
|
|
6. |
Zesde middel, ontleend aan schending van artikel 266 VWEU en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte
|
|
7. |
Zevende middel, ontleend aan ongerechtvaardigde verrijking
|
|
8. |
Achtste middel, ontleend aan misbruik van bevoegdheid
|
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/17 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — Hongarije/Commissie
(Zaak T-139/15)
(2015/C 190/20)
Procestaal: Hongaars
Partijen
Verzoekende partij: Hongarije (vertegenwoordigers: M. Z. Fehér, G. Koós en A. Pálfy, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
uitvoeringsbesluit (EU) 2015/103 van de Commissie van 16 januari 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), nietig verklaren voor zover hierbij in het geval van Hongarije steun ten bedrage van 1 1 7 09 400 EUR uit het Fonds voor de suikerherstructurering aan financiering door de Unie wordt onttrokken; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep betwist de verzoekende partij het door de Commissie verdedigde, maar in het arrest SFIR e.a. (C-187/12–C-189/12, EU:C:2013:737) niet uitdrukkelijk verwoorde standpunt dat voor de beoordeling of de in dat arrest genoemde uitzonderingen van toepassing zijn, dient te worden gekeken naar het tijdstip waarop de steun die in het bestreden besluit van financiering wordt uitgesloten, is aangevraagd. Deze conclusie druist volgens de verzoekende partij in tegen de logica van het betrokken herstructureringsprogramma. Voorts gaat deze conclusie volledig voorbij aan het feit dat de suikerproductie seizoensgebonden is, en doet zij vragen rijzen over de praktische toepasbaarheid van de uitzonderingen.
Zelfs indien de juridische interpretatie van de Commissie correct zou zijn, zou deze laatste, gelet op de interpretatieproblemen en de onzekerheid die zijn gerezen met betrekking tot de regelgeving inzake herstructureringssteun, met name wat de kwalificatie van silo’s betreft, rechtmatig hebben gehandeld indien zij het van Uniefinanciering uitgesloten bedrag, gelet op de problemen in verband met de interpretatie van het Unierecht, had verlaagd of helemaal niet van financiering had uitgesloten.
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/17 |
Beroep ingesteld op 24 maart 2015 — Aurora/CPVO — SES-VanderHave (M 02205)
(Zaak T-140/15)
(2015/C 190/21)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Aurora Srl (Finale Emilia, Italië) (vertegenwoordiger: L. Buchman, advocaat)
Verwerende partij: Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: SES-VanderHave NV/SA (Tienen, België)
Gegevens betreffende de procedure voor het CPVO
Houder van het betrokken communautair kwekersrecht: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken communautair kwekersrecht: communautair kwekersrecht nr. EU 15118, benaming van het ras: M 02205
Bestreden beslissing: beslissing van de kamer van beroep van het CPVO van 26 november 2014 in zaak A10/2013
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de bestreden beslissing te vernietigen; |
|
— |
communautair kwekersrecht nr. EU 15118 nietig te verklaren; |
|
— |
het CPVO te verwijzen in de kosten, inclusief die van eventuele interveniënten. |
Aangevoerde middelen
|
— |
schending van de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 2100/94; |
|
— |
onjuiste uitlegging van artikel 87, lid 4, van verordening nr. 2100/94; |
|
— |
schending van het rechtszekerheidsbeginsel voor zover de voorwaarden van het verleende communautair kwekersrecht met terugwerkende kracht werden gewijzigd; |
|
— |
schending, tot op zekere hoogte, van het beginsel van gewettigd vertrouwen; |
|
— |
schending van het transparantiebeginsel en van het recht van toegang van het publiek tot documenten, voor zover de onderzoeksprocedure niet transparant verliep doordat verzoekende partij geen toegang had tot essentiële documenten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/18 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — EFB/Commissie
(Zaak T-150/15)
(2015/C 190/22)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: European Federation of Biotechnology (EFB) (Luik, België) (vertegenwoordigers: M. Troncoso Ferrer en S. Moya Izquierdo, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het beroep ontvankelijk en gegrond verklaren; |
|
— |
de Europese Commissie gelasten verzoekster 39 316,54 EUR te betalen; |
|
— |
de Europese Commissie verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar beroep vraagt verzoekster het Gerecht vast te stellen dat de Europese Commissie haar contractuele verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van 23 december 2005 betreffende het project „European Action [on] Global Life science — Health Programme” met referentienummer LSSP-CT-2005-512135 (hierna: „overeenkomst”) niet is nagekomen en vordert zij betaling van het resterende bedrag van 39 316,54 EUR.
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.
|
1. |
Kennelijk onjuiste beoordeling van verscheidene subsidiabele uitgaven, wat een met artikel 1315 van het Belgische Burgerlijk Wetboek strijdige onjuiste beoordeling van de bewijsstukken uitmaakt
|
|
2. |
Schending van de artikelen II.6 en II.20 van de algemene voorwaarden van de overeenkomst en artikel 1347 van het Belgische Burgerlijk Wetboek, doordat de Europese Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat uitgaven in verband met de werkzaamheden van bepaalde personeelsleden niet-subsidiabel waren omdat die personen geen geldige arbeidsovereenkomst met verzoekster hadden |
|
3. |
Schending van artikel 1134 van het Belgische Burgerlijk Wetboek en het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten
|
|
4. |
Ontoereikende motivering door de Europese Commissie van de weigering om bepaalde uitgaven te vergoeden |
|
5. |
Schending van het vertrouwensbeginsel
|
|
6. |
Onduidelijkheid van de regels die van toepassing zijn op het zesde kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling („KP6”)
|
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/20 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — EFB/Commissie
(Zaak T-151/15)
(2015/C 190/23)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: European Federation of Biotechnology (EFB) (Luik, België) (vertegenwoordigers: M. Troncoso Ferrer en S. Moya Izquierdo, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het beroep ontvankelijk en gegrond verklaren; |
|
— |
verzoekster aansprakelijk houden voor een bedrag van slechts 5 638,22 EUR; |
|
— |
de Europese Commissie verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar beroep vraagt verzoekster het Gerecht vast te stellen dat de Europese Commissie haar contractuele verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van 20 december 2005 betreffende het project „European Action [on] Global Life science — Food Forum” met referentienummer LSSP-CT-2005-512135 (hierna: „overeenkomst”) niet is nagekomen en haar aansprakelijk te houden voor een bedrag van 5 638,22 EUR in plaats van 86 676,42 EUR zoals de Europese Commissie heeft gevraagd.
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.
|
1. |
Kennelijk onjuiste beoordeling van verscheidene subsidiabele uitgaven, wat een met artikel 1315 van het Belgische Burgerlijk Wetboek strijdige onjuiste beoordeling van de bewijsstukken uitmaakt
|
|
2. |
Schending van de artikelen II.6 en II.20 van de algemene voorwaarden van de overeenkomst en artikel 1347 van het Belgische Burgerlijk Wetboek, doordat de Europese Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat uitgaven in verband met de werkzaamheden van bepaalde personeelsleden niet-subsidiabel waren omdat die personen geen geldige arbeidsovereenkomst met verzoekster hadden |
|
3. |
Schending van artikel 1134 van het Belgische Burgerlijk Wetboek en het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten
|
|
4. |
Ontoereikende motivering door de Europese Commissie van de weigering om bepaalde uitgaven te vergoeden |
|
5. |
Schending van het vertrouwensbeginsel
|
|
6. |
Onduidelijkheid van de regels die van toepassing zijn op het zesde kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling („KP6”)
|
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/21 |
Hogere voorziening ingesteld op 31 maart 2015 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 22 januari 2015 in de gevoegde zaken F-1/14 en F-48/14, Kakol/Commissie
(Zaak T-152/15 P)
(2015/C 190/24)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en G. Gattinara, gemachtigden)
Andere partij in de procedure: Danuta Kakol (Luxemburg, Luxemburg)
Conclusies
De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 22 januari 2015 in de gevoegde zaken F-1/14 en F-48/14, Kakol/Commissie, te vernietigen; |
|
— |
het beroep in zaak F-48/14 terug te verwijzen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken, in zaak F-1/14 heeft rekwirante afstand van instantie gedaan; |
|
— |
de beslissing omtrent de kosten aan te houden. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij drie middelen aan.
|
1. |
Eerste middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting, daar het Gerecht voor ambtenarenzaken (hierna: „GVA”) heeft geoordeeld dat wanneer er sprake is van „soortgelijke” toelatingsvoorwaarden, een jury verplicht is om het besluit om een kandidaat niet toe te laten tot de examens te motiveren ten opzichte van de beoordeling die een andere jury van een ander vergelijkend onderzoek over het diploma van dezelfde kandidaat heeft gegeven. |
|
2. |
Tweede middel, ontleend aan een schending van de motiveringsplicht, daar het GVA heeft erkend dat de nationaliteit van de kandidaten weliswaar één van de toelatingsvoorwaarden was, maar dat deze desondanks niet de twee betrokken aankondigingen van vergelijkend onderzoek kon onderscheiden. |
|
3. |
Derde middel, ontleend aan een verkeerde opvatting van een essentieel onderdeel van het dossier, daar het GVA heeft geoordeeld dat de jury niet had uiteengezet waarom haar besluit verschilde van dat van de eerdere jury, terwijl de Commissie die motivering zowel in haar geschriften als ter terechtzitting duidelijk had aangevuld. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/22 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — Hamcho en Hamcho International/Raad
(Zaak T-153/15)
(2015/C 190/25)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Mohamad Hamcho (Damascus, Syrië) en Hamcho International (Damascus) (vertegenwoordigers: A. Boesch, D. Amaudruz en M. Ponsard, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
gelasten dat het dossier van procedure T-43/12 bij het dossier wordt gevoegd; |
|
— |
verzoekers het recht op repliek verlenen en het recht om in repliek nieuwe stukken over te leggen en getuigen op te roepen; |
|
— |
uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/108 van de Raad van 26 januari 2015 en uitvoeringsbesluit (GBVB) 2015/117 van de Raad van 26 januari 2015 nietig verklaren, voor zover die handelingen verzoekers betreffen; |
|
— |
de Raad verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van het beroep voeren verzoekers twee middelen aan die in wezen overeenkomen met die welke zijn aangevoerd in zaak T-653/11, Jaber/Raad (1).
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/22 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — Jaber/Raad
(Zaak T-154/15)
(2015/C 190/26)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Aiman Jaber (Lattakia, Syrië) (vertegenwoordigers: A. Boesch, D. Amaudruz en M. Ponsard, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
gelasten dat het dossier van procedure T-653/11 bij het dossier wordt gevoegd; |
|
— |
verzoeker het recht op repliek verlenen en het recht om in repliek nieuwe stukken over te leggen en getuigen op te roepen; |
|
— |
uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/108 van de Raad van 26 januari 2015 en uitvoeringsbesluit (GBVB) 2015/117 van de Raad van 26 januari 2015 nietig verklaren, voor zover die handelingen verzoeker betreffen; |
|
— |
de Raad verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van het beroep voert verzoeker twee middelen aan die in wezen overeenkomen met die welke zijn aangevoerd in zaak T-653/11, Jaber/Raad (1).
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/23 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — Khaled Kaddour/Raad
(Zaak T-155/15)
(2015/C 190/27)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Khaled Kaddour (Damascus, Syrië) (vertegenwoordigers: A. Boesch, D. Amaudruz en M. Ponsard, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
gelasten dat het dossier van procedure T-654/11 bij het dossier wordt gevoegd; |
|
— |
verzoeker het recht op repliek verlenen en het recht om in repliek nieuwe stukken over te leggen en getuigen op te roepen; |
|
— |
uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/108 van de Raad van 26 januari 2015 en uitvoeringsbesluit (GBVB) 2015/117 van de Raad van 26 januari 2015 nietig verklaren, voor zover die handelingen verzoeker betreffen; |
|
— |
de Raad verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van het beroep voert verzoeker twee middelen aan die in wezen overeenkomen met die welke zijn aangevoerd in zaak T-653/11, Jaber/Raad (1).
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/23 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — Frankrijk/Commissie
(Zaak T-156/15)
(2015/C 190/28)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: F. Alabrune, G. de Bergues, D. Colas en C. Candat, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
besluit C(2015) 53 final van de Commissie van 16 januari 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover het in het kader van rechtstreekse steun is gebaseerd op vaststellingen die niet zijn genoemd in de mededelingen van de Commissie en voor zover het controlesysteem niet de goede toepassing van de Uniewetgeving inzake een goede landbouw- en milieuconditie in de aanvraagjaren 2011 en 2012 kan verzekeren; |
|
— |
besluit C(2015) 53 final gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover het van de financiering van de Unie uitsluit alle uitgaven, die op het gebied van oppervlaktegebonden steun in Haute Corse in de aanvraagjaren 2010 en volgende zijn verricht; |
|
— |
besluit C (2015) 53 final gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover het van de financiering door de Unie uitsluit de uitgaven die door de Franse Republiek zijn verricht in het kader van de steun Compenserende vergoeding voor natuurlijke belemmeringen betreffende as 2 van het Franse plattelandsontwikkelingsprogramma in de begrotingsjaren 2010, 2011, 2012 en 2013. Subsidiair dit besluit gedeeltelijk nietig verklaren, voor zover het van financiering door de Europese Unie uitsluit het gedeelte van de uitgaven dat door de Franse Republiek is verricht in het kader van de CVNB-steun voor schapen waarvoor controles ter plaatse zijn verricht in het kader van de controles van de identificatie van dieren; |
|
— |
besluit C(2015) 53 final gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover het van financiering door de Unie uitsluit de uitgaven die door de Franse Republiek zijn verricht op het gebied van herstructurering van de suikerindustrie tot 25 % van de uitgaven voor steun die was betaald aan suikerproducenten die steun ontvingen voor volledige ontmanteling, maar opslagsilo’s hebben laten staan; subsidiair dit besluit gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover de opgelegde financiële correctie van 25 % van de uitgaven voor steun die is betaald aan suikerproducenten die steun ontvingen voor volledige ontmanteling, maar opslagsilo’s hebben laten staan, onevenredig is; |
|
— |
de Commissie in de kosten te verwijzen. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij acht middelen aan, die betrekking hebben op drie aspecten van het bestreden besluit.
|
— |
Inzake het deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de sector rechtstreekse steun van de eerste pijler in voor de begrotingsjaren 2011, 2012 en 2013
|
|
— |
Inzake het deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de compenserende vergoeding voor natuurlijke belemmeringen van as 2 van het Franse plattelandsontwikkelingsprogramma — Elfpo
|
|
— |
Inzake het deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de financiële correctie die is toegepast op het gebied van de herstructurering van de suikerindustrie
|
(1) Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het ELFPO (PB L 171, blz. 90).
(2) Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30, blz. 16).
(3) Verordening (EG) nr. 1975/2006 van de Commissie van 7 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling (PB L 368, blz. 74).
(4) Verordening (EG) nr. 320/2006 van de Raad van 20 februari 2006 tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 58, blz. 42).
(5) Verordening (EG) nr. 968/2006 van de Commissie van 27 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen voor verordening (EG) nr. 320/2006 van de Raad tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap (PB L 176, blz. 32).
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/25 |
Beroep ingesteld op 30 maart 2015 — Estland/Commissie
(Zaak T-157/15)
(2015/C 190/29)
Procestaal: Ests
Partijen
Verzoekende partij: Republiek Estland (vertegenwoordiger: Kristi Kraavi-Käerdi)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
uitvoeringsbesluit (EU) 2015/103 van de Commissie van 16 januari 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (1) (kennisgeving geschied onder nummer C[2015] 53) nietig verklaren, voor zover het de Republiek Estland betreft ten belope van 6 91 746,53 EUR; |
|
— |
verweerster verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster vecht de geldigheid van uitvoeringsbesluit (EU) 2015/103 van de Commissie van 16 januari 2015 aan, voor zover het de Republiek Estland betreft ten belope van 6 91 746,53 EUR voor de jaren 2009 tot en met 2011.
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.
Eerste middel: het bestreden besluit dient nietig te worden verklaard omdat de Commissie de aan het besluit ten grondslag liggende feiten onjuist heeft vastgesteld en beoordeeld, het Unierecht onjuist heeft toegepast en zo tot de onjuiste conclusie is gekomen dat Estland middelen van de Unie in gevaar heeft gebracht.
Tweede middel: de Commissie heeft het evenredigheidsbeginsel geschonden en artikel 52, lid 2, van verordening (EU) nr. 1306/2013 (2) onjuist toegepast door bij het bestreden besluit Estland een forfaitaire financiële correctie van 2 % op te leggen.
Derde middel: de Commissie heeft het beginsel van goed bestuur geschonden omdat zij niet alle door verzoekster overgelegde bewijzen zorgvuldig heeft onderzocht en in aanmerking genomen.
Vierde middel: de Commissie heeft het rechtszekerheidsbeginsel geschonden door zich op het standpunt te stellen dat de GLMC-norm diende te worden toegepast op landschapselementen en dat de toepassing ervan ook in 2009 voortdurend diende te worden onderzocht.
(2) Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347, blz. 549).
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/26 |
Beroep ingesteld op 13 april 2015 — Lions Gate Entertainment/BHIM (DIRTY DANCING)
(Zaak T-179/15)
(2015/C 190/30)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Lions Gate Entertainment Inc. (Santa Monica, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: D. Farnsworth, Solicitor, en J. Hill, Barrister)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „DIRTY DANCING” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 036 265
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 10 februari 2015 in zaak R 2252/2014-4
Conclusies
|
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
|
— |
verwijzing van het BHIM in de kosten. |
Aangevoerd middel
|
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder c), in samenhang met artikel 7, leden 1, onder b), en 3, van verordening nr. 207/2009. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/27 |
Beroep ingesteld op 14 april 2015 — Buonotourist/Commissie
(Zaak T-185/15)
(2015/C 190/31)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Buonotourist Srl (Castel San Giorgio, Italië) (vertegenwoordigers: G. Capo en L. Visone, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
nietig verklaren het besluit van de Europese Commissie van 19 januari 2015 inzake staatssteun SA.35843 (2014/C) (ex 2012/NN), aan verzoekster meegedeeld op 20 februari 2015, waaraan Italië uitvoering heeft gegeven; |
|
— |
overeenkomstig de artikelen 263 VWEU en 264 VWEU verklaren dat het besluit van de Europese Commissie van 19 januari 2015 inzake staatssteun SA.35843 (2014/C) (ex 2012/NN) (voor een bedrag van 1 1 11 572,00 EUR) nietig is aangezien daarin wordt geoordeeld dat de bedragen die zijn erkend als compensatie voor openbaredienstverplichtingen in de zin van verordening (EEG) nr. 1191/69 — compensatie ingevolge artikel 11 op grond van de tariefverplichting in de sector plaatselijk openbaar vervoer — zijn te beschouwen als een niet-aangemelde maatregel die met de interne markt onverenigbare staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag vormt; |
|
— |
overeenkomstig de artikelen 263 VWEU en 264 VWEU verklaren dat het besluit van de Europese Commissie van 19 januari 2015 inzake staatssteun SA.35843 (2014/c) (ex 2012/NN) (voor een bedrag van 1 1 11 572,00 EUR) nietig is aangezien daarin operatieve maatregelen voor de terugvordering van de steun ten laste van de Italiaanse staat worden gelast; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van Buonotourist Srl. |
Middelen en voornaamste argumenten
In het in deze zaak aangevochten besluit heeft de Commissie verklaard dat de betalingen die aan Buonotourist zijn gedaan ter compensatie of als schadeloosstelling voor de onrechtmatige eenzijdige oplegging van openbaredienstverplichtingen voor de jaren 1996-2002, als niet-aangemelde maatregel met de interne markt onverenigbare staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag vormen. De Commissie heeft derhalve operatieve maatregelen voor de terugvordering van de steun gelast.
Tot staving van haar beroep voert verzoekster acht middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: schending van de artikelen 93, 107, 108 en 263 VWEU juncto artikel 17 van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad van 26 juni 1969 betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 156, blz. 1).
|
|
2. |
Tweede middel: schending van artikel 4 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1), junctis de artikelen 107 en 108 VWEU.
|
|
3. |
Derde middel: schending van de artikelen 93, 107 en 108 VWEU junctis artikel 17 van verordening nr. 1191/69 en artikel 9 van verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad.
|
|
4. |
Vierde middel: schending van artikel 1, letter f, junctis artikel 1, letter g, en de artikelen 4, 7 en 15 van verordening nr. 659/1999, op grond van artikel 17 van verordening nr. 1191/69.
|
|
5. |
Vijfde middel: schending van artikel 267 VWEU, de artikelen 6 en 13 EVRM en de artikelen 93, 107 en 108 VWEU.
|
|
6. |
Zesde middel: schending van de artikelen 6, 7 en 13 EVRM, de artikelen 93 — 107 en 108 VWEU junctis de artikelen 258 en volgende VWEU, juncto artikel 101 van de Italiaanse grondwet, en artikel 2909 Codice civile.
|
|
7. |
Zevende middel: schending van de artikelen 11 en 17 van verordening nr. 1191/69 en van de artikelen 93, 107 en 108 VWEU en misbruik van bevoegdheid.
|
|
8. |
Achtste middel: schending van de artikelen 1, 11 en 17 van verordening nr. 1191/69 en van de artikelen 93, 107 en 108 VWEU.
|
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/29 |
Beroep ingesteld op 14 april 2015 — CSTP Azienda della Mobilità/Commissie
(Zaak T-186/15)
(2015/C 190/32)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: CSTP Azienda della Mobilità SpA (Salerno, Italië) (vertegenwoordigers: G. Capo en L. Visone, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
nietig verklaren het besluit van de Europese Commissie van 19 januari 2015 inzake staatssteun SA.35842 (2014/C) (ex 2012/NN), aan verzoekster meegedeeld op 19 februari 2015, waaraan Italië uitvoering heeft gegeven; |
|
— |
overeenkomstig de artikelen 263 VWEU en 264 VWEU verklaren dat het besluit van de Europese Commissie van 19 januari 2015 inzake staatssteun SA.35842 (2014/C) (ex 2012/NN) (voor een bedrag van 4 9 51 838,00 EUR) nietig is aangezien daarin wordt geoordeeld dat de bedragen die zijn erkend als compensatie voor openbaredienstverplichtingen in de zin van verordening (EEG) nr. 1191/69 — compensatie ingevolge artikel 11 op grond van de tariefverplichting in de sector plaatselijk openbaar vervoer — zijn te beschouwen als een niet-aangemelde maatregel die met de interne markt onverenigbare staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag vormt; |
|
— |
overeenkomstig de artikelen 263 VWEU en 264 VWEU verklaren dat het besluit van de Europese Commissie van 19 januari 2015 inzake staatssteun SA.35842 (2014/C) (ex 2012/NN) (voor een bedrag van4 9 51 838,00 EUR) nietig is aangezien daarin operatieve maatregelen voor de terugvordering van de steun ten laste van de Italiaanse staat worden gelast; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van CSTP. |
Middelen en voornaamste argumenten
De middelen en argumenten zijn gelijk aan die in zaak T-185/15, Buonotourist/Commissie.
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/29 |
Beroep ingesteld op 17 april 2015 — Compagnia Trasporti Pubblici e.a./Commissie
(Zaak T-187/15)
(2015/C 190/33)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partijen: Compagnia Trasporti Pubblici SpA (Arzano, Italië); Atap — Azienda Trasporti Automobilistici Pubblici delle Province di Biella e Vercelli SpA (Biella, Italië); Actv SpA (Venetië, Italië); Ferrovie Appulo Lucane Srl (Bari, Italië); Asstra Associazione Trasporti (Rome, Italië), en Associazione Nazionale Autotrasporto Viaggiatori (ANAV) (Rome) (vertegenwoordiger: M. Malena, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht het bestreden besluit nietig te verklaren wat de punten en onderdelen betreft waartegen het beroep is gericht.
Middelen en voornaamste argumenten
De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die in de zaken T-185/15, Buonotourist/Commissie, en T-186/15, CSTP Azienda della Mobilità/Commissie.
De verzoekende partijen stellen in het bijzonder dat inbreuk is gemaakt op de artikelen 93 VWEU, 94 VWEU, 107 VWEU en 108 VWEU, alsook op verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad van 26 juni 1969 betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 156, blz. 1) en verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1191/69 en (EEG) nr. 1107/70 (PB L 315, blz. 1), dat de Commissie geen bevoegdheid heeft, dat verordening nr. 1191/69 is geschonden, dat in de onderhavige zaak sprake is van misbruik van bevoegdheid en dat is voorbijgegaan aan de mededeling van de Commissie houdende richtsnoeren voor de uitlegging van verordening nr. 1370/2007.
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/30 |
Beroep ingesteld op 15 april 2015 — TMG Landelijke Media en Willems/Commissie
(Zaak T-189/15)
(2015/C 190/34)
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partijen: TMG Landelijke Media BV (Amsterdam, Nederland) en Menzo Willems (Voorburg, Nederland) (vertegenwoordigers: R. Le Poole en L. Broers, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
|
— |
het besluit van de Commissie van 17 februari 2015 te vernietigen; |
|
— |
de Commissie in de kosten van dit beroep te verwijzen. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekende partijen vechten het besluit van de Commissie aan waarbij hun verzoek tot toegang tot de correspondentie tussen Nederland en de Commissie betreffende de Europese naheffing die Nederland in 2014 is opgelegd, deels is afgewezen.
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen vier middelen aan.
|
1. |
Eerste middel, ontleend aan een schending van artikel 4, lid 1, sub a), van Verordening nr. 1049/2001 (1). Verzoekende partijen voeren aan dat de Commissie ten onrechte bepaalde documenten niet openbaar heeft gemaakt omdat openbaarmaking zou leiden tot ondermijning van de bescherming van het openbaar belang wat betreft het financieel, monetair of economisch beleid van de Unie. |
|
2. |
Tweede middel, ontleend aan een schending van artikel 4, lid 3, van Verordening nr. 1049/2001. Verzoekende partijen voeren aan dat de Commissie onvoldoende elementen heeft aangevoerd om aan te nemen dat het besluitvormingsproces ernstig zal worden ondermijnd, en dat ze ten onrechte gemakkelijk over de toets aan het hoger openbaar belang tot openbaarmaking van bepaalde documenten heen stapt. |
|
3. |
Derde middel, ontleend aan een schending van artikel 4, lid 1, sub b), van Verordening nr. 1049/2001 met betrekking tot de anonimisering van non-seniormedewerkers. Verzoekende partijen voeren aan dat dit het hun onmogelijk maakt om vast te stellen op welk niveau correspondentie is gevoerd en of het inderdaad non-seniormedewerkers betreft. |
|
4. |
Vierde middel, ontleend aan een schending van artikel 4, lid 5, van Verordening nr. 1049/2001. Verzoekende partijen menen dat de Commissie ten onrechte het verzoek van Nederland heeft gevolgd om bepaalde documenten afkomstig van Nederland niet openbaar te maken op grond van artikel 4, leden 1 en 3, van Verordening nr. 1049/2001. Zij verwijzen in dit verband naar de argumenten aangevoerd in het kader van het tweede en derde middel. |
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/31 |
Beschikking van het Gerecht van 14 april 2015 — Sabic Polyolefine/Commissie
(Zaak T-279/14) (1)
(2015/C 190/35)
Procestaal: Duits
De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
Gerecht voor ambtenarenzaken
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/32 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 21 april 2015 — FK (*1)/Commissie
(Zaak F-87/12 RENV)
((Openbare dienst - Terugverwijzing na vernietiging - Tijdelijk functionaris - Verlenging van de overeenkomst - Regel van zes jaar))
(2015/C 190/36)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: FK (*1) (vertegenwoordiger: S. Orlandi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordiger: J. Currall, gemachtigde)
Voorwerp
Terugverwijzing na vernietiging — Openbare dienst — Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie om de periode van verlenging van verzoekers overeenkomst te beperken
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
FK (*1) draagt de eigen kosten die hij in de zaken F-87/12, T-373/13 P en F-87/12 RENV heeft gemaakt alsmede de kosten die de Europese Commissie in zaak F-87/12 heeft gemaakt. |
|
3) |
De Europese Commissie draagt de eigen kosten die zij in de zaken T-373/13 P en F-87/12 RENV heeft gemaakt. |
(*1) Informatie gewist of vervangen in het kader van de bescherming van persoonsgegevens en/of vertrouwelijkheid.
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/32 |
Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 22 april 2015 — ED/ENISA
(Zaak F-105/14) (1)
((Openbare dienst - Tijdelijk functionaris - Selectieprocedure - Besluit tot afwijzing, in het stadium van de voorselectie, van de sollicitatie na onderzoek door een selectiecomité - Ontbreken van een klacht binnen de statutaire termijn tegen het besluit tot afwijzing van de sollicitatie - Verzoek om inlichtingen - Antwoord van het TAOBG zonder heronderzoek van het besluit tot afwijzing van de sollicitatie - Klacht tegen dat antwoord - Niet-eerbiediging van de precontentieuze procedure - Kennelijke niet-ontvankelijkheid - Artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering))
(2015/C 190/37)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: ED (vertegenwoordiger: S. A. Pappas, advocaat)
Verwerende partij: Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (vertegenwoordigers: A. Ryan, gemachtigde, D. Waelbroeck en A. Duron, advocaten)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van het besluit om verzoeksters sollicitatie naar de post van jurist („legal officer”) naar aanleiding van de kennisgeving van vacature ENISA-TA-AD-2013-05 niet in aanmerking te nemen
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
ED draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/33 |
Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 23 april 2015 — Bensai/Commissie
(Zaak F-131/14) (1)
((Openbare dienst - Arbeidscontractant - Salaris - Salarisafrekening - Bevestigend karakter - Niet-eerbiediging van de vereisten van de precontentieuze procedure - Hervorming van het Ambtenarenstatuut - Verhoging van de arbeidsduur zonder aanpassing van het salaris - Geen invloed op de bevestigende aard van de salarisafrekening - Ongelijke behandeling van arbeidscontractanten en plaatselijke functionarissen - Artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering))
(2015/C 190/38)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: David Bensai (Mullendorf, Luxemburg) (vertegenwoordiger: A. Salerno, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en G. Berscheid, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie om het salaris van verzoeker, een arbeidscontractant, niet te verhogen naar aanleiding van de verhoging van de wekelijkse arbeidstijd naar 40 uur als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut op 1 januari 2014
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk en in elk geval kennelijk ongegrond verklaard. |
|
2) |
Bensai draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/34 |
Beroep ingesteld op 19 maart 2015 — ZZ/Europol
(Zaak F-45/15)
(2015/C 190/39)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: J-J. Ghosez, advocaat)
Verwerende partij: Europese politiedienst (Europol)
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van de verwerende partij om geen gehoor te geven aan verzoekers verzoek om hem een overeenkomst voor onbepaalde tijd te geven
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietig verklaren het stilzwijgend besluit van de verwerende partij van 31 mei 2014 en het besluit tot afwijzing van verzoekers klacht van 22 december 2014 waarbij is geweigerd om hem een overeenkomst voor onbepaalde tijd te geven; |
|
— |
dientengevolge en primair, voor recht verklaren dat verzoeker na afloop van zijn huidige overeenkomst door Europol een overeenkomst voor onbepaalde tijd zal worden aangeboden; |
|
— |
subsidiair, indien mocht blijken dat alleen rekening moest worden gehouden met de enige overeenkomst die krachtens de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (RAP) is gesloten, voor recht verklaren dat verzoeker na afloop van zijn huidige overeenkomst door Europol een tweede overeenkomst voor bepaalde tijd krachtens de RAP zal worden aangeboden; |
|
— |
de verwerende partij verwijzen in alle kosten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/34 |
Beroep ingesteld op 20 maart 2015 — ZZ/Commissie
(Zaak F-46/15)
(2015/C 190/40)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: J.-N. Louis, N. de Montigny en D. Verbeke, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit van het afwikkelingsbureau te Brussel waarbij is geweigerd om verzoekers ziekte aan te merken als ernstige ziekte
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van het hoofd van het afwikkelingsbureau te Brussel van 27 mei 2014 tot afwijzing van het verzoek om verzoekers ziekte aan te merken als ernstige ziekte en van zijn verzoek om 100 % vergoeding van de daarmee verband houdende ziektekosten; |
|
— |
verwijzing van de Europese Commissie in de kosten van de procedure. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/35 |
Beroep ingesteld op 24 maart 2015 — ZZ/Commissie
(Zaak F-47/15)
(2015/C 190/41)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: É. Boigelot, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om geen gevolg te geven aan het verzoek om toekenning met terugwerkende kracht van de toelage voor kinderen ten laste ten behoeve van de twee kinderen van verzoeksters echtgenote, die om de week bij haar thuis wonen, vanaf de datum van hun huwelijk alsmede betaling van een schadevergoeding
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het op 16 december 2014 meegedeelde besluit van 9 december 2014, maar alleen voor zover het TABG, nadat de klacht hierover was toegewezen en terecht was besloten om het besluit van 19 juni 2014 nietig te verklaren en haar dientengevolge de toelage voor kinderen ten laste en de daaruit volgende voordelen te geven, toch beslist om de betrokken toelagen niet met terugwerkende kracht vanaf de datum van haar huwelijk te geven, maar haar pas vanaf 1 maart 2014, dat wil zeggen de eerste dag van de maand gedurende welke verzoekster haar verzoek om heroverweging had ingediend, recht op de toelage voor een kind ten laste en de daaruit volgende voordelen te geven; |
|
— |
in elk geval, veroordeling van de verwerende partij, als vergoeding en in het kader van de volledige rechtsmacht van het Gerecht, tot betaling van een bedrag van 33 375,99 EUR, onder voorbehoud van een verhoging in de loop van het geding, voor de schade die zij door de fout van de verwerende partij heeft geleden, vermeerderd met vertragingsrente tegen de wettelijke rentevoet zoals in België toegepast voor de betrokken jaren vanaf 1 september 2011 tot aan de datum van de volledige vereffening; |
|
— |
in elk geval, verwijzing van de verwerende partij in alle kosten, overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/36 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — ZZ/BHIM
(Zaak F-48/15)
(2015/C 190/42)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: T. Bontinck en A. Guillerme, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM)
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van verzoeksters beoordelingsrapport over 2013 alsmede van het op basis van dat rapport vastgestelde inhaalplan en verzoek om vergoeding van de immateriële schade die zij zou hebben geleden
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van verzoeksters beoordelingsrapport over 2013; |
|
— |
nietigverklaring van het op basis van het beoordelingsrapport vastgestelde inhaalplan; |
|
— |
veroordeling van het BHIM tot vergoeding van verzoeksters materiële schade, welke onder voorbehoud van een vermeerdering of vermindering in de loop van de procedure op 10 000 EUR wordt geschat; |
|
— |
verwijzing van het BHIM in de kosten van de procedure. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/36 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — ZZ/Commissie
(Zaak F-49/15)
(2015/C 190/43)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: S. Pappas, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om verzoeker de tuchtmaatregel van terugzetting in de rang AST 5 op te leggen, ofschoon hij was aangesteld in de rang AD 5, omdat hij zogenoemde valse verklaringen heeft afgelegd teneinde aanspraak te maken op de vergoeding bij de beëindiging van de dienst en de betaling van de verhuiskosten
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het bestreden besluit; |
|
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/37 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — FS/EESC
(Zaak F-50/15)
(2015/C 190/44)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: FS (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Tymen, advocaten)
Verwerende partij: Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC)
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om verzoekster niet te bekrachtigen in haar functie van hoofd van een eenheid en verzoek om vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij zou hebben geleden
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van de voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) van 25 mei 2014 om verzoekster niet te bekrachtigen in haar functie van hoofd van een eenheid; |
|
— |
nietigverklaring van het besluit van 25 mei 2014, genaamd „Aanhangsel nr. 2”, waarbij verzoekster is overgeplaatst naar een ambt dat geen kaderambt is; |
|
— |
voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van 18 december 2014 tot afwijzing van verzoeksters klacht van 21 augustus 2014; |
|
— |
vergoeding van verzoeksters materiële en immateriële schade; |
|
— |
verwijzing van het EESC in alle kosten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/37 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — FR/EASA
(Zaak F-51/15)
(2015/C 190/45)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: FR (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Blot, advocaten)
Verwerende partij: Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om verzoeker na afloop van zijn proeftijd te ontslaan en verzoek om vergoeding van de materiële en de immateriële schade die hij zou hebben geleden
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van 13 juni 2014; |
|
— |
voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van 18 december 2014; |
|
— |
dientengevolge, vergoeding van verzoekers materiële schade indien hij niet opnieuw wordt tewerkgesteld bij het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA); |
|
— |
vergoeding van de immateriële schade die verzoeker heeft geleden en welke voorlopig en ex aequo et bono op 5 800 EUR wordt begroot; |
|
— |
verwijzing van EASA in alle kosten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/38 |
Beroep ingesteld op 7 april 2015 — ZZ/Commissie
(Zaak F-52/15)
(2015/C 190/46)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en A. Blot, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van het verzoek om verzoekers dienst te verlengen en, dientengevolge, tot bevestiging van zijn ambtshalve pensionering op 31 oktober 2014, en verzoek om vergoeding van de materiële schade die hij zou hebben geleden alsmede om betaling van het symbolisch bedrag van 1 EUR ter vergoeding van de gestelde immateriële schade
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van het TABG van 25 juni 2014 tot afwijzing van het verzoek om verlenging van verzoekers dienst en, dientengevolge, tot bevestiging van zijn ambtshalve pensionering op 31 oktober 2014; |
|
— |
voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van verzoekers klacht van 10 december 2014, waarvan hem op 29 december 2014 kennis is gegeven; |
|
— |
vergoeding van de materiële schade die verzoeker door de bestreden besluiten heeft geleden; |
|
— |
toekenning aan verzoeker van het symbolisch bedrag van 1 EUR ter vergoeding van zijn immateriële schade; |
|
— |
verwijzing van de verwerende partij in alle kosten. |
|
8.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 190/39 |
Beroep ingesteld op 8 april 2015 — ZZ/Hof van Justitie
(Zaak F-53/15)
(2015/C 190/47)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: S. Orlandi, T. Martin, advocaten)
Verwerende partij: Hof van Justitie van de Europese Unie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit van het TAOBG tot vaststelling van verzoekers rechten voor de vergoeding van de jaarlijkse reiskosten vanaf 2014 krachtens artikel 8 van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1023/2013 van het Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren en de RAP
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
artikel 8 van bijlage VII bij het Statuut onwettig en niet van toepassing verklaren; |
|
— |
het besluit tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding van de jaarlijkse reiskosten aan verzoeker voor 2014 nietig verklaren; |
|
— |
het Hof van Justitie verwijzen in de kosten. |