|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 40 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
58e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
|
III Voorbereidende handelingen
RAAD
|
5.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 40/1 |
Standpunt (EU) nr. 1/2015 van de Raad in eerste lezing
met het oog op de aanneming van een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van de Raad houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten
Door de Raad vastgesteld op 16 oktober 2014
(Voor de EER relevante tekst)
(2015/C 40/01)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het is noodzakelijk de uitstoot van broeikasgassen en met name de uitstoot van koolstofdioxide (CO2) te verminderen, de verkeersveiligheid te verbeteren, de wetgeving, op dat vlak aante passen aan de technologische ontwikkelingen en de veranderende behoeften van de markt, en intermodale vervoersverrichtingen te faciliteren, terwijl er tegelijkertijd moet voor worden gezorgd dat de concurrentie niet wordt verstoord en de weginfrastructuur wordt beschermd. |
|
(2) |
De technologische ontwikkelingen bevatten de mogelijkheid om op de achterzijde van voertuigen intrekbare of inklapbare aerodynamische voorzieningen aan te brengen. Het aanbrengen van dergelijke voorzieningen zou er evenwel voor kunnen zorgen dat de bij Richtlijn 96/53/EG van de Raad (4) voorgeschreven toegestane maximumlengten wordt overschreden. Een afwijking op de toegestane maximumlengten dient derhalve te worden voorzien. Deze richtlijn heeft als doel om de installatie van dergelijke voorzieningen mogelijk te maken zodra de nodige wijzigingen van de technische vereisten voor de typegoedkeuring van de aerodynamische voorzieningen zijn omgezet of in werking zijn getreden en nadat de uitvoeringshandelingen door de Commissie zijn vastgesteld waarin de operationele voorschriften voor het gebruik van die voorzieningen worden bepaald. |
|
(3) |
Cabines met een kleinere luchtweerstand kunnen, mogelijkerwijs samen met op de achterzijde van voertuigen bevestigde intrekbare of inklapbare aerodynamische voorzieningen, een aanzienlijke verbetering van de energieprestaties van voertuigen opleveren. Een dergelijke verbetering is binnen de huidige in de Richtlijn 96/53/EG vastgestelde maximumlengten niet mogelijk zonder het laadvermogen van het voertuig te verminderen en het economisch evenwicht van de wegvervoersector in gevaar te brengen. Eveneens omwille van die reden, is een afwijking op de toegestane maximumlengten vereist. |
|
(4) |
Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) bepaalt dat voor de aerodynamische voorzieningen die langer zijn dan 500 mm en voor motorvoertuigen die zijn uitgerust met cabines die hun aerodynamische prestaties verbeteren en die de in Richtlijn 96/53/EG bepaalde grenzen overschrijden, een typegoedkeuring moet worden verleend voordat ze op de markt worden gebracht. |
|
(5) |
De mogelijkheid van een nieuwe vormgeving van de cabine voor motorvoertuigen zou de verkeersveiligheid ten goede komen omdat dode hoeken in het gezichtsveld van de bestuurder, onder meer die onder de voorruit, moeten verminderen, en zouden moeten bijdragen tot het redden van talrijke levens van zwakke weggebruikers, zoals voetgangers en fietsers. Een nieuwe vormgeving van de cabine maakt het eveneens mogelijk voorzieningen in te bouwen die bij een aanrijding energie absorberen. De potentiële toename van de omvang van de cabine kan bovendien de veiligheid en het comfort van de bestuurder verbeteren. |
|
(6) |
Het gebruik van alternatieve aandrijfsystemen die minder verontreiniging veroorzaken in vrachtwagens of autobussen, leidt tot een toename van het gewicht. Dergelijke toename van het gewicht dient niet in het laadvermogen te worden verrekend, aangezien het wegvervoer op die manier economisch zou worden benadeeld. Dergelijke alternatieve aandrijfsystemen die hybride aandrijfsystemen omvatten, zijn die welke voor de mechanische aandrijving energie ontlenen aan een verbruikbare brandstof en/of een accu of enig ander opslagsysteem voor elektrisch of mechanisch vermogen. |
|
(7) |
Toekomstige door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuigen (met zwaardere aandrijfsystemen dan voertuigen met conventionele brandstoffen) zouden eveneens baat kunnen hebben bij een marge voor bijkomend gewicht Dergelijke alternatieve brandstoftechnologieën kunnen derhalve worden opgenomen in de lijst met alternatieve brandstoffen vermeld in deze richtlijn, indien het gebruik ervan vereist dat de extra gewichtsmarge wordt gebruikt. |
|
(8) |
Deze richtlijn voorziet in afwijkingen van de maximum toegestane gewichten en afmetingen van voertuigen en voertuigcombinaties, bepaald in Richtlijn 96/53/EG. De lidstaten kunnen echter om redenen in verband met de verkeersveiligheid of de kenmerken van de infrastructuur, het verkeer van bepaalde voertuigen op specifieke gedeelten van hun wegennet beperken. |
|
(9) |
Bij het vervoer per container wordt steeds meer gebruikgemaakt van containers van 45 voet. Dergelijke containers worden vervoerd met behulp van alle vervoerswijzen. Het wegtraject van intermodale vervoersverrichtingen kan op dit moment slechts worden afgelegd na het doorlopen van zware administratieve procedures die een belasting vormen voor zowel de lidstaten als de vervoersondernemingen, tenzij de containers over zeer dure gepatenteerde afgeschuinde hoeken beschikken. Door de toegestane lengte van vrachtwagens voor containervervoer met 15 cm te verlengen kunnen vervoerders worden ontheven van die administratieve procedures en kunnen intermodale vervoersverrichtingen worden gestimuleerd zonder risico’s of nadelen voor de weginfrastructuur of andere weggebruikers. |
|
(10) |
Om het intermodaal vervoer te blijven stimuleren en rekening te houden met het ledig gewicht van containers of wissellaadbakken met een lengte van ten hoogste 45 voet moeten motorvoertuigen met drie assen met opleggers met twee of drie assen tot het verkeer worden toegelaten, met een totaal toegestaan maximumgewicht van 44 ton. Motorvoertuigen met twee assen met opleggers met drie assen die containers of wissellaadbakken met een lengte van ten hoogste 45 voet vervoeren, moeten worden toegelaten voor intermodaal vervoer, met een totaal toegestaan maximumgewicht van 42 ton. |
|
(11) |
Sinds de vaststelling van Richtlijn 96/53/EG is het gemiddelde gewicht van autobus- en touringcarpassagiers alsmede van hun bagage aanzienlijk toegenomen. Gezien de door die richtlijn vastgelegde maximumgewichten, is het aantal passagiers dat kan worden vervoerd geleidelijk aan afgenomen. Voorts heeft de uitrusting die nodig is om te voldoen aan de huidige technische vereisten zoals de Euro VI-specificaties, het gewicht van de ermee uitgeruste voertuigen verder doen toenemen. Aangezien collectief vervoer met het oog op een efficiënter energieverbruik moet worden bevorderd ten opzichte van individueel vervoer moet het vroegere aantal passagiers per autocar worden hersteld, rekening houdend met de toename van hun gewicht en van het gewicht van hun bagage. Daartoe kan het toegestane maximumgewicht van autocars met twee assen worden verhoogd, maar dat mag niet tot een snellere slijtage van de weginfrastructuur leiden. |
|
(12) |
Om ervoor te zorgen dat de concurrentie tussen marktdeelnemers niet wordt verstoord en om de opsporing van inbreuken te verbeteren, nemen de lidstaten tegen … (6) specifieke maatregelen teneinde na te gaan welke rijdende voertuigen of voertuigcombinaties waarschijnlijk de vastgestelde relevante gewichtsmaxima overschrijden en derhalve moeten worden gecontroleerd. Er kan worden vastgesteld om welke voertuigen het gaat door middel van in de weginfrastructuur geïntegreerde weegsystemen, of door middel van sensoren aan boord van het voertuig die van op afstand communiceren met de relevante autoriteiten. Elke lidstaat voert elk jaar een adequaat aantal controles op het gewicht van voertuigen uit. Het aantal controles moet evenredig zijn aan het totale aantal voertuigen dat jaarlijks op het grondgebied van de betrokken lidstaat wordt geïnspecteerd. |
|
(13) |
Om de naleving van deze richtlijn te garanderen, stellen de lidstaten voorschriften vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze richtlijn en zorgen zij ervoor dat deze worden toegepast. Die sancties moeten doeltreffend, niet-discriminerend, evenredig en afschrikkend zijn. |
|
(14) |
Om de controles op het gewicht van voertuigen of voertuigcombinaties op internationale schaal efficiënter te maken en het vlotte verloop van die controles te faciliteren, is het van belang dat de bevoegde autoriteiten in de lidstaten informatie uitwisselen. Het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad (7) aangewezen contactpunt moet als tussenschakel voor de uitwisseling van dergelijke informatie optreden. |
|
(15) |
Het is belangrijk dat het Europees Parlement en de Raad regelmatig in kennis worden gesteld van de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten verrichte wegcontroles. Deze door de lidstaten meegedeelde informatie stelt de Commissie in staat om toe te zien op de naleving van deze richtlijn door de vervoersondernemingen en te bepalen of er al dan niet behoefte is aan dwingende maatregelen. |
|
(16) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (8). |
|
(17) |
De Commissie moet geen uitvoeringshandelingen vaststellen betreffende de operationele vereisten inzake het gebruik van aerodynamische voorzieningen, noch betreffende gedetailleerde specificaties voor in het voertuig geïnstalleerde weegapparatuur wanneer het bij deze richtlijn ingestelde comité geen advies uitbrengt over de door de Commissie ingediende ontwerphandeling. |
|
(18) |
Teneinde de lijst van alternatieve brandstoffen in deze richtlijn in het licht van de meest recente technologische ontwikkelingen te actualiseren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gedelegeerde handelingen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer met de deskundigen van de lidstaten, alvorens gedelegeerde handelingen vast te stellen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad. |
|
(19) |
Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen ervan, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, de nodige maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. |
|
(20) |
Richtlijn 96/53/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd, |
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Richtlijn 96/53/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 1, lid 1, onder a), wordt de verwijzing „Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassingen van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (9); vervangen door de verwijzing „Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (10). |
|
2) |
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
Artikel 5 wordt vervangen door: „Artikel 5 Vóór 1 januari 1991 in het verkeer gebrachte gelede voertuigen die niet voldoen aan de in de punten 1.6 en 4.4 van bijlage I opgenomen voorschriften, worden voor de toepassing van artikel 3 geacht met die voorschriften in overeenstemming te zijn, indien zij een totale lengte van niet meer dan 15,50 m hebben.”. |
|
5) |
De artikelen 8, 8 bis en 9 worden geschrapt. |
|
6) |
De volgende artikelen worden ingevoegd: „Artikel 8 ter 1. Teneinde de energie-efficiëntie van voertuigen of voertuigcombinaties te verbeteren, mogen voertuigen of voertuigcombinaties die zijn uitgerust met aerodynamische voorzieningen welke voldoen aan de eisen van de leden 2 en 3, alsmede aan Richtlijn 2007/46/EG, de in bijlage I, punt 1.1, vastgestelde maximumlengtes overschrijden om de installatie van die voorzieningen achteraan op het voertuig of de voertuigcombinatie mogelijk te maken. Voertuigen of voertuigcombinaties welke met die voorzieningen zijn uitgerust, moeten voldoen aan punt 1.5 van bijlage I, en overschrijdingen van de maximumlengte mogen niet leiden tot een toename van de laadlengte van de betrokken voertuigen of voertuigcombinaties. 2. Voor de in lid 1 bedoelde aerodynamische voorzieningen die langer zijn dan 500 mm moet een typegoedkeuring worden verleend overeenkomstig Richtlijn 2007/46/EG voordat deze op de markt worden gebracht. Uiterlijk op … (12), gaat de Commissie na of de technische vereisten voor de typegoedkeuring van de aerodynamische voorzieningen vastgelegd in voornoemde richtlijn, met inbegrip van de uitvoeringsbepalingen ervan, moeten worden aangepast, rekening houdend met het feit dat de verkeersveiligheid en de veiligheid van het intermodaal vervoer moeten worden gewaarborgd; zij besteedt daarbij met name aandacht aan de volgende elementen:
De Commissie dient daartoe, indien nodig, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG in. 3. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde operationele vereisten vast voor het gebruik van de in lid 1 bedoelde voorzieningen, met name met betrekking tot:
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 10 decies, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. 4. Lid 1 is, naargelang het geval, van toepassing met ingang van de datum van omzetting of de datum van toepassing van de in lid 2 bedoelde noodzakelijke wijzigingen van de instrumenten en na de vaststelling van de in lid 3 bedoelde uitvoeringshandelingen. Artikel 9 bis 1. Met het oog op de verbetering van de energie-efficiëntie, met name wat betreft meer performante aerodynamische cabines, alsmede van de verkeersveiligheid, mogen voertuigen en voertuigcombinaties die voldoen aan de eisen van lid 2, alsmede aan Richtlijn 2007/46/EG de in bijlage I, punt 1.1, vastgestelde maximumlengtes overschrijden indien die cabines de aerodynamische prestaties, de prestaties inzake energie-efficiëntie en de veiligheidsprestaties verbeteren. Voertuigen of voertuigcombinaties welke met dergelijke cabines zijn uitgerust, moeten voldoen aan punt 1.5 van bijlage I, en overschrijdingen van de maximumlengte mogen niet leiden tot een toename van het laadvermogen van de betrokken voertuigen. 2. Voor de in lid 1 bedoelde voertuigen moet een goedkeuring worden verleend overeenkomstig Richtlijn 2007/46/EG voordat ze op de markt worden gebracht. Uiterlijk op … (13), gaat de Commissie na of in voornoemde richtlijn, met inbegrip van de uitvoeringshandelingen ervan, technische vereisten moeten worden ingevoegd voor de typegoedkeuring van voertuigen met aerodynamische cabines, rekening houdend met de volgende elementen:
De Commissie dient daartoe, indien nodig, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG in. 3. Lid 1 wordt naar gelang van het geval, van toepassing vijf jaar te rekenen vanaf de datum van omzetting of toepassing van de noodzakelijke wijzigingen in de in lid 2 bedoelde instrumenten.”. |
|
7) |
Artikel 10 bis wordt geschrapt. |
|
8) |
De volgende artikelen worden ingevoegd: „Artikel 10 ter De maximaal toegestane gewichten van door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuigen zijn de in bijlage I, punten 2.3.1 en 2.3.2, vermelde gewichten. Door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuigen voldoen tevens aan de in bijlage I, punt 3, vastgestelde maximaal toegestane asdruk. Het bijkomend gewicht dat voor door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuigen nodig is, zal worden bepaald op basis van de documentatie die door de fabrikant bij de goedkeuring van het betrokken voertuig wordt verstrekt. Dat bijkomende gewicht wordt vermeld in de officiële bewijzen die overeenkomstig artikel 6 vereist zijn. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 nonies gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot het actualiseren, voor de doelstellingen van deze richtlijn, van de in artikel 2 opgenomen lijst van alternatieve brandstoffen die een bijkomend gewicht vereisen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie de gangbare praktijk volgt en, alvorens bij gedelegeerde handeling op te treden, deskundigen raadpleegt, waaronder deskundigen van de lidstaten. Artikel 10 quater De in bijlage I, punt 1.1, vastgestelde maximumlengte, onder voorbehoud van waar van toepassing artikel 9 bis, lid 1, en de in bijlage I, punt 1.6 vastgestelde maximale afstand, mogen met 15 cm worden overschreden door voertuigen of voertuigcombinaties die containers van 45 voet of wissellaadbakken van 45 voet vervoeren, leeg of geladen, wanneer het wegvervoer van de vervoerde container of wissellaadbak deel uitmaakt van een intermodale vervoersverrichting. Artikel 10 quinquies 1. Uiterlijk op … (14) treffen de lidstaten specifieke maatregelen om na te gaan bij welke rijdende voertuigen of voertuigcombinaties waarschijnlijk het vastgestelde maximaal toegestane gewicht is overschreden en waarop hun bevoegde autoriteiten derhalve een controle moeten uitvoeren teneinde de naleving van deze richtlijn af te dwingen. Die maatregelen kunnen worden genomen door middel van automatische op de weginfrastructuur aangebrachte systemen of door overeenkomstig lid 4 in het voertuig geïnstalleerde weegapparatuur. Een lidstaat mag de verplichting tot het installeren van weegapparatuur niet opleggen voor voertuigen of voertuigcombinaties die in een andere lidstaat zijn geregistreerd. Indien voor het vaststellen van inbreuken op deze richtlijn en het opleggen van sancties automatische systemen worden gebruikt, worden die automatische systemen, onverminderd het Unie- en nationaal recht, gecertificeerd. Indien automatische systemen alleen voor identificatiedoeleinden worden gebruikt, hoeven zij niet te worden gecertificeerd. 2. Elke lidstaat voert elk kalenderjaar een adequaat aantal controles op het gewicht van rijdende voertuigen of voertuigcombinaties uit dat evenredig is aan het totale aantal voertuigen dat jaarlijks op zijn grondgebied wordt geïnspecteerd. 3. Overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad (15), zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde instanties de met dit artikel verband houdende informatie over inbreuken en sancties uitwisselen. 4. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde technische specificaties vast om ervoor te zorgen dat de in lid 1 vermelde in voertuigen geïnstalleerde weegapparatuur accuraat, betrouwbaar en volledig interoperabel is, en verenigbaar is met alle soorten voertuigen. In het bijzonder kan er, met het oog op het waarborgen van de interoperabiliteit, met behulp van de gedetailleerde technische specificaties voor worden gezorgd dat te allen tijde vanuit rijdende voertuigen de weeggegevens naar de bevoegde instanties worden doorgestuurd. Die informatie wordt meegedeeld middels de interface die is gedefinieerd door de normen CEN DSRC EN 12253, EN 12795, EN 12834, EN 13372 en ISO14906, aangevuld met een norm die ervoor moet zorgen dat de bevoegde instanties van de lidstaten op dezelfde manier informatie kunnen meedelen aan en uitwisselen met in eender welke lidstaat geregistreerde voertuigen en voertuigcombinaties die met weegapparatuur zijn uitgerust; De in dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen worden vóór … (16) vastgesteld volgens de in artikel 10 decies, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Artikel 10 sexies De lidstaten stellen voorschriften vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze richtlijn en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. Die sancties moeten doeltreffend, niet-discriminerend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie van deze voorschriften in kennis. Artikel 10 septies 1. Voor het vervoer van containers en wissellaadbakken stellen de lidstaten voorschriften vast ter bepaling van het volgende:
2. De lidstaten stellen aansprakelijkheidsvoorschriften vast voor zowel de verlader als de vervoerder, naar gelang van de gevallen waarin de in lid 1 bedoelde informatie ontbreekt of fout is en het voertuig of de voertuigcombinatie overbeladen is. Artikel 10 octies De lidstaten bezorgen de Commissie om de twee jaar, en uiterlijk op 30 september van het jaar na het einde van de betrokken periode van twee jaar, de vereiste informatie over:
Deze informatie kan onderdeel zijn van de informatie die krachtens artikel 17 van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad (17) wordt verstrekt. De Commissie maakt een analyse van de ingevolge dit artikel ontvangen informatie en neemt die analyse op in het verslag dat in het kader van Verordening (EG) nr. 561/2006 bij het Europees Parlement en de Raad moet worden ingediend. Artikel 10 nonies 1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden. 2. De in artikel 10 ter bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van …. (18) De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. 3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 10 ter bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. 4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad. 5. Een overeenkomstig artikel 10 ter vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking wanneer noch het Europees Parlement, noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar tegen de handeling heeft gemaakt of wanneer zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn aan de Commissie heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Die termijn kan op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden worden verlengd. Artikel 10 decies 1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 42 van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad (19) ingestelde Comité wegvervoer. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011. 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. 3. Indien het comité geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. |
|
9) |
Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:
|
Artikel 2
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op … (20) aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te …,
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
…
Voor de Raad
De voorzitter
…
(1) PB C 327 van 12.11.2013 blz. 133.
(2) PB C […]
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 14 april 2014 [(nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad)] en standpunt van de Raad in eerste lezing van 16 oktober 2014. Standpunt van het Europees Parlement van … [(nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad)] [en besluit van de Raad van …].
(4) Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).
(5) Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).
(6) Zes jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn.
(7) Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51).
(8) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(9) PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/40/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 203 van 10.8.2000, blz. 9).”
(10) Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (Voor de EER relevante tekst) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).”
(11) Richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten (PB L 368 van 17.12.1992, blz. 38).”;
(12) Twee jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn.
(13) Twee jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn.
(14) Zes jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn.
(15) Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51).
(16) Een jaar vanaf de datum van toepassing van deze wijzigingsrichtlijn.
(17) Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1).
(18) Datum van inwerkingtreding van deze verwijzingsrichtlijn.
(19) Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 1).”.
(20) 36 maanden na de bekendmaking van deze richtlijn.
|
5.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 40/11 |
Motivering van de Raad: Standpunt (EU) nr. 1/2015 van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van de Raad houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten
(2015/C 40/02)
I. INLEIDING
De Commissie heeft op 15 april 2013 bij de Raad haar voorstel ingediend voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten.
Het Europees Parlement heeft op 15 april 2014 zijn advies in eerste lezing uitgebracht.
De Raad heeft op 5 juni 2014 een politiek akkoord over de ontwerprichtlijn bereikt. Nadat de tekst door de juristen-vertalers was bijgewerkt heeft de Raad op 16 oktober 2014, overeenkomstig de in artikel 294 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie neergelegde gewone wetgevingsprocedure zijn standpunt in eerste lezing vastgesteld.
II. ANALYSE VAN HET STANDPUNT IN EERSTE LEZING
1. Algemeen
Met dit wetgevingsinitiatief wordt beoogd de aerodynamische prestaties en de energie-efficiëntie van voertuigen te verbeteren en tegelijk de verkeersveiligheid verder te verhogen, met inachtneming van de beperkingen van de huidige wegeninfrastructuur.
Voorts is het de bedoeling het gebruik van door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuigen te bevorderen, de ontwikkeling van intermodaal vervoer te vergemakkelijken, te bevestigen dat grensoverschrijdend verkeer van langere voertuigen is toegestaan wanneer slechts één grens wordt overschreden, en de controle-instanties in staat te stellen inbreuken beter op te sporen.
De Raad heeft ervoor geopteerd het oorspronkelijke voorstel op verscheidene punten aan te passen. De belangrijkste bepalingen van de richtlijn zijn dan ook aanzienlijk gewijzigd. Als gevolg daarvan wijkt het standpunt van de Raad in eerste lezing af van het oorspronkelijke Commissievoorstel, in die zin dat het anders is geformuleerd en verscheidene bepalingen zijn toegevoegd en geschrapt. Dit houdt in dat de Raad niet kan instemmen met de amendementen die het Europees Parlement in eerste lezing in die bepalingen heeft aangebracht.
2. Belangrijkste beleidskwesties
i) Verduidelijking van grensoverschrijdend verkeer van langere voertuigen (artikel 1, lid 2, onder a) en b); artikel 4, leden 1 en 4)
De Commissie stelt voor Richtlijn 96/53/EG te wijzigen om te bevestigen dat grensoverschrijdend verkeer van langere voertuigen is toegestaan wanneer slechts één grens wordt overschreden tussen twee lidstaten die het verkeer van dergelijke voertuigen reeds toestaan en indien voldaan is aan de voorwaarden voor afwijkingen van de richtlijn.
De Raad is van oordeel dat Richtlijn 96/53/EG voor een passend evenwicht zorgt tussen, enerzijds, het recht van de lidstaten om te onderzoeken en te bepalen welke vervoersoplossingen aan de plaatselijke omstandigheden zijn aangepast en, anderzijds, de noodzaak om verstoringen van de interne markt en aanzienlijke gevolgen voor de internationale concurrentie te voorkomen. De standpunten van de Raad en het Parlement lopen wat dat betreft gelijk.
De amendementen 21 en 22 zijn overgenomen. Amendement 63 is niet door de Raad overgenomen.
ii) Alternatieve brandstoffen (artikel 1, lid2, onder a); artikel 1, lid 8; artikel 10 ter; artikel 1, lid 9, onder e) en f))
In dezelfde geest als het Commissievoorstel is de Raad het eens geworden over een aanpak die het gebruik van door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuigen bevordert. In de tekst is een definitie van alternatieve brandstoffen opgenomen. De lijst van alternatieve brandstoffen waarop het bijkomende gewicht dat vereist is voor het gebruik ervan (maximaal 1 ton) reeds kan worden toegepast, kan door de Commissie worden geactualiseerd, rekening houdend met de technologische vooruitgang.
Voor controledoeleinden dient het bijkomende gewicht dat voor de alternatieve brandstoftechnologie vereist is, te worden gedefinieerd op basis van de door de fabrikant ter beschikking gestelde documentatie. In de tekst wordt aangegeven dat een dergelijke toename van het gewicht niet in het laadvermogen mag worden verrekend.
De aanpak van het Europees Parlement is vergelijkbaar met die van de Raad inzake koolstofarme technologieën. De amendementen 18, 19, 42, 43 en 69 worden gedeeltelijk of naar de geest overgenomen.
iii) Gecombineerd versus intermodaal vervoer (artikel 1, lid 1; artikel 2, eerste alinea, streepje 16 en artikel 1, lid 10; artikel 11)
De Raad deelt het standpunt dat het gebruik van intermodaal vervoer als voorgesteld in het kader van de herziening van Richtlijn 96/53/EG, het vervoer over zee over korte afstanden, over de binnenwateren en over het spoor zal bevoordelen ten opzichte van het gebruik van gecombineerd vervoer als omschreven in Richtlijn 92/106/EEG. Het gebruik van gecombineerd vervoer leidt in de praktijk immers tot bepaalde beperkingen voor vervoersketens, terwijl het gebruik van intermodaal vervoer mogelijke comparatieve voordelen biedt.
Derhalve heeft de Raad, voor de toe passing van deze richtlijn, een definitie van intermodale vervoersverrichtingen opgenomen in de tekst. Voorts blijft in artikel 11 de aanpak van de Commissie behouden, die voorziet in een afwijking van 15 cm van de maximumlengte en de maximumafstand tussen de pen van de opleggerkoppeling en de achterkant van de oplegger voor voertuigen die containers van 45 voet vervoeren in het kader van een intermodale vervoersverrichting.
Het Europees Parlement heeft besloten de definitie van gecombineerd vervoer in de gehele tekst te behouden, en heeft de Commissie verzocht een wetgevingsvoorstel in te dienen tot wijziging van Richtlijn 92/106/EEG. Gelet op het verschil in aanpak heeft de Raad de amendementen 20, 44 en 45 niet overgenomen.
iv) Aerodynamische voorzieningen aan de achterzijde van het voertuig en het ontwerp van nieuwe cabines (artikel 1, leden 6 en 7; artikelen 8 ter en 9 bis)
De Raad beschouwt de artikelen 8 ter en 9 bis als de belangrijkste elementen van het Commissievoorstel ter verbetering van de energie-efficiëntie van voertuigen of voertuigcombinaties. Hij heeft zich intensief beraden op de structuur van deze artikelen.
Om de aerodynamische prestaties van voertuigen te verbeteren en aldus brandstof te besparen, voorziet de tekst van de Raad in afwijkingen van de maximaal toegestane lengtes voor voertuigen of voertuigcombinaties als bedoeld in bijlage I, punt 1.1, indien:
|
— |
het voertuig of de voertuigcombinatie is uitgerust met aerodynamische voorzieningen aan de achterzijde (artikel 1, lid 6); artikel 8 ter, en/of indien |
|
— |
het voertuig of de voertuigcombinatie is uitgerust met een cabine met verbeterde aerodynamische prestaties, een verbeterde energie-efficiëntie en een verbeterde veiligheid (artikel 1, lid 7); artikel 9 bis). |
In artikel 8 ter geeft de Raad aan dat aerodynamische voorzieningen moeten voldoen aan bepaalde vereisten die zijn opgesomd in artikel 8 ter, lid 3, teneinde de veiligheid in het algemeen en de veiligheid van intermodale vervoersverrichtingen te waarborgen.
Voorts moeten deze voorzieningen worden gebruikt in overeenstemming met bepaalde, door de Commissie vast te stellen operationele vereisten (uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel 8 ter, lid 4), en moeten zij voldoen aan de bepalingen van de typegoedkeuringsrichtlijn (Richtlijn 2007/46/EG). In de tekst van de Raad wordt eveneens bepaald dat voor aerodynamische voorzieningen die langer zijn dan 50 cm een typegoedkeuring moet worden verleend overeenkomstig Richtlijn 2007/46/EG voordat deze op de markt worden gebracht. Daartoe moeten in die richtlijn de nodige wijzigingen worden aangebracht.
In artikel 9 bis wordt dezelfde redenering gevolgd. De Raad heeft echter besloten de Commissie te verzoeken de technische vereisten op te stellen die nodig zijn voor de typegoedkeuring van voertuigen met nieuwe cabines uit hoofde van de typegoedkeuringsrichtlijn (2007/46/EG). Alvorens op de markt te worden gebracht moeten deze voertuigen overeenkomstig die richtlijn worden goedgekeurd. In de tekst van de Raad wordt de Commissie tevens verzocht om, indien nodig, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG in te dienen (gewone wetgevingsprocedure).
In de tekst van de Raad zijn de vereisten voor voertuigen die zijn uitgerust met nieuwe cabines niet verplicht. Het Europees Parlement voorziet in dwingende vereisten zeven jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn. Om die reden kunnen de amendementen 38 en 40 niet worden aanvaard.
In de benadering van de Raad zal de afwijking voor voertuigen met aerodynamische voorzieningen aan de achterzijde van het voertuig van toepassing worden vanaf, naargelang het geval:
|
— |
de datum van omzetting van de tekst tot wijziging van de typegoedkeuringsrichtlijn (Richtlijn 2007/46/EG), of |
|
— |
de datum van toepassing van de nodige wijzigingen van de technische vereisten uit hoofde van Richtlijn 2007/46/EG, |
|
— |
en na de vaststelling van de uitvoeringshandelingen met gedetailleerde operationele vereisten voor het gebruik van dergelijke voorzieningen. |
Voorts zal de afwijking voor voertuigen die zijn uitgerust met nieuwe cabines van toepassing worden vijf jaar na, naargelang het geval:
|
— |
de datum van omzetting van de tekst tot wijziging van de typegoedkeuringsrichtlijn (Richtlijn 2007/46/EG), of |
|
— |
de datum van toepassing van de uitvoeringshandelingen uit hoofde van Richtlijn 2007/46/EG. |
Zowel in artikel 8 ter als in artikel 9 bis is bepaald dat voertuigen die zijn uitgerust met aerodynamische voorzieningen of nieuwe cabines een cirkel moeten kunnen beschrijven met een uitwendige straal van 12,50 m en een inwendige straal van 5,30 m (bijlage I, punt 1.5). Voorts mag de mogelijkheid tot overschrijding van de maximumlengtes voor voertuigen niet leiden tot een toename van het laadvermogen van deze voertuigen. Amendement 28 wordt naar de geest overgenomen.
Het Europees Parlement handhaaft de bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie als voorzien in het Commissievoorstel. Aangezien de Raad echter tot een andere aanpak heeft besloten, zijn de amendementen 30, 31 en 41 niet in overweging genomen.
v) Handhaving (artikel 1, leden 11 en 12; artikelen 12 en 13)
Volgens het standpunt van de Raad inzake handhaving dienen de lidstaten uiterlijk zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn specifieke maatregelen te treffen om na te gaan bij welke voertuigen het maximaal toegestane gewicht wordt overschreden. Daarenboven bevat de tekst van de Raad een niet-kwantitatieve bepaling voor het controleren van het gewicht van voertuigen. In de tekst wordt tevens verduidelijkt dat controles van het voertuig mogen worden uitgevoerd door middel van automatische op de weginfrastructuur aangebrachte systemen of in het voertuig geïnstalleerde weegapparatuur. Hieruit blijkt dat de Raad een technologisch neutraal standpunt inneemt.
Voorts wordt in de tekst van de Raad duidelijk vermeld dat lidstaten de verplichting tot het installeren van weegapparatuur aan boord niet mogen opleggen voor voertuigen die in een andere lidstaat zijn geregistreerd. De tekst van de Raad bepaalt dat door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde technische specificaties worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat in voertuigen geïnstalleerde weegapparatuur accuraat, betrouwbaar en volledig interoperabel is. De Raad heeft de lijst van door de Commissie voorgestelde maatregelen voor te zware voertuigen niet overgenomen, maar hij heeft wel een bepaling behouden op grond waarvan de bevoegde autoriteiten gegevens moeten uitwisselen over inbreuken en sancties.
De Raad kon niet instemmen met de door de Commissie gevolgde aanpak voor de indeling in categorieën van de inbreuken (artikel 13). De tekst is vervangen door de verplichting voor de lidstaten om voorschriften vast te stellen inzake sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze richtlijn.
De Raad kan niet instemmen met amendement 50, op grond waarvan alle nieuwe voertuigen van de categorieën N2 en N3 vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn moeten zijn uitgerust met ingebouwde weegsystemen. Voorts kon de Raad de amendementen 46, 49, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58 en 59 niet aanvaarden.
vi) Verslagleggingsverplichtingen (artikel 1, lid 14; artikel 15)
De Raad stelt voor om de oorspronkelijke door de Commissie in artikel 15 voorgestelde verslagleggingsverplichtingen te stroomlijnen. Volgens de aanpak van de Raad moeten de lidstaten de Commissie informatie bezorgen over het aantal in de twee vorige kalenderjaren uitgevoerde controles en het aantal vastgestelde overbeladen voertuigen. Die informatie kan worden toegezonden samen met de informatie die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 561/2006 bij de Commissie wordt ingediend.
vii) Omzettingsdatum (artikel 2)
De Raad voorziet in een overgangsregeling van 36 maanden (oorspronkelijk voorstel van de Commissie: 18 maanden). De artikelen 8 ter, lid 1, en 9 bis, lid 1, bevatten daarenboven specifieke voorwaarden voor de toepassing ervan (zie punt ii) inzake aerodynamische voorzieningen achteraan op het voertuig en ontwerp van nieuwe cabines).
viii) Structuur van de wetgevingshandeling (gedelegeerde handelingen/uitvoeringshandelingen)
De Raad is van oordeel dat de Commissie de bevoegdheid moet krijgen gedelegeerde handelingen vast te stellen, zodat zij de in deze richtlijn opgenomen lijst van alternatieve brandstoffen kan actualiseren rekening houdend met innovaties op het gebied van brandstoftechnologie.
De Raad heeft echter besloten de delegatie van bevoegdheden aan de Commissie te wijzigen (vervanging van gedelegeerde handelingen door uitvoeringshandelingen) voor vleugels op de achterzijde, het ontwerp van nieuwe cabines en de vaststelling van de technische specificaties voor interoperabiliteit. Aangezien de Raad voor artikel 8 ter een andere structuur voorstelt dan voor artikel 9 bis, is de delegatie van bevoegdheden aan de Commissie gewijzigd (zie punt iv)).
III. CONCLUSIE
Bij het vaststellen van zijn standpunt in eerste lezing heeft de Raad het Commissievoorstel en het advies in eerste lezing van het Europees Parlement volledig in overweging genomen. Wat de amendementen van het Europees Parlement betreft, wijst de Raad erop dat hij een aantal ervan reeds naar de geest, gedeeltelijk of volledig in zijn standpunt in eerste lezing heeft overgenomen.