|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
57e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
I Resoluties, aanbevelingen en adviezen |
|
|
|
ADVIEZEN |
|
|
|
Europese Commissie |
|
|
2014/C 461/01 |
||
|
|
II Mededelingen |
|
|
|
MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Europese Commissie |
|
|
2014/C 461/02 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.7398 — Mirael/Ferrovial/NDH1) ( 1 ) |
|
|
2014/C 461/03 |
Inleiding van een procedure (Zaak M.7292 — DEMB/Mondelēz/Charger OpCo) ( 1 ) |
|
|
2014/C 461/04 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.7453 — Cutrale/Safra/Chiquita) ( 1 ) |
|
|
2014/C 461/05 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.7413 — Cheung Kong Holdings/Mitsubishi Corporation/JV) ( 1 ) |
|
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Raad |
|
|
2014/C 461/06 |
||
|
2014/C 461/07 |
||
|
2014/C 461/08 |
||
|
2014/C 461/09 |
||
|
2014/C 461/10 |
||
|
2014/C 461/11 |
||
|
2014/C 461/12 |
||
|
|
Europese Commissie |
|
|
2014/C 461/13 |
||
|
2014/C 461/14 |
||
|
2014/C 461/15 |
Samenvattingen van de besluiten van de Commissie betreffende vergunningen voor het in de handel brengen voor gebruik en/of het gebruik van stoffen die zijn vastgelegd in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (Gepubliceerd overeenkomstig artikel 64, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1907/2006) ( 1 ) |
|
|
|
V Adviezen |
|
|
|
PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK |
|
|
|
Europese Commissie |
|
|
2014/C 461/16 |
||
|
2014/C 461/17 |
||
|
|
PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID |
|
|
|
Europese Commissie |
|
|
2014/C 461/18 |
Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.7474 — QIA/BPP/Songbird) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 ) |
|
|
|
ANDERE HANDELINGEN |
|
|
|
Europese Commissie |
|
|
2014/C 461/19 |
||
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
|
I Resoluties, aanbevelingen en adviezen
ADVIEZEN
Europese Commissie
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/1 |
ADVIES VAN DE COMMISSIE
van 18 december 2014
betreffende de aanbeveling van de Europese Centrale Bank voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2532/98 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (ECB/2014/19)
(2014/C 461/01)
1. INLEIDING
|
1. |
Op 11 juni 2014 heeft de Europese Centrale Bank een aanbeveling voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2532/98 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (ECB/2014/19) bij de Raad ingediend. Op 25 juni 2014 heeft de Raad de Europese Commissie over deze aanbeveling geraadpleegd. |
|
2. |
De Commissie verwelkomt het initiatief van de ECB om wijzigingen van Verordening (EG) nr. 2532/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de bevoegdheid van de ECB om sancties op te leggen (1) (sanctieverordening van de Raad) aan te bevelen, waardoor de Raad in staat is met de vaststelling van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (2) („GTM-verordening”) rekening te houden in zijn sanctieverordening. |
|
3. |
De GTM-verordening machtigt de ECB boeten en sancties op leggen in het kader van toezicht en verwijst in artikel 18 naar de sanctieverordening van de Raad. Aangezien deze laatste vóór de GTM-verordening is vastgesteld en niet op het toezichtskader betrekking had, ondersteunt de Commissie een wijziging van deze verordening om een uitgebreid en duidelijk rechtskader voor de oplegging van sancties door de ECB in het kader van toezicht te creëren. |
|
4. |
De ECB beveelt met name aan in de sanctieverordening van de Raad:
|
2. ALGEMENE OPMERKINGEN
|
5. |
Sancties van de ECB kunnen een belangrijke impact hebben op de marktexploitanten. Besluiten tot oplegging van sancties kunnen ook juridisch worden aangevochten. Daarom moeten de geldende regels duidelijk en consistent zijn en rechtszekerheid geven om ervoor te zorgen dat de marktexploitanten de toepasselijke procedurele en substantiële regels kunnen kennen. Een dergelijke duidelijkheid, consistentie en rechtszekerheid is ook belangrijk met betrekking tot de interactie van verschillende rechtshandelingen. |
|
6. |
Omdat de sanctieverordening van de Raad op artikel 132, lid 3, VWEU gebaseerd is, kan zij alleen gelden voor inbreuken op verordeningen en besluiten van de ECB, niet voor inbreuken op (andere) rechtstreeks toepasselijke Unierechtelijke handelingen. Daarom kunnen alle aanbevolen wijzigingen die betrekking hebben op inbreuken op rechtstreeks toepasselijk Unierecht behalve verordeningen en besluiten van de ECB niet gehandhaafd worden in de verordening van de Raad. |
|
7. |
De interactie tussen betrokken bepalingen van de GTM-verordening, de sanctieverordening van de Raad en Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (3) („GTM-kaderverordening”) dient verder te worden verduidelijkt. |
|
8. |
In die context is het ook essentieel te vermijden dat verschillende formuleringen in verschillende handelingen twijfel zaaien over de interpretatie van de bepalingen. De Commissie verzoekt de ECB ook na vaststelling van de wijzigingen van de sanctieverordening van de Raad de bepalingen van haar GTM-kaderverordening die (bijna) identiek zouden zijn aan de bepalingen van de gewijzigde sanctieverordening van de Raad geheel of gedeeltelijk in te trekken. |
3. SPECIFIEKE OPMERKINGEN
Opmerkingen over het aanbevolen artikel 1 bis
|
9. |
Het aanbevolen artikel 1 bis, lid 1, zou het toepassingsgebied van de sanctieverordening van de Raad bepalen. Dit artikel bepaalt dat de verordening van toepassing is op de oplegging door de ECB van sancties aan ondernemingen bij niet-naleving van verplichtingen die voortvloeien uit ECB-besluiten en -verordeningen, tenzij expliciet anders bepaald. „tenzij expliciet anders bepaald” verwijst naar de bepalingen die ook zouden gelden bij schending van rechtstreeks toepasselijk Unierecht. Om de in punt 6 vermelde redenen stelt de Commissie voor artikel 1 bis, lid 1, als volgt te formuleren. „Deze verordening is van toepassing op de oplegging door de ECB van sancties aan ondernemingen bij niet-naleving van verplichtingen die voortvloeien uit ECB-verordeningen of besluiten.”. |
|
10. |
De ECB beveelt de Raad aan een artikel 1 bis, lid 2, in de sanctieverordening van de Raad in te voegen dat tot doel heeft het toepassingsgebied te verduidelijken van de specifieke regels die van de regels in de bestaande sanctieverordening van de Raad afwijken. Voor wat betreft besluiten tot oplegging van sancties buiten het kader van toezicht zouden de bestaande bepalingen in de sanctieverordening van de Raad blijven gelden. |
|
11. |
Hoewel de Commissie het eens is met de doelstelling van de ECB om de sanctieverordening van de Raad te wijzigen om rekening te houden met de vaststelling van de GTM-verordening is de Commissie bezorgd dat de door de ECB voorgestelde bepaling bijkomende problemen zou creëren. In het bijzonder zou thans artikel 1 bis, lid 2, juncto artikel 4 ter aldus kunnen worden uitgelegd dat de bestaande besluitvormingsprocedures van de sanctieverordening van de Raad van toepassing zouden zijn op de oplegging door de ECB van administratieve geldboeten wegens schending van rechtstreeks toepasselijk Unierecht. Dit zou betekenen dat de directie van de ECB besluiten zou nemen en niet in betrokkenheid van de raad van toezicht zou zijn voorzien. Dit zou worden vermeden indien het toepassingsgebied van de wijzigingen van de sanctieverordening van de Raad beperkt zou zijn tot inbreuken op verordeningen en besluiten van de ECB, hetgeen noodzakelijk is met het oog op de rechtsgrondslag van de sanctieverordening van de Raad. |
|
12. |
Aangezien de sanctieverordening van de Raad alleen op het opleggen van sancties wegens inbreuken op verordeningen en besluiten van de ECB en niet op inbreuken op rechtstreeks toepasselijk Unierecht van toepassing kan zijn, stelt de Commissie voor artikel 1 bis, lid 2, als volgt te formuleren: „De regels die van toepassing zijn op de oplegging door de ECB, bij de uitoefening van de aan haar bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad toevertrouwde taken, van sancties vanwege schendingen van ECB-verordeningen en -besluiten wijken af van de regels die zijn vastgelegd in de artikelen 2 tot en met 4 in de mate zoals bepaald in de artikelen 4 bis tot en met 4 quater.”. |
|
13. |
Wat de bekendmaking van administratieve geldboeten en sancties betreft zou het aanbevolen artikel 1 bis, lid 3, bepalen dat de ECB ieder besluit kan publiceren tot oplegging van administratieve geldboeten wegens inbreuken op rechtstreeks toepasselijk Unierecht en sancties wegens inbreuken op verordeningen of besluiten van de ECB, zowel in als buiten het kader van toezicht. |
|
14. |
Gezien de rechtsgrondslagen van de sanctieverordening van de Raad zou het toepassingsgebied van het artikel inzake bekendmaking zo moeten worden beperkt dat het alleen voor inbreuken op verordeningen en besluiten van de ECB geldt. |
|
15. |
De benadering inzake bekendmaking in de aanbeveling is niet in overeenstemming met de GTM-verordening. Artikel 18, lid 6, van de GTM-verordening luidt als volgt: „De ECB maakt elke in lid 1 bedoelde sanctie bekend in de gevallen en volgens de voorwaarden van het toepasselijke Unierecht.”. Deze bepaling geldt voor bekendmaking van boeten bij schending van rechtstreeks toepasselijke Unierechtshandelingen (artikel 18, lid 1, GTM-verordening). Het desbetreffende Unierecht is met name artikel 68 van de CRD IV. |
|
16. |
Noch de GTM-verordening, noch de sanctieverordening van de Raad bevatten bepalingen inzake de bekendmaking van sancties wegens schending van verordeningen en besluiten van de ECB binnen en buiten het kader van toezicht. De Commissie steunt de invoering van een bekendmakingsregeling voor dergelijke sancties en zou voorstander zijn van een benadering die consistent is met de regeling in de GTM-verordening voor schending van rechtstreeks toepasselijk Unierecht. De Commissie zou daarom voorstellen een bekendmakingsregeling voor schending van verordeningen en besluiten van de ECB in het leven te roepen die identiek is aan de regeling voor inbreuken op rechtstreeks toepasselijk Unierecht. |
|
17. |
Om voor overeenstemming te zorgen en een duidelijk en omvattend kader voor bekendmaking van sancties wegens inbreuken op verordeningen en besluiten van de ECB te creëren, zou artikel 1 bis, lid 3, rekening houdend met zowel artikel 18, lid 6, van de GTM-verordening als artikel 68 van CRD IV, als volgt kunnen worden geformuleerd: „De ECB maakt onverwijld op haar officiële website elk besluit bekend waarbij aan een onderneming sancties wegens inbreuken op verordeningen of besluiten van de ECB, in het kader van toezicht en niet in het kader van toezicht, worden opgelegd. Bekendmaking vindt plaats nadat van het besluit is kennisgegeven aan de betrokken onderneming; daarbij wordt informatie verstrekt over het soort en de aard van de inbreuk en de identiteit van de betrokken onderneming, tenzij bekendmaking op deze manier:
In deze omstandigheden worden dergelijke beslissingen op anonieme basis bekendgemaakt. Indien het aannemelijk is dat dergelijke omstandigheden binnen een redelijke termijn voorbij zullen zijn, kan publicatie op basis van dit lid eventueel worden uitgesteld gedurende een dergelijke periode. Indien een beroepsprocedure aanhangig is bij het Hof van Justitie met betrekking tot een besluit, publiceert de ECB tevens onverwijld de status van het betreffende beroep en de uitkomst daarvan op haar officiële website. De ECB zorgt ervoor dat in overeenstemming met dit lid gepubliceerde informatie gedurende ten minste vijf jaar op haar officiële website blijft staan.”. |
|
18. |
Aangezien ten slotte artikel 132 van de GTM-kaderverordenig in een regeling van volledige bekendmaking voorziet voor wat betreft besluiten waarbij aan de betrokken entiteiten administratieve geldboeten wegens inbreuken op rechtstreeks toepasselijk Unierecht en sancties wegens inbreuken op verordeningen of besluiten van de ECB in het kader van toezicht worden opgelegd, zou de Commissie er voorstander van zijn om dit artikel van de GTM-kaderverordening in te trekken voor zover het ook voor inbreuken op verordeningen en besluiten van de ECB geldt, aangezien het na de vaststelling van bovengenoemd artikel geen doel meer zou hebben. |
Opmerkingen over het aanbevolen artikel 4 bis
|
19. |
Het aanbevolen artikel 4 bis, lid 1, zou specifieke regels creëren ten aanzien van de bovengrenzen van sancties die door de ECB kunnen worden opgelegd in geval van schendingen van verordeningen en besluiten van de ECB bij de uitoefening van haar toezichtstaken. Voor de niet-toezichtstaken zouden de bovengrenzen van de bestaande sanctieverordening van de Raad van kracht blijven, terwijl in geval van schending van rechtstreeks toepasselijk Unierecht de bovengrenzen bij artikel 18, lid 1, van de GTM-verordening zijn vastgelegd. |
|
20. |
De ECB beveelt aan dat voor dwangsommen de bovengrens 5 % bedraagt van de gemiddelde dagelijkse omzet per dag dat de niet-naleving voortduurt. Voor geldboeten bedraagt de aanbevolen bovengrens 10 % van de totale jaaromzet. Deze laatste komt overeen met artikel 18, lid 1, van de GTM-verordening. Voor het percentage van 5 % is er evenwel geen precedent in de GTM-verordening en de aanbeveling van de ECB legt niet uit waarom een ander percentage zou moeten worden gekozen. Bijgevolg zouden de redenen voor deze keuze ten minste moeten worden uitgelegd in de overwegingen van de verordening van de Raad. |
|
21. |
Het aanbevolen artikel 4 bis, lid 2, geeft een definitie van jaaromzet die niet overeenstemt met de definities in de artikelen 18, lid 1, van de GTM-verordening en artikel 67, lid 2, onder e), van CRD IV die gelden voor het opleggen van administratieve geldboeten wegens de schending van rechtstreeks toepasselijk Unierecht. Aangezien dergelijke uiteenlopende definities tot verschillende interpretaties zouden kunnen leiden, wil de Commissie voorstellen de bepaling met zowel de GTM-verordening als met CRD IV te laten overeenstemmen: „Voor de toepassing van lid 1 wordt verstaan onder: a) „totale jaaromzet”: de totale netto jaaromzet van een rechtspersoon, met inbegrip van de bruto-inkomsten bestaande uit ontvangen rentebaten en soortgelijke baten, inkomsten uit aandelen en andere niet-vastrentende of vastrentende waardepapieren, en provisie of vergoedingen van de onderneming in het voorgaande boekjaar. Indien de onderneming een dochter is van een moederonderneming zijn de betrokken bruto-inkomsten de bruto-inkomsten in het voorgaande boekjaar die blijken uit de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moederonderneming in de groep die onder toezicht staat van de ECB; b) „gemiddelde dagomzet”: de totale jaaromzet zoals gedefinieerd onder a) en gedeeld door 365.”. |
Opmerkingen over het aanbevolen artikel 4 ter
|
22. |
Het doel van het aanbevolen artikel 4 ter is de besluitvormingsprocedure in het kader van toezicht vast te stellen. Aangezien het van de besluitvormingsprocedures in de bestaande sanctieverordening van de Raad zou afwijken, zou het alleen voor schendingen van verordeningen en besluiten van de ECB (artikel 18, lid 7, GTM-verordening) en niet voor inbreuken op rechtstreeks toepasselijk Unierecht (artikel 18, lid 1, GTM-verordening) gelden. |
|
23. |
De besluitvormingsprocedure voor het opleggen door de ECB van alle administratieve boeten in het kader van toezicht is echter in de GTM-Verordening (met name in de artikelen 26, lid 8, en 24) vastgelegd. Om deze reden lijkt het de Commissie niet zinvol een specifiek artikel dat voor besluitvormingsprocedures geldt in te stellen en wil zij dus voorstellen om artikel 4 ter slechts een declaratoire verwijzing naar de GTM-verordening te laten bevatten. Het artikel zou als volgt kunnen worden verwoord: „In afwijking van artikel 3, leden 1 tot en met 8, worden besluiten van de ECB betreffende schendingen met betrekking tot verordeningen en besluiten van de ECB in het kader van toezicht genomen in overeenstemming met de procedures waarin is voorzien in Verordening (EU) nr. 1024/2013.”. |
|
24. |
Benadrukt moet worden dat een lezing of wijzigingen van artikel 4 ter die een scheiding tussen onderzoeks- en de besluitvormingsbevoegdheden zouden opleggen door de oprichting van, bijvoorbeeld, een onderzoeksteam binnen de ECB niet wettelijk vereist zouden zijn. Besluiten van de ECB tot oplegging van sancties wegens inbreuken op verordeningen en besluiten van de ECB in het kader van toezicht zijn overeenkomstig artikel 261 VWEU juncto artikel 5 van de sanctieverordening van de Raad aan de volledige rechtsmacht van het Hof van Justitie onderworpen omdat artikel 18, lid 7, van de GTM-verordening naar de hele sanctieverordening van de Raad, inclusief artikel 5 ervan, verwijst. De Commissie zou bovendien ernstige twijfels hebben wat betreft de bevoegdheid van de Raad om dergelijke vereisten met betrekking tot de interne organisatie van de ECB op te leggen. |
Opmerkingen over het aanbevolen artikel 4 quater
|
25. |
Het aanbevolen artikel 4 quater stelt bepaalde termijnen vast voor de oplegging van administratieve boeten door de ECB bij de uitoefening van haar toezichtstaken. Het aanbevolen artikel zou van toepassing zijn in geval van inbreuken op rechtstreeks toepasselijk Unierecht en op schendingen van verordeningen en besluiten van de ECB. In het licht van de bovenstaande opmerkingen is de Commissie van mening dat dit artikel niet zou moeten gelden voor inbreuken op rechtstreeks toepasselijk Unierecht behalve inbreuken op verordeningen en besluiten van de ECB. De termijnen voor niet-toezichtsbesluiten van de ECB zijn vermeld in artikel 4 van de huidige sanctieverordening van de Raad. |
|
26. |
De Commissie merkt op dat de aanbevolen bepalingen in hoge mate de artikelen 130 en 131 van het GTM-kaderverordening overlappen en dat de aanbeveling van de ECB geen uitleg bevat over de interactie tussen deze bepalingen en de reden waarom in hoge mate identieke bepalingen van twee verschillende rechtsinstrumenten deel zouden moeten uitmaken. Als de Raad zou besluiten om de aanbevolen bepalingen vast te stellen, zou het naar het oordeel van de Commissie belangrijk zijn de artikelen 130 en 131 van de GTM- kaderverordening in te trekken voor zover zij voor inbreuken op verordeningen en besluiten van de ECB gelden. |
|
27. |
Inhoudelijk is artikel 4 quater duidelijk op artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (4) gebaseerd, maar de formulering moet in een aantal gevallen worden verbeterd. In de eerste plaats moet, mede om discussie over marginale situaties te vermijden, in lid 1 „voortdurende” worden vervangen door „voortdurende of herhaalde niet-naleving”. Om die reden moet artikel 4 quater, lid 1, worden geformuleerd als volgt: „In afwijking van artikel 4 vervalt het recht tot het nemen van een besluit tot oplegging van een sanctie met betrekking tot niet-naleving van besluiten en verordeningen die door de ECB zijn vastgesteld in de uitoefening van haar toezichtstaken vijf jaar nadat de niet-naleving zich heeft voorgedaan of, in een geval van voortdurende of herhaalde niet-naleving, vijf jaar nadat de niet-naleving eindigde.”. |
|
28. |
In de tweede plaats koppelt artikel 4 quater, lid 2, de stuiting van de verjaringstermijn aan „acties” van de ECB waarvan de onder toezicht staande entiteit in kennis wordt gesteld. Het begrip „acties” is echter nogal vaag, omdat het erop zou lijken dat elke maatregel die in het kader van toezicht wordt genomen als „acties” in de zin van dit lid zou kunnen worden beschouwd. Ook het begrip „in kennis stellen” wordt in de verordening niet gedefinieerd, hetgeen tot nog meer rechtsonzekerheid zou kunnen leiden. Naar de mening van de Commissie moet de stuiting van de verjaringstermijn worden gekoppeld aan een objectief moment dat duidelijk kan worden vastgesteld. Dit zou bijvoorbeeld de inleiding van een inbreukprocedure of de formele instelling van een onderzoek kunnen zijn waarvan de betrokken onderneming in kennis wordt gesteld. Dit zou niet alleen meer rechtszekerheid voor de ondernemingen, maar ook voor de ECB zelf met zich brengen. |
|
29. |
De bedoeling van artikel 4 quater, lid 3, is ervoor te zorgen dat in bepaalde situaties de verjaringstermijn in artikel 4 quater automatisch wordt verlengd. Volgens een deel van de bepaling lijkt echter een besluit te moeten worden genomen om de termijnen te verlengen. De formulering van de bepaling moet daarom worden verduidelijkt: „De in de voorgaande leden beschreven termijnen worden automatisch verlengd indien: a) een besluit van de ECB onderworpen is aan toetsing door de Administratieve Raad voor toetsing of juridisch wordt aangevochten bij het Hof van Justitie van de Europese Unie; of b) een strafrechtelijke procedure aanhangig is tegen de betreffende onderneming met betrekking tot dezelfde feiten. In dat geval worden de in de vorige leden beschreven termijnen verlengd met de periode die de Administratieve Raad of het Hof van Justitie nodig heeft om de procedure te beëindigen of totdat de strafrechtelijke procedure tegen de betreffende onderneming is beëindigd.”. |
|
30. |
Het aanbevolen artikel 4 quater, lid 4, regelt de termijnen om betaling af te dwingen of ter handhaving van betalingstermijnen en -voorwaarden. Omdat in artikel 4 quater, lid 2, van „acties” van de ECB sprake is, zou dat tot stuiting van de verjaringstermijn leiden. Er is geen kennisgeving aan de betrokken onderneming vereist voor de verlenging van de verjaringstermijn. Ook hier zou de stuiting van de verjaringstermijn moeten worden gekoppeld aan meer objectieve criteria die voor zowel de ondernemingen als de ECB rechtszekerheid geven. |
|
31. |
Bovendien zou de bepaling moeten worden geherstructureerd om een logische volgorde tot stand te brengen. Zij zou eerst moeten bepalen wat de verjaringstermijn is en wanneer deze termijn ingaat en pas dan bepalen in welke situatie de verjaringstermijn wordt gestuit. De Commissie stelt daarom voor artikel 4 quater, lid 4, als volgt te verwoorden: „Het recht van de ECB tot handhaving van een besluit tot oplegging van een sanctie vervalt vijf jaar nadat de uiterste datum voor de betaling van de opgelegde sanctie is verstreken. Een handeling van de ECB die bedoeld is om betaling af te dwingen of ter handhaving van betalingstermijnen en -voorwaarden op basis van de opgelegde sanctie heeft als gevolg dat de verjaringstermijn voor de handhaving van de sancties wordt gestuit. De verjaringstermijn voor de handhaving van sancties wordt opgeschort als de afdwinging van de betaling is opgeschort ingevolge een besluit van de ECB of van het Hof van Justitie.”. |
|
32. |
De overwegingen moeten worden aangepast in lijn met de voorgestelde wijzigingen van de artikelen van de aanbevolen verordening. |
4. CONCLUSIE
De Commissie geeft hierbij een gunstig advies over de aanbevolen wijzigingen van de sanctieverordening van de Raad, behoudens de wijzigingen als vermeld in de punten 6, 7, 9, 12, 14, 17, 20, 21, 23, 26, 27, 28, 29, 30, 31 en 32 van dit advies. De bijlage bij dit advies bevat de door de Commissie voorgestelde wijzigingen in tabelvorm. Deze tabel moet worden gelezen juncto de tekst van dit advies.
Dit advies wordt aan het Europees Parlement en de Raad gezonden.
Gedaan te Brussel, 18 december 2014.
Voor de Commissie
Jonathan HILL
Lid van de Commissie
(1) PB L 318 van 27.11.1998, blz. 4.
(2) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(3) PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1.
(4) PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.
BIJLAGE
FORMULERINGSVOORSTELLEN
|
Artikel |
Door de ECB aanbevolen tekst |
Door de Commissie voorgestelde wijzigingen |
||||||||
|
1 bis, lid 1 |
|
|
||||||||
|
1 bis, lid 2 |
|
|
||||||||
|
1 bis, lid 3 |
|
|
||||||||
|
4 bis, lid 2 |
|
|
||||||||
|
4 ter, lid 1 |
|
In afwijking van artikel 3, leden 1 tot en met 8, worden besluiten van de ECB betreffende schendingen met betrekking tot verordeningen en besluiten van de ECB in het kader van toezicht genomen in overeenstemming met de procedures waarin is voorzien in Verordening (EU) nr. 1024/2013. |
||||||||
|
4 quater, lid 1 |
|
|
||||||||
|
4 quater, lid 3 |
|
|
||||||||
|
4 quater, lid 4 |
|
|
II Mededelingen
MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Europese Commissie
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/10 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie
(Zaak M.7398 — Mirael/Ferrovial/NDH1)
(Voor de EER relevante tekst)
(2014/C 461/02)
Op 19 november 2014 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:
|
— |
op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector, |
|
— |
in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32014M7398. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving. |
(1) PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/11 |
Inleiding van een procedure
(Zaak M.7292 — DEMB/Mondelēz/Charger OpCo)
(Voor de EER relevante tekst)
(2014/C 461/03)
Op 15 december 2014 heeft de Commissie besloten in bovengenoemde zaak de procedure in te leiden nadat zij heeft vastgesteld dat er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt. De inleiding van de procedure start een tweede fase in het onderzoek naar de aangemelde concentratie, en behoudens de definitieve beschikking in deze zaak. De beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1).
De Commissie verzoekt belanghebbende derden haar hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.
Om met deze opmerkingen in de procedure rekening te kunnen houden dienen deze de Commissie uiterlijk vijftien dagen na dagtekening van deze bekendmaking te hebben bereikt. Zij kunnen de Commissie per fax (+32 22964301) of per post, onder vermelding van referentie nummer M.7292 — DEMB/Mondelēz/Charger OpCo, aan onderstaand adres worden toegezonden:
|
Europese Commissie |
|
Directoraat-generaal Concurrentie |
|
Griffie voor concentraties |
|
1049 Brussel |
|
BELGIË |
(1) PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/12 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie
(Zaak M.7453 — Cutrale/Safra/Chiquita)
(Voor de EER relevante tekst)
(2014/C 461/04)
Op 16 december 2014 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:
|
— |
op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector, |
|
— |
in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32014M7453. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving. |
(1) PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/12 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie
(Zaak M.7413 — Cheung Kong Holdings/Mitsubishi Corporation/JV)
(Voor de EER relevante tekst)
(2014/C 461/05)
Op 15 december 2014 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:
|
— |
op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector, |
|
— |
in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32014M7413. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving. |
(1) PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Raad
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/13 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 12 december 2014
houdende vaststelling van het standpunt van de Raad betreffende de nieuwe ontwerpbegroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015
(2014/C 461/06)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 314, lid 3, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
Overwegende hetgeen volgt:
|
— |
De Commissie heeft op 28 november 2014 een voorstel houdende het nieuwe ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 ingediend (1), |
|
— |
De Raad heeft het voorstel van de Commissie behandeld, teneinde een standpunt vast te stellen dat, ten aanzien van de ontvangsten, in overeenstemming is met Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (2), en, ten aanzien van de uitgaven, met Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (3), |
|
— |
Aangezien het standpunt van de Raad ten aanzien van de nieuwe ontwerpbegroting zo spoedig mogelijk moet worden vastgesteld opdat de begroting definitief kan worden aangenomen vóór het begin van het begrotingsjaar 2015 en aldus de continuïteit van het optreden van de Unie wordt gewaarborgd, is het gerechtvaardigd de in artikel 4 van Protocol nr. 1 vastgestelde periode van acht- weken voor de mededeling aan de nationale parlementen, alsook de in dat artikel vastgestelde periode van tien dagen voor het plaatsen van dit punt op de voorlopige agenda van de Raad, overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het reglement van orde van de Raad in te korten, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Enig artikel
Het standpunt van de Raad ten aanzien van het nieuwe ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 is op 12 december 2014 door de Raad vastgesteld.
De volledige tekst kan worden geraadpleegd op of gedownload van de website van de Raad: http://www.consilium.europa.eu/
Gedaan te Brussel, 12 december 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
S. GIANNINI
(1) COM(2014) 723 final.
(2) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/15 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 12 december 2014
tot vaststelling van het standpunt van de Raad ten aanzien van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014
(2014/C 461/07)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 314, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (1), en met name artikel 41,
Overwegende hetgeen volgt:
|
— |
De begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2014 is definitief vastgesteld op 20 november 2013 (2), |
|
— |
De Commissie heeft op 2 juni 2014 een voorstel ingediend met het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3 bij de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2014, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Enig artikel
Het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 is vastgesteld op 12 december 2014.
De volledige tekst kan worden geraadpleegd op of gedownload van de website van de Raad: http://www.consilium.europa.eu/
Gedaan te Brussel, 12 december 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
S. GIANNINI
(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1 (+ rectificaties in PB L 111 van 15.4.2014, blz. 96, PB L 124 van 25.4.2014, blz. 30 en PB L 322 van 7.11.2014, blz. 1).
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/16 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 12 december 2014
tot vaststelling van het standpunt van de Raad ten aanzien van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014
(2014/C 461/08)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 314, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (1), en met name artikel 41,
Overwegende hetgeen volgt:
|
— |
De begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2014 is definitief vastgesteld op 20 november 2013 (2), |
|
— |
De Commissie heeft op 9 juli 2014 een voorstel ingediend met het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4 bij de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2014, |
|
— |
De Commissie heeft op 16 oktober 2014 een voorstel ingediend met een nota van wijzigingen bij ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4 bij de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2014, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Enig artikel
Het standpunt van de Raad betreffende ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, als gewijzigd bij de nota van wijzigingen, is vastgesteld op 12 december 2014.
De volledige tekst kan worden geraadpleegd op of gedownload van de website van de Raad: http://www.consilium.europa.eu/
Gedaan te Brussel, 12 december 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
S. GIANNINI
(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1 (rectificaties in PB L 111 van 15.4.2014, blz. 96, PB L 124 van 25.4.2014, blz. 30 en PB L 322 van 7.11.2014, blz. 1).
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/17 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 12 december 2014
tot vaststelling van het standpunt van de Raad ten aanzien van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014
(2014/C 461/09)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 314, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (1), en met name artikel 41,
Overwegende hetgeen volgt:
|
— |
De begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2014 is definitief vastgesteld op 20 november 2013 (2), |
|
— |
De Commissie heeft op 8 september 2014 een voorstel ingediend met het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5 bij de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2014, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Enig artikel
Het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 is vastgesteld op 12 december 2014.
De volledige tekst kan worden geraadpleegd op of gedownload van de website van de Raad: http://www.consilium.europa.eu/
Gedaan te Brussel, 12 december 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
S. GIANNINI
(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1 (rectificaties in PB L 111 van 15.4.2014, blz. 96; PB L 124 van 25.4.2014, blz. 30 en PB L 322 van 7.11.2014, blz. 1).
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/18 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 12 december 2014
tot vaststelling van het standpunt van de Raad ten aanzien van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014
(2014/C 461/10)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 314, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (1), en met name artikel 41,
Overwegende hetgeen volgt:
|
— |
De begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2014 is definitief vastgesteld op 20 november 2013 (2), |
|
— |
De Commissie heeft op 17 oktober 2014 een voorstel ingediend met het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6 bij de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2014, |
|
— |
De Commissie heeft op 4 december 2014 een voorstel ingediend met een nota van wijzigingen bij ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6 bij de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2014, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Enig artikel
Het standpunt van de Raad betreffende ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, als gewijzigd bij de nota van wijzigingen, is vastgesteld op 12 december 2014.
De volledige tekst kan worden geraadpleegd op of gedownload van de website van de Raad: http://www.consilium.europa.eu/
Gedaan te Brussel, 12 december 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
S. GIANNINI
(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1 (rectificaties in PB L 111 van 15.4.2014, blz. 96, PB L 124 van 25.4.2014, blz. 30 en PB L 322 van 7.11.2014, blz. 1).
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/19 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 12 december 2014
tot vaststelling van het standpunt van de Raad ten aanzien van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014
(2014/C 461/11)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 314, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (1), en met name artikel 41,
Overwegende hetgeen volgt:
|
— |
De begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2014 is definitief vastgesteld op 20 november 2013 (2), |
|
— |
De Commissie heeft op 17 oktober 2014 een voorstel ingediend met het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7 bij de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2014, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Enig artikel
Het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 is vastgesteld op 12 december 2014.
De volledige tekst kan worden geraadpleegd op of gedownload van de website van de Raad: http://www.consilium.europa.eu/
Gedaan te Brussel, 12 december 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
S. GIANNINI
(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1 (rectificaties in PB L 111 van 15.4.2014, blz. 96, PB L 124 van 25.4.2014, blz. 30 en PB L 322 van 7.11.2014, blz. 1).
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/20 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 12 december 2014
tot vaststelling van het standpunt van de Raad ten aanzien van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014
(2014/C 461/12)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 314, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (1), en met name artikel 41,
Overwegende hetgeen volgt:
|
— |
De begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2014 is definitief vastgesteld op 20 november 2013 (2). |
|
— |
De Commissie heeft op 28 november 2014 een voorstel ingediend met het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8 bij de algemene begroting voor het begrotingsjaar 2014. |
|
— |
Aangezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8 bij de algemene begroting voor 2014 onverwijld moet worden vastgesteld, is het gerechtvaardigd om overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het reglement van orde van de Raad de periode van acht weken voor kennisgeving aan de nationale parlementen als bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1, alsmede de in dat artikel bedoelde periode van tien- dagen voor het plaatsen van het agendapunt op de voorlopige agenda van de Raad, in te korten, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Enig artikel
Het standpunt van de Raad betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 is vastgesteld op 12 december 2014.
De volledige tekst kan worden geraadpleegd op of gedownload van de website van de Raad: http://www.consilium.europa.eu/
Gedaan te Brussel, 12 december 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
S. GIANNINI
(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1 (met rectificaties in PB L 111 van 15.4.2014, blz. 96, PB L 124 van 25.4.2014, blz. 30 en PB L 322 van 7.11.2014, blz. 1).
Europese Commissie
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/21 |
Wisselkoersen van de euro (1)
19 december 2014
(2014/C 461/13)
1 euro =
|
|
Munteenheid |
Koers |
|
USD |
US-dollar |
1,2279 |
|
JPY |
Japanse yen |
146,41 |
|
DKK |
Deense kroon |
7,4391 |
|
GBP |
Pond sterling |
0,78470 |
|
SEK |
Zweedse kroon |
9,4624 |
|
CHF |
Zwitserse frank |
1,2039 |
|
ISK |
IJslandse kroon |
|
|
NOK |
Noorse kroon |
9,0145 |
|
BGN |
Bulgaarse lev |
1,9558 |
|
CZK |
Tsjechische koruna |
27,636 |
|
HUF |
Hongaarse forint |
316,45 |
|
LTL |
Litouwse litas |
3,45280 |
|
PLN |
Poolse zloty |
4,2738 |
|
RON |
Roemeense leu |
4,4738 |
|
TRY |
Turkse lira |
2,8552 |
|
AUD |
Australische dollar |
1,5012 |
|
CAD |
Canadese dollar |
1,4239 |
|
HKD |
Hongkongse dollar |
9,5233 |
|
NZD |
Nieuw-Zeelandse dollar |
1,5789 |
|
SGD |
Singaporese dollar |
1,6147 |
|
KRW |
Zuid-Koreaanse won |
1 349,92 |
|
ZAR |
Zuid-Afrikaanse rand |
14,2467 |
|
CNY |
Chinese yuan renminbi |
7,6400 |
|
HRK |
Kroatische kuna |
7,6660 |
|
IDR |
Indonesische roepia |
15 254,85 |
|
MYR |
Maleisische ringgit |
4,2668 |
|
PHP |
Filipijnse peso |
54,937 |
|
RUB |
Russische roebel |
73,4223 |
|
THB |
Thaise baht |
40,361 |
|
BRL |
Braziliaanse real |
3,2525 |
|
MXN |
Mexicaanse peso |
17,8389 |
|
INR |
Indiase roepie |
77,7322 |
(1) Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/22 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 18 december 2014
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/C 244/06 tot vaststelling van het werkprogramma voor het jaar 2014 over de financiële bijdrage aan de referentielaboratoria van de Europese Unie
(2014/C 461/14)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (1), en met name artikel 32, lid 7,
Gezien Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad (2), en met name artikel 30,
Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (3), en met name artikel 84, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 32 van Verordening (EG) nr. 882/2004 zijn de taken en verantwoordelijkheden van de referentielaboratoria van de Europese Unie (EU-referentielaboratoria) vastgelegd. |
|
(2) |
De EU-referentielaboratoria hebben hun werkprogramma’s voor het jaar 2015 ingediend. Deze werkprogramma’s stemmen overeen met de doelstelling en prioriteiten in het huidige werkprogramma van de Commissie. |
|
(3) |
De begrote bedragen, met name die voor overdraagbare spongiforme encephalopathieën en noodfondsziekten, zijn als gevolg van de diergezondheidssituatie in 2014 niet volledig toegewezen. |
|
(4) |
Als gevolg hiervan kunnen de resterende kredieten voor 2014 worden gebruikt ter financiering van de werkprogramma’s van de EU-referentielaboratoria voor 2015. |
|
(5) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/C 244/06
1. In de titel van Uitvoeringsbesluit 2014/C 244/06 wordt „voor het jaar 2015” vervangen door „voor het jaar 2014”.
2. In overweging 2 wordt „het werkprogramma voor 2015” vervangen door „het werkprogramma voor 2014”.
3. In artikel 1, tweede alinea, wordt „2015” vervangen door „2014”.
4. Artikel 2 wordt vervangen door:
„De maximumbijdrage van het programma voor 2014 dat door de begunstigden in 2015 wordt uitgevoerd, wordt vastgesteld op 15 500 000 EUR, en wordt gefinancierd uit het volgende onderdeel van de algemene begroting van de Europese Unie voor 2014.”.
Artikel 2
Wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/C 244/06
1. In de titel van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/C 244/06 wordt „werkprogramma van de Commissie voor 2015” vervangen door „werkprogramma van de Commissie voor 2014” en wordt „Referentielaboratoria van de Europese Unie — Werkprogramma van de Commissie voor 2015” vervangen door „Referentielaboratoria van de Europese Unie — Werkprogramma van de Commissie voor 2014”.
2. In punt 1.1 „Inleiding”, tweede regel van de eerste alinea, worden de woorden „voor 2015” geschrapt.
3. In punt 1.5 „Prioriteiten”, derde alinea, wordt „niet alleen voor het jaar 2015” vervangen door „niet alleen voor het jaar 2014”.
4. In punt 1.7 „Essentiële criteria”, wordt wat de gunningscriteria betreft, „— Conformiteit met de doelstelling en prioriteiten in het huidige werkprogramma van de Commissie voor het jaar 2015.” vervangen door „— Conformiteit met de doelstelling en prioriteiten in het huidige werkprogramma van de Commissie voor het jaar 2014.”.
Gedaan te Brussel, 18 december 2014.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.
(2) PB L 189 van 27.6.2014, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/24 |
Samenvattingen van de besluiten van de Commissie betreffende vergunningen voor het in de handel brengen voor gebruik en/of het gebruik van stoffen die zijn vastgelegd in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)
(Gepubliceerd overeenkomstig artikel 64, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (1) )
(Voor de EER relevante tekst)
(2014/C 461/15)
Besluiten betreffende de verlening van vergunningen
|
Referentie van het besluit (2) |
Datum van het besluit |
Naam van de stof |
Houder van de vergunning |
Nummer van de vergunning |
Toegestaan gebruik |
Datum van verstrijken van de herbeoordelingstermijn |
Gronden voor het besluit |
|||||||
|
C(2014) 9676 |
18 december 2014 |
dibutylftalaat (DBP) EG-nummer 201-557-4 CAS-nr. 84-74-2 |
|
REACH/14/2/0 |
Het gebruik van DBP als absorptie-oplosmiddel in een gesloten systeem voor de productie van Maleïnezuuranhydride (MA) |
21 februari 2027 |
|
(1) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(2) Het besluit is te vinden op de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/enterprise/sectors/chemicals/reach/authorisation/index_en.htm
V Adviezen
PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK
Europese Commissie
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/25 |
Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van siliciummangaan, van oorsprong uit India
(2014/C 461/16)
De Europese Commissie („de Commissie”) heeft een klacht ontvangen op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), volgens welke de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade lijdt door de invoer met dumping van siliciummangaan, van oorsprong uit India.
1. Klacht
De klacht werd op 10 november 2014 ingediend door het Comité de Liaison des Industries de Ferro-Alliages („Euroalliages” of „de klager”) namens drie producenten in de Unie die samen meer dan 25 % van de totale productie van siliciummangaan in de Unie voor hun rekening nemen.
2. Onderzocht product
Dit onderzoek heeft betrekking op siliciummangaan (waaronder ferrosilicomangaan), hierna „het onderzochte product” genoemd.
3. Bewering dat er sprake is van dumping
Bij het product waarvan beweerd wordt dat het met dumping wordt ingevoerd, gaat het om het onderzochte product van oorsprong uit India („het betrokken land”), momenteel ingedeeld onder GN-codes ex 7202 30 00 en ex 8111 00 11. De GN-codes worden slechts ter informatie vermeld.
De bewering dat het betrokken product met dumping uit India wordt ingevoerd, is gebaseerd op een vergelijking van de binnenlandse prijs met de prijs bij uitvoer (af fabriek) van het onderzochte product wanneer het naar de Unie wordt uitgevoerd.
De aldus berekende dumpingmarges blijken voor het betrokken land aanzienlijk te zijn.
4. Bewering dat er sprake is van schade en oorzakelijk verband
De klager heeft bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de invoer van het onderzochte product uit het betrokken land zowel absoluut als qua marktaandeel is gestegen.
Uit het voorlopige bewijsmateriaal dat de klager heeft verstrekt, blijkt dat de hoeveelheden waarin en de prijzen waartegen het onderzochte product wordt ingevoerd, onder meer een ongunstige invloed hebben gehad op de door de bedrijfstak van de Unie verkochte hoeveelheden en in rekening gebrachte prijzen, wat negatieve gevolgen heeft gehad voor de algemene prestaties, de financiële situatie en de werkgelegenheidssituatie van de bedrijfstak van de Unie.
5. Procedure
Daar de Commissie na kennisgeving aan de lidstaten tot de conclusie is gekomen dat de klacht is ingediend door of namens de bedrijfstak van de Unie en dat er voldoende bewijsmateriaal is om een procedure in te leiden, opent zij hierbij een onderzoek op grond van artikel 5 van de basisverordening.
Bij het onderzoek zal worden vastgesteld of het onderzochte product van oorsprong uit het betrokken land met dumping wordt ingevoerd en of hierdoor schade voor de bedrijfstak van de Unie is ontstaan. Als de conclusies bevestigend zijn, zal in het onderzoek worden nagegaan of het niet tegen het belang van de Unie is maatregelen in te stellen.
5.1. Procedure voor het vaststellen van dumping
Producenten-exporteurs (2) van het onderzochte product uit het betrokken land wordt verocht aan het onderzoek van de Commissie mee te werken.
5.1.1. Onderzoek van producenten-exporteurs
a)
Gezien het mogelijk grote aantal bij deze procedure betrokken producenten-exporteurs in India kan de Commissie, om het onderzoek binnen de wettelijke termijnen af te ronden, haar onderzoek tot een redelijk aantal producenten-exporteurs beperken door een steekproef samen te stellen. De steekproef zal overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening worden uitgevoerd.
Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te stellen, wordt alle producenten-exporteurs, of hun vertegenwoordigers, verzocht contact met de Commissie op te nemen. Zij moeten dat, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen en de Commissie de in bijlage I bij dit bericht verlangde informatie verstrekken.
Om de informatie te verkrijgen die zij voor het samenstellen van de steekproef van producenten-exporteurs nodig acht, zal de Commissie bovendien contact opnemen met de autoriteiten van India en mogelijk ook met haar bekende verenigingen van producenten-exporteurs.
Belanghebbenden die behalve de hierboven vermelde informatie nog andere informatie willen verstrekken die voor de samenstelling van de steekproef van nut kan zijn, moeten dit, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 21 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen.
Indien een steekproef noodzakelijk is, kunnen de producenten-exporteurs worden geselecteerd op basis van het grootste representatieve volume van de uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kan worden onderzocht. De Commissie zal alle haar bekende producenten-exporteurs, de Indiase autoriteiten en de verenigingen van producenten-exporteurs indien nodig via de Indiase autoriteiten, mededelen welke ondernemingen voor de steekproef zijn geselecteerd.
Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek met betrekking tot producenten-exporteurs nodig acht, zal de Commissie een vragenlijst toezenden aan de voor de steekproef geselecteerde producenten-exporteurs, aan de haar bekende verenigingen van producenten-exporteurs en aan de autoriteiten van het betrokken land.
Alle voor de steekproef geselecteerde producenten-exporteurs moeten, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef een ingevulde vragenlijst indienen.
Onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 18 van de basisverordening worden ondernemingen die hebben ingestemd met hun mogelijke opname in de steekproef maar uiteindelijk niet worden geselecteerd, geacht mee te werken („niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs”). Onverminderd punt b) zal het antidumpingrecht dat wordt toegepast op de invoer van de niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs niet hoger zijn dan de gewogen gemiddelde dumpingmarge die is vastgesteld voor de producenten-exporteurs in de steekproef (3).
b)
Niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs kunnen de Commissie uit hoofde van artikel 17, lid 3, van de basisverordening verzoeken om voor hen een individuele dumpingmarge vast te stellen. De producenten-exporteurs die in aanmerking willen komen voor een individuele dumpingmarge, moeten een vragenlijst aanvragen en deze, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef naar behoren ingevuld retourneren. De Commissie zal onderzoeken of hun een individueel recht overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening kan worden toegekend.
Producenten-exporteurs die een individuele dumpingmarge aanvragen, moeten zich er echter van bewust zijn dat de Commissie kan besluiten geen individuele dumpingmarge vast te stellen, bijvoorbeeld als het aantal producenten-exporteurs zo groot is dat individuele onderzoeken te belastend zijn en aan een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg staan.
5.1.2. Onderzoek van niet-verbonden importeurs (4) (5)
Niet-verbonden importeurs die het onderzochte product uit India in de Unie invoeren, wordt verzocht aan dit onderzoek mee te werken.
Gezien het mogelijk grote aantal bij deze procedure betrokken niet-verbonden importeurs kan de Commissie, om het onderzoek binnen de wettelijke termijn te kunnen afronden, haar onderzoek tot een redelijk aantal niet-verbonden importeurs beperken door een steekproef samen te stellen. De steekproef zal overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening worden uitgevoerd.
Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te stellen, wordt alle niet-verbonden importeurs, of hun vertegenwoordigers, verzocht contact met de Commissie op te nemen. Zij moeten dat, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen en de Commissie de in bijlage II bij dit bericht verlangde informatie over hun onderneming of ondernemingen verstrekken.
Om de informatie te verkrijgen die zij voor het samenstellen van de steekproef van niet-verbonden importeurs nodig acht, kan de Commissie ook contact opnemen met haar bekende verenigingen van importeurs.
Belanghebbenden die behalve de hierboven vermelde informatie nog andere informatie willen verstrekken die voor de samenstelling van de steekproef van nut kan zijn, moeten dit, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 21 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen.
Indien een steekproef noodzakelijk is, kunnen de importeurs worden geselecteerd op basis van het grootste representatieve volume van hun verkoop van het onderzochte product in de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kan worden onderzocht. De Commissie zal alle haar bekende niet-verbonden importeurs en verenigingen van importeurs mededelen welke ondernemingen voor de steekproef zijn geselecteerd.
Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig acht, zal de Commissie een vragenlijst toezenden aan de in de steekproef opgenomen niet-verbonden importeurs en aan alle haar bekende verenigingen van importeurs. Deze partijen moeten de ingevulde vragenlijst, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef indienen.
5.2. Procedure voor het vaststellen van schade en onderzoek van producenten in de Unie
De vaststelling van de schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt een objectief onderzoek in van de omvang van de invoer met dumping, de gevolgen daarvan voor de prijzen in de Unie en de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Unie. Teneinde vast te stellen of de bedrijfstak van de Unie schade heeft geleden, wordt de producenten van het onderzochte product in de Unie verzocht aan het onderzoek van de Commissie mee te werken.
Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig acht, zal de Commissie een vragenlijst toezenden aan de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en aan alle haar bekende verenigingen van producenten in de Unie, en met name aan:
|
— |
Eramet Comilog, |
|
— |
OFZ a.s. Istebné, |
|
— |
Italghisa S.p.A, |
|
— |
Ferroatlantica S.L., |
|
— |
Comité de Liaison des Industries de Ferro-Alliages (Euroalliages). |
Deze producenten en de verenigingen van producenten in de Unie moeten de ingevulde vragenlijst, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie indienen.
Alle producenten in de Unie en verenigingen van producenten in de Unie die hierboven niet zijn vermeld, wordt verzocht onmiddellijk, maar in elk geval binnen 15 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie, tenzij anders aangegeven, bij voorkeur per e-mail contact op te nemen met de Commissie en een vragenlijst aan te vragen.
5.3. Procedure voor het beoordelen van het belang van de Unie
Indien wordt vastgesteld dat er inderdaad dumping plaatsvindt en dat daardoor schade wordt veroorzaakt, zal uit hoofde van artikel 21 van de basisverordening een beslissing worden genomen over de vraag of de instelling van antidumpingmaatregelen niet in strijd zou zijn met het belang van de Unie. Producenten in de Unie, importeurs en hun representatieve verenigingen, gebruikers en hun representatieve verenigingen, en representatieve consumentenorganisaties wordt verzocht om, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie contact op te nemen. Om aan het onderzoek deel te nemen, moeten de representatieve consumentenorganisaties binnen dezelfde termijn aantonen dat er een objectieve band is tussen hun activiteiten en het onderzochte product.
Partijen die binnen de genoemde termijn contact opnemen, kunnen de Commissie, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie informatie verstrekken over het belang van de Unie. Zij kunnen deze informatie vormvrij opstellen of een vragenlijst van de Commissie invullen. Met informatie die op grond van artikel 21 wordt verstrekt, wordt alleen rekening gehouden indien daarbij tegelijkertijd het nodige bewijsmateriaal is gevoegd.
5.4. Andere schriftelijke opmerkingen
Alle belanghebbenden wordt hierbij verzocht om onder de voorwaarden van dit bericht hun standpunt kenbaar te maken en informatie en bewijsmateriaal in te dienen. Tenzij anders aangegeven, moeten deze informatie en het bewijsmateriaal uiterlijk 37 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie in het bezit van de Commissie zijn.
5.5. Mogelijkheid om door de onderzoeksdiensten van de Commissie te worden gehoord
Alle belanghebbenden kunnen een verzoek indienen om door de onderzoeksdiensten van de Commissie te worden gehoord. Dit verzoek moet schriftelijk worden ingediend en met redenen worden omkleed. Een verzoek om te worden gehoord over zaken die betrekking hebben op het beginstadium van het onderzoek, moet uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie worden ingediend. Voor een verzoek betreffende de latere stadia van het onderzoek gelden de termijnen die de Commissie in haar correspondentie met de partijen vermeldt.
5.6. Instructies voor schriftelijke opmerkingen en de verzending van ingevulde vragenlijsten en correspondentie
Informatie die aan de Commissie wordt verstrekt in het kader van handelsbeschermingsonderzoeken is vrij van auteursrechten. Alvorens aan de Commissie informatie en/of gegevens te verstrekken waarvoor een auteursrecht van derden geldt, moeten belanghebbenden de houder van het auteursrecht specifiek verzoeken de Commissie uitdrukkelijk toestemming te verlenen om, a) voor deze handelsbeschermingsprocedure gebruik te maken van de informatie en gegevens, en b) de informatie en/of gegevens te verstrekken aan belanghebbenden in dit onderzoek, in een vorm die hun de mogelijkheid biedt hun recht van verweer uit te oefenen.
Alle schriftelijke opmerkingen, met inbegrip van de in dit bericht gevraagde informatie, ingevulde vragenlijsten en correspondentie waarvoor om een vertrouwelijke behandeling wordt verzocht, moeten zijn voorzien van de vermelding „Limited” (6).
Belanghebbenden die informatie met de vermelding „Limited” verstrekken, moeten hiervan krachtens artikel 19, lid 2, van de basisverordening een niet-vertrouwelijke samenvatting indienen, voorzien van de vermelding „For inspection by interested parties”. Deze samenvatting moet gedetailleerd genoeg zijn om een redelijk inzicht te verschaffen in de wezenlijke inhoud van de als vertrouwelijk verstrekte inlichtingen. Als een belanghebbende die vertrouwelijke inlichtingen verstrekt, geen niet-vertrouwelijke samenvatting daarvan indient met de vereiste vorm en inhoud, kan deze informatie buiten beschouwing worden gelaten.
Belanghebbenden wordt verzocht alle opmerkingen en verzoeken met inbegrip van gescande volmachten en certificaten per e-mail in te dienen, met uitzondering van uitgebreide antwoorden, die persoonlijk of per aangetekend schrijven worden ingediend op een cd-rom of dvd. Door e-mail te gebruiken, stemmen belanghebbenden in met de geldende voorschriften inzake elektronisch ingediende opmerkingen, zoals bepaald in het document „CORRESPONDENCE WITH THE EUROPEAN COMMISSION IN TRADE DEFENCE CASES” (Correspondentie met de Europese Commissie in handelsbeschermingszaken) op de website van het directoraat-generaal Handel (http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2011/juni/tradoc_148003.pdf). Belanghebbenden moeten hun naam, adres, telefoonnummer en een geldig e-mailadres vermelden en ervoor zorgen dat het verstrekte e-mailadres een actief, officieel en zakelijk e-mailadres is dat iedere dag wordt gecontroleerd. Zodra contactgegevens zijn verstrekt, verloopt de communicatie van de Commissie met belanghebbenden uitsluitend per e-mail, behalve indien zij er uitdrukkelijk om verzoeken alle documenten van de Commissie via een ander communicatiemiddel te ontvangen, of het document wegens de aard ervan per aangetekend schrijven moet worden verzonden. Voor nadere voorschriften en informatie over de correspondentie met de Commissie, met inbegrip van de beginselen die van toepassing zijn op per e-mail verzonden opmerkingen, moeten belanghebbenden de genoemde instructies over communicatie met belanghebbenden raadplegen.
Correspondentieadres van de Commissie:
|
Europese Commissie |
|
Directoraat-generaal Handel |
|
Directoraat H |
|
Kamer CHAR 04/039 |
|
1049 Brussel |
|
BELGIË |
|
E-mailadres schade: TRADE-AD-SIMN-INJURY@ec.europa.eu |
|
E-mailadres dumping: TRADE-AD-SIMN-DUMPING@ec.europa.eu |
6. Niet-medewerking
Wanneer belanghebbenden geen toegang tot de nodige gegevens verlenen, deze niet binnen de gestelde termijn verstrekken of het onderzoek aanmerkelijk belemmeren, kunnen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening voorlopige of definitieve conclusies worden getrokken aan de hand van de beschikbare gegevens, zowel in positieve als in negatieve zin.
Wanneer blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende inlichtingen heeft verstrekt, kunnen deze buiten beschouwing worden gelaten en kan van de beschikbare gegevens gebruik worden gemaakt.
Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijk medewerking verleent en de bevindingen daarom overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens worden gebaseerd, kan het resultaat voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan indien hij wel medewerking had verleend.
Indien de belanghebbende zijn antwoord niet door middel van systemen voor automatische gegevensverwerking verstrekt, wordt dit niet als het niet-verlenen van medewerking beschouwd, mits deze belanghebbende aantoont dat het verstrekken van het antwoord in de gevraagde vorm voor hem een onredelijke extra belasting zou betekenen of onredelijke extra kosten zou meebrengen. De belanghebbende moet onmiddellijk contact opnemen met de Commissie.
7. Raadadviseur-auditeur
Belanghebbenden kunnen erom vragen dat de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures wordt ingeschakeld. De raadadviseur-auditeur fungeert als tussenpersoon tussen de belanghebbenden en de onderzoeksdiensten van de Commissie. Hij behandelt verzoeken om toegang tot het dossier, geschillen over de vertrouwelijkheid van documenten, verzoeken om termijnverlenging en verzoeken van derden om te worden gehoord. De raadadviseur-auditeur kan een hoorzitting met een individuele belanghebbende beleggen en als bemiddelaar optreden om te garanderen dat de belanghebbenden hun recht van verweer ten volle kunnen uitoefenen.
Een verzoek om door de raadadviseur-auditeur te worden gehoord, moet schriftelijk worden ingediend en met redenen worden omkleed. Een verzoek om te worden gehoord over zaken die betrekking hebben op het beginstadium van het onderzoek, moet uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie worden ingediend. Voor een verzoek betreffende de latere stadia van het onderzoek gelden de termijnen die de Commissie in haar correspondentie met de partijen vermeldt.
De raadadviseur-auditeur kan ook een hoorzitting voor belanghebbenden beleggen waar uiteenlopende standpunten en tegenargumenten naar voren kunnen worden gebracht met betrekking tot kwesties in verband met onder andere dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie. Een dergelijke hoorzitting vindt normaliter uiterlijk aan het einde van de vierde week na de mededeling van de voorlopige bevindingen plaats.
Belanghebbenden die contact willen opnemen, vinden de nodige gegevens en nadere informatie op de pagina’s van de raadadviseur-auditeur op de website van DG Handel (http://ec.europa.eu/trade/trade-policy-and-you/contacts/hearing-officer/index_en.htm).
8. Tijdschema voor het onderzoek
Het onderzoek wordt overeenkomstig artikel 6, lid 9, van de basisverordening uiterlijk 15 maanden na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie afgesloten. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de basisverordening kunnen tot uiterlijk negen maanden na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie voorlopige maatregelen worden ingesteld.
9. Verwerking van persoonsgegevens
Persoonsgegevens die in het kader van dit onderzoek worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (7).
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) Onder producent-exporteur wordt verstaan: een onderneming uit het betrokken land die het onderzochte product produceert en naar de markt van de Unie uitvoert, hetzij rechtstreeks of via derden, met inbegrip van verbonden ondernemingen die betrokken zijn bij de productie, binnenlandse verkoop of uitvoer van het onderzochte product.
(3) Ingevolge artikel 9, lid 6, van de basisverordening wordt geen rekening gehouden met nihilmarges, minimale marges of marges die onder de in artikel 18 van de basisverordening bedoelde omstandigheden zijn vastgesteld.
(4) Uitsluitend importeurs die niet verbonden zijn met de producenten-exporteurs mogen in de steekproef worden opgenomen. Importeurs die met producenten-exporteurs verbonden zijn, moeten bijlage I bij de vragenlijst voor deze producenten-exporteurs invullen. Overeenkomstig artikel 143 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie houdende bepalingen ter uitvoering van het communautaire douanewetboek worden personen slechts geacht te zijn verbonden indien: a) zij functionaris of directeur zijn van elkaars zaken; b) zij door de wettelijke bepalingen worden erkend als in zaken verbonden; c) zij werkgever en werknemer zijn; d) enig persoon, hetzij rechtstreeks of zijdelings, 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of aandelen van beiden bezit, controleert of houdt; e) één van hen de ander, rechtstreeks of zijdelings, controleert; f) beiden, rechtstreeks of zijdelings, worden gecontroleerd door een derde persoon; g) zij samen, rechtstreeks of zijdelings, een derde persoon controleren; of h) zij behoren tot dezelfde familie. Personen worden slechts geacht leden te zijn van dezelfde familie indien zij op een van de volgende wijzen met elkaar bloed- of aanverwant zijn: i) echtgenoot en echtgenote, ii) ouder en kind, iii) broers en zusters (of halfbroers en halfzusters), iv) grootouder en kleinkind, v) oom of tante en neef of nicht (oomzeggers), vi) schoonouder en schoondochter of schoonzoon, vii) zwagers en schoonzusters (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1). In deze context worden onder persoon zowel natuurlijke als rechtspersonen verstaan.
(5) Gegevens die door niet-verbonden importeurs zijn verstrekt, mogen ook worden gebruikt voor andere aspecten van dit onderzoek dan het vaststellen van dumping.
(6) Een „Limited”-document wordt als vertrouwelijk in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51) en artikel 6 van de WTO-overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 (Antidumpingovereenkomst) beschouwd. Het is ook een beschermd document krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(7) PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
BIJLAGE I
BIJLAGE II
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/35 |
Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet), van oorsprong uit India
(2014/C 461/17)
De Europese Commissie („de Commissie”) heeft een klacht ontvangen op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), volgens welke de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade lijdt door de invoer met dumping van buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet), van oorsprong uit India.
1. Klacht
De klacht werd op 10 november 2014 ingediend door Saint-Gobain PAM, Saint-Gobain PAM Deutschland GmbH and Saint-Gobain PAM España SA („de klagers”) namens producenten die samen meer dan 25 % van de totale productie van buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) in de Unie vertegenwoordigen.
2. Onderzocht product
Dit onderzoek heeft betrekking op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet), hierna „het onderzochte product” genoemd.
3. Bewering dat er sprake is van dumping
De klacht heeft betrekking op het onderzochte product, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7303 00 10 en ex 7303 00 90, van oorsprong uit India („het betrokken land”). Deze GN-codes worden slechts ter informatie vermeld.
De bewering dat het betrokken product met dumping uit het betrokken land wordt ingevoerd, is gebaseerd op een vergelijking van de binnenlandse prijs met de prijs bij uitvoer (af fabriek) van het onderzochte product wanneer het naar de Unie wordt uitgevoerd.
De aldus berekende dumpingmarges blijken voor het betrokken land aanzienlijk te zijn.
4. Bewering dat er sprake is van schade en oorzakelijk verband
De klagers hebben bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de invoer van het onderzochte product uit het betrokken land zowel absoluut als qua marktaandeel is gestegen.
Uit het door de klagers verstrekte voorlopige bewijsmateriaal blijkt dat de hoeveelheden waarin en de prijzen waartegen het onderzochte product wordt ingevoerd, onder meer een ongunstige invloed hebben gehad op de verkochte hoeveelheden, de in rekening gebrachte prijzen en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, wat negatieve gevolgen heeft gehad voor de algemene prestaties en de werkgelegenheidssituatie van de bedrijfstak van de Unie.
5. Procedure
Daar de Commissie na kennisgeving aan de lidstaten tot de conclusie is gekomen dat de klacht is ingediend door of namens de bedrijfstak van de Unie en dat er voldoende bewijsmateriaal is om een procedure in te leiden, opent zij hierbij een onderzoek op grond van artikel 5 van de basisverordening.
Bij het onderzoek zal worden vastgesteld of het onderzochte product van oorsprong uit het betrokken land met dumping wordt ingevoerd en of hierdoor schade voor de bedrijfstak van de Unie is ontstaan. Als de conclusies bevestigend zijn, zal in het onderzoek worden nagegaan of het niet tegen het belang van de Unie is maatregelen in te stellen.
5.1. Procedure voor het vaststellen van dumping
Producenten-exporteurs (2) van het onderzochte product uit het betrokken land worden uitgenodigd aan het onderzoek van de Commissie mee te werken.
5.1.1. Onderzoek van de producenten-exporteurs
a)
Gezien het mogelijk grote aantal bij deze procedure betrokken producenten-exporteurs in het betrokken land kan de Commissie, om het onderzoek binnen de wettelijke termijnen af te ronden, haar onderzoek tot een redelijk aantal producenten-exporteurs beperken door een steekproef samen te stellen. De steekproef zal overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening worden uitgevoerd.
Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te stellen, wordt alle producenten-exporteurs, of hun vertegenwoordigers, verzocht contact met de Commissie op te nemen. Zij moeten dat, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen en de Commissie de in bijlage I bij dit bericht verlangde informatie verstrekken.
Om de informatie te verkrijgen die zij voor het samenstellen van de steekproef van producenten-exporteurs nodig acht, zal de Commissie bovendien contact opnemen met de autoriteiten van het betrokken land en mogelijk ook met haar bekende verenigingen van producenten-exporteurs.
Belanghebbenden die behalve de hierboven vermelde informatie nog andere informatie willen verstrekken die voor de samenstelling van de steekproef van nut kan zijn, moeten dit, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 21 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen.
Indien een steekproef noodzakelijk is, kunnen de producenten-exporteurs worden geselecteerd op basis van het grootste representatieve volume van de uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kan worden onderzocht. De Commissie zal alle haar bekende producenten-exporteurs, de autoriteiten van het betrokken land en de verenigingen van producenten-exporteurs, indien nodig via de autoriteiten van het betrokken land, mededelen welke ondernemingen voor de steekproef zijn geselecteerd.
Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek met betrekking tot producenten-exporteurs nodig acht, zal de Commissie een vragenlijst toezenden aan de voor de steekproef geselecteerde producenten-exporteurs, aan de haar bekende verenigingen van producenten-exporteurs en aan de autoriteiten van het betrokken land.
Alle voor de steekproef geselecteerde producenten-exporteurs moeten, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef een ingevulde vragenlijst indienen.
Onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 18 van de basisverordening zullen ondernemingen die hebben ingestemd met hun mogelijke opname in de steekproef maar uiteindelijk niet worden geselecteerd, worden geacht mee te werken („niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs”). Onverminderd punt b) zal het antidumpingrecht dat wordt toegepast op de invoer van de niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs niet hoger zijn dan de gewogen gemiddelde dumpingmarge die is vastgesteld voor de producenten-exporteurs in de steekproef (3).
b)
Niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs kunnen de Commissie uit hoofde van artikel 17, lid 3, van de basisverordening verzoeken om voor hen een individuele dumpingmarge vast te stellen („individuele dumpingmarge”). De producenten-exporteurs die om een individuele dumpingmarge willen verzoeken, moeten een vragenlijst aanvragen en deze, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef naar behoren ingevuld terugzenden. De Commissie zal onderzoeken of hun een individueel recht overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening kan worden toegekend.
Producenten-exporteurs die een individuele dumpingmarge aanvragen, moeten zich er echter van bewust zijn dat de Commissie kan besluiten geen individuele dumpingmarge vast te stellen, bijvoorbeeld als het aantal producenten-exporteurs zo groot is dat individuele onderzoeken te belastend zijn en aan een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg staan.
5.1.2. Onderzoek van niet-verbonden importeurs (4) (5)
Niet-verbonden importeurs die het onderzochte product uit het betrokken land in de Unie invoeren, worden uitgenodigd aan dit onderzoek mee te werken.
Gezien het mogelijk grote aantal bij deze procedure betrokken niet-verbonden importeurs kan de Commissie, om het onderzoek binnen de wettelijke termijn te kunnen afronden, haar onderzoek tot een redelijk aantal niet-verbonden importeurs beperken door een steekproef samen te stellen. De steekproef zal overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening worden uitgevoerd.
Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te stellen, wordt alle niet-verbonden importeurs, of hun vertegenwoordigers, verzocht contact met de Commissie op te nemen. Zij moeten dat, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen en de Commissie de in bijlage II bij dit bericht verlangde informatie verstrekken.
Om de informatie te verkrijgen die zij voor het samenstellen van de steekproef van niet-verbonden importeurs nodig acht, kan de Commissie ook contact opnemen met haar bekende verenigingen van importeurs.
Belanghebbenden die behalve de hierboven vermelde informatie nog andere informatie willen verstrekken die voor de samenstelling van de steekproef van nut kan zijn, moeten dit, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 21 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie doen.
Indien een steekproef noodzakelijk is, kunnen de importeurs worden geselecteerd op basis van het grootste representatieve volume van hun verkoop van het onderzochte product in de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kan worden onderzocht. De Commissie zal alle haar bekende niet-verbonden importeurs en verenigingen van importeurs mededelen welke ondernemingen voor de steekproef zijn geselecteerd.
Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig acht, zal de Commissie een vragenlijst toezenden aan de in de steekproef opgenomen niet-verbonden importeurs en aan alle haar bekende verenigingen van importeurs. Deze partijen moeten de ingevulde vragenlijst, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van kennisgeving van de samenstelling van de steekproef indienen.
5.2. Procedure voor het vaststellen van schade en onderzoek van producenten in de Unie
De vaststelling van de schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt een objectief onderzoek in van de omvang van de invoer met dumping, de gevolgen daarvan voor de prijzen in de Unie en de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Unie. Teneinde vast te stellen of de bedrijfstak van de Unie schade heeft geleden, worden de producenten van het onderzochte product in de Unie uitgenodigd aan het onderzoek van de Commissie mee te werken.
Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek met betrekking tot de producenten in de Unie nodig acht, zal de Commissie vragenlijsten toezenden aan de haar bekende producenten in de Unie of vertegenwoordigers van producenten in de Unie en aan alle haar bekende verenigingen van producenten in de Unie, en met name aan:
|
— |
Saint-Gobain PAM |
|
— |
Saint-Gobain PAM Deutschland GmbH |
|
— |
Saint-Gobain PAM España S.A. |
|
— |
Duktus Rohrsysteme Wetzlar GmbH |
|
— |
Tiroler Rohre GmbH |
|
— |
Jindal Saw Italia SPA |
Deze producenten in de Unie en de verenigingen van producenten in de Unie moeten de ingevulde vragenlijst, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie indienen.
Alle niet hiervoor vermelde producenten in de Unie en verenigingen van producenten in de Unie worden uitgenodigd onmiddellijk, maar in elk geval uiterlijk 15 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie, tenzij anders aangegeven, bij voorkeur per e-mail contact op te nemen met de Commissie en een vragenlijst op te vragen.
5.3. Procedure voor het beoordelen van het belang van de Unie
Indien wordt vastgesteld dat er inderdaad dumping plaatsvindt en dat daardoor schade wordt veroorzaakt, zal uit hoofde van artikel 21 van de basisverordening een beslissing worden genomen over de vraag of instelling van antidumpingmaatregelen niet in het belang van de Unie zou zijn. Producenten in de Unie, importeurs en hun representatieve verenigingen, gebruikers en hun representatieve verenigingen, en representatieve consumentenorganisaties worden derhalve uitgenodigd om, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie contact op te nemen. Om aan het onderzoek deel te nemen, moeten de representatieve consumentenorganisaties binnen dezelfde termijn aantonen dat er een objectieve band is tussen hun activiteiten en het onderzochte product.
Partijen die binnen de genoemde termijn contact opnemen, kunnen de Commissie, tenzij anders aangegeven, uiterlijk 37 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie informatie verstrekken over het belang van de Unie. Zij kunnen deze informatie vormvrij opstellen of een vragenlijst van de Commissie invullen. Met informatie die wordt verstrekt, wordt alleen rekening gehouden indien daarbij tegelijkertijd het nodige bewijsmateriaal is gevoegd.
5.4. Andere schriftelijke opmerkingen
Alle belanghebbenden worden hierbij uitgenodigd om onder de voorwaarden van dit bericht hun standpunt kenbaar te maken en informatie en bewijsmateriaal in te dienen. Tenzij anders aangegeven, moeten deze informatie en het bewijsmateriaal uiterlijk 37 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie in het bezit van de Commissie zijn.
5.5. Mogelijkheid om door de onderzoeksdiensten van de Commissie te worden gehoord
Alle belanghebbenden die zich bekend hebben gemaakt binnen de hierboven genoemde termijnen kunnen een verzoek indienen om door de onderzoeksdiensten van de Commissie te worden gehoord. Dit verzoek moet schriftelijk worden ingediend en met redenen worden omkleed. Een verzoek om te worden gehoord over zaken die betrekking hebben op het beginstadium van het onderzoek, moet uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie worden ingediend. Voor een verzoek betreffende de latere stadia van het onderzoek gelden de termijnen die de Commissie in haar correspondentie met de partijen vermeldt.
5.6. Instructies voor schriftelijke opmerkingen en de verzending van ingevulde vragenlijsten en correspondentie
Informatie die aan de Commissie wordt verstrekt in het kader van handelsbeschermingsonderzoeken is vrij van auteursrechten. Alvorens aan de Commissie informatie en/of gegevens te verstrekken die onderworpen zijn aan het auteursrecht van derden, moeten belanghebbenden de houder van het auteursrecht specifiek verzoeken de Commissie uitdrukkelijk toestemming te verlenen om a) voor deze handelsbeschermingsprocedure gebruik te maken van de informatie en gegevens en b) de informatie en/of gegevens te verstrekken aan belanghebbenden in dit onderzoek, in een vorm die hun de mogelijkheid biedt hun recht van verweer uit te oefenen.
Alle schriftelijke opmerkingen, met inbegrip van de in dit bericht gevraagde informatie, ingevulde vragenlijsten en correspondentie waarvoor om een vertrouwelijke behandeling wordt verzocht, moeten zijn voorzien van de vermelding „Limited” (6).
Belanghebbenden die informatie met de vermelding „Limited” verstrekken, moeten hiervan krachtens artikel 19, lid 2, van de basisverordening een niet-vertrouwelijke samenvatting indienen, voorzien van de vermelding „For inspection by interested parties”. Deze samenvatting moet gedetailleerd genoeg zijn om een redelijk inzicht te verschaffen in de wezenlijke inhoud van de als vertrouwelijk verstrekte inlichtingen. Als een belanghebbende die vertrouwelijke inlichtingen verstrekt, geen niet-vertrouwelijke samenvatting daarvan indient met de vereiste vorm en inhoud, kan deze vertrouwelijke informatie buiten beschouwing worden gelaten.
Belanghebbenden wordt verzocht alle opmerkingen en verzoeken met inbegrip van gescande volmachten en certificaten per e-mail in te dienen, met uitzondering van uitgebreide antwoorden, die persoonlijk of per aangetekend schrijven worden ingediend op een cd-rom of dvd. Door e-mail te gebruiken, stemmen belanghebbenden in met de geldende voorschriften inzake elektronisch ingediende opmerkingen, zoals bepaald in het document „CORRESPONDENCE WITH THE EUROPEAN COMMISSION IN TRADE DEFENCE CASES” (Correspondentie met de Europese Commissie in handelsbeschermingszaken) op de website van het Directoraat-Generaal Handel: http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2011/june/tradoc_148003.pdf Belanghebbenden moeten hun naam, adres, telefoon en een geldig e-mailadres vermelden en ervoor zorgen dat het verstrekte e-mailadres een actief, officieel en zakelijk e-mailadres is dat iedere dag wordt gecontroleerd. Zodra contactgegevens zijn verstrekt, verloopt de communicatie van de Commissie met belanghebbenden uitsluitend per e-mail, behalve indien zij er uitdrukkelijk om verzoeken alle documenten van de Commissie via een ander communicatiemiddel te ontvangen, of het document wegens de aard ervan per aangetekend schrijven moet worden verzonden. Voor nadere voorschriften en informatie over de correspondentie met de Commissie, met inbegrip van de beginselen die van toepassing zijn op per e-mail verzonden opmerkingen, moeten belanghebbenden de genoemde instructies over communicatie met belanghebbenden raadplegen.
Correspondentieadres van de Commissie:
|
Europese Commissie |
|||
|
Directoraat-generaal Handel |
|||
|
Directoraat H |
|||
|
Kamer CHAR 04/039 |
|||
|
1040 Brussel |
|||
|
BELGIË |
|||
|
6. Niet-medewerking
Wanneer belanghebbenden geen toegang tot de nodige gegevens verlenen, deze niet binnen de gestelde termijn verstrekken of het onderzoek aanmerkelijk belemmeren, kunnen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening voorlopige of definitieve conclusies worden getrokken aan de hand van de beschikbare gegevens, zowel in positieve als in negatieve zin.
Wanneer blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende inlichtingen heeft verstrekt, kunnen deze buiten beschouwing worden gelaten en kan van de beschikbare gegevens gebruik worden gemaakt.
Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijk medewerking verleent en de bevindingen daarom overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens worden gebaseerd, kan het resultaat voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan indien hij wel medewerking had verleend.
Indien de belanghebbende zijn antwoord niet door middel van systemen voor automatische gegevensverwerking verstrekt, wordt dit niet als het niet-verlenen van medewerking beschouwd, mits deze belanghebbende aantoont dat het verstrekken van het antwoord in de gevraagde vorm voor hem een onredelijke extra belasting zou betekenen of onredelijke extra kosten zou meebrengen. De belanghebbende moet onmiddellijk contact opnemen met de Commissie.
7. Raadadviseur-auditeur
Belanghebbenden kunnen erom vragen dat de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures wordt ingeschakeld. De raadadviseur-auditeur fungeert als tussenpersoon tussen de belanghebbenden en de onderzoeksdiensten van de Commissie. Hij behandelt verzoeken om toegang tot het dossier, geschillen over de vertrouwelijkheid van documenten, verzoeken om termijnverlenging en verzoeken van derden om te worden gehoord. De raadadviseur-auditeur kan een hoorzitting met een individuele belanghebbende beleggen en als bemiddelaar optreden om te garanderen dat de belanghebbenden hun recht van verweer ten volle kunnen uitoefenen.
Een verzoek om door de raadadviseur-auditeur te worden gehoord, moet schriftelijk worden ingediend en met redenen worden omkleed. Een verzoek om te worden gehoord over zaken die betrekking hebben op het beginstadium van het onderzoek, moet uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie worden ingediend. Voor een verzoek betreffende de latere stadia van het onderzoek gelden de termijnen die de Commissie in haar correspondentie met de partijen vermeldt.
De raadadviseur-auditeur kan ook een hoorzitting voor belanghebbenden beleggen waar uiteenlopende standpunten en tegenargumenten naar voren kunnen worden gebracht met betrekking tot kwesties in verband met onder andere dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie. Een dergelijke hoorzitting vindt normaliter uiterlijk aan het einde van de vierde week na de mededeling van de voorlopige bevindingen plaats.
Belanghebbenden die contact willen opnemen, vinden de nodige gegevens en nadere informatie op de pagina’s van de raadadviseur-auditeur op de website van DG Handel: http://ec.europa.eu/trade/trade-policy-and-you/contacts/hearing-officer/
8. Tijdschema voor het onderzoek
Het onderzoek wordt overeenkomstig artikel 6, lid 9, van de basisverordening uiterlijk 15 maanden na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie afgesloten. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de basisverordening kunnen tot uiterlijk negen maanden na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie voorlopige maatregelen worden ingesteld.
9. Verwerking van persoonsgegevens
Persoonsgegevens die in het kader van dit onderzoek worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (7).
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) Onder producent-exporteur wordt verstaan een onderneming uit het betrokken land die het onderzochte product vervaardigt en naar de markt van de Unie uitvoert, hetzij rechtstreeks hetzij via derden, met inbegrip van zijn verbonden ondernemingen die betrokken zijn bij de productie, binnenlandse verkoop of uitvoer van het onderzochte product.
(3) Ingevolge artikel 9, lid 6, van de basisverordening wordt geen rekening gehouden met nihilmarges, minimale marges of marges die onder de in artikel 18 van de basisverordening bedoelde omstandigheden zijn vastgesteld.
(4) Uitsluitend importeurs die niet verbonden zijn met de producenten-exporteurs mogen in de steekproef worden opgenomen. Importeurs die met producenten-exporteurs verbonden zijn, moeten bijlage 1 bij de vragenlijst voor deze producenten-exporteurs invullen. Overeenkomstig artikel 143 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie houdende bepalingen ter uitvoering van het communautaire douanewetboek worden personen slechts geacht te zijn verbonden indien: a) zij functionaris of directeur zijn van elkaars zaken; b) zij door de wettelijke bepalingen worden erkend als in zaken verbonden; c) zij werkgever en werknemer zijn; d) enig persoon, hetzij rechtstreeks of zijdelings, 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of aandelen van beiden bezit, controleert of houdt; e) één van hen de ander, rechtstreeks of zijdelings, controleert; f) beiden, rechtstreeks of zijdelings, worden gecontroleerd door een derde persoon; g) zij samen, rechtstreeks of zijdelings, een derde persoon controleren; of h) zij behoren tot dezelfde familie. Personen worden slechts geacht leden te zijn van dezelfde familie indien zij op een van de volgende wijzen met elkaar bloed- of aanverwant zijn: i) echtgenoot en echtgenote, ii) ouder en kind, iii) broers en zusters (of halfbroers en halfzusters), iv) grootouder en kleinkind, v) oom of tante en neef of nicht (oomzeggers), vi) schoonouder en schoondochter of schoonzoon, vii) zwagers en schoonzusters (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1). In deze context worden onder persoon zowel natuurlijke als rechtspersonen verstaan.
(5) Gegevens die door niet-verbonden importeurs zijn verstrekt, mogen ook worden gebruikt voor andere aspecten van dit onderzoek dan het vaststellen van dumping.
(6) Een „Limited”-document wordt als vertrouwelijk in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51) en artikel 6 van de WTO-overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 (Antidumpingovereenkomst) beschouwd. Het is ook een beschermd document krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(7) PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
BIJLAGE I
BIJLAGE II
PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID
Europese Commissie
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/45 |
Voorafgaande aanmelding van een concentratie
(Zaak M.7474 — QIA/BPP/Songbird)
Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak
(Voor de EER relevante tekst)
(2014/C 461/18)
|
1. |
Op 15 december 2014 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Qatar Investment Authority („QIA”, Qatar) en Brookfield Property Partners LP „BPP”, Bermuda) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening de gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over Songbird Estates plc („Songbird”, Verenigd Koninkrijk) door een openbaar bod. |
|
2. |
De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:
|
|
3. |
Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de Mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2). |
|
4. |
De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken. Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (+32 22964301), via e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer M.7474 — QIA/BPP/Songbird, aan onderstaand adres worden toegezonden:
|
(1) PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).
(2) PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.
ANDERE HANDELINGEN
Europese Commissie
|
20.12.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 461/46 |
Bekendmaking van een aanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen
(2014/C 461/19)
Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1) bezwaar aan te tekenen tegen de aanvraag.
ENIG DOCUMENT
VERORDENING (EG) Nr. 510/2006 VAN DE RAAD
inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (2)
„PASTEL DE CHAVES”
EG-nr. PT-PGI-0005-1126-2.7.2013
BGA ( X ) BOB ( )
1. Naam
„Pastel de Chaves”
2. Lidstaat of derde land
Portugal
3. Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel
3.1. Productcategorie
Categorie 2.3. Brood, gebak, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren
3.2. Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is
„Pastel de Chaves” is een saucijzenbroodje in de vorm van een halve maan. Hij bestaat uit fijn bladerdeeg met een vulling op basis van kalfsgehakt. Hij is verkrijgbaar in twee groottes, gebakken of ingevroren, en heeft de hieronder beschreven fysieke en sensorische kenmerken.
Tabel 1
Minimale en maximale waarden van elk van de fysieke parameters voor de beide grootten van „Pastel de Chaves”
|
|
Pastel de Chaves |
Pastel de Chaves (borrelformaat) |
||
|
Min. |
Max. |
Min. |
Max. |
|
|
Lengte (cm) |
12 |
14 |
8 |
9 |
|
Breedte (cm) |
6 |
8,5 |
5 |
6 |
|
Hoogte (cm) |
3 |
4,5 |
2 |
3 |
|
Gewicht (g) |
60 |
90 |
20 |
30 |
Tabel 2
Sensorische kenmerken
|
Buitenkant |
Saucijzenbroodje van bladerdeeg in de vorm van een halve maan. De bovenzijde is bol over de hele lengte. Dit komt omdat tijdens het bakken het bladerdeeg opzwelt. Na het bakken heeft het broodje een niet-homogene, donkergele tot goudbruine kleur. |
|
Binnenkant |
Bij een verticale doorsnede zien we deeg dat uit zeer dunne bladeren bestaat, wat het product zijn fijne gelaagde structuur geeft. Bovenaan heeft het deeg een goudbruine kleur die contrasteert met de kleur aan de onderkant. Het aanwezige gehakt zorgt ervoor dat de onderzijde enigszins donker van kleur en vochtig is. Binnen in het product heeft de vulling een heterogene samenstelling als gevolg van de verschillende ingrediënten, waaronder stukjes vlees en ui. |
|
Textuur |
Het stevige en knapperige bladerdeeg contrasteert sterk met de compacte, zachte, vochtige, sappige vulling die smelt op de tong. |
|
Smaak |
Het product wordt gekenmerkt door een smaak en aroma die het gevolg zijn van een combinatie van kenmerken van het gehakt. Deze smaak en dit aroma worden gedeeltelijk aan het bladerdeeg overgedragen door de sappen die tijdens het bakken vrijkomen. In de mond is het bladerdeeg zowel knapperig als smeuïg en smelt het op de tong; de vulling is zacht, smeuïg, vochtig en aromatisch met toetsen van kalfsvlees, olijfolie en ui. |
3.3. Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong)
—
3.4. Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden
Dit proces vereist vakbekwaamheid om te bepalen hoe een zo stevig en soepel mogelijke vulling kan worden verkregen. Daarbij gaat de banketbakker proefondervindelijk te werk op basis van zijn kennis en ervaring.
Bereiden van het deeg, en vullen en vormgeving van het saucijzenbroodje
Deze productiefasen tonen bij uitstek de vakkennis van de banketbakkers. Om broodjes van gelijke afmetingen in de vorm van een halve maan met dezelfde kenmerken (fijn bladerdeeg, stevige en knapperige textuur) te krijgen, is uitzonderlijke handigheid en bedrevenheid nodig.
Nadat „Pastel de Chaves” zijn halvemaanvorm heeft gekregen, kan hij onmiddellijk worden ingevroren. Dit proces vindt plaats in de bakkerij, zodat elke onnodige behandeling wordt vermeden en het gevaar van microbiologische verontreiniging wordt beperkt.
3.5. Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken enz.
—
3.6. Specifieke voorschriften betreffende de etikettering
Het product moet, ongeacht de wijze waarop het in de handel wordt aangeboden, voorzien zijn van een etiket met:
|
— |
de vermelding „Pastel de Chaves — Beschermde geografische aanduiding” of „Pastel de Chaves BGA”; |
|
— |
het logo van „Pastel de Chaves”: |
4. Beknopte beschrijving van het afgebakende geografische gebied
Gemeente („Concelho”) Chaves.
5. Verband met het geografische gebied
5.1. Specificiteit van het geografische gebied
Vanaf 1862 tot nu heeft de kennis over de productie van „Pastel de Chaves” zich nooit tot buiten de gemeentegrenzen uitgebreid.
Nog niet zo lang geleden was het dal van Chaves moeilijk toegankelijk, waardoor deze kennis tot de streek van oorsprong beperkt is gebleven.
Deze werkelijkheid houdt rechtstreeks verband met de geschiedenis. Meer dan 75 jaar werd het product slechts door één bakkerij gemaakt, namelijk Casa do Antigo Pasteleiro, waar zich nog steeds de oorspronkelijke oven bevindt. Pas in de jaren veertig stuiten we in lokale publicaties op enkele aanwijzingen waaruit blijkt dat de productie van het geheimzinnige saucijzenbroodje niet langer aan één bakkerij is voorbehouden, maar symbool wordt voor het banketbakkersambacht in Chaves. Bij het lezen van bepaalde advertenties waarin staat dat het broodje na betaling van de bestelling in het hele land kan worden geleverd (Almanaque de Chaves, 1949), is het zonneklaar dat Pastel de Chaves een belangrijk nationaal product is geworden.
In de gemeente Chaves zijn ook schriftelijke en mondelinge bronnen die aangeven dat het broodje in 1862 het levenslicht zag in de bakkerij van Dona Teresa Feliz Barreira (Notícias de Chaves, jaar XXXVII — nr. 1921 van 22 apri1 l987). Dit product is ontstaan uit een traditie en kennis die tot op de dag van vandaag van generatie op generatie is doorgegeven. Het is in dit verband interessant op te merken dat de naam van het broodje overeenkomt met de naam van het geografische productiegebied en dat in geen enkele plaats in de buurt van Chaves ooit een soortgelijk product is bereid. Ook is het product nooit nagemaakt. Gedurende 150 jaar hebben de lokale banketbakkers geleerd hoe zij het deeg en de vulling van dit saucijzenbroodje, waarvan de reputatie onlosmakelijk met de streek van oorsprong is verbonden, moeten bereiden.
5.2. Specificiteit van het product
„Pastel de Chaves” onderscheidt zich van andere bakkerswaren door zijn halvemaanvorm, met fijn knapperig bladerdeeg dat met de hand en op ambachtelijke wijze is bereid, en door zijn compacte, zachte, vochtige, sappige vulling die smelt op de tong.
De productiemethode die wordt gebruikt voor het verkrijgen van het dunne en verfijnde deeg en de vulling met stukjes vlees en ui die worden samengehouden door het brood, is gebaseerd op de knowhow die de bakkers van Chaves in de loop der jaren hebben ontwikkeld.
Deze kennis komt in de eerste plaats tot uiting in de geheel eigen wijze van deegbereiding. Het deeg wordt driemaal uitgerold, ingesmeerd en gevouwen totdat er een cilinder ontstaat die in plakjes van 2 à 3 cm kan worden gesneden. Om broodjes van gelijke afmetingen te krijgen die worden gekenmerkt door fijn bladerdeeg en een stevige en knapperige textuur, is uitzonderlijke handigheid en bedrevenheid nodig.
Hetzelfde geldt in de tweede plaats voor de bereiding van de vulling, waarbij het gaar gekookte vlees en brood van harde tarwe worden samengevoegd. Het brood wordt vooraf verkruimeld zodat er een zachte maar stevige vulling ontstaat. Dit proces bepaalt de uiteindelijke kwaliteit en de aanblik van het broodje dat dankzij de werking van het brood een bijzonder homogeen mengsel van stukjes vlees en ui bevat.
Ten derde komt deze kennis tot uitdrukking in de uiterst zorgvuldige bewerking van het deeg, dat een fundamentele rol speelt in de vormgeving van het broodje. Het deeg verschaft de vulling de specifieke aanblik (buiten- en binnenkant), consistentie, smaak en textuur, die van dit zoute broodje absoluut een uniek banketbakkersproduct maken.
„Pastel de Chaves” verkrijgt zijn specifieke karakter dankzij de kennis die wordt gebruikt bij de bereiding van de vulling en het deeg en bij de vormgeving van het product.
5.3. Causaal verband tussen het geografische gebied en de kwaliteit of de kenmerken van het product (voor een BOB) dan wel een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk van het product (voor een BGA)
„Pastel de Chaves” vloeit rechtstreeks voort uit de kennis die nodig is voor de bereiding van de vulling en het bladerdeeg. Zijn ontstaansgeschiedenis gaat terug tot 1862. In dat jaar trok een onbekende verkoper door de stad met een mand met broodjes met een vreemde vorm. Hij had er echter niet genoeg bij zich om de eetlust van de stadsbewoners te stillen. Om de schaarste te lijf te gaan en de plaatselijke bevolking tegemoet te komen, zou Dona Teresa Feliz Barriera, oprichtster van banketbakkerij Casa do Antigo Pasteleiro, deze lekkernij met korst voor één pond hebben gekocht (Revista Unibanco, editie van januari/februari 2004).
De authentieke en onveranderlijke plaatselijke methoden, die anderhalve eeuw lang vrijwel identiek zijn gebleven, het feit dat de desbetreffende knowhow 75 jaar lang exclusief in handen van één bakkerij was (la Casa do Antigo Pasteleiro), de ligging van de stad Chaves in een groot dal dat wordt omringd door bergen van graniet en schist met een hoogte van meer dan 1 084 m en het feit dat de stad tot op heden moeilijk bereikbaar is, hebben ervoor gezorgd dat de knowhow tot de streek van oorsprong beperkt is gebleven en er in naburige plaatsen zelfs geen vergelijkbaar product wordt vervaardigd.
„Pastel de Chaves” heeft niet alleen een lange nasmaak, maar staat ook sinds lange tijd in het collectieve geheugen gegrift. Inmiddels heeft hij zich een prominente plaats in de nationale eetcultuur verworven. Deze status heeft hem overigens het predicaat „beste saucijzenbroodje van Portugal” (Revista Unibanco, editie van januari/februari 2004) opgeleverd.
De faam en reputatie van „Pastel de Chaves”, die het broodje sinds meer dan 150 jaar uitsluitend met deze gemeente verbinden, zijn uitvoerig gedocumenteerd.
Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier
(artikel 5, lid 7, van Verordening (EG) nr. 510/2006 (3))
http://www.dgadr.mamaot.pt/images/docs/val/dop_igp_etg/Valor/CE_pastel_chaves_2012.pdf
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12. Vervangen door Verordening (EU) nr. 1151/2012.
(3) Zie voetnoot 2.