|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
57e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
|
2014/C 380/01 |
||
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/1 |
Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
2014/C 380/01
Laatste publicatie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in:
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
V Adviezen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/2 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Krajský súd v Prešove (Slowaakse Republiek) op 1 augustus 2014 — Provident Financial s. r. o./Zdeněk Sobotka
(Zaak C-372/14)
2014/C 380/02
Procestaal: Slowaaks
Verwijzende rechter
Krajský súd v Prešove
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Provident Financial s. r. o.
Verwerende partij: Zdeněk Sobotka
Prejudiciële vragen
|
1. |
Moet richtlijn 2005/29/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (richtlijn oneerlijke handelspraktijken) (PB L 149, blz. 22) aldus worden uitgelegd dat als oneerlijke handelspraktijk moet worden aangemerkt de handelwijze van een verlener van een consumentenkrediet die de voorwaarden van de overeenkomst aan de consument aldus voorstelt dat de valse indruk wordt gewekt dat de consument vrij kan kiezen voor een nevendienst waarmee de aflossing van het krediet wordt gewaarborgd, en daardoor in feite de consument onrechtmatig beïnvloedt opdat deze die prestatie aanvaardt? |
|
2. |
Moet de richtlijn oneerlijke handelspraktijken aldus worden uitgelegd dat als oneerlijke handelspraktijk moet worden aangemerkt de handelwijze van de kredietverlener die de voorwaarden van de overeenkomst aan de consument aldus voorstelt dat hij hem een jaarlijks kostenpercentage (JK) voorspiegelt dat de kosten van de betrokken nevendienst niet omvat? |
|
3. |
Moet de richtlijn oneerlijke handelspraktijken aldus worden uitgelegd dat als oneerlijke handelspraktijk moet worden aangemerkt de handelwijze van de kredietverlener die erin bestaat op de markt van het consumentenkrediet aan de consumenten voor de nevendienst een prijs in rekening te brengen die aanzienlijk hoger is dan de reële kostprijs van die dienst, en wordt de verplichting van transparantie van de daadwerkelijke totale kostprijs van het consumentenkrediet omzeild door de kostprijs van de nevendienst niet in het JK op te nemen? |
|
4. |
Moet richtlijn 93/13/EEG (2) van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten [hierna: „richtlijn 93/13”] aldus worden uitgelegd dat de dienst waarmee de aflossing van het consumentenkrediet wordt gewaarborgd en die bestaat in het innen in contanten van de door de consument betaalde termijnen van het krediet, het hoofdvoorwerp van de prestatie bij het consumentenkrediet vormt? |
|
5. |
Moet richtlijn 87/102/EEG (3) van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet, zoals gewijzigd en aangevuld bij richtlijn 98/7/EG (4) van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998, aldus worden uitgelegd dat het JK ook de vergoeding voor de inning in contanten van de termijnen van het krediet omvat, of een deel daarvan, wanneer die vergoeding aanzienlijk hoger is dan de kosten die voor die nevendienst noodzakelijk zijn, en moet artikel 14 van die richtlijn aldus worden uitgelegd dat het JK wordt omzeild wanneer de vergoeding voor de nevendienst de kostprijs van die dienst aanzienlijk overschrijdt en niet is opgenomen in het JK? |
|
6. |
Moet [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat het, om te voldoen aan het vereiste van transparantie van een nevendienst waarvoor administratieve kosten worden betaald, volstaat dat de prijs van die administratieve dienst duidelijk en begrijpelijk (administratieve kosten) wordt aangegeven, ook al wordt niet nader aangegeven waarin die dienst bestaat? |
|
7. |
Moet artikel 4, leden 1 en 2, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd, dat de enkele omstandigheid dat de administratieve kosten in de berekening van het JK zijn opgenomen, rechterlijk toezicht op die kosten met het oog op de toepassing van die richtlijn belet? |
|
8. |
Moet [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat de enkele [vermelding van het] bedrag van de administratieve kosten rechterlijk toezicht met het oog op de toepassing van die richtlijn belet? |
|
9. |
Wanneer op vraag 6 wordt geantwoord dat het voorwerp van de administratieve dienst waarvoor die administratieve kosten moeten worden betaald, voldoende transparant is, vormt die administratieve dienst, samen met alle prestaties die deze kan meebrengen, dan het hoofdvoorwerp van het consumentenkrediet? |
|
10. |
Moet artikel 4, lid 1, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat voor de toepassing van die richtlijn onder meer relevant is dat de consument voor de prijs die hij voor de nevendienst betaalt, een prestatie krijgt die doorgaans niet in zijn belang, maar in het belang van de verlener van het consumentenkrediet is? |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/3 |
Beroep ingesteld op 20 augustus 2014 — Europese Commissie/Portugese Republiek
(Zaak C-398/14)
2014/C 380/03
Procestaal: Portugees
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Guerra e Andrade en E. Manhaeve, gemachtigden)
Verwerende partij: Portugese Republiek
Conclusies
|
— |
vaststellen dat de Portugese Republiek, door niet te zorgen voor een adequaat niveau van behandeling van het stedelijk afvalwater van de 52 genoemde agglomeraties waarvoor niet-nakoming is vastgesteld, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 4 van richtlijn 91/271/EEG (1) inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, |
|
— |
de Portugese Republiek verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Artikel 4 van richtlijn 91/271/EEG bepaalt met name dat uiterlijk op 31 december 2005 stedelijk afvalwater dat terechtkomt in zoet water en in een estuarium voor agglomeraties met een inwonerequivalent van 2 000 tot 10 000 vóór lozing aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces wordt onderworpen.
De Commissie is van mening dat in Portugal een systemisch probleem bestaat doordat de Portugese Staat op nationaal noch op regionaal niveau planningsmaatregelen heeft genomen met het oog op een methodische naleving van de voorschriften van richtlijn 91/271/EEG.
(1) Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135, blz. 40).
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/4 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Dioikitiko Efeteio Athinon (Griekenland) op 22 augustus 2014 — VIAMAR — Elliniki Aftokiniton kai Genikon Epicheiriseon A.E./Elliniko Dimosio
(Zaak C-402/14)
2014/C 380/04
Procestaal: Grieks
Verwijzende rechter
Dioikitiko Efeteio Athinon
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: VIAMAR — Elliniki Aftokiniton kai Genikon Epicheiriseon A.E.
Verwerende partij: Elliniko Dimosio (Griekse Staat)
Prejudiciële vragen
|
1) |
Behoeft artikel 1, lid 3, van richtlijn 2008/118/EG (1) van 16 december 2008 juridisch geen nadere bepaling en is het volledig/is het onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig, zodat dit voorschrift, niettegenstaande het feit dat het niet in het nationale recht van de lidstaat/de Griekse Staat is omgezet, rechtstreekse werking heeft en door een particulier die daaraan rechten ontleent, voor de nationale gerechten kan worden ingeroepen, en het door deze gerechten in aanmerking dient te worden genomen? |
|
2) |
Is, hoe dan ook, artikel 130, lid 5, van het nationale douanewetboek, gelezen in samenhang met artikel 128, lid 1, daarvan, volgens hetwelk het certificaat van inklaring voor uit lidstaten van de Unie afkomstige motorvoertuigen die naar het nationale grondgebied worden ingevoerd, wordt verstrekt na inning van de registratiebelasting, die verschuldigd wordt op het tijdstip waarop die voertuigen het nationale grondgebied binnenkomen, verenigbaar met artikel 3, sub c, van het EEG-Verdrag, waarin tot uitdrukking is gebracht dat hinderpalen tussen de lidstaten voor het vrije verkeer van goederen moeten worden afgeschaft? |
(1) Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12).
Gerecht
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/5 |
Arrest van het Gerecht van 11 september 2014 — Commissie/ID FOS Research
(Zaak T-170/08) (1)
((„Arbitragebeding - Overeenkomsten inzake financiële bijstand voor projecten op het gebied van industrie- en materiaaltechnologie - Gedeeltelijke terugbetaling van voorschotten - Vertragingsrente”))
2014/C 380/05
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal en W. Roels, gemachtigden)
Verwerende partij: ID Fiber Optic Sensing Research (ID FOS Research) (Mol, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Walravens en J. De Wachter, vervolgens P. Walravens en C. Lebon, advocaten)
Voorwerp
Beroep ingesteld krachtens artikel 272 VWEU, strekkende tot verkrijging van gedeeltelijke terugbetaling, vermeerderd met vertragingsrente, van de voorschotten die door de Commissie zijn betaald ter uitvoering van overeenkomst nr. BRPR-CT-95-0099 die is gesloten in het kader van het specifieke programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling, inclusief demonstratie, op het gebied van industrie- en materiaaltechnologie (Brite-Euram III)
Dictum
|
1) |
ID Fiber Optic Sensing Research (ID FOS Research) wordt veroordeeld tot betaling aan de Europese Commissie van 21 599,26 EUR, vermeerderd met vertragingsrente die wordt berekend:
|
|
2) |
ID FOS Research wordt verwezen in de kosten. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/5 |
Arrest van het Gerecht van 11 september 2014 — Griekenland/Commissie
(Zaak T-425/11) (1)
((„Staatssteun - Griekse casino’s - Stelsel waarbij een heffing van 80 % wordt ingesteld op toegangsbewijzen met een verschillende prijs - Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt is verklaard - Begrip staatssteun - Voordeel”))
2014/C 380/06
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: P. Mylonopoulos en K. Boskovits, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Triantafyllou, H. van Vliet en M. Konstantinidis, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van besluit 2011/716/EU van de Commissie van 24 mei 2011 betreffende de door Griekenland aan bepaalde Griekse casino’s verleende staatssteun — Steunmaatregel C 16/10 (ex NN 22/10, ex CP 318/09) (PB L 285, blz. 25)
Dictum
|
1) |
Besluit 2011/716/EU van de Commissie van 24 mei 2011 betreffende de door Griekenland aan bepaalde Griekse casino’s verleende staatssteun — Steunmaatregel C 16/10 (ex NN 22/10, ex CP 318/09) wordt nietig verklaard. |
|
2) |
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en de kosten van de Helleense Republiek. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/6 |
Arrest van het Gerecht van 11 september 2014 — Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad
(Zaak T-443/11) (1)
((„Dumping - Invoer van gestreken fijn papier uit China - Status van marktgerichte onderneming - Termijn voor vaststelling van het besluit over deze status - Zorgvuldig en onpartijdig onderzoek - Rechten van verdediging - Kennelijk onjuiste beoordeling - Beginsel van behoorlijk bestuur - Bewijslast - Schade - Bepaling van winstmarge - Definitie van betrokken product - Bedrijfstak van de Gemeenschap - Causaal verband”))
2014/C 380/07
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Gold East Paper (Jiangsu) Co. Ltd (Jiangsu, China) en Gold Huasheng Paper (Suzhou Industrial Park) Co. Ltd (Jiangsu) (vertegenwoordigers: V. Akritidis, Y. Melin en F. Crespo, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix, gemachtigde, aanvankelijk bijgestaan door G. Berrisch, A. Polcyn, advocaten, en N. Chesaites, barrister, vervolgens door B. O’Connor, solicitor, en S. Gubel, advocaat)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. França en A. Stobiecka-Kuik, gemachtigden), Cepifine AISBL (Brussel, België), Sappi Europe SA (Brussel), Burgo Group SpA (Altavilla Vicentina, Italië) en Lecta SA (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordigers: L. Ruessmann en W. Berg, advocaten)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 451/2011 van de Raad van 6 mei 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op gestreken fijn papier van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 128, blz. 1), voor zover deze op verzoeksters betrekking heeft
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Gold East Paper (Jiangsu) Co. Ltd en Gold Huasheng Paper (Suzhou Industrial Park) Co. Ltd zullen naast hun eigen kosten die van de Raad van de Europese Unie, Cepifine AISBL, Sappi Europe SA, Burgo Group SpA en Lecta SA dragen. |
|
3) |
De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/7 |
Arrest van het Gerecht van 11 september 2014 — Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad
(Zaak T-444/11) (1)
((„Subsidies - Invoer van gestreken fijn papier uit China - Methodologie - Berekening van het voordeel - Kennelijk onjuiste beoordeling - Specificiteit - Afschrijvingstermijn - Preferentiële fiscale behandeling - Compenserende maatregelen - Schade - Bepaling van de winstmarge - Definitie van het betrokken product - Bedrijfstak van de Gemeenschap - Causaal verband”))
2014/C 380/08
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Gold East Paper (Jiangsu) Co. Ltd (Jiangsu, China) en Gold Huasheng Paper (Suzhou Industrial Park) Co. Ltd (Jiangsu) (vertegenwoordigers: V. Akritidis, Y. Melin en F. Crespo, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix, gemachtigde, aanvankelijk bijgestaan door G. Berrisch, A. Polcyn, advocaten, en N. Chesaites, barrister, vervolgens door B. O’Connor, solicitor, en S. Gubel, advocaat)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J.-F. Brakeland, M. França en A. Stobiecka-Kuik, gemachtigden), Cepifine AISBL (Brussel, België), Sappi Europe SA (Brussel), Burgo Group SpA (Altavilla Vicentina, Italië) en Lecta SA (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordigers: L. Ruessmann en W. Berg, advocaten)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 452/2011 van de Raad van 6 mei 2011 tot instelling van een definitief antisubsidierecht op gestreken fijn papier van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 128, blz. 18), voor zover deze op verzoeksters betrekking heeft
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Gold East Paper (Jiangsu) Co. Ltd en Gold Huasheng Paper (Suzhou Industrial Park) Co. Ltd zullen naast hun eigen kosten die van de Raad van de Europese Unie, Cepifine AISBL, Sappi Europe SA, Burgo Group SpA en Lecta SA dragen. |
|
3) |
De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/8 |
Arrest van het Gerecht van 11 september 2014 — Galileo International Technology/BHIM — ESA en Commissie (GALILEO)
(Zaak T-450/11) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk GALILEO - Oudere gemeenschapswoordmerken GALILEO - Relatieve weigeringsgrond - Geen verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Geen soortgelijkheid van de betrokken waren en diensten”])
2014/C 380/09
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Galileo International Technology LLC (Bridgetown, Barbados) (vertegenwoordigers: S. Malynicz, barrister, M. Blair en K. Gilbert, solicitors)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Geroulakos, gemachtigde)
Andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Samnada en F. Wilman, gemachtigden) en Europees Ruimteagentschap (ESA) (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: M. Buydens, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 14 april 2011 (zaak R 1423/2005-1) inzake een oppositieprocedure tussen Galileo International Technology LLC en de Europese Unie
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Galileo International Technology LLC wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van het BHIM. |
|
3) |
De Europese Commissie en het Europees Ruimteagentschap worden verwezen in hun eigen kosten. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/8 |
Arrest van het Gerecht van 11 september 2014 — Aroa Bodegas/BHIM — Bodegas Muga (aroa)
(Zaak T-536/12) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk aroa - Ouder nationaal beeldmerk Aro - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Gedeeltelijke weigering van inschrijving”])
2014/C 380/10
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Aroa Bodegas, SL (Zurukoain, Spanje) (vertegenwoordiger: S. Alonso Maruri, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: V. Melgar, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bodegas Muga, SL (Haro, Spanje) (vertegenwoordiger: L. Broschat García, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 11 oktober 2012 (zaak R 1845/2010-4) inzake een oppositieprocedure tussen Bodegas Muga, SL en Aroa Bodegas, SL
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Aroa Bodegas, SL wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM). |
|
3) |
Bodegas Muga, SL wordt verwezen in haar eigen kosten. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/9 |
Arrest van het Gerecht van 11 september 2014 — El Corte Inglés/BHIM — Baumarkt Praktiker Deutschland (PRO OUTDOOR)
(Zaak T-127/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PRO OUTDOOR - Ouder gemeenschapsbeeldmerk OUTDOOR garden barbecue camping - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Voorwerp van het geding voor de kamer van beroep - Artikelen 60 en 64, lid 1, van verordening nr. 207/2009”])
2014/C 380/11
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: El Corte Inglés, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: E. Seijo Veiguela en J. L. Rivas Zurdo, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Baumarkt Praktiker Deutschland GmbH (Hamburg, Duitsland)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 11 december 2012 (zaak R 1900/2011-2) inzake een oppositieprocedure tussen Baumarkt Praktiker Deutschland GmbH en El Corte Inglés, SA
Dictum
|
1) |
De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 11 december 2012 (zaak R 1900/2011-2) inzake een oppositieprocedure tussen Baumarkt Praktiker Deutschland GmbH en El Corte Inglés, SA wordt vernietigd voor zover de kamer van beroep heeft nagelaten om te beslissen op de conclusies van El Corte Inglés, SA over het verwarringsgevaar tussen de conflicterende merken voor de andere betrokken waren dan „gegevensverwerkende apparatuur en computers” van klasse 9. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
Het BHIM en El Corte Inglés, SA worden verwezen in hun eigen kosten. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/10 |
Arrest van het Gerecht van 11 september 2014 — Continental Wind Partners/BHIM — Continental Reifen Deutschland (CONTINENTAL WIND PARTNERS)
(Zaak T-185/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk CONTINENTAL WIND PARTNERS - Ouder internationaal beeldmerk Continental - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Gedeeltelijke weigering van inschrijving”])
2014/C 380/12
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Continental Wind Partners LLC (Wilmington, Delaware, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordiger: O. Bischof, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Pohlmann, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Continental Reifen Deutschland GmbH (Hannover, Duitsland) (vertegenwoordigers: S. Gillert, K. Vanden Bossche, B. Köhn-Gerdes en J. Schumacher, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 10 januari 2013 (zaak R 2204/2011-2) inzake een oppositieprocedure tussen Continental Reifen Deutschland GmbH en Continental Wind Partners LLC
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Continental Wind Partners LLC wordt verwezen in de kosten. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/10 |
Beschikking van het Gerecht van 3 september 2014 — Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse/Commissie
(Zaak T-112/11) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Inschrijving van een beschermde geografische aanduiding - ‚Edam Holland’ - Geen procesbelang - Geen rechtstreekse geraaktheid - Niet-ontvankelijkheid”))
2014/C 380/13
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse eV (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Loschelder en V. Schoene, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. von Rintelen en M. Vollkommer, vervolgens G. von Rintelen en F. Jimeno Fernández, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: C. Wissels, J. Langer, M. Noort, B. Koopman en M. Bulterman, gemachtigden) en Nederlandse Zuivelorganisatie (Zoetermeer, Nederland) (vertegenwoordigers: P. van Ginneken, F. Gerritzen en C. van Veen, advocaten)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van verordening (EU) nr. 1121/2010 van de Commissie van 2 december 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Edam Holland (BGA)] (PB L 317, blz. 14)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse eV zal haar eigen kosten alsmede die van de Europese Commissie dragen. |
|
3) |
Het Koninkrijk der Nederlanden en de Nederlandse Zuivelorganisatie zullen hun eigen kosten dragen. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/11 |
Beschikking van het Gerecht van 3 september 2014 — Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse/Commissie
(Zaak T-113/11) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Inschrijving van een beschermde geografische aanduiding - ‚Gouda Holland’ - Geen procesbelang - Geen rechtstreekse geraaktheid - Niet-ontvankelijkheid”))
2014/C 380/14
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse eV (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Loschelder en V. Schoene, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. von Rintelen en M. Vollkommer, vervolgens G. von Rintelen en F. Jimeno Fernández, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: C. Wissels, J. Langer, M. Noort, B. Koopman en M. Bulterman, gemachtigden) en Nederlandse Zuivelorganisatie (Zoetermeer, Nederland) (vertegenwoordigers: P. van Ginneken, F. Gerritzen en C. van Veen, advocaten)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van verordening (EU) nr. 1122/2010 van de Commissie van 2 december 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Gouda Holland (BGA)] (PB L 317, blz. 22)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse eV zal haar eigen kosten alsmede die van de Europese Commissie dragen. |
|
3) |
Het Koninkrijk der Nederlanden en de Nederlandse Zuivelorganisatie zullen hun eigen kosten dragen. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/12 |
Beschikking van het Gerecht van 3 september 2014 — Diadikasia Symvouloi Epicheiriseon/Commissie
(Zaak T-261/12) (1)
((„Beroep tot schadevergoeding - Overheidsopdrachten voor diensten - Aanbestedingsprocedure - Versterking van de institutionele capaciteit van de Commissie om de mededinging in Servië te beschermen - Afwijzing van de offerte van een inschrijver - Rechtens kennelijk ongegrond beroep”))
2014/C 380/15
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Diadikasia Symvouloi Epicheiriseon AE (Chalandri, Griekenland) (vertegenwoordiger: A. Krystallidis, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Erlbacher en P. van Nuffel, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tot schadevergoeding strekkende tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden door het besluit van de delegatie van de Europese Unie in de Republiek Servië tot nietigverklaring van het besluit houdende toewijzing van de opdracht aan verzoekster in het kader van aanbestedingsprocedure EuropeAid/131427/C/SER/RS betreffende de versterking van de institutionele capaciteit van de Commissie om de mededinging in Servië te beschermen (PB 2011/S 147-243259)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Diadikasia Symvouloi Epicheiriseon AE wordt verwezen in de kosten. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/12 |
Beschikking van het Gerecht van 2 september 2014 — Borghezio/Parlement
(Zaak T-336/13) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - In plenaire vergadering uitgesproken verklaring van de voorzitter van het Europees Parlement, waarbij dit op de hoogte wordt gebracht van de uitsluiting van een lid van het Europees Parlement uit de politieke fractie waartoe hij behoort - Niet voor beroep vatbare handeling - Kennelijk niet-ontvankelijk beroep”))
2014/C 380/16
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Mario Borghezio (Turijn, Italië) (vertegenwoordiger: H. Laquay, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: N. Lorenz, N. Görlitz en M. Windisch, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van de handeling van het Parlement, vastgesteld in de vorm van een verklaring van diens voorzitter op de plenaire vergadering van 10 juni 2013, volgens welke verzoeker sinds 3 juni 2013 als niet-ingeschreven lid zetelt, omdat hij vanaf die datum uit de politieke fractie „Europe Libertés Démocratie” was uitgesloten
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Mario Borghezio zal zijn eigen kosten dragen alsmede die van het Europees Parlement, daaronder begrepen die van de procedure in kort geding. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/13 |
Beschikking van het Gerecht van 3 september 2014 — Kėdainių rajono Okainių e.a./Raad en Commissie
(Zaak T-386/13) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers - Toestemming voor de verlening van aanvullende nationale rechtstreekse betalingen in Litouwen voor 2012 - Beroepstermijn - Aanvang - Niet-ontvankelijkheid - Exceptie van onwettigheid”))
2014/C 380/17
Procestaal: Litouws
Partijen
Verzoekende partijen: Kėdainių rajono Okainių ŽŪB (Okainiai, Litouwen) en de 134 andere verzoekers van wie de namen zijn opgenomen in de bijlage bij de beschikking (vertegenwoordiger: I. Vėgėlė, advocaat)
Verwerende partijen: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J. Vaičiukaitė en E. Karlsson, gemachtigden); en Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. Kranenborg en A. Steiblytė, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partijen: Republiek Litouwen (vertegenwoordigers: D. Kriaučiūnas, K. Vainienė, A. Karbauskas, R. Makelis en K. Anužis, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit C(2012) 4391 def. van de Commissie van 2 juli 2012 waarbij de verlening van aanvullende nationale rechtstreekse betalingen in Litouwen voor 2012 is toegestaan, en verzoek tot vaststelling van de gedeeltelijke onwettigheid van verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30, blz. 16).
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Kėdainių rajono Okainių ŽŪB en de 134 andere in de bijlage genoemde verzoekers dragen, naast hun eigen kosten, de kosten van de Raad van de Europese Unie en van de Europese Commissie. |
|
3) |
De Republiek Litouwen draagt haar eigen kosten. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/14 |
Beschikking van het Gerecht van 2 september 2014 — Verein Natura Havel en Vierhaus/Commissie
(Zaak T-538/13) (1)
([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Aaanmaningsbrief in het kader van een niet-nakomingsprocedure betreffende de verenigbaarheid van het Duitse recht inzake luchtverkeer met het Unierecht - Weigering van toegang - Uitzondering inzake bescherming van doelstellingen van inspecties, onderzoeken en audits - Kennelijk gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk rechtens ongegrond beroep”])
2014/C 380/18
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Verein Natura Havel eV (Berlijn, Duitsland); en Hans-Peter Vierhaus (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordiger: O. Austilat, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk B. Martenczuk en C. Zadra, vervolgens B. Martenczuk en J. Baquero Cruz, gemachtigden)
Voorwerp
Nietigverklaring enerzijds van het besluit van de Commissie van 24 juni 2013, waarbij het oorspronkelijke verzoek om toegang tot de aanmaningsbrief aan de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 258 VWEU is afgewezen en anderzijds van het besluit van de Commissie van 3 september 2003 waarbij het confirmatieve verzoek van toegang tot deze brief is afgewezen
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Verein Natura Havel eV en Hans-Peter Vierhaus worden verwezen in de kosten. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/14 |
Beroep ingesteld op 23 juni 2014 — Ertico — Its Europe/Commissie
(Zaak T-499/14)
2014/C 380/19
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: European Road Transport Telematics Implementation Coordination Organisation — Intelligent Transport Systems & Services Europe (Ertico — Its Europe) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: M. Wellinger en K. T’Syen, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van het besluit van het validatiepanel van de Europese Commissie van 15 april 2014 dat verzoekster geen kleine, middelgrote of micro-onderneming in de zin van aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124, blz. 36) is, en |
|
— |
verwijzing van verweerster in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.
|
1. |
De conclusie van het validatiepanel dat verzoekster geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is, berust op een kennelijk onjuiste uitlegging van artikel 3, lid 4, van de bijlage bij aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie. |
|
2. |
Door te concluderen dat verzoekster geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is en door de mogelijkheid open te laten voor de Commissie om in het verleden aan verzoekster toegekende KP7-subsidies terug te vorderen, heeft het validatiepanel de volgende fundamentele beginselen van Europees recht geschonden: (i) het beginsel van behoorlijk bestuur; (ii) het rechtszekerheidsbeginsel; en (iii) het beginsel van bescherming van verzoeksters gewettigd vertrouwen. |
|
3. |
Het validatiepanel heeft verzoeksters rechten van verdediging en het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden doordat het verzoekster niet in de gelegenheid heeft gesteld om haar standpunt daadwerkelijk kenbaar te maken. |
|
4. |
Het validatiepanel heeft zijn besluit niet naar behoren gemotiveerd. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/15 |
Beroep ingesteld op 28 juli 2014 — Ahmed Mohamed Saleh Baeshen/BHIM
(Zaak T-564/14)
2014/C 380/20
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ahmed Mohamed Saleh Baeshen & Co. (Jeddah, Saoedi-Arabië) (vertegenwoordiger: M. Vanhegan, Barrister)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
|
— |
vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 19 mei 2014 in zaak R 687/2014-2; |
|
— |
verwijzing van verweerder in de kosten van de procedure |
Middelen en voornaamste argumenten
Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan vervallenverklaring is gevorderd: woordmerk „TEAVANA” voor waren van klasse 35 — gemeenschapsmerk nr. 4 0 98 588
Houder van het gemeenschapsmerk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep, Teavana Corporation
Partij die vervallenverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: verzoekster
Beslissing van de nietigheidsafdeling: vervallenverklaring van het recht van de houder van gemeenschapsmerk nr. 4 0 98 588 in zijn geheel
Beslissing van de kamer van beroep: niet-ontvankelijkverklaring van het beroep
Aangevoerde middelen: schending van de artikelen 51, lid 1, sub a, 59 en 75 van verordening nr. 207/2009
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/16 |
Beroep ingesteld op 22 augustus 2014 — Roland/BHIM — Louboutin (Roodtint voor schoenzolen)
(Zaak T-631/14)
2014/C 380/21
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Roland SE (Essen, Duitsland) (vertegenwoordigers: C. Onken en O. Rauscher, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Christian Louboutin (Parijs, Frankrijk)
Conclusies
|
— |
de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 28 mei 2014 in zaak R 1591/2013-1 aldus wijzigen dat oppositie nr. B 1 9 22 890 in haar geheel wordt toegewezen en gemeenschapsmerkaanvraag nr. 008845539 wordt afgewezen; |
|
— |
subsidiair: de bestreden beslissing vernietigen; |
|
— |
verweerder verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken gemeenschapsmerk: ander merk, dat bestaat in een roodtint die op de zool van een schoen is aangebracht, voor waren van klasse 25 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 8 8 45 539
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster
Oppositiemerk of -teken: internationale inschrijving van het beeldmerk met de woordelementen „my SHOES”, voor waren van klasse 25
Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen:
|
— |
schending van artikel 75, tweede volzin, van verordening nr. 207/2009; |
|
— |
schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/16 |
Beroep ingesteld op 25 augustus 2014 — Intercon/Commissie
(Zaak T-632/14)
2014/C 380/22
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Intercon Sp. z o.o. (Łódź, Polen) (vertegenwoordiger: B. Eger, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
vaststellen dat de Commissie de bepalingen van subsidieovereenkomst nr. ARTreat — 22497 in het kader van het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (OTO 7) heeft geschonden door een vordering tot terugbetaling van 2 58 479,21 EUR; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
|
1. |
Eerste middel:
|
|
2. |
Tweede middel:
|
|
3. |
Derde middel:
|
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/17 |
Beroep ingesteld op 26 augustus 2014 — Frinsa del Noroeste/BHIM — Frisa Frigorífico Rio Doce (FRISA)
(Zaak T-638/14)
2014/C 380/23
Taal van het verzoekschrift: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Frinsa del Noroeste, SA (Santa Eugenia de Riveira, Spanje) (vertegenwoordiger: J. Botella Reyna, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Frisa Frigorífico Rio Doce, SA (Espirito Santo, Brazilië)
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
inschrijving te weigeren van gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 0 3 29 721„FRISA” voor waren van klasse 29 en diensten van de klassen 35 en 39. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk met het woordelement „FRISA” voor waren en diensten van de klassen 29, 35 en 39 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 0 3 29 721
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster
Oppositiemerk of -teken: beeldmerk met het woordelement „Frinsa” voor waren van klasse 29
Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie
Beslissing van de kamer van beroep: nietigverklaring van de beslissing van de oppositieafdeling en afwijzing van de oppositie in haar geheel
Aangevoerde middelen: bij haar beslissing van 1 juli 2014 in de gevoegde zaken R 1547/2013-4 en R 1851/2013-4 heeft de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) verzoeksters argumenten niet onderzocht, aangezien zij zich ertoe heeft beperkt die zaken op identieke wijze te beslechten en enkel het in de procedure aangebrachte bewijs van gebruik te onderzoeken.
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/18 |
Beroep ingesteld op 28 augustus 2014 — Dellmeier/BHIM — Dell (LEXDELL)
(Zaak T-641/14)
2014/C 380/24
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Alexandra Dellmeier (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: J. Khöber, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Dell, Inc. (Round Rock, VS)
Conclusies
|
— |
vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 4 juni 2014 in zaak R 0966/2013-2 inzake oppositieprocedure nr. B 1 698 2892 betreffende aanvraag nr. 008114779 voor gemeenschapsmerk „LEXDELL” en afwijzing van de oppositie in haar geheel; |
|
— |
verwijzing van verweerder in de kosten van de procedure voor het Gerecht; |
|
— |
vaststelling van een pleitdatum mocht het Gerecht de zaak zonder pleidooien niet kunnen afdoen. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster
Betrokken gemeenschapsmerk: gemeenschapswoordmerk „LEXDELL” voor waren en diensten van de klassen 16, 25, 41 en 45 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 8 1 14 779.
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsbeeldmerk met het woordelement „DELL”, ingeschreven onder nr. 6 4 20 641
Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, en lid 5, van verordening nr. 207/2009
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/19 |
Beroep ingesteld op 1 september 2014 — Red Lemon Incorporation/BHIM — Lidl Stiftung (ABTRONIC)
(Zaak T-643/14)
2014/C 380/25
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Red Lemon Incorporation (Mauritius, Mauritius) (vertegenwoordigers: T. Wieland en S. Müller, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Lidl Stiftung & Co. KG (Neckarsulm, Duitsland)
Conclusies
|
— |
vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 15 mei 2014 in zaak R 1899/2013-1 en afwijzing van de oppositie; |
|
— |
verwijzing van verweerder in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster
Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „ABTRONIC” voor waren van klasse 9 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 8 1 84 632
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Oppositiemerk of -teken: internationaal ingeschreven woordmerk „TRONIC” voor waren van klasse 9
Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/19 |
Beroep ingesteld op 2 september 2014 — Infusion Brands/BHIM (DUALSAW)
(Zaak T-647/14)
2014/C 380/26
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Infusion Brands, Inc. (Myer Lake Circle Clearwater, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: K. Piepenbrink, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
|
— |
vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 1 juli 2014 in zaak R 397/2014-4; |
|
— |
verwijzing van verweerder in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk in wit, zwart en groen met het woordelement „DUALSAW” voor waren en diensten van de klassen 7, 8 en 35 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 2 0 27 561
Beslissing van de onderzoeker: gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, en lid 2, van verordening nr. 207/2009
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/20 |
Beroep ingesteld op 2 september 2014 — Infusion Brands/BHIM (DUALTOOLS)
(Zaak T-648/14)
2014/C 380/27
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Infusion Brands, Inc. (Myer Lake Circle Clearwater, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: K. Piepenbrink, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
|
— |
vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 1 juli 2014 in zaak R 398/2014-4; |
|
— |
verwijzing van verweerder in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk in wit, zwart en groen met het woordelement „DUALTOOLS” voor waren en diensten van de klassen 7, 8 en 35 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 2 0 27 496
Beslissing van de onderzoeker: gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, en lid 2, van verordening nr. 207/2009
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/21 |
Beroep ingesteld op 8 september 2014 — AF Steelcase/BHIM
(Zaak T-652/14)
2014/C 380/28
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: AF Steelcase, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: S. Rodríguez Bajón, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de beslissing van 8 juli 2014 van het BHIM inzake de uitsluiting van AF Steelcase in de betrokken aanbestedingsprocedure te vernietigen; |
|
— |
alle overige verknochte beslissingen van het BHIM met betrekking tot de betrokken aanbesteding, waaronder in voorkomend geval de beslissingen tot gunning van de overeenkomst waarop de betrokken procedure betrekking heeft, te vernietigen en de aanbestedingsprocedure terug te brengen in de toestand die voorafging aan de uitsluiting van AF Steelcase zodat haar inschrijving wordt beoordeeld; |
|
— |
subsidiair, indien de aanbestedingsprocedure niet in die toestand kan worden teruggebracht, het BHIM te veroordelen tot betaling aan verzoekster van een bedrag van 20 380 EUR als vergoeding voor de door de uitsluitingsbeslissing aan AF Steelcase berokkende materiële schade en een bedrag van 24 000 EUR als vergoeding voor door de uitsluitingsbeslissing aan AF Steelcase berokkende immateriële schade, en |
|
— |
het BHIM te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is gericht tegen de uitsluiting van verzoeksters inschrijving uit de openbare aanbesteding voor de levering en installatie van meubilair en toebehoren (deel 1) en informatieborden (deel 2) voor de zetel van het BHIM (PB 214/S 023-035020, van 1 februari 2014).
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: motiveringsgebrek en criteriumwijziging bij de beslissing tot uitsluiting van AF Steelcase uit de betrokken openbare aanbesteding.
|
|
2. |
Tweede middel: schending van de voor het optreden van de Europese overheid geldende beginselen van behoorlijk bestuur en evenredigheid.
|
|
3. |
Derde middel: schending van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie.
|
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/22 |
Beroep ingesteld op 12 september 2014 — Spanje/Commissie
(Zaak T-657/14)
2014/C 380/29
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: A. Gavela Llopis, Abogado del Estado)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van het besluit van 27 juni 2014 tot uitstel van betaling van uitgavenstaat en betalingsaanvraag nr. 21 betreffende het operationele programma voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (EFRO technologiefonds), ingediend door Spanje op 26 december 2013, en tot inleiding van de procedure tot schorsing van betalingen, en |
|
— |
verwijzing van de verwerende partij in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: het besluit tot uitstel en inleiding van de procedure tot schorsing is in strijd met artikel 87, lid 2, juncto de artikelen 91 en 92 van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210, blz. 25).
|
|
2. |
Tweede middel: het besluit tot uitstel en inleiding van de procedure tot schorsing is vastgesteld na het verstrijken van de in het Unierecht gestelde termijn en verdraagt zich niet met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur. Verder zijn er schadelijke budgettaire en financiële gevolgen voor het Koninkrijk Spanje, dat er loyaal op vertrouwde dat de betaling zou plaatsvinden binnen de wettelijke termijn. |
|
3. |
Derde middel: artikel 91, lid 1, sub a, van verordening nr. 1083/2006 is geschonden, nu geen sprake is van de daarin genoemde situatie waarin een besluit tot uitstel rechtsgeldig kan worden vastgesteld.
|
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/23 |
Beroep ingesteld op 12 september 2014 — Jurašinović/Raad
(Zaak T-658/14)
2014/C 380/30
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Ivan Jurašinović (Angers, Frankrijk) (vertegenwoordiger: O. Pfligersdorffer, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van het besluit van 8 juli 2014 voor zover verzoekers toegang tot de in bijlage 3 bij het besluit bedoelde documenten daarbij is beperkt door beroep op de bescherming van de internationale betrekkingen en de bescherming van gerechtelijke procedures en dus door schrapping in de gevraagde documenten; |
|
— |
veroordeling van de Raad tot betaling aan verzoeker van 5 000 EUR exclusief belasting of 6 000 EUR inclusief belasting procedurevergoeding met rente tegen BCE-tarief op de dag van de inschrijving van het verzoekschrift; |
|
— |
verwijzing van de Raad in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeker baseert zijn beroep op drie middelen.
|
1. |
Eerste middel: kennelijk onjuiste beoordeling betreffende de uitzondering van bescherming van gerechtelijke procedures en juridisch advies in de zin van artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001 (1), voor zover het Gerecht in zijn arrest Jurašinović/Raad (T-63/10, EU:T:2012:516), tot uitvoering waarvan het bestreden sluit is vastgesteld, reeds oordeelde dat deze uitzondering, al was zij van toepassing, in casu buiten spel bleef. |
|
2. |
Tweede middel: kennelijk onjuiste beoordeling betreffende de uitzondering van ondermijning van de bescherming van het openbaar belang wat de internationale betrekkingen betreft in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, voor zover de betrokken documenten van de Europese Unie en niet van het systeem van de Verenigde Naties afkomstige inlichtingen betroffen zodat zij niet de informatiestroom van deze entiteit betroffen. |
|
3. |
Derde middel: kennelijk onjuiste beoordeling betreffende de uitzondering van een hoger openbaar belang op basis waarvan krachtens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 kan worden afgeweken van de bescherming van gerechtelijke procedures en juridisch advies, voor zover het door de documenten betrokken geding thans definitief is afgesloten en anderzijds de Republiek Kroatië thans een lidstaat van de Europese Unie is. |
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/24 |
Beroep ingesteld op 15 september 2014 — België/Commissie
(Zaak T-664/14)
2014/C 380/31
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordigers: C. Pochet en J.-C. Halleux, gemachtigden, bijgestaan door J. Meyers, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
artikel 2, lid 4, van besluit C(2014) 1021 van de Europese Commissie van 3 juli 2014 betreffende steunmaatregel SA.33927 (12/C) (ex 11/NN) door België ten uitvoer gelegd — Garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties, nietig te verklaren; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van zijn beroep voert verzoeker één enkel middel aan, te weten schending door de Commissie van de artikelen 107 en 108 VWEU en van het evenredigheidsbeginsel doordat het voornoemde besluit, bovenop de verplichting om de steun terug te vorderen van de begunstigde financiële coöperatieve vennootschappen, België tevens de verplichting oplegt om zich te blijven onthouden van elke uitbetaling aan de door de waarborg beschermde particulieren.
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/24 |
Hogere voorziening ingesteld op 17 september 2014 door Robert Klar en Francisco Fernandez Fernandez tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 juli 2014 in zaak F-114/13, Klar en Fernandez Fernandez/Commissie
(Zaak T-665/14 P)
2014/C 380/32
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirerende partijen: Robert Klar (Grevenmacher, Luxemburg) en Francisco Fernandez Fernandez (Steinsel, Luxemburg) (vertegenwoordiger: A. Salerno, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
De rekwirerende partijen verzoeken het Gerecht:
|
— |
de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 juli 2014 te vernietigen; |
|
— |
de zaak voor een uitspraak ten gronde terug te verwijzen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken; |
|
— |
de Europese Commissie te verwijzen in alle kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voeren de rekwirerende partijen één middel aan, ontleend aan het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken het beroep ten onrechte wegens het ontbreken van een regelmatige precontentieuze procedure kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien de nota van het tot aanstelling bevoegd gezag van oktober 2012 noch op grond van de bewoordingen noch van de inhoud noch van de vorm ervan een bezwarend besluit vormde, waarvan de kennisgeving de klachttermijn heeft doen ingaan.
Gerecht voor ambtenarenzaken
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/26 |
Beroep ingesteld op 14 juli 2014 — ZZ/EDEO
(Zaak F-65/14)
2014/C 380/33
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: L. Levi en N. Flandin, advocaten)
Verwerende partij: EDEO
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van de besluiten houdende weigering om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2013 te bevorderen naar de rang AD13, ofschoon hij was opgenomen op de lijst van voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van de besluiten van 9 en 14 oktober 2013 houdende weigering om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2013 naar de rang AD 13 te bevorderen; |
|
— |
voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van 16 april 2014 tot afwijzing van verzoekers klacht; |
|
— |
verwijzing van de verwerende partij in alle kosten. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/26 |
Beroep ingesteld op 17 juli 2014 — ZZ/Raad
(Zaak F-67/14)
2014/C 380/34
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)
Verwerende partij: Raad
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om verzoeker aan het einde van zijn proeftijd te ontslaan en vergoeding van de geleden immateriële schade
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van het Secretariaat van de Raad van 25 juni 2013 en van het besluit van het TABG van de Raad van 8 april 2014, waarbij verzoeker is ontslagen; |
|
— |
veroordeling van verweerder tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding berekend op basis van verzoekers maandelijkse bezoldiging als AST 3 (3 500 EUR) vermenigvuldigd met het aantal maanden die zullen zijn verstreken tussen 1 juli 2013 en de datum waarop het arrest in deze zaak zal worden gewezen; |
|
— |
veroordeling van verweerder tot betaling van een bedrag van 40 000 EUR voor de geleden immateriële schade; |
|
— |
verwijzing van verweerder in de kosten die verzoeker in het kader van de procedure heeft gemaakt. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/27 |
Beroep ingesteld op 19 juli 2014 — ZZ/Europese Autoriteit voor effecten en markten
(Zaak F-69/14)
2014/C 380/35
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: S. Pappas, advocaat)
Verwerende partij: Europese Autoriteit voor effecten en markten
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het beoordelingsrapport over 2013
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het bestreden beoordelingsrapport; |
|
— |
verwijzing van de verwerende partij in de kosten van de procedure. |
|
27.10.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 380/27 |
Beroep ingesteld op 24 juli 2014 — ZZ/Europol
(Zaak F-73/14)
2014/C 380/36
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)
Verwerende partij: Europol
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om verzoeksters overeenkomst niet te verlengen en vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij zou hebben geleden
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van het uit hoofde van artikel 90, lid 1, gedane verzoek om verlening van de overeenkomst als tijdelijk functionaris van de rang AD 7, ingediend op 6 december 2013, alsmede van het antwoord op de klacht van de directeur van Europol van 14 april 2014; |
|
— |
veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een bedrag van 1 5 45 124 EUR ter vergoeding van de geleden materiële schade; |
|
— |
veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een bedrag van 40 000 EUR ter vergoeding van de geleden immateriële schade; |
|
— |
verwijzing van Europol in de kosten van de procedure. |