ISSN 1977-0995

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 368

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

57e jaargang
17 oktober 2014


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2014/C 368/01

Wisselkoersen van de euro

1

2014/C 368/02

Advies van het Adviescomité voor concentraties uitgebracht op zijn bijeenkomst van 21 augustus 2013 betreffende een ontwerpbesluit in zaak M.6360 — Nynas/Shell/Harburg refinery — Rapporteur: België

2

2014/C 368/03

Eindverslag van de raadadviseur-auditeur — Nynas/Shell/Harburg refinery assets (M.6360)

3

2014/C 368/04

Samenvatting van het Besluit van de Commissie van 2 september 2013 waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst (Zaak M.6360 — Nynas/Shell/Harburg refinery) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 5594 final)  ( 1 )

5

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN

2014/C 368/05

Door de lidstaten meegedeelde informatie betreffende sluiting van de visserij

13

2014/C 368/06

Door de lidstaten meegedeelde informatie betreffende sluiting van de visserij

13

2014/C 368/07

Door de lidstaten meegedeelde informatie betreffende sluiting van de visserij

14

 

V   Adviezen

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Europese Commissie

2014/C 368/08

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.7395 — Mexichem/Vestolit) ( 1 )

15

2014/C 368/09

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.7393 — Albemarle/Rockwood) ( 1 )

16

2014/C 368/10

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.7352 — GDF Suez/SOPER/Natixis/LCS 1/LCS 2/LCS 5/LCS 9/LCS GO) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

17

2014/C 368/11

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.7412 — SVP/LSHL) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

18

2014/C 368/12

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.7426 — Gallant Venture/Sumitomo/Toyota Motor/Indonesian JV) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

19

2014/C 368/13

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.7409 — Apollo Management/Companhia de Seguros Tranquilidade) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

20

2014/C 368/14

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak M.7186 — APG Strategic Real Estate Pool/Hammerson/SDMG/MBG/Via) — Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

21

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/1


Wisselkoersen van de euro (1)

16 oktober 2014

2014/C 368/01

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,2749

JPY

Japanse yen

134,95

DKK

Deense kroon

7,4455

GBP

Pond sterling

0,79700

SEK

Zweedse kroon

9,1931

CHF

Zwitserse frank

1,2061

ISK

IJslandse kroon

 

NOK

Noorse kroon

8,4565

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

27,546

HUF

Hongaarse forint

308,90

LTL

Litouwse litas

3,4528

PLN

Poolse zloty

4,2286

RON

Roemeense leu

4,4300

TRY

Turkse lira

2,9017

AUD

Australische dollar

1,4645

CAD

Canadese dollar

1,4446

HKD

Hongkongse dollar

9,8891

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,6117

SGD

Singaporese dollar

1,6255

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 358,14

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

14,2101

CNY

Chinese yuan renminbi

7,8071

HRK

Kroatische kuna

7,6648

IDR

Indonesische roepia

15 653,93

MYR

Maleisische ringgit

4,2025

PHP

Filipijnse peso

57,327

RUB

Russische roebel

52,4040

THB

Thaise baht

41,423

BRL

Braziliaanse real

3,1688

MXN

Mexicaanse peso

17,3750

INR

Indiase roepie

78,8628


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/2


Advies van het Adviescomité voor concentraties uitgebracht op zijn bijeenkomst van 21 augustus 2013 betreffende een ontwerpbesluit in zaak M.6360 — Nynas/Shell/Harburg refinery

Rapporteur: België

2014/C 368/02

1.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de aangemelde transactie een concentratie vormt in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratie-verordening.

2.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de aangemelde transactie een EU-dimensie heeft in de zin van artikel 1, lid 2, van de concentratieverordening.

3.

Het Adviescomité is het eens met de relevante productmarkten en geografische markten zoals de Commissie die in haar ontwerpbesluit heeft afgebakend.

4.

Het Adviescomité is het eens met de analyse van de Commissie dat de activa van Harburg refinery zonder de voorgenomen transactie hoogst waarschijnlijk van de markt zullen verdwijnen.

5.

Het Adviescomité is het eens met de beoordeling van de Commissie dat het niet waarschijnlijk is dat de aangemelde concentratie in de oorspronkelijk door de aanmeldende partij voorgestelde vorm aanleiding geeft tot niet-gecoördineerde horizontale effecten die een daadwerkelijke mededinging op de EER-markten voor i) naftaleenbasisolie en procesolie en ii) transformatorolie op significante wijze zouden belemmeren.

6.

Het Adviescomité is het eens met de beoordeling van de Commissie dat het niet waarschijnlijk is dat de aangemelde concentratie in de oorspronkelijk door de aanmeldende partij voorgestelde vorm aanleiding geeft tot gecoördineerde effecten die een daadwerkelijke mededinging op de EER-markten voor i) naftaleenbasisolie en procesolie en ii) transformatorolie op significante wijze zouden belemmeren.

7.

Het Adviescomité is het eens met de beoordeling van de Commissie dat het niet waarschijnlijk is dat de aangemelde concentratie in de oorspronkelijk door de aanmeldende partij voorgestelde vorm aanleiding geeft tot niet-horizontale effecten die een daadwerkelijke mededinging op de EER-markten voor i) naftaleenbasisolie en procesolie en ii) transformatorolie op significante wijze zouden belemmeren.

8.

Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de aangemelde transactie daarom overeenkomstig artikel 2, lid 2, en artikel 8, lid 1, van de concentratie-verordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst verenigbaar moet worden verklaard met de interne markt en met de werking van de EER-overeenkomst.

9.

Het Adviescomité verzoekt de Commissie rekening te houden met alle overige opmerkingen die tijdens de discussie zijn gemaakt.


17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/3


Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (1)

Nynas/Shell/Harburg refinery assets

(M.6360)

2014/C 368/03

De concentratie

(1)

Op 19 februari 2013 heeft de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Nynas AB („Nynas”, Zweden), dat onder de zeggenschap staat van Petróleos de Venezuela S A („PDVSA”, Venezuela) en Neste Oil Oyj („Neste Oil”, Finland), in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening de uitsluitende zeggenschap verkrijgt over een deel van Shell Deutschland Oil GmbH (Duitsland) door de verwerving van de productieplant van Harburg voor basisolie en bepaalde activa van de raffinaderij van Harburg („Harburg refinery assets”).

(2)

De aangemelde transactie heeft betrekking op de Harburg refinery assets die nodig zijn om distillaten te produceren van ruwe aardolie. De Harburg refinery assets zorgen ervoor dat Shell momenteel op de EER-markt van basis- en procesoliën aanwezig is en behoren daarom tot een onderneming in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening.

(3)

De aangemelde transactie bestaat uit een huur over een periode van 25 jaar van de Harburg refinery assets, waarbij Shell een putoptie heeft en Nynas een calloptie en beide dus de huurovereenkomst kunnen omzetten in een asset deal. Door deze transactie zal Nynas de blijvende zeggenschap verkrijgen over de Harburg refinery assets, wat een concentratie is in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening.

Overzicht van de procedure

(4)

Op 26 maart 2013 heeft de Commissie besloten de procedure van artikel 6, lid 1, onder c), van de concentratieverordening in te leiden.

(5)

Een mededeling van punten van bezwaar werd op 19 juni 2013 aan de aanmeldende partij toegezonden.

(6)

De partijen hebben op 8 juli 2013 op de mededeling van punten van bezwaar geantwoord. Shell heeft op 10 juli 2013 een aanvullend antwoord gestuurd.

(7)

Op basis van deze antwoorden heeft de Commissie geconcludeerd dat de concentratie de daadwerkelijke mededinging niet op significante wijze zal belemmeren en derhalve overeenkomstig artikel 2, lid 2, en artikel 8, lid 1, van de concentratieverordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst verenigbaar moet worden verklaard met de interne markt en met de werking van de EER-overeenkomst.

Derde

(8)

Na een verzoek van Ergon Europe MEA, Inc. („Ergon”) werd deze onderneming de status van belanghebbende derde in de zin van artikel 18, lid 4, van de concentratieverordening verleend.

(9)

Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie (3), werd Ergon door het directoraat-generaal Concurrentie in kennis gesteld van de aard en het voorwerp van de procedure en kreeg de onderneming het recht binnen een bepaalde termijn haar schriftelijke opmerkingen in te dienen.

Toegang tot het dossier

(10)

Op 20 juni 2013 en 9 augustus 2013 kreeg de aanmeldende partij toegang tot het dossier. Daarnaast werd een dataroom ingericht om de externe adviseurs van Nynas en Shell toegang te geven tot vertrouwelijke versies van sommige documenten van Ergon, waarop het caseteam zich, onder meer, had gebaseerd voor zijn beoordeling vanuit het oogpunt van de mededinging.

(11)

Aangezien ik geen klachten van de partijen heb ontvangen, ben ik van mening dat hun procedurele rechten inzake toegang tot het dossier zijn nageleefd.

Ontwerpbesluit

(12)

Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Besluit 2011/695/EU moet in het eindverslag worden nagegaan of het ontwerpbesluit uitsluitend punten van bezwaar betreft ten aanzien waarvan de partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt kenbaar te maken.

(13)

Na evaluatie van het ontwerpbesluit concludeer ik dat daarin geen punten van bezwaar zijn opgenomen ten aanzien waarvan de aanmeldende partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt kenbaar te maken.

Conclusie

(14)

Samenvattend concludeer ik dat alle bij de procedure betrokken partijen hun procedurele rechten in deze zaak daadwerkelijk hebben kunnen uitoefenen.

Gedaan te Brussel, 22 augustus 2013.

Wouter WILS


(1)  Opgesteld overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van Besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 29).

(2)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1) (hierna de „concentratie-verordening” genoemd).

(3)  Verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie van 7 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 133 van 30.4.2004, blz. 1) (hierna de „uitvoeringsverordening van de concentratieverordening” genoemd).


17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/5


SAMENVATTING VAN HET BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 2 september 2013

waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst

(Zaak M.6360 — Nynas/Shell/Harburg refinery)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 5594 final)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

2014/C 368/04

Op 2 september 2013 heeft de Commissie in een concentratiezaak een besluit vastgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen  (1), en met name artikel 8, lid 1, van genoemde verordening. Een niet-vertrouwelijke versie van de volledige tekst van het besluit is in de authentieke taal van de zaak en in de werktalen van de Commissie beschikbaar op de website van directoraat-generaal Concurrentie, op het volgende adres: http://ec.europa.eu/comm/competition/index_en.html

I.   PARTIJEN

(1)

Nynas AB („Nynas”, Zweden) is de moedermaatschappij van een internationaal concern dat naftenische basis- en procesoliën, transformatoroliën en bitumen produceert en verkoopt. Shell Deutschland Oil GmbH (Duitsland) behoort tot het Shell-concern („Shell”). Nynas en Shell worden hierna „de partijen” genoemd.

(2)

Shell is een volledig geïntegreerde mondiale groep energiebedrijven en petrochemische maatschappijen. Shell Deutschland Oil GmbH exploiteert een raffinaderij in Hamburg-Harburg die momenteel bestaat uit:

i)

een brandstof- en distillatenraffinaderij met een tankpark voor ruwe aardolie en brandstofproducten (hierna de „raffinaderij” genoemd), en

ii)

een productieplant voor basisolie (die gebruikmaakt van de distillaten van de raffinaderij), een tank voor het mengen van transformatoroliën en bitumenfaciliteiten (de drie installaties worden hierna samen de „productieplant van Harburg voor basisolie” genoemd).

II.   TRANSACTIE

(3)

Op 19 februari 2013 heeft de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 (hierna de „concentratieverordening” genoemd) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Nynas in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening de uitsluitende zeggenschap over een deel van Shell Deutschland Oil GmbH verkrijgt door de verwerving van activa.

(4)

De aangemelde transactie heeft betrekking op de productieplant van Harburg voor basisolie en bepaalde delen van de raffinaderij die nodig zijn om distillaten te produceren van ruwe aardolie, samen de „Harburg refinery assets” genoemd. De Harburg refinery assets zorgen ervoor dat Shell momenteel op de EER-markt van basis- en procesoliën aanwezig is en behoren daarom tot een onderneming in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening.

(5)

De aangemelde transactie bestaat uit een huur over een periode van 25 jaar van de Harburg refinery assets, waarbij Shell een putoptie heeft en Nynas een calloptie en beide dus de huurovereenkomst kunnen omzetten in een asset deal. Door deze transactie zal Nynas de blijvende zeggenschap verkrijgen over de Harburg refinery assets, wat een concentratie is in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening.

III.   SAMENVATTING

(6)

Op grond van een voorlopig onderzoek van de aanmelding stelde de Commissie op 26 maart 2013 een besluit vast waarin zij concludeert dat de transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen en dat er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid ervan met de interne markt en met de werking van de EER-overeenkomst, en leidde zij de procedure van artikel 6, lid 1, onder c), van de concentratieverordening in.

(7)

Op 17 juni 2013 werd overeenkomstig artikel 18 van de concentratieverordening een mededeling van punten van bezwaar aan de partijen gezonden. De partijen antwoordden hierop op 8 juli 2013. Shell heeft op 10 juli een aanvullend antwoord gestuurd.

(8)

Het adviescomité besprak het ontwerpbesluit op 21 augustus 2013 en bracht een gunstig advies uit.

IV.   TOELICHTING

A.   RELEVANTE PRODUCTMARKTEN

(9)

De activiteiten van de partijen zullen aanleiding geven tot a) horizontale overlappingen in de productie en levering van i) basis- en procesoliën voor industrieel gebruik en ii) transformatoroliën, en b) verticale verbanden in de productie van naftenische basisoliën en transformatoroliën.

i)   Basis- en procesoliën voor industrieel gebruik

(10)

Zowel Nynas als de Commissie is van mening dat één enkele productmarkt voor basis- en procesoliën voor industrieel gebruik kan worden gedefinieerd, voornamelijk omdat zij identieke fysieke en chemische eigenschappen hebben.

(11)

Nynas stelt dat naftenische basis- en procesoliën kunnen worden vervangen door paraffinische basis- en procesoliën, maar de Commissie is van mening dat voor de productie van naftenische basis- en procesoliën en voor de productie van paraffinische basis- en procesoliën afzonderlijke productmarkten moeten worden gedefinieerd, voornamelijk omdat:

voor wat de vraagzijde betreft, naftenische en paraffinische oliën verschillende producteigenschappen, zoals op het gebied van solventie of vluchtigheid, en een verschillende prijs hebben;

voor sommige eindtoepassingen met naftenische oliën, de naftenische oliën niet kunnen worden vervangen door paraffinische oliën vanwege de verschillende producteigenschappen. Voor andere eindtoepassingen waarvoor technische vervanging wel mogelijk zou zijn, is de vervanging duur en tijdrovend;

voor wat de aanbodzijde betreft, voor de productie van naftenische en paraffinische basis- en procesoliën verschillende a) uitrusting en faciliteiten en b) grondstoffen nodig zijn.

(12)

Nynas diende een correlatiestudie inzake prijspremies in om aan te tonen dat de correlatie tussen de prijspremies van de gekozen naftenische en paraffinische toepassingen sterk genoeg is om te besluiten dat de naftenische en paraffinische producten zich op dezelfde markt bevinden. De Commissie had echter problemen met de gebruikte methode om de prijspremie te berekenen, aangezien deze leidde tot een valse correlatie. Na correctie van de methode bleek uit de resultaten dat er geen algemene marktdefinitie kan worden vastgesteld.

(13)

De Commissie is het met Nynas eens dat, vanwege de vervangbaarheid aan de aanbodzijde, de markt van basis- en procesoliën niet volgens eindtoepassing wordt opgedeeld, ook al is er een verschillende vraag voor elke eindtoepassing.

(14)

De Commissie is het niet eens met Nynas dat naftenische basis- en procesoliën vervangbaar zijn door producten op basis van GTL, d.w.z. producten die tot stand komen met een technologie waarbij aardgas wordt omgezet in vloeibare koolwaterstofproducten in een gasproductieplant, aangezien a) het niet zeker is of GTL — die een andere viscositeit, viscositeitsindex, vluchtigheid, solventie en zwavelgehalte heeft — een alternatief kan zijn voor de meeste eindtoepassingen, b) het GTL-productieproces aanzienlijk duurder is en c) de omschakeling hoge kosten zou kunnen meebrengen.

ii)   Transformatoroliën

(15)

Transformatoroliën worden gebruikt om distributie- en energietransformatoren te isoleren. Zij bestaan uit een mengsel van sterk geraffineerde basisoliën. Transformatoroliën worden doorgaans geproduceerd op basis van naftenische basisolie, paraffinische basisolie of een mengsel van beide. Transformatoroliën kunnen worden ingedeeld als geremd of niet-geremd, met als belangrijkste verschil dat aan geremde transformatoroliën een kleine hoeveelheid oxidatie-remmer wordt toegevoegd. De oxidatieremmer zorgt ervoor dat de transformatorolie later begint te oxideren, wat de levensduur van de transformatorolie en de transformator verlengt. Op productiegebied is voor geremde transformatoroliën olie van een hogere kwaliteit nodig dan voor niet-geremde transformatoroliën.

(16)

De Commissie is het met Nynas eens dat de markt van transformatoroliën en die van basis- en procesoliën twee afzonderlijke markten zijn, met name door de verschillende technische eigenschappen en het verschillende productieproces. Transformatorolie heeft speciale diëlektrische eigenschappen en vereist een speciale raffinagebehandeling, aangezien twee belangrijke eigenschappen ervan duurzaamheid en diëlektrische stabiliteit zijn (d.w.z. dat de olie een zeer goede elektrische isolator moet zijn).

(17)

Nynas en de Commissie zijn het eens dat niet-gebruikte en geregenereerde transformatoroliën moeten worden beschouwd als afzonderlijke productmarkten, met name door de verschillen in kwaliteit en prijs. Ze zijn het er ook over eens dat een verdere opdeling van de markt van transformatoroliën in i) geremde en ii) niet-geremde transformatoroliën niet passend zou zijn, aangezien geremde en niet-geremde transformatoroliën zowel technisch als economisch aan de vraag- en de aanbodzijde verwisselbaar zijn. De lange levensduur van geremde transformatoroliën heeft een invloed op de mededingingssituatie, maar dit is geen reden om er een afzonderlijke markt voor af te bakenen.

(18)

De Commissie is het met Nynas eens dat transformatoroliën op basis van i) naftenische, ii) paraffinische basisoliën en iii) een mengsel van beide niet mogen worden beschouwd als afzonderlijke productmarkten. Hoewel er een verschil is in chemische eigenschappen, prijs en productieproces, kunnen technisch gezien alle producten op basis van transformatoroliën worden gebruikt voor alle eind-toepassingen en kan aan de technische specificaties in de internationale normen voor transformatoroliën worden voldaan, ongeacht of de gebruikte basisoliën naftenisch of paraffinisch zijn.

B.   RELEVANTE GEOGRAFISCHE MARKTEN

i)   Basis- en procesoliën voor industrieel gebruik

(19)

In haar beschikking betreffende Exxon/Mobil (M.1383) heeft de Commissie vastgesteld dat de relevante geografische markt voor basisoliën van groep I die worden gebruikt in smeermiddelen de EER was, aangezien:

de prijzen in de Verenigde Staten en Azië consequent boven de prijzen in de EER lagen en bijgevolg geen concurrentiedruk veroorzaakten;

basisoliën voor smeermiddelen in Europa moesten voldoen aan specifieke Europese consumptieprofielen en EER-eisen, en

er geen spotmarkt bestond voor basisoliën in de EER met een zekere materiële liquiditeit en alle handelaars op de beurs de voorgaande jaren geen basisolie in de EER hadden ingevoerd.

(20)

Nynas voert aan dat de marktvoorwaarden zich intussen sterk hebben ontwikkeld. Nu zouden basis- en procesoliën in overeenstemming met internationale classificatie-normen en kwaliteitsvereisten worden geproduceerd en internationaal worden verhandeld. De Commissie is echter van mening dat de geografische reikwijdte van de markt van naftenische basis- en procesoliën voor industriële toepassingen de EER is:

a)

klanten die naftenische basis- en procesoliën gebruiken voor hun productie in de EER kiezen meestal voor leveranciers die in de EER zijn gevestigd;

b)

vervoerkosten vormen een belemmering voor invoer in de EER;

c)

naast de vervoerkosten en invoertarieven zijn er logistieke belemmeringen zoals plaatselijke opslag en distributie;

d)

prijzen verschillen tussen de EER en Noord-Amerika, en tussen de EER en de rest van de wereld. De stelling van Nynas dat de geografische markt ruimer is dan de EER, wordt niet gesteund door de door hem ingediende correlatiestudie inzake prijspremies na correctie van de methode;

e)

er is een verschil in kwaliteit van de naftenische basis- en procesoliën tussen de EER en de rest van de wereld.

ii)   Transformatoroliën

(21)

Nynas is van mening dat de markt van transformatoroliën wereldwijd is, en wel om de volgende redenen: i) het bestaan van een wereldwijde handelsstructuur, ii) wereldwijde prijzen, iii) consumptieprofielen en kwaliteitsvereisten worden steeds meer op wereldniveau bepaald, en iv) de harmonisatie van de wereldwijde milieunormen heeft ertoe geleid dat klanten van overal ter wereld dezelfde eisen stellen.

(22)

De Commissie is echter van mening dat de geografische reikwijdte van de markt van transformatoroliën en de submarkten van geremde of niet-geremde transformatoroliën de EER is om vergelijkbare redenen als die in punt 20:

a)

een groot deel van de klanten haalt alle of bijna alle transformatoroliën uit de EER;

b)

vervoerkosten vormen een belemmering voor invoer in de EER;

c)

toegang tot opslag, betrouwbaarheid van de toevoer, het verschil in norm-vereisten en de reputatie zijn andere belemmeringen voor invoer van transformatoroliën in de EER;

d)

prijzen en mededingingsvoorwaarden verschillen tussen de EER en Noord-Amerika, en tussen de EER en de rest van de wereld;

e)

er is een verschil in kwaliteit van de transformatoroliën tussen de EER en de rest van de wereld.

C.   BEOORDELING VANUIT HET OOGPUNT VAN DE MEDEDINGING

1.   Kader voor de beoordeling van de voorgenomen transactie

(23)

Concentraties die de daadwerkelijke mededinging op de interne markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze zouden belemmeren, moeten onverenigbaar verklaard worden met de interne markt; de uitvoering ervan wordt verboden (2). Er is echter geen reden tot verbod wanneer de mededingingsstructuur van de markt minstens in even sterke mate zou verslechteren zonder de fusie (3).

(24)

Om dus te beoordelen of een concentratie de daadwerkelijke mededinging op significante wijze belemmert, moet de Commissie de mededingingssituatie die uit de fusie zou voortvloeien, vergelijken met die welke zonder de fusie zou hebben bestaan (4).

(25)

Om de voorwaarden te bepalen in de situatie zonder de concentratie, mag de Commissie rekening houden met toekomstige ontwikkelingen van de markt die redelijkerwijs te voorspellen zijn (5).

(26)

Het is van bijzonder belang of, zonder de concentratie, de betreffende activa de markt zouden verlaten. Wanneer de activa, indien zij niet door een andere onderneming worden overgenomen, in de nabije toekomst gedwongen zouden worden de markt te verlaten en er geen minder mededingingsbeperkend overnamealternatief bestaat dan de aangemelde concentratie, kan de Commissie besluiten dat een verslechtering van de mededingingsstructuur die op de fusie volgt, niet kan worden beschouwd als veroorzaakt door de fusie, aangezien de mededingingsstructuur van de markt zonder de fusie minstens in even sterke mate zou verslechteren (6).

(27)

Het staat aan de aanmeldende partijen om tijdig alle relevante informatie te verstrekken die noodzakelijk is om aan te tonen dat de verslechtering van de mededingingsstructuur die het gevolg is van de fusie, niet door de fusie wordt veroorzaakt (7).

Situatie zonder transactie, de Harburg refinery assets zullen gedwongen worden de markt te verlaten indien zij niet door een andere onderneming worden overgenomen

(28)

De Harburg refinery assets hebben tijdens de periode [voorbije vijf tot tien jaar] gemiddeld verlies geleden. De voorbije vijf tot tien jaar bedroegen de totale netto-inkomsten van de raffinaderij vóór interest en na belastingen [- 50 tot - 150] miljoen USD en het gemiddelde jaarverlies [0 tot - 50] miljoen USD. Daarnaast, en volgens de recentste interne berekeningen van Shell, bedraagt de netto contante waarde van de sluiting van de Harburg refinery assets ongeveer [- 300 tot - 550] miljoen USD, terwijl de netto contante waarde voor het openhouden van de activa ongeveer [- 800 tot - 1 000] miljoen USD zou bedragen. Het openhouden zou dus leiden tot dubbel zoveel verlies, waardoor het voor Shell logischerwijs interessanter is de site te sluiten.

(29)

Shell heeft publiekelijk de sluiting aangekondigd als Harburg niet wordt afgesplitst. Daarnaast verklaarde het ook dat het in het kader van zijn toekomstige bedrijfsstrategie de sector van naftenische industriële olie wil verlaten. Deze strategie volgt de tendens bij de meeste grote oliemaatschappijen, die de laatste twee decennia uit de naftenische sector zijn gestapt en zich meer zijn gaan toeleggen op ontginning en productie en op basisproducten zoals brandstoffen. Shell diende bewijsstukken in dat het het brandstofgedeelte van de raffinaderij in april 2013 al had gesloten en dat met de sloop ervan is begonnen.

(30)

Tot slot analyseerde de Commissie de interne documenten die Shell had overgelegd en vond zij geen aanwijzingen dat Shell langetermijnplannen zou hebben voor de raffinaderij van Harburg.

(31)

Op basis van voornoemde feiten besluit de Commissie dat de Harburg refinery assets in de nabije toekomst gedwongen zullen worden de markt te verlaten indien zij niet door een andere onderneming worden overgenomen.

Er bestaat geen minder mededingingsbeperkend overnamealternatief dan de aangemelde concentratie

(32)

Lang voor de onderhandelingen met Nynas over de verkoop van de Harburg refinery assets, met name eind 2008, was Shell al intern de verkoop van de raffinaderijen van Harburg/Heide aan het voorbereiden. Er was echter geen echte interesse van kopers om het hele raffinaderijcomplex van Harburg te kopen. Nichespelers toonden interesse in de aankoop van enkel de productieplant voor basisolie, waardoor Shell zou achterblijven met versneden raffinaderijactiva voor brandstoffen. Aangezien Shell besefte dat het niet zou lukken om de volledige raffinaderij van Harburg te verkopen, besliste het een deel te behouden (en om te vormen tot een terminal) en het resterende gedeelte samen met de productieplant voor basisolie te proberen te verkopen aan een potentiële nichespeler in basisolie. Nynas en Ergon werden in dit nieuw afsplitsingsscenario geïdentificeerd als de enige kandidaat-kopers. Ergon is een Amerikaans bedrijf dat onder andere naftenische basis- en procesoliën produceert. Ergon is momenteel de grootste concurrent van Nynas in de EER. Het exporteert naftenische basis- en procesoliën vanuit zijn faciliteit in de Verenigde Staten naar de EER.

(33)

Op 20 april 2011 stuurde Shell een procesbrief naar zowel Nynas als Ergon met het verzoek om tegen 5 mei 2011 een definitief en bindend bod te doen. Op 28 april 2011 ontving Shell een e-mail van Ergon waarin stond dat, op basis van de resultaten van zijn financieel model, het due-diligenceteam aan het uitvoerend comité van Ergon had aanbevolen niet op het verzoek in te gaan. Ergon vatte in april 2011 de bevindingen van zijn zorgvuldig onderzoek samen in een financieel model, waaruit bleek dat het geraamde rendement ver onder het minimum-rendement („hurdle rate”) lag dat aanvaardbaar zou zijn voor dergelijke investeringen.

(34)

Shell en Ergon hadden daarna meermaals contact om te bekijken of er voor Ergon een manier was om een bindend bod aan Shell te doen. Shell vergeleek de voorwaarden van het voorstel van Ergon met de sluitingskost. Shell verklaarde aan de Commissie dat een van de verzoeken van Ergon de lijst van Shell met de klanten van basis- en procesolie was. Shell was (en is nog steeds) niet van plan deze weg te geven want dit zou nadelig zijn voor zijn GTL-strategie. Shell is immers van plan om in de toekomst zijn huidige afnemers van naftenische oliën te migreren naar zijn GTL-producten. Het was de grote waarde van de klantenlijst die het voorstel van Ergon duurder maakte dan de sluitingskost.

(35)

De Commissie heeft bovendien de door Ergon overgelegde interne documenten geanalyseerd, maar geen aanwijzingen gevonden dat Ergon nog steeds interesse zou hebben in de aankoop van Harburg.

(36)

De Commissie is ook nagegaan of een kwantitatieve analyse van de motieven van Ergon om de activa te kopen en van de motieven van Shell om de activa te verkopen kan worden gebruikt om te stellen dat Ergon, zonder de voorgenomen transactie, de Harburg refinery assets waarschijnlijk zou kopen. Aangezien er echter geen zekerheid is over bepaalde belangrijke parameters, is de kwantitatieve analyse van de waarschijnlijkheid dat Ergon, zonder de voorgenomen transactie, Harburg zou kopen, niet erg nauwkeurig. Bijgevolg kan men op basis van de kwantitatieve analyse niet met zekerheid stellen dat Ergon waarschijnlijk de Harburg refinery assets zou willen kopen voor een (mogelijk negatieve) prijs die voor Shell dan ook aanvaardbaar zou zijn.

De activa van Harburg zouden onvermijdelijk de markt verlaten

(37)

In onderhavig geval gaat het om een asset deal. Daarom, en aangezien er geen alternatieve, betrouwbare koper is voor de Harburg refinery assets, zullen, indien de transactie niet doorgaat, de Harburg refinery assets in de nabije toekomst gedwongen worden de markt te verlaten.

Conclusie

(38)

De gevolgen van onderhavige transactie voor de mededinging zullen worden beoordeeld in het licht van een alternatief scenario, dat erin bestaat dat de Harburg refinery assets de betreffende markten verlaten.

2.   Horizontale niet-gecoördineerde effecten op de markt van naftenische basis- en procesoliën

(39)

De Commissie is van mening dat in onderhavig geval uit de analyse van de marktaandelen niet nauwkeurig kan worden afgeleid wat de gevolgen van deze transactie op de mededingingssituatie op de markt zijn.

(40)

Na de transactie zou Nynas in 2012 in de EER een gecombineerd marktaandeel hebben van ongeveer 73 % voor naftenische basis- en procesoliën voor wat volume betreft, met een toename van [10-20 %]. Het marktaandeel in de EER van Ergon zal [20-30 %] zijn en dat van Calumet en PetroChina respectievelijk slechts [0-5 %] en [0-5 %].

Basis- en procesoliën — Industrieel segment (volume in kt) — Alleen naftenische oliën

EER

 

2009

2010

2011

2012

 

kt

%

kt

%

kt

%

kt

%

Nynas

[…]

[60-70 %]

[…]

[60-70 %]

[…]

[60-70 %]

[…]

[50-60 %]

Target

[…]

[10-20 %]

[…]

[10-20 %]

[…]

[10-20 %]

[…]

[10-20 %]

Ergon

[…]

[10-20 %]

[…]

[10-20 %]

[…]

[10-20 %]

[…]

[20-30 %]

Calumet

[…]

[1-5 %]

[…]

[1-5 %]

[…]

[1-5 %]

[…]

[1-5 %]

PetroChina

[…]

[1-5 %]

[…]

[1-5 %]

[…]

[1-5 %]

[…]

[1-5 %]

Totaal

[…]

100

[…]

100

[…]

100

[…]

100

Bron: Formulier CO.

(41)

In het sluitingsscenario zou Nynas zijn capaciteit niet kunnen uitbreiden en zou het aanvullend een beroep moeten doen op dure invoer of afstand moeten doen van de momenteel rendabele verkoop buiten de EER. Beide opties zouden leiden tot alternatieve kosten die de motivatie om agressief te concurreren in de EER zouden verkleinen. Ergon zou hoogstwaarschijnlijk een groter marktaandeel verwerven in het sluitingsscenario dan in het geval van een concentratie. De toename van het marktaandeel van Ergon in het sluitingsscenario zou echter gepaard gaan met een hoger prijsniveau dan het prijsniveau dat door de voorgenomen transactie tot stand zou komen. Zoals Ergon verklaarde, zou het zijn uitvoer van de Verenigde Staten naar de EER slechts verhogen als de prijs in de EER zou toenemen.

(42)

Het grotere marktaandeel dat Nynas waarschijnlijk zal verwerven na de voorgenomen transactie is met andere woorden voornamelijk het gevolg van het grotere mededingingsvermogen van Nynas ten opzichte van het sluitingsscenario en heeft niets te maken met de hogere prijzen ten opzichte van dat scenario.

Minder capaciteit zonder de aangemelde transactie

(43)

De Harburg refinery assets hebben een capaciteit van ongeveer [150-250] ktpa en produceren ongeveer [100-200] ktpa (8) naftenische basis- en procesoliën (9). Zonder de aangemelde transactie zouden de Harburg refinery assets de markt verlaten met als gevolg een capaciteitsverlies van ongeveer [150-250] ktpa voor de EER-markt van naftenische basis- en procesoliën. Shell heeft geen andere productie-capaciteit voor naftenische basis- en procesoliën. Daarom zou Shell na de sluiting van de Harburg refinery assets geen concurrentiedruk meer veroorzaken.

(44)

Nynas, de enige andere producent van naftenische basis- en procesoliën in de EER, kan zijn capaciteit niet uitbreiden. Dit is de reden waarom Nynas momenteel een beroep doet op externe leveranciers om aan de vraag van zijn klanten te voldoen. Daarnaast blijkt het onmogelijk om de productiecapaciteit in de raffinaderij van Nynäshamn te verhogen. Nynas zoekt naar mogelijkheden om zijn capaciteit veilig te stellen en te verhogen. De meeste alternatieven die Nynas reeds overwoog, waren projecten buiten de EER. Er werd één alternatief project binnen de EER overwogen. Dit project werd echter afgekeurd door de raad van bestuur van Nynas in 2007, lang voordat de Harburg refinery assets te koop werden gesteld. De belangrijkste reden van deze afkeuring was dat de beoogde investeringen te groot waren in vergelijking met het verwachte rendement.

(45)

De Commissie is daarom van mening dat zonder de aangemelde transactie de leveringscapaciteit van naftenische basis- en procesoliën op de EER-markt in relatief grote mate beperkt zou worden, wat normaal gezien leidt tot een toename van de prijzen. Deze conclusie is zelfs van toepassing als Nynas in het kader van de aangemelde transactie de Harburg refinery assets niet zou uitbreiden, dit wil zeggen, zelfs als Nynas de capaciteit van de activa van Harburg niet zou uitbreiden.

(46)

Bovendien zou de transactie andere voordelen teweegbrengen, zoals hieronder wordt uitgelegd.

De transactie leidt tot een capaciteitstoename in Harburg en bijgevolg tot lagere prijzen

(47)

De transactie zou een verifieerbare capaciteitstoename van ongeveer 160 ktpa in de EER teweegbrengen, wat zal leiden tot een verifieerbare kostenbesparing voor Nynas op grote verkoopvolumes. De Commissie heeft, op basis van bewijsstukken van Nynas, berekend dat het voor Nynas een besparing in effectieve variabele kosten van ongeveer [20-30 %] zou opleveren voor bijkomende verkoop in de EER. De Commissie erkent daarom dat grote volumes die anders via spottransacties tegen hogere prijzen bij derden zouden worden aangekocht, als gevolg van de voorgenomen transactie kunnen worden vervangen door een goedkopere productie in de EER.

(48)

Aangezien Nynas de hierboven beschreven kostenbesparingen op geen enkele andere manier dan door de transactie kan behalen, concludeert de Commissie dat de kostenbesparingen uit de fusie voortkomen. Bovendien zal Nynas de kostenbesparingen waarschijnlijk verrekenen in zijn prijzen. Het zal motieven hebben om de consument deels te laten meegenieten van de kostenbesparingen, wat leidt tot prijzen onder het niveau dat van toepassing zou zijn zonder de transactie. De consument heeft dus baat bij de transactie.

Conclusie

(49)

De Commissie concludeert dat de voorgenomen transactie niet alleen de bestaande productiecapaciteit in de Harburg refinery assets in stand houdt, maar ook deze capaciteit vergroot als gevolg van de verifieerbare uitbreiding. Shell zou van de naftenische markt verdwijnen, ongeacht of de voorgenomen transactie zou plaatsvinden of niet. Nynas kan de aanvullende capaciteit gebruiken om de invoer, die gepaard gaat met hoge variabele kosten, te vervangen door een eigen productie in de Harburg refinery assets met lagere variabele kosten. Nynas is bijgevolg sterk gemotiveerd om de aanvullende capaciteit te gebruiken. Als gevolg van de voorgenomen transactie zal meer capaciteit beschikbaar zijn op de EER-markt tegen lagere variabele kosten. Dit zal waarschijnlijk een positief effect hebben op de EER-prijzen ten opzichte van het scenario zonder de concentratie.

3.   Horizontale niet-gecoördineerde effecten op de markt van transformator-oliën

(50)

Na de transactie zou Nynas in 2012 in de EER een gecombineerd marktaandeel hebben van ongeveer [50-60 %] voor wat volume betreft, met een toename van [5-10 %].

Tabel transformatoroliën (2012)

Volume (kton) transformatoroliën en marktaandeel (%)

 

2009

2010

2011

2012

 

kt

%

kt

%

kt

%

kt

%

Nynas

[…]

[50-60 %]

[…]

[50-60 %]

[…]

[40-50 %]

[…]

[50-60 %]

Shell Harburg refinery

[…]

[10-20 %]

[…]

[10-20 %]

[…]

[10-20 %]

[…]

[5-10 %]

Ergon

[…]

[10-20 %]

[…]

[10-20 %]

[…]

[10-20 %]

[…]

[10-20 %]

Repsol

[…]

[5-10 %]

[…]

[5-10 %]

[…]

[5-10 %]

[…]

[5-10 %]

Apar

[…]

[0-5 %]

[…]

[0-5 %]

[…]

[5-10 %]

[…]

[0-5 %]

Rosneft (Angarsk)

[…]

[0-5 %]

[…]

[0-5 %]

[…]

[0-5 %]

[…]

[0-5 %]

Savita

[…]

[0-5 %]

[…]

[0-5 %]

[…]

[0-5 %]

[…]

[0-5 %]

Andere

[…]

[0-5 %]

[…]

[0-5 %]

[…]

[0-5 %]

[…]

[5-10 %]

Totaal

[…]

100

[…]

100

[…]

100

[…]

100

Bron: Nynas.

(51)

Ergon heeft, volgens Nynas, in 2012 een marktaandeel van [20-30 %] voor wat volume betreft. Er zullen na de transactie ook nog steeds andere spelers op de markt van transformatoroliën zijn, met name Repsol, Apar, Rosneft en Savita.

(52)

Shell heeft zijn lijst van transformatorolieklanten niet aan Nynas verkocht, aangezien het van plan is zijn klanten te overtuigen om naftenische transformatoroliën te vervangen door GTL-alternatieven die door Shell in Qatar worden geproduceerd.

(53)

De Commissie is van mening dat Nynas na de transactie wellicht het grootste deel van het marktaandeel van Shell op de transformatoroliemarkt zal verwerven dankzij zijn groter concurrentievermogen. In het alternatieve sluitingsscenario is het minder duidelijk wie de voormalige klanten van Shell zou bevoorraden, aangezien de capaciteit van Nynas beperkt zal blijven. Om tegemoet te komen aan de toenemende verkoop zou Nynas een beroep moeten blijven doen op aanvullende dure invoervolumes of zou zij afstand moeten doen van de momenteel rendabele verkoop buiten de EER, waardoor de onderneming minder gemotiveerd zal zijn om agressief te concurreren in de EER.

(54)

Ergon daarentegen heeft reservecapaciteit in Vicksburg en zou zijn capaciteit blijven gebruiken om EER-klanten nog meer te bevoorraden. Ergon meldde dat in het geval van een prijsstijging in de EER, het een extra 30 tot 50 kt/jaar aan de EER zou kunnen leveren.

(55)

Ergon zou bijgevolg wellicht een groter marktaandeel verwerven in het sluitingsscenario dan in het geval van een concentratie. Dit zou echter plaatsvinden zonder de concurrentiedruk uit Harburg. Nynas zou ook minder agressief kunnen concurreren aangezien het zijn productie maar beperkt zou kunnen uitbreiden tegen concurrerende prijzen. Bijgevolg zou Ergon zijn marktaandeel in het sluitingsscenario waarschijnlijk kunnen vergroten tegen een hoger prijsniveau dan in het scenario van de voorgenomen transactie.

Conclusie

(56)

De voorgenomen transactie zal waarschijnlijk leiden tot een groter marktaandeel voor de gecombineerde entiteit dan in het sluitingsscenario. Dit groter marktaandeel van Nynas wil, gezien de specifieke omstandigheden van deze zaak, echter niet zeggen dat de voorgenomen transactie de mededinging sterker verstoort dan in het sluitingsscenario. De voorgenomen transactie zal met name de bestaande productiecapaciteit in de Harburg refinery assets in stand houden en zal deze capaciteit vergroten als gevolg van de verifieerbare uitbreiding. Zonder de transactie zal deze productiecapaciteit verloren gaan aangezien Shell de markt zal verlaten. Bovendien zal, zoals bij de basisoliën, de extra capaciteit op de EER-markt beschikbaar zijn tegen lagere variabele kosten. Dit zal waarschijnlijk een positief effect hebben op de EER-prijzen ten opzichte van het scenario zonder de concentratie.

4.   Horizontale gecoördineerde effecten op de markt van naftenische basis- en procesoliën en op de markt van transformatoroliën

(57)

De Commissie is van mening dat, als gevolg van gecoördineerde effecten, de voorgenomen transactie waarschijnlijk ook niet zal leiden tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging op de markt van naftenische basis- en procesoliën en transformatoroliën. Shell zal, zonder de transactie, geen bedrijfsactiviteiten meer uitvoeren op deze markten. De transactie verandert dus de marktstructuur niet op significante wijze. Bovendien moeten naftenische basis- en procesoliën door elke klant en voor elke eindtoepassing worden getest en gekwalificeerd. Bijgevolg is de kans klein dat er gecoördineerde effecten ontstaan als gevolg van de transactie.

5.   Niet-gecoördineerde effecten

(58)

De Commissie is van mening dat de voorgenomen transactie waarschijnlijk niet zal leiden tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging als gevolg van het verticale verband tussen de activiteiten van de partijen op de markten van naftenische basisolie en transformatoroliën. De transactie zal waarschijnlijk niet leiden tot afscherming van productiemiddelen aangezien de partijen geen basisoliën aan derde partijen in de EER leveren en de meeste derde producenten van transformatoroliën zelf basisolie produceren. Ook afscherming van afnemers zal waarschijnlijk niet plaatsvinden aangezien de partijen slechts 5-7 % van hun behoeften aan naftenische basisolie van derden kopen.

V.   CONCLUSIE

(59)

Zonder de voorgenomen concentratie zullen de Harburg refinery assets hoogstwaarschijnlijk uit de markt gaan, wat veel slechter is voor de mededingingsstructuur van de betreffende markten dan de te verwachten gevolgen van de concentratie.

(60)

De Commissie besluit daarom dat de concentratie de daadwerkelijke mededinging niet op significante wijze zal belemmeren en derhalve overeenkomstig artikel 2, lid 2, en artikel 8, lid 1, van de concentratieverordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst verenigbaar dient te worden verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(2)  Artikel 2, lid 3, artikel 8, lid 3, en artikel 14, lid 2, onder c), van de concentratieverordening.

(3)  Zie in dit kader het arrest van het Hof van 31 maart 1998 in gevoegde zaken C-68/94 en C-30/95, Franse Republiek e.a./Commissie, Jurispr. 1998, blz. I-1375, „Kali & Salz”, punten 109-124. Zie ook punt 89 van de richtsnoeren voor horizontale concentraties.

(4)  Richtsnoeren voor horizontale concentraties, punt 9.

(5)  Zie voetnoot 4.

(6)  Zie in dit kader de punten 89 en 90 van de richtsnoeren voor horizontale concentraties.

(7)  Punt 91 van de richtsnoeren voor horizontale concentraties.

(8)  Kiloton per annum.

(9)  Formulier CO, punt 167 en tabel 762.


INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN

17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/13


Door de lidstaten meegedeelde informatie betreffende sluiting van de visserij

2014/C 368/05

Krachtens artikel 35, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), is besloten de visserij te sluiten overeenkomstig de bepalingen in de onderstaande tabel:

Datum en tijdstip van sluiting

13.9.2014

Duur

13.9.2014 - 31.12.2014

Lidstaat

België

Bestand of groep bestanden

ANF/8ABDE.

Soort

Zeeduivels (Lophiidae)

Gebied

VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe

Vissersvaartuigtype(s)

Referentienummer

49/TQ43


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.


17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/13


Door de lidstaten meegedeelde informatie betreffende sluiting van de visserij

2014/C 368/06

Krachtens artikel 35, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), is besloten de visserij te sluiten overeenkomstig de bepalingen in de onderstaande tabel:

Datum en tijdstip van sluiting

21.9.2014

Duur

21.9.2014 – 31.12.2014

Lidstaat

Denemarken

Bestand of groep bestanden

SRX/2AC4-C

Soort

Roggen (Rajiformes)

Gebied

Wateren van de Unie van IIa en IV

Vissersvaartuigtype(s)

Referentienummer

55/TQ43


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.


17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/14


Door de lidstaten meegedeelde informatie betreffende sluiting van de visserij

2014/C 368/07

Krachtens artikel 35, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), is besloten de visserij te sluiten overeenkomstig de bepalingen in de onderstaande tabel:

Datum en tijdstip van sluiting

13.9.2014

Duur

13.9.2014 - 31.12.2014

Lidstaat

België

Bestand of groep bestanden

LEZ/8ABDE.

Soort

Scharretongen (Lepidorhombus spp.)

Gebied

VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe

Vissersvaartuigtype(s)

Referentienummer

50/TQ43


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.


V Adviezen

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Europese Commissie

17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/15


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.7395 — Mexichem/Vestolit)

(Voor de EER relevante tekst)

2014/C 368/08

1.

Op 10 oktober 2014 heeft de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Mexichem SAB de CV („Mexichem”, Mexico) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening uitsluitende zeggenschap verkrijgt over VESTO PVC Holding GmbH („Vestolit”, Duitsland) door de verwerving van aandelen.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   Mexichem: productie en levering van pvc en pvc-hulpstoffen (zoals bijtende soda, ethylchloride, methylchloride, zoutzuur en natriumsulfaat), alsmede pvc-compounds, pvc-koppelstukken, kunststofhulpstukken en pvc-leidingssystemen;

—   Vestolit: productie en levering van pvc- en pvc-compounds en -hulpstoffen.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Europese Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Europese Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Europese Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer M.7395 — Mexichem/Vestolit, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).


17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/16


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.7393 — Albemarle/Rockwood)

(Voor de EER relevante tekst)

2014/C 368/09

1.

Op 9 oktober 2014 heeft de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Albemarle Corporation („Albemarle”, Verenigde Staten) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening volledige zeggenschap verkrijgt over Rockwood Holdings Inc. („Rockwood”, Verenigde Staten) door de verwerving van effecten.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   Albemarle: ontwikkeling, productie en verkoop van hoogtechnologische speciaalchemicaliën voor uiteenlopende eindmarkten zoals aardolieraffinage, consumentenelektronica, kunststoffen/verpakking, bouw, automobielindustrie, smeermiddelen, farmaceutische producten, gewasbescherming, voedselveiligheid en scheikundige maatwerkdienstverlening;

—   Rockwood: ontwikkeling, productie en verkoop van technologisch geavanceerde speciaalchemicaliën met hoge toegevoegde waarde, met name lithium en lithiumverbindingen, oppervlaktebehandelingstechnologieën en -oplossingen, zoals corrosiewerende/-voorkomende oliën en onderhoudschemicaliën.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Europese Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Europese Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Europese Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer M.7393 — Albemarle/Rockwood, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).


17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/17


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.7352 — GDF Suez/SOPER/Natixis/LCS 1/LCS 2/LCS 5/LCS 9/LCS GO)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

2014/C 368/10

1.

Op 9 oktober 2014 heeft de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat La Compagnie du Vent („LCV”, Frankrijk), dat onder de gezamenlijke zeggenschap van GDF Suez („GDF Suez”, Frankrijk) en SOPER („SOPER”, Frankrijk) staat, en Natixis Asset Management („Natixis”, Frankrijk), dat tot de Groupe Banque Populaire Caisse d’Epargne („Groupe BPCE”, Frankrijk) behoort, in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening de gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over La Compagnie du Soleil Investissement 1 („LCS 1”, Frankrijk), La Compagnie du Soleil Investissement 2 („LCS 2”, Frankrijk), La Compagnie du Soleil Investissement 5 („LCS 5”, Frankrijk), La Compagnie du Soleil Investissement 9 („LCS 9”, Frankrijk) en La Compagnie du Soleil Grand Ouest („LCS GO”, Frankrijk), door de verwerving van aandelen.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   LCV: Franse onderneming die actief is op het gebied van de ontwikkeling, bouw en exploitatie van wind- en zonneparken en de opwekking van en groothandel in elektriciteit in Frankrijk. LCV staat onder de gezamenlijke zeggenschap van GDF en SOPER. GDF is een geïntegreerde energieonderneming die actief is over de volledige energiewaardeketen, van de productie van gas tot de kleinhandel in gas en van het opwekken van elektriciteit tot de kleinhandel in elektriciteit. SOPER is een houdstermaatschappij die eigendom is van een natuurlijke persoon en die als enige doel het houden van de aandelen in LCV heeft;

—   Natixis: Franse zaken- en investeringsbank die onder de zeggenschap van de Groupe BPCE staat en actief is op het gebied van wholesalebanking, zakenbankieren en financiële dienstverlening;

—   LCS 1, LCS 2, LCS 5, LCS 9 en LCS GO: zonneparken die actief zijn op het gebied van de groothandel in elektriciteit in Frankrijk.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Europese Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de Mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Europese Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Europese Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer M.7352 — GDF Suez/SOPER/Natixis/LCS 1/LCS 2/LCS 5/LCS 9/LCS GO, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/18


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.7412 — SVP/LSHL)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

2014/C 368/11

1.

Op 9 oktober 2014 heeft de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Strategic Value Partners LLC („SVP”, Verenigde Staten) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening de volledige zeggenschap verkrijgt over Linpac Senior Holdings Limited („LSHL”, Verenigd Koninkrijk), door de verwerving van aandelen.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   SVP: beleggingsonderneming die hefboomfondsen en participatiemaatschappijen beheert en belegt op openbare en particuliere kapitaalmarkten, schuldenmarkten en andere alternatieve beleggingsmarkten over de hele wereld;

—   LSHL: uiteindelijke moedermaatschappij van Linpac Packaging Limited, een leverancier van plastic verpakkingen voor voedingsmiddelen.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Europese Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de Mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Europese Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Europese Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer M.7412 — SVP/LSHL, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/19


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.7426 — Gallant Venture/Sumitomo/Toyota Motor/Indonesian JV)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

2014/C 368/12

1.

Op 10 oktober 2014 heeft de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Hino Motors Ltd („Hino”, Japan), Indomobil Multi Jasa TBK („Indomobil”, Indonesië), en Summit Global Auto Management BV („Summit”, Nederland), dat eigendom is van Sumitomo Corporation („Sumitomo”, Japan), in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over PT Hino Finance Indonesia („JVC”, Indonesië).

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

Hino, onderdeel van Toyota Motors Corporation: Japanse producent van zware vrachtwagens en bussen. Zijn productportfolio omvat ook lichte bedrijfswagens, personenauto’s (in opdracht van Toyota Motor Corporation) en een breed scala van motoren en reserveonderdelen. Hino ontwerpt en ontwikkelt ook verwante producten;

Indomobil: een Indonesisch bedrijf dat vooral actief is in motorvoertuigendistributie, aftersalesservice, autofinanciering, distributie van reserveonderdelen, assemblage van voertuigen, productie van autodelen/-onderdelen en andere verwante ondersteunende diensten. De onderneming is voor een aantal internationale automerken ook de exclusieve agent in Indonesië;

Sumitomo: een geïntegreerde Japanse beursgenoteerde handelsonderneming die actief is in uiteenlopende bedrijfssectoren, zowel in als buiten Japan, onder meer metaalproducten, vervoers- en bouwsystemen, milieu en infrastructuur, media, netwerkdiensten, lifestylegoederen, minerale hulpbronnen, energie, chemicaliën en elektronica.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Europese Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de Mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Europese Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Europese Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer M.7426 — Gallant Venture/Sumitomo/Toyota Motor/Indonesian JV, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/20


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.7409 — Apollo Management/Companhia de Seguros Tranquilidade)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

2014/C 368/13

1.

Op 9 oktober 2014 heeft de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat investeringsfondsen die worden beheerd door aan Apollo Management LP („Apollo”, Verenigde Staten) gelieerde ondernemingen, in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening de uitsluitende zeggenschap verkrijgen over Companhia de Seguros Tranquilidade SA en de daaraan gelieerde ondernemingen („groep Tranquilidade”, Portugal), door de verwerving van aandelen.

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

aan Apollo gelieerde ondernemingen: investeringen in ondernemingen en schuldbewijzen van ondernemingen die actief zijn in verschillende bedrijfstakken over de hele wereld, zoals chemie, cruiselijnvaart, logistieke dienstverlening, papier en metalen;

groep Tranquilidade: verzekeringsproducten en -diensten, zowel in het segment levensverzekeringen als in het segment schadeverzekeringen. De onderneming is in Lissabon, Portugal gevestigd en is hoofdzakelijk actief in Portugal.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Europese Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de Mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Europese Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Europese Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer M.7409 — Apollo Management/Companhia de Seguros Tranquilidade, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.


17.10.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 368/21


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak M.7186 — APG Strategic Real Estate Pool/Hammerson/SDMG/MBG/Via)

Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

2014/C 368/14

1.

Op 10 oktober 2014 heeft de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat APG Strategic Real Estate Pool („APG”), een entiteit die onder de zeggenschap staat van Stichting Pensioenfonds ABP („ABP”, Nederland), en Hammerson („Hammerson”, Verenigd Koninkrijk) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de concentratieverordening gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over Via, een gemeenschappelijke onderneming bestaande uit Via LP („the Partnership”, Jersey), de Partnership’s General Partner („the General Partner”, Jersey) en ManCo Limited („ManCo”, Verenigd Koninkrijk), samen met de Meyer Bergman Group („MBG”, Verenigd Koninkrijk) en SD Malkin Properties Inc („SDMG”, Verenigd Koninkrijk).

2.

De activiteiten van de betrokken ondernemingen zijn:

—   APG: beleggingsfonds dat vooral in vastgoed is belegd. ABP, de uiteindelijke eigenaar van APG, is het pensioenfonds voor overheids- en onderwijspersoneel in Nederland;

—   Hammerson: ontwikkeling van commercieel vastgoed en verhuring en exploitatie van eigen commercieel vastgoed. Hammerson heeft een belang in 11 shoppingcenters en 22 retailparken in het Verenigd Koninkrijk en 9 shoppingcenters in Frankrijk;

—   SDMG: ontwikkeling en exploitatie van vastgoed, met de klemtoon op retail shoppingoutlets;

—   MBG: beheer van vastgoedbeleggingen;

—   Via: verwerving, eigendom en beheer van vastgoedactiva vooral in de EU. Haar activa omvatten momenteel één shoppingcenter in Nederland (Bataviastad) en één in de Tsjechische Republiek (Fashion Arena).

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Europese Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de Mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2).

4.

De Europese Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Europese Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer M.7186 — APG Strategic Real Estate Pool/Hammerson/SDMG/MBG/Via, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 („de concentratieverordening”).

(2)  PB C 366 van 14.12.2013, blz. 5.