|
ISSN 1977-0995 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 254 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
57e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
II Mededelingen |
|
|
|
MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Europese Commissie |
|
|
2014/C 254/01 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.7298 — UNIQA Insurance Group/UNIQA Life) ( 1 ) |
|
|
2014/C 254/02 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak M.7247 — Fresenius SE & Co/Sistema JSFC/JV) ( 1 ) |
|
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Europese Commissie |
|
|
2014/C 254/03 |
||
|
2014/C 254/04 |
||
|
2014/C 254/05 |
Eindverslag van de raadadviseur-auditeur — Deutsche Börse/NYSE Euronext (M.6166) |
|
|
2014/C 254/06 |
Samenvatting van het besluit van de Commissie van 1 februari 2012 waarbij een concentratie onverenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst (Zaak M.6166 — Deutsche Börse/NYSE Euronext) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 440 final) ( 1 ) |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN |
|
|
2014/C 254/07 |
Door de lidstaten meegedeelde informatie betreffende sluiting van de visserij |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
2014/C 254/08 |
||
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
|
II Mededelingen
MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Europese Commissie
|
5.8.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 254/1 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie
(Zaak M.7298 — UNIQA Insurance Group/UNIQA Life)
(Voor de EER relevante tekst)
2014/C 254/01
Op 30 juli 2014 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:
|
— |
op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector, |
|
— |
in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32014M7298. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving. |
(1) PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.
|
5.8.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 254/1 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie
(Zaak M.7247 — Fresenius SE & Co/Sistema JSFC/JV)
(Voor de EER relevante tekst)
2014/C 254/02
Op 2 juni 2014 heeft de Commissie besloten zich niet te verzetten tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de interne markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1). De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:
|
— |
op de website Concurrentie van de Commissie, afdeling Fusies (http://ec.europa.eu/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende hulpmiddelen om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op: naam van de onderneming, nummer van de zaak, datum en sector, |
|
— |
in elektronische vorm op de EUR-Lex-website (http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl) onder document nr. 32014M7247. EUR-Lex biedt onlinetoegang tot de communautaire wetgeving. |
(1) PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Europese Commissie
|
5.8.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 254/2 |
Wisselkoersen van de euro (1)
4 augustus 2014
2014/C 254/03
1 euro =
|
|
Munteenheid |
Koers |
|
USD |
US-dollar |
1,3422 |
|
JPY |
Japanse yen |
137,72 |
|
DKK |
Deense kroon |
7,4556 |
|
GBP |
Pond sterling |
0,79720 |
|
SEK |
Zweedse kroon |
9,2563 |
|
CHF |
Zwitserse frank |
1,2167 |
|
ISK |
IJslandse kroon |
|
|
NOK |
Noorse kroon |
8,4285 |
|
BGN |
Bulgaarse lev |
1,9558 |
|
CZK |
Tsjechische koruna |
27,645 |
|
HUF |
Hongaarse forint |
313,40 |
|
LTL |
Litouwse litas |
3,4528 |
|
PLN |
Poolse zloty |
4,1716 |
|
RON |
Roemeense leu |
4,4350 |
|
TRY |
Turkse lira |
2,8658 |
|
AUD |
Australische dollar |
1,4408 |
|
CAD |
Canadese dollar |
1,4660 |
|
HKD |
Hongkongse dollar |
10,4021 |
|
NZD |
Nieuw-Zeelandse dollar |
1,5771 |
|
SGD |
Singaporese dollar |
1,6732 |
|
KRW |
Zuid-Koreaanse won |
1 386,25 |
|
ZAR |
Zuid-Afrikaanse rand |
14,3492 |
|
CNY |
Chinese yuan renminbi |
8,2939 |
|
HRK |
Kroatische kuna |
7,6460 |
|
IDR |
Indonesische roepia |
15 782,86 |
|
MYR |
Maleisische ringgit |
4,2977 |
|
PHP |
Filipijnse peso |
58,709 |
|
RUB |
Russische roebel |
48,0252 |
|
THB |
Thaise baht |
43,173 |
|
BRL |
Braziliaanse real |
3,0264 |
|
MXN |
Mexicaanse peso |
17,7050 |
|
INR |
Indiase roepie |
81,7870 |
(1) Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.
|
5.8.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 254/3 |
Advies van het Adviescomité voor concentraties uitgebracht op zijn bijeenkomst van 17 januari 2012 betreffende een ontwerpbesluit in Zaak M.6166 — Deutsche Börse/NYSE Euronext
Rapporteur: Verenigd Koninkrijk
2014/C 254/04
|
1. |
Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de aangemelde transactie een concentratie vormt in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van de concentratieverordening. |
|
2. |
Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de aangemelde transactie een EU-dimensie heeft in de zin van artikel 1 van de concentratieverordening. |
|
3. |
Het Adviescomité is het eens met de relevante productmarkten en geografische markten zoals de Commissie die in haar ontwerpbesluit heeft afgebakend. |
|
4. |
Het Adviescomité is het eens met de beoordeling van de Commissie dat de aangemelde transactie niet tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging op de betrokken markten zou leiden op de volgende terreinen: 1) contante instrumenten; 2) data- en indexlicenties; 3) producten en diensten op het gebied van informatietechnologie; en 4) zekerhedenbeheer. |
|
5. |
Het Adviescomité is het eens met de beoordeling van de Commissie dat het waarschijnlijk is dat de aangemelde transactie in de oorspronkelijk door de aanmeldende partijen voorgestelde vorm aanleiding geeft tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging op de volgende markten, en dat ongeacht de geografische omvang ervan:
|
|
6. |
Het Adviescomité is het eens met de door de Commissie uitgevoerde analyse van efficiëntieverbeteringen en met de conclusie dat deze niet van dien aard zijn dat zij de significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging compenseren die het gevolg is van de aangemelde transactie. |
|
7. |
Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de op 14 december 2011 door de aanmeldende partijen gedane definitieve toezeggingen niet voldoende tegemoetkomen aan de door de Commissie geuite mededingingsbezwaren en de significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging, die het gevolg is van de aangemelde transactie, derhalve niet zullen wegnemen. |
|
8. |
Het Adviescomité is het met de Commissie eens dat de aangemelde transactie bijgevolg onverenigbaar moet worden verklaard met de interne markt en met de werking van de EER-overeenkomst. Eén lidstaat onthoudt zich. |
|
5.8.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 254/4 |
Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (1)
Deutsche Börse/NYSE Euronext (M.6166)
2014/C 254/05
1. Achtergrond
|
1. |
Op 29 juni 2011 heeft de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van de concentratieverordening (2) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat de ondernemingen NYSE Euronext en Deutsche Börse (hierna „de aanmeldende partijen” genoemd) in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van de concentratieverordening een volledige fusie zouden aangaan. Op 4 augustus 2011 heeft de Commissie de procedure van artikel 6, lid 1, onder c), van de concentratieverordening ingeleid. |
2. Schriftelijke procedure
2.1. Mededeling van de punten van bezwaar
|
2. |
Op 5 oktober 2011 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar aan de aanmeldende partijen doen toekomen met als uiterste antwoorddatum 19 oktober. |
|
3. |
De aanmeldende partijen hebben hun bezorgdheid geuit over het feit dat de uiterste datum voor het aanbieden van verbintenissen zonder dat overeenkomstig artikel 10, lid 3, de procedure met 15 werkdagen wordt verlengd (d.w.z. vóór werkdag 55), viel vóór de voorlopige datum die voor de hoorzitting was vastgesteld. Naderhand zijn de aanmeldende partijen overeenkomstig artikel 10, lid 3, tweede alinea, van de concentratieverordening met de Commissie overeengekomen de procedure met zeven werkdagen te verlengen. Tegelijkertijd heb ik besloten de termijn voor het beantwoorden van de mededeling van punten van bezwaar te verlengen tot 24 oktober 2011 en de hoorzitting uit te stellen van 24 en 25 oktober tot 27 en 28 oktober. |
2.2. Toegang tot het dossier
|
4. |
Na de toezending van de mededeling van punten van bezwaar hebben de aanmeldende partijen op 6 oktober 2011 voor het eerst toegang gekregen tot het dossier. Vervolgens hebben de aanmeldende partijen conform punt 43 van de beste praktijken (3) tot aan de raadpleging van het adviescomité op gezette tijden inzage gekregen in het dossier. |
|
5. |
De aanmeldende partijen hebben geen enkel verzoek bij mij ingediend wat de toegang tot het dossier betreft. |
2.3. Aanvragen van belanghebbende derden
|
6. |
Een ongebruikelijk groot aantal personen wenste aan de procedure deel te nemen. Voor de volgende 23 ondernemingen en verenigingen heb ik met de status van belanghebbende derde ingestemd nadat de betrokken partijen hadden aangetoond dat zij voldoende belang hadden bij de uitkomst van de procedure: ACCOR SA, Association Belge des Sociétés Cotées, Association Française des Entreprises Privées, the Association for Financial Markets in Europe, The Bank of New York Mellon, bnp Paribas Arbitrage, Chi-X Europe Ltd, [VERTROUWELIJK], LCH.Clearnet Group Limited, CME Group Inc., Euroclear Group, IMC Financial Markets, ICAP Securities Limited, IntercontinentalExchange Inc., Kyte Group Limited, London Stock Exchange Group plc, Nasdaq OMX Nordic OY, L’Oreal SA, Robeco Groep nv, […] (4), Solvay SA, ThromboGenics nv, en Vlaamse Federatie van Beleggingsclubs en Beleggers vzw. |
|
7. |
De aanmeldende partijen zijn in kennis gesteld van de identiteit van de ondernemingen waaraan de status van belanghebbende derde is verleend. |
|
8. |
Ik heb twee aanvragen voor de status van belanghebbende derde afgewezen.
|
|
9. |
Enkele andere aanvragers hebben hun oorspronkelijke aanvraag niet gehandhaafd nadat hun was uitgelegd welke de gevolgen ervan waren — de meesten onder hen wilden de hoorzitting gewoon als waarnemers bijwonen — of nadat hun was gevraagd hun belang verder toe te lichten. In dit verband zij eraan herinnerd dat derden die aantonen voldoende belang te hebben, het recht hebben schriftelijk te worden gehoord, en alleen aan de hoorzitting van de partijen mogen deelnemen als de Commissie zulks passend acht, bijvoorbeeld als zij een nuttige bijdrage aan het verduidelijken van de relevante feiten van de zaak kunnen leveren (10). |
|
10. |
Van de 23 belanghebbende derden hebben er tien ook daadwerkelijk gebruikgemaakt van hun recht om schriftelijke opmerkingen bij de Commissie in te dienen na een niet-vertrouwelijke versie van de mededeling van punten van bezwaar te hebben ontvangen (11). |
3. Mondelinge behandeling
|
11. |
De aanmeldende partijen hebben om een hoorzitting verzocht, die op 27 en 28 oktober 2011 te Brussel heeft plaatsgevonden. |
|
12. |
De volgende deelnemers hebben de hoorzitting bijgewoond:
|
|
13. |
De aanvraag van één belanghebbende derde om de hoorzitting te mogen bijwonen heb ik afgewezen, en wel om de hierna vermelde redenen. Ten eerste was de aanvraag niet tijdig ingediend (anderhalve dag vóór de hoorzitting). Ten tweede had de derde tot dan toe niet aan de procedure deelgenomen. Noch na de bekendmaking van de aanmelding in het Publicatieblad (12), noch na de bekendmaking van de inleiding van de procedure in het Publicatieblad (13) had hij opmerkingen aan de Commissie medegedeeld. Hij had evenmin geantwoord op de vragenlijst die het directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie („DG Concurrentie”) in het kader van zijn marktonderzoek had verspreid. Al met al achtte ik het onwaarschijnlijk dat deze derde tijdens de hoorzitting een nuttige bijdrage aan de verduidelijking van de relevante feiten zou leveren. Ik heb zijn verzoek om de hoorzitting te mogen bijwonen, dan ook afgewezen. In verband met de belanghebbende derden is het ook vermeldenswaard dat sommigen onder hen, hoewel zij tot de hoorzitting waren toegelaten, later hun verzoek om deze als belanghebbende derden te mogen bijwonen hebben ingetrokken, maar in plaats daarvan hebben besloten om als lid van de delegatie van de aanmeldende partijen deel te nemen (14). |
4. Procedure na de hoorzitting
4.1. Toezeggingen
|
14. |
Op 17 november 2011 hebben de aanmeldende partijen toezeggingen gedaan om tegemoet te komen aan de mededingingsbezwaren die in de mededeling van punten van bezwaar werden genoemd. Op 21 november 2011 hebben de aanmeldende partijen een herziene versie van deze toezeggingen ingediend. Op 22 november 2011 is de Commissie gestart met een marktonderzoek naar deze toezeggingen. Op 12 december 2011 hebben de aanmeldende partijen een tweede reeks toezeggingen ingediend, die later op 14 december 2011 is gewijzigd. Het marktonderzoek naar de tweede reeks toezeggingen is aangevat op 14 en 15 december 2011. |
|
15. |
Ik heb van de aanmeldende partijen geen klachten ontvangen over de marktonderzoeken die de Commissie naar de voorgestelde toezeggingen heeft uitgevoerd. |
4.2. Ander procedureel verzoek van de aanmeldende partijen
|
16. |
Op 1 december 2011 hebben de aanmeldende partijen een brief aan DG Concurrentie toegezonden. Daarin werd beweerd dat het team van de hoofdeconoom van DG Concurrentie op een vergadering van 23 november 2011 met de aanmeldende partijen een aantal nieuwe argumenten heeft aangevoerd die niet eerder naar voren waren gebracht. In de brief werd tevens verwezen naar bepaalde aanvullende economische analyses die het team van de hoofdeconoom had verricht. |
|
17. |
DG Concurrentie heeft daarop gereageerd bij brief van 8 december 2011, waarin werd toegelicht waarom de op 23 november aan de aanmeldende partijen gepresenteerde analyse geen nieuwe elementen of feiten of nieuwe bezwaren bevatte of inhield, maar gewoon diende ter illustratie van de in de mededeling van punten van bezwaar geformuleerde argumenten. Verdere uitleg over de door het team van de hoofdeconoom gepresenteerde economische analyse was opgenomen in de brief, waaraan de notulen van de vergadering van 23 november waren gehecht, samen met de hand-out waarnaar tijdens de vergadering was verwezen en die de gegevens bevatte waarvan het team van de hoofdeconoom bij zijn analyse was uitgegaan. De aanmeldende partijen kregen tot 13 december 2011 (9 uur ’s morgens) de tijd om verdere opmerkingen te maken. |
|
18. |
Op 13 december 2011 om 17.40 uur hebben de aanmeldende partijen gereageerd: zij herhaalden hun standpunt dat de door het team van de hoofdeconoom gepresenteerde analyses op twee punten nieuw waren en daardoor ernstige vragen deden rijzen over de mogelijkheid van de aanmeldende partijen om hun rechten van verdediging uit te oefenen. Zij hebben desondanks een economische analyse van de hand van hun economische adviseurs ingediend, waarin commentaar werd geleverd op de door het team van de hoofdeconoom gepresenteerde analyses. Zij hebben ook een herziene versie van de notulen van de vergadering van 23 november 2011 overgelegd. |
|
19. |
In verband met de bovenbeschreven procedurele kwestie is het volgende op te merken. Ten eerste wordt in de brieven van de aanmeldende partijen niet verklaard waarom zij niet in een positie zouden hebben verkeerd hun recht van verweer effectief uit te oefenen en waarom de uitleg van de Commissie dat er van geen nieuwe argumenten of bezwaren sprake was, niet zou hebben volstaan. Door schriftelijke opmerkingen in te dienen, konden zij immers hun standpunten kenbaar maken over de elementen die op 23 november door het team van de hoofdeconoom aan de orde zijn gesteld en die in de brief van de Commissie van 8 december nader zijn uitgewerkt. Bovendien hebben de aanmeldende partijen de kwestie niet rechtstreeks bij mij aangekaart. Ik heb weliswaar een kopie van beide bovengenoemde brieven ontvangen, maar de aanmeldende partijen hebben geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid waarin artikel 3, lid 7, van Besluit 2011/695/EU voorziet om elke kwestie die met de daadwerkelijke uitoefening van de procedurele rechten verband houdt, voor een onafhankelijke toetsing naar de raadadviseur- auditeur te verwijzen wanneer met DG Concurrentie geen oplossing wordt bereikt. Dit laat vermoeden dat de kwestie inderdaad was opgelost door de uitleg van de Commissie dat er van geen nieuwe argumenten of bezwaren sprake was en doordat de aanmeldende partijen hebben gebruikgemaakt van de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen te maken. Concluderend ben ik van mening dat de procedurele rechten van de aanmeldende partijen in verband met deze kwestie daadwerkelijk zijn uitgeoefend. |
5. Ontwerpbesluit van de Commissie
|
20. |
Overeenkomstig artikel 16 van Besluit 2011/695/EU moet in het eindverslag worden nagegaan of het ontwerpbesluit uitsluitend punten van bezwaar betreft ten aanzien waarvan de partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt kenbaar te maken. |
|
21. |
Na evaluatie van het ontwerpbesluit concludeer ik dat daarin geen punten van bezwaar zijn opgenomen ten aanzien waarvan de aanmeldende partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt kenbaar te maken. |
6. Conclusie
|
22. |
Ik concludeer dat de aanmeldende partijen en alle andere bij de procedure betrokken personen hun procedurele rechten in deze zaak daadwerkelijk hebben kunnen uitoefenen. |
Gedaan te Brussel, 19 januari 2012.
Michael ALBERS
(1) Opgesteld overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van Besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 29).
(2) Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1) (de „concentratieverordening”).
(3) DG Competition Best practices on the conduct of EC merger control proceedings.
(4) Deze tekst is op bepaalde plaatsen bewerkt om te voorkomen dat vertrouwelijke gegevens openbaar worden gemaakt. Deze gedeelten staan tussen vierkante haken en zijn door een asterisk aangegeven.
(5) Deze tekst is op bepaalde plaatsen bewerkt om te voorkomen dat vertrouwelijke gegevens openbaar worden gemaakt. Deze gedeelten staan tussen vierkante haken en zijn door een asterisk aangegeven.
(6) Deze tekst is op bepaalde plaatsen bewerkt om te voorkomen dat vertrouwelijke gegevens openbaar worden gemaakt. Deze gedeelten staan tussen vierkante haken en zijn door een asterisk aangegeven.
(7) Deze tekst is op bepaalde plaatsen bewerkt om te voorkomen dat vertrouwelijke gegevens openbaar worden gemaakt. Deze gedeelten staan tussen vierkante haken en zijn door een asterisk aangegeven.
(8) Overeenkomstig artikel 5 van Besluit 2011/695/EU. In plaats daarvan heeft de heer de Larosière een uiteenzetting gegeven in zijn hoedanigheid van lid van de delegatie van de aanmeldende partijen.
(9) Overeenkomstig artikel 5 van Besluit 2011/695/EU.
(10) Zie artikel 16, lid 2, van Verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie van 7 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 133 van 30.4.2004, blz. 1) en overweging 13 van Besluit 2011/695/EU.
(11) Overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie.
(12) PB C 199 van 7.7.2011, blz. 9.
(13) PB C 234 van 10.8.2011, blz. 2.
(14) Het ging in totaal om vijf belanghebbende derden.
|
5.8.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 254/8 |
Samenvatting van het besluit van de Commissie
van 1 februari 2012
waarbij een concentratie onverenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de werking van de EER-overeenkomst
(Zaak M.6166 — Deutsche Börse/NYSE Euronext)
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 440 final)
(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
2014/C 254/06
Op 1 februari 2012 heeft de Commissie een besluit vastgesteld met betrekking tot een zaak in het kader van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (1) , en in het bijzonder artikel 8, lid 3, van die verordening. Een niet-vertrouwelijke versie van het volledige besluit is in de authentieke taal van de zaak te vinden op de website van het Directoraat-generaal Concurrentie, op het volgende adres: http://ec.europa.eu/comm/competition/index_en.html
I. INLEIDING
|
1. |
Op 29 juni 2011 ontving de Europese Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van de concentratieverordening waarbij de ondernemingen NYSE Euronext (hierna „NYX” genoemd) en DB (hierna samen „de aanmeldende partijen” genoemd) een volledige fusie aangaan in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van de concentratieverordening (2) (hierna „de transactie” genoemd). |
|
2. |
Na voorlopig onderzoek van de aanmelding kwam de Commissie tot de conclusie dat de transactie aanleiding gaf tot ernstige twijfels met betrekking tot de verenigbaarheid ervan met de interne markt, met name wat de markt voor diensten in verband met derivatenhandel en -clearing en de markt voor diensten in verband met contante handel en transactieverwerking betreft. Daarom besloot de Commissie op 4 augustus 2011 tot inleiding van de procedure van artikel 6, lid 1, onder c), van de concentratieverordening (3). |
|
3. |
Op 5 oktober 2011 is een mededeling van punten van bezwaar krachtens artikel 18 van de concentratieverordening gezonden aan de aanmeldende partijen. De aanmeldende partijen hebben op 24 oktober 2011 op de mededeling van punten van bezwaar gereageerd. Op verzoek van de aanmeldende partijen heeft op 27 en 28 oktober 2011 een mondelinge toelichting plaatsgevonden (4). Er werden 23 belanghebbende derde partijen toegelaten tot de procedure, waarvan er tien deelnamen aan de mondelinge toelichting. |
|
4. |
Teneinde in de mededingingsbezwaren die waren geuit in de mededeling van punten van bezwaar te voorzien, dienden de aanmeldende partijen op 17 november 2011 eerste toezeggingen in. Deze toezeggingen hebben zij vervolgens op 21 november 2011 herzien (5). De Commissie is de toezeggingen van 21 november 2011 op 22 november 2011 aan een markttoets gaan onderworpen. Op 12 december 2011 werd een nieuwe reeks toezeggingen ingediend en hiervan werd op 13 december 2011 een herziene versie ingediend (6). De Commissie heeft de toezeggingen van 13 december 2011 op 14 december 2011 aan een markttoets onderworpen. |
|
5. |
De Commissie constateerde dat de transactie zou hebben geleid tot het ontstaan van de grootste effectenbeurs ter wereld wat betreft opbrengsten, waarin de huidige nummers twee en drie zouden samengaan, en dat de fusie in een aantal markten tot een monopolie zou leiden. NYX is een houdstermaatschappij in de Verenigde Staten die in 2007 is gevormd door de fusie tussen NYSE Group, Inc. en Euronext nv en die een groot aantal beurzen in de Verenigde Staten en Europa (Parijs, Amsterdam, Brussel en Lissabon) runt. De onderneming heeft vier hoofdactiviteiten: i) diensten in verband met beursnotering; ii) diensten in verband met contante handel; iii) diensten in verband met derivatenhandel en -clearing via NYSE Liffe (hier „Liffe” genoemd); en iv) informatiediensten en technologieoplossingen. DB is een Duitse beursgenoteerde kapitaalvennootschap die verticaal geïntegreerd is in alle aspecten van de contante en derivatenmarkten. Haar activiteiten omvatten derhalve diensten in verband met beursnotering, contante handel en clearing, derivatenhandel en -clearing (via haar dochteronderneming Eurex), transactieverwerkingsdiensten, te weten afwikkeling en bewaarneming, zekerhedenbeheer, marktgegevens en informatiediensten. Na een uitgebreid marktonderzoek en op basis van een nauwkeurige en onpartijdige beoordeling van al het beschikbare bewijsmateriaal concludeerde de Commissie dat:
|
|
6. |
Het onderstaande is een samenvatting van het besluit met betrekking tot de volgende punten: definitie van de markt voor derivaten, beoordeling van de mededinging, efficiëntieverbeteringen en corrigerende maatregelen. |
II. MARKTDEFINITIE
|
7. |
Eurex en Liffe runnen beurzen waar gebruikers van derivaten bepaalde derivatencontracten kunnen verhandelen en laten clearen. Derivaten zijn financiële contracten waarvan de waarde is afgeleid van een onderliggend activum en die het mogelijk maken het risico over te dragen van de ene op de andere economische actor (11). Afhankelijk van de relatie tussen het onderliggend activum en het derivatencontract kunnen derivaten worden onderverdeeld in futures, opties en swaps (12). |
|
8. |
Derivatencontracten die op beurzen worden verhandeld, worden ontwikkeld, geïntroduceerd en gereguleerd door de derivatenbeurzen die ze hebben opgesteld. Ze worden doorgaans „beursverhandelde derivaten” genoemd. Elke categorie contracten heeft haar eigen specificaties en leveringsprocessen, die de beurs zo vaststelt en controleert dat ze zo goed mogelijk aansluiten bij de voorkeuren van de klanten (13). Succesvolle derivatencontracten worden zeer liquide en er kunnen enige miljoenen contracten per dag worden verhandeld (14). |
|
9. |
De handel in derivatencontracten bestaat uit het matchen van kopers en verkopers, dat wil zeggen twee partijen die bereid zijn tegengestelde posities te nemen in hetzelfde contract. Matching van kopers en verkopers kan bilateraal of multilateraal zijn. Bilaterale matching is handel waarbij de prijsnotering en de uitvoering plaatsvinden tussen twee partijen, zodanig dat andere marktdeelnemers de handel niet zien. Bilaterale matching vindt alleen OTC plaats door middel van „voice broking” en telefonische handel (15). Bij multilaterale matching kunnen marktdeelnemers de prijsnoteringen en transactie-uitvoeringen van anderen op de markt zien. Multilaterale matching van kopers en verkopers van derivaten vindt plaats op de beurs of via OTC-handelsplatformen, gerund door makelaars/handelaren, wat OTC verhandelde derivatencontracten betreft (16). |
|
10. |
Met betrekking tot de definitie van de derivatenmarkt hebben de aanmeldende partijen gemeld dat de relevante markt in de onderhavige zaak één enkele wereldwijde markt voor risico-overdracht is, die handel omvat in een breed scala aan derivaten, ongeacht het onderliggende activum, zowel op de beurs als OTC. Ze stelden dat alle derivaten dezelfde functies vervullen en dat de vraagzijde van de markt wordt gevormd door een internationale gemeenschap van zeer geavanceerde financiële instellingen. Vanuit het perspectief van de aanbodzijde zou er een toenemende convergentie zijn in de functionaliteit van de derivaten die op de beurs en OTC beschikbaar zijn en in de bijbehorende handelsmechanismen. Daarnaast stelden de aanmeldende partijen dat de huidige convergentie van de regelgeving tussen de beurs en platformen voor OTC-verhandeling er waarschijnlijk voor zal zorgen dat de OTC-platformen en de beurzen nog homogener worden (17). |
|
11. |
In het besluit wordt geconcludeerd dat de markt voor derivaten in de activacategorieën waarin de aanmeldende partijen overlappen eerst zou moeten worden onderverdeeld naar verwerkingsomgeving — d.w.z. in beursverhandelde en OTC verhandelde derivaten (18). Beursverhandelde derivaten zijn eerder een aanvulling op OTC verhandelde derivaten dan een vervanging ervan. Terwijl OTC verhandelde derivaten worden gebruikt om elk risico volledig af te dekken, worden beursverhandelde derivaten zowel gebruikt voor het nemen van posities als voor onvolledige afdekking voor de korte termijn tot er een volledige afdekking is gevonden (19). |
|
12. |
In tegenstelling tot de bewering van de aanmeldende partijen dat het feit dat 90 procent van de OTC verhandelde derivaten gestandaardiseerd is en dat deze standaardisatie, in combinatie met ontwikkelingen op het gebied van marktregulering, de concurrentiedruk die OTC verhandelde derivaten uitoefenen op de beurshandel in derivaten ingrijpend zou verhogen, wordt in het besluit geconcludeerd dat OTC verhandelde derivaten alleen zijn gestandaardiseerd voor wat betreft hun wettelijke voorwaarden (niet wat betreft hun voornaamste economische parameters) en in andere omstandigheden worden gebruikt dan beursverhandelde derivaten, en dat derhalve de concurrentiedruk die OTC verhandelde derivaten waarschijnlijk uitoefenen op beursverhandelde derivaten beperkt is (20). |
|
13. |
Hoewel beurzen ook concurreren om nieuwe bedrijfsactiviteiten door contracten binnen te halen die op dit moment OTC worden verhandeld, concludeerde de Commissie in het besluit dat het bewijs niet wijst op substitutie tussen beursverhandelde en OTC verhandelde derivaten, maar op een natuurlijke ontwikkeling in één richting waarbij OTC verhandelde contracten, wanneer deze voldoende gestandaardiseerd worden, zich meestal verplaatsen naar gereguleerde beurzen, waar de liquiditeit in deze contracten uiteindelijk toeneemt. De Commissie concludeerde derhalve dat het OTC verhandelen van derivaten voor de activacategorieën waarop het besluit betrekking heeft niet leidt tot concurrentiedruk voor beursverhandelde derivaten en niet substitueerbaar is voor beursverhandelde derivaten (21). |
|
14. |
Bovendien is het feit dat geen verschuiving van beursverhandelde derivaten naar OTC verhandelde derivaten waar te nemen valt (behalve dan de zeldzame verschuiving naar op beursverhandelde derivaten gelijkende contracten wat bepaalde klanten betreft) in overeenstemming met het feit dat beursgenoteerde derivaten, in het bijzonder derivaten die via de orderboeken van de beurzen worden verhandeld, in het algemeen niet geschikt zijn om buiten de beurs om te worden verhandeld (22). |
|
15. |
In dit verband werd in het besluit vastgesteld dat er een categorie gebruikers van derivaten bestaat die, als gevolg van hun operationele opzet, voorkeuren op het gebied van risicobeheer, boekhoudkundige redenen of verschillende regelgevingen alleen beursverhandelde derivaten in hun portefeuille kunnen hebben of hun portefeuilles alleen kunnen afdekken met beursverhandelde derivaten. Tot deze categorie klanten behoren zowel retailbeleggers als enkele institutionele marktdeelnemers die derivaten zelfs via een makelaar niet OTC verhandelen. |
|
16. |
Voorts wordt in het besluit geconcludeerd dat zelfs voor klanten die zowel in beursverhandelde als in OTC verhandelde derivaten handelen, de mogelijkheid om beursverhandelde derivaten rechtstreeks te vervangen door OTC verhandelde derivaten hoogstens zou bestaan wat betreft op beursverhandelde derivaten gelijkende contracten (23) (contracten die dezelfde economische blootstelling bieden als beursverhandelde contracten, maar buiten de beurs om bilateraal worden verhandeld en niet worden gecleard door een CCP (24). Deze contracten vormen een klein deel van alle beschikbare contracten die OTC worden verhandeld en zijn hoofdzakelijk ontwikkeld voor en door grote banken in de interdealermarkt). Het overgrote deel van de OTC verhandelde producten speelt op andere behoeften van de klanten in dan beursverhandelde derivaten, in het bijzonder de behoefte om een individueel afgestemde volledige afdekking te verkrijgen, wat niet mogelijk is met een beursverhandeld contract (25). In het besluit werd geconcludeerd dat de vraag of op beursverhandelde derivaten gelijkende contracten tot dezelfde markt behoren als beursverhandelde derivaten die via het centrale orderboek worden verhandeld niet hoeft te worden beantwoord, aangezien het voor de beoordeling van de mededinging geen verschil maakt of deze gelijkende producten worden meegenomen (26). |
|
17. |
In het besluit wordt geconcludeerd dat voor de meeste gebruikers van derivaten de vraag naar de handel in derivaten specifiek betrekking heeft op een bepaalde activacategorie die niet substitueerbaar is door de handel in een andere activacategorie. Ten behoeve van afdekking zoeken gebruikers van derivaten afdekking van een specifiek risico dat gekoppeld is aan hun posities in bepaalde activa, en op dezelfde manier hebben ze bij het gebruik van derivaten voor beleggingen met hefboomwerking een voorkeur voor een bepaald type activa (27). |
|
18. |
De aanmeldende partijen bieden hoofdzakelijk derivatencontracten aan met de volgende onderliggende waarden: Europese rentes, die kunnen worden onderverdeeld in langetermijnrentes of kapitaalmarktrentes en kortetermijnrentes of geldmarktrentes, één Europees aandeel, verder onder te verdelen op basis van het onderliggende aandeel, en Europese aandelenindices (op pan-Europees en nationaal niveau) (28). |
|
19. |
In het besluit wordt geconcludeerd dat rentederivaten op basis van verschillende valuta, of het nu om korte of lange termijn gaat, in het algemeen niet substitueerbaar zijn, aangezien ze een intrinsieke band hebben met de valuta waarop de onderliggende waarde is gebaseerd (29). In het besluit is geen exacte definitie van de markt voor beursgenoteerde rentederivaten en de onderverdeling daarvan in kortetermijnrente- en langetermijnrentederivaten gegeven, omdat de transactie volgens alle mogelijke marktdefinities de meest directe daadwerkelijke en potentiële concurrent zou hebben uitgeschakeld (30). |
|
20. |
Wat Europese aandelenderivaten betreft, stelt de Commissie vast, hoewel zij erkent dat er vanuit het perspectief van de vraagzijde geen substitutie plaatsvindt tussen derivaten op basis van verschillende aandelen (31), dat handelaren niet zomaar eenmalig één aandelenderivatencontract kopen, maar doorgaans bredere handelsstrategieën toepassen (32). In het besluit wordt echter geen antwoord gegeven op de vraag of de productmarkt voor beursgenoteerde eenaandeelsfutures en -opties moet worden onderverdeeld op basis van het aandeel of deel moet uitmaken van een bredere reeks van aandelen, aangezien er een significante belemmering van de effectieve mededinging zou ontstaan volgens alle mogelijke marktdefinities (individueel, nationaal en op Europees niveau) (33). |
|
21. |
Met betrekking tot aandelenindexderivaten wordt in het besluit geconcludeerd dat individuele indices vanuit het perspectief van de vraagzijde niet substitueerbaar zijn, aangezien ze verschillende blootstellingen bieden (34). Vanuit het perspectief van de aanbodzijde worden indices meestal beschermd door intellectuele-eigendomsrechten en kunnen ze derhalve niet vrij worden gebruikt. Er bestaan dus afzonderlijke relevante productmarkten voor de handel in en clearing van elk van de categorieën aandelenindices van de aanmeldende partijen. In het besluit wordt echter geconcludeerd dat de aanmeldende partijen concurreren door middel van innovatie op het gebied van nieuwe Europese indexproducten (zowel nationaal als pan-Europees) (35). |
|
22. |
In het besluit worden opties, futures en swaps gezien als verschillende instrumenten die voor verschillende doeleinden worden gebruikt. In het besluit wordt geconcludeerd dat swaps een aparte categorie vormen als gevolg van hun afwijkende kenmerken (afgestemd op een specifieke datum), gebruik (niet verhandeld voor minder dan 2 jaar) en de omgeving waarin ze worden verhandeld (uitsluitend OTC). De vraag naar de handel in optie- en futurederivaten is in het algemeen specifiek voor het type contract, wat inhoudt dat futures en opties niet substitueerbaar zijn. Vanuit het perspectief van de aanbodzijde bieden beurzen zowel futures als opties op onderliggende waarden waarop ze contracten noteren, want als een beurs eenmaal liquiditeit heeft opgebouwd in futures op een onderliggende waarde, kunnen tegen minimale kosten ook opties worden aangeboden. Het besluit geeft echter geen antwoord op de vraag of futures en opties tot dezelfde productmarkt behoren, aangezien dat in dit geval niet relevant is voor de beoordeling van de mededinging (36) (37). |
|
23. |
Tot slot zijn de relevante markten op het gebied van derivatenhandel en -clearing waar de activiteiten van de aanmeldende partijen overlappen en waarvoor de effecten van de transactie zijn beoordeeld de volgende:
|
|
24. |
Met betrekking tot de geografische markt wordt in het besluit geconcludeerd dat, ongeacht of de geografische omvang van de markt voor elk van de hiervoor beschreven relevante productmarkten wordt gedefinieerd als wereldwijd of beperkt tot de EER, de voorgestelde transactie volgens beide mogelijke marktdefinities de effectieve mededinging zal belemmeren. Dit is het geval omdat de klanten weliswaar over de hele wereld gevestigd zijn, maar aan de aanbodzijde alleen Eurex en Liffe (en in minder beperkte mate enkele andere Europese beurzen) derivatencontracten op basis van Europese onderliggende waarden aanbieden in de gebieden waar de aanmeldende partijen overlappen (40). |
III. BEOORDELING VAN DE MEDEDINGING
|
25. |
De aanmeldende partijen zijn de facto de enige twee marktdeelnemers die beurshandel in Europese rentefutures en -opties aanbieden en ze vervullen overheersende posities in de handel in aandelenderivaten (41) en aandelenindexderivaten. Samen beheersen ze meer dan 90 procent van alle derivaten die zijn gebaseerd op Europese onderliggende waarden die wereldwijd worden verhandeld:
|
III.1. Algemene parameters van mededinging in derivatenhandel en -clearing
|
26. |
De totale kosten van de handel zijn samengesteld uit meerdere elementen: (i) beurskosten, clearingvergoedingen en zekerhedenkosten (directe component), (ii) gerealiseerde bied-laatmarges en een eventueel markteffect (indirecte component). De tweede component is doorgaans enige malen groter dan de eerste. Beurzen concurreren niet alleen met betrekking tot de eerste, directe component van de handelskosten, maar ook door middel van stimulansen die bestemd zijn om de indirecte component te reduceren. Nominale vergoedingen worden per geval aangevuld met kortingen voor individuele deelnemers. In het algemeen leidt concurrentie tot lagere tarieven, efficiënter zekerhedenbeleid en meer liquiditeit (43). |
|
27. |
Naast rechtstreekse concurrentie op het gebied van beursgenoteerde contracten (44), concurreren beurzen ook om de introductie van nieuwe producten die aantrekkelijk zijn voor hun bestaande gebruikers. Dit type concurrentie gaat uit van het feit dat een succesvol contract vaak voor een aanzienlijke tijd profiteert van de meeste of alle liquiditeit (45). |
|
28. |
Beurzen concurreren ook op het gebied van systeemprestaties en handelsfunctionaliteiten, alsmede processen en marktopzet. Hoewel innovatie op deze gebieden deels wordt gedreven door de vraag van de klanten, komt zij ook deels voort uit rivaliteit tussen concurrenten en het risico dat, zoals is gebeurd met het Bund-contract, liquiditeit kan worden verplaatst als een beurs achter raakt op zijn concurrenten (46). |
|
29. |
De concurrentie tussen Eurex en Liffe heeft de vorm van daadwerkelijke en potentiële concurrentie met betrekking tot de introductie van nieuwe of verbeterde producten (47). Potentiële concurrentie is een significante disciplinerende factor tussen de partijen, die elkaars meest directe concurrenten zijn als gevolg van de omvang en het bereik van hun betrokken margepools, lidmaatschap en knowhow. Dit wordt geïllustreerd door een aantal gevallen van daadwerkelijke en geplande concurrentie in het verleden die een daadwerkelijk en significant effect hebben gehad op de tarieven en nog steeds van invloed zijn. Het bestaan van daadwerkelijke marktaandelen voor bepaalde producten ten aanzien van de uitdager (zelfs als die maar klein zijn) onderstreept verder de realiteit van deze concurrentiebedreiging. Deze uniek nauwe concurrentierelatie, die overvloedig wordt geïllustreerd door interne documenten en wordt bevestigd door klanten en concurrenten, zou door de transactie zijn geëlimineerd (48). |
|
30. |
Het feit dat nieuwe ideeën voor het eerst kunnen ontstaan in de OTC-markt betekent niet dat er geen concurrentie is tussen de partijen wat betreft het standaardiseren van deze contracten en het creëren van beursliquiditeit. In tegendeel, ze investeren significante bedragen in innovatie en ondanks de vele factoren die het succes kunnen belemmeren, leveren beide partijen een voortdurende stroom van nieuwe producten. Bovendien zou de transactie, zelfs als de innovatie kwantitatief op hetzelfde niveau zou doorgaan, een nadelig effect hebben gehad op de commerciële voorwaarden waaronder deze innovaties tot stand werden gebracht en beschikbaar bleven voor de markt (49). Wat betreft technologie heeft de ervaring in de contante markten sinds MiFID ons geleerd dat concurrentie een fundamentele accelerator is van de snelheid van innovatie. |
III.2. Concurrentie tussen de partijen — Europese rentefutures en -opties (50)
|
31. |
Hoewel de rechtstreekse overlap tussen de partijen op het gebied van Europese rentederivaten momenteel beperkt maar geenszins onbelangrijk is, concludeerde het besluit dat Eurex en Liffe elkaars meest directe potentiële concurrenten op dit gebied zijn. |
|
32. |
De overlap heeft betrekking op futures en opties op kortetermijnrentes in euro, alsmede een zekere mate van rechtstreekse concurrentie tussen het aanbod van strips en bundels Euribor-futures van Liffe en de twee- en vijfjarige Duitse staatsrentederivaten van DB. |
|
33. |
Eurex en Liffe waren ten tijde van de invoering van de euro meer dan een jaar verwikkeld in een strijd om het vaststellen van de Euribor-benchmark. De afgelopen jaren heeft Eurex een klein marktaandeel (sinds 2007 [0-5 %]) gehad in Euribor-futures, maar samen hebben de partijen bijna een monopolie. Eurex en Liffe zijn de enige beurzen die een significante margepool in dit contract hebben. De recente Euribor-lancering van CME leidde nagenoeg niet tot handel. De margepool van CME op het gebied van kortetermijnrentederivaten in euro is verwaarloosbaar en op geen enkele manier vergelijkbaar met die van Liffe of zelfs die van Eurex. Met betrekking tot opties op Euribor-futures was DB betrokken bij een offensief waarbij over een periode van zes maanden het maandelijkse volume steeg tot bijna vijf procent vlak voor de bekendmaking van de transactie. Dit was een reactie op de ontevredenheid van gebruikers over de voorwaarden die Liffe bood. Dit was niet alleen een voorbeeld van daadwerkelijke concurrentie, maar benadrukt ook de dreiging van potentiële concurrentie die Eurex en Liffe op elkaar uitoefenen. Liffe werd hierdoor gedwongen de tarieven te verlagen. |
|
34. |
Met betrekking tot Euribor-pakketten en -bundels werd in het besluit vastgesteld dat deze voor bepaalde gebruikers concurreren met de twee- en vijfjarige Duitse rentes, namelijk voor gebruikers die blootstaan aan langlopende commerciële rentes, voor wie ze een betere, maar minder liquide afdekking vormen (51). Het aanbod van DB vormt een rechtstreekse beperking van NYX op dit gebied, ook al geldt dit omgekeerd misschien niet. |
|
35. |
In het besluit zijn de pogingen beschreven die Liffe heeft ondernomen om actief te worden op het gebied van Duitse staatsrentes, zowel direct met gelijkwaardige contracten als indirect met soortgelijke (52). Ook wordt geschetst welke pogingen Eurex heeft gedaan met betrekking tot de staatsrentes van het Verenigd Koninkrijk, waarvoor Liffe momenteel een monopolie heeft (53). |
|
36. |
Er bestaat nu en in de nabije toekomst geen realistische bedreiging voor de franchises van de partijen door enige andere concurrent. Pogingen van klanten om een nieuw platform voor rentehandel te sponsoren — Project Rainbow — werden gedwarsboomd toen Liffe maatregelen nam om fungibiliteit (54) en margeverrekening (55) te voorkomen met op het eigen platform verhandelde posities. |
|
37. |
De partijen zijn ook elkaars meest directe concurrent wat betreft innovatie op het gebied van Europese rentederivaten. |
III.3. Concurrentie tussen de partijen — Eenaandeelsopties en -futures (56)
|
38. |
Op dit gebied hebben Eurex en Liffe bedrijfsactiviteiten van vergelijkbare omvang en concurreren ze in belangrijke mate rechtstreeks met elkaar. 75 procent van de futures en 63 procent van de opties die beschikbaar zijn via Liffe zijn ook beschikbaar via Eurex. Daarnaast kunnen „dubbelgangers” van Eurex worden gecleard bij Liffe. Wat betreft aandelenderivaten uit de Duitse thuismarkt van DB, vindt meer dan 20 procent van de handel ook plaats via Liffe. Meer dan een kwart van de handel in Franse derivaten vindt plaats via Eurex. Bij een aantal aandelen vindt het merendeel van de handel buiten de thuismarkt plaats. De partijen overlappen in al hun thuismarkten en behalen een gezamenlijk marktaandeel van [90-100 %] in deze markten. |
|
39. |
Zelfs in bepaalde markten buiten hun oorspronkelijke thuismarkten hebben de partijen significante marktaandelen verworven ten koste van de zittende partij. De liquiditeit in belangrijke Spaanse aandelen is verdeeld tussen Eurex en Liffe, waarbij de binnenlandse beurs, MEFF, de tweede of derde plaats inneemt. |
|
40. |
In het besluit wordt geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat de gefuseerde entiteit, als gevolg van het aantrekkende effect van de grotere margepool, in staat zou zijn geweest de zittende concurrent op progressieve wijze te elimineren en een monopolie te verwerven in alle Europese markten, niet alleen de thuismarkten (waaronder enkele zoals Denemarken, waar nu alleen Liffe actief is). Dit zou elke significante concurrentie op tarieven wegnemen. Gezien de overweldigende marktpositie van de gefuseerde entiteit zou er a fortiori geen vooruitzicht zijn geweest op een significante nieuwe markttoetreding om de tarieven te beperken. |
III.4. Concurrentie tussen de partijen — Aandelenindices (57)
|
41. |
De concurrentie tussen de partijen op het gebied van Europese aandelenindexderivaten heeft alleen betrekking op innovatie. De transactie zou een negatief effect hebben op de innovatie, zowel door Eurex en Liffe als door derde partijen, met secundaire effecten op de verwante markt voor indexlicenties. Het vooruitzicht van significante innovatie door derde partijen, zoals was geprobeerd door Chi-X in combinatie met Russell-indices, zou ook worden geëlimineerd. |
III.5. Barrières voor toetreding en uitbreiding (58)
|
42. |
Potentiële nieuwe toetreders tot de markten voor beursverhandelde derivaten op basis van Europese onderliggende waarden krijgen te maken met hoge toetredingsbarrières gezien het belang van liquiditeit en openstaande contracten en de daarmee verband houdende voordelen van verrekening en kruiselingse margestorting (59). Dit komt in het bijzonder door de kenmerken van derivatenmarkten, waarin de mogelijkheden van verrekening en margestorting een veel belangrijkere rol spelen dan in de contante markten. Het tegenpartijrisico wordt voor een aanzienlijk langere periode beheerd dan bij contante markten, waar de afwikkeling binnen enkele dagen na de handel plaatsvindt, waardoor de verstrekking van zekerheden door gebruikers in derivatenmarkten significant kan zijn (60). |
|
43. |
Bovendien wordt de mogelijkheid voor concurrenten om aandelenindexderivaten aan te bieden en zo ook voet aan de grond te krijgen in de verwante aandelenderivatenproducten verder beperkt doordat de benchmarkindexproducten worden beschermd door intellectuele-eigendomsrechten. Het bestaan van een grote gevestigde groep bestaande gebruikers (lidmaatschapsbasis) die de producten van de beurs „distribueert” naar beleggers, wat gepaard gaat met onvermijdelijke reeds gemaakte verbindingskosten, is ook een belangrijke barrière voor toetreding. |
|
44. |
De barrière voor het toetreden tot de markt in eenaandeelsderivaten die het gevolg is van de pool van openstaande contracten en liquiditeit in indexproducten — die worden beschermd door intellectuele-eigendomsrechten — houdt niet alleen verband met mogelijke margeverrekeningen met de verwante aandelenindexderivaten, maar ook met de wens van bepaalde marktdeelnemers om de index en sommige van de onderliggende derivaten die er deel van uitmaken (alsmede de index en de aandelen die er deel van uitmaken) samen te verhandelen. |
|
45. |
In het besluit wordt derhalve geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat in een van de relevante markten voor de fusie voldoende en tijdige toetreding zou hebben plaatsgevonden om de concurrentieverstorende effecten van de transactie teniet te kunnen doen. |
III.6. Geen compenserende afnemersmacht (61)
|
46. |
Tijdens de administratieve procedures stelden DB en NYX dat grote investeringsbanken voldoende afnemersmacht hebben, die zou voorkomen dat de gefuseerde entiteiten na de fusie de tarieven zouden verhogen. De partijen beweerden in het bijzonder dat deze grote investeringsbanken zich zouden kunnen verenigen om succesvolle nieuwe toetreding te bevorderen, aangezien ze beweerdelijk de orderstroom beheersen. Er zijn echter geen voorbeelden die aantonen dat dit in de relevante markten is gebeurd, ondanks enkele mislukte pogingen. Daarnaast is een dergelijke poging niet aannemelijk, onder meer aangezien hiervoor een zeer aanzienlijk aantal deelnemers nodig zou zijn. In het besluit wordt geconcludeerd dat een beperking voor zover die op dit moment bestaat het gevolg zou zijn van de rivaliteit tussen de partijen en het risico dat klanten hun activiteiten van de ene partij naar de andere verplaatsen. Deze beperking zou door de fusie worden weggenomen. |
III.7. Conclusies over de concurrentie tussen de partijen op het gebied van handel in en clearing van beursverhandelde derivaten
|
47. |
In het besluit wordt geconcludeerd dat door de voorgestelde transactie de twee voornaamste Europese derivatenbeurzen zouden zijn samengevoegd, wat zou hebben geleid tot het ontstaan van een bijna-monopoliepositie in elk van de relevante markten voor de handel in en clearing van:
|
|
48. |
In alle gevallen zou de transactie, mede gezien de grote barrières voor toetreding en uitbreiding en het ontbreken van compenserende afnemersmacht, hebben geleid tot significante belemmering van de effectieve mededinging door de eliminatie van:
|
IV. EFFICIËNTIEVERBETERINGEN
|
49. |
De aanmeldende partijen beweerden dat de transactie gunstig zou zijn voor de gebruikers van hun contante en derivatenbeurzen, omdat zij zou leiden tot significante efficiëntieverbeteringen. Ze stelden dat de kosten van handel via deze platformen voor de gebruikers zouden dalen, dat de gebruikers minder zekerheden zouden hoeven te verschaffen om transacties te clearen en dat de gebruikers zouden profiteren van meer liquiditeit en dus lagere impliciete transactiekosten. De aanmeldende partijen stelden dat de liquiditeitseffecten van de transactie een gunstig effect zouden hebben op bedrijven en consumenten in de gehele economie. Ze beweerden dat i) bedrijven zouden profiteren van verlaagde kapitaalkosten, ii) regeringen zichzelf tegen lagere kosten zouden kunnen financieren, waardoor er middelen zouden vrijkomen voor openbare en particuliere investeringen, en iii) consumenten zouden profiteren van meer werkgelegenheid, innovatie en economische groei. |
|
50. |
Gezien het bijna-monopolie waartoe de transactie in een aantal relevante markten zou leiden, zoals is vastgesteld in het besluit, zouden alle efficiëntieverbeteringen, zelfs als ze zouden worden geacht verifieerbaar te zijn, specifiek op de fusie betrekking te hebben en waarschijnlijk gunstig te zijn voor consumenten, buitengewoon substantieel moeten zijn om de hierboven beschreven significante belemmering van de effectieve mededinging te kunnen voorkomen, waaronder het verlies van daadwerkelijke en potentiële concurrentie en het verlies van concurrentie op het gebied van innovatie (64). |
|
51. |
Op basis van het bewijsmateriaal dat de aanmeldende partijen hebben ingediend, wordt in het besluit geconcludeerd dat i) de door de aanmeldende partijen genoemde efficiëntieverbeteringen op het gebied van IT en toegangskosten voor gebruikers niet konden worden geverifieerd (65), ii) het waarschijnlijk was dat klanten zouden kunnen profiteren van enkele efficiëntieverbeteringen als gevolg van betere mogelijkheden voor kruiselingse margestorting, wat zich zou vertalen in besparingen op het gebied van zekerheden. De Commissie stelde echter vast dat sommige van deze efficiëntieverbeteringen zouden kunnen worden bereikt door middel van minder concurrentieverstorende ingrepen en dat, hoewel er mogelijk een voordeel voor de klanten uit zou voortvloeien, de omvang van dit effect niet kon worden vastgesteld (66), iii) het genoemde liquiditeitseffect op de geïntegreerde contante beurzen niet kon worden geverifieerd (67) en iv) het genoemde liquiditeitseffect van het integreren van de handelsplatformen voor derivaten van de partijen niet kon worden geverifieerd. Zelfs als deze liquiditeitseffecten verifieerbaar waren geweest, zou er weliswaar een gunstig effect voor de klanten uit zijn voortgevloeid, maar zou de omvang van dit effect niet kunnen worden bepaald op grond van de beschikbare gegevens (68). Voorts was de Commissie van mening dat de efficiëntieverbeteringen voor de gehele economie in dit geval niet te verifiëren waren (69) en stelde zij dat het onwaarschijnlijk was dat besparingen op de vaste kosten zouden zijn doorberekend aan de klanten (70). |
V. CORRIGERENDE MAATREGELEN
|
52. |
Om in de door de Commissie geuite mededingingsbezwaren te voorzien, hebben de aanmeldende partijen twee reeksen corrigerende maatregelen ingediend, een eerste op 17 november 2011 en, na de negatieve uitslag van de markttoets van de eerste reeks, een tweede op 14 december 2011. Beide reeksen omvatten een toezegging inzake afstoting van de aandelenderivaten en een corrigerende maatregel met betrekking tot toetreding voor nieuwe aandelenindex- en rentederivaten. Daarnaast bevatte de tweede reeks corrigerende maatregelen een toezegging met betrekking tot een softwarelicentie voor de handel in bestaande en nieuwe rentederivaten. |
|
53. |
De Commissie heeft geanalyseerd in hoeverre het pakket toezeggingen dat op 14 december 2011 is ingediend geschikt was om de in het besluit geuite mededingingsbezwaren volledig te verhelpen. Hiertoe heeft de Commissie de passendheid van de reikwijdte van de voorgestelde toezeggingen, de waarschijnlijkheid van een tijdige en toereikende toetreding op basis van de voorgestelde toezeggingen en het waarschijnlijke effect ervan in de praktijk geanalyseerd. De Commissie constateerde dat deze toezeggingen het vastgestelde concurrentieprobleem niet konden wegnemen. |
VI. CONCLUSIE VAN HET BESLUIT
|
54. |
In het besluit werd geconcludeerd dat de transactie de effectieve mededinging in de interne markt of een substantieel deel daarvan significant zou belemmeren in de zin van artikel 2, lid 3, van de concentratieverordening. Dit komt doordat de transactie zou leiden tot het ontstaan van een dominante of bijna-monopoliepositie en de eliminatie van de meest directe daadwerkelijke en potentiële concurrent op het gebied van Europese beursverhandelde eenaandeelsderivaten en Europese beursverhandelde rentederivaten (waaronder concurrentie met betrekking tot productinnovatie), en op het gebied van nieuwe Europese aandelenindexderivaten. Daarnaast zou de transactie de effectieve mededinging significant belemmeren doordat er een dominante of bijna-monopoliepositie zou ontstaan en de meest directe daadwerkelijke en potentiële concurrent zou worden geëlimineerd in de markten voor blokhandel in Europese beursverhandelde derivatencontracten buiten het orderboek om (ongeacht hoe deze markt verder wordt onderverdeeld), en voor handelsregistratie-, confirmatie- en CCP-clearingdiensten voor flexibele versies van OTC verhandelde Europese aandelenfutures en -opties (71). |
(1) PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.
(2) PB C 199 van 7.7.2011, blz. 9.
(3) De Commissie heeft een verreikend marktonderzoek uitgevoerd met behulp van alle instrumenten in het kader van de concentratieverordening. In dat verband heeft de Commissie in de eerste fase meer dan 600 gedetailleerde verzoeken om inlichtingen verzonden krachtens artikel 11 van de concentratieverordening, waarop bijna 250 reacties zijn ontvangen. In de tweede fase werden meer dan 150 vragenlijsten verzonden, waarop meer dan 100 reacties kwamen. Daarnaast heeft de Commissie meer dan 20 teleconferenties en bijeenkomsten georganiseerd met een reeks klanten en concurrenten en een aanzienlijk aantal van de interne documenten van de aanmeldende partijen voorafgaand aan de fusie geanalyseerd. Zie bijvoorbeeld overweging 23 van het besluit.
(4) Op 20 oktober 2011 werd de termijn voor het nemen van een definitief besluit in deze zaak met zeven werkdagen verlengd krachtens de tweede alinea van artikel 10, lid 3, van de concentratieverordening.
(5) In overeenstemming daarmee is de wettelijke termijn voor het besluit van de Commissie in het kader van artikel 8 met 15 werkdagen verlengd, overeenkomstig artikel 10, lid 3, eerste alinea, van de concentratieverordening.
(6) Om een markttoets van de nieuwe reeks toezeggingen mogelijk te maken, is de Commissie met de aanmeldende partijen een bijkomende verlenging van 13 werkdagen overeengekomen krachtens artikel 10, lid 3, tweede alinea, derde zin, van de concentratieverordening. Op 14 december 2011 is een markttoets van start gegaan.
(7) Punt 7 van het besluit.
(8) Punt 8 van het besluit.
(9) Punt 9 van het besluit.
(10) Punt 10 van het besluit.
(11) Overweging 221 van het besluit.
(12) Overweging 343 e.v. van het besluit.
(13) Overwegingen 222 en 321-342 van het besluit.
(14) Overweging 222 van het besluit.
(15) Voice broking is de traditionele methode voor het doorgeven van noteringen aan marktdeelnemers: de onderhandeling wordt telefonisch gevoerd, tussen de uiteindelijke koper en de handelaar of tussen handelaren. Tegenwoordig wordt echter ook vaak gebruikgemaakt van elektronische mededelingenborden waarop de handelaren hun noteringen plaatsen en is de procedure vaak in sterke mate geautomatiseerd.
(16) Daarnaast is het landschap van de multilaterale handel in derivaten potentieel toegankelijk gemaakt voor multilaterale handelsfaciliteiten die in het leven zijn geroepen in het kader van de MiFID (Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1). Zie overwegingen 223-227 en overweging 255 van het besluit.
(17) Overweging 257 van het besluit.
(18) Punt 11.1.12.2.1 van het besluit.
(19) Overweging 262 van het besluit.
(20) Wat betreft beursverhandelde derivaten is volledige standaardisering van alle voorwaarden, in het bijzonder de economische parameters, een vereiste voor beurshandel. Zie overwegingen 271, 280, 282 en 283 van het besluit.
(21) Zie overweging 364 van het besluit.
(22) Wat betreft de gevolgen van verwachte regelgeving, merkt de Commissie op dat het zolang de definitieve vorm van een wetgevingsinitiatief nog niet duidelijk is speculatief en ongepast zou zijn om van de inhoud van de verschillende voorstellen uit te gaan, en dat, als de regelgeving inderdaad zou zorgen voor meer convergentie tussen beursverhandelde en OTC verhandelde derivaten, in die zin dat voor gestandaardiseerde OTC verhandelde derivaten clearing verplicht zou worden, dit niet betekent dat beursverhandelde derivaten en OTC verhandelde derivaten in beide richtingen substitueerbaar zouden worden. In tegendeel, het is niet waarschijnlijk dat de reden voor gebruikers van derivaten om te kiezen voor OTC verhandelde derivaten zal verdwijnen en het is mogelijk dat de ontwikkeling in één richting zou worden versterkt, waarbij OTC verhandelde contracten zich verplaatsen naar gereguleerde beurzen omdat bepaalde derivaten die eerst OTC werden verhandeld verplicht op beurzen moeten worden verhandeld. Dit zou op zich niets veranderen aan de fundamentele kenmerken van OTC verhandelde derivaten of beursverhandelde derivaten of aan de verschillen daartussen, maar zou alleen de grens ertussen verschuiven. Zie overweging 284 en voetnoot 171 van het besluit.
(23) Overweging 367 van het besluit.
(24) Clearing bestaat uit diverse transactieverwerkende handelingen, in het bijzonder beheer van posities gedurende de looptijd van het contract, zekerhedenbeheer om in het tegenpartijrisico te voorzien en beheer van contanten. Clearing kan bilateraal zijn, waarbij elke partij wordt blootgesteld aan het risico van de andere partij (bij OTC-verhandeling) of plaatsvinden via een centrale tegenpartij (Central Counterparty, hierna „CCP” genoemd). Bij beursverhandelde derivaten wordt de clearing uitgevoerd door een CCP. Een CCP verstrekt een prestatiegarantie door zich wettelijk tussen de koper en de verkoper te plaatsen en zo namens de handelende partijen het risico van in gebreke blijven van de tegenpartij op zich te nemen. Hiertoe beoordeelt de CCP de mate van risico en beheerst hij dit risico gedurende de looptijd van elk contract. Om zichzelf tegen het risico in te dekken, bepaalt de CCP zogenoemde margevereisten (zekerheidsvereisten) en stelt hij een wanbetalingsfonds in, waarin elke deelnemende partij een bijdrage moet leveren afhankelijk van haar positie. CCP’s die zijn belast met de clearing van beursverhandelde derivaten worden gekozen door het platform dat de derivaten verhandelt. De gebruikers van derivaten kunnen dus doorgaans niet kiezen welke CCP wordt ingeschakeld voor hun beursverhandelde derivaten. Beurzen bieden meestal een geïntegreerde dienst aan, waarvoor sommige beurzen die verticaal geïntegreerde modellen hanteren, zoals Eurex, één enkel tarief aanrekenen. Zie overwegingen 230-236 van het besluit.
(25) Zie overwegingen 316-332 en 367; zie ook overwegingen 351 tot en met 359 van het besluit.
(26) Overweging 445 van het besluit.
(27) Zie overwegingen 396-400.
(28) Zie overweging 400.
(29) Zie overweging 406.
(30) Zie overweging 419.
(31) Zie overweging 421.
(32) Zie overweging 422.
(33) Zie overweging 426.
(34) Zie overweging 428.
(35) Zie overwegingen 430-432.
(36) Zie overwegingen 433-443.
(37) Om die reden zal de term „beursverhandelde derivaten” worden gebruikt om in het algemeen te verwijzen naar beursverhandelde opties en futures samen (overweging 443 van het besluit).
(38) Zie overwegingen 444-446.
(39) In het antwoord worden de volgende conclusies niet betwist met betrekking tot de markten voor handel buiten het orderboek om - registratie, confirmatie en CCP-clearing voor blokhandel in beursverhandelde contracten en handelsregistratie-, confirmatie- en CCP-clearingdiensten voor flexibele versies van Europese OTC verhandelde aandelenfutures en -opties. Hoewel handel buiten het orderboek om bilateraal wordt overeengekomen, heeft hij betrekking op dezelfde contracten en maakt hij gebruik van dezelfde infrastructuur als handel via het orderboek. Er is echter geen, of hooguit beperkte substitueerbaarheid op het gebied van de vraag naar de twee diensten, aangezien handel buiten het orderboek om betrekking heeft op blokhandel die niet via het orderboek zou kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit een significant effect zou hebben op de prijs. Het besluit concludeert derhalve dat handel buiten het orderboek om en handel via het orderboek behoren tot afzonderlijke, zij het nauw verwante markten. De activiteiten van de aanmeldende partijen overlappen ook wat betreft transactieverwerkingsdiensten voor „flex”-contracten. Handelsactiviteiten met betrekking tot deze faciliteiten hebben meestal niet de mate van standaardisering van economische parameters die nodig is om in aanmerking te komen voor handel via het orderboek. Het besluit concludeert derhalve dat deze diensten niet substitueerbaar kunnen zijn met handel via het orderboek of handel buiten het orderboek om. Zie overweging 463 e.v.
(40) Zie overwegingen 447-464.
(41) Zie overwegingen 498, 543 en 572.
(42) Overwegingen 498, 499.
(43) Overwegingen 501-514.
(44) Overwegingen 543-559.
(45) Overwegingen 515-519 en 560-603.
(46) Overwegingen 520-526.
(47) Overwegingen 560-603.
(48) Overwegingen 543-559, in het bijzonder overweging 546.
(49) Overwegingen 527-531.
(50) Overwegingen 641-814.
(51) Overweging 681 e.v.
(52) Overweging 713 e.v.
(53) Overweging 736 e.v.
(54) Voetnoot 110.
(55) Overweging 238.
(56) Overwegingen 815-892.
(57) Overwegingen 893-925.
(58) Overwegingen 926-1008.
(59) Zie voor de definitie van verrekening en kruiselingse margestorting voetnoot 108 van het besluit. Handelaren kunnen profiteren van mogelijkheden voor verrekening en kruiselingse margestorting doordat, als ze openstaande contracten hebben in een bepaalde handelsfaciliteit, de zekerheidseisen voor bijkomende transacties bij dezelfde faciliteit lager kunnen zijn. Zie overweging 934 e.v. van het besluit.
(60) Zie ook overweging 104 van het besluit.
(61) Overwegingen 1009-1024.
(62) Eurex en Liffe bieden ook op dit gebied vergelijkbare en grotendeels overlappende diensten en hebben daarbij geen andere concurrenten (of hoogstens één andere concurrent in bepaalde aandelenderivatenmarkten buiten hun thuismarkten). Een significant deel van het geclearde volume bij Eurex en Liffe wordt gevormd door transacties die buiten het orderboek om tot stand komen en die aan hen worden gemeld voor confirmatie en clearing. Soortgelijke kwesties doen zich voor bij alle relevante markten evenals bij de handel via het orderboek, aangezien de overlappingen hetzelfde zijn. Bovendien kunnen dubbelgangers van Eurex worden gecleard via Liffe. Deze zijn weliswaar niet fungibel met het Eurex-contract, maar ze profiteren wel van de twee andere grote voordelen van beursverhandelde derivaten, namelijk margeverrekening en wegneming van het tegenpartijrisico, en vormen derhalve de meest directe beperking buiten de markt. Zie overweging 463 e.v. en 1025 e.v.
(63) De partijen bieden ook op dit gebied vergelijkbare en grotendeels overlappende diensten, waarbij Liffe als eerste innoveerde met zijn dienst BClear, die werd omschreven als een groot succes. Ze hebben geen andere concurrenten, want alle concurrenten die vergelijkbare diensten leveren, leveren die diensten niet met betrekking tot de onderliggende waarden in de vorm van aandelen van de thuismarkten van de partijen. Deze dienst stelt hen in staat significante volumes aan te trekken voor clearing die anders OTC zouden blijven, en zal naar verwachting in belang toenemen in het kader van de G20-hervormingen. Liffe heeft veel terrein gewonnen op het gebied van Duitse en Zwitserse onderliggende waarden, maar DB heeft ook uitgebreid naar onderliggende waarden uit de thuismarkten van Liffe. De partijen concurreren intensief op tarieven en dienstverlening. Een nieuwe marktdeelnemer van betekenis is onwaarschijnlijk. Zie overweging 477 e.v. en 1071 e.v.
(64) Overweging 1337.
(65) Overweging 1187.
(66) Overweging 1243.
(67) Overweging 1303.
(68) Overweging 1327.
(69) Overweging 1330.
(70) Overweging 1334.
(71) Overweging 1483.
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN
|
5.8.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 254/19 |
Door de lidstaten meegedeelde informatie betreffende sluiting van de visserij
2014/C 254/07
Krachtens artikel 35, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), is besloten de visserij te sluiten overeenkomstig de bepalingen in de onderstaande tabel:
|
Datum en tijdstip van sluiting |
15.7.2014 |
|
Duur |
15.7.2014 - 31.12.2014 |
|
Lidstaat |
Duitsland |
|
Bestand of groep bestanden |
SAN/2A3A4., SAN/234_1, SAN/234_2, SAN/234_3, SAN/234_4 |
|
Soort |
Zandspiering (Ammodytes spp.) |
|
Gebied |
Uniale wateren van IIa, IIIa en IV — de beheersgebieden 1, 2, 3 en 4 |
|
Vissersvaartuigtype(s) |
— |
|
Referentienummer |
19/TQ43 |
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
Rectificaties
|
5.8.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 254/20 |
Rectificatie van de bijwerking van de lijst van verblijfstitels bedoeld in artikel 2, punt 15, van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) ( PB C 247 van 13.10.2006, blz. 1 ; PB C 153 van 6.7.2007, blz. 5 ; PB C 192 van 18.8.2007, blz. 11 ; PB C 271 van 14.11.2007, blz. 14 ; PB C 57 van 1.3.2008, blz. 31 ; PB C 134 van 31.5.2008, blz. 14 ; PB C 207 van 14.8.2008, blz. 12 ; PB C 331 van 31.12.2008, blz. 13 ; PB C 3 van 8.1.2009, blz. 5 ; PB C 64 van 19.3.2009, blz. 15 ; PB C 198 van 22.8.2009, blz. 9 ; PB C 239 van 6.10.2009, blz. 2 ; PB C 298 van 8.12.2009, blz. 15 ; PB C 308 van 18.12.2009, blz. 20 ; PB C 35 van 12.2.2010, blz. 5 ; PB C 82 van 30.3.2010, blz. 26 ; PB C 103 van 22.4.2010, blz. 8 ; PB C 108 van 7.4.2011, blz. 6 ; PB C 157 van 27.5.2011, blz. 5 ; PB C 201 van 8.7.2011, blz. 1 ; PB C 216 van 22.7.2011, blz. 26 ; PB C 283 van 27.9.2011, blz. 7 ; PB C 199 van 7.7.2012, blz. 5 ; PB C 214 van 20.7.2012, blz. 7 ; PB C 298 van 04.10.2012, blz. 4 ; PB C 51 van 22.2.2013, blz. 6 ; PB C 75 van 14.3.2013, blz. 8 ; PB C 77 van 15.3.2014, blz. 4 )
( Publicatieblad van de Europese Unie C 118 van 17 april 2014 )
2014/C 254/08
Bladzijde 9, onder I, derde streepje, tweede alinea:
in plaats van:
„… (in Oostenrijk afgegeven tussen 1 januari 2003 en 1 januari 2006)”,
te lezen:
„… (in Oostenrijk afgegeven sinds 1 januari 2006)”.